meeting-commission
De samenwerking met Nederland voor luchtafweer De intentieverklaring met Nederland voor de aankoop van luchtafweersystemen De aankoop van NASAMS-luchtafweersystemen De aankoop van het NASAMS De inzet van de Gepard als luchtafweer Laserwapens Het NASAMS Het NASAMS-luchtverdedigingssysteem en de ontwikkeling van een meerlagige luchtafweer Mijnheer de minister, ik trap een open deur in wanneer ik zeg dat investeren in luchtafweer een absolute prioriteit is. Ik denk dat niemand hier dat betwist. We hebben een tijd geleden vernomen dat u van plan bent om daarvoor een samenwerking op te zetten met Nederland – een Europees land, collega’s van de PS – om een NASAM-systeem aan te kopen, een Noors systeem. Ook dat is Europees land, collega’s van de PS. Ik zie alleen maar voordelen in de samenwerking die u probeert op te zetten voor onze luchtafweer. Sowieso, als we samen kunnen aankopen, dan denk ik dat dit onze positie op de markt verstevigt, en dat we in principe ook goedkoper zouden kunnen aankopen. Het is bovendien goed om strategisch te spreiden. België is trouwens kampioen in het samenwerken. Onze Marine werkt al decennialang samen met Nederland. Onze Landmacht zal nu zeer intensief samenwerken met Frankrijk. Ook met Luxemburg zijn er al zeer intensieve samenwerkingen op allerlei niveaus. Onze Luchtmacht werkt dan weer eerder samen met de Verenigde Staten. Het zou inderdaad goed zijn dat we ook naar andere partners kijken wanneer het over andere capaciteiten gaat. Ik denk dat dit strategisch interessant is, dus daar zie ik ook nog een voordeel om op die manier te gaan werken. Luchtdefensie is per definitie gelaagd, van een very short range tot een zeer grote actieradius. Het is dus ook logisch dat men kijkt naar verschillende samenwerkingsverbanden. Zeker als het gaat over grotere afstanden – de verdediging tegen raketten, missielen enzovoort – kan men zich de vraag stellen of men dat wel alleen moet doen. Naarmate de actieradius van de capaciteiten toeneemt, lijkt het mij verstandiger om dat samen met andere landen te doen, gelet op de geografische situatie van ons land. We zijn geografisch niet zo groot; we zijn geen klein land, maar geografisch gezien lijkt samenwerking mij daar de evidentie zelf. Bijkomend had ik nog een vraag gesteld, mijnheer de minister, over het onderzoek naar de Gepards. U had in een andere commissie verteld dat u dit zou onderzoeken. We zijn daar nog niet dieper op kunnen ingaan. U had al meegedeeld dat dit geen optie was voor ons, maar ik had heel graag vernomen waarom, louter uit interesse. Wat betreft de aankoop van de NASAM-systemen, acht u het haalbaar om effectief, zoals u eerder in de media hebt verklaard, in 2027 al capaciteiten in plaats te kunnen stellen? Dank voor uw antwoorden. Mijnheer de minister, collega Weydts heeft de situatie goed geschetst. U hebt recentelijk een akkoord met Nederland ondertekend voor de gezamenlijke aankoop van luchtverdedigingssystemen, NASAMS uit Noorwegen. De aankoop van luchtverdedigingssystemen is absoluut een van de no-brainers, zaken die we absoluut moeten doen, waar ik het geregeld over heb. U doet dus een goede stap. Als we ter zake dan nog met Nederland samenwerken, kan ons land alleen maar profiteren. Welke afspraken zijn er gemaakt met Nederland inzake beheer, onderhoud, training en operationele coördinatie? Is de Belgische defensie-industrie bij het project betrokken? Hoe past het gezamenlijke project in de bredere NAVO-plannen voor geïntegreerde luchtverdediging? Waarom is er gekozen voor de Noorse fabrikant? Wordt er ook gekeken naar interoperabiliteit met systemen van buurlanden als Frankrijk of Duitsland? Collega Weydts heeft het ook gehad over de gelaagdheid van de luchtverdediging. Ik meen dat we opkomende technologieën zeker niet uit het oog mogen verliezen. Ik heb het dan over laserwapens. Laserwapens zijn blijkbaar een opkomende technologie in de defensiesector. De Amerikaanse Defensie is daarmee aan het experimenteren. U bent zinnens stappen vooruit te doen in het onderzoek ernaar en in de ontwikkeling ervan en daar elk jaar zeker een bedrag voor vrij te maken. De inzet van laserwapens ter verdediging tegen de dronedreiging moeten we absoluut meenemen in onze gelaagde verdediging tegen allerlei soorten dreigingen in de lucht. Wat is de stand van zaken in de ontwikkeling van laserwapens? Zijn het onderzoek naar en de ontwikkeling van laserwapens in België toegelaten? Indien niet, waarom niet? Worden er initiatieven ondernomen om een productielijn van laserwapens naar België te halen, bijvoorbeeld in samenwerking met een aantal lokale bedrijven, gespecialiseerd in lasertechnologie? Wordt dat soort wapens op dit moment al door bondgenoten geïntegreerd in de militaire doctrine? Behoort dat soort wapens tot de toekomstige herbewapening van de Belgische strijdkrachten? Mijnheer de minister, zoals mijn voorgangers reeds hebben aangegeven, is de ondertekening van het principeakkoord met Nederland voor de aankoop van NASAMS voor luchtafweer zonder twijfel een belangrijke stap. Na jaren zonder grondgebonden luchtverdediging is het positief dat België eindelijk investeert in de bescherming van ons luchtruim. Ik heb wel nog enkele vragen omtrent de kostprijs, de afhankelijkheid en de industriële return van he project. Het gaat om een miljardeninvestering voor negen systemen, waarbij ook de raketten zelf zeer kostelijk zijn. Dat is een zware factuur voor een systeem dat voor een aanzienlijk deel steunt op Amerikaanse technologie, met radars van Raytheon en raketten van Amerikaanse makelij. Wanneer we spreken over Europese defensiesamenwerking en strategische autonomie, wringt dat toch enigszins. Ik vernam bovendien dat we tijdelijk raketten zouden moeten gebruiken uit Polen, wat niet meteen vertrouwen wekt in de leveringszekerheid. Er zouden gesprekken lopen met FN Herstal over lokale productie van raketonderdelen, maar ik heb tot op heden nog geen Vlaamse industriële component horen vermelden in dit dossier. We beschikken nochtans over sterke spelers op het vlak van radar, sensoren en ruimtevaarttechnologie. Hoe zult u garanderen dat het miljardenproject niet uitsluitend het buitenland ten goede komt, maar ook winst oplevert op het vlak van Vlaamse innovatie, werkgelegenheid en kennisontwikkeling? Hoe past de beslissing bij de ambitie om de defensiecapaciteit op een snelle, maar duurzame en Europese manier uit te bouwen? Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur had een prominent oppositielid terecht veel kritiek op het volledig ontbreken van luchtverdediging. We mochten dat niet te luid roepen, omdat dat onze eigen zwakte blootlegt aan de buitenwereld. Het is echter wel de harde realiteit, die dat oppositielid toen op af en toe scherpe wijze blootlegde. Het is dan ook goed dat u onmiddellijk werk hebt gemaakt van de luchtverdediging met het aangehaalde princiepsakkoord. Ik reken erop dat ik op mijn ingediende vragen een antwoord zal krijgen en kijk alleszins uit naar uw antwoorden. De verdere uitbouw van de luchtverdediging te beginnen met het princiepsakkoord vormt een essentieel onderdeel van ons defensieapparaat. We bespreken hier een heel belangrijk dossier. De collega's hebben al een aantal pertinente vragen gesteld. In de vraag die ik heb voorbereid, vindt u alle elementen terug die mijn collega’s al hebben geformuleerd. Luchtverdediging is een prioriteit; dat staat ook in de verschillende strategische plannen. Daarnaast blijft samenwerking met de buurlanden voor onze fractie een duidelijke prioriteit. We zijn dan ook tevreden dat dat vertaling krijgt in de ondertekening van het princiepsakkoord voor de aankoop van luchtafweersystemen. Ter aanvulling vernam ik graag wat het exacte tijdspad is voor het dossier en wanneer de investering operationeel zal zijn. Tout d'abord, nous constatons que la presse s'est dernièrement fait l'écho de la commande du système NASAMS. Il s'agit d'une première capacité minimale qui pourra être réceptionnée en 2027. Cet achat se concrétisera au travers d'un contrat avec les Pays-Bas, comme les collègues l'ont précisé tout à l'heure. Il permettra une mise en œuvre plus rapide ainsi que, certainement, un partage de l'expertise et des connaissances des Pays-Bas. Cette acquisition représente une belle avancée dans le cadre du développement et de la mise en place d'une capacité de défense anti-aérienne multicouches. Nous pourrons ainsi combler le trou qui existe actuellement dans la couche moyenne. Toutefois, quelques questions se posent sur ce dossier. Quand pourra-t-on avoir une première capacité opérationnelle, et une capacité opérationnelle complète? Où en sont les négociations pour les retours sociétaux? Par ailleurs, nous devrons encore compléter notre défense des couches inférieure et supérieure. J'aimerais avoir des précisions sur la couche inférieure notamment: que savons-nous de la protection qui sera accordée au territoire dans la couche inférieure? L'ensemble du territoire sera-t-il couvert par le système NASAMS et qu'en sera-t-il pour la couche inférieure, comme demandé ci-dessus? L'un de mes collègues a mentionné les lasers. La Défense s'appuie-t-elle ou compte-t-elle s'appuyer sur la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS)? Des recherches sont-elles effectuées dans les nouvelles technologies liées à la défense anti-aérienne? Serait-il possible que la Belgique doive s'équiper d'une meilleure défense en canons, au-delà de ce qui est prévu pour la protection des sites de défense anti-aérienne? Zoals voorzien in de Strategische Visie zal België tijdens de huidige legislatuur investeren in een meerlagig luchtverdedigingssysteem, voornamelijk om het nationale grondgebied te beschermen, met een focus op gevoelige infrastructuur. De regering heeft zich uitgesproken voor een versterkte samenwerking op dat vlak binnen de Benelux. Onlangs werd een intentieverklaring ondertekend met Nederland, die de principes vastlegt van een versterkte samenwerking op het vlak van geïntegreerde luchtverdediging. Die intentieverklaring vormt het startpunt voor een nauwere samenwerking met Nederland en op termijn mogelijk ook met Luxemburg. Luxemburg heeft nog niet beslist. Ik blijf sterk aandringen bij mijn collega, maar zij heeft nog niet beslist of zij in het NASAM-systeem stappen of voor een alternatief zullen kiezen. Dat is nog niet beslecht. Ik zal naar de Luxemburgse beurs gaan. Eurosatory is het niet, ik ben even de naam aan het zoeken. Daar zullen we het later over hebben. Tot nu toe zijn ze nog niet aan boord, spijtig genoeg, want dat is wel degelijk de bedoeling. Het is uiteraard hun beslissing. Ik denk dat zij ook kijken naar Franse systemen. In die zin zullen verdere gesprekken nodig zijn. De precieze invulling van het beheer, het onderhoud en de training moet nog verder worden uitgewerkt, maar het is duidelijk dat wordt gestreefd naar een nauwe samenwerking en gedeelde capaciteiten. Het radarsysteem is niet Amerikaans. De NASAM-systemen van Nederland zijn uitgerust met een Nederlands Thales-radarsysteem. Een projectteam binnen de defensiestaf werkt momenteel concreet aan de aankoop van tien short-to-medium range Norwegian Advanced Surface-to-Air Missile Systems, NASAMS. Het gaat om luchtverdedigingssystemen via Nederland. Nederland beschikt sinds 2024 over een contract voor dat systeem bij de Noorse firma Kongsberg Defence & Aerospace (KDA), waarbij België kan aansluiten en zo het aankoopproces aanzienlijk kan versnellen, maar ook kan profiteren van de bestaande expertise en operationele kennis van de Nederlandse krijgsmacht. Outre cet achat via les Pays-Bas, nous avons aussi opté pour la location temporaire d'un système livré directement par le fabricant norvégien afin que notre pays dispose, dès le second semestre de 2027, d'une capacité minimale permettant de démarrer la formation. In tweede semester van 2027 zullen we dus NASAMS-luchtafweergeschut hebben. La livraison des dix systèmes que nous achetons sera ensuite étalée sur les années suivantes, afin de poursuivre le développement du système de défense aérienne multicouches. De plus, les Pays-Bas passent eux-mêmes une commande supplémentaire, ce qui renforce l'approche commune. Le système NASAMS constituera la couche de base au sein du bouclier de défense aérienne multicouches et sera intégré au système intégré de la défense aérienne et antimissile de l'OTAN. Cette architecture a été conçue pour assurer une défense coordonnée de l'espace aérien européen dans le cadre de l'OTAN. L'interopérabilité avec les partenaires de l'OTAN est donc un principe fondamental de ce projet. De keuze voor NASAMS door de regering is mede ingegeven door de reeds bestaande samenwerking met Nederland op het vlak van luchtverdediging met gevechtsvliegtuigen via het Benelux Quick Reaction Alert-verdrag. In de toekomst kan het systeem potentieel worden uitgebreid met een grondgebonden luchtverdedigingscomponent, wat logisch is gezien de gemeenschappelijke dreigingsrichting en -aard. Door de samenwerking met Nederland streeft Defensie naar verdere integratie van Europese componenten binnen het programma, in lijn met het breder streven naar een versterking van de Europese defensiesamenwerking. De munitie biedt voordelen door de synergie met de F-35. Het betreft dezelfde missiles. Dat zijn inderdaad Amerikaanse missiles, maar u weet dat we bekijken of we ze eventueel in Europa kunnen produceren, misschien in België of Nederland. Er loopt momenteel een competitie, dus dat moet nog worden beslist. De compatibiliteit met reeds gebruikte munitietypes, evenals de beschikbaarheid op korte termijn, maken die keuze pragmatisch en strategisch verantwoord. Industriële participatie en maatschappelijke return zijn vanaf het begin geïntegreerd in de projectontwikkeling. Hoewel de onderhandelingen nog lopen, zullen Belgische bedrijven worden betrokken bij zowel productie- als ontwikkelingselementen op lange termijn. Het gaat niet alleen over Waalse bedrijven, ook Vlaamse bedrijven zitten mee in dat productieproces. Dat kan betrekking hebben op assemblage, onderhoud of levering van essentiële onderdelen, evenals op de verdere evolutie van alle NASAMS-systemen wereldwijd. De Strategische Visie Defensie 2025, deze ochtend goedgekeurd in de commissie, voorziet een bedrag van ongeveer 2 miljard euro voor het korte- en middellangeafstand luchtafweersysteem. Dit bedrag maakt het mogelijk om tijdens de periode van de Strategische Visie te voorzien in de aankoop van tien systemen, inclusief lanceerinrichtingen, radars, steunmaterieel, voertuigen, een initiële stock wisselstukken en een initiële opleiding. De aankoop van de initiële munitievoorraad ter waarde van 1,1 miljard euro zal de komende jaren met werkingsmiddelen worden gefinancierd, wat het totale budget op ongeveer 3,1 miljard euro brengt voor een volledig NASAM-systeem met voldoende munitie. De totale kostprijs van het NASAMS-project omvat de verwerving van materieel, steunmaterieel, een initiële stock wisselstukken, initiële opleiding en initiële voorraad munitie, aangevuld met een beperkte bijdrage aan de initiële ontwikkelingskosten van het systeem. Naast het materiële luik zijn er echter nog andere essentiële aspecten die moeten worden ingevuld om een volledig operationeel wapensysteem te realiseren, zoals de verwerving, opleiding en kwalificatie van personeel. Door de ontmanteling van de Belgische luchtafweereenheden meer dan twintig jaar geleden beschikt Defensie momenteel niet over de vereiste kennis en operationele expertise binnen dat domein. Ook dat element vormt een belangrijke reden waarom een initiële implementatie voor 2027 niet haalbaar is. Om het Belgisch luchtverdedigingsschild te vervolledigen en optimaal te integreren in het breder Europees netwerk zal in het kader van de strategische visie naast de aankoop van tien firing units voor korte en middellange afstand een meerlagige luchtverdedigingscapaciteit in een latere fase worden aangevuld met drie long-range firing units . Het gaat onder meer om Patriots, SAMP/T en een Koreaans systeem. Het Gepardsysteem was ooit effectief tegen laagvliegende dreigingen, maar de Belgische Gepards, die jaren geleden uit dienst zijn genomen, voldoen niet meer aan de huidige eisen. De beslissing om de Gepards niet te integreren in onze luchtafweer is gebaseerd op een combinatie van operationele en strategische factoren. De Gepard is niet compatibel met de gekozen NASAMS-structuur en mist toekomstgerichte capaciteiten. De munitie wordt niet meer geproduceerd en Airbusmunitie vereist nieuwe lopen, wat de operationele effectiviteit verder beperkt. Het wordt niet meer gemaakt. De lopen moesten dan worden vervangen. Ik had gevraagd om dat te bekijken. Par ailleurs, la réserve territoriale sera dotée de systèmes Very Short Range Air Defence system (VSHORAD) de type Skyranger destinés à assurer la protection du territoire contre les menaces aériennes au niveau des couches inférieures. Wij zullen dus Skyrangers aankopen, die worden geproduceerd door Rheinmetall , een Duitse producent. Er is nog niets ondertekend. Ik heb wel overleg gehad met Duits collega-minister Pistorius, maar er is nog niets getekend, ook geen principeovereenkomst. Normaal gezien zullen wij echter Skyrangers aanschaffen. Tijdens onze Duits-Belgische Defensie-Industriedag werd onder meer een project voorgesteld waarin heel wat bedrijven, zeker ook satelliet- en radarbedrijven, interesse tonen en willen meewerken. Bij laserwapens zijn het hoge energieverbruik en mogelijke collaterale schade de voornaamste uitdagingen. Onderzoek naar laserwapens is in België niet verboden, ook niet voor militaire toepassingen. Niet-lethale laserwapens bestaan reeds in beperkte vorm. Wel moet altijd worden voldaan aan de nationale wetgeving en de internationale verplichtingen. Volgens de informatie waarover ik beschik, zijn er momenteel geen concrete plannen voor een productielijn van laserwapens in België. Er is wel interesse en beperkte samenwerking op onderzoeksniveau. De Belgische industrie kan in principe een rol spelen, maar een en ander bevindt zich nog in een heel vroeg stadium. Sommige landen nemen laserwapens reeds op als potentiële kinetische middelen tegen drones. Ook NAVO-documenten erkennen die mogelijkheid. Laserwapens kunnen in principe deel uitmaken van de toekomstige Belgische herbewapening. Ze bieden een lage kostprijs per inzet en kunnen efficiënt worden ingezet tegen goedkope drones. Er zijn wel enkele kanttekeningen te maken bij de operationele inzet. Laserwapens zijn met name minder geschikt bij slechte weersomstandigheden, bij laaghangende bewolking, mist of neerslag. België volgt de ontwikkelingen niettemin van nabij op. Onze innovatiedienst onder leiding van de dronegeneraal onderzoekt welke mogelijkheden er zijn op het vlak van lasertechnologie. Wij zijn nog niet waar wij moeten zijn op het vlak van lasertechnologie. Ik volg het dossier van nabij want het interesseert mij heel sterk. Het is een bijzonder interessant dossier. Dus, de bottomline.luidt als volgt. Er komen NASAMS met één systeem in de loop van het tweede semester van 2027. Er komen de komende jaren ook tien bijkomende aankopen, met name Skyrangers. Wij voorzien NASAMS in het middensegment, Skyrangers en Piorun in het lagere segment. In het hogere segment wordt nog gekozen tussen Patriots of SAMP/T. Dat moet nog nader worden onderzocht. Daarvoor is een studie gevraagd aan de Luchtmacht. Die studie zal tegen de zomer beschikbaar zijn, zodat een definitieve keuze kan worden gemaakt. Ik zal daarmee ook naar het Parlement komen. Wij zullen de defensie-industrie maximaal proberen te betrekken. Ik maak geen communautair onderscheid. Dat speelt voor mij geen rol. Wij zullen er echter wel op toezien dat ook heel veel Vlaamse bedrijven kunnen deelnemen. Wij hadden trouwens ook een Turks-Belgische Defensie-Industriedag die eveneens een groot succes was. Dat was bij Agoria. Dat verloopt goed. Het is zeker niet zo dat uitsluitend Waalse bedrijven betrokken zijn. De meest bekende ondernemingen zijn Waals, zoals FN Herstal, dat iedereen natuurlijk kent. Er zijn echter ook heel veel Vlaamse bedrijven die hoogwaardige technologie ontwikkelen. Ze zijn alleen minder bekend. Daarom zijn ze echter niet minder performant. Dat is dus de bottom line up front of de BLUF. Dat heb ik ook geleerd; blijkbaar noemen ze dat zo. In mijn infraplan wil ik dat heel graag in Oost-Vlaanderen plaatsen. Ik zou van Ursel een luchtmachtbasis willen maken met de focus op luchtverdedigingssystemen. Mijn infraplan is nog niet goedgekeurd door de regering, maar ik houd daaraan vast en ik voel me zeer gesterkt door het Parlement, dat een resolutie heeft aangenomen over een kazerne in Oost-Vlaanderen. Dat was Geraardsbergen, maar die piste is dood. Dus ik hoop dat dat kan doorgaan. Ik had een goed contact met de vorige burgemeester van Aalter, zoals we wel weten, maar ook met de huidige burgemeester verloopt dat prima, dus ik denk dat het een goed systeem is. Er is wel wat natuur en er is een petitie met heel wat handtekeningen, maar ik ben ervan overtuigd dat we daar een goede oplossing voor kunnen vinden waarbij de twee perfect hand in hand kunnen blijven gaan. Ik wil daar onmiddellijk op inpikken. Ik ben er ook van overtuigd dat defensie en natuur perfect kunnen samenwerken. Ik heb destijds de mooiste stukjes natuur in ons land gezien op militaire domeinen. Dat meen ik echt. Militaire domeinen zijn per definitie minder toegankelijk voor het grote publiek en daardoor is er fauna en flora te zien die men soms nergens anders meer vindt. Ik hoop dan ook oprecht dat dat lukt. Van mijn kant krijgt u steun, al hoop ik dat ik daarmee mijn vicepremier niet afval. Wat betreft de plaatsing van de NASAMS. Dat is gepland voor het laatste semester van 2027. Dat klinkt veraf, collega's, maar het is in werkelijkheid zeer nabij. Als u erin slaagt om die in zo’n korte termijn op te stellen, dan hebt u goed gewerkt en verdient dat alle lof. We zullen dat uiteraard vanuit het Parlement verder opvolgen. Het is echter helemaal niet evident om dergelijke complexe systemen, waar zeer veel vraag naar is, te verwerven. Heel wat landen zijn op zoek naar snelle luchtafweersystemen. Ik wens u veel succes daarmee. Ik had nog twee kleine bijvragen, mocht dat mogelijk zijn. Is er al beslist op welk platform we de Skyrangers eventueel zouden plaatsen? U schudt van nee? Dan heb ik antwoord op mijn vraag, mijnheer de voorzitter. En tot slot, heeft de Mistral nog een plaats in dit gelaagde luchtafweersysteem? Daarover heb ik u niets horen zeggen, maar als ik me niet vergis, hebben we al Mistralcapaciteiten aangekocht en zullen we die nog verbeteren. Exact. Dank u, mijnheer de minister, voor uw uitgebreid antwoord. Omdat u nu zelf over dat kwartierenplan begint, u hebt een aantal keer op mijn vraag geantwoord dat u daar nog voor het einde van het jaar mee naar het Parlement zou komen. De tijd dringt stilaan. Ik kijk er in ieder geval naar uit. (…) Op de regering heb ik helaas geen impact, mijnheer de minister. Wat luchtafweersystemen en gelaagdheid betreft, denk ik inderdaad wel dat u al heel wat stappen vooruit hebt gezet. Dat is zeker een goede zaak. Zoals ik al zei, is dat een van de no-brainers in onze investeringsportefeuille. Naast die munitievoorraad, is dat is absoluut iets dat we moeten aanschaffen en moeten hebben. U zit daar dus zeker op de juiste piste en u hebt daarvoor mijn steun. Wat laserwapens betreft, is het goed dat we dit opvolgen. Het is positief dat ook de dronegeneraal daarbij betrokken is en dat hij dat zeker in de ontwikkelingsfase nauw opvolgt, want het zou weleens kunnen dat er nog wat kinderziektes in zitten en dat er nog stappen vooruit moeten worden gezet. Het zou sowieso goed zijn dat we eens in de lead zitten op het vlak van nieuwe technologie en dat we daar eventueel samen met een aantal andere landen een frontrunner kunnen worden. De dronedreiging is immers niet weg. We zullen alle opties moeten openhouden om die drones op een zo veilig mogelijke manier te kunnen neutraliseren, en dan kan die lasertechnologie misschien wel een van de mogelijke manieren zijn. Wordt dus vervolgd. Bedankt voor uw antwoord. Ik hoor dat u inzet op een snelle realisatie, en dat is uiteraard een goede zaak. Nu we miljarden gaan investeren in die luchtverdediging, moet dat toch ook dienen om onze eigen technologische en industriële basis te versterken. Ik hoor dat u bekijkt om ook hier te produceren. Ik hoop dan ook dat de Vlaamse bedrijven en onderzoeksinstellingen volwaardig worden betrokken. Het is toch de bedoeling dat deze investering niet enkel een symbolisch inhaalmanoeuvre is, maar echt een hefboom wordt voor strategische autonomie in Vlaanderen en in Europa. Mijnheer de minister, ik wil me aansluiten bij de woorden van steun van de collega's met betrekking tot de aanpak. Ik wil nog even inzoomen op uw uitsmijter. Gelukkig dat ik u op de valreep nog opnieuw het woord verleende. U zei dat u in uw kazerneplan overweegt om de luchtverdediging in Ursel mee vorm te geven en dus aan de Luchtmacht te denken als het gaat over de kazernes in Oost-Vlaanderen. Collega's, ik wil eraan herinneren dat mijn resolutie, die vorige legislatuur werd goedgekeurd, inzoomde op de provincie Oost-Vlaanderen, omdat dit echt braakliggend terrein is. De piste van Geraardsbergen is, gezien de veelheid van problematieken, verlaten. Dat is een goede zaak. Mijnheer de minister, in uw kazerneplan – waarnaar wij allemaal uitkijken – schrijft u in om Ursel uit te bouwen. Dat is heel goed. De betrokkenheid van de Luchtmacht is ook heel goed, met bijzondere aandacht voor zowel de natuur als de mensen en het lokale bestuur. Het is belangrijk om alle betrokkenen mee te hebben in het verhaal. In mij hebt u een bondgenoot, maar het is ook belangrijk dat de omgeving mee is. De strijd tegen drones Het C-UAS-droneteam De hulp van buurlanden in de strijd tegen drones De buitenlandse militaire steun tegen de dronedreiging De lessen uit Oekraïne in de strijd tegen drones De inzet van buitenlandse counterdroneteams Het NASAMS-luchtverdedigingssysteem en de ontwikkeling van een meerlagige luchtafweer De samenwerking tussen de NAVO- en de EU-lidstaten in de strijd tegen drones Monsieur le ministre, le 7 novembre dernier, le Conseil des ministres a trouvé un accord de principe sur un plan de financement de 50 millions d’euros destiné à la lutte contre les drones. Si aucune décision définitive n’a été prise, j’ai pris connaissance, aujourd'hui, d’un article de presse annonçant que vous auriez déjà réalisé une commande de l’ordre de 2 millions d’euros, ce qui ferait de vous l’un des ministres les plus réactifs. Nous n’étions pas d’accord tout à l’heure, mais sur le plan des drones, je salue votre action. Monsieur le ministre, la presse évoque des achats de radars bas niveaux, de brouilleurs et d’armes portatives de neutralisation de type drone gun . Pouvez-vous nous détailler de manière précise la liste du matériel soumise au Conseil des ministres? À quel moment une décision définitive sera-t-elle prise, en tenant compte des actualisations intervenues depuis que j’ai posé ma question? Ma seconde question porte sur la manière dont le gouvernement entend garantir la rigueur et la transparence de ce processus d’acquisition. J’ai en effet appris que la Turquie pourrait potentiellement figurer parmi les partenaires capables de fournir des solutions rapides face à cet enjeu majeur. Vous décrivez d’ailleurs Ankara comme un ami et un allié au sein de l’OTAN. Pourriez-vous préciser vos intentions à ce sujet? Allez-vous solliciter l’Agence de soutien et d’acquisition de l’OTAN, qui, comme vous le savez, fait actuellement l’objet de vives critiques en raison du scandale qui la touche? Des achats auprès d’autres entreprises basées sur le sol européen sont-ils envisagés? Un recours à un programme européen en la matière est-il étudié? Un programme de la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS) est-il également étudié? En séance plénière, j’ai pu interroger le ministre de l'Intérieur, Bernard Quintin, suite aux survols de drones près de plusieurs entités critiques, dont l’aéroport de Bruxelles-National et celui de Liège. Le ministre de l’Intérieur a expliqué vouloir s’appuyer sur les moyens renforcés de l’armée, laissant entendre que les 50  millions d’euros mobilisés en urgence par la Défense à ce sujet seraient également utilisés pour la protection des sites civils. Que pouvez-vous nous dire à ce propos? Cela signifie-t-il que les 50 millions d'euros destinés à la lutte anti-drones pour sécuriser nos infrastructures militaires profiteront aussi aux polices fédérale et locales, dont c’est la compétence première? Mijnheer de minister, de geschiedenis van het drone ‑ incident, ondertussen al enkele weken geleden, zal ik niet opnieuw vertellen, want die kennen we allemaal. Mijn vraag gaat specifiek over de co ö rdinatie tussen Defensie, de politie en de luchthavenautoriteiten. In de pers lazen we dat die samenwerking beter kon worden georganiseerd. Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen over hoe u dat in de toekomst ziet, hoe u de coördinatie en de commandovoering tussen Defensie, de federale politie, de luchthavenautoriteiten en andere betrokken diensten wilt optimaliseren. Ik denk dat dat absoluut nodig is. We hebben ook nog buitenlandse hulp gekregen. Hoe ziet u dat geheel evolueren, om toekomstige drone ‑ incidenten op een effici ë nte en accurate manier aan te pakken? Mijnheer de minister, de problematiek is al meermaals geschetst, dat ga ik niet opnieuw doen. Het gaat mij vooral om de coördinatie en de samenwerking. Het slechtste wat men kan doen, is de paraplu’s opentrekken en verklaren tot waar de bevoegdheid van Defensie reikt en waar de bevoegdheid Binnenlandse Zaken begint. Bij zo’n hybride vorm van dreiging moet men aan hetzelfde zeel trekken en is eenheid van commando noodzakelijk. Gezien de investeringen in de defensieportefeuille in hybride oorlogsvoering en counterdronesystemen, vind ik dat dat bij Defensie moet liggen en dat Defensie daarin de lead moet nemen. In tussentijd zijn er heel wat stappen gezet. Er is het NASC, waardoor de samenwerking tussen Binnenlandse Zaken, Mobiliteit/skeyes en Defensie zou moeten verbeteren. We hebben ook hulp van buitenlandse partners gekregen, van buurlanden Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Mijnheer de minister, hoe verloopt die samenwerking en ondersteuning, in de eerste plaats met Binnenlandse Zaken, skeyes/Mobiliteit met betrekking tot de luchthavengebieden, maar ook met de defensiediensten van de buurlanden? Op welke manier zullen zij helpen om belangrijke civiele doel te beschermen, zoals luchthavens en nucleaire sites? Wordt Binnenlandse Zaken daarbij betrokken en welke rol spelen de politiediensten? Is de samenwerking met de defensiediensten van de buurlanden alleen gericht op militaire sites, of wordt ook samenwerking en coördinatie voor het gehele grondgebied bekeken? Een tweede vraag gaat over de lessen die we hebben getrokken of nog aan het trekken zijn uit de oorlog in Oekraïne en de strijd tegen de drones. Als er één klein voordeel schuilt in de gruwelijke oorlog met de Russische agressor, is het wel dat er een gigantische technologische en innovatieve vooruitgang op het gebied van drones is geboekt. We kunnen bijzonder veel leren van Oekraïne in hoe zij drones en counterdronetechnologie tegen de Russische agressor inzetten. Mijnheer de minister, welke concrete lessen hebt u reeds getrokken voor de Belgische defensie uit de inzet van onbemande systemen door Rusland in Oekraïne? Op welke manier wordt samengewerkt met civiele actoren om een coherente verdediging tegen dergelijke dreigingen op te zetten en permanent te verbeteren? Zijn er rechtstreekse contacten of samenwerkingen tussen Belgische militairen of de Belgische defensie-industrie en Oekraïense militairen en de Oekraïense defensie-industrie? Hoe wordt nagedacht over het versnellen van aankoopprocedures? Hebt u daarvoor bijvoorbeeld al overleg met de Inspectie van Financiën gehad? Mijnheer de minister, intussen lijken de drone-incidenten, althans voor de publieke opinie, in het verleden te liggen, maar niet voor ons. Er verschijnen geen mediaberichten meer over dronemeldingen, niet boven militaire bases en niet boven luchthavens. Voor de publieke opinie lijken die meldingen als sneeuw voor de zon te zijn verdwenen. We zouden daaruit allerlei conclusies kunnen trekken, maar dat zou voorbijgaan aan de essentie van het debat, dat bijzonder belangrijk blijft. Nochtans was er een hele reeks waarnemingen van drones boven militaire bases en civiele sites. Recente drone-incidenten boven de luchthavens van Zaventem en Bierset hebben geleid tot een tijdelijke stillegging van het luchtverkeer. Dat veroorzaakt vanzelfsprekend aanzienlijke economische schade. Er werd gekozen voor een discrete inzet van defensie, in samenwerking met andere veiligheidsdiensten, de politie en ook met buitenlandse militaire teams uit Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Daarover gaat mijn vraag. Die buitenlandse partners zullen niet alleen technische ondersteuning bieden, maar mogelijks ook, zo stelde u, lacunes in ons eigen detectie- en neutralisatiecapaciteitssyteem blootleggen. Dat wij hulp inroepen van het buitenland, terwijl de politie reeds beschikt, zo vernemen we recent, over een gespecialiseerd anti-droneteam dat drones kan neerhalen of vangen, wekte recent in de media hier en daar enige verbazing. U hebt daar al kort op geantwoord in de plenaire vergadering, maar ik heb toch nog een aantal vragen. Mijnheer de minister, kunt u concreet de opdracht van de Belgische Defensie toelichten op de luchthavens van Luik en Zaventem? Wat zijn de rules of engagement van Defensie? Kunt u ook toelichten welke concrete ondersteuning de buitenlandse partners Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk momenteel op het terrein leveren, zowel qua capaciteiten, middelen, inzetlocaties als duur? Wat zijn ter zake de rules of engagement ? Welke kosten zijn daarmee verbonden en hoe worden die tussen de verschillende partners verdeeld? Welke concrete tekortkomingen in onze eigen anti-dronecapaciteiten worden door de buitenlandse teams opgevuld? Heeft hun werkwijze of inzet invloed op het recent in dit Huis goedgekeurde counter-droneplan en moet het plan worden bijgestuurd? Hoe zijn de samenwerking en communicatie verlopen met het gespecialiseerde droneteam van de politie? Waar ziet u knelpunten voor toekomstige communicatie? Worden momenteel middelen of capaciteiten uitgewisseld tussen Defensie en dat team? Zo nee, waarom niet? Mijnheer de minister, over heel het dronegegeven is al zeer veel gezegd en geschreven. Er is ook heel wat onzin over verkondigd en gepubliceerd, zowel door zelfverklaarde experts op sociale media, wat men hen misschien niet kwalijk kan nemen, als door personen van wie men toch enige expertise in het domein zou mogen verwachten. Dat maakt uiteraard deel uit van de strategie van wie daar ook achter zit. Nogmaals, waarschijnlijk zullen we nooit exact de vinger kunnen leggen op de oorsprong, maar net dat was ook de bedoeling. Het gaat dus niet over spionage, maar over het tegen elkaar opzetten van mensen, aantonen dat men dingen kan testen en mensen kan pesten, zoals ik het eerder heb genoemd. Collega’s, ik vind het een vorm van solidariteit dat buitenlandse droneteams ons zijn komen versterken. Dat is waar Europa voor staat, dat is waar de NAVO voor staat. We are NATO . Wij helpen elkaar wanneer dat nodig is. Dat is absoluut geen schande voor ons land. Integendeel, dat is een vorm van solidariteit op het vlak van onze collectieve defensie. Mijnheer de minister, mijn vraag sluit daarbij aan. Hoe evalueert u de inzet van die buitenlandse militairen op ons grondgebied? Ik begrijp dat bepaalde aspecten mogelijk niet voor deze openbare vergadering bestemd zijn, maar dan kom ik daar zeer graag op terug tijdens de besloten vergadering van de commissie voor de Opvolging van militaire missies, indien dat nodig is. Ik dank u nu al voor uw antwoord. Mijnheer de minister, ik heb eveneens een vraag ingediend over de antidronetechnologie en het dronelab in Geel. Mijn vraag was later ingediend. Intussen zijn de vragen samengevoegd tot een actualiteitsdebat. Ik weet niet of over het dronelab in Geel al informatie beschikbaar is. (…) In dat geval zal ik mijn vraag niet nu, maar op een later moment stellen. Wensen nog collega’s aan te sluiten bij de vragen in het actualiteitsdebat? (Nee) Geachte Kamerleden, over drones is inderdaad al veel gezegd. Ik wil toch nog eens herhalen wat ik ook reeds bij een vrijdaguitzending van De afspraak heb gezegd. Soms werd beweerd dat alles fake was en dat er helemaal geen drones hebben gevlogen. Dat is absoluut niet correct. Een commissie met verschillende ministers zou een en ander normaal dit jaar onderzoeken, maar dat zal niet lukken. Het zal dus volgend jaar gebeuren. Ik besef dat dat laat is, maar de agenda’s zijn niet altijd goed op elkaar af te stemmen. Aan het einde van het jaar zijn er allerlei activiteiten, zoals de tour van vorige week naar Afrika en volgende week in Europa, voor de kerstcadeaus en om onze militairen te bedanken. Dat maakt de agenda nog voller. Het zal dus pas in januari plaatsvinden. Achter gesloten deuren zal er een briefing komen met meer details, maar dat kan en zal ik niet in deze openbare vergadering bespreken, ook al omdat dat onder OPSEC valt. Ik kan wel bevestigen dat er effectief drones zijn waargenomen, zowel op de radar als visueel door mensen van de wacht. Het ging niet om vliegtuigen of een ster. Op een bepaald moment waar er heel veel meldingen. Mensen zagen ze vliegen. Wat was er gebeurd? De luchthaven van Zaventem werd gesloten na een dronemelding. Alle aankomende vliegtuigen kwamen vanuit het oosten, over Oost-Brabant, waar ik woon, en Limburg, en bleven daar ongeveer een half uur laag rondcirkelen met de lichten aan. Op dat moment kregen we heel veel meldingen van drones. Het was donker en alle vliegtuigen vlogen laag, wat natuurlijk vragen opriep. Dat waren geen drones, maar vliegtuigen. Die situatie heeft wel veel dronemeldingen met zich meegebracht. Er zijn echter wel degelijk drones waargenomen. Wat sommigen beweren, dat er nooit drones zijn geweest, is absoluut onjuist. In de commissie achter gesloten deuren zal ik verder kunnen toelichten op basis waarvan we dat hebben kunnen waarnemen. Het is daarnaast een hardnekkige misvatting dat alle drones plots verdwenen zijn. Ik lees dat heel vaak. Er was sprake van 50 miljoen euro, en ineens, hocus, pocus, pats, zijn alle drones weg. Zo is het dus niet verlopen. De luchthaven van Zaventem is overigens twee of drie dagen geleden nog gesloten geweest vanwege een dronemelding. In het Nederlandse Volkel is er een flying object geweest, een drone in de lucht, waardoor de F-16's zelfs in QRA zijn gegaan. Drones zijn dus niet verdwenen. Het is soms redelijk hallucinant wat er allemaal op sociale media circuleert, maar ik kan dat alleen maar tegenspreken. Ieder moet maar zijn eigen mening vormen; dat is voor mij allemaal geen probleem. Onze troepen hebben concrete steun gekregen van Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Wie precies wat en hoe heeft geleverd, licht ik niet toe in een publieke commissie. Dat zouden de betrokkenen niet appreciëren, dat begrijpt u wel. In een besloten commissie kan ik verder toelichten wat al is gebeurd en wat nog bezig is, en dat zal ik dan ook zeker doen. Wat de 50 miljoen euro betreft, daar zijn we volop mee bezig. We beschikken over beperkte capaciteiten, maar nu komt er wel wat extra bij. Monsieur Lacroix, c’est une bonne question. Vous avez raison sur un point; je ne le nie pas. Je pense qu’il est important de dire que les 50 millions sont davantage pour la défense, pour la protection des quartiers militaires. Nous avons quelques quartiers assez importants, comme vous le savez. Mais cela n’implique pas qu’il n’y a pas de possibilité de collaborer avec la police. De plus, le grand plan anti-drones prévoit l’arrivée d’un tender en 2026, pour un demi-milliard d’euros à peu près. C’est prévu dans la vision stratégique. Une capacité policière y est spécifiquement liée. Ook de politie zal dus bestellingen plaatsen via ons antidronecontract, en wij zullen haar dat materiaal leveren. Zo bestellen we niet dubbelop: we doen het in één keer, zodat beide over capaciteiten kunnen beschikken. Wat betreft de luchthaven, wij zijn daar geweest met onze special forces. Dat is gebeurd. Er waren heel duidelijke rules of engagement . We zijn opgeëist door de politie. Zo gaat dat. Zo staat dat in de Politiewet. Ik weet wel dat verschillende mensen zeggen: wat is dat nu voor een belachelijke discussie; werk toch samen. Ik wil samenwerken, maar ik kan niet zomaar militairen ontplooien. Mocht ik dat zomaar met een vingerknip doen, zou ik wel een aantal vragen krijgen. Ik zou dan immers moeten verantwoorden waarom ik gewoon militairen op straat plaats zonder duidelijk opvordering. Bepaalde regels dienen gevolgd te worden. De luchthaven – niet de militaire luchthaven van Melsbroek maar de civiele luchthaven – is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de luchthavenuitbater, en ook voor de politie. Als de politie dan aan Defensie vraagt om te komen helpen, zullen wij komen helpen. Dat hebben we dan ook gedaan. In die zin is er zeker geen onwil geweest, integendeel. Ik wil ook mijn verantwoordelijkheid niet wegduwen. Dat iedereen naar elkaar wijst, is niet mijn bedoeling. Ik wil mijn verantwoordelijkheid wel opnemen, maar ik neem niet zomaar de verantwoordelijkheid op over zaken waarin ik niets te zeggen heb. Dat zou nogal raar zijn. Ik weet dat het misschien overkwam als: wat is dat voor een discussie; werk gewoon samen. Samenwerking was wel degelijk de bedoeling, maar we moeten natuurlijk wel bepaalde regels volgen. Ik zal kort mijn antwoord overlopen. Een gedetailleerde uiteenzetting van de huidige 'as is'- en de toekomstige 'to be'-oplossing inzake dronebestrijding werd gegeven in de vergadering van 22 oktober van de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. Daarbij werd geduid dat de intermediaire oplossing compatibel zal zijn met de toekomstige 'to be'-oplossing, namelijk het systeem van systemen. Een verdere uitleg van de beoogde systemen kan om operationele veiligheidsredenen niet worden gecommuniceerd, maar zal ik toelichten in de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen, en ook in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. De dronedreiging van de afgelopen maanden, de steun van buitenlandse detachementen aan Defensie, de specifieke inzetregels, alsook het gebruik van een C-UAS-team van de politie, kunnen eveneens wegens operationele veiligheidsreden enkel besproken worden in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. De inzet van middelen van geallieerde naties op het Belgisch grondgebied is een voorbeeld van Europese en NAVO-solidariteit, zoals de heer Weydts terecht stelde. Ik wist niet van het bestaan af van dat C-UAS-team van de politie. Ik ben geen minister van Binnenlandse Zaken. Ik heb dat moeten lezen. Het enige wat ik me afvraag is, aangezien dat effectief bestaat, waarom dat team niet heeft gemeld dat het over alles beschikt. Dat vond ik wat raar. Maar nogmaals, ik wil niemand met de vinger wijzen. Dat is een zaak voor Binnenlandse Zaken, geen zaak voor mij. Ik heb mijn handen vol met andere dingen. Ik zal daar voor de rest geen commentaar op geven. Ik mag hopen dat alles ondertussen volledig lined is en dat iedereen klaarstaat om te helpen als dat nodig is. Les enseignements que nous pourrons tirer de cette coopération seront bien entendu partagés avec les États membres de l’Union européenne et de l’OTAN ou par le biais de contacts bilatéraux. Dergelijke inzet gebeurt kosteloos en indien nodig neemt Defensie de kosten voor huisvesting en voeding voor haar rekening. De voorbije maanden hebben alvast aangetoond dat de informatiedoorstroming tussen alle betrokken actoren beter kan en moet. Ons land beschikt formeel al over een National Airspace Security Center (NASC) dat werd opgericht door de vorige regering als interdepartementaal informatieknooppunt voor luchtvaartincidenten. In de praktijk zijn echter nog niet alle departementen in dat interdepartementaal centrum vertegenwoordigd, waarvoor Defensie de gastheer is op het Control and Reporting Centre (CRC) in Beauvechain. De term luchtvaartincidenten dekt veel meer dan enkel het counterdrone-gebeuren. De recente gebeurtenissen hebben nogmaals duidelijk gemaakt waarom zo’n centrum absoluut noodzakelijk is. Het komt er nu op aan om dat NASC verder te operationaliseren en hiervoor voldoende personeel in te zetten, zodat informatie beter en sneller kan worden gedeeld. Dit was onder meer het onderwerp van een vergadering in Beauvechain op 8 december 2025, met vertegenwoordigers van de betrokken kabinetten en diensten, waaronder het kabinet van Binnenlandse Zaken en de geïntegreerde politie. Alle relevante lessons identified en lessons learned worden structureel geïntegreerd om toekomstige operaties te versterken. Daarnaast onderzoekt Defensie op dit moment in welke mate zij haar capaciteiten geïntegreerd kan inzetten in een comprehensive approach om de algemene dronedreiging en, bij uitbreiding, de hybride dreiging het hoofd te bieden. De nodige aandacht gaat hierbij naar de coördinatie en de commandovoering tussen de betrokken stakeholders. De oorlog in Oekraïne toont onmiskenbaar dat drones en antidronetechnologie een cruciale rol spelen in moderne conflicten als aanvulling op traditionele wapensystemen. Goedkope, commercieel beschikbare UAV’s hebben het slagveld transparanter gemaakt, waardoor klassieke doctrines deels achterhaald zijn. Innovatie is daarom geen optie, maar een noodzaak. C’est pourquoi l’un des objectifs stratégiques de la vision stratégique porte sur ce thème. L’innovation permet d’anticiper les combats du futur. Oekraïne verdedigt zich met een gelaagde aanpak: jamming , interceptor drones en luchtafweer. Zijn kracht ligt in snelle adaptatie, binnen weken, niet jaren. Voor België betekent het dat we moeten evolueren naar een systeem van systemen, met korte innovatiecycli en flexibele doctrines. Tegelijk moeten we beseffen dat niet alle lessen uit Oekraïne een op een toepasbaar zijn op onze context. De Belgische omgeving vraagt bijzondere aandacht voor collaterale schade en juridische kaders. Le 7 novembre, le Conseil des ministres a approuvé un premier achat urgent de systèmes destinés à renforcer rapidement nos capacités de lutte contre les drones. Cet achat se concentre sur l'extension des systèmes portables déjà utilisés au sein de la Défense et sur le renforcement de nos moyens de détection et de traitement des données. Parallèlement, un marché public est en cours de préparation pour la mise en place d'un partenariat stratégique innovant, CUAS, dans le but de mettre à disposition et de faire évoluer une capacité de lutte contre des drones avec une large gamme de capteurs et d'effecteurs en fonction des exigences opérationnelles et des développements technologiques. Cette approche systémique offre aux instituts de recherche et aux entreprises belges la possibilité de proposer et d'intégrer leurs solutions. Les budgets DIRS seront utilisés pour développer des solutions innovantes dans le cadre de ce partenariat. La Défense mènera elle-même ce processus et ne fera pas appel aux services de la NSPA. Il s'agira d'un accord-cadre avec un consortium d'entreprises pour une durée initiale de 12 ans. En application de l'article 346 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, un ancrage local en Belgique sera requis dans le consortium afin de créer une autonomie stratégique pour assurer une protection maximale de nos intérêts essentiels de sécurité dans le domaine du CUAS. Seules les firmes des pays de l'Union européenne et de l'OTAN seront autorisées à introduire leur candidature. De regering heeft ook beslist dat Defensie, met haar middelen voor interne veiligheid, de federale politie zal ondersteunen in de strijd tegen UAS ( unmanned aircraft systems ), dus drones. Het type middelen op het vlak van counter-UAS waarover Defensie momenteel beschikt en in de toekomst wenst te beschikken, zal, indien dat opportuun is, ook aan de federale politie worden aangeboden. Andere behoeften zullen, waar mogelijk, eens worden opgelijnd. De taskforce Drones en Innovatie zal fungeren als katalysator en doctrine, technologie en opleiding met elkaar verbinden in een continu feedbackproces. Belgische bedrijven en kennisinstellingen spelen daarin een centrale rol, samen met de Europese Unie, de NAVO en civiele partners. Dat grote programma komt er dus aan; we zijn daarmee bezig. De bedoeling is dat er telkens minstens één Belgisch bedrijf bij betrokken is. Turkse bedrijven zijn zeker geïnteresseerd en bovendien zeer performant. Ik heb een aantal ondernemingen gezien op de Defensie-industriedag. Nadien vond een receptie plaats op de Turkse ambassade, waar ik daarover ook ben aangesproken. Er komt een economische missie naar Turkije en in juli vindt een NAVO-top plaats in Ankara. Er zijn heel veel geïnteresseerde bedrijven. Vermoedelijk zullen ook alle grote concerns een dossier indienen.. Hopelijk hebben we daardoor ruime keuze en kunnen we een zeer geschikte partner selecteren, zodat de Algemene Directie Material Resources (DG MR) ook niet te veel kopzorgen heeft. Dat is nodig, want het gaat om veel geld en het betreft hier een van de capaciteiten van de toekomst. Ik vind dat elke operator met drones zou moeten kunnen werken, zeker het Special Operations Regiment (SOR). Ik heb dat ook in Gabon tegen onze militairen gezegd. Iedereen zou dronepiloot moeten kunnen zijn. Mijn bedoeling is dan ook dat elke eenheid met drones kan werken. De doctrine moet worden aangepast. Jongeren, zoals mijn eigen zoon, zijn heel vaardig in gaming. Ik ga er dus van uit dat zij met een speciale bril probleemloos met een drone kunnen vliegen. Ik zie daar eerlijk gezegd geen grote moeilijkheden, dat zal wel lukken. In Oekraïne kan bijna elke militair drones besturen. Ik heb met een Oekraïense SOF (Special Operations Forces) gesproken; die militairen kunnen zonder probleem zeven à acht soorten drones besturen en doen dat voortdurend. Het is indrukwekkend om te zien hoe vlot ze daarmee werken. Dat houdt hen overeind aan het front. De wapensystemen lijken wel uit de film Mad Max . De filmpjes ervan in Drone Wars op Instagram doen de mond openvallen van verbazing; het is mind-blowing . Dank u wel voor dat stukje productplacement. Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Comme je vous le disais dans ma question, souvent je vous critique. Or là, je dois quand même vous féliciter; il y a quand même un homme qui pilote quelque chose ici en Belgique. Et, au niveau des drones, c'est vous. Vous me confirmez qu'à travers vos compétences et les budgets qui vous sont dédicacés, vous agissez à travers les 50 millions qui ont été libérés en urgence. Une commande a effectivement été passée auprès d'une firme australienne pour un montant, non pas de deux millions d'euros, comme je le disais tout à l'heure, mais de pratiquement trois millions d'euros. Vous me rassurez aussi quand vous dites que, pour les 500 millions d'euros qui seront consacrés à la lutte anti-drones, un consortium européen doit exister avec un ancrage belge si possible et en tout cas des commandes qui feront en sorte de préserver l'autonomie stratégique de l'Union européenne. Pour tout cela, je vous félicite. Je remarque simplement qu'en principe, dans le pilotage de l'avion, il devrait y avoir une deuxième personne: le ministre l'Intérieur. Le ministre MR, M. Quintin, est singulièrement absent, puisque, lorsque les drones sont arrivés sur notre territoire, on a demandé au soldat Francken de mettre à disposition les moyens dont il disposait en oubliant simplement – vous avez été très poli, très diplomate –, qu'il existait une unité anti-drones au sein de la même police fédérale. C'est donc quand même assez farfelu qu'on fasse appel aux soldats, alors qu'il existe une unité au sein de la police fédérale. Par ailleurs, le ministre de l'Intérieur répète urbi et orbi que les moyens qui sont dédicacés dans les 50 millions d'euros serviront également à la police fédérale. Vous reprécisez que vous êtes à disposition, mais que ce n'est en fait pas votre rôle. Je considère dès lors que le ministre de l'Intérieur doit se battre davantage dans le cadre des éléments et des débats budgétaires pour faire en sorte d'équiper sa police fédérale, tout comme il doit se battre également pour avoir un maximum de policiers dans les rues, de manière à ne plus devoir demander aux militaires de faire le job des policiers fédéraux. Ces derniers ne demandent pas mieux que de le faire, mais ils sont aujourd'hui trop peu nombreux. Mijnheer de voorzitter, ik verontschuldig mij dat ik het antwoord van de minister niet heb gehoord, maar ik moest even een kwartiertje in de commissie voor Financiën en Begroting aanwezig zijn om daar een betoog te houden. Geen probleem. Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Wanneer ik zeg dat Defensie de lead op zich moet nemen, dan is dat niet omdat ik vind dat u uw verantwoordelijkheid niet neemt. Allesbehalve, ik heb dat zelfs in De ochtend gezegd. Het gaat om een gezamenlijk probleem, maar ik vind wel dat Defensie de leiding moet hebben, omdat de expertise, de middelen en het materieel grotendeels bij Defensie liggen. Ik wil daarmee Binnenlandse Zaken of de politie zeker niet uit de wind zetten, maar het moet mij ook van het hart dat – ik geef collega Lacroix daarin gelijk – op dit moment de minister van Binnenlandse Zaken achter de feiten blijft aanlopen. Ik heb hem zeer graag – hij is van mijn zusterpartij, of van die van u, want daar bestaat ondertussen al wat twijfel over – maar hij blijft achter de feiten aanlopen en ik vind dat bijzonder jammer. Het gaat immers over de luchthaven van Zaventem. Gisteren heeft de minister van Mobiliteit, Jean-Luc Crucke me geantwoord dat er 95 geannuleerde vluchten waren op 4 en 5 november, op die paar uur tijd. De economische schade, los van de angst en de onrust die wordt gezaaid, is gigantisch voor de tweede grootste economische pool van ons land, met veel jobs in Vlaanderen, in Vlaams-Brabant. Laten we dus aan hetzelfde zeel trekken en roep ook de minister van Binnenlandse Zaken in de regering tot de orde, zodat hij actie onderneemt. Ik hoop eerlijk gezegd dat we naar een eenheid van commando kunnen gaan, waarbij Defensie de leiding krijgt, zodat er één aanspreekpunt is dat uiteraard gecoördineerd samenwerkt met alle veiligheidsdiensten. Ik geef u ook gelijk dat alle veiligheidsdiensten, van eender welk niveau, binnenlands of buitenlands, met drones moeten kunnen werken. Daar hebt u mijn steun voor en betrek aan de regeringstafel in ieder geval alle veiligheidspartners bij de aanpak van de problematiek. U onderstreepte ook dat we echt moeten leren van Oekraïne. Ik denk dat het een stap voorwaarts zou zijn, indien wij met de Europese Unie, en met België eventueel apart, een strategisch partnerschap met Oekraïne sluiten, met de industrie daar en ook met het leger, zodat zij ons kunnen helpen en begeleiden zodat die innovatieve technologie ook in Europa voet aan wal krijgt. Dat zou zowel economisch voor Oekraïne als innovatief voor ons een stap vooruit zijn in een periode waarin Oekraïne bijzonder hard afziet. Denk daar goed over na en probeer dat op Europees niveau te trekken, zodat wij een strategisch partnerschap in verband met de dronedreiging en innovatie met Oekraïne zouden kunnen sluiten. Mijnheer de minister, dank voor uw antwoorden, die deels een herhaling zijn van wat u al in andere commissievergaderingen zei. Het debat dateert inmiddels van enige tijd geleden, maar blijft onverminderd actueel. U bevestigt dat de dreiging door drones een belangrijk debat vormt, dat de nodige ernst verdient en dat drones in de komende jaren een wezenlijk onderdeel zullen vormen voor zowel onze bewapening als de beveiliging van ons luchtruim. Daarnaast spelen ze ook een rol in onze operationele inzet, zowel in binnen- als buitenland. U noemde het terecht een capaciteit van de toekomst. Het is ook goed dat u de opleiding van ons personeel wilt bijsturen. U hebt echter geen toelichting gegeven over de concrete inhoud, de inzet, de rules of engagement , noch over de capaciteit die door buitenlandse partners wordt overgenomen. U hebt wel nog maar een deeltje prijsgegeven wat het kostenplaatje betreft: er zouden dus geen bijkomende kosten verbonden zijn aan de inzet zelf, maar er zouden wel kosten zijn voor onder andere het verblijf en de catering. Ik blijf dus nog op mijn honger. Dat had ik kunnen verwachten. Ik begrijp wel waarom u niet meer details in een openbare vergadering geeft. Het is nu eenmaal mijn taak om ernaar te vragen en we zullen daar in de komende vergaderingen onder ander van een gemeenschappelijke commissie daar na Nieuwjaar op terugkomen. Wat de samenwerking met de counterdrone-unit van de federale politie betreft, u klaagt dat u het verwijt krijgt dat u met de vinger hebt gewezen. Vingerwijzing of niet, wat gebeurd is, is gebeurd. We kunnen er alleen van leren. U stelt terecht dat het een verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken is, maar mijn vraag betrof de toekomstige aanpak. Tussen de regels door lees ik dat het departement Binnenlandse Zaken tekortschiet in de samenwerking met Defensie en dat het eens te meer Defensie is, die bijstand wil bieden aan de federale politie ter ondersteuning van het counterdroneactieplan. Er is dus duidelijk werk aan de winkel. Ik reken daarbij op u, maar zeker ook op uw collega van Binnenlandse Zaken. U moet hem nogmaals aanspreken op de concrete coördinatie. Daar hebben we bijzonder weinig van geleerd. De manier waarop de verscheidene partners op het terrein het dossier hebben behandeld, mogen we gerust geklungel noemen. Defensie moet dus echt een coördinerende rol op zich nemen. Ik kijk eveneens uit naar de verdere informatie die we volgende week achter gesloten deuren zullen ontvangen. Ik heb er alle begrip voor dat hier vandaag niet alles kan worden meegedeeld. Ook wij vinden de integratie van de capaciteit drones en counterdrones in onze defensie een prioriteit, waar we hard aan moeten werken. Alle militairen, vanaf het niveau van de eenheden tot op brigadeniveau, bij de Landmacht, Marine en de Luchtmacht, moeten zich met drones vertrouwd maken. Dat is een no-brainer. De toekomst van SCAF Het SCAF-project De toekomst van het FCAS-project Het FCAS-project De problemen binnen het FCAS-programma Het FCAS-programma De toekomst van het FCAS-programma en de opties voor België België en het FCAS-project In een van de vorige vragensessies kwam het SCAF-programma ook al aan bod, toen naar aanleiding van de trieste uitspraken van de CEO van Dassault, de heer Eric Trappier. Nu zien we ook Duitsland zich heroriënteren. Als ik goed geïnformeerd ben, plaatsen de Duitsers nu ook serieuze vraagtekens bij het SCAF-programma. Dat er donderwolken boven dat programma hangen, is ondertussen een understatement, mijnheer de minister. Volgens onze Strategische Visie zetten we er evenwel hard op in en ik sta daar ook volledig achter. Het ontwikkelen van een Europees alternatief als opvolger voor de vijfde generatie fighterjets is een absolute noodzaak. Alleen ben ik niet meer overtuigd dat het ooit nog SCAF zal worden. Als we de ontwikkelingen in het buitenland volgen en zien hoe de Fransen zich momenteel opstellen ten aanzien van andere Europese partners, lijkt het me niet echt een succesverhaal te worden. Mijn vraag is dan ook hoe wij ons daartoe moeten blijven verhouden. Zullen we andere strategische keuzes moeten maken of wachten we nog even af? In de mate van het mogelijke had ik daar graag van u al meer informatie over gekregen. Mijnheer de minister, de laatste tijd ontvangen we opnieuw berichten over het SCAF-project, het Frans-Duitse initiatief dat moet leiden tot het Europese gevechtsvliegtuig van de zesde generatie. Het zou de technologische ruggengraat van de toekomstige Europese luchtverdediging worden, maar nu lijkt het gekenmerkt door groeiend wantrouwen en blokkeringen tussen Parijs en Berlijn, zowel op industrieel niveau tussen Dassault en Airbus, als op politiek niveau. We horen zelfs scenario’s waarbij het project zou worden teruggebracht tot de zogenaamde Combat Cloud , dus zonder een Next Generation -toestel. Dat zou in de praktijk neerkomen op een amputatie van de oorspronkelijke ambitie, terwijl er al miljarden in dit project zijn geïnvesteerd. In 2023 zijn wij als waarnemer in het SCAF gestapt, met een groot financieel engagement van 360 miljoen euro tot 2030. De regering presenteerde dat toen als een strategische positie die onze industrie toegang zou geven tot een toekomstig Europees luchtgevechtssysteem. Vandaag lijkt dat landschap echter te eroderen en zowel Duitsland als Frankrijk overwegen alternatieven of andere paden. De samenhang waarop wij ons hadden georiënteerd, staat daardoor zwaar onder druk. Ik vraag mij af hoe u die spanningen tussen Frankrijk en Duitsland beoordeelt. Zit er een risico in het gezamenlijk project, geheel of gedeeltelijk? Loopt het vast of wordt het project volledig uitgekleed? Welke impact heeft dit voor ons? Is het nog verantwoord om daar middelen in te steken en onze verwachtingen te blijven koppelen aan een project waarvan de contouren vaag worden? Welke voorzorgen of alternatieve scenario's worden binnen Defensie voorbereid, mocht blijken dat dit programma verder fragmenteert of dat de partners elk hun eigen weg gaan? Dit is een belangrijke vraag, zeker in het licht van de actualiteit van de voorbije dagen en het veiligheidsrapport van de administratie-Trump. Zoals de minister zei, wordt Europa daarin een spiegel voorgehouden. Het is belangrijk dat Europa daadwerkelijk, niet alleen in woorden maar ook in daden, werk maakt van strategische autonomie en een eigen sterke Europese defensiepijler. Het is jammer te zien dat dit rond het SCAF-project moeilijk blijkt te realiseren, terwijl de twee belangrijkste landen binnen Europa voor een strategisch project hun beperkte nationale belangen niet opzij kunnen zetten om te werken aan een sterk Europees project. Hoe zou u de huidige stand van zaken rond het SCAF-project omschrijven? Welke gevolgen heeft dit voor ons land, en specifiek voor de financiële bijdrage van 300 miljoen voor onze positie? Heeft dit ook gevolgen voor de Belgische defensiebedrijven? Zijn daar in het kader van dit project al contracten afgesloten? Overweegt u alternatieven, bijvoorbeeld het Britse, Italiaanse of Japanse project? Onze premier heeft eerder voorgesteld om het SCAF- en het GCAP-project samen te voegen tot één sterk Europees project. Gelooft u daarin en wat is uw visie om tot één Europees project voor een gevechtsvliegtuig van de zesde generatie te komen? Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag. De recente berichtgeving over het Europese gevechtsvliegtuigprogramma SCAF schetst een zorgwekkend beeld. Wat jarenlang werd gepresenteerd als hét vlaggenschip van de toekomstige Europese defensiesamenwerking, dreigt nu ten onder te gaan aan industriële vetes, nationale reflexen en een gebrek aan vertrouwen tussen de hoofdpartners Frankrijk en Duitsland. België is sinds 2023 waarnemer in dit project. Hierbij de volgende vragen: Hoe schat U de huidige situatie binnen SCAF in? Wat is de impact van deze situatie op ons land als waarnemer en op onze defensie-industrie? Welke alternatieven ziet U voor SCAF indien dit project helemaal dreigt vast te lopen? Zijn er, sinds het laatste debat hierover, nog nieuwe ontwikkelingen? Wanneer wordt er een communicatie verwacht vanuit Frankrijk, Duitsland en Spanje? Op welke manier wordt ons land betrokken bij deze communicatie? Monsieur le ministre, ce qu'on peut lire dans la presse, notamment sur le projet SCAF, est inquiétant. Plusieurs des collègues viennent d'en parler. Toutefois, il semble que des questions directes se posent par rapport aux problèmes qui semblent insolubles, au vu des interactions entre les dirigeants de deux sociétés, entre autres. Malgré l'intervention des gouvernements, les partenaires Dassault et Airbus Defence and Space semblent incapables de s'entendre pour développer un système européen de sixième génération, pourtant essentiel pour notre autonomie stratégique en matière de défense et en matière industrielle. Les nouvelles de ces dernières semaines sont nombreuses. Le ministre français des Armées doute des capacités industrielles et technologiques allemandes dans ce domaine. Un député allemand influent demande l'arrêt du projet SCAF. L'Allemagne pourrait rejoindre le projet concurrent GCAP en cas d'échec du SCAF. Les déclarations foisonnent. Une réunion importante entre les ministres de la Défense allemand, français et espagnol aura lieu ce 11 décembre. Elle décidera peut-être de l'avenir du SCAF. En fait, ce débat aurait peut-être dû avoir lieu vendredi, cela nous aurait peut-être donnée une meilleure idée de l'état du projet. Néanmoins, mon parti a toujours supporté l'autonomie stratégique européenne. Le projet SCAF semblait et semble toujours être un élément essentiel de cette autonomie. Il faut aussi pouvoir garder plusieurs fers au feu, si nécessaire, spécialement quand un projet démontre une fragilité telle qu'on peut la constater aujourd'hui et aussi parce qu'il n'est pas certain que les acteurs du projet accepteraient de nous accueillir. Monsieur le ministre, avez-vous eu des contacts ou des informations supplémentaires sur les conditions de la participation de la Belgique au projet SCAF? Avez-vous eu des contacts avec les partenaires du projet GCAP? En cas d'échec du SCAF, quelle devrait être la stratégie de la Belgique? Mijnheer de minister, we staan voor een strategische keuze. Op dit ogenblik zijn Spanje, Frankrijk en Duitsland inhoudelijk bezig met de bespreking van het SCAF-project. België zou graag willen evolueren van observator naar volwaardige partner, ten belope van een investering van 300 miljoen euro. Die stap zou de Belgische defensie-industrie nauwer moeten verbinden met de Europese partners en toegang bieden tot geavanceerde technologieën rond het New Generation Fighter-programma en de digitale gevechtswolk. Tegelijkertijd klinkt er kritiek vanuit industriële spelers, waaronder Dassault Aviation, die vraagtekens plaatsen bij de Belgische deelname gelet op de eerdere keuze voor de Amerikaanse F-35’s. De Belgische regering heroverweegt daarom haar positie en zoekt een evenwicht tussen nationale belangen, industriële samenwerking en de noodzaak om de defensiecapaciteit binnen Europa te versterken. In de ingediende tekst heb ik tien vragen opgesteld, die ik zal bundelen in één algemene vraag. Welke rol ziet u momenteel voor België weggelegd in dit dossier? Geachte Kamerleden, SCAF, dat is een moeilijke zaak. België is observator en heeft daardoor niet heel veel te zeggen. Ik volg de evoluties, net als u. Mij werd meegedeeld dat er vóór het einde van het jaar een beslissing zal worden genomen door de drie betrokken landen, Duitsland, Frankrijk en Spanje. Ik heb dat ook met mijn collega’s besproken en probeer geregeld te peilen naar de stand van zaken. De antwoorden blijven echter wisselend. Het laatste wat ik heb vernomen, is dat men er voorlopig nog steeds voor zou gaan, maar dat dient nog bevestigd te worden. Ik verwacht daarover ook nieuws. Voorlopig zitten we op onze handen. Meer kan ik daar eigenlijk niet over zeggen. Ik beschik over een schriftelijk voorbereid antwoord, dat ik wel zal voorlezen. We hebben het stuur echter niet in handen. Het blijft dus afwachten. De vraag zal zijn wat er gebeurt indien het project niet doorgaat of indien het geen gevechtsvliegtuig oplevert. Dat is opgenomen in de Militaire Programmeringswet. Die wet vormt uiteraard een kader, zoals dat bij veel systemen het geval is. Indien bijvoorbeeld Kongsberg morgen zou beslissen geen NASAM-systemen meer aan België te verkopen, of indien de Nederlandse regering een weigering zou uitspreken, komen we eveneens in de penarie. Men moet altijd kunnen inspelen op de actuele situatie. Ik kan echter niet voorspellen hoe dat dossier verder zal evolueren. België is bereid om aan het SCAF-consortium te vragen om ons land als volwaardige partner op te nemen voor zover duidelijk kan worden aangetoond dat dat een meerwaarde oplevert op het vlak van maatschappelijke voordelen, de consolidatie van de sector en de versterking van de Belgische industriële en technologische defensiebasis. Indien die voorwaarden vervuld zijn, kan het eerder door de vorige regering goedgekeurde budgettair engagement van 360 miljoen euro tot 2029 dienen ter ondersteuning van een Belgische deelname aan Europese O&O-programma’s voor toekomstige Europese luchtgevechtscapaciteit. In 2024 werd daarvoor al een nationale O&O-oproep gelanceerd ter waarde van 60 miljoen euro, zodat Belgische bedrijven en onderzoeksinstellingen kunnen inspelen op relevante technologieën. De potentiële return voor de Belgische defensie-industrie ligt vooral in hoogtechnologische domeinen als aerostructuren, motoren, avionica, communicatie, cyber- en disruptieve technologieën. Les 300 millions d'euros prévus pour cette année ne sont pas engagés pour l'instant, compte tenu de l'incertitude qui plane sur l'orientation du projet. Si, à une date ultérieure, il s'avère opportun d'y participer, les moyens nécessaires seront prévus dans le budget de la Défense. Il est exact qu'au cours des derniers mois, le dialogue entre les industries françaises et allemandes, dans le cadre de ce programme, a été difficile. La Belgique maintient des contacts étroits avec l'Allemagne, la France et l'Espagne par les canaux diplomatiques, militaires et industriels afin de clarifier les positions et la valeur ajoutée pour notre pays. L'évolution de ce dossier est suivie de près par l'état-major de la Défense, l'Institut royal supérieur de défense et les attachés de Défense. Er bestaat momenteel dus duidelijk discussie tussen de oorspronkelijke oprichters van het programma. We volgen de situatie verder op en evalueren of FCAS in zijn huidige vorm overeind blijft. Mocht het programma uiteindelijk toch stopgezet worden door blijvende onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland, dan zal België zijn opties herbekijken. Ik zal daarover dan in dialoog treden met u en dan zullen we hier moeten bespreken wat we zullen doen. In elk geval dient benadrukt te worden dat België ambitie heeft. We kunnen het ons niet veroorloven om opnieuw niet in een ontwikkelingsprogramma te zitten, zoals bij de F-35, omdat wij daarmee alleen onszelf pijn doen. We proberen in een ontwikkelingsprogramma te zitten. Vandaar ook de keuze van de vorige regering voor FCAS. Hopelijk komt dat goed. We zullen zien. Mijnheer de minister, ik ben het volledig met u eens dat we het ons niet kunnen permitteren om niet van in het begin in het project in te stappen, zoals destijds in het Joint Strike Fighter-programma, het latere F-35-programma. Dat zou heel onverstandig zijn, zeker nu het over een Europees alternatief gaat. Wat dat betreft zitten we dus volledig op dezelfde lijn. Ik ben net als u benieuwd naar de volgende uitspraak van om het even welke partner in het FCAS-programma, maar eerlijk gezegd, ik zie het helaas niet rooskleurig in. Mijnheer de minister, dank voor uw antwoord. Ik blijf, net als u blijkbaar, toch met enkele bezorgdheden zitten. Wat u schetst, bevestigt eigenlijk het risico dat ik aanhaalde. De partners trekken elk aan een andere kant van het touw. Wij staan erbij, wij staan strategisch en financieel aan de zijlijn. Het lijkt me essentieel dat we een rode lijn trekken. Hoeveel onzekerheid kunnen we verdragen voordat we onze positie moeten herbekijken? Ik heb nog niet zoveel gehoord over concrete alternatieven, over scenario’s, over een waarnemersstatuut. Er is geen garantie op een toekomstig voordeel. Ik hoop dat we gauw meer informatie zullen krijgen, net als u blijkbaar, zodat we een strategisch onderbouwde keuze kunnen maken. Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Wat mij zorgen baart, is dat Europa nog niet alert genoeg is en zich er nog niet van bewust is dat er actie ondernomen moet worden. Ik hoop dat u samen met onze premier daarin een voortrekkersrol kunt spelen. België is een klein land. Het is founding father van de Europese Unie en van de Europese gedachte. Brussel is een knooppunt van de Europese diplomatie. Ik vind dat we, gelet op de voorbeelden die Belgische regeringsleiders en regeringen in het verleden opgenomen hebben, een tandje moeten bijsteken voor de Europese samenwerking. Ik hoop dat we ook met deze regering die rol kunnen opnemen. Ik meen dat dit meer dan ooit nodig is om de nationale belangen te behartigen. De grote landen moeten hun strategische projecten opzijschuiven. Ik hoop, en ik moedig u daarin aan, dat de Belgische regering en sterke rol kan spelen om de Europese projecten opnieuw op het juiste spoor te brengen. Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik heb daar eigenlijk maar een woord voor: gênant. Het is echt gênant hoe dit project verloopt. Industriële vetes, nationalistische reflexen, een gebrek aan vertrouwen, … Het is egotripperij aan beide kanten. Op een moment waarop ons continent ernstig en heel zwaar onder druk staat, niet alleen economisch maar vooral op veiligheidsvlak, slagen we er nog niet in om aan hetzelfde zeel te trekken om eventueel een Europees alternatief te realiseren binnen dit en tien jaar; misschien ten vroegste. Het leest als een slechte film, een slechte film zonder happy ending . Ik vind het schrijnend voor een continent dat zo onder druk staat en waar we veel actie moeten ondernemen om onze veiligheid terug op te krikken en onafhankelijker te worden van anderen, terwijl we blijven hangen in persoonlijke vetes. Dat is gênant. Ik volg het samen met u op. Ik hoop dat er toch nog een oplossing komt, en dat we aan hetzelfde zeel kunnen trekken en vooruitgang kunnen boeken in dit project. Als dat niet lukt, moeten we zo snel mogelijk het roer omgooien en van nul herbeginnen, maar dat zou absoluut een gemiste kans zijn en veel tijdverlies betekenen. Monsieur Lacroix, vous avez la parole. Monsieur le président, je vous remercie de me donner la parole. J'étais effectivement absent, car je me suis rendu en commission des Relations extérieures et puis je suis revenu dare-dare en comprenant qu'il y avait le débat sur le SCAF. Monsieur le ministre, je vous remercie pour les éléments de réponse que j'ai entendus. Deux mots peuvent résumer la situation: c'est affligeant et lamentable de la part de l'Europe, qui continue à ne pas avoir un centre de direction, ou de pilote dans l'avion qui dit que c'est comme ça qu'on doit travailler face aux périls qui nous menacent. Moi, à la place des Américains, à la place des Russes, à la place des Chinois, je me frotte les mains. Tant que l'Europe continue à se diviser pour des intérêts privés, c'est bingo: money for my industry and for my interest . Franchement, c'est affligeant et lamentable! Je suis heureux de voir que, malgré tout, vous ne vous découragez pas et que vous préservez les moyens budgétaires à la fois pour continuer à être observateur, mais également enclencher la démarche suivante qui est de participer véritablement à un projet d'avion du futur au niveau européen. Concernant les intérêts d'Airbus et de Dassault, j'espère que quelqu'un va siffler la fin de la récréation, et que le chancelier Merz et le président Macron ont suffisamment d'autorité sur ces entreprises privées. Nous savons qu'en tout cas en ce qui concerne Dassault des partenariats publics sont en jeu. Nous entrons dans une période très troublée, et la défense de nos valeurs et de notre territoire doit primer dans l'intérêt général. Les intérêts économiques sont une chose, mais les intérêts nationaux et les intérêts européens doivent aujourd'hui faire parler les entreprises dans un sens commun de solidarité. Merci pour votre action. Monsieur Lasseaux, vous avez la parole. Pas M. Dassault! Attention, pas de lapsus! C'est bien Lasseaux, en effet. Mijnheer de minister, U moet goed leren luisteren naar ons! Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et vos éclaircissements. Nous espérons beaucoup de la rencontre qui aura lieu demain entre les ministres espagnol, français et allemand. Nous serons très attentifs aux retours de cette réunion. Vous le savez, Les Engagés veulent plus d'Europe. Je partage néanmoins l'avis de mes collègues quant au fait qu'aujourd'hui cette Europe est en train de s'enliser dans des intérêts privés, plutôt que d'élaborer une vision beaucoup plus stratégique, avec plus de hauteur. C'est primordial dans les moments que nous vivons aujourd'hui. Nous sommes certes un petit pays, mais il a souvent été initiateur de grandes décisions, de grandes évolutions. Gardons cette idée-là! Maintenons ce cap-là! N'hésitons pas à sensibiliser nos pays voisins pour qu'enfin ils se ressaisissent et qu'ils mettent leur ego de côté pour sortir par le haut et revenir avec un projet commun qui permettra de défendre toute l'Europe. Militaire mobiliteit Een betere militaire mobiliteit De militaire mobiliteit en de oorlogsbestendigheid van onze spoorwegen De uitwerking van een Europese militaire Schengenzone De militaire mobiliteit De verbetering van de militaire mobiliteit Mijnheer de minister, in verschillende Europese landen worden de laatste jaren aanzienlijke investeringen gedaan in de uitbouw en modernisering van de wegen-, spoorwegen- en waterwegeninfrastructuur, rekening houdend met de noodzaak om militaire transporten vlot te laten verlopen. Ons land is bovendien een transitland, mede door zijn cruciale ligging. Dat moet dan ook een absolute prioriteit zijn voor onze Defensie en vooral ook voor onze mobiliteitsdepartementen. Er moet aandacht voor zijn er actie worden ondernomen. In uw beleidsnota gaf u aan dat een nationaal plan voor militaire mobiliteit zal worden opgemaakt. Het is dan ook schrijnend dat in Vlaanderen op dit moment slechts één wegenproject wordt opgestart waarbij die militaire reflex wordt gemaakt, namelijk de N49 tussen Damme en Maldegem. Dat is momenteel het enige project in Vlaanderen waarbij met militaire mobiliteit rekening wordt gehouden. Gelet op het plan dat in aantocht is en op de cruciale ligging van ons land, is dat mijns inziens veel te weinig. Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de opmaak van het nationaal plan inzake militaire mobiliteit? Welke rol speelt Defensie bij het identificeren van infrastructuurprojecten die van strategisch belang zijn voor de militaire mobiliteit in ons land? Wat vindt u van het feit dat momenteel slechts één project in Vlaanderen in opmaak of opgestart is? Acht u bijkomende weg-, spoor- of waterprojecten noodzakelijk om tegemoet te komen aan de Europese technische vereisten? Mijnheer de minister, ik trap een open deur in als ik zeg dat het hele Enablementverhaal een zeer belangrijk aspect vormt binnen onze collectieve defensie. België is, gelet op zijn geografische ligging op de kaart van Europa, een van de landen die de komende jaren aanzienlijke inspanningen zal moeten leveren. Voor de inhoudelijke antwoorden verwijs ik naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend. Ik wil daaraan toevoegen dat ik een bijkomende vraag heb ingediend over de militaire Schengenzone. Die vraag is in het actualiteitsdebat opgenomen, maar ik wil het benadrukken, gelet op het groot belang ervan. Ik heb daarbij gevraagd welke initiatieven momenteel worden genomen en in hoeverre België daar zijn schouders onder zet. We beschikken over zeer capabele mensen die zich daarvoor inzetten. Ik had graag vernomen hoever het daarmee staat. Mijnheer Weydts, uw beide vragen zijn alleszins opgenomen in dit actualiteitsdebat. Mijnheer de minister, militaire mobiliteit is een belangrijk onderwerp in de huidige geopolitieke context. Een nationaal plan daaromtrent werd aangekondigd. We zien op het terrein – we waren daar eerder dit jaar in Antwerpen zelf getuige van – dat een en ander vaak rimpelloos verloopt. Soms duikt echter ook bezorgdheid op, zoals recent in Nederland. Daar klonk ernstige bezorgdheid over de weerbaarheid van de spoorweginfrastructuur in oorlogstijd. Volgens een recent onderzoek kan een militair transport daar het spoorverkeer tot drie uur volledig lamleggen. De spoorwegen bleken bovendien niet oorlogsbestendig. Bruggen, tunnels en viaducten zijn, zo zei men in Nederland, onvoldoende berekend op grootschalig militair gebruik, wat de snelle verplaatsing van troepen en materieel in een crisissituatie ernstig zou kunnen hinderen. Bovendien is het spoor erg kwetsbaar voor cyberaanvallen en sabotage en zijn er te weinig rangeerterreinen voor laden en lossen. Dat is de situatie in Nederland. Dat roept de vraag op hoe het in België is gesteld met de militaire mobiliteit via het spoor. België speelt binnen de NAVO een belangrijke rol als host support nation en enabling nation , met als expliciet doel om militaire verplaatsingen door en naar ons grondgebied te faciliteren. U hebt terecht grote investeringen gekoppeld aan het verhogen van onze militaire mobiliteit. Ik heb daarover de volgende vragen. Hoe beoordeelt u, gezien de bezorgdheid in Nederland, vandaag de oorlogsbestendigheid van onze Belgische spoorwegen? Zijn de NMBS en Infrabel volgens u voldoende voorbereid op het transport van zwaar militair materieel in crisistijd? Welke concrete middelen of investeringen zijn sinds het begin van deze legislatuur vastgelegd om de militaire mobiliteit via het spoor te versterken? Zijn er specifieke projecten of prioritaire trajecten in uitvoering? Heeft de NAVO reeds richtlijnen of ramingen gegeven over de benodigde infrastructuur of het geraamde budget dat België daarvoor zou moeten voorzien om aan zijn verplichtingen als host support nation te voldoen? Tot slot, zal de regering, gezien de recente waarschuwingen uit Nederland, een evaluatie laten uitvoeren van onze spoorcapaciteit en interoperabiliteit met NAVO-partners in crisissituaties? Ik dank u alvast voor uw antwoorden. Mijnheer de minister, ik wil kort de vragen van de collega's over de militaire mobiliteit aanvullen. Enige tijd geleden heeft de Europese Commissie een strategie ontwikkeld rond militaire mobiliteit. Ik heb daarover een aantal vragen, aangezien Europa vraagt om in elke lidstaat een nationale coördinator aan te stellen om de militaire mobiliteit te optimaliseren. Mijnheer de minister, is binnen ons land al duidelijk wie die rol zal opnemen en wie de lead voor die taak zal nemen? We leven in een federaal land. Dat betekent dat ook de deelstaten, zeker op het vlak van mobiliteit, een belangrijke partner zijn. In welke mate worden zij betrokken? Geachte Kamerleden, Defensie onderschrijft de urgentie om de noodzakelijke transportinfrastructuurprojecten met een duaal karakter te ondersteunen en de impact op de militaire mobiliteit te verhogen. Daarvoor werkt Defensie reeds samen met de bevoegde infrastructuurbeheerders, de FOD Mobiliteit en Vervoer, de gewesten, Infrabel, de havens, enzovoort aan het in kaart brengen van alle noodzakelijke infrastructuurprojecten op de prioritaire mobiliteitscorridors die onder meer onze havens verbinden met de rest van Europa. Die analyse omvat zowel de noordelijke corridor richting Duitsland en Nederland als de zuidelijke corridor richting Frankrijk, Luxemburg en Duitsland. Het duaal karakter van dergelijke projecten betekent niet dat ze automatisch onder de noemer ‘militaire uitgaven’ vallen. Enkel het deel van het project dat aantoonbaar is of afscheidbaar is en voor puur militaire doeleinden wordt gerealiseerd, kan meetellen binnen de eerste korf die werd afgesproken op de top van Den Haag tijdens de zomer. Het andere deel valt onder korf twee, defensie- en veiligheidsgerelateerde uitgaven, dus die 1,5 %. Mede dankzij een positief advies van Defensie werd reeds voor 96 tot 97 miljoen euro aan EU-subsidies vanuit de Connecting Europe Facility toegekend aan vier Belgische infrastructuurprojecten, waarvan drie in Vlaanderen, één op de N49 in Maldegem en twee projecten om de spoorverbinding vanuit de haven van Antwerpen aan te pakken. Het klopt dus niet dat er maar één project is, het zijn er drie. Op 19 november kondigde de Europese Commissie haar Military Mobility Package aan, dat door middel van een bindend EU-regelgevend kader procedurele hindernissen wil wegnemen, procedures en regels wil harmoniseren, infrastructuur wil versterken en digitale systemen wil ontwikkelen om de militaire mobiliteit in Europa te faciliteren. Om de belangrijkste knelpunten, 500 hotspots op de prioritaire militaire mobiliteitscorridors, aan te pakken, voorziet de Europese Commissie 17,7 miljard euro voor de volgende CEF binnen het meerjarig financieel kader 2028-2034, een vertienvoudiging van het budget. Zoals gezegd zijn er drie projecten, niet één: het N49-project in Maldegem en twee spoorprojecten vanuit de haven van Antwerpen. Daarvoor hebben we een subsidie van 97 miljoen euro ontvangen. De lijst van knelpunten op de strategisch belangrijke corridors op ons grondgebied werd opgesteld in samenspraak met de administraties van de federale en deelstatelijke infrastructuurbeheerders en met de defensiestaf. De gedetailleerde lijst kan niet publiek worden meegedeeld. Die kunnen we eventueel in de commissie bekijken, maar niet publiek. Er zullen dus wel degelijk ingrijpende extra infrastructuurprojecten nodig zijn, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië. In het regeerakkoord en de Strategische Visie werd Defensie door de regering aangeduid om de leiding te nemen in de ontwikkeling van het Nationaal Verdedigingsplan en het Nationaal Enablementplan. Die plannen worden gezamenlijk uitgewerkt door Defensie, in samenwerking met de andere betrokken actoren en vertegenwoordigers van de federale en gefedereerde entiteiten. In dat kader wordt momenteel ook gewerkt aan de eerste versie van het Nationaal Actieplan voor Militaire Mobiliteit. Dat plan zal, boven op de noodzakelijke infrastructuurverbeteringen, een vereenvoudiging van de procedures voor militair transport omvatten alsook acties voor een snelle en vlotte planning en uitvoering van militaire transporten op ons grondgebied, zowel in vredestijd als in tijden van crisis of conflict. Dat plan zal rekening houden met de inhoud van het Military Mobility Package en met de voorstellen tot harmonisatie en optimalisatie die ontwikkeld worden binnen een multinationale samenwerking, waarvoor België samen met Nederland, Luxemburg, Duitsland, Polen, Litouwen, Tsjechië en Slovakije op 13 november een intentieverklaring heeft ondertekend voor een Central Northern European Military Mobility Area. Dat Nationaal Actieplan voor Militaire Mobiliteit zal worden opgenomen in het Nationaal Enablementplan, dat onze rol als ontvangst- en doorvoerland voor de NAVO-plannen zal beschrijven. Naast de bestaande top-downprojecten binnen de NAVO en de EU, zoals het PESCO-project voor militaire mobiliteit, heeft Defensie recent haar engagement verhoogd om, samen met gelijkgestemde naties, het voortouw te nemen om via regionale samenwerking sneller vooruitgang te boeken richting het objectief van een militair Schengen in Europa. Zo heeft onze Defensie op 13 november 2025, zoals ik al heb vermeld, samen met Nederland, Luxemburg, Duitsland, Polen, Litouwen, Tsjechië en Slovakije de intentieverklaring ondertekend voor een Central Northern European Military Mobility Area. Daarnaast zal België samen met Nederland, Duitsland en Polen het voortouw nemen om de aanbevelingen en best practices van die regionale aanpak te bespreken binnen zowel de EU- als de NAVO-context en te onderzoeken waar we een meerwaarde kunnen betekenen voor de militaire mobiliteit op het Europees continent. Het plan is dus bijna klaar. Over de tender voor onze logistiek hebt u misschien al gehoord. We zullen een hele grote logistieke tender uitschrijven. Er hebben al informatievergaderingen plaatsgevonden in Evere. Daar is heel veel interesse voor. Onze logistieke bedrijven behoren tot de top, dus dat is chique. Die tender zou tegen het einde van het jaar klaar moeten zijn. Ik zou dus eind dit jaar of begin 2026 een brief kunnen richten aan Mark Rutte, zeggende dat wij ons ding hebben gedaan, dat we klaar zijn en dat we indien nodig heel snel kunnen schakelen. Dat is ongeveer de timing. Defensie neemt in dezen de lead. Wat betreft het Weerbaarheidsplan, zijn wij dat niet, maar wel het Nationaal Crisiscentrum. Dat zit echter niet zo gemakkelijk. De regering heeft vorige week afgesproken om budgetten van Defensie te voorzien om bijkomende steun te geven bij de opmaak van het Nationaal Weerbaarheidsplan. Voor het Nationaal Enablementplan is Defensie de lead, net als voor het Nationaal Defensieplan. Voor het Nationaal Weerbaarheidsplan heeft het Nationaal Crisiscentrum van Binnenlandse Zaken de lead. Daar zijn echter te weinig personeelsleden voor aangesteld. Er is heel veel werk voor te weinig personeel, dus er komt versterking van Defensie. Dat werd twee weken geleden afgeklopt. Er is afgesproken dat 5 % van het budget van Defensie naar interne veiligheid gaat. De heli's voor de politie, die wij kopen, zitten daarin. Ook de Belgica zit daarin. Zo zijn er heel veel projecten opgelijst, zoals de drones en counterdrones van de politie, de ondersteuning van het Nationaal Crisiscentrum bij het opstellen van het Nationaal Weerbaarheidsplan, en Westakkers. Terwijl veel ministers op hun sjiek moeten bijten, heb ik heel veel geld gekregen. In het kader van de interne veiligheid hebben we met het budget van Defensie dus toch wat vooruitgang kunnen boeken in een aantal projecten. De voorwaarde is dat de projecten aanrekenbaar moeten zijn aan de NAVO. Het duoproject in Sint-Niklaas is daarvan een mooi voorbeeld. Dat is een masterplan van de federale politie, maar wij kunnen daar perfect aan meedoen. Het gaat om een schietstand, om drones en counterdrones en om slippistes. Dat hebben wij ook voor onze mensen nodig. In die zin kunnen we er een gezamenlijk project van maken en dan kunnen wij dat betalen. Dan gaat het eindelijk vooruit. Dan kan Peter Buysrogge ook aankondigen dat het asielcentrum daar dicht gaat. Sint-Niklaas heeft immers twee centra. Veel partijen, of zelfs de hele gemeenteraad, zeggen al jaren dat twee grote asielcentra voor één stad te veel is. Dat kunnen ze niet aan. In die zin is dat het compromis geworden. Twee weken geleden hebben we daarover op het kernkabinet tot vrijdagavond laat gesproken. Dat is vervolgens finaal uit de bus gekomen. Het National Enablement Plan is dus een heel belangrijk plan. Dat zal normaal gezien in orde komen. Dat is dus op te volgen. Mijnheer de minister, in alle neutraliteit wil ik u persoonlijk danken voor dat antwoord. Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Eén wegproject en drie projecten in totaal, waarvan twee spoorwegprojecten, dat is alvast goed. Het is beter dan ik initieel dacht. Het is absoluut noodzakelijk dat ook de regio’s, Vlaanderen en Wallonië, in dezen hun deel doen. De veiligheid van ons land is een gedeelde verantwoordelijkheid. Defensie is weliswaar een federale bevoegdheid, maar op Vlaams niveau wil men ook een Vlaams Defensieplan oprichten. Als de regio’s een steentje kunnen bijdragen, moeten ze dat in de eerste plaats op het mobiliteitsvlak doen. Ik ben blij dat dat toch voor een deel gebeurt. Voor het overige kijk ik uit naar het Enablementplan, dat in een afrondende fase zit. Het wordt opgevolgd. Ik kijk uit naar het resultaat. Mijnheer de minister, ik dank u eveneens voor uw antwoord. Het Enablementverhaal is heel belangrijk. Het is interessant om te vernemen dat 5 % van het geplande defensiebudget naar interne veiligheid gaat. Dat wist ik nog niet. Het stelt mij gerust dat het aan de voorwaarde van NAVO-aanrekenbaarheid moet voldoen; anders creëren we elders een probleem. U ziet waartoe vragen over militaire mobiliteit kunnen leiden. Het is goed dat de minister af en toe afwijkt van het voorbereid antwoord. Dank u daarvoor. Ik weet niet of men daar op het kabinet ook zo over denkt. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U stelt dat Defensie de noodzaak onderschrijft om de militaire mobiliteit op zoveel mogelijk vlakken te ondersteunen. U hebt het ook over drie voorbereidende trajecten gehad die prioritair worden behandeld. Defensie wordt als leidende factor beschouwd in het Nationaal Verdedigings- en Enablementplan. Het is inderdaad uitkijken naar de resultaten die wij daar binnenkort uit zullen leren. Het is voor alle duidelijkheid goed dat Defensie daarin de lead neemt. U stelt ook dat wij heel snel kunnen schakelen, wat in de huidige context heel belangrijk is. U gaf alle details over het Enablementplan en andere aspecten, maar ik mis een antwoord op de vraag die ik u heb gesteld, namelijk een reflectie op de bezorgdheid bij onze noorderburen. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat die bezorgdheid ook voor ons land relevant is. Dat geldt zeker voor mijn provincie, Limburg, die zoals u weet een heel belangrijke provincie is in het hele enablementverhaal. Er is nood aan dezelfde oefening. Nederland heeft die oefening gemaakt. We weten dat Nederland vaak vooroploopt op België. Ik had van u verwacht dat wij dat eveneens zouden doen. Ik blijf dus op mijn honger zitten wat betreft de evaluatie die we hebben gemaakt en de lessen die we kunnen trekken over de oorlogsbestendigheid van onze Belgische spoorwegen. Spelen bij ons dezelfde problemen of niet? Daarop hebt u, tenzij ik mij vergis, geen antwoord gegeven. Dat betreur ik ten zeerste. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik wil nog even focussen op de rol van de deelstaten. Ze zijn een erg belangrijke partner inzake mobiliteitsinvesteringen. Zij hebben ook budgettair, de ene deelstaat misschien wat meer dan de andere, ruimte om mee te investeren. Dat geldt ook in het kader van de uitdaging om die 5 % op termijn te realiseren. Ik wil u daarom aanmoedigen om de lijn met de deelstaten heel kort te houden, want zij kunnen op dat vlak een heel belangrijke partner zijn en een heel belangrijke rol spelen. Collega's, die repliek beëindigt onze vier actualiteitsdebatten. Op de agenda staat nog een hele reeks vragen, die zowel vandaag als vrijdag zullen worden behandeld. Ik breng in herinnering dat de mogelijkheid bestaat om te verwijzen naar de tekst van de vraag zoals ingediend. Het punt is dat wij op die manier snelheid kunnen maken. U hebt echter uiteraard het recht om uw vraag voluit te stellen wanneer u dat wenst. De aankoop van zware helikopters De verkoop van de NH90 TTH De heer Legasse laat zich verontschuldigen. Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag. Er werd verklaard in de pers dat Defensie de vier NH90 TTH-helikopters zal verkopen. U gaf daarbij aan dat deze helikopters “niet de beste aankoop geweest zijn” en dat ze “te duur in gebruik en onderhoud” zijn voor een kleine vloot. De beslissing tot verkoop is dus duidelijk genomen. In dat licht heb ik één concrete vraag: zijn er op dit moment al kandidaat-kopers of landen die interesse hebben getoond in de overname van deze toestellen? De beslissing werd genomen om de NH90 Troops Transport Helicopter (TTH) vanaf september 2025 niet langer operationeel in te zetten. De piste van vervreemding wordt momenteel binnen de defensiestaf verder bestudeerd, waarbij in eerste instantie wordt gekeken naar partnerlanden om het NH90 TTH-patrimonium op termijn over te nemen. Dit sluit niet uit dat ook andere haalbare voorstellen zullen worden onderzocht. Er lopen gesprekken om een nieuwe bestemming voor de toestellen te bepalen, maar die bevinden zich nog in de startfase. Het is bijgevolg nog te vroeg om verdere details mee te delen of vooruit te lopen op een mogelijke definitieve vervreemding of overname. We hebben er deze week nog over vergaderd. Er zijn verschillende opties, waaronder overdracht aan een bevriende natie of de inzet in Beauvechain. Er is op dit moment echter nog geen definitieve beslissing genomen. De vraag is bovendien complex, aangezien er niet bijzonder veel kandidaten zijn. Het betreft hier geen van de meest succesvolle wapenproducten van de afgelopen decennia. Indien u mij die vraag in januari opnieuw stelt, zal er waarschijnlijk wel een beslissing zijn genomen. Ik ben benieuwd naar het vervolg. Als we luid roepen dat het geen succesvol verhaal is, wordt het uiteraard ook moeilijker om kopers te vinden. Voor alle duidelijkheid, dit geldt niet voor de marineversie, waarmee wel verder wordt gewerkt. Een half uur geleden heeft de Koninklijke Marine van Nederland aangekondigd dat ze bijkomende toestellen zullen aankopen. Het gaat daarbij uitsluitend om de marineversie. Er worden drie extra toestellen aangekocht, met een optie op nog twee bijkomende toestellen. Dat is nieuws van de noorderburen. De terugvallende inkomsten uit de Russische tegoeden en de defensie-inspanning De regering rekent op aanzienlijke middelen uit de vennootschapsbelasting op de winst van de bevroren Russische tegoeden. Het merendeel, ongeveer 1 miljard euro per jaar dat reeds is toegezegd, zou gaan naar steun aan Oekraïne. Intussen heeft onder andere minister Van Peteghem bevestigd dat de rente-inkomsten die Euroclear boekt op alle tegoeden in de eerste helft van dit jaar met een kwart zouden dalen. Hij heeft ook gewaarschuwd dat er bijkomende financiering moet worden gezocht voor defensie, indien de inkomsten uit de Russische tegoeden zouden afnemen of wegvallen. Dat scenario lijkt mij op dit moment niet helemaal ondenkbaar. De inkomsten uit de Russische tegoeden maken een flink deel uit van de begrotingsmiddelen voor de structurele defensie-inspanning van 2 % in de komende jaren. Hoe ziet u dat evolueren? Denkt u dat bijsturing nodig is op het vlak van de financiering voor de defensiemiddelen of niet? Blijft u rekenen op de Russische tegoeden, zoals ze nu worden vorgesteld? Welke eventuele bijkomende financieringsbronnen verkiest u dan? Is het scenario van minister Prévot van een defensietaks nog altijd realistisch of ziet u veeleer heil in de defensiestaatsbon, een suggestie van minister Van Peteghem van enige tijd geleden die nu enigszins naar de achtergrond is verdwenen? Welke besparingspistes zou u eventueel voorstellen indien er inderdaad bijkomende schulden moeten worden gemaakt boven op de 2 miljard euro die nu buiten de begroting wordt gehouden? De opbrengsten van Euroclear ten belope van ongeveer 1 miljard euro zijn nog steeds voorzien voor 2026 voor een nieuw pakket steun voor Oekraïne. Mochten de opbrengsten niet meer verzekerd zijn, dan zal de regering zich daarover moeten buigen in het kader van de begrotingscontrole in het voorjaar. Wie beweert dat de minister niet diplomatisch kan zijn, heeft het verkeerd voor. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw eerlijkheid. Dat siert u. Het is op dit moment een heel onduidelijk verhaal. Ik denk dat ik daarmee niets nieuws vertel. U zegt dat de opbrengsten nog steeds voorzien zijn. We zullen zien wat de toekomst brengt. Uw antwoord is interessant. Als de begrotingscontrole van volgend jaar zo lang op zich laat wachten als die van dit jaar, dan zijn we eraan voor de moeite. Ik blijf hoe dan ook hopen op een goede uitkomst, voor alle duidelijkheid , zonder schuldopbouw en zonder belastingverhoging. De vraag naar de defensiebelasting hebt u niet beantwoord. Dat blijft dus een reële piste, neem ik aan, om de broodnodige defensiemiddelen te verzamelen. Ik hoop dat we in het hele verhaal geen onrealistisch scenario voorschotelen, niet aan de bevolking en zeker niet aan de mensen die actief zijn bij Defensie. Die zetten zich enorm hard in, met de beperkte middelen die er zijn. Zij hopen allemaal op bijkomende middelen en rekenen op extra investeringen. Ik hoop, samen met u, dat er een oplossing uit de bus komt. Er is geen sprake van een defensietaks. We hebben 9,5 miljard gevonden zonder dat die taks op tafel ligt. Dus die is er niet en als het van mij afhangt, zal die er ook niet komen. Het lijkt me niet zo’n verstandig idee. Mensen weten wel dat er meer in defensie moet worden geïnvesteerd, maar een specifieke defensietaks zou eigenaardig zijn. Ik denk dat er in het federale staatsbestel nog voldoende andere mogelijkheden zijn dan de invoering van alweer een nieuwe taks. Mijnheer de minister, de traagheid waarmee u uw woorden uitspreekt, is bijzonder veelzeggend. U moet alles wikken en wegen. U zegt dat als het van u afhangt, er geen defensietaks komt. Ik moet u echter teleurstellen, niet alles hangt van u af in de regering. We zullen dus zien wat de toekomst brengt. U stelt dat er al vele miljarden gevonden zijn zonder defensietaks en dat het nu ook wel zal lukken. U mag het dan misschien niet defensietaks noemen, er zijn wel veel andere taksen ingevoerd of voorgesteld om aan die 9,5 miljard te komen. Daarover moet u toch ook niet flauw doen. Nogmaals, we zullen zien. U zegt dat u zult bekijken wat de toekomst brengt en eventueel via de begrotingscontrole zult bijsturen. Ik wens u veel succes. Ik denk echter dat we op dit moment in een heel onduidelijk en duister scenario zitten. De plannen om een Joint Force Command in België op te richten Mijnheer de minister, u zult al gemerkt hebben dat ik nogal vaak naar onze noorderburen kijk als het gaat over defensienieuws. Ik vind dat zij op heel wat vlakken een gidsland zijn. We mogen vaker wat over dat muurtje kijken. Ik werd getriggerd door een bericht van net na de zomer waarin stond dat men in Nederland een Joint Force Command zou oprichten dat alle operaties zou aansturen; of het nu landoperaties, maritieme operaties of nog andere operaties betreft, alles zou worden aangestuurd door dat Joint Force Command. Wij hebben in België het COPS in Evere, het MIK en het MOC in Zeebrugge. Ook het NASC zal verder worden versterkt. Dit zijn allemaal zeer goede initiatieven. Ik vroeg me gewoon af of het idee van Nederland om een aparte Joint Force Command op te richten een goed idee is of niet. Ik laat dat in het midden. Ik dacht dat ik dit aan de minister en zijn staf kon vragen. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord. De Strategische Visie 2025 wordt momenteel vertaald in een bedrijfsplan Defensie, dat meer in detail de prioriteiten en objectieven zal bepalen. Het doel is om de bakens uit te zetten voor de uitvoering van de strategische visie en om toe te werken naar de strategische doelstellingen. Op dit moment werkt de defensiestaf aan de toekomstige command-and-controlstructuur om zowel nationaal als internationaal efficiënt aan de NAVO-plannen te kunnen bijdragen. Deze structuur moet weerbaar zijn, maar ook compatibel met onze strategische partners, moet rekening houden met de Belgische specificiteit en zal voortbouwen op de bestaande structuur. In deze context wordt het toekomstige Defence Operations Center beschouwd als een doorgroei-evolutie van het huidige Operations Center (COPS), dat vandaag deze rol vervult. Een benchmarking met onder andere Nederland loopt op dit moment. Dank u, mijnheer de minister. Uit uw antwoord blijkt dat u ook over het muurtje van onze noorderburen kijkt en ziet hoe alles daar evolueert. De verdubbeling van het personeelsbestand bij Defensie Mijnheer de minister, mijn vraag is enigszins gedateerd. Ze dateert van 8 september 2025, en intussen heb ik al iets meer informatie gekregen over hoe u de uitbreiding van het personeelsbestand ziet, via de verschillende plannen. Toch heb ik nog een aantal specifieke vragen. Welke specifieke profielen zijn prioritair in het verdubbelingstraject? Bij defensie zijn er immers heel wat verschillende functies. Ik denk bijvoorbeeld aan technisch personeel, cyberdefensie en medische profielen. Wordt er werk gemaakt van het gerichter aantrekken van STEM-profielen in de komende jaren? Hoe wil defensie concurreren met de privésector om die profielen aan te trekken, gezien de krapte op de arbeidsmarkt? Zoals duidelijk gesteld in de Strategische Visie, zal defensie haar personeelsbestand aanzienlijk moeten versterken om de opschaling van haar operationele capaciteiten te waarborgen. Momenteel bereiden de defensiestaf, met de Algemene Directie Human Resources (DG HR) en het Commando der Scholen op kop, de uitbreiding van de wervingscapaciteit voor alle personeelscategorieën voor. Voor de opleiding van onderofficieren komt er zelfs een tweede campus in Doornik. Voor de vrijwilligers komt er vanaf de eerste helft van 2026 een extra regionaal vormingscentrum in Brugge en vanaf de tweede helft van 2026 eveneens in Burcht. In 2026 zouden volgens planning 2.800 militairen van het actief kader, 1.050 reservisten en 960 burgers aangeworven worden. Het groeipad tot en met 2034 staat gedetailleerd in de Strategische Visie. De keuze van te werven profielen en de aantallen zijn gebaseerd op simulaties van de evolutie van het personeelsbestand. Er zijn geen uitgesproken prioriteiten in de werving van bepaalde populaties of hun aantallen, maar uiteraard is er speciale aandacht voor knelpuntberoepen zoals medisch en technisch personeel. De aantrekkelijkheid van het beroep begint bij een opleiding van hoog niveau. De militaire basisopleiding werd in 2024-2025 grondig herzien, met een focus op kwaliteitsverbetering door progressiviteit en meer praktijkgerichte training. Daarnaast zijn concepten heringevoerd die verband houden met de huidige geopolitieke context, zoals tactical combat , casualty care en dronedreigingsbewustzijn. Naast een grondige herziening worden meer beperkte aanpassingen van het leerplan opgenomen in de jaarlijkse leerplancommissie. Een werkgroep met als opdracht het uitvoeren van een studie rond de herziening van de medische geschiktheidscriteria bij aanwerving heeft zijn werkzaamheden afgerond. Die voorstellen worden momenteel voorgelegd aan de medische overheid van defensie. Nadien zal de herziening geconsolideerd worden via wet- en regelgevende initiatieven. De evolutie van de inschrijvingen wordt permanent gemonitord. Als we de rekruteringsdoelstellingen niet halen, zal worden nagegaan of de afsluitdatum voor de inschrijvingen kan worden verlengd. Ook de leeftijd voor de reservisten wil ik absoluut aanpassen, maar ik roep de Kamer op om die materie eens onder de loep te nemen. Mijnheer de minister, we willen die handschoen opnemen. Dank u, mijnheer de minister. Heb ik het goed verstaan dat de medische geschiktheidscriteria onder de loep zijn genomen om die wat te moderniseren en dat dit binnenkort naar het Parlement zal komen, om die aanpassingen door te voeren? Dat is een zeer goede zaak. Ik zal de voorbeelden niet opnieuw geven. U hebt er ook al gegeven. Bepaalde mensen worden afgekeurd omwille van absurde redenen. Het zou goed zijn als die zaken eruit kunnen, zodat we specifieke profielen kunnen aanwerven zonder dat die geblokkeerd worden omwille van medische redenen die uit de vorige eeuw dateren. Ik kijk dus uit naar dat project wanneer het naar het Parlement komt. Het verminderen van bestaande afhankelijkheden van Israël Het verminderen van bestaande afhankelijkheden van Israël Het verminderen van de bestaande afhankelijkheden van Israël Mijnheer de minister, deze vraag gaat over de bestaande afhankelijkheden van Israël en de opdracht die u op 2 september hebt gekregen van de regering om toekomstige aankopen van materieel en reserveonderdelen niet meer in Israël te doen. U werd ook gevraagd daar geen onderhoudscontracten meer af te sluiten waar mogelijk en wanneer er alternatieven bestaan. Het uitgangspunt daarbij is om de afhankelijkheid van Israël te verminderen, ten minste zolang het conflict aanhoudt. Er zijn een aantal specifieke vragen over de manier waarop u dat zult omzetten, welke wijzigingen er zijn ten opzichte van het huidige beleid, wat gelijkwaardigheid precies betekent en hoe 'waar mogelijk' moet worden geïnterpreteerd. Er is ook de vraag wat dit betekent voor bedrijven die zich buiten Israël bevinden, maar die wel in Israëlische handen zijn. Voor die concrete vragen verwijs ik echter naar de ingediende vraag. Defensie zal deze opdracht uitvoeren conform de richtlijnen van de federale regering. Bij nieuwe aanbestedingen zal als Israëlische economische operatoren zouden meedingen, steeds worden nagegaan of hun toegang tot de markt werd verleend en of er gelijkwaardige alternatieven beschikbaar zijn bij leveranciers uit andere landen. Het beleid over het toegangsrecht van derde landen – met name landen die niet behoren tot de Europese Unie – tot aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied is sinds 2 september niet gewijzigd en is reeds wettelijk geregeld in de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied. In dit verband wordt ook verwezen naar het antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 168 van collega Aerts. De antwoorden stelden dat het Agreement on Government Procurement van de Wereldhandelsorganisatie, waarbij Israël partij is, niet geldt voor het merendeel van de opdrachten voor defensie en veiligheid en dus a priori niet kan worden ingeroepen voor dit materieel en dergelijke opdrachten. Dat verleent hun dus normaliter geen toegang tot aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied. Het is met de huidige regelgeving inzake overheidsopdrachten en zonder sancties op Europees niveau tegen bedrijven gevestigd buiten Israël die in Israëlische handen zijn, echter niet mogelijk om dergelijke ondernemingen uit te sluiten van deelname aan een overheidsopdracht indien zij voldoen aan het toegangsrecht en de eventuele overheidsselectiecriteria voor die opdracht. Het invullen van de operationele noden van defensie gaat gepaard met een verkenning van de markt. In dat opzicht wordt telkens maximaal gekeken naar de mogelijkheden op de internationale markt voor het invullen van onze noden, zowel voor wapensystemen als voor producten of beschermingsmiddelen voor onze militairen. Teneinde het best mogelijke product te verkrijgen voor de gebruiker – of bij gebrek daaraan een volwaardig alternatief op de markt – is het daarom niet altijd aangewezen om op voorhand Israëlische producten uit te sluiten. In deze gevallen zou het weigeren van Israëlische wapensystemen immers een grote impact kunnen hebben op de operationele inzetbaarheid van defensie. In het geval van lopende of toekomstige procedures waarbij Israëlische economische operatoren voldoen aan alle selectiecriteria en een conforme offerte indienen, zullen deze op dezelfde manier worden geëvalueerd als andere offertes. De evaluatie van de offertes houdt steeds rekening met de beste militaire en operationele oplossingen voor onze militairen en hun opdrachten. Wanneer u de schriftelijke vraag bekijkt, die misschien niet bij u is geraakt, zult u zien dat wij nog één product hebben aangekocht: Midazolam autoinjectoren voor de medische dienst. Dat zijn pennen die elke soldaat bij zich heeft om zichzelf te injecteren wanneer hij wordt blootgesteld aan een gifaanval of wanneer bepaalde chemische producten of gassen vrijkomen. Zij zijn de enigen die dat maken. Dat dossier is herhaaldelijk binnen de regering besproken. Veel collega’s geloofden niet dat zij echt de enigen waren. Geloof me, het is 1.000 keer van alle kanten bekeken, ze zijn wel degelijk de enigen. We hebben dat dus nog besteld. Het is een goede zaak dat onze militairen daarover beschikken. Ik begrijp dat Israël heel gevoelig ligt, maar we gaan de veiligheid van onze eigen mensen toch niet in gevaar brengen. Dat is toch te gek. Het is dus uiteindelijk door de regering goedgekeurd. Ik begrijp dat dit aanleiding tot veel polemiek geeft. Ik kan er nog veel over zeggen, maar ik doe dat niet in een openbare zitting. Achter gesloten deuren zal ik daarover nog een paar dingen zeggen. Ik wil geen polemiek starten over dit individuele dossier, waarin u hebt beargumenteerd waarom er wel is aangekocht. Wel wil ik ingaan op de opdracht die u hebt gekregen en het antwoord dat u hier hebt gegeven. Ik vraag mij af of de beslissing van de regering misschien een lege doos is, om de gemoedsrust van een aantal coalitiepartners te bewaren. De intentie is om minder bij Israël te kopen, maar u hebt uitgebreid toegelicht dat de wetgeving inzake overheidsopdrachten, die overigens niet louter nationaal maar ook Europees is, u geen handvatten biedt om dat ook werkelijk te implementeren. Misschien was het dus alleen een beslissing van de regering voor de schone schijn. De Koninklijke Militaire School De militaire vorming en de attritie De Koninklijke Militaire School Monsieur le Ministre, La Défense belge s'est engagée depuis la précédente législature dans une dynamique de renforcement de ses capacités humaines. Cette ambition s'accompagne d'un effort soutenu en matière de recrutement, notamment auprès des jeunes. Toutefois, les taux d'abandon en formation, particulièrement élevés, compromettent sérieusement la réalisation de ces objectifs. Le nombre élevé d'abandons en formation, bien que régulièrement expliqué par les difficultés d'adaptation des jeunes à la discipline militaire, ne saurait être attribué uniquement à ces derniers. D'autres facteurs doivent être pris en compte, notamment la rigidité des dispositifs pédagogiques, le manque de flexibilité dans la reconnaissance des acquis, et l'insuffisance de l'accompagnement individualisé. Ces éléments structurels peuvent accentuer les inégalités et décourager des profils pourtant prometteurs, contribuant ainsi à une perte de potentiel humain pour la Défense. Parmi les institutions concernées par les abandons, l'École Royale Militaire (ERM) occupe une place centrale. Seule université bilingue et fédérale du pays, elle propose une formation exigeante, combinant cursus académique, préparation militaire, développement physique et formation caractérielle. Or, plusieurs éléments de son organisation pédagogique soulèvent parfois des interrogations quant à leur compatibilité avec les standards européens et leur impact potentiellement discriminant sur les étudiants : politique de redoublement, exclusion définitive ou encore pondération des évaluations. Monsieur le Ministre, Avez-vous déjà envisagé une évaluation de la stratégie pédagogique de l'ERM incluant une évaluation systématique des processus d'enseignement, de suivi et d'évaluation ? Quelles mesures sont prévues pour garantir une meilleure équité dans les parcours de formation, notamment en matière de report de crédits, de redoublement et de reconnaissance des compétences non académiques ? Une évaluation des pratiques de l'ERM avec les standards européens, tout en respectant les spécificités de la formation militaire est-elle prévue ? Enfin, quelles actions concrètes seront mises en œuvre pour réduire le taux d'abandon, en renforçant l'accompagnement pédagogique et en valorisant les dimensions humaines et opérationnelles de la formation ? Je vous remercie d'avance pour vos réponses. Mijnheer de minister, voor de inleiding verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag. Het Belgische leger kampt al geruime tijd met personeelstekorten, en de jongste legislaturen werd dan ook ingezet op versterking van de menselijke capaciteit binnen Defensie. De rekruteringsinspanningen, vooral gericht op jongeren, zijn in dat opzicht toe te juichen. Tegelijk stellen we echter vast dat het hoge aantal uitvallers tijdens de vorming een ernstige rem zet op de realisatie van deze ambities. Hoewel men vaak wijst op de aanpassingsmoeilijkheden van jongeren aan de militaire discipline, mogen we de oorzaken niet uitsluitend bij hen leggen. Ook factoren binnen de vorming zelf verdienen kritische aandacht. Denk aan een gebrek aan erkenning van eerder verworven competenties, of het ontoereikende individuele begeleidingstraject. Al te stringente medische vereisten, zoals in het verleden vaak in de luchtcomponent voor piloten golden, zorgden soms voor een verlies van talent. Zulke elementen kunnen ontmoedigen en zelfs leiden tot vroegtijdige uitval. Toch moeten we uiterst behoed zijn voor alle mogelijke latverlaging. Het kan nooit de bedoeling zijn om de kwaliteit van de instroom ondergeschikt te maken aan de kwaliteit. De rol van de Koninklijke Militaire School (KMS) is in deze context van bijzonder belang. De KMS combineert een academisch traject met fysieke, militaire en karaktervorming. Bij het vormen van rekruten speelt deze universiteit dus een belangrijke rol en mogelijks kan zij ook een helder beeld krijgen van de attritie, in al zijn vormen, en misschien meedenken richting een betere aanpak hiervan. Welke maatregelen neemt u om de militaire vorming te flexibiliseren, met betrekking tot verworven competenties, individuele trajecten en medische voorwaarden? Welke maatregelen neemt u tegelijkertijd om te vermijden dat wat de fysieke en cognitieve vereisten betreft de lat wordt verlaagd? Is een benchmarking van de opleidingen aan de Koninklijke Militaire School met Europese normen inzake militaire academische vorming gepland, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van militaire opleidingen? Ten slotte, hebt u al een studie besteld of is er bij de Koninklijke Militaire School een studie in voorbereiding over de oorzaken van en de remedies tegen de hoge uitval tijdens de militaire kandidatuur en de loopbaanattritie, die verondersteld wordt toe te nemen door de pensioenhervorming, ook al ontkent u dat? L'École Royale Militaire (ERM) est une université militaire de taille relativement modeste, ce qui garantit une approche personnelle et un contact étroit entre le personnel enseignant et les élèves. Un suivi et un encadrement individuel tout au long de l'année sont garantis. Une cellule de guidance constituée de pédagogues et de psychologues est à la disposition des élèves. Une évaluation permanente de la stratégie pédagogique fait partie du processus de l'ERM. Citons par exemple l'évaluation de l'enseignement par le biais de questionnaires complétés par les élèves, une équipe pédagogique au profit du personnel enseignant, ou encore une commission d'enseignement et de pédagogie veillant au maintien de la qualité de l'enseignement. L'ERM est une institution militaire chargée de former de futurs officiers, des leaders. La formation à l'ERM est basée sur l'apprentissage intégré de quatre piliers, à savoir l'académique, le militaire, le physique et le caractère. Cette approche intégrée et transversale, qui est la clé du succès de la formation solide de nos officiers, nécessite une évaluation globale et ne permet pas le report de crédits. Toutefois, les élèves en échec sont évalués par une commission de délibération qui prend en considération les résultats dans les quatre piliers et qui peut décider de la réussite, de l'ajournement ou de l'échec définitif de l'élève, mais qui peut également lui donner la possibilité de repasser un ou plusieurs examens. À titre exceptionnel, un examen peut être passé jusqu'à quatre fois. De KMS is overeenkomstig de wet gemachtigd om onder andere diploma's van bachelor en master in de Ingenieurswetenschappen of in de Sociale en Militaire Wetenschappen toe te kennen. Ze is geaccrediteerd en geëvalueerd door onafhankelijke instanties volgens de Europese normen. De huidige accreditatie is geldig tot 2027. Ze is momenteel in hernieuwing. Een benchmarking met andere militaire academies gebeurt op indirecte wijze doorheen de permanente evaluatie van de mogelijkheden tot uitwisseling van leerlingen, meer bepaald in het kader van Emylio, de militaire tegenhanger van Erasmus. L'ERM accorde énormément d'importance au bien-être et à la réussite des élèves. Afin de maximiser les chances de réussite de ceux-ci, plusieurs outils sont utilisés et mis à leur disposition. Voor het functionaliseren van de voorwaarden om militair te worden, is bij de Defensiestaf een werkgroep opgericht om daarin de aanwervingscriteria te herzien. Na de validering van de resultaten van de werkgroep zullen de statutaire teksten worden aangepast. Het doel van de herziening is de wervingsvijver te verbreden en ervaren en zelfs oudere profielen aan te moedigen dienst te nemen bij Defensie. Daarover hebben wij het al gehad bij de vraag van Kjell Vander Elst. Dat gaat over de leeftijdsgrens van inlijving, die naar boven wordt bijgesteld. Je remercie le ministre pour la qualité de ses réponses. Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Als ik het goed begrepen heb, buigt een werkgroep zich momenteel over een herziening van de wervingsvoorwaarden. We zullen daar te gepasten tijde op terugkomen. Het is belangrijk dat er aandacht gaat naar de specifieke opleiding en alle onderdelen daarvan: er is nood aan een academisch traject, gecombineerd met fysieke en militaire vorming en met karaktervorming, zodat het resultaat een correct gevormde militair, zonder dat de lat wordt verlaagd. Ik denk dat u daar zelf ook in het verleden altijd voor hebt gewaarschuwd, terecht, en wij doen dat hier opnieuw. De studie waarnaar ik vroeg, is nog niet uitgevoerd of besteld, of komt die toe aan de werkgroep? (…) Permanente evaluatie. De openstaande betrekking bij de Algemene Inspectie van Defensie De openstaande betrekking bij de Algemene Inspectie van Defensie Monsieur le Ministre, L'Inspection Générale de la Défense joue un rôle central au sein du département notamment pour lutter contre la fraude et les irrégularités qui vont à l'encontre des valeurs de la Défense. L'IG est également un point central pour signaler les atteintes à l'intégrité et protéger les lanceurs d'alerte. Nous apprenons cependant que la direction de l'IG ne sera pas remplacée et ne semble absolument plus être une priorité. Monsieur le Ministre, Pouvez-vous m'indiquer ce qu'il en est concernant le rôle de l'Inspection Générale et l'importance que vous y attribuez ? Comment expliquez-vous la vacance à sa tête au regard des missions essentielles de celle-ci ? Pourquoi une décision n'a-t-elle pas été prise lors du dernier Comité « officiers généraux » alors que plusieurs candidats étaient semble-t-il en lice ? Quand aura lieu le futur Comité et comptez-vous à cette occasion prendre une décision permettant à l'IG d'être pleinement opérationnelle ? Je vous remercie d'avance pour vos réponses. L’Inspection générale formule des recommandations visant à améliorer le fonctionnement structurel du ministère de la Défense. À cette fin, elle effectue des visites de travail auprès des unités et garnisons et sur le théâtre d’entraînements et d’opérations internationaux. J'attache une importance toute particulière à cette fonction. Cependant, il n'a pas été possible de désigner un successeur lors du dernier comité. Cette fonction étant importante, il est nécessaire de trouver le bon candidat. Actuellement, c'est l'adjoint IG qui a été désigné ad interim . Un prochain comité des généraux devrait être organisé dans le courant de l'année prochaine. Er komt dus een nieuwe inspecteur-generaal Aangezien de vorige stopte na de recentste bijeenkomst van het comité konden we dat niet meer geregeld krijgen. Dat is dus voor volgend jaar. Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, mais elle est évidemment très brève. On touche ici à des personnes. J'aurais voulu avoir davantage de précisions sur la raison pour laquelle le dernier Comité Officiers Généraux, malgré la diversité des candidats en lice, n'a pas été en mesure de déterminer un successeur ou du moins désigner quelqu'un, et a donc décidé de pourvoir à une personne ad interim pour un rôle aussi important que celui d'inspecteur général. Je demanderai des réponses à ce sujet soit via une question écrite soit via une question dans un mode à huis clos, peut-être à l'occasion d'une commission qui le permettrait. Je ne m'avance donc pas au-delà, mais je note tout de même que le ministre soutient que la fonction d'inspecteur général est une fonction primordiale au sein de la Défense et qu'il s'attache à pourvoir à la désignation du ou de la candidat(e) le ou la plus à même de remplir cette mission. Het Cyber Command De cyberaanval op verschillende Belgische websites Mijnheer de minister, de intussen niet meer zo recente cyberaanval op Brussels Airport heeft pijnlijk blootgelegd hoe kwetsbaar we blijven voor digitale dreigingen. Defensie werd misschien niet rechtstreeks getroffen, maar het gaat om een duidelijk signaalmoment. We kunnen uit die aanval mogelijk lessen trekken. We weten uiteraard dat wij met de NAVO, de SHAPE en andere Europese instellingen een aantrekkelijk doelwit binnen Europa zijn. In dat licht hoor ik graag hoe ver we staan met de uitbouw van Cyber Command. Is dat reeds een volwaardige militaire component, met middelen en autonomie, of bevindt Cyber Command zich nog in volle ontwikkeling? De aanval op Zaventem toont aan dat de samenwerking tussen Defensie, de inlichtingendiensten, het OCAD en het CCB geen vrijblijvende oefening is, maar een dagelijkse realiteit moet zijn. Cyberveiligheid is vandaag even cruciaal als fysieke paraatheid. Ik wil daarom graag vernemen hoe u ervoor zorgt dat we als land niet afhankelijk worden van buitenlandse softwareleveranciers, maar dat we stap voor stap onze technologische soevereiniteit versterken, zodat we in crisismomenten niet afhankelijk zijn van de goodwill van anderen. Uit veiligheidsoverwegingen wordt geen gedetailleerde informatie over de personeelsbezetting verstrekt, maar in twee jaar tijd is die met 30% gestegen. Veel tools zijn in werking gesteld, waardoor de voorzichtig geplande groeicurve sneller kon worden verhoogd. De middelen van het Cyber Command zijn operationeel. De technologische ontwikkelingen staan echter niet stil, net zomin als de inventiviteit van onze tegenstanders. Het doel is om in alle domeinen te groeien en de focus te leggen op specialisatie in enkele subdomeinen. Het Cyber Command heeft de cyberaanval op Brussels Airport nauwlettend gevolgd. Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) stond in de eerste lijn en heeft het incident afgehandeld. La coopération entre les différents services concernés est prévue dans le plan d'urgence Cyber. Ce plan fonctionne bien. Mes services sont correctement informés de façon à ce que chacun puisse jouer son rôle. Les informations circulent en permanence entre les services concernés. La résilience civile et la protection des infrastructures critiques relèvent de la compétence du ministre de l'Intérieur et des secteurs concernés. Via het partnerschap met Agoria, Cyber Made in Belgium for Defence (CMiB4DEF), wordt er gestreefd naar het versterken van de Belgische technologische autonomie via het DIRS-mechanisme. Ook organiseren wij economische zendingen om een transfer of technology naar België te faciliteren. Het is echter onmogelijk om zonder buitenlandse leveranciers een technologische voorsprong en relevantie te behouden. Nous pouvons confirmer que le site sgrs.be a été indisponible pendant quelques heures à la suite d'une attaque DDoS, sans aucun impact opérationnel. Il ne s'agissait pas d'une intrusion informatique, mais d'une surcharge des serveurs qui provoque l'indisponibilité temporaire du site. L'effet d'un DDoS doit d'ailleurs être nuancé. Il s'agit surtout d'un désagrément ponctuel, dont l'impact reste limité à la durée de l'attaque, sans conséquence durable sur la disponibilité du service. Par ailleurs, la publicité donnée à ce type d'incident entraîne très souvent une multiplication d'attaques similaires, raison pour laquelle certains pays, comme les États baltes, ont adopté une politique consistant à ne pas communiquer publiquement sur ces événements afin d'éviter un effet d'entraînement. Nous travaillons en étroite collaboration avec les services du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) et nous avons réussi à relancer le site concerné par nos propres moyens. Après l'attaque DDoS, le site web a également été remis en service. Mijnheer de minister, de heer Cornillie is niet aanwezig, dus u hoefde niet te antwoorden op zijn vraag, maar het is toch vriendelijk van u. Mijnheer de minister, het is goed te vernemen dat er vooruitgang is geboekt, maar de strijd om de digitale weerbaarheid is volgens mij nog maar begonnen. Cyberveiligheid mag niet zomaar een extra bevoegdheid zijn, het is een essentieel onderdeel. We hebben nood aan een Cyber Command dat niet alleen maar beschermt, maar ook kan afschrikken, met eigen kennis en eigen mensen en met – in de mate van het mogelijke – maximale autonomie. We moeten vermijden dat onze veiligheid afhangt van buitenlandse software. Ik hoop dat dit geen geïsoleerd voorval is waarnaar we alleen maar kunnen kijken, maar dat het een voorval is waaruit we lessen kunnen trekken voor onze cyberveiligheid en dat misschien een kantelpunt kan zijn voor onze digitale defensie. Seabed warfare en de nieuwe MCM-vaartuigen Mijnheer de voorzitter, ik had verwacht dat er meer vragen zouden zijn over het rapport van het Rekenhof over onze MCM-vaartuigen. De reden waarom er geen groot debat over plaatsvindt is misschien omdat het een positief rapport was. Als er iets positiefs gebeurt op de aankoopdienst van Defensie is dat jammer genoeg geen nieuws. Wanneer er echter ergens iets fout gaat, krijgt dat wel aandacht. Dat zal eigen zijn aan het politieke debat en het debat in de media. Er is echter één element in het rapport dat mij heeft getriggerd. Naast de vele lofbetuigingen voor de manier waarop er tewerk is gegaan in dat dossier, wordt opgemerkt dat de Fransen van plan zijn om een nieuw soort toolbox toe te voegen aan hun MCM-vaartuigen. Dit betreft specifiek het beschermen en in de gaten houden van onze kritische infrastructuur, de zogenaamde Seabed Warfare Toolbox. Mijn vraag is dan ook of België dezelfde richting uitgaat? Zijn we van plan om extra capaciteiten in die zin aan te kopen? Dit lijkt mij niet onoverkomelijk. Onze MCM-vaartuigen, waarvan we het eerste – de Oostende – enkele weken geleden samen hebben ingehuldigd en bezocht in Zeebrugge, zijn zeer modulair opgevat. Zo’n schip is eigenlijk een varend commandocentrum met een grote, hypermoderne garage. In die garage bevinden zich allerlei drones – onder, boven en op het water – om het personeel veiliger te laten werken. Het lijkt mij niet onoverkomelijk om hieraan extra toolboxen toe te voegen die zich specifiek richten op Seabed Warfare en alles wat betrekking heeft op de bescherming van onze kritische infrastructuur. Collega Weydts, de nieuwe Belgische MCM ‑ vaartuigen, waarvan we afgelopen maand de eerste, de M940 Oostende, in Zeebrugge mochten ontvangen, passen in de bredere Belgische visie en strategie rond seabed warfare en de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur. De Belgische en Nederlandse mijnenbestrijdingsvaartuigen zijn primair ontworpen voor de detectie, classificatie, identificatie en neutralisatie van mijnen in kustgebieden en regionale maritieme gebieden. Ze zijn uitgerust met een moderne toolbox van onbemande systemen, waaronder onderwaterdrones, sonarapparaten en luchtdrones. Dankzij het stand-offconcept hoeven die schepen zich niet meer fysiek in het mijnveld te begeven. Dat verhoogt de veiligheid en efficiëntie van de operaties en maakt het mogelijk om op afstand en autonoom te opereren. Ze kunnen, als platform voor onbemande vaartuigen en gespecialiseerde teams, ook ingezet worden om bij te dragen aan de bescherming van kritieke infrastructuur in onze EEZ. De schepen zelf voeren geen activiteiten op de zeebodem uit. De operationele effecten worden gerealiseerd via de onbemande systemen en bijbehorende modules. Partnerlanden waaronder Frankrijk, passen hun platformen aan voor diepere oceaanwateren en specifieke nationale behoeften. Voor België en Nederland zijn de eisen anders, omdat de Noordzee en de Baltische Zee relatief ondiep zijn en de operationele inzet daarop is afgestemd. Technisch is het mogelijk om bijkomende modules toe te voegen, maar een wijziging wordt alleen overwogen, als er een duidelijke operationele noodzaak is, in overleg met Nederland. De Belgische beoordeling is pragmatisch en risicogestuurd. U vraagt of Defensie verantwoordelijk is voor het monitoren van buitenlandse militaire schepen en of ze zo nodig militaire interventies kan uitvoeren om gevoelige infrastructuur te beveiligen. De MCM ‑ vaartuigen vormen een multifunctioneel platform dat perfect aansluit bij de Belgische strategie om maritieme veiligheid te garanderen in een tijdperk van digitale en fysieke dreigingen onder water. Dank u, mijnheer de minister. Uw antwoord stelt mij gerust. Ik had er niet bij stilgestaan dat de Fransen in andere wateren opereren dan wij meestal doen. In die zin volstaat blijkbaar de toolbox waarvoor onze Defensie heeft gezorgd. En nogmaals, het systeem is modulair, dus als dat nodig is, kan alsnog worden bekeken om andere toolboxes toe te voegen. De vragen nrs. 56008717C, 56008721C en 56008731C van de heer Courard zijn omgezet in schriftelijke vragen. De ingebrekestelling door VSOA-Defensie Het sociale klimaat bij Defensie Het sociale klimaat bij Defensie Het sociaal overleg bij Defensie De sociale dialoog bij Defensie Mijnheer de minister, mijn vraag gaat niet zozeer over het sociaal overleg als dusdanig, maar wel over de ingebrekestelling door de eigen militairen, althans door hun vertegenwoordigers, met name legervakbond VSOA-Defensie. Mijnheer de minister, u bent niet snel onder de indruk, maar dat is toch wel merkwaardig te noemen. De vakbond stelt u in gebreke, omdat men waardig werk en een vergoeding voor elk uur dat militairen in dienst zijn – dat stemt niet overeen met de in het voorstel tot sociaal akkoord opgenomen aantal uren -, eist. Dat lijkt niet meer dan logisch. We vragen tenslotte heel veel van onze militairen, vooral in de sterk veranderende veiligheidscontext van vandaag. Denken we maar aan het feit dat militairen op straat moeten patrouilleren om in Brussel bijvoorbeeld de politie bij te staan in haar strijd tegen het drugsgeweld, terwijl dat overigens tot nader order nog altijd zonder enige bevoegdheid, zonder aangepaste opleiding en zonder correcte vergoeding gebeurt. Bovendien wordt er volgens VSOA-Defensie door de nakende pensioenhervorming contractbreuk gepleegd. Jarenlang heeft men militairen de vroege pensioenleeftijd voorgehouden als compensatie en erkenning voor de unieke fysieke en mentale offers die ze brengen. In het voorstel tot sociaal akkoord wordt een en ander nu volgens VSOA-Defensie uit balans getrokken. Hoe reageert u op de ingebrekestelling door de militaire vakbond VSOA? Heroverweegt u op dit moment nog de invulling van het sociaal akkoord? Vorige week vond een hoorzitting in onze commissie plaats. Er werd van u verlangd om een en ander te herbekijken en opnieuw met hen in gesprek te gaan. Wanneer ziet u dat gebeuren en wanneer ziet u de onderhandelingen over het sociaal akkoord definitief landen? Voorziet u op dit moment in opleidingen en vergoedingen voor militairen die u wilt inzetten in gemengde patrouilles met de politie? Op basis van welke wettelijke bepaling kunnen zij dat soort taken uitvoeren? U bent bezig met een plan daaromtrent of met een wetsontwerp. Wanneer kunnen we dat verwachten? Wanneer wordt de eerder aangekondigde territoriale reservemacht daadwerkelijk operationeel? Bent u op dit moment bereid te overwegen om geen reguliere militairen meer in te zetten voor binnenlandse politietaken, maar om eventueel werk te maken van een aangepaste, gespecialiseerde structuur, bijvoorbeeld de territoriale reserve of, zoals het Vlaams Belang voorstelt, een Vlaams veiligheidskorps? Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question. Monsieur le Ministre, Le moindre que l'on puisse dire est que le climat social à la Défense est explosif. Votre plan social « à prendre ou à laisser » laisse perplexe les partenaires sociaux : aucune garantie de la part du gouvernement, un Ministre des Pensions qui remet en cause vos dires sur l'âge effectif de départ à la retraite et des missions militaires toujours plus dévoyées. Vous ne les verrez plus avant mi-octobre alors que la situation sociale au sein de votre département est catastrophique et laisse des milliers de militaires dans l'inconnue. Dans un courrier adressé aux députés fédéraux, CSC, CGSP et SLFP ont dénoncé que votre plan social ne prévoyait rien en matière de pension. Ils nous disent être face à un « mur » et réclament un volet complémentaire sur les pensions ainsi que des mesures transitoires et d'atténuation pour les militaires concernés. « Des milliards supplémentaires sont investis dans le département de la Défense, mais tout est consacré au matériel. Le personnel est oublié, il n'y a pas d'équilibre » peut-on ainsi lire. Cela confirme que vous êtes plus le Ministre de l'armement que de l'armée. Dernière évolution, le SLFP vous a adressé une mise en demeure au sujet des rémunérations des militaires. Monsieur le Ministre, Comment réagissez-vous aux demandes des syndicats militaires ? Quelles initiatives concrètes et selon quel agenda allez-vous prendre pour répondre à leurs revendications ? Selon quel agenda ? Quand allez-vous faire toute la lumière sur l'allongement de plus de dix ans de la carrière des militaires alors que votre collègue Jambon ne répond pas à nos questions ni à celles des syndicats ? Je vous remercie d'avance pour vos réponses. Mijnheer de minister, we hebben nog niet zo lang geleden inderdaad heel boeiende hoorzittingen gehad met de vakorganisaties. Die waren op veel vlakken een eyeopener, als ik dat naast de gesprekken leg die ik vaak voer met militairen. Ik zal niet te veel in detail treden. Ik vraag mij echter af hoe het nu verder moet. Wat is de volgende stap? Ziet u een mogelijkheid voor nog meer aanpassingen aan wat nu voorligt? Voor alle duidelijkheid, ik vind wat nu voorligt, een enorme verbetering. Dat hebben alle vakorganisaties ook moeten erkennen. Voor de ene vakorganisatie was het nog niet voldoende en de anderen gingen ervan uit dat het voorgelegde voorstel op dit moment het meest haalbare was. Laat dat ook mijn boodschap aan de vakorganisaties en de militairen zijn. Wie zegt dat het een eindpunt is of hoeft te zijn wat de verbetering van het statuut van onze militairen betreft? In de vorige legislatuur hebben de plannen van minister De Donder ervoor gezorgd dat de reguliere verloning van onze militairen eindelijk op een waardig niveau is gebracht. We hebben nu een sociaal akkoord dat ervoor zorgt dat de vele uren waar onze militairen ingezet worden, worden gecompenseerd. Wie zegt dat er in een volgende legislatuur of in volgende akkoorden niet nog een verbetering kan komen? Mijnheer de minister, kortom, wat is het vervolg? Zit hier nog iets in dat de andere vakorganisaties ervan kan overtuigen om mee te tekenen? Of denkt u dat het bij het voorgestelde akkoord moet blijven en dat u straks met uw plan zult komen? Dat plan is weliswaar slechts door een van de vakorganisaties ondertekend, maar het gaat wel om de grootste met de meeste leden, zoals de heer Huwart van de militaire vakbond ACMP hier heeft gezegd. Hoe ziet u het? Monsieur le ministre, la semaine dernière, nous avons auditionné les syndicats de la Défense au sein de cette commission, c'est-à-dire le syndicat qui a accepté votre proposition d'accord de juillet et ceux qui ne l'ont pas accepté – du moins pas encore. On peut retenir que tous reconnaissent des avancées importantes dans ce que vous proposez et mon groupe politique le reconnaît également et vous soutient. C'est pour cela que l'important syndicat CGMP l'a signé. Néanmoins, il faut pouvoir entendre les demandes et les inquiétudes des autres syndicats. Ainsi, dans l'accord, il y a au moins deux points où vous vous engagez à plaider une amélioration de la situation au sein du gouvernement. En effet, les mesures portant sur la bonification et celles portant sur la revalorisation de la rémunération liée à la fin de la péréquation demandent l'accord du ministre des Pensions. Monsieur le ministre, chez les Engagés nous ne doutons pas de votre ferme volonté d'améliorer la situation des militaires. Néanmoins, nous sommes inquiets car il ne semble pas que votre plaidoyer auprès du ministre des Pensions semble suivi d'effets positifs. Dès lors, pourriez-vous nous dire où en est ce plaidoyer? En cas d'échec, quelles autres mesures compensatoires pourraient être envisagées? Allez-vous vous réunir à nouveau avec les syndicats pour en discuter? Que proposez-vous comme autres mesures pour tenter de faire signer le projet d'accord par les autres organisations syndicales? Ik zal aan dat sociaal akkoord niets meer wijzigen. No way. De vakbonden zullen hun ei moeten leggen. Ik heb hen gevraagd, op 25 juli, of ze wilden ondertekenen. Dat was na een hele lange sessie. Het Parlement was toen al in reces. Ik wou op vakantie vertrekken, zoals iedereen, want het was een heel zwaar jaar geweest. Ik wilde absoluut nog dat sociaal akkoord onderhandelen. We hebben daar ongelooflijk veel tijd en energie in gestoken. Heel mijn kabinet trouwens, en ook de vakorganisaties. We hebben daar gedurende uren bilaterale vergaderingen gehouden. We hebben gepraat en geluisterd. Ik dacht dat we er eigenlijk wel waren. Er is toen gezegd dat de vakbonden statutair nog geen groen licht mochten geven, dat ze echt hun achterban nog moesten raadplegen. Toen ze zeiden dat ze niet akkoord konden gaan, kwam dat wel binnen. De ACMP heeft zich wel akkoord verklaard. Ik meen dat er op dat moment heel veel onduidelijkheid was en er waren heel veel vragen. Begin september zijn ze begonnen met een tool waarmee elke militair individueel kan berekenen wat de facto zijn pensioenleeftijd zal zijn en wat dat de facto betekent voor zijn loon, voor de opspremies enzovoort. We hebben toen informatiesessies georganiseerd in een tiental militaire kwartieren. Daar kwam altijd heel veel volk naartoe. Die hebben enorm veel van de wrevel, de onzekerheid en de stress weggenomen bij onze militairen. Nu is het relatief kalm. Ik meen dat het redelijk goed verlopen is. In de jongste versie van de pensioenteksten was er nog één discussiepunt. Un des points, monsieur Lasseaux, concernait le "plus un". Het contingent van 1971 moest twee jaar langer werken, maar dat wordt één jaar. Jan Jambon heeft dit willen overnemen. Zij zullen dus niet onmiddellijk twee jaar langer moeten werken. Voor de mensen van 1971 - ik moet dit nog dubbelchecken - gaat het dus om één jaar langer werken. Voor de mensen van 1972 is dat twee jaar. Zo wordt dit dus toegepast: De mensen van 1971 moeten dus niet meteen twee jaar langer werken. We bekijken nog heel wat modaliteiten. Maandagavond had ik nog een lange briefing over hoe de uithuispremie exact moet worden berekend en hoe we dat gaan aanpakken. Dit zijn concrete en belangrijke punten voor het personeel, maar ook vrij technisch. Dan hadden we op 19 oktober ook nog een vergadering. Ik vroeg me af of men nu zou tekenen of niet, maar het was eigenlijk een heel vreemde vergadering, waarbij zij gewoon nog een aantal eisen hebben gesteld, maar er werd geen duidelijke conclusie bereikt. Ik had verwacht dat men finaal zou zeggen dat men niet mee doet. Dat is echter niet uitgesproken. Ze zijn niet vertrokken, ze bleven gewoon zitten, wat de vergadering nog constructief maakte. Zij hebben nog wel grote vragen, bijvoorbeeld over de premie van mevrouw Dedonder. Dat is eigenlijk een loonsverhoging, die in het kader van een premie werd toegekend. De vraag is of deze premie in het pensioen wordt meegerekend. Jan Jambon heeft hier niet aan beantwoord, ondanks dat ik en mijn kabinetschef en mijn mensen dit herhaaldelijk hebben bepleit. Uiteindelijk heeft Jan Jambon dit niet overgenomen in het finale pensioenvoorstel, uit vrees voor precedenten. Hij zei dat als deze premie in het loon wordt opgenomen, ook andere diensten zoals politie en brandweer dit zouden vragen, wat niet helemaal onterecht is. In die zin is dit een moeilijk punt voor de minister van Pensioenen. Het blijft een vakbondseis en het wordt door iedereen gevraagd. Men vraagt ook om de premie voor hogere officieren volledig in de wedde en het pensioen op te nemen. Er zijn nog verkiezingen in 2029. We zullen nog veel memoranda van vakbonden ontvangen, die aangeven dat dit hun belangrijkste vraag voor de volgende legislatuur is. Dit akkoord is de grootste personeelsinspanning van de afgelopen 30 jaar op het vlak van defensie, zonder discussie. Als dit akkoord niet wordt goedgekeurd, dan moet dat maar zo zijn. Ik heb er alles aan gedaan. Valt het akkoord goed bij de militairen? Ja, absoluut. Er zullen altijd enkele mensen zijn die niet tevreden zijn. De algemene pensioenverhoging wordt door velen niet gewaardeerd. Velen zouden de leeftijd liever op 56 jaar houden, anderen zelfs op 50 of 48 jaar. Dat is echter de keuze die we hebben gemaakt. Dat is nu eenmaal een feitelijkheid en de pensioenleeftijd zal dus stelselmatig omhooggaan. De Zweedse regering heeft daarover indertijd enkele beslissingen genomen. Daarvoor zijn er nog beslissingen genomen. Nu volgen de militairen. Zullen zij allemaal tien jaar langer moeten werken? No way. We hebben veel modaliteiten uitgewerkt. De meeste militairen zullen twee of drie jaar langer moeten werken. Er zijn er ook al heel veel die gewoon blijven werken na hun 56ste. Het is dus niet zo dat iedereen op 56 stopt. Ik denk, eerlijk gezegd, dat we er wel zijn. Wat nu finaal moet gebeuren, is een goede vraag. De finale teksten van het pensioenakkoord zijn bijna volledig. Op basis daarvan verwacht ik een antwoord van de vakorganisaties: ondertekenen ze mee of niet? Er was nog een vraag over de maaltijdcheques. Als men nu een continue dienst van 24 uur doet, ontvangt men maar één maaltijdcheque, wat niet volledig eerlijk is. Dat wordt aangepast. Daar ga ik op in. Dat was een vraag van de vakorganisaties. Dat geldt ook voor het plus-één systeem. Daar gaat minister Jambon op in. Tot slot was er een vraag naar de inkanteling van premies in het loon en volledig in het pensioen. Daar wordt niet op ingegaan. Er blijft dus eigenlijk nog één openstaand punt. Het is een belangrijke eis, maar leg het memorandum van de vakorganisaties dat we voor de verkiezingen ontvingen hiernaast. Het is indrukwekkend wat ze hebben binnengehaald. Dan blokkeren ze het vanwege één punt dat ze niet hebben binnengehaald, om vervolgens te zeggen dat het op niets trekt. Ik vind persoonlijk dat sommigen het defensieberoep op een heel negatieve manier afschilderen. Het lijkt alsof het de ergste job ter wereld is. Ik heb het vanochtend al gezegd, militair zijn is blijkbaar bijna traumatisch. Ik denk niet dat dit helemaal correct is, maar goed, iedereen moet vooral doen wat hij denkt te moeten doen en we zullen zien. Dus neen, ik ga de tekst niet nog eens grondig aanpassen. Dit is het. Dat sociaal akkoord wordt ook nog naar wetteksten vertaald en gaat nog naar Conego. De technische details worden allemaal nog besproken. We zijn dus nog niet thuis. Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik moet zeggen dat de hoorzittingen vorige week met de sociale vakorganisaties in de commissie heel erg to the point waren, de ogen op veel vlakken hebben geopend en heel eerlijk waren. Dat was niet verrassend voor ons als commissieleden, omdat wij die hoorzittingen al hadden bijgewoond en wisten wat er schortte of nog kon worden verbeterd aan het militair statuut. Ook voor de mensen op het terrein zal dit wellicht niet verrassend zijn geweest, maar het was wel ongemakkelijk om te aanhoren. U kunt mij er niet snel van verdenken een syndicalist te zijn, maar in deze situatie vind ik dat de vakorganisaties alle recht van spreken hebben. Er werd gesteld dat een uur een uur is, maar dat is het niet. Welzijn op het werk wordt miskend. Loopbaantoelagen in de wedde berekenen gebeurt niet, gelijkschakeling van de verloning met andere veiligheidsberoepen wordt niet gerespecteerd. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de opspremie. Ook heerst er nog heel wat onduidelijkheid over de specifieke voorwaarden voor bepaalde oppensioenstellingen en zijn er vragen inzake vergoedingen. De afgelopen week werd er zo nog meer opgemerkt. Uw reactie hierop is dat u aan dit sociaal akkoord niets meer zult wijzigen. U hebt ook niet geantwoord op de vraag om opnieuw in gesprek te gaan. Ik heb begrepen dat u niet in gesprek wilt gaan. Wat ik nog erger vind, is dat u het wel wat op flessen trekt door te zeggen dat er altijd wel enkelingen zullen zijn die het niet genoeg vinden en die al op 48-jarige leeftijd met willen pensioen willen gaan, en blokkeren op één ding. Het gaat echter niet om één ding, maar om meerdere dingen. Vorige week konden we dat heel concreet horen. Ik betreur dit ten zeerste en vind dit ook een miskenning van respect voor onze militairen. Nochtans stond er in uw regeerakkoord dat langer werken moest lonen, dat operationaliteit moest worden beloond en dat de specificiteit van het militaire beroep moest worden gerespecteerd, gewaardeerd en beloond. Het sociaal akkoord was oorspronkelijk een manier om het militair statuut te verbeteren. Er zijn heel wat verbeteringen, laat dat duidelijk zijn. Het sociaal akkoord werd echter onderuitgehaald door de pensioenhervorming die er doorheen kwam gefietst. Dit plaatste een en ander voor militairen in een ander daglicht. Elf jaar langer werken vergt in de praktijk meer bijsturing dan wat er nu gebeurt. Nu gebeurt er een inhaalbeweging. U schudt het hoofd, maar het is wel zo. Nu gebeurt er een inhaalbeweging richting het normale, maar niet tot op het normale niveau. De slotsom van heel dit verhaal, er is op dit moment geen enkele garantie over het hele akkoord. De vorige sociale akkoorden werden allemaal voorgesteld als mooie bijsturingen, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht omdat er geen budgettaire buffer was, omdat de voorziening of de situatie in de praktijk niet navenant was. Toen er daarover achteraf werd geklaagd, zou u tegen de vakorganisaties hebben gezegd – en u moet dat desgevallend maar tegenspreken – dat ze dan maar niet zo naïef hadden moeten zijn. Ik vraag mij af wat er op dit moment gebeurt. Vindt u echt dat de vakorganisaties nu wel moeten tekenen en opnieuw naïef moeten zijn, om uw eigen woorden te gebruiken? Ik vind van niet en ik meen dat u de militairen het respect moet geven dat zij verdienen. Ik rond af met te zeggen dat u op al mijn specifieke vragen met betrekking tot de territoriale reserve, de militairen op straat en het wettelijk kader daarrond geen enkel antwoord hebt gekregen. Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Elles ne m'ont évidemment pas satisfait mais ce n'est pas trop grave s'agissant de moi: elles ne satisfont pas trois syndicats sur quatre. Ces trois syndicats ne doivent pas être méprisés et mis de côté parce qu'un seul syndicat représentant un grand nombre de militaires aurait, lui, marqué un accord. C'est là le premier élément: quand on veut mener une concertation, on respecte tout le monde et tous les partenaires, y compris les plus petits. À eux trois, ils représentent du reste également une grande partie des militaires. Le deuxième élément est que, selon les chiffres qui nous ont été fournis par la Direction Générale des ressources humaines de la Défense nationale – ce ne sont donc pas les chiffres des syndicats – seuls 48 % des militaires pourront demander leur pension après avoir travaillé sept années de plus. L'impact est donc énorme pour ces militaires, en particulier pour ceux qui sont déjà en place. En effet, les nouvelles conditions mises sur la table valent pour les nouveaux, qui intègrent la Défense en connaissance de cause, tandis que les autres avaient un accord social et des acquis qui leur sont aujourd'hui rabotés. Chaque heure serait compensée? Seules 20 heures sur 24 sont compensées, et on ne valorise pas le travail de nuit. Une compensation équitable? Seulement 1,81 € brut de l'heure en plus pour un sergent comptant 9 ans d'ancienneté. Quatorze mois de prime d'opération? C'est 45 € par mois pour les volontaires. Travailler les jours fériés sera mieux rémunéré? On gagne trois fois plus via un flexi-job. Ces chiffres sont véridiques. Vous évoquez l'accord social du siècle. Non, ce n'est pas l'accord social du siècle. On pourra parler d'accord social lorsque le gouvernement l'aura accepté, ce qui ne m'apparaît pas certain. Par ailleurs, j'admets que vous avez fait des efforts, mais ces efforts sont insuffisants en l'occurrence. Vous disposez en effet de moyens supérieurs à ceux de la ministre Dedonder. Cette dernière est passée de 1,1 à 1,3 % du PIB, alors que vous êtes passé de 1,3 à 2 % du PIB. En valeur proportionnelle, vous auriez donc pu au moins obtenir plus de 600 millions d'euros pour un accord social. Malheureusement, vous avez aussi été victime de la vision très dogmatique et très idéologique du ministre des Pensions, votre coreligionnaire N-VA, M. Jambon. Je terminerai en disant que, au vu des tableaux qui nous ont été fournis sur les traitements, revenus, compensations, etc., dans les services de sécurité – les militaires, les pompiers, les policiers, les gardiens de prison – ce sont finalement les militaires qui gagnent le moins. Et ça, ce n'est pas normal. Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Nous sommes évidemment bien conscients que des améliorations ont été apportées. Toutefois, des accords ont été passés, c'est exact, mais pas avec l'ensemble des syndicats. Nous comprenons bien entendu que lorsque le plus grand syndicat propose un accord, cela permet d'avancer. Toutefois, je souligne que le métier de militaire présente une spécificité particulière, de sorte que je ne peux que vous inviter à y être sensible et à continuer à rechercher des solutions et des améliorations, dans la mesure du possible. Ik wil nog even kort reageren. Er wordt hier gesteld dat men geen syndicalist is, maar laat dat volgen door beweringen die geen steek houden. U verwijst naar wat ik in het verleden heb gezegd, maar aangezien u daar niet bij was, herhaal ik beter zelf wat ik eerder heb verklaard. Ik heb gesteld dat men vroeger niet zo naïef moest zijn. Wanneer men onderhandelt en weet dat de bevoegde minister nul euro extra heeft of zelfs moet besparen, dan is het enigszins goedgelovig te denken dat de afspraken zomaar zullen worden ingevoerd. Bovendien blijft een aantal mensen rond de tafel herhalen dat het akkoord er niet zal komen. Ook sommige syndicaten blijven dat opperen. Het budget is evenwel voorzien; dat staat vast. Wanneer wordt beweerd dat het allemaal veel te weinig is en dat minstens 600 miljoen euro moet worden uitgetrokken, is dat naar mijn mening buiten proportie. Er zijn veel andere noden. Het gat van 5 miljard euro in het STAR-plan, om maar iets te noemen, moest worden gevuld. Ook moeten nog veel andere capaciteiten worden aangekocht, is er infrastructuur nodig en moet extra personeel worden aangeworven om onze organisatie te versterken. Het blijft telkens een keuze en ik meen dat wij de juiste keuze hebben gemaakt. Ik wil nog even kort het volgende meegeven. De ingebrekestelling van begin oktober heeft volgens mijn laatste informatie ondanks het ruim verstrijken van de gestelde termijn vooralsnog niet geleid tot de erin aangekondigde gerechtelijke procedure. Desgevallend zal een verweer voor de rechter worden gevoerd. Ik ben dus wel in gebreke gesteld, maar vervolgens is er niets mee gebeurd en is er evenmin een zaak aanhangig gemaakt. Misschien komt die zaak er nog. Dat weet ik niet. Volgens mij maakt die zaak niet veel kans. Mijn juristen fluisteren mij alleszins in dat die zaak geen schijn van kans maakt. Mevrouw Ponthier, over de inzet van militairen op straat merk ik op dat momenteel een nieuw en verbeterd wettelijk kader dat de inzet van militairen voor binnenlandse opdrachten regelt, wordt uitgewerkt op de werf van de Defensiecodex, die binnenkort met de vakorganisaties zal worden besproken. In afwachting van de invoering van de Defensiecodex vindt dergelijke inzet in België, wanneer noodzakelijk, uiteraard plaats onder het bestaand wettelijk kader. De militairen zullen voor een dergelijke inzet de correcte informatie en opleiding moeten krijgen. De vergoedingen en toelagen verbonden aan die vorm van inzet, zullen worden toegepast. De territoriale reserve zal vanaf eind 2026, begin 2027, stelselmatig worden op- en uitgebouwd. Het concept alsook het operationele en juridische kader wordt momenteel door de Defensiestaf uitgewerkt. De mogelijkheid van een gespecialiseerde veiligheidsstructuur wordt niet a priori uitgesloten, maar vergt een grondige analyse en politieke consensus op zowel federaal als gewestelijk niveau. Mevrouw Ponthier, kunnen we het daarbij laten, of wenst u nog te repliceren? Mijnheer de minister, bedankt voor de aanvulling van uw antwoord op mijn vragen. Wat het sociaal akkoord betreft, een sociaal akkoord ondertekenen met nul euro budgettaire dekking is uiteraard naïef. U hebt gelijk wanneer u daarvoor waarschuwt en wanneer u stelt dat daarin destijds onjuist werd gehandeld. U geeft aan dat er nu wel middelen zijn voorzien. Volgens wat wij hebben vernomen, en ik heb geen enkel criterium om daaraan te twijfelen, zijn er weliswaar middelen voorzien, maar te weinig om te realiseren wat u wenst. Bovendien is er vooralsnog geen dekking door de regering. Dat lijkt me geen detail in het geheel. Voor de vakorganisaties is er daardoor geen enkele garantie dat zal worden uitgevoerd wat u wilt realiseren. Ik herhaal dan ook wat ik eerder heb gezegd, alles in overweging genomen lijkt het me bijzonder naïef om dat sociaal akkoord nu te ondertekenen. Voorzitter: Christophe Lacroix. Président: Christophe Lacroix. De Russische schaduwvloot Mijnheer de minister, mijn vragen gaan over de Russische schaduwvloot. Het voordeel van bepaalde vragen, die meer dan twee maanden oud zijn, is dat ze brandend actueel blijven. Een onderzoek van VRT News en De Tijd heeft gisteren aangetoond dat 1.400 boten de voorbije jaren twee keer zo veel hun locatiegegevens uitzetten en dus blind rondvaren, onder andere ook in de Noordzee, maar zeker ook in de Zwarte Zee en de Middellandse Zee. Dat is dus een gevaar dat absoluut niet geweken is. Het gaat vaak over een verzameling van oude en slecht verzekerde schepen, olietankers bijvoorbeeld, die ook een risico voor onze veiligheid vormen, zeker ook voor onze onderwaterinfrastructuur. Spionage en sabotage zijn nooit veraf. Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de Belgische rol in het bekijken van die Russische schaduwvloot als een instrument voor sanctieomzeiling en eventueel ook als een potentiële dreiging op maritiem vlak, met name spionage en sabotage van onderzeese kabels? Zijn er concrete aanwijzingen dat schepen, verbonden aan de schaduwvloot, in Belgische of naburige wateren opereren of passeren? Zijn er plannen om de maritieme surveillancemiddelen op te voeren in het kader van het toezicht op deze schaduwvloot? De Russische schaduwvloot bestaat uit een verzameling oude tankers en handelsvaartuigen, vaak varend onder zogenoemde conveniencevlaggen, die worden gebruikt om internationale sancties te omzeilen. Slechts ongeveer 40 % van de schepen is daadwerkelijk Russisch. Heel wat schepen opereren onder valse vlaggen en zijn juridisch gezien staatloos. Het voornaamste risico is het omzeilen van sancties, omdat deze schepen het moeilijk maken voor Europese en internationale instanties om de handel van Rusland te monitoren of te controleren. Ook op het vlak van verzekeringen kunnen er problemen rijzen. Hoewel incidenten zoals kabelbreuken tot nu toe eerder uitzonderlijk zijn, voert het systematisch monitoren en in kaart brengen van onderzeese infrastructuur door deze schaduwvloot eveneens een reële uitdaging. Dergelijke activiteiten kunnen in eerste instantie als verkenning of spionage worden geïnterpreteerd, maar dragen het risico om te evolueren naar sabotage of disruptieve acties. De exacte cijfers geven, ligt gevoelig, met name op het vlak van operationele veiligheid, diplomatieke relaties en strategische communicatie. Algemeen kan worden gezegd dat verschillende schepen van de schaduwvloot in 2025 onze exclusieve economische zone zijn gepasseerd. Tijdens het door Frankrijk aangekondigde overleg heeft België de nadruk gelegd op het belang van preventieve bescherming van kritieke infrastructuur in Noord-Europese wateren en daarmee ook op gecoördineerde monitoring en informatie-uitwisseling tussen de kuststaten van de Noordzee en de Baltische Zee. Daarbij zal de aandacht worden gevestigd op de noodzaak van juridische duidelijkheid over het omgaan met staatloze en valse vlagschepen die verdachte activiteiten uitvoeren in economische zones. Schepen van de schaduwvloot dienen actief te worden gemonitord tijdens transit door de Belgische EEZ. Dat gebeurt met patrouilleschepen, coastal patrol vessels , aangevuld met satellietinformatie, automatic identification system tracking en, indien mogelijk, in samenwerking met de NAVO-partners. De Belgische Marine beschikt over een gelaagde capaciteit voor maritime situational awareness , ondersteund door de Kustwacht, het Maritiem Informatiekruispunt in Zeebrugge, het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum in Oostende en de NAVO-partners. Specifieke verhoging van middelen voor de monitoring van de schaduwvloot zal steeds in overleg met de NAVO-partners plaatsvinden, rekening houdend met operationele prioriteiten en capaciteit. Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Zoals u zegt, gaat het vaak om zogenaamd staatloze schepen, bijvoorbeeld de Rosalin. Dat schip is officieel niet-Russisch, maar we weten dat het vaak in Russische havens verblijft. Het is dus een problematiek die nauwlettend gevolgd moet worden en waar de samenwerking met de NAVO-partners en de buurlanden van groot belang is. Daarnaast is het belangrijk nogmaals te benadrukken dat onze Marine de komende jaren en decennia een absolute prioriteit moet zijn. België beschikt inderdaad over een gelaagde capaciteit. Het gaat niet alleen om patrouillevaartuigen, maar ook het MCM en het ASWF-programma, dat momenteel enige problemen kent. Het is essentieel dat het ASWF-programma nauw wordt gevolgd om onze Belgische wateren en havens te beveiligen en te beschermen. Dat is cruciaal, niet alleen om onze rol internationaal en Europees te vervullen, maar ook voor de veiligheid van onze eigen bevolking en havens. Het is van belang van de Marine een absolute prioriteit te maken voor de investeringen van de komende decennia. Het afschaffen van het woke diversiteitsbeleid binnen Defensie Het diversiteitsbeleid bij Defensie Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag. Ik verwijs naar vraag van Mevr. Ponthier nr 56009095C. Daar verwijst de collega naar uitspraken van de Amerikaanse minister van Defensie, Pete Hegseth, over het zogenaamde “woke-beleid” binnen het Amerikaanse leger. Ik wil mij bij die vraag aansluiten, maar vanuit een fundamenteel andere invalshoek. Als NAVO-bondgenoot volgen we uiteraard de evoluties in het personeels- en opleidingsbeleid van andere legers, waaronder dat van de Verenigde Staten. Maar waar sommigen spreken over “ideologische ontsporing”, zie ik vooral een bredere inspanning om defensiestructuren weerbaar te maken, talent te behouden en leiderschapsculturen te versterken in een samenleving die snel verandert. Diversiteit, inclusie en gelijke kansen zijn daarbij geen “afleiding”, maar een onderdeel van een moderne krijgsmacht die iedereen op basis van competentie en inzet waardeert. Het is precies die diversiteit die onze krijgsmacht beter doet functioneren. Daarom heb ik deze vragen: Hoe kijkt de minister naar het debat dat momenteel in de VS wordt gevoerd over zogenaamd “woke-beleid” binnen Defensie? Bevestigt de minister dat Defensie zich blijft baseren op principes van gelijke kansen, professionaliteit en operationele effectiviteit, zonder te vervallen in ideologische karikaturen? Mijnheer de minister, ik zal niet naar de schriftelijke versie van mijn vraag verwijzen. De Trump-fans achter mij hebben een vraag ingediend om het diversiteitsbeleid binnen Defensie een halt toe te roepen. Dat raakt mij persoonlijk diep en is de reden van mijn vraag, omdat ik mijn visie wil meegeven. Toen ik actief was binnen Defensie, bestond er geen actief diversiteitsbeleid, wat mij parten heeft gespeeld. Persoonlijk heeft dat er mij op bepaalde momenten van weerhouden om te zijn wie ik was op het werk en om me goed te voelen. Dat heeft me ertoe genoopt om lange tijd niet openlijk te kunnen zijn wie ik was. Ik hoop dan ook uit de grond van mijn hart dat u en deze regering op geen enkele manier het diversiteitsbeleid dat later binnen Defensie is ingevoerd, zouden willen terugschroeven naar aanleiding van gebeurtenissen in de Verenigde Staten met figuren als Trump en Hegseth, die een aanval hebben ingezet op alles wat divers is, niet alleen binnen Defensie, maar binnen de gehele overheid. Misschien is dit een wat persoonlijke oproep, maar u moet mij vergeven dat het mij persoonlijk raakt. Ik hoop echter uit de grond van mijn hart dat het diversiteitsbeleid zoals dat vandaag binnen Defensie bestaat, volledig overeind blijft. Defensie bouwt op vier kernwaarden: integriteit, loyaliteit, wederzijds respect en moed. Vanuit die waarden bevestigen wij dat iedereen die naar die waarden kan leven en werken en slaagt voor de selectie, zijn plaats heeft binnen onze organisatie. Binnen Defensie staan militaire paraatheid en operationele effectiviteit centraal. Om die te waarborgen, hanteren we een meritocratisch personeelsbeleid waarin talent, inzet en bekwaamheid bepalend zijn. Het personeelsbeleid ondersteunt dat door het beste talent aan te trekken, te behouden en optimaal in te zetten, ongeacht achtergrond, overtuiging of identiteit. Defensie werkt op het vlak van diversiteit zonder streefcijfers of quota bij de werving, plaatsing of promotie van militair en burgerpersoneel. Defensie heeft maatregelen voorgesteld voor het federaal actieplan Handicap 2025-2029 van minister Rob Beenders. Het burgerpersoneel van Defensie volgt het beleid inzake aanwerving van personeel met een handicap van het federale administratieve openbaar ambt. Ook werkt Defensie mee aan het Federaal Plan Gender mainstreaming van collega Beenders. De grote verscheidenheid aan functies binnen onze organisatie vraagt om een even brede waaier aan profielen. Daarom voeren we een doelgericht personeelsbeleid dat inzet op diversiteit, waar dit de operationele effectiviteit versterkt, met als uitgangspunt dat competentie en inzet uiteraard altijd primeren. Diversiteit binnen Defensie is geen doel op zich, maar het natuurlijke gevolg van de brede waaier aan taken en functies die onze organisatie rijk is. Onze kernwaarden verplichten ons om een krijgsmacht te bouwen die sterk, loyaal en rechtvaardig is. Diversiteit is geen afleiding van onze missie, maar is een gevolg van onze missie, in dienst van een slagkrachtige Defensie. Mijnheer de minister, ik dank u voor deze heldere toelichting. Ik wil ook reageren op collega Weydts, die meent te weten dat ik een Trump-aanhanger of een Trump-fan ben. Ik weet niet hoe visionair collega Weydts is, maar ik probeer een beleid altijd te beoordelen op de beleidsdaden en nooit op de persoon die die beleidsdaden voorstelt. Ik hou niet van idolatrie en dat is ook in deze een terechte opmerking. Ik wilde met mijn vragen te weten komen welk beleid er wordt gevoerd binnen Defensie. Ik ben blij van de minister te horen dat er binnen Defensie wordt gekeken naar de loyauteit, de capaciteit en het talent van degenen die de taken moeten uitvoeren binnen Defensie, dit in tegenstelling tot het beleid dat in de Verenigde Staten wordt gevoerd en dat terecht werd aangekaart, waar woke ideologie en politieke correctheid prioritair werden gesteld. Er werd daarop terecht kritiek gegeven omdat men merkte dat dergelijke ideeën of ideologieën de samenhang en de slagkracht van het Amerikaanse leger aantastten. De bedoeling van mijn vraag was om te vernemen hoe dat in dit land wordt toegepast. We weten natuurlijk dat wie daarover vragen stelt al meteen in de hoek wordt geduwd, wat wel in het kraam past van enkele partijen in dit halfrond, maar het beleid dat in de Verenigde Staten werd gevoerd, past niet in het kraam van het diversiteitsbeleid of het genderbeleid, dat veel meer de nadruk legt op persoonlijke vrijheid en op opgedrongen gelijkheid. We hebben de voorbije jaren in België eveneens een toename gezien van initiatieven rond diversiteit en vooral rond streefcijfers. Daar heb ik een probleem mee omdat streefcijfers niet altijd nuchter worden geëvalueerd. Daarnaast zijn er educatieve programma’s over gender en inclusie binnen onze maatschappij, maar ook binnen Defensie, waar we toch wel wat vragen bij kunnen stellen. Ik denk dat we moeten teruggrijpen naar de kerntaken binnen Defensie, zijnde bewaking van het luchtruim, het eigen grondgebied, onze burgers en onze territoriale wateren. Dat moet altijd prioritair zijn boven de woke-ideologie die langzaam maar zeker is binnengeslopen in onze samenleving en die ook binnen Defensie de bovenhand dreigde te krijgen. Ik ben dan ook blij dat daaraan geen gevolg wordt gegeven. Ik vond het een zeer goed antwoord. Het stelt mij ook gerust en ik denk veel collega’s met mij. Ze maken zich zorgen omdat ze zijn wie ze zijn en evoluties zien in andere defensieapparaten in het buitenland en hopen dat dat bij ons zo geen vaart zal nemen. Uiteindelijk is niet wie of wat je bent van belang, maar wat je kunt, wat je capaciteiten zijn en hoe je geëvalueerd wordt, hoe je je toewijdt aan je land en aan je samenleving. Dat is het enige dat zou mogen tellen en dat blijkt ook uit het antwoord. Daarmee ben ik het grondig eens en ik wil u daarvoor danken. De veiligheidsopleidingen en de rol van Defensie in de preventie van radicalisering De verijdelde aanslag op premier De Wever en op een aantal andere politici van een tijdje gelden heeft velen onder ons geschokt. Daarbij viel alvast op dat twee van de verdachten of daders een veiligheidsopleiding volgde; de ene de opleiding Defensie en Veiligheid in het secundair onderwijs en de andere de opleiding Cyber Security aan de AP Hogeschool. Die opleidingen bereiden jongeren voor op functies bij defensie, politie en andere veiligheidsdiensten en zijn gestoeld op discipline, verantwoordelijkheid en de bescherming van onze samenleving. Dat studenten met zo'n achtergrond betrokken zijn bij een terreuronderzoek, roept vragen op over de inhoud van die opleidingen en de praktische begeleiding. We verwachten dat jongeren in die richting niet alleen technische kennis opdoen, maar ook leren wat het betekent om in dienst te staan van een democratische rechtsstaat. Daarom vind ik het belangrijk te weten in welke mate Defensie betrokken is bij de inhoud van de opleidingen en of er aandacht is voor thema's zoals ethiek, extremisme, weerbaarheid tegen radicalisering. In het regeerakkoord is ook sprake van de aanstelling van een militaire referendaris, die naar scholen zou trekken om Defensie te vertegenwoordigen. Dat lijkt mij een interessant initiatief, zeker als het niet louter om werving gaat en ook preventief kan bijdragen tot bewustwording van jongeren die sowieso al geïnteresseerd zijn in de veiligheidssector. Ik hoor dan ook graag hoe ver men staat met de voorbereiding van dat project en hoe die functie er precies moet uitzien. Defensie heeft niet de lead wat de derde graad Defensie en Veiligheid in Vlaanderen betreft. Het is een van de partners, onder leiding van het Vlaamse onderwijs. De vrijheid van onderwijs wordt in de Grondwet gewaarborgd en er is dus geen algemene screening in het Vlaamse onderwijs en ook geen weigering van leerlingen. Defensie neemt ongeveer 35 % van de contacturen voor zijn rekening. Daarin wordt ook de nadruk gelegd op de vier kernwaarden van Defensie: integriteit, loyaliteit, respect en moed. Meer nog dan op kennisoverdracht wordt de aandacht gericht op het overbrengen van de juiste attitude. Het project van de militaire referendaris bevindt zich momenteel in een conceptuele fase. Het is de bedoeling dat hij of zij een brugfunctie zal vervullen tussen Defensie en jongeren, bijvoorbeeld via vorming, dialoog en aanwezigheid op scholen. In dat kader wordt ook bekeken hoe die rol kan bijdragen aan preventie en weerbaarheid tegen extremisme, door jongeren te sensibiliseren rond waarden als respect, verantwoordelijkheid en democratische principes. De uitvoering van het project is ten vroegste in 2027 gepland. Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Ik begrijp dat Defensie vooral een ondersteunende en informatieve rol speelt. Het is goed om te horen dat er niet alleen aan kennisoverdracht wordt gedaan, maar dat er naast de technische vorming ook aan de weerbaarheid tegen extremistische ideeën wordt gewerkt. De militaire referendaris kan daarin een waardevolle rol spelen. Ik hoop dat die rol niet louter promotioneel zal blijven, maar dat er ook op vorming en bewustmaking zal worden ingezet. Les accords avec M. le ministre étaient clairs: il pouvait rester avec nous jusqu'à 17 h. Donc, je clos la réunion, tout en remerciant les collègues qui sont restés en espérant pouvoir encore poser leurs questions. Merci pour votre travail, mais je vous donne rendez-vous, sous la présidence du collègue Buysrogge, vendredi midi. La réunion publique de commission est levée à 17 h 02. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.

Commissievergadering op 10 december 2025

🪖 Commissie Landsverdediging

Van 13h39 tot 17h02 (3 uur en 23 minuten)

17 vragen

Voorgezeten door

N-VA Peter Buysrogge

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

De samenwerking met Nederland voor luchtafweer
De intentieverklaring met Nederland voor de aankoop van luchtafweersystemen
De aankoop van NASAMS-luchtafweersystemen
De aankoop van het NASAMS
De inzet van de Gepard als luchtafweer
Laserwapens
Het NASAMS
Het NASAMS-luchtverdedigingssysteem en de ontwikkeling van een meerlagige luchtafweer
Samenwerking en aankoop van geavanceerde luchtafweersystemen

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België en Nederland ondertekenden een principeakkoord voor de gezamenlijke aankoop van 10 NASAMS-luchtafweersystemen (Noors, middellange afstand) om tegen 2027 een eerste operationele capaciteit te realiseren, als onderdeel van een gelaagd luchtverdedigingssysteem (korte/middellange/long-range). Minister Francken benadrukt de samenwerking met Nederland (kennisdeling, snellere levering, NAVO-interoperabiliteit) en bevestigt plannen voor Skyrangers (korte afstand) en een latere keuze tussen Patriots/SAMP/T (long-range), terwijl laserwapens (tegen drones) onderzocht maar nog niet operationeel zijn. Kritiek van oppositie (o.a. Verbelen, N-VA) richt zich op afhankelijkheid van Amerikaanse technologie (raketten, radars), leveringszekerheid (tijdelijke Poolse raketten), en beperkte Vlaamse industriële return – Francken belooft betrokkenheid van zowel Waalse (FN Herstal) als Vlaamse bedrijven, maar concrete afspraken ontbreken nog. Gepards werden afgewezen omwille van veroudering en munitieproblemen. De kostprijs bedraagt ~3,1 miljard euro (10 systemen + munitie), met 2 miljard uit de Strategische Visie 2025. Francken plant Ursel (Oost-Vlaanderen) als nieuwe luchtmachtbasis voor luchtafweer, ondanks lokale natuurbezwaren, en streeft naar Europese productie van munitie (nog in competitie). Lasertechnologie en dronedreiging blijven onderzoeksprioriteiten, maar België loopt (nog) niet voorop.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik trap een open deur in wanneer ik zeg dat investeren in luchtafweer een absolute prioriteit is. Ik denk dat niemand hier dat betwist. We hebben een tijd geleden vernomen dat u van plan bent om daarvoor een samenwerking op te zetten met Nederland – een Europees land, collega’s van de PS – om een NASAM-systeem aan te kopen, een Noors systeem. Ook dat is Europees land, collega’s van de PS. Ik zie alleen maar voordelen in de samenwerking die u probeert op te zetten voor onze luchtafweer.

Sowieso, als we samen kunnen aankopen, dan denk ik dat dit onze positie op de markt verstevigt, en dat we in principe ook goedkoper zouden kunnen aankopen. Het is bovendien goed om strategisch te spreiden. België is trouwens kampioen in het samenwerken. Onze Marine werkt al decennialang samen met Nederland. Onze Landmacht zal nu zeer intensief samenwerken met Frankrijk. Ook met Luxemburg zijn er al zeer intensieve samenwerkingen op allerlei niveaus. Onze Luchtmacht werkt dan weer eerder samen met de Verenigde Staten. Het zou inderdaad goed zijn dat we ook naar andere partners kijken wanneer het over andere capaciteiten gaat. Ik denk dat dit strategisch interessant is, dus daar zie ik ook nog een voordeel om op die manier te gaan werken.

Luchtdefensie is per definitie gelaagd, van een very short range tot een zeer grote actieradius. Het is dus ook logisch dat men kijkt naar verschillende samenwerkingsverbanden. Zeker als het gaat over grotere afstanden – de verdediging tegen raketten, missielen enzovoort – kan men zich de vraag stellen of men dat wel alleen moet doen. Naarmate de actieradius van de capaciteiten toeneemt, lijkt het mij verstandiger om dat samen met andere landen te doen, gelet op de geografische situatie van ons land. We zijn geografisch niet zo groot; we zijn geen klein land, maar geografisch gezien lijkt samenwerking mij daar de evidentie zelf.

Bijkomend had ik nog een vraag gesteld, mijnheer de minister, over het onderzoek naar de Gepards. U had in een andere commissie verteld dat u dit zou onderzoeken. We zijn daar nog niet dieper op kunnen ingaan. U had al meegedeeld dat dit geen optie was voor ons, maar ik had heel graag vernomen waarom, louter uit interesse.

Wat betreft de aankoop van de NASAM-systemen, acht u het haalbaar om effectief, zoals u eerder in de media hebt verklaard, in 2027 al capaciteiten in plaats te kunnen stellen?

Dank voor uw antwoorden.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, collega Weydts heeft de situatie goed geschetst. U hebt recentelijk een akkoord met Nederland ondertekend voor de gezamenlijke aankoop van luchtverdedigingssystemen, NASAMS uit Noorwegen. De aankoop van luchtverdedigingssystemen is absoluut een van de no-brainers, zaken die we absoluut moeten doen, waar ik het geregeld over heb. U doet dus een goede stap. Als we ter zake dan nog met Nederland samenwerken, kan ons land alleen maar profiteren.

Welke afspraken zijn er gemaakt met Nederland inzake beheer, onderhoud, training en operationele coördinatie?

Is de Belgische defensie-industrie bij het project betrokken?

Hoe past het gezamenlijke project in de bredere NAVO-plannen voor geïntegreerde luchtverdediging?

Waarom is er gekozen voor de Noorse fabrikant?

Wordt er ook gekeken naar interoperabiliteit met systemen van buurlanden als Frankrijk of Duitsland?

Collega Weydts heeft het ook gehad over de gelaagdheid van de luchtverdediging. Ik meen dat we opkomende technologieën zeker niet uit het oog mogen verliezen. Ik heb het dan over laserwapens. Laserwapens zijn blijkbaar een opkomende technologie in de defensiesector. De Amerikaanse Defensie is daarmee aan het experimenteren. U bent zinnens stappen vooruit te doen in het onderzoek ernaar en in de ontwikkeling ervan en daar elk jaar zeker een bedrag voor vrij te maken. De inzet van laserwapens ter verdediging tegen de dronedreiging moeten we absoluut meenemen in onze gelaagde verdediging tegen allerlei soorten dreigingen in de lucht.

Wat is de stand van zaken in de ontwikkeling van laserwapens?

Zijn het onderzoek naar en de ontwikkeling van laserwapens in België toegelaten? Indien niet, waarom niet?

Worden er initiatieven ondernomen om een productielijn van laserwapens naar België te halen, bijvoorbeeld in samenwerking met een aantal lokale bedrijven, gespecialiseerd in lasertechnologie?

Wordt dat soort wapens op dit moment al door bondgenoten geïntegreerd in de militaire doctrine?

Behoort dat soort wapens tot de toekomstige herbewapening van de Belgische strijdkrachten?

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, zoals mijn voorgangers reeds hebben aangegeven, is de ondertekening van het principeakkoord met Nederland voor de aankoop van NASAMS voor luchtafweer zonder twijfel een belangrijke stap. Na jaren zonder grondgebonden luchtverdediging is het positief dat België eindelijk investeert in de bescherming van ons luchtruim.

Ik heb wel nog enkele vragen omtrent de kostprijs, de afhankelijkheid en de industriële return van he project. Het gaat om een miljardeninvestering voor negen systemen, waarbij ook de raketten zelf zeer kostelijk zijn. Dat is een zware factuur voor een systeem dat voor een aanzienlijk deel steunt op Amerikaanse technologie, met radars van Raytheon en raketten van Amerikaanse makelij. Wanneer we spreken over Europese defensiesamenwerking en strategische autonomie, wringt dat toch enigszins. Ik vernam bovendien dat we tijdelijk raketten zouden moeten gebruiken uit Polen, wat niet meteen vertrouwen wekt in de leveringszekerheid.

Er zouden gesprekken lopen met FN Herstal over lokale productie van raketonderdelen, maar ik heb tot op heden nog geen Vlaamse industriële component horen vermelden in dit dossier. We beschikken nochtans over sterke spelers op het vlak van radar, sensoren en ruimtevaarttechnologie.

Hoe zult u garanderen dat het miljardenproject niet uitsluitend het buitenland ten goede komt, maar ook winst oplevert op het vlak van Vlaamse innovatie, werkgelegenheid en kennisontwikkeling?

Hoe past de beslissing bij de ambitie om de defensiecapaciteit op een snelle, maar duurzame en Europese manier uit te bouwen?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur had een prominent oppositielid terecht veel kritiek op het volledig ontbreken van luchtverdediging. We mochten dat niet te luid roepen, omdat dat onze eigen zwakte blootlegt aan de buitenwereld. Het is echter wel de harde realiteit, die dat oppositielid toen op af en toe scherpe wijze blootlegde.

Het is dan ook goed dat u onmiddellijk werk hebt gemaakt van de luchtverdediging met het aangehaalde princiepsakkoord. Ik reken erop dat ik op mijn ingediende vragen een antwoord zal krijgen en kijk alleszins uit naar uw antwoorden. De verdere uitbouw van de luchtverdediging te beginnen met het princiepsakkoord vormt een essentieel onderdeel van ons defensieapparaat.

Koen Van den Heuvel:

We bespreken hier een heel belangrijk dossier. De collega's hebben al een aantal pertinente vragen gesteld. In de vraag die ik heb voorbereid, vindt u alle elementen terug die mijn collega’s al hebben geformuleerd.

Luchtverdediging is een prioriteit; dat staat ook in de verschillende strategische plannen. Daarnaast blijft samenwerking met de buurlanden voor onze fractie een duidelijke prioriteit. We zijn dan ook tevreden dat dat vertaling krijgt in de ondertekening van het princiepsakkoord voor de aankoop van luchtafweersystemen.

Ter aanvulling vernam ik graag wat het exacte tijdspad is voor het dossier en wanneer de investering operationeel zal zijn.

Stéphane Lasseaux:

Tout d'abord, nous constatons que la presse s'est dernièrement fait l'écho de la commande du système NASAMS. Il s'agit d'une première capacité minimale qui pourra être réceptionnée en 2027.

Cet achat se concrétisera au travers d'un contrat avec les Pays-Bas, comme les collègues l'ont précisé tout à l'heure. Il permettra une mise en œuvre plus rapide ainsi que, certainement, un partage de l'expertise et des connaissances des Pays-Bas. Cette acquisition représente une belle avancée dans le cadre du développement et de la mise en place d'une capacité de défense anti-aérienne multicouches. Nous pourrons ainsi combler le trou qui existe actuellement dans la couche moyenne.

Toutefois, quelques questions se posent sur ce dossier. Quand pourra-t-on avoir une première capacité opérationnelle, et une capacité opérationnelle complète? Où en sont les négociations pour les retours sociétaux?

Par ailleurs, nous devrons encore compléter notre défense des couches inférieure et supérieure. J'aimerais avoir des précisions sur la couche inférieure notamment: que savons-nous de la protection qui sera accordée au territoire dans la couche inférieure? L'ensemble du territoire sera-t-il couvert par le système NASAMS et qu'en sera-t-il pour la couche inférieure, comme demandé ci-dessus?

L'un de mes collègues a mentionné les lasers. La Défense s'appuie-t-elle ou compte-t-elle s'appuyer sur la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS)? Des recherches sont-elles effectuées dans les nouvelles technologies liées à la défense anti-aérienne?

Serait-il possible que la Belgique doive s'équiper d'une meilleure défense en canons, au-delà de ce qui est prévu pour la protection des sites de défense anti-aérienne?

Theo Francken:

Zoals voorzien in de Strategische Visie zal België tijdens de huidige legislatuur investeren in een meerlagig luchtverdedigingssysteem, voornamelijk om het nationale grondgebied te beschermen, met een focus op gevoelige infrastructuur. De regering heeft zich uitgesproken voor een versterkte samenwerking op dat vlak binnen de Benelux. Onlangs werd een intentieverklaring ondertekend met Nederland, die de principes vastlegt van een versterkte samenwerking op het vlak van geïntegreerde luchtverdediging. Die intentieverklaring vormt het startpunt voor een nauwere samenwerking met Nederland en op termijn mogelijk ook met Luxemburg. Luxemburg heeft nog niet beslist. Ik blijf sterk aandringen bij mijn collega, maar zij heeft nog niet beslist of zij in het NASAM-systeem stappen of voor een alternatief zullen kiezen. Dat is nog niet beslecht. Ik zal naar de Luxemburgse beurs gaan. Eurosatory is het niet, ik ben even de naam aan het zoeken. Daar zullen we het later over hebben. Tot nu toe zijn ze nog niet aan boord, spijtig genoeg, want dat is wel degelijk de bedoeling. Het is uiteraard hun beslissing. Ik denk dat zij ook kijken naar Franse systemen. In die zin zullen verdere gesprekken nodig zijn.

De precieze invulling van het beheer, het onderhoud en de training moet nog verder worden uitgewerkt, maar het is duidelijk dat wordt gestreefd naar een nauwe samenwerking en gedeelde capaciteiten. Het radarsysteem is niet Amerikaans. De NASAM-systemen van Nederland zijn uitgerust met een Nederlands Thales-radarsysteem. Een projectteam binnen de defensiestaf werkt momenteel concreet aan de aankoop van tien short-to-medium range Norwegian Advanced Surface-to-Air Missile Systems, NASAMS. Het gaat om luchtverdedigingssystemen via Nederland. Nederland beschikt sinds 2024 over een contract voor dat systeem bij de Noorse firma Kongsberg Defence & Aerospace (KDA), waarbij België kan aansluiten en zo het aankoopproces aanzienlijk kan versnellen, maar ook kan profiteren van de bestaande expertise en operationele kennis van de Nederlandse krijgsmacht.

Outre cet achat via les Pays-Bas, nous avons aussi opté pour la location temporaire d'un système livré directement par le fabricant norvégien afin que notre pays dispose, dès le second semestre de 2027, d'une capacité minimale permettant de démarrer la formation.

In tweede semester van 2027 zullen we dus NASAMS-luchtafweergeschut hebben.

La livraison des dix systèmes que nous achetons sera ensuite étalée sur les années suivantes, afin de poursuivre le développement du système de défense aérienne multicouches. De plus, les Pays-Bas passent eux-mêmes une commande supplémentaire, ce qui renforce l'approche commune. Le système NASAMS constituera la couche de base au sein du bouclier de défense aérienne multicouches et sera intégré au système intégré de la défense aérienne et antimissile de l'OTAN. Cette architecture a été conçue pour assurer une défense coordonnée de l'espace aérien européen dans le cadre de l'OTAN. L'interopérabilité avec les partenaires de l'OTAN est donc un principe fondamental de ce projet.

De keuze voor NASAMS door de regering is mede ingegeven door de reeds bestaande samenwerking met Nederland op het vlak van luchtverdediging met gevechtsvliegtuigen via het Benelux Quick Reaction Alert-verdrag.

In de toekomst kan het systeem potentieel worden uitgebreid met een grondgebonden luchtverdedigingscomponent, wat logisch is gezien de gemeenschappelijke dreigingsrichting en -aard. Door de samenwerking met Nederland streeft Defensie naar verdere integratie van Europese componenten binnen het programma, in lijn met het breder streven naar een versterking van de Europese defensiesamenwerking.

De munitie biedt voordelen door de synergie met de F-35. Het betreft dezelfde missiles. Dat zijn inderdaad Amerikaanse missiles, maar u weet dat we bekijken of we ze eventueel in Europa kunnen produceren, misschien in België of Nederland. Er loopt momenteel een competitie, dus dat moet nog worden beslist. De compatibiliteit met reeds gebruikte munitietypes, evenals de beschikbaarheid op korte termijn, maken die keuze pragmatisch en strategisch verantwoord.

Industriële participatie en maatschappelijke return zijn vanaf het begin geïntegreerd in de projectontwikkeling. Hoewel de onderhandelingen nog lopen, zullen Belgische bedrijven worden betrokken bij zowel productie- als ontwikkelingselementen op lange termijn. Het gaat niet alleen over Waalse bedrijven, ook Vlaamse bedrijven zitten mee in dat productieproces. Dat kan betrekking hebben op assemblage, onderhoud of levering van essentiële onderdelen, evenals op de verdere evolutie van alle NASAMS-systemen wereldwijd.

De Strategische Visie Defensie 2025, deze ochtend goedgekeurd in de commissie, voorziet een bedrag van ongeveer 2 miljard euro voor het korte- en middellangeafstand luchtafweersysteem. Dit bedrag maakt het mogelijk om tijdens de periode van de Strategische Visie te voorzien in de aankoop van tien systemen, inclusief lanceerinrichtingen, radars, steunmaterieel, voertuigen, een initiële stock wisselstukken en een initiële opleiding.

De aankoop van de initiële munitievoorraad ter waarde van 1,1 miljard euro zal de komende jaren met werkingsmiddelen worden gefinancierd, wat het totale budget op ongeveer 3,1 miljard euro brengt voor een volledig NASAM-systeem met voldoende munitie.

De totale kostprijs van het NASAMS-project omvat de verwerving van materieel, steunmaterieel, een initiële stock wisselstukken, initiële opleiding en initiële voorraad munitie, aangevuld met een beperkte bijdrage aan de initiële ontwikkelingskosten van het systeem.

Naast het materiële luik zijn er echter nog andere essentiële aspecten die moeten worden ingevuld om een volledig operationeel wapensysteem te realiseren, zoals de verwerving, opleiding en kwalificatie van personeel. Door de ontmanteling van de Belgische luchtafweereenheden meer dan twintig jaar geleden beschikt Defensie momenteel niet over de vereiste kennis en operationele expertise binnen dat domein.

Ook dat element vormt een belangrijke reden waarom een initiële implementatie voor 2027 niet haalbaar is.

Om het Belgisch luchtverdedigingsschild te vervolledigen en optimaal te integreren in het breder Europees netwerk zal in het kader van de strategische visie naast de aankoop van tien firing units voor korte en middellange afstand een meerlagige luchtverdedigingscapaciteit in een latere fase worden aangevuld met drie long-range firing units . Het gaat onder meer om Patriots, SAMP/T en een Koreaans systeem.

Het Gepardsysteem was ooit effectief tegen laagvliegende dreigingen, maar de Belgische Gepards, die jaren geleden uit dienst zijn genomen, voldoen niet meer aan de huidige eisen. De beslissing om de Gepards niet te integreren in onze luchtafweer is gebaseerd op een combinatie van operationele en strategische factoren. De Gepard is niet compatibel met de gekozen NASAMS-structuur en mist toekomstgerichte capaciteiten. De munitie wordt niet meer geproduceerd en Airbusmunitie vereist nieuwe lopen, wat de operationele effectiviteit verder beperkt. Het wordt niet meer gemaakt. De lopen moesten dan worden vervangen. Ik had gevraagd om dat te bekijken.

Par ailleurs, la réserve territoriale sera dotée de systèmes Very Short Range Air Defence system (VSHORAD) de type Skyranger destinés à assurer la protection du territoire contre les menaces aériennes au niveau des couches inférieures.

Wij zullen dus Skyrangers aankopen, die worden geproduceerd door Rheinmetall , een Duitse producent. Er is nog niets ondertekend. Ik heb wel overleg gehad met Duits collega-minister Pistorius, maar er is nog niets getekend, ook geen principeovereenkomst. Normaal gezien zullen wij echter Skyrangers aanschaffen.

Tijdens onze Duits-Belgische Defensie-Industriedag werd onder meer een project voorgesteld waarin heel wat bedrijven, zeker ook satelliet- en radarbedrijven, interesse tonen en willen meewerken.

Bij laserwapens zijn het hoge energieverbruik en mogelijke collaterale schade de voornaamste uitdagingen. Onderzoek naar laserwapens is in België niet verboden, ook niet voor militaire toepassingen. Niet-lethale laserwapens bestaan reeds in beperkte vorm. Wel moet altijd worden voldaan aan de nationale wetgeving en de internationale verplichtingen.

Volgens de informatie waarover ik beschik, zijn er momenteel geen concrete plannen voor een productielijn van laserwapens in België. Er is wel interesse en beperkte samenwerking op onderzoeksniveau. De Belgische industrie kan in principe een rol spelen, maar een en ander bevindt zich nog in een heel vroeg stadium.

Sommige landen nemen laserwapens reeds op als potentiële kinetische middelen tegen drones. Ook NAVO-documenten erkennen die mogelijkheid. Laserwapens kunnen in principe deel uitmaken van de toekomstige Belgische herbewapening. Ze bieden een lage kostprijs per inzet en kunnen efficiënt worden ingezet tegen goedkope drones. Er zijn wel enkele kanttekeningen te maken bij de operationele inzet. Laserwapens zijn met name minder geschikt bij slechte weersomstandigheden, bij laaghangende bewolking, mist of neerslag.

België volgt de ontwikkelingen niettemin van nabij op. Onze innovatiedienst onder leiding van de dronegeneraal onderzoekt welke mogelijkheden er zijn op het vlak van lasertechnologie. Wij zijn nog niet waar wij moeten zijn op het vlak van lasertechnologie. Ik volg het dossier van nabij want het interesseert mij heel sterk. Het is een bijzonder interessant dossier.

Dus, de bottomline.luidt als volgt. Er komen NASAMS met één systeem in de loop van het tweede semester van 2027. Er komen de komende jaren ook tien bijkomende aankopen, met name Skyrangers. Wij voorzien NASAMS in het middensegment, Skyrangers en Piorun in het lagere segment. In het hogere segment wordt nog gekozen tussen Patriots of SAMP/T. Dat moet nog nader worden onderzocht. Daarvoor is een studie gevraagd aan de Luchtmacht. Die studie zal tegen de zomer beschikbaar zijn, zodat een definitieve keuze kan worden gemaakt. Ik zal daarmee ook naar het Parlement komen.

Wij zullen de defensie-industrie maximaal proberen te betrekken. Ik maak geen communautair onderscheid. Dat speelt voor mij geen rol. Wij zullen er echter wel op toezien dat ook heel veel Vlaamse bedrijven kunnen deelnemen. Wij hadden trouwens ook een Turks-Belgische Defensie-Industriedag die eveneens een groot succes was. Dat was bij Agoria. Dat verloopt goed. Het is zeker niet zo dat uitsluitend Waalse bedrijven betrokken zijn.

De meest bekende ondernemingen zijn Waals, zoals FN Herstal, dat iedereen natuurlijk kent. Er zijn echter ook heel veel Vlaamse bedrijven die hoogwaardige technologie ontwikkelen. Ze zijn alleen minder bekend.

Daarom zijn ze echter niet minder performant.

Dat is dus de bottom line up front of de BLUF. Dat heb ik ook geleerd; blijkbaar noemen ze dat zo.

In mijn infraplan wil ik dat heel graag in Oost-Vlaanderen plaatsen. Ik zou van Ursel een luchtmachtbasis willen maken met de focus op luchtverdedigingssystemen. Mijn infraplan is nog niet goedgekeurd door de regering, maar ik houd daaraan vast en ik voel me zeer gesterkt door het Parlement, dat een resolutie heeft aangenomen over een kazerne in Oost-Vlaanderen. Dat was Geraardsbergen, maar die piste is dood. Dus ik hoop dat dat kan doorgaan.

Ik had een goed contact met de vorige burgemeester van Aalter, zoals we wel weten, maar ook met de huidige burgemeester verloopt dat prima, dus ik denk dat het een goed systeem is. Er is wel wat natuur en er is een petitie met heel wat handtekeningen, maar ik ben ervan overtuigd dat we daar een goede oplossing voor kunnen vinden waarbij de twee perfect hand in hand kunnen blijven gaan.

Axel Weydts:

Ik wil daar onmiddellijk op inpikken. Ik ben er ook van overtuigd dat defensie en natuur perfect kunnen samenwerken. Ik heb destijds de mooiste stukjes natuur in ons land gezien op militaire domeinen. Dat meen ik echt. Militaire domeinen zijn per definitie minder toegankelijk voor het grote publiek en daardoor is er fauna en flora te zien die men soms nergens anders meer vindt. Ik hoop dan ook oprecht dat dat lukt. Van mijn kant krijgt u steun, al hoop ik dat ik daarmee mijn vicepremier niet afval.

Wat betreft de plaatsing van de NASAMS. Dat is gepland voor het laatste semester van 2027. Dat klinkt veraf, collega's, maar het is in werkelijkheid zeer nabij. Als u erin slaagt om die in zo’n korte termijn op te stellen, dan hebt u goed gewerkt en verdient dat alle lof. We zullen dat uiteraard vanuit het Parlement verder opvolgen. Het is echter helemaal niet evident om dergelijke complexe systemen, waar zeer veel vraag naar is, te verwerven. Heel wat landen zijn op zoek naar snelle luchtafweersystemen. Ik wens u veel succes daarmee.

Ik had nog twee kleine bijvragen, mocht dat mogelijk zijn. Is er al beslist op welk platform we de Skyrangers eventueel zouden plaatsen? U schudt van nee? Dan heb ik antwoord op mijn vraag, mijnheer de voorzitter.

En tot slot, heeft de Mistral nog een plaats in dit gelaagde luchtafweersysteem? Daarover heb ik u niets horen zeggen, maar als ik me niet vergis, hebben we al Mistralcapaciteiten aangekocht en zullen we die nog verbeteren.

Theo Francken:

Exact.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw uitgebreid antwoord.

Omdat u nu zelf over dat kwartierenplan begint, u hebt een aantal keer op mijn vraag geantwoord dat u daar nog voor het einde van het jaar mee naar het Parlement zou komen. De tijd dringt stilaan. Ik kijk er in ieder geval naar uit.

Theo Francken:

(…)

Kjell Vander Elst:

Op de regering heb ik helaas geen impact, mijnheer de minister.

Wat luchtafweersystemen en gelaagdheid betreft, denk ik inderdaad wel dat u al heel wat stappen vooruit hebt gezet. Dat is zeker een goede zaak. Zoals ik al zei, is dat een van de no-brainers in onze investeringsportefeuille. Naast die munitievoorraad, is dat is absoluut iets dat we moeten aanschaffen en moeten hebben. U zit daar dus zeker op de juiste piste en u hebt daarvoor mijn steun.

Wat laserwapens betreft, is het goed dat we dit opvolgen. Het is positief dat ook de dronegeneraal daarbij betrokken is en dat hij dat zeker in de ontwikkelingsfase nauw opvolgt, want het zou weleens kunnen dat er nog wat kinderziektes in zitten en dat er nog stappen vooruit moeten worden gezet. Het zou sowieso goed zijn dat we eens in de lead zitten op het vlak van nieuwe technologie en dat we daar eventueel samen met een aantal andere landen een frontrunner kunnen worden. De dronedreiging is immers niet weg. We zullen alle opties moeten openhouden om die drones op een zo veilig mogelijke manier te kunnen neutraliseren, en dan kan die lasertechnologie misschien wel een van de mogelijke manieren zijn. Wordt dus vervolgd.

Kristien Verbelen:

Bedankt voor uw antwoord.

Ik hoor dat u inzet op een snelle realisatie, en dat is uiteraard een goede zaak. Nu we miljarden gaan investeren in die luchtverdediging, moet dat toch ook dienen om onze eigen technologische en industriële basis te versterken. Ik hoor dat u bekijkt om ook hier te produceren. Ik hoop dan ook dat de Vlaamse bedrijven en onderzoeksinstellingen volwaardig worden betrokken. Het is toch de bedoeling dat deze investering niet enkel een symbolisch inhaalmanoeuvre is, maar echt een hefboom wordt voor strategische autonomie in Vlaanderen en in Europa.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, ik wil me aansluiten bij de woorden van steun van de collega's met betrekking tot de aanpak. Ik wil nog even inzoomen op uw uitsmijter. Gelukkig dat ik u op de valreep nog opnieuw het woord verleende. U zei dat u in uw kazerneplan overweegt om de luchtverdediging in Ursel mee vorm te geven en dus aan de Luchtmacht te denken als het gaat over de kazernes in Oost-Vlaanderen. Collega's, ik wil eraan herinneren dat mijn resolutie, die vorige legislatuur werd goedgekeurd, inzoomde op de provincie Oost-Vlaanderen, omdat dit echt braakliggend terrein is. De piste van Geraardsbergen is, gezien de veelheid van problematieken, verlaten. Dat is een goede zaak. Mijnheer de minister, in uw kazerneplan – waarnaar wij allemaal uitkijken – schrijft u in om Ursel uit te bouwen. Dat is heel goed. De betrokkenheid van de Luchtmacht is ook heel goed, met bijzondere aandacht voor zowel de natuur als de mensen en het lokale bestuur. Het is belangrijk om alle betrokkenen mee te hebben in het verhaal. In mij hebt u een bondgenoot, maar het is ook belangrijk dat de omgeving mee is.

De strijd tegen drones
Het C-UAS-droneteam
De hulp van buurlanden in de strijd tegen drones
De buitenlandse militaire steun tegen de dronedreiging
De lessen uit Oekraïne in de strijd tegen drones
De inzet van buitenlandse counterdroneteams
Het NASAMS-luchtverdedigingssysteem en de ontwikkeling van een meerlagige luchtafweer
De samenwerking tussen de NAVO- en de EU-lidstaten in de strijd tegen drones
Internationale samenwerking en technologie tegen dreigingen van drones

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Belgiës urgente aanpak van dronedreigingen, met 50 miljoen euro voor directe defensie-investeringen (o.a. radars, brouilleurs, drone guns) en een toekomstig 500-miljoenprogramma (2026) met Europese NAVO-partners, waarbij lokaal ankerpunt en strategische autonomie centraal staan. Minister Francken (Defensie) benadrukt de samenwerking met buitenlandse partners (Duitsland, Frankrijk, VK, VS) voor kennisuitwisseling en gap-filling, maar bekritiseert gebrekkige coördinatie met Binnenlandse Zaken/politie – ondanks bestaande structuren zoals het NASC – en pleit voor Defensie als leidende actor, met gedeelde middelen voor civiele doelen (luchthavens, nucleaire sites). Kritiekpunten: Lacroix (MR) prijst Franckens reactiesnelheid maar hekelt de afwezigheid van minister Quintin (Binnenlandse Zaken), terwijl Vander Elst (N-VA) en Ponthier (Vooruit) structurele samenwerkingsfouten aanwijzen, inclusief onduidelijke rules of engagement en vertraagde politiële inzet; lessen uit Oekraïne (snelle innovatie, gelaagde verdediging) moeten volgens Francken vertaald worden in Belgische doctrine en training, met nadruk op Europese strategische partnerschappen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, le 7 novembre dernier, le Conseil des ministres a trouvé un accord de principe sur un plan de financement de 50 millions d’euros destiné à la lutte contre les drones. Si aucune décision définitive n’a été prise, j’ai pris connaissance, aujourd'hui, d’un article de presse annonçant que vous auriez déjà réalisé une commande de l’ordre de 2 millions d’euros, ce qui ferait de vous l’un des ministres les plus réactifs. Nous n’étions pas d’accord tout à l’heure, mais sur le plan des drones, je salue votre action.

Monsieur le ministre, la presse évoque des achats de radars bas niveaux, de brouilleurs et d’armes portatives de neutralisation de type drone gun . Pouvez-vous nous détailler de manière précise la liste du matériel soumise au Conseil des ministres? À quel moment une décision définitive sera-t-elle prise, en tenant compte des actualisations intervenues depuis que j’ai posé ma question?

Ma seconde question porte sur la manière dont le gouvernement entend garantir la rigueur et la transparence de ce processus d’acquisition. J’ai en effet appris que la Turquie pourrait potentiellement figurer parmi les partenaires capables de fournir des solutions rapides face à cet enjeu majeur. Vous décrivez d’ailleurs Ankara comme un ami et un allié au sein de l’OTAN.

Pourriez-vous préciser vos intentions à ce sujet? Allez-vous solliciter l’Agence de soutien et d’acquisition de l’OTAN, qui, comme vous le savez, fait actuellement l’objet de vives critiques en raison du scandale qui la touche? Des achats auprès d’autres entreprises basées sur le sol européen sont-ils envisagés? Un recours à un programme européen en la matière est-il étudié? Un programme de la Defence, Industry and Research Strategy (DIRS) est-il également étudié?

En séance plénière, j’ai pu interroger le ministre de l'Intérieur, Bernard Quintin, suite aux survols de drones près de plusieurs entités critiques, dont l’aéroport de Bruxelles-National et celui de Liège. Le ministre de l’Intérieur a expliqué vouloir s’appuyer sur les moyens renforcés de l’armée, laissant entendre que les 50  millions d’euros mobilisés en urgence par la Défense à ce sujet seraient également utilisés pour la protection des sites civils. Que pouvez-vous nous dire à ce propos? Cela signifie-t-il que les 50 millions d'euros destinés à la lutte anti-drones pour sécuriser nos infrastructures militaires profiteront aussi aux polices fédérale et locales, dont c’est la compétence première?

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, de geschiedenis van het drone ‑ incident, ondertussen al enkele weken geleden, zal ik niet opnieuw vertellen, want die kennen we allemaal.

Mijn vraag gaat specifiek over de co ö rdinatie tussen Defensie, de politie en de luchthavenautoriteiten. In de pers lazen we dat die samenwerking beter kon worden georganiseerd.

Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen over hoe u dat in de toekomst ziet, hoe u de coördinatie en de commandovoering tussen Defensie, de federale politie, de luchthavenautoriteiten en andere betrokken diensten wilt optimaliseren. Ik denk dat dat absoluut nodig is.

We hebben ook nog buitenlandse hulp gekregen. Hoe ziet u dat geheel evolueren, om toekomstige drone ‑ incidenten op een effici ë nte en accurate manier aan te pakken?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de problematiek is al meermaals geschetst, dat ga ik niet opnieuw doen. Het gaat mij vooral om de coördinatie en de samenwerking. Het slechtste wat men kan doen, is de paraplu’s opentrekken en verklaren tot waar de bevoegdheid van Defensie reikt en waar de bevoegdheid Binnenlandse Zaken begint. Bij zo’n hybride vorm van dreiging moet men aan hetzelfde zeel trekken en is eenheid van commando noodzakelijk. Gezien de investeringen in de defensieportefeuille in hybride oorlogsvoering en counterdronesystemen, vind ik dat dat bij Defensie moet liggen en dat Defensie daarin de lead moet nemen.

In tussentijd zijn er heel wat stappen gezet. Er is het NASC, waardoor de samenwerking tussen Binnenlandse Zaken, Mobiliteit/skeyes en Defensie zou moeten verbeteren. We hebben ook hulp van buitenlandse partners gekregen, van buurlanden Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

Mijnheer de minister, hoe verloopt die samenwerking en ondersteuning, in de eerste plaats met Binnenlandse Zaken, skeyes/Mobiliteit met betrekking tot de luchthavengebieden, maar ook met de defensiediensten van de buurlanden? Op welke manier zullen zij helpen om belangrijke civiele doel te beschermen, zoals luchthavens en nucleaire sites?

Wordt Binnenlandse Zaken daarbij betrokken en welke rol spelen de politiediensten?

Is de samenwerking met de defensiediensten van de buurlanden alleen gericht op militaire sites, of wordt ook samenwerking en coördinatie voor het gehele grondgebied bekeken?

Een tweede vraag gaat over de lessen die we hebben getrokken of nog aan het trekken zijn uit de oorlog in Oekraïne en de strijd tegen de drones. Als er één klein voordeel schuilt in de gruwelijke oorlog met de Russische agressor, is het wel dat er een gigantische technologische en innovatieve vooruitgang op het gebied van drones is geboekt. We kunnen bijzonder veel leren van Oekraïne in hoe zij drones en counterdronetechnologie tegen de Russische agressor inzetten.

Mijnheer de minister, welke concrete lessen hebt u reeds getrokken voor de Belgische defensie uit de inzet van onbemande systemen door Rusland in Oekraïne? Op welke manier wordt samengewerkt met civiele actoren om een coherente verdediging tegen dergelijke dreigingen op te zetten en permanent te verbeteren? Zijn er rechtstreekse contacten of samenwerkingen tussen Belgische militairen of de Belgische defensie-industrie en Oekraïense militairen en de Oekraïense defensie-industrie?

Hoe wordt nagedacht over het versnellen van aankoopprocedures? Hebt u daarvoor bijvoorbeeld al overleg met de Inspectie van Financiën gehad?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, intussen lijken de drone-incidenten, althans voor de publieke opinie, in het verleden te liggen, maar niet voor ons. Er verschijnen geen mediaberichten meer over dronemeldingen, niet boven militaire bases en niet boven luchthavens. Voor de publieke opinie lijken die meldingen als sneeuw voor de zon te zijn verdwenen. We zouden daaruit allerlei conclusies kunnen trekken, maar dat zou voorbijgaan aan de essentie van het debat, dat bijzonder belangrijk blijft.

Nochtans was er een hele reeks waarnemingen van drones boven militaire bases en civiele sites. Recente drone-incidenten boven de luchthavens van Zaventem en Bierset hebben geleid tot een tijdelijke stillegging van het luchtverkeer. Dat veroorzaakt vanzelfsprekend aanzienlijke economische schade.

Er werd gekozen voor een discrete inzet van defensie, in samenwerking met andere veiligheidsdiensten, de politie en ook met buitenlandse militaire teams uit Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Daarover gaat mijn vraag. Die buitenlandse partners zullen niet alleen technische ondersteuning bieden, maar mogelijks ook, zo stelde u, lacunes in ons eigen detectie- en neutralisatiecapaciteitssyteem blootleggen.

Dat wij hulp inroepen van het buitenland, terwijl de politie reeds beschikt, zo vernemen we recent, over een gespecialiseerd anti-droneteam dat drones kan neerhalen of vangen, wekte recent in de media hier en daar enige verbazing. U hebt daar al kort op geantwoord in de plenaire vergadering, maar ik heb toch nog een aantal vragen.

Mijnheer de minister, kunt u concreet de opdracht van de Belgische Defensie toelichten op de luchthavens van Luik en Zaventem? Wat zijn de rules of engagement van Defensie?

Kunt u ook toelichten welke concrete ondersteuning de buitenlandse partners Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk momenteel op het terrein leveren, zowel qua capaciteiten, middelen, inzetlocaties als duur? Wat zijn ter zake de rules of engagement ? Welke kosten zijn daarmee verbonden en hoe worden die tussen de verschillende partners verdeeld?

Welke concrete tekortkomingen in onze eigen anti-dronecapaciteiten worden door de buitenlandse teams opgevuld? Heeft hun werkwijze of inzet invloed op het recent in dit Huis goedgekeurde counter-droneplan en moet het plan worden bijgestuurd?

Hoe zijn de samenwerking en communicatie verlopen met het gespecialiseerde droneteam van de politie? Waar ziet u knelpunten voor toekomstige communicatie? Worden momenteel middelen of capaciteiten uitgewisseld tussen Defensie en dat team? Zo nee, waarom niet?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, over heel het dronegegeven is al zeer veel gezegd en geschreven. Er is ook heel wat onzin over verkondigd en gepubliceerd, zowel door zelfverklaarde experts op sociale media, wat men hen misschien niet kwalijk kan nemen, als door personen van wie men toch enige expertise in het domein zou mogen verwachten. Dat maakt uiteraard deel uit van de strategie van wie daar ook achter zit. Nogmaals, waarschijnlijk zullen we nooit exact de vinger kunnen leggen op de oorsprong, maar net dat was ook de bedoeling.

Het gaat dus niet over spionage, maar over het tegen elkaar opzetten van mensen, aantonen dat men dingen kan testen en mensen kan pesten, zoals ik het eerder heb genoemd.

Collega’s, ik vind het een vorm van solidariteit dat buitenlandse droneteams ons zijn komen versterken. Dat is waar Europa voor staat, dat is waar de NAVO voor staat. We are NATO . Wij helpen elkaar wanneer dat nodig is. Dat is absoluut geen schande voor ons land. Integendeel, dat is een vorm van solidariteit op het vlak van onze collectieve defensie.

Mijnheer de minister, mijn vraag sluit daarbij aan. Hoe evalueert u de inzet van die buitenlandse militairen op ons grondgebied? Ik begrijp dat bepaalde aspecten mogelijk niet voor deze openbare vergadering bestemd zijn, maar dan kom ik daar zeer graag op terug tijdens de besloten vergadering van de commissie voor de Opvolging van militaire missies, indien dat nodig is. Ik dank u nu al voor uw antwoord.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, ik heb eveneens een vraag ingediend over de antidronetechnologie en het dronelab in Geel. Mijn vraag was later ingediend. Intussen zijn de vragen samengevoegd tot een actualiteitsdebat. Ik weet niet of over het dronelab in Geel al informatie beschikbaar is.

Theo Francken:

(…)

Koen Metsu:

In dat geval zal ik mijn vraag niet nu, maar op een later moment stellen.

Voorzitter:

Wensen nog collega’s aan te sluiten bij de vragen in het actualiteitsdebat? (Nee)

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, over drones is inderdaad al veel gezegd. Ik wil toch nog eens herhalen wat ik ook reeds bij een vrijdaguitzending van De afspraak heb gezegd. Soms werd beweerd dat alles fake was en dat er helemaal geen drones hebben gevlogen. Dat is absoluut niet correct.

Een commissie met verschillende ministers zou een en ander normaal dit jaar onderzoeken, maar dat zal niet lukken. Het zal dus volgend jaar gebeuren. Ik besef dat dat laat is, maar de agenda’s zijn niet altijd goed op elkaar af te stemmen. Aan het einde van het jaar zijn er allerlei activiteiten, zoals de tour van vorige week naar Afrika en volgende week in Europa, voor de kerstcadeaus en om onze militairen te bedanken. Dat maakt de agenda nog voller. Het zal dus pas in januari plaatsvinden.

Achter gesloten deuren zal er een briefing komen met meer details, maar dat kan en zal ik niet in deze openbare vergadering bespreken, ook al omdat dat onder OPSEC valt. Ik kan wel bevestigen dat er effectief drones zijn waargenomen, zowel op de radar als visueel door mensen van de wacht. Het ging niet om vliegtuigen of een ster.

Op een bepaald moment waar er heel veel meldingen. Mensen zagen ze vliegen. Wat was er gebeurd? De luchthaven van Zaventem werd gesloten na een dronemelding. Alle aankomende vliegtuigen kwamen vanuit het oosten, over Oost-Brabant, waar ik woon, en Limburg, en bleven daar ongeveer een half uur laag rondcirkelen met de lichten aan. Op dat moment kregen we heel veel meldingen van drones. Het was donker en alle vliegtuigen vlogen laag, wat natuurlijk vragen opriep. Dat waren geen drones, maar vliegtuigen. Die situatie heeft wel veel dronemeldingen met zich meegebracht.

Er zijn echter wel degelijk drones waargenomen. Wat sommigen beweren, dat er nooit drones zijn geweest, is absoluut onjuist. In de commissie achter gesloten deuren zal ik verder kunnen toelichten op basis waarvan we dat hebben kunnen waarnemen.

Het is daarnaast een hardnekkige misvatting dat alle drones plots verdwenen zijn. Ik lees dat heel vaak. Er was sprake van 50 miljoen euro, en ineens, hocus, pocus, pats, zijn alle drones weg. Zo is het dus niet verlopen. De luchthaven van Zaventem is overigens twee of drie dagen geleden nog gesloten geweest vanwege een dronemelding. In het Nederlandse Volkel is er een flying object geweest, een drone in de lucht, waardoor de F-16's zelfs in QRA zijn gegaan. Drones zijn dus niet verdwenen. Het is soms redelijk hallucinant wat er allemaal op sociale media circuleert, maar ik kan dat alleen maar tegenspreken. Ieder moet maar zijn eigen mening vormen; dat is voor mij allemaal geen probleem.

Onze troepen hebben concrete steun gekregen van Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Wie precies wat en hoe heeft geleverd, licht ik niet toe in een publieke commissie. Dat zouden de betrokkenen niet appreciëren, dat begrijpt u wel. In een besloten commissie kan ik verder toelichten wat al is gebeurd en wat nog bezig is, en dat zal ik dan ook zeker doen.

Wat de 50 miljoen euro betreft, daar zijn we volop mee bezig. We beschikken over beperkte capaciteiten, maar nu komt er wel wat extra bij.

Monsieur Lacroix, c’est une bonne question. Vous avez raison sur un point; je ne le nie pas. Je pense qu’il est important de dire que les 50 millions sont davantage pour la défense, pour la protection des quartiers militaires. Nous avons quelques quartiers assez importants, comme vous le savez. Mais cela n’implique pas qu’il n’y a pas de possibilité de collaborer avec la police.

De plus, le grand plan anti-drones prévoit l’arrivée d’un tender en 2026, pour un demi-milliard d’euros à peu près. C’est prévu dans la vision stratégique. Une capacité policière y est spécifiquement liée.

Ook de politie zal dus bestellingen plaatsen via ons antidronecontract, en wij zullen haar dat materiaal leveren. Zo bestellen we niet dubbelop: we doen het in één keer, zodat beide over capaciteiten kunnen beschikken.

Wat betreft de luchthaven, wij zijn daar geweest met onze special forces. Dat is gebeurd. Er waren heel duidelijke rules of engagement . We zijn opgeëist door de politie. Zo gaat dat. Zo staat dat in de Politiewet. Ik weet wel dat verschillende mensen zeggen: wat is dat nu voor een belachelijke discussie; werk toch samen. Ik wil samenwerken, maar ik kan niet zomaar militairen ontplooien. Mocht ik dat zomaar met een vingerknip doen, zou ik wel een aantal vragen krijgen. Ik zou dan immers moeten verantwoorden waarom ik gewoon militairen op straat plaats zonder duidelijk opvordering. Bepaalde regels dienen gevolgd te worden. De luchthaven – niet de militaire luchthaven van Melsbroek maar de civiele luchthaven – is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid voor de luchthavenuitbater, en ook voor de politie. Als de politie dan aan Defensie vraagt om te komen helpen, zullen wij komen helpen. Dat hebben we dan ook gedaan. In die zin is er zeker geen onwil geweest, integendeel.

Ik wil ook mijn verantwoordelijkheid niet wegduwen. Dat iedereen naar elkaar wijst, is niet mijn bedoeling. Ik wil mijn verantwoordelijkheid wel opnemen, maar ik neem niet zomaar de verantwoordelijkheid op over zaken waarin ik niets te zeggen heb. Dat zou nogal raar zijn. Ik weet dat het misschien overkwam als: wat is dat voor een discussie; werk gewoon samen. Samenwerking was wel degelijk de bedoeling, maar we moeten natuurlijk wel bepaalde regels volgen.

Ik zal kort mijn antwoord overlopen.

Een gedetailleerde uiteenzetting van de huidige 'as is'- en de toekomstige 'to be'-oplossing inzake dronebestrijding werd gegeven in de vergadering van 22 oktober van de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. Daarbij werd geduid dat de intermediaire oplossing compatibel zal zijn met de toekomstige 'to be'-oplossing, namelijk het systeem van systemen. Een verdere uitleg van de beoogde systemen kan om operationele veiligheidsredenen niet worden gecommuniceerd, maar zal ik toelichten in de commissie voor de Controle op de Legeraankopen en -verkopen, en ook in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies.

De dronedreiging van de afgelopen maanden, de steun van buitenlandse detachementen aan Defensie, de specifieke inzetregels, alsook het gebruik van een C-UAS-team van de politie, kunnen eveneens wegens operationele veiligheidsreden enkel besproken worden in de commissie voor de Opvolging van de militaire missies. De inzet van middelen van geallieerde naties op het Belgisch grondgebied is een voorbeeld van Europese en NAVO-solidariteit, zoals de heer Weydts terecht stelde.

Ik wist niet van het bestaan af van dat C-UAS-team van de politie. Ik ben geen minister van Binnenlandse Zaken. Ik heb dat moeten lezen. Het enige wat ik me afvraag is, aangezien dat effectief bestaat, waarom dat team niet heeft gemeld dat het over alles beschikt. Dat vond ik wat raar. Maar nogmaals, ik wil niemand met de vinger wijzen. Dat is een zaak voor Binnenlandse Zaken, geen zaak voor mij. Ik heb mijn handen vol met andere dingen. Ik zal daar voor de rest geen commentaar op geven. Ik mag hopen dat alles ondertussen volledig lined is en dat iedereen klaarstaat om te helpen als dat nodig is.

Les enseignements que nous pourrons tirer de cette coopération seront bien entendu partagés avec les États membres de l’Union européenne et de l’OTAN ou par le biais de contacts bilatéraux.

Dergelijke inzet gebeurt kosteloos en indien nodig neemt Defensie de kosten voor huisvesting en voeding voor haar rekening. De voorbije maanden hebben alvast aangetoond dat de informatiedoorstroming tussen alle betrokken actoren beter kan en moet.

Ons land beschikt formeel al over een National Airspace Security Center (NASC) dat werd opgericht door de vorige regering als interdepartementaal informatieknooppunt voor luchtvaartincidenten. In de praktijk zijn echter nog niet alle departementen in dat interdepartementaal centrum vertegenwoordigd, waarvoor Defensie de gastheer is op het Control and Reporting Centre (CRC) in Beauvechain.

De term luchtvaartincidenten dekt veel meer dan enkel het counterdrone-gebeuren. De recente gebeurtenissen hebben nogmaals duidelijk gemaakt waarom zo’n centrum absoluut noodzakelijk is. Het komt er nu op aan om dat NASC verder te operationaliseren en hiervoor voldoende personeel in te zetten, zodat informatie beter en sneller kan worden gedeeld. Dit was onder meer het onderwerp van een vergadering in Beauvechain op 8 december 2025, met vertegenwoordigers van de betrokken kabinetten en diensten, waaronder het kabinet van Binnenlandse Zaken en de geïntegreerde politie.

Alle relevante lessons identified en lessons learned worden structureel geïntegreerd om toekomstige operaties te versterken. Daarnaast onderzoekt Defensie op dit moment in welke mate zij haar capaciteiten geïntegreerd kan inzetten in een comprehensive approach om de algemene dronedreiging en, bij uitbreiding, de hybride dreiging het hoofd te bieden. De nodige aandacht gaat hierbij naar de coördinatie en de commandovoering tussen de betrokken stakeholders. De oorlog in Oekraïne toont onmiskenbaar dat drones en antidronetechnologie een cruciale rol spelen in moderne conflicten als aanvulling op traditionele wapensystemen. Goedkope, commercieel beschikbare UAV’s hebben het slagveld transparanter gemaakt, waardoor klassieke doctrines deels achterhaald zijn. Innovatie is daarom geen optie, maar een noodzaak.

C’est pourquoi l’un des objectifs stratégiques de la vision stratégique porte sur ce thème. L’innovation permet d’anticiper les combats du futur.

Oekraïne verdedigt zich met een gelaagde aanpak: jamming , interceptor drones en luchtafweer. Zijn kracht ligt in snelle adaptatie, binnen weken, niet jaren. Voor België betekent het dat we moeten evolueren naar een systeem van systemen, met korte innovatiecycli en flexibele doctrines. Tegelijk moeten we beseffen dat niet alle lessen uit Oekraïne een op een toepasbaar zijn op onze context. De Belgische omgeving vraagt bijzondere aandacht voor collaterale schade en juridische kaders.

Le 7 novembre, le Conseil des ministres a approuvé un premier achat urgent de systèmes destinés à renforcer rapidement nos capacités de lutte contre les drones. Cet achat se concentre sur l'extension des systèmes portables déjà utilisés au sein de la Défense et sur le renforcement de nos moyens de détection et de traitement des données.

Parallèlement, un marché public est en cours de préparation pour la mise en place d'un partenariat stratégique innovant, CUAS, dans le but de mettre à disposition et de faire évoluer une capacité de lutte contre des drones avec une large gamme de capteurs et d'effecteurs en fonction des exigences opérationnelles et des développements technologiques.

Cette approche systémique offre aux instituts de recherche et aux entreprises belges la possibilité de proposer et d'intégrer leurs solutions. Les budgets DIRS seront utilisés pour développer des solutions innovantes dans le cadre de ce partenariat. La Défense mènera elle-même ce processus et ne fera pas appel aux services de la NSPA. Il s'agira d'un accord-cadre avec un consortium d'entreprises pour une durée initiale de 12 ans. En application de l'article 346 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, un ancrage local en Belgique sera requis dans le consortium afin de créer une autonomie stratégique pour assurer une protection maximale de nos intérêts essentiels de sécurité dans le domaine du CUAS. Seules les firmes des pays de l'Union européenne et de l'OTAN seront autorisées à introduire leur candidature.

De regering heeft ook beslist dat Defensie, met haar middelen voor interne veiligheid, de federale politie zal ondersteunen in de strijd tegen UAS ( unmanned aircraft systems ), dus drones. Het type middelen op het vlak van counter-UAS waarover Defensie momenteel beschikt en in de toekomst wenst te beschikken, zal, indien dat opportuun is, ook aan de federale politie worden aangeboden.

Andere behoeften zullen, waar mogelijk, eens worden opgelijnd. De taskforce Drones en Innovatie zal fungeren als katalysator en doctrine, technologie en opleiding met elkaar verbinden in een continu feedbackproces. Belgische bedrijven en kennisinstellingen spelen daarin een centrale rol, samen met de Europese Unie, de NAVO en civiele partners.

Dat grote programma komt er dus aan; we zijn daarmee bezig. De bedoeling is dat er telkens minstens één Belgisch bedrijf bij betrokken is. Turkse bedrijven zijn zeker geïnteresseerd en bovendien zeer performant. Ik heb een aantal ondernemingen gezien op de Defensie-industriedag. Nadien vond een receptie plaats op de Turkse ambassade, waar ik daarover ook ben aangesproken. Er komt een economische missie naar Turkije en in juli vindt een NAVO-top plaats in Ankara.

Er zijn heel veel geïnteresseerde bedrijven. Vermoedelijk zullen ook alle grote concerns een dossier indienen.. Hopelijk hebben we daardoor ruime keuze en kunnen we een zeer geschikte partner selecteren, zodat de Algemene Directie Material Resources (DG MR) ook niet te veel kopzorgen heeft. Dat is nodig, want het gaat om veel geld en het betreft hier een van de capaciteiten van de toekomst. Ik vind dat elke operator met drones zou moeten kunnen werken, zeker het Special Operations Regiment (SOR). Ik heb dat ook in Gabon tegen onze militairen gezegd. Iedereen zou dronepiloot moeten kunnen zijn. Mijn bedoeling is dan ook dat elke eenheid met drones kan werken.

De doctrine moet worden aangepast. Jongeren, zoals mijn eigen zoon, zijn heel vaardig in gaming. Ik ga er dus van uit dat zij met een speciale bril probleemloos met een drone kunnen vliegen. Ik zie daar eerlijk gezegd geen grote moeilijkheden, dat zal wel lukken. In Oekraïne kan bijna elke militair drones besturen. Ik heb met een Oekraïense SOF (Special Operations Forces) gesproken; die militairen kunnen zonder probleem zeven à acht soorten drones besturen en doen dat voortdurend. Het is indrukwekkend om te zien hoe vlot ze daarmee werken. Dat houdt hen overeind aan het front.

De wapensystemen lijken wel uit de film Mad Max . De filmpjes ervan in Drone Wars op Instagram doen de mond openvallen van verbazing; het is mind-blowing .

Voorzitter:

Dank u wel voor dat stukje productplacement.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Comme je vous le disais dans ma question, souvent je vous critique. Or là, je dois quand même vous féliciter; il y a quand même un homme qui pilote quelque chose ici en Belgique. Et, au niveau des drones, c'est vous. Vous me confirmez qu'à travers vos compétences et les budgets qui vous sont dédicacés, vous agissez à travers les 50 millions qui ont été libérés en urgence. Une commande a effectivement été passée auprès d'une firme australienne pour un montant, non pas de deux millions d'euros, comme je le disais tout à l'heure, mais de pratiquement trois millions d'euros.

Vous me rassurez aussi quand vous dites que, pour les 500 millions d'euros qui seront consacrés à la lutte anti-drones, un consortium européen doit exister avec un ancrage belge si possible et en tout cas des commandes qui feront en sorte de préserver l'autonomie stratégique de l'Union européenne. Pour tout cela, je vous félicite.

Je remarque simplement qu'en principe, dans le pilotage de l'avion, il devrait y avoir une deuxième personne: le ministre l'Intérieur. Le ministre MR, M. Quintin, est singulièrement absent, puisque, lorsque les drones sont arrivés sur notre territoire, on a demandé au soldat Francken de mettre à disposition les moyens dont il disposait en oubliant simplement – vous avez été très poli, très diplomate –, qu'il existait une unité anti-drones au sein de la même police fédérale. C'est donc quand même assez farfelu qu'on fasse appel aux soldats, alors qu'il existe une unité au sein de la police fédérale.

Par ailleurs, le ministre de l'Intérieur répète urbi et orbi que les moyens qui sont dédicacés dans les 50 millions d'euros serviront également à la police fédérale. Vous reprécisez que vous êtes à disposition, mais que ce n'est en fait pas votre rôle. Je considère dès lors que le ministre de l'Intérieur doit se battre davantage dans le cadre des éléments et des débats budgétaires pour faire en sorte d'équiper sa police fédérale, tout comme il doit se battre également pour avoir un maximum de policiers dans les rues, de manière à ne plus devoir demander aux militaires de faire le job des policiers fédéraux. Ces derniers ne demandent pas mieux que de le faire, mais ils sont aujourd'hui trop peu nombreux.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de voorzitter, ik verontschuldig mij dat ik het antwoord van de minister niet heb gehoord, maar ik moest even een kwartiertje in de commissie voor Financiën en Begroting aanwezig zijn om daar een betoog te houden.

Voorzitter:

Geen probleem.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

Wanneer ik zeg dat Defensie de lead op zich moet nemen, dan is dat niet omdat ik vind dat u uw verantwoordelijkheid niet neemt. Allesbehalve, ik heb dat zelfs in De ochtend gezegd. Het gaat om een gezamenlijk probleem, maar ik vind wel dat Defensie de leiding moet hebben, omdat de expertise, de middelen en het materieel grotendeels bij Defensie liggen. Ik wil daarmee Binnenlandse Zaken of de politie zeker niet uit de wind zetten, maar het moet mij ook van het hart dat – ik geef collega Lacroix daarin gelijk – op dit moment de minister van Binnenlandse Zaken achter de feiten blijft aanlopen.

Ik heb hem zeer graag – hij is van mijn zusterpartij, of van die van u, want daar bestaat ondertussen al wat twijfel over – maar hij blijft achter de feiten aanlopen en ik vind dat bijzonder jammer. Het gaat immers over de luchthaven van Zaventem. Gisteren heeft de minister van Mobiliteit, Jean-Luc Crucke me geantwoord dat er 95 geannuleerde vluchten waren op 4 en 5 november, op die paar uur tijd. De economische schade, los van de angst en de onrust die wordt gezaaid, is gigantisch voor de tweede grootste economische pool van ons land, met veel jobs in Vlaanderen, in Vlaams-Brabant. Laten we dus aan hetzelfde zeel trekken en roep ook de minister van Binnenlandse Zaken in de regering tot de orde, zodat hij actie onderneemt. Ik hoop eerlijk gezegd dat we naar een eenheid van commando kunnen gaan, waarbij Defensie de leiding krijgt, zodat er één aanspreekpunt is dat uiteraard gecoördineerd samenwerkt met alle veiligheidsdiensten.

Ik geef u ook gelijk dat alle veiligheidsdiensten, van eender welk niveau, binnenlands of buitenlands, met drones moeten kunnen werken. Daar hebt u mijn steun voor en betrek aan de regeringstafel in ieder geval alle veiligheidspartners bij de aanpak van de problematiek.

U onderstreepte ook dat we echt moeten leren van Oekraïne. Ik denk dat het een stap voorwaarts zou zijn, indien wij met de Europese Unie, en met België eventueel apart, een strategisch partnerschap met Oekraïne sluiten, met de industrie daar en ook met het leger, zodat zij ons kunnen helpen en begeleiden zodat die innovatieve technologie ook in Europa voet aan wal krijgt. Dat zou zowel economisch voor Oekraïne als innovatief voor ons een stap vooruit zijn in een periode waarin Oekraïne bijzonder hard afziet. Denk daar goed over na en probeer dat op Europees niveau te trekken, zodat wij een strategisch partnerschap in verband met de dronedreiging en innovatie met Oekraïne zouden kunnen sluiten.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank voor uw antwoorden, die deels een herhaling zijn van wat u al in andere commissievergaderingen zei. Het debat dateert inmiddels van enige tijd geleden, maar blijft onverminderd actueel.

U bevestigt dat de dreiging door drones een belangrijk debat vormt, dat de nodige ernst verdient en dat drones in de komende jaren een wezenlijk onderdeel zullen vormen voor zowel onze bewapening als de beveiliging van ons luchtruim. Daarnaast spelen ze ook een rol in onze operationele inzet, zowel in binnen- als buitenland.

U noemde het terecht een capaciteit van de toekomst. Het is ook goed dat u de opleiding van ons personeel wilt bijsturen. U hebt echter geen toelichting gegeven over de concrete inhoud, de inzet, de rules of engagement , noch over de capaciteit die door buitenlandse partners wordt overgenomen. U hebt wel nog maar een deeltje prijsgegeven wat het kostenplaatje betreft: er zouden dus geen bijkomende kosten verbonden zijn aan de inzet zelf, maar er zouden wel kosten zijn voor onder andere het verblijf en de catering. Ik blijf dus nog op mijn honger. Dat had ik kunnen verwachten. Ik begrijp wel waarom u niet meer details in een openbare vergadering geeft. Het is nu eenmaal mijn taak om ernaar te vragen en we zullen daar in de komende vergaderingen onder ander van een gemeenschappelijke commissie daar na Nieuwjaar op terugkomen.

Wat de samenwerking met de counterdrone-unit van de federale politie betreft, u klaagt dat u het verwijt krijgt dat u met de vinger hebt gewezen. Vingerwijzing of niet, wat gebeurd is, is gebeurd. We kunnen er alleen van leren. U stelt terecht dat het een verantwoordelijkheid van Binnenlandse Zaken is, maar mijn vraag betrof de toekomstige aanpak. Tussen de regels door lees ik dat het departement Binnenlandse Zaken tekortschiet in de samenwerking met Defensie en dat het eens te meer Defensie is, die bijstand wil bieden aan de federale politie ter ondersteuning van het counterdroneactieplan.

Er is dus duidelijk werk aan de winkel. Ik reken daarbij op u, maar zeker ook op uw collega van Binnenlandse Zaken. U moet hem nogmaals aanspreken op de concrete coördinatie. Daar hebben we bijzonder weinig van geleerd. De manier waarop de verscheidene partners op het terrein het dossier hebben behandeld, mogen we gerust geklungel noemen. Defensie moet dus echt een coördinerende rol op zich nemen.

Axel Weydts:

Ik kijk eveneens uit naar de verdere informatie die we volgende week achter gesloten deuren zullen ontvangen. Ik heb er alle begrip voor dat hier vandaag niet alles kan worden meegedeeld. Ook wij vinden de integratie van de capaciteit drones en counterdrones in onze defensie een prioriteit, waar we hard aan moeten werken. Alle militairen, vanaf het niveau van de eenheden tot op brigadeniveau, bij de Landmacht, Marine en de Luchtmacht, moeten zich met drones vertrouwd maken. Dat is een no-brainer.

De toekomst van SCAF
Het SCAF-project
De toekomst van het FCAS-project
Het FCAS-project
De problemen binnen het FCAS-programma
Het FCAS-programma
De toekomst van het FCAS-programma en de opties voor België
België en het FCAS-project
De toekomst, uitdagingen en betrokkenheid van België bij het SCAF/FCAS-project

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België twijfelt aan de haalbaarheid van het SCAF-programma (Europees 6de-generatie gevechtsvliegtuig), dat dreigt te stranden door diepe conflicten tussen Frankrijk en Duitsland (industriële vetes tussen Dassault/Airbus en nationale belangen), terwijl Spanje, België (als waarnemer met €360 miljoen geïnvesteerd) en andere partners in onzekerheid verkeren. Minister Francken bevestigt dat België afwacht tot de drie kernlanden (D/F/ES) eind 2024 een beslissing nemen, maar benadrukt dat alternatieven (zoals het Britse/Italiaans/Japanse GCAP-project) worden overwogen indien SCAF faalt—met name om de strategische autonomie en Belgische defensie-industrie (hoogtechnologische domeinen) niet te hypothekeren, zoals eerder bij de F-35 gebeurde. Kritiek van parlementsleden is scherp: het project wordt gekenmerkt door "gênante egotripperij" (Vander Elst) en "affligeant gebrek aan Europese samenwerking" (Lacroix), terwijl Duitsland en Frankrijk elkaars capaciteiten in twijfel trekken en zelfs een gereduceerde "Combat Cloud"-versie (zonder vliegtuig) dreigt. België eist duidelijkheid over rode lijnen en concrete scenario’s (Verbelen), maar blijft voorlopig vasthouden aan het waarnemersstatuut, met €60 miljoen al vrijgemaakt voor nationale O&O om de industrie voor te bereiden—mits SCAF aantoonbare meerwaarde biedt. Sommigen pleiten voor een Belgische voortrekkersrol (Van den Heuvel) om de Europese defensie-integratie te redden, terwijl anderen vrezen dat het project tijdsverlies betekent en Europa verder verzwakt ten opzichte van de VS, Rusland en China (Lacroix). Francken sluit niet uit dat België bij een mislukking het budget heroriënteert, maar waarschuwt dat geen deelname aan enigerlei 6de-generatieprogramma—zoals bij de F-35—strategisch desastreus zou zijn.

Axel Weydts:

In een van de vorige vragensessies kwam het SCAF-programma ook al aan bod, toen naar aanleiding van de trieste uitspraken van de CEO van Dassault, de heer Eric Trappier. Nu zien we ook Duitsland zich heroriënteren. Als ik goed geïnformeerd ben, plaatsen de Duitsers nu ook serieuze vraagtekens bij het SCAF-programma.

Dat er donderwolken boven dat programma hangen, is ondertussen een understatement, mijnheer de minister. Volgens onze Strategische Visie zetten we er evenwel hard op in en ik sta daar ook volledig achter. Het ontwikkelen van een Europees alternatief als opvolger voor de vijfde generatie fighterjets is een absolute noodzaak. Alleen ben ik niet meer overtuigd dat het ooit nog SCAF zal worden. Als we de ontwikkelingen in het buitenland volgen en zien hoe de Fransen zich momenteel opstellen ten aanzien van andere Europese partners, lijkt het me niet echt een succesverhaal te worden.

Mijn vraag is dan ook hoe wij ons daartoe moeten blijven verhouden. Zullen we andere strategische keuzes moeten maken of wachten we nog even af? In de mate van het mogelijke had ik daar graag van u al meer informatie over gekregen.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, de laatste tijd ontvangen we opnieuw berichten over het SCAF-project, het Frans-Duitse initiatief dat moet leiden tot het Europese gevechtsvliegtuig van de zesde generatie. Het zou de technologische ruggengraat van de toekomstige Europese luchtverdediging worden, maar nu lijkt het gekenmerkt door groeiend wantrouwen en blokkeringen tussen Parijs en Berlijn, zowel op industrieel niveau tussen Dassault en Airbus, als op politiek niveau. We horen zelfs scenario’s waarbij het project zou worden teruggebracht tot de zogenaamde Combat Cloud , dus zonder een Next Generation -toestel. Dat zou in de praktijk neerkomen op een amputatie van de oorspronkelijke ambitie, terwijl er al miljarden in dit project zijn geïnvesteerd.

In 2023 zijn wij als waarnemer in het SCAF gestapt, met een groot financieel engagement van 360 miljoen euro tot 2030. De regering presenteerde dat toen als een strategische positie die onze industrie toegang zou geven tot een toekomstig Europees luchtgevechtssysteem. Vandaag lijkt dat landschap echter te eroderen en zowel Duitsland als Frankrijk overwegen alternatieven of andere paden. De samenhang waarop wij ons hadden georiënteerd, staat daardoor zwaar onder druk.

Ik vraag mij af hoe u die spanningen tussen Frankrijk en Duitsland beoordeelt. Zit er een risico in het gezamenlijk project, geheel of gedeeltelijk? Loopt het vast of wordt het project volledig uitgekleed? Welke impact heeft dit voor ons? Is het nog verantwoord om daar middelen in te steken en onze verwachtingen te blijven koppelen aan een project waarvan de contouren vaag worden? Welke voorzorgen of alternatieve scenario's worden binnen Defensie voorbereid, mocht blijken dat dit programma verder fragmenteert of dat de partners elk hun eigen weg gaan?

Koen Van den Heuvel:

Dit is een belangrijke vraag, zeker in het licht van de actualiteit van de voorbije dagen en het veiligheidsrapport van de administratie-Trump. Zoals de minister zei, wordt Europa daarin een spiegel voorgehouden. Het is belangrijk dat Europa daadwerkelijk, niet alleen in woorden maar ook in daden, werk maakt van strategische autonomie en een eigen sterke Europese defensiepijler. Het is jammer te zien dat dit rond het SCAF-project moeilijk blijkt te realiseren, terwijl de twee belangrijkste landen binnen Europa voor een strategisch project hun beperkte nationale belangen niet opzij kunnen zetten om te werken aan een sterk Europees project.

Hoe zou u de huidige stand van zaken rond het SCAF-project omschrijven? Welke gevolgen heeft dit voor ons land, en specifiek voor de financiële bijdrage van 300 miljoen voor onze positie? Heeft dit ook gevolgen voor de Belgische defensiebedrijven? Zijn daar in het kader van dit project al contracten afgesloten? Overweegt u alternatieven, bijvoorbeeld het Britse, Italiaanse of Japanse project? Onze premier heeft eerder voorgesteld om het SCAF- en het GCAP-project samen te voegen tot één sterk Europees project. Gelooft u daarin en wat is uw visie om tot één Europees project voor een gevechtsvliegtuig van de zesde generatie te komen?

Kjell Vander Elst:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De recente berichtgeving over het Europese gevechtsvliegtuigprogramma SCAF schetst een zorgwekkend beeld. Wat jarenlang werd gepresenteerd als hét vlaggenschip van de toekomstige Europese defensiesamenwerking, dreigt nu ten onder te gaan aan industriële vetes, nationale reflexen en een gebrek aan vertrouwen tussen de hoofdpartners Frankrijk en Duitsland. België is sinds 2023 waarnemer in dit project.

Hierbij de volgende vragen:

Hoe schat U de huidige situatie binnen SCAF in?

Wat is de impact van deze situatie op ons land als waarnemer en op onze defensie-industrie?

Welke alternatieven ziet U voor SCAF indien dit project helemaal dreigt vast te lopen?

Zijn er, sinds het laatste debat hierover, nog nieuwe ontwikkelingen?

Wanneer wordt er een communicatie verwacht vanuit Frankrijk, Duitsland en Spanje? Op welke manier wordt ons land betrokken bij deze communicatie?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, ce qu'on peut lire dans la presse, notamment sur le projet SCAF, est inquiétant. Plusieurs des collègues viennent d'en parler.

Toutefois, il semble que des questions directes se posent par rapport aux problèmes qui semblent insolubles, au vu des interactions entre les dirigeants de deux sociétés, entre autres. Malgré l'intervention des gouvernements, les partenaires Dassault et Airbus Defence and Space semblent incapables de s'entendre pour développer un système européen de sixième génération, pourtant essentiel pour notre autonomie stratégique en matière de défense et en matière industrielle.

Les nouvelles de ces dernières semaines sont nombreuses. Le ministre français des Armées doute des capacités industrielles et technologiques allemandes dans ce domaine. Un député allemand influent demande l'arrêt du projet SCAF. L'Allemagne pourrait rejoindre le projet concurrent GCAP en cas d'échec du SCAF. Les déclarations foisonnent. Une réunion importante entre les ministres de la Défense allemand, français et espagnol aura lieu ce 11 décembre. Elle décidera peut-être de l'avenir du SCAF.

En fait, ce débat aurait peut-être dû avoir lieu vendredi, cela nous aurait peut-être donnée une meilleure idée de l'état du projet. Néanmoins, mon parti a toujours supporté l'autonomie stratégique européenne. Le projet SCAF semblait et semble toujours être un élément essentiel de cette autonomie. Il faut aussi pouvoir garder plusieurs fers au feu, si nécessaire, spécialement quand un projet démontre une fragilité telle qu'on peut la constater aujourd'hui et aussi parce qu'il n'est pas certain que les acteurs du projet accepteraient de nous accueillir.

Monsieur le ministre, avez-vous eu des contacts ou des informations supplémentaires sur les conditions de la participation de la Belgique au projet SCAF? Avez-vous eu des contacts avec les partenaires du projet GCAP? En cas d'échec du SCAF, quelle devrait être la stratégie de la Belgique?

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, we staan voor een strategische keuze. Op dit ogenblik zijn Spanje, Frankrijk en Duitsland inhoudelijk bezig met de bespreking van het SCAF-project. België zou graag willen evolueren van observator naar volwaardige partner, ten belope van een investering van 300 miljoen euro. Die stap zou de Belgische defensie-industrie nauwer moeten verbinden met de Europese partners en toegang bieden tot geavanceerde technologieën rond het New Generation Fighter-programma en de digitale gevechtswolk.

Tegelijkertijd klinkt er kritiek vanuit industriële spelers, waaronder Dassault Aviation, die vraagtekens plaatsen bij de Belgische deelname gelet op de eerdere keuze voor de Amerikaanse F-35’s. De Belgische regering heroverweegt daarom haar positie en zoekt een evenwicht tussen nationale belangen, industriële samenwerking en de noodzaak om de defensiecapaciteit binnen Europa te versterken.

In de ingediende tekst heb ik tien vragen opgesteld, die ik zal bundelen in één algemene vraag. Welke rol ziet u momenteel voor België weggelegd in dit dossier?

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, SCAF, dat is een moeilijke zaak. België is observator en heeft daardoor niet heel veel te zeggen. Ik volg de evoluties, net als u. Mij werd meegedeeld dat er vóór het einde van het jaar een beslissing zal worden genomen door de drie betrokken landen, Duitsland, Frankrijk en Spanje.

Ik heb dat ook met mijn collega’s besproken en probeer geregeld te peilen naar de stand van zaken. De antwoorden blijven echter wisselend. Het laatste wat ik heb vernomen, is dat men er voorlopig nog steeds voor zou gaan, maar dat dient nog bevestigd te worden. Ik verwacht daarover ook nieuws. Voorlopig zitten we op onze handen. Meer kan ik daar eigenlijk niet over zeggen.

Ik beschik over een schriftelijk voorbereid antwoord, dat ik wel zal voorlezen. We hebben het stuur echter niet in handen. Het blijft dus afwachten. De vraag zal zijn wat er gebeurt indien het project niet doorgaat of indien het geen gevechtsvliegtuig oplevert.

Dat is opgenomen in de Militaire Programmeringswet. Die wet vormt uiteraard een kader, zoals dat bij veel systemen het geval is. Indien bijvoorbeeld Kongsberg morgen zou beslissen geen NASAM-systemen meer aan België te verkopen, of indien de Nederlandse regering een weigering zou uitspreken, komen we eveneens in de penarie. Men moet altijd kunnen inspelen op de actuele situatie. Ik kan echter niet voorspellen hoe dat dossier verder zal evolueren.

België is bereid om aan het SCAF-consortium te vragen om ons land als volwaardige partner op te nemen voor zover duidelijk kan worden aangetoond dat dat een meerwaarde oplevert op het vlak van maatschappelijke voordelen, de consolidatie van de sector en de versterking van de Belgische industriële en technologische defensiebasis.

Indien die voorwaarden vervuld zijn, kan het eerder door de vorige regering goedgekeurde budgettair engagement van 360 miljoen euro tot 2029 dienen ter ondersteuning van een Belgische deelname aan Europese O&O-programma’s voor toekomstige Europese luchtgevechtscapaciteit.

In 2024 werd daarvoor al een nationale O&O-oproep gelanceerd ter waarde van 60 miljoen euro, zodat Belgische bedrijven en onderzoeksinstellingen kunnen inspelen op relevante technologieën. De potentiële return voor de Belgische defensie-industrie ligt vooral in hoogtechnologische domeinen als aerostructuren, motoren, avionica, communicatie, cyber- en disruptieve technologieën.

Les 300 millions d'euros prévus pour cette année ne sont pas engagés pour l'instant, compte tenu de l'incertitude qui plane sur l'orientation du projet. Si, à une date ultérieure, il s'avère opportun d'y participer, les moyens nécessaires seront prévus dans le budget de la Défense.

Il est exact qu'au cours des derniers mois, le dialogue entre les industries françaises et allemandes, dans le cadre de ce programme, a été difficile. La Belgique maintient des contacts étroits avec l'Allemagne, la France et l'Espagne par les canaux diplomatiques, militaires et industriels afin de clarifier les positions et la valeur ajoutée pour notre pays. L'évolution de ce dossier est suivie de près par l'état-major de la Défense, l'Institut royal supérieur de défense et les attachés de Défense.

Er bestaat momenteel dus duidelijk discussie tussen de oorspronkelijke oprichters van het programma. We volgen de situatie verder op en evalueren of FCAS in zijn huidige vorm overeind blijft. Mocht het programma uiteindelijk toch stopgezet worden door blijvende onenigheid tussen Frankrijk en Duitsland, dan zal België zijn opties herbekijken. Ik zal daarover dan in dialoog treden met u en dan zullen we hier moeten bespreken wat we zullen doen.

In elk geval dient benadrukt te worden dat België ambitie heeft. We kunnen het ons niet veroorloven om opnieuw niet in een ontwikkelingsprogramma te zitten, zoals bij de F-35, omdat wij daarmee alleen onszelf pijn doen. We proberen in een ontwikkelingsprogramma te zitten. Vandaar ook de keuze van de vorige regering voor FCAS. Hopelijk komt dat goed. We zullen zien.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik ben het volledig met u eens dat we het ons niet kunnen permitteren om niet van in het begin in het project in te stappen, zoals destijds in het Joint Strike Fighter-programma, het latere F-35-programma. Dat zou heel onverstandig zijn, zeker nu het over een Europees alternatief gaat. Wat dat betreft zitten we dus volledig op dezelfde lijn. Ik ben net als u benieuwd naar de volgende uitspraak van om het even welke partner in het FCAS-programma, maar eerlijk gezegd, ik zie het helaas niet rooskleurig in.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, dank voor uw antwoord. Ik blijf, net als u blijkbaar, toch met enkele bezorgdheden zitten. Wat u schetst, bevestigt eigenlijk het risico dat ik aanhaalde. De partners trekken elk aan een andere kant van het touw. Wij staan erbij, wij staan strategisch en financieel aan de zijlijn.

Het lijkt me essentieel dat we een rode lijn trekken. Hoeveel onzekerheid kunnen we verdragen voordat we onze positie moeten herbekijken?

Ik heb nog niet zoveel gehoord over concrete alternatieven, over scenario’s, over een waarnemersstatuut. Er is geen garantie op een toekomstig voordeel. Ik hoop dat we gauw meer informatie zullen krijgen, net als u blijkbaar, zodat we een strategisch onderbouwde keuze kunnen maken.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Wat mij zorgen baart, is dat Europa nog niet alert genoeg is en zich er nog niet van bewust is dat er actie ondernomen moet worden. Ik hoop dat u samen met onze premier daarin een voortrekkersrol kunt spelen.

België is een klein land. Het is founding father van de Europese Unie en van de Europese gedachte. Brussel is een knooppunt van de Europese diplomatie. Ik vind dat we, gelet op de voorbeelden die Belgische regeringsleiders en regeringen in het verleden opgenomen hebben, een tandje moeten bijsteken voor de Europese samenwerking. Ik hoop dat we ook met deze regering die rol kunnen opnemen. Ik meen dat dit meer dan ooit nodig is om de nationale belangen te behartigen. De grote landen moeten hun strategische projecten opzijschuiven. Ik hoop, en ik moedig u daarin aan, dat de Belgische regering en sterke rol kan spelen om de Europese projecten opnieuw op het juiste spoor te brengen.

Kjell Vander Elst:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Ik heb daar eigenlijk maar een woord voor: gênant. Het is echt gênant hoe dit project verloopt. Industriële vetes, nationalistische reflexen, een gebrek aan vertrouwen, … Het is egotripperij aan beide kanten. Op een moment waarop ons continent ernstig en heel zwaar onder druk staat, niet alleen economisch maar vooral op veiligheidsvlak, slagen we er nog niet in om aan hetzelfde zeel te trekken om eventueel een Europees alternatief te realiseren binnen dit en tien jaar; misschien ten vroegste.

Het leest als een slechte film, een slechte film zonder happy ending . Ik vind het schrijnend voor een continent dat zo onder druk staat en waar we veel actie moeten ondernemen om onze veiligheid terug op te krikken en onafhankelijker te worden van anderen, terwijl we blijven hangen in persoonlijke vetes. Dat is gênant.

Ik volg het samen met u op. Ik hoop dat er toch nog een oplossing komt, en dat we aan hetzelfde zeel kunnen trekken en vooruitgang kunnen boeken in dit project. Als dat niet lukt, moeten we zo snel mogelijk het roer omgooien en van nul herbeginnen, maar dat zou absoluut een gemiste kans zijn en veel tijdverlies betekenen.

Voorzitter:

Monsieur Lacroix, vous avez la parole.

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, je vous remercie de me donner la parole. J'étais effectivement absent, car je me suis rendu en commission des Relations extérieures et puis je suis revenu dare-dare en comprenant qu'il y avait le débat sur le SCAF.

Monsieur le ministre, je vous remercie pour les éléments de réponse que j'ai entendus.

Deux mots peuvent résumer la situation: c'est affligeant et lamentable de la part de l'Europe, qui continue à ne pas avoir un centre de direction, ou de pilote dans l'avion qui dit que c'est comme ça qu'on doit travailler face aux périls qui nous menacent. Moi, à la place des Américains, à la place des Russes, à la place des Chinois, je me frotte les mains. Tant que l'Europe continue à se diviser pour des intérêts privés, c'est bingo: money for my industry and for my interest . Franchement, c'est affligeant et lamentable!

Je suis heureux de voir que, malgré tout, vous ne vous découragez pas et que vous préservez les moyens budgétaires à la fois pour continuer à être observateur, mais également enclencher la démarche suivante qui est de participer véritablement à un projet d'avion du futur au niveau européen.

Concernant les intérêts d'Airbus et de Dassault, j'espère que quelqu'un va siffler la fin de la récréation, et que le chancelier Merz et le président Macron ont suffisamment d'autorité sur ces entreprises privées. Nous savons qu'en tout cas en ce qui concerne Dassault des partenariats publics sont en jeu. Nous entrons dans une période très troublée, et la défense de nos valeurs et de notre territoire doit primer dans l'intérêt général.

Les intérêts économiques sont une chose, mais les intérêts nationaux et les intérêts européens doivent aujourd'hui faire parler les entreprises dans un sens commun de solidarité. Merci pour votre action.

Voorzitter:

Monsieur Lasseaux, vous avez la parole.

Theo Francken:

Pas M. Dassault!

Stéphane Lasseaux:

Attention, pas de lapsus! C'est bien Lasseaux, en effet.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, U moet goed leren luisteren naar ons!

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et vos éclaircissements. Nous espérons beaucoup de la rencontre qui aura lieu demain entre les ministres espagnol, français et allemand. Nous serons très attentifs aux retours de cette réunion. Vous le savez, Les Engagés veulent plus d'Europe. Je partage néanmoins l'avis de mes collègues quant au fait qu'aujourd'hui cette Europe est en train de s'enliser dans des intérêts privés, plutôt que d'élaborer une vision beaucoup plus stratégique, avec plus de hauteur. C'est primordial dans les moments que nous vivons aujourd'hui. Nous sommes certes un petit pays, mais il a souvent été initiateur de grandes décisions, de grandes évolutions. Gardons cette idée-là! Maintenons ce cap-là! N'hésitons pas à sensibiliser nos pays voisins pour qu'enfin ils se ressaisissent et qu'ils mettent leur ego de côté pour sortir par le haut et revenir avec un projet commun qui permettra de défendre toute l'Europe.

Militaire mobiliteit
Een betere militaire mobiliteit
De militaire mobiliteit en de oorlogsbestendigheid van onze spoorwegen
De uitwerking van een Europese militaire Schengenzone
De militaire mobiliteit
De verbetering van de militaire mobiliteit
Verbeterde Europese militaire mobiliteit en spoorwegbestendigheid

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Theo Francken bevestigt dat België – als NAVO-transitland – drie duale infrastructuurprojecten (1 weg: N49 Maldegem; 2 spoor: Antwerpen-haven) subsidieert (€97 mln EU-steun) en werkt aan een Nationaal Actieplan Militaire Mobiliteit (onderdeel van het Enablementplan), dat procedures moet versnellen en kritieke corridors (noord-zuid) versterken. Hij ontkent dat slechts één project loopt en benadrukt regionale samenwerking (o.a. met Nederland/Duitsland) voor een "militair Schengen", maar Annick Ponthier (Vooruit) bekritiseert dat hij geen evaluatie geeft van de oorlogsbestendigheid van Belgische spoorwegen – naar aanleiding van Nederlandse waarschuwingen over kwetsbaarheid (sabotage, cyberrisico’s, gebrek aan rangeerruimte). Kjell Vander Elst (N-VA) en Koen Van den Heuvel (CD&V) dringen aan op meer gewestelijke betrokkenheid (Vlaanderen/Wallonië) en budgettaire coördinatie, terwijl Axel Weydts (VB) de 5%-NAVO-toewijzing voor interne veiligheid (drones, politie-helikopters) positief onthaalt. Het Enablementplan (eind 2024) moet België’s rol als NAVO-host nation concretiseren, maar Ponthier blijft vragen om een risicoanalyse spoorinfrastructuur, vergelijkbaar met Nederland.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, in verschillende Europese landen worden de laatste jaren aanzienlijke investeringen gedaan in de uitbouw en modernisering van de wegen-, spoorwegen- en waterwegeninfrastructuur, rekening houdend met de noodzaak om militaire transporten vlot te laten verlopen. Ons land is bovendien een transitland, mede door zijn cruciale ligging. Dat moet dan ook een absolute prioriteit zijn voor onze Defensie en vooral ook voor onze mobiliteitsdepartementen. Er moet aandacht voor zijn er actie worden ondernomen.

In uw beleidsnota gaf u aan dat een nationaal plan voor militaire mobiliteit zal worden opgemaakt. Het is dan ook schrijnend dat in Vlaanderen op dit moment slechts één wegenproject wordt opgestart waarbij die militaire reflex wordt gemaakt, namelijk de N49 tussen Damme en Maldegem. Dat is momenteel het enige project in Vlaanderen waarbij met militaire mobiliteit rekening wordt gehouden. Gelet op het plan dat in aantocht is en op de cruciale ligging van ons land, is dat mijns inziens veel te weinig.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de opmaak van het nationaal plan inzake militaire mobiliteit?

Welke rol speelt Defensie bij het identificeren van infrastructuurprojecten die van strategisch belang zijn voor de militaire mobiliteit in ons land?

Wat vindt u van het feit dat momenteel slechts één project in Vlaanderen in opmaak of opgestart is?

Acht u bijkomende weg-, spoor- of waterprojecten noodzakelijk om tegemoet te komen aan de Europese technische vereisten?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik trap een open deur in als ik zeg dat het hele Enablementverhaal een zeer belangrijk aspect vormt binnen onze collectieve defensie. België is, gelet op zijn geografische ligging op de kaart van Europa, een van de landen die de komende jaren aanzienlijke inspanningen zal moeten leveren.

Voor de inhoudelijke antwoorden verwijs ik naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend.

Ik wil daaraan toevoegen dat ik een bijkomende vraag heb ingediend over de militaire Schengenzone. Die vraag is in het actualiteitsdebat opgenomen, maar ik wil het benadrukken, gelet op het groot belang ervan. Ik heb daarbij gevraagd welke initiatieven momenteel worden genomen en in hoeverre België daar zijn schouders onder zet. We beschikken over zeer capabele mensen die zich daarvoor inzetten. Ik had graag vernomen hoever het daarmee staat.

Voorzitter:

Mijnheer Weydts, uw beide vragen zijn alleszins opgenomen in dit actualiteitsdebat.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, militaire mobiliteit is een belangrijk onderwerp in de huidige geopolitieke context. Een nationaal plan daaromtrent werd aangekondigd. We zien op het terrein – we waren daar eerder dit jaar in Antwerpen zelf getuige van – dat een en ander vaak rimpelloos verloopt.

Soms duikt echter ook bezorgdheid op, zoals recent in Nederland. Daar klonk ernstige bezorgdheid over de weerbaarheid van de spoorweginfrastructuur in oorlogstijd. Volgens een recent onderzoek kan een militair transport daar het spoorverkeer tot drie uur volledig lamleggen. De spoorwegen bleken bovendien niet oorlogsbestendig. Bruggen, tunnels en viaducten zijn, zo zei men in Nederland, onvoldoende berekend op grootschalig militair gebruik, wat de snelle verplaatsing van troepen en materieel in een crisissituatie ernstig zou kunnen hinderen. Bovendien is het spoor erg kwetsbaar voor cyberaanvallen en sabotage en zijn er te weinig rangeerterreinen voor laden en lossen. Dat is de situatie in Nederland.

Dat roept de vraag op hoe het in België is gesteld met de militaire mobiliteit via het spoor. België speelt binnen de NAVO een belangrijke rol als host support nation en enabling nation , met als expliciet doel om militaire verplaatsingen door en naar ons grondgebied te faciliteren. U hebt terecht grote investeringen gekoppeld aan het verhogen van onze militaire mobiliteit. Ik heb daarover de volgende vragen.

Hoe beoordeelt u, gezien de bezorgdheid in Nederland, vandaag de oorlogsbestendigheid van onze Belgische spoorwegen? Zijn de NMBS en Infrabel volgens u voldoende voorbereid op het transport van zwaar militair materieel in crisistijd? Welke concrete middelen of investeringen zijn sinds het begin van deze legislatuur vastgelegd om de militaire mobiliteit via het spoor te versterken? Zijn er specifieke projecten of prioritaire trajecten in uitvoering? Heeft de NAVO reeds richtlijnen of ramingen gegeven over de benodigde infrastructuur of het geraamde budget dat België daarvoor zou moeten voorzien om aan zijn verplichtingen als host support nation te voldoen? Tot slot, zal de regering, gezien de recente waarschuwingen uit Nederland, een evaluatie laten uitvoeren van onze spoorcapaciteit en interoperabiliteit met NAVO-partners in crisissituaties? Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, ik wil kort de vragen van de collega's over de militaire mobiliteit aanvullen. Enige tijd geleden heeft de Europese Commissie een strategie ontwikkeld rond militaire mobiliteit. Ik heb daarover een aantal vragen, aangezien Europa vraagt om in elke lidstaat een nationale coördinator aan te stellen om de militaire mobiliteit te optimaliseren.

Mijnheer de minister, is binnen ons land al duidelijk wie die rol zal opnemen en wie de lead voor die taak zal nemen? We leven in een federaal land. Dat betekent dat ook de deelstaten, zeker op het vlak van mobiliteit, een belangrijke partner zijn. In welke mate worden zij betrokken?

Theo Francken:

Geachte Kamerleden, Defensie onderschrijft de urgentie om de noodzakelijke transportinfrastructuurprojecten met een duaal karakter te ondersteunen en de impact op de militaire mobiliteit te verhogen. Daarvoor werkt Defensie reeds samen met de bevoegde infrastructuurbeheerders, de FOD Mobiliteit en Vervoer, de gewesten, Infrabel, de havens, enzovoort aan het in kaart brengen van alle noodzakelijke infrastructuurprojecten op de prioritaire mobiliteitscorridors die onder meer onze havens verbinden met de rest van Europa. Die analyse omvat zowel de noordelijke corridor richting Duitsland en Nederland als de zuidelijke corridor richting Frankrijk, Luxemburg en Duitsland. Het duaal karakter van dergelijke projecten betekent niet dat ze automatisch onder de noemer ‘militaire uitgaven’ vallen. Enkel het deel van het project dat aantoonbaar is of afscheidbaar is en voor puur militaire doeleinden wordt gerealiseerd, kan meetellen binnen de eerste korf die werd afgesproken op de top van Den Haag tijdens de zomer. Het andere deel valt onder korf twee, defensie- en veiligheidsgerelateerde uitgaven, dus die 1,5 %.

Mede dankzij een positief advies van Defensie werd reeds voor 96 tot 97 miljoen euro aan EU-subsidies vanuit de Connecting Europe Facility toegekend aan vier Belgische infrastructuurprojecten, waarvan drie in Vlaanderen, één op de N49 in Maldegem en twee projecten om de spoorverbinding vanuit de haven van Antwerpen aan te pakken. Het klopt dus niet dat er maar één project is, het zijn er drie.

Op 19 november kondigde de Europese Commissie haar Military Mobility Package aan, dat door middel van een bindend EU-regelgevend kader procedurele hindernissen wil wegnemen, procedures en regels wil harmoniseren, infrastructuur wil versterken en digitale systemen wil ontwikkelen om de militaire mobiliteit in Europa te faciliteren. Om de belangrijkste knelpunten, 500 hotspots op de prioritaire militaire mobiliteitscorridors, aan te pakken, voorziet de Europese Commissie 17,7 miljard euro voor de volgende CEF binnen het meerjarig financieel kader 2028-2034, een vertienvoudiging van het budget.

Zoals gezegd zijn er drie projecten, niet één: het N49-project in Maldegem en twee spoorprojecten vanuit de haven van Antwerpen.

Daarvoor hebben we een subsidie van 97 miljoen euro ontvangen.

De lijst van knelpunten op de strategisch belangrijke corridors op ons grondgebied werd opgesteld in samenspraak met de administraties van de federale en deelstatelijke infrastructuurbeheerders en met de defensiestaf. De gedetailleerde lijst kan niet publiek worden meegedeeld. Die kunnen we eventueel in de commissie bekijken, maar niet publiek. Er zullen dus wel degelijk ingrijpende extra infrastructuurprojecten nodig zijn, zowel in Vlaanderen, Brussel als Wallonië.

In het regeerakkoord en de Strategische Visie werd Defensie door de regering aangeduid om de leiding te nemen in de ontwikkeling van het Nationaal Verdedigingsplan en het Nationaal Enablementplan. Die plannen worden gezamenlijk uitgewerkt door Defensie, in samenwerking met de andere betrokken actoren en vertegenwoordigers van de federale en gefedereerde entiteiten.

In dat kader wordt momenteel ook gewerkt aan de eerste versie van het Nationaal Actieplan voor Militaire Mobiliteit. Dat plan zal, boven op de noodzakelijke infrastructuurverbeteringen, een vereenvoudiging van de procedures voor militair transport omvatten alsook acties voor een snelle en vlotte planning en uitvoering van militaire transporten op ons grondgebied, zowel in vredestijd als in tijden van crisis of conflict. Dat plan zal rekening houden met de inhoud van het Military Mobility Package en met de voorstellen tot harmonisatie en optimalisatie die ontwikkeld worden binnen een multinationale samenwerking, waarvoor België samen met Nederland, Luxemburg, Duitsland, Polen, Litouwen, Tsjechië en Slovakije op 13 november een intentieverklaring heeft ondertekend voor een Central Northern European Military Mobility Area. Dat Nationaal Actieplan voor Militaire Mobiliteit zal worden opgenomen in het Nationaal Enablementplan, dat onze rol als ontvangst- en doorvoerland voor de NAVO-plannen zal beschrijven.

Naast de bestaande top-downprojecten binnen de NAVO en de EU, zoals het PESCO-project voor militaire mobiliteit, heeft Defensie recent haar engagement verhoogd om, samen met gelijkgestemde naties, het voortouw te nemen om via regionale samenwerking sneller vooruitgang te boeken richting het objectief van een militair Schengen in Europa. Zo heeft onze Defensie op 13 november 2025, zoals ik al heb vermeld, samen met Nederland, Luxemburg, Duitsland, Polen, Litouwen, Tsjechië en Slovakije de intentieverklaring ondertekend voor een Central Northern European Military Mobility Area.

Daarnaast zal België samen met Nederland, Duitsland en Polen het voortouw nemen om de aanbevelingen en best practices van die regionale aanpak te bespreken binnen zowel de EU- als de NAVO-context en te onderzoeken waar we een meerwaarde kunnen betekenen voor de militaire mobiliteit op het Europees continent.

Het plan is dus bijna klaar.

Over de tender voor onze logistiek hebt u misschien al gehoord. We zullen een hele grote logistieke tender uitschrijven. Er hebben al informatievergaderingen plaatsgevonden in Evere. Daar is heel veel interesse voor. Onze logistieke bedrijven behoren tot de top, dus dat is chique. Die tender zou tegen het einde van het jaar klaar moeten zijn. Ik zou dus eind dit jaar of begin 2026 een brief kunnen richten aan Mark Rutte, zeggende dat wij ons ding hebben gedaan, dat we klaar zijn en dat we indien nodig heel snel kunnen schakelen. Dat is ongeveer de timing.

Defensie neemt in dezen de lead. Wat betreft het Weerbaarheidsplan, zijn wij dat niet, maar wel het Nationaal Crisiscentrum. Dat zit echter niet zo gemakkelijk. De regering heeft vorige week afgesproken om budgetten van Defensie te voorzien om bijkomende steun te geven bij de opmaak van het Nationaal Weerbaarheidsplan. Voor het Nationaal Enablementplan is Defensie de lead, net als voor het Nationaal Defensieplan. Voor het Nationaal Weerbaarheidsplan heeft het Nationaal Crisiscentrum van Binnenlandse Zaken de lead. Daar zijn echter te weinig personeelsleden voor aangesteld. Er is heel veel werk voor te weinig personeel, dus er komt versterking van Defensie. Dat werd twee weken geleden afgeklopt.

Er is afgesproken dat 5 % van het budget van Defensie naar interne veiligheid gaat. De heli's voor de politie, die wij kopen, zitten daarin. Ook de Belgica zit daarin. Zo zijn er heel veel projecten opgelijst, zoals de drones en counterdrones van de politie, de ondersteuning van het Nationaal Crisiscentrum bij het opstellen van het Nationaal Weerbaarheidsplan, en Westakkers. Terwijl veel ministers op hun sjiek moeten bijten, heb ik heel veel geld gekregen. In het kader van de interne veiligheid hebben we met het budget van Defensie dus toch wat vooruitgang kunnen boeken in een aantal projecten. De voorwaarde is dat de projecten aanrekenbaar moeten zijn aan de NAVO. Het duoproject in Sint-Niklaas is daarvan een mooi voorbeeld. Dat is een masterplan van de federale politie, maar wij kunnen daar perfect aan meedoen. Het gaat om een schietstand, om drones en counterdrones en om slippistes. Dat hebben wij ook voor onze mensen nodig.

In die zin kunnen we er een gezamenlijk project van maken en dan kunnen wij dat betalen. Dan gaat het eindelijk vooruit. Dan kan Peter Buysrogge ook aankondigen dat het asielcentrum daar dicht gaat. Sint-Niklaas heeft immers twee centra. Veel partijen, of zelfs de hele gemeenteraad, zeggen al jaren dat twee grote asielcentra voor één stad te veel is. Dat kunnen ze niet aan. In die zin is dat het compromis geworden.

Twee weken geleden hebben we daarover op het kernkabinet tot vrijdagavond laat gesproken. Dat is vervolgens finaal uit de bus gekomen.

Het National Enablement Plan is dus een heel belangrijk plan. Dat zal normaal gezien in orde komen. Dat is dus op te volgen.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, in alle neutraliteit wil ik u persoonlijk danken voor dat antwoord.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Eén wegproject en drie projecten in totaal, waarvan twee spoorwegprojecten, dat is alvast goed. Het is beter dan ik initieel dacht.

Het is absoluut noodzakelijk dat ook de regio’s, Vlaanderen en Wallonië, in dezen hun deel doen. De veiligheid van ons land is een gedeelde verantwoordelijkheid. Defensie is weliswaar een federale bevoegdheid, maar op Vlaams niveau wil men ook een Vlaams Defensieplan oprichten. Als de regio’s een steentje kunnen bijdragen, moeten ze dat in de eerste plaats op het mobiliteitsvlak doen. Ik ben blij dat dat toch voor een deel gebeurt.

Voor het overige kijk ik uit naar het Enablementplan, dat in een afrondende fase zit. Het wordt opgevolgd. Ik kijk uit naar het resultaat.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik dank u eveneens voor uw antwoord. Het Enablementverhaal is heel belangrijk. Het is interessant om te vernemen dat 5 % van het geplande defensiebudget naar interne veiligheid gaat. Dat wist ik nog niet. Het stelt mij gerust dat het aan de voorwaarde van NAVO-aanrekenbaarheid moet voldoen; anders creëren we elders een probleem.

U ziet waartoe vragen over militaire mobiliteit kunnen leiden. Het is goed dat de minister af en toe afwijkt van het voorbereid antwoord. Dank u daarvoor.

Voorzitter:

Ik weet niet of men daar op het kabinet ook zo over denkt.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U stelt dat Defensie de noodzaak onderschrijft om de militaire mobiliteit op zoveel mogelijk vlakken te ondersteunen. U hebt het ook over drie voorbereidende trajecten gehad die prioritair worden behandeld.

Defensie wordt als leidende factor beschouwd in het Nationaal Verdedigings- en Enablementplan. Het is inderdaad uitkijken naar de resultaten die wij daar binnenkort uit zullen leren. Het is voor alle duidelijkheid goed dat Defensie daarin de lead neemt.

U stelt ook dat wij heel snel kunnen schakelen, wat in de huidige context heel belangrijk is.

U gaf alle details over het Enablementplan en andere aspecten, maar ik mis een antwoord op de vraag die ik u heb gesteld, namelijk een reflectie op de bezorgdheid bij onze noorderburen. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat die bezorgdheid ook voor ons land relevant is.

Dat geldt zeker voor mijn provincie, Limburg, die zoals u weet een heel belangrijke provincie is in het hele enablementverhaal. Er is nood aan dezelfde oefening. Nederland heeft die oefening gemaakt. We weten dat Nederland vaak vooroploopt op België. Ik had van u verwacht dat wij dat eveneens zouden doen.

Ik blijf dus op mijn honger zitten wat betreft de evaluatie die we hebben gemaakt en de lessen die we kunnen trekken over de oorlogsbestendigheid van onze Belgische spoorwegen. Spelen bij ons dezelfde problemen of niet? Daarop hebt u, tenzij ik mij vergis, geen antwoord gegeven. Dat betreur ik ten zeerste.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wil nog even focussen op de rol van de deelstaten. Ze zijn een erg belangrijke partner inzake mobiliteitsinvesteringen. Zij hebben ook budgettair, de ene deelstaat misschien wat meer dan de andere, ruimte om mee te investeren. Dat geldt ook in het kader van de uitdaging om die 5 % op termijn te realiseren.

Ik wil u daarom aanmoedigen om de lijn met de deelstaten heel kort te houden, want zij kunnen op dat vlak een heel belangrijke partner zijn en een heel belangrijke rol spelen.

Voorzitter:

Collega's, die repliek beëindigt onze vier actualiteitsdebatten. Op de agenda staat nog een hele reeks vragen, die zowel vandaag als vrijdag zullen worden behandeld. Ik breng in herinnering dat de mogelijkheid bestaat om te verwijzen naar de tekst van de vraag zoals ingediend. Het punt is dat wij op die manier snelheid kunnen maken. U hebt echter uiteraard het recht om uw vraag voluit te stellen wanneer u dat wenst.

De aankoop van zware helikopters
De verkoop van de NH90 TTH
Militaire helikoptertransacties en -operaties

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Axel Weydts is de verkoop van de vier NH90 TTH-helikopters (door Defensie omschreven als "te duur en geen beste aankoop") al beslist, en vraagt hij of er al kandidaat-kopers zijn. Theo Francken bevestigt dat er startfase-gesprekken lopen met partnerlanden, maar nog geen concrete afspraken zijn, mede door beperkte interesse in dit "niet succesvolle" toestel—een beslissing wordt begin 2025 verwacht. Weydts wijst erop dat kritische uitspraken over het toestel de verkoop bemoeilijken, terwijl Nederland juist extra marineversies (NFH) aankoopt. Francken benadrukt dat de TTH-versie problematischer is dan de marinevariant.

Voorzitter:

De heer Legasse laat zich verontschuldigen.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Er werd verklaard in de pers dat Defensie de vier NH90 TTH-helikopters zal verkopen. U gaf daarbij aan dat deze helikopters “niet de beste aankoop geweest zijn” en dat ze “te duur in gebruik en onderhoud” zijn voor een kleine vloot. De beslissing tot verkoop is dus duidelijk genomen.

In dat licht heb ik één concrete vraag: zijn er op dit moment al kandidaat-kopers of landen die interesse hebben getoond in de overname van deze toestellen?

Theo Francken:

De beslissing werd genomen om de NH90 Troops Transport Helicopter (TTH) vanaf september 2025 niet langer operationeel in te zetten. De piste van vervreemding wordt momenteel binnen de defensiestaf verder bestudeerd, waarbij in eerste instantie wordt gekeken naar partnerlanden om het NH90 TTH-patrimonium op termijn over te nemen. Dit sluit niet uit dat ook andere haalbare voorstellen zullen worden onderzocht.

Er lopen gesprekken om een nieuwe bestemming voor de toestellen te bepalen, maar die bevinden zich nog in de startfase. Het is bijgevolg nog te vroeg om verdere details mee te delen of vooruit te lopen op een mogelijke definitieve vervreemding of overname.

We hebben er deze week nog over vergaderd. Er zijn verschillende opties, waaronder overdracht aan een bevriende natie of de inzet in Beauvechain. Er is op dit moment echter nog geen definitieve beslissing genomen.

De vraag is bovendien complex, aangezien er niet bijzonder veel kandidaten zijn. Het betreft hier geen van de meest succesvolle wapenproducten van de afgelopen decennia. Indien u mij die vraag in januari opnieuw stelt, zal er waarschijnlijk wel een beslissing zijn genomen.

Axel Weydts:

Ik ben benieuwd naar het vervolg. Als we luid roepen dat het geen succesvol verhaal is, wordt het uiteraard ook moeilijker om kopers te vinden. Voor alle duidelijkheid, dit geldt niet voor de marineversie, waarmee wel verder wordt gewerkt. Een half uur geleden heeft de Koninklijke Marine van Nederland aangekondigd dat ze bijkomende toestellen zullen aankopen. Het gaat daarbij uitsluitend om de marineversie. Er worden drie extra toestellen aangekocht, met een optie op nog twee bijkomende toestellen. Dat is nieuws van de noorderburen.

De terugvallende inkomsten uit de Russische tegoeden en de defensie-inspanning

Gesteld door

VB Annick Ponthier

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Annick Ponthier vraagt zich af of België’s defensiefinanciering (gebaseerd op 1 miljard euro/jaar uit bevroren Russische tegoeden) houdbaar is, nu minister Van Peteghem waarschuwt voor dalende rente-inkomsten en bijkomende financieringsnoden voor de 2%-NAVO-norm; ze wijst op mogelijke defensietaks of staatsbon als alternatieven. Theo Francken ontkent plannen voor een defensietaks ("eigenaardig idee"), benadrukt dat 9,5 miljard al zonder nieuwe belastingen is gevonden en stelt dat bij wegvallende Russische inkomsten de begrotingscontrole in 2026 moet oplossen—wat Ponthier onrealistisch en traag noemt. Zij bekritiseert de vaagheid en impliciete belastingverhogingen (ondanks Franckens ontkenning) en vreest onduidelijke scenario’s voor Defensie, terwijl Francken vasthoudt aan bestaande middelen zonder extra taksen. Beide benadrukken de afhankelijkheid van onzekere Russische gelden, maar Francken mijdt concrete alternatieven, wat Ponthier als politiek risicovol bestempelt.

Annick Ponthier:

De regering rekent op aanzienlijke middelen uit de vennootschapsbelasting op de winst van de bevroren Russische tegoeden. Het merendeel, ongeveer 1 miljard euro per jaar dat reeds is toegezegd, zou gaan naar steun aan Oekraïne. Intussen heeft onder andere minister Van Peteghem bevestigd dat de rente-inkomsten die Euroclear boekt op alle tegoeden in de eerste helft van dit jaar met een kwart zouden dalen. Hij heeft ook gewaarschuwd dat er bijkomende financiering moet worden gezocht voor defensie, indien de inkomsten uit de Russische tegoeden zouden afnemen of wegvallen. Dat scenario lijkt mij op dit moment niet helemaal ondenkbaar. De inkomsten uit de Russische tegoeden maken een flink deel uit van de begrotingsmiddelen voor de structurele defensie-inspanning van 2 % in de komende jaren.

Hoe ziet u dat evolueren? Denkt u dat bijsturing nodig is op het vlak van de financiering voor de defensiemiddelen of niet? Blijft u rekenen op de Russische tegoeden, zoals ze nu worden vorgesteld? Welke eventuele bijkomende financieringsbronnen verkiest u dan? Is het scenario van minister Prévot van een defensietaks nog altijd realistisch of ziet u veeleer heil in de defensiestaatsbon, een suggestie van minister Van Peteghem van enige tijd geleden die nu enigszins naar de achtergrond is verdwenen?

Welke besparingspistes zou u eventueel voorstellen indien er inderdaad bijkomende schulden moeten worden gemaakt boven op de 2 miljard euro die nu buiten de begroting wordt gehouden?

Theo Francken:

De opbrengsten van Euroclear ten belope van ongeveer 1 miljard euro zijn nog steeds voorzien voor 2026 voor een nieuw pakket steun voor Oekraïne. Mochten de opbrengsten niet meer verzekerd zijn, dan zal de regering zich daarover moeten buigen in het kader van de begrotingscontrole in het voorjaar.

Voorzitter:

Wie beweert dat de minister niet diplomatisch kan zijn, heeft het verkeerd voor.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw eerlijkheid. Dat siert u. Het is op dit moment een heel onduidelijk verhaal. Ik denk dat ik daarmee niets nieuws vertel. U zegt dat de opbrengsten nog steeds voorzien zijn. We zullen zien wat de toekomst brengt. Uw antwoord is interessant. Als de begrotingscontrole van volgend jaar zo lang op zich laat wachten als die van dit jaar, dan zijn we eraan voor de moeite. Ik blijf hoe dan ook hopen op een goede uitkomst, voor alle duidelijkheid , zonder schuldopbouw en zonder belastingverhoging.

De vraag naar de defensiebelasting hebt u niet beantwoord. Dat blijft dus een reële piste, neem ik aan, om de broodnodige defensiemiddelen te verzamelen.

Ik hoop dat we in het hele verhaal geen onrealistisch scenario voorschotelen, niet aan de bevolking en zeker niet aan de mensen die actief zijn bij Defensie. Die zetten zich enorm hard in, met de beperkte middelen die er zijn. Zij hopen allemaal op bijkomende middelen en rekenen op extra investeringen. Ik hoop, samen met u, dat er een oplossing uit de bus komt.

Theo Francken:

Er is geen sprake van een defensietaks. We hebben 9,5 miljard gevonden zonder dat die taks op tafel ligt. Dus die is er niet en als het van mij afhangt, zal die er ook niet komen. Het lijkt me niet zo’n verstandig idee. Mensen weten wel dat er meer in defensie moet worden geïnvesteerd, maar een specifieke defensietaks zou eigenaardig zijn. Ik denk dat er in het federale staatsbestel nog voldoende andere mogelijkheden zijn dan de invoering van alweer een nieuwe taks.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, de traagheid waarmee u uw woorden uitspreekt, is bijzonder veelzeggend. U moet alles wikken en wegen. U zegt dat als het van u afhangt, er geen defensietaks komt. Ik moet u echter teleurstellen, niet alles hangt van u af in de regering. We zullen dus zien wat de toekomst brengt. U stelt dat er al vele miljarden gevonden zijn zonder defensietaks en dat het nu ook wel zal lukken. U mag het dan misschien niet defensietaks noemen, er zijn wel veel andere taksen ingevoerd of voorgesteld om aan die 9,5 miljard te komen. Daarover moet u toch ook niet flauw doen. Nogmaals, we zullen zien. U zegt dat u zult bekijken wat de toekomst brengt en eventueel via de begrotingscontrole zult bijsturen. Ik wens u veel succes. Ik denk echter dat we op dit moment in een heel onduidelijk en duister scenario zitten.

De plannen om een Joint Force Command in België op te richten

Gesteld door

Vooruit Axel Weydts

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Axel Weydts (N-VA) vraagt of België, geïnspireerd door Nederlands plan voor een centraal Joint Force Command (voor alle operaties), de huidige Belgische structuur (COPS, MIK, MOC) moet herzien, maar neemt zelf geen standpunt in. Minister Francken (Defensie) antwoordt dat België een evolutie van het COPS naar een Defence Operations Center voorbereidt, binnen een herziene command-and-controlstructuur die NAVO-compatibel, weerbaar en Belgisch-specifiek moet zijn, met lopende benchmarking waaronder met Nederland. Weydts reageert instemmend dat Francken dus ook naar Nederland kijkt voor inspiratie. Francken benadrukt dat de aanpassingen kaderen in de uitvoering van Strategische Visie 2025, zonder concrete timing of afwijzing van het Nederlandse model.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, u zult al gemerkt hebben dat ik nogal vaak naar onze noorderburen kijk als het gaat over defensienieuws. Ik vind dat zij op heel wat vlakken een gidsland zijn. We mogen vaker wat over dat muurtje kijken.

Ik werd getriggerd door een bericht van net na de zomer waarin stond dat men in Nederland een Joint Force Command zou oprichten dat alle operaties zou aansturen; of het nu landoperaties, maritieme operaties of nog andere operaties betreft, alles zou worden aangestuurd door dat Joint Force Command.

Wij hebben in België het COPS in Evere, het MIK en het MOC in Zeebrugge. Ook het NASC zal verder worden versterkt. Dit zijn allemaal zeer goede initiatieven. Ik vroeg me gewoon af of het idee van Nederland om een aparte Joint Force Command op te richten een goed idee is of niet. Ik laat dat in het midden. Ik dacht dat ik dit aan de minister en zijn staf kon vragen. Ik ben zeer benieuwd naar het antwoord.

Theo Francken:

De Strategische Visie 2025 wordt momenteel vertaald in een bedrijfsplan Defensie, dat meer in detail de prioriteiten en objectieven zal bepalen. Het doel is om de bakens uit te zetten voor de uitvoering van de strategische visie en om toe te werken naar de strategische doelstellingen.

Op dit moment werkt de defensiestaf aan de toekomstige command-and-controlstructuur om zowel nationaal als internationaal efficiënt aan de NAVO-plannen te kunnen bijdragen. Deze structuur moet weerbaar zijn, maar ook compatibel met onze strategische partners, moet rekening houden met de Belgische specificiteit en zal voortbouwen op de bestaande structuur. In deze context wordt het toekomstige Defence Operations Center beschouwd als een doorgroei-evolutie van het huidige Operations Center (COPS), dat vandaag deze rol vervult. Een benchmarking met onder andere Nederland loopt op dit moment.

Axel Weydts:

Dank u, mijnheer de minister. Uit uw antwoord blijkt dat u ook over het muurtje van onze noorderburen kijkt en ziet hoe alles daar evolueert.

De verdubbeling van het personeelsbestand bij Defensie

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Kjell Vander Elst ontbreekt nog duidelijkheid over prioritaire profielen (zoals STEM, cyberdefensie en medisch personeel) in Defensies verdubbelingsplan, en vraagt hij hoe de sector kan concurreren met de privésector bij de werving op een krappe arbeidsmarkt. Minister Theo Francken bevestigt dat er geen expliciete prioriteiten zijn, maar wel extra aandacht voor knelpuntberoepen, met concrete uitbreidingsplannen (o.a. nieuwe campussen in Doornik en Brugge) en een doelstelling van 4.810 aanwervingen in 2026, gebaseerd op simulaties. Francken wijst op herziene opleidingen (meer praktijk, focus op actuele dreigingen zoals drones) en modernisering van medische geschiktheidscriteria—die Vander Elst juicht toe als een noodzakelijke update van "verouderde" normen, maar die nog parlementaire goedkeuring vereisen. Beide benadrukken de urgentie van flexibelere wervingsvoorwaarden (bv. leeftijd reservisten) om de ambitieuze groeidoelstellingen te halen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, mijn vraag is enigszins gedateerd. Ze dateert van 8 september 2025, en intussen heb ik al iets meer informatie gekregen over hoe u de uitbreiding van het personeelsbestand ziet, via de verschillende plannen.

Toch heb ik nog een aantal specifieke vragen.

Welke specifieke profielen zijn prioritair in het verdubbelingstraject? Bij defensie zijn er immers heel wat verschillende functies. Ik denk bijvoorbeeld aan technisch personeel, cyberdefensie en medische profielen. Wordt er werk gemaakt van het gerichter aantrekken van STEM-profielen in de komende jaren? Hoe wil defensie concurreren met de privésector om die profielen aan te trekken, gezien de krapte op de arbeidsmarkt?

Theo Francken:

Zoals duidelijk gesteld in de Strategische Visie, zal defensie haar personeelsbestand aanzienlijk moeten versterken om de opschaling van haar operationele capaciteiten te waarborgen. Momenteel bereiden de defensiestaf, met de Algemene Directie Human Resources (DG HR) en het Commando der Scholen op kop, de uitbreiding van de wervingscapaciteit voor alle personeelscategorieën voor. Voor de opleiding van onderofficieren komt er zelfs een tweede campus in Doornik. Voor de vrijwilligers komt er vanaf de eerste helft van 2026 een extra regionaal vormingscentrum in Brugge en vanaf de tweede helft van 2026 eveneens in Burcht.

In 2026 zouden volgens planning 2.800 militairen van het actief kader, 1.050 reservisten en 960 burgers aangeworven worden. Het groeipad tot en met 2034 staat gedetailleerd in de Strategische Visie. De keuze van te werven profielen en de aantallen zijn gebaseerd op simulaties van de evolutie van het personeelsbestand. Er zijn geen uitgesproken prioriteiten in de werving van bepaalde populaties of hun aantallen, maar uiteraard is er speciale aandacht voor knelpuntberoepen zoals medisch en technisch personeel.

De aantrekkelijkheid van het beroep begint bij een opleiding van hoog niveau. De militaire basisopleiding werd in 2024-2025 grondig herzien, met een focus op kwaliteitsverbetering door progressiviteit en meer praktijkgerichte training. Daarnaast zijn concepten heringevoerd die verband houden met de huidige geopolitieke context, zoals tactical combat , casualty care en dronedreigingsbewustzijn.

Naast een grondige herziening worden meer beperkte aanpassingen van het leerplan opgenomen in de jaarlijkse leerplancommissie. Een werkgroep met als opdracht het uitvoeren van een studie rond de herziening van de medische geschiktheidscriteria bij aanwerving heeft zijn werkzaamheden afgerond. Die voorstellen worden momenteel voorgelegd aan de medische overheid van defensie. Nadien zal de herziening geconsolideerd worden via wet- en regelgevende initiatieven.

De evolutie van de inschrijvingen wordt permanent gemonitord. Als we de rekruteringsdoelstellingen niet halen, zal worden nagegaan of de afsluitdatum voor de inschrijvingen kan worden verlengd.

Ook de leeftijd voor de reservisten wil ik absoluut aanpassen, maar ik roep de Kamer op om die materie eens onder de loep te nemen.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, we willen die handschoen opnemen.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister. Heb ik het goed verstaan dat de medische geschiktheidscriteria onder de loep zijn genomen om die wat te moderniseren en dat dit binnenkort naar het Parlement zal komen, om die aanpassingen door te voeren? Dat is een zeer goede zaak. Ik zal de voorbeelden niet opnieuw geven. U hebt er ook al gegeven. Bepaalde mensen worden afgekeurd omwille van absurde redenen. Het zou goed zijn als die zaken eruit kunnen, zodat we specifieke profielen kunnen aanwerven zonder dat die geblokkeerd worden omwille van medische redenen die uit de vorige eeuw dateren. Ik kijk dus uit naar dat project wanneer het naar het Parlement komt.

Het verminderen van bestaande afhankelijkheden van Israël
Het verminderen van bestaande afhankelijkheden van Israël
Het verminderen van de bestaande afhankelijkheden van Israël
Het verminderen van afhankelijkheden van Israël

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tinne Van der Straeten vraagt hoe de regering haar opdracht om afhankelijkheid van Israël te verminderen (geen nieuwe aankopen, onderhoudscontracten of samenwerking met Israëlische bedrijven waar mogelijk) concreet zal uitvoeren, gegeven juridische en operationele beperkingen. Theo Francken stelt dat de bestaande wetgeving (2011) en WTO-afspraken Israël geen automatisch toegang geven tot defensieaanbestedingen, maar dat Israëlische producten niet categorisch kunnen worden geweerd als ze voldoen aan criteria en geen gelijkwaardig alternatief bestaat—zoals bij de Midazolam-autoinjectoren (alleen door Israël geleverd), waar de regering uiteindelijke toestemming voor gaf omwille van militairenveiligheid. Van der Straeten bekritiseert de regeringsbeslissing als symbolisch en leeg, omdat de Europese en nationale aanbestedingsregels volgens Francken weinig ruimte laten voor daadwerkelijke vermindering van Israëlische leveringen, tenzij er sancties of alternatieven zijn. Francken benadrukt dat operationele noodzaak (bv. unieke medische uitrusting) altijd voorrang krijgt op politieke afwegingen.

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, deze vraag gaat over de bestaande afhankelijkheden van Israël en de opdracht die u op 2 september hebt gekregen van de regering om toekomstige aankopen van materieel en reserveonderdelen niet meer in Israël te doen. U werd ook gevraagd daar geen onderhoudscontracten meer af te sluiten waar mogelijk en wanneer er alternatieven bestaan. Het uitgangspunt daarbij is om de afhankelijkheid van Israël te verminderen, ten minste zolang het conflict aanhoudt.

Er zijn een aantal specifieke vragen over de manier waarop u dat zult omzetten, welke wijzigingen er zijn ten opzichte van het huidige beleid, wat gelijkwaardigheid precies betekent en hoe 'waar mogelijk' moet worden geïnterpreteerd. Er is ook de vraag wat dit betekent voor bedrijven die zich buiten Israël bevinden, maar die wel in Israëlische handen zijn. Voor die concrete vragen verwijs ik echter naar de ingediende vraag.

Theo Francken:

Defensie zal deze opdracht uitvoeren conform de richtlijnen van de federale regering. Bij nieuwe aanbestedingen zal als Israëlische economische operatoren zouden meedingen, steeds worden nagegaan of hun toegang tot de markt werd verleend en of er gelijkwaardige alternatieven beschikbaar zijn bij leveranciers uit andere landen.

Het beleid over het toegangsrecht van derde landen – met name landen die niet behoren tot de Europese Unie – tot aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied is sinds 2 september niet gewijzigd en is reeds wettelijk geregeld in de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied.

In dit verband wordt ook verwezen naar het antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 168 van collega Aerts. De antwoorden stelden dat het Agreement on Government Procurement van de Wereldhandelsorganisatie, waarbij Israël partij is, niet geldt voor het merendeel van de opdrachten voor defensie en veiligheid en dus a priori niet kan worden ingeroepen voor dit materieel en dergelijke opdrachten. Dat verleent hun dus normaliter geen toegang tot aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied.

Het is met de huidige regelgeving inzake overheidsopdrachten en zonder sancties op Europees niveau tegen bedrijven gevestigd buiten Israël die in Israëlische handen zijn, echter niet mogelijk om dergelijke ondernemingen uit te sluiten van deelname aan een overheidsopdracht indien zij voldoen aan het toegangsrecht en de eventuele overheidsselectiecriteria voor die opdracht. Het invullen van de operationele noden van defensie gaat gepaard met een verkenning van de markt. In dat opzicht wordt telkens maximaal gekeken naar de mogelijkheden op de internationale markt voor het invullen van onze noden, zowel voor wapensystemen als voor producten of beschermingsmiddelen voor onze militairen.

Teneinde het best mogelijke product te verkrijgen voor de gebruiker – of bij gebrek daaraan een volwaardig alternatief op de markt – is het daarom niet altijd aangewezen om op voorhand Israëlische producten uit te sluiten. In deze gevallen zou het weigeren van Israëlische wapensystemen immers een grote impact kunnen hebben op de operationele inzetbaarheid van defensie. In het geval van lopende of toekomstige procedures waarbij Israëlische economische operatoren voldoen aan alle selectiecriteria en een conforme offerte indienen, zullen deze op dezelfde manier worden geëvalueerd als andere offertes. De evaluatie van de offertes houdt steeds rekening met de beste militaire en operationele oplossingen voor onze militairen en hun opdrachten.

Wanneer u de schriftelijke vraag bekijkt, die misschien niet bij u is geraakt, zult u zien dat wij nog één product hebben aangekocht: Midazolam autoinjectoren voor de medische dienst. Dat zijn pennen die elke soldaat bij zich heeft om zichzelf te injecteren wanneer hij wordt blootgesteld aan een gifaanval of wanneer bepaalde chemische producten of gassen vrijkomen.

Zij zijn de enigen die dat maken. Dat dossier is herhaaldelijk binnen de regering besproken. Veel collega’s geloofden niet dat zij echt de enigen waren. Geloof me, het is 1.000 keer van alle kanten bekeken, ze zijn wel degelijk de enigen. We hebben dat dus nog besteld. Het is een goede zaak dat onze militairen daarover beschikken. Ik begrijp dat Israël heel gevoelig ligt, maar we gaan de veiligheid van onze eigen mensen toch niet in gevaar brengen. Dat is toch te gek. Het is dus uiteindelijk door de regering goedgekeurd.

Ik begrijp dat dit aanleiding tot veel polemiek geeft. Ik kan er nog veel over zeggen, maar ik doe dat niet in een openbare zitting. Achter gesloten deuren zal ik daarover nog een paar dingen zeggen.

Tinne Van der Straeten:

Ik wil geen polemiek starten over dit individuele dossier, waarin u hebt beargumenteerd waarom er wel is aangekocht. Wel wil ik ingaan op de opdracht die u hebt gekregen en het antwoord dat u hier hebt gegeven. Ik vraag mij af of de beslissing van de regering misschien een lege doos is, om de gemoedsrust van een aantal coalitiepartners te bewaren. De intentie is om minder bij Israël te kopen, maar u hebt uitgebreid toegelicht dat de wetgeving inzake overheidsopdrachten, die overigens niet louter nationaal maar ook Europees is, u geen handvatten biedt om dat ook werkelijk te implementeren. Misschien was het dus alleen een beslissing van de regering voor de schone schijn.

De Koninklijke Militaire School
De militaire vorming en de attritie
De Koninklijke Militaire School
Militaire opleiding, vorming en attritie aan de KMS

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Christophe Lacroix en Annick Ponthier kritiseren de hoge uitvalcijfers bij Defensie, vooral aan de Koninklijke Militaire School (KMS/ERM), en wijzen op structurele tekortkomingen zoals starre pedagogiek, gebrek aan erkenning van verworven competenties, ontoereikende begeleiding en mogelijk discriminerende evaluatiemethoden (bv. redoublement, definitieve uitsluiting). Zij vragen om flexibilisering, benchmarking met Europese normen en een diepgaande studie naar oorzaken en oplossingen, zonder de kwaliteitslat te verlagen. Minister Theo Francken benadrukt dat de KMS wel individuele begeleiding biedt (via pedagogische cellen en psychologen), continue evaluatie toepast (o.a. via studentenquêtes en accreditatie tot 2027) en geen creditoverdracht toestaat omwille van de geïntegreerde vierpijleraanpak (academisch, militair, fysiek, karakter). Een werkgroep herziet weliswaar wervingscriteria (bv. leeftijdsgrens) om de instroom te verbreden, maar een specifieke studie naar uitvaloorzaken is (nog) niet gepland – enkel permanente evaluatie binnen bestaande processen. Ponthier betreurt dit gebrek aan diepgaand onderzoek.

Christophe Lacroix:

Monsieur le Ministre,

La Défense belge s'est engagée depuis la précédente législature dans une dynamique de renforcement de ses capacités humaines. Cette ambition s'accompagne d'un effort soutenu en matière de recrutement, notamment auprès des jeunes. Toutefois, les taux d'abandon en formation, particulièrement élevés, compromettent sérieusement la réalisation de ces objectifs.

Le nombre élevé d'abandons en formation, bien que régulièrement expliqué par les difficultés d'adaptation des jeunes à la discipline militaire, ne saurait être attribué uniquement à ces derniers. D'autres facteurs doivent être pris en compte, notamment la rigidité des dispositifs pédagogiques, le manque de flexibilité dans la reconnaissance des acquis, et l'insuffisance de l'accompagnement individualisé. Ces éléments structurels peuvent accentuer les inégalités et décourager des profils pourtant prometteurs, contribuant ainsi à une perte de potentiel humain pour la Défense.

Parmi les institutions concernées par les abandons, l'École Royale Militaire (ERM) occupe une place centrale. Seule université bilingue et fédérale du pays, elle propose une formation exigeante, combinant cursus académique, préparation militaire, développement physique et formation caractérielle. Or, plusieurs éléments de son organisation pédagogique soulèvent parfois des interrogations quant à leur compatibilité avec les standards européens et leur impact potentiellement discriminant sur les étudiants : politique de redoublement, exclusion définitive ou encore pondération des évaluations.

Monsieur le Ministre,

Avez-vous déjà envisagé une évaluation de la stratégie pédagogique de l'ERM incluant une évaluation systématique des processus d'enseignement, de suivi et d'évaluation ?

Quelles mesures sont prévues pour garantir une meilleure équité dans les parcours de formation, notamment en matière de report de crédits, de redoublement et de reconnaissance des compétences non académiques ?

Une évaluation des pratiques de l'ERM avec les standards européens, tout en respectant les spécificités de la formation militaire est-elle prévue ?

Enfin, quelles actions concrètes seront mises en œuvre pour réduire le taux d'abandon, en renforçant l'accompagnement pédagogique et en valorisant les dimensions humaines et opérationnelles de la formation ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, voor de inleiding verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het Belgische leger kampt al geruime tijd met personeelstekorten, en de jongste legislaturen werd dan ook ingezet op versterking van de menselijke capaciteit binnen Defensie. De rekruteringsinspanningen, vooral gericht op jongeren, zijn in dat opzicht toe te juichen. Tegelijk stellen we echter vast dat het hoge aantal uitvallers tijdens de vorming een ernstige rem zet op de realisatie van deze ambities.

Hoewel men vaak wijst op de aanpassingsmoeilijkheden van jongeren aan de militaire discipline, mogen we de oorzaken niet uitsluitend bij hen leggen. Ook factoren binnen de vorming zelf verdienen kritische aandacht. Denk aan een gebrek aan erkenning van eerder verworven competenties, of het ontoereikende individuele begeleidingstraject. Al te stringente medische vereisten, zoals in het verleden vaak in de luchtcomponent voor piloten golden, zorgden soms voor een verlies van talent. Zulke elementen kunnen ontmoedigen en zelfs leiden tot vroegtijdige uitval. Toch moeten we uiterst behoed zijn voor alle mogelijke latverlaging. Het kan nooit de bedoeling zijn om de kwaliteit van de instroom ondergeschikt te maken aan de kwaliteit.

De rol van de Koninklijke Militaire School (KMS) is in deze context van bijzonder belang. De KMS combineert een academisch traject met fysieke, militaire en karaktervorming. Bij het vormen van rekruten speelt deze universiteit dus een belangrijke rol en mogelijks kan zij ook een helder beeld krijgen van de attritie, in al zijn vormen, en misschien meedenken richting een betere aanpak hiervan.

Welke maatregelen neemt u om de militaire vorming te flexibiliseren, met betrekking tot verworven competenties, individuele trajecten en medische voorwaarden?

Welke maatregelen neemt u tegelijkertijd om te vermijden dat wat de fysieke en cognitieve vereisten betreft de lat wordt verlaagd?

Is een benchmarking van de opleidingen aan de Koninklijke Militaire School met Europese normen inzake militaire academische vorming gepland, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van militaire opleidingen?

Ten slotte, hebt u al een studie besteld of is er bij de Koninklijke Militaire School een studie in voorbereiding over de oorzaken van en de remedies tegen de hoge uitval tijdens de militaire kandidatuur en de loopbaanattritie, die verondersteld wordt toe te nemen door de pensioenhervorming, ook al ontkent u dat?

Theo Francken:

L'École Royale Militaire (ERM) est une université militaire de taille relativement modeste, ce qui garantit une approche personnelle et un contact étroit entre le personnel enseignant et les élèves. Un suivi et un encadrement individuel tout au long de l'année sont garantis. Une cellule de guidance constituée de pédagogues et de psychologues est à la disposition des élèves.

Une évaluation permanente de la stratégie pédagogique fait partie du processus de l'ERM. Citons par exemple l'évaluation de l'enseignement par le biais de questionnaires complétés par les élèves, une équipe pédagogique au profit du personnel enseignant, ou encore une commission d'enseignement et de pédagogie veillant au maintien de la qualité de l'enseignement.

L'ERM est une institution militaire chargée de former de futurs officiers, des leaders. La formation à l'ERM est basée sur l'apprentissage intégré de quatre piliers, à savoir l'académique, le militaire, le physique et le caractère. Cette approche intégrée et transversale, qui est la clé du succès de la formation solide de nos officiers, nécessite une évaluation globale et ne permet pas le report de crédits. Toutefois, les élèves en échec sont évalués par une commission de délibération qui prend en considération les résultats dans les quatre piliers et qui peut décider de la réussite, de l'ajournement ou de l'échec définitif de l'élève, mais qui peut également lui donner la possibilité de repasser un ou plusieurs examens. À titre exceptionnel, un examen peut être passé jusqu'à quatre fois.

De KMS is overeenkomstig de wet gemachtigd om onder andere diploma's van bachelor en master in de Ingenieurswetenschappen of in de Sociale en Militaire Wetenschappen toe te kennen. Ze is geaccrediteerd en geëvalueerd door onafhankelijke instanties volgens de Europese normen. De huidige accreditatie is geldig tot 2027. Ze is momenteel in hernieuwing.

Een benchmarking met andere militaire academies gebeurt op indirecte wijze doorheen de permanente evaluatie van de mogelijkheden tot uitwisseling van leerlingen, meer bepaald in het kader van Emylio, de militaire tegenhanger van Erasmus.

L'ERM accorde énormément d'importance au bien-être et à la réussite des élèves. Afin de maximiser les chances de réussite de ceux-ci, plusieurs outils sont utilisés et mis à leur disposition.

Voor het functionaliseren van de voorwaarden om militair te worden, is bij de Defensiestaf een werkgroep opgericht om daarin de aanwervingscriteria te herzien. Na de validering van de resultaten van de werkgroep zullen de statutaire teksten worden aangepast.

Het doel van de herziening is de wervingsvijver te verbreden en ervaren en zelfs oudere profielen aan te moedigen dienst te nemen bij Defensie. Daarover hebben wij het al gehad bij de vraag van Kjell Vander Elst. Dat gaat over de leeftijdsgrens van inlijving, die naar boven wordt bijgesteld.

Christophe Lacroix:

Je remercie le ministre pour la qualité de ses réponses.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Als ik het goed begrepen heb, buigt een werkgroep zich momenteel over een herziening van de wervingsvoorwaarden. We zullen daar te gepasten tijde op terugkomen.

Het is belangrijk dat er aandacht gaat naar de specifieke opleiding en alle onderdelen daarvan: er is nood aan een academisch traject, gecombineerd met fysieke en militaire vorming en met karaktervorming, zodat het resultaat een correct gevormde militair, zonder dat de lat wordt verlaagd. Ik denk dat u daar zelf ook in het verleden altijd voor hebt gewaarschuwd, terecht, en wij doen dat hier opnieuw.

De studie waarnaar ik vroeg, is nog niet uitgevoerd of besteld, of komt die toe aan de werkgroep?

Theo Francken:

(…) Permanente evaluatie.

De openstaande betrekking bij de Algemene Inspectie van Defensie
De openstaande betrekking bij de Algemene Inspectie van Defensie
Vacatures bij de Algemene Inspectie van Defensie

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Christophe Lacroix bekritiseert dat de leiding van de Inspection Générale de la Défense (IG) – cruciaal voor fraudebestrijding, integriteit en klokkenluidersbescherming – al lang vacaat en vraagt waarom het laatste Comité Officiers Généraux geen opvolger benoemde ondanks meerdere kandidaten. Minister Theo Francken benadrukt het belang van de IG, maar stelt dat de benoeming uitbleef omdat men "de juiste kandidaat" zoekt en belooft een beslissing in 2024; intussen waarnemt de adjunct ad interim. Lacroix uit ontevredenheid over het gebrek aan transparantie en kondigt verdere parlementaire vragen aan, maar erkent Franckens bewering dat de functie "primordiaal" is.

Christophe Lacroix:

Monsieur le Ministre,

L'Inspection Générale de la Défense joue un rôle central au sein du département notamment pour lutter contre la fraude et les irrégularités qui vont à l'encontre des valeurs de la Défense.

L'IG est également un point central pour signaler les atteintes à l'intégrité et protéger les lanceurs d'alerte.

Nous apprenons cependant que la direction de l'IG ne sera pas remplacée et ne semble absolument plus être une priorité.

Monsieur le Ministre,

Pouvez-vous m'indiquer ce qu'il en est concernant le rôle de l'Inspection Générale et l'importance que vous y attribuez ?

Comment expliquez-vous la vacance à sa tête au regard des missions essentielles de celle-ci ?

Pourquoi une décision n'a-t-elle pas été prise lors du dernier Comité « officiers généraux » alors que plusieurs candidats étaient semble-t-il en lice ? Quand aura lieu le futur Comité et comptez-vous à cette occasion prendre une décision permettant à l'IG d'être pleinement opérationnelle ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Theo Francken:

L’Inspection générale formule des recommandations visant à améliorer le fonctionnement structurel du ministère de la Défense. À cette fin, elle effectue des visites de travail auprès des unités et garnisons et sur le théâtre d’entraînements et d’opérations internationaux.

J'attache une importance toute particulière à cette fonction. Cependant, il n'a pas été possible de désigner un successeur lors du dernier comité. Cette fonction étant importante, il est nécessaire de trouver le bon candidat.

Actuellement, c'est l'adjoint IG qui a été désigné ad interim . Un prochain comité des généraux devrait être organisé dans le courant de l'année prochaine.

Er komt dus een nieuwe inspecteur-generaal Aangezien de vorige stopte na de recentste bijeenkomst van het comité konden we dat niet meer geregeld krijgen. Dat is dus voor volgend jaar.

Christophe Lacroix:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, mais elle est évidemment très brève. On touche ici à des personnes. J'aurais voulu avoir davantage de précisions sur la raison pour laquelle le dernier Comité Officiers Généraux, malgré la diversité des candidats en lice, n'a pas été en mesure de déterminer un successeur ou du moins désigner quelqu'un, et a donc décidé de pourvoir à une personne ad interim pour un rôle aussi important que celui d'inspecteur général. Je demanderai des réponses à ce sujet soit via une question écrite soit via une question dans un mode à huis clos, peut-être à l'occasion d'une commission qui le permettrait. Je ne m'avance donc pas au-delà, mais je note tout de même que le ministre soutient que la fonction d'inspecteur général est une fonction primordiale au sein de la Défense et qu'il s'attache à pourvoir à la désignation du ou de la candidat(e) le ou la plus à même de remplir cette mission.

Het Cyber Command
De cyberaanval op verschillende Belgische websites
Cyberveiligheid en digitale dreigingen in België

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen bekritiseert dat de cyberaanval op Brussels Airport de kwetsbaarheid van België blootlegt en vraagt of Cyber Command al een volwaardige, autonome militaire component is, met nadruk op technologische soevereiniteit om afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers te verminderen. Minister Theo Francken bevestigt dat Cyber Command operationeel is met 30% meer personeel en tools, maar benadrukt dat volle autonomie onhaalbaar is; hij wijst op samenwerking (CCB, OCAD) en initiatieven zoals CMiB4DEF voor lokale technologische ontwikkeling, terwijl hij DDoS-aanvallen bagatelliseert als tijdelijke overlast. Verbelen blijft kritisch: Cyber Command moet niet enkel verdedigen maar ook afschrikken, met eigen expertise en middelen, en ziet de aanval als een kantelpunt voor strengere digitale defensie. Francken stelt dat samenwerking en gedeeltelijke autonomie centraal staan, maar volle onafhankelijkheid van buitenlandse tech "onmogelijk" is.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, de intussen niet meer zo recente cyberaanval op Brussels Airport heeft pijnlijk blootgelegd hoe kwetsbaar we blijven voor digitale dreigingen. Defensie werd misschien niet rechtstreeks getroffen, maar het gaat om een duidelijk signaalmoment. We kunnen uit die aanval mogelijk lessen trekken. We weten uiteraard dat wij met de NAVO, de SHAPE en andere Europese instellingen een aantrekkelijk doelwit binnen Europa zijn. In dat licht hoor ik graag hoe ver we staan met de uitbouw van Cyber Command. Is dat reeds een volwaardige militaire component, met middelen en autonomie, of bevindt Cyber Command zich nog in volle ontwikkeling?

De aanval op Zaventem toont aan dat de samenwerking tussen Defensie, de inlichtingendiensten, het OCAD en het CCB geen vrijblijvende oefening is, maar een dagelijkse realiteit moet zijn. Cyberveiligheid is vandaag even cruciaal als fysieke paraatheid. Ik wil daarom graag vernemen hoe u ervoor zorgt dat we als land niet afhankelijk worden van buitenlandse softwareleveranciers, maar dat we stap voor stap onze technologische soevereiniteit versterken, zodat we in crisismomenten niet afhankelijk zijn van de goodwill van anderen.

Theo Francken:

Uit veiligheidsoverwegingen wordt geen gedetailleerde informatie over de personeelsbezetting verstrekt, maar in twee jaar tijd is die met 30% gestegen. Veel tools zijn in werking gesteld, waardoor de voorzichtig geplande groeicurve sneller kon worden verhoogd. De middelen van het Cyber Command zijn operationeel. De technologische ontwikkelingen staan echter niet stil, net zomin als de inventiviteit van onze tegenstanders. Het doel is om in alle domeinen te groeien en de focus te leggen op specialisatie in enkele subdomeinen.

Het Cyber Command heeft de cyberaanval op Brussels Airport nauwlettend gevolgd. Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) stond in de eerste lijn en heeft het incident afgehandeld.

La coopération entre les différents services concernés est prévue dans le plan d'urgence Cyber. Ce plan fonctionne bien. Mes services sont correctement informés de façon à ce que chacun puisse jouer son rôle. Les informations circulent en permanence entre les services concernés.

La résilience civile et la protection des infrastructures critiques relèvent de la compétence du ministre de l'Intérieur et des secteurs concernés.

Via het partnerschap met Agoria, Cyber Made in Belgium for Defence (CMiB4DEF), wordt er gestreefd naar het versterken van de Belgische technologische autonomie via het DIRS-mechanisme. Ook organiseren wij economische zendingen om een transfer of technology naar België te faciliteren. Het is echter onmogelijk om zonder buitenlandse leveranciers een technologische voorsprong en relevantie te behouden.

Nous pouvons confirmer que le site sgrs.be a été indisponible pendant quelques heures à la suite d'une attaque DDoS, sans aucun impact opérationnel. Il ne s'agissait pas d'une intrusion informatique, mais d'une surcharge des serveurs qui provoque l'indisponibilité temporaire du site. L'effet d'un DDoS doit d'ailleurs être nuancé. Il s'agit surtout d'un désagrément ponctuel, dont l'impact reste limité à la durée de l'attaque, sans conséquence durable sur la disponibilité du service. Par ailleurs, la publicité donnée à ce type d'incident entraîne très souvent une multiplication d'attaques similaires, raison pour laquelle certains pays, comme les États baltes, ont adopté une politique consistant à ne pas communiquer publiquement sur ces événements afin d'éviter un effet d'entraînement.

Nous travaillons en étroite collaboration avec les services du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB) et nous avons réussi à relancer le site concerné par nos propres moyens. Après l'attaque DDoS, le site web a également été remis en service.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, de heer Cornillie is niet aanwezig, dus u hoefde niet te antwoorden op zijn vraag, maar het is toch vriendelijk van u.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, het is goed te vernemen dat er vooruitgang is geboekt, maar de strijd om de digitale weerbaarheid is volgens mij nog maar begonnen. Cyberveiligheid mag niet zomaar een extra bevoegdheid zijn, het is een essentieel onderdeel. We hebben nood aan een Cyber Command dat niet alleen maar beschermt, maar ook kan afschrikken, met eigen kennis en eigen mensen en met – in de mate van het mogelijke – maximale autonomie. We moeten vermijden dat onze veiligheid afhangt van buitenlandse software. Ik hoop dat dit geen geïsoleerd voorval is waarnaar we alleen maar kunnen kijken, maar dat het een voorval is waaruit we lessen kunnen trekken voor onze cyberveiligheid en dat misschien een kantelpunt kan zijn voor onze digitale defensie.

Seabed warfare en de nieuwe MCM-vaartuigen

Gesteld door

Vooruit Axel Weydts

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Axel Weydts vraagt waarom het positieve Rekenhof-rapport over de aankoop van Belgische MCM-vaartuigen weinig aandacht krijgt en of België – naar Frans voorbeeld – een Seabed Warfare Toolbox zal toevoegen voor bescherming van kritieke infrastructuur, gegeven het modulair ontwerp van de schepen. Theo Francken bevestigt dat de Belgisch-Nederlandse MCM-vloot (zoals de Oostende) al is uitgerust voor mijnenbestrijding en maritieme veiligheid via onbemande systemen, maar benadrukt dat diepzee-capaciteiten (zoals Frankrijk ontwikkelt) voor België niet prioritair zijn wegens de ondiepe Noordzee; aanpassingen volgen alleen bij operationele noodzaak en in overleg met Nederland. Weydts aanvaardt dit, erkent het pragmatische standpunt en stelt dat het modulair systeem toekomstige uitbreidingen toelaat. De voorzitter sluit af met de mededeling dat gerelateerde vragen van Courard schriftelijk worden behandeld.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik had verwacht dat er meer vragen zouden zijn over het rapport van het Rekenhof over onze MCM-vaartuigen. De reden waarom er geen groot debat over plaatsvindt is misschien omdat het een positief rapport was. Als er iets positiefs gebeurt op de aankoopdienst van Defensie is dat jammer genoeg geen nieuws. Wanneer er echter ergens iets fout gaat, krijgt dat wel aandacht. Dat zal eigen zijn aan het politieke debat en het debat in de media.

Er is echter één element in het rapport dat mij heeft getriggerd. Naast de vele lofbetuigingen voor de manier waarop er tewerk is gegaan in dat dossier, wordt opgemerkt dat de Fransen van plan zijn om een nieuw soort toolbox toe te voegen aan hun MCM-vaartuigen. Dit betreft specifiek het beschermen en in de gaten houden van onze kritische infrastructuur, de zogenaamde Seabed Warfare Toolbox.

Mijn vraag is dan ook of België dezelfde richting uitgaat? Zijn we van plan om extra capaciteiten in die zin aan te kopen? Dit lijkt mij niet onoverkomelijk. Onze MCM-vaartuigen, waarvan we het eerste – de Oostende – enkele weken geleden samen hebben ingehuldigd en bezocht in Zeebrugge, zijn zeer modulair opgevat. Zo’n schip is eigenlijk een varend commandocentrum met een grote, hypermoderne garage. In die garage bevinden zich allerlei drones – onder, boven en op het water – om het personeel veiliger te laten werken. Het lijkt mij niet onoverkomelijk om hieraan extra toolboxen toe te voegen die zich specifiek richten op Seabed Warfare en alles wat betrekking heeft op de bescherming van onze kritische infrastructuur.

Theo Francken:

Collega Weydts, de nieuwe Belgische MCM ‑ vaartuigen, waarvan we afgelopen maand de eerste, de M940 Oostende, in Zeebrugge mochten ontvangen, passen in de bredere Belgische visie en strategie rond seabed warfare en de bescherming van kritieke maritieme infrastructuur. De Belgische en Nederlandse mijnenbestrijdingsvaartuigen zijn primair ontworpen voor de detectie, classificatie, identificatie en neutralisatie van mijnen in kustgebieden en regionale maritieme gebieden. Ze zijn uitgerust met een moderne toolbox van onbemande systemen, waaronder onderwaterdrones, sonarapparaten en luchtdrones.

Dankzij het stand-offconcept hoeven die schepen zich niet meer fysiek in het mijnveld te begeven. Dat verhoogt de veiligheid en efficiëntie van de operaties en maakt het mogelijk om op afstand en autonoom te opereren. Ze kunnen, als platform voor onbemande vaartuigen en gespecialiseerde teams, ook ingezet worden om bij te dragen aan de bescherming van kritieke infrastructuur in onze EEZ.

De schepen zelf voeren geen activiteiten op de zeebodem uit. De operationele effecten worden gerealiseerd via de onbemande systemen en bijbehorende modules. Partnerlanden waaronder Frankrijk, passen hun platformen aan voor diepere oceaanwateren en specifieke nationale behoeften. Voor België en Nederland zijn de eisen anders, omdat de Noordzee en de Baltische Zee relatief ondiep zijn en de operationele inzet daarop is afgestemd.

Technisch is het mogelijk om bijkomende modules toe te voegen, maar een wijziging wordt alleen overwogen, als er een duidelijke operationele noodzaak is, in overleg met Nederland. De Belgische beoordeling is pragmatisch en risicogestuurd.

U vraagt of Defensie verantwoordelijk is voor het monitoren van buitenlandse militaire schepen en of ze zo nodig militaire interventies kan uitvoeren om gevoelige infrastructuur te beveiligen. De MCM ‑ vaartuigen vormen een multifunctioneel platform dat perfect aansluit bij de Belgische strategie om maritieme veiligheid te garanderen in een tijdperk van digitale en fysieke dreigingen onder water.

Axel Weydts:

Dank u, mijnheer de minister.

Uw antwoord stelt mij gerust. Ik had er niet bij stilgestaan dat de Fransen in andere wateren opereren dan wij meestal doen. In die zin volstaat blijkbaar de toolbox waarvoor onze Defensie heeft gezorgd. En nogmaals, het systeem is modulair, dus als dat nodig is, kan alsnog worden bekeken om andere toolboxes toe te voegen.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56008717C, 56008721C en 56008731C van de heer Courard zijn omgezet in schriftelijke vragen.

De ingebrekestelling door VSOA-Defensie
Het sociale klimaat bij Defensie
Het sociale klimaat bij Defensie
Het sociaal overleg bij Defensie
De sociale dialoog bij Defensie
Sociale aspecten en overleg binnen Defensie

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Francken (N-VA) weigert het sociaal akkoord voor Defensie verder aan te passen, ondanks ingebrekestellingen van vakbonden (o.a. VSOA-Defensie) die eisen dat elk gewerkt uur vergoed wordt, pensioenrechten gerespecteerd (kritiek op 11 jaar langer werken door hervorming Jambon) en betere arbeidsvoorwaarden komen voor militairen in politie-ondersteunende taken (nu zonder bevoegdheid/opleiding). Hij verdedigt het akkoord als "de grootste personeelsinvestering in 30 jaar" en wijst budgettaire beperkingen (o.a. STAR-plan) als reden voor weigering van extra eisen, zoals inkanteling van premies in pensioen (geblokkeerd door Jambon om precedenten te vermijden). Kritiek van oppositie (Ponthier, Lacroix): het akkoord is ondermijnd door de pensioenhervorming, oneerlijk (slechts 20/24u vergoed, nachtarbeid niet erkend) en miskent het militaire beroep (fysieke/mentale offers, lagere verloning vs. politie/brandweer). Zij eisen heronderhandelingen en garanties op uitvoering, maar Francken sluit verdere gesprekken uit en ontkent structurele tekortkomingen, met als argument dat "de meeste militairen tevreden zijn" en ACMP (grootste bond) akkoord ging. Territoriale reserve (operationeel vanaf eind 2026) en wettelijk kader voor binnenlandse inzet (via Defensiecodex) zijn in voorbereiding, maar concrete antwoorden op vergoedingen/opleidingen voor straatpatrouilles blijven vaag.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat niet zozeer over het sociaal overleg als dusdanig, maar wel over de ingebrekestelling door de eigen militairen, althans door hun vertegenwoordigers, met name legervakbond VSOA-Defensie. Mijnheer de minister, u bent niet snel onder de indruk, maar dat is toch wel merkwaardig te noemen. De vakbond stelt u in gebreke, omdat men waardig werk en een vergoeding voor elk uur dat militairen in dienst zijn – dat stemt niet overeen met de in het voorstel tot sociaal akkoord opgenomen aantal uren -, eist. Dat lijkt niet meer dan logisch. We vragen tenslotte heel veel van onze militairen, vooral in de sterk veranderende veiligheidscontext van vandaag. Denken we maar aan het feit dat militairen op straat moeten patrouilleren om in Brussel bijvoorbeeld de politie bij te staan in haar strijd tegen het drugsgeweld, terwijl dat overigens tot nader order nog altijd zonder enige bevoegdheid, zonder aangepaste opleiding en zonder correcte vergoeding gebeurt.

Bovendien wordt er volgens VSOA-Defensie door de nakende pensioenhervorming contractbreuk gepleegd. Jarenlang heeft men militairen de vroege pensioenleeftijd voorgehouden als compensatie en erkenning voor de unieke fysieke en mentale offers die ze brengen. In het voorstel tot sociaal akkoord wordt een en ander nu volgens VSOA-Defensie uit balans getrokken.

Hoe reageert u op de ingebrekestelling door de militaire vakbond VSOA? Heroverweegt u op dit moment nog de invulling van het sociaal akkoord? Vorige week vond een hoorzitting in onze commissie plaats. Er werd van u verlangd om een en ander te herbekijken en opnieuw met hen in gesprek te gaan. Wanneer ziet u dat gebeuren en wanneer ziet u de onderhandelingen over het sociaal akkoord definitief landen?

Voorziet u op dit moment in opleidingen en vergoedingen voor militairen die u wilt inzetten in gemengde patrouilles met de politie? Op basis van welke wettelijke bepaling kunnen zij dat soort taken uitvoeren? U bent bezig met een plan daaromtrent of met een wetsontwerp. Wanneer kunnen we dat verwachten?

Wanneer wordt de eerder aangekondigde territoriale reservemacht daadwerkelijk operationeel? Bent u op dit moment bereid te overwegen om geen reguliere militairen meer in te zetten voor binnenlandse politietaken, maar om eventueel werk te maken van een aangepaste, gespecialiseerde structuur, bijvoorbeeld de territoriale reserve of, zoals het Vlaams Belang voorstelt, een Vlaams veiligheidskorps?

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.

Monsieur le Ministre,

Le moindre que l'on puisse dire est que le climat social à la Défense est explosif.

Votre plan social « à prendre ou à laisser » laisse perplexe les partenaires sociaux : aucune garantie de la part du gouvernement, un Ministre des Pensions qui remet en cause vos dires sur l'âge effectif de départ à la retraite et des missions militaires toujours plus dévoyées. Vous ne les verrez plus avant mi-octobre alors que la situation sociale au sein de votre département est catastrophique et laisse des milliers de militaires dans l'inconnue.

Dans un courrier adressé aux députés fédéraux, CSC, CGSP et SLFP ont dénoncé que votre plan social ne prévoyait rien en matière de pension. Ils nous disent être face à un « mur » et réclament un volet complémentaire sur les pensions ainsi que des mesures transitoires et d'atténuation pour les militaires concernés. « Des milliards supplémentaires sont investis dans le département de la Défense, mais tout est consacré au matériel. Le personnel est oublié, il n'y a pas d'équilibre » peut-on ainsi lire.

Cela confirme que vous êtes plus le Ministre de l'armement que de l'armée.

Dernière évolution, le SLFP vous a adressé une mise en demeure au sujet des rémunérations des militaires.

Monsieur le Ministre,

Comment réagissez-vous aux demandes des syndicats militaires ?

Quelles initiatives concrètes et selon quel agenda allez-vous prendre pour répondre à leurs revendications ? Selon quel agenda ?

Quand allez-vous faire toute la lumière sur l'allongement de plus de dix ans de la carrière des militaires alors que votre collègue Jambon ne répond pas à nos questions ni à celles des syndicats ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, we hebben nog niet zo lang geleden inderdaad heel boeiende hoorzittingen gehad met de vakorganisaties. Die waren op veel vlakken een eyeopener, als ik dat naast de gesprekken leg die ik vaak voer met militairen. Ik zal niet te veel in detail treden.

Ik vraag mij echter af hoe het nu verder moet. Wat is de volgende stap? Ziet u een mogelijkheid voor nog meer aanpassingen aan wat nu voorligt? Voor alle duidelijkheid, ik vind wat nu voorligt, een enorme verbetering. Dat hebben alle vakorganisaties ook moeten erkennen. Voor de ene vakorganisatie was het nog niet voldoende en de anderen gingen ervan uit dat het voorgelegde voorstel op dit moment het meest haalbare was.

Laat dat ook mijn boodschap aan de vakorganisaties en de militairen zijn. Wie zegt dat het een eindpunt is of hoeft te zijn wat de verbetering van het statuut van onze militairen betreft? In de vorige legislatuur hebben de plannen van minister De Donder ervoor gezorgd dat de reguliere verloning van onze militairen eindelijk op een waardig niveau is gebracht. We hebben nu een sociaal akkoord dat ervoor zorgt dat de vele uren waar onze militairen ingezet worden, worden gecompenseerd. Wie zegt dat er in een volgende legislatuur of in volgende akkoorden niet nog een verbetering kan komen?

Mijnheer de minister, kortom, wat is het vervolg? Zit hier nog iets in dat de andere vakorganisaties ervan kan overtuigen om mee te tekenen? Of denkt u dat het bij het voorgestelde akkoord moet blijven en dat u straks met uw plan zult komen? Dat plan is weliswaar slechts door een van de vakorganisaties ondertekend, maar het gaat wel om de grootste met de meeste leden, zoals de heer Huwart van de militaire vakbond ACMP hier heeft gezegd. Hoe ziet u het?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, nous avons auditionné les syndicats de la Défense au sein de cette commission, c'est-à-dire le syndicat qui a accepté votre proposition d'accord de juillet et ceux qui ne l'ont pas accepté – du moins pas encore.

On peut retenir que tous reconnaissent des avancées importantes dans ce que vous proposez et mon groupe politique le reconnaît également et vous soutient. C'est pour cela que l'important syndicat CGMP l'a signé.

Néanmoins, il faut pouvoir entendre les demandes et les inquiétudes des autres syndicats. Ainsi, dans l'accord, il y a au moins deux points où vous vous engagez à plaider une amélioration de la situation au sein du gouvernement.

En effet, les mesures portant sur la bonification et celles portant sur la revalorisation de la rémunération liée à la fin de la péréquation demandent l'accord du ministre des Pensions. Monsieur le ministre, chez les Engagés nous ne doutons pas de votre ferme volonté d'améliorer la situation des militaires. Néanmoins, nous sommes inquiets car il ne semble pas que votre plaidoyer auprès du ministre des Pensions semble suivi d'effets positifs.

Dès lors, pourriez-vous nous dire où en est ce plaidoyer? En cas d'échec, quelles autres mesures compensatoires pourraient être envisagées? Allez-vous vous réunir à nouveau avec les syndicats pour en discuter? Que proposez-vous comme autres mesures pour tenter de faire signer le projet d'accord par les autres organisations syndicales?

Theo Francken:

Ik zal aan dat sociaal akkoord niets meer wijzigen. No way. De vakbonden zullen hun ei moeten leggen.

Ik heb hen gevraagd, op 25 juli, of ze wilden ondertekenen. Dat was na een hele lange sessie. Het Parlement was toen al in reces. Ik wou op vakantie vertrekken, zoals iedereen, want het was een heel zwaar jaar geweest. Ik wilde absoluut nog dat sociaal akkoord onderhandelen. We hebben daar ongelooflijk veel tijd en energie in gestoken. Heel mijn kabinet trouwens, en ook de vakorganisaties. We hebben daar gedurende uren bilaterale vergaderingen gehouden. We hebben gepraat en geluisterd. Ik dacht dat we er eigenlijk wel waren. Er is toen gezegd dat de vakbonden statutair nog geen groen licht mochten geven, dat ze echt hun achterban nog moesten raadplegen. Toen ze zeiden dat ze niet akkoord konden gaan, kwam dat wel binnen. De ACMP heeft zich wel akkoord verklaard.

Ik meen dat er op dat moment heel veel onduidelijkheid was en er waren heel veel vragen. Begin september zijn ze begonnen met een tool waarmee elke militair individueel kan berekenen wat de facto zijn pensioenleeftijd zal zijn en wat dat de facto betekent voor zijn loon, voor de opspremies enzovoort. We hebben toen informatiesessies georganiseerd in een tiental militaire kwartieren. Daar kwam altijd heel veel volk naartoe. Die hebben enorm veel van de wrevel, de onzekerheid en de stress weggenomen bij onze militairen. Nu is het relatief kalm. Ik meen dat het redelijk goed verlopen is.

In de jongste versie van de pensioenteksten was er nog één discussiepunt.

Un des points, monsieur Lasseaux, concernait le "plus un".

Het contingent van 1971 moest twee jaar langer werken, maar dat wordt één jaar. Jan Jambon heeft dit willen overnemen. Zij zullen dus niet onmiddellijk twee jaar langer moeten werken. Voor de mensen van 1971 - ik moet dit nog dubbelchecken - gaat het dus om één jaar langer werken. Voor de mensen van 1972 is dat twee jaar. Zo wordt dit dus toegepast: De mensen van 1971 moeten dus niet meteen twee jaar langer werken.

We bekijken nog heel wat modaliteiten. Maandagavond had ik nog een lange briefing over hoe de uithuispremie exact moet worden berekend en hoe we dat gaan aanpakken. Dit zijn concrete en belangrijke punten voor het personeel, maar ook vrij technisch.

Dan hadden we op 19 oktober ook nog een vergadering. Ik vroeg me af of men nu zou tekenen of niet, maar het was eigenlijk een heel vreemde vergadering, waarbij zij gewoon nog een aantal eisen hebben gesteld, maar er werd geen duidelijke conclusie bereikt. Ik had verwacht dat men finaal zou zeggen dat men niet mee doet. Dat is echter niet uitgesproken. Ze zijn niet vertrokken, ze bleven gewoon zitten, wat de vergadering nog constructief maakte.

Zij hebben nog wel grote vragen, bijvoorbeeld over de premie van mevrouw Dedonder. Dat is eigenlijk een loonsverhoging, die in het kader van een premie werd toegekend. De vraag is of deze premie in het pensioen wordt meegerekend. Jan Jambon heeft hier niet aan beantwoord, ondanks dat ik en mijn kabinetschef en mijn mensen dit herhaaldelijk hebben bepleit. Uiteindelijk heeft Jan Jambon dit niet overgenomen in het finale pensioenvoorstel, uit vrees voor precedenten. Hij zei dat als deze premie in het loon wordt opgenomen, ook andere diensten zoals politie en brandweer dit zouden vragen, wat niet helemaal onterecht is. In die zin is dit een moeilijk punt voor de minister van Pensioenen.

Het blijft een vakbondseis en het wordt door iedereen gevraagd. Men vraagt ook om de premie voor hogere officieren volledig in de wedde en het pensioen op te nemen. Er zijn nog verkiezingen in 2029. We zullen nog veel memoranda van vakbonden ontvangen, die aangeven dat dit hun belangrijkste vraag voor de volgende legislatuur is.

Dit akkoord is de grootste personeelsinspanning van de afgelopen 30 jaar op het vlak van defensie, zonder discussie. Als dit akkoord niet wordt goedgekeurd, dan moet dat maar zo zijn. Ik heb er alles aan gedaan.

Valt het akkoord goed bij de militairen? Ja, absoluut. Er zullen altijd enkele mensen zijn die niet tevreden zijn. De algemene pensioenverhoging wordt door velen niet gewaardeerd. Velen zouden de leeftijd liever op 56 jaar houden, anderen zelfs op 50 of 48 jaar. Dat is echter de keuze die we hebben gemaakt. Dat is nu eenmaal een feitelijkheid en de pensioenleeftijd zal dus stelselmatig omhooggaan. De Zweedse regering heeft daarover indertijd enkele beslissingen genomen. Daarvoor zijn er nog beslissingen genomen. Nu volgen de militairen.

Zullen zij allemaal tien jaar langer moeten werken? No way. We hebben veel modaliteiten uitgewerkt. De meeste militairen zullen twee of drie jaar langer moeten werken. Er zijn er ook al heel veel die gewoon blijven werken na hun 56ste. Het is dus niet zo dat iedereen op 56 stopt.

Ik denk, eerlijk gezegd, dat we er wel zijn. Wat nu finaal moet gebeuren, is een goede vraag. De finale teksten van het pensioenakkoord zijn bijna volledig. Op basis daarvan verwacht ik een antwoord van de vakorganisaties: ondertekenen ze mee of niet?

Er was nog een vraag over de maaltijdcheques. Als men nu een continue dienst van 24 uur doet, ontvangt men maar één maaltijdcheque, wat niet volledig eerlijk is. Dat wordt aangepast. Daar ga ik op in. Dat was een vraag van de vakorganisaties.

Dat geldt ook voor het plus-één systeem. Daar gaat minister Jambon op in.

Tot slot was er een vraag naar de inkanteling van premies in het loon en volledig in het pensioen. Daar wordt niet op ingegaan. Er blijft dus eigenlijk nog één openstaand punt. Het is een belangrijke eis, maar leg het memorandum van de vakorganisaties dat we voor de verkiezingen ontvingen hiernaast. Het is indrukwekkend wat ze hebben binnengehaald.

Dan blokkeren ze het vanwege één punt dat ze niet hebben binnengehaald, om vervolgens te zeggen dat het op niets trekt. Ik vind persoonlijk dat sommigen het defensieberoep op een heel negatieve manier afschilderen. Het lijkt alsof het de ergste job ter wereld is. Ik heb het vanochtend al gezegd, militair zijn is blijkbaar bijna traumatisch. Ik denk niet dat dit helemaal correct is, maar goed, iedereen moet vooral doen wat hij denkt te moeten doen en we zullen zien.

Dus neen, ik ga de tekst niet nog eens grondig aanpassen. Dit is het. Dat sociaal akkoord wordt ook nog naar wetteksten vertaald en gaat nog naar Conego. De technische details worden allemaal nog besproken. We zijn dus nog niet thuis.

Annick Ponthier:

Ik dank de minister voor zijn antwoord.

Ik moet zeggen dat de hoorzittingen vorige week met de sociale vakorganisaties in de commissie heel erg to the point waren, de ogen op veel vlakken hebben geopend en heel eerlijk waren. Dat was niet verrassend voor ons als commissieleden, omdat wij die hoorzittingen al hadden bijgewoond en wisten wat er schortte of nog kon worden verbeterd aan het militair statuut. Ook voor de mensen op het terrein zal dit wellicht niet verrassend zijn geweest, maar het was wel ongemakkelijk om te aanhoren. U kunt mij er niet snel van verdenken een syndicalist te zijn, maar in deze situatie vind ik dat de vakorganisaties alle recht van spreken hebben.

Er werd gesteld dat een uur een uur is, maar dat is het niet. Welzijn op het werk wordt miskend. Loopbaantoelagen in de wedde berekenen gebeurt niet, gelijkschakeling van de verloning met andere veiligheidsberoepen wordt niet gerespecteerd. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de opspremie. Ook heerst er nog heel wat onduidelijkheid over de specifieke voorwaarden voor bepaalde oppensioenstellingen en zijn er vragen inzake vergoedingen. De afgelopen week werd er zo nog meer opgemerkt.

Uw reactie hierop is dat u aan dit sociaal akkoord niets meer zult wijzigen. U hebt ook niet geantwoord op de vraag om opnieuw in gesprek te gaan. Ik heb begrepen dat u niet in gesprek wilt gaan.

Wat ik nog erger vind, is dat u het wel wat op flessen trekt door te zeggen dat er altijd wel enkelingen zullen zijn die het niet genoeg vinden en die al op 48-jarige leeftijd met willen pensioen willen gaan, en blokkeren op één ding. Het gaat echter niet om één ding, maar om meerdere dingen. Vorige week konden we dat heel concreet horen. Ik betreur dit ten zeerste en vind dit ook een miskenning van respect voor onze militairen.

Nochtans stond er in uw regeerakkoord dat langer werken moest lonen, dat operationaliteit moest worden beloond en dat de specificiteit van het militaire beroep moest worden gerespecteerd, gewaardeerd en beloond. Het sociaal akkoord was oorspronkelijk een manier om het militair statuut te verbeteren. Er zijn heel wat verbeteringen, laat dat duidelijk zijn. Het sociaal akkoord werd echter onderuitgehaald door de pensioenhervorming die er doorheen kwam gefietst. Dit plaatste een en ander voor militairen in een ander daglicht. Elf jaar langer werken vergt in de praktijk meer bijsturing dan wat er nu gebeurt.

Nu gebeurt er een inhaalbeweging. U schudt het hoofd, maar het is wel zo. Nu gebeurt er een inhaalbeweging richting het normale, maar niet tot op het normale niveau.

De slotsom van heel dit verhaal, er is op dit moment geen enkele garantie over het hele akkoord. De vorige sociale akkoorden werden allemaal voorgesteld als mooie bijsturingen, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht omdat er geen budgettaire buffer was, omdat de voorziening of de situatie in de praktijk niet navenant was. Toen er daarover achteraf werd geklaagd, zou u tegen de vakorganisaties hebben gezegd – en u moet dat desgevallend maar tegenspreken – dat ze dan maar niet zo naïef hadden moeten zijn.

Ik vraag mij af wat er op dit moment gebeurt. Vindt u echt dat de vakorganisaties nu wel moeten tekenen en opnieuw naïef moeten zijn, om uw eigen woorden te gebruiken? Ik vind van niet en ik meen dat u de militairen het respect moet geven dat zij verdienen.

Ik rond af met te zeggen dat u op al mijn specifieke vragen met betrekking tot de territoriale reserve, de militairen op straat en het wettelijk kader daarrond geen enkel antwoord hebt gekregen.

Christophe Lacroix:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Elles ne m'ont évidemment pas satisfait mais ce n'est pas trop grave s'agissant de moi: elles ne satisfont pas trois syndicats sur quatre. Ces trois syndicats ne doivent pas être méprisés et mis de côté parce qu'un seul syndicat représentant un grand nombre de militaires aurait, lui, marqué un accord. C'est là le premier élément: quand on veut mener une concertation, on respecte tout le monde et tous les partenaires, y compris les plus petits. À eux trois, ils représentent du reste également une grande partie des militaires.

Le deuxième élément est que, selon les chiffres qui nous ont été fournis par la Direction Générale des ressources humaines de la Défense nationale – ce ne sont donc pas les chiffres des syndicats – seuls 48 % des militaires pourront demander leur pension après avoir travaillé sept années de plus. L'impact est donc énorme pour ces militaires, en particulier pour ceux qui sont déjà en place. En effet, les nouvelles conditions mises sur la table valent pour les nouveaux, qui intègrent la Défense en connaissance de cause, tandis que les autres avaient un accord social et des acquis qui leur sont aujourd'hui rabotés. Chaque heure serait compensée? Seules 20 heures sur 24 sont compensées, et on ne valorise pas le travail de nuit. Une compensation équitable? Seulement 1,81 € brut de l'heure en plus pour un sergent comptant 9 ans d'ancienneté. Quatorze mois de prime d'opération? C'est 45 € par mois pour les volontaires. Travailler les jours fériés sera mieux rémunéré? On gagne trois fois plus via un flexi-job. Ces chiffres sont véridiques.

Vous évoquez l'accord social du siècle. Non, ce n'est pas l'accord social du siècle. On pourra parler d'accord social lorsque le gouvernement l'aura accepté, ce qui ne m'apparaît pas certain.

Par ailleurs, j'admets que vous avez fait des efforts, mais ces efforts sont insuffisants en l'occurrence. Vous disposez en effet de moyens supérieurs à ceux de la ministre Dedonder. Cette dernière est passée de 1,1 à 1,3 % du PIB, alors que vous êtes passé de 1,3 à 2 % du PIB. En valeur proportionnelle, vous auriez donc pu au moins obtenir plus de 600 millions d'euros pour un accord social. Malheureusement, vous avez aussi été victime de la vision très dogmatique et très idéologique du ministre des Pensions, votre coreligionnaire N-VA, M. Jambon.

Je terminerai en disant que, au vu des tableaux qui nous ont été fournis sur les traitements, revenus, compensations, etc., dans les services de sécurité – les militaires, les pompiers, les policiers, les gardiens de prison – ce sont finalement les militaires qui gagnent le moins. Et ça, ce n'est pas normal.

Stéphane Lasseaux:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Nous sommes évidemment bien conscients que des améliorations ont été apportées. Toutefois, des accords ont été passés, c'est exact, mais pas avec l'ensemble des syndicats. Nous comprenons bien entendu que lorsque le plus grand syndicat propose un accord, cela permet d'avancer.

Toutefois, je souligne que le métier de militaire présente une spécificité particulière, de sorte que je ne peux que vous inviter à y être sensible et à continuer à rechercher des solutions et des améliorations, dans la mesure du possible.

Theo Francken:

Ik wil nog even kort reageren.

Er wordt hier gesteld dat men geen syndicalist is, maar laat dat volgen door beweringen die geen steek houden. U verwijst naar wat ik in het verleden heb gezegd, maar aangezien u daar niet bij was, herhaal ik beter zelf wat ik eerder heb verklaard. Ik heb gesteld dat men vroeger niet zo naïef moest zijn.

Wanneer men onderhandelt en weet dat de bevoegde minister nul euro extra heeft of zelfs moet besparen, dan is het enigszins goedgelovig te denken dat de afspraken zomaar zullen worden ingevoerd.

Bovendien blijft een aantal mensen rond de tafel herhalen dat het akkoord er niet zal komen. Ook sommige syndicaten blijven dat opperen. Het budget is evenwel voorzien; dat staat vast.

Wanneer wordt beweerd dat het allemaal veel te weinig is en dat minstens 600 miljoen euro moet worden uitgetrokken, is dat naar mijn mening buiten proportie. Er zijn veel andere noden. Het gat van 5 miljard euro in het STAR-plan, om maar iets te noemen, moest worden gevuld.

Ook moeten nog veel andere capaciteiten worden aangekocht, is er infrastructuur nodig en moet extra personeel worden aangeworven om onze organisatie te versterken. Het blijft telkens een keuze en ik meen dat wij de juiste keuze hebben gemaakt.

Ik wil nog even kort het volgende meegeven. De ingebrekestelling van begin oktober heeft volgens mijn laatste informatie ondanks het ruim verstrijken van de gestelde termijn vooralsnog niet geleid tot de erin aangekondigde gerechtelijke procedure. Desgevallend zal een verweer voor de rechter worden gevoerd. Ik ben dus wel in gebreke gesteld, maar vervolgens is er niets mee gebeurd en is er evenmin een zaak aanhangig gemaakt. Misschien komt die zaak er nog. Dat weet ik niet. Volgens mij maakt die zaak niet veel kans. Mijn juristen fluisteren mij alleszins in dat die zaak geen schijn van kans maakt.

Mevrouw Ponthier, over de inzet van militairen op straat merk ik op dat momenteel een nieuw en verbeterd wettelijk kader dat de inzet van militairen voor binnenlandse opdrachten regelt, wordt uitgewerkt op de werf van de Defensiecodex, die binnenkort met de vakorganisaties zal worden besproken. In afwachting van de invoering van de Defensiecodex vindt dergelijke inzet in België, wanneer noodzakelijk, uiteraard plaats onder het bestaand wettelijk kader. De militairen zullen voor een dergelijke inzet de correcte informatie en opleiding moeten krijgen. De vergoedingen en toelagen verbonden aan die vorm van inzet, zullen worden toegepast.

De territoriale reserve zal vanaf eind 2026, begin 2027, stelselmatig worden op- en uitgebouwd. Het concept alsook het operationele en juridische kader wordt momenteel door de Defensiestaf uitgewerkt.

De mogelijkheid van een gespecialiseerde veiligheidsstructuur wordt niet a priori uitgesloten, maar vergt een grondige analyse en politieke consensus op zowel federaal als gewestelijk niveau.

Voorzitter:

Mevrouw Ponthier, kunnen we het daarbij laten, of wenst u nog te repliceren?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, bedankt voor de aanvulling van uw antwoord op mijn vragen. Wat het sociaal akkoord betreft, een sociaal akkoord ondertekenen met nul euro budgettaire dekking is uiteraard naïef. U hebt gelijk wanneer u daarvoor waarschuwt en wanneer u stelt dat daarin destijds onjuist werd gehandeld. U geeft aan dat er nu wel middelen zijn voorzien. Volgens wat wij hebben vernomen, en ik heb geen enkel criterium om daaraan te twijfelen, zijn er weliswaar middelen voorzien, maar te weinig om te realiseren wat u wenst. Bovendien is er vooralsnog geen dekking door de regering. Dat lijkt me geen detail in het geheel. Voor de vakorganisaties is er daardoor geen enkele garantie dat zal worden uitgevoerd wat u wilt realiseren. Ik herhaal dan ook wat ik eerder heb gezegd, alles in overweging genomen lijkt het me bijzonder naïef om dat sociaal akkoord nu te ondertekenen. Voorzitter: Christophe Lacroix. Président: Christophe Lacroix.

De Russische schaduwvloot

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Kjell Vander Elst vormt de Russische schaduwvloot—een groeiende vloot van verouderde, slecht verzekerde schepen die locatiegegevens uitschakelen—een acute dreiging voor sanctieomzeiling, spionage en sabotage van onderzeese kabels, met name in de Noordzee, en vraagt hij om versterkte Belgische monitoring en investeringen in de Marine. Theo Francken bevestigt dat deze schepen (slechts 40% Russisch, vaak onder valse vlaggen) sancties ontwijken en risico’s vormen voor kritieke infrastructuur, maar benadrukt dat België al samenwerkt met NAVO-partners voor gecoördineerde surveillance via patrouilles, satellieten en AIS-tracking, zonder concrete plannen voor extra middelen zonder NAVO-overleg. Vander Elst kritiseert dat het ASWF-programma (voor mijnbestrijding en havenbeveiliging) vertraging oploopt en eist dat de Marine prioriteit krijgt in toekomstige defensie-investeringen, zowel voor internationale verplichtingen als nationale veiligheid.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, mijn vragen gaan over de Russische schaduwvloot. Het voordeel van bepaalde vragen, die meer dan twee maanden oud zijn, is dat ze brandend actueel blijven. Een onderzoek van VRT News en De Tijd heeft gisteren aangetoond dat 1.400 boten de voorbije jaren twee keer zo veel hun locatiegegevens uitzetten en dus blind rondvaren, onder andere ook in de Noordzee, maar zeker ook in de Zwarte Zee en de Middellandse Zee. Dat is dus een gevaar dat absoluut niet geweken is.

Het gaat vaak over een verzameling van oude en slecht verzekerde schepen, olietankers bijvoorbeeld, die ook een risico voor onze veiligheid vormen, zeker ook voor onze onderwaterinfrastructuur. Spionage en sabotage zijn nooit veraf.

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de Belgische rol in het bekijken van die Russische schaduwvloot als een instrument voor sanctieomzeiling en eventueel ook als een potentiële dreiging op maritiem vlak, met name spionage en sabotage van onderzeese kabels? Zijn er concrete aanwijzingen dat schepen, verbonden aan de schaduwvloot, in Belgische of naburige wateren opereren of passeren? Zijn er plannen om de maritieme surveillancemiddelen op te voeren in het kader van het toezicht op deze schaduwvloot?

Theo Francken:

De Russische schaduwvloot bestaat uit een verzameling oude tankers en handelsvaartuigen, vaak varend onder zogenoemde conveniencevlaggen, die worden gebruikt om internationale sancties te omzeilen. Slechts ongeveer 40 % van de schepen is daadwerkelijk Russisch. Heel wat schepen opereren onder valse vlaggen en zijn juridisch gezien staatloos. Het voornaamste risico is het omzeilen van sancties, omdat deze schepen het moeilijk maken voor Europese en internationale instanties om de handel van Rusland te monitoren of te controleren.

Ook op het vlak van verzekeringen kunnen er problemen rijzen. Hoewel incidenten zoals kabelbreuken tot nu toe eerder uitzonderlijk zijn, voert het systematisch monitoren en in kaart brengen van onderzeese infrastructuur door deze schaduwvloot eveneens een reële uitdaging. Dergelijke activiteiten kunnen in eerste instantie als verkenning of spionage worden geïnterpreteerd, maar dragen het risico om te evolueren naar sabotage of disruptieve acties.

De exacte cijfers geven, ligt gevoelig, met name op het vlak van operationele veiligheid, diplomatieke relaties en strategische communicatie. Algemeen kan worden gezegd dat verschillende schepen van de schaduwvloot in 2025 onze exclusieve economische zone zijn gepasseerd.

Tijdens het door Frankrijk aangekondigde overleg heeft België de nadruk gelegd op het belang van preventieve bescherming van kritieke infrastructuur in Noord-Europese wateren en daarmee ook op gecoördineerde monitoring en informatie-uitwisseling tussen de kuststaten van de Noordzee en de Baltische Zee. Daarbij zal de aandacht worden gevestigd op de noodzaak van juridische duidelijkheid over het omgaan met staatloze en valse vlagschepen die verdachte activiteiten uitvoeren in economische zones.

Schepen van de schaduwvloot dienen actief te worden gemonitord tijdens transit door de Belgische EEZ. Dat gebeurt met patrouilleschepen, coastal patrol vessels , aangevuld met satellietinformatie, automatic identification system tracking en, indien mogelijk, in samenwerking met de NAVO-partners. De Belgische Marine beschikt over een gelaagde capaciteit voor maritime situational awareness , ondersteund door de Kustwacht, het Maritiem Informatiekruispunt in Zeebrugge, het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum in Oostende en de NAVO-partners. Specifieke verhoging van middelen voor de monitoring van de schaduwvloot zal steeds in overleg met de NAVO-partners plaatsvinden, rekening houdend met operationele prioriteiten en capaciteit.

Kjell Vander Elst:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Zoals u zegt, gaat het vaak om zogenaamd staatloze schepen, bijvoorbeeld de Rosalin. Dat schip is officieel niet-Russisch, maar we weten dat het vaak in Russische havens verblijft. Het is dus een problematiek die nauwlettend gevolgd moet worden en waar de samenwerking met de NAVO-partners en de buurlanden van groot belang is. Daarnaast is het belangrijk nogmaals te benadrukken dat onze Marine de komende jaren en decennia een absolute prioriteit moet zijn. België beschikt inderdaad over een gelaagde capaciteit. Het gaat niet alleen om patrouillevaartuigen, maar ook het MCM en het ASWF-programma, dat momenteel enige problemen kent. Het is essentieel dat het ASWF-programma nauw wordt gevolgd om onze Belgische wateren en havens te beveiligen en te beschermen. Dat is cruciaal, niet alleen om onze rol internationaal en Europees te vervullen, maar ook voor de veiligheid van onze eigen bevolking en havens. Het is van belang van de Marine een absolute prioriteit te maken voor de investeringen van de komende decennia.

Het afschaffen van het woke diversiteitsbeleid binnen Defensie
Het diversiteitsbeleid bij Defensie
Defensiebeleid zonder woke diversiteitsmaatregelen

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Annick Ponthier vraagt hoe België omgaat met het Amerikaanse debat over "woke-beleid" in Defensie en benadrukt dat diversiteit operationele effectiviteit moet dienen, niet ideologie—kritisch ten aanzien van VS-voorbeelden waar "opgedrongen gelijkheid" de slagkracht zou aantasten. Axel Weydts verdedigt persoonlijk het huidige diversiteitsbeleid, waarschuwt tegen terugdraaien naar een tijd zonder inclusie en verwelkomt minister Franckens bevestiging dat competentie (niet identiteit) centraal staat. Francken stelt dat Defensie geen quota hanteert maar diversiteit ziet als natuurlijk gevolg van meritocratie en operationele noden, met kernwaarden als loyaliteit en respect. Weydts sluit zich bij Francken aan, terwijl Ponthier herhaalt dat kerntaken (veiligheid) voorrang moeten behouden boven "woke-ideologie", maar tevreden is met het Belgische beleid.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Ik verwijs naar vraag van Mevr. Ponthier nr 56009095C. Daar verwijst de collega naar uitspraken van de Amerikaanse minister van Defensie, Pete Hegseth, over het zogenaamde “woke-beleid” binnen het Amerikaanse leger. Ik wil mij bij die vraag aansluiten, maar vanuit een fundamenteel andere invalshoek.

Als NAVO-bondgenoot volgen we uiteraard de evoluties in het personeels- en opleidingsbeleid van andere legers, waaronder dat van de Verenigde Staten. Maar waar sommigen spreken over “ideologische ontsporing”, zie ik vooral een bredere inspanning om defensiestructuren weerbaar te maken, talent te behouden en leiderschapsculturen te versterken in een samenleving die snel verandert.

Diversiteit, inclusie en gelijke kansen zijn daarbij geen “afleiding”, maar een onderdeel van een moderne krijgsmacht die iedereen op basis van competentie en inzet waardeert. Het is precies die diversiteit die onze krijgsmacht beter doet functioneren.

Daarom heb ik deze vragen:

Hoe kijkt de minister naar het debat dat momenteel in de VS wordt gevoerd over zogenaamd “woke-beleid” binnen Defensie?

Bevestigt de minister dat Defensie zich blijft baseren op principes van gelijke kansen, professionaliteit en operationele effectiviteit, zonder te vervallen in ideologische karikaturen?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik zal niet naar de schriftelijke versie van mijn vraag verwijzen. De Trump-fans achter mij hebben een vraag ingediend om het diversiteitsbeleid binnen Defensie een halt toe te roepen. Dat raakt mij persoonlijk diep en is de reden van mijn vraag, omdat ik mijn visie wil meegeven.

Toen ik actief was binnen Defensie, bestond er geen actief diversiteitsbeleid, wat mij parten heeft gespeeld. Persoonlijk heeft dat er mij op bepaalde momenten van weerhouden om te zijn wie ik was op het werk en om me goed te voelen. Dat heeft me ertoe genoopt om lange tijd niet openlijk te kunnen zijn wie ik was. Ik hoop dan ook uit de grond van mijn hart dat u en deze regering op geen enkele manier het diversiteitsbeleid dat later binnen Defensie is ingevoerd, zouden willen terugschroeven naar aanleiding van gebeurtenissen in de Verenigde Staten met figuren als Trump en Hegseth, die een aanval hebben ingezet op alles wat divers is, niet alleen binnen Defensie, maar binnen de gehele overheid.

Misschien is dit een wat persoonlijke oproep, maar u moet mij vergeven dat het mij persoonlijk raakt. Ik hoop echter uit de grond van mijn hart dat het diversiteitsbeleid zoals dat vandaag binnen Defensie bestaat, volledig overeind blijft.

Theo Francken:

Defensie bouwt op vier kernwaarden: integriteit, loyaliteit, wederzijds respect en moed. Vanuit die waarden bevestigen wij dat iedereen die naar die waarden kan leven en werken en slaagt voor de selectie, zijn plaats heeft binnen onze organisatie. Binnen Defensie staan militaire paraatheid en operationele effectiviteit centraal. Om die te waarborgen, hanteren we een meritocratisch personeelsbeleid waarin talent, inzet en bekwaamheid bepalend zijn. Het personeelsbeleid ondersteunt dat door het beste talent aan te trekken, te behouden en optimaal in te zetten, ongeacht achtergrond, overtuiging of identiteit.

Defensie werkt op het vlak van diversiteit zonder streefcijfers of quota bij de werving, plaatsing of promotie van militair en burgerpersoneel. Defensie heeft maatregelen voorgesteld voor het federaal actieplan Handicap 2025-2029 van minister Rob Beenders. Het burgerpersoneel van Defensie volgt het beleid inzake aanwerving van personeel met een handicap van het federale administratieve openbaar ambt.

Ook werkt Defensie mee aan het Federaal Plan Gender mainstreaming van collega Beenders. De grote verscheidenheid aan functies binnen onze organisatie vraagt om een even brede waaier aan profielen. Daarom voeren we een doelgericht personeelsbeleid dat inzet op diversiteit, waar dit de operationele effectiviteit versterkt, met als uitgangspunt dat competentie en inzet uiteraard altijd primeren.

Diversiteit binnen Defensie is geen doel op zich, maar het natuurlijke gevolg van de brede waaier aan taken en functies die onze organisatie rijk is. Onze kernwaarden verplichten ons om een krijgsmacht te bouwen die sterk, loyaal en rechtvaardig is. Diversiteit is geen afleiding van onze missie, maar is een gevolg van onze missie, in dienst van een slagkrachtige Defensie.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik dank u voor deze heldere toelichting.

Ik wil ook reageren op collega Weydts, die meent te weten dat ik een Trump-aanhanger of een Trump-fan ben. Ik weet niet hoe visionair collega Weydts is, maar ik probeer een beleid altijd te beoordelen op de beleidsdaden en nooit op de persoon die die beleidsdaden voorstelt. Ik hou niet van idolatrie en dat is ook in deze een terechte opmerking.

Ik wilde met mijn vragen te weten komen welk beleid er wordt gevoerd binnen Defensie. Ik ben blij van de minister te horen dat er binnen Defensie wordt gekeken naar de loyauteit, de capaciteit en het talent van degenen die de taken moeten uitvoeren binnen Defensie, dit in tegenstelling tot het beleid dat in de Verenigde Staten wordt gevoerd en dat terecht werd aangekaart, waar woke ideologie en politieke correctheid prioritair werden gesteld. Er werd daarop terecht kritiek gegeven omdat men merkte dat dergelijke ideeën of ideologieën de samenhang en de slagkracht van het Amerikaanse leger aantastten. De bedoeling van mijn vraag was om te vernemen hoe dat in dit land wordt toegepast.

We weten natuurlijk dat wie daarover vragen stelt al meteen in de hoek wordt geduwd, wat wel in het kraam past van enkele partijen in dit halfrond, maar het beleid dat in de Verenigde Staten werd gevoerd, past niet in het kraam van het diversiteitsbeleid of het genderbeleid, dat veel meer de nadruk legt op persoonlijke vrijheid en op opgedrongen gelijkheid. We hebben de voorbije jaren in België eveneens een toename gezien van initiatieven rond diversiteit en vooral rond streefcijfers. Daar heb ik een probleem mee omdat streefcijfers niet altijd nuchter worden geëvalueerd.

Daarnaast zijn er educatieve programma’s over gender en inclusie binnen onze maatschappij, maar ook binnen Defensie, waar we toch wel wat vragen bij kunnen stellen.

Ik denk dat we moeten teruggrijpen naar de kerntaken binnen Defensie, zijnde bewaking van het luchtruim, het eigen grondgebied, onze burgers en onze territoriale wateren. Dat moet altijd prioritair zijn boven de woke-ideologie die langzaam maar zeker is binnengeslopen in onze samenleving en die ook binnen Defensie de bovenhand dreigde te krijgen. Ik ben dan ook blij dat daaraan geen gevolg wordt gegeven.

Axel Weydts:

Ik vond het een zeer goed antwoord. Het stelt mij ook gerust en ik denk veel collega’s met mij. Ze maken zich zorgen omdat ze zijn wie ze zijn en evoluties zien in andere defensieapparaten in het buitenland en hopen dat dat bij ons zo geen vaart zal nemen. Uiteindelijk is niet wie of wat je bent van belang, maar wat je kunt, wat je capaciteiten zijn en hoe je geëvalueerd wordt, hoe je je toewijdt aan je land en aan je samenleving. Dat is het enige dat zou mogen tellen en dat blijkt ook uit het antwoord. Daarmee ben ik het grondig eens en ik wil u daarvoor danken.

De veiligheidsopleidingen en de rol van Defensie in de preventie van radicalisering

Gesteld door

VB Kristien Verbelen

Gesteld aan

N-VA Theo Francken (Minister van Defensie)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kristien Verbelen vraagt zich af hoe veiligheidsopleidingen (zoals Defensie en Veiligheid en Cyber Security) radicalisering kunnen voorkomen, vooral na de betrokkenheid van twee studenten bij een verijdelde terreuraanslag, en pleit voor meer aandacht voor ethiek, extremisme en democratische waarden in het curriculum. Theo Francken benadrukt dat Defensie 35% van de lessen invult met focus op kernwaarden (integriteit, loyaliteit, moed) en niet op kennis alleen, maar erkent dat screening of weigering van leerlingen niet mogelijk is door de onderwijsvrijheid. Francken bevestigt dat het plan voor een militaire referendaris (bedoeld voor preventie en bewustmaking over extremisme) nog in conceptuele fase is en pas vanaf 2027 zou starten; Verbelen hoopt dat deze rol meer vormend dan promotioneel wordt. De discussie blijft onafgerond door tijdsgebrek.

Kristien Verbelen:

De verijdelde aanslag op premier De Wever en op een aantal andere politici van een tijdje gelden heeft velen onder ons geschokt. Daarbij viel alvast op dat twee van de verdachten of daders een veiligheidsopleiding volgde; de ene de opleiding Defensie en Veiligheid in het secundair onderwijs en de andere de opleiding Cyber Security aan de AP Hogeschool. Die opleidingen bereiden jongeren voor op functies bij defensie, politie en andere veiligheidsdiensten en zijn gestoeld op discipline, verantwoordelijkheid en de bescherming van onze samenleving. Dat studenten met zo'n achtergrond betrokken zijn bij een terreuronderzoek, roept vragen op over de inhoud van die opleidingen en de praktische begeleiding. We verwachten dat jongeren in die richting niet alleen technische kennis opdoen, maar ook leren wat het betekent om in dienst te staan van een democratische rechtsstaat. Daarom vind ik het belangrijk te weten in welke mate Defensie betrokken is bij de inhoud van de opleidingen en of er aandacht is voor thema's zoals ethiek, extremisme, weerbaarheid tegen radicalisering.

In het regeerakkoord is ook sprake van de aanstelling van een militaire referendaris, die naar scholen zou trekken om Defensie te vertegenwoordigen. Dat lijkt mij een interessant initiatief, zeker als het niet louter om werving gaat en ook preventief kan bijdragen tot bewustwording van jongeren die sowieso al geïnteresseerd zijn in de veiligheidssector. Ik hoor dan ook graag hoe ver men staat met de voorbereiding van dat project en hoe die functie er precies moet uitzien.

Theo Francken:

Defensie heeft niet de lead wat de derde graad Defensie en Veiligheid in Vlaanderen betreft. Het is een van de partners, onder leiding van het Vlaamse onderwijs. De vrijheid van onderwijs wordt in de Grondwet gewaarborgd en er is dus geen algemene screening in het Vlaamse onderwijs en ook geen weigering van leerlingen.

Defensie neemt ongeveer 35 % van de contacturen voor zijn rekening. Daarin wordt ook de nadruk gelegd op de vier kernwaarden van Defensie: integriteit, loyaliteit, respect en moed. Meer nog dan op kennisoverdracht wordt de aandacht gericht op het overbrengen van de juiste attitude.

Het project van de militaire referendaris bevindt zich momenteel in een conceptuele fase. Het is de bedoeling dat hij of zij een brugfunctie zal vervullen tussen Defensie en jongeren, bijvoorbeeld via vorming, dialoog en aanwezigheid op scholen. In dat kader wordt ook bekeken hoe die rol kan bijdragen aan preventie en weerbaarheid tegen extremisme, door jongeren te sensibiliseren rond waarden als respect, verantwoordelijkheid en democratische principes.

De uitvoering van het project is ten vroegste in 2027 gepland.

Kristien Verbelen:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.

Ik begrijp dat Defensie vooral een ondersteunende en informatieve rol speelt. Het is goed om te horen dat er niet alleen aan kennisoverdracht wordt gedaan, maar dat er naast de technische vorming ook aan de weerbaarheid tegen extremistische ideeën wordt gewerkt. De militaire referendaris kan daarin een waardevolle rol spelen. Ik hoop dat die rol niet louter promotioneel zal blijven, maar dat er ook op vorming en bewustmaking zal worden ingezet.

Voorzitter:

Les accords avec M. le ministre étaient clairs: il pouvait rester avec nous jusqu'à 17 h. Donc, je clos la réunion, tout en remerciant les collègues qui sont restés en espérant pouvoir encore poser leurs questions. Merci pour votre travail, mais je vous donne rendez-vous, sous la présidence du collègue Buysrogge, vendredi midi. La réunion publique de commission est levée à 17 h 02. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.

Popover content