meeting-commission
De stand van zaken met betrekking tot het CORESPO-onderzoek De niet-publieke CORESPO-deelrapporten en de methodologische bezorgdheden Het CORESPO-rapport Het CORESPO-rapport inzake corruptie Corruptie bij de politiediensten en het CORESPO-rapport Het CORESPO-rapport Het CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie Het uitgelekte CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie Het interne rapport van de federale politie over inmenging en corruptie Meldingen in de doofpot en schendingen van de integriteit bij de gerechtelijke politie Een intern rapport over corruptie en inmenging Mijnheer de minister, het was me wat bij de federale politie, de afgelopen dagen. Eerst was er de ambitie om dat rapport achter te houden. De federale politie en uzelf hadden niet veel zin om dat met ons te delen. Toen afgelopen weekend duidelijk werd dat het deksel toch van de beerput ging, veranderden jullie van tactiek. U zei onlangs in de commissie dat het rapport niet representatief en van een bedenkelijke kwaliteit is. Ook de personeelsleden van de federale politie kregen afgelopen maandag een mailbericht in die zin: “Er is een gebrek aan solide wetenschappelijkheid en methodologische grondslagen.” De titel van dat bericht sprak boekdelen: “Ons dagelijks werk voortzetten.” Dat was de ambitie bij de federale politie: niet omzien en voortwerken. Vandaag lees en hoor ik in de media dat u voor de derde keer een bocht neemt. Derde keer, goede keer, denk ik dan. U zegt dat er een onafhankelijk onderzoek komt naar systemische problemen inzake corruptie bij de federale politie. Het is goed dat er zo’n rapport komt. We moeten inderdaad bekijken of de systemen voldoende robuust zijn om zowel een goede detectie als een goede interne afhandeling te garanderen. Als ik de vele tientallen mails bekijk die ik de afgelopen dagen ontvangen heb van federale politiemensen, dan denk ik dat die systemen zeker voor verbetering vatbaar zijn. U zegt dat er een groter onderzoek moet komen. Wij hebben gisteren een schrijven gericht aan de voorzitter van de Kamer om het Comité P een onderzoek te laten uitvoeren naar het probleem van corruptie bij de politie. Het Comité P kent de materie ook goed, dus dat leek ons een goed idee. In ieder geval vind ik het belangrijk om nogmaals te zeggen dat de meeste agenten te goeder trouw en helemaal niet corrupt zijn. Door de manier waarop de leiding van de federale politie met dat rapport omgaat, komen ook al de integere agenten in een slecht daglicht te staan. De top van de federale politie lijkt echter niet geneigd om iets te doen. De kwestie is belangrijk voor ons als burgers, voor de politieagenten zelf en voor de politie als organisatie. Tot slot blijf ik nog met een brandende vraag zitten. Wie is de politicus die vermeld wordt in dat rapport? Weet u over wie het gaat? Het betreft immers zware aantijgingen tegenover een politicus en om die reden is het van het allergrootste belang dat wij weten over wie het gaat. Welke gevolgen hebben de betrokken agenten ondervonden? Als agenten gestraft zijn omdat ze dat geweigerd hebben, hebben we het recht om dat te weten. U zit op het goede spoor, maar we moeten de omerta bij de federale politie op dat punt kunnen doorbreken. Collega’s, ik zal strenger moeten toezien op het respecteren van de spreektijd, want anders zullen we heel weinig vragen kunnen behandelen vandaag. Iedereen krijgt twee minuten spreektijd in de eerste ronde. Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik benadrukken dat er bij de federale politie, bij welke dienst dan ook, bijzonder veel mensen dag en nacht werken om in onze veiligheid te voorzien. We zijn die mensen daarvoor enorm dankbaar. We worden nu voor de tweede keer geconfronteerd met artikels in de pers, waarop wij ons als parlementsleden moeten baseren. We hebben geen inzage in het CORESPO-rapport, dat verslag uitbrengt over een bevraging naar corruptie. Wanneer we vaststellen dat 1.244 personen aan die bevraging hebben deelgenomen, blijkt daaruit wel degelijk een vorm van vertrouwen, namelijk het vertrouwen om die enquête in te vullen. Dat is een element dat positief moet worden benaderd. Hier staat immers het imago van onze federale politie op het spel. Dat imago acht ik van groot belang. Ik weet dat u die mening deelt. Dat veronderstelt uiteraard onberispelijk gedrag. Politieambtenaren hebben immers een voorbeeldfunctie, moeten integer handelen en moeten een volledig anticorruptieplan hebben klaarliggen. Het traject is destijds door de commissaris-generaal zelf opgestart. We zijn dan ook bijzonder benieuwd naar de bevindingen, naar de maatregelen die in dat rapport worden voorgesteld en naar de manier waarop men daarmee intern aan de slag gaat. Het is belangrijk dat aanbevelingen en maatregelen niet alleen worden uitgesproken, maar ook daadwerkelijk worden opgevolgd. Daarnaast vind ik het essentieel dat personeelsleden die wantoestanden signaleren of wijzen op mogelijke corruptie, daarvoor terechtkunnen bij meldpunten en dat die meldingen ook effectief worden opgevolgd. De terugkoppeling over die opvolging kan wellicht worden verbeterd, aangezien blijkt dat er binnen de politie een zekere onvrede leeft. We betreuren dan ook dat we tot op heden geen inzage hebben gekregen in dat rapport, al vernemen we dat die inzage alsnog zal worden verleend. Het is voor ons eveneens belangrijk om een zicht te krijgen op de andere rapporten. Er zou ook een rapport volgen over een traject inzake extremisme. Zal dat rapport nog worden bezorgd? Hoe staat het met de andere rapporten die in het vooruitzicht zijn gesteld? U sprak in de media ook over een externe audit. U weet dat we daarvoor al geruime tijd vragende partij zijn. Wie zal die audit uitvoeren en wanneer wordt die opgestart? Wanneer mogen we de resultaten verwachten? Welke maatregelen zullen worden genomen om corruptie daadwerkelijk aan te pakken? Dat lijkt mij namelijk de kern van de zaak. Ik begrijp niet goed waarom de methodologie nu in vraag wordt gesteld. Ik zal u uitleggen waarom. Normaal gezien legt men in het begin van een traject de methodologie vast. Vooraleer men aan de slag gaat, controleert men of die methodologie op punt staat. Er zijn immers heel wat mensen en middelen mee gemoeid om een dergeljk verslag te schrijven. Dat is ook de bedoeling. Daarom moet men de methodologie op voorhand in vraag stellen, zodat men tot een betrouwbaar resultaat komt. Ik zie dat er heel wat respondenten zijn. Volgens wat ik verneem uit de pers, staat er ook heel wat informatie in dat rapport staat. We kunnen dat rapport inhoudelijk niet zomaar volledig naast ons neerleggen. Ik ben benieuwd naar hoe die methodologie eruitziet. Ik wil ook transparantie in dat dossier. Ik begrijp ook niet goed waarom het rapport, als het er al sinds juni is, niet door de commissaris-generaal werd toegelicht. Mijnheer de minister, daarom vragen wij inzage in dat rapport. Wij willen ook de commissaris-generaal zelf over dat rapport kunnen ondervragen, om te zien welk gevolg intern aan dat verslag wordt gegeven en hoe de commissaris-generaal met de extra aanbevelingen die er nog komen zal omgaan, om de corruptie binnen de politiediensten tegen te gaan, zonder al een voorafname over de interne bedrijfscultuur te doen. Zo veel mensen hebben dat ingevuld. Dat bewijst dat zij toch een bepaald vertrouwen hadden om dat in te vullen. Ik vind dat we de federale politie niet volledig in een slecht daglicht mogen stellen, want dat doet de mensen die dagelijks goed werk leveren onrecht aan. Mevrouw De Vreese, ook u hebt de spreektijd wat overschreden. Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé l'existence d'un rapport interne, provisoire, du service intégrité de la police fédérale, qui est fondé sur un sondage réalisé auprès d'environ 1 170 collaborateurs de la police judiciaire fédérale. Ce document, dont la méthodologie est aujourd'hui contestée, fait état de préoccupations qui sont exprimées par une partie des répondants concernant des tentatives d'influence, des pressions illicites et des comportements contraires à l'éthique, tant internes qu'externes à l'institution policière. Il est vrai que ceci a de quoi inquiéter. Je souhaite ici relever vos premières réactions à ce sujet, qui ne laissent aucun doute sur le fait que la valeur intégrité est au cœur de vos préoccupations – elle est au cœur des miennes également – et sur votre volonté de transparence en la matière, et plus spécifiquement au regard du rapport CORESPO. Cette démarche CORESPO a été entamée en 2023, alors que Mme Verlinden était ministre de l'Intérieur. Vous héritez ici d'un rapport qui ne pouvait être validé en l'état en raison de faiblesses méthodologiques majeures, notamment en termes de représentativité, de rigueur scientifique et de confusion entre perceptions et faits établis. Je tiens encore à ajouter que l'enquête menée se rapporte au passé et ne fait pas état d'une photographie de la situation à l'instant T. Il importe également de le dire. Dans ce contexte, je souhaiterais obtenir de votre part plusieurs éclaircissements. Pouvez-vous rappeler quelles sont les préoccupations méthodologiques spécifiques, et préciser l'état exact d'avancement de la révision méthodologique du rapport? Quel est le calendrier envisagé pour que nous puissions disposer des résultats? En effet, avant de procéder à des auditions sur le sujet, notre commission doit disposer de ces éléments. L'un ou l'autre collègue de Groen semble s'être procuré le projet de rapport d'une manière que je qualifierais d'irrégulière. Les autres membres de la commission n'en disposent pas. On peut se poser la question de l'intégrité à la fois de ceux qui ont fourni le rapport et de ceux qui l'ont exploité. Quel est leur but? Affaiblir la confiance des citoyens envers les forces de l'ordre? Nourrir des thèses complotistes ? Il me semble difficile de les croire préoccupés et animés par la valeur intégrité au vu de la méthode utilisée. En attendant ces résultats, quelles mesures de suivi des risques de corruption ou d'ingérence sont actuellement appliquées au sein de la police judiciaire fédérale, au-delà des dispositifs déjà existants? (…) of ongeoorloofde inmenging in lopende dossiers. De incidenten nemen uiteenlopende vormen aan, zoals het doorspelen van informatie aan criminelen, rechters die vragen om boetes van hun kinderen te laten verdwijnen, en volgens wat ik hoor zelfs een politicus die wenst tussen te komen in een onderzoek. Dat baart ons allen zorgen, te meer omdat uit het onderzoek eveneens blijkt dat de interne opvolging van meldingen over dat soort incidenten in het algemeen bijzonder tekortschiet. De federale politie reageerde zeer snel, vind ik, door te stellen dat het rapport methodologisch zou tekortschieten, dat de resultaten niet representatief zijn en dat de getuigenissen moeilijk te verifiëren zijn. Ik was wat geschrokken dat u in uw eerste communicatie in die redenering meeging. Naar ik verneem, neemt u nu toch een bocht en zegt u dat de methodologie misschien niet 100 % correct was, maar dat een onafhankelijk onderzoek zal worden opgestart. Mijnheer de minister, wat zal er veranderen aan de onderzoekstechnieken? Indien dezelfde resultaten naar boven komen, moeten we ze na dat onderzoek dan wél geloven en zult u dan wel sneller handelen? Laat mij helder zijn: wij staan op de barricaden voor het respect voor politiemensen en voor het werk dat ze dagelijks doen, want ze vechten voor hun leven. Net omdat dat respect zo groot is, vind ik dat de rotte appels uit het korps moeten worden gehaald. Ik heb heel wat vragen ingediend, maar gelet op mijn spreektijd zal ik die niet mondeling toelichten. Mijn hoofdvraag luidt of u bij een nieuw onderzoek strikt zult toezien op de onafhankelijkheid ervan, zodat we absoluut zeker zijn dat we wezenlijke stappen vooruit kunnen zetten. Mijnheer de minister, dit komt niet uit de lucht vallen. Enkele weken geleden hebben we in onze commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden met de commissaris-generaal over de integriteit bij de federale politie. Ik had gehoopt dat wij tegen vandaag al inzage zouden hebben gehad in het rapport. De reden dat we dit vandaag opnieuw bespreken, is net omdat wij dat rapport niet hebben ontvangen, met uitzondering van één kamerlid, dat blijkbaar goede contacten onderhoudt met iemand van de federale politie. Ik wens in de eerste plaats inzage in dat rapport, want alle vragen die hier gesteld worden over de methodologie en de ernst van de situatie, vereisen eerst inzage in het rapport, voordat we verder kunnen discussiëren over wat nog nodig is. Ten tweede, ik weiger mee te doen aan een soort van heksenjacht tegen onze politie. In mijn ogen voert de overgrote meerderheid van onze politieleden, zowel lokaal als federaal, het werk zeer integer uit, soms onder zeer moeilijke omstandigheden. Dat wil niet zeggen dat de rotte appel niet moet worden verwijderd, want dat is net het punt: één rotte appel kan de hele fruitmand bederven en daarvoor moeten inderdaad maatregelen worden genomen. Er bestaan zeer veel controleorganen, zoals het Comité P, waarnaar de heer Vandemaele naar verwees, de algemene inspectie en er zijn ook interne controles. Om die reden willen we de commissaris-generaal horen in deze commissie. Wij willen vernemen wat zijn bevindingen zijn en welke maatregelen hij tegenover die corruptieschandalen wenst te nemen. Mijnheer de minister, ik ben zeer blij dat u inmiddels ons voorstel van enkele weken geleden hebt overgenomen om de federale politie extern te laten doorlichten. Een interne doorlichting kan gewoonweg niet slagen – dat stond in de sterren geschreven – omdat men dan rechter en partij tegelijk is. Een externe doorlichting kan veel verhelpen en zorgt voor een zekere objectiviteit. Ik hoop dat u dat vandaag met zoveel woorden kunt herhalen. Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur tout ce qui a déjà été dit par mes collègues, mais ce qui est certain, c'est que ce rapport, en tout cas les extraits ou les éléments qui sont sortis dans la presse, met en avant des éléments préoccupants. Ces éléments ternissent l'image de la police, et c'est un dommage qui est difficilement réversible. En effet, c'est très compliqué à expliquer à la population, malgré toutes les mesures que l'on peut mettre en place. C'est aussi compliqué de revenir en arrière, et l'image de la police sera ternie par ce rapport. Il est important de s'interroger sur sa méthodologie. Beaucoup de questions ont été posées depuis ce week-end à ce sujet. Vous aussi l'avez mise en avant. Est-ce qu'on parle de faits, de sentiments, de perceptions? Cela pose beaucoup de questions. Certains ont évoqué des faits ou des perceptions qui se seraient déroulés pendant toute leur carrière, donc par le passé. Cela pose une réelle question sur l'interprétation des résultats et sur l'utilisation que l'on peut en faire par la suite. Hier, nous avons discuté de la possibilité d'organiser des auditions au sujet de ce rapport. J'ai demandé à pouvoir disposer de ce rapport. Il sera nécessaire de définir les modalités concrètes pour pouvoir en disposer, et qu'on puisse se faire une image concrète de ce qu'il dit, de ce qu'il raconte. Je souhaitais également vous entendre et, aujourd'hui, vous êtes devant nous pour répondre à nos premières questions. Quel est l'état de ce rapport? Est-il validé, doit-il encore l'être? Y a-t-il encore une étape en la matière? Quelle suite y sera donnée? Vous avez évoqué ce matin le lancement d'un audit externe. Qui va réaliser cet audit, dans quel timing sera-t-il réalisé, quels seront les moyens qui seront consacrés pour pouvoir le réaliser dans les temps? Enfin, qu'en est-il du projet de loi de screening régulier tout au long de la carrière des policiers? Actuellement, ce screening n'existe qu'en début de carrière, et je pense que c'est important de pouvoir assurer ce suivi tout au long de la carrière des policiers. Monsieur le ministre, je vous ai lu dans la presse ce matin et, comme vous, nous pensons que les citoyens et les citoyennes doivent pouvoir compter sur une police intègre en tout temps et en tout lieu. Comme vous, nous croyons qu’il faut tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Je prends donc acte positivement de votre volonté, annoncée ce matin dans la presse, de lancer une enquête indépendante, approfondie, scientifique et à court terme. Cependant, là où nous divergeons, c’est lorsque vous affirmez: "Je n’accepterai jamais que l’image de la police soit ternie". En réalité, cette phrase pourrait laisser entendre que ceux qui ont tiré la sonnette d’alarme chercheraient à nuire à la police, que ce rapport viserait à ternir son image, alors que c’est tout l’inverse. Les agents intègres demandent que la lumière soit faite, et il s’agit ici de la grande majorité des policiers. Nous ne pouvons ignorer que le rapport CORESPO a été complété jusqu’au bout par plus de 1 200 agents, soit 27 % des effectifs à l’époque, ce qui est loin d’être marginal. Ce que nous avons lu dans la presse ce week-end n’a rien d’une fiction: il est question d’informations sensibles transmises à des criminels, de pressions politiques ou judiciaires pour stopper une enquête, de rencontres douteuses avec d’anciens détenus ainsi que de lanceurs d’alerte rétrogradés, intimidés ou même poussés vers la sortie. Tout cela constituerait des dysfonctionnements graves. La question centrale n’est donc pas l’image de la police, mais bien la lutte contre la corruption, la protection des agents qui dénoncent des pratiques illégitimes et la lutte contre le crime organisé, y compris lorsqu’il infiltre nos institutions. Si nous n’agissons pas, qui protégera ceux qui nous protègent? Et comment garantir – comme vous l’avez mentionné dans la presse – que les citoyens et les citoyennes peuvent compter sur la police en tout temps et en tout lieu? Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous nous fournir le rapport ou demander à ce qu’il soit communiqué? Que comptez-vous faire concrètement des recommandations déjà formulées dans le rapport CORESPO? Entendez-vous faire la lumière sur tous les cas qui y sont cités? Enfin, vous avez évoqué une enquête à court terme. Quels en seraient le calendrier, les étapes et les garanties d’indépendance? Monsieur le ministre, je tiens tout d’abord à souligner l’importance de l’existence d’un service intégrité au sein de la police et à saluer la production d’un tel rapport. Cela démontre qu’il existe un véritable contrôle interne et une prise de conscience face aux phénomènes de corruption. À titre de comparaison, au Parlement fédéral, il m’est difficile d’obtenir ne serait-ce qu’une modification du Règlement visant à instaurer la transparence sur les voyages des parlementaires. Dans ce contexte, tout "thermomètre" est précieux! Le problème, c'est que les humbles mortels que nous sommes n'ont pas accès à ce rapport. Par conséquent, tout ce que nous savons émane de la presse et ce qu'elle nous en dit, c'est qu'il s'agit d'un sondage concernant 1 776 collaborateurs de la police judiciaire. Vous avez évoqué un souci de méthode et d'échantillonnage. Personnellement, je trouve que 1 800 personnes représentent un échantillon non négligeable. Même si l’on peut discuter de la méthodologie employée, il n’en demeure pas moins que nous connaissons la puissance financière et la capacité de corruption des adversaires auxquels nous faisons face, en particulier le narcotrafic C’est pourquoi j’estime qu’il faut prendre très au sérieux le contenu de ce rapport, tant en matière d’éthique que de perméabilité aux influences extérieures. Lorsqu'on y lit effectivement que près d'un tiers des policiers interrogés déclarent avoir déjà décelé des éléments de corruption au sein de leur organisation, que 36 % des sondés ont déclaré avoir reçu des demandes inappropriées, que 30 % ont constaté une ingérence illicite, etc., cela ne peut être considéré comme anecdotique. Que les choses soient claires! Je n'ai aucun doute sur l'intégrité de l'écrasante majorité de nos agents. Mais justement, et notamment pour ces pommes qui ne sont pas pourries, il faut d'urgence clarifier le statut de ce rapport, et surtout, la véracité des allégations qu'il contient. Nous avons tous entendu votre annonce d'une enquête indépendante. Très bien! Mais quelle place entendez-vous donner au Comité P dans ce processus, dont c’est a priori la mission première, même si son intervention ne sera pas suffisante? Monsieur le ministre, compte tenu du fait que ce document soulève des questions fondamentales sur l'intégrité et la démocratie, seriez-vous d'accord de le transmettre le plus rapidement possible aux membres de la Chambre? Quelles suites judiciaires précises ont-elles été données à ce jour? Le rapport d'audit sur la méthodologie a-t-il aussi pour objectif de vérifier si des cas de corruption ou d'illégalité ont été transmis aux autorités judiciaires? É tant donné que la police fédérale a indiqué que 10 dossiers disciplinaires ont été ouverts depuis 2020, dont quatre ont conduit à des sanctions, les 10 dossiers concernent-ils spécifiquement les cas soulevés dans le cadre de l'enquête CORESPO sur la corruption? Monsieur le ministre, tant vous que moi le disons souvent: pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Les révélations de ce rapport interne CORESPO, élaboré avec la participation d'un nombre significatif d'agents fédéraux, confirme qu'il y a des problèmes très graves au sein de la police fédérale. On parle de trafic d'influence, de transmission de dossiers à des proches, de pressions politiques sur des enquêtes. Ces constats très inquiétants mettent en danger l'intégrité de nos services et les fondements de notre État de droit. Il y a même un témoignage anonyme qui évoque l'ingérence d'une personnalité politique liée à un club de football local, qui chercherait à faire stopper une enquête. Même si nous avons tous très envie de savoir qui c'est, nous n'allons pas jouer aux devinettes avec vous, monsieur le ministre. Pire encore, de nombreux policiers dénoncent le manque de suivi des signalements et la stigmatisation des lanceurs d'alerte. Il s'agit d'une atteinte directe à l'indépendance de la police, qui est un pilier fondamental de l'État de droit. Si ces faits sont avérés, monsieur le ministre, ce ne sont pas seulement des dysfonctionnements internes, mais un déni du principe de justice. Face à ces éléments, mon collègue M. Vandemaele a demandé au nom de notre groupe l'organisation d'auditions parlementaires pour pouvoir vous entendre, mais aussi entendre les hauts responsables de la police fédérale. Vous avez contesté la méthodologie du rapport et avez refusé de le transmettre au Parlement, tout en indiquant que vous en aviez tiré des enseignements. Je m'interroge sur un tel refus, surtout quand on voit que ces allégations sont très graves et que nous sommes face à un enjeu de taille pour la démocratie. Il nous faut agir avec la plus grande transparence. Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer précisément les raisons de votre refus quant à la transmission de ce rapport, alors que vous affirmez en avoir tiré des enseignements opérationnels et que la gravité des faits justifie le contrôle démocratique parlementaire? Pourquoi vous opposez-vous à la tenue d'auditions parlementaires demandées par mon collègue? Pouvez-vous nous garantir qu'aucune pression politique n'a été exercée sur la police judiciaire dans les faits évoqués? Dans le cas contraire, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour en identifier les auteurs et les sanctionner? Seriez-vous prêt à soutenir un audit externe indépendant, voire la mise en place d'une commission d'enquête parlementaire pour faire toute la lumière sur ces pratiques? Monsieur le ministre, comme la plupart d'entre nous et des citoyens qui suivent l'actualité, j'ai évidemment été interpellé par ce que j'ai lu dans la presse. La corruption dans les services de police est quelque chose de totalement inacceptable, à plus forte raison dans les services qui touchent à la sécurité des citoyens. À l'instar d'autres intervenants, je n'ai toujours pas pu consulter ce rapport, mais un collègue en détient un exemplaire. Par conséquent, je présume que cela ne posera pas de problèmes que nous le recevions tous. À partir du moment où un collègue possède ce document et que des extraits sont publiés dans la presse, a priori, en prendre connaissance ne devrait plus poser de difficultés. Les faits relatés sont catastrophiques pour la police. Tout comme mon collègue De Smet, j'estime rassurant qu'un service Intégrité existe au sein de nos services de police. La question à se poser est pourquoi un parfum de scandale se diffuse-t-il dans la presse, alors qu'un rapport a été préparé et que l'enquête en question est une initiative prise par les services. Rien ne dit, jusqu'à preuve du contraire, qu'on voulait dissimuler ce rapport. On nous dit simplement qu'il n'était pas encore achevé. Dès lors, j'aimerais savoir s'il y a eu une volonté quelconque de dissimuler des choses ou si, tout simplement, le rapport n'était pas encore prêt à être diffusé. La publication de ces informations témoigne-t-elle d'une volonté de nuire à la police? Des éléments en interne ne cherchent-ils pas à nuire à la structure policière fédérale? C'est une question que je me pose. Ce matin, une journaliste m'a appelé au sujet de la présente réunion. Une de ses questions m'a interloqué: "Monsieur le député, avez-vous encore confiance en notre police, étant donné que nous avons recueilli trois témoignages négatifs?" Non, mais vous imaginez! Vous pouvez donc concevoir l'effet produit par cet article. Finalement, face à tout soupçon de corruption, nous disposons d’un instrument institutionnel: le Comité P, placé directement sous l’autorité du Parlement. Il me paraît donc souhaitable de le saisir afin de vérifier s’il existe déjà des enquêtes en cours concernant le contenu de ce rapport, et d’évaluer si le Comité P doit se voir confier une mission supplémentaire. Par ailleurs, vous êtes le premier policier du Royaume. Maintenant, la balle est dans votre camp. Il vous appartient de redresser l'image de la police et de faire toute la clarté sur cette affaire. Mijnheer de minister, ik wil om te beginnen mijn steun uitspreken voor de politiemensen. Ik zie dagelijks op het terrein welke bergen werk zij verzetten, met welke inzet ze aan de slag gaan en met hoeveel sérieux en integriteit ze elke dag hun taken uitvoeren. Daarom wil ik mijn expliciete steun en waardering uitspreken voor al die plichtsbewuste agenten die dagelijks instaan voor ieders veiligheid. Zij zijn de norm, zij zijn de standaard, dat wil ik uitdrukkelijk benadrukken. De uitzonderingen bestaan helaas ook, en die realiteit maakt mij bijzonder verontwaardigd en zelfs kwaad. Er is hier al meermaals verwezen naar het CORESPO-rapport. Uit die bevraging bij 1.200 leden blijkt dat bijna een op de drie respondenten tijdens zijn loopbaan getuige is geweest van onrechtmatige inmenging in dossiers. De aard van die getuigenissen is bijzonder ernstig. Het gaat verder dan louter externe druk. Wat mij nog het meest zorgen baart, is de geschetste cultuur van straffeloosheid en stilzwijgen. Er zouden leidinggevenden zijn die de instructie geven om een oogje dicht te knijpen, terwijl meldingen van integere agenten vaak zonder gevolg blijven. Dat creëert de perceptie dat integriteitsschendingen worden getolereerd, wat me bijzonder verontwaardigt. Daarbovenop komen nog de signalen van beïnvloeding en inmenging. Die signalen moeten we zeer ernstig nemen, mijnheer de minister. Hoewel de federale politie kritiek uit op de methodologie, stellen experts dat de omvang en aard van de meldingen onmiskenbaar wijzen op een structureel probleem. Hebt u het rapport gelezen en bent u het eens met de analyse van de experts? Zult u het rapport overhandigen aan de leden van deze commissie of ervoor zorgen dat we inzage krijgen in dat rapport? Hoe verklaart u dat een derde van de agenten die intern misbruik melden, ontevreden zijn over de opvolging daarvan? Wat wilt u daaraan doen? Ik wil ook mijn laatste vraag stellen, omdat die bijzonder belangrijk is. Het vertrouwen is kwetsbaar, mijnheer de minister. Eerdere hoorzittingen hebben dat hier al aangetoond. Acht u de organisatie zelfredzaam genoeg om het tij te keren? Welke visie hebt u daarop? Je remercie l'ensemble des participants à ce débat d'actualité pour leurs nombreuses questions, qui démontrent à quel point la corruption est un fléau qu'il faut endiguer, y compris et singulièrement au sein de la police et de la police fédérale. Elle n'y a pas sa place, et sous mon empire, elle ne l'aura jamais. Corruptie is een plaag die moet worden ingedamd, ook bij de federale politie. Laat ik duidelijk zijn: er is hoegenaamd geen plaats voor corruptie bij de politie. Comme l'a déjà fait le commissaire général lors des auditions qui se sont tenues ici en juin et en septembre, il convient d'emblée d'apporter à nouveau certaines précisions quant à ce dossier CORESPO. Tout d'abord, que signifie ce terme et que vise-t-il? CORESPO signifie Corporate Responsability of Police et vise, dans le cadre de la politique d'intégrité élargie de la police en général, à déterminer des indicateurs de risque et non des constats au sens juridique ou disciplinaire. Ce processus a été intégré en interne de la police en 2022 sous le mandat de ma prédécesseure, la ministre de l'Intérieur de l'époque, et dont, je le rappelle, le fonctionnement de la police judiciaire fédérale dépend aussi, dans sa fonction actuelle de ministre de la Justice. Un rapport CORESPO vise à cartographier les zones de risques éthiques potentiels et non à réaliser un audit de comportement ou une évaluation du bien-être au sens classique ni une déclaration ou plainte individuelle. Pour cette dernière, il existe d'autres canaux et procédures spécifiques. J'y reviendrai tout à l'heure. Il existe plusieurs enquêtes CORESPO, au sujet desquelles de nombreuses questions parlementaires, tant écrites qu'orales, m'ont été adressées. Il s'agit de CORESPO Respect DGJ, CORESPO Corruption DGJ et plus récemment, CORESPO Respect DGA. Il importe de rappeler le contexte global de lancement de ces enquêtes qui était les suites de l'affaire Sky ECC. La police n'a pas attendu. Elle s'est emparée directement de problématiques qui pouvaient survenir sur les lieux de pouvoir de notre société pour réaliser un diagnostic complet sur les risques existant au sein de sa propre organisation, ce qui pourrait inspirer d'autres secteurs. Cela me permet de remettre les choses dans le bon ordre, dossier par dossier. Je m'excuse déjà auprès du président, car je dépasserai probablement les cinq minutes qui me sont allouées! En ce qui concerne CORESPO Respect DGJ, le questionnaire a été adressé au personnel de la police judiciaire en mars 2023. Il portait sur des expériences concrètes ou perçues concernant des remarques des migrants, des conflits, des discriminations, des comportements inappropriés, de la charge de travail, etc. Het eindrapport met betrekking tot respect van DGJ werd op 9 april 2025 aan de vakorganisaties voorgesteld. Op basis van dat rapport werd bij DGJ een concreet actieplan uitgewerkt, dat op 18 juni 2025 aan de vakorganisaties werd voorgelegd en een positief advies kreeg van twee vakorganisaties. Het actieplan steunt op concrete acht pijlers: ontwikkeling van een cultuur van respect, nultolerantie voor ongepast gedrag, erkenning van medewerkers, rechtvaardigheid en onpartijdigheid, onboarding en integratie, conflictbeheer, competentie en opleidingstrajecten, ethisch leiderschap en preventie van stress. De implementatie van het actieplan verloopt gefaseerd, met in het derde kwartaal van 2025 communicatie en sensibilisering. Tussen oktober 2025 en juni 2026 worden structurele acties geïmplementeerd. Vanaf 2026 volgt dan opvolging en bijsturing via trimestriële monitoring. Volgens die planning zullen eerste conclusies kunnen worden getrokken over de uitvoering van het plan. Ik verwacht uiteraard van de federale politie dat zij mij de resultaten zo snel mogelijk voorlegt, met de vereiste ernst en nauwkeurigheid. Misschien moeten we daarin een teken zien. Een positieve kant van de zaak is wellicht dat we leven in een tijdperk waarin men niet langer terugdeinst om gedragingen die het welzijn op het werk aantasten, aan te klagen. II a beaucoup été question, ces derniers jours dans l'actualité, de méthodologie et, surtout, de l'efficacité de cette dernière quant à la collecte de données. De toute évidence, cette méthodologie a fonctionné pour le rapport CORESPO Respect DGJ, ce qui en a permis l'exportation et l'exploitation avec le plan d'action que je viens de mentionner. Force est de constater que, selon la police, il n'en a pas été de même avec CORESPO Corruption DGJ. Ik herinner eraan dat ik op 19 november jongstleden aanwezig was in de commissievergadering om mondelinge vragen te beantwoorden. De heer Matti Vandemaele had mij laten weten dat hij niet zou kunnen blijven om zijn mondelinge vraag over CORESPO te stellen. Zoals gebruikelijk in een dergelijke situatie heb ik hem daarom schriftelijk het antwoord bezorgd dat ik hem mondeling zou hebben gegeven. Velen onder u hebben mij nadien de vraag gesteld of ik al dan niet over het rapport beschikte. Zoals ik straks opnieuw zal toelichten, heb ik niets te verbergen. De federale politie heeft mijn kabinet het niet-goedgekeurde ontwerprapport in het kader van de voorbereiding van een antwoord op dezelfde mondelinge vraag van volksvertegenwoordiger Vandemaele bezorgd. Les mots ont un sens! Et c'est dans cette réponse, jusqu'ici non publiée sur aucun canal officiel de la Chambre, que j'ai précisé qu'à l'heure actuelle, et bien évidemment selon la police fédérale, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables. Je le répète donc, selon la police fédérale, à l'heure actuelle, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables. Par conclusions "exportables", on entend qu'au moyen d'un questionnaire en ligne, des données brutes sont collectées et c'est l'interprétation de cette collecte qui permet de dégager des tendances et des résultats concrets. Par "exploitables", on entend la traduction de ces résultats au travers d'un plan d'action, dont acte à la suite du rapport CORESPO Respect DGJ. Mais il aurait fallu pour cela qu'il en fût autant pour le rapport CORESPO Corruption DGJ, à savoir une quantité suffisante de données exportables et exploitables, ce qui n'a, selon la police, pas été le cas. En matière de chiffres, j'aimerais en clarifier certains. Selon les informations qui m'ont été transmises par la police fédérale, il ressort que sur environ 4 500 membres du personnel de la direction générale judiciaire, 3 670 ont été consultés et un peu plus de 1 200 ont répondu à l'enquête complète, soit un tiers. Sur ce tiers du personnel de la DGJ qui a été consulté, environ 30 %, selon la police, ont constaté au cours de l'ensemble de leur carrière, des comportements à risque en matière de corruption. Je me permets d'insister sur "l'ensemble de la carrière"! Les cas évoqués ne concernaient donc pas uniquement l'expérience des agents de la DGJ, mais tout leur parcours professionnel au sein de la police fédérale ou locale, le cas échéant. Mijnheer Vandemaele, u verklaarde op de VRT het volgende. Ik citeer: "Het gaat natuurlijk niet over het feit dat een op drie corrupt zou zijn. Het gaat erover dat een op drie zegt: ik heb het gezien." Dames en heren volksvertegenwoordigers, het klopt niet dat 30 % van ons volledige politiekorps corrupt zou zijn, zoals sommigen – ik spreek niet van leden hier – hebben laten uitschijnen. Voorts merkt u het volgende op: "Ik denk wel dat de federale politie een existentiële crisis aan het doormaken is. Men probeert dat opnieuw in de doofpot te stoppen." Dat zijn onterechte en goedkope beschuldigingen. Ik pik ze niet. Laat dat duidelijk zijn. Notre police, je vous le rappelle, compte 50 000 membres. L’immense majorité de ces agentes et agents accomplissent leur travail quotidien avec une probité totale et un sens du devoir admirable, comme vous l’avez toutes et tous d’ailleurs souligné dans vos interventions et vos questions. Celles et ceux qui colportent des données inexactes viennent donc un peu plus cultiver le désamour entre ceux qui nous protègent et ceux qu’ils protègent, parfois au péril de leur vie. Cela étant dit, c’est le manque de données suffisamment exploitables qui a conduit la police fédérale à ne pas valider définitivement l’enquête. C’est précisément pour cette raison qu’elle a déjà annoncé le lancement, dans les plus brefs délais, d’un audit sur la méthodologie qu'elle a utilisée, comme le commissaire général l’avait d’ailleurs annoncé ici en septembre. Les résultats de cet audit sont attendus début 2026. In antwoord op uw vraag om het rapport ter beschikking te stellen, kan ik het volgende meedelen. Ik heb er geen probleem mee dat het rapport wordt gedeeld. Ik heb niets te verbergen. Mijnheer de voorzitter, ik stel dus voor dat u de praktische afspraken voor de terbeschikkingstelling van het rapport samen met de federale politie bekijkt. Je souhaite cependant sortir de ce débat sur la méthodologie et les chiffres, car je veux ici être très clair, comme j’ai déjà eu l’occasion de l’être ce matin. Chaque cas de corruption au sein de la police fédérale est un cas de trop. Cette enquête CORESPO sur la corruption et les problèmes méthodologiques qu’elle a rencontrés ne signifient en rien que la lutte contre la corruption doit être abandonnée, bien au contraire. Ik wil nogmaals beklemtonen dat er voor elk geval dat aanleiding kan geven tot tuchtprocedures, reeds specifieke interne procedures bij de politie bestaan. Ik kan u bovendien meedelen dat er, naast externe meldkanalen, zoals het comité P, in mei 2025 onder mijn mandaat ook een nieuw intern meldkanaal werd gelanceerd door de federale politie. Ik maak van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat elke politiepersoon en elke ambtenaar verplicht is feiten van corruptie te melden, zodra hij of zij daarvan kennis krijgt, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van strafvordering. Je peux vous confirmer, selon les informations dont je dispose de la police, qu'aucun cas n'a été à ce jour signalé via cette nouvelle procédure et que l'existence même de ce canal a été rappelée ce lundi dans une communication au personnel. Mais je tiens également à signaler que depuis 2019 dix dossiers disciplinaires ont concerné des cas liés à des faits de corruption. Quant aux éventuelles poursuites pénales, celles-ci relèvent, comme vous le savez, du pouvoir judiciaire et je n'ai pas à me prononcer là-dessus. Je vous invite à interroger la ministre compétente à ce propos. Mesdames et messieurs les députés, comme vous pourrez le relire tant au sein de mon exposé d'orientation politique qu'au sein de ma note de politique générale, j'ai fait de l'intégrité de la police un élément central de mon action en insistant quotidiennement auprès de celle-ci. Chaque cas doit être traité avec un sérieux total et je m'y emploie depuis 11 mois, en me basant sur la situation dont j'ai hérité. J'ai déjà exprimé à moult reprises ma volonté d'une police respectueuse, respectable et respectée. Cette ambition de lutter contre la corruption est partagée par la police fédérale et traduite de manière concrète dans le plan pluriannuel Intégrité ainsi que dans son plan stratégique et, comme cela a été rappelé, par le simple fait qu'il existe une cellule Intégrité au sein de la police fédérale. Ces plans servent de fil conducteur à l'ensemble de la police intégrée pour faire vivre les valeurs de respect, d'exemplarité et de professionnalisme dans toutes les fonctions. Ce travail est mené au quotidien au sein de la DGJ, tant par le biais des initiatives existantes que par celui de nouvelles initiatives à venir. Onder mijn impuls zullen we ook werkzaamheden opstarten die tot doel hebben een permanente screening van de personeelsleden gedurende hun volledige loopbaan uit te voeren. Hoe dan ook begrijp ik dat de in de pers gepubliceerde getuigenissen sommige leden van de assemblee, net als het brede publiek en uiteraard ook mijzelf, beroerden. Het onderzoek was een positief initiatief. Het doel ervan was en blijft lovenswaardig, maar de praktische uitvoering ervan schoot tekort op het vlak van de methodologie, waardoor het meer vragen dan antwoorden opriep. Mesdames et messieurs les députés, je n'accepterai jamais que l'image de notre police soit ternie – non en cachant les faits, mais en faisant la lumière. C'est pourquoi, à côté de l'audit sur la méthodologie CORESPO que le commissaire général a entrepris, je lui ai donné instruction d'ouvrir une enquête indépendante, exhaustive et scientifique visant à déceler les risques systémiques en rapport avec la corruption que peut encourir la DGJ. Je voudrais insister sur ce point. L'objectif de cette enquête doit être de découvrir les problèmes systémiques. Dans cette commission, il a été question de résilience. C'est pourquoi je pense qu'il importe aussi d'en parler au sein de la police. Il ne s'agit pas ici de mener une enquête sur des cas particuliers de corruption. Cela appartient aux structures disciplinaires et, surtout, judiciaires. Chacun doit accomplir son travail. À ce titre, je rappelle que tout fonctionnaire, singulièrement un fonctionnaire de police, est tenu de respecter l'article 29 du Code pénal: s'il a connaissance de faits délictueux ou criminels, il est tenu par la loi, qu'il est censé faire respecter, de les dénoncer. Il s'agit donc, en l'occurrence, de disposer d'une étude qui protège la police contre les risques systémiques de corruption. Comme vous l'avez dit, la corruption existe dans notre société. Ne faisons pas semblant de la découvrir à travers quelques articles de presse, s'il vous plaît. Nous avons des enquêteurs, en particulier à la DGJ, qui sont évidemment, encore plus que d'autres, de possibles victimes de cette corruption. Donc, il faut les protéger. C'est ce que je veux faire et c'est la raison pour laquelle je veux recourir à la bonne méthodologie. Je ne veux pas qu'on ternisse l'image de la police avec des à-peu-près, d'où qu'ils viennent. Je suis très clair sur ce point. Cette enquête indépendante devra être menée dans les plus bref délais. Sur la base des résultats qu'elle produira, nous prendrons des mesures supplémentaires avec la ministre de la Justice, afin de tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Après vous avoir entendus, je pense pouvoir dire que c'est une volonté que nous partageons tous ici. J'ajouterai encore un petit mot au sujet du Comité P. Oui, il a évidemment un rôle à jouer. Toutefois, sans chercher à en diminuer les mérites, je ne suis pas certain qu'il ait la capacité, même physique, de mener cette enquête sur les risques systémiques. De toute façon, il ne m'appartient pas de le dire. En effet, vous le savez mieux que moi: c'est vous, le Parlement, qui pouvez l'activer. Mijnheer de voorzitter, ik vermoed dat we iets meer spreektijd krijgen, aangezien de minister ook langer heeft gesproken. Die discussie zullen we niet voeren. Ik bepaal wie aan het woord komt, maar de spreektijden zijn reglementair vastgelegd voor parlementsleden. Zij krijgen 2 minuten voor het stellen van hun vraag en 2 minuten voor hun repliek. Uiteraard kan ik het antwoord van de minister moeilijk beperken, want dan zou u kwaad zijn, omdat u geen antwoord krijgt. Mijnheer Vandemaele, u hebt 2 minuten. Mijnheer de minister, ik ben blij dat u toch een bochtje maakt. Ik blijf evenwel benieuwd wie het onafhankelijk onderzoek zal uitvoeren, want dat is me niet zo duidelijk. Ik maak me oprecht zorgen over de top van de federale politie. Ik laat me vertellen dat iemand uit de beleidscel van de commissaris-generaal boven de dienst Integriteit is geplaatst om te controleren dat er niets meer naar buiten komt dat niet in orde is. Dat hoor ik zeggen. Ik hoor ook dat het rapport in juni klaar was en intern eveneens in juni werd verspreid. Wie beweert dat het om een voorlopig rapport gaat, verkondigt dus onwaarheden. Het onderzoek zal dat evenwel duidelijk maken. Voor mij is het bijzonder belangrijk dat de mensen die aan het rapport hebben meegewerkt, worden beschermd. Ook mensen die in het rapport aangeven dat ze zijn gestraft, omdat ze corruptie hebben gemeld, moeten echt worden beschermd. Er moeten op individueel niveau acties volgen om recht te zetten wat daar fout is gelopen. Ook wie heeft meegewerkt aan het rapport, moet worden beschermd, want ik heb de indruk dat de politietop niet in de juiste richting meegaat. Dat we het rapport zelf zullen ontvangen, stemt me tevreden. Tot nu toe hebben we slechts een rapport ontvangen; we moeten de twee of drie rapporten die klaar zijn, krijgen, inclusief de bijlagen. Dat gaat immers telkens over 100 tot 150 pagina’s extra informatie, die zeer nuttig is om te lezen. Ik hoop dus dat u daarvoor eveneens uw steun kunt uitspreken. Ik rond af. U probeert mij in de hoek te duwen van degenen die de politie zouden willen beschadigen. Dat pik ik niet en ik zal u uitleggen waarom. Ik word door zeer veel politieagenten aangesproken, allemaal integere mensen die zeggen dat de aanpak van corruptie voor hen uiterst belangrijk is en dat, als er in hun organisatie 1, 2 of 3 % politieagenten niet loyaal is aan de missie en wel corrupt is, dan schaadt die minderheid het imago van de hele politie. Ik kom dus op voor de agenten die hun werk naar behoren doen. Mijnheer de minister, in eerste instantie ben ik blij dat wij inzage krijgen in het rapport. Ik verneem dat er ook veel bijlagen zijn. Het is logisch dat we ook die bijlagen kunnen inkijken, ook al weet ik niet welke informatie ze precies bevatten. Comité P moet zijn rol kunnen spelen. In de begeleidingscommissie moeten we dat bespreken. Als mensen de moed bij elkaar rapen om corruptie waarbij eventueel leidinggevenden betrokken zijn, te melden, dan moeten ze dat kunnen doen via een goede procedure, onderbouwd met de nodige bescherming, zodat ze zich veilig voelen. Dat moeten we bekijken. Ik lees dat het rapport ook veel kwalitatieve informatie bevat. Ik ga ermee akkoord dat men de methodologie toetst, maar tegelijk mag men het kind niet met het badwater weggooien. Het rapport bevat veel informatie. Moeten we het rapport dan helemaal overdoen? Mensen die gewoon zijn dat soort van onderzoeken te verrichten en dergelijke bevragingen uit te voeren, hebben er uren werk aan besteed. Het is dus belangrijk om het geleverde werk te bekijken en in zijn context te plaatsen. Wellicht bezorgt u ons daarover binnenkort meer informatie. Agenten mogen geen schrik hebben om zaken te melden. Niet alleen opvolging en feedback zijn nodig, maar ook communicatie door bijvoorbeeld een commissaris-generaal die op de hoogte is van een rapport. De informatie is onmiddellijk n de pers verschenen en de schade is moeilijk te herstellen, maar een externe audit moet een en ander in zijn context plaatsen. Mijnheer de minister, wij hebben geen tijdschema gekregen van de externe audit. Hopelijk kunt u ons daar snel uitsluitsel over geven. Merci pour vos clarifications, monsieur le ministre. Votre mise au point était nécessaire. Les policiers exercent un métier exigeant. Il n'y a pas de doute qu'ils le fassent d'une manière intègre, honnête, irréprochable. Ils sont dignes de notre confiance à quelques exceptions près. Il faut, pour ces exceptions, traiter fermement le mal à la racine, systématiquement. La lutte contre la corruption à tous les niveaux au sein de la police doit être une priorité. Les signalements doivent être suivis de faits. Vous y travaillez sans relâche, il ne peut en être autrement. J'ai bien compris que cette polémique est née de deux documents dont le collègue Ecolo-Groen Vandemaele fut le seul à disposer. La réponse que vous lui avez fournie en mains propres et le rapport obtenu par on ne sait quel canal parallèle sont pour moi une drôle de conception de la démocratie parlementaire et de la notion d'intégrité. La méthode pose question, surtout au vu du sujet traité ici. Je vous remercie d'accepter de mettre le dossier à notre disposition. Néanmoins, la méthodologie utilisée présente en effet des limites. Ce sont dès lors des conclusions issues d'un projet de rapport qui n'est pas exploitable en l'état, et qui ont été tirées à la hâte avant d'être rendues publiques. C'est inacceptable. L'image de la police ne peut pas être ternie de cette façon, sur la base de méthodes de travail que je qualifierais de douteuses. C'est pourquoi je salue votre initiative de lancer, à court terme, une enquête indépendante, approfondie et scientifique. Je vous soutiens, monsieur le ministre, je soutiens notre police et attends les résultats avec beaucoup d'intérêt. Mijnheer de minister, voor mij is het belangrijk dat het betreffende onderzoek vanuit het onafhankelijke CG van de federale politie gestart is. Wij, u en de ministerraad moeten dat stuk dan ook van op een afstand en volledig objectief bekijken. Het betreft een initiatief van de federale politie en het is aan ons om dat met de nodige afstand correct te interpreteren. Ik voel mij dus niet degene die nu moet beschermen of degene die nu moet veroordelen. Het is aan ons, maar ook aan u en aan alle ministers, om het rapport dat er nu ligt, evenals een volgend rapport, van op afstand te bekijken. Het is uiteindelijk de top van de federale politie zelf, die het rapport besteld heeft Wij moeten daar als politici niet bang van zijn; wij moeten het durven te interpreteren. Ik ben wel zeer tevreden met uw verklaring dat u nauwlettend zult waken over de verdere uitrol van de permanente veiligheidsscreening gedurende de loopbaan van politiemedewerkers. Dat moeten we scherp in de gaten houden. U krijgt daarvoor mijn complimenten en mijn volledige steun. Ten slotte, al bijna een jaar geleden vroegen wij hoe ver het stond met de tuchtwet voor de politie. Dat aspect zit ook deels in het onderzoek vervat. Wanneer we straks onder andere de beleidsplannen bespreken, moeten we wel duidelijkheid hebben over de timing ter zake. Mijnheer de minister, ten eerste hebt u zich persoonlijk tot mij en tot de commissie gericht met de vraag om het rapport op te vragen. Dat is gisteren gebeurd. Naar aanleiding van de regeling van de werkzaamheden en de organisatie van eventuele hoorzittingen in onze commissie heb ik gisteren al een brief gericht aan de commissaris-generaal om het rapport effectief ter beschikking te stellen van het Parlement en van de leden van de commissie. Ten tweede klopt u zich nogal op de borst met het nieuwe orgaan dat u in juni bij de federale politie hebt opgericht, namelijk het interne meldkanaal. Ik wil u daarover toch even met de neus op de feiten drukken. Ik geef u even mee wat ACV Politie, de vakorganisatie waarnaar u zelf verwijst, daarover zegt. Verwijzend naar het rapport zegt de organisatie: "Deze cijfers bewijzen niet dat de werkvloer verrot is, maar dat onze mensen alert zijn. Het echte probleem is dat hun meldingen te vaak sterven in een bureaulade, om negatieve publiciteit te vermijden. Zo gaven drie op de tien deelnemers aan dat ze ontevreden zijn over de opvolging van meldingen.” Dat is hetgeen ik bedoelde met mijn stelling dat men bij een interne evaluatie soms op muren botst. Die muren moeten dringend worden afgebroken. Daarom ben ik zeer verheugd dat u ons voorstel van enkele maanden geleden hebt overgenomen en nu eindelijk een onafhankelijk onderzoek hebt bevolen. U doet uw werk en het Parlement moet zijn werk doen. Ik ben er dan ook zeker van dat we de kwestie in onze commissie nader zullen bespreken, via hoorzittingen. Ik hoop ook op volledige transparantie van u en van de commissaris-generaal in het dossier. Het moet immers inderdaad de bedoeling zijn – dat is ongetwijfeld eenieders doel hier – om een integere en betrouwbare politie op de been te brengen. Ik dank u alvast daarvoor. Merci d'avoir rappelé l'historique du dossier. Il est important de rappeler qu'il s'agit d'un rapport interne du service Intégrité, ce qui prouve la maturité de l'organisation. Je ne suis pas sûr que ce soit le cas de tous les services publics, qui peuvent aussi être concernés par des risques de corruption. Vous avez rappelé que l'enquête vise à identifier des risques qui sont basés sur des perceptions, et non pas des faits. Vous avez précisé que cette enquête porte sur des perceptions tout le long de la carrière des agents qui ont répondu, ce qui permet de remettre en perspective les résultats mis en avant. La police affirme que les résultats ne sont pas directement exploitables. Tout le monde est d'accord sur le fait qu'il faut agir. La police fédérale le fait, avec un audit interne sur la méthodologie. Vous le faites également, avec cet objectif d'enquête indépendante, scientifique, systémique, sur la problématique de la corruption. Nous avions demandé quels en seraient le moment, le timing, la méthodologie, et n'avons pas encore reçu de réponses à ce sujet. Il serait important de les avoir rapidement pour savoir à quel planning nous devrons faire face. Nous serons attentifs aux résultats de cette enquête. Merci d'avoir confirmé que ce rapport sera transmis. Il est important que nous puissions l'avoir rapidement. La transparence est, à ce sujet, nécessaire et évidente. Concernant le projet de loi sur le screening , j'entends qu'il est au programme. Je pense qu'il faut avancer rapidement à ce sujet. Nous avons déposé une proposition de loi en ce sens et ce serait une très bonne chose que vous vous en inspiriez. Il faut agir, et vite. Il faut lutter contre la corruption, c'est une évidence. Et il faut rétablir la confiance dans notre police. Monsieur le ministre, vous avez parlé de votre empire, et je ne vous savais pas empereur. Plus sérieusement, la corruption n'a pas sa place dans la police ni dans notre société et, je le répète, nous n'avons aucun doute sur l'intégrité de la majorité des membres de la police fédérale. Je vous remercie d'avoir accepté de partager avec nous le rapport et les annexes. On parle beaucoup de méthodologie, un peu comme pour noyer le poisson, mais rappelons les faits: ce rapport a été réalisé par le service Intégrité au sein de la police fédérale et a été complété par 23 % du personnel, donc presque un tiers, ce qui n'est pas marginal. Vous n'avez pas communiqué de calendrier précis pour l'audit, de sorte que je plaide pour qu'il soit réalisé au plus vite, afin que cela ne ralentisse pas le travail sur le contenu même du rapport. En effet, ce rapport nous offre une occasion unique de faire la clarté sur d'éventuels cas de corruption, de lutter contre les dysfonctionnements internes et, surtout, de protéger les agents qui dénoncent des pratiques potentiellement illégitimes. Je répète que nous avons confiance dans l'intégrité de la grande majorité des policiers. Enfin, vous n'avez pas apporté de réponses claires sur le calendrier de l'enquête, sur les problèmes systémiques et sur les garanties d'indépendance. Nous continuerons donc à vous interroger sur le sujet car la corruption, vous l'avez dit, n'a pas sa place dans nos institutions. Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je note que nous recevrons le rapport et vous en remercie. Pour éviter tout flottement, je crois qu'il sera important de préciser les modalités, mais nous verrons cela avec la commission. Deuxièmement, il subsiste un petit mystère. La police n'a pas validé le rapport parce que les données ne paraissaient ni exploitables ni exportables, vous avez d'ailleurs insisté sur ce point. Mais qu'a-t-il donc manqué pour rendre ce rapport exportable et exploitable? Pourquoi le travail n'a-t-il pas, au fond, été achevé? Nous nous retrouvons avec un rapport qui n'est pas abouti, et c'est sans doute ce côté inabouti qui a fait en sorte que ce rapport finisse par fuiter, parce que certaines personnes en interne ont dû considérer que cela n'allait pas. Dès lors, qu'aurait-il fallu en plus pour que ce rapport soit exploitable et exportable? Enfin, vous avez répondu sur le comité P. Il ne lui appartient sans doute pas de mener des procédures systémiques, de sorte qu'il est logique que vous ayez confié cette mission au commissaire général. Par contre, le comité P peut mener des enquêtes individuelles. Dès lors, la moindre des choses serait qu'il reçoive le rapport, même avec toutes les réserves méthodologiques d'usage, afin de vérifier les faits qui y sont mentionnés. Certes, le comité P dépend de nous, le Parlement. Le plus simple serait que le commissaire général ou vous-même lui envoie le rapport directement. Sinon, nous voulons nous en charger une fois que vous nous l'aurez transmis. In fine, il faudrait qu'il puisse juger sur pièces si certaines allégations méritent d'être investiguées plus avant. Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'aimerais saluer votre ouverture sur la nécessité de partager les données, les enquêtes et les rapports. Je me joins au questionnement que vient d’exprimer M. De Smet. Effectivement, que manque-t-il pour que ce rapport soit "exploitable"? De la même manière, l’audit devrait être réalisé le plus rapidement possible afin que nous disposions d’un maximum d’informations. Pour nous, il est essentiel de protéger les lanceurs d’alerte. Nous avons eu trop d’exemples où ces derniers ont été sanctionnés par la suite. Vous serez d’accord pour dire que la lutte contre la corruption ne doit pas se limiter aux citoyens et citoyennes, mais concerner aussi celles et ceux qui sont censés nous protéger. Nous ne pouvons pas continuer à fermer les yeux sur des pratiques qui sapent la confiance que les citoyens placent dans leurs institutions, et en particulier dans la police, surtout au vu des dernières actualités en matière de bavures policières. La confiance envers la police s’effrite. Il est de la responsabilité de l’État et de votre ministère de garantir que nos forces de l’ordre soient irréprochables. Comme je l’ai dit, pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Il est donc inconcevable qu’un agent de police national soit confronté à des conditions de travail aussi précaires, avec des salaires indignes, contraint parfois de cumuler avec des flexi-jobs pour boucler la fin du mois. Ces situations sont compliquées, ont un impact direct sur l’efficacité, la qualité et l’éthique professionnelle de nos agents de police. Lorsque nous aurons une police bien formée, protégée contre la corruption et correctement rémunérée, alors peut-être pourra-t-elle retrouver la confiance des citoyens et des citoyennes et se montrer irréprochable dans l’exercice de sa mission. Nous continuerons, évidemment, à suivre le dossier avec la plus grand attention. Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous ces éclaircissements. Je suis rassuré d’apprendre que nous allons pouvoir consulter et obtenir ce rapport. Il nous appartiendra de l’analyser en profondeur et, comme d’autres collègues l’ont souligné, de vérifier s’il contient des éléments qui méritent d’interpeller le comité P, par rapport à la gravité potentielle des faits qui y seraient dénoncés. C’est effectivement notre rôle, puisque le comité P dépend du Parlement. Vous avez également évoqué un audit relatif à la méthodologie. Il serait intéressant qu’il soit réalisé rapidement, s'il doit avoir lieu. Je me réjouis également d'apprendre votre volonté d'organiser un screening régulier. Cela fut décidé pour nos militaires sous la précédente législature par la ministre de la Défense, que je connais très bien. Toutefois, ce ne fut pas entrepris pour nos policiers, alors que des propositions avaient été soumises en ce sens. Vous reprenez cette même idée. Par conséquent, nous la soutiendrons. Enfin, dans le contexte actuel, il importe de réaffirmer notre totale confiance dans l'intégrité de nos policiers, lesquels accomplissent un métier particulièrement difficile. Militairen op straat Militairen op straat Militairen op straat in Brussel De heer Vander Elst laat zich verontschuldigen. Monsieur le ministre, à plusieurs reprises déjà, j'ai interrogé le gouvernement sur sa volonté de déployer des militaires en rue et autour d'entités critiques en lieu et place de la police fédérale dont c'est la mission pour laquelle les policiers ont la formation et le cadre légal. En septembre 2025, le ministre de la Défense a indiqué à mon collègue Christophe Lacroix que ce déploiement serait conditionné à l'adoption d'un codex et que cet envoi de militaires était également tributaire de la constitution d'une réserve territoriale. Y seraient envoyés notamment les jeunes ayant reçu votre courrier en vue de faire un service militaire volontaire. Les 500 premiers candidats seraient formés en septembre de l'année prochaine et ne seraient déployés qu'au début de 2027, comme cela figure dans le compte rendu de la commission. Durant les auditions des syndicats policiers en commission de l'Intérieur, des critiques ont été formulées. Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point précis des travaux autour de votre codex au sein du gouvernement et sur votre position en la matière? Souhaitez-vous toujours autoriser des missions actives des militaires dans ce cadre? Quelle sera la place de la police dans ce cadre et ne risque-t-on pas, une nouvelle fois, un report de charge vers les zones concernées? Selon quelle échéance ce déploiement dans les rues aurait lieu et de quelles rues parle-t-on? Le port d'Anvers, principale porte d'entrée de la drogue en Europe, est-il concerné? Quelles seraient les conséquences humaines, matérielles et budgétaires pour la police fédérale de ce déploiement? Pouvez-vous m'indiquer où les agents de la Direction de la Sécurisation (DAB), précédemment chargés de la surveillance des sites nucléaires, ont été redéployés? Selon quelle concertation avec les syndicats policiers ce protocole a-t-il été négocié? Pouvez-vous me donner l'agenda précis des négociations avec les représentants des policiers? Des réunions ont-elles déjà eu lieu? Enfin, confirmez-vous, oui ou non, que les jeunes du service militaire volontaire pourraient être déployés dans le cadre de ces missions dans les rues, une fois le codex adopté? Monsieur le ministre, en septembre dernier, vous annonciez qu'un déploiement de militaires aurait lieu dans les rues de Bruxelles avant la fin de l'année, afin de soutenir la police dans la lutte contre la criminalité. Nous sommes à la mi-décembre et ce déploiement n'a toujours pas eu lieu. Je rappelle ici clairement que notre groupe reste opposé à une telle mesure. Le sentiment d'insécurité ressenti par les habitants et les habitantes est réel et doit être entendu, mais y répondre nécessite des solutions structurelles: renforcer la police de proximité, le travail de quartier, la justice et la prévention, plutôt que de militariser l'espace public. En commission de la Défense, votre collègue le ministre Francken a indiqué qu'aucun accord n'existait aujourd'hui au sein du gouvernement. Selon lui, un déploiement ne serait possible qu'à partir d'avril au plus tôt, après l'entrée en vigueur du nouveau Code de la Défense encore soumis au Conseil d'État et au Parlement. Cela soulève plusieurs questions. Tout d'abord, où en sont les discussions au sein du gouvernement? Des décisions ont-elles déjà été prises? Depuis des mois, les syndicats, les experts de terrain et les chercheurs alertent sur les risques juridiques et pratiques d'un retour des militaires dans l'espace public. Comment comptez-vous répondre à ces préoccupations? Vous êtes-vous concerté avec les organisations syndicales? Quelles conclusions en tirez-vous? Concrètement, quelles seront les tâches de ces militaires? Selon quelles modalités exerceront-ils ces tâches et avec quel pouvoir? Enfin, les jeunes engagés dans le service militaire volontaire seraient-ils, oui ou non, concernés par ce déploiement? Messieurs Thiébaut et Ribaudo, comme vous le savez, mon parti et moi-même avons exprimé à la fin de l'été notre volonté de déployer un contingent de militaires aux côtés des policiers. Je répète que cela ne consiste en rien en un désaveu du travail de la police. Franchement, si quelqu'un pense encore aujourd'hui que je n'ai pas confiance et que je ne soutiens pas la police, je ne sais vraiment pas ce que je dois faire. Il ne s'agit donc pas d'un désaveu mais d'une volonté de soutenir le travail de la police dans la protection de nos concitoyens. À cet égard, un travail commun a été réalisé avec mon collègue, le ministre de la Défense, M. Francken. Des protocoles sont prêts depuis des semaines pour déployer plusieurs dizaines de militaires à Bruxelles, mais également à Anvers, dans le cadre de patrouilles mixtes armée-police et de la sécurisation de dispositifs policiers. Spécifiquement à Bruxelles, le protocole prévoit à ce stade leur déploiement en priorité dans les gares ferroviaires et les stations de métro, afin d'appuyer visiblement la police des chemins de fer et pour des FIPA ( Full Integrated Police Action) auprès des centres névralgiques du trafic de drogue et de la criminalité. À Bruxelles et à Anvers, un deuxième protocole prévoit un déploiement en soutien de la police pour la sécurisation des sites liés à la communauté juive, hautement nécessaire, comme l'a montré l'actualité récente, ce qui libérerait par effet domino également de la capacité policière, ce qui est aussi l'objectif. Monsieur Thiébaut, je ne peux pas répondre de manière précise à toutes vos questions, mais si vous les transmettez par écrit, je le ferai. L'objectif du remplacement des policiers, singulièrement de la DAB dans les sites nucléaires, par des militaires est de les récupérer pour faire le travail de la DAB, qui est actuellement fait, en général, par d'autres policiers fédéraux des corps d'intervention. Ces mesures, qui font l'objet d'un accord entre les deux ministres directement concernés, doivent encore être validées par l'ensemble du gouvernement, mais nous continuerons évidemment à pousser pour cette mesure. Nous pensons qu'elle est absolument nécessaire. Pour ce qui concerne le codex de la défense, il y a en effet, dans l'accord de gouvernement, la demande de travailler à ce nouveau cadre juridique pour les interventions de l'armée. Les discussions sur le contenu n'ont pas encore commencé au sein du gouvernement. Mon collègue le ministre de la Défense travaille à la préparation de ce codex et des discussions au sein du gouvernement. Si vous voulez plus de précisions par rapport à ce qu'il pourrait s’y trouver et au timing, je vous invite à l'interroger. Il est trop tôt pour se prononcer à ce sujet. Si nécessaire, nous aborderons les préoccupations de la police intégrée à cet égard lors des discussions. Concernant le déploiement sur les sites nucléaires, j'ai déjà répondu, mais singulièrement, les agents de la DAB sont principalement réorientés vers des missions auprès des cours et tribunaux. Cela a permis, comme je le disais, par le même effet domino, de libérer de la capacité policière pour d'autres tâches. Le protocole dont j'ai parlé auparavant ne contient pas d'éléments qui concernent directement les syndicats de police. Par ailleurs, il appartient à la Défense de décider qui elle juge apte à remplir des missions qui sont définies dans le cadre légal envisagé. Vu mon passé d'historien, je sais gérer une ligne du temps. Il va de soi que la réserve ne sera pas employée dans un premier temps, parce que nous souhaitons disposer de militaires aussi rapidement que possible. Si cela n'avait tenu qu'à moi, ils seraient déjà en rue. La réserve n'existant pas pour le moment, elle ne peut être activée dans ce cadre. Sont-ce les jeunes de la réserve qui devront être activés? Honnêtement, je ne peux pas encore le dire. Nous pourrions même espérer que, le temps que la réserve se constitue, la situation se soit suffisamment améliorée pour éviter de devoir maintenir des militaires en rue. Malheureusement, les chiffres démontrent qu'il n'en sera peut-être pas ainsi. Monsieur le ministre, je vous remercie. D'abord, j'aimerais apporter une précision. Vous affirmez qu'on retire les policiers de la DAB des centrales nucléaires pour qu'ils accomplissent leur vrai travail. Cela dit, vous savez que, lorsque la DAB fut créée à l'époque où le ministre Jambon était en charge de l'Intérieur, je pense que la surveillance des centrales faisait partie de ses missions. Sans contester l'utilité de recourir à ces militaires, le problème est qu'ils vont combler un manque. En vérité, et vous le savez bien, vous revendiquez des moyens supplémentaires en vue d'engager les policiers manquants. Or ces moyens ne vous sont pas accordés. Vous manquez donc de policiers sur le terrain. Puis, vous demandez qu'ils accomplissent le travail des militaires. C'est un gros souci dans ce gouvernement. Par ailleurs, cette rumeur persistante selon laquelle les jeunes qui ont été invités à faire leur service militaire à titre volontaire seraient envoyés dans les rues pour remplacer les policiers ne constitue pas une piste sérieuse. C'est même quelque chose qui, à mon sens, devrait être balayé d'un revers de la main. Il faudrait donc réaffirmer que cela ne peut pas se faire. Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Si j'ai bien compris, il n'y a toujours pas de timing clair. Je regrette que vous n'ayez pas infirmé le fait que des jeunes qui vont faire un service militaire volontaire ne seraient pas déployés dans les rues. Vous n'avez pas dit non. Cela veut donc dire que la possibilité pourrait exister. C'est malheureux. Cela veut donc dire que pour les gros problèmes que connaissent nos villes, Bruxelles singulièrement, on va envoyer des jeunes sans aucune expérience dans les rues. Vous n'avez dit ni oui ni non. Donc, je considère que ce n'est ni l'un ni l'autre, mais que la potentialité existe. Et ça, c'est grave, monsieur le ministre! Notre police est à bout de souffle parce qu'elle est sous-financée et qu'il manque des cadres. C'est également le cas pour notre armée. Et là, on va arriver avec une solution qui n'en est pas une, avec potentiellement des jeunes qui seront lourdement armés dans nos rues. Si on veut répondre au problème de l'insécurité – et il faut le faire – dans nos villes, il faut des solutions structurelles. Il faut renforcer la police de proximité, le travail de quartier, la justice et la prévention, et ne pas militariser l'espace public. Het aanmerken van de moslimbroederschap als terroristische organisatie Mijnheer de minister, de Amerikaanse president Donald Trump heeft aangekondigd dat de Moslimbroederschap als een terroristische organisatie zal worden bestempeld. Dat zal in de krachtigste bewoordingen gebeuren, aldus Trump. Wat is uw reactie daarop, mijnheer de minister? Welke activiteiten en filialen heeft de Moslimbroederschap in België? Ik hoop dat u dat weet. De Moslimbroederschap is al decennialang in België aan het woekeren. Hoeveel bewegingen, organisaties, scholen en moskeeën in ons land hebben banden met de Moslimbroederschap? Welke zijn dat? Hoeveel bewegingen, organisaties, scholen en moskeeën in ons land delen de ideologie van de Moslimbroederschap? Welke zijn dat? Ik vraag dat u dat toelicht, want de veiligheid van het land staat op het spel. De hamvraag is uiteraard wanneer België eindelijk de Verenigde Staten volgt, want de Moslimbroederschap had in dit land al lang verboden moeten zijn. Mijnheer Van Rooy, de Moslimbroederschap vormt een ideologische beweging, waarvan het langetermijndoel bestaat uit de uitbouw van een samenleving waarin religieuze normen elk aspect van het leven bepalen. De grootste gevaren van de ideologie bestaan erin om een kalifaat te vestigen en haat tegen anderen te bevorderen. Het gaat dus om een vorm van separatisme die zich uit via prediking, onderwijs, sociopolitiek activisme, entrisme en lobbying. De Ligue des Musulmans de Belgique, LMB, wordt beschouwd als de koepelorganisatie van de Moslimbroederschap in België. Zij kan worden gezien als de Belgische tak van de beweging. Het is uitermate moeilijk om organisaties formeel te labelen als deel van of gelieerd aan de Moslimbroederschap. Er bestaan geen lidkaarten, formele structuren of officiële verklaringen van verbondenheid. Personen en organisaties die ideologisch dicht bij de Moslimbroederschap staan, ontkennen doorgaans publiekelijk elke formele band. De beweging is heterogeen en werkt bewust discreet en gedecentraliseerd. Op basis van de beschikbare informatie evalueren onze veiligheidsdiensten dat in België ongeveer honderd individuen en een tiental organisaties actief proberen om de ideologie van de Moslimbroederschap te verspreiden. Het gaat daarbij om een ideologische inschatting en niet om een formeel lidmaatschap. Voor het aantal organisaties die de ideologie van de Moslimbroederschap delen, geldt dezelfde nuance. Organisaties of instellingen kunnen een ideologische affiniteit vertonen zonder formele band. De grens tussen ideologisch geïnspireerd door en formeel gelieerd aan is vaak niet objectief bepaalbaar. Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. U weet evenwel wat het motto van de Moslimbroederschap is: "Allah is ons doel, de profeet is onze leider, de Koran is onze wet, jihad is onze weg, sterven op de weg van Allah is onze hoogste hoop." Die jihadistische organisatie vormt een existentiële bedreiging voor onze democratische rechtsstaat en vrije samenleving. Het is dan ook onvoorstelbaar dat zij nog altijd niet verboden is. Sterker nog, terwijl de Moslimbroederschap in diverse landen in de Arabische wereld keihard wordt aangepakt, werd ze hier met open armen ontvangen en kan ze hier woekeren. Door het globalistisch beleid en het islamgepamper van de beleidspartijen, zoals de uwe, kan de Moslimbroederschap hier al decennia woekeren en onze samenleving islamiseren. Ik roep u op om de Moslimbroederschap te verbieden en haar leden en aanhangers het land uit te zetten. Dat is wat nodig is. Palestijnse tieners met M16-machinegeweren op hun trui in ons land Mijnheer de minister, soms is het bijna niet te geloven wat we op beelden op sociale media zien: Palestijnse tieners met M16-machinegeweren op hun trui worden ons land binnengebracht. Die M16 wordt, zoals ik vorige week al zei, niet zomaar gekozen, want dat is het oorlogswapen, een automatisch machinegeweer, waarmee op 7 oktober 2023 honderden onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in Israëlische kibboetsen op jihadistische wijze werden afgeslacht. Mijnheer de minister, wie zijn die tieners? Zijn ze hier met familie? Hebben ze hier familie wonen? Worden die tieners en hun familieleden aan een veiligheidsscreening onderworpen? Worden hun sociale media gescreend op denkbeelden die pro-Hamas, pro-sharia, pro-jihad of pro-7 oktober 2023 zijn? Als die tieners en hun familieleden antisemitische sentimenten koesteren of als ze inderdaad – zoals blijkt uit de M16-geweren op hun trui – pro-Hamas, pro-7 oktober 2023, pro-sharia of pro-jihadterreur zijn, worden ze dan teruggestuurd naar Gaza, waar ze thuishoren? Ik hoor het graag van u. Mijnheer Van Rooy, met vragen over vluchtelingen, de screening van hen en de eventuele interviews die van hen worden afgenomen, kunt u terecht bij collega-minister Van Bossuyt. In dit geval kan het dragen van kleding van bijzonder twijfelachtige en ongepaste smaak op zich geen reden zijn voor de politie om op eigen initiatief een veiligheidsscreening uit te voeren. Ter aanvullende informatie over screenings van allerlei aard en voor uiteenlopende doeleinden herinner ik eraan dat een dergelijke controle slechts een eenmalige beoordeling mogelijk maakt. Het gaat om een momentopname van een persoon en diens situatie. Ze kunnen evolueren en later veranderen, waardoor de conclusie van een nieuwe screening aanzienlijk kan verschillen van die van een eerdere, als nieuwe elementen aan het licht komen. Ik kan enkel verduidelijken dat elke vorm van verheerlijking van terroristische organisaties op Belgisch grondgebied onaanvaardbaar is en strafrechtelijke gevolgen kan hebben. De Veiligheid van de Staat (VSSE), die eveneens moet worden bevraagd, kan wel volgens andere regels handelen. Indien nodig en wanneer de elementen waarover de veiligheidsdiensten beschikken dat rechtvaardigen, kunnen de VSSE en de politiediensten aanvullende informatie opvragen, die onverwijld zal worden verstrekt. Wanneer er concrete aanwijzingen zijn, worden ze geëvalueerd door de bevoegde diensten. Indien zij van oordeel zijn dat er sprake is van strafbare feiten, oordeelt het parket over eventuele vervolging. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Palestijnse moslimtieners die de jihadterreur van Hamas vergoelijken, worden dit land binnengevlogen. Vervolgens worden zij niet eens ernstig gescreend en opgevolgd. Gelet op het toenemend antisemitisme en de voortdurende jihadistische dreiging, zeker in de periode van Kerstmis en Chanoeka, zijn bijkomende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Er is nood aan meer veiligheid. Het stopzetten van de federale politiebeveiliging in de Joodse wijk in Antwerpen en de communicatie daarover is dan ook degoutant. In de Joodse wijk is niet minder maar net meer beveiliging nodig. Er moeten minstens twee zwaarbewapende agenten of militairen met de nodige bevoegdheden aan elke synagoge, aan elke Joodse school, aan elke Joodse instelling en aan elk Joods evenement staan. Ik verwacht van u als minister van Veiligheid dat u daar mee voor zorgt. Antwerpen mag immers nooit meemaken wat eerder is gebeurd in Manchester en enkele dagen geleden in Sydney. De komst van de antisemitische jihadist Omar Barghouti voor een workshop in Leuven U bent nog niet van mij af, mijnheer de minister van Veiligheid, een titel die u eigenlijk niet verdient. Op donderdag 27 november kwam Omar Barghouti naar België. Hij is geboren in Qatar en noemt zichzelf een Palestijnse mensenrechten–verdediger. Daar zijn ze goed in, in misleiden. Hij is echter een jihadist, niet van het type dat terreuraanslagen pleegt, maar wel van het type dat aan soft jihad doet. Als oprichter van de BDS-beweging, die eigenlijk een Kauft nicht bei Juden 2.0 is, kwam hij op 27 november naar Leuven. Barghouti pleit voor de vernietiging van Israël en is ook niet vies van het verkondigen van antisemitische bloedsprookjes, zoals vorig jaar nog in Amsterdam. Hij heeft het over de Joodse lobby, legitimeert jihadistische terreur en verspreidt complottistische nonsens, zoals dat Israël en de VS Islamitische Staat zouden hebben gecreëerd. Niet toevallig in Leuven – we weten immers wie daar burgemeester is –, wordt hij op orwelliaanse wijze als volgt aangekondigd: "Tijdens een workshop reikt hij praktische tools en strategieën aan om de principes van BDS te vertalen naar concrete maatregelen, solidair te zijn met het Palestijnse volk en de Palestijnse mensenrechten te respecteren. De workshop is bedoeld voor stadsmedewerkers, beleidsmakers, de culturele sector en iedereen die binnen een organisatie werkt aan mensenrechten, duurzaamheid of internationale solidariteit." Dat is allemaal newspeak en orwelliaanse onzin. Mijnheer de minister, wetende wat voor een sujet die Omar Barghouti is, wat vindt u ervan dat hij naar ons land reist om hier een workshop te geven, zelfs voor overheidspersoneel? Wilt u hem de toegang tot ons land ontzeggen? Zo neen, waarom niet? Mijnheer Van Rooy, ik herhaal nogmaals dat iemand de toegang tot het grondgebied ontzeggen, behoort tot de bevoegdheid van de minister van Asiel en Migratie. Voor alle duidelijkheid, dat ben ik niet. Deze beslissing kan niet zomaar genomen worden, maar vereist elementen als signalering, bedreiging van de openbare orde en verblijfsverbod. De administratieve autoriteiten van Leuven – en ik ben ook niet de administratieve autoriteit van Leuven – kunnen evenwel op basis van een analyse beslissen om het evenement al dan niet te verbieden. Ik heb geen informatie ontvangen over het verloop van dat evenement. Indien er antisemitische inhoud zou zijn verspreid, moeten de bevoegde politiediensten daarvan een proces-verbaal opstellen. Op dit moment zijn er echter voor alle duidelijkheid geen aanwijzingen in die richting voorhanden. Ik dank u. Minister, mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten, dus een Vlaamse naam dragen, en dezelfde complottistische, antisemitische onzin verspreiden, dan zouden u en de hele regering op de achterste poten staan. Mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten en eenzelfde postmoderne versie van " Kauft nicht bei Juden " organiseren, dan zou u, zo mag ik hopen, met uw verontwaardiging geen blijf weten. Nog meer ophef zou er zijn indien die zogenaamde BDS-beweging niet tegen Joden was gericht, maar tegen moslims, of misschien nog erger, tegen Palestijnse moslims. Mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten en dodelijke terreur legitimeren, dan zou u als minister van Veiligheid ingrijpen. Omdat het echter om de Palestijn Omar Barghouti gaat, laat u begaan. Het is precies die dubbele moraal, minister, die steeds meer mensen in dit land terecht zeer boos maakt en ernstig verontrust. De aanpak van de steeds gewelddadiger wordende activisten van Code Rood en co. Extreemlinkse relschoppers en het terroriseren van onze samenleving De financiering van Code Rood Minister, u hebt ongetwijfeld gelezen dat in Gazet van Antwerpen een uitgebreid interview is verschenen met een aantal activisten die in geuren en kleuren vertellen dat ze steeds gewelddadiger worden in hun acties voor het klimaat, voor vluchtelingen, tegen ongelijkheid en tegen een vermeende genocide. Er is ook sprake van een hogere activiteitsgraad van dit soort tuig door het conflict in het Midden-Oosten. Ik las het volgende bijzonder verontrustende in dat interview: "Het geweld dat wij gebruiken verbleekt bij wat de Staat op zijn kerfstok heeft." Er wordt onder meer verwezen naar het in de kou laten slapen van 1.000 mensen en het faciliteren van een genocide in Gaza. Dat is volgens deze figuren duizendmaal erger. Een nog opmerkelijker citaat is het volgende: " Wat ik u vertel is goed voor een paar jaar gevangenisstraf, zegt een van die activisten aan de journalist." Zij verklaren openlijk hoe zij de politie proberen te verschalken, bijvoorbeeld door zich onherkenbaar te maken met een zonnebril, pet of mondmasker en door geen identiteitskaart op zak te hebben enzovoort. U kent deze organisaties ongetwijfeld: Code Rood, Secours Rouge en Classe Contre Classe. Zij plannen hun illegale acties in Brussel, Gent, Antwerpen of Namen. Ze voorzien bovendien juridische bijstand voor arrestanten en zijn dus steeds beter georganiseerd. Een expert ter zake, Paul Ponsaers, stelt vast dat het terroristische CCC terugkeert in dit soort moderne extreemlinkse bewegingen en spreekt in dat verband van een explosieve cocktail. Minister, worden deze activisten, die zich blijkbaar onaantastbaar wanen en gewoon interviews geven, opgespoord en opgepakt? Staan zij ten minste op de radar van onze veiligheidsdiensten? Hoever staat het met de identificatie en arrestatie van dit soort gewelddadige extreemlinkse activisten, die de intentie hebben te ontwrichten, schade te veroorzaken, te intimideren en angst te zaaien, en die dat ook niet onder stoelen of banken steken? Hoe zult u voorkomen dat zij nog verdere schade en levensgevaarlijke situaties in ons land veroorzaken. Zal er eindelijk werk worden gemaakt van het verbieden van dit soort tot geweld aanzettende organisaties? We wachten daar al geruime tijd op. Mijnheer de minister, ik heb daar niet zoveel aan toe te voegen. De heer Van Rooy heeft de context geschetst en die is zorgwekkend. Dat zeg ik niet alleen, dat zegt de heer Van Rooy niet alleen, dat zegt ook het OCAD. Het OCAD bevestigt dat een vijftiental individuen op de radar staat wegens links-extremistische radicalisering. De politiediensten geven aan dat deze groepen beter georganiseerd zijn dan vaak wordt aangenomen. Mijnheer de minister, u hebt enkele maanden geleden aangekondigd dat u zult komen met een wetgevend initiatief om dergelijke organisaties aan banden te leggen. Laat mij duidelijk zijn, ik ben een zeer grote voorstander van de vrijheid van meningsuiting. Het laatste middel dat men in een democratie mag gebruiken is het verbieden van verenigingen en organisaties. Mijnheer de minister, mijnheer Van Rooy, u weet dat onze partij in 2004 - toen was ik al lid van het Vlaams Blok - voor de rechtbank is gesleept en daadwerkelijk werd verboden. Dat was een zwarte dag voor de democratie in ons land, als u het mij vraagt. Dergelijke organisaties zeggen echter openlijk in interviews dat zij sabotage, materiële schade en overheidsgebouwen doelbewust viseren en dat geweld noodzakelijk is om impact te hebben. Dan is er een rode lijn overschreden. Die rode lijn mag u in deze letterlijk nemen. De wetgeving is duidelijk, wie geweld pleegt, is strafbaar. Als een organisatie zich collectief schuldig maakt aan geweld, dan moet die organisatie aangepakt worden. Mijnheer de minister, ik vraag u in deze vooral naar de timing van uw wetgevend initiatief. Misschien kunt u al een tip van de sluier oplichten van wat er concreet in uw wetsontwerp wordt bedoeld. De Vlaamse regering besliste onlangs in te grijpen op de subsidies van organisaties die worden gelinkt aan Code Rood. Kort na die aankondiging heeft Code Rood alle zuster- en partnerorganisaties van zijn website verwijderd, maar dat is niet erg, ik had ze al genoteerd. Die reactie zegt veel over de transparantie van Code Rood en over de bredere financiële structuren rond het criminele netwerk. Collega Ducarme van de MR stelde hier eerder al voor om een onderzoekscommissie op te richten naar de financiering van extremistische bewegingen in ons land. U kondigde dan weer een rapport aan over de financiering van extremistische bewegingen in ons land. Hoe staat het met dat onderzoek naar de financieringsstromen van organisaties die in verband worden gebracht met radicale of extremistische acties, inclusief de geldstromen naar die verenigingen vanuit de federale overheid, maar evengoed vanuit andere overheden in dit land? Ontvangen de betrokken zusterorganisaties van Code Rood nog subsidies van de federale, regionale of lokale overheden? Zo ja, via welke kanalen en onder welke voorwaarden loopt die financiering van de zusterorganisaties van Code Rood? Hoe zult u ervoor zorgen dat extremistische bewegingen die hun digitale sporen proberen uit te wissen of hun financieringsnetwerk proberen te verbergen, niet ontsnappen aan controle op hun publieke financiering? Om operationele redenen en veiligheidsredenen zal ik geen gedetailleerde informatie verstrekken over de inzet van specifieke methoden, noch over de concrete resultaten daarvan. Ik kan wel meegeven dat er een geïntegreerde aanpak, inclusief een risicoanalyse, wordt toegepast om te vermijden dat overheidsgebouwen, zoals dat van de Dienst Vreemdelingenzaken, opnieuw het doelwit worden van gecoördineerde aanvallen. In samenwerking met de lokale administratieve overheden en het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) zullen bij verwachte incidenten de gepaste politie- en beschermingsmaatregelen worden genomen. De grote sociale, geopolitieke en economische thema's vormen inderdaad belangrijke mobilisatieassen voor linkse en extreemlinkse collectieven. Het OCAD heeft er de aandacht op gevestigd dat er sprake is van radicalisering bij bepaalde linkse activisten en dat de radicalisering wordt benut door extreemlinkse kringen, wat dit jaar duidelijk is gebleken. In het jaarverslag van het OCAD van vorig jaar staat dat 18 personen in de gemeenschappelijke gegevensbank terrorisme, extremisme en radicalisering als linksextremist worden opgenomen. Ik heb een voorontwerp naar de ministerraad gebracht om gevaarlijke radicale organisaties te verbieden. Ik wacht op het advies van de Raad van State. In elk geval zal er geen verbod worden afgekondigd, zonder dat de veiligheidsdiensten daartoe nuttige elementen aanleveren. Mijnheer Bergers, voor onderzoek naar de financiering van organisaties moet ik u verwijzen naar de minister van Justitie, voor zover het gaat over gerechtelijke dossiers of onderzoeken vanwege de Veiligheid van de Staat. Ik heb geen informatie over subsidies die worden toegekend aan Code Rood. Er is geen centraal register van overheidssubsidies. Ik neem aan dat u zich zorgen maakt over het feit dat bepaalde organisaties die als extremistisch kunnen worden beschouwd, toch subsidies zouden krijgen. Het is echter aan de overheden die subsidies toekennen, om die beslissing te nemen en daar transparantie over te verschaffen. Ik ben dan ook niet bevoegd voor enig toezicht op publieke financiering, behoudens die van mijn eigen departement. Minister, of het nu de minister van Asiel en Migratie van Bossuyt is, minister van Justitie Verlinden, of u, de minister van Veiligheid, niet alleen uw inhoudelijke antwoorden op mijn kritische vragen, maar ook de toon waarop, duiden gewoon op een laks en soft beleid. Het gewelddadig extreemlinks tuig voelt dat natuurlijk ook. Ik citeer opnieuw: "Wat ik u vertel, is goed voor een paar jaar gevangenis," zegt een van die extreemlinkse activisten gewoon in de krant. Zo onaantastbaar voelen ze zich in dit land, minister. Ook tegen uw eigen partij MR gaan ze steeds verder. Minister, zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Spoor ze op en zet ze vast, alvorens ze nog meer schade in dit land kunnen aanrichten. Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij de uitspraak van de heer Van Rooy. Het probleem dateert niet van gisteren. Het sleept al jaren aan. De overheid heeft zich te laks opgesteld ten opzichte van het toenemend extremistisch geweld van dergelijke groeperingen. In alle jaarrapporten van de Veiligheid van de Staat lees ik dat er blijkbaar een groot extreemrechts complot bezig is in ons land, dat zeer gevaarlijk is. Wel, ik merk daar in de praktijk niets van. Integendeel, ik zie alleen maar geweld vanuit islamistische en vanuit extreemlinkse hoek. Onze partij, onze leden en onze gebouwen werden al meermaals aangevallen op verschillende manieren. Het is dus hoog tijd dat men daar paal en perk aan stelt. Nu u zelf het slachtoffer wordt van extreemlinks geweld, ben ik blij dat u het licht hebt gezien en beseft dat we die gewelddadige groeperingen best niet meer in onze samenleving dulden. Alvast bedankt. Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het zou inderdaad goed zijn als de federale overheid ook een subsidieregister start om transparantie te geven aan elke burger, net zoals wij dat op Vlaams niveau al hebben gedaan. Ook in het federale regeerakkoord staat dat we zo'n subsidieregister zullen invoeren. Het is wel belangrijk dat we actiever, nog voor er een subsidieregister is, monitoren welke financieringsstromen lopen naar extremistische bewegingen zoals Code Rood en het CCIB. Uw collega Ducarme bracht aan het licht dat dat ook in het verleden subsidies heeft gekregen van de federale overheid. Op dat vlak had u zelf aangekondigd stappen te nemen. Ik weet niet of die nu nog op de agenda staan. U zei dat u alleen bevoegd bent voor de subsidiestromen die vanuit uw eigen departement vloeien. Dat klopt uiteraard, maar dat belet u niet om uw collega's aan te spreken. Kunt u wel bevestigen dat onder uw eigen departementen er geen subsidiestromen vloeien naar extremistische organisaties? Dat lijkt mij een zeer relevante vraag. De radicalisering v.d. Borgerhoutse moskee De Koepel en de wens om uit te breiden tot een megamoskee Mijnheer de minister, de Borgerhoutse moskee De Koepel, u hopelijk welbekend, radicaliseert en wil bovendien uitbreiden tot een megamoskee. Daarvoor wordt op dit moment maar liefst 1,2 miljoen euro ingezameld. De moskee heeft een trackrecord van radicalisering. Denk aan Sharia4Belgium. Men onderhield banden met radicale, islamitische organisaties. Dat bleek uit rapporten van de veiligheidsdiensten. Niet voor niets verloor de moskee dus haar erkenning door de Vlaamse overheid. Op dit eigenste moment worden daar Koranlessen gegeven, door iemand die de moorddadige moslimterroristen van Hamas verheerlijkt. U als minister van Veiligheid zou dat toch heel grote zorgen moeten baren, mag ik hopen. Mijnheer de minister, wordt de geldinzameling gescreend op de herkomst van de gedoneerde geldbedragen? Wat vindt u ervan dat een moskee, waar iemand lesgeeft die de Hamasterreur verheerlijkt, tot een megamoskee wil uitbreiden? Wat vindt u ervan dat men er Koranlessen kan geven, ook aan kinderen? Wat wordt ondernomen, de hamvraag, om radicalisering in die moskee tegen te gaan? Mijnheer Van Rooy, u weet ongetwijfeld dat de minister van Justitie bevoegd is voor de erkende erediensten. Niet-erkende, lokale geloofsgemeenschappen kennen geen rechtstreekse financieringscontroles. Indien er echter aanwijzingen zijn van illegale financiering, witwaspraktijken of inmenging van financiering door derde landen, kan het parket of de Veiligheid van de Staat een onderzoek openen. De uitbreiding van een gebedshuis valt in eerste instantie onder de lokale, stedenbouwkundige regelgeving. De veiligheidsdiensten volgen de situatie op binnen hun mandaat, met bijzondere aandacht voor mogelijke risico's op radicalisering, ongeacht de omvang van het gebouw. Elke vorm van verheerlijking van een terroristische organisatie is onaanvaardbaar en kan strafrechtelijke gevolgen hebben. Indien er concreet aanwijzingen zijn, worden die door de bevoegde diensten geanalyseerd. De opvolging van radicalisering in niet-erkende instellingen gebeurt multidisciplinair volgens de strategie-TER, die inzet op preventie, detectie en repressie. De federale en gewestelijke diensten delen informatie op specifieke platformen en treden op binnen hun bevoegdheden. Ik denk hiermee uw vragen over het onderwerp te hebben beantwoord. Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. De moskee De Koepel, bekend van radicalisering, gelegen in wat ondertussen helaas verworden is tot Borgerokko, wil dus uitbreiden tot een megamoskee en zamelt op dit moment maar liefst 1,2 miljoen euro in. Ik vraag mij dan af waar al dat geld vandaan komt. De moskee heeft een trackrecord van radicalisering. Denk aan Sharia4Belgium. Op dit moment worden er gewoon Koranlessen gegeven door iemand die de moorddadige moslimterroristen van Hamas verheerlijkt. Terwijl het terreurniveau in dit land permanent verhoogd en ernstig is, dankzij de islam, kunnen moskeeën waar terreur wordt gelegitimeerd, gewoon blijven woekeren. Mijnheer de minister, de regering zaait zelf de kiemen van jihadistische terreur. Dat is de harde conclusie. De aanval op onze cultuur in Brussel ten faveure van de islam Mijnheer de minister, het is helaas wereldnieuws geworden dat de stad Brussel een kerststal, of eigenlijk eerder een tent, heeft geplaatst, waarbij de gezichten van de christelijke figuren Maria, Jozef en het kindje Jezus zijn uitgewist en er zelfs verminkt uitzien. De reden daarvoor is dat dit, ik citeer, "inclusief" zou zijn. Het afbeelden van menselijke gezichten is in de islam haram, waarvoor ik naar meerdere hadiths verwijs. Veel mensen vragen zich dan ook af of dat gebeurd is onder druk of zelfs bedreiging van moslimfundamentalisten of jihadisten, dan wel of dat is wat men zelfislamisering noemt, waarbij de stad Brussel er zonder enige druk voor kiest om zich aan te passen aan voorschriften van de islamitische doctrine. Een derde mogelijkheid is dat de islam er helemaal niets mee te maken heeft, waardoor dat een flagrant geval is van de typisch westerse oikofobie of zelfhaat. Mijnheer de minister, hebt u dat onderzocht? Wat is uw reactie daarop? Mijnheer Van Rooy, ik kan heel kort zijn. Onze veiligheidsdiensten volgen dreigingsmeldingen altijd op. Ik heb geen informatie over jihadistische bedreigingen tegen de kerststalindustrie, noch tegen zij die kerststallen bestellen in Brussel of daarbuiten. Wat uw andere vragen betreft, ik heb daarover geen mening. Mijnheer de minister, dat u geen mening hebt over iets wat toch heel fundamenteel is voor onze cultuur, zegt veel. Dat is een verminkte kerststal, een tent die de belastingbetaler 65.000 euro heeft gekost, exclusief de afbraak. Op de afbraak zou dus nog kunnen worden bespaard, want talloze mensen zeggen dat zij die tent maar al te graag zouden afbreken. Zaken zoals de afschaffing van Zwarte Piet, en de kerstmarkt die een wintermarkt moest worden, in combinatie met niet alleen de opmars, maar ook het door de overheid en de media promoten van islamitische tradities, leidt ertoe dat steeds meer mensen terecht het gevoel hebben dat ze hun cultuur kwijtraken. De verweesde samenleving, zo noemde Pim Fortuyn het dertig jaar geleden al. Ook vandaag voeren de diverse overheden in dit land een wereldvreemd beleid dat onze cultuur degradeert en uiteindelijk zal vernietigen. De jihadistische dreiging tegen christelijke doelwitten Mijnheer de minister, op 10 september vond er een jihadistische moord plaats in Lyon op Ashur Sarnaya, een Iraakse christen in een rolstoel. Daarna waarschuwde de Franse binnenlandse veiligheidsdienst, de DGSI, voor een toenemende jihadistische dreiging tegen christenen. Dat staat in een vertrouwelijk rapport, dat via Le Figaro naar buiten kwam. Onderzoekers zien de moord op de christen Sarnaya als een voorbeeld van een blijvende jihadistische fixatie op christenen en christelijke symbolen, zoals kerken en kerstmarkten. Volgens de Franse veiligheidsdienst richten islamistische netwerken zich al jaren op christenen. In het rapport staat dat zij christenen – hoe kan het ook anders, helaas – neerzetten als ongelovigen of afgodenaanbidders. De DGSI stelt dat die woorden terugkomen in zowel oude als recente jihadistische propaganda. Mijnheer de minister, namen onze veiligheidsdiensten kennis van dat zorgwekkend rapport? Hoe kijken onze veiligheidsdiensten naar de jihadistische dreiging tegen christelijke doelwitten? Welke maatregelen worden desgevallend genomen om christelijke doelwitten, zeker tijdens deze kerstperiode, te beschermen tegen islamitische jihad? Mijnheer Van Rooy, het OCAD laat weten kennisgenomen te hebben van die tragische gebeurtenis. Het feit dat christelijke belangen doelwit kunnen zijn van de jihadistische beweging is niet nieuw. Ook joodse belangen en de LGTB+-gemeenschap zijn al langer potentiële doelwitten. Wanneer er christelijke evenementen worden georganiseerd en de lokale autoriteiten een dreigingsevaluatie wensen, kunnen zij dat aan het OCAD vragen. Het Nationaal Crisiscentrum zal daarop maatregelen aanbevelen. Indien er signalen van extremisme of radicalisering zijn, worden die in het kader van de Strategie T.E.R. opgevolgd. Mijnheer de minister, op 10 september werd in Lyon Ashur Sarnaya vermoord, een Iraakse christen in een rolstoel. De dader is een Algerijnse moslim. Na die jihadistische moord waarschuwt de Franse binnenlandse veiligheidsdienst voor een toenemende jihadistische dreiging tegen christenen. Het is symptomatisch. De toenemende islamisering leidt ertoe dat onze maatschappij voor niet-moslims steeds onveiliger wordt. Een Arabisch spreekwoord luidt: na zaterdag komt zondag, oftewel, na de joden zijn de christenen aan de beurt. In de islamitische wereld worden genocides en ethnocides op christenen gepleegd. Bij gelijkblijvend beleid zal dat helaas ook de toekomst zijn van Europa, van België. Lees het nationaal veiligheidsrapport van de VS-minister en trek daaruit de enige juiste conclusie. Vraag 56011100C van de heer Vander Elst is omgezet in een schriftelijke vraag. De inzet van het luchtdrukprojectielwapen FN 303 Mijnheer de minister, er was een korte miscommunicatie met de media, waarin u aankondigde eventueel het luchtdrukprojectielwapen FN 303 in te zetten bij zware rellen. U hebt dat echter zeer snel rechtgezet. In tegenstelling tot minister Francken en collega De Vreese, die daar enthousiast op reageerden, sta ik daar slechts deels achter, want het probleem blijft bestaan. Dat sluit aan bij de problematiek die we daarnet hebben besproken over geweld. De steeds gewelddadiger wordende vormen die extreemlinkse manifestanten hanteren, maken dat onze politiemensen, die de openbare orde moeten handhaven, niet altijd adequaat kunnen reageren omdat ze onvoldoende middelen hebben. Er is nu discussie of het luchtdrukwapen het beste middel is. Wellicht is dat niet altijd geschikt in een openbare ruimte, maar dat neemt niet weg dat er discussie blijft over welke middelen wél geoorloofd zijn. Ik bedoel daarmee niet-dodelijke wapens die onze ordediensten zouden moeten kunnen gebruiken bij zware rellen. Kunt u toelichten of er pistes zijn om andere niet-dodelijke wapens in te zetten? Zijn er plannen om te investeren in dergelijke middelen, niet alleen om onze politie adequaat te beschermen, maar ook om burgers te verdedigen? U kent ook het grote aantal slachtoffers dat de voorbije jaren is gevallen, zowel bij de politie als soms bij hulpverleners, door dergelijke manifestanten. Ik hoop uit de grond van mijn hart, mijnheer de minister, dat u daar plannen voor hebt zodat de politie in dezen adequaat zal kunnen optreden. Ik dank u alvast voor uw antwoord. Voor wat mij betreft, blijft het gebruik van het wapen FN 303 niet toegelaten in het kader van het genegotieerd beheer van de openbare ruimte. Het gebruik van dergelijke wapens dient strikt gelimiteerd te blijven tot gevallen van wettige verdediging. Excessief of onnodig gebruik van geweld moet steeds worden vermeden. Net zoals mijn collega Francken streef ik naar een openbare ruimte waarin de vrijheid van meningsuiting en het recht op vreedzaam betogen mogelijk zijn. Ik deel met u, meneer de voorzitter, de bezorgdheid over de bescherming van de meningsvrijheid. Het referentiekader CP4 bis en de omzendbrief OOP41 bis vormen een zeer duidelijk kader voor alles wat het genegotieerd beheer van de openbare ruimte betreft. In die omzendbrief wordt een heel scala aan non-lethal weapons beschreven waar de politiediensten gebruik van kunnen maken, zoals collectieve spray en traangasgranaten, maar ook sproeiwagens, hondenteams en de politie te paard. Het bestaande kader biedt met andere woorden voldoende mogelijkheden en ik blijf bij het standpunt dat een strikte naleving van het bestaande wettelijke kader cruciaal is. Eerder dit jaar gaf ik de opdracht aan de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie (AIG) een administratief onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het wapen FN 303 door de politiediensten. Dat rapport is duidelijk en geeft als aanbeveling dat de geïntegreerde politie strikt het bestaande wettelijke kader moet naleven. Ik dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U verwijst vooral naar de omzendbrief waarin alle middelen worden omschreven, maar ik verwijs u naar wat onze politiemensen op het terrein en hun vakorganisaties stellen, namelijk dat zij al jaren bij ordehandhavingsdiensten, bij massale rellen, onvoldoende uitgerust zijn. Ze zijn structureel onderbemand en structureel onderbewapend, ondanks de stijgende agressie tegen agenten en de groeiende problematiek van rellen, jeugdbendes en narcogroepen. Ik ben van mening, mijnheer de minister, dat u de omzendbrief moet actualiseren en tegen het licht moet houden gezien de stijgende problematiek van steeds gewelddadiger vormen van protesten in onze straten. Ik reken daarop en zal dat blijvend onder de aandacht brengen. Het mislopen van Europese steun ten belope van 25 miljoen euro voor de war on drugs Monsieur le ministre, je tiens tout d'abord à préciser que cette question a pour but de clarifier les choses. Je pense en effet que certaines informations erronées ont été transmises à la presse par un de vos partenaires de la majorité, à savoir Les Engagés. Ces informations suggèrent que la Belgique n'aurait pas introduit auprès de l'Union européenne un dossier qui nous aurait permis d'obtenir une subvention de 25 millions d'euros. Si je ne me trompe, votre partenaire de la majorité ne vous met même pas en cause, évoquant plutôt l'ancienne ministre de l'Intérieur, issue de son parti frère, qui n'aurait pas rentré le dossier en question. Monsieur le ministre, a-t-on bien introduit ce dossier qui nous permettrait d'avoir ces subventions pour lutter contre le narcotrafic? Sinon, a-t-on l'intention de le faire? En effet, contrairement aux informations relayées par d'aucuns dans la presse, il est inexact de prétendre que la Belgique aurait laissé se perdre une subvention de 24,5 millions d'euros du Fonds pour la sécurité intérieure, le fameux ISF. Les chiffres réels, vérifiés avec la Commission européenne, démontrent que les moyens européens sont bel et bien mobilisés et font l'objet d'un suivi rigoureux. En période de disette budgétaire, ce serait malheureux qu'il n'en soit pas ainsi. L'enveloppe totale allouée à la Belgique dans le cadre du ISF – et je dis bien du ISF, à savoir la Sécurité intérieure – s'élève à 33,763 millions d'euros. Les projets financés directement concernent des avancées concrètes dans la lutte contre la criminalité organisée, la biométrie, le renforcement des capacités d'enquête, la modernisation des infrastructures critiques, la cybersécurité, la gestion des données sensibles ou encore le soutien aux unités spécialisées. Ils contribuent à renforcer l'efficacité des services de police et de justice dans un contexte de menaces croissantes. Par ailleurs, cinq projets supplémentaires représentant 3,583 millions d'euros, dont 3,010 millions subsidiables, ont reçu un avis favorable de l'Inspection des finances et sont en cours de validation finale. Ils viendront compléter la programmation dès finalisation des dernières étapes administratives. Il convient également de préciser que la liste des projets sélectionnés est entièrement publique, mise à jour plusieurs fois par an et accessible sur le site du SPF Intérieur. Enfin, les chiffres publiés sur la plateforme Kohesio de la Commission européenne ne correspondent pas aux données actualisées. Après vérification effectuée ce matin avec les services compétents de la Commission, ceux-ci ont confirmé les montants mentionnés ci-avant et analysent les écarts constatés sur le site. Les éléments disponibles montrent clairement que la Belgique n'a ni manqué les délais ni renoncé aux financements européens et que les crédits de l'Internal Security Fund (ISF) sont pleinement programmés, engagés et suivis, conformément aux exigences européennes. Je me tiens comme toujours au service de l'opposition, mais aussi de la majorité, pour fournir les bons éléments, les bons chiffres et les bonnes données. Effectivement, ici, c'est plutôt auprès de votre partenaire de majorité que vous devez être à disposition. Vous avez donné des informations claires et précises. Il est regrettable qu'on balance ce genre d'informations dans la presse, c'est un mauvais signal envoyé à ceux que l'on combat tous les jours, à savoir les narcotrafiquants. Je vous remercie, monsieur le ministre, d'avoir apporté ces éclaircissements et ces réponses plus que complètes. De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid Het evenwicht in de personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie (SPC) De personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie Het internationale statuut van het Zuidstation en de middelen voor de federale politie in Brussel Mijnheer de minister, ik heb u al enkele keren bevraagd over de spoorwegpolitie. Ik heb verschillende vragen, die ik zal samenvatten. Het gaat onder meer over de aangekondigde versterking. Er zouden twintig agenten van de spoorwegpolitie bij gekomen zijn in het station Brussel-Zuid. Mijn vraag daarbij is of het gaat om nieuwe agenten die recent werden aangeworven, dan wel om verschuivingen of overplaatsingen vanuit andere zones naar Brussel. Waar zijn die agenten precies ingezet in Brussel-Zuid? Zijn ze effectief actief op de werkvloer in het station, of gaat het om functies op directieniveau? Wat is de budgettaire impact daarvan? Welke verdere plannen hebt u wat de personeelscapaciteit van de spoorwegpolitie betreft? Daarnaast stel ik mij vragen over de situatie in de andere zones, waar toch aanzienlijke verschillen bestaan. Hoe verklaart u die grote verschillen in de aanwezigheid van de spoorwegpolitie tussen de verschillende zones? Overweegt u eventueel om nieuwe spoorwegpolitieposten te openen in andere stations? Ik kijk uit naar uw antwoorden. Minister, ik heb u ook al verschillende keren vragen gesteld over de spoorwegpolitie. U kondigde aan om, naar aanleiding van de ernstige drugsproblematiek, de spoorwegpolitie in Brussel te versterken. Wanneer we vervolgens kijken naar het personeelsbestand daar, stellen we vast dat dit zelfs de organieke kaders zal overstijgen. Ik meen dat men op een bezetting van 111 % zal uitkomen. Daartegenover zien we echter dat er in Vlaanderen enorme tekorten zijn wat het personeel van de spoorwegpolitie betreft. In Gent werden we recent nog geconfronteerd met de gevolgen van de structurele problemen waarmee de spoorwegpolitie daar te maken krijgt. Wanneer zich incidenten voordoen, zijn de responstijd en de zichtbare aanwezigheid cruciaal. Het mag niet zo zijn dat er een veiligheidsapparaat met twee snelheden ontstaat, waarbij de pendelaar in Vlaanderen op minder bescherming kan rekenen dan die in Brussel of in Wallonië. Wanneer we de cijfers bekijken, zien we dat ook de bezettingsgraad in Wallonië een stuk hoger ligt dan in Vlaanderen. Ik kan u zeggen, minister, dat ik daarover van verschillende mensen bijzonder schrijnende verhalen hoor. Het gaat om mensen die sterk gemotiveerd zijn om bij de spoorwegpolitie hun taken en bevoegdheden ten volle uit te oefenen, maar die met de handen in het haar zitten omdat ze met zo weinig mensen moeten opereren. Bij de spoorwegpolitie in Brugge is er vaak maar één ploeg aanwezig, die eigenlijk moet instaan voor heel West-Vlaanderen. Er zijn nochtans wel degelijk manieren om die antenne volledig in te vullen. De extra inzet in Brussel is dus een feit, maar hoe verklaart u het grote verschil in bezettingsgraad tussen de Brusselse en Waalse eenheden enerzijds en de posten in Vlaanderen anderzijds? Is die scheeftrekking een bewuste beleidskeuze geweest? Zo ja, waarom wegen bepaalde veiligheidsrisico’s dan zwaarder door dan andere? Dit gaat uiteraard terug tot vóór uw beleid, want het dateert van vroeger. U stelt dat de versterking in Brussel er onmiddellijk komt, maar welk concreet plan ligt daarvoor op tafel? Welk concreet perspectief kunt u op korte termijn bieden aan de korpschefs? Ook lokaal vraagt men immers een volledige invulling van de antenneposten en van het personeel van de spoorwegpolitie in Vlaanderen. Monsieur le ministre, le 23 septembre dernier, ma proposition de résolution visant à créer un véritable statut de gare internationale pour des gares telles que la gare de Bruxelles-Midi a été rejetée en commission. Cette proposition visait pourtant à combler un vide législatif évident. Notre arsenal prévoit un statut protecteur et des moyens adaptés pour les aéroports internationaux, mais rien de comparable pour nos gares, alors même qu'elles constituent des hubs de mobilité tout aussi exposés, dans le cas ici de la gare du Midi, d'une frontière internationale. Ainsi, alors que l'aéroport de Bruxelles-National concentre – à juste titre – des moyens policiers renforcés, la gare du Midi, elle, en connaissait moins, jusqu'à il y a quelques jours. En effet, le 3 décembre dernier, vous avez annoncé l'affectation de 20 policiers supplémentaires au sein du commissariat de la gare du Midi, et je ne boude pas mon plaisir en vous disant que c'est une bonne première étape. Cela dit, j'aimerais savoir s'il s'agit effectivement d'un accroissement des effectifs globaux ou plutôt d'une réaffectation des postes existants. Par ailleurs, la police fédérale a, par la voix de son porte-parole, clairement indiqué que la gare du Midi était une gare internationale, et que cette réalité était donc à l'origine de demandes particulières. Monsieur le ministre, envisagez-vous la création de ce statut juridique spécifique pour la gare du Midi? Comptez-vous y augmenter durablement les effectifs afin de garantir un niveau de sécurité équivalent à celui de l'aéroport de Bruxelles-National? Étudiez-vous l'ouverture d'un commissariat de la SPC dans d'autres gares, bruxelloises ou pas? Enfin, quelles sont les mesures prévues pour lutter contre les réseaux criminels, les agressions, en d'autres termes la délinquance qui se propage dans les différentes gares du pays? Merci d'avance pour vos réponses. De tijdelijke versterking met 20 politieagenten, waar ik eerder naar verwees, is niet structureel. Het betreft politieagenten die voor een beperkte periode worden toegewezen aan de spoorwegpolitie (SPC) in Brussel, bij de dienst Interventie. De versterking wordt geïntegreerd in de bestaande dispositieven en heeft tot doel een grotere zichtbaarheid van de SPC op het Brusselse werkterrein mogelijk te maken. De maatregel heeft dus geen budgettaire impact, aangezien het louter gaat om een heroriëntering van de capaciteit. De spoorwegpolitie in Brussel telt momenteel 253 operationele leden. De SPC besteedt overal op haar werkterrein dezelfde aandacht aan de bestrijding van onveiligheid, maar het is belangrijk te benadrukken dat de veiligheidsproblemen in Brussel, Antwerpen en Gent niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Verschillende factoren spelen daarbij een rol, zoals het aantal pendelaars en toeristen, de infrastructuur van de stations, de grenscontrole en de talrijke internationale verbindingen in Brussel, alsook de nabijheid van een metronetwerk en van gevoelige wijken. De rekrutering van Nederlandstalig personeel blijft een cruciale succesfactor voor de gehele geïntegreerde politie. Bij de SPC wordt daarom een bijzondere inspanning geleverd in Antwerpen, waar zich het grootste capaciteitsgebrek situeert. Vanaf het tweede kwartaal van 2026 zullen nieuwe SPC-leden die momenteel in Leuven of Hasselt zijn tewerkgesteld in Antwerpen kunnen werken, zonder hun gebruikelijke werkplek op te geven. Wat de personeelsbezetting van de SPC betreft, begin december is een nieuwe mobiliteitscyclus opgestart. Zoals gebruikelijk worden de beschikbare standplaatsen bij elke cyclus bekendgemaakt. Concreet tekent zich vandaag het volgende beeld af: de SPC Brussel en SPC Zuid zijn bijna volledig ingevuld. Bij de SPC Oost is de personeelsbezetting in orde, maar blijven er nog infrastructurele knelpunten die moeten worden opgelost. De SPC Noord en SPC West kampen daarentegen met een personeelstekort. We hopen dat tekort minstens gedeeltelijk op te vangen via deze mobiliteitscycli, naargelang de resultaten van de lopende vacatures. Een en ander zal duidelijker worden zodra de kandidaturen zijn ontvangen en de selecties begin 2026 zijn afgerond. Ik voeg eraan toe dat de dringende politiehulp aan slachtoffers van misdrijven in het station niet uitsluitend afhankelijk is van de SPC-capaciteit, aangezien het mechanisme van wederzijdse operationele ondersteuning tussen de federale politie-eenheden en de lokale politiezones te allen tijde verzekerd is. Ik heb u er al op gewezen dat de rondzendbrief van 2002 herzien wordt. Dat zal leiden tot een uniforme taakverdeling tussen de lokale politie, de spoorwegpolitie en Securail, en tot een efficiënter gebruik van de beschikbare capaciteit. Dat punt maakt deel uit van het Grootstedenplan, dat eveneens tot doel heeft de veiligheid van de burgers te verbeteren. Bovendien moet in het kader van de toekomstige bevoegdheid van Binnenlandse Zaken voor de dienst Securail van de NMBS de samenwerking tussen politie en Securail op een zeer concrete wijze worden versterkt. Het betreft onder meer de organisatie van patrouilles, de dienstroosters en het gebruik van de gegevensbanken met meldingen, met inbegrip van de plaats en het tijdstip van feiten en overtredingen. Het doel is in de eerste plaats een nauwkeurig beeld te krijgen van de fenomenen die zich voordoen in de stations en op het spoorwegnet, zoals vastgesteld door zowel de politiediensten als de veiligheidsdienst van de NMBS. Daarnaast moet ook de uitwisseling van al die informatie structureel worden gegarandeerd. Ik wens bovendien dat de lokale veiligheidsplannen voor stations, opgesteld door de NMBS, in nauwer overleg met de SPC tot stand komen. Tot slot moet de geografische verdeling van de districten worden geanalyseerd, met het oog op een betere afstemming tussen de districten van de SPC en die van de veiligheidsdienst van de NMBS. Enfin, pour répondre à votre question, monsieur Chahid, concernant l'octroi d'un statut de gare internationale à la gare de Bruxelles-Midi, je précise qu'un avis a effectivement été rendu sur la proposition de résolution visant à lui conférer un tel statut. Il me semble, et c'est également l'analyse des services de police, qu'un tel statut, essentiellement théorique, n'apporte pas en soi une réponse suffisante à la situation que nous connaissons. Dans les faits, il est évident que la gare du Midi fait partie des grandes gares du pays et qu'elle occupe une place particulière compte tenu de l'importance des flux internationaux, tant via les lignes ferroviaires que par les arrivées de lignes de bus internationaux ainsi que par la présence d'un poste frontière Schengen. D'ailleurs, des missions spécifiques visant des phénomènes de criminalité internationale y sont régulièrement menées. Il n'est à l'heure actuelle pas prévu d'ouvrir d'autres commissariats dans d'autres gares du pays. L'enjeu principal consiste dès lors à poursuivre le renforcement de la coordination entre les services de la police locale, de Securail et de la SPC sur l'ensemble du périmètre de la gare de Bruxelles-Midi et de ses abords immédiats. À cet égard, une avancée importante a également été réalisée en ce qui concerne l'accès direct de la police locale aux images du réseau de caméras de la SNCB. Ce projet, évoqué depuis longtemps, vient d'être concrétisé. Il est essentiel tant pour la surveillance permanente que pour la protection du personnel, mais aussi pour la rapidité et l'efficacité des interventions. Il constitue en outre un outil utile dans le cadre des opérations planifiées menées conjointement par les services fédéraux et locaux. Il convient évidemment de poursuivre le renforcement de la présence sur le terrain. Cela passe notamment par des décisions opérationnelles, comme celles annoncées en lien avec le Corps d'intervention (CIK), à savoir les 20 unités supplémentaires provenant du CIK. Les services m'ont par ailleurs indiqué une baisse du nombre d'infractions, ce qui constitue un signal positif. Nous continuerons dès lors à renforcer la sécurité, tant pour les usagers que pour le personnel ferroviaire. Pour conclure sur ce que je disais tout à l'heure et pour être allé plusieurs fois à la gare du Midi en 11 mois, celle-ci est en effet à la fois un point d'entrée et un accès de fixation suffisamment importants pour que l'on continue à y consacrer les moyens nécessaires. Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord, dat wel eerlijk is. U geeft toe dat de versterking in Brussel-Zuid niet structureel is en maar voor een beperkte periode geldt. Dat is exact wat we in de vorige legislatuur ook gezien hebben onder uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die toen ook 15 agenten had toegevoegd. Maar het ging natuurlijk gewoon om overplaatsingen en die mensen werden voor een groot gedeelte tewerkgesteld op directieniveau, niet op de werkvloer. Dat zijn tijdelijke maatregelen. Het overplaatsen van agenten naar Brussel-Zuid omdat dat station in het nieuws komt, neemt niet weg dat er ook elders problemen zijn. We klagen al sinds de vorige legislatuur dat die andere zones ook met te weinig personeel kampen. U verwijst nu naar agenten die opgeleid worden om vanuit Leuven en Limburg in Antwerpen te gaan versterken. Dat is vandaag al de praktijk. Er zijn bijna geen agenten meer in Limburg. De post van de spoorwegpolitie is daar de facto gesloten. Die was onderbemand en de weinige agenten die daar zijn, zitten in Antwerpen. Dan krijgt men dus verslagen van Securailagenten, die ik nu niet zal voorlezen, dat er gewoon geen politionele ondersteuning is, niet van de spoorwegpolitie en niet van de lokale politiezones, die andere prioritaire opdrachten hebben op dat moment. Dat is wat we dan doorkrijgen. Het werkt niet. Wat wij van het Vlaams Belang vragen, al sinds de vorige legislatuur, is om de spoorwegpolitie effectief te versterken. Dat betekent meer agenten, overal, in alle zones. Draai ook de beslissing om de lokale politieposten van de spoorwegpolitie in de stations af te bouwen terug. Open die posten opnieuw en beman ze. Alleen op die manier zult u overal de veiligheid op uw spoorwegnet kunnen garanderen. Niet door in de marge te morrelen, wat mensen bijkomend rond te schuiven zoals op een schaakbord, heen en weer. Zo zullen we er niet komen. Zo zullen de mensen van Securail ook niet verder geholpen worden als ze nood hebben aan ondersteuning, die er voor de zoveelste keer niet is. Minister, nu al moeten de mensen van de spoorwegpolitie in Brugge bijstand geven als er iets gebeurt aan de andere kant van Vlaanderen. Daardoor gaat natuurlijk cruciale tijd verloren. De tijd waarin ze aan het reizen zijn, zijn ook verloren uren. Dat is dus geen efficiënte manier om die mensen in te zetten. Wij zijn al heel lang vragende partij om in West-Vlaanderen de vacatures open te zetten met als standplaats Brugge. Men zal natuurlijk veel moeilijker mensen aantrekken die vanuit West-Vlaanderen Gent als standplaats krijgen, dan als men die mensen een standplaats dichter bij huis geeft, in Brugge. Dan zullen die vacatures veel gemakkelijker ingevuld worden. Ik hoop dat u daar ook zeer pragmatisch naar kijkt, zodat er eindelijk verandering komt in de onmogelijke situatie waarin die mensen nu moeten werken. De mensen haken natuurlijk ook af. Er moet ergens een mooi perspectief zijn van een spoorwegpolitie die functioneert. U staat voor die moeilijke en uitdagende taak, die ook in het regeerakkoord ingeschreven is. We weten de mensen van Securail heel vaak met de handen in de haar zitten omdat ze voor bepaalde zaken wel kunnen optreden maar voor andere niet. Dan is het lang wachten tot de politie ter plaatse kan zijn. Er moet een duidelijke taakverdeling komen voor de lokale en de federale politie en hun samenwerking met Securail. Er is dus werk aan de winkel. Ik hoop toch dat we binnenkort verandering zien in de cijfers en dat de cijfers ook in Vlaanderen de juiste richting uitgaan, net zoals we dat gezien hebben in Brussel. Ik hoop dat u een extra tandje zult bijsteken, want de mensen op het terrein vragen dat echt wel. Monsieur le ministre, une chose est sûre, vous êtes l'héritier de ce qui a été déstructuré ces dernières années. À un moment donné, il faut appeler un chat un chat. Oui, la police des chemins de fer a été déstructurée par certains qui défendaient une autre vision de ce que devait être la police fédérale dans ce pays. Bon, soit! C'est un constat. Vous essayez de coller des rustines à gauche et à droite. C'est un peu ce que je vous reproche, même si ce n'est peut-être pas de votre faute. En tout cas, les autres membres de la majorité ne vous accordent pas les moyens nécessaires pour qu'on puisse rétablir une véritable police des chemins de fer. Il est trop facile de dire qu'il faut des policiers des chemins de fer à Gand ou à Anvers. Or il ne faut pas les éparpiller à gauche et à droite. Ils ont besoin d'une structure reposant sur un véritable département et des moyens qui s'ensuivent, comme certains l'ont déjà écrit dans leur vision stratégique. Pour ma part, je ne peux que vous soutenir dans vos propos et votre positionnement. Il faut, et vous avez raison, une police fédérale forte et structurée. Mais, pour ce faire, vous avez besoin que ceux qui, aujourd'hui, vous attaquent engagent les moyens indispensables et vous accordent les budgets nécessaires afin que vous puissiez atteindre vos ambitions et vos objectifs en ce domaine. De verheerlijking van dodelijke jihadistische terreur én van Samidoun door Bob Vylan in Brussel Mijnheer de minister, ik heb de regering al herhaaldelijk kritisch bevraagd over de optredens van Bob Vylan – nomen est omen, zoals natuurlijk ook zijn bedoeling is. Ik heb u een link gestuurd waarin u hem aan het werk hebt kunnen zien op 2 december in Brussel. Toen was reeds bekend uit vorige optredens, zowel in Nederland als in België, dat hij oproept tot moord op zowat elke Israëli, want zowat elke Israëli dient namelijk in het IDF. Hij roept 'death to the IDF', hij verheerlijkt dodelijke jihadistische terreur door 'intifada' te roepen. Hij verheerlijkt ook Samidoun, een organisatie die deze regering nota bene wil verbieden. Hij verheerlijkte ook de executie van Charlie Kirk. Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop? Vindt u niet dat die Bob Vylan, die zijn artiestenpodium misbruikt om moord te verheerlijken en mensen aan te zetten tot haat en moord, een bedreiging vormt voor de veiligheid in dit land van joden, maar ook van niet-joden, van mensen zoals Charlie Kirk? Zo niet, waarom niet? Mijnheer Van Rooy, de vrijheid van meningsuiting is fundamenteel in onze democratie, zoals eerder gezegd. Kritische standpunten over bijvoorbeeld beslissingen van de Israëlische regering moeten geuit kunnen worden. Het verheerlijken van geweld tijdens een optreden of enige andere publieke bijeenkomst zou echter niet als vrijheid van meningsuiting mogen worden beschouwd. Het komt het parket toe om te beslissen een gerechtelijk dossier te openen wanneer er indicaties zijn van strafbare feiten. Haatzaaien en antisemitisme zijn, zoals u weet, in België verboden. Ik heb nog geen signalen ontvangen dat dat optreden tot een verstoring van de openbare orde of veiligheid heeft geleid, noch dat dat een vector van radicalisering is geweest. Mijnheer de minister, mocht die als artiest vermomde neanderthaler Bob Vylan niet 'death to the IDF' maar 'death to the Belgian army' scanderen, en mocht hij niet de moord op Charlie Kirk maar op een linkse persoon verheerlijken, zou u dan ook de schouders ophalen zoals u nu doet? De vraag stellen is ze beantwoorden. Van de gepalestiniseerde Vlaamse media krijgt Bob Vylan veel sterren. Mocht een zionistische artiest zo’n moorddadige oproep doen, het kot in dit land zou te klein zijn. Terwijl op aanvuren van Hezbollahagent Abou Jahjah twee jonge IDF-militairen al feestend op Tomorrowland werden gearresteerd, wordt Bob Vylan in dit land geen strobreed in de weg gelegd. Dit is Belgistan. De stand van zaken m.b.t. en de krachtlijnen van de conceptnota over de brandweerhervorming Het Comité C en de relatie met de vakorganisaties bij de brandweer Mijnheer de minister, het gaat hier niet zo vaak over de brandweer, maar ik wil het vandaag met u over de brandweer hebben en meer bepaald over de conceptnota voor de hervorming van de brandweer. Ik hoor op het terrein, zowel bij de vakorganisaties als bij vrijwillige en professionele brandweermensen, dat er wel wat bezorgdheden leven. Een aantal van hen geeft aan dat ze vroeger, onder het Kenniscentrum, werkten met werkgroepen waarin ze echt betrokken waren bij het brandweerbeleid. Dat zou nu minder het geval zijn, sinds de oprichting van Brandweer België en de gewijzigde manier van werken. Daardoor kunnen ze niet meer aan de slag met hun expertise. Daarnaast hoor ik ook dat er wordt nagedacht over wijzigingen aan de arbeidsregimes. Wat bijvoorbeeld de opt-out-uren betreft, hoor ik dat die momenteel tien uur bedragen en opgetrokken zouden worden tot twaalf uur per week, waardoor men een extra shift per week zou kunnen draaien. Er is echter veel onduidelijkheid over de richting waarin de conceptnota evolueert. Ik heb daarover dan ook een aantal vragen voor u. Op welke manier zullen de vakorganisaties worden betrokken om hun rol te spelen bij de opmaak van die conceptnota, zeker gelet op de vroegere manier van werken via het Kenniscentrum? Welk traject moet de conceptnota nog doorlopen voor die afgewerkt is? Wordt ze voorgelegd aan de ministerraad, of is dat een beslissing die u zelf kunt nemen? Hoe kijkt u aan tegen de regeling van de opt-out-uren? Is het inderdaad de bedoeling dat er effectief een extra shift per week bij kan komen? Welke eindeloopbaanmaatregelen staan vandaag in het document waaraan u werkt? Kunt u mij een toelichting geven bij de krachtlijnen van het document? Dat betreft de conceptnota als dusdanig. Mijn tweede punt gaat vooral over de relatie tussen uw kabinet en de vakorganisaties. Ik moet zeggen dat ik u ken als iemand die zeer toegankelijk is. Ik heb het al vaak gezegd: u bent mijn favoriete minister. Ook al maken we soms eens ruzie, u blijft mijn favoriete minister. Ik ken u als iemand die altijd goed luistert en die opmerkingen meeneemt wanneer wij iets aanbrengen. Daarom was ik enigszins geschrokken toen de vakorganisaties te kennen gaven dat ze aan de tafel proberen te geraken, maar dat dat moeilijk verloopt. Mijn vraag is dan ook zeer concreet. Klopt het dat het Comité C deze legislatuur nog niet is samengekomen voor de brandweer? Ik hoor van de vakorganisaties dat ze verschillende dossiers hebben die ze daar graag willen agenderen. Er zouden ook een aantal zaken zijn die snel opgelost kunnen worden, als het Comité C zou samenkomen. Klopt het dat er op 9 december een Comité C plaatsvond met slechts één agendapunt en dat de vraag om bijkomende punten toe te voegen niet ingewilligd werd? De achterliggende vraag is uiteraard hoe u zelf de communicatie met de vakorganisaties en de werking van het Comité C ziet. Ik ga ervan uit dat u te goeder trouw bent en de ambitie hebt om dat op een goede manier aan te pakken. Ik kijk dan ook uit naar uw antwoorden, mijnheer de minister. Mijnheer Vandemaele, in het kader van de uitvoering van het regeerakkoord voor de brandweer kreeg het nationaal orgaan voor de brandweer, de BB-SPB, de opdracht om een conceptnota op te stellen vanuit het perspectief van de Belgische brandweer. Bij de aanvang van die opdracht werd uitdrukkelijk gevraagd om de betrokken stakeholders, in het bijzonder de vakorganisaties, te betrekken via overlegsessies. De conceptnota is momenteel in ontwikkeling en zal tegen het einde van dit jaar worden voorgelegd, hopelijk in de komende dagen dus. Het nationaal orgaan heeft de vakorganisaties al op meerdere momenten betrokken: in juni om de werkwijze te bespreken, op 4 september om die werkwijze toe te lichten en op 4 november om een inhoudelijke toelichting te geven bij de conceptnota. Het lijkt erop dat de vakorganisaties tijdens de laatste bijeenkomst de vergadering voortijdig hebben verlaten. De conceptnota bevat beleidsmatige concepten die, naargelang hun rechtsgrond, zullen moeten worden omgezet in wijzigingen van wetten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten of omzendbrieven. Zodra de conceptnota is afgerond, zal er opnieuw overleg plaatsvinden, onder meer met de vakorganisaties. De omzetting in concrete ontwerpteksten zal voor elk van die teksten de eigen goedkeuringsprocedure volgen en, waar nodig, worden voorgelegd aan de ministerraad. De uitwerking van de ontwerpteksten is voorzien in de eerste helft van 2026, waarna het formele goedkeuringsproces in de tweede helft van 2026 opgestart kan worden. In het verleden bestond er inderdaad een samenwerking tussen het KCCE, het Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid, en de vakorganisaties, maar die maakten geen deel uit van het KCCE, waarvan de taken intussen zijn overgenomen door de BB-SPB. De onderhandelingen met de vakorganisaties zullen worden hervat binnen het Comité C zodra de conceptnota afgerond en omgezet is in concrete voorstellen. Ik herhaal het, mijnheer Vandemaele, zodra ik de conceptnota ontvang, zal ik nog discussies en overlegmomenten organiseren met de vakbonden voordat we overgaan tot de concrete voorstellen. Op 9 december 2025 kwam het Comité C voor het eerst samen met een beperkte agenda, die uitsluitend betrekking had op de opleiding van de ambulanciers. Die vergadering was noodzakelijk naar aanleiding van de nietigverklaring door de Raad van State van het koninklijk besluit van 11 december 2023 betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers. Daarnaast vond op 12 december 2025 een informeel overleg plaats met de vakorganisaties, waarbij afspraken werden gemaakt over de verdere samenwerking en communicatie. Ik was daarbij. De besproken punten kunnen op een later tijdstip opnieuw op de agenda van het Comité C worden geplaatst voor formele onderhandelingen. De kernopdracht en de krachtlijnen van de conceptnota blijven gericht op de voorbereiding en realisatie van de doelstellingen van het federale regeerakkoord voor de brandweer, met respect voor het sociaal overleg en de geldende besluitvormingsprocedure. Mijnheer de minister, ik denk dat er momenteel behoorlijk veel onrust heerst bij de brandweer. Ik hoor ongerustheid bij de zones en bij de lokale besturen over de impact die dit zal hebben op de werking van de zones. Ik hoor ook angst bij brandweerlieden, zowel beroepskrachten als vrijwilligers, die niet weten waar dit naartoe gaat. Daarnaast hoor ik diezelfde bezorgdheid bij de vakorganisaties. In uw antwoord hoorde ik u meermaals zeggen dat dit zal worden toegelicht. Toelichten is echter iets anders dan daadwerkelijk in gesprek gaan, samenwerken, laten meedenken en laten meewerken aan de uitwerking. Wanneer ik u hoor zeggen dat ze de laatste bijeenkomst nog tijdens de vergadering verlaten hebben, dan is dat een signaal dat de samenwerking niet verloopt zoals ze zou moeten verlopen. Verder hoorde ik u ook zeggen dat er opnieuw contact zal worden opgenomen en dat Comité C opnieuw opgestart zal worden nadat de conceptnota goedgekeurd is. Volgens mij ligt daar precies het probleem. Vooraleer de conceptnota wordt gefinaliseerd, moet er nog een overlegronde plaatsvinden. Anders riskeren we een situatie waarin er een conceptnota ligt waartegen de vakorganisaties en het personeel zich zullen verzetten. In dat geval stevenen we de komende weken en maanden af op syndicale acties en acties van brandweerlieden in verschillende zones. Dat lijkt mij niet in het belang van de burger. Ik wil u dan ook oproepen om echt werk te maken van het overleg, zowel officieel binnen het Comité C als via een officieus overleg met de vakorganisaties, om van de conceptnota een gezamenlijk document te maken dat gedragen wordt door zowel de administratie als de vakorganisaties. Dat lijkt mij de juiste weg om echte acties op straat te vermijden. Ik geef nog een aantal bijkomende elementen ter verduidelijking. U weet dat ik een man van overleg ben en blijf, zelfs na bijna een jaar als minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid. Die conceptnota is een nota die ik moet krijgen als minister bevoegd voor de brandweer. Ik steun de politie en u weet dat ik ook de brandweerlieden en ambulanciers steun. Zij hebben ook een moeilijke, maar zeer belangrijke job. Ik heb enkele dagen geleden de vakorganisaties bij mij ontvangen. Ik hoorde namelijk dat ze niet tevreden waren en een vergaderingen wilden. Ik heb toen gezegd dat ik wacht op de conceptnota. Dat is geen eindpunt. Het is een middelpunt in het werk. We zullen daarover spreken. Het is voor mij belangrijk om met de stakeholders, zeker ook met de vakorganisaties, te kunnen spreken, aan beide kanten – zoals u enigszins hebt aangegeven – omdat de werkelijkheden in Vlaanderen en Wallonië op dat vlak niet dezelfde zijn. We doen dat om er zeker van te zijn dat we, vóór we overgaan tot de teksten, omzendbrieven, wetten enzovoort, over alle gepaste elementen beschikken. Daarna volgen de omzendbrieven, de wetten enzovoort. Dat is het normale proces, met overleg met de vakorganisaties en andere betrokkenen. Ik zal daarmee ook naar het Parlement komen, misschien niet voor de omzendbrieven, maar wel voor de andere elementen. Misschien was er een communicatieprobleem, maar zeker geen probleem van onwil om overleg te voeren. Ik ben blij te horen dat er inderdaad nog overleg komt over de conceptnota. Dat is echt belangrijk. Het zou goed zijn dat er een vorm van consensus over het geheel tot stand komt. Iedereen zal het uiteraard niet over alles eens zijn, maar als het document gedragen kan worden door het geheel, dan zou dat positief zijn. Onze brandweermensen leveren immers geweldig werk op het terrein, elke dag opnieuw. Zij verdienen daarvoor alle steun en ondersteuning. Vraag nr. 56011377C van de heer Depoortere over het federale veiligheidsbeleid wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56011378C van de heer Van Rooy wordt eveneens omgezet in een schriftelijke vraag. De financiering van het FANC Je vais renvoyer au texte écrit de ma question. Selon les informations rendues publiques et confirmées par l’AFCN elle-même, l’Agence fédérale de contrôle nucléaire risque de se retrouver en difficultés financières dès 2027, en raison de la chute drastique des taxes perçues sur les réacteurs nucléaires une fois que les autorisations de démantèlement seront délivrées. Vous savez qu’après l’arrêt de Doel 3 et Tihange 2, les taxes passeront d’environ 4,4 millions à 520 000 euros par réacteur, soit une perte potentielle de plus de 7,7 millions d’euros dès 2027. Or, aucune dotation gouvernementale n’a été prévue dans le budget 2026, alors même que le gouvernement précédent avait évoqué une enveloppe de 20 millions — renvoyée au gouvernement actuel. Cette situation menace directement les missions essentielles de l’AFCN : contrôle des installations nucléaires, suivi de la radioactivité du territoire, surveillance de la production de radio-isotopes médicaux, autant de tâches cruciales pour la sécurité publique. Voici mes questions: Comment justifiez-vous l’absence totale de dotation pour l’AFCN dans le budget 2026 alors qu’un déficit structurel était prévisible depuis plus de dix ans ? Pouvez-vous préciser quelles pistes de financement pérennes sont actuellement étudiées pour 2027 et au-delà, et dans quel calendrier ? Pouvez-vous garantir que la solution retenue ne reposera pas sur une augmentation des contributions imposées aux hôpitaux, dentistes ou autres acteurs du secteur médical, qui risquent de devenir les victimes collatérales de la sortie du nucléaire ? Enfin, comment le gouvernement compte-t-il assurer la continuité et l’indépendance du contrôle nucléaire, indispensable dans un contexte où les enjeux de sécurité et de santé publique restent majeurs, même après la fermeture progressive du parc ? Je vais y répondre oralement! (Rires) C'est la magie de Noël. Monsieur De Smet, permettez-moi d'abord de rappeler deux éléments factuels. Premièrement, l’Agence ne connaît pas de problèmes de financement en 2026. Une dotation n’était donc pas à l’ordre du jour pour cet exercice 2026. Deuxièmement, le principe d’une dotation pour l’AFCN a déjà été établi par le gouvernement précédent, en prévision justement de la réduction attendue des recettes de l’Agence liée au démantèlement de plusieurs centrales nucléaires. L’impact de cette réduction ne se fera sentir qu’à partir de 2027 et ira croissant les années suivantes. Même si cette problématique est connue de longue date, je n’ai évidemment pas attendu que ces réductions produisent leurs effets pour rechercher une solution. Mon cabinet travaille en étroite collaboration avec l’Agence afin de trouver une réponse pérenne à la situation financière à laquelle elle est confrontée. Nous travaillons actuellement à l’actualisation d’une étude de 2022 afin de garantir l’équilibre financier de l’AFCN à long terme. Nous examinons en concertation avec l’Agence différentes pistes visant à mettre en place un modèle de financement mixte, combinant dotation et contributions du secteur, modernisé et adapté au nouveau contexte dans lequel l’AFCN exerce sa mission. Le cadre législatif a d’ailleurs été adapté à la fin de la législature précédente pour rendre possible, justement, un financement par dotation. En 2025, les installations de classe I procurent à l’AFCN environ 88 % de ses revenus, alors qu’elles ne représentent qu’environ 15 à 20 % de ses activités. Cela illustre clairement l’ampleur de l’impact de la fermeture des centrales nucléaires, appartenant à cette classe I, sur la santé financière de l’Agence. Un rééquilibrage des sources de revenus n’est, à cet égard, pas exclu. La continuité comme l’indépendance de l’AFCN ne peuvent être garanties que par des moyens financiers suffisants, issus – j’insiste – de sources pérennes. C’est en assurant un financement stable dans la durée que l’Agence pourra continuer à remplir pleinement ses missions sans mettre en péril son indépendance. Merci pour la réponse, monsieur le ministre. Nous ferons le suivi au fur et à mesure. Vraag nr. 56011490C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag. De bommelding en de mogelijke dreiging tegen de Grote Synagoge in Brussel De terreuraanslag op Bondi Beach tijdens Chanoeka Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 9 december 2025 ontving de politie in Brussel-Hoofdstad een bommelding die specifiek was gericht tegen de Joodse gemeenschap. Ten eerste, beschikt u ondertussen over bijkomende informatie inzake de bommelding, met name over de timing of de intenties van de melder? Ten tweede, hoe beoordeelt u de recente evolutie van het aantal incidenten gericht tegen de Joodse gemeenschap en van het aantal antisemitische incidenten in ons land? Ten slotte, hoe schat u het algemene dreigingsniveau in, zowel in het licht van de feiten in België als van de gebeurtenissen die voorvielen op zondagavond 14 december 2025? Over die gebeurtenissen gaat trouwens mijn volgende vraag. Bij de start van Chanoeka, het Joodse lichtfeest, vond op Bondi Beach in Australië een zware terroristische aanslag plaats. Tijdens een publieke samenkomst met duizenden aanwezigen openden een vader en zijn zoon het vuur, waarbij minstens vijftien mensen om het leven kwamen. In het voertuig van de daders werd een vlag aangetroffen van de islamitische terreurorganisatie IS, wat het islamitische en antisemitische karakter van de aanslag bevestigt. Die feiten vallen voor in een periode waarin het antisemitisme wereldwijd opnieuw sterk toeneemt. Ook in België is de problematiek helaas niet onbekend. Ons land kent aanzienlijke Joodse gemeenschappen, onder meer in Antwerpen en in Brussel, waar momenteel ook Chanoeka wordt gevierd. Antisemitisme verspreidt zich vandaag zowel offline als online en vormt een reële bedreiging voor de veiligheid en het samenleven in onze staat. Ook hier wordt de Joodse gemeenschap geconfronteerd met een verhoogde en permanente dreiging van extremistische aanslagen die specifiek tegen haar zijn gericht. Mijn vragen luiden dan ook als volgt. Welke concrete en structurele maatregelen zijn momenteel in België van kracht om de Joodse gemeenschap te beschermen tegen terroristische dreiging en antisemitisch geweld? Werden naar aanleiding van de aanslag in Australië bijkomende of versterkte veiligheidsmaatregelen getroffen? Hoe evalueert u de evolutie van het antisemitisme in België, zowel op het vlak van fysieke incidenten als van online uitingen? Welke specifieke veiligheidsmaatregelen hebt u uitgewerkt voor de Joodse gemeenschap tijdens de komende eindejaarsperiode? Werd het dreigingsniveau van het OCAD herbekeken en blijft de structurele bescherming van de Joodse gemeenschap in de toekomst gegarandeerd? In dat verband wens ik, gezien de actualiteit, een bijkomende vraag te stellen. Het blijkt immers dat dat niet het geval is. Het blijkt namelijk dat de federale politie van u de opdracht heeft gekregen om de beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen terug te schroeven. Dat gebeurt op een moment waarop het antisemitisme wereldwijd toeneemt en net nadat een aanslag is gepleegd in Australië. Dat begrijp ik niet goed. Waarom wordt net nu beslist om de beveiliging van de Joodse wijk in Antwerpen terug te schroeven? Mijnheer Bergers, met betrekking tot uw vragen over de bommelding en over de identiteit of de intenties van de melder kan ik, omwille van het lopende onderzoek, geen gegevens meedelen. Inzake de recente evolutie van het aantal incidenten en signalen van antisemitisme in ons land geeft het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) aan dat er na de terroristische aanslag van Hamas op 7 oktober 2023 een duidelijke toename was van het aantal dreigingsmeldingen die gelinkt zijn aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen, met een piek in de eerste maanden na die aanval. In een significant aantal gevallen lijkt daarbij sprake te zijn van een antisemitisch motief. In 2025 bleef het aantal dreigingsmeldingen over dit issue ongeveer gelijk aan dat van 2024. De Joodse gemeenschap blijft een van de voornaamste doelwitten. Sinds de escalatie van het Israëlisch-Palestijns conflict stelt het OCAD een toegenomen polarisatie en verhoogde spanningen in België vast, ook na het staakt-het-vuren. Die dynamiek uit zich vooral in haatdragende berichten online, die regelmatig bij het OCAD worden gemeld. Het aantal fysieke incidenten blijft beperkt, al geven Joodse organisaties aan dat niet alle feiten bij de politie worden aangegeven. De situatie wordt nauwlettend opgevolgd door de bevoegde diensten. De dreiging wordt continu gemonitord en dus niet enkel op basis van bijzondere evenementen, hoe tragisch ook, zoals de afschuwelijke terroristische aanslag op Bondi Beach in Sydney. Voor de Joodse gemeenschap en haar belangen in ons land is het dreigingsniveau al geruime tijd hoog. In België is er dus al een verhoogde waakzaamheid bij de diensten en gelden er versterkte veiligheidsmaatregelen, waarover ik geen details kan geven. Ik kom bij uw laatste vragen. Die maatregelen worden uiteraard ook tijdens de eindejaarsperiode toegepast. Er is momenteel geen concrete informatie voorhanden die wijst op een imminente dreiging, maar we blijven waakzaam. Doordat er geen concrete info is, blijft het dreigingsniveau voorlopig ongewijzigd. Wat uw laatste vragen betreft, er valt veel te zeggen. Ik vind het onaanvaardbaar en onverantwoordelijk om op televisie zaken te zeggen zoals gisteren het geval was. Er wordt met de federale politie, de politiezone Antwerpen en mijn kabinet bekeken hoe wij de middelen kunnen herverdelen. Dat is niet nieuw. Dat is misschien nieuw voor de politieke verantwoordelijken daar, maar dat is hun probleem, niet het mijne. Zoals ik al herhaaldelijk heb gezegd, als het over veiligheid gaat, dan is het altijd beter om te weinig te zeggen dan te veel en zeker niet om op de Vlaamse televisie voor paniek te zorgen. De veiligheid van alle Belgen en zeker van de Joodse gemeenschap in Antwerpen, die specifiek bedreigd is, is voor mij heel belangrijk. Dat was altijd al zo en dat zal het ook altijd blijven. Wie het tegenovergestelde denkt en zegt, is totaal fout. Mijnheer de minister, het spreekwoord luidt 'Spreken is zilver, zwijgen is goud." Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het probleem dat zich specifiek in Antwerpen stelt en waarover er inderdaad een debat is ontstaan – ik laat in het midden wie daarvoor de aanzet heeft gegeven –, kan volgens mij gemakkelijk worden opgelost. U benadrukt hier opnieuw dat de permanente dreiging voor de Joodse gemeenschap in ons land hoog is, zeker na internationale aanslagen die worden gepleegd, zoals zondag in Australië. U benadrukt dat u de veiligheid van de Joodse gemeenschap in ons land heel ernstig neemt, dat u die heel belangrijk vindt en dat dat uw verantwoordelijkheid is. (…) Ik begrijp dat de Antwerpse burgemeester aan de alarmbel trekt. Er kunnen gemakkelijk extra maatregelen worden genomen om de veiligheid van de Joodse gemeenschap te waarborgen. Dat kan door de maatregelen die in het verleden al werden genomen opnieuw in te voeren en door de agenten van de federale politie die in de Joodse wijk in Antwerpen gestationeerd waren en daar patrouilleerden, terug te brengen. Dat is een gemakkelijke actie die voor een oplossing in dit debat kan zorgen. De belasting op protest Moeten betalen om te mogen betogen Monsieur le ministre, imaginez un groupe de citoyens, une petite association de quartier. Ils veulent organiser une manifestation, une marche pacifique contre, par exemple, la fermeture d'un service public. Ils se renseignent auprès de la ville et là, on leur répond: "Oui, pas de problème, vous pouvez manifester, mais il faut payer 55 euros". 55 euros! C'est une barrière, monsieur le ministre. C'est un signal, surtout. C'est comme si on disait: "La liberté d'expression, OK, mais c'est pas gratuit". Pourtant, l'Institut Fédéral des Droits Humains vient de le rappeler dans son dernier rapport, la liberté de manifester est un pilier de notre démocratie. Comment peut-on dès lors accepter qu'une ville – Liège en l'occurrence – mette en place une taxe pour exercer ce droit? Ce n'est ni un détail administratif ni une simple redevance technique, c'est une porte qu'on entrouvre dangereusement. Cela signifie concrètement que pour pouvoir manifester, il faudra payer. Des associations, des syndicats, des collectifs de citoyens, tous ceux qui se battent contre l'injustice sociale se retrouvent face à une sorte de péage démocratique. C'est une décision qui interroge parce que du point de vue juridique, elle est contraire à l'article 26 de notre Constitution et aux articles 10 et 11 de la Convention européenne des droits de l'homme. Au-delà du droit, il y a une question fondamentale: dans quel pays voulons-nous vivre? Est-ce qu'on veut vivre dans une démocratie où on doit sortir sa carte bancaire pour faire entendre sa voix? Est-ce qu'on veut vivre dans un pays ou dans une démocratie où l'accès au débat public dépend de son portefeuille? Pour nous, au PTB – pour vous aussi, je l'espère, monsieur le ministre – c'est inacceptable. Le bourgmestre de Liège a reconnu son erreur. Il a annoncé la suspension et le remboursement. C'est une très bonne chose, mais ce n'est pas suffisant parce que d'autres communes envisagent des dispositifs similaires. C'est pourquoi je me retourne vers vous, monsieur le ministre. Quelle est votre position sur le fait que des villes souhaitent imposer une barrière financière à l'exercice du droit de manifester? Trouvez-vous acceptable que des autorités locales expérimentent ce type de mesure pour des manifestations non commerciales? Que comptez-vous faire pour garantir que le droit de manifester en Belgique reste libre, gratuit et intangible? Monsieur Ribaudo, Mme Daems n'est pas là, mais mon collaborateur me dit que je peux faire ma réponse en français et en néerlandais comme prévu. Il ne m'appartient pas, en ma qualité de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, de prendre position quant à une décision prise par une assemblée délibérante élue démocratiquement et qui semble être, depuis juin 2023, légalement ancrée dans l'arsenal juridique belge. Je ne suis pas informé d'une quelconque contestation juridique de la validité de cette norme. Le Conseil communal de la Ville de Liège semble avoir exercé en l'espèce les compétences que lui reconnaît la Constitution en vertu de son article 170. Il s'agit en l'espèce de l'article 6.36 du règlement de la Ville de Liège relatif à la redevance sur les prestations administratives. Ik ben niet op de hoogte van de analyse van het dossier die ertoe heeft geleid dat een ruime meerderheid van de Luikse gemeenteraadsleden, 37 voor, 7 tegen en 0 onthoudingen, heeft beslist om een retributie in te voeren voor het occasioneel gebruik van het openbaar domein. Die retributie geldt niet alleen voor evenementen, maar ook voor optochten. Artikel 26 van de Grondwet bepaalt dat bijeenkomsten in de openlucht volledig onderworpen blijven aan de politiewetten. Het gemeentelijk reglement betreffende de retributie op administratieve prestaties dat in die retributie voorziet, is derhalve volledig van toepassing. En ce qui concerne les articles 10 et 11 de la Convention européenne des droits de l'homme, il appartient à la Cour européenne des droits de l'homme – interrogée à ce sujet – de déterminer si l'ingérence invoquée est prévue par la loi, si elle vise à préserver l'un des buts légitimes prévus par le second paragraphe, les articles 10 et 11 et, enfin, si elle est nécessaire dans une société démocratique. Bovendien houdt de toestroom van personen tijdens een openbaar evenement risico's in en stelt de rechtspraak van het hof vast, zonder dat te hekelen, dat het niet ongebruikelijk is dat de overheid beperkingen oplegt met betrekking tot de plaats, de datum, het tijdstip, de vorm of de modaliteiten van het plaatsvinden van een openbare samenkomst. Comme je l'ai répété au moins trois fois aujourd'hui, je suis attaché au respect du droit de manifester, qui constitue un pilier essentiel de notre démocratie. Ce droit doit toutefois s'exercer dans le cadre des lois en vigueur qui visent à garantir à la fois l'ordre public, la sécurité des participants et des tiers, ainsi que la bonne gestion de l'espace public. En l'absence, à ce stade, d'une remise en cause juridique de la mesure adoptée par la Ville de Liège ou d'éléments établissant une atteinte illégale ou manifestement disproportionnée à l'exercice de ce droit, il n'y a pas lieu de s'opposer à cette mesure, du moins à mon niveau. Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Au-delà des arguments juridiques, le fait que la Ville de Liège ait reculé montre qu'il y a effectivement un problème par rapport à cette mesure, en tout cas pour les manifestations non commerciales. Et puis, je le rappelle, l'Institut Fédéral des Droits Humains (IFDH) l'écrit noir sur blanc dans son rapport: "Le réflexe répressif grandissant risque de dissuader les citoyens de participer au débat public". Cette alerte n'est donc pas théorique mais se vérifie chez nous aujourd'hui, mais aussi ailleurs en Europe. L'IFDH insiste sur le fait que toute restriction, y compris financière – et c'est là le point – doit être examinée avec la plus grande vigilance car elle contribue à ce mouvement inquiétant de rétrécissement de l'espace civique. C'est ce que je tiens à rappeler clairement aujourd'hui: le droit de manifester n'est pas un luxe ni une faveur accordée par les autorités mais bien un outil essentiel de contrôle démocratique et de progrès social. En effet, sans le droit de protester, sans le droit de manifester collectivement, aucun droit social n'aurait été acquis. Le suffrage universel, la journée de huit heures, les pensions n'auraient pas vu le jour. Ériger des barrières notamment financières à ce droit, c'est en réalité saper la démocratie à sa base. Vraag nr. 56011496C van mevrouw Pas is verwezen naar de commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing. Drone-incidenten Mijnheer de minister, naar aanleiding van een reeks drone-incidenten in ons land, de voorbije weken en maanden, had ik graag een antwoord gekregen op de volgende vragen. Hebben zich ook drone-incidenten voorgedaan in het havengebied North Sea Port? Zo ja, werden die onderzocht? Kunt u daarover meer informatie verschaffen? Zijn er voor hetzelfde gebied gevallen van spoofing gemeld, waarbij radio- en of satellietsignalen, bijvoorbeeld bij navigatie, werden verstoord? Zo ja, werden die onderzocht? Kunt u daarover meer informatie verschaffen? Werden in het havengebied North Sea Port andere vormen van hybride intimidatie gemeld? Mijnheer Meuleman, in de periode van begin november tot midden december heeft het NCCN acht waarnemingen ontvangen over drones boven of in de buurt van de haven van Ghent North Sea Port. Bij twee meldingen was videomateriaal beschikbaar. In één geval werd een pv opgesteld. In geen enkel geval werd een verstoring van de openbaar orde vastgesteld. Er zijn geen inbeslagnames van drones, geen interceptie van piloten en geen identificatie van toestellen of piloten. Er zijn geen meldingen van spoofing of andere vormen van hybride intimidatie in het havengebied North Sea Port. Dank u wel, mijnheer de minister. Ik heb dus goed gehoord dat er geen enkele identificatie naar aanleiding van de meldingen kon gebeuren. De veiligheidssituatie in Brussel Vlaams minister bevoegd voor Brussel Cieltje Van Achter liet op 11 december optekenen dat “de veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt.” Dat is volgens haar het gevolg van de tergend lang aanslepende regeringsvorming in Brussel. Gezien de vele geweldincidenten vond ik dat toch een opmerkelijke uitspraak. Onderschrijft u het statement van minister Van Achter dat de veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt? Hoe erg is de veiligheidssituatie in de hoofdstad? Hoe is die geëvolueerd tijdens het regeringsvormingsproces? Overweegt u actie naar aanleiding van het statement van minister Van Achter? Is dat aan de orde? Zo ja, op welke wijze? Mijnheer Meuleman, ik heb kennisgenomen van het interview van de Vlaamse minister bevoegd voor Brussel, mevrouw Cieltje Van Achter, waarin zij betreurt dat de veiligheid en de netheid in Brussel erop achteruitgaan. Netheid is een gewestelijke bevoegdheid en als Brusselaar kan ik bevestigen dat er inderdaad problemen zijn met de netheid in Brussel. Met betrekking tot veiligheid, herinner ik u aan enkele maatregelen die ik heb genomen sinds ik mijn functie als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken heb opgenomen. Zo heb ik de federale gerechtelijke politie Brussel versterkt met 30 agenten en zullen er tegen het einde van het jaar daar 40 speurders werken. Voorts zijn er in alle grote steden FIPA-acties, drie ervan in Brussel. Ook heb ik 25 miljoen euro uitgetrokken voor de uitrol van nieuwe ANPR-camera’s en de aansluiting van alle camera’s van de NMBS en MIVB op één systeem. Daarnaast zijn er 20 CIK’ers bij de SPC in Brussel voor het Zuidstation en voor het metrostation, om nog maar te zwijgen van het feit dat er op een bepaald moment 45 militairen zullen worden ingezet om de veiligheid in Brussel te versterken. Vergeet evenmin de fusie van de Brusselse politiezones, conform het regeerakkoord, een van de maatregelen van het arsenaal dat de federale regering zal inzetten. Over die fusie wordt nog in de federale regering gediscussieerd en ik hoop dat iedereen door dezelfde motivatie wordt gedreven als ik, namelijk de veiligheid in Brussel versterken. Al die maatregelen zijn noodzakelijk, maar onvoldoende dor het ontbreken van een volwaardige Brusselse regering. Men zou kunnen denken dat veiligheid zich alleen beperkt tot politie, justitie en gevangenissen. Dat is niet het geval. Veiligheid betekent ook een gepacifieerde, propere openbare ruimte met goed functionerende openbare diensten en een politieke klasse die verantwoordelijkheid opneemt voor de uitdagingen van het gewest. Ik word in de commissie hier geregeld ondervraagd over de situatie in Brussel, die verslechtert door de aanslepende onderhandelingen over de regeringsvorming. Als federaal minister is het niet aan mij om een oordeel te vellen over onderhandelingen op een ander bestuurlijk niveau, maar ik kan de situatie wel betreuren. Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Les questions n os 56011555 et nr. 56011558 de M. Thiébaut sont transformées en questions écrites. De KB's bij de wet tot regeling van de private opsporing Mijnheer de minister, op 18 mei 2024 werd op de valreep nog een nieuwe wet op het private onderzoek goedgekeurd. Deze verscheen op 6 december 2024 in het Belgisch Staatsblad . Vandaag zijn we exact een jaar verder. De nieuwe wet die goedgekeurd werd, legt het private onderzoek een reeks verplichtingen op, met als doel de privacy van burgers beter te beschermen. Dat is uiteraard een nobel streven. Tegelijkertijd mogen we niet uit het oog verliezen dat deze onderzoekers er ook in slagen malafide netwerken in ons land bloot te leggen. Ze maken dan ook deel uit van het veiligheidslandschap. Onze fractie heeft haar mening over die nieuwe wet en of die daadwerkelijk efficiënt is om private onderzoekers andere veiligheidsactoren, zoals de politiediensten, te laten versterken, maar dat laat ik hier nog even in het midden. Dat was ook niet uw wet, maar een wet van uw voorganger. Wat ik wel wil benadrukken, is een bezorgdheid die ik op het terrein merk. Na één jaar is er slechts één uitvoeringsbesluit gepubliceerd ter uitvoering van deze wet. Het gevolg daarvan is dat private onderzoekers die hun opleiding correct hebben afgerond onder de oude wet, maar nog geen vergunning kregen, vandaag in de kou staan en geen vergunning kunnen bekomen om hun werkzaamheden op te starten. Onderwijsinstellingen zien dus lege schoolbanken vanwege de onzekerheid. Omdat de uitvoeringsbesluiten uitblijven, hebben de private onderzoekers ook onvoldoende personeel dat een vergunning kan krijgen. Mijnheer de minister, kunt u de reden geven waarom deze koninklijke besluiten nog niet gepubliceerd werden, voor wanneer ze op de planning staan en hoe het met de werkzaamheden daaromtrent staat? Mijnheer Bergers, in uitvoering van de wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing worden momenteel de noodzakelijke besluiten uitgewerkt. Onder meer voorzien zijn een uitvoeringsbesluit met betrekking tot de vergunning en vernieuwing van de vergunningen van de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing, evenals een koninklijk besluit met betrekking tot de organisatie en invulling van de opleidingsvoorwaarden voor private onderzoekers. Het ontwerp voor een koninklijk besluit met betrekking tot de vergunning en vernieuwing van de vergunning van de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing is uitgewerkt en wordt voor advies aan de Raad van State overgemaakt. Na verwerking van dit advies zal het zo spoedig mogelijk worden gepubliceerd. Met betrekking tot de continuïteit van de uitvoering van de vergunningsplichtige activiteiten van private opsporing kan worden opgemerkt dat in een groot aantal aanvraagdossiers de wettelijk voorziene overgangsmaatregel werd benut. Personeelsleden van de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing kunnen hun activiteiten dus blijven uitoefenen zonder te voldoen aan de opleidingsvereisten, met uitzondering van de bijscholingen, en dit tot uiterlijk 18 maanden na de betekening van de vergunning. Deze overgangsbepaling is van toepassing op de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing, alsmede op de personen die er werkzaam zijn en die op de datum van inwerkingtreding van de wet de activiteiten van private opsporing op legitieme wijze voor hen uitoefenden. Ook voor een koninklijk besluit met betrekking tot de opleiding zijn de werkzaamheden lopende. Er is bijvoorbeeld een werkgroep met de betrokken actoren die de uitwerking van de te wijzigen regelgeving betreffende de opleiding inzake private opsporing begeleidt. Ik dank u. Mijnheer de minister, het is in ieder geval goed dat er een werkgroep is die kijkt naar de efficiëntie van deze wet, zodat die doorheen de legislatuur nauwer kan worden bekeken. Ik vind het ook positief dat het ontwerp van het koninklijk besluit klaar is en nu naar de Raad van State gaat ter controle. Ik kijk ernaar uit dat het zeer spoedig zal kunnen worden uitgevaardigd, zodat die sector meer zekerheid krijgt. Ik wil nog wel benadrukken dat het vooral de mensen zijn die hun opleiding hebben afgerond onder het oude systeem, maar nog geen vergunning hebben gekregen, die in de problemen zitten. Ik weet dat er een overgangsmaatregel is voor mensen die al een vergunning hadden, zodat zij zonder al te veel problemen kunnen verderdoen. Vooral mensen die hun opleiding hebben afgerond volgens het oude systeem en nog geen vergunning hebben gekregen, zitten vandaag dus echt in de problemen. Dat is iets waarbij de vorige minister niet heeft stilgestaan en daarom is het belangrijk dat daarvoor snel actie wordt ondernomen. Ik hoop dat de Raad van State ook snel zijn standpunt zal kenbaar maken. Dank u wel. Oudejaarsavond De voorbereiding op oudejaarsnacht en de verwachte rellen Geachte minister Quintin, jammer genoeg werd de voorbije jaren van oudejaarsavond misbruik gemaakt om rel te schoppen en vuurwerk af te steken. Het gaat daarbij niet om het vuurwerk waar iedereen vrolijk van wordt, maar om het vuurwerk dat leidt tot vandalisme en geweld tegen onze hulpdiensten. Een van de oplossingen die terecht naar voren wordt geschoven, bijvoorbeeld in Antwerpen, is huisarrest. Individuen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde en al heel wat wangedrag op hun kerfstok hebben, worden dan verplicht om binnen te blijven. Jammer genoeg blijven dit soort bestuurlijke maatregelen in veel Brusselse gemeenten en ook elders in het land uit. Daarom heb ik de volgende vragen. Zult u een brief sturen naar alle gemeenten met uitleg over het kader om preventieve huisarresten op te leggen, zodat lokale besturen met een kleinere administratie worden bijgestaan in de bestrijding van dit geweld? Ik spreek zelf als lokale bestuurder van een kleinere gemeente met een minder uitgebreide administratie dan Antwerpen, die richtlijnen kan gebruiken om zelf meer maatregelen te nemen. Op basis van welke risico-indicatoren kan volgens u een huisarrest worden opgelegd? Zijn er volgens u nog andere bestuurlijke maatregelen aangewezen voor lokale bestuurders om zelf in te grijpen? Neemt u als minister van Binnenlandse Zaken met de politie andere specifieke maatregelen in Brussel om de veiligheid te garanderen? Ik verwijs naar de acties die u hebt opgezet rond de lezing die werd bedreigd. Het zou goed zijn als soortgelijke acties worden opgezet om de veiligheid op oudejaarsavond te waarborgen. Mijnheer de minister, bijna elk jaar stelde ik tijdens de plenaire vergadering een actuele vraag over de voorbije rellen op oudejaarsavond. Het gaat telkens over vandalisme, geweld tegen politie en geweld tegen hulpdiensten. Laten we het probleem benoemen. Het betreft altijd groepen jongeren, veelal met een migratieachtergrond. Tijdens het vragenuurtje in de Kamer hebt u al verklaard dat lokale besturen over voldoende instrumenten beschikken om oudejaarsrellen te voorkomen. Ik ben het daar niet volledig mee eens, mijnheer de minister, niet omdat ik u niet op uw woord wil geloven, maar omdat ik moet vaststellen dat lokale besturen er door de jaren heen nog nooit in geslaagd zijn deze rellen te voorkomen of efficiënt aan te pakken. Steevast zijn er federale 'hulptroepen' nodig, die moeten worden ingezet om die groepen jongeren in het beste geval op te pakken, of in het slechtste geval hun activiteiten te doen staken. Ik druk mij hierbij zeer eufemistisch uit. Mijnheer de minister, wij stellen de vragen nu preventief. Wat zou u nu al kunnen ondernemen om de oudejaarsrellen tegen te gaan? De heer Bergers verwijst naar preventieve huisarresten. Dat is slechts één element in het geheel. Er is wellicht meer nodig, zoals het instellen van een avondklok in een bepaalde periode en in een bepaalde wijk. Ook een verbod op pyrotechnisch materiaal, dat vaak niet voor het plezier, maar voor vandalisme wordt gebruikt, kan worden overwogen. Er vindt overleg plaats met het Nationaal Crisiscentrum, de politie, de brandweer en gouverneurs. Worden de daders, die meestal bekend zijn, al in kaart gebracht? Is er sprake van recidivisme? Zijn er gekende probleemplaatsen? Hoe zult u extra maatregelen kunnen nemen? Mijnheer de voorzitter, mijnheer Bergers, op mijn vraag werd deze voormiddag een overleg georganiseerd op het Nationaal Crisiscentrum over de voorbereiding van de festiviteiten rond oudjaar. Op dat overleg waren onder meer de korpschefs van de politiezones Brussel-Hoofdstad Elsene, Gent, Antwerpen, Luik, Charleroi, Bergen en Namen uitgenodigd, evenals de betrokken dirco's, gouverneurs en verantwoordelijken van de hulpverleningszones. Het overleg had tot doel een duidelijk beeld te krijgen van de voorbereidingen, de al getroffen maatregelen en de geplande inzet, zowel van de politiediensten en hulpverleningszones, als op het vlak van bestuurlijke maatregelen. De burgemeester is immers verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde binnen de gemeente en kan alle noodzakelijke maatregelen nemen om die openbare orde te handhaven. Op grond van deze bepalingen hebben sommige burgemeesters in het verleden een huisarrest opgelegd aan bepaalde individuen die op een bepaald tijdstip een gevaar vormden voor de openbare orde. In het bijzonder voor een geval in Antwerpen waarbij een beroep tegen de maatregel werd aangetekend, heeft de Raad van State in duidelijke bewoordingen de voorwaarden toegelicht. Deze bestuurlijke maatregel moet legitiem en proportioneel zijn. Dat betekent dat het risico voor de openbare orde aangetoond moet worden, bijvoorbeeld aan de hand van voorgaande, vergelijkbare feiten. Bovendien moet het huisarrest aangepast zijn aan de concrete ordehandhavingsbehoefte, waarbij vrijheid de regel is en beperking van de vrijheid de uitzondering. De termijn waarvoor de maatregel geldt, moet met andere woorden kort zijn en er moet afgeweken kunnen worden indien de persoon bijvoorbeeld moet werken of op vakantie naar het buitenland wil gaan. Precieze criteria oplijsten is moeilijk, doordat elk geval apart getoetst wordt op grond van plaatselijke omstandigheden en gebeurtenissen. Aangezien dergelijke maatregelen vaak een efficiënt en aanvullend instrument blijken om een passend antwoord te bieden op uitdagingen op het vlak van openbare orde, kan de burgemeester inderdaad in een brief op deze mogelijkheden wijzen. Het komt immers niet mij maar de burgemeester toe om maatregelen te nemen ter handhaving van de openbare orde. De korpschefs van de Brusselse politiezones zijn overigens op verschillende momenten samengekomen om de eindejaarsperiode voor te bereiden. Waar dit noodzakelijk achtten, hebben zij om steun verzocht bij de federale politie, zowel onder de vorm van mensen als middelen – drones, sproeiwagens, celwagens. Wat de vraag over het algemeen vuurwerkverbod betreft, ik stel vast dat er nog elk jaar ongelukken gebeuren, net als in het voetbal. Een verbod zal niet noodzakelijk betekenen dat het ook wordt nageleefd of kan worden gehandhaafd. Er zou ook een verbod komen op steps. De administratieve handhaving is echter heel belangrijk om een feestelijke atmosfeer te behouden. Ik dank u, mijnheer de minister. Ik juich het toe dat u een brief zal sturen naar alle burgemeesters in het land om hen te wijzen op de maatregelen die zij kunnen nemen, zoals huisarrest, en om uit te leggen hoe die maatregelen correct kunnen worden toegepast. Dat is een belangrijke stap om de kleinere gemeenten te ondersteunen en hen aan te moedigen hun verantwoordelijkheid te nemen, in plaats van soms weg te kijken. Er zijn immers toch wel een aantal burgemeesters in Brussel die doen alsof hun neus bloedt. Het is een zeer goede maatregel van uw kant. Verder hoop ik dat door extra inzet en het overleg dat u hebt gepleegd, de politie de rellen die jammer genoeg zullen plaatsvinden, effectief kan indammen. Zo kan het jaarlijkse inferno worden vermeden. Het gespuis dat misbruik maakt van oudejaarsavond om het kot op stelten te zetten en dat de veiligheid van de hulpdiensten en van burgers in gevaar brengt, moet hard worden aangepakt en gearresteerd, zodat ernstige rellen zoals in voorgaande jaren kunnen worden voorkomen. Dat zou mij en denk ik heel het land, veel genoegen doen. Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Blijkbaar kan men oudejaarsavond in dit land niet meer op een normale wijze vieren. Dat probleem is ontstaan doordat men jarenlang heeft weggekeken, heeft gepamperd en niet heeft ingegrepen toen het uit de hand liep. Dat gepamper moet nu voorbij zijn. De brave burger is het slachtoffer van die rellen. Het zal hem weinig schelen wie de leiding heeft, de lokale of de federale veiligheidsdiensten. De veiligheidsdiensten moeten gewoon samenwerken, de handen in elkaar slaan en ervoor zorgen dat de relschoppers, het gespuis zoals de heer Bergers hen noemt, van straat worden gehaald. Mijnheer Bergers, ik kijk naar een N-VA-regering die een totaal andere koers zou varen op het gebied van veiligheid, maar ik zie geen verschil met de vivaldiregering. Het is hetzelfde beleid van laten betijen en niet ingrijpen. Dat is wraakroepend. Ik zie dat de heer Jeroen Bergers vraag nr. 56011580C heeft omgezet in een schriftelijke vraag, hopelijk niet naar aanleiding van mijn repliek. De heer Demon is niet aanwezig. Het begrotingsakkoord en het drugsfonds Je m'en réfère à la version écrité de ma question. Le gouvernement fédéral a annoncé, en 2024, la création d'un dispositif communément dénommé Fonds drogue, destiné à financer des actions ciblées en matière de lutte contre le trafic de stupéfiants, la violence qui y est associée ainsi que les problématiques de toxicomanie. Ce fonds a été doté d'un montant de 10 millions d'euros pour l'année 2024, puis de 5 millions d'euros par an à partir de 2025. Les projets financés dans ce cadre sont définis conjointement par les ministres compétents en matière de Justice, d'Intérieur, de Santé et de Finances, en concertation avec la Commissaire nationale aux drogues, avant d'être soumis à l'approbation du Conseil des ministres. Par ailleurs, si le Fonds a été initialement doté de crédits budgétaires fédéraux, l'accord de gouvernement prévoit également la possibilité de l'alimenter, à terme, par les avoirs confisqués aux trafiquants de stupéfiants. Dans le cadre des négociations budgétaires, il nous paraît important de disposer d'une vision claire des décisions prises concernant la création, l'encadrement et la pérennisation de ce Fonds. Dès lors, Monsieur le Ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes : Quel calendrier avez-vous arrêté, en concertation avec vos homologues en charge de la Justice et de la Santé, afin de consacrer ce dispositif dans un texte législatif ? Quels sont les montants alloués à ce fonds pour l'année en cours et pour les exercices budgétaires à venir ? Pouvez-vous préciser quelles seront les sources de financement du Fonds drogue, tant actuelles que futures, et détailler les catégories de dépenses qui seront couvertes par ce fonds ? Pouvez-vous communiquer à la commission la liste des projets qui ont été financés par le Fonds drogue depuis sa mise en place ? Les travaux préparatoires en vue de la pérennisation du dispositif et de son encadrement juridique sont actuellement menés par mes services en étroite collaboration avec ceux du ministre de la Justice et en collaboration avec le commissariat national drogue. Ils s'inscrivent dans une approche progressive fondée sur l'expérience acquise lors des premiers exercices budgétaires ainsi que sur les enseignements tirés en matière de gouvernance, de contrôle et de traçabilité des moyens. L'objectif est de pouvoir formuler, au cours du début de l'année 2026, une proposition d'ancrage législative du dispositif en articulation avec les réflexions en cours relatives au financement par les avoir confisqués et à la mise en place d'outils de monitoring adéquats. Conformément à l'accord de gouvernement, l'objectif est toutefois de faire évoluer progressivement les sources de financement du Fonds afin de renforcer son effet de levier sans alourdir durablement les finances publiques. À cet égard, il est envisagé de mobiliser une partie des produits issus de la lutte contre la criminalité organisée et le trafic de stupéfiants, notamment les avoir confisqués, les amendes pénales et les transactions pénales, pour alimenter le dispositif. Cette évolution suppose la mise en place préalable d'un cadre juridique clair, de mécanismes de traçabilité fiables et d'outils de monitoring permettant d'objectiver l'origine et la durabilité de ces recettes. Depuis sa mise en place, le fonds drogues a permis de financer un ensemble cohérent de projets approuvés par le Conseil des ministres couvrant l'ensemble de la chaîne prévention, répression, suivi, santé. Afin de ne pas entraver la fluidité des débats, je vous invite à venir à ma rencontre afin que vous soit transmise par écrit une liste de dépenses et projets couverts par le fonds drogues. Je vous remercie. Merci pour votre réponse. Pour la liste, je viendrai à votre rencontre avec grand plaisir. En ce qui concerne les autres volets de ma question, je n'ai malheureusement pas de réponses puisqu'au niveau du texte, un texte est en préparation. Le contenu du texte, c'est effectivement ce qui est dans l'accord de gouvernement. J'avais des questions aussi sur les montants consacrés pour les années à venir et là non plus je n'ai pas de réponses. J'espère donc avoir ces réponses-là assez rapidement puisque c'était surtout ce point-là qui est important, savoir de quels moyens nous disposerons dès l'année prochaine – et puisque l'accord budgétaire porte sur une trajectoire pluriannuelle – et pour les années à venir jusqu'à la fin de cette législature pour lutter efficacement contre le narcotrafic. C'est un point extrêmement important que j'ai abordé en de nombreuses occasions ici même. J'espère disposer de ces réponses très vite puisque hormis une confirmation que l'accord de gouvernement sera mis en œuvre, je n'ai pas obtenu beaucoup plus d'informations si ce n'est la liste des projets que je vais venir chercher après ma question. Vraag nr. 56011660C van de heer Meuleman wordt omgezet in een schriftelijke vraag. La question n° 56011674C de M. De Smet est transformée en question écrite. De schietpartij en het drugsgeweld in Sint-Gillis (Brussel) Het geweld in Sint-Gillis Mijnheer de minister, op zaterdag 13 december werd de Metaalstraat in Sint-Gillis opgeschrikt door een schietpartij waarbij de gevel van een woning werd doorzeefd met kogels. De getroffen woning bevond zich op enkele meters van een huiswerkklas. Als bij wonder vielen er geen gewonden. Zo konden we vernemen in de media. Alles wijst op een afrekening binnen het drugsmilieu, zoals zo vaak in Brussel. De betrokken jongeren kregen al een plaatsverbod opgelegd wegens drugsdealactiviteiten op het Bethlehemplein. Het geweld verplaatst zich intussen van gekende hotspots naar rustige woonstraten. Dat vormt een reëel gevaar voor burgers in de onmiddellijke omgeving. Het is een kwestie van tijd voordat een verdwaalde kogel opnieuw een onschuldig slachtoffer maakt. Ik zeg opnieuw, omdat we dat al hebben moeten meemaken in Antwerpen. Mijnheer de minister, beschouwt u die feiten als geïsoleerde incidenten of als een onderdeel van een structurele escalatie richting narcoterrorisme? Wat is de stand van zaken? Dat is belangrijk in het kader van de fusie van de Brusselse politiezones. Als we de strijd tegen de drugsbendes en het narcoterrorisme ernstig willen nemen, is er geen tijd te verliezen. Worden probleemzones versterkt met extra middelen en personeel? Blijkbaar hebben de huidige middelen geen effect. Daarom stel ik die vraag. Wat plant u om recidive en de betrokkenheid van illegalen bij drugsgerelateerde criminaliteit te voorkomen? Er is sprake geweest van een taskforce. Die bestaat nog altijd, naar het schijnt, mijnheer de minister. U hebt ook al meermaals in het Parlement gezegd dat u de strijd tegen de drugscriminaliteit zou intensiveren. Ik wil graag peilen naar de resultaten. Wat heeft dat al veranderd op straatniveau? Zijn er meetbare resultaten in de ontmanteling van netwerken, inbeslagnames, arrestaties of vervolgingen? Helaas is mijn vraag al achterhaald, mijnheer de minister. Ik wilde u vragen stellen naar aanleiding van de laatste schietpartij in Sint-Gillis. Tussen het indienen van mijn vragen en vandaag is er helaas nog een schietpartij toegevoegd aan de ellenlange lijst van schietpartijen in Brussel. Afgelopen maandagochtend boorden verschillende kogels zich namelijk in de gevel van een gezinswoning. Er werd al naar verwezen, op zaterdag 13 december werden de bewoners van Sint-Gillis opnieuw opgeschrikt door grof geweld. Dit is helaas geen alleenstaand geval, maar het zoveelste incident in een reeks die de leefbaarheid in de wijk zwaar onder druk zet. Ik verwijs graag naar mijn eerdere schriftelijke vraag en uw antwoord daarop van eind oktober. U stelde toen heel duidelijk dat u de criminelen op alle fronten zou aanpakken om de controle over onze stadcentra terug te krijgen. U kondigde de lancering aan van het plan ‘Grandes Villes’, dat het Kanaalplan vervangt en uitbreidt. In uw antwoord gaf u bovendien aan dat er geregeld harde acties – u hebt er al naar verwezen, FIPA – zouden plaatsvinden om criminelen dag en nacht lastig te vallen. U waarschuwde zelfs dat, als we vandaag de controle verliezen in de zone Zuid, morgen de hele stad daaronder zal lijden. Helaas hebben we ondertussen een nieuw record beet, vers van de pers. De VRT heeft daar vanochtend over bericht. Het gaat om een record waarmee men eigenlijk niet in de boeken wil komen, want het aantal schietpartijen in Brussel is ondertussen opgelopen tot 96, tegenover 92 vorig jaar. Dat recente record is dus al een oud record geworden. We kunnen alleen maar hopen dat het uiteindelijke aantal niet nog hoger zal liggen. Daarom heb ik de volgende vragen voor u, mijnheer de minister. U gaf aan dat de FIPA’s zolang als nodig herhaald zouden worden. Heeft er in de dagen voorafgaand aan of onmiddellijk na dit nieuwe schietincident in Sint-Gillis een dergelijke actie plaatsgevonden in de betreffende wijk? U beloofde dat er voor het einde van het jaar nog eens 40 rekruteringen zouden plaatsvinden bij de federale gerechtelijke politie van Brussel. We zijn nu half december. Zijn die 40 extra krachten effectief aangeworven en operationeel inzetbaar op het terrein? U sprak over 20 miljoen euro aan federale middelen voor camera’s, specifiek voor hotspots die onvoldoende bewaakt worden. Zal de straat waar dit recente incident plaatsvond versneld worden uitgerust met die middelen, aangezien Sint-Gillis duidelijk kampt met een tekort? U pleit voor een fusie tot één politiezone onder één commando om de slagkracht te vergroten. Laat mij duidelijk zijn, wij delen uw analyse en zijn zelf ook vragende partij voor die eengemaakte zone, maar we moeten natuurlijk ook realistisch zijn. Die hervorming zal er niet van vandaag op morgen zijn. U stelde zelf dat de huidige versnippering in zes zones niet werkt en dat de structurele versterking momenteel onvoldoende is. Welke noodmaatregelen neemt u nu om de samenwerking tussen de zones te garanderen, zodat de veiligheid van de Brusselaar niet on hold staat tot de fusie rond is? De feiten waarnaar u verwijst, spelen zich af in het milieu van de georganiseerde drugscriminaliteit. Narcoterrorisme is een begrip dat voor mij niet geheel van toepassing is, maar het spreekt voor zich dat ook deze schietpartij bijzonder choquerend is. Het onderzoek loopt, waardoor ik weinig kan zeggen over de verdachten, maar ik heb geen informatie ontvangen over het niet respecteren van bestuurlijke maatregelen. Ik ben er inderdaad nog steeds van overtuigd dat de fusie van de politiezones in Brussel een element is dat moet toelaten een doeltreffend politie- en veiligheidsbeleid te voeren in onze hoofdstad. Mijn kabinet werkt momenteel hard aan de tekst voor de fusie van de Brusselse politiezones, met het oog op een zo snel als mogelijke tweede lezing in de ministerraad. In afwachting daarvan worden extra middelen en personeel ingezet in de probleemzones. De politiezone Zuid ontvangt bijvoorbeeld ondersteuning via verschillende gespecialiseerde eenheden, waaronder de cavalerie, de CSD, het CIK, de FERRES en de dronecel. Die versterking wordt ingezet volgens de operationele noden en beschikbaarheid. Daarnaast wordt één Full Integrated Police Action (FIPA) per maand uitgevoerd in Brussel, in samenwerking met de zes Brusselse politiezones en de federale eenheden, waaronder de spoorwegpolitie en het interventiekorps. In Brussel hebben de FIPA-operaties tastbare resultaten opgeleverd op het vlak van arrestaties, inbeslagnames en vaststellingen. Er werden controles uitgevoerd bij personen, voertuigen en handelszaken, wat leidde tot meerdere gerechtelijke en administratieve arrestaties, processen-verbaal inzake verkeer, drugs en wapens, evenals tot inbeslagnames van verdovende middelen, geld en verboden voorwerpen. De acties tonen aan dat de gezamenlijke inzet van de betrokken politiediensten effectief bijdraagt aan de bestrijding van criminaliteit. Gedetailleerde cijfers kunt u het best schriftelijk opvragen. U verwees terecht, mijnheer Meuleman, naar de recentste cijfers, die een stijging aangeven. Het gaat om een ‘beperkte stijging’ van 5 %, met tegelijk een daling van het aantal moorden. Het zijn er hoe dan ook nog steeds veel te veel. Wij doen veel, met de politiezones en de federale politie. Het zal nog veel werk en een intensieve samenwerking vergen. We moeten dat fors aanpakken, maar ik veronderstel dat niemand die hier of daarbuiten verantwoordelijk is, denkt dat we dit in enkele maanden kunnen oplossen. Wat we moeten doen en wat we doen, is de problematiek met alle beschikbare middelen fors aanpakken. Dat is ook een reden om de nu beoogde militairen in te zetten. Dat moet meer kracht geven aan de aanpak van de criminaliteit in Brussel, maar niet alleen in Brussel. Ik dank u. Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Onze politiediensten telden dit jaar voorlopig al 96 schietpartijen, tot en met 15 december. Dat zijn er vier meer dan vorig jaar en we zijn nog niet aan het einde van 2025. Ten opzichte van 2022 gaat het vrijwel om een verdubbeling. Zo snel gaat het. Twee schietpartijen per week zijn het nieuwe normaal in multicultureel Brussel. Daarbij vielen dit jaar ondertussen al acht doden. We weten bovendien in veel gevallen wie de daders zijn. Het gaat veelal om illegalen en minderjarige allochtonen die worden uitgestuurd om op rivaliserende dealers te schieten. Brussel is de kanarie in de kolenmijn voor wat Vlaanderen te wachten staat en voor hoe het nu al is in onder meer Antwerpen. Zet die illegalen dus het land uit. Maak bendes het leven onmogelijk met constante razzia’s. Steek die schutters en dealers achter slot en grendel. Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Vraag nr. 56011681C van de heer Depoortere wordt omgezet in een schriftelijke vraag, net als vraag nr. 56011683C van de heer Jeroen Bergers. Het meerjarenbegrotingsakkoord en de impact op de federale dotatie aan de hulpverleningszones Je vous ai interrogé à plusieurs reprises au sujet de la dotation fédérale aux zones de secours. Vous m'avez alors indiqué qu'il convenait d'attendre l'issue des négociations budgétaires pluriannuelles avant de pouvoir apporter des réponses précises. Ces négociations étant désormais clôturées, puisque les membres du gouvernement se sont accordés sur l'ensembles des économies et dépenses prévues pour la présente législature, je souhaiterais dès lors, Monsieur le Ministre, vous poser les questions suivantes : Quelle sera l'évolution de la dotation fédérale aux zones de secours au cours de cette législature? Pouvez-vous nous en communiquer les montants et la trajectoire budgétaire envisagée ? La dotation fédérale aux zones de secours et au SIAMU fera-t-elle l'objet d'une indexation au cours de cette législature ? Le cas échant, à partir de quelle année et pour quelle durée ? Comme vous le savez, notre groupe a déposé une proposition de loi visant à instaurer une indexation automatique de la dotation fédérale aux zones de secours, à l'instar de celle relative aux zones de police. Vous vous êtes engagé à l'ancrer dans la loi à partir de l'été dernier. Où en est l'état d'avancement de ce dossier ? Envisagez-vous par ailleurs la possibilité d'une indexation rétroactive de la dotation à partir de l'année 2025 ? Comme indiqué précédemment, la question du financement des zones de secours s'inscrit dans un cadre budgétaire pluriannuel qui doit être apprécié de manière globale en tenant compte tant des contraintes budgétaires que des priorités opérationnelles en matière de sécurité civile. S'agissant de l'évolution de la dotation fédérale aux zones de secours, le gouvernement a acté le principe d'une stabilisation et d'une consolidation du cadre de financement existant au cours de la présente législature. La trajectoire budgétaire sera définie de manière progressive dans le cadre des exercices budgétaires successifs, afin de garantir la soutenabilité des finances publiques tout en préservant bien évidemment la capacité opérationnelle des zones de secours. Dans ce contexte, j'ai décidé d'intégrer le financement du SIAMU dans le système global de financement des zones de secours, mettant ainsi fin à une différenciation historique qui ne se justifie plus au regard des missions exercées. Cette intégration vise à assurer une approche cohérente, équitable et transparente du financement de l'ensemble des services de secours. En ce qui concerne l'indexation de la dotation fédérale, je confirme mon engagement à traiter cette question dans le cadre des exercices budgétaires 2026 et 2027. Cette approche permet de garantir un ancrage structurel et juridiquement sécurisé de l'indexation, en cohérence avec les règles budgétaires en vigueur. Il convient toutefois de rappeler que la provision "Renforcement des services de sécurité et politiques de retour" ne peut, par nature, être mobilisée pour couvrir des dépenses récurrentes, telles que celles résultant d'un mécanisme d'indexation. Enfin, s'agissant de l'ancrage législatif de l'indexation, des travaux préparatoires sont en cours en vue d'une inscription dans la loi, dans une logique comparable à celle applicable aux zones de police. Cette réflexion s'inscrit dans une approche responsable et progressive. En revanche, une indexation rétroactive à partir de l'année 2025 n'est pas envisageable compte tenu des contraintes budgétaires, des principes de bonne gouvernance financière et du fonctionnement du budget de l'État. Je reste naturellement attentif à l'évolution de ce dossier et je veillerai à ce que les prochaines étapes continuent à être menées en concertation avec l'ensemble des parties concernées. Je ne vous surprendrai pas en vous invitant à me revenir en question écrite afin que je puisse vous communiquer l'ensemble des statistiques que vous avez demandées. Merci pour vos réponses. Si je comprends bien, il y a effectivement un travail qui sera fait au niveau d'un projet de loi pour inscrire et conforter ce projet d'indexation automatique des dotations aux zones de secours. Dès 2026, l'indexation est prévue, si j'ai bien compris la réponse. Je suppose alors qu'on aura très vite confirmation et que les différentes zones de secours seront informées des montants indexés qu'elles pourront percevoir en 2026. C'est en effet l'objectif poursuivi: qu'on puisse déjà indexer à partir de 2026. Les travaux sont en cours. Je veux pouvoir le réaliser et que ce soit inscrit dans les budgets. C'est mon objectif de moyens et j'espère que ce sera mon objectif de réalisation également, pour être plus précis à cet égard. Nous attendons donc avec impatience le budget fédéral 2026 pour vérifier ces informations. Les questions n° 56011692C et n° 56011695C de M. Julien Ribaudo sont transformées en questions écrites. De vragen nrs. 56011705C en 56011706C van mevrouw De Vreese worden omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56011709C van de heer Bergers wordt uitgesteld. Het gewelddadige politieoptreden in een bus in Luik Monsieur le ministre, le 28 novembre dernier, vers 9 h 40, la police est intervenue de manière très violente et visiblement disproportionnée dans le contexte de l'arrestation d'une personne dans un bus à Liège. Il semblerait que le ton serait monté entre la conductrice du bus et cet homme parce qu'il serait entré par une mauvaise porte avec une poussette d'enfant. La conductrice a fait appel à la police et l'homme a refusé de tendre ses mains, ou aurait refusé de tendre ses mains, visiblement pour se faire menotter. C'est là que la police l’a fait tomber à terre et l’a frappé violemment de coups de matraque et de spray au poivre. Je ne sais pas si vous avez vu les images tournées, monsieur le ministre, mais elles sont vraiment très difficiles à voir. Finalement, l'homme a été descendu du bus manu militari . Il a été arrêté et a été privé de liberté pour la nuit pour des faits qualifiés de rébellion. Il fera l'objet prochainement d'une comparution devant le tribunal correctionnel de Liège. Entretemps, cette affaire a été divulguée dans les médias. Le bourgmestre de Liège a demandé un rapport au chef de corps de la police de Liège, et en parallèle, une plainte a été déposée à Unia. Cette scène est plus qu'interpellante. Elle s'inscrit dans un contexte de montée en violence des interventions policières. Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter quelquefois ici, monsieur le ministre. Je le redis: les images sont vraiment très impressionnantes à voir. J’ai quelques questions très précises. Les avez-vous vues? Avez-vous pris connaissance de cette intervention musclée? S’agissait-il d'agents locaux? Quelles explications la police a-t-elle pu donner face à cette intervention? À votre niveau, quelque chose est-il mis en place pour que ces scènes d'une telle violence ne se reproduisent plus? Pourquoi la police peut-elle choisir d'utiliser des armes alors que l'intervention ne le requiert pas, et ce, de manière disproportionnée? Qu'est-ce qui est mis en place pour que nos habitants, quelle que soit leur couleur de peau, leur origine, leur situation socioéconomique, soient traités avec dignité et bienveillance par la police, que leurs droits fondamentaux soient respectés et qu'un dialogue puisse s'installer? Merci pour vos réponses. Merci, madame Maouane. Pour répondre à votre première question, j'ai en effet vu l'extrait, comme, je pense, beaucoup de personnes. Il s'agissait de policiers de la zone de police locale de Liège. D'après les premières informations disponibles qui m'ont été transmises, les inspecteurs sont intervenus à la demande de la conductrice du bus, dans un contexte qualifié d'urgent. Les images diffusées dans les médias et sur les réseaux sociaux ne montrent que des extraits partiels de l'intervention. Elles ne permettent pas à elles seules d'apprécier l'ensemble des circonstances factuelles dans lesquelles l'intervention s'est déroulée. L'évaluation du caractère nécessaire, proportionné et légal de l'usage de la force doit se faire dans sa globalité, au regard de l'article 37 de la loi sur la fonction de police, qui encadre strictement le recours à la contrainte. À la suite des faits, le bourgmestre de Liège et le chef de corps ont initié une enquête administrative préalable, susceptible de déboucher, le cas échéant, sur une procédure disciplinaire. Parallèlement, une information judiciaire a été ouverte par le parquet du procureur du Roi de Liège. Le dossier étant désormais entre les mains de l'autorité judiciaire, il ne m'appartient pas, en tant que ministre, et singulièrement en tant que ministre de l'Intérieur, de me prononcer sur le fond des faits ou sur les responsabilités individuelles. Dans ce contexte, il convient également de rappeler que les policiers concernés bénéficient, comme tout citoyen, de la présomption d'innocence, tant que les enquêtes en cours n'ont pas abouti. La Belgique dispose d'un dispositif complet de contrôles démocratiques des services de police, comprenant notamment le Comité permanent P, l'Inspection générale, les mécanismes de contrôle interne, ainsi que le contrôle de l'autorité judiciaire. Au niveau local, la zone de police de Liège dispose en outre d'une direction de la maîtrise de l'organisation, chargée notamment des enquêtes internes. Toute plainte est systématiquement examinée et un système de détection et de gestion des risques est en place. Les prescriptions relatives à l'entraînement à la maîtrise de la violence, la directive GPI 48, y sont strictement appliquées, notamment via un centre spécialisé qui organise des débriefings après toute intervention problématique. Lorsque des difficultés sont identifiées, des mesures sont prises, pouvant aller jusqu'au retrait temporaire des missions opérationnelles. Enfin, la philosophie du community policing constitue un fondement essentiel du fonctionnement de la police. Il en est donc ainsi dans la zone de police de Liège. Le chef de corps et les officiers entretiennent un dialogue régulier avec les associations et les comités de quartier. Le respect de la dignité des personnes et des droits fondamentaux fait partie des valeurs centrales qui sont promues au sein des corps de police. Je vous remercie. Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. En effet, on voit que les images ne sont pas complètes. Mais celles qu’on a vues, où on a vu la violence déployée, la violence avec laquelle la police est intervenue, me font me poser des questions sur la proportionnalité. Il s'agissait d'une personne avec une poussette. Vous conviendrez que ce n'est pas l'arme la plus dangereuse, une poussette. Elle se trompe de porte dans un bus, effectivement. Que la conductrice puisse appeler la police, c’est effectivement son bon droit si elle s'est sentie menacée ou pas respectée. Mais que la police intervienne avec une telle brutalité, moi, cela me pose vraiment question. Cela me pose question sur la montée en puissance des tensions entre les habitants, habitantes, les citoyens, citoyennes et la police. Nous en avons débattu tout à l’heure: pour que la police soit respectée, il faut qu’elle soit absolument respectable. Je ne vois pas ce qui est mis en place concrètement pour que les habitants de Liège ou d’ailleurs soient traités avec dignité, bienveillance et écoute par la police, et pour que leurs droits fondamentaux soient respectés. Nous avons toutes et tous le droit de prendre le bus sans nous faire matraquer et taper dessus par la police. J’ai l’impression que le dialogue n’est pas vraiment instauré, et cela m’inquiète pour la suite, parce qu’il y a d’autres événements tragiques. Nous y reviendrons. Het dodelijke slachtoffer bij een politie-interventie in Namen De dodelijke politie-interventie in Namen Monsieur le ministre, dimanche soir, un drame s'est produit dans la ville de Namur. Un homme de 34 ans, Adama, y a perdu la vie lors d'une intervention policière. La police aurait été appelée pour une bagarre avec un couteau et, à leur arrivée sur place, des agents auraient trouvé un homme au comportement agressif qui empêchait la circulation des voitures. Ils ont tenté de le maîtriser à l'aide de sprays au poivre, sans succès. Quatre policiers ont été blessés lors de l'intervention et sont actuellement en incapacité de travail. Finalement les agents ont fait usage de leur arme de service et ont tiré trois coups de feu. L'homme est décédé sur place. Je voudrais souligner que c'est un drame pour toutes les personnes concernées, pour les proches de la victime, mais aussi les policiers présents. Les circonstances exactes des faits font l'objet d'une enquête par la justice et le Comité P. Selon les premières informations, l'homme était déjà connu pour des faits de violence et aurait également été interné au cours de l'année écoulée. Des témoignages indiquent qu'il semblait hors de lui, des signaux qui laissaient penser à un épisode psychotique. Nous savons que, par le passé, plusieurs interventions policières impliquant des personnes en état de psychose ont déjà eu une issue mortelle: Jonathan Jacob, Pieter Aerts, Peter Goeman. À de nombreuses reprises, des experts ont souligné la nécessité d'accorder davantage d'attention dans la formation des policiers à la prise en charge des personnes en psychose, mais aussi dans la formation continue, dans une collaboration plus étroite entre la police et les services d'accompagnement, et dans la mise en place d'équipes de crise spécialisées. Comment réagissez-vous à ces faits? Envisagez-vous d’évaluer le cadre actuel des interventions policières face aux personnes en crise psychologique? Comment comptez-vous améliorer la formation des policiers pour intervenir dans des circonstances de détresse psychologique? Monsieur Quintin, comme l'a dit ma collègue, dimanche soir, Adama, un homme de 34 ans, est mort après avoir été touché par des tirs policiers lors d'une intervention derrière la gare de Namur, peu après 22 h. Les faits se sont déroulés à la suite d'un signalement d'une altercation. Plusieurs équipes de police ont été mobilisées car la situation a été qualifiée de violente. La police en est venue à faire usage d'armes à feu car, apparemment, la personne aurait été en possession d'une arme suspecte. En réalité, il s'agissait de son téléphone portable. Une instruction a été ouverte, et on évoque le cadre légal et la notion de dernier recours. J'anticipe quelque peu votre réponse mais, aujourd'hui, force est de constater qu'une personne est morte sous les coups de feu de la police, et cette affaire ne peut être traitée comme un simple fait divers. J'ai une pensée pour la famille et les proches d'Adama, car il est dramatique d'en arriver là. Une vie a été enlevée et nous ne pouvons pas nous résoudre à un simple examen technique de conformité. Peut-on encore, aujourd'hui, tolérer des interventions policières qui se concluent par la mort d'une personne? Comment réagissez-vous face à cette affaire? Quelles garanties apportez-vous pour que ce genre d'événement ne puisse pas se reproduire? Une enquête a-t-elle été ouverte? Dans l'affirmative, fera-t-elle l'objet d'un suivi à votre niveau? Même si ce drame a eu lieu à Namur, il éclabousse l'image de la police dans son ensemble. Il a été dit qu'Adama avait des antécédents de troubles psychiatriques. Quels sont les dispositifs prévus pour permettre à la police d'intervenir de manière proportionnée face à des personnes qui ont un passé psychiatrique ou des problèmes psychosociaux? Je regrette bien sûr profondément le décès de la personne concernée. Par respect pour les proches de cette personne, mais aussi pour l'enquête sur les faits qui se sont déroulés dans des conditions opérationnelles difficiles, je ne m'exprimerai pas davantage sur ce dossier qui, vous l'avez dit madame Maouane, n'est pas un fait divers, mais un drame. Un drame pour la personne décédée, pour ses proches, ainsi que pour les policiers impliqués dans ladite affaire. Les enquêtes du Comité P et des autorités judiciaires existent. Le mécanisme de contrôle interne et externe en place offre le cadre de surveillance requis dans ce genre de situation. Le protocole d'intervention actuel du syndrome du délire agité – le delirium tremens – prévoit une intervention différée et des techniques de contrôle humain adaptées. Néanmoins, il y aura toujours une intervention d'urgence lorsqu'il existe un danger de mort pour la personne concernée et/ou les tiers, intervention à laquelle il doit être répondu en respectant le principe de subsidiarité, de proportionnalité, avec ou sans recours à la force létale, dans le cadre de la sécurité de chacun. À plusieurs niveaux, la police accorde déjà une attention particulière à cette problématique. Le projet d'équipe mobile d'urgence (EMUT), à Bruxelles, en est un bon exemple. Une connaissance plus approfondie des caractéristiques, des psychoses et des troubles mentaux fait déjà partie de la formation de base et est abordée dans les formations obligatoires sur la gestion de la violence. Cela fait d'ailleurs partie de la troisième phase du plan d'action Excited Delirium Syndrome (EDS). Il s'agit donc d'un élément qui fait l'objet d'une attention particulière, à la fois dans la formation de base et dans la formation continue, et que nous devons continuer à mettre en œuvre pour s'assurer que les policières et les policiers aient la meilleure formation possible à la base, et ensuite pour pouvoir exercer au mieux leur fonction, dans des conditions qui me semblent devenir plus difficiles chaque jour. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. Ce qui s’est passé dimanche soir est un drame pour toutes les personnes concernées. Chaque intervention policière qui se solde par un décès en est malheureusement une de trop. Si nous pouvons, d’une manière ou d’une autre, éviter ce type d’issue, ou en réduire au maximum les risques, alors oui, nous devons le faire. Il existe des marges d’amélioration en matière de formation et d’accompagnement. Permettre aussi aux zones de police locales de collaborer plus étroitement avec des équipes multidisciplinaires me semble être une piste à explorer. Enfin, je considère qu’en matière d’accompagnement des personnes souffrant de problèmes psychologiques, des améliorations sont également nécessaires. Je vous lis ici le témoignage d’un employé de la clinique Saintt-Martin à Dave, près de Namur justement. Il explique qu’il y a eu une réduction de 80 % des lits de longs et moyens séjours depuis une quinzaine d’années. Le personnel a été réaffecté au projet 107, qui consiste en des équipes de soins à domicile. Cela ne remplace pas la construction d’un véritable projet de vie pour les personnes atteintes de maladies mentales. Construire un projet demande du temps et est évidemment plus facile lorsque le patient est hospitalisé. Aujourd’hui, les services de crise sont pleins en permanence. Au bout de six semaines, le patient doit donc sortir sans projet, ce qui est vraiment triste. Il n’est pas normal de laisser des personnes en souffrance de cette manière. Nous ne pouvons pas permettre que notre société fonctionne ainsi ni mettre nos policiers en première ligne face à ces situations. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse et pour vos mots à l’égard de la victime. Beaucoup de choses me questionnent dans cette affaire, dans ce drame. La communication autour de celui-ci est plus que problématique. Selon le parquet, l’intervention faisait suite à une bagarre au couteau. Or, en voyant les images – du moins, celles qui sont accessibles –, nous ne voyons aucun couteau dans les mains du défunt. Certains médias ont également évoqué le fait qu’il aurait eu une arme contondante, mais il s’agissait en réalité d’un téléphone portable. D’autres médias rapportent qu’Adama aurait continué à recevoir des balles, y compris lorsqu’il était de dos et au sol. Si cela s’avère exact, c’est extrêmement grave. J’aimerais que la lumière soit rapidement faite sur ces éléments, car cela nous permettra de déterminer si la proportionnalité a été respectée ou non. J’ai le sentiment que non, puisque nous en arrivons au meurtre d’une personne. Son passé psychiatrique a été vite évoqué, comme pour tenter d’expliquer ou de contextualiser sa mort, alors que le premier contexte devrait être purement factuel et fidèle aux images. Je me pose la question suivante, que l'on touche du doigt ici sans vraiment l'évoquer: quand va-t-on réellement s'attaquer à la violence et au racisme institutionnels et systémiques dans notre société et au sein de la police notamment? Ces phénomènes sont documentés par des rapports de l'ONU qui nous ont épinglés. Du reste, je vous avais interrogé à ce sujet voici quelques semaines. Cela ne sort pas de ma tête. Je le redis: il faut que la police soit respectée, mais pour ce faire elle doit être respectable. Quand on porte l'uniforme d'un représentant de l' É tat, on se doit d'être exemplaire. On ne peut pas arriver à des situations dans lesquelles des personnes perdent la vie tragiquement. Quand on observe le profil des gens qui sont touchés, on s'aperçoit qu'ils sont issus de quartiers populaires, qu'ils sont racisés et que leur passé socio-économique est souvent défavorisé. Cela en dit beaucoup de notre police et de notre société. Pour nous, c'est inacceptable. Mijnheer de minister, daarmee zijn we op het einde van de werkzaamheden voor deze commissievergadering gekomen. U wilt nog een slotwoord? Het is u gegund. J'ai la chance de terminer l'année, mes 11 premiers mois comme ministre de l'Intérieur, sur une question de Mme Maouane. Quel moment! Ik wil toch van de gelegenheid gebruikmaken om af te sluiten met een korte bedanking voor u, mijnheer de voorzitter, de nog aanwezige leden en de diensten. Mijn excuses dat ik misschien te snel spreek, maar dat is om minder laat thuis te zijn. Ik doe het dus ook voor jullie. Prenez-le comme un encouragement à pouvoir rentrer plus tôt! Merci beaucoup. Nous allons sans doute nous revoir en plénière, mais c'est l'occasion pour moi de remercier les membres de la commission pour le dialogue que nous entretenons. Nous ne sommes pas obligés d'être toujours d'accord, mais le dialogue, tel que je le ressens et tel que j'essaie de le pratiquer, reste toujours respectueux et le plus complet possible. Écouter l'opposition – et quand même de temps en temps la majorité – nourrit aussi mon travail de ministre. Je n'en dirai pas plus pour ne pas gâcher la fête de Noël! Dank u wel voor die mooie worden, mijnheer de minister. Ik sluit mij daar volledig bij aan. Ik wens iedereen een prettige Kerst en eindejaar. We zien elkaar volgend jaar terug. La réunion publique de commission est levée à 18 h 07. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.07 uur .

Commissievergadering op 17 december 2025

🏛️ Commissie Binnenlandse Zaken, Veiligheid, Migratie en Bestuurszaken

Van 14h06 tot 18h07 (4 uur en 1 minuten)

26 vragen

Voorgezeten door

VB Ortwin Depoortere

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

De stand van zaken met betrekking tot het CORESPO-onderzoek
De niet-publieke CORESPO-deelrapporten en de methodologische bezorgdheden
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport inzake corruptie
Corruptie bij de politiediensten en het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport
Het CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het uitgelekte CORESPO-rapport over corruptie bij de federale gerechtelijke politie
Het interne rapport van de federale politie over inmenging en corruptie
Meldingen in de doofpot en schendingen van de integriteit bij de gerechtelijke politie
Een intern rapport over corruptie en inmenging
Het CORESPO-onderzoek naar corruptie en integriteitsschendingen bij politie en gerechtelijke diensten

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het omstreden CORESPO-rapport over corruptie binnen de federale politie, waarbij kritiek wordt geuit op de initiële afwijzing ervan door de politietop en minister Quintin (methodologische tekortkomingen, niet-representatief). Onder druk van medialekken en parlementsleden keert Quintin zijn positie: hij belooft nu inzage in het rapport, een onafhankelijk onderzoek naar systemische corruptierisico’s (naast een audit van de methodologie) en bescherming voor klokkenluiders. Kernpunten: Parlementsleden (o.a. Vandemaele, Ecolo-Groen) beschuldigen de politietop van doofpotcultuur en eisen transparantie, terwijl anderen (o.a. N-VA, MR) de integriteit van de meeste agenten benadrukken maar wel structurele verbeteringen vragen, zoals verplichte loopbaanscreenings en betere opvolging van meldingen. Quintin ontkent verdoezelpogingen maar erkent dat elke corruptie onaanvaardbaar is—zijn focus ligt op een wetenschappelijk onderbouwd onderzoek om het vertrouwen in de politie te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het was me wat bij de federale politie, de afgelopen dagen. Eerst was er de ambitie om dat rapport achter te houden. De federale politie en uzelf hadden niet veel zin om dat met ons te delen. Toen afgelopen weekend duidelijk werd dat het deksel toch van de beerput ging, veranderden jullie van tactiek. U zei onlangs in de commissie dat het rapport niet representatief en van een bedenkelijke kwaliteit is. Ook de personeelsleden van de federale politie kregen afgelopen maandag een mailbericht in die zin: “Er is een gebrek aan solide wetenschappelijkheid en methodologische grondslagen.” De titel van dat bericht sprak boekdelen: “Ons dagelijks werk voortzetten.” Dat was de ambitie bij de federale politie: niet omzien en voortwerken.

Vandaag lees en hoor ik in de media dat u voor de derde keer een bocht neemt. Derde keer, goede keer, denk ik dan. U zegt dat er een onafhankelijk onderzoek komt naar systemische problemen inzake corruptie bij de federale politie. Het is goed dat er zo’n rapport komt. We moeten inderdaad bekijken of de systemen voldoende robuust zijn om zowel een goede detectie als een goede interne afhandeling te garanderen. Als ik de vele tientallen mails bekijk die ik de afgelopen dagen ontvangen heb van federale politiemensen, dan denk ik dat die systemen zeker voor verbetering vatbaar zijn.

U zegt dat er een groter onderzoek moet komen. Wij hebben gisteren een schrijven gericht aan de voorzitter van de Kamer om het Comité P een onderzoek te laten uitvoeren naar het probleem van corruptie bij de politie. Het Comité P kent de materie ook goed, dus dat leek ons een goed idee.

In ieder geval vind ik het belangrijk om nogmaals te zeggen dat de meeste agenten te goeder trouw en helemaal niet corrupt zijn. Door de manier waarop de leiding van de federale politie met dat rapport omgaat, komen ook al de integere agenten in een slecht daglicht te staan. De top van de federale politie lijkt echter niet geneigd om iets te doen. De kwestie is belangrijk voor ons als burgers, voor de politieagenten zelf en voor de politie als organisatie.

Tot slot blijf ik nog met een brandende vraag zitten. Wie is de politicus die vermeld wordt in dat rapport? Weet u over wie het gaat? Het betreft immers zware aantijgingen tegenover een politicus en om die reden is het van het allergrootste belang dat wij weten over wie het gaat. Welke gevolgen hebben de betrokken agenten ondervonden? Als agenten gestraft zijn omdat ze dat geweigerd hebben, hebben we het recht om dat te weten.

U zit op het goede spoor, maar we moeten de omerta bij de federale politie op dat punt kunnen doorbreken.

Voorzitter:

Collega’s, ik zal strenger moeten toezien op het respecteren van de spreektijd, want anders zullen we heel weinig vragen kunnen behandelen vandaag. Iedereen krijgt twee minuten spreektijd in de eerste ronde.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik benadrukken dat er bij de federale politie, bij welke dienst dan ook, bijzonder veel mensen dag en nacht werken om in onze veiligheid te voorzien. We zijn die mensen daarvoor enorm dankbaar.

We worden nu voor de tweede keer geconfronteerd met artikels in de pers, waarop wij ons als parlementsleden moeten baseren. We hebben geen inzage in het CORESPO-rapport, dat verslag uitbrengt over een bevraging naar corruptie.

Wanneer we vaststellen dat 1.244 personen aan die bevraging hebben deelgenomen, blijkt daaruit wel degelijk een vorm van vertrouwen, namelijk het vertrouwen om die enquête in te vullen. Dat is een element dat positief moet worden benaderd. Hier staat immers het imago van onze federale politie op het spel. Dat imago acht ik van groot belang. Ik weet dat u die mening deelt. Dat veronderstelt uiteraard onberispelijk gedrag. Politieambtenaren hebben immers een voorbeeldfunctie, moeten integer handelen en moeten een volledig anticorruptieplan hebben klaarliggen.

Het traject is destijds door de commissaris-generaal zelf opgestart. We zijn dan ook bijzonder benieuwd naar de bevindingen, naar de maatregelen die in dat rapport worden voorgesteld en naar de manier waarop men daarmee intern aan de slag gaat.

Het is belangrijk dat aanbevelingen en maatregelen niet alleen worden uitgesproken, maar ook daadwerkelijk worden opgevolgd. Daarnaast vind ik het essentieel dat personeelsleden die wantoestanden signaleren of wijzen op mogelijke corruptie, daarvoor terechtkunnen bij meldpunten en dat die meldingen ook effectief worden opgevolgd. De terugkoppeling over die opvolging kan wellicht worden verbeterd, aangezien blijkt dat er binnen de politie een zekere onvrede leeft.

We betreuren dan ook dat we tot op heden geen inzage hebben gekregen in dat rapport, al vernemen we dat die inzage alsnog zal worden verleend. Het is voor ons eveneens belangrijk om een zicht te krijgen op de andere rapporten. Er zou ook een rapport volgen over een traject inzake extremisme. Zal dat rapport nog worden bezorgd? Hoe staat het met de andere rapporten die in het vooruitzicht zijn gesteld?

U sprak in de media ook over een externe audit. U weet dat we daarvoor al geruime tijd vragende partij zijn. Wie zal die audit uitvoeren en wanneer wordt die opgestart? Wanneer mogen we de resultaten verwachten?

Welke maatregelen zullen worden genomen om corruptie daadwerkelijk aan te pakken? Dat lijkt mij namelijk de kern van de zaak.

Ik begrijp niet goed waarom de methodologie nu in vraag wordt gesteld. Ik zal u uitleggen waarom. Normaal gezien legt men in het begin van een traject de methodologie vast. Vooraleer men aan de slag gaat, controleert men of die methodologie op punt staat. Er zijn immers heel wat mensen en middelen mee gemoeid om een dergeljk verslag te schrijven. Dat is ook de bedoeling. Daarom moet men de methodologie op voorhand in vraag stellen, zodat men tot een betrouwbaar resultaat komt.

Ik zie dat er heel wat respondenten zijn. Volgens wat ik verneem uit de pers, staat er ook heel wat informatie in dat rapport staat. We kunnen dat rapport inhoudelijk niet zomaar volledig naast ons neerleggen. Ik ben benieuwd naar hoe die methodologie eruitziet. Ik wil ook transparantie in dat dossier.

Ik begrijp ook niet goed waarom het rapport, als het er al sinds juni is, niet door de commissaris-generaal werd toegelicht.

Mijnheer de minister, daarom vragen wij inzage in dat rapport. Wij willen ook de commissaris-generaal zelf over dat rapport kunnen ondervragen, om te zien welk gevolg intern aan dat verslag wordt gegeven en hoe de commissaris-generaal met de extra aanbevelingen die er nog komen zal omgaan, om de corruptie binnen de politiediensten tegen te gaan, zonder al een voorafname over de interne bedrijfscultuur te doen.

Zo veel mensen hebben dat ingevuld. Dat bewijst dat zij toch een bepaald vertrouwen hadden om dat in te vullen. Ik vind dat we de federale politie niet volledig in een slecht daglicht mogen stellen, want dat doet de mensen die dagelijks goed werk leveren onrecht aan.

Voorzitter:

Mevrouw De Vreese, ook u hebt de spreektijd wat overschreden.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé l'existence d'un rapport interne, provisoire, du service intégrité de la police fédérale, qui est fondé sur un sondage réalisé auprès d'environ 1 170 collaborateurs de la police judiciaire fédérale. Ce document, dont la méthodologie est aujourd'hui contestée, fait état de préoccupations qui sont exprimées par une partie des répondants concernant des tentatives d'influence, des pressions illicites et des comportements contraires à l'éthique, tant internes qu'externes à l'institution policière. Il est vrai que ceci a de quoi inquiéter.

Je souhaite ici relever vos premières réactions à ce sujet, qui ne laissent aucun doute sur le fait que la valeur intégrité est au cœur de vos préoccupations – elle est au cœur des miennes également – et sur votre volonté de transparence en la matière, et plus spécifiquement au regard du rapport CORESPO. Cette démarche CORESPO a été entamée en 2023, alors que Mme Verlinden était ministre de l'Intérieur. Vous héritez ici d'un rapport qui ne pouvait être validé en l'état en raison de faiblesses méthodologiques majeures, notamment en termes de représentativité, de rigueur scientifique et de confusion entre perceptions et faits établis.

Je tiens encore à ajouter que l'enquête menée se rapporte au passé et ne fait pas état d'une photographie de la situation à l'instant T. Il importe également de le dire. Dans ce contexte, je souhaiterais obtenir de votre part plusieurs éclaircissements.

Pouvez-vous rappeler quelles sont les préoccupations méthodologiques spécifiques, et préciser l'état exact d'avancement de la révision méthodologique du rapport?

Quel est le calendrier envisagé pour que nous puissions disposer des résultats? En effet, avant de procéder à des auditions sur le sujet, notre commission doit disposer de ces éléments. L'un ou l'autre collègue de Groen semble s'être procuré le projet de rapport d'une manière que je qualifierais d'irrégulière. Les autres membres de la commission n'en disposent pas.

On peut se poser la question de l'intégrité à la fois de ceux qui ont fourni le rapport et de ceux qui l'ont exploité. Quel est leur but? Affaiblir la confiance des citoyens envers les forces de l'ordre? Nourrir des thèses complotistes ? Il me semble difficile de les croire préoccupés et animés par la valeur intégrité au vu de la méthode utilisée.

En attendant ces résultats, quelles mesures de suivi des risques de corruption ou d'ingérence sont actuellement appliquées au sein de la police judiciaire fédérale, au-delà des dispositifs déjà existants?

Franky Demon:

(…) of ongeoorloofde inmenging in lopende dossiers. De incidenten nemen uiteenlopende vormen aan, zoals het doorspelen van informatie aan criminelen, rechters die vragen om boetes van hun kinderen te laten verdwijnen, en volgens wat ik hoor zelfs een politicus die wenst tussen te komen in een onderzoek.

Dat baart ons allen zorgen, te meer omdat uit het onderzoek eveneens blijkt dat de interne opvolging van meldingen over dat soort incidenten in het algemeen bijzonder tekortschiet.

De federale politie reageerde zeer snel, vind ik, door te stellen dat het rapport methodologisch zou tekortschieten, dat de resultaten niet representatief zijn en dat de getuigenissen moeilijk te verifiëren zijn. Ik was wat geschrokken dat u in uw eerste communicatie in die redenering meeging. Naar ik verneem, neemt u nu toch een bocht en zegt u dat de methodologie misschien niet 100 % correct was, maar dat een onafhankelijk onderzoek zal worden opgestart.

Mijnheer de minister, wat zal er veranderen aan de onderzoekstechnieken? Indien dezelfde resultaten naar boven komen, moeten we ze na dat onderzoek dan wél geloven en zult u dan wel sneller handelen?

Laat mij helder zijn: wij staan op de barricaden voor het respect voor politiemensen en voor het werk dat ze dagelijks doen, want ze vechten voor hun leven. Net omdat dat respect zo groot is, vind ik dat de rotte appels uit het korps moeten worden gehaald.

Ik heb heel wat vragen ingediend, maar gelet op mijn spreektijd zal ik die niet mondeling toelichten. Mijn hoofdvraag luidt of u bij een nieuw onderzoek strikt zult toezien op de onafhankelijkheid ervan, zodat we absoluut zeker zijn dat we wezenlijke stappen vooruit kunnen zetten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dit komt niet uit de lucht vallen. Enkele weken geleden hebben we in onze commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden met de commissaris-generaal over de integriteit bij de federale politie. Ik had gehoopt dat wij tegen vandaag al inzage zouden hebben gehad in het rapport. De reden dat we dit vandaag opnieuw bespreken, is net omdat wij dat rapport niet hebben ontvangen, met uitzondering van één kamerlid, dat blijkbaar goede contacten onderhoudt met iemand van de federale politie. Ik wens in de eerste plaats inzage in dat rapport, want alle vragen die hier gesteld worden over de methodologie en de ernst van de situatie, vereisen eerst inzage in het rapport, voordat we verder kunnen discussiëren over wat nog nodig is.

Ten tweede, ik weiger mee te doen aan een soort van heksenjacht tegen onze politie. In mijn ogen voert de overgrote meerderheid van onze politieleden, zowel lokaal als federaal, het werk zeer integer uit, soms onder zeer moeilijke omstandigheden. Dat wil niet zeggen dat de rotte appel niet moet worden verwijderd, want dat is net het punt: één rotte appel kan de hele fruitmand bederven en daarvoor moeten inderdaad maatregelen worden genomen.

Er bestaan zeer veel controleorganen, zoals het Comité P, waarnaar de heer Vandemaele naar verwees, de algemene inspectie en er zijn ook interne controles. Om die reden willen we de commissaris-generaal horen in deze commissie. Wij willen vernemen wat zijn bevindingen zijn en welke maatregelen hij tegenover die corruptieschandalen wenst te nemen.

Mijnheer de minister, ik ben zeer blij dat u inmiddels ons voorstel van enkele weken geleden hebt overgenomen om de federale politie extern te laten doorlichten. Een interne doorlichting kan gewoonweg niet slagen – dat stond in de sterren geschreven – omdat men dan rechter en partij tegelijk is. Een externe doorlichting kan veel verhelpen en zorgt voor een zekere objectiviteit. Ik hoop dat u dat vandaag met zoveel woorden kunt herhalen.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur tout ce qui a déjà été dit par mes collègues, mais ce qui est certain, c'est que ce rapport, en tout cas les extraits ou les éléments qui sont sortis dans la presse, met en avant des éléments préoccupants. Ces éléments ternissent l'image de la police, et c'est un dommage qui est difficilement réversible. En effet, c'est très compliqué à expliquer à la population, malgré toutes les mesures que l'on peut mettre en place. C'est aussi compliqué de revenir en arrière, et l'image de la police sera ternie par ce rapport.

Il est important de s'interroger sur sa méthodologie. Beaucoup de questions ont été posées depuis ce week-end à ce sujet. Vous aussi l'avez mise en avant. Est-ce qu'on parle de faits, de sentiments, de perceptions? Cela pose beaucoup de questions. Certains ont évoqué des faits ou des perceptions qui se seraient déroulés pendant toute leur carrière, donc par le passé. Cela pose une réelle question sur l'interprétation des résultats et sur l'utilisation que l'on peut en faire par la suite.

Hier, nous avons discuté de la possibilité d'organiser des auditions au sujet de ce rapport. J'ai demandé à pouvoir disposer de ce rapport. Il sera nécessaire de définir les modalités concrètes pour pouvoir en disposer, et qu'on puisse se faire une image concrète de ce qu'il dit, de ce qu'il raconte. Je souhaitais également vous entendre et, aujourd'hui, vous êtes devant nous pour répondre à nos premières questions.

Quel est l'état de ce rapport? Est-il validé, doit-il encore l'être? Y a-t-il encore une étape en la matière?

Quelle suite y sera donnée? Vous avez évoqué ce matin le lancement d'un audit externe. Qui va réaliser cet audit, dans quel timing sera-t-il réalisé, quels seront les moyens qui seront consacrés pour pouvoir le réaliser dans les temps?

Enfin, qu'en est-il du projet de loi de screening régulier tout au long de la carrière des policiers? Actuellement, ce screening n'existe qu'en début de carrière, et je pense que c'est important de pouvoir assurer ce suivi tout au long de la carrière des policiers.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous ai lu dans la presse ce matin et, comme vous, nous pensons que les citoyens et les citoyennes doivent pouvoir compter sur une police intègre en tout temps et en tout lieu. Comme vous, nous croyons qu’il faut tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Je prends donc acte positivement de votre volonté, annoncée ce matin dans la presse, de lancer une enquête indépendante, approfondie, scientifique et à court terme.

Cependant, là où nous divergeons, c’est lorsque vous affirmez: "Je n’accepterai jamais que l’image de la police soit ternie". En réalité, cette phrase pourrait laisser entendre que ceux qui ont tiré la sonnette d’alarme chercheraient à nuire à la police, que ce rapport viserait à ternir son image, alors que c’est tout l’inverse. Les agents intègres demandent que la lumière soit faite, et il s’agit ici de la grande majorité des policiers.

Nous ne pouvons ignorer que le rapport CORESPO a été complété jusqu’au bout par plus de 1 200 agents, soit 27 % des effectifs à l’époque, ce qui est loin d’être marginal. Ce que nous avons lu dans la presse ce week-end n’a rien d’une fiction: il est question d’informations sensibles transmises à des criminels, de pressions politiques ou judiciaires pour stopper une enquête, de rencontres douteuses avec d’anciens détenus ainsi que de lanceurs d’alerte rétrogradés, intimidés ou même poussés vers la sortie. Tout cela constituerait des dysfonctionnements graves.

La question centrale n’est donc pas l’image de la police, mais bien la lutte contre la corruption, la protection des agents qui dénoncent des pratiques illégitimes et la lutte contre le crime organisé, y compris lorsqu’il infiltre nos institutions. Si nous n’agissons pas, qui protégera ceux qui nous protègent? Et comment garantir – comme vous l’avez mentionné dans la presse – que les citoyens et les citoyennes peuvent compter sur la police en tout temps et en tout lieu?

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous nous fournir le rapport ou demander à ce qu’il soit communiqué? Que comptez-vous faire concrètement des recommandations déjà formulées dans le rapport CORESPO? Entendez-vous faire la lumière sur tous les cas qui y sont cités? Enfin, vous avez évoqué une enquête à court terme. Quels en seraient le calendrier, les étapes et les garanties d’indépendance?

François De Smet:

Monsieur le ministre, je tiens tout d’abord à souligner l’importance de l’existence d’un service intégrité au sein de la police et à saluer la production d’un tel rapport. Cela démontre qu’il existe un véritable contrôle interne et une prise de conscience face aux phénomènes de corruption. À titre de comparaison, au Parlement fédéral, il m’est difficile d’obtenir ne serait-ce qu’une modification du Règlement visant à instaurer la transparence sur les voyages des parlementaires. Dans ce contexte, tout "thermomètre" est précieux!

Le problème, c'est que les humbles mortels que nous sommes n'ont pas accès à ce rapport. Par conséquent, tout ce que nous savons émane de la presse et ce qu'elle nous en dit, c'est qu'il s'agit d'un sondage concernant 1 776 collaborateurs de la police judiciaire. Vous avez évoqué un souci de méthode et d'échantillonnage. Personnellement, je trouve que 1 800 personnes représentent un échantillon non négligeable. Même si l’on peut discuter de la méthodologie employée, il n’en demeure pas moins que nous connaissons la puissance financière et la capacité de corruption des adversaires auxquels nous faisons face, en particulier le narcotrafic

C’est pourquoi j’estime qu’il faut prendre très au sérieux le contenu de ce rapport, tant en matière d’éthique que de perméabilité aux influences extérieures. Lorsqu'on y lit effectivement que près d'un tiers des policiers interrogés déclarent avoir déjà décelé des éléments de corruption au sein de leur organisation, que 36 % des sondés ont déclaré avoir reçu des demandes inappropriées, que 30 % ont constaté une ingérence illicite, etc., cela ne peut être considéré comme anecdotique.

Que les choses soient claires! Je n'ai aucun doute sur l'intégrité de l'écrasante majorité de nos agents. Mais justement, et notamment pour ces pommes qui ne sont pas pourries, il faut d'urgence clarifier le statut de ce rapport, et surtout, la véracité des allégations qu'il contient. Nous avons tous entendu votre annonce d'une enquête indépendante. Très bien! Mais quelle place entendez-vous donner au Comité P dans ce processus, dont c’est a priori la mission première, même si son intervention ne sera pas suffisante?

Monsieur le ministre, compte tenu du fait que ce document soulève des questions fondamentales sur l'intégrité et la démocratie, seriez-vous d'accord de le transmettre le plus rapidement possible aux membres de la Chambre? Quelles suites judiciaires précises ont-elles été données à ce jour? Le rapport d'audit sur la méthodologie a-t-il aussi pour objectif de vérifier si des cas de corruption ou d'illégalité ont été transmis aux autorités judiciaires? É tant donné que la police fédérale a indiqué que 10 dossiers disciplinaires ont été ouverts depuis 2020, dont quatre ont conduit à des sanctions, les 10 dossiers concernent-ils spécifiquement les cas soulevés dans le cadre de l'enquête CORESPO sur la corruption?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, tant vous que moi le disons souvent: pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Les révélations de ce rapport interne CORESPO, élaboré avec la participation d'un nombre significatif d'agents fédéraux, confirme qu'il y a des problèmes très graves au sein de la police fédérale. On parle de trafic d'influence, de transmission de dossiers à des proches, de pressions politiques sur des enquêtes. Ces constats très inquiétants mettent en danger l'intégrité de nos services et les fondements de notre État de droit. Il y a même un témoignage anonyme qui évoque l'ingérence d'une personnalité politique liée à un club de football local, qui chercherait à faire stopper une enquête. Même si nous avons tous très envie de savoir qui c'est, nous n'allons pas jouer aux devinettes avec vous, monsieur le ministre.

Pire encore, de nombreux policiers dénoncent le manque de suivi des signalements et la stigmatisation des lanceurs d'alerte. Il s'agit d'une atteinte directe à l'indépendance de la police, qui est un pilier fondamental de l'État de droit. Si ces faits sont avérés, monsieur le ministre, ce ne sont pas seulement des dysfonctionnements internes, mais un déni du principe de justice.

Face à ces éléments, mon collègue M. Vandemaele a demandé au nom de notre groupe l'organisation d'auditions parlementaires pour pouvoir vous entendre, mais aussi entendre les hauts responsables de la police fédérale. Vous avez contesté la méthodologie du rapport et avez refusé de le transmettre au Parlement, tout en indiquant que vous en aviez tiré des enseignements. Je m'interroge sur un tel refus, surtout quand on voit que ces allégations sont très graves et que nous sommes face à un enjeu de taille pour la démocratie. Il nous faut agir avec la plus grande transparence.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous expliquer précisément les raisons de votre refus quant à la transmission de ce rapport, alors que vous affirmez en avoir tiré des enseignements opérationnels et que la gravité des faits justifie le contrôle démocratique parlementaire? Pourquoi vous opposez-vous à la tenue d'auditions parlementaires demandées par mon collègue?

Pouvez-vous nous garantir qu'aucune pression politique n'a été exercée sur la police judiciaire dans les faits évoqués? Dans le cas contraire, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour en identifier les auteurs et les sanctionner?

Seriez-vous prêt à soutenir un audit externe indépendant, voire la mise en place d'une commission d'enquête parlementaire pour faire toute la lumière sur ces pratiques?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, comme la plupart d'entre nous et des citoyens qui suivent l'actualité, j'ai évidemment été interpellé par ce que j'ai lu dans la presse. La corruption dans les services de police est quelque chose de totalement inacceptable, à plus forte raison dans les services qui touchent à la sécurité des citoyens. À l'instar d'autres intervenants, je n'ai toujours pas pu consulter ce rapport, mais un collègue en détient un exemplaire. Par conséquent, je présume que cela ne posera pas de problèmes que nous le recevions tous. À partir du moment où un collègue possède ce document et que des extraits sont publiés dans la presse, a priori, en prendre connaissance ne devrait plus poser de difficultés.

Les faits relatés sont catastrophiques pour la police. Tout comme mon collègue De Smet, j'estime rassurant qu'un service Intégrité existe au sein de nos services de police. La question à se poser est pourquoi un parfum de scandale se diffuse-t-il dans la presse, alors qu'un rapport a été préparé et que l'enquête en question est une initiative prise par les services. Rien ne dit, jusqu'à preuve du contraire, qu'on voulait dissimuler ce rapport. On nous dit simplement qu'il n'était pas encore achevé. Dès lors, j'aimerais savoir s'il y a eu une volonté quelconque de dissimuler des choses ou si, tout simplement, le rapport n'était pas encore prêt à être diffusé. La publication de ces informations témoigne-t-elle d'une volonté de nuire à la police? Des éléments en interne ne cherchent-ils pas à nuire à la structure policière fédérale? C'est une question que je me pose.

Ce matin, une journaliste m'a appelé au sujet de la présente réunion. Une de ses questions m'a interloqué: "Monsieur le député, avez-vous encore confiance en notre police, étant donné que nous avons recueilli trois témoignages négatifs?" Non, mais vous imaginez! Vous pouvez donc concevoir l'effet produit par cet article.

Finalement, face à tout soupçon de corruption, nous disposons d’un instrument institutionnel: le Comité P, placé directement sous l’autorité du Parlement. Il me paraît donc souhaitable de le saisir afin de vérifier s’il existe déjà des enquêtes en cours concernant le contenu de ce rapport, et d’évaluer si le Comité P doit se voir confier une mission supplémentaire.

Par ailleurs, vous êtes le premier policier du Royaume. Maintenant, la balle est dans votre camp. Il vous appartient de redresser l'image de la police et de faire toute la clarté sur cette affaire.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik wil om te beginnen mijn steun uitspreken voor de politiemensen. Ik zie dagelijks op het terrein welke bergen werk zij verzetten, met welke inzet ze aan de slag gaan en met hoeveel sérieux en integriteit ze elke dag hun taken uitvoeren. Daarom wil ik mijn expliciete steun en waardering uitspreken voor al die plichtsbewuste agenten die dagelijks instaan voor ieders veiligheid. Zij zijn de norm, zij zijn de standaard, dat wil ik uitdrukkelijk benadrukken.

De uitzonderingen bestaan helaas ook, en die realiteit maakt mij bijzonder verontwaardigd en zelfs kwaad. Er is hier al meermaals verwezen naar het CORESPO-rapport. Uit die bevraging bij 1.200 leden blijkt dat bijna een op de drie respondenten tijdens zijn loopbaan getuige is geweest van onrechtmatige inmenging in dossiers. De aard van die getuigenissen is bijzonder ernstig. Het gaat verder dan louter externe druk.

Wat mij nog het meest zorgen baart, is de geschetste cultuur van straffeloosheid en stilzwijgen. Er zouden leidinggevenden zijn die de instructie geven om een oogje dicht te knijpen, terwijl meldingen van integere agenten vaak zonder gevolg blijven. Dat creëert de perceptie dat integriteitsschendingen worden getolereerd, wat me bijzonder verontwaardigt.

Daarbovenop komen nog de signalen van beïnvloeding en inmenging. Die signalen moeten we zeer ernstig nemen, mijnheer de minister. Hoewel de federale politie kritiek uit op de methodologie, stellen experts dat de omvang en aard van de meldingen onmiskenbaar wijzen op een structureel probleem.

Hebt u het rapport gelezen en bent u het eens met de analyse van de experts? Zult u het rapport overhandigen aan de leden van deze commissie of ervoor zorgen dat we inzage krijgen in dat rapport? Hoe verklaart u dat een derde van de agenten die intern misbruik melden, ontevreden zijn over de opvolging daarvan? Wat wilt u daaraan doen?

Ik wil ook mijn laatste vraag stellen, omdat die bijzonder belangrijk is. Het vertrouwen is kwetsbaar, mijnheer de minister. Eerdere hoorzittingen hebben dat hier al aangetoond. Acht u de organisatie zelfredzaam genoeg om het tij te keren? Welke visie hebt u daarop?

Bernard Quintin:

Je remercie l'ensemble des participants à ce débat d'actualité pour leurs nombreuses questions, qui démontrent à quel point la corruption est un fléau qu'il faut endiguer, y compris et singulièrement au sein de la police et de la police fédérale. Elle n'y a pas sa place, et sous mon empire, elle ne l'aura jamais.

Corruptie is een plaag die moet worden ingedamd, ook bij de federale politie. Laat ik duidelijk zijn: er is hoegenaamd geen plaats voor corruptie bij de politie.

Comme l'a déjà fait le commissaire général lors des auditions qui se sont tenues ici en juin et en septembre, il convient d'emblée d'apporter à nouveau certaines précisions quant à ce dossier CORESPO.

Tout d'abord, que signifie ce terme et que vise-t-il? CORESPO signifie Corporate Responsability of Police et vise, dans le cadre de la politique d'intégrité élargie de la police en général, à déterminer des indicateurs de risque et non des constats au sens juridique ou disciplinaire.

Ce processus a été intégré en interne de la police en 2022 sous le mandat de ma prédécesseure, la ministre de l'Intérieur de l'époque, et dont, je le rappelle, le fonctionnement de la police judiciaire fédérale dépend aussi, dans sa fonction actuelle de ministre de la Justice.

Un rapport CORESPO vise à cartographier les zones de risques éthiques potentiels et non à réaliser un audit de comportement ou une évaluation du bien-être au sens classique ni une déclaration ou plainte individuelle.

Pour cette dernière, il existe d'autres canaux et procédures spécifiques. J'y reviendrai tout à l'heure. Il existe plusieurs enquêtes CORESPO, au sujet desquelles de nombreuses questions parlementaires, tant écrites qu'orales, m'ont été adressées. Il s'agit de CORESPO Respect DGJ, CORESPO Corruption DGJ et plus récemment, CORESPO Respect DGA.

Il importe de rappeler le contexte global de lancement de ces enquêtes qui était les suites de l'affaire Sky ECC. La police n'a pas attendu. Elle s'est emparée directement de problématiques qui pouvaient survenir sur les lieux de pouvoir de notre société pour réaliser un diagnostic complet sur les risques existant au sein de sa propre organisation, ce qui pourrait inspirer d'autres secteurs. Cela me permet de remettre les choses dans le bon ordre, dossier par dossier.

Je m'excuse déjà auprès du président, car je dépasserai probablement les cinq minutes qui me sont allouées!

En ce qui concerne CORESPO Respect DGJ, le questionnaire a été adressé au personnel de la police judiciaire en mars 2023. Il portait sur des expériences concrètes ou perçues concernant des remarques des migrants, des conflits, des discriminations, des comportements inappropriés, de la charge de travail, etc.

Het eindrapport met betrekking tot respect van DGJ werd op 9 april 2025 aan de vakorganisaties voorgesteld. Op basis van dat rapport werd bij DGJ een concreet actieplan uitgewerkt, dat op 18 juni 2025 aan de vakorganisaties werd voorgelegd en een positief advies kreeg van twee vakorganisaties. Het actieplan steunt op concrete acht pijlers: ontwikkeling van een cultuur van respect, nultolerantie voor ongepast gedrag, erkenning van medewerkers, rechtvaardigheid en onpartijdigheid, onboarding en integratie, conflictbeheer, competentie en opleidingstrajecten, ethisch leiderschap en preventie van stress.

De implementatie van het actieplan verloopt gefaseerd, met in het derde kwartaal van 2025 communicatie en sensibilisering. Tussen oktober 2025 en juni 2026 worden structurele acties geïmplementeerd. Vanaf 2026 volgt dan opvolging en bijsturing via trimestriële monitoring. Volgens die planning zullen eerste conclusies kunnen worden getrokken over de uitvoering van het plan. Ik verwacht uiteraard van de federale politie dat zij mij de resultaten zo snel mogelijk voorlegt, met de vereiste ernst en nauwkeurigheid.

Misschien moeten we daarin een teken zien. Een positieve kant van de zaak is wellicht dat we leven in een tijdperk waarin men niet langer terugdeinst om gedragingen die het welzijn op het werk aantasten, aan te klagen.

II a beaucoup été question, ces derniers jours dans l'actualité, de méthodologie et, surtout, de l'efficacité de cette dernière quant à la collecte de données. De toute évidence, cette méthodologie a fonctionné pour le rapport CORESPO Respect DGJ, ce qui en a permis l'exportation et l'exploitation avec le plan d'action que je viens de mentionner.

Force est de constater que, selon la police, il n'en a pas été de même avec CORESPO Corruption DGJ.

Ik herinner eraan dat ik op 19 november jongstleden aanwezig was in de commissievergadering om mondelinge vragen te beantwoorden. De heer Matti Vandemaele had mij laten weten dat hij niet zou kunnen blijven om zijn mondelinge vraag over CORESPO te stellen. Zoals gebruikelijk in een dergelijke situatie heb ik hem daarom schriftelijk het antwoord bezorgd dat ik hem mondeling zou hebben gegeven. Velen onder u hebben mij nadien de vraag gesteld of ik al dan niet over het rapport beschikte. Zoals ik straks opnieuw zal toelichten, heb ik niets te verbergen. De federale politie heeft mijn kabinet het niet-goedgekeurde ontwerprapport in het kader van de voorbereiding van een antwoord op dezelfde mondelinge vraag van volksvertegenwoordiger Vandemaele bezorgd.

Les mots ont un sens! Et c'est dans cette réponse, jusqu'ici non publiée sur aucun canal officiel de la Chambre, que j'ai précisé qu'à l'heure actuelle, et bien évidemment selon la police fédérale, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables. Je le répète donc, selon la police fédérale, à l'heure actuelle, les conclusions de ce rapport ne sont ni exportables ni exploitables.

Par conclusions "exportables", on entend qu'au moyen d'un questionnaire en ligne, des données brutes sont collectées et c'est l'interprétation de cette collecte qui permet de dégager des tendances et des résultats concrets. Par "exploitables", on entend la traduction de ces résultats au travers d'un plan d'action, dont acte à la suite du rapport CORESPO Respect DGJ. Mais il aurait fallu pour cela qu'il en fût autant pour le rapport CORESPO Corruption DGJ, à savoir une quantité suffisante de données exportables et exploitables, ce qui n'a, selon la police, pas été le cas.

En matière de chiffres, j'aimerais en clarifier certains. Selon les informations qui m'ont été transmises par la police fédérale, il ressort que sur environ 4 500 membres du personnel de la direction générale judiciaire, 3 670 ont été consultés et un peu plus de 1 200 ont répondu à l'enquête complète, soit un tiers.

Sur ce tiers du personnel de la DGJ qui a été consulté, environ 30 %, selon la police, ont constaté au cours de l'ensemble de leur carrière, des comportements à risque en matière de corruption. Je me permets d'insister sur "l'ensemble de la carrière"! Les cas évoqués ne concernaient donc pas uniquement l'expérience des agents de la DGJ, mais tout leur parcours professionnel au sein de la police fédérale ou locale, le cas échéant.

Mijnheer Vandemaele, u verklaarde op de VRT het volgende. Ik citeer: "Het gaat natuurlijk niet over het feit dat een op drie corrupt zou zijn. Het gaat erover dat een op drie zegt: ik heb het gezien." Dames en heren volksvertegenwoordigers, het klopt niet dat 30 % van ons volledige politiekorps corrupt zou zijn, zoals sommigen – ik spreek niet van leden hier – hebben laten uitschijnen.

Voorts merkt u het volgende op: "Ik denk wel dat de federale politie een existentiële crisis aan het doormaken is. Men probeert dat opnieuw in de doofpot te stoppen." Dat zijn onterechte en goedkope beschuldigingen. Ik pik ze niet. Laat dat duidelijk zijn.

Notre police, je vous le rappelle, compte 50 000 membres. L’immense majorité de ces agentes et agents accomplissent leur travail quotidien avec une probité totale et un sens du devoir admirable, comme vous l’avez toutes et tous d’ailleurs souligné dans vos interventions et vos questions.

Celles et ceux qui colportent des données inexactes viennent donc un peu plus cultiver le désamour entre ceux qui nous protègent et ceux qu’ils protègent, parfois au péril de leur vie.

Cela étant dit, c’est le manque de données suffisamment exploitables qui a conduit la police fédérale à ne pas valider définitivement l’enquête. C’est précisément pour cette raison qu’elle a déjà annoncé le lancement, dans les plus brefs délais, d’un audit sur la méthodologie qu'elle a utilisée, comme le commissaire général l’avait d’ailleurs annoncé ici en septembre. Les résultats de cet audit sont attendus début 2026.

In antwoord op uw vraag om het rapport ter beschikking te stellen, kan ik het volgende meedelen. Ik heb er geen probleem mee dat het rapport wordt gedeeld. Ik heb niets te verbergen. Mijnheer de voorzitter, ik stel dus voor dat u de praktische afspraken voor de terbeschikkingstelling van het rapport samen met de federale politie bekijkt.

Je souhaite cependant sortir de ce débat sur la méthodologie et les chiffres, car je veux ici être très clair, comme j’ai déjà eu l’occasion de l’être ce matin. Chaque cas de corruption au sein de la police fédérale est un cas de trop. Cette enquête CORESPO sur la corruption et les problèmes méthodologiques qu’elle a rencontrés ne signifient en rien que la lutte contre la corruption doit être abandonnée, bien au contraire.

Ik wil nogmaals beklemtonen dat er voor elk geval dat aanleiding kan geven tot tuchtprocedures, reeds specifieke interne procedures bij de politie bestaan. Ik kan u bovendien meedelen dat er, naast externe meldkanalen, zoals het comité P, in mei 2025 onder mijn mandaat ook een nieuw intern meldkanaal werd gelanceerd door de federale politie. Ik maak van de gelegenheid gebruik om eraan te herinneren dat elke politiepersoon en elke ambtenaar verplicht is feiten van corruptie te melden, zodra hij of zij daarvan kennis krijgt, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van strafvordering.

Je peux vous confirmer, selon les informations dont je dispose de la police, qu'aucun cas n'a été à ce jour signalé via cette nouvelle procédure et que l'existence même de ce canal a été rappelée ce lundi dans une communication au personnel. Mais je tiens également à signaler que depuis 2019 dix dossiers disciplinaires ont concerné des cas liés à des faits de corruption. Quant aux éventuelles poursuites pénales, celles-ci relèvent, comme vous le savez, du pouvoir judiciaire et je n'ai pas à me prononcer là-dessus. Je vous invite à interroger la ministre compétente à ce propos.

Mesdames et messieurs les députés, comme vous pourrez le relire tant au sein de mon exposé d'orientation politique qu'au sein de ma note de politique générale, j'ai fait de l'intégrité de la police un élément central de mon action en insistant quotidiennement auprès de celle-ci. Chaque cas doit être traité avec un sérieux total et je m'y emploie depuis 11 mois, en me basant sur la situation dont j'ai hérité.

J'ai déjà exprimé à moult reprises ma volonté d'une police respectueuse, respectable et respectée. Cette ambition de lutter contre la corruption est partagée par la police fédérale et traduite de manière concrète dans le plan pluriannuel Intégrité ainsi que dans son plan stratégique et, comme cela a été rappelé, par le simple fait qu'il existe une cellule Intégrité au sein de la police fédérale. Ces plans servent de fil conducteur à l'ensemble de la police intégrée pour faire vivre les valeurs de respect, d'exemplarité et de professionnalisme dans toutes les fonctions. Ce travail est mené au quotidien au sein de la DGJ, tant par le biais des initiatives existantes que par celui de nouvelles initiatives à venir.

Onder mijn impuls zullen we ook werkzaamheden opstarten die tot doel hebben een permanente screening van de personeelsleden gedurende hun volledige loopbaan uit te voeren.

Hoe dan ook begrijp ik dat de in de pers gepubliceerde getuigenissen sommige leden van de assemblee, net als het brede publiek en uiteraard ook mijzelf, beroerden. Het onderzoek was een positief initiatief. Het doel ervan was en blijft lovenswaardig, maar de praktische uitvoering ervan schoot tekort op het vlak van de methodologie, waardoor het meer vragen dan antwoorden opriep.

Mesdames et messieurs les députés, je n'accepterai jamais que l'image de notre police soit ternie – non en cachant les faits, mais en faisant la lumière. C'est pourquoi, à côté de l'audit sur la méthodologie CORESPO que le commissaire général a entrepris, je lui ai donné instruction d'ouvrir une enquête indépendante, exhaustive et scientifique visant à déceler les risques systémiques en rapport avec la corruption que peut encourir la DGJ. Je voudrais insister sur ce point. L'objectif de cette enquête doit être de découvrir les problèmes systémiques. Dans cette commission, il a été question de résilience. C'est pourquoi je pense qu'il importe aussi d'en parler au sein de la police. Il ne s'agit pas ici de mener une enquête sur des cas particuliers de corruption. Cela appartient aux structures disciplinaires et, surtout, judiciaires. Chacun doit accomplir son travail. À ce titre, je rappelle que tout fonctionnaire, singulièrement un fonctionnaire de police, est tenu de respecter l'article 29 du Code pénal: s'il a connaissance de faits délictueux ou criminels, il est tenu par la loi, qu'il est censé faire respecter, de les dénoncer. Il s'agit donc, en l'occurrence, de disposer d'une étude qui protège la police contre les risques systémiques de corruption.

Comme vous l'avez dit, la corruption existe dans notre société. Ne faisons pas semblant de la découvrir à travers quelques articles de presse, s'il vous plaît. Nous avons des enquêteurs, en particulier à la DGJ, qui sont évidemment, encore plus que d'autres, de possibles victimes de cette corruption. Donc, il faut les protéger. C'est ce que je veux faire et c'est la raison pour laquelle je veux recourir à la bonne méthodologie. Je ne veux pas qu'on ternisse l'image de la police avec des à-peu-près, d'où qu'ils viennent. Je suis très clair sur ce point.

Cette enquête indépendante devra être menée dans les plus bref délais. Sur la base des résultats qu'elle produira, nous prendrons des mesures supplémentaires avec la ministre de la Justice, afin de tendre vers un risque zéro en matière de corruption. Après vous avoir entendus, je pense pouvoir dire que c'est une volonté que nous partageons tous ici.

J'ajouterai encore un petit mot au sujet du Comité P. Oui, il a évidemment un rôle à jouer. Toutefois, sans chercher à en diminuer les mérites, je ne suis pas certain qu'il ait la capacité, même physique, de mener cette enquête sur les risques systémiques. De toute façon, il ne m'appartient pas de le dire. En effet, vous le savez mieux que moi: c'est vous, le Parlement, qui pouvez l'activer.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, ik vermoed dat we iets meer spreektijd krijgen, aangezien de minister ook langer heeft gesproken.

Voorzitter:

Die discussie zullen we niet voeren. Ik bepaal wie aan het woord komt, maar de spreektijden zijn reglementair vastgelegd voor parlementsleden. Zij krijgen 2 minuten voor het stellen van hun vraag en 2 minuten voor hun repliek. Uiteraard kan ik het antwoord van de minister moeilijk beperken, want dan zou u kwaad zijn, omdat u geen antwoord krijgt. Mijnheer Vandemaele, u hebt 2 minuten.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u toch een bochtje maakt. Ik blijf evenwel benieuwd wie het onafhankelijk onderzoek zal uitvoeren, want dat is me niet zo duidelijk.

Ik maak me oprecht zorgen over de top van de federale politie. Ik laat me vertellen dat iemand uit de beleidscel van de commissaris-generaal boven de dienst Integriteit is geplaatst om te controleren dat er niets meer naar buiten komt dat niet in orde is. Dat hoor ik zeggen.

Ik hoor ook dat het rapport in juni klaar was en intern eveneens in juni werd verspreid. Wie beweert dat het om een voorlopig rapport gaat, verkondigt dus onwaarheden. Het onderzoek zal dat evenwel duidelijk maken.

Voor mij is het bijzonder belangrijk dat de mensen die aan het rapport hebben meegewerkt, worden beschermd. Ook mensen die in het rapport aangeven dat ze zijn gestraft, omdat ze corruptie hebben gemeld, moeten echt worden beschermd. Er moeten op individueel niveau acties volgen om recht te zetten wat daar fout is gelopen. Ook wie heeft meegewerkt aan het rapport, moet worden beschermd, want ik heb de indruk dat de politietop niet in de juiste richting meegaat.

Dat we het rapport zelf zullen ontvangen, stemt me tevreden. Tot nu toe hebben we slechts een rapport ontvangen; we moeten de twee of drie rapporten die klaar zijn, krijgen, inclusief de bijlagen. Dat gaat immers telkens over 100 tot 150 pagina’s extra informatie, die zeer nuttig is om te lezen. Ik hoop dus dat u daarvoor eveneens uw steun kunt uitspreken.

Ik rond af. U probeert mij in de hoek te duwen van degenen die de politie zouden willen beschadigen. Dat pik ik niet en ik zal u uitleggen waarom. Ik word door zeer veel politieagenten aangesproken, allemaal integere mensen die zeggen dat de aanpak van corruptie voor hen uiterst belangrijk is en dat, als er in hun organisatie 1, 2 of 3 % politieagenten niet loyaal is aan de missie en wel corrupt is, dan schaadt die minderheid het imago van de hele politie. Ik kom dus op voor de agenten die hun werk naar behoren doen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, in eerste instantie ben ik blij dat wij inzage krijgen in het rapport. Ik verneem dat er ook veel bijlagen zijn. Het is logisch dat we ook die bijlagen kunnen inkijken, ook al weet ik niet welke informatie ze precies bevatten.

Comité P moet zijn rol kunnen spelen. In de begeleidingscommissie moeten we dat bespreken. Als mensen de moed bij elkaar rapen om corruptie waarbij eventueel leidinggevenden betrokken zijn, te melden, dan moeten ze dat kunnen doen via een goede procedure, onderbouwd met de nodige bescherming, zodat ze zich veilig voelen. Dat moeten we bekijken. Ik lees dat het rapport ook veel kwalitatieve informatie bevat.

Ik ga ermee akkoord dat men de methodologie toetst, maar tegelijk mag men het kind niet met het badwater weggooien. Het rapport bevat veel informatie. Moeten we het rapport dan helemaal overdoen? Mensen die gewoon zijn dat soort van onderzoeken te verrichten en dergelijke bevragingen uit te voeren, hebben er uren werk aan besteed. Het is dus belangrijk om het geleverde werk te bekijken en in zijn context te plaatsen. Wellicht bezorgt u ons daarover binnenkort meer informatie.

Agenten mogen geen schrik hebben om zaken te melden. Niet alleen opvolging en feedback zijn nodig, maar ook communicatie door bijvoorbeeld een commissaris-generaal die op de hoogte is van een rapport.

De informatie is onmiddellijk n de pers verschenen en de schade is moeilijk te herstellen, maar een externe audit moet een en ander in zijn context plaatsen. Mijnheer de minister, wij hebben geen tijdschema gekregen van de externe audit. Hopelijk kunt u ons daar snel uitsluitsel over geven.

Catherine Delcourt:

Merci pour vos clarifications, monsieur le ministre.

Votre mise au point était nécessaire. Les policiers exercent un métier exigeant. Il n'y a pas de doute qu'ils le fassent d'une manière intègre, honnête, irréprochable. Ils sont dignes de notre confiance à quelques exceptions près. Il faut, pour ces exceptions, traiter fermement le mal à la racine, systématiquement. La lutte contre la corruption à tous les niveaux au sein de la police doit être une priorité. Les signalements doivent être suivis de faits. Vous y travaillez sans relâche, il ne peut en être autrement.

J'ai bien compris que cette polémique est née de deux documents dont le collègue Ecolo-Groen Vandemaele fut le seul à disposer. La réponse que vous lui avez fournie en mains propres et le rapport obtenu par on ne sait quel canal parallèle sont pour moi une drôle de conception de la démocratie parlementaire et de la notion d'intégrité. La méthode pose question, surtout au vu du sujet traité ici. Je vous remercie d'accepter de mettre le dossier à notre disposition. Néanmoins, la méthodologie utilisée présente en effet des limites. Ce sont dès lors des conclusions issues d'un projet de rapport qui n'est pas exploitable en l'état, et qui ont été tirées à la hâte avant d'être rendues publiques. C'est inacceptable. L'image de la police ne peut pas être ternie de cette façon, sur la base de méthodes de travail que je qualifierais de douteuses. C'est pourquoi je salue votre initiative de lancer, à court terme, une enquête indépendante, approfondie et scientifique. Je vous soutiens, monsieur le ministre, je soutiens notre police et attends les résultats avec beaucoup d'intérêt.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, voor mij is het belangrijk dat het betreffende onderzoek vanuit het onafhankelijke CG van de federale politie gestart is. Wij, u en de ministerraad moeten dat stuk dan ook van op een afstand en volledig objectief bekijken.

Het betreft een initiatief van de federale politie en het is aan ons om dat met de nodige afstand correct te interpreteren. Ik voel mij dus niet degene die nu moet beschermen of degene die nu moet veroordelen. Het is aan ons, maar ook aan u en aan alle ministers, om het rapport dat er nu ligt, evenals een volgend rapport, van op afstand te bekijken. Het is uiteindelijk de top van de federale politie zelf, die het rapport besteld heeft Wij moeten daar als politici niet bang van zijn; wij moeten het durven te interpreteren.

Ik ben wel zeer tevreden met uw verklaring dat u nauwlettend zult waken over de verdere uitrol van de permanente veiligheidsscreening gedurende de loopbaan van politiemedewerkers. Dat moeten we scherp in de gaten houden. U krijgt daarvoor mijn complimenten en mijn volledige steun.

Ten slotte, al bijna een jaar geleden vroegen wij hoe ver het stond met de tuchtwet voor de politie. Dat aspect zit ook deels in het onderzoek vervat. Wanneer we straks onder andere de beleidsplannen bespreken, moeten we wel duidelijkheid hebben over de timing ter zake.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ten eerste hebt u zich persoonlijk tot mij en tot de commissie gericht met de vraag om het rapport op te vragen. Dat is gisteren gebeurd. Naar aanleiding van de regeling van de werkzaamheden en de organisatie van eventuele hoorzittingen in onze commissie heb ik gisteren al een brief gericht aan de commissaris-generaal om het rapport effectief ter beschikking te stellen van het Parlement en van de leden van de commissie.

Ten tweede klopt u zich nogal op de borst met het nieuwe orgaan dat u in juni bij de federale politie hebt opgericht, namelijk het interne meldkanaal. Ik wil u daarover toch even met de neus op de feiten drukken. Ik geef u even mee wat ACV Politie, de vakorganisatie waarnaar u zelf verwijst, daarover zegt.

Verwijzend naar het rapport zegt de organisatie: "Deze cijfers bewijzen niet dat de werkvloer verrot is, maar dat onze mensen alert zijn. Het echte probleem is dat hun meldingen te vaak sterven in een bureaulade, om negatieve publiciteit te vermijden. Zo gaven drie op de tien deelnemers aan dat ze ontevreden zijn over de opvolging van meldingen.”

Dat is hetgeen ik bedoelde met mijn stelling dat men bij een interne evaluatie soms op muren botst. Die muren moeten dringend worden afgebroken. Daarom ben ik zeer verheugd dat u ons voorstel van enkele maanden geleden hebt overgenomen en nu eindelijk een onafhankelijk onderzoek hebt bevolen.

U doet uw werk en het Parlement moet zijn werk doen. Ik ben er dan ook zeker van dat we de kwestie in onze commissie nader zullen bespreken, via hoorzittingen. Ik hoop ook op volledige transparantie van u en van de commissaris-generaal in het dossier. Het moet immers inderdaad de bedoeling zijn – dat is ongetwijfeld eenieders doel hier – om een integere en betrouwbare politie op de been te brengen. Ik dank u alvast daarvoor.

Xavier Dubois:

Merci d'avoir rappelé l'historique du dossier. Il est important de rappeler qu'il s'agit d'un rapport interne du service Intégrité, ce qui prouve la maturité de l'organisation. Je ne suis pas sûr que ce soit le cas de tous les services publics, qui peuvent aussi être concernés par des risques de corruption.

Vous avez rappelé que l'enquête vise à identifier des risques qui sont basés sur des perceptions, et non pas des faits. Vous avez précisé que cette enquête porte sur des perceptions tout le long de la carrière des agents qui ont répondu, ce qui permet de remettre en perspective les résultats mis en avant. La police affirme que les résultats ne sont pas directement exploitables.

Tout le monde est d'accord sur le fait qu'il faut agir. La police fédérale le fait, avec un audit interne sur la méthodologie. Vous le faites également, avec cet objectif d'enquête indépendante, scientifique, systémique, sur la problématique de la corruption. Nous avions demandé quels en seraient le moment, le timing, la méthodologie, et n'avons pas encore reçu de réponses à ce sujet. Il serait important de les avoir rapidement pour savoir à quel planning nous devrons faire face. Nous serons attentifs aux résultats de cette enquête.

Merci d'avoir confirmé que ce rapport sera transmis. Il est important que nous puissions l'avoir rapidement. La transparence est, à ce sujet, nécessaire et évidente.

Concernant le projet de loi sur le screening , j'entends qu'il est au programme. Je pense qu'il faut avancer rapidement à ce sujet. Nous avons déposé une proposition de loi en ce sens et ce serait une très bonne chose que vous vous en inspiriez. Il faut agir, et vite. Il faut lutter contre la corruption, c'est une évidence. Et il faut rétablir la confiance dans notre police.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous avez parlé de votre empire, et je ne vous savais pas empereur. Plus sérieusement, la corruption n'a pas sa place dans la police ni dans notre société et, je le répète, nous n'avons aucun doute sur l'intégrité de la majorité des membres de la police fédérale.

Je vous remercie d'avoir accepté de partager avec nous le rapport et les annexes. On parle beaucoup de méthodologie, un peu comme pour noyer le poisson, mais rappelons les faits: ce rapport a été réalisé par le service Intégrité au sein de la police fédérale et a été complété par 23 % du personnel, donc presque un tiers, ce qui n'est pas marginal. Vous n'avez pas communiqué de calendrier précis pour l'audit, de sorte que je plaide pour qu'il soit réalisé au plus vite, afin que cela ne ralentisse pas le travail sur le contenu même du rapport. En effet, ce rapport nous offre une occasion unique de faire la clarté sur d'éventuels cas de corruption, de lutter contre les dysfonctionnements internes et, surtout, de protéger les agents qui dénoncent des pratiques potentiellement illégitimes. Je répète que nous avons confiance dans l'intégrité de la grande majorité des policiers.

Enfin, vous n'avez pas apporté de réponses claires sur le calendrier de l'enquête, sur les problèmes systémiques et sur les garanties d'indépendance. Nous continuerons donc à vous interroger sur le sujet car la corruption, vous l'avez dit, n'a pas sa place dans nos institutions.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je note que nous recevrons le rapport et vous en remercie. Pour éviter tout flottement, je crois qu'il sera important de préciser les modalités, mais nous verrons cela avec la commission.

Deuxièmement, il subsiste un petit mystère. La police n'a pas validé le rapport parce que les données ne paraissaient ni exploitables ni exportables, vous avez d'ailleurs insisté sur ce point. Mais qu'a-t-il donc manqué pour rendre ce rapport exportable et exploitable? Pourquoi le travail n'a-t-il pas, au fond, été achevé? Nous nous retrouvons avec un rapport qui n'est pas abouti, et c'est sans doute ce côté inabouti qui a fait en sorte que ce rapport finisse par fuiter, parce que certaines personnes en interne ont dû considérer que cela n'allait pas. Dès lors, qu'aurait-il fallu en plus pour que ce rapport soit exploitable et exportable?

Enfin, vous avez répondu sur le comité P. Il ne lui appartient sans doute pas de mener des procédures systémiques, de sorte qu'il est logique que vous ayez confié cette mission au commissaire général. Par contre, le comité P peut mener des enquêtes individuelles. Dès lors, la moindre des choses serait qu'il reçoive le rapport, même avec toutes les réserves méthodologiques d'usage, afin de vérifier les faits qui y sont mentionnés. Certes, le comité P dépend de nous, le Parlement. Le plus simple serait que le commissaire général ou vous-même lui envoie le rapport directement. Sinon, nous voulons nous en charger une fois que vous nous l'aurez transmis. In fine, il faudrait qu'il puisse juger sur pièces si certaines allégations méritent d'être investiguées plus avant.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J'aimerais saluer votre ouverture sur la nécessité de partager les données, les enquêtes et les rapports. Je me joins au questionnement que vient d’exprimer M. De Smet. Effectivement, que manque-t-il pour que ce rapport soit "exploitable"? De la même manière, l’audit devrait être réalisé le plus rapidement possible afin que nous disposions d’un maximum d’informations.

Pour nous, il est essentiel de protéger les lanceurs d’alerte. Nous avons eu trop d’exemples où ces derniers ont été sanctionnés par la suite. Vous serez d’accord pour dire que la lutte contre la corruption ne doit pas se limiter aux citoyens et citoyennes, mais concerner aussi celles et ceux qui sont censés nous protéger. Nous ne pouvons pas continuer à fermer les yeux sur des pratiques qui sapent la confiance que les citoyens placent dans leurs institutions, et en particulier dans la police, surtout au vu des dernières actualités en matière de bavures policières. La confiance envers la police s’effrite.

Il est de la responsabilité de l’État et de votre ministère de garantir que nos forces de l’ordre soient irréprochables. Comme je l’ai dit, pour que la police soit respectée, elle doit être respectable. Il est donc inconcevable qu’un agent de police national soit confronté à des conditions de travail aussi précaires, avec des salaires indignes, contraint parfois de cumuler avec des flexi-jobs pour boucler la fin du mois. Ces situations sont compliquées, ont un impact direct sur l’efficacité, la qualité et l’éthique professionnelle de nos agents de police.

Lorsque nous aurons une police bien formée, protégée contre la corruption et correctement rémunérée, alors peut-être pourra-t-elle retrouver la confiance des citoyens et des citoyennes et se montrer irréprochable dans l’exercice de sa mission. Nous continuerons, évidemment, à suivre le dossier avec la plus grand attention.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous ces éclaircissements. Je suis rassuré d’apprendre que nous allons pouvoir consulter et obtenir ce rapport. Il nous appartiendra de l’analyser en profondeur et, comme d’autres collègues l’ont souligné, de vérifier s’il contient des éléments qui méritent d’interpeller le comité P, par rapport à la gravité potentielle des faits qui y seraient dénoncés. C’est effectivement notre rôle, puisque le comité P dépend du Parlement. Vous avez également évoqué un audit relatif à la méthodologie. Il serait intéressant qu’il soit réalisé rapidement, s'il doit avoir lieu. Je me réjouis également d'apprendre votre volonté d'organiser un screening régulier. Cela fut décidé pour nos militaires sous la précédente législature par la ministre de la Défense, que je connais très bien. Toutefois, ce ne fut pas entrepris pour nos policiers, alors que des propositions avaient été soumises en ce sens. Vous reprenez cette même idée. Par conséquent, nous la soutiendrons. Enfin, dans le contexte actuel, il importe de réaffirmer notre totale confiance dans l'intégrité de nos policiers, lesquels accomplissent un métier particulièrement difficile.

Militairen op straat
Militairen op straat
Militairen op straat in Brussel
Militairen in openbare ruimtes in België

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Quintin bevestigt plannen om militairen in te zetten voor patrouilles in Brussel (metrostations, treinstations) en Antwerpen (drugsbestrijding, joodse sites), samen met politie, maar benadrukt dat dit geen afbreuk doet aan het politiewerk – integendeel, het moet capaciteit vrijmaken. Hij erkent dat de reserve (vrijwillige dienstplichtigen) nog niet operationeel is (eerste groep pas in 2027) en dat het Defensie-codex (juridisch kader) nog in voorbereiding is, zonder concrete timing. Thiébaut (kritisch) stelt dat het inzetten van militairen een symptoombestrijding is van structureel politietekort en waarschuwt dat vrijwilligers geen serieus alternatief zijn voor getrainde agenten. Ribaudo (afwijzend) bekritiseert de "militarisering van de openbare ruimte" als gevaarlijk en ineffectief, pleit voor meer investeringen in politie, justitie en preventie, en uit zorgen over onervaren, gewapende jongeren in straten. De syndicale betrokkenheid blijft onduidelijk, en de financiële/budgettairen impact op de politie wordt niet concreet beantwoord.

Voorzitter:

De heer Vander Elst laat zich verontschuldigen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, à plusieurs reprises déjà, j'ai interrogé le gouvernement sur sa volonté de déployer des militaires en rue et autour d'entités critiques en lieu et place de la police fédérale dont c'est la mission pour laquelle les policiers ont la formation et le cadre légal.

En septembre 2025, le ministre de la Défense a indiqué à mon collègue Christophe Lacroix que ce déploiement serait conditionné à l'adoption d'un codex et que cet envoi de militaires était également tributaire de la constitution d'une réserve territoriale. Y seraient envoyés notamment les jeunes ayant reçu votre courrier en vue de faire un service militaire volontaire. Les 500 premiers candidats seraient formés en septembre de l'année prochaine et ne seraient déployés qu'au début de 2027, comme cela figure dans le compte rendu de la commission.

Durant les auditions des syndicats policiers en commission de l'Intérieur, des critiques ont été formulées.

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point précis des travaux autour de votre codex au sein du gouvernement et sur votre position en la matière? Souhaitez-vous toujours autoriser des missions actives des militaires dans ce cadre? Quelle sera la place de la police dans ce cadre et ne risque-t-on pas, une nouvelle fois, un report de charge vers les zones concernées?

Selon quelle échéance ce déploiement dans les rues aurait lieu et de quelles rues parle-t-on? Le port d'Anvers, principale porte d'entrée de la drogue en Europe, est-il concerné?

Quelles seraient les conséquences humaines, matérielles et budgétaires pour la police fédérale de ce déploiement? Pouvez-vous m'indiquer où les agents de la Direction de la Sécurisation (DAB), précédemment chargés de la surveillance des sites nucléaires, ont été redéployés?

Selon quelle concertation avec les syndicats policiers ce protocole a-t-il été négocié? Pouvez-vous me donner l'agenda précis des négociations avec les représentants des policiers? Des réunions ont-elles déjà eu lieu?

Enfin, confirmez-vous, oui ou non, que les jeunes du service militaire volontaire pourraient être déployés dans le cadre de ces missions dans les rues, une fois le codex adopté?

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, en septembre dernier, vous annonciez qu'un déploiement de militaires aurait lieu dans les rues de Bruxelles avant la fin de l'année, afin de soutenir la police dans la lutte contre la criminalité. Nous sommes à la mi-décembre et ce déploiement n'a toujours pas eu lieu. Je rappelle ici clairement que notre groupe reste opposé à une telle mesure.

Le sentiment d'insécurité ressenti par les habitants et les habitantes est réel et doit être entendu, mais y répondre nécessite des solutions structurelles: renforcer la police de proximité, le travail de quartier, la justice et la prévention, plutôt que de militariser l'espace public. En commission de la Défense, votre collègue le ministre Francken a indiqué qu'aucun accord n'existait aujourd'hui au sein du gouvernement. Selon lui, un déploiement ne serait possible qu'à partir d'avril au plus tôt, après l'entrée en vigueur du nouveau Code de la Défense encore soumis au Conseil d'État et au Parlement.

Cela soulève plusieurs questions. Tout d'abord, où en sont les discussions au sein du gouvernement? Des décisions ont-elles déjà été prises?

Depuis des mois, les syndicats, les experts de terrain et les chercheurs alertent sur les risques juridiques et pratiques d'un retour des militaires dans l'espace public. Comment comptez-vous répondre à ces préoccupations?

Vous êtes-vous concerté avec les organisations syndicales? Quelles conclusions en tirez-vous?

Concrètement, quelles seront les tâches de ces militaires? Selon quelles modalités exerceront-ils ces tâches et avec quel pouvoir?

Enfin, les jeunes engagés dans le service militaire volontaire seraient-ils, oui ou non, concernés par ce déploiement?

Bernard Quintin:

Messieurs Thiébaut et Ribaudo, comme vous le savez, mon parti et moi-même avons exprimé à la fin de l'été notre volonté de déployer un contingent de militaires aux côtés des policiers. Je répète que cela ne consiste en rien en un désaveu du travail de la police. Franchement, si quelqu'un pense encore aujourd'hui que je n'ai pas confiance et que je ne soutiens pas la police, je ne sais vraiment pas ce que je dois faire.

Il ne s'agit donc pas d'un désaveu mais d'une volonté de soutenir le travail de la police dans la protection de nos concitoyens. À cet égard, un travail commun a été réalisé avec mon collègue, le ministre de la Défense, M. Francken.

Des protocoles sont prêts depuis des semaines pour déployer plusieurs dizaines de militaires à Bruxelles, mais également à Anvers, dans le cadre de patrouilles mixtes armée-police et de la sécurisation de dispositifs policiers.

Spécifiquement à Bruxelles, le protocole prévoit à ce stade leur déploiement en priorité dans les gares ferroviaires et les stations de métro, afin d'appuyer visiblement la police des chemins de fer et pour des FIPA ( Full Integrated Police Action) auprès des centres névralgiques du trafic de drogue et de la criminalité.

À Bruxelles et à Anvers, un deuxième protocole prévoit un déploiement en soutien de la police pour la sécurisation des sites liés à la communauté juive, hautement nécessaire, comme l'a montré l'actualité récente, ce qui libérerait par effet domino également de la capacité policière, ce qui est aussi l'objectif.

Monsieur Thiébaut, je ne peux pas répondre de manière précise à toutes vos questions, mais si vous les transmettez par écrit, je le ferai. L'objectif du remplacement des policiers, singulièrement de la DAB dans les sites nucléaires, par des militaires est de les récupérer pour faire le travail de la DAB, qui est actuellement fait, en général, par d'autres policiers fédéraux des corps d'intervention.

Ces mesures, qui font l'objet d'un accord entre les deux ministres directement concernés, doivent encore être validées par l'ensemble du gouvernement, mais nous continuerons évidemment à pousser pour cette mesure. Nous pensons qu'elle est absolument nécessaire.

Pour ce qui concerne le codex de la défense, il y a en effet, dans l'accord de gouvernement, la demande de travailler à ce nouveau cadre juridique pour les interventions de l'armée. Les discussions sur le contenu n'ont pas encore commencé au sein du gouvernement. Mon collègue le ministre de la Défense travaille à la préparation de ce codex et des discussions au sein du gouvernement. Si vous voulez plus de précisions par rapport à ce qu'il pourrait s’y trouver et au timing, je vous invite à l'interroger. Il est trop tôt pour se prononcer à ce sujet. Si nécessaire, nous aborderons les préoccupations de la police intégrée à cet égard lors des discussions.

Concernant le déploiement sur les sites nucléaires, j'ai déjà répondu, mais singulièrement, les agents de la DAB sont principalement réorientés vers des missions auprès des cours et tribunaux. Cela a permis, comme je le disais, par le même effet domino, de libérer de la capacité policière pour d'autres tâches.

Le protocole dont j'ai parlé auparavant ne contient pas d'éléments qui concernent directement les syndicats de police. Par ailleurs, il appartient à la Défense de décider qui elle juge apte à remplir des missions qui sont définies dans le cadre légal envisagé. Vu mon passé d'historien, je sais gérer une ligne du temps. Il va de soi que la réserve ne sera pas employée dans un premier temps, parce que nous souhaitons disposer de militaires aussi rapidement que possible. Si cela n'avait tenu qu'à moi, ils seraient déjà en rue. La réserve n'existant pas pour le moment, elle ne peut être activée dans ce cadre.

Sont-ce les jeunes de la réserve qui devront être activés? Honnêtement, je ne peux pas encore le dire. Nous pourrions même espérer que, le temps que la réserve se constitue, la situation se soit suffisamment améliorée pour éviter de devoir maintenir des militaires en rue. Malheureusement, les chiffres démontrent qu'il n'en sera peut-être pas ainsi.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je vous remercie.

D'abord, j'aimerais apporter une précision. Vous affirmez qu'on retire les policiers de la DAB des centrales nucléaires pour qu'ils accomplissent leur vrai travail. Cela dit, vous savez que, lorsque la DAB fut créée à l'époque où le ministre Jambon était en charge de l'Intérieur, je pense que la surveillance des centrales faisait partie de ses missions. Sans contester l'utilité de recourir à ces militaires, le problème est qu'ils vont combler un manque. En vérité, et vous le savez bien, vous revendiquez des moyens supplémentaires en vue d'engager les policiers manquants. Or ces moyens ne vous sont pas accordés. Vous manquez donc de policiers sur le terrain. Puis, vous demandez qu'ils accomplissent le travail des militaires. C'est un gros souci dans ce gouvernement.

Par ailleurs, cette rumeur persistante selon laquelle les jeunes qui ont été invités à faire leur service militaire à titre volontaire seraient envoyés dans les rues pour remplacer les policiers ne constitue pas une piste sérieuse. C'est même quelque chose qui, à mon sens, devrait être balayé d'un revers de la main. Il faudrait donc réaffirmer que cela ne peut pas se faire.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Si j'ai bien compris, il n'y a toujours pas de timing clair. Je regrette que vous n'ayez pas infirmé le fait que des jeunes qui vont faire un service militaire volontaire ne seraient pas déployés dans les rues. Vous n'avez pas dit non. Cela veut donc dire que la possibilité pourrait exister. C'est malheureux. Cela veut donc dire que pour les gros problèmes que connaissent nos villes, Bruxelles singulièrement, on va envoyer des jeunes sans aucune expérience dans les rues. Vous n'avez dit ni oui ni non. Donc, je considère que ce n'est ni l'un ni l'autre, mais que la potentialité existe. Et ça, c'est grave, monsieur le ministre! Notre police est à bout de souffle parce qu'elle est sous-financée et qu'il manque des cadres. C'est également le cas pour notre armée. Et là, on va arriver avec une solution qui n'en est pas une, avec potentiellement des jeunes qui seront lourdement armés dans nos rues. Si on veut répondre au problème de l'insécurité – et il faut le faire – dans nos villes, il faut des solutions structurelles. Il faut renforcer la police de proximité, le travail de quartier, la justice et la prévention, et ne pas militariser l'espace public.

Het aanmerken van de moslimbroederschap als terroristische organisatie

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy dringt aan op een verbod op de Moslimbroederschap in België, verwijzend naar Trumps terrorisme-label en beschuldigend dat de beweging – met haar jihadistische ideologie – al decennia "woekert" dankzij "islamgepamper" door de regering, wat een bedreiging voor de democratie vormt. Minister Bernard Quintin bevestigt dat de Ligue des Musulmans de Belgique (LMB) als Belgische tak geldt en dat zo’n 100 individuen en 10 organisaties de ideologie verspreiden, maar benadrukt dat formeel lidmaatschap moeilijk aantoonbaar is door de gedecentraliseerde, discrete werkwijze. Van Rooy bekritiseert scherp dat België de beweging niet verbiedt (in tegenstelling tot Arabische landen) en eist uitzetting van aanhangers, terwijl Quintin geen standpunt inneemt over een verbod maar de ideologische risico’s (separatisme, kalifaatstreven) schetst.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, de Amerikaanse president Donald Trump heeft aangekondigd dat de Moslimbroederschap als een terroristische organisatie zal worden bestempeld. Dat zal in de krachtigste bewoordingen gebeuren, aldus Trump.

Wat is uw reactie daarop, mijnheer de minister?

Welke activiteiten en filialen heeft de Moslimbroederschap in België? Ik hoop dat u dat weet. De Moslimbroederschap is al decennialang in België aan het woekeren. Hoeveel bewegingen, organisaties, scholen en moskeeën in ons land hebben banden met de Moslimbroederschap? Welke zijn dat? Hoeveel bewegingen, organisaties, scholen en moskeeën in ons land delen de ideologie van de Moslimbroederschap? Welke zijn dat? Ik vraag dat u dat toelicht, want de veiligheid van het land staat op het spel.

De hamvraag is uiteraard wanneer België eindelijk de Verenigde Staten volgt, want de Moslimbroederschap had in dit land al lang verboden moeten zijn.

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, de Moslimbroederschap vormt een ideologische beweging, waarvan het langetermijndoel bestaat uit de uitbouw van een samenleving waarin religieuze normen elk aspect van het leven bepalen. De grootste gevaren van de ideologie bestaan erin om een kalifaat te vestigen en haat tegen anderen te bevorderen. Het gaat dus om een vorm van separatisme die zich uit via prediking, onderwijs, sociopolitiek activisme, entrisme en lobbying.

De Ligue des Musulmans de Belgique, LMB, wordt beschouwd als de koepelorganisatie van de Moslimbroederschap in België. Zij kan worden gezien als de Belgische tak van de beweging.

Het is uitermate moeilijk om organisaties formeel te labelen als deel van of gelieerd aan de Moslimbroederschap. Er bestaan geen lidkaarten, formele structuren of officiële verklaringen van verbondenheid. Personen en organisaties die ideologisch dicht bij de Moslimbroederschap staan, ontkennen doorgaans publiekelijk elke formele band.

De beweging is heterogeen en werkt bewust discreet en gedecentraliseerd.

Op basis van de beschikbare informatie evalueren onze veiligheidsdiensten dat in België ongeveer honderd individuen en een tiental organisaties actief proberen om de ideologie van de Moslimbroederschap te verspreiden. Het gaat daarbij om een ideologische inschatting en niet om een formeel lidmaatschap.

Voor het aantal organisaties die de ideologie van de Moslimbroederschap delen, geldt dezelfde nuance. Organisaties of instellingen kunnen een ideologische affiniteit vertonen zonder formele band. De grens tussen ideologisch geïnspireerd door en formeel gelieerd aan is vaak niet objectief bepaalbaar.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. U weet evenwel wat het motto van de Moslimbroederschap is: "Allah is ons doel, de profeet is onze leider, de Koran is onze wet, jihad is onze weg, sterven op de weg van Allah is onze hoogste hoop." Die jihadistische organisatie vormt een existentiële bedreiging voor onze democratische rechtsstaat en vrije samenleving. Het is dan ook onvoorstelbaar dat zij nog altijd niet verboden is. Sterker nog, terwijl de Moslimbroederschap in diverse landen in de Arabische wereld keihard wordt aangepakt, werd ze hier met open armen ontvangen en kan ze hier woekeren. Door het globalistisch beleid en het islamgepamper van de beleidspartijen, zoals de uwe, kan de Moslimbroederschap hier al decennia woekeren en onze samenleving islamiseren. Ik roep u op om de Moslimbroederschap te verbieden en haar leden en aanhangers het land uit te zetten. Dat is wat nodig is.

Palestijnse tieners met M16-machinegeweren op hun trui in ons land

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy beschuldigt de overheid ervan Palestijnse tieners met pro-Hamas-symbolen (zoals M16-afbeeldingen) onvoldoende te screenen op extremistische denkbeelden en eist hun terugzending naar Gaza bij radicale signalen, met name na de aanslagen van 7 oktober 2023. Minister Quintin stelt dat kleding alleen geen grond is voor screening, benadrukt dat terreurverheerlijking strafbaar is, en wijst voor veiligheidschecks naar de VSSE en minister Van Bossuyt, met de kanttekening dat screenings slechts momentopnames zijn. Van Rooy bekritiseert scherp het wegbezuinigen van politiebeveiliging in de Joodse wijk van Antwerpen als "degoutant" en eist permanente zware bewaking bij synagogen en Joodse instellingen, verwijzend naar recent jihadistisch geweld (Sydney, Manchester). Hij dringt aan op directe actie van Quintin om antisitische en jihadistische dreigingen tijdens Kerst/Chanoeka tegen te gaan.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, soms is het bijna niet te geloven wat we op beelden op sociale media zien: Palestijnse tieners met M16-machinegeweren op hun trui worden ons land binnengebracht. Die M16 wordt, zoals ik vorige week al zei, niet zomaar gekozen, want dat is het oorlogswapen, een automatisch machinegeweer, waarmee op 7 oktober 2023 honderden onschuldige mannen, vrouwen en kinderen in Israëlische kibboetsen op jihadistische wijze werden afgeslacht.

Mijnheer de minister, wie zijn die tieners? Zijn ze hier met familie? Hebben ze hier familie wonen? Worden die tieners en hun familieleden aan een veiligheidsscreening onderworpen? Worden hun sociale media gescreend op denkbeelden die pro-Hamas, pro-sharia, pro-jihad of pro-7 oktober 2023 zijn? Als die tieners en hun familieleden antisemitische sentimenten koesteren of als ze inderdaad – zoals blijkt uit de M16-geweren op hun trui – pro-Hamas, pro-7 oktober 2023, pro-sharia of pro-jihadterreur zijn, worden ze dan teruggestuurd naar Gaza, waar ze thuishoren? Ik hoor het graag van u.

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, met vragen over vluchtelingen, de screening van hen en de eventuele interviews die van hen worden afgenomen, kunt u terecht bij collega-minister Van Bossuyt.

In dit geval kan het dragen van kleding van bijzonder twijfelachtige en ongepaste smaak op zich geen reden zijn voor de politie om op eigen initiatief een veiligheidsscreening uit te voeren.

Ter aanvullende informatie over screenings van allerlei aard en voor uiteenlopende doeleinden herinner ik eraan dat een dergelijke controle slechts een eenmalige beoordeling mogelijk maakt. Het gaat om een momentopname van een persoon en diens situatie. Ze kunnen evolueren en later veranderen, waardoor de conclusie van een nieuwe screening aanzienlijk kan verschillen van die van een eerdere, als nieuwe elementen aan het licht komen.

Ik kan enkel verduidelijken dat elke vorm van verheerlijking van terroristische organisaties op Belgisch grondgebied onaanvaardbaar is en strafrechtelijke gevolgen kan hebben.

De Veiligheid van de Staat (VSSE), die eveneens moet worden bevraagd, kan wel volgens andere regels handelen.

Indien nodig en wanneer de elementen waarover de veiligheidsdiensten beschikken dat rechtvaardigen, kunnen de VSSE en de politiediensten aanvullende informatie opvragen, die onverwijld zal worden verstrekt.

Wanneer er concrete aanwijzingen zijn, worden ze geëvalueerd door de bevoegde diensten. Indien zij van oordeel zijn dat er sprake is van strafbare feiten, oordeelt het parket over eventuele vervolging.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Palestijnse moslimtieners die de jihadterreur van Hamas vergoelijken, worden dit land binnengevlogen. Vervolgens worden zij niet eens ernstig gescreend en opgevolgd. Gelet op het toenemend antisemitisme en de voortdurende jihadistische dreiging, zeker in de periode van Kerstmis en Chanoeka, zijn bijkomende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. Er is nood aan meer veiligheid. Het stopzetten van de federale politiebeveiliging in de Joodse wijk in Antwerpen en de communicatie daarover is dan ook degoutant. In de Joodse wijk is niet minder maar net meer beveiliging nodig. Er moeten minstens twee zwaarbewapende agenten of militairen met de nodige bevoegdheden aan elke synagoge, aan elke Joodse school, aan elke Joodse instelling en aan elk Joods evenement staan. Ik verwacht van u als minister van Veiligheid dat u daar mee voor zorgt. Antwerpen mag immers nooit meemaken wat eerder is gebeurd in Manchester en enkele dagen geleden in Sydney.

De komst van de antisemitische jihadist Omar Barghouti voor een workshop in Leuven

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy beschuldigt minister Quintin van een "dubbele moraal" en bekritiseert dat Omar Barghouti – door hem bestempeld als antisemiet, complotdenker en "soft jihadist" – ongestraft een BDS-workshop (vergeleken met "Kauft nicht bei Juden") mag geven in Leuven, zelfs voor overheidspersoneel, terwijl soortgelijke uitingen tegen andere groepen volgens hem wel zouden worden bestraft. Minister Quintin stelt dat toegang weigeren niet zijn bevoegdheid is en dat er geen concrete signalen zijn van wettenschendingen tijdens het evenement, maar benadrukt dat lokale autoriteiten of politie kunnen ingrijpen bij aantoonbare overtredingen. Van Rooy beticht de regering ervan selectieve verontwaardiging te tonen, afhankelijk van of de dader een Vlaamse naam of Palestijnse achtergrond heeft, wat volgens hem woede en wantrouwen zaait.

Sam Van Rooy:

U bent nog niet van mij af, mijnheer de minister van Veiligheid, een titel die u eigenlijk niet verdient.

Op donderdag 27 november kwam Omar Barghouti naar België. Hij is geboren in Qatar en noemt zichzelf een Palestijnse mensenrechten–verdediger. Daar zijn ze goed in, in misleiden. Hij is echter een jihadist, niet van het type dat terreuraanslagen pleegt, maar wel van het type dat aan soft jihad doet.

Als oprichter van de BDS-beweging, die eigenlijk een Kauft nicht bei Juden 2.0 is, kwam hij op 27 november naar Leuven. Barghouti pleit voor de vernietiging van Israël en is ook niet vies van het verkondigen van antisemitische bloedsprookjes, zoals vorig jaar nog in Amsterdam. Hij heeft het over de Joodse lobby, legitimeert jihadistische terreur en verspreidt complottistische nonsens, zoals dat Israël en de VS Islamitische Staat zouden hebben gecreëerd.

Niet toevallig in Leuven – we weten immers wie daar burgemeester is –, wordt hij op orwelliaanse wijze als volgt aangekondigd: "Tijdens een workshop reikt hij praktische tools en strategieën aan om de principes van BDS te vertalen naar concrete maatregelen, solidair te zijn met het Palestijnse volk en de Palestijnse mensenrechten te respecteren. De workshop is bedoeld voor stadsmedewerkers, beleidsmakers, de culturele sector en iedereen die binnen een organisatie werkt aan mensenrechten, duurzaamheid of internationale solidariteit." Dat is allemaal newspeak en orwelliaanse onzin.

Mijnheer de minister, wetende wat voor een sujet die Omar Barghouti is, wat vindt u ervan dat hij naar ons land reist om hier een workshop te geven, zelfs voor overheidspersoneel? Wilt u hem de toegang tot ons land ontzeggen? Zo neen, waarom niet?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, ik herhaal nogmaals dat iemand de toegang tot het grondgebied ontzeggen, behoort tot de bevoegdheid van de minister van Asiel en Migratie. Voor alle duidelijkheid, dat ben ik niet. Deze beslissing kan niet zomaar genomen worden, maar vereist elementen als signalering, bedreiging van de openbare orde en verblijfsverbod.

De administratieve autoriteiten van Leuven – en ik ben ook niet de administratieve autoriteit van Leuven – kunnen evenwel op basis van een analyse beslissen om het evenement al dan niet te verbieden.

Ik heb geen informatie ontvangen over het verloop van dat evenement. Indien er antisemitische inhoud zou zijn verspreid, moeten de bevoegde politiediensten daarvan een proces-verbaal opstellen. Op dit moment zijn er echter voor alle duidelijkheid geen aanwijzingen in die richting voorhanden.

Ik dank u.

Sam Van Rooy:

Minister, mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten, dus een Vlaamse naam dragen, en dezelfde complottistische, antisemitische onzin verspreiden, dan zouden u en de hele regering op de achterste poten staan. Mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten en eenzelfde postmoderne versie van " Kauft nicht bei Juden " organiseren, dan zou u, zo mag ik hopen, met uw verontwaardiging geen blijf weten. Nog meer ophef zou er zijn indien die zogenaamde BDS-beweging niet tegen Joden was gericht, maar tegen moslims, of misschien nog erger, tegen Palestijnse moslims. Mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten en dodelijke terreur legitimeren, dan zou u als minister van Veiligheid ingrijpen. Omdat het echter om de Palestijn Omar Barghouti gaat, laat u begaan. Het is precies die dubbele moraal, minister, die steeds meer mensen in dit land terecht zeer boos maakt en ernstig verontrust.

De aanpak van de steeds gewelddadiger wordende activisten van Code Rood en co.
Extreemlinkse relschoppers en het terroriseren van onze samenleving
De financiering van Code Rood
Extreemlinkse groeperingen, geweld en maatschappelijke ontwrichting

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Sam Van Rooy (N-VA) en Ortwin Depoortere (Vlaams Belang) bekritiseren dat gewelddadige extreemlinkse groepen zoals Code Rood en CCC openlijk sabotage en geweld propageren, zich onaantastbaar wanen en mogelijk overheidsubsidies ontvangen, terwijl minister Quintin (MR) bevestigt dat 18 personen op de extremismenradar staan en een wetsvoorstel voor verboden in voorbereiding is (advies Raad van State afwachten). Van Rooy en Depoortere beschuldigen de regering van een "laks, soft beleid" en eisen hardere repressie, terwijl Bergers (N-VA) vraagt om transparantie over financieringsstromen—waarop Quintin antwoordt dat bevoegdheden bij Justitie en andere overheden liggen, maar ontkent subsidies vanuit zijn departement. Depoortere stelt dat extreemlinks geweld systematisch wordt onderschat ten opzichte van extreemrechts.

Sam Van Rooy:

Minister, u hebt ongetwijfeld gelezen dat in Gazet van Antwerpen een uitgebreid interview is verschenen met een aantal activisten die in geuren en kleuren vertellen dat ze steeds gewelddadiger worden in hun acties voor het klimaat, voor vluchtelingen, tegen ongelijkheid en tegen een vermeende genocide. Er is ook sprake van een hogere activiteitsgraad van dit soort tuig door het conflict in het Midden-Oosten. Ik las het volgende bijzonder verontrustende in dat interview: "Het geweld dat wij gebruiken verbleekt bij wat de Staat op zijn kerfstok heeft." Er wordt onder meer verwezen naar het in de kou laten slapen van 1.000 mensen en het faciliteren van een genocide in Gaza. Dat is volgens deze figuren duizendmaal erger. Een nog opmerkelijker citaat is het volgende: " Wat ik u vertel is goed voor een paar jaar gevangenisstraf, zegt een van die activisten aan de journalist." Zij verklaren openlijk hoe zij de politie proberen te verschalken, bijvoorbeeld door zich onherkenbaar te maken met een zonnebril, pet of mondmasker en door geen identiteitskaart op zak te hebben enzovoort. U kent deze organisaties ongetwijfeld: Code Rood, Secours Rouge en Classe Contre Classe. Zij plannen hun illegale acties in Brussel, Gent, Antwerpen of Namen. Ze voorzien bovendien juridische bijstand voor arrestanten en zijn dus steeds beter georganiseerd. Een expert ter zake, Paul Ponsaers, stelt vast dat het terroristische CCC terugkeert in dit soort moderne extreemlinkse bewegingen en spreekt in dat verband van een explosieve cocktail.

Minister, worden deze activisten, die zich blijkbaar onaantastbaar wanen en gewoon interviews geven, opgespoord en opgepakt? Staan zij ten minste op de radar van onze veiligheidsdiensten? Hoever staat het met de identificatie en arrestatie van dit soort gewelddadige extreemlinkse activisten, die de intentie hebben te ontwrichten, schade te veroorzaken, te intimideren en angst te zaaien, en die dat ook niet onder stoelen of banken steken? Hoe zult u voorkomen dat zij nog verdere schade en levensgevaarlijke situaties in ons land veroorzaken. Zal er eindelijk werk worden gemaakt van het verbieden van dit soort tot geweld aanzettende organisaties? We wachten daar al geruime tijd op.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb daar niet zoveel aan toe te voegen. De heer Van Rooy heeft de context geschetst en die is zorgwekkend. Dat zeg ik niet alleen, dat zegt de heer Van Rooy niet alleen, dat zegt ook het OCAD. Het OCAD bevestigt dat een vijftiental individuen op de radar staat wegens links-extremistische radicalisering. De politiediensten geven aan dat deze groepen beter georganiseerd zijn dan vaak wordt aangenomen.

Mijnheer de minister, u hebt enkele maanden geleden aangekondigd dat u zult komen met een wetgevend initiatief om dergelijke organisaties aan banden te leggen. Laat mij duidelijk zijn, ik ben een zeer grote voorstander van de vrijheid van meningsuiting. Het laatste middel dat men in een democratie mag gebruiken is het verbieden van verenigingen en organisaties.

Mijnheer de minister, mijnheer Van Rooy, u weet dat onze partij in 2004 - toen was ik al lid van het Vlaams Blok - voor de rechtbank is gesleept en daadwerkelijk werd verboden. Dat was een zwarte dag voor de democratie in ons land, als u het mij vraagt.

Dergelijke organisaties zeggen echter openlijk in interviews dat zij sabotage, materiële schade en overheidsgebouwen doelbewust viseren en dat geweld noodzakelijk is om impact te hebben. Dan is er een rode lijn overschreden. Die rode lijn mag u in deze letterlijk nemen.

De wetgeving is duidelijk, wie geweld pleegt, is strafbaar. Als een organisatie zich collectief schuldig maakt aan geweld, dan moet die organisatie aangepakt worden.

Mijnheer de minister, ik vraag u in deze vooral naar de timing van uw wetgevend initiatief. Misschien kunt u al een tip van de sluier oplichten van wat er concreet in uw wetsontwerp wordt bedoeld.

Jeroen Bergers:

De Vlaamse regering besliste onlangs in te grijpen op de subsidies van organisaties die worden gelinkt aan Code Rood. Kort na die aankondiging heeft Code Rood alle zuster- en partnerorganisaties van zijn website verwijderd, maar dat is niet erg, ik had ze al genoteerd. Die reactie zegt veel over de transparantie van Code Rood en over de bredere financiële structuren rond het criminele netwerk.

Collega Ducarme van de MR stelde hier eerder al voor om een onderzoekscommissie op te richten naar de financiering van extremistische bewegingen in ons land. U kondigde dan weer een rapport aan over de financiering van extremistische bewegingen in ons land. Hoe staat het met dat onderzoek naar de financieringsstromen van organisaties die in verband worden gebracht met radicale of extremistische acties, inclusief de geldstromen naar die verenigingen vanuit de federale overheid, maar evengoed vanuit andere overheden in dit land?

Ontvangen de betrokken zusterorganisaties van Code Rood nog subsidies van de federale, regionale of lokale overheden? Zo ja, via welke kanalen en onder welke voorwaarden loopt die financiering van de zusterorganisaties van Code Rood? Hoe zult u ervoor zorgen dat extremistische bewegingen die hun digitale sporen proberen uit te wissen of hun financieringsnetwerk proberen te verbergen, niet ontsnappen aan controle op hun publieke financiering?

Bernard Quintin:

Om operationele redenen en veiligheidsredenen zal ik geen gedetailleerde informatie verstrekken over de inzet van specifieke methoden, noch over de concrete resultaten daarvan. Ik kan wel meegeven dat er een geïntegreerde aanpak, inclusief een risicoanalyse, wordt toegepast om te vermijden dat overheidsgebouwen, zoals dat van de Dienst Vreemdelingenzaken, opnieuw het doelwit worden van gecoördineerde aanvallen. In samenwerking met de lokale administratieve overheden en het Nationaal Crisiscentrum (NCCN) zullen bij verwachte incidenten de gepaste politie- en beschermingsmaatregelen worden genomen.

De grote sociale, geopolitieke en economische thema's vormen inderdaad belangrijke mobilisatieassen voor linkse en extreemlinkse collectieven.

Het OCAD heeft er de aandacht op gevestigd dat er sprake is van radicalisering bij bepaalde linkse activisten en dat de radicalisering wordt benut door extreemlinkse kringen, wat dit jaar duidelijk is gebleken.

In het jaarverslag van het OCAD van vorig jaar staat dat 18 personen in de gemeenschappelijke gegevensbank terrorisme, extremisme en radicalisering als linksextremist worden opgenomen. Ik heb een voorontwerp naar de ministerraad gebracht om gevaarlijke radicale organisaties te verbieden. Ik wacht op het advies van de Raad van State. In elk geval zal er geen verbod worden afgekondigd, zonder dat de veiligheidsdiensten daartoe nuttige elementen aanleveren.

Mijnheer Bergers, voor onderzoek naar de financiering van organisaties moet ik u verwijzen naar de minister van Justitie, voor zover het gaat over gerechtelijke dossiers of onderzoeken vanwege de Veiligheid van de Staat. Ik heb geen informatie over subsidies die worden toegekend aan Code Rood.

Er is geen centraal register van overheidssubsidies. Ik neem aan dat u zich zorgen maakt over het feit dat bepaalde organisaties die als extremistisch kunnen worden beschouwd, toch subsidies zouden krijgen. Het is echter aan de overheden die subsidies toekennen, om die beslissing te nemen en daar transparantie over te verschaffen. Ik ben dan ook niet bevoegd voor enig toezicht op publieke financiering, behoudens die van mijn eigen departement.

Sam Van Rooy:

Minister, of het nu de minister van Asiel en Migratie van Bossuyt is, minister van Justitie Verlinden, of u, de minister van Veiligheid, niet alleen uw inhoudelijke antwoorden op mijn kritische vragen, maar ook de toon waarop, duiden gewoon op een laks en soft beleid.

Het gewelddadig extreemlinks tuig voelt dat natuurlijk ook. Ik citeer opnieuw: "Wat ik u vertel, is goed voor een paar jaar gevangenis," zegt een van die extreemlinkse activisten gewoon in de krant. Zo onaantastbaar voelen ze zich in dit land, minister. Ook tegen uw eigen partij MR gaan ze steeds verder.

Minister, zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Spoor ze op en zet ze vast, alvorens ze nog meer schade in dit land kunnen aanrichten.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij de uitspraak van de heer Van Rooy. Het probleem dateert niet van gisteren. Het sleept al jaren aan. De overheid heeft zich te laks opgesteld ten opzichte van het toenemend extremistisch geweld van dergelijke groeperingen. In alle jaarrapporten van de Veiligheid van de Staat lees ik dat er blijkbaar een groot extreemrechts complot bezig is in ons land, dat zeer gevaarlijk is. Wel, ik merk daar in de praktijk niets van. Integendeel, ik zie alleen maar geweld vanuit islamistische en vanuit extreemlinkse hoek.

Onze partij, onze leden en onze gebouwen werden al meermaals aangevallen op verschillende manieren. Het is dus hoog tijd dat men daar paal en perk aan stelt.

Nu u zelf het slachtoffer wordt van extreemlinks geweld, ben ik blij dat u het licht hebt gezien en beseft dat we die gewelddadige groeperingen best niet meer in onze samenleving dulden. Alvast bedankt.

Jeroen Bergers:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het zou inderdaad goed zijn als de federale overheid ook een subsidieregister start om transparantie te geven aan elke burger, net zoals wij dat op Vlaams niveau al hebben gedaan. Ook in het federale regeerakkoord staat dat we zo'n subsidieregister zullen invoeren. Het is wel belangrijk dat we actiever, nog voor er een subsidieregister is, monitoren welke financieringsstromen lopen naar extremistische bewegingen zoals Code Rood en het CCIB. Uw collega Ducarme bracht aan het licht dat dat ook in het verleden subsidies heeft gekregen van de federale overheid. Op dat vlak had u zelf aangekondigd stappen te nemen. Ik weet niet of die nu nog op de agenda staan. U zei dat u alleen bevoegd bent voor de subsidiestromen die vanuit uw eigen departement vloeien. Dat klopt uiteraard, maar dat belet u niet om uw collega's aan te spreken. Kunt u wel bevestigen dat onder uw eigen departementen er geen subsidiestromen vloeien naar extremistische organisaties? Dat lijkt mij een zeer relevante vraag.

De radicalisering v.d. Borgerhoutse moskee De Koepel en de wens om uit te breiden tot een megamoskee

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy bekritiseert dat de Borgerhoutse moskee De Koepel—met een beweren historiek van radicalisering (o.a. banden met Sharia4Belgium)—1,2 miljoen euro inzamelt voor een megamoskee, terwijl er Koranlessen worden gegeven door iemand die volgens hem Hamas verheerlijkt, en stelt dat de overheid hiermee "jihadistische terreur" in de hand werkt. Minister Bernard Quintin antwoordt dat financieringscontroles enkel gelden voor erkende erediensten, maar dat illegale geldstromen of radicalisering volgens protocol worden onderzocht door justitie en veiligheidsdiensten, met inzet op preventie (strategie-TER) en strafrechtelijke actie bij concrete aanwijzingen. Van Rooy herhaalt beschuldigend dat de overheid "kiemen van terreur zaait" door toe te laten dat moskeeën met extremistische signalen ongehinderd opereren, linkt dit aan het "verhoogde terreurniveau door de islam" en betreurt het gebrek aan ingrijpen.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, de Borgerhoutse moskee De Koepel, u hopelijk welbekend, radicaliseert en wil bovendien uitbreiden tot een megamoskee. Daarvoor wordt op dit moment maar liefst 1,2 miljoen euro ingezameld. De moskee heeft een trackrecord van radicalisering. Denk aan Sharia4Belgium. Men onderhield banden met radicale, islamitische organisaties. Dat bleek uit rapporten van de veiligheidsdiensten. Niet voor niets verloor de moskee dus haar erkenning door de Vlaamse overheid.

Op dit eigenste moment worden daar Koranlessen gegeven, door iemand die de moorddadige moslimterroristen van Hamas verheerlijkt. U als minister van Veiligheid zou dat toch heel grote zorgen moeten baren, mag ik hopen.

Mijnheer de minister, wordt de geldinzameling gescreend op de herkomst van de gedoneerde geldbedragen? Wat vindt u ervan dat een moskee, waar iemand lesgeeft die de Hamasterreur verheerlijkt, tot een megamoskee wil uitbreiden? Wat vindt u ervan dat men er Koranlessen kan geven, ook aan kinderen? Wat wordt ondernomen, de hamvraag, om radicalisering in die moskee tegen te gaan?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, u weet ongetwijfeld dat de minister van Justitie bevoegd is voor de erkende erediensten. Niet-erkende, lokale geloofsgemeenschappen kennen geen rechtstreekse financieringscontroles. Indien er echter aanwijzingen zijn van illegale financiering, witwaspraktijken of inmenging van financiering door derde landen, kan het parket of de Veiligheid van de Staat een onderzoek openen.

De uitbreiding van een gebedshuis valt in eerste instantie onder de lokale, stedenbouwkundige regelgeving. De veiligheidsdiensten volgen de situatie op binnen hun mandaat, met bijzondere aandacht voor mogelijke risico's op radicalisering, ongeacht de omvang van het gebouw.

Elke vorm van verheerlijking van een terroristische organisatie is onaanvaardbaar en kan strafrechtelijke gevolgen hebben. Indien er concreet aanwijzingen zijn, worden die door de bevoegde diensten geanalyseerd. De opvolging van radicalisering in niet-erkende instellingen gebeurt multidisciplinair volgens de strategie-TER, die inzet op preventie, detectie en repressie.

De federale en gewestelijke diensten delen informatie op specifieke platformen en treden op binnen hun bevoegdheden.

Ik denk hiermee uw vragen over het onderwerp te hebben beantwoord.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. De moskee De Koepel, bekend van radicalisering, gelegen in wat ondertussen helaas verworden is tot Borgerokko, wil dus uitbreiden tot een megamoskee en zamelt op dit moment maar liefst 1,2 miljoen euro in. Ik vraag mij dan af waar al dat geld vandaan komt. De moskee heeft een trackrecord van radicalisering. Denk aan Sharia4Belgium. Op dit moment worden er gewoon Koranlessen gegeven door iemand die de moorddadige moslimterroristen van Hamas verheerlijkt. Terwijl het terreurniveau in dit land permanent verhoogd en ernstig is, dankzij de islam, kunnen moskeeën waar terreur wordt gelegitimeerd, gewoon blijven woekeren. Mijnheer de minister, de regering zaait zelf de kiemen van jihadistische terreur. Dat is de harde conclusie.

De aanval op onze cultuur in Brussel ten faveure van de islam

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy bekritiseert de Brusselse kerststal met uitgewiste gezichten als een "inclusieve" aanpassing aan islamitische normen (haram-afbeeldingsverbod) en suggereert druk van moslimfundamentalisten, zelfgekozen islamisering of westerse "zelfhaat", terwijl hij de kosten (€65.000) en culturele "verwatering" (o.a. Zwarte Piet, wintermarkten) aanhaalt als bewijs van een "overheidsbeleid dat de westerse cultuur degradeert". Minister Bernard Quintin ontkent kennis van jihadistische dreigingen en wijst elke stellingname, inclusief de culturele kritiek, af als niet zijn bevoegdheid, zonder de beschuldigingen te weerleggen.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, het is helaas wereldnieuws geworden dat de stad Brussel een kerststal, of eigenlijk eerder een tent, heeft geplaatst, waarbij de gezichten van de christelijke figuren Maria, Jozef en het kindje Jezus zijn uitgewist en er zelfs verminkt uitzien. De reden daarvoor is dat dit, ik citeer, "inclusief" zou zijn.

Het afbeelden van menselijke gezichten is in de islam haram, waarvoor ik naar meerdere hadiths verwijs. Veel mensen vragen zich dan ook af of dat gebeurd is onder druk of zelfs bedreiging van moslimfundamentalisten of jihadisten, dan wel of dat is wat men zelfislamisering noemt, waarbij de stad Brussel er zonder enige druk voor kiest om zich aan te passen aan voorschriften van de islamitische doctrine. Een derde mogelijkheid is dat de islam er helemaal niets mee te maken heeft, waardoor dat een flagrant geval is van de typisch westerse oikofobie of zelfhaat.

Mijnheer de minister, hebt u dat onderzocht? Wat is uw reactie daarop?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, ik kan heel kort zijn. Onze veiligheidsdiensten volgen dreigingsmeldingen altijd op. Ik heb geen informatie over jihadistische bedreigingen tegen de kerststalindustrie, noch tegen zij die kerststallen bestellen in Brussel of daarbuiten. Wat uw andere vragen betreft, ik heb daarover geen mening.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, dat u geen mening hebt over iets wat toch heel fundamenteel is voor onze cultuur, zegt veel. Dat is een verminkte kerststal, een tent die de belastingbetaler 65.000 euro heeft gekost, exclusief de afbraak. Op de afbraak zou dus nog kunnen worden bespaard, want talloze mensen zeggen dat zij die tent maar al te graag zouden afbreken. Zaken zoals de afschaffing van Zwarte Piet, en de kerstmarkt die een wintermarkt moest worden, in combinatie met niet alleen de opmars, maar ook het door de overheid en de media promoten van islamitische tradities, leidt ertoe dat steeds meer mensen terecht het gevoel hebben dat ze hun cultuur kwijtraken. De verweesde samenleving, zo noemde Pim Fortuyn het dertig jaar geleden al. Ook vandaag voeren de diverse overheden in dit land een wereldvreemd beleid dat onze cultuur degradeert en uiteindelijk zal vernietigen.

De jihadistische dreiging tegen christelijke doelwitten

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy wijst op een jihadistische moord op een christen in Lyon en een Franse DGSI-waarschuwing over groeiende dreiging tegen christenen, vraagt of Belgische diensten dit rapport kennen en welke beschermingsmaatregelen tijdens kerst genomen worden. Minister Quintin (OCAD) bevestigt kennisname, benadrukt dat christenen – net als joden en LHBTQ+’ers – langere tijd doelwit zijn, en verwijst naar lokaal dreigingsbeheer en de Strategie T.E.R. voor radicalisering. Van Rooy bekritiseert dat "islamisering" Europa onveilig maakt voor niet-moslims, waarschuwt voor "genocide op christenen" zoals in islamitische landen, en voorspelt een gelijksoortige toekomst voor België bij onveranderd beleid. De voorzitter sluit de mondelinge discussie af.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, op 10 september vond er een jihadistische moord plaats in Lyon op Ashur Sarnaya, een Iraakse christen in een rolstoel. Daarna waarschuwde de Franse binnenlandse veiligheidsdienst, de DGSI, voor een toenemende jihadistische dreiging tegen christenen. Dat staat in een vertrouwelijk rapport, dat via Le Figaro naar buiten kwam. Onderzoekers zien de moord op de christen Sarnaya als een voorbeeld van een blijvende jihadistische fixatie op christenen en christelijke symbolen, zoals kerken en kerstmarkten.

Volgens de Franse veiligheidsdienst richten islamistische netwerken zich al jaren op christenen. In het rapport staat dat zij christenen – hoe kan het ook anders, helaas – neerzetten als ongelovigen of afgodenaanbidders. De DGSI stelt dat die woorden terugkomen in zowel oude als recente jihadistische propaganda.

Mijnheer de minister, namen onze veiligheidsdiensten kennis van dat zorgwekkend rapport? Hoe kijken onze veiligheidsdiensten naar de jihadistische dreiging tegen christelijke doelwitten? Welke maatregelen worden desgevallend genomen om christelijke doelwitten, zeker tijdens deze kerstperiode, te beschermen tegen islamitische jihad?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, het OCAD laat weten kennisgenomen te hebben van die tragische gebeurtenis. Het feit dat christelijke belangen doelwit kunnen zijn van de jihadistische beweging is niet nieuw. Ook joodse belangen en de LGTB+-gemeenschap zijn al langer potentiële doelwitten. Wanneer er christelijke evenementen worden georganiseerd en de lokale autoriteiten een dreigingsevaluatie wensen, kunnen zij dat aan het OCAD vragen. Het Nationaal Crisiscentrum zal daarop maatregelen aanbevelen.

Indien er signalen van extremisme of radicalisering zijn, worden die in het kader van de Strategie T.E.R. opgevolgd.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, op 10 september werd in Lyon Ashur Sarnaya vermoord, een Iraakse christen in een rolstoel. De dader is een Algerijnse moslim. Na die jihadistische moord waarschuwt de Franse binnenlandse veiligheidsdienst voor een toenemende jihadistische dreiging tegen christenen.

Het is symptomatisch. De toenemende islamisering leidt ertoe dat onze maatschappij voor niet-moslims steeds onveiliger wordt. Een Arabisch spreekwoord luidt: na zaterdag komt zondag, oftewel, na de joden zijn de christenen aan de beurt.

In de islamitische wereld worden genocides en ethnocides op christenen gepleegd. Bij gelijkblijvend beleid zal dat helaas ook de toekomst zijn van Europa, van België. Lees het nationaal veiligheidsrapport van de VS-minister en trek daaruit de enige juiste conclusie.

Voorzitter:

Vraag 56011100C van de heer Vander Elst is omgezet in een schriftelijke vraag.

De inzet van het luchtdrukprojectielwapen FN 303

Gesteld door

VB Ortwin Depoortere

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ortwin Depoortere bekritiseert dat politie onvoldoende middelen heeft om gewelddadige rellen (met name van extreemlinkse manifestanten) aan te pakken, vraagt om investeringen in niet-dodelijke wapens en noemt de huidige uitrusting ontoereikend, ondanks bestaande regels. Minister Bernard Quintin benadrukt dat het FN 303-wapen enkel voor zelfverdediging mag worden gebruikt, verwijst naar het bestaande kader (met opties zoals traangas en sproeiwagens) en wijst extra wapens af, gesteund door een inspectierapport dat strikte naleving eist. Depoortere houdt vol dat vakbonden en agenten structureel onderbewapend en onderbemand zijn en eist een actualisatie van de omzendbrief vanwege escalerend geweld, terwijl Quintin vasthoudt aan het huidige beleid.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, er was een korte miscommunicatie met de media, waarin u aankondigde eventueel het luchtdrukprojectielwapen FN 303 in te zetten bij zware rellen. U hebt dat echter zeer snel rechtgezet. In tegenstelling tot minister Francken en collega De Vreese, die daar enthousiast op reageerden, sta ik daar slechts deels achter, want het probleem blijft bestaan. Dat sluit aan bij de problematiek die we daarnet hebben besproken over geweld.

De steeds gewelddadiger wordende vormen die extreemlinkse manifestanten hanteren, maken dat onze politiemensen, die de openbare orde moeten handhaven, niet altijd adequaat kunnen reageren omdat ze onvoldoende middelen hebben. Er is nu discussie of het luchtdrukwapen het beste middel is. Wellicht is dat niet altijd geschikt in een openbare ruimte, maar dat neemt niet weg dat er discussie blijft over welke middelen wél geoorloofd zijn. Ik bedoel daarmee niet-dodelijke wapens die onze ordediensten zouden moeten kunnen gebruiken bij zware rellen.

Kunt u toelichten of er pistes zijn om andere niet-dodelijke wapens in te zetten? Zijn er plannen om te investeren in dergelijke middelen, niet alleen om onze politie adequaat te beschermen, maar ook om burgers te verdedigen? U kent ook het grote aantal slachtoffers dat de voorbije jaren is gevallen, zowel bij de politie als soms bij hulpverleners, door dergelijke manifestanten.

Ik hoop uit de grond van mijn hart, mijnheer de minister, dat u daar plannen voor hebt zodat de politie in dezen adequaat zal kunnen optreden. Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Bernard Quintin:

Voor wat mij betreft, blijft het gebruik van het wapen FN 303 niet toegelaten in het kader van het genegotieerd beheer van de openbare ruimte. Het gebruik van dergelijke wapens dient strikt gelimiteerd te blijven tot gevallen van wettige verdediging. Excessief of onnodig gebruik van geweld moet steeds worden vermeden. Net zoals mijn collega Francken streef ik naar een openbare ruimte waarin de vrijheid van meningsuiting en het recht op vreedzaam betogen mogelijk zijn. Ik deel met u, meneer de voorzitter, de bezorgdheid over de bescherming van de meningsvrijheid.

Het referentiekader CP4 bis en de omzendbrief OOP41 bis vormen een zeer duidelijk kader voor alles wat het genegotieerd beheer van de openbare ruimte betreft. In die omzendbrief wordt een heel scala aan non-lethal weapons beschreven waar de politiediensten gebruik van kunnen maken, zoals collectieve spray en traangasgranaten, maar ook sproeiwagens, hondenteams en de politie te paard. Het bestaande kader biedt met andere woorden voldoende mogelijkheden en ik blijf bij het standpunt dat een strikte naleving van het bestaande wettelijke kader cruciaal is. Eerder dit jaar gaf ik de opdracht aan de Algemene Inspectie van de Federale Politie en van de Lokale Politie (AIG) een administratief onderzoek uit te voeren naar het gebruik van het wapen FN 303 door de politiediensten. Dat rapport is duidelijk en geeft als aanbeveling dat de geïntegreerde politie strikt het bestaande wettelijke kader moet naleven.

Ortwin Depoortere:

Ik dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U verwijst vooral naar de omzendbrief waarin alle middelen worden omschreven, maar ik verwijs u naar wat onze politiemensen op het terrein en hun vakorganisaties stellen, namelijk dat zij al jaren bij ordehandhavingsdiensten, bij massale rellen, onvoldoende uitgerust zijn. Ze zijn structureel onderbemand en structureel onderbewapend, ondanks de stijgende agressie tegen agenten en de groeiende problematiek van rellen, jeugdbendes en narcogroepen. Ik ben van mening, mijnheer de minister, dat u de omzendbrief moet actualiseren en tegen het licht moet houden gezien de stijgende problematiek van steeds gewelddadiger vormen van protesten in onze straten. Ik reken daarop en zal dat blijvend onder de aandacht brengen.

Het mislopen van Europese steun ten belope van 25 miljoen euro voor de war on drugs

Gesteld door

PS Ridouane Chahid

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Ridouane Chahid (oppositie) zou de partij Les Engagés (coalitiepartner) valse claims hebben verspreid dat België 25 miljoen EU-subsidie voor narcotraficbestrijding misliep door een verzuim van de vorige minister (eigen partijgenoot). Minister Bernard Quintin ontkent dit scherp: België heeft 33,76 miljoen euro uit het ISF-fonds volledig benut, met lopende projecten (o.a. cybercriminaliteit, politiecapaciteit) en extra goedgekeurde middelen (3,58 miljoen), terwijl de EU bevestigde dat de cijfers op Kohesio verouderd zijn. Chahid prijsde Quintins weerlegging als "compleet" maar bekritiseerde de "slechte signalen" van de coalitie naar narcotraficanten door dergelijke mediaberichten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je tiens tout d'abord à préciser que cette question a pour but de clarifier les choses. Je pense en effet que certaines informations erronées ont été transmises à la presse par un de vos partenaires de la majorité, à savoir Les Engagés. Ces informations suggèrent que la Belgique n'aurait pas introduit auprès de l'Union européenne un dossier qui nous aurait permis d'obtenir une subvention de 25 millions d'euros. Si je ne me trompe, votre partenaire de la majorité ne vous met même pas en cause, évoquant plutôt l'ancienne ministre de l'Intérieur, issue de son parti frère, qui n'aurait pas rentré le dossier en question.

Monsieur le ministre, a-t-on bien introduit ce dossier qui nous permettrait d'avoir ces subventions pour lutter contre le narcotrafic? Sinon, a-t-on l'intention de le faire?

Bernard Quintin:

En effet, contrairement aux informations relayées par d'aucuns dans la presse, il est inexact de prétendre que la Belgique aurait laissé se perdre une subvention de 24,5 millions d'euros du Fonds pour la sécurité intérieure, le fameux ISF. Les chiffres réels, vérifiés avec la Commission européenne, démontrent que les moyens européens sont bel et bien mobilisés et font l'objet d'un suivi rigoureux. En période de disette budgétaire, ce serait malheureux qu'il n'en soit pas ainsi.

L'enveloppe totale allouée à la Belgique dans le cadre du ISF – et je dis bien du ISF, à savoir la Sécurité intérieure – s'élève à 33,763 millions d'euros. Les projets financés directement concernent des avancées concrètes dans la lutte contre la criminalité organisée, la biométrie, le renforcement des capacités d'enquête, la modernisation des infrastructures critiques, la cybersécurité, la gestion des données sensibles ou encore le soutien aux unités spécialisées. Ils contribuent à renforcer l'efficacité des services de police et de justice dans un contexte de menaces croissantes.

Par ailleurs, cinq projets supplémentaires représentant 3,583 millions d'euros, dont 3,010 millions subsidiables, ont reçu un avis favorable de l'Inspection des finances et sont en cours de validation finale.

Ils viendront compléter la programmation dès finalisation des dernières étapes administratives. Il convient également de préciser que la liste des projets sélectionnés est entièrement publique, mise à jour plusieurs fois par an et accessible sur le site du SPF Intérieur.

Enfin, les chiffres publiés sur la plateforme Kohesio de la Commission européenne ne correspondent pas aux données actualisées. Après vérification effectuée ce matin avec les services compétents de la Commission, ceux-ci ont confirmé les montants mentionnés ci-avant et analysent les écarts constatés sur le site. Les éléments disponibles montrent clairement que la Belgique n'a ni manqué les délais ni renoncé aux financements européens et que les crédits de l'Internal Security Fund (ISF) sont pleinement programmés, engagés et suivis, conformément aux exigences européennes.

Je me tiens comme toujours au service de l'opposition, mais aussi de la majorité, pour fournir les bons éléments, les bons chiffres et les bonnes données.

Ridouane Chahid:

Effectivement, ici, c'est plutôt auprès de votre partenaire de majorité que vous devez être à disposition. Vous avez donné des informations claires et précises. Il est regrettable qu'on balance ce genre d'informations dans la presse, c'est un mauvais signal envoyé à ceux que l'on combat tous les jours, à savoir les narcotrafiquants. Je vous remercie, monsieur le ministre, d'avoir apporté ces éclaircissements et ces réponses plus que complètes.

De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid
De extra spoorwegpolitieagenten voor het station Brussel-Zuid
Het evenwicht in de personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie (SPC)
De personeelsverdeling bij de spoorwegpolitie
Het internationale statuut van het Zuidstation en de middelen voor de federale politie in Brussel
Veiligheid en personeelsbeheer bij internationale spoorwegstations in Brussel

Gesteld aan

Les Engagés Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie), MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de onevenwichtige inzet van de spoorwegpolitie (SPC), met name de tijdelijke versterking in Brussel-Zuid (20 agenten, herverdeeld, geen structurele oplossing) terwijl Vlaanderen kampen blijft met chronisch personeelstekort (bv. Limburg de facto gesloten, West-Vlaanderen met 1 ploeg voor heel de provincie). Frank Troosters (VB) en Maaike De Vreese (N-VA) eisen structurele versterking in alle zones, meer lokale posten en een terugdraai van eerdere afbouw, plus betere samenwerking met Securail; ze wijzen op inefficiëntie door overplaatsingen (bv. Limburg→Antwerpen) en motivatieverlies bij agenten. Minister Quintin (MR) benadrukt contextuele verschillen (bv. internationale drukte in Brussel vs. regionale stations) en kondigt beperkte oplossingen aan: herverdeling via mobiliteitscycli (resultaten pas in 2026), betere coördinatie met lokale politie/Securail (o.a. cameratoegang, gezamenlijke patrouilles), en een herziening van de taakverdeling (rondzendbrief 2002). Hij wijst een specifiek "internationaal station-statut" voor Brussel-Zuid af als "theoretisch" maar belooft gerichte inzet tegen grenscriminaliteit; nieuwe commissariaten staan niet op de agenda. Ridouane Chahid (PS) bekritiseert het gebrek aan structurele visie en beschuldigt de vorige regering van "afbraak" van de SPC, terwijl hij de minister steunt in zijn pleidooi voor meer budget maar de huidige "lapwerk"-aanpak onvoldoende noemt.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik heb u al enkele keren bevraagd over de spoorwegpolitie. Ik heb verschillende vragen, die ik zal samenvatten. Het gaat onder meer over de aangekondigde versterking. Er zouden twintig agenten van de spoorwegpolitie bij gekomen zijn in het station Brussel-Zuid. Mijn vraag daarbij is of het gaat om nieuwe agenten die recent werden aangeworven, dan wel om verschuivingen of overplaatsingen vanuit andere zones naar Brussel. Waar zijn die agenten precies ingezet in Brussel-Zuid? Zijn ze effectief actief op de werkvloer in het station, of gaat het om functies op directieniveau? Wat is de budgettaire impact daarvan? Welke verdere plannen hebt u wat de personeelscapaciteit van de spoorwegpolitie betreft?

Daarnaast stel ik mij vragen over de situatie in de andere zones, waar toch aanzienlijke verschillen bestaan. Hoe verklaart u die grote verschillen in de aanwezigheid van de spoorwegpolitie tussen de verschillende zones? Overweegt u eventueel om nieuwe spoorwegpolitieposten te openen in andere stations? Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Maaike De Vreese:

Minister, ik heb u ook al verschillende keren vragen gesteld over de spoorwegpolitie. U kondigde aan om, naar aanleiding van de ernstige drugsproblematiek, de spoorwegpolitie in Brussel te versterken. Wanneer we vervolgens kijken naar het personeelsbestand daar, stellen we vast dat dit zelfs de organieke kaders zal overstijgen. Ik meen dat men op een bezetting van 111 % zal uitkomen. Daartegenover zien we echter dat er in Vlaanderen enorme tekorten zijn wat het personeel van de spoorwegpolitie betreft.

In Gent werden we recent nog geconfronteerd met de gevolgen van de structurele problemen waarmee de spoorwegpolitie daar te maken krijgt. Wanneer zich incidenten voordoen, zijn de responstijd en de zichtbare aanwezigheid cruciaal. Het mag niet zo zijn dat er een veiligheidsapparaat met twee snelheden ontstaat, waarbij de pendelaar in Vlaanderen op minder bescherming kan rekenen dan die in Brussel of in Wallonië.

Wanneer we de cijfers bekijken, zien we dat ook de bezettingsgraad in Wallonië een stuk hoger ligt dan in Vlaanderen. Ik kan u zeggen, minister, dat ik daarover van verschillende mensen bijzonder schrijnende verhalen hoor. Het gaat om mensen die sterk gemotiveerd zijn om bij de spoorwegpolitie hun taken en bevoegdheden ten volle uit te oefenen, maar die met de handen in het haar zitten omdat ze met zo weinig mensen moeten opereren.

Bij de spoorwegpolitie in Brugge is er vaak maar één ploeg aanwezig, die eigenlijk moet instaan voor heel West-Vlaanderen. Er zijn nochtans wel degelijk manieren om die antenne volledig in te vullen. De extra inzet in Brussel is dus een feit, maar hoe verklaart u het grote verschil in bezettingsgraad tussen de Brusselse en Waalse eenheden enerzijds en de posten in Vlaanderen anderzijds? Is die scheeftrekking een bewuste beleidskeuze geweest? Zo ja, waarom wegen bepaalde veiligheidsrisico’s dan zwaarder door dan andere? Dit gaat uiteraard terug tot vóór uw beleid, want het dateert van vroeger.

U stelt dat de versterking in Brussel er onmiddellijk komt, maar welk concreet plan ligt daarvoor op tafel? Welk concreet perspectief kunt u op korte termijn bieden aan de korpschefs? Ook lokaal vraagt men immers een volledige invulling van de antenneposten en van het personeel van de spoorwegpolitie in Vlaanderen.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, le 23 septembre dernier, ma proposition de résolution visant à créer un véritable statut de gare internationale pour des gares telles que la gare de Bruxelles-Midi a été rejetée en commission. Cette proposition visait pourtant à combler un vide législatif évident. Notre arsenal prévoit un statut protecteur et des moyens adaptés pour les aéroports internationaux, mais rien de comparable pour nos gares, alors même qu'elles constituent des hubs de mobilité tout aussi exposés, dans le cas ici de la gare du Midi, d'une frontière internationale.

Ainsi, alors que l'aéroport de Bruxelles-National concentre – à juste titre – des moyens policiers renforcés, la gare du Midi, elle, en connaissait moins, jusqu'à il y a quelques jours. En effet, le 3 décembre dernier, vous avez annoncé l'affectation de 20 policiers supplémentaires au sein du commissariat de la gare du Midi, et je ne boude pas mon plaisir en vous disant que c'est une bonne première étape. Cela dit, j'aimerais savoir s'il s'agit effectivement d'un accroissement des effectifs globaux ou plutôt d'une réaffectation des postes existants.

Par ailleurs, la police fédérale a, par la voix de son porte-parole, clairement indiqué que la gare du Midi était une gare internationale, et que cette réalité était donc à l'origine de demandes particulières. Monsieur le ministre, envisagez-vous la création de ce statut juridique spécifique pour la gare du Midi?

Comptez-vous y augmenter durablement les effectifs afin de garantir un niveau de sécurité équivalent à celui de l'aéroport de Bruxelles-National?

Étudiez-vous l'ouverture d'un commissariat de la SPC dans d'autres gares, bruxelloises ou pas?

Enfin, quelles sont les mesures prévues pour lutter contre les réseaux criminels, les agressions, en d'autres termes la délinquance qui se propage dans les différentes gares du pays? Merci d'avance pour vos réponses.

Bernard Quintin:

De tijdelijke versterking met 20 politieagenten, waar ik eerder naar verwees, is niet structureel. Het betreft politieagenten die voor een beperkte periode worden toegewezen aan de spoorwegpolitie (SPC) in Brussel, bij de dienst Interventie.

De versterking wordt geïntegreerd in de bestaande dispositieven en heeft tot doel een grotere zichtbaarheid van de SPC op het Brusselse werkterrein mogelijk te maken. De maatregel heeft dus geen budgettaire impact, aangezien het louter gaat om een heroriëntering van de capaciteit. De spoorwegpolitie in Brussel telt momenteel 253 operationele leden.

De SPC besteedt overal op haar werkterrein dezelfde aandacht aan de bestrijding van onveiligheid, maar het is belangrijk te benadrukken dat de veiligheidsproblemen in Brussel, Antwerpen en Gent niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Verschillende factoren spelen daarbij een rol, zoals het aantal pendelaars en toeristen, de infrastructuur van de stations, de grenscontrole en de talrijke internationale verbindingen in Brussel, alsook de nabijheid van een metronetwerk en van gevoelige wijken.

De rekrutering van Nederlandstalig personeel blijft een cruciale succesfactor voor de gehele geïntegreerde politie. Bij de SPC wordt daarom een bijzondere inspanning geleverd in Antwerpen, waar zich het grootste capaciteitsgebrek situeert. Vanaf het tweede kwartaal van 2026 zullen nieuwe SPC-leden die momenteel in Leuven of Hasselt zijn tewerkgesteld in Antwerpen kunnen werken, zonder hun gebruikelijke werkplek op te geven.

Wat de personeelsbezetting van de SPC betreft, begin december is een nieuwe mobiliteitscyclus opgestart. Zoals gebruikelijk worden de beschikbare standplaatsen bij elke cyclus bekendgemaakt. Concreet tekent zich vandaag het volgende beeld af: de SPC Brussel en SPC Zuid zijn bijna volledig ingevuld. Bij de SPC Oost is de personeelsbezetting in orde, maar blijven er nog infrastructurele knelpunten die moeten worden opgelost. De SPC Noord en SPC West kampen daarentegen met een personeelstekort. We hopen dat tekort minstens gedeeltelijk op te vangen via deze mobiliteitscycli, naargelang de resultaten van de lopende vacatures. Een en ander zal duidelijker worden zodra de kandidaturen zijn ontvangen en de selecties begin 2026 zijn afgerond.

Ik voeg eraan toe dat de dringende politiehulp aan slachtoffers van misdrijven in het station niet uitsluitend afhankelijk is van de SPC-capaciteit, aangezien het mechanisme van wederzijdse operationele ondersteuning tussen de federale politie-eenheden en de lokale politiezones te allen tijde verzekerd is.

Ik heb u er al op gewezen dat de rondzendbrief van 2002 herzien wordt. Dat zal leiden tot een uniforme taakverdeling tussen de lokale politie, de spoorwegpolitie en Securail, en tot een efficiënter gebruik van de beschikbare capaciteit. Dat punt maakt deel uit van het Grootstedenplan, dat eveneens tot doel heeft de veiligheid van de burgers te verbeteren.

Bovendien moet in het kader van de toekomstige bevoegdheid van Binnenlandse Zaken voor de dienst Securail van de NMBS de samenwerking tussen politie en Securail op een zeer concrete wijze worden versterkt. Het betreft onder meer de organisatie van patrouilles, de dienstroosters en het gebruik van de gegevensbanken met meldingen, met inbegrip van de plaats en het tijdstip van feiten en overtredingen. Het doel is in de eerste plaats een nauwkeurig beeld te krijgen van de fenomenen die zich voordoen in de stations en op het spoorwegnet, zoals vastgesteld door zowel de politiediensten als de veiligheidsdienst van de NMBS.

Daarnaast moet ook de uitwisseling van al die informatie structureel worden gegarandeerd. Ik wens bovendien dat de lokale veiligheidsplannen voor stations, opgesteld door de NMBS, in nauwer overleg met de SPC tot stand komen.

Tot slot moet de geografische verdeling van de districten worden geanalyseerd, met het oog op een betere afstemming tussen de districten van de SPC en die van de veiligheidsdienst van de NMBS.

Enfin, pour répondre à votre question, monsieur Chahid, concernant l'octroi d'un statut de gare internationale à la gare de Bruxelles-Midi, je précise qu'un avis a effectivement été rendu sur la proposition de résolution visant à lui conférer un tel statut. Il me semble, et c'est également l'analyse des services de police, qu'un tel statut, essentiellement théorique, n'apporte pas en soi une réponse suffisante à la situation que nous connaissons.

Dans les faits, il est évident que la gare du Midi fait partie des grandes gares du pays et qu'elle occupe une place particulière compte tenu de l'importance des flux internationaux, tant via les lignes ferroviaires que par les arrivées de lignes de bus internationaux ainsi que par la présence d'un poste frontière Schengen. D'ailleurs, des missions spécifiques visant des phénomènes de criminalité internationale y sont régulièrement menées.

Il n'est à l'heure actuelle pas prévu d'ouvrir d'autres commissariats dans d'autres gares du pays. L'enjeu principal consiste dès lors à poursuivre le renforcement de la coordination entre les services de la police locale, de Securail et de la SPC sur l'ensemble du périmètre de la gare de Bruxelles-Midi et de ses abords immédiats.

À cet égard, une avancée importante a également été réalisée en ce qui concerne l'accès direct de la police locale aux images du réseau de caméras de la SNCB. Ce projet, évoqué depuis longtemps, vient d'être concrétisé. Il est essentiel tant pour la surveillance permanente que pour la protection du personnel, mais aussi pour la rapidité et l'efficacité des interventions. Il constitue en outre un outil utile dans le cadre des opérations planifiées menées conjointement par les services fédéraux et locaux.

Il convient évidemment de poursuivre le renforcement de la présence sur le terrain. Cela passe notamment par des décisions opérationnelles, comme celles annoncées en lien avec le Corps d'intervention (CIK), à savoir les 20 unités supplémentaires provenant du CIK.

Les services m'ont par ailleurs indiqué une baisse du nombre d'infractions, ce qui constitue un signal positif. Nous continuerons dès lors à renforcer la sécurité, tant pour les usagers que pour le personnel ferroviaire.

Pour conclure sur ce que je disais tout à l'heure et pour être allé plusieurs fois à la gare du Midi en 11 mois, celle-ci est en effet à la fois un point d'entrée et un accès de fixation suffisamment importants pour que l'on continue à y consacrer les moyens nécessaires.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord, dat wel eerlijk is. U geeft toe dat de versterking in Brussel-Zuid niet structureel is en maar voor een beperkte periode geldt. Dat is exact wat we in de vorige legislatuur ook gezien hebben onder uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die toen ook 15 agenten had toegevoegd. Maar het ging natuurlijk gewoon om overplaatsingen en die mensen werden voor een groot gedeelte tewerkgesteld op directieniveau, niet op de werkvloer.

Dat zijn tijdelijke maatregelen. Het overplaatsen van agenten naar Brussel-Zuid omdat dat station in het nieuws komt, neemt niet weg dat er ook elders problemen zijn. We klagen al sinds de vorige legislatuur dat die andere zones ook met te weinig personeel kampen.

U verwijst nu naar agenten die opgeleid worden om vanuit Leuven en Limburg in Antwerpen te gaan versterken. Dat is vandaag al de praktijk. Er zijn bijna geen agenten meer in Limburg. De post van de spoorwegpolitie is daar de facto gesloten. Die was onderbemand en de weinige agenten die daar zijn, zitten in Antwerpen. Dan krijgt men dus verslagen van Securailagenten, die ik nu niet zal voorlezen, dat er gewoon geen politionele ondersteuning is, niet van de spoorwegpolitie en niet van de lokale politiezones, die andere prioritaire opdrachten hebben op dat moment. Dat is wat we dan doorkrijgen. Het werkt niet.

Wat wij van het Vlaams Belang vragen, al sinds de vorige legislatuur, is om de spoorwegpolitie effectief te versterken. Dat betekent meer agenten, overal, in alle zones. Draai ook de beslissing om de lokale politieposten van de spoorwegpolitie in de stations af te bouwen terug. Open die posten opnieuw en beman ze. Alleen op die manier zult u overal de veiligheid op uw spoorwegnet kunnen garanderen. Niet door in de marge te morrelen, wat mensen bijkomend rond te schuiven zoals op een schaakbord, heen en weer. Zo zullen we er niet komen. Zo zullen de mensen van Securail ook niet verder geholpen worden als ze nood hebben aan ondersteuning, die er voor de zoveelste keer niet is.

Maaike De Vreese:

Minister, nu al moeten de mensen van de spoorwegpolitie in Brugge bijstand geven als er iets gebeurt aan de andere kant van Vlaanderen. Daardoor gaat natuurlijk cruciale tijd verloren. De tijd waarin ze aan het reizen zijn, zijn ook verloren uren. Dat is dus geen efficiënte manier om die mensen in te zetten.

Wij zijn al heel lang vragende partij om in West-Vlaanderen de vacatures open te zetten met als standplaats Brugge. Men zal natuurlijk veel moeilijker mensen aantrekken die vanuit West-Vlaanderen Gent als standplaats krijgen, dan als men die mensen een standplaats dichter bij huis geeft, in Brugge. Dan zullen die vacatures veel gemakkelijker ingevuld worden.

Ik hoop dat u daar ook zeer pragmatisch naar kijkt, zodat er eindelijk verandering komt in de onmogelijke situatie waarin die mensen nu moeten werken.

De mensen haken natuurlijk ook af. Er moet ergens een mooi perspectief zijn van een spoorwegpolitie die functioneert. U staat voor die moeilijke en uitdagende taak, die ook in het regeerakkoord ingeschreven is. We weten de mensen van Securail heel vaak met de handen in de haar zitten omdat ze voor bepaalde zaken wel kunnen optreden maar voor andere niet. Dan is het lang wachten tot de politie ter plaatse kan zijn.

Er moet een duidelijke taakverdeling komen voor de lokale en de federale politie en hun samenwerking met Securail. Er is dus werk aan de winkel. Ik hoop toch dat we binnenkort verandering zien in de cijfers en dat de cijfers ook in Vlaanderen de juiste richting uitgaan, net zoals we dat gezien hebben in Brussel.

Ik hoop dat u een extra tandje zult bijsteken, want de mensen op het terrein vragen dat echt wel.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, une chose est sûre, vous êtes l'héritier de ce qui a été déstructuré ces dernières années. À un moment donné, il faut appeler un chat un chat. Oui, la police des chemins de fer a été déstructurée par certains qui défendaient une autre vision de ce que devait être la police fédérale dans ce pays. Bon, soit! C'est un constat. Vous essayez de coller des rustines à gauche et à droite. C'est un peu ce que je vous reproche, même si ce n'est peut-être pas de votre faute. En tout cas, les autres membres de la majorité ne vous accordent pas les moyens nécessaires pour qu'on puisse rétablir une véritable police des chemins de fer. Il est trop facile de dire qu'il faut des policiers des chemins de fer à Gand ou à Anvers. Or il ne faut pas les éparpiller à gauche et à droite. Ils ont besoin d'une structure reposant sur un véritable département et des moyens qui s'ensuivent, comme certains l'ont déjà écrit dans leur vision stratégique. Pour ma part, je ne peux que vous soutenir dans vos propos et votre positionnement. Il faut, et vous avez raison, une police fédérale forte et structurée. Mais, pour ce faire, vous avez besoin que ceux qui, aujourd'hui, vous attaquent engagent les moyens indispensables et vous accordent les budgets nécessaires afin que vous puissiez atteindre vos ambitions et vos objectifs en ce domaine.

De verheerlijking van dodelijke jihadistische terreur én van Samidoun door Bob Vylan in Brussel

Gesteld door

VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sam Van Rooy bekritiseert minister Bernard Quintin hevig omdat artiest Bob Vylan volgens hem ongestraft haat en moord verheerlijkt (o.a. "death to the IDF", steun aan Samidoun en intifada), wat hij ziet als een dubbele standaard: terwijl pro-Israëlische uitingen hard worden aangepakt, zou Vylan’s extremisme genegeerd worden – hij spreekt van "Belgistan" en beschuldigt de media van partijdigheid. Quintin benadrukt dat vrijheid van meningsuiting grenzen heeft bij geweldsverheerlijking, maar stelt dat het parket moet oordelen over strafbaarheid; hij ontkent concrete signalen van ordeverstoring of radicalisering door Vylan’s optreden.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, ik heb de regering al herhaaldelijk kritisch bevraagd over de optredens van Bob Vylan – nomen est omen, zoals natuurlijk ook zijn bedoeling is. Ik heb u een link gestuurd waarin u hem aan het werk hebt kunnen zien op 2 december in Brussel. Toen was reeds bekend uit vorige optredens, zowel in Nederland als in België, dat hij oproept tot moord op zowat elke Israëli, want zowat elke Israëli dient namelijk in het IDF. Hij roept 'death to the IDF', hij verheerlijkt dodelijke jihadistische terreur door 'intifada' te roepen. Hij verheerlijkt ook Samidoun, een organisatie die deze regering nota bene wil verbieden. Hij verheerlijkte ook de executie van Charlie Kirk.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop? Vindt u niet dat die Bob Vylan, die zijn artiestenpodium misbruikt om moord te verheerlijken en mensen aan te zetten tot haat en moord, een bedreiging vormt voor de veiligheid in dit land van joden, maar ook van niet-joden, van mensen zoals Charlie Kirk? Zo niet, waarom niet?

Bernard Quintin:

Mijnheer Van Rooy, de vrijheid van meningsuiting is fundamenteel in onze democratie, zoals eerder gezegd. Kritische standpunten over bijvoorbeeld beslissingen van de Israëlische regering moeten geuit kunnen worden. Het verheerlijken van geweld tijdens een optreden of enige andere publieke bijeenkomst zou echter niet als vrijheid van meningsuiting mogen worden beschouwd.

Het komt het parket toe om te beslissen een gerechtelijk dossier te openen wanneer er indicaties zijn van strafbare feiten. Haatzaaien en antisemitisme zijn, zoals u weet, in België verboden.

Ik heb nog geen signalen ontvangen dat dat optreden tot een verstoring van de openbare orde of veiligheid heeft geleid, noch dat dat een vector van radicalisering is geweest.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, mocht die als artiest vermomde neanderthaler Bob Vylan niet 'death to the IDF' maar 'death to the Belgian army' scanderen, en mocht hij niet de moord op Charlie Kirk maar op een linkse persoon verheerlijken, zou u dan ook de schouders ophalen zoals u nu doet? De vraag stellen is ze beantwoorden. Van de gepalestiniseerde Vlaamse media krijgt Bob Vylan veel sterren. Mocht een zionistische artiest zo’n moorddadige oproep doen, het kot in dit land zou te klein zijn. Terwijl op aanvuren van Hezbollahagent Abou Jahjah twee jonge IDF-militairen al feestend op Tomorrowland werden gearresteerd, wordt Bob Vylan in dit land geen strobreed in de weg gelegd. Dit is Belgistan.

De stand van zaken m.b.t. en de krachtlijnen van de conceptnota over de brandweerhervorming
Het Comité C en de relatie met de vakorganisaties bij de brandweer
Brandweerhervorming, stand van zaken en overleg met vakorganisaties

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele bekritiseert dat brandweerlieden en vakorganisaties onvoldoende betrokken worden bij de hervormingsconceptnota (o.a. arbeidsregimes zoals opt-out-uren) en dat Comité C (sociaal overleg) nauwelijks functioneert, wat leidt tot onrust en dreigende acties. Minister Quintin benadrukt dat overleg wel plaatsvindt (o.a. drie sessies met vakbonden) en belooft extra consultatie voor de definitieve nota (eind 2025), maar Vandemaele vindt dit te laat en eist voorafgaand draagvlak om escalatie te voorkomen. Quintin ontkent onwil en wijt eventuele problemen aan communicatiemisverstanden, maar erkent dat de nota nog aangepast kan worden na feedback.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, het gaat hier niet zo vaak over de brandweer, maar ik wil het vandaag met u over de brandweer hebben en meer bepaald over de conceptnota voor de hervorming van de brandweer. Ik hoor op het terrein, zowel bij de vakorganisaties als bij vrijwillige en professionele brandweermensen, dat er wel wat bezorgdheden leven.

Een aantal van hen geeft aan dat ze vroeger, onder het Kenniscentrum, werkten met werkgroepen waarin ze echt betrokken waren bij het brandweerbeleid. Dat zou nu minder het geval zijn, sinds de oprichting van Brandweer België en de gewijzigde manier van werken. Daardoor kunnen ze niet meer aan de slag met hun expertise.

Daarnaast hoor ik ook dat er wordt nagedacht over wijzigingen aan de arbeidsregimes. Wat bijvoorbeeld de opt-out-uren betreft, hoor ik dat die momenteel tien uur bedragen en opgetrokken zouden worden tot twaalf uur per week, waardoor men een extra shift per week zou kunnen draaien. Er is echter veel onduidelijkheid over de richting waarin de conceptnota evolueert. Ik heb daarover dan ook een aantal vragen voor u.

Op welke manier zullen de vakorganisaties worden betrokken om hun rol te spelen bij de opmaak van die conceptnota, zeker gelet op de vroegere manier van werken via het Kenniscentrum? Welk traject moet de conceptnota nog doorlopen voor die afgewerkt is? Wordt ze voorgelegd aan de ministerraad, of is dat een beslissing die u zelf kunt nemen? Hoe kijkt u aan tegen de regeling van de opt-out-uren? Is het inderdaad de bedoeling dat er effectief een extra shift per week bij kan komen? Welke eindeloopbaanmaatregelen staan vandaag in het document waaraan u werkt? Kunt u mij een toelichting geven bij de krachtlijnen van het document? Dat betreft de conceptnota als dusdanig.

Mijn tweede punt gaat vooral over de relatie tussen uw kabinet en de vakorganisaties.

Ik moet zeggen dat ik u ken als iemand die zeer toegankelijk is. Ik heb het al vaak gezegd: u bent mijn favoriete minister. Ook al maken we soms eens ruzie, u blijft mijn favoriete minister. Ik ken u als iemand die altijd goed luistert en die opmerkingen meeneemt wanneer wij iets aanbrengen.

Daarom was ik enigszins geschrokken toen de vakorganisaties te kennen gaven dat ze aan de tafel proberen te geraken, maar dat dat moeilijk verloopt. Mijn vraag is dan ook zeer concreet. Klopt het dat het Comité C deze legislatuur nog niet is samengekomen voor de brandweer? Ik hoor van de vakorganisaties dat ze verschillende dossiers hebben die ze daar graag willen agenderen. Er zouden ook een aantal zaken zijn die snel opgelost kunnen worden, als het Comité C zou samenkomen.

Klopt het dat er op 9 december een Comité C plaatsvond met slechts één agendapunt en dat de vraag om bijkomende punten toe te voegen niet ingewilligd werd? De achterliggende vraag is uiteraard hoe u zelf de communicatie met de vakorganisaties en de werking van het Comité C ziet. Ik ga ervan uit dat u te goeder trouw bent en de ambitie hebt om dat op een goede manier aan te pakken. Ik kijk dan ook uit naar uw antwoorden, mijnheer de minister.

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, in het kader van de uitvoering van het regeerakkoord voor de brandweer kreeg het nationaal orgaan voor de brandweer, de BB-SPB, de opdracht om een conceptnota op te stellen vanuit het perspectief van de Belgische brandweer. Bij de aanvang van die opdracht werd uitdrukkelijk gevraagd om de betrokken stakeholders, in het bijzonder de vakorganisaties, te betrekken via overlegsessies.

De conceptnota is momenteel in ontwikkeling en zal tegen het einde van dit jaar worden voorgelegd, hopelijk in de komende dagen dus. Het nationaal orgaan heeft de vakorganisaties al op meerdere momenten betrokken: in juni om de werkwijze te bespreken, op 4 september om die werkwijze toe te lichten en op 4 november om een inhoudelijke toelichting te geven bij de conceptnota. Het lijkt erop dat de vakorganisaties tijdens de laatste bijeenkomst de vergadering voortijdig hebben verlaten.

De conceptnota bevat beleidsmatige concepten die, naargelang hun rechtsgrond, zullen moeten worden omgezet in wijzigingen van wetten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten of omzendbrieven.

Zodra de conceptnota is afgerond, zal er opnieuw overleg plaatsvinden, onder meer met de vakorganisaties. De omzetting in concrete ontwerpteksten zal voor elk van die teksten de eigen goedkeuringsprocedure volgen en, waar nodig, worden voorgelegd aan de ministerraad.

De uitwerking van de ontwerpteksten is voorzien in de eerste helft van 2026, waarna het formele goedkeuringsproces in de tweede helft van 2026 opgestart kan worden. In het verleden bestond er inderdaad een samenwerking tussen het KCCE, het Kenniscentrum voor de Civiele Veiligheid, en de vakorganisaties, maar die maakten geen deel uit van het KCCE, waarvan de taken intussen zijn overgenomen door de BB-SPB. De onderhandelingen met de vakorganisaties zullen worden hervat binnen het Comité C zodra de conceptnota afgerond en omgezet is in concrete voorstellen.

Ik herhaal het, mijnheer Vandemaele, zodra ik de conceptnota ontvang, zal ik nog discussies en overlegmomenten organiseren met de vakbonden voordat we overgaan tot de concrete voorstellen.

Op 9 december 2025 kwam het Comité C voor het eerst samen met een beperkte agenda, die uitsluitend betrekking had op de opleiding van de ambulanciers. Die vergadering was noodzakelijk naar aanleiding van de nietigverklaring door de Raad van State van het koninklijk besluit van 11 december 2023 betreffende de opleidings- en vervolmakingscentra voor hulpverleners-ambulanciers.

Daarnaast vond op 12 december 2025 een informeel overleg plaats met de vakorganisaties, waarbij afspraken werden gemaakt over de verdere samenwerking en communicatie. Ik was daarbij. De besproken punten kunnen op een later tijdstip opnieuw op de agenda van het Comité C worden geplaatst voor formele onderhandelingen. De kernopdracht en de krachtlijnen van de conceptnota blijven gericht op de voorbereiding en realisatie van de doelstellingen van het federale regeerakkoord voor de brandweer, met respect voor het sociaal overleg en de geldende besluitvormingsprocedure.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik denk dat er momenteel behoorlijk veel onrust heerst bij de brandweer. Ik hoor ongerustheid bij de zones en bij de lokale besturen over de impact die dit zal hebben op de werking van de zones. Ik hoor ook angst bij brandweerlieden, zowel beroepskrachten als vrijwilligers, die niet weten waar dit naartoe gaat. Daarnaast hoor ik diezelfde bezorgdheid bij de vakorganisaties. In uw antwoord hoorde ik u meermaals zeggen dat dit zal worden toegelicht. Toelichten is echter iets anders dan daadwerkelijk in gesprek gaan, samenwerken, laten meedenken en laten meewerken aan de uitwerking.

Wanneer ik u hoor zeggen dat ze de laatste bijeenkomst nog tijdens de vergadering verlaten hebben, dan is dat een signaal dat de samenwerking niet verloopt zoals ze zou moeten verlopen. Verder hoorde ik u ook zeggen dat er opnieuw contact zal worden opgenomen en dat Comité C opnieuw opgestart zal worden nadat de conceptnota goedgekeurd is. Volgens mij ligt daar precies het probleem. Vooraleer de conceptnota wordt gefinaliseerd, moet er nog een overlegronde plaatsvinden. Anders riskeren we een situatie waarin er een conceptnota ligt waartegen de vakorganisaties en het personeel zich zullen verzetten. In dat geval stevenen we de komende weken en maanden af op syndicale acties en acties van brandweerlieden in verschillende zones.

Dat lijkt mij niet in het belang van de burger. Ik wil u dan ook oproepen om echt werk te maken van het overleg, zowel officieel binnen het Comité C als via een officieus overleg met de vakorganisaties, om van de conceptnota een gezamenlijk document te maken dat gedragen wordt door zowel de administratie als de vakorganisaties. Dat lijkt mij de juiste weg om echte acties op straat te vermijden.

Bernard Quintin:

Ik geef nog een aantal bijkomende elementen ter verduidelijking. U weet dat ik een man van overleg ben en blijf, zelfs na bijna een jaar als minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid. Die conceptnota is een nota die ik moet krijgen als minister bevoegd voor de brandweer. Ik steun de politie en u weet dat ik ook de brandweerlieden en ambulanciers steun. Zij hebben ook een moeilijke, maar zeer belangrijke job.

Ik heb enkele dagen geleden de vakorganisaties bij mij ontvangen. Ik hoorde namelijk dat ze niet tevreden waren en een vergaderingen wilden. Ik heb toen gezegd dat ik wacht op de conceptnota. Dat is geen eindpunt. Het is een middelpunt in het werk. We zullen daarover spreken. Het is voor mij belangrijk om met de stakeholders, zeker ook met de vakorganisaties, te kunnen spreken, aan beide kanten – zoals u enigszins hebt aangegeven – omdat de werkelijkheden in Vlaanderen en Wallonië op dat vlak niet dezelfde zijn. We doen dat om er zeker van te zijn dat we, vóór we overgaan tot de teksten, omzendbrieven, wetten enzovoort, over alle gepaste elementen beschikken.

Daarna volgen de omzendbrieven, de wetten enzovoort. Dat is het normale proces, met overleg met de vakorganisaties en andere betrokkenen. Ik zal daarmee ook naar het Parlement komen, misschien niet voor de omzendbrieven, maar wel voor de andere elementen.

Misschien was er een communicatieprobleem, maar zeker geen probleem van onwil om overleg te voeren.

Matti Vandemaele:

Ik ben blij te horen dat er inderdaad nog overleg komt over de conceptnota. Dat is echt belangrijk. Het zou goed zijn dat er een vorm van consensus over het geheel tot stand komt. Iedereen zal het uiteraard niet over alles eens zijn, maar als het document gedragen kan worden door het geheel, dan zou dat positief zijn. Onze brandweermensen leveren immers geweldig werk op het terrein, elke dag opnieuw. Zij verdienen daarvoor alle steun en ondersteuning.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011377C van de heer Depoortere over het federale veiligheidsbeleid wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56011378C van de heer Van Rooy wordt eveneens omgezet in een schriftelijke vraag.

De financiering van het FANC

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet (Green) bekritiseert dat de AFCN vanaf 2027 een structureel tekort dreigt (7,7 miljoen euro verlies door dalende nucleaire belastingen) en geen overheidsdotatie in budget 2026 is voorzien, ondanks jarenlange waarschuwingen, wat kernveiligheid en medische isotopenproductie in gevaar brengt. Minister Bernard Quintin (Open Vld) benadrukt dat er pas financiële problemen zijn vanaf 2027, bevestigt dat een dotatiemechanisme al wettelijk mogelijk is, en werkt aan een gemengd financieel model (dotatie + herziene sectorbijdragen), zonder concrete garanties dat ziekenhuizen gespaard blijven. De Smet eist transparantie over alternatieve financiering en waarschuwt voor risico’s op onafhankelijkheid en continuïteit van de AFCN, terwijl Quintin belooft een "duurzaam evenwicht" te zoeken via een geactualiseerde studie (2022). Kernpunt: politieke onenigheid over urgentie en verantwoordelijkheid voor het redden van de AFCN-financiën post-nucleaire uitstap.

François De Smet:

Je vais renvoyer au texte écrit de ma question.

Selon les informations rendues publiques et confirmées par l’AFCN elle-même, l’Agence fédérale de contrôle nucléaire risque de se retrouver en difficultés financières dès 2027, en raison de la chute drastique des taxes perçues sur les réacteurs nucléaires une fois que les autorisations de démantèlement seront délivrées.

Vous savez qu’après l’arrêt de Doel 3 et Tihange 2, les taxes passeront d’environ 4,4 millions à 520 000 euros par réacteur, soit une perte potentielle de plus de 7,7 millions d’euros dès 2027.

Or, aucune dotation gouvernementale n’a été prévue dans le budget 2026, alors même que le gouvernement précédent avait évoqué une enveloppe de 20 millions — renvoyée au gouvernement actuel.

Cette situation menace directement les missions essentielles de l’AFCN : contrôle des installations nucléaires, suivi de la radioactivité du territoire, surveillance de la production de radio-isotopes médicaux, autant de tâches cruciales pour la sécurité publique.

Voici mes questions:

Comment justifiez-vous l’absence totale de dotation pour l’AFCN dans le budget 2026 alors qu’un déficit structurel était prévisible depuis plus de dix ans ?

Pouvez-vous préciser quelles pistes de financement pérennes sont actuellement étudiées pour 2027 et au-delà, et dans quel calendrier ?

Pouvez-vous garantir que la solution retenue ne reposera pas sur une augmentation des contributions imposées aux hôpitaux, dentistes ou autres acteurs du secteur médical, qui risquent de devenir les victimes collatérales de la sortie du nucléaire ?

Enfin, comment le gouvernement compte-t-il assurer la continuité et l’indépendance du contrôle nucléaire, indispensable dans un contexte où les enjeux de sécurité et de santé publique restent majeurs, même après la fermeture progressive du parc ?

Bernard Quintin:

Je vais y répondre oralement! (Rires) C'est la magie de Noël.

Monsieur De Smet, permettez-moi d'abord de rappeler deux éléments factuels.

Premièrement, l’Agence ne connaît pas de problèmes de financement en 2026. Une dotation n’était donc pas à l’ordre du jour pour cet exercice 2026.

Deuxièmement, le principe d’une dotation pour l’AFCN a déjà été établi par le gouvernement précédent, en prévision justement de la réduction attendue des recettes de l’Agence liée au démantèlement de plusieurs centrales nucléaires. L’impact de cette réduction ne se fera sentir qu’à partir de 2027 et ira croissant les années suivantes.

Même si cette problématique est connue de longue date, je n’ai évidemment pas attendu que ces réductions produisent leurs effets pour rechercher une solution. Mon cabinet travaille en étroite collaboration avec l’Agence afin de trouver une réponse pérenne à la situation financière à laquelle elle est confrontée. Nous travaillons actuellement à l’actualisation d’une étude de 2022 afin de garantir l’équilibre financier de l’AFCN à long terme. Nous examinons en concertation avec l’Agence différentes pistes visant à mettre en place un modèle de financement mixte, combinant dotation et contributions du secteur, modernisé et adapté au nouveau contexte dans lequel l’AFCN exerce sa mission. Le cadre législatif a d’ailleurs été adapté à la fin de la législature précédente pour rendre possible, justement, un financement par dotation.

En 2025, les installations de classe I procurent à l’AFCN environ 88 % de ses revenus, alors qu’elles ne représentent qu’environ 15 à 20 % de ses activités. Cela illustre clairement l’ampleur de l’impact de la fermeture des centrales nucléaires, appartenant à cette classe I, sur la santé financière de l’Agence. Un rééquilibrage des sources de revenus n’est, à cet égard, pas exclu.

La continuité comme l’indépendance de l’AFCN ne peuvent être garanties que par des moyens financiers suffisants, issus – j’insiste – de sources pérennes. C’est en assurant un financement stable dans la durée que l’Agence pourra continuer à remplir pleinement ses missions sans mettre en péril son indépendance.

François De Smet:

Merci pour la réponse, monsieur le ministre. Nous ferons le suivi au fur et à mesure.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011490C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De bommelding en de mogelijke dreiging tegen de Grote Synagoge in Brussel
De terreuraanslag op Bondi Beach tijdens Chanoeka
Veiligheidsdreigingen en terreuraanslagen tijdens religieuze evenementen

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jeroen Bergers vraagt om opheldering over een bommelding tegen de Joodse gemeenschap in Brussel (9/12/2025) en bekritiseert de terugschroevende politiebeveiliging in Antwerpen na de dodelijke antisemitische aanslag in Australië (IS-geïnspireerd, 14/12/2025), die hij linkt aan een wereldwijde toename van antisemitisme en terroristische dreiging. Minister Quintin bevestigt dat het dreigingsniveau voor Joodse gemeenschappen in België structureel hoog blijft sinds de Hamas-aanval (7/10/2023), met verhoogde online haat maar beperkte fysieke incidenten (onderrapportering mogelijk), en ontkent dat veiligheidsmaatregelen zijn afgebouwd—hij bekritiseert "onverantwoorde paniekzaaierij" in de media en benadrukt lopende herverdeling van middelen zonder concreet gevaar. Bergers eist herstel van de Antwerpse politiepatrouilles, wijzend op de tegenstrijdigheid tussen Quintins beloftes en de waargenomen bezuinigingen tijdens een periode van verhoogd risico.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op 9 december 2025 ontving de politie in Brussel-Hoofdstad een bommelding die specifiek was gericht tegen de Joodse gemeenschap.

Ten eerste, beschikt u ondertussen over bijkomende informatie inzake de bommelding, met name over de timing of de intenties van de melder?

Ten tweede, hoe beoordeelt u de recente evolutie van het aantal incidenten gericht tegen de Joodse gemeenschap en van het aantal antisemitische incidenten in ons land?

Ten slotte, hoe schat u het algemene dreigingsniveau in, zowel in het licht van de feiten in België als van de gebeurtenissen die voorvielen op zondagavond 14 december 2025? Over die gebeurtenissen gaat trouwens mijn volgende vraag.

Bij de start van Chanoeka, het Joodse lichtfeest, vond op Bondi Beach in Australië een zware terroristische aanslag plaats. Tijdens een publieke samenkomst met duizenden aanwezigen openden een vader en zijn zoon het vuur, waarbij minstens vijftien mensen om het leven kwamen. In het voertuig van de daders werd een vlag aangetroffen van de islamitische terreurorganisatie IS, wat het islamitische en antisemitische karakter van de aanslag bevestigt.

Die feiten vallen voor in een periode waarin het antisemitisme wereldwijd opnieuw sterk toeneemt. Ook in België is de problematiek helaas niet onbekend. Ons land kent aanzienlijke Joodse gemeenschappen, onder meer in Antwerpen en in Brussel, waar momenteel ook Chanoeka wordt gevierd. Antisemitisme verspreidt zich vandaag zowel offline als online en vormt een reële bedreiging voor de veiligheid en het samenleven in onze staat. Ook hier wordt de Joodse gemeenschap geconfronteerd met een verhoogde en permanente dreiging van extremistische aanslagen die specifiek tegen haar zijn gericht. Mijn vragen luiden dan ook als volgt.

Welke concrete en structurele maatregelen zijn momenteel in België van kracht om de Joodse gemeenschap te beschermen tegen terroristische dreiging en antisemitisch geweld? Werden naar aanleiding van de aanslag in Australië bijkomende of versterkte veiligheidsmaatregelen getroffen? Hoe evalueert u de evolutie van het antisemitisme in België, zowel op het vlak van fysieke incidenten als van online uitingen?

Welke specifieke veiligheidsmaatregelen hebt u uitgewerkt voor de Joodse gemeenschap tijdens de komende eindejaarsperiode? Werd het dreigingsniveau van het OCAD herbekeken en blijft de structurele bescherming van de Joodse gemeenschap in de toekomst gegarandeerd? In dat verband wens ik, gezien de actualiteit, een bijkomende vraag te stellen. Het blijkt immers dat dat niet het geval is.

Het blijkt namelijk dat de federale politie van u de opdracht heeft gekregen om de beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen terug te schroeven. Dat gebeurt op een moment waarop het antisemitisme wereldwijd toeneemt en net nadat een aanslag is gepleegd in Australië. Dat begrijp ik niet goed. Waarom wordt net nu beslist om de beveiliging van de Joodse wijk in Antwerpen terug te schroeven?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, met betrekking tot uw vragen over de bommelding en over de identiteit of de intenties van de melder kan ik, omwille van het lopende onderzoek, geen gegevens meedelen. Inzake de recente evolutie van het aantal incidenten en signalen van antisemitisme in ons land geeft het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD) aan dat er na de terroristische aanslag van Hamas op 7 oktober 2023 een duidelijke toename was van het aantal dreigingsmeldingen die gelinkt zijn aan het conflict tussen Israël en de Palestijnen, met een piek in de eerste maanden na die aanval. In een significant aantal gevallen lijkt daarbij sprake te zijn van een antisemitisch motief. In 2025 bleef het aantal dreigingsmeldingen over dit issue ongeveer gelijk aan dat van 2024. De Joodse gemeenschap blijft een van de voornaamste doelwitten.

Sinds de escalatie van het Israëlisch-Palestijns conflict stelt het OCAD een toegenomen polarisatie en verhoogde spanningen in België vast, ook na het staakt-het-vuren. Die dynamiek uit zich vooral in haatdragende berichten online, die regelmatig bij het OCAD worden gemeld. Het aantal fysieke incidenten blijft beperkt, al geven Joodse organisaties aan dat niet alle feiten bij de politie worden aangegeven. De situatie wordt nauwlettend opgevolgd door de bevoegde diensten. De dreiging wordt continu gemonitord en dus niet enkel op basis van bijzondere evenementen, hoe tragisch ook, zoals de afschuwelijke terroristische aanslag op Bondi Beach in Sydney.

Voor de Joodse gemeenschap en haar belangen in ons land is het dreigingsniveau al geruime tijd hoog. In België is er dus al een verhoogde waakzaamheid bij de diensten en gelden er versterkte veiligheidsmaatregelen, waarover ik geen details kan geven.

Ik kom bij uw laatste vragen. Die maatregelen worden uiteraard ook tijdens de eindejaarsperiode toegepast.

Er is momenteel geen concrete informatie voorhanden die wijst op een imminente dreiging, maar we blijven waakzaam. Doordat er geen concrete info is, blijft het dreigingsniveau voorlopig ongewijzigd.

Wat uw laatste vragen betreft, er valt veel te zeggen. Ik vind het onaanvaardbaar en onverantwoordelijk om op televisie zaken te zeggen zoals gisteren het geval was. Er wordt met de federale politie, de politiezone Antwerpen en mijn kabinet bekeken hoe wij de middelen kunnen herverdelen. Dat is niet nieuw. Dat is misschien nieuw voor de politieke verantwoordelijken daar, maar dat is hun probleem, niet het mijne.

Zoals ik al herhaaldelijk heb gezegd, als het over veiligheid gaat, dan is het altijd beter om te weinig te zeggen dan te veel en zeker niet om op de Vlaamse televisie voor paniek te zorgen. De veiligheid van alle Belgen en zeker van de Joodse gemeenschap in Antwerpen, die specifiek bedreigd is, is voor mij heel belangrijk. Dat was altijd al zo en dat zal het ook altijd blijven. Wie het tegenovergestelde denkt en zegt, is totaal fout.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, het spreekwoord luidt 'Spreken is zilver, zwijgen is goud."

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het probleem dat zich specifiek in Antwerpen stelt en waarover er inderdaad een debat is ontstaan – ik laat in het midden wie daarvoor de aanzet heeft gegeven –, kan volgens mij gemakkelijk worden opgelost. U benadrukt hier opnieuw dat de permanente dreiging voor de Joodse gemeenschap in ons land hoog is, zeker na internationale aanslagen die worden gepleegd, zoals zondag in Australië. U benadrukt dat u de veiligheid van de Joodse gemeenschap in ons land heel ernstig neemt, dat u die heel belangrijk vindt en dat dat uw verantwoordelijkheid is.

Bernard Quintin:

(…)

Jeroen Bergers:

Ik begrijp dat de Antwerpse burgemeester aan de alarmbel trekt. Er kunnen gemakkelijk extra maatregelen worden genomen om de veiligheid van de Joodse gemeenschap te waarborgen. Dat kan door de maatregelen die in het verleden al werden genomen opnieuw in te voeren en door de agenten van de federale politie die in de Joodse wijk in Antwerpen gestationeerd waren en daar patrouilleerden, terug te brengen. Dat is een gemakkelijke actie die voor een oplossing in dit debat kan zorgen.

De belasting op protest
Moeten betalen om te mogen betogen
Protestbelastingen en demonstratierechten

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Julien Ribaudo (PTB) bekritiseert de 55-eurotax van Liège op manifestaties als een "péage démocratique", in strijd met art. 26 Grondwet en EVRM-artikelen 10/11, en waarschuwt voor een krimpende civiele ruimte (gesteund door het IFDH-rapport). Hoewel Liège de maatregel opschortte, vreest hij navolging door andere gemeenten en eist hij gratis, onbeperkt protestrecht als democratisch fundament. Minister Quintin (Binnenlandse Zaken) stelt dat de tax juridisch dekkend is (via art. 170 Grondwet en lokaal reglement), niet uniek is voor evenementen, en dat veiligheid/kostenbeheer legitimere doelen zijn zolang er geen juridische aanvechting is; hij distantieert zich niet van het principe, maar benadrukt wettelijk kader boven politiek oordeel. Ribaudo repliceert dat financiële drempels democratie ondermijnen (historisch cruciaal voor sociale rechten) en dat het IFDH "repressieve reflexen" signaleert, met Liège’s terugkrabbelen als bewijs van probleem. De voorzitter sluit af met doorverwijzing naar de Commissie Grondwet.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, imaginez un groupe de citoyens, une petite association de quartier. Ils veulent organiser une manifestation, une marche pacifique contre, par exemple, la fermeture d'un service public. Ils se renseignent auprès de la ville et là, on leur répond: "Oui, pas de problème, vous pouvez manifester, mais il faut payer 55 euros". 55 euros! C'est une barrière, monsieur le ministre.

C'est un signal, surtout. C'est comme si on disait: "La liberté d'expression, OK, mais c'est pas gratuit". Pourtant, l'Institut Fédéral des Droits Humains vient de le rappeler dans son dernier rapport, la liberté de manifester est un pilier de notre démocratie.

Comment peut-on dès lors accepter qu'une ville – Liège en l'occurrence – mette en place une taxe pour exercer ce droit? Ce n'est ni un détail administratif ni une simple redevance technique, c'est une porte qu'on entrouvre dangereusement. Cela signifie concrètement que pour pouvoir manifester, il faudra payer. Des associations, des syndicats, des collectifs de citoyens, tous ceux qui se battent contre l'injustice sociale se retrouvent face à une sorte de péage démocratique.

C'est une décision qui interroge parce que du point de vue juridique, elle est contraire à l'article 26 de notre Constitution et aux articles 10 et 11 de la Convention européenne des droits de l'homme. Au-delà du droit, il y a une question fondamentale: dans quel pays voulons-nous vivre? Est-ce qu'on veut vivre dans une démocratie où on doit sortir sa carte bancaire pour faire entendre sa voix? Est-ce qu'on veut vivre dans un pays ou dans une démocratie où l'accès au débat public dépend de son portefeuille? Pour nous, au PTB – pour vous aussi, je l'espère, monsieur le ministre – c'est inacceptable.

Le bourgmestre de Liège a reconnu son erreur. Il a annoncé la suspension et le remboursement. C'est une très bonne chose, mais ce n'est pas suffisant parce que d'autres communes envisagent des dispositifs similaires.

C'est pourquoi je me retourne vers vous, monsieur le ministre. Quelle est votre position sur le fait que des villes souhaitent imposer une barrière financière à l'exercice du droit de manifester? Trouvez-vous acceptable que des autorités locales expérimentent ce type de mesure pour des manifestations non commerciales? Que comptez-vous faire pour garantir que le droit de manifester en Belgique reste libre, gratuit et intangible?

Bernard Quintin:

Monsieur Ribaudo, Mme Daems n'est pas là, mais mon collaborateur me dit que je peux faire ma réponse en français et en néerlandais comme prévu.

Il ne m'appartient pas, en ma qualité de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, de prendre position quant à une décision prise par une assemblée délibérante élue démocratiquement et qui semble être, depuis juin 2023, légalement ancrée dans l'arsenal juridique belge. Je ne suis pas informé d'une quelconque contestation juridique de la validité de cette norme. Le Conseil communal de la Ville de Liège semble avoir exercé en l'espèce les compétences que lui reconnaît la Constitution en vertu de son article 170. Il s'agit en l'espèce de l'article 6.36 du règlement de la Ville de Liège relatif à la redevance sur les prestations administratives.

Ik ben niet op de hoogte van de analyse van het dossier die ertoe heeft geleid dat een ruime meerderheid van de Luikse gemeenteraadsleden, 37 voor, 7 tegen en 0 onthoudingen, heeft beslist om een retributie in te voeren voor het occasioneel gebruik van het openbaar domein. Die retributie geldt niet alleen voor evenementen, maar ook voor optochten. Artikel 26 van de Grondwet bepaalt dat bijeenkomsten in de openlucht volledig onderworpen blijven aan de politiewetten. Het gemeentelijk reglement betreffende de retributie op administratieve prestaties dat in die retributie voorziet, is derhalve volledig van toepassing.

En ce qui concerne les articles 10 et 11 de la Convention européenne des droits de l'homme, il appartient à la Cour européenne des droits de l'homme – interrogée à ce sujet – de déterminer si l'ingérence invoquée est prévue par la loi, si elle vise à préserver l'un des buts légitimes prévus par le second paragraphe, les articles 10 et 11 et, enfin, si elle est nécessaire dans une société démocratique.

Bovendien houdt de toestroom van personen tijdens een openbaar evenement risico's in en stelt de rechtspraak van het hof vast, zonder dat te hekelen, dat het niet ongebruikelijk is dat de overheid beperkingen oplegt met betrekking tot de plaats, de datum, het tijdstip, de vorm of de modaliteiten van het plaatsvinden van een openbare samenkomst.

Comme je l'ai répété au moins trois fois aujourd'hui, je suis attaché au respect du droit de manifester, qui constitue un pilier essentiel de notre démocratie. Ce droit doit toutefois s'exercer dans le cadre des lois en vigueur qui visent à garantir à la fois l'ordre public, la sécurité des participants et des tiers, ainsi que la bonne gestion de l'espace public. En l'absence, à ce stade, d'une remise en cause juridique de la mesure adoptée par la Ville de Liège ou d'éléments établissant une atteinte illégale ou manifestement disproportionnée à l'exercice de ce droit, il n'y a pas lieu de s'opposer à cette mesure, du moins à mon niveau.

Julien Ribaudo:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Au-delà des arguments juridiques, le fait que la Ville de Liège ait reculé montre qu'il y a effectivement un problème par rapport à cette mesure, en tout cas pour les manifestations non commerciales. Et puis, je le rappelle, l'Institut Fédéral des Droits Humains (IFDH) l'écrit noir sur blanc dans son rapport: "Le réflexe répressif grandissant risque de dissuader les citoyens de participer au débat public". Cette alerte n'est donc pas théorique mais se vérifie chez nous aujourd'hui, mais aussi ailleurs en Europe. L'IFDH insiste sur le fait que toute restriction, y compris financière – et c'est là le point – doit être examinée avec la plus grande vigilance car elle contribue à ce mouvement inquiétant de rétrécissement de l'espace civique.

C'est ce que je tiens à rappeler clairement aujourd'hui: le droit de manifester n'est pas un luxe ni une faveur accordée par les autorités mais bien un outil essentiel de contrôle démocratique et de progrès social. En effet, sans le droit de protester, sans le droit de manifester collectivement, aucun droit social n'aurait été acquis. Le suffrage universel, la journée de huit heures, les pensions n'auraient pas vu le jour. Ériger des barrières notamment financières à ce droit, c'est en réalité saper la démocratie à sa base.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011496C van mevrouw Pas is verwezen naar de commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing.

Drone-incidenten

Gesteld door

Vooruit Brent Meuleman

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Bernard Quintin bevestigde dat er tussen begin november en midden december acht drone-meldingen waren in North Sea Port Gent, waarvan slechts één tot een proces-verbaal leidde, maar geen verstoring van de openbare orde werd vastgesteld. Volgens hem vonden geen identificaties van drones/piloten, inbeslagnames of spoofing-incidenten plaats, en waren er geen signalen van hybride intimidatie. Brent Meuleman (parlementslid) benadrukte kritisch dat geen enkele drone of piloot geïdentificeerd kon worden, ondanks de meldingen.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, naar aanleiding van een reeks drone-incidenten in ons land, de voorbije weken en maanden, had ik graag een antwoord gekregen op de volgende vragen. Hebben zich ook drone-incidenten voorgedaan in het havengebied North Sea Port? Zo ja, werden die onderzocht? Kunt u daarover meer informatie verschaffen? Zijn er voor hetzelfde gebied gevallen van spoofing gemeld, waarbij radio- en of satellietsignalen, bijvoorbeeld bij navigatie, werden verstoord? Zo ja, werden die onderzocht? Kunt u daarover meer informatie verschaffen? Werden in het havengebied North Sea Port andere vormen van hybride intimidatie gemeld?

Bernard Quintin:

Mijnheer Meuleman, in de periode van begin november tot midden december heeft het NCCN acht waarnemingen ontvangen over drones boven of in de buurt van de haven van Ghent North Sea Port. Bij twee meldingen was videomateriaal beschikbaar. In één geval werd een pv opgesteld. In geen enkel geval werd een verstoring van de openbaar orde vastgesteld.

Er zijn geen inbeslagnames van drones, geen interceptie van piloten en geen identificatie van toestellen of piloten. Er zijn geen meldingen van spoofing of andere vormen van hybride intimidatie in het havengebied North Sea Port.

Brent Meuleman:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik heb dus goed gehoord dat er geen enkele identificatie naar aanleiding van de meldingen kon gebeuren.

De veiligheidssituatie in Brussel

Gesteld door

Vooruit Brent Meuleman

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Bernard Quintin weerlegt de kritiek van Cieltje Van Achter (Vlaams minister) dat veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt door een reeks federale maatregelen op te sommen (versterkte politie, ANPR-camera’s, militairen, CIK’ers, fusie politiezones), maar bevestigt dat deze onvoldoende zijn zonder een functionerende Brusselse regering, die ook netheid en openbare diensten moet garanderen. Hij betreurt de verslechterde situatie door de aanslepende regeringsvorming, maar wijst erop dat veiligheid breder is dan enkel politie en justitie. Meuleman kaartte de uitspraak van Van Achter aan, maar Quintin ontwijkt directe actie en benadrukt federale inspanningen binnen zijn bevoegdheid.

Brent Meuleman:

Vlaams minister bevoegd voor Brussel Cieltje Van Achter liet op 11 december optekenen dat “de veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt.” Dat is volgens haar het gevolg van de tergend lang aanslepende regeringsvorming in Brussel. Gezien de vele geweldincidenten vond ik dat toch een opmerkelijke uitspraak. Onderschrijft u het statement van minister Van Achter dat de veiligheid in Brussel niet wordt aangepakt?

Hoe erg is de veiligheidssituatie in de hoofdstad? Hoe is die geëvolueerd tijdens het regeringsvormingsproces?

Overweegt u actie naar aanleiding van het statement van minister Van Achter? Is dat aan de orde? Zo ja, op welke wijze?

Bernard Quintin:

Mijnheer Meuleman, ik heb kennisgenomen van het interview van de Vlaamse minister bevoegd voor Brussel, mevrouw Cieltje Van Achter, waarin zij betreurt dat de veiligheid en de netheid in Brussel erop achteruitgaan. Netheid is een gewestelijke bevoegdheid en als Brusselaar kan ik bevestigen dat er inderdaad problemen zijn met de netheid in Brussel.

Met betrekking tot veiligheid, herinner ik u aan enkele maatregelen die ik heb genomen sinds ik mijn functie als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken heb opgenomen. Zo heb ik de federale gerechtelijke politie Brussel versterkt met 30 agenten en zullen er tegen het einde van het jaar daar 40 speurders werken. Voorts zijn er in alle grote steden FIPA-acties, drie ervan in Brussel. Ook heb ik 25 miljoen euro uitgetrokken voor de uitrol van nieuwe ANPR-camera’s en de aansluiting van alle camera’s van de NMBS en MIVB op één systeem. Daarnaast zijn er 20 CIK’ers bij de SPC in Brussel voor het Zuidstation en voor het metrostation, om nog maar te zwijgen van het feit dat er op een bepaald moment 45 militairen zullen worden ingezet om de veiligheid in Brussel te versterken. Vergeet evenmin de fusie van de Brusselse politiezones, conform het regeerakkoord, een van de maatregelen van het arsenaal dat de federale regering zal inzetten.

Over die fusie wordt nog in de federale regering gediscussieerd en ik hoop dat iedereen door dezelfde motivatie wordt gedreven als ik, namelijk de veiligheid in Brussel versterken.

Al die maatregelen zijn noodzakelijk, maar onvoldoende dor het ontbreken van een volwaardige Brusselse regering. Men zou kunnen denken dat veiligheid zich alleen beperkt tot politie, justitie en gevangenissen. Dat is niet het geval. Veiligheid betekent ook een gepacifieerde, propere openbare ruimte met goed functionerende openbare diensten en een politieke klasse die verantwoordelijkheid opneemt voor de uitdagingen van het gewest.

Ik word in de commissie hier geregeld ondervraagd over de situatie in Brussel, die verslechtert door de aanslepende onderhandelingen over de regeringsvorming. Als federaal minister is het niet aan mij om een oordeel te vellen over onderhandelingen op een ander bestuurlijk niveau, maar ik kan de situatie wel betreuren.

Brent Meuleman:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Les questions n os 56011555 et nr. 56011558 de M. Thiébaut sont transformées en questions écrites.

De KB's bij de wet tot regeling van de private opsporing

Gesteld door

N-VA Jeroen Bergers

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jeroen Bergers bekritiseert dat de nieuwe wet op privéonderzoek (2024) na een jaar nog steeds onvoldoende uitvoeringsbesluiten heeft, waardoor pas afgestudeerden onder het oude systeem zonder vergunning komen te zitten en onderwijsinstellingen leeglopen, wat de sector verlamt. Minister Bernard Quintin bevestigt dat twee cruciale koninklijke besluiten (vergunningsprocedure en opleidingseisen) in voorbereiding zijn – waarvan één al bij de Raad van State ligt – en benadrukt dat de overgangsmaatregel bestaande onderzoekers tijdelijk beschermt, maar niet degenen die nog geen vergunning hadden. Bergers dringt aan op spoedige oplossingen voor deze groep, die hij als vergeten slachtoffer van de wet bestempelt, en hoopt op een versneld advies van de Raad van State. Quintin signaleert wel overleg met sectoractoren, maar geeft geen concrete termijn voor publicatie van de ontbrekende besluiten.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, op 18 mei 2024 werd op de valreep nog een nieuwe wet op het private onderzoek goedgekeurd. Deze verscheen op 6 december 2024 in het Belgisch Staatsblad .

Vandaag zijn we exact een jaar verder. De nieuwe wet die goedgekeurd werd, legt het private onderzoek een reeks verplichtingen op, met als doel de privacy van burgers beter te beschermen. Dat is uiteraard een nobel streven. Tegelijkertijd mogen we niet uit het oog verliezen dat deze onderzoekers er ook in slagen malafide netwerken in ons land bloot te leggen. Ze maken dan ook deel uit van het veiligheidslandschap.

Onze fractie heeft haar mening over die nieuwe wet en of die daadwerkelijk efficiënt is om private onderzoekers andere veiligheidsactoren, zoals de politiediensten, te laten versterken, maar dat laat ik hier nog even in het midden. Dat was ook niet uw wet, maar een wet van uw voorganger.

Wat ik wel wil benadrukken, is een bezorgdheid die ik op het terrein merk. Na één jaar is er slechts één uitvoeringsbesluit gepubliceerd ter uitvoering van deze wet. Het gevolg daarvan is dat private onderzoekers die hun opleiding correct hebben afgerond onder de oude wet, maar nog geen vergunning kregen, vandaag in de kou staan en geen vergunning kunnen bekomen om hun werkzaamheden op te starten. Onderwijsinstellingen zien dus lege schoolbanken vanwege de onzekerheid. Omdat de uitvoeringsbesluiten uitblijven, hebben de private onderzoekers ook onvoldoende personeel dat een vergunning kan krijgen.

Mijnheer de minister, kunt u de reden geven waarom deze koninklijke besluiten nog niet gepubliceerd werden, voor wanneer ze op de planning staan en hoe het met de werkzaamheden daaromtrent staat?

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, in uitvoering van de wet van 18 mei 2024 tot regeling van de private opsporing worden momenteel de noodzakelijke besluiten uitgewerkt.

Onder meer voorzien zijn een uitvoeringsbesluit met betrekking tot de vergunning en vernieuwing van de vergunningen van de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing, evenals een koninklijk besluit met betrekking tot de organisatie en invulling van de opleidingsvoorwaarden voor private onderzoekers. Het ontwerp voor een koninklijk besluit met betrekking tot de vergunning en vernieuwing van de vergunning van de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing is uitgewerkt en wordt voor advies aan de Raad van State overgemaakt.

Na verwerking van dit advies zal het zo spoedig mogelijk worden gepubliceerd.

Met betrekking tot de continuïteit van de uitvoering van de vergunningsplichtige activiteiten van private opsporing kan worden opgemerkt dat in een groot aantal aanvraagdossiers de wettelijk voorziene overgangsmaatregel werd benut. Personeelsleden van de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing kunnen hun activiteiten dus blijven uitoefenen zonder te voldoen aan de opleidingsvereisten, met uitzondering van de bijscholingen, en dit tot uiterlijk 18 maanden na de betekening van de vergunning. Deze overgangsbepaling is van toepassing op de ondernemingen en interne diensten voor private opsporing, alsmede op de personen die er werkzaam zijn en die op de datum van inwerkingtreding van de wet de activiteiten van private opsporing op legitieme wijze voor hen uitoefenden.

Ook voor een koninklijk besluit met betrekking tot de opleiding zijn de werkzaamheden lopende. Er is bijvoorbeeld een werkgroep met de betrokken actoren die de uitwerking van de te wijzigen regelgeving betreffende de opleiding inzake private opsporing begeleidt. Ik dank u.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, het is in ieder geval goed dat er een werkgroep is die kijkt naar de efficiëntie van deze wet, zodat die doorheen de legislatuur nauwer kan worden bekeken. Ik vind het ook positief dat het ontwerp van het koninklijk besluit klaar is en nu naar de Raad van State gaat ter controle. Ik kijk ernaar uit dat het zeer spoedig zal kunnen worden uitgevaardigd, zodat die sector meer zekerheid krijgt. Ik wil nog wel benadrukken dat het vooral de mensen zijn die hun opleiding hebben afgerond onder het oude systeem, maar nog geen vergunning hebben gekregen, die in de problemen zitten. Ik weet dat er een overgangsmaatregel is voor mensen die al een vergunning hadden, zodat zij zonder al te veel problemen kunnen verderdoen. Vooral mensen die hun opleiding hebben afgerond volgens het oude systeem en nog geen vergunning hebben gekregen, zitten vandaag dus echt in de problemen. Dat is iets waarbij de vorige minister niet heeft stilgestaan en daarom is het belangrijk dat daarvoor snel actie wordt ondernomen. Ik hoop dat de Raad van State ook snel zijn standpunt zal kenbaar maken. Dank u wel.

Oudejaarsavond
De voorbereiding op oudejaarsnacht en de verwachte rellen
Oudejaarsavond, voorbereidingen en mogelijke rellen

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Jeroen Bergers (N-VA) en Ortwin Depoortere (Vlaams Belang) bekritiseren het gebrek aan preventieve maatregelen tegen oudejaarsrellen (vandalisme, geweld tegen hulpdiensten) en dringen aan op huisarresten, avondklokken en vuurwerkverboden, met name voor recidivisten met migratieachtergrond. Minister Quintin (MR) benadrukt dat burgemeesters al bevoegd zijn voor dergelijke maatregelen (mits proportioneel en tijdelijk), maar belooft een ondersteunende brief en extra politie-inzet in Brussel, zonder algeheel vuurwerkverbod af te kondigen. Bergers juicht de brief toe maar vindt dat sommige Brusselse burgemeesters weggkijken, terwijl Depoortere stelt dat jarenlang "gepamper" heeft geleid tot het huidige geweld en eist hardere repressie, met kritiek op het gebrek aan beleidsverandering onder N-VA/Vivaldi.

Jeroen Bergers:

Geachte minister Quintin, jammer genoeg werd de voorbije jaren van oudejaarsavond misbruik gemaakt om rel te schoppen en vuurwerk af te steken. Het gaat daarbij niet om het vuurwerk waar iedereen vrolijk van wordt, maar om het vuurwerk dat leidt tot vandalisme en geweld tegen onze hulpdiensten. Een van de oplossingen die terecht naar voren wordt geschoven, bijvoorbeeld in Antwerpen, is huisarrest. Individuen die een gevaar kunnen vormen voor de openbare orde en al heel wat wangedrag op hun kerfstok hebben, worden dan verplicht om binnen te blijven.

Jammer genoeg blijven dit soort bestuurlijke maatregelen in veel Brusselse gemeenten en ook elders in het land uit. Daarom heb ik de volgende vragen.

Zult u een brief sturen naar alle gemeenten met uitleg over het kader om preventieve huisarresten op te leggen, zodat lokale besturen met een kleinere administratie worden bijgestaan in de bestrijding van dit geweld? Ik spreek zelf als lokale bestuurder van een kleinere gemeente met een minder uitgebreide administratie dan Antwerpen, die richtlijnen kan gebruiken om zelf meer maatregelen te nemen.

Op basis van welke risico-indicatoren kan volgens u een huisarrest worden opgelegd? Zijn er volgens u nog andere bestuurlijke maatregelen aangewezen voor lokale bestuurders om zelf in te grijpen? Neemt u als minister van Binnenlandse Zaken met de politie andere specifieke maatregelen in Brussel om de veiligheid te garanderen? Ik verwijs naar de acties die u hebt opgezet rond de lezing die werd bedreigd. Het zou goed zijn als soortgelijke acties worden opgezet om de veiligheid op oudejaarsavond te waarborgen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, bijna elk jaar stelde ik tijdens de plenaire vergadering een actuele vraag over de voorbije rellen op oudejaarsavond.

Het gaat telkens over vandalisme, geweld tegen politie en geweld tegen hulpdiensten. Laten we het probleem benoemen. Het betreft altijd groepen jongeren, veelal met een migratieachtergrond.

Tijdens het vragenuurtje in de Kamer hebt u al verklaard dat lokale besturen over voldoende instrumenten beschikken om oudejaarsrellen te voorkomen. Ik ben het daar niet volledig mee eens, mijnheer de minister, niet omdat ik u niet op uw woord wil geloven, maar omdat ik moet vaststellen dat lokale besturen er door de jaren heen nog nooit in geslaagd zijn deze rellen te voorkomen of efficiënt aan te pakken.

Steevast zijn er federale 'hulptroepen' nodig, die moeten worden ingezet om die groepen jongeren in het beste geval op te pakken, of in het slechtste geval hun activiteiten te doen staken. Ik druk mij hierbij zeer eufemistisch uit. Mijnheer de minister, wij stellen de vragen nu preventief.

Wat zou u nu al kunnen ondernemen om de oudejaarsrellen tegen te gaan? De heer Bergers verwijst naar preventieve huisarresten. Dat is slechts één element in het geheel. Er is wellicht meer nodig, zoals het instellen van een avondklok in een bepaalde periode en in een bepaalde wijk. Ook een verbod op pyrotechnisch materiaal, dat vaak niet voor het plezier, maar voor vandalisme wordt gebruikt, kan worden overwogen.

Er vindt overleg plaats met het Nationaal Crisiscentrum, de politie, de brandweer en gouverneurs. Worden de daders, die meestal bekend zijn, al in kaart gebracht? Is er sprake van recidivisme? Zijn er gekende probleemplaatsen? Hoe zult u extra maatregelen kunnen nemen?

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Bergers, op mijn vraag werd deze voormiddag een overleg georganiseerd op het Nationaal Crisiscentrum over de voorbereiding van de festiviteiten rond oudjaar. Op dat overleg waren onder meer de korpschefs van de politiezones Brussel-Hoofdstad Elsene, Gent, Antwerpen, Luik, Charleroi, Bergen en Namen uitgenodigd, evenals de betrokken dirco's, gouverneurs en verantwoordelijken van de hulpverleningszones.

Het overleg had tot doel een duidelijk beeld te krijgen van de voorbereidingen, de al getroffen maatregelen en de geplande inzet, zowel van de politiediensten en hulpverleningszones, als op het vlak van bestuurlijke maatregelen. De burgemeester is immers verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde binnen de gemeente en kan alle noodzakelijke maatregelen nemen om die openbare orde te handhaven.

Op grond van deze bepalingen hebben sommige burgemeesters in het verleden een huisarrest opgelegd aan bepaalde individuen die op een bepaald tijdstip een gevaar vormden voor de openbare orde. In het bijzonder voor een geval in Antwerpen waarbij een beroep tegen de maatregel werd aangetekend, heeft de Raad van State in duidelijke bewoordingen de voorwaarden toegelicht. Deze bestuurlijke maatregel moet legitiem en proportioneel zijn. Dat betekent dat het risico voor de openbare orde aangetoond moet worden, bijvoorbeeld aan de hand van voorgaande, vergelijkbare feiten. Bovendien moet het huisarrest aangepast zijn aan de concrete ordehandhavingsbehoefte, waarbij vrijheid de regel is en beperking van de vrijheid de uitzondering. De termijn waarvoor de maatregel geldt, moet met andere woorden kort zijn en er moet afgeweken kunnen worden indien de persoon bijvoorbeeld moet werken of op vakantie naar het buitenland wil gaan.

Precieze criteria oplijsten is moeilijk, doordat elk geval apart getoetst wordt op grond van plaatselijke omstandigheden en gebeurtenissen. Aangezien dergelijke maatregelen vaak een efficiënt en aanvullend instrument blijken om een passend antwoord te bieden op uitdagingen op het vlak van openbare orde, kan de burgemeester inderdaad in een brief op deze mogelijkheden wijzen. Het komt immers niet mij maar de burgemeester toe om maatregelen te nemen ter handhaving van de openbare orde.

De korpschefs van de Brusselse politiezones zijn overigens op verschillende momenten samengekomen om de eindejaarsperiode voor te bereiden. Waar dit noodzakelijk achtten, hebben zij om steun verzocht bij de federale politie, zowel onder de vorm van mensen als middelen – drones, sproeiwagens, celwagens.

Wat de vraag over het algemeen vuurwerkverbod betreft, ik stel vast dat er nog elk jaar ongelukken gebeuren, net als in het voetbal. Een verbod zal niet noodzakelijk betekenen dat het ook wordt nageleefd of kan worden gehandhaafd. Er zou ook een verbod komen op steps. De administratieve handhaving is echter heel belangrijk om een feestelijke atmosfeer te behouden.

Jeroen Bergers:

Ik dank u, mijnheer de minister. Ik juich het toe dat u een brief zal sturen naar alle burgemeesters in het land om hen te wijzen op de maatregelen die zij kunnen nemen, zoals huisarrest, en om uit te leggen hoe die maatregelen correct kunnen worden toegepast. Dat is een belangrijke stap om de kleinere gemeenten te ondersteunen en hen aan te moedigen hun verantwoordelijkheid te nemen, in plaats van soms weg te kijken. Er zijn immers toch wel een aantal burgemeesters in Brussel die doen alsof hun neus bloedt. Het is een zeer goede maatregel van uw kant.

Verder hoop ik dat door extra inzet en het overleg dat u hebt gepleegd, de politie de rellen die jammer genoeg zullen plaatsvinden, effectief kan indammen. Zo kan het jaarlijkse inferno worden vermeden. Het gespuis dat misbruik maakt van oudejaarsavond om het kot op stelten te zetten en dat de veiligheid van de hulpdiensten en van burgers in gevaar brengt, moet hard worden aangepakt en gearresteerd, zodat ernstige rellen zoals in voorgaande jaren kunnen worden voorkomen. Dat zou mij en denk ik heel het land, veel genoegen doen.

Ortwin Depoortere:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Blijkbaar kan men oudejaarsavond in dit land niet meer op een normale wijze vieren. Dat probleem is ontstaan doordat men jarenlang heeft weggekeken, heeft gepamperd en niet heeft ingegrepen toen het uit de hand liep. Dat gepamper moet nu voorbij zijn. De brave burger is het slachtoffer van die rellen. Het zal hem weinig schelen wie de leiding heeft, de lokale of de federale veiligheidsdiensten. De veiligheidsdiensten moeten gewoon samenwerken, de handen in elkaar slaan en ervoor zorgen dat de relschoppers, het gespuis zoals de heer Bergers hen noemt, van straat worden gehaald.

Mijnheer Bergers, ik kijk naar een N-VA-regering die een totaal andere koers zou varen op het gebied van veiligheid, maar ik zie geen verschil met de vivaldiregering. Het is hetzelfde beleid van laten betijen en niet ingrijpen. Dat is wraakroepend.

Voorzitter:

Ik zie dat de heer Jeroen Bergers vraag nr. 56011580C heeft omgezet in een schriftelijke vraag, hopelijk niet naar aanleiding van mijn repliek. De heer Demon is niet aanwezig.

Het begrotingsakkoord en het drugsfonds

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Xavier Dubois vraagt om concrete planning, budgetten (2024: €10M, vanaf 2025: €5M/jaar) en financiële bronnen (inclusief confiscaties) van het Fonds Drogue, alsook een lijst van gefinancierde projecten, maar bekritiseert dat Bernard Quintin enkel vaag verwijst naar een toekomstig wetsvoorstel (2026) en progressieve aanpassingen zonder duidelijke jaarcijfers of bindende afspraken voor de rest van de legislatuur. Quintin bevestigt wel dat confiscaties, boetes en transacties straks het fonds moeten spekken, maar stelt dat eerst juridische kaders, traçabiliteit en monitoring moeten worden uitgewerkt; de projectlijst belooft hij schriftelijk mee te delen. Dubois uit ontevredenheid over het gebrek aan transparantie en dringt aan op snelle, gedetailleerde antwoorden over de meerjarige budgettaire inzet tegen narcotrafiek.

Xavier Dubois:

Je m'en réfère à la version écrité de ma question.

Le gouvernement fédéral a annoncé, en 2024, la création d'un dispositif communément dénommé Fonds drogue, destiné à financer des actions ciblées en matière de lutte contre le trafic de stupéfiants, la violence qui y est associée ainsi que les problématiques de toxicomanie.

Ce fonds a été doté d'un montant de 10 millions d'euros pour l'année 2024, puis de 5 millions d'euros par an à partir de 2025.

Les projets financés dans ce cadre sont définis conjointement par les ministres compétents en matière de Justice, d'Intérieur, de Santé et de Finances, en concertation avec la Commissaire nationale aux drogues, avant d'être soumis à l'approbation du Conseil des ministres.

Par ailleurs, si le Fonds a été initialement doté de crédits budgétaires fédéraux, l'accord de gouvernement prévoit également la possibilité de l'alimenter, à terme, par les avoirs confisqués aux trafiquants de stupéfiants.

Dans le cadre des négociations budgétaires, il nous paraît important de disposer d'une vision claire des décisions prises concernant la création, l'encadrement et la pérennisation de ce Fonds.

Dès lors, Monsieur le Ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes :

Quel calendrier avez-vous arrêté, en concertation avec vos homologues en charge de la Justice et de la Santé, afin de consacrer ce dispositif dans un texte législatif ?

Quels sont les montants alloués à ce fonds pour l'année en cours et pour les exercices budgétaires à venir ?

Pouvez-vous préciser quelles seront les sources de financement du Fonds drogue, tant actuelles que futures, et détailler les catégories de dépenses qui seront couvertes par ce fonds ?

Pouvez-vous communiquer à la commission la liste des projets qui ont été financés par le Fonds drogue depuis sa mise en place ?

Bernard Quintin:

Les travaux préparatoires en vue de la pérennisation du dispositif et de son encadrement juridique sont actuellement menés par mes services en étroite collaboration avec ceux du ministre de la Justice et en collaboration avec le commissariat national drogue. Ils s'inscrivent dans une approche progressive fondée sur l'expérience acquise lors des premiers exercices budgétaires ainsi que sur les enseignements tirés en matière de gouvernance, de contrôle et de traçabilité des moyens.

L'objectif est de pouvoir formuler, au cours du début de l'année 2026, une proposition d'ancrage législative du dispositif en articulation avec les réflexions en cours relatives au financement par les avoir confisqués et à la mise en place d'outils de monitoring adéquats.

Conformément à l'accord de gouvernement, l'objectif est toutefois de faire évoluer progressivement les sources de financement du Fonds afin de renforcer son effet de levier sans alourdir durablement les finances publiques. À cet égard, il est envisagé de mobiliser une partie des produits issus de la lutte contre la criminalité organisée et le trafic de stupéfiants, notamment les avoir confisqués, les amendes pénales et les transactions pénales, pour alimenter le dispositif. Cette évolution suppose la mise en place préalable d'un cadre juridique clair, de mécanismes de traçabilité fiables et d'outils de monitoring permettant d'objectiver l'origine et la durabilité de ces recettes.

Depuis sa mise en place, le fonds drogues a permis de financer un ensemble cohérent de projets approuvés par le Conseil des ministres couvrant l'ensemble de la chaîne prévention, répression, suivi, santé. Afin de ne pas entraver la fluidité des débats, je vous invite à venir à ma rencontre afin que vous soit transmise par écrit une liste de dépenses et projets couverts par le fonds drogues. Je vous remercie.

Xavier Dubois:

Merci pour votre réponse. Pour la liste, je viendrai à votre rencontre avec grand plaisir.

En ce qui concerne les autres volets de ma question, je n'ai malheureusement pas de réponses puisqu'au niveau du texte, un texte est en préparation. Le contenu du texte, c'est effectivement ce qui est dans l'accord de gouvernement.

J'avais des questions aussi sur les montants consacrés pour les années à venir et là non plus je n'ai pas de réponses. J'espère donc avoir ces réponses-là assez rapidement puisque c'était surtout ce point-là qui est important, savoir de quels moyens nous disposerons dès l'année prochaine – et puisque l'accord budgétaire porte sur une trajectoire pluriannuelle – et pour les années à venir jusqu'à la fin de cette législature pour lutter efficacement contre le narcotrafic. C'est un point extrêmement important que j'ai abordé en de nombreuses occasions ici même. J'espère disposer de ces réponses très vite puisque hormis une confirmation que l'accord de gouvernement sera mis en œuvre, je n'ai pas obtenu beaucoup plus d'informations si ce n'est la liste des projets que je vais venir chercher après ma question.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011660C van de heer Meuleman wordt omgezet in een schriftelijke vraag. La question n° 56011674C de M. De Smet est transformée en question écrite.

De schietpartij en het drugsgeweld in Sint-Gillis (Brussel)
Het geweld in Sint-Gillis
Geweld en criminaliteit in Sint-Gillis, Brussel

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een debat over de escalerende drugscriminaliteit en schietpartijen in Brussel (96 incidenten in 2024, +5% vs. 2023) bekritiseert Ortwin Depoortere het gebrek aan effectieve aanpak, wijst op structurele verplaatsing van geweld naar woonwijken en eist hardere repressie (uitzetting illegalen, constante razzia’s). Brent Meuleman vraagt om concrete resultaten van beloofde maatregelen (FIPA-operaties, 40 extra agenten, camera’s) en noemt de versnippering van politiezones een belemmering, ondanks steun voor de geplande fusie. Minister Quintin bevestigt versterkte inzet (maandelijkse FIPA’s, gespecialiseerde eenheden, militaire steun) en meetbare successen (arrestaties, inbeslagnames), maar benadrukt dat structurele oplossingen tijd vragen en narcoterrorisme geen passende term vindt. Depoortere blijft kritisch, stelt dat illegale daders en minderjarige schutters ongestraft opereren en waarschuwt voor een Vlaamse uitstralingsdreiging.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, op zaterdag 13 december werd de Metaalstraat in Sint-Gillis opgeschrikt door een schietpartij waarbij de gevel van een woning werd doorzeefd met kogels. De getroffen woning bevond zich op enkele meters van een huiswerkklas. Als bij wonder vielen er geen gewonden. Zo konden we vernemen in de media.

Alles wijst op een afrekening binnen het drugsmilieu, zoals zo vaak in Brussel. De betrokken jongeren kregen al een plaatsverbod opgelegd wegens drugsdealactiviteiten op het Bethlehemplein. Het geweld verplaatst zich intussen van gekende hotspots naar rustige woonstraten. Dat vormt een reëel gevaar voor burgers in de onmiddellijke omgeving. Het is een kwestie van tijd voordat een verdwaalde kogel opnieuw een onschuldig slachtoffer maakt. Ik zeg opnieuw, omdat we dat al hebben moeten meemaken in Antwerpen.

Mijnheer de minister, beschouwt u die feiten als geïsoleerde incidenten of als een onderdeel van een structurele escalatie richting narcoterrorisme? Wat is de stand van zaken? Dat is belangrijk in het kader van de fusie van de Brusselse politiezones. Als we de strijd tegen de drugsbendes en het narcoterrorisme ernstig willen nemen, is er geen tijd te verliezen. Worden probleemzones versterkt met extra middelen en personeel? Blijkbaar hebben de huidige middelen geen effect. Daarom stel ik die vraag.

Wat plant u om recidive en de betrokkenheid van illegalen bij drugsgerelateerde criminaliteit te voorkomen? Er is sprake geweest van een taskforce. Die bestaat nog altijd, naar het schijnt, mijnheer de minister. U hebt ook al meermaals in het Parlement gezegd dat u de strijd tegen de drugscriminaliteit zou intensiveren. Ik wil graag peilen naar de resultaten. Wat heeft dat al veranderd op straatniveau? Zijn er meetbare resultaten in de ontmanteling van netwerken, inbeslagnames, arrestaties of vervolgingen?

Brent Meuleman:

Helaas is mijn vraag al achterhaald, mijnheer de minister. Ik wilde u vragen stellen naar aanleiding van de laatste schietpartij in Sint-Gillis. Tussen het indienen van mijn vragen en vandaag is er helaas nog een schietpartij toegevoegd aan de ellenlange lijst van schietpartijen in Brussel. Afgelopen maandagochtend boorden verschillende kogels zich namelijk in de gevel van een gezinswoning.

Er werd al naar verwezen, op zaterdag 13 december werden de bewoners van Sint-Gillis opnieuw opgeschrikt door grof geweld. Dit is helaas geen alleenstaand geval, maar het zoveelste incident in een reeks die de leefbaarheid in de wijk zwaar onder druk zet.

Ik verwijs graag naar mijn eerdere schriftelijke vraag en uw antwoord daarop van eind oktober. U stelde toen heel duidelijk dat u de criminelen op alle fronten zou aanpakken om de controle over onze stadcentra terug te krijgen. U kondigde de lancering aan van het plan ‘Grandes Villes’, dat het Kanaalplan vervangt en uitbreidt. In uw antwoord gaf u bovendien aan dat er geregeld harde acties – u hebt er al naar verwezen, FIPA – zouden plaatsvinden om criminelen dag en nacht lastig te vallen.

U waarschuwde zelfs dat, als we vandaag de controle verliezen in de zone Zuid, morgen de hele stad daaronder zal lijden. Helaas hebben we ondertussen een nieuw record beet, vers van de pers. De VRT heeft daar vanochtend over bericht. Het gaat om een record waarmee men eigenlijk niet in de boeken wil komen, want het aantal schietpartijen in Brussel is ondertussen opgelopen tot 96, tegenover 92 vorig jaar. Dat recente record is dus al een oud record geworden. We kunnen alleen maar hopen dat het uiteindelijke aantal niet nog hoger zal liggen. Daarom heb ik de volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

U gaf aan dat de FIPA’s zolang als nodig herhaald zouden worden. Heeft er in de dagen voorafgaand aan of onmiddellijk na dit nieuwe schietincident in Sint-Gillis een dergelijke actie plaatsgevonden in de betreffende wijk? U beloofde dat er voor het einde van het jaar nog eens 40 rekruteringen zouden plaatsvinden bij de federale gerechtelijke politie van Brussel. We zijn nu half december. Zijn die 40 extra krachten effectief aangeworven en operationeel inzetbaar op het terrein?

U sprak over 20 miljoen euro aan federale middelen voor camera’s, specifiek voor hotspots die onvoldoende bewaakt worden. Zal de straat waar dit recente incident plaatsvond versneld worden uitgerust met die middelen, aangezien Sint-Gillis duidelijk kampt met een tekort? U pleit voor een fusie tot één politiezone onder één commando om de slagkracht te vergroten. Laat mij duidelijk zijn, wij delen uw analyse en zijn zelf ook vragende partij voor die eengemaakte zone, maar we moeten natuurlijk ook realistisch zijn. Die hervorming zal er niet van vandaag op morgen zijn. U stelde zelf dat de huidige versnippering in zes zones niet werkt en dat de structurele versterking momenteel onvoldoende is.

Welke noodmaatregelen neemt u nu om de samenwerking tussen de zones te garanderen, zodat de veiligheid van de Brusselaar niet on hold staat tot de fusie rond is?

Bernard Quintin:

De feiten waarnaar u verwijst, spelen zich af in het milieu van de georganiseerde drugscriminaliteit. Narcoterrorisme is een begrip dat voor mij niet geheel van toepassing is, maar het spreekt voor zich dat ook deze schietpartij bijzonder choquerend is. Het onderzoek loopt, waardoor ik weinig kan zeggen over de verdachten, maar ik heb geen informatie ontvangen over het niet respecteren van bestuurlijke maatregelen.

Ik ben er inderdaad nog steeds van overtuigd dat de fusie van de politiezones in Brussel een element is dat moet toelaten een doeltreffend politie- en veiligheidsbeleid te voeren in onze hoofdstad. Mijn kabinet werkt momenteel hard aan de tekst voor de fusie van de Brusselse politiezones, met het oog op een zo snel als mogelijke tweede lezing in de ministerraad.

In afwachting daarvan worden extra middelen en personeel ingezet in de probleemzones. De politiezone Zuid ontvangt bijvoorbeeld ondersteuning via verschillende gespecialiseerde eenheden, waaronder de cavalerie, de CSD, het CIK, de FERRES en de dronecel. Die versterking wordt ingezet volgens de operationele noden en beschikbaarheid. Daarnaast wordt één Full Integrated Police Action (FIPA) per maand uitgevoerd in Brussel, in samenwerking met de zes Brusselse politiezones en de federale eenheden, waaronder de spoorwegpolitie en het interventiekorps.

In Brussel hebben de FIPA-operaties tastbare resultaten opgeleverd op het vlak van arrestaties, inbeslagnames en vaststellingen. Er werden controles uitgevoerd bij personen, voertuigen en handelszaken, wat leidde tot meerdere gerechtelijke en administratieve arrestaties, processen-verbaal inzake verkeer, drugs en wapens, evenals tot inbeslagnames van verdovende middelen, geld en verboden voorwerpen. De acties tonen aan dat de gezamenlijke inzet van de betrokken politiediensten effectief bijdraagt aan de bestrijding van criminaliteit. Gedetailleerde cijfers kunt u het best schriftelijk opvragen.

U verwees terecht, mijnheer Meuleman, naar de recentste cijfers, die een stijging aangeven. Het gaat om een ‘beperkte stijging’ van 5 %, met tegelijk een daling van het aantal moorden. Het zijn er hoe dan ook nog steeds veel te veel.

Wij doen veel, met de politiezones en de federale politie. Het zal nog veel werk en een intensieve samenwerking vergen. We moeten dat fors aanpakken, maar ik veronderstel dat niemand die hier of daarbuiten verantwoordelijk is, denkt dat we dit in enkele maanden kunnen oplossen. Wat we moeten doen en wat we doen, is de problematiek met alle beschikbare middelen fors aanpakken. Dat is ook een reden om de nu beoogde militairen in te zetten. Dat moet meer kracht geven aan de aanpak van de criminaliteit in Brussel, maar niet alleen in Brussel. Ik dank u.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Onze politiediensten telden dit jaar voorlopig al 96 schietpartijen, tot en met 15 december. Dat zijn er vier meer dan vorig jaar en we zijn nog niet aan het einde van 2025. Ten opzichte van 2022 gaat het vrijwel om een verdubbeling. Zo snel gaat het. Twee schietpartijen per week zijn het nieuwe normaal in multicultureel Brussel. Daarbij vielen dit jaar ondertussen al acht doden.

We weten bovendien in veel gevallen wie de daders zijn. Het gaat veelal om illegalen en minderjarige allochtonen die worden uitgestuurd om op rivaliserende dealers te schieten. Brussel is de kanarie in de kolenmijn voor wat Vlaanderen te wachten staat en voor hoe het nu al is in onder meer Antwerpen.

Zet die illegalen dus het land uit. Maak bendes het leven onmogelijk met constante razzia’s. Steek die schutters en dealers achter slot en grendel.

Brent Meuleman:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011681C van de heer Depoortere wordt omgezet in een schriftelijke vraag, net als vraag nr. 56011683C van de heer Jeroen Bergers.

Het meerjarenbegrotingsakkoord en de impact op de federale dotatie aan de hulpverleningszones

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Bernard Quintin bevestigt dat de federale dotatie voor hulpzones deze legislatuur gestabiliseerd wordt, met een geïntegreerde financiering voor SIAMU (einde historische uitzondering), maar geen indexering voor 2025 en geen retroactieve aanpassing. Hij belooft wel wettelijke verankering van automatische indexering (vergelijkbaar met politiezones) en concrete toepassing vanaf 2026, mits budgettaire haalbaarheid – een standpunt dat Xavier Dubois (oppositie) kritisch volgt en afwacht tot de federale begroting 2026. Quintin benadrukt dat structurele indexering pas mogelijk is binnen de geldende budgetregels.

Xavier Dubois:

Je vous ai interrogé à plusieurs reprises au sujet de la dotation fédérale aux zones de secours. Vous m'avez alors indiqué qu'il convenait d'attendre l'issue des négociations budgétaires pluriannuelles avant de pouvoir apporter des réponses précises.

Ces négociations étant désormais clôturées, puisque les membres du gouvernement se sont accordés sur l'ensembles des économies et dépenses prévues pour la présente législature, je souhaiterais dès lors, Monsieur le Ministre, vous poser les questions suivantes :

Quelle sera l'évolution de la dotation fédérale aux zones de secours au cours de cette législature? Pouvez-vous nous en communiquer les montants et la trajectoire budgétaire envisagée ?

La dotation fédérale aux zones de secours et au SIAMU fera-t-elle l'objet d'une indexation au cours de cette législature ? Le cas échant, à partir de quelle année et pour quelle durée ?

Comme vous le savez, notre groupe a déposé une proposition de loi visant à instaurer une indexation automatique de la dotation fédérale aux zones de secours, à l'instar de celle relative aux zones de police. Vous vous êtes engagé à l'ancrer dans la loi à partir de l'été dernier. Où en est l'état d'avancement de ce dossier ? Envisagez-vous par ailleurs la possibilité d'une indexation rétroactive de la dotation à partir de l'année 2025 ?

Bernard Quintin:

Comme indiqué précédemment, la question du financement des zones de secours s'inscrit dans un cadre budgétaire pluriannuel qui doit être apprécié de manière globale en tenant compte tant des contraintes budgétaires que des priorités opérationnelles en matière de sécurité civile.

S'agissant de l'évolution de la dotation fédérale aux zones de secours, le gouvernement a acté le principe d'une stabilisation et d'une consolidation du cadre de financement existant au cours de la présente législature.

La trajectoire budgétaire sera définie de manière progressive dans le cadre des exercices budgétaires successifs, afin de garantir la soutenabilité des finances publiques tout en préservant bien évidemment la capacité opérationnelle des zones de secours.

Dans ce contexte, j'ai décidé d'intégrer le financement du SIAMU dans le système global de financement des zones de secours, mettant ainsi fin à une différenciation historique qui ne se justifie plus au regard des missions exercées. Cette intégration vise à assurer une approche cohérente, équitable et transparente du financement de l'ensemble des services de secours. En ce qui concerne l'indexation de la dotation fédérale, je confirme mon engagement à traiter cette question dans le cadre des exercices budgétaires 2026 et 2027.

Cette approche permet de garantir un ancrage structurel et juridiquement sécurisé de l'indexation, en cohérence avec les règles budgétaires en vigueur. Il convient toutefois de rappeler que la provision "Renforcement des services de sécurité et politiques de retour" ne peut, par nature, être mobilisée pour couvrir des dépenses récurrentes, telles que celles résultant d'un mécanisme d'indexation.

Enfin, s'agissant de l'ancrage législatif de l'indexation, des travaux préparatoires sont en cours en vue d'une inscription dans la loi, dans une logique comparable à celle applicable aux zones de police. Cette réflexion s'inscrit dans une approche responsable et progressive.

En revanche, une indexation rétroactive à partir de l'année 2025 n'est pas envisageable compte tenu des contraintes budgétaires, des principes de bonne gouvernance financière et du fonctionnement du budget de l'État. Je reste naturellement attentif à l'évolution de ce dossier et je veillerai à ce que les prochaines étapes continuent à être menées en concertation avec l'ensemble des parties concernées.

Je ne vous surprendrai pas en vous invitant à me revenir en question écrite afin que je puisse vous communiquer l'ensemble des statistiques que vous avez demandées.

Xavier Dubois:

Merci pour vos réponses. Si je comprends bien, il y a effectivement un travail qui sera fait au niveau d'un projet de loi pour inscrire et conforter ce projet d'indexation automatique des dotations aux zones de secours. Dès 2026, l'indexation est prévue, si j'ai bien compris la réponse.

Je suppose alors qu'on aura très vite confirmation et que les différentes zones de secours seront informées des montants indexés qu'elles pourront percevoir en 2026.

Bernard Quintin:

C'est en effet l'objectif poursuivi: qu'on puisse déjà indexer à partir de 2026. Les travaux sont en cours. Je veux pouvoir le réaliser et que ce soit inscrit dans les budgets. C'est mon objectif de moyens et j'espère que ce sera mon objectif de réalisation également, pour être plus précis à cet égard.

Xavier Dubois:

Nous attendons donc avec impatience le budget fédéral 2026 pour vérifier ces informations.

Voorzitter:

Les questions n° 56011692C et n° 56011695C de M. Julien Ribaudo sont transformées en questions écrites. De vragen nrs. 56011705C en 56011706C van mevrouw De Vreese worden omgezet in een schriftelijke vraag. Vraag nr. 56011709C van de heer Bergers wordt uitgesteld.

Het gewelddadige politieoptreden in een bus in Luik

Gesteld door

Ecolo Rajae Maouane

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Rajae Maouane bekritiseert het buitensporig politiegeweld in Liège, waar een man met kinderwagen na een conflict met een buschauffeur brutaal werd neergeslagen, geslagen met een wapenstok en besproeid met peperspray, ondanks afwezigheid van directe dreiging; ze vraagt zich af of dit past in een patroon van escalerend geweld en systemisch gebrek aan respect voor burgers, vooral uit kwetsbare groepen. Minister Quintin bevestigt dat lokale agenten handelden op verzoek van de buschauffeur, benadrukt dat beelden slechts een fragment tonen en dat de proportionaliteit volgens artikel 37 (politiewet) moet worden beoordeeld in de volledige context; hij wijst op lopende administratieve en justitiële onderzoeken, de presomptie van onschuld voor agenten en bestaande controlemechanismen (Comité P, interne audits, community policing), maar geeft geen concrete nieuwe maatregelen. Maouane betwist de proportionaliteit ("een kinderwagen is geen wapen"), stelt dat vertrouwen in de politie alleen hersteld kan worden als zij zelf respectvol optreedt, en ontbreekt het volgens haar aan zichtbare stappen om digniteit, luisteren en de-escalatie structureel te verankeren, wat ze alarmistisch noemt gezien eerdere incidenten. Quintin verdedigt het systeem (training, klachtenafhandeling, dialoog met buurtcomités) maar ontwijkt een direct antwoord op hoe concreet geweld wordt teruggedrongen of hoe vertrouwen bij burgers herwonnen wordt.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, le 28 novembre dernier, vers 9 h 40, la police est intervenue de manière très violente et visiblement disproportionnée dans le contexte de l'arrestation d'une personne dans un bus à Liège.

Il semblerait que le ton serait monté entre la conductrice du bus et cet homme parce qu'il serait entré par une mauvaise porte avec une poussette d'enfant. La conductrice a fait appel à la police et l'homme a refusé de tendre ses mains, ou aurait refusé de tendre ses mains, visiblement pour se faire menotter. C'est là que la police l’a fait tomber à terre et l’a frappé violemment de coups de matraque et de spray au poivre.

Je ne sais pas si vous avez vu les images tournées, monsieur le ministre, mais elles sont vraiment très difficiles à voir. Finalement, l'homme a été descendu du bus manu militari . Il a été arrêté et a été privé de liberté pour la nuit pour des faits qualifiés de rébellion. Il fera l'objet prochainement d'une comparution devant le tribunal correctionnel de Liège.

Entretemps, cette affaire a été divulguée dans les médias. Le bourgmestre de Liège a demandé un rapport au chef de corps de la police de Liège, et en parallèle, une plainte a été déposée à Unia.

Cette scène est plus qu'interpellante. Elle s'inscrit dans un contexte de montée en violence des interventions policières. Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter quelquefois ici, monsieur le ministre. Je le redis: les images sont vraiment très impressionnantes à voir.

J’ai quelques questions très précises. Les avez-vous vues? Avez-vous pris connaissance de cette intervention musclée? S’agissait-il d'agents locaux? Quelles explications la police a-t-elle pu donner face à cette intervention? À votre niveau, quelque chose est-il mis en place pour que ces scènes d'une telle violence ne se reproduisent plus? Pourquoi la police peut-elle choisir d'utiliser des armes alors que l'intervention ne le requiert pas, et ce, de manière disproportionnée?

Qu'est-ce qui est mis en place pour que nos habitants, quelle que soit leur couleur de peau, leur origine, leur situation socioéconomique, soient traités avec dignité et bienveillance par la police, que leurs droits fondamentaux soient respectés et qu'un dialogue puisse s'installer? Merci pour vos réponses.

Bernard Quintin:

Merci, madame Maouane. Pour répondre à votre première question, j'ai en effet vu l'extrait, comme, je pense, beaucoup de personnes.

Il s'agissait de policiers de la zone de police locale de Liège. D'après les premières informations disponibles qui m'ont été transmises, les inspecteurs sont intervenus à la demande de la conductrice du bus, dans un contexte qualifié d'urgent.

Les images diffusées dans les médias et sur les réseaux sociaux ne montrent que des extraits partiels de l'intervention. Elles ne permettent pas à elles seules d'apprécier l'ensemble des circonstances factuelles dans lesquelles l'intervention s'est déroulée. L'évaluation du caractère nécessaire, proportionné et légal de l'usage de la force doit se faire dans sa globalité, au regard de l'article 37 de la loi sur la fonction de police, qui encadre strictement le recours à la contrainte.

À la suite des faits, le bourgmestre de Liège et le chef de corps ont initié une enquête administrative préalable, susceptible de déboucher, le cas échéant, sur une procédure disciplinaire. Parallèlement, une information judiciaire a été ouverte par le parquet du procureur du Roi de Liège.

Le dossier étant désormais entre les mains de l'autorité judiciaire, il ne m'appartient pas, en tant que ministre, et singulièrement en tant que ministre de l'Intérieur, de me prononcer sur le fond des faits ou sur les responsabilités individuelles. Dans ce contexte, il convient également de rappeler que les policiers concernés bénéficient, comme tout citoyen, de la présomption d'innocence, tant que les enquêtes en cours n'ont pas abouti.

La Belgique dispose d'un dispositif complet de contrôles démocratiques des services de police, comprenant notamment le Comité permanent P, l'Inspection générale, les mécanismes de contrôle interne, ainsi que le contrôle de l'autorité judiciaire. Au niveau local, la zone de police de Liège dispose en outre d'une direction de la maîtrise de l'organisation, chargée notamment des enquêtes internes. Toute plainte est systématiquement examinée et un système de détection et de gestion des risques est en place.

Les prescriptions relatives à l'entraînement à la maîtrise de la violence, la directive GPI 48, y sont strictement appliquées, notamment via un centre spécialisé qui organise des débriefings après toute intervention problématique. Lorsque des difficultés sont identifiées, des mesures sont prises, pouvant aller jusqu'au retrait temporaire des missions opérationnelles.

Enfin, la philosophie du community policing constitue un fondement essentiel du fonctionnement de la police. Il en est donc ainsi dans la zone de police de Liège. Le chef de corps et les officiers entretiennent un dialogue régulier avec les associations et les comités de quartier. Le respect de la dignité des personnes et des droits fondamentaux fait partie des valeurs centrales qui sont promues au sein des corps de police. Je vous remercie.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. En effet, on voit que les images ne sont pas complètes. Mais celles qu’on a vues, où on a vu la violence déployée, la violence avec laquelle la police est intervenue, me font me poser des questions sur la proportionnalité. Il s'agissait d'une personne avec une poussette. Vous conviendrez que ce n'est pas l'arme la plus dangereuse, une poussette. Elle se trompe de porte dans un bus, effectivement. Que la conductrice puisse appeler la police, c’est effectivement son bon droit si elle s'est sentie menacée ou pas respectée. Mais que la police intervienne avec une telle brutalité, moi, cela me pose vraiment question. Cela me pose question sur la montée en puissance des tensions entre les habitants, habitantes, les citoyens, citoyennes et la police. Nous en avons débattu tout à l’heure: pour que la police soit respectée, il faut qu’elle soit absolument respectable. Je ne vois pas ce qui est mis en place concrètement pour que les habitants de Liège ou d’ailleurs soient traités avec dignité, bienveillance et écoute par la police, et pour que leurs droits fondamentaux soient respectés. Nous avons toutes et tous le droit de prendre le bus sans nous faire matraquer et taper dessus par la police. J’ai l’impression que le dialogue n’est pas vraiment instauré, et cela m’inquiète pour la suite, parce qu’il y a d’autres événements tragiques. Nous y reviendrons.

Het dodelijke slachtoffer bij een politie-interventie in Namen
De dodelijke politie-interventie in Namen
Dodelijke politie-interventie in Namen

Gesteld aan

MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een politieinterventie in Namur werd Adama (34), een man met psychiatrische voorgeschiedenis en mogelijke psychotische episode, doodgeschoten door agenten nadat hij agressief zou zijn geweest—later bleek hij enkel een gsm bij zich te hebben. Farah Jacquet en Rajae Maouane bekritiseren het gebrek aan proportioneel optreden, slechte communicatie (valse beweringen over een mes), en structurele tekortkomingen: onvoldoende politiescholing in omgang met psychosepatiënten, afbouw van psychiatrische zorg (80% minder langverblijfbedden), en systemisch geweld/racisme binnen de politie, met name tegen geracialiseerden en kwetsbare groepen. Minister Bernard Quintin benadrukt lopende onderzoeken (Comité P, justitie) en bestaande initiatieven zoals gespecialiseerde crisisplannen (EMUT, EDS-training), maar erkent dat urgentesituaties soms dodelijk escaleren; Maouane noemt dit onaanvaardbaar en eist transparantie over de schietpartij (o.a. schoten in de rug) en fundamentele hervormingen. Jacquet wijst op falend beleid in geestelijke gezondheidszorg en pleit voor betere samenwerking tussen politie en zorgteams.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, dimanche soir, un drame s'est produit dans la ville de Namur. Un homme de 34 ans, Adama, y a perdu la vie lors d'une intervention policière. La police aurait été appelée pour une bagarre avec un couteau et, à leur arrivée sur place, des agents auraient trouvé un homme au comportement agressif qui empêchait la circulation des voitures. Ils ont tenté de le maîtriser à l'aide de sprays au poivre, sans succès. Quatre policiers ont été blessés lors de l'intervention et sont actuellement en incapacité de travail. Finalement les agents ont fait usage de leur arme de service et ont tiré trois coups de feu. L'homme est décédé sur place. Je voudrais souligner que c'est un drame pour toutes les personnes concernées, pour les proches de la victime, mais aussi les policiers présents.

Les circonstances exactes des faits font l'objet d'une enquête par la justice et le Comité P. Selon les premières informations, l'homme était déjà connu pour des faits de violence et aurait également été interné au cours de l'année écoulée. Des témoignages indiquent qu'il semblait hors de lui, des signaux qui laissaient penser à un épisode psychotique. Nous savons que, par le passé, plusieurs interventions policières impliquant des personnes en état de psychose ont déjà eu une issue mortelle: Jonathan Jacob, Pieter Aerts, Peter Goeman.

À de nombreuses reprises, des experts ont souligné la nécessité d'accorder davantage d'attention dans la formation des policiers à la prise en charge des personnes en psychose, mais aussi dans la formation continue, dans une collaboration plus étroite entre la police et les services d'accompagnement, et dans la mise en place d'équipes de crise spécialisées.

Comment réagissez-vous à ces faits?

Envisagez-vous d’évaluer le cadre actuel des interventions policières face aux personnes en crise psychologique? Comment comptez-vous améliorer la formation des policiers pour intervenir dans des circonstances de détresse psychologique?

Rajae Maouane:

Monsieur Quintin, comme l'a dit ma collègue, dimanche soir, Adama, un homme de 34 ans, est mort après avoir été touché par des tirs policiers lors d'une intervention derrière la gare de Namur, peu après 22 h. Les faits se sont déroulés à la suite d'un signalement d'une altercation. Plusieurs équipes de police ont été mobilisées car la situation a été qualifiée de violente. La police en est venue à faire usage d'armes à feu car, apparemment, la personne aurait été en possession d'une arme suspecte. En réalité, il s'agissait de son téléphone portable.

Une instruction a été ouverte, et on évoque le cadre légal et la notion de dernier recours. J'anticipe quelque peu votre réponse mais, aujourd'hui, force est de constater qu'une personne est morte sous les coups de feu de la police, et cette affaire ne peut être traitée comme un simple fait divers. J'ai une pensée pour la famille et les proches d'Adama, car il est dramatique d'en arriver là. Une vie a été enlevée et nous ne pouvons pas nous résoudre à un simple examen technique de conformité.

Peut-on encore, aujourd'hui, tolérer des interventions policières qui se concluent par la mort d'une personne? Comment réagissez-vous face à cette affaire?

Quelles garanties apportez-vous pour que ce genre d'événement ne puisse pas se reproduire? Une enquête a-t-elle été ouverte? Dans l'affirmative, fera-t-elle l'objet d'un suivi à votre niveau? Même si ce drame a eu lieu à Namur, il éclabousse l'image de la police dans son ensemble.

Il a été dit qu'Adama avait des antécédents de troubles psychiatriques. Quels sont les dispositifs prévus pour permettre à la police d'intervenir de manière proportionnée face à des personnes qui ont un passé psychiatrique ou des problèmes psychosociaux?

Bernard Quintin:

Je regrette bien sûr profondément le décès de la personne concernée. Par respect pour les proches de cette personne, mais aussi pour l'enquête sur les faits qui se sont déroulés dans des conditions opérationnelles difficiles, je ne m'exprimerai pas davantage sur ce dossier qui, vous l'avez dit madame Maouane, n'est pas un fait divers, mais un drame. Un drame pour la personne décédée, pour ses proches, ainsi que pour les policiers impliqués dans ladite affaire.

Les enquêtes du Comité P et des autorités judiciaires existent. Le mécanisme de contrôle interne et externe en place offre le cadre de surveillance requis dans ce genre de situation. Le protocole d'intervention actuel du syndrome du délire agité – le delirium tremens – prévoit une intervention différée et des techniques de contrôle humain adaptées. Néanmoins, il y aura toujours une intervention d'urgence lorsqu'il existe un danger de mort pour la personne concernée et/ou les tiers, intervention à laquelle il doit être répondu en respectant le principe de subsidiarité, de proportionnalité, avec ou sans recours à la force létale, dans le cadre de la sécurité de chacun.

À plusieurs niveaux, la police accorde déjà une attention particulière à cette problématique. Le projet d'équipe mobile d'urgence (EMUT), à Bruxelles, en est un bon exemple. Une connaissance plus approfondie des caractéristiques, des psychoses et des troubles mentaux fait déjà partie de la formation de base et est abordée dans les formations obligatoires sur la gestion de la violence. Cela fait d'ailleurs partie de la troisième phase du plan d'action Excited Delirium Syndrome (EDS). Il s'agit donc d'un élément qui fait l'objet d'une attention particulière, à la fois dans la formation de base et dans la formation continue, et que nous devons continuer à mettre en œuvre pour s'assurer que les policières et les policiers aient la meilleure formation possible à la base, et ensuite pour pouvoir exercer au mieux leur fonction, dans des conditions qui me semblent devenir plus difficiles chaque jour.

Farah Jacquet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Ce qui s’est passé dimanche soir est un drame pour toutes les personnes concernées. Chaque intervention policière qui se solde par un décès en est malheureusement une de trop. Si nous pouvons, d’une manière ou d’une autre, éviter ce type d’issue, ou en réduire au maximum les risques, alors oui, nous devons le faire.

Il existe des marges d’amélioration en matière de formation et d’accompagnement. Permettre aussi aux zones de police locales de collaborer plus étroitement avec des équipes multidisciplinaires me semble être une piste à explorer. Enfin, je considère qu’en matière d’accompagnement des personnes souffrant de problèmes psychologiques, des améliorations sont également nécessaires.

Je vous lis ici le témoignage d’un employé de la clinique Saintt-Martin à Dave, près de Namur justement. Il explique qu’il y a eu une réduction de 80 % des lits de longs et moyens séjours depuis une quinzaine d’années. Le personnel a été réaffecté au projet 107, qui consiste en des équipes de soins à domicile. Cela ne remplace pas la construction d’un véritable projet de vie pour les personnes atteintes de maladies mentales. Construire un projet demande du temps et est évidemment plus facile lorsque le patient est hospitalisé.

Aujourd’hui, les services de crise sont pleins en permanence. Au bout de six semaines, le patient doit donc sortir sans projet, ce qui est vraiment triste. Il n’est pas normal de laisser des personnes en souffrance de cette manière. Nous ne pouvons pas permettre que notre société fonctionne ainsi ni mettre nos policiers en première ligne face à ces situations.

Rajae Maouane:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse et pour vos mots à l’égard de la victime.

Beaucoup de choses me questionnent dans cette affaire, dans ce drame. La communication autour de celui-ci est plus que problématique. Selon le parquet, l’intervention faisait suite à une bagarre au couteau. Or, en voyant les images – du moins, celles qui sont accessibles –, nous ne voyons aucun couteau dans les mains du défunt. Certains médias ont également évoqué le fait qu’il aurait eu une arme contondante, mais il s’agissait en réalité d’un téléphone portable. D’autres médias rapportent qu’Adama aurait continué à recevoir des balles, y compris lorsqu’il était de dos et au sol. Si cela s’avère exact, c’est extrêmement grave.

J’aimerais que la lumière soit rapidement faite sur ces éléments, car cela nous permettra de déterminer si la proportionnalité a été respectée ou non. J’ai le sentiment que non, puisque nous en arrivons au meurtre d’une personne. Son passé psychiatrique a été vite évoqué, comme pour tenter d’expliquer ou de contextualiser sa mort, alors que le premier contexte devrait être purement factuel et fidèle aux images.

Je me pose la question suivante, que l'on touche du doigt ici sans vraiment l'évoquer: quand va-t-on réellement s'attaquer à la violence et au racisme institutionnels et systémiques dans notre société et au sein de la police notamment? Ces phénomènes sont documentés par des rapports de l'ONU qui nous ont épinglés. Du reste, je vous avais interrogé à ce sujet voici quelques semaines. Cela ne sort pas de ma tête. Je le redis: il faut que la police soit respectée, mais pour ce faire elle doit être respectable. Quand on porte l'uniforme d'un représentant de l' É tat, on se doit d'être exemplaire. On ne peut pas arriver à des situations dans lesquelles des personnes perdent la vie tragiquement. Quand on observe le profil des gens qui sont touchés, on s'aperçoit qu'ils sont issus de quartiers populaires, qu'ils sont racisés et que leur passé socio-économique est souvent défavorisé. Cela en dit beaucoup de notre police et de notre société. Pour nous, c'est inacceptable.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, daarmee zijn we op het einde van de werkzaamheden voor deze commissievergadering gekomen. U wilt nog een slotwoord? Het is u gegund.

Bernard Quintin:

J'ai la chance de terminer l'année, mes 11 premiers mois comme ministre de l'Intérieur, sur une question de Mme Maouane. Quel moment!

Ik wil toch van de gelegenheid gebruikmaken om af te sluiten met een korte bedanking voor u, mijnheer de voorzitter, de nog aanwezige leden en de diensten. Mijn excuses dat ik misschien te snel spreek, maar dat is om minder laat thuis te zijn. Ik doe het dus ook voor jullie.

Prenez-le comme un encouragement à pouvoir rentrer plus tôt! Merci beaucoup. Nous allons sans doute nous revoir en plénière, mais c'est l'occasion pour moi de remercier les membres de la commission pour le dialogue que nous entretenons. Nous ne sommes pas obligés d'être toujours d'accord, mais le dialogue, tel que je le ressens et tel que j'essaie de le pratiquer, reste toujours respectueux et le plus complet possible. Écouter l'opposition – et quand même de temps en temps la majorité – nourrit aussi mon travail de ministre. Je n'en dirai pas plus pour ne pas gâcher la fête de Noël!

Voorzitter:

Dank u wel voor die mooie worden, mijnheer de minister. Ik sluit mij daar volledig bij aan. Ik wens iedereen een prettige Kerst en eindejaar. We zien elkaar volgend jaar terug. La réunion publique de commission est levée à 18 h 07. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.07 uur .

Popover content