Commissievergadering op 17 december 2025
Vragen
De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.
De vogelgriep in Limburg
Het verhoogde risico op vogelgriep
De vogelgriep bij katten en andere zoogdieren in België
De vogelgriep
De vogelgriep
Vogelgriep in België en risico's voor dieren
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De urgente vogelgriepcrisis in Limburg (met >200.000 geruimde kippen in november 2025) domineert de discussie, waarbij Funda Oru (Limburg) de machtsloosheid van pluimveehouders benadrukt tegenover luchtverspreiding van het virus en economische schade door leegstand, terwijl ze betere compensatie en steun voor hobbyhouders eist. Minister Clarinval bevestigt verscherpte maatregelen (o.a. afschermplicht, zones), een tekort in het crisisreservefonds (€10 miljoen ontoereikend, extra €1,4 miljoen nodig) en onderzoekt vaccinatie (met logistieke, handelstechnische en monitoringuitdagingen), maar Katleen Bury en Jeroen Van Lysebettens (Groen) bekritiseren respectievelijk vage communicatie over zoogdierbesmettingen (katten, vossen) en het structurele gebrek aan preventiebeleid, waarbij Van Lysebettens het subsidiesysteem dat stallen, mestverspreiding en crisisbeheer financiert, paradoxaal noemt. Patrick Prévot en Anne Pirson (MR) waarderen de monitoring maar hameren op samenwerking tussen overheden en langetermijnoplossingen.
Funda Oru:
Minister, collega’s, ik ben zelf geen expert in vogelgriep, maar je hoeft dat ook niet te zijn om te begrijpen dat de situatie vandaag bijzonder zorgwekkend is en dat het virus zeer zware gevolgen heeft. Dat geldt zeker voor mijn provincie, Limburg, waar de voorbije weken alarmerende signalen uit het veld kwamen.
Ik heb mijn vraag ingediend naar aanleiding van de eerste verontrustende melding in Limburg, een kraanvogel die positief testte op vogelgriep. Het Natuurhulpcentrum meldt ook een duidelijke toename van het aantal zieke en dode wilde vogels. In amper een week tijd werden alleen al in Limburg 17 besmette vogels binnengebracht. Het ging vooral om trekvogels, zoals ganzen en kraanvogels, die bekendstaan als belangrijke dragers van het virus.
Sindsdien is de situatie alleen maar verergerd. Op 20 november werd in Dilsen-Stokkem vogelgriep vastgesteld in een legkippenbedrijf met meer dan 100.000 kippen. Alle dieren moesten worden geruimd. Kort daarna doken nieuwe haarden op in Kinrooi en Pelt. In totaal werden in enkele dagen tijd meer dan 200.000 kippen geruimd in Limburg.
Rond de getroffen bedrijven werden voorzorgsmaatregelen genomen en beschermings- en bewakingszones ingesteld. Er kwamen bijkomende verplichtingen voor zowel professionele pluimveehouders als hobbyhouders. Dat alles zorgt vanzelfsprekend voor een grote ongerustheid op het terrein. Pluimveehouders doen alles wat binnen hun mogelijkheden ligt op het vlak van bioveiligheid, maar ze staan machteloos tegenover een virus dat via luchtstromen van buitenaf de stallen kan binnendringen. Voor hen betekent een uitbraak niet alleen het verlies van dieren, maar ook maandenlange stilstand, vaste kosten zonder inkomsten en economische schade die niet volledig wordt gecompenseerd.
Ook bij hobbyhouders en bij de brede bevolking heerst veel onzekerheid. Niet iedereen beseft hoe snel dit virus zich verspreidt, hoe gevaarlijk contact met zieke of dode dieren kan zijn en welke verantwoordelijkheid ieder van ons in dit verband draagt. Tegelijkertijd stellen we vast dat het Natuurhulpcentrum tegen zijn limieten aanloopt, met in Limburg tot tien interventies per dag.
Gelet op de recente evoluties in Limburg zijn mijn vragen alleen maar urgenter geworden.
Minister, hoe vertaalt u de aangekondigde prioriteit rond diergezondheid concreet, rekening houdend met de recente opeenvolgende uitbraken van vogelgriep bij wilde vogels en pluimvee in Limburg? Welke bijkomende inspanningen worden er geleverd om hobbyhouders beter te informeren, te bereiken en te ondersteunen bij de toepassing van de afschermplicht en andere bioveiligheidsmaatregelen?
De Europese cofinanciering voor dierziektebestrijding is de voorbije jaren gedaald. Hoe zal België die terugval opvangen? Blijft het Sanitair Fonds van de FOD Volksgezondheid voldoende sterk om pluimveehouders te beschermen als dit soort crisissen zich blijven herhalen? Overweegt u bijkomende steunmaatregelen om pluimveehouders beter te beschermen tegen inkomensverlies tijdens ruimingen en lange periodes van verplichte leegstand?
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, sinds oktober van dit jaar doken er enkele besmettingen met de vogelgriep op, onder meer in Weelde en Houthulst. Op 23 oktober werden daarom de maatregelen in heel België aangescherpt en sinds 15 november bevinden we ons in een periode van verhoogd risico.
U gaf tijdens de vorige commissievergadering aan dat de maatregelen regelmatig worden aangepast, op basis van een risicobeoordeling waarbij verschillende elementen in aanmerking worden genomen, zoals de kenmerken van de circulerende stammen, de epidemiologische situatie, de evolutie van de migratie van wilde vogels evenals de betrokken inrichtingen en activiteiten.
In de voorbije weken waren er tal van nieuwe uitbraken, onder meer in Dilsen-Stokkem, Kinrooi, Pelt en in twee bedrijven in Gembloux.
Op de website van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) lijkt de situatie vandaag opnieuw wat rustiger te zijn. Op een uitbraak bij een hobbyhouder in Oudenaarde begin deze maand na, zijn er geen recente meldingen. Hopelijk blijft dat zo.
In de plenaire vergadering stelde ik hierover twee weken geleden al een actuele vraag, waarbij ik enkele antwoorden kreeg over de genomen maatregelen, waarvoor dank. In de vorige commissievergadering sprak u echter ook over uw overtuiging dat vaccinatie prioritair zou moeten worden. Er zouden daarvoor al initiatieven genomen zijn. Kunt u toelichten over welke initiatieven het precies gaat?
Ook kreeg ik graag een stand van zaken omtrent het virus op dit moment.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, de inleiding is al uitgebreid gegeven. In mijn vraag had ik het specifiek over het feit dat in Nederland meerdere kittens besmet zijn geraakt met vogelgriep. Meerdere dieren van het nest zijn overleden. Vandaar dat ik graag recente gegevens van u wil vernemen inzake andere zoogdieren in België.
Is er ook informatie beschikbaar uit de wildmonitoring door de universiteiten?
Worden katteneigenaars en dierenartsen actief geïnformeerd over mogelijke symptomen bij andere zoogdieren?
Hoe beoordeelt u het blootstellingsrisico voor beroepsgroepen als jagers, poeliers, vogelopvangcentra, dierenambulances, dierenartsen en pluimveehouders?
Hoe beoordeelt u de bijkomende voorzorgsmaatregelen in Nederland?
Hoe wordt de samenwerking en gegevensuitwisseling met Nederlandse diensten en Europese agentschappen op dit moment georganiseerd?
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, ik meen dat de collega’s de urgentie al goed geschetst hebben. Ik wil er echter op wijzen dat dit geen nieuw probleem is. Dit is zelfs in de ministerraad al veel vroeger besproken, want we lezen in het verslag dat de ministerraad al op 16 mei beslist heeft dat het FAVV toestemming krijgt om de resterende 3.300.000 euro van de crisisreserve te gebruiken voor de bestrijding van de vogelgriep in 2025.
Mijn eerste vraag is dan ook wat de stand van zaken van deze reserve is. Zitten daar nog middelen in die we nu kunnen gebruiken voor deze crisissituatie of moet die aangevuld worden? Is dat dan meegenomen in de begrotingsoefening die we in de plenaire vergadering aan het bespreken zijn?
Ik meen dat we ook verder moeten kijken dan onze neus lang is. We worden steeds vaker geconfronteerd met uitbraken van de vogelgriep. Dat is natuurlijk gelinkt aan de steeds intensievere pluimveehouderij in heel de wereld, ook in België. We zullen moeten bekijken hoe we met de situatie omgaan, zowel met het oog op de gezondheid van de dieren zelf als voor de gezondheid van de mens.
Vandaar mijn andere vragen. Welke preventieve maatregelen bespreekt u met uw regionale collega’s om binnen de landbouwbedrijven meer actie te ondernemen?
Overweegt u om de middelen die in het reservefonds zitten ook in te zetten om maatregelen te nemen die de pluimveehouderij structureel verduurzamen en dus de uitbraak van toekomstige vogelgriepcrisissen kunnen voorkomen?
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, depuis le mois de septembre, plusieurs foyers de grippe aviaire ont été détectés dans des élevages professionnels et amateurs. Des dizaines d'infections ont aussi été constatées par les autorités régionales parmi les oiseaux sauvages.
S'agissant d'une zoonose, le virus peut franchir la barrière des espèces. En France, quatre renards et une loutre ont été trouvés infectés récemment et nos voisins ont renforcé leurs mesures de surveillance en santé humaine.
Chez nous, on sent que le SPF Santé anticipe un hiver difficile. Dans le cadre des douzièmes provisoires, une dérogation a été demandée pour « les indemnités d'abattage ». Concrètement, le fonds animaux demande à disposer de 12/12ème de son budget pour affronter ces 3 mois.
Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur la situation?
Les dispositifs actuels de surveillance dans les élevages et chez les oiseaux sauvages ont-ils été renforcés?
Dispose-t-on d'un suivi consolidé avec les Régions pour éviter des retards de notification?
Comment l'AFSCA accompagne-t-elle aujourd'hui les éleveurs pour garantir l'application des mesures d'abri, de confinement, et de séparation d'avec les oiseaux sauvages?
En cas de multiplication rapide des foyers, l'AFSCA dispose-t-elle des ressources nécessaires pour maintenir des interventions rapides sans risque de saturation?
Quelle est l'évaluation du risque et quelles sont les mesures de surveillance en santé humaine?
Je vous remercie.
David Clarinval:
Collega's, gelet op de ongunstige evolutie van de epidemiologische situatie door de vogelgriep in het najaar van 2025, zowel in België als in de buurlanden, heb ik op 23 oktober 2025 beslist om de preventiemaatregelen te versterken. Deze maatregelen zijn erop gericht de overdracht van het virus van wilde vogels naar pluimvee en in gevangenschap levende vogels te beperken en het aantal nieuwe haarden te verminderen. De situatie wordt voortdurend geëvalueerd. In functie van de evolutie ervan zouden er indien nodig bijkomende aanpassingen van de zones kunnen worden doorgevoerd en aanvullende maatregelen kunnen worden genomen.
De infectie met het H5N1-virus bij zoogdieren in België blijft beperkt en sporadisch. Er werden enkele gevallen vastgesteld bij katten, fretten en een vos, waarschijnlijk door het eten van karkassen of besmette producten. Na de detectie bij de katten werden specifieke boodschappen uitgestuurd, in samenwerking met Sciensano en de FOD Volksgezondheid.
Het risico voor de algemene bevolking wordt als laag ingeschat en als gematigd voor blootgestelde beroepsgroepen, waarvoor beschermingsaanbevelingen beschikbaar zijn. De situatie wordt voortdurend van nabij opgevolgd. België volgt bovendien de werkzaamheden met betrekking tot de vaccinatie van pluimvee aandachtig op.
Een werkgroep, gecoördineerd door de FOD Volksgezondheid, onderzoekt de haalbaarheid van een vaccinatiestrategie. Er blijven meerdere grote uitdagingen bestaan, met name inzake de beschikbaarheid van doeltreffende vaccins, de logistieke uitvoeringscapaciteit, de aanvaarding door internationale handelspartners en de strikte vereisten inzake monitoring en toezicht op gevaccineerde bedrijven. Deze elementen worden grondig geanalyseerd op nationaal en Europees niveau.
Op financieel vlak neemt het FAVV de operationele kosten ten laste die verband houden met het beheer van de haarden, met inbegrip van euthanasie, de vernietiging van besmette dieren, producten en materialen, evenals de reiniging en desinfectie. De vergoeding van de dieren en producten wordt verzekerd door het Sanitair Fonds, gefinancierd door de landbouwers en gedeeltelijk door een Europese cofinanciering. De economische compensaties die verband houden met het verlies aan inkomsten tijdens de sanitaire leegstand en de termijn voor herbezetting vallen onder de bevoegdheid van de gewesten.
Entre 2022 et 2024, l'Agence a mobilisé la réserve de crise pour un montant total de 6,689 millions d'euros. Les nouvelles épidémies, survenues à l'automne 2024 et au début de l'année 2025, ont porté les dépenses à 8,7 millions d'euros. Il est en outre estimé qu'au moins 1,4 million d'euros supplémentaire sera nécessaire pour continuer à gérer les épidémies en cours.
Dès lors, la réserve de crise prévue, fixée à 10 millions d'euros, s'avère insuffisante. Un dossier est en cours de préparation afin de solliciter un budget auprès du Conseil des ministres. L'AFSCA reconstituera ses réserves dès que possible, notamment grâce au cofinancement prévu par l'Union européenne dans le cadre de la lutte contre la grippe aviaire.
Enfin, l'information et la sensibilisation des détenteurs d'oiseaux, tant professionnels qu'amateurs, ainsi que des vétérinaires, demeurent une priorité. L'Agence communique systématiquement à l'occasion de chaque foyer ou adaptation des mesures. Une vigilance accrue et le respect strict des mesures de biosécurité restent essentiels afin de permettre une détection rapide de toute suspicion et d'éviter la propagation du virus.
Funda Oru:
Mijnheer de minister, ik wil toch benadrukken dat de onrust en angst bij de pluimveehouders in Limburg zeer groot zijn. Ze voelen zich vaak machteloos.
Ik wil u bedanken voor uw inspanningen. We moeten de burgers ook blijven oproepen om geen zieke of verzwakte vogels aan te raken, om het risico op verspreiding niet te vergroten.
Tot slot wil ik ook het Natuurhulpcentrum en de medewerkers op het terrein uitdrukkelijk bedanken en steunen. Zij draaien momenteel immers op volle capaciteit en spelen een sleutelrol om verdere verspreiding in te dijken.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, heel wat collega’s hebben het zonet ook al aangehaald, we mogen niet te lichtzinnig omgaan met deze situatie. Uit uw antwoord blijkt echter dat u ze nauwgezet opvolgt. Het is goed dat te vernemen.
De vogelgriep heeft inderdaad zware gevolgen voor onze economie en mogelijk ook voor onze volksgezondheid. Goede communicatie en grondige opvolging zijn en blijven dus essentieel. We zullen dat samen met u verder blijven opvolgen.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, ik heb de indruk dat ik geen volledig antwoord heb gekregen op al mijn vragen.
Wat u zegt over de andere zoogdieren, namelijk dat het om sporadische gevallen gaat waarvan er enkele zijn gedetecteerd, klopt, maar het is natuurlijk ook gewoon geluk dat die gevallen zijn vastgesteld. Mogelijk zijn er ook veel meer gevallen.
U zei ook dat berichten werden uitgestuurd door het FAVV, maar u zei ook niet meer dan dat. Naar wie die berichten zijn gestuurd, wat de inhoud ervan was en hoe dat precies is verlopen, blijft onduidelijk. U zegt enkel dat het risico laag wordt ingeschat en dat er beschermingsmiddelen beschikbaar zijn.
Ik zal uw antwoord dus nalezen en bekijken waar ik met mijn bijkomende vragen voor bijkomende verscherping terechtkan, in de hoop dat u daar alsnog een meer gedetailleerd antwoord op geeft, want ik ben niet zo gerustgesteld.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw Bury, het is terecht dat u niet gerustgesteld bent, want de minister heeft aangegeven dat er onvoldoende middelen in het fonds aanwezig zijn om de compensatie te financieren en dat daarvoor dus bijkomende middelen zullen moeten worden voorzien.
Dat is symptomatisch voor het beleid dat al jaren wordt gevoerd. We subsidiëren de stallen waar het virus ontstaat. We verspreiden het via de mest die wordt uitgereden. Vervolgens subsidiëren we de leegstand en het niet verkopen van de dieren. Daarna subsidiëren we ook nog het afslachten van de dieren en de vernietiging ervan. Het geheel wordt dan verkocht als economische winst.
Ik denk dat we daar structureel naar moeten kijken, mijnheer de minister, en moeten nagaan welke maatregelen hier nodig zijn om die subsidiekraan zo veel mogelijk dicht te draaien en tegelijkertijd uiteraard de volksgezondheid en de economie te vrijwaren.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir fait le point sur la situation et d'avoir rappelé que, dès le 23 octobre, vous avez renforcé de manière préventive les mesures afin d'éviter la propagation des oiseaux sauvages vers les volailles. Je vous remercie aussi d'avoir rappelé également les autres mesures préventives déjà existantes et celles qui seront prises.
Le bémol, c'est effectivement toujours ces questions de moyens dont vous disposez. Mais, si je veux rester quand même sur une note positive, c'est que j'ai quand même, à travers la réponse qui est la vôtre, le sentiment que la situation est monitorée sérieusement. C'est évidemment un élément essentiel quand on est face à de telles propagations.
Enfin, comme je l'ai déjà fait auparavant et comme vous vous en doutez, je ne manquerai pas de revenir vers vous en fonction de l'évolution de cette grippe aviaire.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éclaircissements bien utiles pour nos éleveurs ainsi que pour le grand public. On est convaincu qu'il est vraiment nécessaire de renforcer les mesures. Je vous ai entendu par rapport aux défis des vaccins pour justement pouvoir à terme anticiper les nouveaux foyers d'infection. Par ailleurs, le gouvernement a pris, voici quelques jours ou quelques semaines, la décision d'augmenter le plafond des dépenses pour l'indemnisation des animaux abattus, pour les secteurs bovin et des volailles. Tout cela va dans le bon sens. On veut vraiment anticiper et soutenir les membres d'un secteur particulièrement exposé aux crises sanitaires (grippe aviaire, langue bleue, IBR). On sait que la vigilance doit rester de mise en permanence. Une surveillance renforcée, une coordination efficace entre les niveaux de pouvoir et un accompagnement constant des professionnels de terrain peuvent faire la différence pour éviter de nouvelles perturbations majeures pour les filières agricoles. On compte donc vraiment sur vous, monsieur le ministre, pour continuer à soutenir les éleveurs dans l'application des mesures de prévention et pour avoir une réponse vraiment proportionnée face à l'évolution de la situation qui, on l'a bien entendu, est monitorée, ce qui nous rassure aussi. Nous continuerons à être attentifs.
De mogelijke doorbraak in het dossier van de perenexport naar Japan
De uitvoer van Belgische peren naar Japan
Belgische perenexport naar Japan: kansen en ontwikkelingen
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Clarinval bevestigt dat de blokkade van Belgische perenexport naar Japan (sinds 13 jaar) nog steeds draait om één overgebleven plaag: de fruitmot (carpocapse), waarvoor Japan een verboden EU-behandeling (bromide) eist. Onderzoek door pcfruit toont aan dat alternatieven te duur zijn en geen absolute garantie bieden, terwijl Japan waterdichte zekerheid vraagt voordat de markt opengaat—wat volgens Clarinval "nog tijd" zal vergen, ondanks lopende technische overleggen met het nieuwe Japanse ministerie (onder Norikazu Suzuki). Peeters (N-VA) prijst Clarinvals "doorbraakpogingen" na jaren stilstand, terwijl Prévot (PS) kritisch vraagt of een videogesprek met Suzuki de onderhandelingen kan versnellen, gegeven het economisch belang (€230 miljoen agrarische export). Clarinval benadrukt dat hij geen extra reis voor het dossier maakte, maar het aan Japanse garanties koppelt: "Als we investeren, moet de deur écht open."
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, tijdens een bezoek aan uw Japanse ambtgenoot op dinsdag 16 september legde u het dossier van de perenexport op tafel. Na dertien jaren van blokkades lijkt er daardoor licht aan het einde van de tunnel te komen voor heel wat Belgische perentelers.
U deed een oproep om de onderhandelingen tussen het Federaal Voedselagentschap en het Japanse equivalent opnieuw op te starten. Ik heb ter zake twee eenvoudige vragen
Ten eerste, we zijn ondertussen drie maanden verder. Zijn die gesprekken al aangevat?
Ten tweede, u vroeg om snelheid te nemen in dat dossier. Wanneer mogen we een eventuele doorbraak verwachten?
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, mi-septembre, vous étiez à Tokyo avec vos collègues les ministres Prévot et Matz, notamment pour rencontrer votre homologue japonais le ministre Koizumi.
Avec ce dernier, vous avez abordé un dossier bloqué depuis treize ans, à savoir l'exportation de poires belges vers le Japon. Dans la presse, j'ai pu lire que les discussions entre l'AFSCA et son pendant japonais n'avaient toujours pas abouti. Visiblement, le pays asiatique craint l'importation dans l'archipel de larves d'insectes envahissants.
S'il venait à se débloquer, ce dossier ouvrirait de nouvelles opportunités. La Belgique exporte pour l'instant près de 230 millions d'euros par an de produits agricoles vers le Japon. Nous espérons que les poires viennent s'ajouter à ce chiffre pour le plus grand bonheur de notre économie.
Monsieur le ministre, où en sont les négociations entre la Belgique et le Japon sur le dossier de l'exportation des poires?
Dans la presse, vous exprimiez votre souhait d'une visioconférence pour régler les derniers éléments techniques à ce sujet: cette visioconférence a-t-elle eu lieu? Quels étaient les derniers éléments techniques? Des blocages existent-ils toujours?
Depuis votre visite au Japon, le gouvernement du pays a changé. Le ministre Koizumi que vous avez rencontré est passé à la Défense et c'est le ministre Norikazu Suzuki qui a désormais la charge de l'Agriculture: cette nouvelle recomposition a-t-elle d'une quelconque manière affecté les négociations?
David Clarinval:
Monsieur le député, l'importation de poires belges au Japon n'est pour l'instant pas autorisée en raison de trois organismes nuisibles réglementés, à savoir la mouche méditerranéenne des fruits, le carpocapse et le feu bactérien. Le Japon juge en effet que ces organismes sont susceptibles d'être introduits au Japon via l'importation de poires et que cela nécessite des mesures spécifiques de gestion des risques.
Grâce à des négociations poussées entre l'Agence et le service public compétent au Japon, à savoir le Ministry of Agriculture, Forestry and Fisheries (MAFF), un accord a été conclu en 2023 concernant les mesures de gestion des risques liés au feu bactérien et à la mouche méditerranéenne.
Les négociations concernant les mesures de gestion des risques pour le carpocapse sont encore en cours. Le MAFF demande un traitement contre cet organisme nuisible qui offre les mêmes garanties que le traitement au bromure de méthyle. Cependant, le traitement au bromure de méthyle n'est pas autorisé au sein de l'Union et il n'existe actuellement aucun autre traitement chimique de désinfection autorisé en Europe.
Het Belgisch proefcentrum fruitteelt pcfruit voert een onderzoek naar mogelijke alternatieve risicobeheersmaatregelen voor fruitmot. Het MAFF wil voldoende garanties om de introductie van dat plaagorganisme in Japan te vermijden. Een alternatieve behandeling kan dan ook slechts goedgekeurd worden op basis van uitvoerige testen, waarbij het testprotocol vooraf aan het MAFF moet worden voorgelegd.
Uit de resultaten van dat onderzoek, dat in 2023 en in 2024 door pcfruit werd uitgevoerd, komt naar voren dat door klimatologische omstandigheden de aanwezigheid van larven van de fruitmot tijdens de oogstperiode niet volledig uitgesloten kan worden. Verdere technische onderhandelingen met het MAFF en bijkomende onderzoeken door pcfruit zijn daardoor vereist, waarbij gekeken dient te worden naar alternatieven en/of bijkomende maatregelen.
De mogelijk verdere aanpak zal binnenkort tijdens een technisch overleg tussen het MAFF, pcfruit en het FAVV besproken worden. Gelet op de complexiteit en het bijkomend onderzoek dat vereist is om te komen tot gepaste beheersmaatregelen, wordt verwacht dat effectieve markttoegang wel nog enige tijd in beslag zal nemen.
En fait, il ne reste plus que cette question à traiter, mais il est impossible de le faire par le biais de méthodes classiques autorisées en Europe. Il existerait des méthodes pour éliminer ces larves, mais elles s'avéreraient techniquement très coûteuses à mettre en place. Je me suis entretenu avec mon homologue japonais à ce sujet, afin d'essayer de s'assurer que si nous réalisons des investissements considérables pour éradiquer cette larve, nous ayons malgré tout la garantie que le Japon ouvre ses portes à l'importation de poires
Si nous consentons des efforts financiers considérables et que la présence d'une autre mouche ou d'une autre larve est ensuite un prétexte pour ne pas importer nos poires, nous aurons l'impression de jouer dans une mauvaise pièce. À cet égard, nous avons pu être assurés quant au fait que si nous disposons d'une solution techniquement sûre, nous pourrions leur vendre nos poires.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, ik verneem dat binnenkort dat technisch overleg plaatsvindt en hoop dat daaruit concrete oplossingen kunnen komen.
Ik wil alvast zeggen dat ik verheugd ben dat u na jarenlange stilstand in dat dossier stappen gezet hebt. De perentelers zullen u daarvoor dankbaar zijn, des te meer als de markt uiteindelijk geopend zou kunnen worden.
Patrick Prévot:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre.
Il subsiste, d'après vous, un gros dernier élément de blocage, et c'est effectivement particulier. Si l'on en venait à faire ce genre d'investissement, il faudrait en effet s'assurer de notre capacité à rouvrir le marché de notre côté.
Si je ne m'abuse, vous aviez rencontré l'ancien gouvernement dont le ministre Koizumi qui est devenu ministre de la Défense. Aujourd'hui, le ministre de l'Agriculture est Norikazu Suzuki. Je ne sais si cela peut aider ou faire avancer le schmilblick. Sans pour autant retourner au Japon, peut-être pourriez-vous organiser une petite visioconférence avec ce ministre Norikazu Suzuki, afin de tenter de le sensibiliser à la problématique, et d'obtenir peut-être quelques garanties?
Nous resterons attentifs, parce que, blague dans le coin, cela reste une économie importante pour nous, et très certainement en tout cas pour les producteurs. Le fait de pouvoir ouvrir un jour les portes vers le Japon serait salvateur pour eux également.
David Clarinval:
Je tiens à vous rassurer sur le fait que je n'ai pas fait un voyage au Japon exprès pour ce dossier, mais que j'ai profité de l'inauguration de l'exposition universelle à Osaka pour faire un petit saut chez mon collègue japonais.
De regelgeving inzake veehouders die hun vlees willen verkopen in de korte keten
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Katleen Bury bekritiseert dat het FAVV-kader kleinschalige veehouders in de korte keten verstikt door onhaalbare regels (bv. strikte scheiding in slagerijen, kostelijke erkenningen), waardoor overheidsbeloftes over lokale voedselproductie dode letter blijven. Ze vraagt om een vereenvoudigde "light"-erkenning voor uitsnijderijen en dringt aan op actieve aanpassingen. Minister David Clarinval benadrukt dat het FAVV binnen het Europese hygiënekader al soepelaars regels hanteert (bv. uitgebreide uitzonderingen voor marginale activiteiten, online ondersteuning, coöperatieve uitsnijderijen) en wijst op concrete vereenvoudigingen sinds 2023 (mobiele slacht, lagere inspectiefrequentie). Hij ontwijkt echter Bury’s vraag naar een light-erkenning en stelt dat voedselveiligheid primeert. Bury reageert teleurgesteld: de minister herhaalt bestaande regels zonder oplossing voor de structurele drempels, en hoopt op daadwerkelijke vereenvoudiging in plaats van loze beloftes.
Katleen Bury:
Ik volg de werkwijze van de heer Prévot en verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag .
Iedereen heeft tegenwoordig de mond vol van “de korte keten". Lokale producten, voedsel van dichtbij, eerlijke prijzen voor de producent - het klinkt mooi, en de overheid promoot het graag in campagnes en beleidsplannen, maar in de praktijk botsen veehouders op een muur van administratieve en praktische obstakels, grotendeels veroorzaakt door het FAVV en het huidige regelgevend kader.
Zoals Vilt op 9 oktober 2025 beschreef, worden veehouders die hun vlees zelf willen verkopen geconfronteerd met tal van drempels. Een slachthuis vinden dat kleine hoeveelheden verwerkt is al moeilijk. Daarna stuiten ze op een kluwen aan regels voor versnijding, eerder geschreven voor grote spelers dan voor kleinschalige boeren.
Zo mogen karkassen op naam van de veehouder niet door een slager worden versneden, tenzij die het dier eerst zelf aankoopt. Er bestaat wel een “toelating vleeswinkel" bij het FAVV, maar die vereist een strikte scheiding tussen de eigen activiteiten van de slager en die voor derden, met aparte koelcellen en ingrediënten – praktisch bijna onhaalbaar.
Ook kleinschalige uitsnijderijen vallen onder dezelfde strenge eisen als grote industriële verwerkers, qua controles en analyses. Een erkenning is daardoor financieel en organisatorisch onhaalbaar voor kleine spelers. De overheid doet in de praktijk dan ook het tegenovergestelde van wat ze belooft: in plaats van de korte keten te versterken, wordt die net verstikt door een overmaat aan regels.
Erkent u dat het FAVV-kader voor vleesverwerking niet is afgestemd op kleine korteketenproducenten?
Welke stappen heeft u of het FAVV al gezet om dat kader te vereenvoudigen of te differentiëren?
Is een vereenvoudigde of 'light'-erkenning voor kleinschalige uitsnijderijen en slagers – zoals het Steunpunt Korte Keten voorstelt – denkbaar?
Bent u bereid het FAVV opdracht te geven om actief werk te maken van een werkbaar en ondersteunend kader? Zolang de regels niet aangepast worden, blijft de korte keten voor veel veehouders dode letter.
David Clarinval:
Het FAVV steunt de kleine producenten in de korte keten actief. Elke versoepeling of uitzondering moet echter de Europese hygiëneregelgeving respecteren. Die legt een erkenning op, zodra het versnijden en verwerken van vlees wordt uitgevoerd voor andere operatoren, om de voedselveiligheid in de hele keten te waarborgen.
Voor de detailhandel zijn de regels soepeler. Zo mag een slager onder een gewone toelating een karkas versnijden en het vlees verwerken voor rechtstreekse verkoop aan de consument. Hij kan ook kleine hoeveelheden leveren aan andere operatoren in het kader van een marginale plaatselijke en beperkte handelsactiviteit, waarvan de definitie in 2023 werd uitgebreid. Wanneer de levering die grenzen overschrijdt, is een erkenning vereist. Om slagers te ondersteunen die die erkenning willen verkrijgen, stelt het FAVV een onlinemodule ter beschikking.
Een veehouder kan zijn vlees op drie manieren verkopen. Ten eerste kan hij zijn eigen karkassen versnijden en het vlees verkopen aan de eindconsument met de mogelijkheid om beperkt toe te leveren aan andere operatoren onder toelating. Ten tweede, hij kan het versnijden toevertrouwen aan een erkende uitsnijderij en het voorverpakte, versneden vlees verkopen onder toelating. Ten derde, hij kan zijn eigen karkassen en die van andere veehouders versnijden onder erkenning, eventueel in het kader van een erkende coöperatieve uitsnijderij.
Sinds 2023 worden erkende bedrijven in de vlees- en vissector minder frequent en gerichter geïnspecteerd, met bijzondere aandacht voor kleine operatoren. De werkgroep korte keten, opgericht in 2022, heeft al voor vooruitgang gezorgd; ik verwijs naar de uitbreiding van de uitzonderingsregels voor marginale activiteiten, de toelating van rechtstreekse levering van op de hoeve geslacht pluimvee en lagomorfen aan lokale handel en horeca zonder keuring en de verlenging van de tijd tussen het slachten van hoefdieren op de hoeve en de evisceratie in het slachthuis om het gebruik van mobiele slachtinstallaties te vergemakkelijken.
Het FAVV heeft eveneens richtsnoeren uitgewerkt voor mobiele slachtinstallaties en uitsnijderijen en biedt een specifieke ondersteuning aan producenten. De sectorfederaties van de korte keten, zoals DiversiFERM en Steunpunt Korte Keten, worden ook regelmatig bij de werkzaamheden betrokken. Ik zal de korte keten blijven versterken en vereenvoudigen, waarbij het Europees kader wordt gerespecteerd en de voedselveiligheid wordt gewaarborgd.
Katleen Bury:
Dank u wel, mijnheer de minister. U hebt een uiteenzetting gegeven over de bekende vigerende regelgeving, maar ik heb u niet gehoord over de vereenvoudigde erkenning, de light erkennen, waar ik naar vroeg. U hebt het wel over de onlinemodule en de verschillende mogelijkheden, maar weet dat de regeling voor de korte keten voor veel veehouders dode letter blijft. Het is goed dat u met de sector blijft praten. Ik hoop dat de versterking en de vereenvoudiging van de korte keten tot uw doelstellingen blijven behoren.
De praktijken voor het doden van kuikens in de pluimveesector en de situatie in België
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Hervé Cornillie (parlementslid) kaart aan dat in Frankrijk en mogelijk België nog steeds pijnlijk broyen of vergassen van kuikens (met name mannelijke legdieren) plaatsvindt, ondanks maatschappelijke verontwaardiging en alternatieven zoals ovosexage (geslachtsbepaling in het ei), en vraagt om Belgische standpunten en steun voor een EU-breed verbod. Minister David Clarinval wijst alle verantwoordelijkheid af, omdat dierenwelzijn een regionale bevoegdheid is (Wallonië: minister Dolimont), niet federaal. Cornillie reageert kritisch op deze afschuiving en belooft de kwestie bij de regionale collega’s aan te kaarten. De kernvragen (huidige praktijken, alternatieven, EU-lobby) blijven onbeantwoord.
Hervé Cornillie:
Monsieur le ministre, en octobre dernier, le quotidien Le Monde relayait les images diffusées par l'association française L214, active en matière de bien-être animal. Cette association a révélé la persistance du broyage de poussins et de pintadeaux dans certaines filières de volailles de chair, et notamment dans un couvoir des Deux-Sèvres. Ces images ont suscité une profonde émotion dans l'opinion publique française en raison de la souffrance animale manifeste et de violences gratuites constatées lors de l'élimination des oisillons. Ces images sont effectivement difficilement soutenables, même s'il s'agit d'animaux.
Heureusement, la conscience de la société en matière de bien-être animal a largement évolué ces dernières années, et elle se mobilise aujourd'hui en France comme en Belgique. Si la France interdit depuis 2022 le broyage des poussins mâles de la filière de la ponte, cette pratique demeure légale dans les filières de volailles de chair, faute de solutions alternatives opérationnelles. Les associations françaises demandent désormais l'interdiction de l'élimination de tous les oisillons et la généralisation de l'ovosexage, une méthode permettant de déterminer le sexe avant éclosion et donc d'éliminer les œufs qui ne sont pas conformes, sans qu'il y ait de souffrance animale.
En Belgique, les citoyens s'interrogent – à juste titre – sur la réalité de ces pratiques au sein de notre territoire et sur la mise en œuvre de solutions plus éthiques, notamment au sein des couvoirs belges produisant pour les marchés de chair ou de ponte.
Dès lors, monsieur le ministre, quelle est la situation actuelle en Belgique concernant l'élimination des poussins mâles ou des oisillons non désirés dans les différentes filières avicoles – ponte, chair, pintade, etc.?
Les méthodes de broyage ou de gazage sont-elles encore autorisées et pratiquées dans notre pays? Dans l'affirmative, à quelles conditions?
Les solutions technologiques alternatives telles que l'ovosexage in ovo sont-elles déjà utilisées ou en cours d'utilisation ou d'évaluation en Belgique? Le gouvernement fédéral soutient-il la recherche ou l'investissement dans ces technologies en partenariat avec les régions, les couvoirs et les universités?
Enfin, la Belgique envisage-t-elle de soutenir au niveau européen une interdiction de broyage complète ou de mise à mort des oisillons, toutes filières confondues, conformément à l'évolution de la sensibilité sociétale et aux principes du bien-être animal?
David Clarinval:
Monsieur le député, je vais devoir vous décevoir parce qu'en tant que ministre fédéral de l'Agriculture, mes compétences se limitent à la santé animale et à la sécurité sanitaire des produits. Toutes les questions que vous m'avez posées sont en lien avec la politique du bien-être animal, qui relève exclusivement des régions. Je vous invite donc à vous adresser à mon excellent collègue, M. Dolimont, chargé de cette matière au niveau wallon, et à ses deux homologues régionaux.
Hervé Cornillie:
Merci, monsieur le ministre, votre réponse a le mérite d'être claire. Je ne vais donc pas attendre de changer d'assemblée en 2029, si l'occasion m'en est donnée, mais je demanderai à mes homologues régionaux d'intervenir à cet égard.
De app Food Hygiene Rating
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Patrick Prévot vraagt kritisch hoe de AFSCA-app Food Hygiene Rating (die hygiënescores van horeca transparant maakt) het "recht op fout" van ondernemers respecteert, aangezien gecorrigeerde tekortkomingen volgens horeca-leden oneerlijk lang zichtbaar blijven. Minister Clarinval benadrukt dat na een slechte inspectie eerst een hersteltermijn geldt en pas na een recontrôle de score wordt aangepast, met extra bescherming voor eerste controles (status blijft "niet-geïnspecteerd" tot hercontrole). Prévot bevestigt dat dit de horeca-bezwaren wegnemen, terwijl Clarinval aangeeft dat de app gebruiksvriendelijker is dan FOODweb maar dezelfde objectieve criteria hanteert. De digitalisering van AFSCA (gefinaancierd via EU-gelden) zal tegen 2026 verdergaan met een opérateursportaal en betere tools voor inspecteurs.
Patrick Prévot:
Je pense que personne n'a pu échapper à l'information: l'AFSCA a lancé une application – Food Hygiene Rating – qui permet à chaque citoyen de vérifier rapidement et facilement le score d'une entreprise en matière de sécurité alimentaire via une carte interactive.
Il s'agit d'un exercice de transparence qui devrait permettre tant aux consommateurs de faire des choix éclairés que les entreprises à respecter les normes d'hygiène en vigueur.
Le Food Hygiene Rating ne concerne pas uniquement les consommateurs : tout y est centralisé afin d'intéresser également les entreprises, les administrations locales et les services de police.
Monsieur le ministre, premièrement, j'ai pu lire que le principe de l'application fait l'unanimité au sein de l'Horeca mais quelques critiques à mon sens pertinentes doivent être entendues: ainsi, un restaurateur qui aurait commis une faute et l'aurait corrigée à terme après une inspection de l'AFSCA serait en quelque sorte pénalisé par l'application. Un restaurateur, dit, je cite, « on a le droit de corriger les erreurs pour se remettre en ordre. Il faut garder un caractère privatif »: comment l'AFSCA peut-elle faire l'équilibre entre cette transparence à l'égard des consommateurs et le droit à l'erreur des entreprises?
Deuxièmement, le Food Hygiene Rating apporte des améliorations à l'actuel FOODweb: pourriez-vous nous préciser exactement lesquelles?
Enfin, cette application est la première réalisation concrète d'une progressive numérisation de l'AFSCA: pourriez-vous nous communiquer comment cette numérisation va se poursuivre dans les prochaines années?
David Clarinval:
Monsieur Prévot met le doigt sur une excellente initiative de l'agence: les Food Hygiene Ratings , lesquels sont basés sur un système élaboré en étroite concertation tant avec les organisations sectorielles et les consommateurs qu'avec tous les autres acteurs du comité consultatif de l'agence. Les règles conduisant à l'affichage des résultats sont les mêmes que celles qui existaient depuis dix ans dans l'ancienne application Foodweb. Chaque opérateur est évalué sur la base des mêmes critères objectifs.
Le droit à l'erreur est bien pris en compte dans la publication des résultats. Après une inspection non favorable, un résultat provisoire est affiché et un délai de mise en conformité est accordé avant un recontrôle. Le statut n'est adapté qu'en fonction du résultat de ce recontrôle. Par ailleurs, un nouvel opérateur dont la première inspection ne serait pas favorable conservera le statut non inspecté jusqu'à ce que ce second contrôle soit réalisé.
La nouvelle application améliore l'accessibilité des informations pour les utilisateurs. Elle est plus intuitive, plus conviviale, plus user-friendly .
Les règles inhérentes aux calculs restent inchangées. FHR est la première réalisation concrète du programme Transformation Digitale de l'AFSCA. L'application est financée par une subvention européenne dans le cadre du Plan National pour la Reprise et la Résilience (PNRR) de la Belgique.
D'ici 2026, de nouvelles applications faciliteront les démarches des opérateurs via un portail dédié. Les agents de l'AFSCA disposeront également de nouveaux outils pour améliorer la planification et la gestion des dossiers. La digitalisation se poursuivra ensuite selon les besoins et les moyens disponibles.
Les règles sont donc les mêmes, mais c'est la visualisation qui est rendue plus accessible pour les clients. On a veillé à ce que les entreprises concernées aient la possibilité de réagir et d'agir en cas de classement moins favorable.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre, d'avoir scrupuleusement répondu à ma question. C'est effectivement un bel outil que nous sort l'AFSCA, qui nous permettra d'objectiver les choses avec des mêmes mesures. J'entends que l'AFSCA a au moins été attentive aux remarques du secteur horeca, lequel avait peur de risquer une punition dès le premier contrôle – alors que l'erreur est humaine – et de se voir ainsi épinglé d'emblée.
Si je comprends bien, vous m'avez dit que, lorsqu'un contrôle moyen s'opérait auprès d'un restaurateur, par exemple, le restaurateur garderait son statut non contrôlé jusqu'au recontrôle.
David Clarinval:
Je me permets de préciser que ce que vous dites vaut pour les premiers contrôles.
Patrick Prévot:
Oui, effectivement, il s'agit des premiers contrôles! Cela signifie donc que, après le premier contrôle, le restaurateur aura la possibilité de se remettre en ordre sans être directement épinglé comme mauvais élève et gardera ce statut non contrôlé pendant cette remise en ordre et jusqu'au recontrôle. C'est évidemment une bonne chose. S'il devait y avoir d'autres contrôles négatifs par la suite, on pourrait évidemment considérer que ledit restaurateur n'aurait peut-être pas compris pleinement la dimension des choses et ce serait alors normal que, par rapport à d'autres qui sont beaucoup plus scrupuleux, il puisse avoir une moins bonne note. Je pense que c'était l'esprit de ce que souhaitait l'Horeca et je vous remercie de m'avoir rassuré sur ce point.
De strategie voor generatievernieuwing in de landbouw van de Europese Commissie
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Patrick Prévot (socialist) vraagt hoe België de EU-strategie om het aandeel jonge landbouwers tegen 2040 te verdubbelen zal uitvoeren, met focus op toegang tot grond, financiering en een leefbaar inkomen, en bekritiseert de oneerlijke mondiale concurrentie (bv. Mercosur) en regionale versnippering die een ambitieuze aanpak blokkeert. Minister Clarinval (liberaal) onthaalt het plan positief, benadrukt de regionale bevoegdheid maar belooft coördinatie via de DGE en prioriteiten zoals gelijke kansen voor vrouwen, eerlijke beloning en koppeling aan de nieuwe GLB. Hij erkent dat boerenprotesten andere signalen afgeven dan het EU-beleid. Prévot bekritiseert de historische gebrekkige samenwerking tussen gewesten, noemt eerdere beleidskeuzes "laf" en dringt aan op een concrete, ambitieuze strategie (vs. "halfslachtige compromissen") om niet-landbouwkinderen kansen te bieden, met een duidelijke deadline (2027).
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, fin octobre, la Commission européenne a présenté une nouvelle stratégie pour inciter les jeunes à se lancer dans l'agriculture. Son objectif est clair: doubler la part de jeunes agriculteurs d'ici 2040.
C'est un projet ambitieux mais nécessaire. Comme vous le savez, le métier d'agriculteur est loin d'être attractif aux yeux des jeunes tant les contraintes sont nombreuses et ont été démontré ces dernières années. La concurrence à l'échelle globale – une concurrence que notre groupe socialiste juge comme déloyale – contribue à une précarisation du métier (le Mercosur en est un exemple).
La pyramide des âges parle d'elle-même: à l'heure actuelle, l'âge moyen d'un agriculteur dans l'UE est de 57 ans. Seuls 12 % d'entre eux ont moins de 40 ans. En Belgique, plus de la moitié des agricultrices et agriculteurs ont plus de 55 ans (55 % en 2023). Le nombre de jeunes agriculteurs, lui, est très faible: seulement environ 6 % des chefs d'exploitation ont moins de 35 ans.
La stratégie de la Commission européenne repose sur cinq piliers: 1) l'accès à la terre; 2) l'accès au financement; 3) l'accès aux compétences; 4) l'accès à un niveau de vie équitable dans les zones rurales; et 5) un soutien à la succession.
La Commission soutiendra les États membres sous forme de partage des connaissances, de coordination et de conseils, afin d'intégrer une stratégie de renouvellement générationnel dans les plans nationaux. Elle recommande également aux États membres d'investir au moins 6 % de leur budget agricole dans des mesures de soutien aux jeunes agriculteurs.
Monsieur le ministre, pourrions-nous avoir votre retour sur ce plan stratégique de la Commission européenne? Comment la Belgique compte-t-elle mettre en œuvre les cinq piliers précités dans l'élaboration et la concrétisation de cette stratégie? Comment ces points stratégiques seront-ils partagés et coordonnés entre les différents niveaux de pouvoir? Le gouvernement fédéral compte-t-il investir au moins 6 % de leur budget agricole dans des mesures de soutien aux jeunes agriculteurs comme le recommande la Commission européenne?
David Clarinval:
Monsieur le député, j'accueille favorablement cette nouvelle stratégie européenne de renouvellement générationnel dans l'agriculture. Ce renouveau est essentiel pour assurer la pérennité du secteur agricole. Il faut encourager l'installation de nouveaux agriculteurs capables de valoriser durablement nos terres, tout en intégrant les innovations nécessaires à la modernisation du secteur.
La mise en œuvre de cette stratégie sera principalement pilotée au niveau des régions. Comme toute prise de position belge au niveau européen, les points stratégiques nécessitant une position commune feront l'objet de discussions entre toutes les autorités concernées, fédérales et régionales, dans le cadre de la Direction générale Affaires européennes et Coordination (DGE) au sein du SPF Affaires étrangères.
Les États membres devront présenter leur propre stratégie nationale de renouvellement générationnel d'ici 2028, intégrée dans leurs plans de partenariats nationaux et régionaux. Les aspects budgétaires devront faire l'objet de concertations et négociations avec les collègues régionaux. La stratégie présentée le 21 octobre dernier est en cours de discussion au sein du CSA, le groupe de travail du Conseil dans lequel siègent les représentants des régions.
De manière générale, la Belgique se positionne favorablement envers cette stratégie et souhaite qu'un lien clair et cohérent soit établi avec la nouvelle politique agricole commune (PAC), afin de garantir la complémentarité et l'efficacité des mesures mises en œuvre. La Belgique entend en particulier mettre l'accent sur plusieurs priorités: l'amélioration de l'accès à la terre, le renforcement de l'accès des femmes à la profession agricole, ainsi que la garantie d'une rémunération juste pour les agriculteurs.
Soyez assuré que je défendrai activement les intérêts de nos jeunes agriculteurs et que je veillerai à ce que les mesures futures répondent pleinement aux besoins du terrain, même si les agriculteurs sont en train de faire passer un autre message dans les rues de Bruxelles.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Je pense que, chez nous comme ailleurs, cette stratégie de renouvellement générationnel est vraiment un enjeu majeur.
Vous savez que je suis très proche des syndicats agricoles, singulièrement au niveau de la Fédération des Jeunes Agriculteurs, et c'est un combat qu'ils mènent depuis de nombreuses années maintenant. Comment favoriser l'accès à la terre, comment permettre une meilleure transmission des exploitations agricoles? Comment permettre à un jeune de se lancer demain et comment permettre à un jeune qui pourrait être considéré comme un fou parce qu'il n'est pas issu d'une famille d'agriculteurs de tenter l'aventure, belle mais difficile, de l'agriculture?
Monsieur le ministre, il s'agit vraiment d'un défi majeur. En tant qu'État membre, notre pays ne peut pas louper le coche et doit proposer une stratégie ambitieuse pour favoriser ce renouvellement générationnel.
Nous avons été trop longtemps tiraillés entre les régions. Il est arrivé que l'une – peut-être celle que je connais le mieux – se montrait plus volontariste tandis qu'une autre, plus au nord, l'était beaucoup moins, empêchant ainsi que notre pays puisse développer une politique ambitieuse. Dès lors, j'y insiste: nous avons besoin d'une telle politique. J'espère que la note qui sera rendue, si j'ai bien compris, en 2027 par notre pays le sera en effet et que nous n'adopterons pas encore une fois une position chèvre-choutiste ou très tiédasse, comme on le fait malheureusement trop souvent dans les dossiers agricoles.
Voorzitter:
De vragen nrs. 56010437C en 56010438C van mevrouw Verkeyn worden op haar verzoek omgezet in schriftelijke vragen.
De FAVV-inspecties in de Belgische schoolkeukens
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Lotte Peeters (N-VA) bekritiseert het uitblijven van een antwoord op haar schriftelijke vraag over FAVV-controles in schoolkeukens (2024) en dringt aan op gedetailleerde cijfers per gewest, waaronder inspectieresultaten, overtredingen en deelname aan gratis FAVV-opleidingen. Minister Clarinval (MR) geeft toe dat het antwoord vertraagd is, maar meldt dat 72–100% van de Vlaamse, 54–74% van de Waalse en slechts 53% van de Brusselse keukens gunstig scoorden, met hygiëne- en infrastructuurtekorten (o.a. handenwasbakken, koudeketen) als hoofdproblemen—verergerd door verouderde gebouwen en personeelstekort in Brussel. Hij benadrukt dat 23 PV’s en 305 hercontroles (meest gunstig) volgden en dat 1.968 personen (48% uit grootkeukens) FAVV-opleidingen volgden, terwijl Brussel een daling kende in 2023. Peeters wijst op beleidsverantwoordelijkheid en pleit voor investeringen in veilige schoolinfrastructuur, gekoppeld aan warme-maaltijdinitiatieven.
Lotte Peeters:
In 2024 controleerde het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen de voedselveiligheid in Belgische schoolkeukens. De resultaten van de controles zijn voor het hele land gepubliceerd. Ik diende daarover op 8 september 2025 een schriftelijke vraag in, omdat ik specifieke vragen had over het cijfermateriaal, maar tot op heden ontving ik daarop geen antwoord. Daarom stel ik mijn vraag nu mondeling. Ik had graag meer specifieke cijfers voor de drie gewesten. Concreet verneem ik graag per gewest het volgende.
Ten eerste, hoeveel scholen werden precies gecontroleerd? Bij hoeveel van die scholen ging het om een hercontrole?
Ten tweede, wat waren de resultaten? Hoeveel gunstige en hoeveel ongunstige verslagen werden er per gewest afgeleverd?
Ten derde, wat waren de voornaamste gebreken? Hoeveel processen-verbaal werden er opgesteld?
Ten vierde, het FAVV biedt ook gratis opleidingen aan. Kunt u toelichten hoeveel personeelsleden uit schoolgrootkeukens daaraan deelnamen?
Ten slotte, heeft het FAVV doorheen de jaren bepaalde evoluties of tendensen bij de verschillende gewesten opgemerkt? Zo ja, dewelke?
David Clarinval:
Mevrouw Peeters, vooreerst verontschuldig ik mij voor de vertraging bij de verzending van het antwoord op uw schriftelijke vraag nr. 349. Dat antwoord zal u na de commissievergadering worden bezorgd met alle gevraagde details en cijfers. Ik zal uw vraag hier alvast beknopt proberen te beantwoorden.
In 2024 controleerde het FAVV in het kader van zijn controleprogramma 1.006 schoolkeukens. Het percentage gunstige inspecties varieerde tussen 72 % en 100 % in het Vlaams Gewest, tussen 54 % en 74 % in het Waals Gewest en bedroeg 53 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In 2023 was er wel een terugval.
Voor Brussel moet dat percentage evenwel worden geïnterpreteerd in het licht van het aantal uitgevoerde inspecties. Doordat het personeelsplan daar niet volledig is ingevuld, kan het inspectieprogramma immers niet in zijn totaliteit worden uitgevoerd. Bij een kleiner aantal inspecties kunnen enkele ongunstige inspecties het totaalpercentage dan ook sterk doen dalen.
De meest voorkomende inbreuken hadden betrekking op de afwezigheid van voldoende uitgeruste handenwasbakken, het gebrek aan persoonlijke hygiëne en aan passende, propere en geschikte kledij van het personeel, het feit dat oppervlakten die in contact komen met levensmiddelen, onvoldoende proper zijn en het niet respecteren van de temperatuur en de koudeketen.
Infrastructuurproblemen blijven vaak langer aanslepen, met name door de ouderdom van schoolgebouwen. In die gevallen zijn de operatoren afhankelijk van externe partijen.
In de periode 2022–2024 is het percentage gunstige inspecties in Vlaanderen en Wallonië relatief stabiel gebleven. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kende echter een daling in 2023, wat rechtstreeks in verband kan worden gebracht met een stijging van het percentage niet-conformiteit voor de voornaamste vastgestelde overtredingen. In 2024 werden na een eerste niet-gunstige inspectie bij schoolkeukens 23 processen-verbaal opgesteld en 305 R-controles uitgevoerd. De meeste R-controles waren gunstig, met percentages tussen 90 % en 100 % in Vlaanderen, tussen 85 % en 100 % in Wallonië en 77 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het merendeel van de schoolkeukens, namelijk 77 %, beperkt zich tot het verdelen van maaltijden. Dat type van inrichtingen wordt eens om de vier jaar gecontroleerd. Met een gevalideerd controlesysteem gebeurt dat eens om de zes jaar. De inrichtingen die de maaltijden aan de schoolkeukens leveren, worden op hun beurt ook door het FAVV gecontroleerd.
Schoolkeukens waar de maaltijden ter plaatse worden bereid, worden frequenter geïnspecteerd, met name om de twee jaar. Aangezien de doelgroep kinderen betreft, wordt een gevalideerd autocontrolesysteem met een frequentie van eens om de vier jaar gehanteerd. Dezelfde inspectiefrequenties worden toegepast bij alle grootkeukens die maaltijden verdelen aan gevoelige doelgroepen, namelijk grootkeukens in rusthuizen, ziekenhuizen en kinderopvang. In de toekomst zal worden geanalyseerd hoe met prioriteiten kan worden geschoven om nog beter op de werkelijke risico’s in te spelen.
Ik onderstreep dat bij een dreigend gevaar voor de volksgezondheid schoolkeukens, net als elke operator in de voedselketen, kunnen worden gesloten.
Het FAVV biedt gratis opleidingen aan. In 2024 volgden 1.968 personen de onlineopleiding Goede hygiënepraktijken in professionele keukens. Achtenveertig procent van de deelnemers of 945 personen kwam uit de sector van de grootkeukens. Enkel geregistreerde deelnemers met een deelnameattest zijn in die aantallen opgenomen, waardoor het werkelijke aantal personen dat de opleiding heeft gevolgd, hoger zal liggen.
Zoals ik eerder aangaf, zal het antwoord op schriftelijke vraag nr. 349 meer gedetailleerde informatie bieden over het aantal geïnspecteerde schoolkeukens en het percentage van de uitgevoerde inspecties in het kader van het inspectieprogramma 2024, uitgesplitst per regio en provincie.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, dank voor uw bereidheid om na de commissievergadering een antwoord te geven op de schriftelijke vraag. Het gaat immers om heel wat cijfermateriaal en dan is het aangewezen dat ik dat rustig kan doornemen. Bepaalde vaststellingen zouden dus te maken hebben met de ouderdom van schoolgebouwen. Het is inderdaad problematisch dat die keukens verouderd zijn. Ik vermoed dat dat ook werd gesignaleerd door het FAVV of door u aan de ministers van Onderwijs in de deelstaten, aangezien het belangrijk is dat zij dat meenemen in hun beleid. Wanneer de Vlaamse overheid bijvoorbeeld extra financiële ondersteuning biedt om sterker in te zetten op warme maaltijden in scholen, is het van groot belang dat de schoolkeukens mee zijn en dat ze dat op een veilige manier kunnen organiseren. Ook dat zullen we verder mee opnemen.
De gezondheidsimpact van glyfosaat
Gesteld door
Gesteld aan
Vooruit Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Volgens Jeroen Van Lysebettens toont biomonitoring aan dat 42% van Vlaamse jongeren glyfosaat in hun lichaam heeft, met België op de 4e plaats in OESO-landranking voor pesticiderisico’s bij kinderen, en dringt hij aan op snelle herevaluatie via het voorzorgsbeginsel en preventieve maatregelen – kritiek dat minister Clarinval dit nagelaten heeft. Clarinval (Landbouw) wijst verantwoordelijkheid toe aan zijn bevoegdheid, stelt dat huidige risicobeoordeling voldoende is en wacht op Europese evaluatie, zonder nationale actie te beloven, maar biedt excuses aan voor eerdere verwarring. Van Lysebettens bekritiseert dat de onderliggende glyfosaatstudie – waar Clarinval op baseerde – is ingetrokken wegens belangenconflict (sectorfinanciering) en eist een onafhankelijke herbeoordeling door de minister zelf.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, u kent de historiek van deze vraag allicht beter dan ik. Oorspronkelijk diende ik een vraag in bij minister Vandenbroucke. Die vraag werd behandeld in de commissie voor Gezondheid door u. U zei daarbij dat ik voor een deel van de vragen minister Vandenbroucke moest ondervragen. Vervolgens heb ik de vraag opnieuw ingediend bij minister Vandenbroucke, die de vraag weer naar u heeft doorverwezen, om hier vandaag te beantwoorden. Ik hoop dan ook op een zeer grondig en uitvoerig antwoord op mijn vragen.
Mijnheer de minister, hoe schat u de gezondheidsimpact in van het gebruik van glyfosaat in onze landbouw?
Het Vlaamse biomonitoringsprogramma toonde immers in 2023 al aan dat bij 42 % van de jongeren glyfosaat in het lichaam werd gedetecteerd. Volgens het rapport van UNICEF liep 8,9 % van de Belgische kinderen een hoog risico op pesticideverontreiniging. Daarmee stonden wij op de vierde plaats van alle OESO-landen.
Mijn vraag aan minister Vandenbroucke was of hij zijn verantwoordelijkheid als minister van Volksgezondheid zou opnemen en in het licht van het voorzorgsbeginsel zou aansturen op een snellere herevaluatie van de nationale erkenning van glyfosaat. Hoe zult u in tussentijd samen met de regio's preventieve maatregelen nemen om de bevolking zoveel mogelijk te vrijwaren van die risico's?
David Clarinval:
Mijnheer Van Lysebettens, gelet op het feit dat uw vraag bekeken moet worden vanuit het perspectief van de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en aangezien er een protocolakkoord bestaat tussen mijn collega-minister Vandenbroucke en mezelf waarin werd afgesproken dat het beleid en de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen de facto onder mijn verantwoordelijkheid en bevoegdheid als minister van Landbouw vallen, heeft collega Vandenbroucke uw vraag opnieuw aan mij doorgestuurd. Mijn antwoord op uw vorige vraag heeft mogelijk voor verwarring gezorgd. Ik bied mijn excuses aan indien dat het geval is.
Ik kan u bevestigen dat de gezondheidsaspecten van gebruikers, omwonenden en consumenten bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen strikt worden gedefinieerd, onderzocht en in aanmerking genomen bij de evaluatie van de risico’s voorafgaand aan de afgifte van de toelating. In dit stadium lijken de nieuwe gegevens op het eerste gezicht onvoldoende overtuigend om de onmiddellijke invoering van nationale maatregelen te rechtvaardigen. We wachten dan ook de Europese beoordeling af.
Ik heb niets toe te voegen aan mijn antwoord dat ik heb gegeven tijdens de commissievergadering van 18 oktober jongstleden.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, ik denk dat de verwarring zich vooral op het kabinet voordeed en minder bij mij. Uit uw antwoord leid ik af dat u geen preventieve maatregelen zult nemen. Ik heb daarentegen wel iets toe te voegen aan uw antwoord uit de vorige commissievergadering. De glyfosaatreview, de studie waarnaar u in uw vorige antwoord hebt verwezen, is ondertussen door de onderzoekers teruggetrokken, omdat zij door de sector zelf werden betaald. De conclusies waarop het beleid zich baseert, zijn dus niet geldig. Het zou goed zijn mocht u de review van de glyfosaatveiligheid zo snel mogelijk zelf uitvoeren.
Het stempelen van eieren
De verplichte stempel op eieren in de meeste EU-lidstaten
Europese eierstempelverplichtingen
Gesteld door
Gesteld aan
MR David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Vooruit Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Katleen Bury bekritiseert dat België als één van de weinige EU-landen de verplichte stempelplicht voor eieren op pluimveebedrijven strikt toepast, terwijl andere lidstaten (zoals Denemarken, Spanje) de regel negeren, wat volgens de Landsbond Pluimvee leidt tot fraude (bv. valse "bio"-labels), oneerlijke concurrentie en voedselveiligheidsrisico’s. Ze vraagt waarom minister Clarinval (FAVV) geen Europese handhaving afdwingt en waarom België zich als "brave leerling" opstelt zonder level playing field. Clarinval verdedigt de strikte naleving, omdat deze traceerbaarheid en consumentenvertrouwen moet garanderen, en wijst op pragmatische uitzonderingen (bv. defecte printers). Hij bevestigt dat België bij de Europese Commissie aangedrongen heeft op een bevraging over naleving, maar Bury bekritiseert het ontbreken van concrete sancties tegen niet-nalevende landen en eist een krachtiger Belgische stem in Europa om gelijke regels af te dwingen.
Katleen Bury:
Uit recente berichtgeving blijkt dat de Europese verplichting om eieren reeds op het pluimveebedrijf te stempelen, sinds november 2024 van kracht, in de meeste lidstaten simpelweg niet wordt nageleefd. Enkel België, Duitsland, Nederland en Italië passen de regelgeving werkelijk toe. Andere lidstaten blijven gewoon stempelen in het pakstation, wat volgens de sector de deur wagenwijd openzet voor frauduleuze herbestempeling, bv. het labelen van gewone of ingevoerde eieren als “bio" of “vrije uitloop". Volgens de Landsbond Pluimvee ontstaat hierdoor een manifest ongelijk speelveld binnen de EU. België voert de regels strikt uit, terwijl andere lidstaten zichzelf uitzonderingen gunnen op basis van “objectieve criteria" die niemand lijkt te kennen en die niet eens moeten worden gemeld aan de Europese Commissie. Europa heeft dus geen zicht op de naleving, laat staan dat het ingrijpt.
Waarom neemt u, als voogdijminister van het FAVV, geen maatregelen of initiatieven op Europees niveau om deze scheeftrekking formeel aan te kaarten? Wanneer Belgische pluimveehouders extra verplichtingen en kosten opgelegd krijgen, terwijl andere lidstaten deze negeren, ontstaat niet alleen oneerlijke concurrentie maar ook een risico op voedselveiligheidsincidenten én op misleidende etikettering van eieren. Waarom blijft het FAVV hier afwachtend, terwijl de sector zelf al geruime tijd signalen geeft over structurele fraude en ongelijke toepassing?
Waarom kiest België er opnieuw voor om braaf de nieuwe regelgeving als één van de weinige landen strikt toe te passen? Men heeft de indruk dat dit land koste wat het kost “de beste leerling van de Europese klas" wil zijn, zelfs wanneer dat tot competitief nadeel leidt en het beoogde doel - Europese fraudepreventie - toch niet wordt bereikt. Wat is de motivatie om de stempelplicht op bedrijfsniveau meteen strikt uit te voeren, zonder te wachten op effectieve Europese handhaving of op een level playing field?
Ten slotte vraagt de sector om meer flexibiliteit (bv. een beperkte derogatie wanneer een printer defect is), wat in Nederland al in voorbereiding is. Staat het FAVV open voor een gelijkaardige pragmatische aanpak in België? Zo neen, waarom niet? De kern van de zaak is eenvoudig: België volgt de regels nauwgezet, andere landen doen dat nauwelijks, fraude blijft mogelijk, en onze landbouwers dragen de lasten. Graag verneem ik hoe u deze situatie zal rechtzetten.
David Clarinval:
De Europese verplichting om eieren rechtstreeks op de productie-inrichting te stempelen, werd ingevoerd om de traceerbaarheid, de voedselveiligheid en de marktintegriteit te versterken. Wanneer het stempelen pas in het pakstation gebeurt, kunnen eieren van verschillende bedrijven of productiesystemen vermengd raken, met het risico op foute of opzettelijk misleidende etikettering. Dat heeft in het verleden tot fraude geleid en maakt een snelle en precieze traceerbaarheid in geval van incidenten ingewikkeld.
Stempelen aan de bron vermindert dat risico en biedt de consument betrouwbare informatie. De Europese Commissie organiseerde in het voorjaar van 2023 een openbare raadpleging over de betreffende Europese wetgeving. Daaruit bleek duidelijk dat alle betrokken partijen de doelstelling van de verordening onderschrijven, namelijk een betere traceerbaarheid, alsook vermenging voorkomen, de voedselveiligheidsrisico's beperken en misleiding tegengaan.
De Belgische respondenten, waaronder de sector, reageerden zeer positief op de aanpassing. Europese verordeningen zijn rechtstreeks van toepassing in de lidstaten. Vanuit die juridische verplichting, maar ook en vooral omdat zowel het FAVV als de gewesten en zeker ook de Belgische sector de doelstelling van de stempelplicht op de productie-inrichting onderschrijven, past België deze verplichting consequent toe om de voedselveiligheid, maximale traceerbaarheid en een sterke marktintegriteit te verzekeren.
Het klopt dat het beoogde doel van de maatregel – meer fraudepreventie en een uniforme traceerbaarheid binnen de EU – enkel kan worden bereikt wanneer alle lidstaten de regel op dezelfde manier toepassen.
Het is precies daarom dat België er bij de Europese Commissie op aangedrongen heeft om een bevraging te organiseren om een totaalbeeld te krijgen van de werkelijke toepassing in de andere landen en van het gebruik van eventuele afwijkingen. Op basis van een bevraging van de sector zelf blijkt dat enkel België, Duitsland, Nederland, Italië en Frankrijk deze regelgeving toepassen, de laatsten weliswaar met de nodige derogaties. In Denemarken, Finland, Hongarije, Ierland, Spanje en Zweden zouden eieren nog steeds pas in het pakstation worden gestempeld.
Het FAVV past bij overmacht, zoals een defecte printer, een pragmatische en flexibele aanpak toe. Operatoren kunnen alternatieve oplossingen voorleggen aan de lokale controlediensten, die geval per geval onderzoeken. Op deze manier kunnen kwaliteitsvolle eieren alsnog als klasse A worden vermarkt en niet worden afgewaardeerd tot eieren van klasse B. Voor eieren die niet kunnen worden gestempeld om technische redenen, wordt voorgesteld om via de sectorfederaties een oplossing op Europees niveau te onderzoeken.
Daarnaast kan ik u meedelen dat in 2025 een aanvraag tot uitzondering en een tot regularisatie met betrekking tot deze verplichting werden ingediend. Ze werden allebei toegekend. Als federaal minister van Landbouw zie ik toe op de verdediging van de belangen van de pluimveehouders. Ik zal dit onderwerp toevoegen aan de agenda van de volgende interministeriële conferentie voor het Landbouwbeleid, zodat het nodige overleg daarover door de gewestministers van Landbouw kan worden gevoerd en het vervolgd kan worden.
Katleen Bury:
Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Ik zie dat u perfect op de hoogte bent van de problematiek. Dat is zeer goed. Dat u die uitzondering, die pragmatische aanpak bij een defecte printer, toestaat, is goed. De uitzonderingen die u hebt aangevraagd en toegekend, zijn ook goed. Echter, al de landen die niet meedoen, die de regelgeving niet volgen, vormen natuurlijk een enorm competitief nadeel voor de bedrijven die het wel doen. U hebt het over een bevraging die zal worden georganiseerd om een totaalbeeld te krijgen, maar ik mis in het antwoord een effectieve Europese handhaving, zodat er een gelijke behandeling is en gelijke regels voor iedereen gelden. Ik hoor graag een forse stem van België wanneer u dat in Europa verder bespreekt.
De uitsluiting van paardachtigen uit de voedselketen
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Katleen Bury bekritiseert dat EU-regels rond diergeneesmiddelen voor paarden – vaak om administratieve redenen – perfect gezonde dieren definitief uitsluiten van de voedselketen, wat voedselverspilling, dierenverwaarlozing, fraude en een tekort aan paardenvlees verergert, terwijl de Commissie zelf dit spanningsveld erkent. David Clarinval benadrukt dat voedselveiligheid primeert (gebaseerd op EMA-risicoanalyses), maar steunt wel een herziening naar tijdelijke uitsluiting met beschermende maatregelen om fraude en verspilling te beperken; België heeft dit standpunt al herhaaldelijk verdedigd in EU-overleg. Bury dringt aan op doorzetting van deze lobby, wijzend op de onnodige uitsluiting van jonge, gezonde paarden en de negatieve neveneffecten (verwaarlozing, behandelingsontwijking), terwijl Clarinval bevestigt dat zijn administratie een pragmatische, wetenschappelijk onderbouwde aanpak blijft nastreven zonder het veiligheidsniveau aan te tasten.
Katleen Bury:
Ik verwijs opnieuw naar de schriftelijke weergave van mijn vraag.
De Europese Commissie heeft zopas haar verslag gepubliceerd over het gebruik van diergeneesmiddelen bij paardachtigen en de uitsluiting van deze dieren uit de voedselketen. Daaruit blijkt onder meer dat vele paarden – soms nog jonge en perfect gezonde dieren – definitief uitgesloten worden van slacht voor menselijke consumptie omdat zij ooit behandeld werden met een diergeneesmiddel waarvoor geen MRL bestaat of dat onder een te restrictief regime valt.
Het rapport bevestigt dat dit leidt tot een reeks ongewenste effecten: toegenomen kans op verwaarlozing, dieren die niet behandeld worden uit angst voor uitsluiting, fraude met paspoorten en traceerbaarheid, en een structurele vermindering van het beschikbare paardenvlees in de Unie. Bovendien ondergraaft dit beleid volgens de Commissie zelf de doelstellingen inzake dierenwelzijn én voedselfraude, en creëert het een ongelijk speelveld met derde landen.
Opvallend is dat dit gebeurt op een moment dat zowel België als de Europese Unie de strijd tegen voedselverspilling tot prioriteit verheffen. Nochtans wordt hier wettelijk een aanzienlijke hoeveelheid hoogwaardig dierlijk eiwit onnodig buiten de voedselketen gehouden.
Hoe beoordeelt u deze vaststelling dat de huidige Europese regels rond diergeneesmiddelen ertoe leiden dat perfect gezonde paarden – vaak om louter administratieve redenen of omwille van de lijst verboden stoffen – definitief worden uitgesloten van menselijke consumptie?
De Commissie erkent dat deze permanente uitsluiting risico's op dierenverwaarlozing en fraude creëert. Welke bijkomende maatregelen zal België nemen om deze risico's te beperken zolang de Europese regels niet worden hervormd?
Bent u het ermee eens dat er een fundamenteel spanningsveld bestaat tussen het Europese anti-voedselverspillingsbeleid en de huidige aanpak voor paardachtigen? Zo ja, heeft België dit reeds formeel aangekaart bij de Commissie? Zo neen, waarom niet?
Zal België in het Europese overleg actief pleiten voor een herziening van het systeem van permanente uitsluiting, bijvoorbeeld via wetenschappelijk onderbouwde tijdelijke wachttijden, zoals verschillende lidstaten en stakeholders voorstellen?
Tot slot: op welke manier ziet u een mogelijk evenwicht tussen enerzijds de bescherming van de voedselveiligheid en anderzijds een werkbaar en proportioneel systeem dat dierenwelzijn respecteert, fraude ontmoedigt en voedselverspilling effectief tegengaat?
David Clarinval:
Mevrouw Bury, de regelgeving betreffende diergeneesmiddelen valt onder de bevoegdheid van de minister van Volksgezondheid. Ik stel u dan ook voor uw vraag aan hem te richten. De aspecten die verband houden met dierenwelzijn en de strijd tegen voedselverspilling vallen onder de bevoegdheid van de gewesten.
Ik begrijp dat de bevoegdheidsverdeling soms tot verwarring kan leiden, maar sinds 2014 valt dierenwelzijn onder de bevoegdheid van de gewesten, terwijl dierengezondheid onder die van de federale overheid valt. Het is belangrijk dat onderscheid in herinnering te brengen om de efficiëntie van de werkzaamheden te garanderen. Ik kan u evenwel een antwoord geven voor de aspecten die verband houden met de voedselveiligheid.
De strijd tegen fraude in de voedselketen is een van de prioriteiten van het FAVV. België voert al vele jaren strenge controles uit in de slachthuizen om fraude met betrekking tot de traceerbaarheid van paardachtigen tegen te gaan. De Nationale Opsporingseenheid van het FAVV voert op dat gebied regelmatig acties uit en mijn diensten zullen die opdracht met dezelfde strengheid blijven uitvoeren.
Ik wil er ook op wijzen dat de veiligheid van de consument voorop moet blijven staan. Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft op basis van de beschikbare wetenschappelijke gegevens verschillende stoffen geïdentificeerd waarvan de aanwezigheid van residuen in dierlijke producten een bewezen risico voor de consument vormt. Die stoffen mogen dus niet worden toegediend aan dieren die voor de productie van levensmiddelen worden gehouden. Die wetenschappelijke gegevens kunnen niet worden genegeerd.
Ik ben wel van mening dat in bepaalde gevallen een definitieve uitsluiting van dieren uit de voedselketen kan worden vervangen door een tijdelijke uitsluiting, gecombineerd met aanvullende beschermende maatregelen. Dat zou het mogelijk maken het aantal paardachtigen dat definitief wordt uitgesloten te verminderen en zo de prikkels voor fraude te beperken.
David Clarinval:
België heeft dat standpunt al herhaaldelijk aan de Europese Commissie meegedeeld. Ik kan u bevestigen dat mijn administratie tijdens de onderhandelingen een pragmatische benadering zal blijven verdedigen, met behoud van een hoog beschermingsniveau voor de voedselketen.
Katleen Bury:
Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het betreft inderdaad een opsplitsing tussen verschillende ministers. Ik merk evenwel een aantal belangrijke zaken op die u hebt gezegd, met name over de strijd tegen voedselverspilling en over de pragmatische benadering van België. U hebt er al voor gepleit, zegt u, om het systeem van permanente uitsluiting te herzien. Ik kan er alleen maar op blijven hameren dat u dat ook blijft doen. Het kan immers niet zijn dat een dier dat nog jong en perfect gezond is en ooit eens een middel heeft gekregen, daardoor volledig uit dat regime zou vallen. Ik kan er dus alleen maar op hameren dat u daar blijvend op inzet. Dat zal de dieren ten goede komen, daar ben ik van overtuigd. Dierenwelzijn behoort dan wel niet tot uw bevoegdheden, maar ik ben ervan overtuigd dat u daar ook zeer mee begaan bent. Het gaat dan om ongewenste effecten, zoals de toenemende kans op verwaarlozing, het niet behandelen uit angst voor uitsluiting en de fraude, waarvoor u ook bevoegd bent via de paspoorten en de traceerbaarheid. Ik vraag u daarom met aandrang te blijven inzetten op een wijziging van het systeem van permanente uitsluiting.
De incoherente bestrijdingsaanpak van de Aziatische hoornaar en de gevolgen voor de bijenteelt
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Katleen Bury (N-VA) bekritiseert de alarmerende bijensterfte (20% voor december) door Aziatische hoornaarpredatie, wijst op versnipperd beleid en vraagt om wetenschappelijke evaluatie van bestrijdingsmethoden en een uniform actieplan. Minister Clarinval (MR) erkent de dreiging maar verwijst naar gewestelijke bevoegdheden, meldt een nieuwe focus op grenscontroles en reuzenhoornaar in het federaal bestuiversplan (2026–2028), en benadrukt verbod op fipronil (giftig voor mens/bijen). Bury bekritiseert zijn antwoord als onduidelijk en onvoldoende, eist concrete timing en leiderschap en noemt de situatie "zeer ernstig" zonder zicht op oplossingen.
Katleen Bury:
Het Vlaams Bijeninstituut (VBI) publiceerde recent alarmerende cijfers over het verlies van bijenvolken in België. Meer dan één op de vijf kolonies ging reeds vóór 1 december verloren, wat volgens deskundigen niet te verklaren is door klassieke wintersterfte maar wel door verhoogde predatiedruk, in het bijzonder van de Aziatische hoornaar. Zowel hobby-imkers als professionele bedrijven worden zwaar getroffen. De helft van de bevraagde imkers overweegt zelfs te stoppen, wat op termijn ernstige gevolgen dreigt te hebben voor bestuiving, voedselproductie en biodiversiteit.
De huidige aanpak in dit land blijft sterk versnipperd: gewesten werken met uiteenlopende richtlijnen, gemeenten hanteren verschillende bestrijdingsmethoden, en imkers investeren noodgedwongen op eigen risico in hulpmiddelen waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is gevalideerd.
Uw beleidsnota stelt dat bestuivers expliciet prioriteit krijgen.
Ik had hierover de volgende vragen:
Erkent de minister dat de Aziatische hoornaar vandaag een van de grootste acute bedreigingen vormt voor zowel wilde als gedomesticeerde bestuivers?
Is de minister reeds in overleg getreden met het Vlaams Bijeninstituut, imkerfederaties en wetenschappelijke instellingen naar aanleiding van de recente enquête en de sterke toename van verliezen?
Zal u een wetenschappelijke evaluatie laten uitvoeren van de verschillende bestrijdingsmethoden (klassieke vallen, elektrische systemen, voorjaarsvangst van koninginnen, nestopsporing)?
Welke concrete maatregelen acht u noodzakelijk om deze predatiedruk te verlagen?
Hoe wil u uitvoering geven aan doelstelling 5 van het bestuiversplan – namelijk betere samenwerking tussen overheden – wat de bestrijding van de Aziatische hoornaar betreft?
Overweegt u een actieplan of een richtlijn die gewesten, provincies en gemeenten een uniforme en wetenschappelijk onderbouwde aanpak aanreikt?
Tegen wanneer zullen imkers, federaties en sectororganisaties concreet beleid of maatregelen mogen verwachten?
David Clarinval:
Mevrouw Bury, ik ben zeer bezorgd over de impact die de Aziatische hoornaar heeft op zowel wilde als gedomesticeerde bestuivers. De federale overheid onderneemt al vele jaren actie ten voordele van bestuivers, via federale bestuiversplannen, die ook aansluiten bij de Nationale Strategie 2021–2030. Deze acties, geïntegreerd in de internationale, Europese en Belgische context, reageren op bestuiversgerelateerde problemen binnen het kader van de bevoegdheden van de federale overheid en zijn erop gericht de acties binnen de Belgische context te stroomlijnen.
Hoewel de Aziatische hoornaar bij ons wijdverspreid en gekend is, moet ook worden gewezen op de dreiging die uitgaat van een andere soort, namelijk de reuzenhoornaar, die aan onze deur staat. Daarom heb ik, samen met mijn collega’s bevoegd voor Leefmilieu, in het Bestuiversplan 2026–2028 een hoofdstuk toegevoegd dat bestaat uit drie punten over deze predatoren, namelijk het versterken van de controles aan de grenzen tegen de onopzettelijke introductie van de Aziatische hoornaar, de samenwerking tussen het FAVV en het directoraat-generaal Leefmilieu, het onderzoek naar een gecoördineerd beheer tussen de federale overheid en de gewesten om de introductie en verspreiding van de reuzenhoornaar te voorkomen en het verbeteren van de informatie over vernietigingstechnieken. Dit punt zal worden aangestuurd door de administratie van mijn collega bevoegd voor Leefmilieu. Het plan is nu gefinaliseerd en zal binnenkort worden onderworpen aan een openbare raadpleging.
Bovendien organiseert de federale werkgroep Bijen van de FOD Volksgezondheid, afhankelijk van de noden binnen de sector, overlegmomenten met alle betrokken actoren. Er is minstens één jaarlijkse bijeenkomst met de bijenteeltsector. Het overlegplatform biedt de sector de gelegenheid om voorstellen tot wetswijzigingen, onderzoeksinitiatieven of andere vormen van samenwerking aan te kaarten.
Tijdens de vergadering van 28 oktober 2025 werd de enquête van het VBI op zich niet vermeld. Wel werd de problematiek aangekaart. In die vergadering werd geconcludeerd dat de federale overheid geen bevoegdheid heeft inzake de bestrijding van de Aziatische hoornaar aangezien dat operationele aspect onder de bevoegdheid van de gewesten valt. In dezelfde vergadering werd evenwel een overleg met Vlaanderen gepland om het federale onderzoek nog beter af te stemmen op het Vlaamse project van het Strategisch Plan Bijenteelt.
Voor de evaluatie van methoden voor de bestrijding van de Aziatische hoornaar is het aan de gewesten om u het gepaste antwoord te geven. Ik wil in het bijzonder onderstrepen dat tijdens de vergadering van 28 oktober 2025 het FAVV heeft benadrukt dat het gebruik van fipronil voor het verdelgen van nesten van de Aziatische hoornaar verboden is. Die stof is immers uiterst giftig voor de mens en mag niet worden gebruikt bij dieren die bestemd zijn voor de voedselketen.
In 2025 werden bij het FAVV acht monsters aangeboden voor analyse met een vermoeden van acute vergiftiging van bijen. In drie van die monsters werd fipronil aangetroffen.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, sta mij toe om dit allemaal wel heel onduidelijk te vinden. U hebt het over uw federaal bestuiversplan, waaraan een hoofdstuk wordt toegevoegd. Een derde deel van dat hoofdstuk gaat over de vernietigingstechnieken. Er zal een openbare raadpleging en een jaarlijks overleg met de sector plaatsvinden. Dan zegt u plots dat u voor alle methoden naar de gewesten moet doorverwijzen. Waarom schrijft u dan mee aan een hoofdstuk over die vernietigingstechnieken? Dat begrijp ik niet goed. U weet dat wij een koele minnaar van het federale niveau zijn, maar zolang wij meedraaien in dit systeem, werk ik ook in dit systeem. Als ik zie dat dit in uw beleidsnota staat, dan denk ik dat u daarin een voortrekkersrol hebt. Dan is dit geen afdoend antwoord. Ik heb ook niet echt gehoord wanneer u dan met dat extra hoofdstuk en die extra vernietigingstechnieken daadwerkelijk een oplossing naar voren gaat schuiven of aan de sector maatregelen, een beleid, een actieplan, een richtlijn gaat meegeven. Neen, dit is geen goed antwoord. Het is een zeer ernstige problematiek. We zien nu al voor 1 september dat heel veel kolonies verloren zijn gegaan. Ik had er meer van verwacht.
Het Omnibus VII-pakket over de voedselveiligheid
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Patrick Prévot bekritiseert dat de EU via Omnibus VII een verzwakking van pesticidenregulering plant, waaronder levenslange toelatingen zonder herbeoordeling, het negeren van onafhankelijk wetenschappelijk bewijs en verlengde "gratieperiodes" na verboden, wat volgens 114 milieugroepen in Le Monde onaanvaardbaar is. Minister David Clarinval ontkent dat sprake is van deregulering, wijst op het ontbreken van een definitief voorstel en benadrukt dat de EFSA strikt toeziet, maar deelt wel zorgen over onbeperkte toelatingen; hij wil wel versnelling voor biopesticiden en belooft een kritische analyse tijdens de onderhandelingen. Prévot blijft skeptisch over de gelekte plannen maar hoopt dat Clarinval zijn invloed zal gebruiken om verzwakking van de regels te blokkeren. België’s exacte rol in de voorbereiding blijft onduidelijk.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, depuis les dernières élections, on observe, au niveau des institutions européennes, un recul sur les questions sociales et environnementales. On l'a vu avec l'Omnibus I et le recul sur le devoir de vigilance des entreprises. On l'a vu avec l'Omnibus numérique et le recul sur la protection des données personnelles. Et on le voit aujourd'hui en matière de pesticides.
D'aucuns annoncent pour le 16 décembre prochain la publication d'une proposition Omnibus VII sur la sécurité des aliments. En réalité son contenu a fuité… et il est alarmant. Sous couvert de simplification administrative, la Commission veut déréguler les pesticides. Parmi les mesures envisagées, on trouve:
La suppression du réexamen systématique et périodique (tous les 10 ou 15 ans) des autorisations de mise sur le marché pour la très grande majorité des pesticides. Concrètement, si cette mesure était adoptée, des centaines de pesticides chimiques bénéficieraient d'une autorisation à vie, et il sera très difficile de prendre en compte les nouvelles données scientifiques démontrant leur dangerosité.
La suppression de l'obligation pour les États membres de prendre en compte les dernières données scientifiques indépendantes dans les autorisations nationales des produits phytosanitaires.
L'extension des "périodes de grâce" à trois ans pour l'utilisation après une interdiction.
Le 1 er décembre dernier, 114 organisations de protection de l'environnement ont publié une tribune dans le journal Le Monde, demandant le retrait immédiat par la Commission de sa proposition Omnibus VII.
Mes questions sont les suivantes:
La Belgique a-t-elle contribué à l'Omnibus sur la sécurité des aliments, dans le cadre du processus de consultation préalable? Si oui comment?
Comment réagissez-vous au contenu de l'Omnibus VII et à la carte blanche des 114 organisations de protection de l'environnement qui demandent son retrait immédiat?
Le gouvernement fédéral compte-t-il s'opposer au projet de dérégulation des pesticides, avec pour objectif la santé publique et la protection de l'environnement?
David Clarinval:
Monsieur le député, il est difficile de répondre à vos questions sans connaître le texte définitif qui sera publié par la Commission européenne. À ma connaissance, celui-ci est encore en pleine discussion et de nombreux détails importants peuvent encore évoluer. De plus, la proposition doit encore être approuvée via la procédure régulière, ce qui peut entraîner de nouvelles modifications.
D'après les contacts entre mon administration et la Commission européenne, il est clair pour moi qu'elle n'a absolument pas l'intention de déréguler les produits phytopharmaceutiques. Au contraire, la Commission européenne, en collaboration avec l'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA), prend ses responsabilités très au sérieux et assure un encadrement extrêmement strict en matière de produits phytopharmaceutiques. Jusqu'à présent, les États membres n'ont toutefois pas été associés à l'élaboration de cette législation omnibus. Il me paraît dès lors prématuré de réagir à ce stade sur la version publiée hier. L'administration doit maintenant réaliser une analyse approfondie de la proposition. Des discussions auront ensuite lieu pour affiner celle-ci. Je peux déjà vous dire que je partage la préoccupation concernant les autorisations de substances actives à durée illimitée. Mais d'une autre côté, je soutiens le développement de mesures susceptibles de libérer des capacités afin d'accélérer la mise sur le marché de biopesticides. Il conviendra toutefois d'évaluer ces propositions en détail, en identifiant clairement leurs avantages et leurs inconvénients.
Lors de la discussion de la proposition et de la mise en œuvre concrète de la législation, je veillerai à ce que les produits phytopharmaceutiques fassent l'objet d'une évaluation approfondie. Comme toujours, je collaborerai de manière constructive et pragmatique à la poursuite des travaux de la Commission, avec pour objectif l'amélioration du cadre législatif européen pour les produits phytopharmaceutiques.
Patrick Prévot:
Je vous l'accorde, monsieur le ministre, nous ne connaissons effectivement pas encore pleinement le contenu du texte. Néanmoins, les contours et la philosophie de celui-ci ont fuité et sont de nature à nous inquiéter. Je retiens une chose de vos contacts avec la Commission, c'est qu'il n'y aurait pas d'intention de déréguler les produits phytopharmaceutiques, ce qui est évidement un élément essentiel. J'ai entendu aussi votre philosophie et le constat que vous partagez partiellement. J'espère donc que vous pourrez peser de tout votre poids pour qu'aucune régulation de produits phytopharmaceutiques n'intervienne, car ce serait très dommageable.
Het mentale leed van landbouwers
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Patrick Prévot wijst op een alarmerende universitaire studie waaruit blijkt dat drie kwart van de landbouwers psychologische nood ervaart en de helft depressief is, met zelfmoord als reëel risico door overwerk, financiële onzekerheid en klimaatstress – hij bekritiseert het gebrek aan concrete federale actie en dringt aan op analyse van de studie en preventieve maatregelen. Minister David Clarinval bevestigt de crisis (dierziektes, regelgeving, marktonzekerheid, geopolitiek) en verwijst naar bestaande steun (Boeren op een Kruispunt, Agricall Wallonie) en een task force tegen oneerlijke handelspraktijken, maar geeft toe de studieauteurs niet ontmoet te hebben – hij belooft dialoog en juridische aanpassingen "indien nodig". Prévot betwist de effectiviteit van huidige initiatieven, benadrukt de structurele uitbuiting (7/7-werkdruk, inkomenstonzekerheid) en stelt voor gezamenlijk de studie te bespreken om suïcidepreventie te versterken, met nadruk op systemische oplossingen in plaats van louter luisterhulp. Beide spreken urgentie uit, maar Prévot eist sture maatregelen, Clarinval blijft vaag over concrete plannen.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, une étude universitaire a mis en évidence que plus de trois quart des agriculteurs sont actuellement en détresse psychologique et un sur deux est en état de dépression. Ces chiffres sont évidemment alarmants. Les longues heures de travail, l'isolement, l'insécurité financière, les aléas climatiques et l'incertitude des marchés entraînent des exigences professionnelles élevées. Lorsque ces exigences deviennent trop lourdes à porter, elles peuvent conduire à l'épuisement professionnel et à un risque accru de pensées et de comportements suicidaires. Ces dernières années, des cas malheureux nous ont été régulièrement rapporté d'agriculteurs ou d'agricultrices qui, parfois après une dépression ou une dépression cachée, ont commis l'irréparable. Ces constats se passent de commentaire.
Monsieur le ministre, avez-vous rencontré les auteurs de l'étude? Avez-vous analysé les résultats de celle-ci en profondeur? Enfin, parce que, tout comme nous, vous êtes législateur, quelles actions comptez-vous initier au niveau fédéral pour répondre à la détresse psychologique de ces agriculteurs?
David Clarinval:
Monsieur Prévot, je suis pleinement conscient des inquiétudes profondes et des difficultés, notamment psychologiques, auxquelles de nombreux agriculteurs sont aujourd'hui confrontés. Ces réalités me touchent d'autant plus que je suis en contact régulier avec des agriculteurs et avec leurs représentants, tant dans le cadre de mes fonctions que dans ma vie personnelle.
En effet, le secteur agricole fait face à une accumulation de défis majeurs. Aux maladies animales qui touchent ou menacent notre pays – nous voyons l'inquiétude monter avec la dermatose nodulaire en France, par exemple, et je peux également citer la grippe aviaire, l'IBR ou la fièvre catarrhale – s'ajoutent des maladies des plantes, un contexte géopolitique instable, une réglementation toujours plus complexe, des tensions persistantes au sein de la chaîne alimentaire, ainsi qu'une charge de travail élevée et un avenir souvent perçu comme incertain.
Cette combinaison de facteurs exerce une pression considérable sur les agriculteurs et explique les préoccupations exprimées.
En ce qui concerne vos questions, je n'ai pas encore eu l'occasion de rencontrer les auteurs à ce stade. Cela étant, je m'efforce, dans le traitement des dossiers dont j'ai la responsabilité, de maintenir un dialogue ouvert, transparent et respectueux avec les agriculteurs, d'être à l'écoute de leurs préoccupations, de tenir compte de leurs revendications et de chercher, que ce soit dans le cadre juridique existant ou en le faisant évoluer lorsque cela s'avère nécessaire, les solutions bénéficiant du soutien le plus large possible. Cela demeure ma priorité.
Ensuite, la task force agroalimentaire mise en place en marge du conflit entre la Russie et l'Ukraine a permis d'aboutir à un certain nombre de réalisations concrètes, qu'il s'agisse de la lutte contre les pratiques commerciales déloyales ou du renforcement de la position de l'agriculteur au sein de la chaîne.
Je tiens aussi à rappeler l'existence de deux dispositifs de soutien essentiels, l'un en Flandre, l'association Boeren op een Kruispunt, l'autre en Wallonie, Agricall Wallonie. Ces structures interdisciplinaires offrent aux agriculteurs un accompagnement précieux face à leurs défis quotidiens.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, le métier d'agriculteur est, en tout cas sur papier, très certainement un métier merveilleux. Malheureusement, la réalité est bien différente et les difficultés sont nombreuses. J'en ai rappelé tout à l'heure dans ma question. Vous en avez ajouté dans votre réponse. C'est évidemment multifactoriel. On l'a dit, l'incertitude des marchés, l'incertitude de savoir combien on touchera à la fin du mois. Un travail particulièrement pénible où les dimanches ressemblent à des lundis et inversement. Une activité au quotidien, très peu de repos et une charge mentale qui explose. On se retrouve avec des agricultrices et des agriculteurs parfois dans une profonde détresse, qui en arrivent dans certains cas à commettre l'irréparable. Si je vous ai demandé si vous aviez rencontré les auteurs de cette étude universitaire, c'est parce que je pense très sincèrement qu'elle est documentée, qu'elle est sérieuse et qu'elle met vraiment le doigt sur des difficultés criantes du monde agricole. Premièrement, je pense que ce serait intéressant de pouvoir les rencontrer. À titre personnel, je vais essayer d'avoir au moins un contact avec eux. Si vous le souhaitez, on peut le faire ensemble avec le plus grand des plaisirs. Deuxièmement, il faut tirer les conclusions de cette étude pour voir comment on peut, en plus de l'expérience de terrain qui est la vôtre – je sais que vous avez de très nombreux contacts –, essayer de mettre en place des mécanismes pour éviter ce taux de suicide important parmi les femmes et les hommes qui nous nourrissent.
De vaccinatie tegen blauwtong
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Clarinval verdedigt de succesvolle verplichte vaccinatiecampagne 2025 tegen bluetongue (95,8% runderen, 102,1% schapen), die volgens hem de virusverspreiding effectief indamde, maar schaft de verplichting en 40-miljoen-subsidie voor 2026 op omdat het budget (51 miljoen uiteindelijke kost) enkel voor één jaar was voorzien – een miljoen blijft beschikbaar voor restdossiers. Hij beveelt sterk aan vrijwillige vaccinatie voort te zetten, vooral voor jongvee, maar Prévot uitte eerder kritiek op het "verlaten" van veehouders en het risico van herhaling door wegvallende steun, ondanks de waarschuwing dat buurlanden nog steeds risico’s kennen. Beide benadrukken partij-overstijgende samenwerking als sleutel tot het succes, met Prévot die de actualisering van veestapels als nevenwinst noemt.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, il y a un an et un mois, j'avais mis au vote, en commission Santé, une résolution sur la stratégie de lutte contre la fièvre catarrhale.
La situation était alors particulière: une épidémie qui s'était considérablement développée durant l'été 2024; sans doute un défaut de prévoyance dans le chef de l' É tat, alors que le premier cas en Flandre remonte à 2023. Beaucoup d'éleveurs se sont sentis abandonnés. Le préjudice était élevé; mais surtout, vous annonciez une vaccination obligatoire pour 2025 alors qu'aucun budget n'était disponible, donc le tout à la charge des éleveurs. Après débat, la Chambre a voté la prise en charge par l' É tat des frais de vaccination et la mise en place d'une véritable stratégie de vaccination.
Celle-ci a pu être déployée durant l'année 2025 mais on a appris, avec les douzièmes provisoires: que vous supprimiez pour 2026, l'enveloppe de 40 millions prévue pour la vaccination; celle-ci cesse d'être obligatoire. Elle redevient volontaire, avec le message envoyé aux éleveurs de poursuivre les efforts en 2026.
Mes questions sont les suivantes: Quel est le bilan de la stratégie vaccinale pour 2025? Quelle est l'analyse de risque pour 2026? Comment justifiez-vous la suppression de l'enveloppe pour la vaccination? Ne risque-t-on pas de se retrouver, après l'été, à nouveau, dans une situation compliqué, d'autant que vous communiquez que "la situation dans les pays voisins reste préoccupante".
David Clarinval:
Monsieur le député, vous auriez dû relire le début de votre question puisque vous évoquez le fait qu'il y a un an et un mois, nous débattions ici de la résolution sur la stratégie de lutte contre la fièvre catarrhale. Par la suite, nous avions avancé sur la question de la vaccination. Prenons donc le temps aujourd'hui d'évaluer cette année écoulée.
Je suis ravi de vous annoncer que la campagne de vaccination obligatoire contre la maladie de la langue bleue et la maladie hémorragique épizootique menée en 2025 se clôture sur un bilan très positif. Les taux de vaccination atteints sont particulièrement élevés, garantissant ainsi une protection collective des troupeaux. Ces taux s'élèvent respectivement à 95,8 % pour les bovins et à 102,12 % – oui, il est possible d'aller au-delà de 100 % – pour la vaccination des moutons.
Concernant le sérotype 3 de la maladie de la langue bleue, la majorité des troupeaux sont protégés, soit par une immunité naturelle acquise après infection, soit par une immunité vaccinale. Ce très haut niveau de protection immunitaire devrait bloquer la circulation du virus. S'agissant du sérotype 8 détecté en Belgique en août 2025, son impact est resté très limité grâce à la vaccination. Quant au virus de la maladie hémorragique, il n'a pas encore franchi les frontières belges. La couverture vaccinale atteinte limitera son impact sur les troupeaux s'il devait apparaître en Belgique.
Même si la vaccination ne sera pas rendue obligatoire en 2026, la vigilance reste essentielle face à ces maladies vectorielles. Le maintien d'une couverture vaccinale élevée est fortement recommandé, en particulier via la vaccination des jeunes animaux qui seront nés en 2026 et via les rappels de vaccination des animaux vaccinés avant la mise en pâture. Je conseille donc fortement de recommander le plus rapidement possible les vaccins auprès des vétérinaires, sachant que les firmes pharmaceutiques attendent ces commandes pour établir leur planning de livraison pour la Belgique.
Les détenteurs et les vétérinaires ont été informés et sont pleinement conscients des enjeux, au regard notamment des conséquences de l'épidémie de 2024. Une communication dans la presse spécialisée a été également envoyée début décembre.
L'enveloppe de 40 millions, prévue pour la campagne de vaccination obligatoire, a été entièrement utilisée. Cette enveloppe avait été prévue uniquement pour une année de vaccination obligatoire.
En raison du grand succès de la campagne de vaccination – nous avions pensé qu'on aurait plutôt un taux de vaccination de 80 % et on est arrivé à 102 % pour les moutons, parce qu'on a constaté qu'il y avait en fait beaucoup de moutons qui n'existaient pas sur papier et qui sont subitement apparus –, nous avons dû trouver 10 millions en plus en 2025 pour vacciner les moutons. En 2026, un budget d'un million d'euros est prévu pour les derniers dossiers qu'il faudra traiter. Cette campagne aura finalement coûté 51 millions en tout.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre, d'avoir pris le temps d'évaluer ce dossier un an après. Effectivement, comme vous l'avez rappelé, cette campagne se clôture sur un bilan positif, avec un taux de 95,8 % pour les bovins – on ne s'attendait pas à cela lorsque nous avions discuté longuement de ce dossier – et de 102 % pour les moutons. Comme vous l'avez dit, il y avait des moutons qui n'existaient pas sur papier. Cette campagne de vaccination aura également permis d'actualiser et de procéder à un recomptage plus précis des cheptels. Pour terminer sur une note positive, puisque c'est la dernière question de cette réunion, je dirai que c'est un dossier qui nous a occupés quelques journées et quelques commissions. Nous avons eu également quelques coups de téléphone et quelques échanges à titre personnel. Je suis content de voir que ce dossier a été mené à bien. Comme quoi, on peut parfois venir d'horizons ou de partis différents et mener des combats communs, qui peuvent se révéler des succès ensuite. Je pense que cela doit nous rassurer, en tant que femmes et hommes politiques, de se dire qu'il y a encore des combats "trans-partis" qui peuvent être menés de front. Et c'est évidemment ce qu'attendent de nous les personnes qui nous ont élus. La réunion publique de commission est levée à 15 h 33. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.33 uur.