meeting-commission
Staatssteun Mijnheer de minister, we hebben reeds meermaals in de kritische opmerkingen van de Raad van State gelezen dat er mogelijk een probleem is met staatssteun, maar meestal wordt dat weggewuifd. In zijn arrest 86/2025 van 2 juni 2025 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat fiscale voordelen die niet zijn aangemeld en afgetoetst bij de Europese Commissie, moeten worden geschrapt en terugbetaald, omdat zulke voordelen als ongeoorloofde staatssteun en dus als onwettig kunnen worden beschouwd. En dan gaat het alleen nog maar over het feit dat die niet werden aangemeld. Het Grondwettelijk Hof kijkt daarbij in eerste instantie naar de niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van personeel werkzaam in de fruit- en groentesector, maar bij uitbreiding ook naar het fiscale en parafiscale gunstregime voor het professionele voetbal, de onbelaste flexi-jobs in de horeca en de niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van onder andere wie werkzaam is in onderzoek en ontwikkeling, wie nachtarbeid verricht, in een stelsel van ploegenwerk zit of actief is in de baggerscheepvaart. In dat vrij recente arrest komen ook de nieuwe fiscale voordelen van de regering-De Wever in het vizier: het fiscale gunstregime voor de expats, de investeringsaftrek voor ondernemers, de uitbreiding van de gunstige auteursrechten naar de IT-sector, de verhoging van het aantal uren studentenarbeid en de uitbreiding van de flexi-jobs naar alle sectoren. Welke fiscale en parafiscale voordelen kunnen worden getroffen door het arrest 86/2025 van het Grondwettelijk Hof? Anders gezegd, welke fiscale en parafiscale voordelen werden niet aangemeld bij de Europese Commissie om te worden getoetst op mogelijk staatssteun en zijn dus volgens dat arrest per definitie staatsteun. Wat is de financiële omvang van de fiscale en parafiscale uitgaven opgelijst in de vorige vraag? Kunt u ons daarvan een budgettaire inschatting geven? Wat zijn de gevolgen voor de sectoren en bedrijven die onder de toepassing van het arrest vallen? Moeten zij de ongeoorloofde staatsteun retroactief terugbetalen? Hoe ver in de tijd wordt er daarvoor teruggekeerd? Hoe zult u het probleem aanpakken? Zal de regering de fiscale voordelen terugvorderen of zal zij de niet-aangemelde fiscale en parafiscale voordelen alsnog aanmelden en verantwoorden bij de Europese Commissie? Mijnheer Vereeck, in principe kunnen steunmaatregelen die, hoewel ze kwalificeren als staatssteun, die niet werden aangemeld, of die niet onder de toepassing van een vrijstellingsverordening vallen, of die beantwoorden aan de toepassingsvoorwaarden van de de-minimisverordening, worden getroffen door arrest 86/2025 van het Grondwettelijk Hof. Ik wijs er ook op dat artikel 3 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat een beroep tot vernietiging wordt ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de wet. Van de door u aangehaalde vrijstellingen is de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling aangemeld bij beslissing SA.203/26. Ook de vrijstelling voor de baggersector werd aangemeld. In de praktijk kan vooral discussie ontstaan over de vraag of een bepaalde maatregel al dan niet moet worden aangemerkt als staatssteun, dan wel als een algemene maatregel. Tenzij de Europese Commissie of de hoven en rechtbanken daarover in een arrest anders oordelen, is het in principe aan de uitvoerende macht om de maatregel te kwalificeren en al dan niet als staatssteun aan te merken. Sommige maatregelen die u aanhaalt, zijn bovendien algemene maatregelen en moeten volgens ons niet worden aangemeld. Voor de financiële omvang van de verschillende vrijstellingen verwijs ik naar de schriftelijke vragen van de heer Van Quickenborne, nummers 427, 640 en 693, waarin telkens een volledig overzicht werd gegeven van de kostprijs en andere elementen. Wat de gevolgen voor de groente- en fruitsector betreft, een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof heeft retroactieve kracht. Dat betekent dat de regel wordt geacht nooit te hebben bestaan. De administratie heeft niet de mogelijkheid om daarvan af te wijken. Een terugbetaling moet gebeuren, ook al treft de sector geen fout. Het gaat om ongeveer 21,4 miljoen euro voor de 1.600 bedrijven, die een beroep konden doen op de vrijstelling. De administratie heeft de betrokken sector inmiddels laten weten dat de bedragen moeten worden terugbetaald en binnen welke termijn dat moet gebeuren. Het gaat om een uitzonderlijke betalingstermijn tot het einde van december. Ook met betrekking tot de nalatigheidsinteresten werd bij wijze van uitzondering een lange termijn toegekend, gelet op de omstandigheden. De betrokken belastingplichtigen hebben de contactgegevens ontvangen van één centraal aanspreekpunt, waar zij met al hun vragen terechtkunnen. Mijnheer de minister, ik onthoud dat u wel degelijk op de hoogte bent van het arrest van het Grondwettelijk Hof en dat u zich daar ook naar schikt. Ik stel vast dat de vrijstellingen voor de wie onderzoek verricht en voor wie werkzaam is in de baggersector, inmiddels zijn aangemeld. Voor de groente- en fruitsector is daarentegen geoordeeld dat u in het ongelijk bent gesteld. Dat betekent dat de betrokken bedrijven, die geen enkele schuld treft, alles terug moeten betalen. U hebt niet geantwoord op de vraag of dat ook het geval is voor de nieuwe fiscale voordelen die u als regering voor ogen hebt en die de Raad van State als mogelijke staatssteun evalueert. Ik zal daarover een schriftelijke vraag indienen. Het gaat onder meer om het gunstregime voor expats, de investeringsaftrek voor ondernemers, de uitbreiding van het gunstige auteursrechtenregime naar de IT-sector, de verhoging van het aantal uren studentenarbeid en de uitbreiding van de flexijobs. In welke mate werden die maatregelen aangemeld? Bestaat voor die sectoren in de toekomst niet het risico dat ze een sanctie krijgen en dus alles terug moeten betalen? En raison de l'absence de Mme Anne Pirson, sa question n° 56006757C est sans objet. De vertraagde stijging van de belastinginkomsten in 2025 De daling van de fiscale ontvangsten Ik heb begrepen dat mevrouw Merckx haar vraag niet wenst te stellen. Mijnheer de minister, deze vraag dateert van september 2025. Toen bleek uit de maandelijkse statistieken van de FOD Financiën dat de belastinginkomsten in de eerste helft van 2025 slechts met 1,6 % gestegen waren, terwijl het Monitoringcomité, dat daar toch een goed zicht op heeft, rekende op een groei van 2,5 %. Vooral de btw-inkomsten en de voorafbetalingen bleven in de eerste helft van vorig jaar achter. Wat waren en zijn de oorzaken van die trager dan verwachte stijging van de belastinginkomsten, zowel wat betreft de btw als de voorafbetalingen? Welke maatregelen werden of worden genomen om die lagere inkomsten te compenseren? Mijnheer Vereeck, de evolutie van de fiscale ontvangsten op eind juli is niet noodzakelijk representatief voor het uiteindelijke jaarresultaat. Er werd echter wel al met die daling rekening gehouden in het rapport van het Monitoringcomité van juli. De evolutie van de fiscale ontvangsten wordt uiteraard sterk beïnvloed door onder andere de economische conjunctuur en andere exogene factoren. Het is daarom aangewezen om zich steeds te baseren op de recentste cijfers, de cijfers die zullen worden opgenomen in het rapport van het Monitoringcomité van september. De bijkomende maatregelen die deze regering zal nemen om de begroting terug op orde te krijgen, zijn ondertussen beslist tijdens de begrotingsbesprekingen, waarvan de begroting eerstdaags in het Parlement zal worden neergelegd. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. We zullen die maatregelen dan verder bespreken wanneer de begroting hier voorligt. Ik heb momenteel geen verdere vragen. De verkoop van overheidsparticipaties Belfius De financiële impact van de gedeeltelijke verkoop van Belfius De verkoop van 20 % van de aandelen van Belfius Mijnheer de minister, ondertussen weten we dat de regering 20% van haar aandelen van de bank Belfius wenst te verkopen. De vraag was eigenlijk wat de verwachte opbrengst van die verkoop is en waarvoor die opbrengst wordt gebruikt, voor de begroting of voor schuldafbouw. Op de balans van de bad bank Dexia staat nog steeds 52,4 miljard euro. Voor welke risico’s en voor hoeveel miljard euro staat de Belgische Staat nog garant? Ten derde, wat is de stand van zaken betreffende de afwikkeling van Arco? Hoeveel bedraagt de claim van de Arco-aandeelhouders op Belfius en welke vergoedingen voorziet de regering voor de Arco-aandeelhouders? Ten vierde, wat is de stand van zaken betreffende de niet-terugbetaalde lening destijds aan de Gemeentelijke Holding? Ten vijfde, wat is de stand van zaken betreffende de mogelijke samenwerking en/of fusie tussen Belfius en Ethias? Teruggaand naar mijn oorspronkelijke vraag van al een tijdje geleden, zou ik toch nog graag willen weten of er eigenlijk wel volledige eensgezindheid bestaat binnen de regering over de verkoop van die overheidsparticipaties. Wat is het actuele regeringsstandpunt? Binnen welke termijn hoopt men die verkopen te realiseren? Werd aan Belfius een tijdschema voor de verkoop meegedeeld? Werden er al andere partijen en bedrijven gecontacteerd in het kader van een eventuele verkoop van overheidsparticipaties? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de afsluiting van een nieuwe beheersovereenkomst tussen de FPIM en de overheid? Dat waren mijn twee vragen gecombineerd, mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister. Le gouvernement a acté la vente de 20 % des parts de Belfius, une décision qui marque la fin de son statut de banque entièrement publique depuis le rachat de Dexia après la crise financière. Cette opération, qui pourrait rapporter environ 2 milliards d'euros, soulève des questions sur l'impact financier pour l'État, notamment en matière de dividendes futurs ainsi que sur les conséquences pour les clients de la banque. Par ailleurs, la stratégie de la Société Fédérale de Participations et d’Investissement (SFPIM) concernant l'avenir de Belfius, notamment après cette privatisation partielle, reste à préciser. Alors que Belfius a toujours reversé des dividendes significatifs à l'État, il est crucial d'évaluer les répercussions de cette vente sur les finances publiques et sur les services proposés aux utilisateurs. Quel sera l'impact financier de la vente de 20 % des parts de Belfius sur les dividendes perçus par l'État? Quelles garanties sont prévues pour préserver la qualité des services bancaires offerts aux clients de Belfius? Quelle est la stratégie de la SFPIM pour l'avenir de Belfius après cette privatisation partielle? Envisagez-vous toujours une introduction en bourse à plus long terme? Comment le gouvernement compte-t-il utiliser les fonds générés par cette vente? Quelles mesures seront mises en place pour assurer la transparence et la stabilité de Belfius dans ce nouveau contexte actionnarial? Le 5 décembre dernier, le kern a acté la vente de 20 % des parts de la banque Belfius. La vente de certaines participations pour financer le fonds de Défense était inscrite depuis le départ dans l'accord de gouvernement. Ce point, jusque-là resté très vague, semble se concrétiser ici. Vous auriez donc demandé à la SFPIM de lancer les démarches nécessaires. La valeur comptable de la banque était d'environ 12,4 milliards d'euros en juin 2025. Rappelons que la banque Belfius a rapporté l'État 2,9 milliards d'euros de dividendes entre 2012 et 2025, auxquels il faut ajouter un dividende exceptionnel de 500 millions d'euros versé en 2025. Cette banque a donc rapporté 3,4 milliards d'euros au contribuable. Il faut toutefois rappeler aussi que c'est le contribuable qui a sauvé cette banque après la crise bancaire. Nous voudrions donc avoir plus d’informations sur cette vente. Nous avons appris qu'on prévoyait 100 millions d’euros de dividendes en moins mais, aujourd'hui, vous remettez ces 100 millions d’euros dans les notifications budgétaires. La question se pose donc de savoir comment nous allons faire pour vendre 20 % de cette banque sans perdre en dividendes. Pouvez-vous expliquer cette stratégie? Un montant circule: nous gagnerions 2 milliards par cette vente en one shot . Confirmez-vous que cela servira à financer le fonds Défense? Quel est le calendrier exact? Cela se fera-t-il en 2026? Prévoyez-vous une introduction en bourse? Quel sera l’impact sur les dividendes? Mijnheer de voorzitter, collega's, in overleg met Belfius en na bespreking in de regering is inderdaad besloten om maximaal 20 % van de participatie in de bankverzekeraar te verkopen. Het streefdoel is om deze transactie af te ronden tegen eind 2026. Een verkoop van 20 % komt tegemoet aan de vraag van Belfius zelf. Op deze manier kan de input van private mede-aandeelhouders worden meegenomen in de nieuwe strategie. Bijkomend dient bij een verkoop van 20 % de regering haar prognoses aan dividendeninkomsten niet bij te sturen, daar de payout ratio van de winst normaliter kan worden verhoogd met 20 %. Om die timing te kunnen halen is, zoals u zelf heeft vermeld, reeds enkele maanden geleden aan Belfius gevraagd om de voorbereiding te starten. Over andere desinvesteringen van overheidsparticipaties zijn er geen beslissingen genomen. De huidige beheersovereenkomst loopt af in september 2026. SFPIM is bezig met de voorbereiding om tijdig te komen tot een nieuwe beheersovereenkomst voor de komende vijf jaar. De verwachte opbrengst van de verkoop bedraagt 2 miljard euro. Deze opbrengsten zullen worden gebruikt om de stijging van de schuld te mitigeren. Dexia, dat zich sinds eind 2011 in run-off bevindt, geniet inderdaad van een Belgische staatswaarborg op haar schulduitgifte. Deze waarborg werd in 2022 verlengd voor een periode van tien jaar. De Belgische staatswaarborg is geplafonneerd op 39,75 miljard euro. De verlenging van de waarborg werd door de Europese Commissie goedgekeurd, conform de staatssteunregels van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het totaal uitstaand bedrag met staatswaarborg bedroeg eind november 13 miljard euro. Les sociétés Arco sont toujours en cours de liquidation, mais plusieurs procédures judiciaires en cours retardent la clôture. Cette liquidation ne sera probablement pas achevée avant 2029. L'affaire concernant la Gemeentelijke Holding a été portée devant les juridictions et relève dès lors du pouvoir judiciaire. L'audience de plaidoirie est actuellement fixée au 23 novembre 2026. Enfin, il n'existe à ce jour aucun projet concret de coopération et/ou de fusion entre Belfius et Ethias. Dank u vriendelijk voor uw heel duidelijke antwoorden, mijnheer de minister. We begrijpen eruit dat dit voor het einde van het jaar afgerond moet zijn. We begrijpen dat de opbrengsten gebruikt worden voor de schuldafbouw. Ik meen dat het een goede zaak is dat de middelen daarvoor aangewend worden. Ik meen trouwens dat het niet anders kan, tenzij ze geïnvesteerd worden in een ander activum, natuurlijk. Ik noteer ook al uw antwoorden over de afwikkeling van de bad bank Dexia. Die blijft toch een beetje een zwaard van Damocles dat boven ons hoofd hangt. Het is jammer te horen dat de procedures inzake Arco kunnen aanslepen tot 2029, als ik u goed begrepen heb. Jammer voor de aandeelhouders dan. We zullen binnenkort meer weten, namelijk op 23 november 2026, dus later dit jaar, over de niet-terugbetaalde lening aan de Gemeentelijke Holding. Het is ook belangrijk te vernemen dat er geen plannen zijn om Belfius en Ethias te fuseren. Ik blijf eigenlijk maar met een klein vraagje zitten. Blijkbaar leidt deze verkoop niet tot een verminderde inkomst aan dividenden daar het gaat om 20 % van de aandelen en de dividenden met 20 % worden opgeschroefd. Als dat een vaste afspraak is, legt dat natuurlijk een bijzondere druk op de bank. Ik weet niet of dit zo gezond is. Belfius is al een klein beetje een melkkoe. En nu zal er nog meer druk zijn om meer dividenden uit te keren, terwijl dat misschien op een bepaald moment helemaal niet gewenst is. Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses et de vos éclaircissements. Je note que les recettes permettront de réduire la dette publique. C'est très bien ainsi. Il importera également de ne pas déforcer notre présence dans la banque pour l'avenir et les dividendes qui y sont liés. Enfin, vos éclaircissements relatifs à la SFPIM sont instructifs au vu de son rôle de bras financier pour l' É tat. Monsieur le ministre, vous confirmez donc une vente à hauteur de 2 milliards d'euros, prévue pour la fin de cette année. Vous dites que ce n'est pas pour alimenter le fonds de Défense, mais pour réduire la dette. Or celle-ci va augmenter puisque nous dépensons 4 milliards d'euros supplémentaires par an pour la Défense. Il faut quand même le rappeler. Et puis, vous restez assez vague, car vous ne répondez pas au sujet de l'introduction de Belfius en bourse. Il est en effet assez bizarre que l'on ne prévoie pas une diminution de dividendes, alors que l'on va vendre pour 2 milliards. Vous parlez d'une nouvelle stratégie du côté de Belfius. Cette banque est, pour le moment, 100 % publique. Dans un an, elle le sera à 80 %. Il me semble que cette nouvelle stratégie devrait aussi faire l'objet d'un débat démocratique. Quelle est cette stratégie qui consisterait alors à obtenir plus de dividendes? Suppose-t-elle un comportement plus agressif sur les marchés, avec tous les risques qui en découlent? Il faut tirer les leçons du passé. Pour nous, cette vente n'est pas une bonne idée, car il s'agit d'une opération one shot . Nous plaidons pour une banque Belfius vraiment publique, qui pourrait jouer un rôle essentiel dans le soutien aux communes, lesquelles peinent à obtenir un véritable financement, de sorte que l'argent du contribuable servirait l'intérêt des citoyens, et non uniquement celui de la bourse. De vliegtaks De reactie van Ryanair op de verhoogde inschepingstaks De zwaar overschatte begrotingsramingen en de verschoven doelstelling inzake de vliegtaks Mijnheer de minister, de topman van Ryanair heeft naar aanleiding van de verhoging van de vliegtaks geïrriteerd gereageerd en aangekondigd een aantal lijnen en vluchten te schrappen, wat gepaard gaat met jobverlies in Charleroi. Hij verwees naar de invoering van gelijkaardige belastingen in het verleden in Zweden, Italië en Hongarije, waar die volgens hem onmiddellijk tot verliezen hebben geleid, waardoor die landen die maatregelen later zouden hebben ingetrokken. Mijn tweede ingediende vraag komt met de eerste overeen, maar vraagt naar actuelere cijfers. Mijnheer de minister, wat is uw visie op die uitspraken? Denkt u dat de topman van Ryanair bluft, of moeten we zijn verklaringen ernstig nemen? Bent u bereid om de impact van de vliegtaks ten minste periodiek in kaart te brengen om indien nodig bij te sturen en een daling te voorkomen? In bijvoorbeeld Zweden werd een afname van 35 % van het aantal vluchten en van het aantal gestationeerde vliegtuigen opgetekend, wat uiteraard ook jobverlies betekent. Bent u bereid om een tussentijdse evaluatie te maken? Mijnheer de minister, ik wil het met u hebben over de budgettaire opbrengsten van de vliegtaks. De vliegtaks is ingevoerd door de vorige regering; dat geef ik grif toe. De filosofie was toen: hoe korter de vlucht, hoe hoger het bedrag. Het ging om 10 euro voor vluchten onder de 500 kilometer, 2 euro voor vluchten binnen Europa van meer dan 500 kilometer en 4 euro voor vluchten van meer dan 500 kilometer buiten Europa. De opbrengst daarvan bedroeg 42,3 miljoen euro in 2024. Mijnheer de minister, u hebt met Arizona beslist om die taks van 2 euro en 4 euro te verhogen naar 5 euro. Daartoe hebt u 37 miljoen euro ingeschreven in de begroting van 2026 en volgende. Vervolgens hebt u met het laatste akkoord beslist om die 5 euro op te trekken naar 10 euro en om de taks van 10 euro licht aan te passen naar 10,5 euro en 11 euro. De budgettaire opbrengst blijkt nu 168 miljoen euro in 2027 te zijn, 176 miljoen euro in 2028 en 184 miljoen euro in 2029, boven op die bedragen. Mijnheer de minister, ik ben geen wiskundige zoals u, maar een eenvoudige jurist. Daarom heb ik mij bevraagd bij een aantal instanties. Als dat bedrag gewoon wordt geëxtrapoleerd, kunnen die bedragen nooit worden bereikt. Het bedrag van 168 miljoen euro dat u inschrijft in 2027, is eigenlijk maar 75 miljoen euro, zelfs bij een optimistische raming. Uw verhoging van 10 euro naar 10,5 euro per ticket en vervolgens naar 11 euro per ticket in respectievelijk 2028 en 2029 brengt u 0,2 miljoen euro en 0,4 miljoen euro extra op. Hoe komt u tot die getallen? U hebt mijn vragen gezien zoals ze zijn neergepend. Ik zal heel aandachtig luisteren naar uw antwoord. Mijnheer de voorzitter, collega's, de uitspraken van de heer O'Leary, die zijn eigen stijl heeft, zijn voor zijn rekening. Als CEO van een van de grootste luchtvaartbedrijven is het niettemin een belangrijke stem. De Belgische luchtvaartsector is en blijft een belangrijke sector voor de Belgische economie. Niettemin is onze concurrentiekracht een belangrijk aandachtspunt. Aangezien de maatregelen in de programmawet zitten vervat, gaat het uiteraard in hoofdzaak om een budgettaire maatregel. De opbrengst van de maatregel zal worden gemonitord, net zoals dat voor andere maatregelen of belastingen gebeurt. Met het bedrag van 10 euro zitten we nog steeds concurrentieel ten opzichte van de buurlanden. In Zweden bijvoorbeeld kan de taks tot ongeveer 49 euro oplopen. Voor een verdere bespreking verwijs ik naar de commissie, waarin de loop van volgende maand de maatregel in detail besproken zal worden tijdens de behandeling van de programmawet. De maatregel opgenomen in het ontwerp voorziet inderdaad in een geleidelijke stijging in 2028 en 2029. Zoals ik voor andere maatregelen al herhaaldelijk heb gezegd, er wordt altijd gewerkt aan de hand van ramingen. Tijdens de volgende begrotingscontrole zullen die dan geëvalueerd worden. Als Ryanair inderdaad verschillende vluchten en routes schrapt, zal dat uiteraard een impact hebben. We zullen de opbrengst van de inschepingstaks aandachtig monitoren. Hetzelfde geldt voor de vragen van de heer Van Quickenborne; het gebeurt op basis van fiches van de FOD Financiën. Bij de begrotingscontrole zullen we monitoren of die ramingen correct zijn en bijsturen indien nodig. Dank u wel. Het viel mij al eerder op dat heel veel van de maatregelen van deze regering op trial-and-error berusten; deze maatregel, de vliegtaks, maar ook bijvoorbeeld de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ik had persoonlijk gedacht dat er toch wel veel meer en veel betere modellen bestonden om zo'n begroting te ramen en verder op te volgen, vooral ook om de prijselasticiteit in die sector te kennen en precies te weten op welke manier er gereageerd wordt door consumenten. Ten tweede, u zegt het zelf, O'Leary is een flamboyante CEO maar wel een belangrijke stem in deze sector – niet alleen O'Leary trouwens, ook zijn secondant, McGuinness kent er wel wat van –, maar ik vroeg mij toch af wanneer zo'n bedrijf, dat toch het grootste bedrijf in Charleroi is, dat signaal geeft, of daar dan enig overleg komt dan wel of dat gewoon wordt genegeerd. Dat waren mijn commentaren. Mijnheer de minister, uw antwoord was zeer kort. U verwijst naar de fiches van de FOD Financiën. Ik had u echter letterlijk de vraag gesteld of wij een uitsplitsing kunnen krijgen. Met andere woorden, van die 168 miljoen euro, welk bedrag komt voort uit korte vluchten en welk bedrag uit lange vluchten? Ik veronderstel dat de FOD Financiën u dat toch moet hebben meegedeeld. Waarom antwoordt u daar niet op? Het antwoord is gegeven. Het antwoord volstaat allerminst. Ik begrijp niet, mijnheer de minister, hoe u in uw eerste maatregel 37 miljoen euro inschrijft en nu plots 168 miljoen euro. Ik weet niet over welke toverstaf u beschikt om dat bedrag zo te laten toenemen, maar ik geloof daar niets van. Het feit dat u geen uitleg geeft, toont aan dat het rammelt. Ik vrees dat dit ook geldt voor meerdere lijnen in uw begrotingstabel. Wat de btw betreft, u schrijft 222 miljoen euro in – we kennen het btw-verhaal ondertussen –, maar de btw gaat echter pas in op 1 maart, waardoor in 2026 reeds twee maanden ontbreken. De tabel klopt dus niet. Wat de pakjestaks van 2 euro betreft – we komen daar straks op terug –, die is reeds ingetrokken, die wordt niet ingevoerd. Het gaat om 3 euro op Europees niveau. Ook hier klopt uw budgettabel niet. Voor centenindex wordt 800 miljoen euro ingeschreven voor 2026, maar die centenindex komt er dit jaar niet. Dat is dus 800 miljoen euro die wordt opgeblazen. Mijnheer de minister, uw budgettabel zit vol met lucht. Herinner u wat de eerste minister heeft gezegd: "Voor minder dan 10 miljard euro zullen we het nooit doen". Nooit. Eerst was het geen 10 miljard meer, maar 9,2 miljard euro. Vervolgens was het geen 9,2 miljard meer, maar 8,2 miljard euro. En zo kunnen we de budgettaire lijnen blijven overlopen, mijnheer de minister. Uw begrotingscontrole moet er snel komen, en zelfs zeer snel. Ik vrees immers dat het budgettaire moeras van Arizona alleen maar dieper, en dieper, en dieper, en dieper wordt. De terugbetaling van de btw-tegoeden Collega’s, normaal gezien zou er vanaf 1 oktober 2025 een nieuwe procedure in werking treden om btw-tegoeden terug te vragen. Die procedure werd inmiddels voor de tweede keer uitgesteld en een nieuwe invoeringsdatum was er niet, althans niet op het moment waarop ik de vraag stelde, begin september. Met de nieuwe procedure zouden niet alle opgebouwde btw-tegoeden worden terugbetaald, maar enkel de tegoeden van de betrokken aangifte. Voor de historische tegoeden zou een nieuwe procedure komen, met een nieuwe provisierekening die de bestaande rekening-courant zou vervangen. Door het uitstel komt dat er voorlopig alvast niet. In tegenstelling tot de rekening-courant biedt de provisierekening ook een overzicht van de gestorte btw-voorschotten, de gedane betalingen en de niet-opgevraagde tegoeden, maar niet van de btw-schulden. Een btw-plichtige moet dus voortaan twee tools raadplegen om zijn btw-positie te kennen. Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de invoering van de nieuwe btw-terugbetalingsprocedure? Is er sprake van uitstel dan wel van afstel? Wat is de eventuele nieuwe streefdatum voor de invoering? Welke stappen plant de minister om de hervorming alsnog te realiseren? Wat zijn de plannen met betrekking tot de provisierekening? Wil de regering dat concept definitief afvoeren, dan wel rekening houden met de geformuleerde kritiek? Hoe evalueert de minister tot slot de administratieve lasten van het nieuwe stelsel, aangezien men in de praktijk twee tools moet raadplegen? Ik dank u alvast voor uw antwoorden. Mijnheer Vereeck, de hervorming van de terugbetalingsprocedure van btw-tegoeden, inclusief de invoering van de provisierekening, beoogt een verhoogde transparantie en flexibiliteit voor de belastingplichtige. Tegelijk wordt er gewaakt over de gebruiksvriendelijkheid van het systeem. De provisierekening is ontworpen als een moderner en flexibeler alternatief voor de rekening-courant, met uitgebreidere digitale functionaliteiten via het MyMinfin-platform. Bepaalde onderdelen van de nieuwe terugbetalingsprocedure zijn reeds geïmplementeerd. Zo is er onder meer sprake van een versnelde terugbetaling voor alle maandaangevers en van de mogelijkheid voor alle aangevers om een beschikbaar btw-krediet buiten de aangifte om terug te vragen. Deze aangepaste procedure verloopt voorlopig nog via de bestaande rekening courant. Een nieuwe invoeringsdatum is op dit moment evenwel nog niet vastgelegd. Mijn administratie werkt onverminderd verder aan de technische voorbereiding van de hervorming. De provisierekening zal pas worden ingevoerd zodra de digitale infrastructuur volledig operationeel is en de fiscale controlemechanismen adequaat zijn geïntegreerd. In afwachting daarvan worden de rechten die de btw-plichtige aan de nieuwe wetgeving ontleent, gewaarborgd via de rekening-courant. De provisierekening is niet afgevoerd, maar blijft een essentieel onderdeel van de geplande hervorming. De bezorgdheid dat belastingplichtigen meerdere tools zouden moeten raadplegen om hun volledige btw-positie te kennen, wordt ernstig genomen. Daarom wordt het overzicht van btw-schulden, kredieten en provisies geïntegreerd in MyMinfin, zodat alle relevante informatie via één platform toegankelijk is. De hervorming is erop gericht om de administratieve lasten op lange termijn te verlichten door middel van automatisering en digitalisering van de processen. In afwachting van de definitieve implementatie verloopt de verwerking van teruggave via de rekening-courant op identieke wijze als voorheen, zij het reeds met enkele gunstige maatregelen, zoals de versnelde uitvoering voor elke maandaangever. Mijn administratie heeft alles in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat er door het uitstel geen extra administratieve lasten ontstaan ten opzichte van het vorige systeem. Tegelijkertijd willen wij ondernemingen voldoende tijd geven om zich aan te passen aan de wijziging. Zoals ik reeds meerdere malen in deze commissie heb meegegeven, is de btw-ketting uitgesteld om belastingplichtigen alle tijd te geven om de e-facturatie succesvol te implementeren. Mijnheer de minister, wat positief is aan uw antwoord, is dat eens uitgerold, dit systeem normaal gezien inderdaad sneller zou moeten werken, dus dat de terugbetaling ook sneller gebeurt. Dat is een prima zaak. Ik vind het ook fijn om te vernemen dat de btw-schuld zal worden opgenomen in die nieuwe tool via MyMinfin, dus dat men geen twee tools moet raadplegen. Het is goed dat er rekening is gehouden met die opmerkingen. Het blijft echter jammer dat er geen nieuwe datum naar voren kan worden geschoven, maar dat weet u zelf ook. Dat is toch een beetje kenmerkend en ook problematisch voor heel veel digitale projecten van de overheid. Zo was er onlangs nog een heel groot project bij de politie of justitie, dat tot niets heeft geleid en waaraan miljoenen werden verspild. We zouden toch eens moeten bekijken hoe het komt dat we geen einddatum kunnen plakken op de invoering van iets wat in theorie een goede zaak is. Zoals u net zei, is dat iets dat zorgt voor minder administratieve lasten, waar alles sneller kan dankzij één tool en met zelfs nog meer modaliteiten binnen het programma. Ik besluit met te zeggen dat hoop doet leven. De fiscale behandeling van ploegenarbeid Mijnheer de minister, u versoepelde met respect voor de uitspraak van het Grondwettelijk Hof.eind juli vorig jaar via een omzendbrief het tijdelijke fiscale gunstregime voor ploegenarbeid, wat een korting op de bedrijfsvoorheffing is. De korting geldt alleen als ploegen dezelfde omvang hebben, met een tolerantie van 10 %. Als het verschil zelfs maar één dag in de maand meer dan 10 % bedraagt, verliezen bedrijven een deel van de korting, tenzij er sprake is van overmacht. U begrijpt natuurlijk dat dat in geval van een ploegensysteem met heel veel werknemers niet zo eenvoudig te managen is. Bovendien is de administratie om de bezetting van de ploegen te documenteren, tijdsintensief en complex. Daarom haken heel wat bedrijven af. Zij vallen liever terug op het alternatieve stelsel met verminderde korting dat er kwam na het arrest van het Grondwettelijk Hof. Mijnheer de minister, hoe evalueert u de nieuwe regeling? Welke signalen hebt u al ontvangen uit bedrijven die met ploegenstelsels werken? Mijn vraag is immers gebaseerd op anekdotische informatie. Ik heb daar geen totaalbeeld op, maar misschien hebt u wel een aantal signalen gekregen en beschikt u wel over die totaalvisie. Ten tweede, bent u bereid de nieuwe regeling bij te sturen, als blijkt dat slechts heel weinig bedrijven nog gebruik kunnen maken van de volledige korting op de ploegenarbeid, hetzij omdat de administratieve rompslomp te groot is, hetzij omdat de tolerantiegrens van 10 % misschien toch net iets te strikt is? Wanneer wordt een nieuwe, definitieve regeling verwacht? Mijnheer Vereeck, in zijn arrest van 8 februari 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het grondwettig is dat de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid alleen geldt wanneer de ploegen zowel qua inhoud als qua omvang hetzelfde werk doen. In navolging van dat arrest werd, bij wijze van de wet van 12 mei 2024, een ploegenarbeidsbisregeling geïntroduceerd, die naast de klassieke variant blijft bestaan. De circulaire introduceert dus geen nieuwe regeling, maar interpreteert een bestaande regeling. Een administratieve omzendbrief of circulaire beoogt immers een specifieke bepaling uit te leggen. In de nasleep van de introductie van de ploegenarbeidsbisregeling werden ondernemingen immers geconfronteerd met toepassings- en interpretatievragen, in het bijzonder met betrekking tot het snijvlak tussen de klassieke variant en de ploegenarbeidsbisregeling. De circulaire beëindigde de onzekerheid voor ondernemingen door de voorwaarde dat de ploegen hetzelfde werk qua inhoud en omvang moeten verrichten, te verduidelijken. De algemene tolerantie houdt rekening met de realiteit op de werkvloer. Dat is volgens ons dan ook een positieve evolutie. Op uw tweede en derde vraag, als er nog bijsturingen nodig zijn, zullen wij herevalueren, net zoals wij dat bij elke maatregel doen. Het einde van de ploegenarbeidbisregeling is gepland voor 31 december van dit jaar. In lijn met het regeerakkoord moet dus in een definitieve regeling worden voorzien, die de fundamenten van het voordeel garandeert. Dat werk zal in de loop van dit jaar worden gedaan. Mijnheer de minister, u legt de regeling nog eens uit en dat is natuurlijk goed, maar mijn vraag luidde toch enigszins anders. Ondanks de rondzendbrief krijgen wij immers signalen dat het al bij al wat te complex is en dat men massaal afhaakt. Mijn vraag was of u een wat ruimer en vooral een vollediger zicht hebt op wat zich op dit moment in het bedrijfsleven met betrekking tot de ploegenarbeid afspeelt. Ik heb daarop niet direct een antwoord gekregen, maar ik zal hierover misschien nog eens een schriftelijke vraag indienen. Derdenbeslag door de fiscus Mijnheer de voorzitter, uit het jaarrapport van de FOD Financiën van 2025 bleek dat de fiscus in 2024 1.127.707 keer, dus 1,1 miljoen keer, beslag heeft gelegd op het loon of andere inkomsten van wanbetalers. Dat is een verviervoudiging ten opzichte van 2020, toen dat zowat 261.000 keer is gebeurd. Bij het derdenbeslag komt er geen deurwaarder aan te pas. Een aangetekend schrijven van de fiscus aan de werkgever volstaat. Als de werkgever trouwens niet binnen de vijftien dagen reageert, wordt hij beschouwd als medeschuldenaar. U begrijpt dus dat dat een zware stok achter de deur is, waardoor werkgevers meewerken met de fiscus. Die cijfers over het aantal keer dat beslag werd gelegd, dus de verviervoudiging op vier jaar tijd die ik net heb genoemd, zijn mij bekend. Ten eerste, hoeveel bracht het derdenbeslag op in 2024, zijnde het jaar waarover het jaarverslag ging? Ik heb dat niet in het verslag teruggevonden, maar dat kan ook mijn fout zijn. Aangezien het ondertussen al 2026 is, durf ik ook te vragen of u cijfers hebt over het derdenbeslag in 2025. Ten tweede, we kennen het aantal keer dat beslag is gelegd. Gaat dat echter om unieke personen? Op hoeveel personen slaat dat? Ik kan me immers moeilijk voorstellen dat er 1,1 miljoen mensen zijn die beslag hebben gekregen op hun loon of andere inkomsten. Gaat het dus om meerdere beslagleggingen bij dezelfde persoon? Over hoeveel personen gaat het? Ten derde, wat is het gemiddelde bedrag van een dergelijk derdenbeslag? Wat is het minimumbedrag en wat is het allergrootste bedrag dat is geheven? Ten slotte, wat is het aandeel van het derdenbeslag in het inkomen van die belastingplichtigen? Wat is het gemiddelde minimum- en maximumaandeel in percentages van de inkomsten van belastingplichtigen die onder een derdenbeslag vallen? Mijnheer Vereeck, vooreerst wil ik een verduidelijking geven bij het aantal van 1.127.707 schulden, die het voorwerp van een vereenvoudigd beslag onder derden hebben uitgemaakt. Een dergelijk beslag wordt meestal voor meerdere schulden gelegd. Het aantal beslagen onder derden is met andere woorden lager. In 2024 hebben de teams voor de invordering van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering 412.322 vereenvoudigde beslagen onder derden via aangetekend schrijven gelegd. Die beslagen betreffen, zoals eerder gezegd, meestal meerdere schulden en naast fiscale schulden ook een aanzienlijk aantal niet-fiscale schulden, aangezien deze administratie de hoedanigheid van shared service center heeft. De administratie moderniseerde haar informaticatoepassingen, waardoor het gebruik van solvabiliteitsbronnen aanzienlijk werd versneld. Die modernisering is de voornaamste reden voor de forse stijging van de invorderingsmaatregelen in de afgelopen jaren. In 2024 werd via vereenvoudigde beslagen onder derden een totaalbedrag van 441,9 miljoen euro geïnd, met dien verstande dat die beslagen hun volledige uitwerking pas na verloop van tijd hebben en dat ook nadien nog bedragen worden geïnd. De in 2024 gelegde vereenvoudigde beslagen onder derden hadden betrekking op 281.963 verschillende schuldenaren. Het gemiddeld bedrag van de schulden, opgenomen in die beslagen, bedroeg iets meer dan 4.400 euro. Het maximale bedrag van de schulden, opgenomen in die beslagen, bedraagt 36.583.745,22 euro. Dank u voor de toelichting en de cijfers. Het gaat dus om een gemiddeld beslag van 4.400 euro. Dat is per jaar, neem ik aan. Blijkbaar gaat het hier om 282.000 mensen. Dat is nog altijd bijzonder veel, vind ik. Het antwoord op mijn laatste vraag boeide mij het meest. Als mensen zo'n derdenbeslag opgelegd krijgen, wat houden zij dan nog over? Kunnen zij nog verder met hun leven of worden zij werkelijk tot op het randje van de armoede gedwongen? Ik formuleer het nu nogal zwart-wit. Ik zal deze vraag nogmaals schriftelijk indienen. Wat mij vooral interesseert, is hoever men eigenlijk met het derdenbeslag gaat? Hoever drijft men dat? Alvast bedankt voor deze interessante cijfers. De ploegenpremie Mijnheer de minister, de ploegenpremie is een extra bedrag dat werknemers in een ploegendienst krijgen ter compensatie voor de onregelmatige uren die zij draaien. Volgens de fiscus zou het recht op de fiscale korting op de bedrijfsvoorheffing vervallen zodra de begunstigde van zo’n premie buiten de ploeguren een opleiding volgt. U hoort het goed: men krijgt een ploegenpremie omdat men in een ploeg werkt, maar als men een opleiding volgt, speelt men de fiscale korting kwijt. Ik vond dat wat bizar om te lezen. Mijn vragen zijn dan ook de volgende. Ten eerste, op welke manier heeft een opleiding buiten de ploeguren impact op het systeem van ploegenarbeid? Dat is mij niet duidelijk. Ten tweede, wat is de economische of fiscale rationaliteit om het fiscale gunstregime te doen vervallen als een activiteit die uiteindelijk geen impact heeft op het systeem van ploegenarbeid, wordt uitgeoefend door de begunstigde van een ploegenpremie? Ten derde, bent u bereid een omzendbrief te sturen die ertoe strekt dat het volgen van een opleiding buiten de ploeguren niet leidt tot het vervallen van de korting op de bedrijfsvoorheffing? Ik dank u om daarin wat klaarheid te scheppen. Mijnheer Vereeck, de toekenning van een ploegenpremie is een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van de steunmaatregel van vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid. De fiscale wettekst definieert het begrip ploegenpremie als de premie die wordt toegekend naar aanleiding van het verrichten van ploegenarbeid. Het basisprincipe is dus dat de ploegenpremie moet zijn gekoppeld aan prestaties in ploegenarbeid. Daaruit vloeit voort dat die premie is voorbehouden aan werknemers die ploegenarbeid verrichten en dat alle werknemers die ploegenarbeid verrichten die premie moeten ontvangen. De concrete benaming van de premie is daarbij niet bepalend. Eenzelfde premie die wordt toegekend aan zowel werknemers die ploegenarbeid verrichten als werknemers die geen ploegenarbeid verrichten, beantwoordt bijgevolg strikt genomen niet aan de fiscale definitie van het begrip ploegenpremie. Als een werknemer overeenkomstig zijn arbeidsregeling in ploegenarbeid is tewerkgesteld, maar bij wijze van uitzondering op een bepaalde dag geen ploegenarbeid heeft verricht en op grond van wettelijke verplichtingen of arbeidsrechtelijke afspraken met de werkgever toch recht heeft op de toekenning van de ploegenpremie, bijvoorbeeld wanneer de arbeidsovereenkomst is geschorst wegens ziekte of, zoals in het door u gegeven voorbeeld, bij het volgen van een opleiding met doorbetaling van het loon door de werkgever, dan wordt de premie geacht nog steeds te zijn toegekend naar aanleiding van het verrichten van ploegenarbeid, op voorwaarde dat de ziekte- of opleidingsdag samenvalt met een arbeidsdag waarop de betrokken werknemer overeenkomstig zijn arbeidsregeling in ploegenarbeid zou zijn tewerkgesteld. De werkgever moet dan wel aantonen dat hij in dergelijke gevallen verplicht is de premie toe te kennen. Dat bewijs kan onder meer blijken uit een wettelijke verplichting, een collectieve arbeidsovereenkomst of een arbeidsreglement. Bedankt. Toen ik het bericht las, had ik het een beetje verkeerd begrepen. Ik vroeg me namelijk af hoe het volgen van een opleiding een impact zou kunnen hebben. Als ik het goed begrijp, behoudt een werknemer, wanneer hij een opleiding volgt, zelfs al doet hij dat individueel, toch de fiscale korting wanneer hij normaal in een ploegensysteem werkt. Dat is dan uitgeklaard. Bedankt voor uw toelichting. De fiscale voordelen bij overmakingen naar het buitenland Collega's, personen die geld naar hun land van herkomst sturen, ontvangen in veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, belastingverminderingen op die overmakingen. Overmakingen is een wat krakkemikkige vertaling van remittances . Hoeveel bedragen de overmakingen vanuit België in totaal en per land? Welke belastingvoordelen gelden er in België voor dergelijke overmakingen? Hoeveel bedraagt de totale en per land toegepaste belastingvermindering? Hoeveel bedragen van de belastingverminderingen voor overmakingen vanuit België per type belastingvoordeel? Op basis van de door de belastingplichtigen in hun fiscale aangifte via Tax-on-web ingediende gegevens voor het aanslagjaar 2024 – inkomsten 2023 bedraagt het totaalbedrag van in het buitenland betaalde onderhoudsuitkeringen 148,9 miljoen euro in 183 verschillende landen. 35 landen nemen 88,12 % van de door de belastingplichtigen aangegeven totaalbedrag voor hun rekening. De lijst van die 35 landen met de bijbehorende bedragen, gerangschikt in aflopende volgorde van het totaalbedrag, wordt als bijlage neergelegd bij de commissie voor Financiën en Begroting. U zult die lijst ontvangen. De genoemde cijfers hebben betrekking op overmakingen naar het buitenland die de aard van een onderhoudsuitkering hebben. In dat geval kunnen ze, volgens de huidige wetgeving, voor 80 % worden afgetrokken van het totale netto-inkomen, mits aan de volgende voorwaarde wordt voldaan: de overmakingen moeten regelmatig worden betaald of toegekend aan personen die geen deel uitmaken van het gezin van de onderhoudsplichtige en voortvloeien uit een verplichting op grond van het burgerlijk of gerechtelijk wetboek of een gelijkaardige verplichting in een buitenlandse wetgeving. De betaling moet door bewijsstukken worden gestaafd. Die aftrek geldt volgens de huidige stand van wetgeving zowel voor onderhoudsuitkeringen aan rijksinwoners als aan niet-rijksinwoners. Zoals u ongetwijfeld weet, zijn er aanpassingen doorgevoerd naar aanleiding van de wet diverse bepalingen van 11 december 2025. Dank u voor de toelichting en voor de cijfers. Dank u ook voor de toezegging om die bijlage via het secretariaat ter beschikking te stellen. Het gaat dus om een aftrek van 80 %, die geleidelijk zal dalen naar 70 %, 60 % en 50 %. Indien de onverbiddelijke en kwalijke wet op de echtscheidingstaks wordt doorgevoerd, zullen de gevolgen niet alleen gelden voor kinderen in gezinnen met uit de echt gescheiden ouders in België, maar ook voor kinderen in het buitenland. De sluiting van taxatiekantoren De sluiting van het taxatiekantoor van Hoei Monsieur le président, désolé de faire le "chiant" de service, mais je vais reprendre ma casquette de vice ‑ pr é sident de cette commission pour souligner les conditions dans lesquelles nous travaillons. Il n ’ est tout de m ê me pas normal de modifier à midi l ’ ensemble de l ’ ordre des questions. J ’ en ai une quarantaine. Je suis au travail depuis 8 heures. J'ai à peine eu le temps de manger une petite mousse qui tra î nait et mon collaborateur a encore son sandwich devant lui, parce que nous devons reclasser les questions qui ont été changées ou modifiées. Je ne vous en veux pas personnellement, monsieur le président, et encore moins aux services, qui font ce qu’on leur demande, mais cela ne va pas. Je suis désolé. Ce n’est pas nouveau: nous savions déjà, avant les vacances de Noël, que 250 questions étaient adressées au ministre des Finances. Ce n’est donc pas ce matin que nous avons découvert qu’il y en avait 250 et qu’il fallait les regrouper par paquets. Ce premier élément concerne donc une question de forme. En ce qui concerne le fond, j’ai failli tomber de ma chaise. Alors que j'étais en train de reclasser mes questions – ce qui explique mes cinq minutes de retard dans cette commission –, une de mes collaboratrices a dû se rendre au secrétariat parce qu’une question semblait avoir disparu. Elle n'avait en réalité pas disparu, mais vous aviez procédé à des classements. J’espère que vous me répondrez qu’il ne s’agit pas de classements politiques. Certaines questions portent sur la TVA, notamment sur les augmentations dans le secteur culturel, dans l’hôtellerie, à Pairi Daiza et pour la livraison de repas, etc. Nous aurions pu croire que toutes ces questions se retrouveraient au point 45 de l'agenda, mais certaines sont au point 45 alors que d’autres sont au point 120. Il n’y a pourtant aucune différence entre ces questions. Elles portent toutes sur la TVA, certaines de manière spécifique, d’autres de manière plus globale. Le seul élément qui semble avoir motivé cette séparation entre le point 45 et le point 120 est la volonté d’éviter un débat d’actualité. J'attends encore une réponse à ce sujet. Monsieur le président, c’est, encore une fois, une manière de museler les parlementaires et d’éviter un débat d’actualité. En effet, cinq groupes politiques ont déposé des questions, et cela aurait dû constituer le premier point. J’ose espérer que ce n’est pas le ministre des Finances qui a demandé de scinder ces questions. Je souhaiterais une réponse précise et détaillée sur les raisons de cette séparation en deux. Je peux comprendre qu'on rassemble les questions sur la TVA car nous avons de multiples questions à vous poser dans tous les secteurs. Selon moi, les questions aux points 45 et 120 sont exactement les mêmes, si ce n'est que vous voulez échapper à un débat d'actualité. Devant mes collègues, tous présents ici et qui ont très probablement constaté la même chose que moi, je voudrais savoir, monsieur le président, pourquoi vous avez refusé d’organiser un débat d’actualité et préféré scinder en deux des questions jointes pourtant exactement identiques. Je prends note de vos remarques, monsieur Bayet. Vous savez comment se font les choses: il m'a été demandé si je voulais organiser des débats d'actualité. Je me suis souvenu des autres débats d'actualité que nous avons déjà eus ici, soulevant de manière récurrente une discussion sur le temps de parole accordé aux parlementaires. Selon le Règlement, en cas de débat d'actualité, le temps de parole est réduit. J'ai donc préféré ne pas ouvrir la discussion sur le temps de parole et j'ai décidé de ne pas organiser de débat d'actualité. Je m'assurerai que tous ceux qui ont introduit une question puissent la poser. En ce qui concerne les questions jointes, j'ai suivi la suggestion des services. Ik heb geen enkel belang bij het politiek organiseren van deze vragen. Je suis ici en tant que président de commission. J’essaie d’organiser cette session avec le ministre et avec vous, en sachant qu’énormément de questions doivent être posées et, espérons ‑ le, recevront une r é ponse. En ce qui concerne le d é bat d ’ actualit é , je viens de vous expliquer la mani è re dont j ’ ai analys é cette question, et cela s ’ arr ê te l à. Non, cela ne s'arrête pas là, monsieur le président. Je suis désolé. J’entends ce que vous me dites, mais vous pouvez choisir vous ‑ m ê me lorsqu ’ il y a trois groupes politiques. Ici, nous en avons cinq ou six: l'Open Vld, Groen, DéFI, le PS et le PTB. Vous oubliez la N-VA. Vous avez donc l'obligation de respecter l'article 128 du Règlement sur les débats d’actualité en commission. Je ne sais pas qui a pris cette décision, mais vous présidez la commission. Sans doute comme beaucoup de mes coll è gues, j ’ ai regard é hier soir l ’ ordre des questions et rien n ’ avait é t é modifi é . J ’ ai encore v é rifi é ce matin  à 9 h et c'était toujours pareil. Si rien n ’ avait chang é , je ne serais pas intervenu sur les d é bats d ’ actualit é , mais vous avez décidé de modifier et de regrouper toute une série de questions. Cela pose un réel problème, d’autant plus que ces deux points, 45 et 120, ne concernent que l’opposition. Vous me dites que ce n’est pas un choix politique et que "c’est ainsi". Je suis désolé, monsieur le président, mais ce n’est pas de cette manière que les choses doivent se faire. Il s’agit d’un élément majeur dans cette commission, qui risque d’avoir des conséquences pour l’avenir et pour la Conférence des présidents. Je suis désolé, monsieur le président, mais ce n’est pas ainsi que nous devons travailler. Je demande donc l'application de l'article 128 du Règlement. Très bien, mais nous sommes actuellement occupés par le point 11 de l'agenda. Mijnheer de voorzitter, ik wil eerst even ingaan op het procedurepunt. Ik begrijp dat u de vragen hebt gesplitst om te vermijden dat er een actualiteitsdebat zou komen. Op die manier vermijdt u dat de discussie die we ooit hebben gehad, wordt heropend. Ik wil er u echter op wijzen dat het punt in de Conferentie van voorzitters werd beslecht. Wanneer bij een actualiteitsdebat een parlementslid meerdere vragen heeft, wordt zijn eerste vraag toegevoegd aan het actualiteitsdebat en behoudt hij of zij het recht om de andere vragen met de voorziene spreektijd te kunnen stellen. Dat is vastgelegd in de Conferentie van voorzitters naar aanleiding van de discussie die we hebben gehad over de meerwaardetaks. Herinnert u zich de meerwaardetaks en het debat dat we daarover hebben gehad? Toen heeft de Conferentie van voorzitters beslist dat de eerste vraag mee wordt opgenomen in het actualiteitsdebat. De andere vragen kan het parlementslid blijven stellen met de vastgelegde spreektijd. U hoeft dus helemaal niet te splitsen. U moet gewoon de beslissing van de Conferentie van voorzitters volgen. Monsieur le président, je demande l’application de l’article 128. Je veux encore bien être gentil, parce que mon objectif n’est pas d’être râleur. Mais simplement, nous sommes dans un État de droit. Il y a des règles et nous devons les appliquer. Nous pouvons continuer avec les autres questions, mais les questions n° 45 et 120 à notre ordre du jour seront traitées lors d’un débat d’actualité demain à 14 heures. Voilà ma proposition. Je pourrais demander que nous arrêtions tout de suite. À un moment donné, il faut quand même essayer d’être respectueux de tout le monde, monsieur le président. Je sais que vous l’êtes. Nous vous avons envoyé un email à midi, et vous ne nous avez pas répondu. Je prends note. Je vais y réfléchir, monsieur Bayet. Maintenant, nous sommes au point 11. Monsieur le président. Je me permets d'intervenir aussi brièvement pour soutenir la proposition qui est faite par M. Bayet. Parce qu'effectivement, nous avons aussi des questions dans deux groupes de questions jointes. Force est de constater qu’énormément de gens ont introduit des questions sur la TVA. Il était donc logique, à partir du moment où un certain nombre est atteint, que soit le président, de son initiative, soit parce qu'il y a au moins cinq groupes, cela devient d'office un débat d'actualité. C’est le Règlement. C’est à cela que nous nous attendions quand nous avons vu le stock des questions; mais ce n'était pas fait à 14 h. Maintenant, des gens ne sont peut-être pas au courant de la discussion ici. Il me semble donc que c'est une bonne proposition que de regrouper ces questions sur la TVA dans un débat d'actualité demain à 14 h. Monsieur Bayet, vous avez la parole pour votre question sur la fermeture des bureaux de taxation. Excusez-moi, monsieur le président. Je veux bien continuer, je l’ai dit. Je veux bien poursuivre la question, mais il faut d’abord trancher ce point. C’est une question de fond, monsieur le président. Soit vous posez votre question, soit je passe au point suivant. Si vous voulez, toute l'opposition peut sortir. On peut discuter de tout ce que l’on veut. Je suis l’agenda. On discute du Règlement, monsieur le président. Votre discussion porte sur le point 45 de notre agenda. À ce moment-ci, nous sommes au point 11 et je poursuis avec le point 11. Je vous ai dit que j’allais y réfléchir. Pour l’instant, nous sommes au point 11. Soit vous posez votre question, soit je passe à l’intervenant suivant. Je trouve cela tout de même un peu cavalier, monsieur le président. Je suis désolé, mais c’est vous qui nous mettez dans cette situation. Ce n’est pas moi. Je ne fais qu'essayer de faire respecter le Règlement. Monsieur Bayet, posez-vous votre question au point 11, oui ou non? Je demande un vote ou, si vous le souhaitez, j'appelle la Conférence des présidents. On peut voter Il n’y a aucun vote sur l’agenda. Monsieur le président, je pose une question de fond sur le Règlement. Posez-vous votre question sur la fermeture des bureaux, oui ou non? Je vais poser ma question, mais franchement, c’est une blague. J’écrirai à la Conférence des présidents. Je vous ai donné une réponse, monsieur Bayet Vous pouvez me donner toutes les réponses que vous voulez. À un moment donné, il y a une légalité dans ce Parlement. Si vous voulez essayer de faire comme Trump et les autres, c’est votre problème, pas le mien. Pour ma part, j’irai jusqu’au bout afin de faire respecter la réglementation. Monsieur le ministre, vous avez décidé que le SPF Finances allait fermer 22 des 43 bureaux de taxation dans le cadre de votre plan Horizon 2030. Je voudrais connaître votre analyse d'impact. Quels sont les critères qui ont prévalu à la fermeture de ces 22 bureaux pour n'en laisser plus que 21? Quelles seront les balises ou les indicateurs concrets qui vont permettre d'évaluer dans les prochaines années si le niveau de service est effectivement maintenu? Je rappelle que ce sont des services aux citoyens. Les usagers ou les associations de défense des contribuables vont-ils être associés à l'évaluation de cette réforme? Dire depuis votre bureau de Bruxelles que "tout va bien Mme la Marquise" sans avoir une évaluation des citoyens, cela me paraîtrait un peu particulier, d'autant qu'ils nous paient et qu'ils vous donnent de l'argent pour avoir justement ces services décentralisés. Comment vous assurerez-vous que la concentration des services dans un nombre réduit d'agences centrales ne provoquera pas une surcharge de travail pour les équipes et un allongement des délais de traitement pour les contribuables? Veuillez me détailler le contenu concret du trajet d'accompagnement que vous avez annoncé pour les agents concernés: la formation, la mobilité interne, géographique, le télétravail, les primes, le soutien logistique, etc.? Comment mettre en mouvement tout cela? Quel sera l'impact en termes de temps et de coût de déplacement pour les agents transférés vers les agences centrales? Y a-t-il des compensations prévues? Ce calendrier de mise en œuvre est-il négocié avec les organisations syndicales? Je suppose que oui et que vous n'allez évidemment pas apporter de modifications majeures aux conditions de travail sans un accord préalable. Le plan d'infrastructure Horizon 2030 est un projet de modernisation important pour le SPF Finances, qui vise à adapter le service public aux réalités sociales actuelles et le préparer aux évolutions futures, tout en maintenant un service public de qualité, accessible et durable. Dans le cadre de ce projet, le service aux citoyens est une priorité absolue. Depuis la crise sanitaire, la majorité des démarches fiscales se font désormais à distance, par voie numérique ou téléphonique. En 2024, seul 0,5 % des contribuables a sollicité un rendez-vous physique pour sa déclaration d'impôt. Pour les personnes qui en ont besoin, des permanences locales continueront d'être organisées, notamment durant la période de déclaration fiscale, dans les communes qui en font la demande. D'ailleurs, la collaboration avec la Régie des Bâtiments a été constante et transparente. Contrairement à certaines inquiétudes, la Régie a été pleinement associée à la mise en œuvre du plan et a salué la qualité de la concertation et du travail accompli. Les objectifs budgétaires sont clairs et assumés: la centralisation des services permettra de réaliser des économies substantielles tant pour la Régie des Bâtiments que pour le SPF Finances, tout en modernisant les environnements de travail. Les bâtiments qui fermeront entre 2027 et 2030 sont situés dans les communes suivantes: Ostende, Roulers, Saint-Nicolas, Audenarde, Diest, Turnhout, Pelt, Tongres, Marche-en-Famenne, Nivelles, Saint-Vith, Verviers, Huy et Philippeville. S'agissant du bureau de Huy, je confirme que les agents de service de l'administration générale de la fiscalité seront redéployés cette année vers le site de Liège. Ce redéploiement se fera dans le respect des droits des agents et en concertation avec les organisations syndicales. Quant aux rendez-vous physiques pour les déclarations d'impôts dans les bâtiments visés à Huy pendant l'année complète de 2024, mon administration en a compté 450. Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Tout d'abord, je définis la modernisation comme étant davantage de services pour moins cher, et non pas moins de services dans un désert administratif. Nous allons donc évidemment nous assurer que ce soit le cas. Je vous ai demandé quels avaient été les critères qui ont amené ces décisions et je ne les ai pas eus. Donc, soit vous me les envoyez, soit je vous dépose une question écrite. Sur le fait que le personnel va bouger, je n'ai pas eu beaucoup de réponses non plus. Vous pouvez me les renvoyer par écrit aussi ou je redépose une question, c'est comme vous voulez. Mais c'est quand même notre matière première, nos fonctionnaires. Et donc, j'aimerais quand même m'assurer que tout ça est négocié avec eux. S'agissant de l'évaluation, là non plus, je n'ai pas eu beaucoup de réponses. Je veux bien vous croire, je pense qu'il ne sert à rien de garder les bâtiments énormes si on n'a plus que sept personnes qui viennent par semaine. Mais c'est bien de l'évaluer avec les travailleurs sur place, avec les délégations syndicales et avec les citoyens qui bénéficient de ces services. Je me permettrai donc de revenir avec une autre question sur cette nécessaire évaluation. De impact op de begroting van de dwangsommen voor het niet naleven van rechterlijke beslissingen Monsieur le ministre, depuis l’entrée en vigueur, début août, des lois sur l’accueil et les demandes ultérieures, plusieurs familles avec enfants se retrouvent à la rue. Leurs avocats ont obtenu gain de cause devant le tribunal du travail de Bruxelles, qui a rappelé que Fedasil a l’obligation de leur fournir un hébergement. Ces décisions sont exécutoires, or elles ne sont pas appliquées. Derrière ces dossiers, il y a des vies. Une mère seule avec son bébé d’un an est contrainte de dormir dehors après avoir fui des violences subies, alors même qu’elle a obtenu le statut de réfugiée. Ces histoires humaines sont bouleversantes. Elles ont aussi une conséquence directe sur le budget fédéral. Le non-respect des jugements entraîne une avalanche d’astreintes qui s’ajoutent aux plus de 6,5 millions d’euros déjà dus. Monsieur le ministre, mes questions sont budgétaires, mais elles partent d’une conviction: une gestion inhumaine est toujours, au final, une gestion coûteuse. Premièrement, pouvez-vous préciser l’impact actuel et prévisionnel de ces astreintes sur le budget de l’État et la manière dont elles sont intégrées dans votre trajectoire budgétaire pour les années à venir? Deuxièmement, quel est le coût actuel, à charge du contribuable, du non-respect par le gouvernement de ses obligations? Troisièmement, quels mécanismes de suivi budgétaire et de provisionnement sont prévus pour assumer les conséquences actuelles de cette mauvaise gestion? Quatrièmement, quelles garanties donnez-vous que l’État respectera les décisions de justice afin d’éviter que l’idéologie ne se traduise en gaspillage d’argent public? Monsieur Daerden, je dois m’excuser. Nous aurions peut-être dû prendre contact avec vous auparavant, car les trois premières questions que vous posez relèvent plutôt des compétences du ministre du Budget, et la quatrième de celles du ministre de la Justice. Je m’en excuse. Merci pour cette brève réponse. Je les transmettrai donc à vos collègues concernés, à l'un d'entre eux tout du moins. Accijnsverlagingen De accijnshervorming Mijnheer de minister, op 14 september was u te gast bij VTM. U vermeldde dat – zoals we weten – de accijnzen in dit land zo hoog zijn dat dezelfde producten veel goedkoper zijn in onze buurlanden. U dacht daarbij vooral aan frisdrank en water. Dat leidt tot grensshoppen, wat op zijn beurt aanzienlijke verliezen voor de Schatkist met zich brengt. Volgens u kan een verlaging van de accijnzen zelfs leiden tot een verhoging van de staatsinkomsten. Laffer is alive and kicking . Dat is uiteraard een interessante stelling: lagere belastingen of lagere belastingtarieven leiden tot meer opbrengsten. Ik heb daarover een aantal vragen. Ten eerste, hoe hoog wordt het verlies voor de staatsinkomsten door grensshoppen geraamd? Kunt u daarbij, indien mogelijk, een opsplitsing maken per buurland? Ten tweede, op welke producten wilt u de accijnzen verlagen? Vallen de accijnzen op energie en brandstoffen ook onder die maatregel? Ten derde, hoe groot is de accijnsverlaging per product dat u voor ogen hebt? Ten vierde, wat is de geraamde meeropbrengst per product als gevolg van een accijnsverlaging? Het gaat over grensshoppen en dus niet over elektriciteit. Ten vijfde, binnen welke termijn wilt u die accijnsverlagingen doorvoeren? Ten zesde, aansluitend bij die Lafferiaanse benadering, zijn er naast accijnzen nog andere belastingen waarvan een verlaging kan leiden tot hogere staatsinkomsten? Zo ja, welke andere belastingen wilt u verlagen om de staatsinkomsten te verhogen en hoeveel meeropbrengsten verwacht u? Ten zevende, kunt u een defensiebelasting uitsluiten dan wel bevestigen? Ten achtste, blijft de regering vasthouden aan de afspraak uit het regeerakkoord dat de belastingdruk bij geen enkele begrotingsopmaak of -controle hoger mag uitvallen dan bij de aanvang van de regering? Ten negende, kunt u toelichten hoeveel de belastingdruk volgens die regel maximaal zou mogen bedragen en hoeveel de belastingdruk vandaag bedraagt? Monsieur le président, en référence à la question précédente, je remercie M. le ministre d'acquiescer à mes propos selon lesquels notre méthode de travail n'est pas idéale puisque vous voyez bien que, même pour lui, cela occasionne des problèmes. Monsieur le Ministre, Vous avez annoncé votre volonté de profiter des prochaines négociations budgétaires pour revoir certaines accises et taxes touchant directement la grande distribution, dans le but de rendre les achats « nationaux » plus attractifs et de lutter contre le phénomène persistants des courses transfrontalières. Pouvez-vous préciser : Quelles mesures fiscales concrètes vous envisagez de mettre en œuvre dès janvier prochain afin d'alléger le prix des produits de consommation courante en Belgique (notamment l'eau, les boissons sans sucre, le thé, le café, ou encore les emballages réutilisables) ? Comment vous évaluez l'effet budgétaire net de ces réductions de taxes pour l'État, puisque vous évoquez une possible augmentation des recettes via une hausse de la consommation locale ? Je vous remercie d'avance pour vos réponses​ Collega’s, grensoverschrijdende aankopen blijven een belangrijk aandachtspunt. De verschillen in accijnzen en productprijzen tussen België en onze buurlanden zetten consumenten er regelmatig toe aan hun aankopen in het buitenland te doen, wat een impact heeft op onze binnenlandse verkoop en op de fiscale ontvangsten. Voor een diepgaandere analyse, waarnaar u naar vraagt, verwijs ik graag naar een studie van het Prijzenobservatorium uit 2023, waarin de verschillende prijzen in België en in de buurlanden worden vergeleken. Volgens Fevia vertegenwoordigden die aankopen in 2023 een recordbedrag van 769 miljoen euro, waarvan het merendeel in Frankrijk werd besteed. Ik wil er eveneens op wijzen dat België actief deelneemt aan de Europese discussies over de herziening van de tabaksrichtlijn. Dat proces zal bijdragen tot het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden voor economische operatoren, terwijl tegelijk de doelstellingen inzake volksgezondheid worden versterkt. Comme vous le savez, l'accord de gouvernement prévoit plusieurs mesures visant à lutter contre les achats transfrontaliers. Elles y sont énumérées textuellement. Vous pouvez donc les y retrouver. Bien entendu, j'espère pouvoir les appliquer le plus rapidement possible. En ce qui concerne les produits non alimentaires, le problème est évidemment moins lié aux accises qu'aux coûts salariaux et à ceux de l'énergie. Comme vous le savez, le gouvernement entend agir sur ces deux aspects. Ainsi que je l'ai déjà indiqué, la lutte contre les achats transfrontaliers peut conduire à une augmentation de recettes via davantage d'accises et de TVA en Belgique. Bien évidemment, cela dépendra, dans une large mesure, du comportement des consommateurs. Tegelijkertijd werk ik ook aan een bredere fiscale hervorming, die ook andere belastingverlagingen omvat. Wat de financiering van toekomstige uitgaven betreft, met inbegrip van die in de defensiesector, zullen de besprekingen binnen de regering doorslaggevend zijn. Ik heb in de commissie het belang benadrukt om voor verschillende opties open te blijven staan, zonder op dit moment op specifieke keuzes vooruit te lopen. De fiscale druk in België behoort tot de hoogste op internationaal niveau. Het is mijn ambitie om via gerichte hervormingen de fiscale druk te verlagen en de economische dynamiek te versterken, terwijl tegelijk een evenwicht tussen competitiviteit en budgettaire verantwoordelijkheid wordt nagestreefd. Met betrekking tot de timing zal ik dit jaar nog met een wetsontwerp naar de regering gaan, conform de maatregelen die in het regeerakkoord terug te vinden zijn. Dank u wel, mijnheer de minister. Dank u om de grootteorde eventjes te schetsen, met de studie van het Prijzenobservatorium en Fevia. Ik begrijp dat vooral onze zuidgrens een probleem is. In het begrotingsakkoord staan natuurlijk heel veel maatregelen. Uw uitspraak bij VTM ging specifiek over accijnsverlagingen. Nu is er wel in een accijnsverlaging voor elektriciteit voorzien, maar er staan in het begrotingsakkoord toch geen andere accijnsverlagingen? Er zijn wel heel wat verschuivingen van btw, maar niets specifieks over accijnzen. Hoe transparant en gedetailleerd u bent over de omvang van het grensshoppen, zo flou blijft u over de belastingdruk. U spreekt daar een algemeen principe uit, maar ik had graag geweten wat de belastingdruk op dit moment is. Hoeveel mag dat maximaal bedragen? Hoeveel was dat in het begin van de regeerperiode en hoeveel is dat nu? Door een aantal maatregelen, onder andere in de programmawet, zien we dat de fiscale druk vanuit de federale overheid lichtjes is gestegen. Wat we ook weten, is dat er door de centenindex op een bepaald moment een loonmatigingstaks op de indexsprong zelf wordt geheven, dus op loon dat men niet heeft. Men verdient bijvoorbeeld 6.000 euro. Men zou normaal 120 euro extra moeten krijgen, maar die 40 euro krijgt men dus niet. Er wordt dus belasting geheven op loon dat men niet heeft. Daardoor kan het niet anders – daarvoor moet men geen genie zijn – dan dat de belastingdruk op de lonen stijgt. Monsieur le ministre, vous vous référez à l’accord de gouvernement. Accord de gouvernement qui, comme vous le savez mieux que moi, date de février, mais que vous n’avez pas encore su mettre en place, puisqu’il a fallu se revoir en juillet. En juillet, cela n’allait toujours pas. Il a fallu se revoir pour avoir un budget 2026 à la fin de l’année. Cela n’allait toujours pas. Vous êtes un peu arrivés à un semi-accord fin novembre. Nous attendons toujours la concrétisation de celui-ci. Des textes vont arriver. À part, en effet, une diminution de la TVA sur l’électricité, nous ne voyons rien d’autre venir. Je trouve cela dommage, mais nous suivrons évidemment attentivement tout ce que vous allez, j'espère, nous soumettre dans les prochaines semaines. Je vous remercie. Fiscale fouten te goeder trouw De uitspraak van het hof van beroep van Gent (belastingverhoging bij eerste fiscale overtreding) Het arrest van het Gentse hof van beroep over belastingverhogingen De fiscale weerslag van de rechtspraak over het 'recht om zich te vergissen' Mijn eerste vraag heeft betrekking op de fiscale fouten te goeder trouw. In het regeerakkoord werd voorzien in de afschaffing van de belastingverhoging in geval van goede trouw voor alle federale belastingen. De programmawet van juli 2025 heeft het recht op fiscale fouten te goeder trouw echter enkel ingevoerd voor de inkomstenbelasting, met name de personenbelasting. De fiscus kan voortaan geen belastingverhoging van 10 % meer opleggen wanneer een belastingplichtige zich voor het eerst schuldig maakt aan een fiscale overtreding te goeder trouw. Het is bovendien aan de fiscus om het tegendeel te bewijzen. Daarover heb ik drie vragen. Waarom wordt de afschaffing van de belastingverhoging in geval van goede trouw uitsluitend toegepast in de inkomstenbelasting, meer bepaald de personenbelasting, en niet op andere federale belastingen? Is de regering bereid om, conform het regeerakkoord, de afschaffing van de belastingverhoging in geval van goede trouw ook toe te passen op andere federale belastingen, zoals de btw? Op welke belastingen zou dit dan betrekking hebben en wat is de voorziene planning en timing? Fiscale maatregelen hebben in beginsel betrekking op het volledige inkomstenjaar. Waarom treedt deze maatregel pas in werking op 29 juli 2025 en niet op 1 januari 2025? In dezelfde thematiek, maar toch enigszins verschillend, wil ik uw aandacht vestigen op een recente uitspraak van het Hof van Beroep van Gent van 18 november 2025. We hebben het daarnet al gehad over de wijziging door de programmawet. Op het ogenblik dat ik mijn vraag indiende, heeft het Hof van Beroep van Gent een arrest gewezen waarin werd geoordeeld dat de beoogde belastingverhogingen administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter zijn in de zin van het EVRM. Daardoor is het beginsel van de retroactieve werking van de mildere strafwet van toepassing, dat voorrang heeft op het Belgisch recht. Naar mijn oordeel is dit arrest een regelrechte bom. Met dat arrest volgt het Hof immers de stelling dat de wijziging in de programmawet, die voorziet in het afzien van een belastingverhoging en in een vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding, ook moet gelden voor eerder gevestigde aanslagen die nog in debat zijn of die nog voor de rechtbank kunnen worden aangevochten. De gevolgen van deze uitspraak beperken zich niet tot de belastingverhoging die werd opgelegd bij een eerste overtreding te goeder trouw, maar strekken zich ook uit tot de minimale belastbare grondslagen. Dat brengt mij tot de volgende vragen. Heeft de minister reeds kennis kunnen nemen van dit arrest? Waarom werd op de, naar het lijkt, evidente voorrang van het internationaal recht niet geanticipeerd en werd bijgevolg een onwettige datum van inwerkingtreding in de programmawet opgenomen? Bestaat er een inschatting van de impact van dit arrest op lopende betwistingen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de toepassing van artikel 206/3, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, dat in vele gevallen zal komen te vervallen? Samengevat, collega’s, zorgt dat arrest van het hof van beroep ervoor dat, gelet op het strafrechtelijk karakter, retroactief voor alle hangende zaken of zaken die nog aanhangig worden gemaakt, niet alleen de sanctionerende belastingverhoging van 10 % zal moeten worden terugbetaald, maar dat ook eventueel de belastbare grondslag moet worden geregulariseerd, bijvoorbeeld als er een betwisting is over de totale winst en die niet volledig door de fiscus in aanmerking wordt genomen. Nu blijkt dat wel het geval te zijn. Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over hetzelfde arrest van het Gentse hof van beroep, dat definitief de praktijk van sanctionerende belastingverhogingen bij een eerste fout op de belastingaangifte vernietigt. Voortaan moet met terugwerkende kracht het uitgangspunt van de goede trouw worden toegepast op oudere aanslagen als daarover nog een betwisting loopt. Het arrest draait daarmee de bewijslast om. Het is niet aan de belastingplichtige om de goede trouw te bewijzen, maar aan de fiscus om de kwade trouw aan te tonen. Dat creëert mogelijk een aantal problemen binnen uw bevoegdheden, die om een oplossing vragen. Ten eerste blijken er mogelijk zeer veel dossiers te zijn waarin een sanctionerende belastingverhoging van 10 % werd toegepast en waartegen mogelijk ook beroep werd aangetekend. Voor 2022 zou het in totaal gaan om 84.000 dossiers die werden geopend voor een belastingverhoging. Hoewel het onduidelijk is om hoeveel beroepsprocedures het gaat, kan worden vermoed dat het om een aanzienlijk aantal gaat en dat dit dus extra werk inhoudt voor de fiscus. Hoe zal de fiscus die dossiers behandelen en dus de bewijslast aanleveren en welke extra middelen stelt u daarvoor ter beschikking, gelet op de lineaire besparing van 1,8 % bij de fiscus? Ten tweede leidt het arrest mogelijk ook tot minder belastinginkomsten, met een impact op de begroting. Er zijn immers advocaten die stellen dat ondernemingen door de vernietiging van de belastingverhoging met terugwerkende kracht mogelijk enkele boekjaren als verlies kunnen registreren en dat in veel gevallen ook de aanslagen zelf zullen wegvallen. Gaat u akkoord met die analyse? Zo ja, welke impact verwacht u op de belastinginkomsten en hoe houdt u daarmee rekening in de begrotingsbesprekingen? Mijnheer de minister, Ik heb het uiteraard over dezelfde uitspraak waarnaar de vorige twee sprekers verwezen. Het arrest zorgt niet alleen voor een juridische onzekerheid, maar houdt ook een potentieel budgettair risico in, zoals collega Vanbesien aanhaalde. In 2023 ging het al om 48 miljoen euro aan dergelijke sancties. Indien dit arrest een precedent schept voor dossiers die nog hangende zijn – sommige lopen wellicht al 20 jaar – spreken we over zeer aanzienlijke bedragen. Bovendien grijpt het ook in op de vennootschapsbelasting, door de combinatie van een minimale sanctie van 10 % belastingverhoging en het aftrekverbod. Dat heeft een directe weerslag op de effectieve belastingdruk en de inkomsten voor de Staat. Bovendien dreigt de administratieve last om al die herberekeningen en terugbetalingen uit te voeren voor de administratie gigantisch te worden. Kunt u een inschatting geven van het aantal lopende administratieve en gerechtelijke procedures waarin een belastingverhoging voor een eerste overtreding administratief en gerechtelijk wordt aangevochten? Over welk volume aan dossiers spreken we hier? Heeft uw administratie reeds een simulatie gemaakt van de totale budgettaire impact indien de rechtspraak van Gent algemeen gevolgd wordt? Houdt u hierbij ook rekening met het effect op de vennootschapsbelasting, gezien de impact op het aftrekverbod? Zal de FOD Financiën zich neerleggen bij de toepassing van de lex mitior, de mildere strafwet, of zal er een cassatieberoep worden aangetekend om de budgettaire belangen te vrijwaren? Indien u niet naar cassatie stapt, zijn er provisies aangelegd in de begroting om die potentiële terugbetalingen en de bijhorende moratoriuminteresten op te vangen? Collega’s, het regeerakkoord bepaalt inderdaad dat goede trouw het uitgangspunt moet zijn bij de toepassing van administratieve sancties. Inzake btw is er sinds de instructie 2018/1/41 van 13 juni 2018 een automatische kwijtschelding mogelijk. Het is echter de bedoeling om ook inzake btw bijkomende initiatieven te nemen. Dan kom ik tot de argumentatie. Ik citeer daarvoor het advies van de Raad van State: "Er werd zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de aanslagprocedure. Na een aangifte, die vermoed wordt juist te zijn, vindt een controle plaats die aanleiding geeft tot een bericht van wijziging. Tenslotte volgt een vestiging van de aanslag, de inkohiering en de motivatie waarom al dan niet rekening werd gehouden met de opmerkingen van de belastingplichtige. Op dit moment kan de belastingverhoging effectief worden toegepast. Het leek dan ook logisch hierbij aan te sluiten en aan te duiden vanaf wanneer het wettelijk vermoeden temporeel wordt toegepast, zijnde wanneer de effectieve belastingverhoging ontstaat." Overeenkomstig het advies van de Raad van State werd dat ook letterlijk opgenomen in de memorie van toelichting. Wat de vraag betreft over overtredingen begaan tegen de bepalingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale vorderingen (WMGI) geldt dat ook die op dezelfde wijze zullen worden geanalyseerd als de overtredingen van de andere wetboeken. Vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 18 juli 2025 had de rechter reeds de mogelijkheid om, op basis van de feitelijke gegevens van het individuele dossier, de belastingverhoging van 10 % te beoordelen. Daarbij moet de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur eerbiedigen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De rechter kan binnen diezelfde grenzen de opgelegde belastingverhoging van 10 % beoordelen. De administratie heeft dus steeds de mogelijkheid om het gebrek aan goede trouw aan te tonen. Die mogelijkheid blijft bestaan na de rechtspraak inzake de lex mitior. Wat de hangende geschillen betreft waarbij een belastingverhoging van 10 % werd toegepast, onderzoekt mijn administratie geval per geval, op basis van de feitelijke gegevens, of er sprake kan zijn van een afwezigheid van goede trouw. Daarbij wordt rekening gehouden met de richtlijnen vermeld in de circulaire 2025/C/49. De bewijslast ligt bij mijn administratie. In overeenstemming met de programmawet is er geenszins sprake van een vermoeden van goede trouw in geval van een aanslag van ambtswege. De mogelijkheid tot het instellen van een voorziening in cassatie wordt momenteel door mijn administratie nog onderzocht. Gelet op de individuele beoordeling van elk geschil en op het feit dat een dergelijke belastingverhoging niet alleen werd opgelegd inzake vennootschapsbelasting met een eventueel bijhorend aftrekverbod, maar ook in een groot aantal aanslagen in de personenbelasting, is het op dit moment nog niet mogelijk om de budgettaire gevolgen van arresten van het hof van beroep te Gent te bepalen. Om die reden is het ook niet mogelijk om het aantal dossiers op te geven dat aanleiding zal geven tot een ontheffing van de belastingverhoging van 10 %. Het recente arrest van het hof van beroep van Gent van 18 november 2025 verandert dus in se niets aangezien de rechter de beoordelingsbevoegdheid blijft behouden. In het voormelde arrest wordt bovendien ook bepaald dat de administratie niet het tegendeel van de goede trouw bewijst. Ten slotte, het vroegere artikel 207, 7°, van het WIB92, thans artikel 206/3 van hetzelfde WIB, bepaalt dat wanneer een belastingverhoging van 10 % of meer effectief wordt toegepast, bepaalde aftrekken niet mogelijk zijn. De niet-toepassing van een belastingverhoging van 10 % heeft tot gevolg dat voormelde bepaling niet kan worden toegepast. Voor het eerste deel van mijn vraag noteer ik dat u ook voor de fiscale fouten te goeder trouw bijkomende initiatieven gaat nemen in de btw-regeling. Inzake de uitspraak van het hof van beroep gaat u daar toch iets te licht overheen. Ook in het verleden kon de rechter die beoordeling doen. Wat nu gebeurt, is dat, doordat het hier gaat om een strafrechtelijke sanctie of een administratieve fout met een strafrechtelijk karakter, de retroactieve werking van de mildere strafwet onmiddellijk speelt. Dat betekent dat wij nu al weten dat in alle zaken die nu aanhangig zijn of die aanhangig worden gemaakt, de belastingplichtige niets meer moet bewijzen. Dat betekent in principe dat alle zaken die voorliggen, bij wijze van spreken allemaal van tafel zijn als het een eerste fout te goeder trouw betreft. U laat uw administratie dus best eens navraag doen naar een inschatting van het aantal zaken die nu allemaal onder de nieuwe regeling vallen. Zoals de collega’s ook hebben aangegeven, is het noodzakelijk om te proberen de budgettaire gevolgen daarvan in te schatten. De mensen uit de sector met wie ik heb gesproken, spreken over een fiscale splinterbom. Het kan immers gaan over vele miljoenen euro’s die niet naar de Schatkist vloeien. Terecht, maar u zult daar rekening mee moeten houden. Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Los van de budgettaire impact, waarvan u aangeeft dat die vandaag nog niet kan worden berekend, onderschrijf ik het principe van goede trouw. Ik heb dat ook eerder gezegd tijdens het debat daarover. Ik heb daarbij altijd aangegeven dat dat betekent dat er meer mankracht nodig zal zijn bij de fiscus, aangezien het nu aan de fiscus is om de kwade trouw te bewijzen. De bewijskracht ligt bij de fiscus, waardoor die over de nodige mankracht moet beschikken. Die situatie wordt ondertussen realiteit. We moeten ervoor zorgen dat de criticasters van het principe van goede trouw geen gelijk krijgen. Het is dus belangrijk dat frauduleuze dossiers daardoor niet bewust door de mazen van het net glippen. Daarom is een reactie nodig en verdienen we een antwoord op de vraag hoe de fiscus daarmee zal omgaan en of die voldoende mankracht heeft. Ik sluit mij aan bij de bezorgdheid van de twee voorgaande sprekers. We mogen de gevolgen van die uitspraak op tal van lopende dossiers niet onderschatten. Ik begrijp enerzijds het antwoord van de minister, die duidelijk maakt dat elk dossier individueel beoordeeld moet worden. Daardoor kan men niet eenvoudig met één klik een overzicht krijgen van het aantal dossiers dat een impact zal ondervinden. Anderzijds is de uitspraak een zwaard van Damocles. Een grondige analyse is dus echt aangewezen en uw diensten moeten daar verder mee aan de slag gaan. We zullen het dossier blijven opvolgen. Het is maar correct en eerlijk dat iedereen zijn deel doet. Zoals collega Vanbesien zegt, moeten mensen die bewust fraude plegen ook worden aangepakt. Dat is bijzonder belangrijk. De toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6 % op deelwagens voor personen met een handicap In het kader van de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6 % voor voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met een handicap, wens ik verduidelijking te bekomen over de toepassing van dit tarief in situaties waarin het voertuig niet op naam van één individuele persoon staat. Dit speelt onder meer bij deelmobiliteitsprojecten die specifiek worden opgezet voor personen met een handicap. In dergelijke initiatieven worden voertuigen immers exclusief ter beschikking gesteld van deze doelgroep. Hoewel de wagen in dat geval niet op naam van één individuele persoon is ingeschreven, wordt het gebruik wel beperkt tot personen die voldoen aan de voorwaarden om van het verlaagde btw-tarief te genieten. De administratie heeft in het verleden reeds via circulaire 2019/C/23 een pragmatische interpretatie toegelaten van het begrip "persoonlijk gebruik" door personen met een handicap. Wij zouden daarom graag vernemen of ook in deze context – waarbij deelwagens uitsluitend door personen met een handicap worden gebruikt – kan worden geoordeeld dat dit onder "persoonlijk gebruik" valt in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 en de vermelde circulaire. Een bevestiging van deze interpretatie zou toelaten om ook bij de aankoop van dergelijke voertuigen in deelprojecten voor personen met een handicap het verlaagde btw-tarief van 6 % toe te passen. Dit zou een belangrijke stimulans vormen voor de verdere uitbouw van toegankelijke deelmobiliteit voor personen met een handicap. Mijnheer Tas, de fiscale gunstregeling inzake btw verleend aan bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten voor een auto die voor persoonlijk vervoer wordt gebruikt, wordt slechts toegekend mits enkele strikte voorwaarden. Wat de btw betreft, komt die gunstregeling in feite neer op de toepassing van een nultarief op de aankoop van een auto. Volgens de Europese btw-richtlijn mag een verlaagd btw-tarief eigenlijk niet worden toegepast voor auto's bestemd voor invaliden en gehandicapten. De Europese Commissie heeft in 1992, in het kader van de afschaffing van de fiscale grenzen, België evenwel de toelating gegeven om in het kader van zijn sociale politiek deze gunstregeling, die werd ingevoerd op 1 januari 1970, te behouden, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat België die regeling niet uitbreidt. Deze toelating is een uitzonderingsmaatregel die werd opgenomen in het proces-verbaal van de Raad Ecofin van 19 oktober 1992. De gunstregeling kan dus enkel worden ingeroepen voor een automobiel voor personenvervoer dat door een beoogde invalide als persoonlijk vervoermiddel wordt gebruikt. Uit de bepalingen van de betreffende regeling zelf blijkt dat de gunstregeling een strikt persoonlijk recht is dat slechts wordt verleend aan de invalide zelf. Het voertuig mag in principe niet worden gebruikt zonder aanwezigheid van de invalide die het voordeel geniet. Slechts in een beperkt aantal situaties aanvaardt de administratie dat er vervoer is zonder aanwezigheid van de invalide in het voertuig, maar ook in die gevallen moet er een onmiddellijk verband bestaan met de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van de betrokken invalide. Een auto die gebruikt wordt in een autodeelsysteem kan niet worden aangemerkt als het persoonlijk vervoermiddel van de invalide. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, kan geen gunstig gevolg worden gegeven aan het verzoek om de gunstregeling inzake btw voor voertuigen voor personen met een handicap uit te breiden naar projecten inzake autodelen. De wettelijke voorwaarden om van de gunstregeling te kunnen genieten zouden immers worden miskend en bovendien bestaat het risico dat de hele gunstregeling in het gedrang komt. Bedankt voor uw duidelijke antwoord. Het is uiteraard bijzonder jammer, maar we zijn nu eenmaal gebonden aan historische regels of afspraken op dat vlak die misschien niet meer toepasbaar zijn op de huidige manieren om hiermee om te gaan. We zullen dit ook nog verder onderzoeken. Vraag nr. 56008389C van mevrouw Thémont wordt op haar vraag omgezet in een schriftelijke vraag. Het belasten van de internetgiganten Vous avez une réponse pour moi, monsieur le président, c'est bien ça? Pas encore? Pour en revenir à votre question, je crois qu'il y a six ou sept personnes qui veulent prendre la parole. Quand je lis le règlement, je vois qu'il y a un intervenant dans la… U kunt het hoofd schudden, maar, als ik uitga van de organisatie van een actualiteitsdebat, dan is er één spreker per fractie. …une personne par groupe qui prend la parole. Ensuite, la discussion est close, à la suite de quoi, je pense, les autres peuvent poser leurs questions et ainsi se joindre au débat d'actualité. Wat zal evenwel het antwoord zijn van de minister op dat moment? Ik verwijs naar het debat dat we juist gehad hebben. Ik kan me voorstellen dat, mocht ik minister zijn, ik er ook zou naar verwijzen omdat het in essentie over dezelfde dingen gaat. Daarom heb ik geoordeeld dat we geen actualiteitsdebat zullen houden. Als u erop staat om absoluut een actualiteitsdebat te organiseren, dan zullen we vandaag punt 45 niet behandelen. Ik stel voor dat we morgen ons wetgevend werk doen en dat we daarna een actualiteitsdebat houden. Voor mij is dat geen probleem, maar dan zal het zijn volgens de regels zoals ze hier zie van een actualiteitsdebat. …un intervenant par groupe. C'est comme vous voulez. Dat is tenminste de afweging die ik gemaakt heb. Je suis d'accord, monsieur le président. C'est exactement ce que j'ai proposé: continuer de traiter toutes les questions simples aujourd'hui et traiter demain les questions jointes aux points 45 et 120 après les deux débats. Avant même l'examen des projets de loi, peut-être, ce qui nous permettrait d'avoir le débat avant le dossier. Mag ik een vraag stellen aan de commissie? Mijn vrouw is morgen jarig. Ik had daarom voor morgen een einduur gevraagd. Kan dat gerespecteerd worden? Vandaag wil ik gerust langer doorgaan. Morgen eindigen we rond 17.30 uur en vandaag is het einduur normaal gezien 18.00 uur. Dat is aan de commissie om te beslissen. Ik wil graag morgen het actualiteitsdebat houden, zolang we maar rond 17.30 uur kunnen eindigen. Dan moeten we gewoon tempo maken en het afgerond krijgen. Ik wou er een plezierig feestje van maken. Ik hoor van de minister dat hij vandaag langer kan blijven, maar de commissie is vandaag wel geagendeerd tot 18.00 uur. Ook ik heb daarna andere afspraken. Mijnheer Bayet, morgen is er wetgevend werk en daarna het actualiteitsdebat. M. le président, on a un grand accord, pour lequel je vous remercie. Normalement on aurait le débat aujourd'hui. Je propose qu'on continue jusqu'à ce que M. le ministre doit partir. C'est l'anniversaire de son épouse demain. Donc évidemment, il a ses engagements. Continuons donc aujourd'hui jusqu'au maximum pour que le ministre soit libéré. Demain matin, on peut commencer par les débats d'actualité et faire le débat jusqu'à l'heure que M. le ministre sait rester pour les deux propositions de loi. De voorstellen hebben recht van voorrang wegens de hoogdringendheid. De agenda zal morgen worden medegedeeld. We vervolgen nu de commissievergadering. Monsieur le ministre, vous le savez, la justice française a tranché en faveur d’Amazon concernant certaines activités qui ne relèvent pas du champ d’application de la taxe sur les services numériques. En même temps – et c’est peut-être le plus important –, ce jugement confirme la validité et la légitimité de cette taxe dans son principe même, puisqu’il s’agit désormais d’une contribution reconnue et déjà appliquée en France aux activités des grandes plateformes numériques. Vous le savez également, cette taxe, fixée à 3 % du chiffre d’affaires réalisé sur certains services numériques, a rapporté 750 millions d’euros en 2024. Cela constitue une réponse concrète au déséquilibre fiscal persistant entre les grandes entreprises numériques internationales et les acteurs économiques soumis au système classique d’imposition. Cette situation existe aussi bien en Flandre que dans les autres régions du pays je suppose. Il devient de plus en plus difficile d’expliquer à nos petites et moyennes entreprises pourquoi elles supportent une pression fiscale élevée alors que de nombreuses grandes multinationales y échappent. Dès lors, ne pensez-vous pas qu’il serait opportun que notre pays s’inspire de ce modèle français et envisage la mise en place d’une taxe analogue sur les services numériques, afin que les géants du numérique contribuent de manière équitable au financement de nos services publics, de nos entreprises et de nos écoles? Il ne faut pas être gêné, monsieur le ministre. Parfois, les bonnes idées viennent d'ailleurs, y compris des Français. L’exemple français montre qu’il n’est pas nécessaire d’attendre une unanimité européenne pour agir. Je vous remercie d’avance pour votre réponse. Monsieur Bayet, l'accord de gouvernement prévoit que, si aucun accord ne peut être conclu au niveau européen et international, la Belgique élaborera unilatéralement une taxe numérique. En premier lieu, la Belgique s'inscrit donc dans notre engagement de mettre en œuvre les accords internationaux relatifs à une taxe sur les services numériques. Si aucun accord ne peut être atteint au niveau européen ou international, la Belgique élaborera au plus tard, à partir de 2027, une taxe numérique de manière unilatérale. En tout état de cause, cette taxe respectera le principe de l'égalité des conditions de concurrence, donc le level playing field , entre les entreprises belges et étrangères opérant sur le marché national. La taxe ne pourra pas avoir pour effet que la pression fiscale soit plus élevée pour les entreprises belges que pour les entreprises étrangères. À ce sujet aussi donc, je respecterai l'accord de gouvernement. Merci monsieur le ministre. C'est une bonne nouvelle! Je crois qu'il est vraiment plus que temps que toutes les entreprises soient taxées de la même façon. Parce que si nos petits et moyens entrepreneurs sont taxés de plus en plus, c'est bien parce que les plus grands d'entre eux ne sont pas taxés, y compris tous ceux qui ne résident même pas en Belgique. J'aurais préféré qu'on ait déjà une taxe ici, en 2026. Mais enfin, vous vous engagez clairement, s'il n'y a pas d'accord européen, à le faire en 2027. Je vous en remercie et nous suivrons évidemment avec attention ce dossier. Merci monsieur le ministre. De fiscale regeling voor de derde pensioenpijler Monsieur le ministre, depuis de nombreuses années, l'État encourage les citoyens à souscrire une épargne pension individuelle dans le cadre du 3 e pilier. Cette incitation prend principalement la forme d'un avantage fiscal qui peut aller jusqu'à 30 % des montants versés chaque année, dans la limite de 1 500 euros au titre de 2025. L'argument avancé est que cet effort individuel viendrait compléter la pension légale et améliorer le niveau de vie des retraités. Cependant, plusieurs études, notamment de l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) ont mis en évidence le poids important des frais appliqués par les banques et les compagnies d'assurance réduisant ainsi le rendement net pour l'épargnant. En outre, au moment du 60 e anniversaire, l'administration fiscale prélève un impôt libératoire de 8 % sur le capital constitué, ce qui signifie que l'État dispose d'informations précises sur les montants accumulés par les épargnants. Monsieur le ministre, pouvez-vous indiquer pour l'année 2024 combien de contribuables ont souscrit une épargne pension du 3 e pilier et pour quel montant moyen annuel? Quelle est la répartition du recours à ce dispositif selon les quartiles de revenus et selon le genre? Pouvez-vous préciser sur base des données fiscales disponibles au moment du prélèvement de 8 % à 60 ans, le montant moyen, le montant médian effectivement accumulé par les épargnants, la répartition de ces capitaux en fonction des quartiles de revenus et du genre? Comptez-vous œuvrer à diminuer les frais appliqués par les banques et les compagnies d'assurance afin d'assurer le rendement net pour l'épargnant? Si oui, pourriez-vous m'indiquer comment et sous quel calendrier? Monsieur Daerden, je tiens tout d'abord à rectifier le montant mentionné dans votre question. Pour 2025, les contribuables ont droit à une réduction d'impôt de 30 % s'ils versent maximum 1 050 euros et à une réduction d'impôt de 25 % s'ils versent plus de 1 005 euros, avec un maximum de 1 350 euros, et non 1 500 euros comme indiqué dans votre question. Les données les plus récentes de mon administration concernent l'exercice d'imposition 2024, portant sur l'année de revenus 2023. Durant cet exercice d'imposition, 2 497 405 contribuables ont demandé à bénéficier de la réduction d'impôt pour versement dans le cadre de l'épargne-pension. Le montant total versé est de 2,16 milliards d'euros et le montant moyen s'élève à 864 euros. Pour rappel, les montants maximum étaient de 990 euros, pour une réduction d'impôt de 30 %, et 1 270 euros pour une réduction d'impôt de 25 % durant l'année de revenus 2023. Un historique du nombre de contribuables et du montant total versé dans le cadre de l'épargne-pension est disponible sur le site du SPF Finances, sous l'onglet statistiques et analyses (https://finances.belgium.be/fr/statistiques_et_analyses). L'administration fiscale ne dispose pas de données quartiles, mais je vous fournirai un tableau avec la répartition par décile. La répartition par genre est équilibrée: les femmes représentent un peu plus de 50 % du nombre de contribuables, et ont demandé la réduction d'impôt pour épargne-pension, et un peu plus de 50 % du montant total versé. Mon administration ne dispose pas de données relatives aux montants totaux accumulés pour les épargnants. Nous travaillons actuellement à un avant-projet de loi visant à neutraliser autant que possible les coûts liés à l'épargne-pension. J'espère pouvoir présenter cet avant-projet au Parlement dans les plus brefs délais. Je transmettrai au secrétariat de la commission un tableau contenant de nombreux chiffres, afin qu'il soit repris dans le compte rendu. Il s'agit des données par décile de l'épargne-pension, le nombre de contribuables, les montants totaux versés, le montant moyen versé pour les différents déciles, de plus qu'un tableau de la répartition par genre, le nombre de contribuables et le montant total versé. Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse et la rectification. Désolé pour l'erreur dans notre question. Merci pour les différente informations concernant les différents déciles. Je reviendrai sur un élément. Je pense que nous nous rejoignons, car votre intention est de faire une correction. Il s'agit du coût élevé des intermédiaires financiers. S'il pouvait être contraint et diminuer, cela serait évidemment tout bénéfice pour les épargnants. Belfius Private Belfius a récemment annoncé le lancement de sa nouvelle structure "Belfius Private", qui vise à rassembler ses activités Private et Wealth dans une offre intégrée de banque privée, avec l'ambition de gérer 100 milliards d'actifs à l'horizon 2030. Cette activité concerne aujourd'hui plus de 145 000 clients et plus de 60 milliards d'euros d'encours, et prévoit un élargissement par le biais d'un réseau physique de "Private Houses". Dans ce contexte, pourriez-vous préciser : - comment le gouvernement entend assurer que le développement de cette nouvelle activité par une banque détenue par l'État se fasse dans le respect des missions d'intérêt général et sans compromettre la vocation publique de Belfius; - si vous estimez qu'un tel accent mis sur la clientèle fortunée est compatible avec le rôle d'une banque publique qui est de garantir un service bancaire accessible et durable pour l'ensemble de la population? Belfius est une banque assureur universelle belge qui offre ses services à tous les segments de clients, indépendamment de leur patrimoine. C'est justement par cette approche, qui vise à servir tous les pans de la société belge et tous les segments de clients, que Belfius est à même de servir également les populations moins favorisées. Grâce à son développement en private banking , en wealth management , mais aussi en corporate banking , Belfius a été en mesure de remplir pleinement son rôle sociétal, bien au-delà de ce que font les autres banques en Belgique. Le développement de l'activité de Belfius sur ces segments permet donc de financer le développement et de garantir des services qualitatifs et accessibles au plus grand nombre. Les parts de marché de Belfius pour la première partie de 2025 illustrent d'ailleurs très bien les efforts équilibrés que Belfius fournit pour tous les acteurs de la société belge. Ces parts de marché sont les suivantes: 19,8 % en crédit hypothécaire; 20,8 % pour le segment business ; 21,6 % pour le segment corporate banking ; 15,2 % pour le private banking et plus de 50 % dans le secteur public. L'ancrage de Belfius dans tous les piliers de la société belge pour ses activités tant bancaires que d'assurance garantit sa solidité financière et contribue à renforcer son capital et sa rentabilité au fil des ans en tant que banque systémique. Rien qu'en exploitant pleinement la synergie entre différents segments de clients, Belfius s'assure donc d'un business model pérenne qui lui permet de diversifier et de maîtriser ses risques, d'augmenter et de diversifier ses revenus tout en maîtrisant ses coûts, ce qui lui permet in fine de continuer à développer une offre de qualité pour tous les segments et de jouer pleinement son rôle de soutien à la société belge dans son ensemble. À titre d'exemple, au premier semestre 2025, outre les comptes de paiement gratuits accessibles à tous, Belfius dénombrait 162 865 comptes sociaux. En collaboration avec les CPAS, dont Belfius est la banque, ces comptes sociaux permettent aux plus fragiles d'accéder à des moyens financiers. Par ailleurs, 64 500 clients Belfius bénéficient toujours d'un service bancaire de base. Merci pour votre réponse. Je n'aurais jamais cru entendre de votre bouche qu'une banque belge appartenant à l'État belge fasse mieux que les banques privées. Je suis d'accord avec vous: c'est en effet l'un de nos joyaux et nous devons continuer à soutenir cette banque, qui doit évidemment respecter toutes les règles du secteur. Je vous remercie pour l'ensemble de ces informations et je reviendrai probablement vers vous dans une question écrite, car j'ai tout de même quelques questions sur l'application de vos réglementations par toute une série de banques. Je ne parle toutefois pas ici de Belfius spécifiquement. Je vous remercie pour votre réponse et pour votre soutien indéfectible, si je comprends bien, à cette banque publique belge. Ik wil de collega’s van het Vlaams Belang en van Open Vld erop wijzen dat we nu heel snel zullen gaan, onder andere omdat de vragen van mevrouw Verkeyn worden omgezet in schriftelijke vragen. De investeringen van banken in fossiele energie Monsieur le ministre, selon une récente étude menée par plusieurs ONG, dont Reclaim Finance, les 65 plus grandes banques mondiales ont accordé, entre 2021 et 2024, plus du double de financements aux énergies fossiles (3.285 milliards de dollars) qu'aux énergies dites soutenables, comme l'éolien ou le solaire (1.368 milliards de dollars). Concrètement, pour chaque dollar investi dans les énergies fossiles, seuls 42 cents soutiennent la transition énergétique. Ce constat est contraire aux trajectoires recommandées par l'Agence internationale de l'énergie (AIE) et aux engagements climatiques de l'accord de Paris. Si les banques françaises s'en sortent mieux que d'autres pays, l'étude ne met toutefois pas en avant de manière claire la performance des établissements belges. Or, les banques opérant en Belgique, en tant qu'acteurs financiers majeurs, ont une responsabilité particulière dans la mobilisation de capitaux vers des secteurs compatibles avec nos objectifs climatiques. Leur rôle est déterminant pour réduire progressivement l'exposition aux énergies fossiles et accroître significativement le financement de la transition énergétique. Pouvez-vous préciser quelle évaluation le gouvernement fait actuellement de l'implication des banques belges dans ce domaine et quelles actions concrètes seront entreprises pour s'assurer que le secteur bancaire belge accélère son désengagement des énergies fossiles et augmente ses investissements dans les énergies soutenables, conformément à nos engagements européens et internationaux en matière climatique? Zo gaat het wel heel snel. Monsieur Bayet, il incombe aux institutions financières, elles-mêmes, d'élaborer une stratégie et de prendre des décisions commerciales pour leur organisation. Cela vaut également en matière de finances durables. Les pouvoirs publics ne peuvent pas obliger les institutions financières à investir ou non dans certains secteurs ni à accorder des prêts. En revanche, ils peuvent faciliter les investissements soutenant la transition climatique et énergétique, par exemple en favorisant une plus grande transparence. La réglementation européenne et les initiatives visant à promouvoir la finance durable s'inscrivent dans cette logique. En particulier, le cadre européen de reporting en matière de durabilité, qui est affiné via le paquet législatif dit Omnibus, renforce cette transparence. Il est important à cet égard de souligner que la réglementation européenne en matière de finances durables n'exclut aucun secteur de l'accès au financement. De même, la réglementation prudentielle ne prescrit pas que certaines entreprises ou secteurs ne puissent plus recevoir de crédit ni que d'autres secteurs doivent recevoir davantage de financement. Un déplacement massif et soudain des financements entre secteurs pourrait en outre engendrer une instabilité financière, ce qui n'est pas souhaitable d'un point de vue prudentiel. En revanche, il est attendu des institutions financières qu'elles intègrent systématiquement les risques liés au climat et à l'environnement au même titre que les autres risques dans leur gestion des risques. Elles doivent également adopter une perspective à long terme et, à partir de 2026, établir des plans prudentiels indiquant comment elles comptent aborder les risques physiques et les transitions liées au changement climatique et à la dégradation de l'environnement à court, moyen et long termes. Les décisions finales en matière d'octroi de crédit et les conditions y associées relèvent en revanche entièrement de la responsabilité des institutions financières. Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Je crois que nous pouvons faire un peu plus par rapport aux banques. Vous avez décidé de montrer l’exemple avec les citoyens en augmentant la taxation sur les chaudières au mazout. C’est une bonne chose d’un point de vue environnemental. C’est une mauvaise chose d’un point de vue social, puisque vous n’aidez pas les plus pauvres d’entre nous. Mais en ce qui concerne les banques, je vous rappelle qu’elles ont des milliards stockés sur leurs comptes. Moi, je dis cela, c’est juste pour être cohérent par rapport à votre accord de gouvernement. Je pense que nous pouvons être un peu plus actifs par rapport aux choix faits par les banques, et que nous pouvons sans problème orienter des choses un peu plus strictes par rapport aux énergies fossiles. De vragen nrs. 56008419C, 56008421C, 56008423C en 56008494C van mevrouw Charlotte Verkeyn worden omgezet in schriftelijke vragen. Collega's, morgen zullen we ons actualiteitsdebat over de btw houden, in het algemeen. Voor de goede orde preciseer ik dat al diegenen die vragen hebben ingediend, de spreektijd zullen krijgen waarop ze volgens hun aantal vragen recht hebben. Ze zullen geagendeerd worden onder dat punt en zullen dan ook aan het woord komen. Is dat goed? ( Ja ) De fiscale hervorming ter stimulatie van arbeid en aanwervingen De netto loonsverhoging, een illusie voor de middenklasse De belastinghervorming Mijnheer de minister, ik denk dat dit een belangrijk onderwerp is. Ik weet dat deze vraag al gesteld is, maar tot nu toe hebben wij nooit een antwoord mogen krijgen. Het betreft nochtans een heel belangrijke belofte uit uw campagne en bovendien staat het in uw regeerakkoord. Het gaat erom dat werken meer moet lonen en dat er een verschil van 500 euro per maand moet zijn tussen mensen die werken en mensen die niet werken. Er werd ook gezegd dat mensen 1.000 euro per jaar extra zouden verdienen. Als ik voorbij de slogans kijk en naar uw begrotingstabellen voor 2026, 2027 en 2028 kijk, zie ik echter een ander beeld; zeker sinds het begrotingsakkoord van december, waarin u de verhoging van het netto-inkomen uitstelt tot 2030. Dat is een beetje zoals zeggen op café: "Ik ga trakteren, maar mijn opvolger zal het betalen." We hebben uw begrotingstabellen geanalyseerd. Voor een Belg met een mediaanloon – ik heb het over de hardwerkende middenklasse – lijkt die belofte een lege doos. U versnelt wel de fiscale werkbonus, maar dat geldt alleen voor de allerlaagste lonen. Dat is op zich nobel, maar de algemene belastingverlaging die iedereen ten goede zou komen, schuift u door naar de verre toekomst. Misschien komt die ooit terecht bij uw opvolger. Ik wil duidelijkheid krijgen. Hoeveel euro netto, per maand of per jaar, dat maakt niet uit, krijgt een Vlaming met een mediaanloon – ongeveer 3.700 euro bruto – er effectief bij in 2026 en 2027? Krijgt iemand met een mediaanloon er überhaupt iets bij? Creëert u, door alleen de laagste lonen een bonus te geven, geen nieuwe promotieval? Zo krijgt iemand die promotie maakt of net iets meer verdient niets, maar hij betaalt wel de volledige nieuwe belastingen. Monsieur le ministre, il s'agit effectivement d'une grande, grande, grande promesse. Augmenter le pouvoir d'achat des travailleurs via une réforme fiscale en trois volets – le bonus emploi, la diminution de la cotisation spéciale de sécurité sociale et la quotité exemptée d'impôt –, c'est ce qui était dans l'accord de gouvernement. Au début, il était question de 500 euros net en plus par mois. En juillet dernier, vous m'indiquiez qu'en 2029 on arriverait à une augmentation de 110 euros par mois pour un isolé au salaire minimum. Comme ma collègue l'a dit, tout le monde, bien sûr, n’a pas le salaire minimum. Durant le débat budgétaire, et à la suite des notifications budgétaires, nous avons constaté que vous avez, d'un côté, avancé certaines mesures, mais que d'un autre, vous en avez postposé aussi une en grande partie, à savoir le relèvement de la quotité exemptée. Quand je lis la presse de ces derniers jours, je vois que la mesure annoncée fera en sorte qu'un isolé au salaire minimum aura, tenez-vous bien, 8 euros en plus par mois en 2026. Donc, des 500 euros, on est finalement arrivés en 2026 à 8 euros en plus par mois, et à 12 euros pour un couple! Pour ce qui est de la mesure concernant la quotité exemptée, le journal L'Echo ou La Libre – je suis désolée, je n'ai plus la source – a fait le calcul: il s'agira de 62 euros en 2029 et 91 euros en 2030. Monsieur le ministre, la question est claire. Mme Bertrand vous a posé la question par rapport à un revenu médian, mais quels sont maintenant les montants corrects? Et, toute chose étant égale par ailleurs, concernant l'augmentation du salaire d'un isolé au salaire minimum d'ici 2029, quelle est la différence entre l'estimation que vous aviez faite en juillet et celle qui peut être faite suite à l'accord budgétaire de novembre dernier? Geachte Kamerleden, het wetsontwerp met de verlaging van de personenbelasting werd aan de Kamer bezorgd en zal dus binnenkort in de commissie voor Financiën worden besproken. Die hervorming en de verlaging van de personenbelasting gaat al dit inkomstenjaar in en komt in 2030 op kruissnelheid. Daarnaast werd ook de maximale waarde van de maaltijdcheque van 8 naar 10 euro verhoogd, wat eveneens bijkomende koopkracht oplevert. Daarnaast zijn, zoals u weet, ook andere arbeidsmarktmaatregelen al van toepassing, bijvoorbeeld de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Ik zal de verschillende microsimulaties toelichten bij de inleiding op het wetsontwerp van de hervorming van de personenbelasting. Net zoals de vorige regering kiezen we ervoor om inderdaad het netto-inkomen voor de laagste lonen te verhogen via de werkbonus. Door de aanpassing van de parafiscale grensbedragen van de lage looncomponent en de zeer lage looncomponent wordt de promotieval enigszins getemperd. L'augmentation du salaire net pour un travailleur au salaire minium résultera de l'adaptation du bonus à l'emploi. Cette adaptation fait partie du projet de loi portant réforme de l'impôt des personnes physiques qui sera prochainement examiné en commission des Finances. Les montants corrects sont ceux qui figurent dans le projet de loi. Je commencerai mon introduction du projet de loi portant réforme de l'impôt des personnes physiques par une présentation des différentes micro-simulations. Je vous demanderai donc de bien vouloir aborder toutes les questions relatives aux micro-simulations lors de l'examen du projet de loi en commission. En ce qui concerne votre question, madame Merckx, sur la notification budgétaire dans les plans budgétaires initiaux, la réduction et la réforme de la cotisation spéciale pour la sécurité sociale étaient déjà prévues pour 2029. La notification prévoit une anticipation à 2028. Il n'y a donc pas de modification en 2029 par rapport à la notification antérieure. We zullen alle microsimulaties aan jullie bezorgen en toelichten wanneer we het wetsontwerp in de commissie voor Financiën bespreken. Mijnheer de minister, ik kan u moeilijk bedanken voor uw antwoord, want u hebt mij geen antwoord gegeven. U hebt gewoon herhaald wat u al maanden zegt. Ik hoor dat de wettekst zou zijn ingediend, maar dat is niet het geval, want op de website van de Kamer staat nog steeds: niet beschikbaar. Er is gewoon niets ingediend. Dat wordt vandaag voor 17.00 uur gepubliceerd. Het is 16.20 uur. We zullen dat aandachtig opvolgen, mijnheer de minister. U hebt dat wetsontwerp ingediend, maar toch kunt u geen bedrag noemen. Nochtans is dat de kern, de essentie, van uw campagnebelofte, van uw aankondigingen. Is er iets te verbergen? Is dat zo moeilijk om te berekenen? Is het problematisch om die informatie met de Kamer te delen? U hamert daar al maanden op, maar het lijkt nu het grootste geheim van de wereld te zijn. Ik vrees dat ik weet waarom. Die bedragen zullen zo veel lager liggen dan wat werd aangekondigd. De afschaffing van de BBSZ geldt alleen voor de alleenstaanden. Op zich is dat goed voor de alleenstaanden, maar dat betekent dat de gezinnen daarvan niet zullen kunnen genieten. De belastingvrije som hebt u tot 2030 uitgesteld. Wat blijft er over? U zei het zelf: een verhoging voor de allerlaagste lonen. Dat betekent dat gezinnen met een mediaanloon, de hardwerkende Vlamingen, de hardwerkende Belgen, niets zullen krijgen. Zij zullen niets zien. Integendeel, uw btw-verhoging zal alles absorberen. Ze zullen eigenlijk veel meer betalen. Monsieur le ministre, nous ressentons bien le malaise qui est présent. Nous lirons, en effet, le projet de loi. Vous dites que nous devons attendre pour les micro ‑ simulations. C ’ est surtout parce qu ’ il s ’ agit de micro ‑ augmentations. Vous aviez promis 500 euros, et nous en sommes tr è s loin. Nous sommes à peine à 8 euros par mois en 2026 pour les personnes disposant du salaire minimum. Nous serons peut ‑ ê tre à 60 euros en 2029 et à 90 euros en 2030, mais cela rel è vera d é j à de la prochaine l é gislature. Entre ‑ temps, monsieur le ministre, les gens verront leur pouvoir d ’ achat baisser. Alors que les revenus n ’ ont pas é t é augment é s, depuis le 1 er janvier, je re ç ois des centaines de messages de personnes qui me disent devoir payer 2, 3, 10, 15 ou 20   euros de plus pour leurs m é dicaments. Vous décidez d’augmenter la TVA sur les plats à emporter ou dans les cantines scolaires. Vous décidez d’augmenter le prix des abonnements de fitness. Et je ne parle même pas de tous les Wallons qui vont subir l’augmentation massive des taxes dans l’ensemble des communes. De plus, vous avez décidé de vous attaquer au pouvoir d’achat des travailleurs et des pensionnés en limitant l’indexation des salaires. Le résultat sera que votre augmentation va fondre comme neige au soleil face à toutes les hausses que les personnes subissent aujourd’hui, notamment en matière de prix et de taxes. Leur pouvoir d’achat est en train de diminuer, mais rien n’est encore voté, et nous ferons en sorte de bloquer vos réformes. Bien sûr, pas la réforme fiscale, mais celles sur la TVA et sur l’indexation des salaires, qui vont lourdement impacter le pouvoir d’achat des gens. Vraag nr. 56008552C van de heer Ribaudo is omgezet in een schriftelijke vraag. Stablecoins Monsieur le ministre, neuf grandes banques européennes, parmi lesquelles KBC et ING, ont récemment annoncé la création d’un consortium visant à lancer un stablecoin en euros d’ici 2026. Cet instrument de paiement numérique basé sur la technologie blockchain et conforme au règlement européen MiCAR, se veut une alternative crédible face à la domination des stablecoins américains – que ce soit l'USDT ou l'USDC – sur le marché. Les promoteurs de ce projet mettent en avant des avantages tels que la rapidité des transactions, la réduction des coûts, la disponibilité permanente et la sécurité des règlements. En Belgique, les banques commencent déjà à s'ouvrir aux actifs numériques, notamment par l'intermédiaire de services permettant l'achat de crypto-monnaies via leurs applications. Le lancement d'un stablecoin européen, émis directement par les institutions bancaires réunies autour d'une nouvelle entreprise dédiée à la gestion de cette monnaie numérique, pourrait représenter une opportunité pour renforcer la position du secteur financier belge et européen, tout en contribuant à l'autonomie stratégique de l'Union européenne en matière de paiement. Alors, monsieur le ministre, j'en viens à mes questions. La première: que pensez-vous de cette initiative bancaire et des opportunités qu'elle pourrait dégager pour les banques belges? Ensuite, quels seraient, selon vous, les avantages concrets pour notre économie et pour les consommateurs belges en cas de généralisation de l'usage des stablecoins? Troisièmement, quelles garanties sont-elles envisagées pour assurer la sécurité, la transparence et la stabilité de ces nouveaux instruments financiers? Et pour conclure, monsieur le ministre, le gouvernement fédéral entend-il soutenir activement le développement de ces projets européens, notamment en matière de cadres réglementaires et d'intégration dans le système bancaire belge? Je vous remercie d'avance pour vos réponses. Monsieur Dufrane, le stablecoin en question, s’il se concrétise, sera qualifié d’Electronic Money Token, un EMT, dans le cadre du nouveau règlement européen MiCAR. MiCAR, pour Markets and Crypto Assets Regulation, constitue le cadre juridique de l’Union européenne visant à réglementer les crypto-actifs, leurs émetteurs et les prestataires de services dans l’ensemble des États membres. Ses objectifs sont d’assurer la protection des consommateurs et des investisseurs, l’intégrité du marché et la stabilité financière, tout en favorisant l’innovation dans le secteur de la finance numérique. Le règlement MiCAR introduit des règles relatives à l’émission, à la négociation et à la conservation des stablecoins et établit des exigences de licence pour les prestataires de services sur crypto-actifs. Il comprend également des dispositions destinées à prévenir les abus de marché et impose des obligations de transparence, notamment par le biais de whitepapers et de divulgations. Les EMT sont définis comme des crypto-actifs visant à maintenir une valeur stable en se référant à une seule monnaie officielle et sont considérés comme une forme de monnaie électronique. En tant que telle, leur émission est limitée aux entités autorisées en tant qu’institutions de crédit ou établissements de monnaie électronique. C’est la raison pour laquelle, selon les informations relayées par les médias, le consortium bancaire concerné envisage de créer une entreprise distincte qui sollicitera un agrément en tant qu’établissement de monnaie électronique aux Pays-Bas. Les émetteurs d’EMT doivent respecter des exigences strictes. Ils doivent notamment garantir des droits complets de remboursement – des redemption rights – pour les détenteurs de jetons à leur valeur nominale, interdire le paiement d’intérêts sur les tokens et soumettre un whitepaper détaillé sur les crypto-actifs à l’autorité de contrôle compétente, en l’occurrence l’autorité néerlandaise. Ces obligations visent à assurer un niveau élevé de transparence, de protection des consommateurs et de solidité financière. Pour le surplus, il ne m’appartient pas de m’immiscer dans les décisions relevant de la politique commerciale des banques ni de les commenter. Les acteurs du secteur financier déterminent librement leurs politiques et stratégies commerciales dans le respect du cadre réglementaire applicable, y compris lorsque l’État est actionnaire. Enfin, il va de soi que je m’attèle à ce que soient adoptées, sans délai, les mesures nationales nécessaires pour compléter ce cadre réglementaire et permettre une application rapide et complète du MiCAR en Belgique. C’est ma mission en tant que ministre des Finances, et celle du gouvernement dans son ensemble, de veiller à la mise en place de ce cadre réglementaire et au niveau de protection et de transparence décidé au niveau européen. Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée et toutes les informations techniques concernant les stablecoins. Il est important de vulgariser ces monnaies virtuelles afin de ne pas se laisser distancer par d'autres devises sur les marchés. Et je ne doute pas de votre implication dans ce secteur et dans ce dossier pour représenter la Belgique au mieux. De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen De dringende invoering van een importverbod De importban voor goederen uit door Israël bezette gebieden Ik heb mijn vraag voor de kerstvakantie ingediend, maar ze blijft zeer actueel. De Standaard kopte deze week nog dat de regering-De Wever het Gaza-akkoord vergeet. Op 2 september vorig jaar heeft de regering een akkoord bereikt over een aantal belangrijke maatregelen met betrekking tot de oorlog in Gaza, waarvan men weet dat er in de door Israël bezette gebieden nog steeds wordt gesloopt. Volgens een van die maatregelen kregen de federale ministers van Economie en van Financiën de opdracht om samen met de minister van Buitenlandse Zaken een koninklijk besluit op te stellen dat voorziet in een nationale importban voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt zijn in de door Israël bezette gebieden door de bezettende macht. Tevens diende de nodige controle van de naleving van de importban te worden voorzien. Er werden al enkele vragen over gesteld, ook aan u, mijnheer de minister, en u verwees inderdaad naar de complexiteit van de materie. Belangrijk is te weten dat ook andere landen, zoals Spanje, Ierland en Slovenië, met soortgelijke maatregelen bezig zijn. Minister Prévot zal morgen van mij ook een vraag krijgen, evenals minister Clarinval. Het is duidelijk dat de minister van Buitenlandse Zaken volgens het artikel in De Standaard zijn werk reeds heeft uitgevoerd. Mijn vraag aan u is of u de nodige elementen hebt aangeleverd opdat minister Clarinval verder zou kunnen werken aan het koninklijk besluit? Kunt u een stand van zaken geven over de voorbereiding van de maatregel? Minister Prévot vermeldt dat de toepassing ervan niet eenvoudig is. Welke deelaspecten behoren daartoe? Is er voldoende wettelijke basis om de situatie te regelen? Staat u in contact met uw collega’s uit Ierland, Slovenië en Spanje, die eveneens een gelijkaardig voorstel uitwerken? Op dit moment is er geen andere vraagsteller aanwezig. Mijnheer de minister, u hebt het woord. Het is een belangrijke materie. Daarom zal ik de vragen van de andere collega’s in hun geheel beantwoorden. Dat is een kwestie van beleefdheid, omdat zij de moeite hebben gedaan om deze vraag te stellen, maar niet de moeite hebben gedaan om aanwezig te zijn. Conformément aux traités sur l'Union européenne, aucune législation nationale ne peut imposer d'interdiction en matière douanière. Par conséquent, il sera fait appel à la législation économique du SPF Économie. Pour l'identification des marchandises, les contrôles se concentreront sur l'origine et l'expéditeur. L'Administration générale des Douanes et Accises, donc l'AGD&A, n'est pas compétente pour effectuer des contrôles sur le marché belge. Une fois que les marchandises ont été libérées dans un État membre faisant partie du territoire douanier de l'Union, elles sont considérées comme des marchandises de l'Union et peuvent circuler librement sur le plan douanier. La réglementation contenue dans le Code des douanes de l'Union et dans l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël donnent à la douane la possibilité d'effectuer les contrôles nécessaires respectivement en matière d'origine non préférentielle et préférentielle, notamment sur la base de la liste des codes postaux publiée par la Commission européenne. En cas de doute fondé quant à l'origine préférentielle, une procédure de coopération administrative avec Israël peut être engagée. Le cas échéant, la douane peut soumettre l'affaire au SPF Économie afin de déterminer l'applicabilité de l'origine non préférentielle. De regelgeving vervat in het douanewetboek van de Unie en in de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, geeft de administratie van de douane de mogelijkheid om de nodige controles uit te voeren, respectievelijk inzake niet-preferentiële en preferentiële oorsprong, met name op basis van de door de Europese Commissie gepubliceerde lijst van postcodes. In geval van gegronde twijfel over de preferentiële oorsprong kan een procedure van administratieve samenwerking met Israël worden opgestart. In voorkomend geval kan de douane de zaak voorleggen aan de FOD Economie om de toepasselijkheid van de niet-preferentiële oorsprong te bepalen. Les modalités spécifiques font l'objet de consultations, qui sont en cours avec le SPF Économie. La disposition relative aux sanctions sera déterminée par la base légale sur laquelle s'appuie l'arrêté royal. Comme indiqué, la douane collabore avec le SPF Économie, y compris en ce qui concerne la mise en œuvre. Le SPF Économie prépare actuellement le projet d'arrêté royal. Le processus d'adoption sera mené à bien dans les plus brefs délais. Mijn administratie heeft ook de Nederlandse collega’s bevraagd. Uit hun antwoord blijkt dat het verbod daar nog niet is geïmplementeerd, aangezien de wetgeving zich nog in de opmaakfase bevindt bij de respectieve bevoegde autoriteiten. Het dossier geniet de vereiste aandacht en de regering zal hierover op het gepaste tijdstip communiceren. Mevrouw Van Hoof, het is dus de FOD Economie die in dit dossier de pen vasthoudt, met dien verstande dat zij alle relevante informatie van ons heeft ontvangen. Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het is duidelijk dat u uw werkzaamheden ter zake hebt afgerond, zoals ook de minister van Buitenlandse Zaken heeft meegedeeld. We vragen dan ook aan de minister van Economie om snel werk te maken van het koninklijk besluit. We zullen hem daarover opnieuw bevragen, zodat er geen enkele twijfel bestaat dat het akkoord van 2 september zal worden uitgevoerd door de Belgische regering. De reden daarvoor is duidelijk: het geweld van de Israëlische kolonisten blijft aanhouden. De situatie is nog nooit zo ernstig geweest als sinds 7 oktober en ook sinds het staakt-het-vuren. Het is belangrijk te onderstrepen dat er zelfs economisch meer gebeurt dan voorheen. Er zijn 120 nieuwe boerderijen opgericht waarvan de producten effectief op onze markt terechtkomen. Wie de documentaire No Other Land heeft gezien – naast andere interessante documentaires die op de VRT worden uitgezonden – kan vaststellen dat de werkelijkheid de verbeelding tart. Ze toont hoe men daar te werk gaat en hoe woningen met bulldozers worden vernield: men komt zich eenvoudigweg aanmelden met zwaar materieel en maakt de huizen met de grond gelijk. Het is dan ook goed dat hier snel werk van wordt gemaakt. Ik zal de regering en ook uw collega’s hierover blijven bevragen, aangezien mijn wetsvoorstel nog steeds hangende is. Ik zal het evenwel niet agenderen, aangezien u bezig bent met het koninklijk besluit, waarvoor dank. La question n° 56008773C de M. François De Smet tombe. De impact van de shutdown op de goudkoers en de beleggingen Monsieur le ministre, la situation budgétaire aux États-Unis a conduit à un shutdown gouvernemental, paralysant les services publics fédéraux. Cette situation a provoqué un recul du dollar face à l'euro et au yen, tandis que les marchés financiers restent volatils et hésitent sur leur tendance. Dans ce contexte d'incertitude, l'or a atteint un nouveau record historique, renforçant son statut de valeur refuge en période de crise économique et financière. Ces évolutions internationales ne sont pas sans conséquences pour notre pays. Le cours de l'or influence directement les stratégies d'investissement, y compris celles de la SFPIM, qui pourrait être amenée à diversifier ses placements. La volatilité de l'euro face au dollar, en lien avec les conséquences d'un shutdown prolongé, pose également la question de la solidité de notre monnaie et de ses effets sur l'économie belge, en particulier pour les importations et les exportations. Il est essentiel d'évaluer dans quelles mesures ces fluctuations mondiales affectent les finances belges et quelles stratégies peuvent être mises en place pour anticiper les répercussions sur notre économie. Mes questions, monsieur le ministre, sont: Quel suivi est effectué par vos services concernant l'évolution du cours de l'or et les opportunités éventuelles d'achats par la SFPIM dans ce contexte? Autrement dit, comptez-vous renforcer les stratégies d'investissements dans les métaux précieux au vu des forts rendements en période d'instabilité? Quels sont les impacts possibles d'un shutdown prolongé aux États-Unis sur la stabilité de l'euro et, plus particulièrement, sur la situation de notre monnaie face au dollar? Comptez-vous changer les stratégies d'investissements dans les devises étrangères? Quelles sont les conséquences attendues pour l'économie belge, notamment en ce qui concerne les coûts des importations et la compétitivité des exportations? Quid des taxes douanières dans ce contexte? Comment ont évolué les stocks d'or de la Belgique ces 6 derniers mois? Monsieur Dufrane, pour rappel, la SFPIM investit dans des sociétés et non dans des matières premières. Sa trésorerie peut uniquement être placée en titres consolidés. La mission de la SFPIM n'est pas de générer un taux de rentabilité prédéfini à partir d'une gestion d'actifs, mais bien de soutenir l'économie belge par des investissements dans des projets industriels ou entrepreneuriaux correspondant à sa politique d'investissement. En termes de gestion de trésorerie, la SFPIM est soumise à des fortes restrictions par la loi et aucune spéculation ni aucun placement à pure finalité financière ne sont autorisés. Par conséquent, l'achat de matières premières comme des métaux ne fait pas partie des missions ou des latitudes confiées à la SFPIM. Comme déjà précédemment évoqué à plusieurs reprises, les stocks d'or de la Belgique sont gérés en toute indépendance par la Banque nationale de Belgique en sa qualité de banque centrale. La détermination des possibles conséquences du shutdown sur l'économie belge, notamment par le biais d'une dépréciation du dollar et de ses effets sur le commerce mondial, ne relève pas des compétences du SPF Finances. Je ne peux donc pas renseigner valablement l'honorable membre en la matière. S'agissant des taux de droits de douane, j'attire l'attention sur le fait que l'Union européenne constitue une union douanière, pour laquelle l'Union exerce d'ailleurs une compétence exclusive fondée sur l'utilisation d'un tarif douanier commun, dont les droits sont fixés par le Conseil sur proposition de la Commission, lesquels sont ajustés annuellement en fonction des développements de la politique commerciale commune, autre compétence exclusive de l'Union, dont les négociations avec les pays, groupes de pays et les organisations internationales, sont conduites par la Commission. La situation budgétaire des États-Unis est sans effet direct à cet égard. Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et précisions, qui étaient importantes et dont je n’avais pas connaissance au moment d’écrire cette question. Je m’en excuse. Concernant le shutdown , de toute manière, la situation est désormais résolue. Je vous remercie encore pour toutes vos informations, monsieur le ministre. Vraag nr. 56008835 van mevrouw Merckx wordt ingetrokken. De heer Van Hoecke is niet aanwezig, dus zijn vraag nr. 56008841C vervalt. De actualisatie van het kadastraal inkomen De herziening van het kadastraal inkomen De transparantie en de bezwaarprocedure bij het kadastraal inkomen De nood aan duidelijke en toegankelijke informatie voor burgers over het kadastraal inkomen Mijnheer de minister, elke huiseigenaar in ons land betaalt op zijn eigendom een onroerende voorheffing, die wordt berekend volgens het kadastraal inkomen van dat eigendom. Dat kadastraal inkomen stemt overeen met de netto huurwaarde die een verhuurder in 1975 voor zijn pand zou ontvangen. Volgens de wet moet dat KI om de tien jaar worden herzien, maar dat is eigenlijk nog nooit gebeurd. Aangezien de meeste huizen en ook veel buurten sindsdien zijn opgewaardeerd, is het KI van veel woningen vaak achterhaald. De kans is groot dat een klein nieuwbouwappartement in de Antwerpse Rand een hoger kadastraal inkomen heeft dan een grote gerenoveerde villa in Brasschaat. De toekenning van het KI verloopt zeer willekeurig. De FOD Financiën bevestigt dat er geen tool, geen formule, wordt gehanteerd waarop de berekening uniform wordt toegepast. Het is dus duidelijk dat het KI tot grote ongelijkheid tussen belastingbetalers leidt. Aangezien ook de wet het voorschrijft, lijkt de berekening van het KI daarom dringend aan herziening toe. Veel gemeenten zijn ondertussen trouwens zelf met een actualisatie gestart, wat kan leiden tot meer inkomsten van de gemeentelijke opcentiemen, maar wat opnieuw geen uniforme aanpak is. Mijnheer de minister, in de plaats van de KI-berekening elke keer opnieuw te indexeren, wanneer zal de berekening op zichzelf worden herzien? De wet verplicht immers om dat om de tien jaar te doen. Bent u van plan om maatregelen voor te stellen om die berekening transparanter te maken? Zo ja, welke? Welke deadline stelt u voorop? Mijnheer de minister, ik heb een vraag over hetzelfde onderwerp, maar van een andere orde. Het kadastraal inkomen vormt inderdaad de grondslag voor de berekening van de onroerende voorheffing, maar wie niet akkoord is met een nieuw of gewijzigd KI heeft twee maanden de tijd om bezwaar in te dienen bij het controlekantoor van het kadaster. In het bezwaar moet de eigenaar een concreet tegenvoorstel doen. Als er geen akkoord wordt bereikt, kan de eigenaar een beroep doen op de fiscale bemiddelingsdienst. Als dat ook niets oplevert, wordt een proces-verbaal van niet-akkoord opgesteld en worden één of drie erkende schatters, arbiters, aangesteld die de hoogte van het KI bepalen. Daarna kan het bezwaar voor de rechtbank worden voorgezet, maar wie een tegenvoorstel gedaan heeft, loopt het risico voor de arbitragekosten op te draaien, indien het tegenvoorstel het meest afwijkt van de schatting van de erkende schatters. Dat risico is natuurlijk niet onbestaande, want de berekeningswijze van het KI is inderdaad ondoorzichtig, verouderd en absoluut niet transparant. Mijnheer de minister, waarom is de berekeningswijze van het KI niet openbaar? Bent u bereid om de berekeningswijze openbaar en vooral veel transparanter te maken? Waarom worden de burgers opgezadeld met de arbitragekosten, als zij de redelijkheid of onredelijkheid van hun tegenvoorstel niet kunnen inschatten door het ontbreken van publieke informatie over de berekeningswijze? Hoeveel KI's worden door het kadaster per jaar herberekend na een bezwaar door de eigenaars? Hoeveel bezwaren leiden per jaar tot een verhoging of verlaging van dat kadastraal inkomen? Hoeveel bedraagt de gemiddelde verhoging of verlaging van het voorgestelde kadastraal inkomen? Hoeveel bezwaren worden per jaar ingeleid bij het kadaster, maar afgebroken voor er een definitieve beslissing is? Hoeveel bezwaren bij het kadaster worden per jaar beslecht door een bindende schatting van één of drie erkende schatters of arbiters? In hoeveel procent van de gevallen moeten de eigenaars respectievelijk het kadaster de arbitragekosten betalen? Hoeveel bezwaren tegen een voorgesteld kadastraal inkomen worden per jaar beslecht door een rechtbank? U ziet dat het om een soort van procedurele trechter gaat waar men doorheen moeten. Ik zou graag enig zicht krijgen op de omvang en op wat dat alles eigenlijk voorstelt. Mijnheer de minister, het verhaal is echt kafkaiaans. Ik weet niet of u het verhaal hebt gelezen. Het gaat over Jürgen Vandewalle uit West-Vlaanderen; niet uit Brasschaat. Hij heeft met zijn vriendin een oud huis gesloopt en op die plaats een nieuw huis gezet. Kort nadat zij verhuisd waren, kregen zij een brief met daarin het kadastraal inkomen van hun huis, waarop de onroerende voorheffing wordt berekend. Dat leek hem een vrij hoog kadastraal inkomen te zijn en hij meende bezwaar te kunnen indienen met het argument dat zij niet goed begrepen waarom het zo hoog was. Naar zijn idee werken op de betrokken dienst allemaal mensen die fiscaliteit hebben gestudeerd, dus hij mende dat hij hen die vraag niet kon stellen. Het antwoord kwam via een aangetekende brief. Het hele proces verliep via aangetekende brieven. Die man is tien keer naar het postkantoor moeten gaan voor een aangetekende brief. Weet u hoeveel een aangetekende brief kost? Dat is niet 2 euro, het is wel wat meer. In de brief werd gesteld dat het onvoldoende is het bedrag te hoog te vinden, men moet immers ook een tegenvoorstel doen. Jürgen vond dat een rare vraag. Hoe kunnen hij en zijn vriendin immers weten op basis waarvan dat bedrag is berekend? Na enig opzoekingswerk heeft hij geprobeerd om een soort formule toe te passen die zij ergens hadden gevonden, namelijk bruto vloeroppervlak maal een bepaalde factor maal nog een andere factor. Zij hebben een en ander ook vergeleken met de huizen van vrienden en kennissen. Dat is echter allemaal niet eenvoudig. Jürgen stelde vast dat het totaal niet duidelijk is hoe een en ander wordt berekend. Er werden ook heel weinig antwoorden gegeven. Uiteindelijk krijgt hij als antwoord dat hij zijn plan maar moet trekken. Dat hele verhaal is heel bizar en kafkaiaans en ook typisch voor een administratie die de miserie altijd bij de mensen legt. Mijnheer de minister, erkent u dat de huidige procedure erg complex en heel weinig klantvriendelijk is? Waarom bestaat er vandaag nog steeds geen duidelijke publicatie of rekeninstrument waarmee burgers zelf hun kadastraal inkomen kunnen inschatten? Acht u het aanvaardbaar dat burgers die een fout tegenvoorstel doen, risico lopen op arbitragekosten, hoewel zij geen correcte informatie krijgen? Bent u bereid om de berekeningsmethodiek voor het kadastraal inkomen te moderniseren, te actualiseren en publiek toegankelijk te maken, bijvoorbeeld via een online tool, zodat de administratie werkt voor de mensen in plaats van dat de mensen moeten werken voor de staat? De staat is er immers om de mensen te helpen, niet omgekeerd. Mijnheer de minister, bewijs dat u dat kunt. Mijnheer de minister, mijn vragen sluiten enigszins bij de vragen van de voorgaande sprekers aan. Burgers die bezwaar willen intekenen tegen een kennisgeving door de administratie van een nieuw of aangepast kadastraal inkomen, botsen vaak op het gebrek aan transparantie. Het kadastraal inkomen heeft uiteraard een directe impact op het gezinsbudget van heel wat mensen. Uit getuigenissen blijkt dat de berekeningswijze voor burgers tegenwoordig volstrekt ondoorzichtig is en blijft. Het recente geval waarnaar de vorige sprekers verwezen, illustreert dat. Het is duidelijk dat de huidige procedure vanwege het onbekende veel wantrouwen wekt en tegelijkertijd de rechtszekerheid ondergraaft. Burgers verwachten van ons als overheid duidelijke, begrijpelijke en toegankelijke informatie, ook over de berekening van het kadastraal inkomen. Zo kunnen de burgers hun rechten en ook hun plichten uitoefenen. Mijnheer de minister, erkent u dat de huidige werkwijze weinig transparant is en voor veel burgers als ontmoedigend wordt ervaren? Ten tweede, welke stappen zult u zetten om de berekeningswijze van het kadastraal inkomen duidelijker te communiceren, bijvoorbeeld via een online tool, via publieke richtlijnen of op een andere manier? Welke criteria bepalen de waarde van het kadastraal inkomen en welk gewicht hebben die verschillende criteria? Ten derde, bent u bereid ervoor te zorgen dat burgers vooraf inzage krijgen in de concrete berekeningsparameters die voor hun woning worden gehanteerd, zodat ze onderbouwd een bezwaar kunnen indienen zonder financieel risico? Tot slot, het kadastraal inkomen wordt bepaald op basis van criteria die al geruime tijd gelden. In sommige gevallen, zoals collega Vanbesien eerder ook aanhaalde, kan het voorkomen dat vastgestelde kadastrale inkomens relatief laag uitvallen voor bepaalde woningen, terwijl ze voor veel andere hoger zijn. Dat kan uiteraard aanleiding geven tot vragen of bezwaarprocedures. Er zijn bovendien enkele lokale besturen die daar de komende periode mee aan de slag willen gaan. Mijn vraag is dan ook of in uw beleid aandacht is voor een evaluatie van de gehanteerde criteria en de methodiek, om te verzekeren dat het systeem in de praktijk zo consistent en evenwichtig mogelijk blijft. Beste collega’s, vier belangrijke feiten leiden tot een wijziging van het kadastraal inkomen: een algemene perequatie, een buitengewone herziening, een bijzondere herziening en een herschatting in geval van wijziging van het goed. De algemene perequatie heeft niet meer plaatsgevonden sinds de laatste perequatie waarbij de kadastrale inkomens werden vastgesteld op het referentietijdstip, namelijk 1 januari 1975. Deze wettelijke verplichting wordt sindsdien gecompenseerd via een jaarlijkse indexering. Vanaf 1991 worden de kadastrale inkomens automatisch geïndexeerd. In zeldzame gevallen wordt een buitengewone herziening uitgevoerd op verzoek van de burgemeesters van de betrokken gemeente. Dit leidt tot een scheeftrekking tussen de kadastrale inkomens van die categorie en die van de andere categorieën. Ook de algemene en bijzondere herzieningen zijn onderworpen aan de wettelijke procedure voor het vaststellen van het kadastraal inkomen. Steeds meer gemeenten ondernemen acties om de kadastrale beschrijving van het onroerend goed in overeenstemming te laten brengen met de werkelijke samenstelling ervan. Deze acties mogen niet worden verward met de actualisering van de schattingsgrondslag. De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie verzamelt systematisch informatie om de kadastrale documentatie zo actueel mogelijk te houden in afwachting van een modernisering van de basisgrondslag en de berekening ervan. Diverse mechanismen waarborgen de transparantie van de schatting van het kadastraal inkomen. Bij elke nieuwe schatting ontvangt de belastingplichtige een kennisgeving met het nieuwe of gewijzigde kadastraal inkomen en de bouwtechnische kenmerken van het pand. Deze kennisgeving bevat tevens de contactgegevens van de schatter, zodat rechtstreeks contact mogelijk is voor verdere toelichting. De fiche met de bouwtechnische gegevens van het pand kan worden geraadpleegd of aangevraagd via MyMinfin. Op de website van de FOD Financiën zal een rubriek "Hoe wordt het kadastraal inkomen bepaald" worden toegevoegd. Ik kom nu bij de vraag van de heer Vereeck. De schatting van het kadastraal inkomen berust, zoals elke vastgoedschatting, zowel op objectieve gegevens als op indicatoren die door de schatter worden geïnterpreteerd en toegevoegd. De werkwijze zal worden toegelicht in de genoemde rubriek. Indien bij een bezwaar tussen de onderzoekende ambtenaar en de belastingplichtige geen akkoord wordt bereikt na onderhandeling, kan de belastingplichtige kosteloos een beroep doen op de fiscale bemiddelingsdienst. Leidt ook dit niet tot een vergelijk, dan stelt de onderzoekende ambtenaar een proces-verbaal van niet-akkoord op en wordt de arbitrageprocedure opgestart. Hierbij worden één of drie scheidsrechters aangesteld om het geschil finaal te beslechten. Welke kosten met een arbitrageprocedure gepaard gaan en wie deze moet betalen, hangt af van de hoogte van het betekende kadastraal inkomen en van de schatting van de scheidsrechters. De procedure is vastgelegd bij koninklijk besluit. Ik kom nu bij uw derde en vierde vraag, mijnheer Vereeck. In 2024 werden er 281.730 KI-betekeningen verzonden. De administratie ontving in hetzelfde jaar 5.252 bezwaren, dat is net geen 2 %. In 2024 werden er 4.430 bezwaren afgesloten, waarbij het KI in 2.364 gevallen werd verlaagd en in 101 gevallen werd verhoogd. In de resterende gevallen, ongeveer 44 %, bleef het KI ongewijzigd. In 2024 werden 23 arbitrageprocedures afgesloten. De administratie werd in één dossier veroordeeld tot betaling van de kosten. In de overige dossiers werd de bezwaarindiener veroordeeld tot de kosten. In 2024 sprak de rechtbank zich in vijf dossiers uit over de betwisting van een arbitrageverslag. De cijfers van de voorgaande jaren zijn terug te vinden op de website van de FOD Financiën, onder de rubriek Beheer en Dienstverlening. Mijnheer Van Quickenborne, uw eerste vraag heb ik al beantwoord in mijn antwoord op de vraag van de heer Vereeck. De schatting van het KI kan niet in één universele rekenformule worden gevat voor alle woningen, of ruimer voor alle onroerende goederen, in België. Voor meer uitleg daaromtrent verwijs ik naar de rubriek die binnenkort beschikbaar zal zijn op de website van de FOD Financiën. Zoals ik eerder heb aangegeven, is de procedure enerzijds vastgelegd bij KB en anderzijds bestaat de mogelijkheid om in een eerdere fase een beroep te doen op de kosteloze tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst. Als er bijsturing nodig is, ben ik uiteraard bereid de procedure te bekijken. Inzake toegankelijkheid en transparantie heb ik al geantwoord dat dit via de rubriek op de website van de FOD Financiën zal worden toegelicht. Zoals ik al heb aangetoond, is een eenvoudige onlinetool voor de schatting van het KI niet mogelijk. Mijnheer Tas, ik verwijs ook naar een aantal antwoorden die ik aan de heer Vereeck heb gegeven. Voor de berekeningswijze en de transparantie verwijs ik naar mijn antwoorden aan de heer Vereeck en de heer Van Quickenborne. Zoals ik al heb aangegeven, vertegenwoordigt het KI een verondersteld jaarlijks netto huurinkomen dat een onroerend goed in 1975 onder normale omstandigheden had kunnen opbrengen. Concreet wordt het KI van een woning door de administratie geschat door de nuttig te gebruiken oppervlakte te vermenigvuldigen met een eenheidsprijs uit 1975. Dat resultaat wordt verminderd met 40 %, wat voor de onderhoudskosten staat. Daarnaast kan de schatter een min- of meerwaarde toekennen, afhankelijk van bijzondere kenmerken of omstandigheden die een impact hebben op de intrinsieke waarde van het te schatten goed. Het eerste deel kan dus in een eenvoudige formule worden gegoten, maar het tweede deel niet. Bij elke schatting ontvangt de belastingplichtige een schriftelijke kennisgeving met het vastgestelde KI en de bouwtechnische kenmerken waarop de schatting is gebaseerd. Deze kennisgeving bevat tevens de contactgegevens van de schatter, zodat rechtstreeks contact mogelijk is voor verdere toelichting. De schattingsfiche kan digitaal of op papier worden verkregen. Er blijft altijd de mogelijkheid dat de instanties die de onroerende voorheffing innen, compenseren aan de hand van een gediversifieerd opcentiemenbeleid. Mijnheer de minister, u beschrijft in uw antwoord de huidige manier van werken, maar bevestigt daarmee ook voor een groot deel de kritiek die wij daar vandaag op geven. Het kadastraal inkomen is een kwestie van fiscale rechtvaardigheid. Vandaag worden veel huizen op een verschillende manier gewaardeerd of niet geherwaardeerd na een renovatie. Het hele systeem is verouderd. U zegt zelf ook dat het gebaseerd is op de prijzen van 1975, meer dan 50 jaar geleden. Dat is achterhaald, ondoorzichtig en niet uniform. Wat ik u niet heb horen zeggen, is dat hier werk van gemaakt moet worden. Er moet een nieuw, modern en vooral transparant systeem komen om onze huizen te waarderen, zodat iedereen het gevoel krijgt eerlijk belast te worden, of ten minste op dezelfde manier als zijn of haar buren. Ik dring erop aan dit grondig te onderzoeken. Mijnheer de minister, ik heb twee dingen geleerd. Ten eerste, er zijn 218.730 KI-betekeningen en er werden 5.252 bezwaren daartegen ingediend via de kosteloze fiscale bemiddelingsdienst. In 40 % van de gevallen hebben de indieners een verlaging gekregen. Mijn oproep aan de mensen is om daar serieus naar te kijken, want men kan kosteloos bezwaar indienen en naar de bemiddelingsdienst stappen. Er is dan 40 % kans om een verlaging van het KI te bekomen. Als de herziening van het KI geweigerd wordt en men een gerechtelijke procedure start, dan is er slechts 1 kans op 23 om te slagen. In de 23 zaken moest de fiscus slechts één keer de gerechtskosten betalen en 22 keer de belastingplichtigen, zoals u daarnet zei. Dit illustreert wat we hier de hele tijd aangeven: de burger kan het KI niet inschatten en het systeem is volledig intransparant. Wanneer moet men immers de arbitragekosten betalen? Als men er ver naast zit. In 22 van de 23 gevallen, dus bijna altijd, vergist de burger zich, slaat hij er een slag naar, en wordt hij veroordeeld. Dit feit bevestigt volgens mij wat de vorige spreker ook stelde, namelijk dat het systeem compleet intransparant is en er dringend behoefte is aan een grondige hervorming. Mijnheer de minister, het verhaal van Jurgen is nog niet ten einde. Hij heeft dus tien aangetekende brieven verstuurd en het wordt op een bepaald moment duidelijk dat er geen overeenstemming wordt bereikt. Jurgen wordt dan gevraagd om naar het kantoor te komen, en Jurgen zegt dat hij zal komen. Hij vraagt of dat eventueel na de kantooruren kan, aangezien hij moet werken. Het antwoord luidt: "Nee, u moet komen; anders verliest u de zaak". Jurgen gaat ernaartoe en komt terecht in een lange gang, in een groot gebouw; het doet wat denken aan een verhaal van Kafka, je staat voor een groot gebouw en weet niet waarheen. Aan het einde van die lange gang, in een klein zaaltje, zitten twee heren die zich aangevallen voelen omdat Jurgen de berekening in twijfel trekt. Hij zegt dat het leek op een filmscène. Wanneer hij aan de twee heren vraagt hoe zijn KI wordt berekend, zeggen zij dat ze dat niet kunnen uitleggen, maar het wel kunnen tonen. Op een computerscherm tonen ze een oude Excel-tabel, van lang geleden, waarop het KI werd gebaseerd. Jurgen merkt op dat dit vreemd is, want de wijk die werd getoond was intussen volledig veranderd. Hoewel hij voorbeelden had kunnen geven van vergelijkbare huizen in de wijk, maakte dat blijkbaar niets uit. Er was dus geen concrete informatie beschikbaar om een tegenvoorstel te doen, en er is evenmin inzage mogelijk. Jurgen erkent eerlijk, het is een West-Vlaming, dat hij begrijpt dat belasting betaald moet worden en heeft daar op zich geen probleem mee, maar hij vraagt zich af waarom dit zo weinig transparant moet zijn. U zegt dat er nu een rubriek komt, wat een stap vooruit is. Ik zou echter aanraden om de procedure volledig te moderniseren – de aangetekende brieven, de klantvriendelijkheid. Ik wil waarschuwen voor een voluntaristisch voorstel van mijn collega Vanbesien, die naast mij zit. Hij stelt voor de belasting voor iedereen te verhogen. Mijns inziens is een belasting op de eigen woning, los van andere eigendommen, een aberratie. Ik begrijp niet waarom mensen belasting moeten betalen enkel omdat ze in een eenvoudig huis wonen. Ik begrijp dat niet. Mocht ik u zijn, mijnheer de minister, ik schafte die belasting op de eigen woonst gewoon af. Waarom moeten mensen, als ze ergens wonen, daarop belast worden? (…) Hoeveel dat opbrengt? Is dat de vraag? De minister stelt vragen aan het Parlement. U suggereert om dat af te schaffen. Ik zou dan gedacht hebben dat de burgemeester van Kortrijk dat al zou hebben gedaan. Ik ben geen burgemeester van Kortrijk. Dat weet u. Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Het is duidelijk dat het systeem van de onroerende voorheffing gewoon heel sterk verouderd is. Het blijft ook voor veel mensen onrechtvaardig aanvoelen. Er zijn gewoon gigantisch grote verschillen die het oneerlijk maken. Als men aan een oude auto blijft sleutelen, zal die wel blijven rijden, maar men weet dat er toch een aantal problemen mee zijn. Dat doet zich hier ook voor. Ik ben het natuurlijk wel eens met iets wat u niet uitspreekt. Dat zullen we hier ook niet horen, want op het moment dat we dit systeem grondig gaan hervormen, heeft dat uiteraard ook een gigantische impact. Daarvan moeten we ons ook bewust zijn. Een eerste belangrijke stap is er toch voor zorgen dat we veel transparanter kunnen werken. U zet vandaag een stapje in de goede richting, maar er is nog heel wat werk om ervoor te zorgen dat dat op een transparante en eerlijke manier gebeurt. Mijnheer Van Quickenborne, als mensen het gevoel hebben dat belastingen eerlijk en transparant door iedereen op dezelfde manier worden betaald, is daar ook veel meer draagvlak voor. Dat is the way to go . Verenigingen zonder winstoogmerk Mijnheer de minister, verenigingen zonder winstoogmerk (vzw's) moeten doorgaans geen belastingen betalen op hun winst. Ze zijn onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, niet aan de vennootschapsbelasting. De FOD Financiën wil echter dat sommige vzw's voortaan wel vennootschapsbelasting betalen als ze winst maken uit commerciële activiteiten, wat begrijpelijk is. Mijn vragen zijn de volgende. Hoeveel vzw's betalen er al vennootschapsbelasting? Hoeveel bedraagt de fiscale opbrengst van vzw's uit rechtspersonenbelasting respectievelijk vennootschapsbelasting? Wat verstaat de fiscus precies onder commerciële activiteiten van vzw's? Ik heb begrepen dat daarover discussie bestaat, onder andere over de organisatie van festivals en zelfs over sportkampen. Hoeveel bezwaren worden jaarlijks ingediend tegen de classificatie van commerciële activiteiten door de bedoelde vzw's? Mijnheer de voorzitter, mag ik eerst een kleine opmerking maken. De heer Vereeck stelt vaak vragen die politiek van aard zijn, maar ook heel vaak vragen over exacte cijfers, zoals aantallen, de mediaan of het gemiddelde. Ik maak er een punt van schriftelijke vragen echt heel exact en binnen de termijn te beantwoorden. Mijnheer Vereeck, had u deze vragen schriftelijk gesteld, dan had u al eerder antwoord gekregen. U doet wat u wilt, maar vragen over heel precieze cijfers zou u beter schriftelijk indienen. Ik zal uw vraag nu natuurlijk beantwoorden. In de eerste plaats wekt de vraagstelling een licht verkeerde indruk wanneer u stelt dat "de FOD Financiën wil dat sommige verenigingen zonder winstoogmerk (vzw's) voortaan wel vennootschapsbelasting betalen als ze winst maken uit commerciële activiteiten". Het wekt de indruk alsof vzw's met commerciële activiteiten voorheen niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen waren. Het correct belasten van vzw's in de inkomstenbelastingen is echter al lange tijd prioriteit van de fiscus. Zo was er bijvoorbeeld in 2004 al een controleactie waaruit bleek dat 10 % van de gecontroleerde vzw's fictief was. Voor het aanslagjaar 2024 hebben 995 vzw’s de vennootschapsbelasting betaald. Voor datzelfde jaar bedragen de fiscale ontvangsten van de vzw’s 12,1 miljoen euro voor 3.285 vzw's in het kader van de rechtspersonenbelasting, en 15,1 miljoen euro voor 462 vzw's in het kader van de vennootschapsbelasting. Om te bepalen of een vzw al dan niet onder de vennootschapsbelasting valt, moet worden onderzocht of er sprake is van de exploitatie van een onderneming of van het zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard. Dat is artikel 179, 2 e lid, § 1, ten vijfde, A van het WIB 1992. Bovendien moet rekening worden gehouden met de uitzonderingen in de artikelen 180 tot en met 182 van hetzelfde WIB, waardoor de vzw uitgesloten kan zijn van de vennootschapsbelasting. In 2024 heeft mijn administratie 28 bezwaarschriften ontvangen met betrekking tot de onderwerping van een vzw aan de vennootschapsbelasting. Bedankt voor de informatie, mijnheer de minister. De invoerheffing voor e-commerce De pakjestaks Het ontwijken van de pakjestaks De Europese vaste douanerechten op kleine e-commercepakjes en de Belgische pakjestaks De vestiging van SHEIN in Polen De pakjestaks De heer Keuten is niet aanwezig. Oorspronkelijk wou ik naar aanleiding van het bericht van begin november dat de Europese Unie, net zoals de Belgische regering, een importtaks op alle pakjes van buiten de Europese Unie, ook op de kleine pakjes onder de 150 euro, wou heffen, vernemen of de Europese en de Belgische pakjestaks naast elkaar konden bestaan, dan wel of ze mekaar zouden uitsluiten volgens het principe van non bis in idem . De situatie is ondertussen gewijzigd. De Belgische regering heeft haar pakjestaks van 2 euro ingetrokken en er komt nu een Europese taks van 3 euro. Heeft de Europese Unie eigenlijk wel de bevoegdheid om die bijkomende belasting zomaar te kunnen invoeren? Gaat die opbrengst ook volledig naar de schatkist van de Europese Unie? Ik zag in de begrotingsnotificatie ook dat er een handling fee komt. Is dat hetzelfde als de pakjestaks? Of is dat nog iets anders? Is dat dan een dubbele belasting? Komt er op pakjes uit het buitenland dan een handling fee en een Europese pakjestaks? Dient de handling fee dan eigenlijk om uw verlies aan inkomsten, dat u voorzien had met uw Belgische pakjestaks, te compenseren? Kunt u dat eens toelichten? Mevrouw Bertrand trekt haar vraag nr. 56011432C terug. Het nadeel van relatief laat een antwoord te krijgen, is dat intussen de zaken veranderen. U zult begrijpen dat ik mijn vragen dan ook wat verander, want van de zeven vragen die ik indiende, zijn er inmiddels zes achterhaald. Ik heb begrepen dat u de Belgische pakjestaks niet zal invoeren. Die komt er niet. Wel zal de Europese pakjestaks van 3 euro vanaf 1 juli 2026 van kracht zijn. Mijnheer de minister, hoe zit het dan met uw budgettaire opbrengsten? U had voor 2026 140 miljoen ingeschreven, voor 2027 200 miljoen, voor 2028 250 miljoen en voor 2029 300 miljoen. Als ik goed ben geïnformeerd, zal de opbrengst van de 3 euro Europese pakjestaks niet volledig België toekomen, maar slechts een deel, terwijl het andere deel aan Europa wordt gegeven. Hoe worden de opbrengsten verdeeld? U was ook van plan bijkomende investeringen te doen omwille van meer controleurs en controlemechanismen. Hoeveel bedragen die investeringen? Wat is uiteindelijk het budgettaire effect? Wat zal er nog overblijven van de geraamde opbrengsten? Zal dat gebeuren via een Europese richtlijn, een Europees reglement, een verordening of moet de Belgische wetgeving worden aangepast in die zin? Monsieur le ministre, fin novembre, dans le cadre de l’accord budgétaire, vous avez décidé d’introduire une taxe de deux euros sur les colis provenant de pays hors Europe. Cette mesure vise à répondre à l’afflux massif de produits bon marché. Le 11 décembre, les ministres des Finances de l’Union européenne ont décidé, eux aussi, d’introduire, au niveau européen, une taxe de trois euros par colis à partir de juillet 2026. Selon la presse du 24 décembre dernier, vous avez donc décidé de ne pas introduire de taxe belge distincte et il ne sera donc pas nécessaire d’élaborer une loi belge pour quelques mois, pour ensuite passer au système européen en juillet. Pourtant, dans les notifications budgétaires, les montants ont déjà été inscrits: 223 millions d’euros en 2026, 283 millions d’euros en 2027, 333 millions d’euros en 2028 et 383 millions d’euros en 2029. Monsieur le ministre, quel sera l’impact budgétaire de cette modification? Les notifications budgétaires actuelles intègrent-elles déjà ces derniers éléments? Comme dans le cas de la TVA, une partie de ces recettes sera-t-elle reversée à l’Union européenne? Het is een complex dossier. Enerzijds is er de handling fee en anderzijds zijn er de Europese invoerrechten. Onder andere op Belgisch niveau hadden we het steeds over een handling fee van 2 euro per pakje. We hebben dat besproken met Frankrijk, Luxemburg en Nederland, maar niet met Duitsland. In de budgettaire raming, die altijd gebaseerd was op een fee van 2 euro, hielden we rekening met een mogelijke verschuiving van het goederenverkeer om de handling fee te ontwijken, indien alleen die vier landen die zouden invoeren. De budgettaire raming is dus niet gebaseerd op een fee van 2 euro vermenigvuldigd met het dagelijkse ingevoerde aantal pakjes. Dat heeft de luchthaven van Luik de wenkbrauwen doen fronsen, om het zacht uit te drukken. Het Europees Parlement besliste vervolgens invoerrechten te heffen op pakjes met een waarde van minder dan 150 euro. Lange tijd bestond de hypothese van 10 % invoerrechten, maar op de recentste bijeenkomst van Ecofin, eind november, kwam Frankrijk met een voorstel om die vast te leggen op 3 euro. Mijnheer Van Quickenborne, u hebt gelijk: van de 3 euro gaat 25 %, dus 0,75 euro naar de lidstaten waar de heffing gebeurt, en 2,25 euro naar de Europese schatkist. De heffing van 3 euro per pakje wordt echter over heel Europa ingevoerd, vanaf 1 juli. We denken dat daardoor geen verschuiving van verkeer van goederen zal plaatsvinden. Op die manier is er dus een veel grotere belastbare basis dan met de handling fee van 2 euro per pakje, die we met slechts vier landen zouden invoeren. Wat hebben we nu op regeringsniveau over de fee van 2 euro beslist? De pers heeft gemeld dat de maatregel is afgeschaft, maar dat is niet volledig correct. Men heeft mij gevraagd om twee zaken te doen: ten eerste overleg te plegen met de sector, vooral met de luchthaven van Luik, en ten tweede te bekijken of we Duitsland kunnen betrekken bij het systeem van de 2 euro. Hypothetisch, als we dat akkoord met Duitsland kunnen sluiten, komt dat boven op de 3 euro, waardoor het totaal 5 euro zou bedragen. In Frankrijk is het wetgevingsproces aan de gang om alsnog, naast de 3 euro, een handling fee in te voeren. De Senaat heeft beslist dat die minstens 5 euro moet bedragen, boven op de 3 euro importheffing. In Roemenië, als ik mij niet vergis, is dat bedrag ook al op 5 euro vastgesteld. Ik ben nu dus gevraagd om onderhandelingen met Duitsland te voeren. Ik heb opnieuw contact gehad met de vier landen die de handling fee wilden invoeren en wij zullen daarover in de marge van de eerstvolgende Ecofin-vergadering met onze Duitse collega overleggen. Budgettair is het onze inschatting dat de heffing van 0,75 euro, vermenigvuldigd met de volledige hoeveelheid inkomende pakjes, minstens even veel zal opleveren als een fee van 2 euro die unilateriaal door vier van de vijf landen wordt opgelegd. Daarom is de budgettaire tabel niet aangepast. Het is zelfs mogelijk dat de heffing meer zal opleveren. Europa overweegt tevens om vanaf november dit jaar een handling fee in te voeren. Op dat moment zullen wij de nationale handling fee laten vallen en zal de regeling voor heel Europa gelden. Het is enigszins complex, omdat de twee initiatieven elkaar deels doorkruisen. De juridische basis van de invoering zal afhangen van de Europese onderhandelingen. Als er enkel een handling fee komt met verschillende buurlanden, zal die via een nationale wet worden ingevoerd. Als er een Europese handling fee komt met alle EU-lidstaten, zal dat via Europese wetgeving verlopen, die al dan niet in nationaal recht moet worden omgezet. Het is dus niet de bedoeling dat een Europese en een Belgische handling fee naast elkaar bestaan, maar de importheffing kan wel naast een handling fee bestaan. Het is misschien een beetje complex, maar ik denk dat ik daarmee wel de actuele situatie heb geschetst. Mijnheer de minister, ik zou de uitwerking van de budgettaire raming wel eens willen zien. Als de 75 cent die we krijgen van de Europese pakjestaks en die niet tot een verschuiving van de handelsstromen leidt, meer opbrengt dan de 2 euro fee waarbij er wel een verschuiving is, dan kan men niet anders dan concluderen dat door de fee van 2 euro de distributie van pakjes meer dan gehalveerd moest zijn. Ik kan me voorstellen dat ze dan in Luik wel eventjes in hun haar krabben. Dat zijn toch wel interessante cijfers. Ik dank u voor de uitleg. De impact is dus niet te onderschatten. De hele handel stuikt in elkaar, tot minder dan de helft. Het is dus een goede zaak dat u dat voorlopig niet unilateraal, met vier, invoert. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat ik onthoud, is dat er ofwel een Belgische handling fee komt, gecoördineerd met een aantal landen, waaronder Duitsland, ofwel komt er een Europese handling fee vanaf 1 november. Mijn inschatting is dat de Europese handling fee er zal komen vanaf 1 november. De vraag is of we al eerder samen met de buurlanden een Belgische handling fee zouden invoeren. Daar komt het op neer, maar daarvoor is die onderhandeling met Duitsland cruciaal belangrijk. Samengevat, er kan eerst nog een handling fee komen met vier of vijf landen afhankelijk van het resultaat van de onderhandelingen. Dat is één zaak. Een tweede zaak zijn de invoerrechten. Europa heeft beslist om vanaf 1 juli dit jaar een invoertaks van 3 euro in te voeren, ook voor pakjes onder de 150 euro. U zegt dat van de opbrengst 75 % naar Europa en 25 % naar België gaat. Dat is juist, maar ik heb mij laten vertellen dat Europa in haar meerjarig financieel kader (MFK), de nieuwe meerjarenbegroting, vraagt om de opbrengst van 75 % naar 90 % op te trekken. De opbrengst voor België is dus maar 10 %. U zegt dat de budgettaire tabel beter zal zijn dan we verwacht hadden, maar ik denk dat u met die 10 % niet zult behalen wat u hebt vooropgesteld. Dank u voor de volledigheid en het actuele antwoord dat u hebt gegeven, mijnheer de minister. Ik heb nog één laatste vraag. Eigenlijk heeft de pers het niet juist omschreven. Dat kan gebeuren. Het is duidelijk dat de invoerrechten worden verdeeld, maar gaat de opbrengst van de handling fee naar de lidstaten of is dat voor Europa? Dat gaat naar de lidstaten, in afwachting van de onderhandeling van het MFK. U gaat er al van uit dat het 90% en 10 % zal zijn. De meeste landen aanvaarden dat niet. Daarvoor volgt er nog een onderhandelingsproces, waar wij duidelijk standpunten zullen innemen. De opbrengst van de handling fee is voor de lidstaten. Is dat een netto-opbrengst? Of moet men dat gebruiken om personeel aan te stellen, om te handlen? U hebt gewezen op een aantal investeringen die in de douane moeten gebeuren, voor meer controleurs en ook voor het informaticasysteem MASP-T, dat Europa ons oplegt, een project dat al een tijdje loopt. Wij moeten daarin nieuwe stappen doen en een deel van de inkomsten zullen wij aanwenden voor de automatisering van de inning. Ik dank u, mijnheer de minister, want het is inderdaad een bijzonder complexe situatie. Er lijkt sprake van een race om de pakjes zo snel mogelijk te taxeren. Ik vind ook de cijfers die u aanhaalde over de opbrengst opmerkelijk. U gaf aan dat het transferverkeer in Luik zou halveren en dat een aanzienlijk deel van de pakjes via Duitsland zou verlopen indien we die handling fee in België en drie andere landen zouden invoeren. Dat zijn bijzonder opvallende cijfers. Het lijkt mij dan ook aangewezen om dat op Europees niveau aan te pakken en niet alleen op het niveau van België, waardoor alles via Duitsland zou passeren. Tegelijk merk ik op dat dit betekent dat we na het einde van het jaar 5 euro per pakje zouden moeten betalen, terwijl dat nu nul euro is, als ik het goed begrijp. Dat komt neer op een aanzienlijke belastingverhoging. Het gaat hier om een vorm van consumptietaks, aangezien het een heffing is op consumptiegoederen. Zoals bij andere consumptietaksen, zoals de btw, veranderen mensen hun gedrag doorgaans niet meteen. Mogelijk gebeurt dat wel bij een bedrag van 5 euro. Bij een bedrag van 2 of 3 euro blijven niet-Europese producten echter meestal goedkoper dan Europese. In dat geval zal het consumentengedrag niet wezenlijk veranderen en wordt het beoogde doel niet bereikt. Bovendien gaat het om een vlaktaks: iedereen betaalt hetzelfde bedrag. Dat maakt die belasting per definitie regressief. Mensen met een lager inkomen betalen proportioneel meer van hun inkomen aan dergelijke belastingen. We moeten daar eerlijk over zijn: het zijn niet de sterkste schouders die hun aankopen via AliExpress doen, maar veeleer gewone mensen met een beperkt inkomen. We stellen dus vast, zowel in Europa als met uw beslissing, dat er opnieuw voor wordt gekozen om het geld niet te halen bij de superrijken of via het afbouwen van bedrijfssubsidies, maar wel via een platte consumptietaks die de werkende mensen treft. Dat betreuren wij ten zeerste. Het gaat hier duidelijk om pakjes die van buiten de EER komen. De verdeling van auteurs- en naburige rechten aan in het buitenland erkende beheersvennootschappen Monsieur Piedboeuf, le point de commentaire administratif repris dans la question est ancien et n’est plus pertinent car, si cette position administrative avait créé un système simple et efficace, il n’est plus juridiquement sécurisé. En effet, le système préconisé par cette ancienne position administrative ne peut pas être appliqué parce que les organismes de gestion collective situés dans un État de l’Union européenne ne peuvent pas refuser à un titulaire de droits d’auteur ou de droits voisins de devenir membre de cet organisme pour la seule raison que ce titulaire de droits n’est pas résident du même État que l’organisme concerné. Ainsi, lorsqu’une société belge de gestion rétrocède des droits d’auteur ou des droits voisins à un organisme de gestion collective situé dans un autre État de l’Union européenne, cette société de gestion ne peut s’abstenir de retenir le précompte mobilier sans demander une attestation de résidence fiscale pour les membres concernés de cet organisme, car ces membres pourraient ne pas être résidents de l’État de résidence de l’organisme et même être résidents de la Belgique. Je rappelle que les bénéficiaires effectifs des droits d’auteur ou des droits voisins restent en principe les membres de la société de gestion et non la société de gestion elle-même. Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Je crois que cela compliquera beaucoup les choses et générera un surcroît administratif aux sociétés collectives de gestion. Mais ainsi soit-il, si c'est une nouvelle circulaire, elles devront s'y conformer. Privéstichtingen Monsieur le ministre, la création de fondations privées belges a fortement augmenté ces dernières années, avec plus de 2 100 structures recensées fin 2024. Ce phénomène est en partie lié à un transfert de structures similaires depuis les Pays-Bas, où la taxe Caïman a finalement rendu les Stak fiscalement moins attractives. Cette appellation désigne une forme particulière de fondation néerlandaise dont le but est de détenir des actions et d'émettre des certificats sur cette base Ces fondations belges permettent désormais de loger les actions d'entreprises familiales ou de PME, tout en optimisant la gouvernance et, potentiellement, les charges fiscales. Cette évolution interroge sur les implications fiscales pour l'État belge. En effet, ces structures détiennent souvent des participations importantes et peuvent influencer le paiement de dividendes, les droits de succession et les impôts sur les revenus du patrimoine. Or, ces structures pourraient voir leur intérêt croître, en particulier pour les grandes fortunes, si de nouvelles taxes visant les hauts revenus devaient apparaître. Mes questions, monsieur le ministre, sont: Quel est l'impact financier et fiscal global du développement des fondations privées sur les recettes publiques? Autrement dit, le développement de ces structures peut-il créer un manque à gagner pour l'Etat ou cela peut-il lui être bénéfique? Combien de ces structures font actuellement l'objet d'un suivi ou d'un contrôle fiscal par l'administration? Quels mécanismes de surveillance avez-vous pour suivre les mouvements financiers de ces fondations? Les fondations privées bénéficient-elles d'avantages fiscaux spécifiques? Si oui, ces régimes sont-ils toujours justifiés au regard de l'évolution de leur usage par les entreprises? Monsieur Dufrane, en ce qui concerne les impôts fédéraux, l'augmentation du nombre de fondations privées peut avoir un impact budgétaire sur les recettes issues de la taxe annuelle compensatoire des droits de succession et de l'impôt sur les revenus. Pour ce qui est de la taxe précitée, les mêmes conditions, taux et exonération que pour les ASBL s'appliquent. Les sociétés ne sont pas soumises à cette taxe. La taxe due par les fondations privées est passée de 179 848,02 euros en 2013 à 5 261 130,24 euros en 2023. Pour l'année 2024, les fondations privées étaient redevables d'un montant total de 11 188 177,63 euros, mais il convient de noter qu'à partir de cette année-là, la taxe compensatoire des droits de succession a été réformée. En matière d'impôt sur les revenus, il n'existe pas de régime propre aux fondations. Comme les autres personnes morales, elles sont soumises à l'impôt des sociétés lorsqu'elles se livrent à une exploitation ou à des opérations à caractère lucratif. Dans le cas contraire, l'impôt des personnes morales leur est applicable. Étant donné l'absence de régime fiscal propre et le fait que la soumission à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales ne dépend pas de leur forme juridique, mais bien de la nature des activités de la fondation, on considère qu'il n'y a pas d'impact budgétaire au niveau de l'impôt sur les revenus. Toutes les fondations ont été contactées pour qu'elles déposent la déclaration éventuellement requise. La taxe annuelle compensatoire des droits de succession ne s'applique qu'aux avoirs imposables supérieurs à 50 000 euros détenus par les ASBL et les fondations au 1er janvier de l'année d'imposition. L'Administration générale de la Documentation patrimoniale (AGDP) vérifie uniquement si le patrimoine imposable est correctement déclaré. Il n'existe pas d'action de contrôle spécifique à ce jour pour les fondations privées au sein de l'Administration Grandes Entreprises et de l'Administration PME. Elles peuvent toutefois faire l'objet d'autres contrôles. Dans le passé, l'Administration générale de l'Inspection spéciale des impôts (AG ISI) avait investigué plusieurs fondations privées étrangères utilisées par des contribuables belges. En 2024, l'AG ISI a enquêté sur trois fondations privées belges. Ils ont détecté les cas de fraude grâce aux signaux provenant de diverses sources, notamment par le biais d'une analyse de risques. Sur la base de ces signaux, une pré-enquête est menée. En 2024, dix fondations privées belges ont fait l'objet d'une pré-enquête. Monsieur le ministre, je vous remercie pour la qualité et la précision de vos réponses. Je ne manquerai pas de les analyser et d'éventuellement revenir vers vous. De rol van ESMA voor cryptoactiva Monsieur le ministre, l'Union européenne poursuit ses réflexions sur la création d'un régulateur unique pour la supervision financière, en particulier dans le secteur des cryptoactifs. L'Autorité européenne des marchés financiers (ESMA) pourrait ainsi voir ses compétences considérablement élargies, au-delà de son rôle actuel de coordination entre les superviseurs nationaux. La Commission européenne préparerait un transfert de compétences de supervision directe vers l'ESMA, couvrant notamment les acteurs des cryptoactifs, les sociétés de marché et les chambres de compensation. Ce projet s'inscrit dans la volonté de renforcer l'Union des marchés de capitaux et d'éviter les divergences d'interprétation du règlement MiCA entre États membres. Actuellement, la supervision reste nationale, certains pays appliquant des contrôles plus souples afin d'attirer les entreprises du secteur, ce qui soulève des inquiétudes en matière d'équité et de stabilité financière. Plusieurs États membres, dont la France, l'Italie et l'Autriche, plaident pour une centralisation de la supervision, tandis que d'autres, tels que l'Irlande ou le Luxembourg, y sont opposés, vu leur importante influence dans le secteur financier, enfin la position belge ne semble pas avoir encore été tranchée. Monsieur le ministre, quelle est la position de la Belgique concernant la création d'un régulateur unique européen pour la supervision financière et plus particulièrement pour le secteur des cryptoactifs? Comment le SPF Finances et les autorités belges évaluent-ils l'impact d'un tel transfert de compétences sur le contrôle des établissements bancaires et financiers opérant en Belgique dans ces domaines? La Belgique dispose-t-elle déjà d'une position claire sur l'autorité nationale qui assurera la supervision des acteurs crypto dans le cadre du règlement MiCA? Estimez-vous qu'une supervision centralisée par l'ESMA permettrait d'assurer une meilleure protection des investisseurs et une plus grande stabilité du secteur financier européen? Un tel transfert de compétence permettra-t-il à l'ESMA de réduire la concurrence déloyale entre les Etats Européens concernant l'application du règlement MiCA? Monsieur Dufrane, comme vous le savez, les activités de distribution de crypto ‑ actifs au public font d é sormais l ’ objet d ’ un cadre harmonis é au niveau europ é en via le r è glement sur les march é s de crypto ‑ actifs, dit r è glement MiCA. Nous en avons d é j à parl é au cours de cette commission. La mise en œ uvre de ce r è glement en droit belge est en cours de finalisation. À cet égard, un projet de loi a récemment été déposé au Parlement afin de désigner la Banque nationale de Belgique ainsi que l’Autorité des services et marchés financiers (FSMA), comme autorités nationales compétentes, tout en précisant leurs tâches respectives. La discussion de ce projet de loi en commission des Finances et du Budget aurait dû intervenir il y a plusieurs semaines, mais a dû être reportée à de nombreuses reprises en raison de circonstances indépendantes de ma volonté. Parallèlement, dans le cadre de la mise en œuvre de la stratégie pour l’Union de l’épargne et des investissements adoptée par la Commission européenne le 19 mars 2025, une consultation publique a été lancée avant l’été afin d’identifier les obstacles persistants à l’intégration des marchés financiers au sein de l’Union européenne. Cette initiative visait notamment à identifier les divergences éventuelles en matière de supervision susceptibles de freiner l’intégration des marchés de capitaux, dans la mesure où les acteurs opérant de manière transfrontalière sont parfois confrontés à des exigences réglementaires distinctes selon les États membres. Dans ce contexte, certains stakeholders ont exprimé leur préférence pour un renforcement du rôle de l’Autorité européenne des marchés financiers (ESMA), voire pour une supervision plus intégrée au niveau européen dans certains domaines, en particulier pour les principaux prestataires de services de crypto ‑ actifs. D ’ autres stakeholders ont, au contraire, plaid é pour le maintien d ’ un syst è me de contr ô le largement d é centralis é , tout en appelant à davantage de convergence dans les pratiques de supervision. La Belgique, pour sa part, a affirmé à de nombreuses reprises son soutien à la stratégie pour l’Union de l’épargne et des investissements, qui vise à orienter plus efficacement l’épargne des citoyens européens vers des investissements productifs. Elle plaide, dans ce cadre, en faveur d’une convergence accrue des pratiques de supervision des régulateurs nationaux, afin d’assurer un meilleur level playing field entre États membres et de contribuer ainsi à la stabilité du système financier, à la préservation de son intégrité et à la protection équitable des investisseurs sur l’ensemble du marché unique, sans pour autant se diriger vers un système centralisé de contrôle. Cette convergence dans la supervision est d'autant plus importante pour le secteur des crypto-actifs, qui est par nature transfrontalier et dans lequel une disparité a été constatée entre les approches adoptées par certains États membres concernant le régime national d'autorisation précédant l'entrée en application du règlement MiCA précité. L'ESMA, à laquelle ce mandat de veiller à la convergence du contrôle par les régulateurs européens a été confié, dispose déjà d'outils concrets pour favoriser cette convergence, et il importe qu'elle en fasse un usage optimal. Une supervision cohérente et coordonnée contribue non seulement à assurer un niveau homogène de protection des investisseurs à travers l'Union et un level playing field entre les opérateurs de ces plateformes, mais également à prévenir les risques pour l'intégrité des marchés et la stabilité financière. La Belgique examinera donc avec attention les propositions législatives que la Commission fera à la suite de sa récente consultation sur l'intégration des marchés financiers. À cet égard, il apparaît essentiel que toute éventuelle évolution du cadre européen de supervision soit solidement et adéquatement justifiée, fasse l'objet d'une analyse coût-bénéfice approfondie et n'entraîne pas d'effets négatifs disproportionnés sur le développement des marchés financiers nationaux ni sur la protection du public dans chaque État membre. Monsieur le ministre, à nouveau, je tiens à vous remercier pour votre réponse plus que complète ainsi que pour les clarifications concernant la position de la Belgique. Comme vous le disiez, le règlement MiCA impose des changements structurels. Le renforcement de l'ESMA est pertinent, mais certainement pas au détriment de nos compétences nationales ou du rôle de la FSMA. Je vous remercie encore une fois de suivre ce dossier. M. Keuten étant absent, sa question n° 56009109C est sans objet. SFPIM en Umicore Monsieur le Ministre, Alors que le cours de l'or tutoie la barre symbolique des 4000 dollars l'once, doublant de valeur en deux ans, la société Umicore a annoncé la vente de ses stocks d'or logés dans deux de ses divisions. Cette opération devrait générer environ 410 millions d'euros, dont une plus-value nette estimée à 370 millions, renforçant significativement le bilan et la liquidité du groupe. Cette décision stratégique a été saluée par les marchés financiers, l'action Umicore ayant bondi de plus de 100 % depuis le printemps. L'État belge, via la SFPIM, détient actuellement environ 5 % du capital d'Umicore. Dans un contexte de valorisation croissante de l'entreprise et de consolidation de ses performances dans les secteurs de la transition énergétique et du recyclage des métaux précieux, cette participation publique soulève la question d'une éventuelle extension. En effet, alors que la société renforce sa solidité financière et poursuit ses développements dans les matériaux pour batteries, un accroissement des parts publiques pourrait constituer un investissement stratégique, tant du point de vue économique qu'industriel. Dans cette perspective, il serait utile d'évaluer l'opportunité d'une augmentation de la participation de la SFPIM dans Umicore, compte tenu de la conjoncture favorable et de la plus-value potentielle à moyen terme pour l'État belge. Mes questions, Monsieur le Ministre, sont : Quelle est aujourd'hui la valorisation de la participation de la SFPIM dans Umicore et quelle politique d'investissement guide la gestion de ces parts ? Envisagez-vous d'accroître la participation publique dans Umicore afin de renforcer le contrôle belge sur une entreprise stratégique dans les domaines du recyclage, de la transition énergétique et des métaux critiques ? Quels seraient les avantages économiques et budgétaires, mais aussi les risques potentiels, d'une telle opération ? La SFPIM a-t-elle identifié d'autres opportunités similaires dans le secteur des matériaux ou de la transition énergétique susceptibles d'assurer un rendement durable pour l'État et de soutenir la souveraineté industrielle du pays ? Monsieur Dufrane, d'abord, sur la valorisation actuelle de la participation de la SFPIM. La SFPIM détient 5 % du capital d'Umicore, selon une déclaration de transparence du 10 mai 2024. Le cours de l'action Umicore était d'environ 14,52 euros au 21 novembre 2025, avec une capitalisation de l'ordre de 3,5 milliards d'euros. 5 % de 3,5 milliards représente environ 175 millions d'euros. Concernant la politique d'investissement de SFPIM, elle tente d'être fournisseur de smart capital pour l'innovation belge et la croissance socioéconomique durable. Elle cible des secteurs stratégiques. L'entrée dans Umicore a été explicitement motivée par une volonté d'ancrage industriel, sur un acteur qui joue un rôle central dans la transition écologique via le recyclage et les matériaux pour batterie. Votre deuxième question porte sur le perspective de la participation publique. Comme pour chacune de ses participations, la SFPIM suit de manière continue l'évolution de sa position dans Umicore. Étant donné qu'il s'agit d'une société cotée, toute décision d'augmenter cette participation devrait être traitée avec une stricte confidentialité par le conseil d'administration de la SFPIM. Une telle opération serait en effet encadrée par des règles boursières strictes, notamment en matière d'abus de marché, et soumise à des obligations de transparence dès que certains seuils de participation sont franchis. Par ailleurs, la détention de 5 % du capital confère à l'État une minorité dite de blocage en cas de procédure de squeeze-out. Elle permet de s'opposer à l'exclusion forcée des actionnaires minoritaires par un actionnaire majoritaire souhaitant atteindre 95 % du capital pour retirer la société de la cote. En d'autres termes, la position actuelle garantit déjà une capacité de protection des intérêts stratégiques belges dans Umicore. Votre troisième question porte sur les avantages économiques et budgétaires. Les avantages de cette participation sont multiples. 1. Souveraineté industrielle: renforcer l'ancrage belge dans une entreprise clé de la transition énergétique aide à sécuriser les filières stratégiques. 2. Effet signal: une minorité de blocage d'une squeeze-out envoie un signal au marché, aux investisseurs et à l'écosystème belge de l'innovation et de l'énergie verte. 3. Rendement potentiel: Umicore distribue des dividendes de manière annuelle, sauf exception. La SFPIM a investi sur fonds propres de sorte que les dividendes lui reviennent intégralement. 4. Un effet levier pour d'autres projets. Cela peut ouvrir la voie à des co-investissements, à des partenariats publics privés ou à des filières de recyclage à fort impact. Quels sont donc les risques? En termes de technologie et de marché, ils sont incertains. Même si la transition énergétique est forte, certaines technologies, et je parle ici de types de batterie ou de métaux critiques, peuvent évoluer plus vite que prévu ou bien connaître des ruptures. Par exemple, Umicore a dû anticiper une demande plus faible de batteries et a procédé à une dépréciation. Votre quatrième question concernait les autres opportunités. La SFPIM considère comme stratégique l'ancrage d'entreprises actives dans les matériaux critiques, le recyclage et la transition énergétique. Dans cette perspective, elle analyse en permanence de nouvelles opportunités d'investissement au sein de ces filières clés, compte tenu de leur importance pour la souveraineté industrielle, la sécurité d'approvisionnement et la compétitivité à long terme du pays. Cette veille active vise à identifier des acteurs capables de générer un rendement durable pour l'État tout en renforçant les chaînes de valeurs stratégiques en Belgique. Monsieur le ministre, tout comme pour la précédente question, je tiens à vous remercier pour la qualité et la transparence de vos réponses. Il est peut-être à noter que le cours de l'or a dépassé les prédictions d'octobre. Il est donc d'autant plus intéressant de réfléchir à ces investissements tout en minimisant les risques. Je ne doute pas que vos services et la FSMA restent attentifs à l'évolution de la situation de l'or et des entreprises cotées en bourse dont elle détient des parts. De participaties van SFPIM in de luchtvaartsector Monsieur le ministre, l'industrie aéronautique européenne connaît actuellement une période de croissance soutenue, portée notamment par le succès commercial de l'Airbus A320. Cet appareil, devenu un véritable fleuron de l'aviation civile, a désormais dépassé le Boeing 737 en nombre d'unités produites avec plus de 12 260 avions contre 12 214 pour son concurrent américain. Cette performance confirme non seulement la vitalité d'Airbus, mais également la solidité de toute une chaîne de sous-traitance européenne. Parmi elles figure la Sonaca, société active dans la conception et la fabrication de composants pour l'aéronautique civile et militaire, mais aussi pour le secteur spatial. Cette entreprise, dont la Région wallonne est actionnaire majoritaire via la SRIW, compte également la Société fédérale de participations et d'investissement parmi ses actionnaires à hauteur de 14,75 %. Or, dans un contexte d'expansion de la production de l'A320 et de développement de nouvelles lignes d'assemblage, la position de la Belgique au sein de cette chaîne industrielle stratégique pourrait être consolidée par une participation publique accrue. Pour rappel, la Sonaca est active dans la production de pièces de A320 et des 737, ce qui double son avantage dans cette concurrence duopolistique. Dès lors, il serait opportun d'évaluer la stratégie d'investissement de la SFPIM dans le secteur aéronautique et la manière dont celle-ci pourrait contribuer à soutenir l'emploi et l'innovation en Belgique, tout en profitant de la dynamique positive du marché mondial. Mes questions, Monsieur le ministre, sont: Si la SFPIM dispose d'une stratégie visant à renforcer sa participation dans la Sonaca afin de soutenir le développement industriel belge et de tirer parti de la croissance d'Airbus et de Boeing? Si la SFPIM envisage d'investir dans d'autres entreprises belges actives dans le secteur aéronautique ou spatial? Enfin, pour quelles raisons l'État belge n'envisage-t-il pas une participation directe au capital d'Airbus, compte tenu de son importance stratégique pour l'industrie européenne et de son ancrage industriel partiel en Belgique? Je traite les deux premières questions ensemble. La Société Fédérale de Participations et d’Investissement (SFPIM) est un instrument important du gouvernement fédéral pour mener une politique industrielle active. Le secteur aéronautique est l’un des piliers de la stratégie d’investissement de la SFPIM. Celle-ci détient par exemple des participations en capital ou quasi-capital dans des entreprises comme Asco, Safran Aero Boosters, Sonaca ou encore le groupe Orizio (SABCA-Sabena AeroSpace), partenaire de premier plan d’Airbus et de Boeing. Cet été, la SFPIM, avec Wallonie Entreprendre, a aidé Sonaca à franchir une étape importante pour devenir un acteur majeur de l’aérostructure en Europe avec l’acquisition de la société espagnole Aciturri. Cette acquisition permettra à Sonaca de renforcer ses parts de marché avec Airbus. Les récentes décisions d’augmentation des volumes de production d’Airbus et de Boeing ont bien évidemment profité aux entreprises belges actives dans ce secteur. La SFPIM ne se limite pas au secteur aéronautique et investit également dans des sociétés actives dans le domaine spatial. La SFPIM, via ses filiales Relaunch et Real Estate, a financé en 2024 la société Aerospacelab. Le secteur aéronautique et spatial est et restera l’un des piliers d’investissement de la SFPIM. Sans entrer dans le secret des affaires, la SFPIM envisage de nouvelles participations ou des financements complémentaires dans un avenir proche. Une participation directe dans Airbus n’est pas à l’ordre du jour, même si la SFPIM entretient des relations à haut niveau. Je partage votre avis selon lequel Airbus revêt une importance stratégique pour l’industrie européenne. Si une demande de participation à une augmentation de capital devait être adressée à la SFPIM, un tel dossier serait assurément examiné avec toute l’attention nécessaire, compte tenu également de son importance pour l’économie belge. Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces informations et pour les bonnes nouvelles concernant la stratégie de la SFPIM. Le secteur aéronautique représente un grand nombre d’opportunités, même si son économie est sensible aux chocs. Je ne doute donc pas que votre position et les investissements seront réfléchis et mesurés. De indexsprong Mijnheer de minister, waarschijnlijk vindt u dat ik mijn vraag beter schriftelijk had gesteld. U moet alles evenwel in zijn context zien. Mijn vraag dateert van 10 oktober, toen er volop sprake van was dat de regering een indexsprong zou doorvoeren. De vraag is ook perfect toepasbaar, niet alleen op een gewone indexsprong, maar ook op de centenindex. Iets wat mij in de discussie interesseerde en waarover ik graag het standpunt van de regering wilde weten, is met welke cijfers zij werkt en waarom zij denkt dat een indexsprong uiteindelijk de begroting ten goede komt of de begroting ontlast. Daarover bestond immers heel wat discussie onder economen. Zo verklaarde onder andere Gert Peersman dat de zaken elkaar enigszins in evenwicht houden. Voor alle duidelijkheid, u bent minister van Financiën, dus ik heb het over de inkomstenzijde. Aan de ene kant zullen er minder inkomsten zijn voor de Staat uit de personenbelastingen, want normaal waren die geïndexeerd. U had dan dus meer personenbelasting geïnd. Voor de sociale bijdragen geldt grotendeels hetzelfde, althans nominaal. Door de indexsprong verliezen mensen echter in zekere mate koopkracht, waardoor het ook mogelijk is dat er uiteindelijk wegens minder omzet minder btw en minder inkomsten uit accijnzen worden geïnd. Tot slot kan er mogelijk een positief effect optreden doordat bedrijven enigszins zuurstof krijgen, omdat loon relatief goedkoper wordt. Dat zou kunnen leiden tot een hogere omzet in het buitenland omdat men concurrentiëler wordt, waardoor de vennootschapsbelasting misschien kan stijgen. Ik zal mijn vraag de volgende keer schriftelijk stellen, maar ik wou eigenlijk gewoon weten met welke cijfers u rekening houdt. Kunt u die toepassen op de centenindex? De regering werkt momenteel aan de opmaak van een nieuw begrotingskader voor 2026-2030, mede met het oog op bijkomende inspanningen om het begrotingstekort op lange termijn te beperken. Zolang die werkzaamheden niet zijn afgerond, kan ik niet vooruitlopen op alle mogelijke effecten. Zoals u weet, moeten alle teksten nog naar een tweede lezing. De gebruikte ramingen komen van het Planbureau, dat rekening hield met een daling van sommige inkomsten, ook door de ingrepen in de index. Zodra de tweede lezing is afgerond en de begrotingen hier worden ingediend, kunnen we die vragen specifiek beantwoorden. Mijnheer de minister, mijn dank voor uw antwoord. De samengevoegde vragen onder agendapunt 45 zullen worden omgevormd in een actualiteitsdebat, samen met alle andere openstaande vragen met betrekking tot de btw. De flexi-jobs Mijnheer de voorzitter, mag ik een korte vraag stellen over de vragen die worden samengenomen in het actualiteitsdebat over de btw. In oktober heb ik al een vraag gesteld over de hervorming van de btw en gisteren heb ik dat opnieuw gedaan, met een wat specifiekere vraag. Er is echter ook vraag nr. 56010478C over de btw-nalevingskloof. Moet die vraag ook worden meegenomen? Mijnheer Vereeck, we hebben even tijd nodig om te bekijken welke vragen precies onder de algemene discussie van btw-aanpassingen vallen. Ik denk dat gaps buiten het toepassingsgebied van de btw op maaltijden en dergelijke vallen. Als u morgen voor de vergadering de agenda raadpleegt, dan ziet u welke vragen daaronder geagendeerd zijn. Dank u vriendelijk, mijnheer de voorzitter. Mijnheer de minister, ik heb nog een aanvullende vraag over flexi-jobs. Het gaat over de belastingvrijstelling voor flexiwerk die de regering optrekt van 12.000 euro naar 18.000 euro per jaar, toepasselijk vanaf aanslagjaar 2026, dus inkomstenjaar 2025. Mijn eerste twee vragen heb ik zelf kunnen beantwoorden via een buitengewoon interessante website, waarnaar u misschien ook zult verwijzen. Met mijn vraag wilde ik een inschatting krijgen van hoeveel mensen met hun flexi-job meer dan 12.000 euro verdienden. Het betreft een groep die tussen 1.000 en 1.500 euro verdient met flexiwerk, die u nu een belastingvoordeel wilt geven. Ik vroeg mij af hoeveel mensen dat precies zijn. Als het om 1.000 euro gaat, bijvoorbeeld mensen die een extra zaterdag werken, betekent dat al 250 euro per dag. Met 1.500 euro is dat 375 euro per dag dat men moet verdienen om het voordeel volledig te benutten. Ik heb u die vraag al gesteld. Wat is het profiel van die mensen? Wie zijn zij en om hoeveel mensen gaat het? U mag die vragen natuurlijk nog altijd beantwoorden. Hoeveel verdienen de mensen die meer dan 12.000 euro verdienen? Dat is interessante informatie die beschikbaar is. Wat ik echter niet heb gevonden, is hoeveel belastingen en sociale bijdragen flexiwerkers betalen en vooral hun werkgevers op het gedeelte boven die 12.000 euro. Tot nu toe waren zij vrijgesteld met een kleine werkgeversbijdrage. Hoeveel betaalden zij echter? Waar ik eigenlijk naar op zoek was, was het inkomensverlies door de verhoging naar 18.000 euro. In principe sta ik immers wel achter elk systeem, hoezeer het ook een koterij is, wat het natuurlijk is. Alles wat de lasten op arbeid verlaagt, kunnen wij evenwel steunen. Er kwam echter wel weerwerk van de minister van Begroting. Ik wilde dus wel eens weten hoeveel de schatkist ter zake nu eigenlijk verliest. Mijnheer Vereeck, in 2023 waren er 7.749 belastingplichtigen en in 2024 8.863 belastingplichtigen die in het kader van een flexi-job meer dan 12.000 euro verdienden, Die cijfers had u al gevonden. Het gemiddeld inkomen als flexi-jobber bedroeg 17.768,34 euro in 2023 en 17.576 euro in 2024. Het totale bedrag van hun inkomen was 137,7 miljoen euro in 2023 en 155,8 miljoen euro in 2024. Het is niet verwonderlijk dat u het antwoord op uw derde vraag niet hebt gevonden want de begrenzing van de fiscale vrijstelling tot 12.000 euro per belastbaar tijdperk was nog niet van toepassing voor het inkomstenjaar 2023. Met betrekking tot het inkomstenjaar 2024 is het momenteel nog te vroeg om een definitieve uitspraak te doen over de verschuldigde belasting op deze inkomsten aangezien de belastingaangiften voor die periode nog in behandeling zijn. Mijn administratie beschikt bovendien niet over gegevens betreffende de sociale bijdragen die op die inkomsten werden betaald. Het is dus nog te vroeg aangezien de dossiers nog in behandeling zijn. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik herhaal dat wij dat steunen, zij het enigszins met lange tanden, omdat het voor ons een fiscale koterij is. Wij steunen de maatregel dus, net zoals alles wat de lasten op arbeid verlaagt. Wat ook interessant is, is dat u op diezelfde website, waarvan ik de uitgever niet ken, ook kunt lezen wat het reguliere inkomen is van de mensen die bijklussen. Dat is werkelijk omgekeerd evenredig. U hebt zelf aangegeven dat de hogere inkomens 17.000 tot 17.500 euro verdienen. Dat is maandelijks bijna 1.500 euro. Er zijn er ook met inkomens uit flexi-jobs van meer dan 24.000 euro. Hun aantal stijgt heel snel. U kunt die ook linken aan hun inkomen en dat blijken bijna allemaal gepensioneerden met een pensioen van 800 euro te zijn. Omdat zij niet slechts een dag kunnen bijklussen, maar wel twee of drie dagen, komen zij aan die grote bedragen. Wat u met die maatregel probeert te doen, is het ondermaatse pensioen van mensen compenseren door ervoor te zorgen dat zij er beter van worden wanneer ze bijklussen. Ik denk dat heel veel mensen dat nodig hebben, gewoon om te kunnen rondkomen. Ik zal mijn derde vraag over de impact op de inkomsten als schriftelijke vraag indienen. De vertraagde uitkering van de liquidatiereserves Mijnheer de minister, diezelfde programmawet van 2025 voorziet in de mogelijkheid om de liquidatiereserves al na drie jaar uit te keren tegen 6,5 % roerende voorheffing in plaats van na vijf jaar. Dat betekent dat de uitkering sneller kan plaatsvinden, maar tegen een iets hoger percentage, want nu is het 5 %. Volgens de krant De Tijd , ook op 10 oktober, keren veel ondernemingen hun opgebouwde reserves echter niet uit om hun eigen vermogen niet te verlagen voor het ijkmoment in de meerwaardebelasting eind 2025. Mijnheer de minister, wat is het geraamd effect op de ontvangsten uit de roerende voorheffing door die vertraagde uitkering? Misschien hebt u al een zicht op de reacties. Wat is het geraamde effect op de ontvangsten uit de meerwaardebelasting door die vertraagde uitkering? Ik besef nu echter dat die vraag te vroeg komt. Ik trek deze vraag dan ook in. Mijnheer de voorzitter, de heer Vereeck was zo vriendelijk om het antwoord al te geven tijdens het stellen van zijn vraag. Vervolgens heeft hij zijn vraag ingetrokken. Mijnheer de minister, ik ben er al mee begonnen om meer schriftelijke vragen in te dienen. De reden is dat ik van collega Van Quickenborne de informatie had gekregen dat uw kabinet daar zeer stipt in is. Daarom heb ik onlangs een vraag, die ik eerst als mondelinge vraag had opgesteld, ook schriftelijk ingediend, bij wijze van test. Ik moet zeggen dat ik met uw collega-ministers en bepaalde ministers vroeger in het Vlaams Parlement, van voor uw tijd, nogal slechte ervaringen had. Men leest immers iets in de krant en wil daar snel een antwoord op krijgen, voor een stuk ook om fakenieuws en discussie te stoppen. Zoveel maanden na datum is de vraag bijna encyclopedisch en dus niet meer geschikt. Mijn volgende vraag is dat wel. De impact van de geplande onderzoeksbesparingen op de Vlaamse universiteiten Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag. Mijnheer de minister, De aangekondigde besparingen op onderzoek veroorzaken grote ongerustheid binnen de universitaire wereld. Universiteiten spreken van een dubbele besparing, omdat ze zowel door Vlaamse maatregelen als door federale plannen getroffen worden. Vooral de sociale en humane wetenschappen dreigen zwaar te lijden onder de herziening van de regeling rond bedrijfsvoorheffing, die voortaan enkel nog zou gelden voor onderzoekers in de exacte, toegepaste en technologische domeinen. Rectoren waarschuwen dat hierdoor honderden onderzoeksmandaten kunnen verdwijnen en dat fundamenteel onderzoek, dat niet onmiddellijk economisch rendement oplevert maar wel cruciaal is voor kennisopbouw, onder druk komt te staan. Ook leeft de vrees dat onderzoekers meer afhankelijk worden van private financiering, waardoor resultaten minder vrij en publiek toegankelijk worden. Daarom heb ik de volgende vragen : Welke verstrengingen voorziet u voor universiteiten en hogescholen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? In de media staat dat sommige betrokkenen de ontwerpen al konden inkijken. Over welke ontwerpen gaat dit? Wat wordt hierin voorgesteld? Hoe beoordeelt u de impact van deze dubbele besparing op het Vlaams onderzoeksklimaat? Hoeveel bedroeg de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor respectievelijk universiteiten en hogescholen in 2023 en 2024? Wat is de budgettaire impact hierop van uw voorstellen? Voorziet u ook verstrengingen voor erkende wetenschappelijke instellingen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? Zo ja, dewelke? Bent u bereid om samen met de betrokken universiteiten te bekijken hoe de negatieve gevolgen voor de sociale en humane wetenschappen kunnen worden beperkt? Hoe wilt u er als minister van Financiën over waken dat Vlaanderen blijft investeren in breed en fundamenteel onderzoek, en niet enkel inzet op economische of technologische toepassingen? Mijnheer Tas, in uitvoering van het regeerakkoord en voortbouwend op de werkzaamheden die mijn voorganger reeds had opgestart, bereid ik een hervorming van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor. Deze hervorming heeft in de eerste plaats tot doel om verduidelijkingen en kwalitatieve verbeteringen aan te brengen om een maximale rechtszekerheid, efficiëntie, budgettaire bewaking en stabiliteit te waarborgen. Het is mijn bedoeling om deze hervorming in overleg met de stakeholders uit te werken. Daarbij is het normaal dat bepaalde pistes worden uitgewerkt en dat deze bij de stakeholders worden afgetoetst, maar het is op dit ogenblik nog te vroeg om te concluderen welke pistes uiteindelijk in deze hervorming zullen worden weerhouden. De budgettaire impact van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor universiteiten en hogescholen bedroeg 232,8 miljoen euro in 2023 en 229,3 miljoen euro in 2024. Aangezien ik nog geen definitief voorstel heb uitgewerkt, is het niet mogelijk om de budgettaire impact te ramen, maar ik zie het niet als de taak van de federale minister van Financiën om het Vlaams beleid inzake onderzoek en ontwikkeling te sturen. Vlaanderen maakt zelf zijn keuzes op dat vlak, maar ik zal dus nog met voorstellen ter zake komen. Dan zullen we de verdere voorstellen afwachten. De aanbesteding voor de herdenkingsmunten De heer Vereeck krijgt het woord voor zijn actuele vraag over de aanbesteding voor de herdenkingsmunten Mijnheer de voorzitter, het is inderdaad een heel actuele vraag. Mijnheer de minister, de Koninklijke Munt van België is verantwoordelijk voor de uitgifte van circulatiemunten en herdenkingsmunten. Die muntslag gebeurde echter door de Koninklijke Nederlandse Munt, meer bepaald volgens een contract dat eind december afliep. De Belgische Staat blijft uiteraard de officiële uitgevende instantie. Voor de uitgifte van die gouden herdenkingsmunten moet de Nationale Bank van België een deel van haar goudvoorraad – het gaat om maximaal negen ton van de huidige reserves, niet meer – ter beschikking houden van de Belgische Staat. Zoals bepaald in artikel 37 van de organieke wet van de Nationale Bank, komt de meerwaarde uit de verkoop, die tegenwoordig meer dan 1 miljard euro bedraagt, toe aan de Belgische Staat. Sinds 2015 wordt daarvan echter geen gebruik meer gemaakt, waardoor de Belgische Staat inkomsten misloopt. Voor de uitgifte van gouden herdenkingsmunten wordt sinds 2015 geen gebruik gemaakt van het goud dat de Nationale Bank volgens de organieke wet ter beschikking moet houden van de Belgische Staat , waardoor de staat dus inkomsten misloopt. Waarom gebeurt dat niet? Is er een nieuwe aanbesteding voor het slaan van de herdenkingsmunten lopende, en zo ja, voor welke periode, of is die al gegund, en zo ja, aan welke partij en onder welke voorwaarden? Wordt in de nieuwe aanbesteding bepaald dat voor de uitgifte van Belgische gouden herdenkingsmunten het goud moet worden aangekocht bij de Nationale Bank van België? Dat gebeurt nu immers niet. De Nederlandse Munt ging de markt op en moest het goud tegen een hoge prijs kopen, terwijl hier een enorme meerwaarde kan worden gerealiseerd. Zo nee, waarom niet? Waarom laat de regering die inkomsten verloren gaan? Waarom wordt in een budgettair moeilijke situatie niet gebruikgemaakt van een financieringsbron die geen extra lasten legt op de bevolking, noch een grote impact heeft op de strategische goudvoorraad – het gaat om 4 % – terwijl de bestaande wetgeving kan worden toegepast? De actualiteit zit in de vijfde vraag. Collega's Leentje Grillaert en Sammy Mahdi van uw coalitiepartner cd&v zullen een resolutie indienen of hebben er een ingediend voor het slaan van een gouden Elisabethherdenkingsmunt. Dat moet een interessante investering en belegging zijn voor onze burgers. Aangezien de meerwaarde ten gunste van de begroting komt, kan daarmee ook nog eens de staatsschuld worden afgebouwd. Mijnheer Vereeck, sinds 2018 is de muntslag voor circulatie- en verzamelmunten via openbare aanbesteding uitbesteed aan de Koninklijke Nederlandse Munt. Die haalde de opdracht binnen voor de periodes 2018-2021 en 2022-2025. Momenteel loopt een nieuwe aanbestedingsprocedure voor de periode 2026-2029. Offertes konden ingediend worden tot 4 november 2025. De opdrachtnemer moet een Europees munthuis zijn of een samenwerkingsovereenkomst met een Europees munthuis hebben. De productie en commercialisatie van de gouden verzamelmunten zit vervat in een licentieovereenkomst, waarbij de overheid jaarlijks een minimale retributie ontvangt. Afhankelijk van de verkoopcijfers wordt een bijkomende retributie verkregen. De licentienemer is vrij om zelf in zijn grondstoffen te voorzien, op voorwaarde dat die afkomstig zijn uit Europa. Er bestaat dus geen verplichting om de grondstoffen bij de Nationale Bank van België op te nemen. Ook de nieuwe aanbesteding legt die verplichting niet op. De reden daarvoor is dat de commerciële vrijheden in de licentieovereenkomst het aantrekkelijk moeten maken om zich in te schrijven. Indien de licentienemer sterk beperkt wordt in de keuzemogelijkheid om de voordeligste optie voor de aankoop van grondstoffen te kiezen, zal zich dat weerspiegelen in de hoogte van de minimale en bijkomende retributies die daar tegenover staan. Alle meerkosten voor de onderaannemer die voortvloeien uit een verplichte aankoop van grondstoffen, zullen logischerwijs de retributies verlagen, waardoor de overheid inkomsten dreigt mis te lopen. Mijnheer de minister, uw antwoord is naast de kwestie. Mijn vraag is de volgende. U hebt als overheid, op grond van artikel 37 van de organieke wet van de Nationale Bank, het recht om 4 %, oftewel 9 ton, op te vragen die staat geboekt aan 1.400 euro, terwijl dat nu 125.000 euro bedraagt; het gaat over enorme bedragen. U hebt wettelijk het recht dit op te vragen, maar u zegt hier dat dit niet verplicht kan worden aan de licentienemer, omdat die mogelijk interessantere opties op de markt heeft. Ah, nee! Wat is de marktprijs van het goud? Meer dan 100.000 euro, terwijl dit aan 1.400 euro wordt verrekend. Het verschil gaat in de pocket van de Belgische Staat. Ik meen dat u hier naast de kwestie hebt geantwoord. Dit vormt immers geen beperking. Als u in uw aanbesteding had aangegeven dat nieuwe licentienemers de optie hebben om goud bij de Nationale Bank op te vragen, tegen een gemakkelijke prijs, wat een win-winsituatie is omdat de meerwaarde eveneens in de Belgische schatkist terechtkomt … Ik zal het anders verwoorden. Het voorstel van Mahdi en Grillaert, is dat om te lachen? Zij passen dit artikel toe en stellen letterlijk dat het interessant is voor de burger, een goede belegging vormt en bovendien bijdraagt aan het afbouwen van de staatsschuld, aangezien de meerwaarde aanzienlijk is. U zegt zelf hoe beperkt uw marge is. Ik denk dat u hier de bal volledig hebt misgeslagen. Het verbaast mij een beetje, maar goed. De behandeling van de vragen eindigt om 18.10 uur. Le développement des questions se termine à 18 h 10.

Commissievergadering op 13 januari 2026

💰 Commissie Financiën en Begroting

Van 18h10 tot 18h10 (0 minuten)

35 vragen

Voorgezeten door

N-VA Steven Vandeput

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

Staatssteun

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck (N-VA) wijst op arrest 86/2025 van het Grondwettelijk Hof, dat niet-aangemelde fiscale voordelen (o.a. in fruitsector, voetbal, horeca, expatregime, IT-auteursrechten) als ongeoorloofde staatssteun bestempelt en retroactieve terugbetaling eist, wat volgens hem miljoenenrisico’s voor bedrijven creëert die geen schuld treft. Minister Jan Jambon (N-VA) bevestigt dat niet-aangemelde maatregelen (behalve de vrijgestelde bagger- en O&O-sector) vernietigd en teruggevorderd moeten worden—zoals de €21,4 mln voor 1.600 groente-fruitbedrijven—maar stelt dat sommige maatregelen algemene regels zijn (geen staatssteun) en geen aanmelding behoeven. Vereeck bekritiseert dat Jambon geen duidelijkheid geeft over de aanmeldingsstatus van nieuwe regeringsmaatregelen (expatregime, flexijobs, etc.) en vreest toekomstige sancties voor sectoren; Jambon verwijst voor details naar eerdere parlementaire antwoorden.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, we hebben reeds meermaals in de kritische opmerkingen van de Raad van State gelezen dat er mogelijk een probleem is met staatssteun, maar meestal wordt dat weggewuifd. In zijn arrest 86/2025 van 2 juni 2025 oordeelt het Grondwettelijk Hof dat fiscale voordelen die niet zijn aangemeld en afgetoetst bij de Europese Commissie, moeten worden geschrapt en terugbetaald, omdat zulke voordelen als ongeoorloofde staatssteun en dus als onwettig kunnen worden beschouwd. En dan gaat het alleen nog maar over het feit dat die niet werden aangemeld.

Het Grondwettelijk Hof kijkt daarbij in eerste instantie naar de niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van personeel werkzaam in de fruit- en groentesector, maar bij uitbreiding ook naar het fiscale en parafiscale gunstregime voor het professionele voetbal, de onbelaste flexi-jobs in de horeca en de niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van onder andere wie werkzaam is in onderzoek en ontwikkeling, wie nachtarbeid verricht, in een stelsel van ploegenwerk zit of actief is in de baggerscheepvaart.

In dat vrij recente arrest komen ook de nieuwe fiscale voordelen van de regering-De Wever in het vizier: het fiscale gunstregime voor de expats, de investeringsaftrek voor ondernemers, de uitbreiding van de gunstige auteursrechten naar de IT-sector, de verhoging van het aantal uren studentenarbeid en de uitbreiding van de flexi-jobs naar alle sectoren.

Welke fiscale en parafiscale voordelen kunnen worden getroffen door het arrest 86/2025 van het Grondwettelijk Hof? Anders gezegd, welke fiscale en parafiscale voordelen werden niet aangemeld bij de Europese Commissie om te worden getoetst op mogelijk staatssteun en zijn dus volgens dat arrest per definitie staatsteun.

Wat is de financiële omvang van de fiscale en parafiscale uitgaven opgelijst in de vorige vraag? Kunt u ons daarvan een budgettaire inschatting geven?

Wat zijn de gevolgen voor de sectoren en bedrijven die onder de toepassing van het arrest vallen? Moeten zij de ongeoorloofde staatsteun retroactief terugbetalen? Hoe ver in de tijd wordt er daarvoor teruggekeerd?

Hoe zult u het probleem aanpakken? Zal de regering de fiscale voordelen terugvorderen of zal zij de niet-aangemelde fiscale en parafiscale voordelen alsnog aanmelden en verantwoorden bij de Europese Commissie?

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, in principe kunnen steunmaatregelen die, hoewel ze kwalificeren als staatssteun, die niet werden aangemeld, of die niet onder de toepassing van een vrijstellingsverordening vallen, of die beantwoorden aan de toepassingsvoorwaarden van de de-minimisverordening, worden getroffen door arrest 86/2025 van het Grondwettelijk Hof. Ik wijs er ook op dat artikel 3 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bepaalt dat een beroep tot vernietiging wordt ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de wet.

Van de door u aangehaalde vrijstellingen is de gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling aangemeld bij beslissing SA.203/26. Ook de vrijstelling voor de baggersector werd aangemeld.

In de praktijk kan vooral discussie ontstaan over de vraag of een bepaalde maatregel al dan niet moet worden aangemerkt als staatssteun, dan wel als een algemene maatregel. Tenzij de Europese Commissie of de hoven en rechtbanken daarover in een arrest anders oordelen, is het in principe aan de uitvoerende macht om de maatregel te kwalificeren en al dan niet als staatssteun aan te merken. Sommige maatregelen die u aanhaalt, zijn bovendien algemene maatregelen en moeten volgens ons niet worden aangemeld.

Voor de financiële omvang van de verschillende vrijstellingen verwijs ik naar de schriftelijke vragen van de heer Van Quickenborne, nummers 427, 640 en 693, waarin telkens een volledig overzicht werd gegeven van de kostprijs en andere elementen.

Wat de gevolgen voor de groente- en fruitsector betreft, een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof heeft retroactieve kracht. Dat betekent dat de regel wordt geacht nooit te hebben bestaan. De administratie heeft niet de mogelijkheid om daarvan af te wijken. Een terugbetaling moet gebeuren, ook al treft de sector geen fout. Het gaat om ongeveer 21,4 miljoen euro voor de 1.600 bedrijven, die een beroep konden doen op de vrijstelling. De administratie heeft de betrokken sector inmiddels laten weten dat de bedragen moeten worden terugbetaald en binnen welke termijn dat moet gebeuren. Het gaat om een uitzonderlijke betalingstermijn tot het einde van december.

Ook met betrekking tot de nalatigheidsinteresten werd bij wijze van uitzondering een lange termijn toegekend, gelet op de omstandigheden. De betrokken belastingplichtigen hebben de contactgegevens ontvangen van één centraal aanspreekpunt, waar zij met al hun vragen terechtkunnen.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik onthoud dat u wel degelijk op de hoogte bent van het arrest van het Grondwettelijk Hof en dat u zich daar ook naar schikt.

Ik stel vast dat de vrijstellingen voor de wie onderzoek verricht en voor wie werkzaam is in de baggersector, inmiddels zijn aangemeld. Voor de groente- en fruitsector is daarentegen geoordeeld dat u in het ongelijk bent gesteld. Dat betekent dat de betrokken bedrijven, die geen enkele schuld treft, alles terug moeten betalen.

U hebt niet geantwoord op de vraag of dat ook het geval is voor de nieuwe fiscale voordelen die u als regering voor ogen hebt en die de Raad van State als mogelijke staatssteun evalueert. Ik zal daarover een schriftelijke vraag indienen. Het gaat onder meer om het gunstregime voor expats, de investeringsaftrek voor ondernemers, de uitbreiding van het gunstige auteursrechtenregime naar de IT-sector, de verhoging van het aantal uren studentenarbeid en de uitbreiding van de flexijobs. In welke mate werden die maatregelen aangemeld? Bestaat voor die sectoren in de toekomst niet het risico dat ze een sanctie krijgen en dus alles terug moeten betalen?

Voorzitter:

En raison de l'absence de Mme Anne Pirson, sa question n° 56006757C est sans objet.

De vertraagde stijging van de belastinginkomsten in 2025
De daling van de fiscale ontvangsten
Vertraagde belastinginkomsten en dalende fiscale ontvangsten

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck (volgens cijfers FOD Financiën) wijst op een tegenvallende belastinggroei (1,6% i.p.v. verwachte 2,5%) in H1 2025, met name bij btw en voorafbetalingen, en vraagt naar oorzaken en compenserende maatregelen. Minister Jambon relativeert de cijfers als niet-representatief voor het jaarresultaat, verwijst naar conjunctuur en exogene factoren, en belooft concrete maatregelen in de aankomende begrotingsvoorstellen (september 2025). Vereeck aanvaardt het uitstel en stelt geen verdere vragen, afwachend van de parlementaire begrotingsdiscussie. Geen duidelijke oorzaken of oplossingen werden in dit debat geëxpliciteerd.

Voorzitter:

Ik heb begrepen dat mevrouw Merckx haar vraag niet wenst te stellen.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, deze vraag dateert van september 2025. Toen bleek uit de maandelijkse statistieken van de FOD Financiën dat de belastinginkomsten in de eerste helft van 2025 slechts met 1,6 % gestegen waren, terwijl het Monitoringcomité, dat daar toch een goed zicht op heeft, rekende op een groei van 2,5 %. Vooral de btw-inkomsten en de voorafbetalingen bleven in de eerste helft van vorig jaar achter.

Wat waren en zijn de oorzaken van die trager dan verwachte stijging van de belastinginkomsten, zowel wat betreft de btw als de voorafbetalingen? Welke maatregelen werden of worden genomen om die lagere inkomsten te compenseren?

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, de evolutie van de fiscale ontvangsten op eind juli is niet noodzakelijk representatief voor het uiteindelijke jaarresultaat. Er werd echter wel al met die daling rekening gehouden in het rapport van het Monitoringcomité van juli.

De evolutie van de fiscale ontvangsten wordt uiteraard sterk beïnvloed door onder andere de economische conjunctuur en andere exogene factoren. Het is daarom aangewezen om zich steeds te baseren op de recentste cijfers, de cijfers die zullen worden opgenomen in het rapport van het Monitoringcomité van september.

De bijkomende maatregelen die deze regering zal nemen om de begroting terug op orde te krijgen, zijn ondertussen beslist tijdens de begrotingsbesprekingen, waarvan de begroting eerstdaags in het Parlement zal worden neergelegd.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. We zullen die maatregelen dan verder bespreken wanneer de begroting hier voorligt. Ik heb momenteel geen verdere vragen.

De verkoop van overheidsparticipaties
Belfius
De financiële impact van de gedeeltelijke verkoop van Belfius
De verkoop van 20 % van de aandelen van Belfius
De verkoop van overheidsaandelen in Belfius en financiële gevolgen

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat de regering 20% van Belfius wil verkopen (opbrengst: €2 miljard) tegen eind 2026, met de opbrengst bestemd voor schuldafbouw—niet voor het Defensiefonds, zoals Sofie Merckx (PVDA) kritiseert, wijzend op stijgende defensie-uitgaven. De staatsgarantie voor Dexia blijft gelimiteerd tot €39,75 miljard (huidig uitstaand: €13 miljard), terwijl de afwikkeling van Arco en de Gemeentelijke Holding-zaak vertraagd zijn door gerechtelijke procedures (respectievelijk tot 2029 en een vonnis in november 2026). Lode Vereeck (N-VA) noemt de verkoop "goed voor schuldvermindering" maar bekritiseert de druk op Belfius om dividenden met 20% te verhogen om inkomstenverlies te compenseren, wat hij "onzin" vindt voor de bankgezondheid. Merckx bestempelt de operatie als een "one-shot-truc" en pleit voor een 100% publieke Belfius gericht op gemeentefinanciering, terwijl Anthony Dufrane (PS) de schuldvermindering toejuicht maar waarschuwt voor verlies van staatsinvloed. Een fusie Belfius-Ethias is niet aan de orde.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ondertussen weten we dat de regering 20% van haar aandelen van de bank Belfius wenst te verkopen. De vraag was eigenlijk wat de verwachte opbrengst van die verkoop is en waarvoor die opbrengst wordt gebruikt, voor de begroting of voor schuldafbouw. Op de balans van de bad bank Dexia staat nog steeds 52,4 miljard euro. Voor welke risico’s en voor hoeveel miljard euro staat de Belgische Staat nog garant?

Ten derde, wat is de stand van zaken betreffende de afwikkeling van Arco? Hoeveel bedraagt de claim van de Arco-aandeelhouders op Belfius en welke vergoedingen voorziet de regering voor de Arco-aandeelhouders?

Ten vierde, wat is de stand van zaken betreffende de niet-terugbetaalde lening destijds aan de Gemeentelijke Holding?

Ten vijfde, wat is de stand van zaken betreffende de mogelijke samenwerking en/of fusie tussen Belfius en Ethias?

Teruggaand naar mijn oorspronkelijke vraag van al een tijdje geleden, zou ik toch nog graag willen weten of er eigenlijk wel volledige eensgezindheid bestaat binnen de regering over de verkoop van die overheidsparticipaties. Wat is het actuele regeringsstandpunt? Binnen welke termijn hoopt men die verkopen te realiseren? Werd aan Belfius een tijdschema voor de verkoop meegedeeld? Werden er al andere partijen en bedrijven gecontacteerd in het kader van een eventuele verkoop van overheidsparticipaties? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de afsluiting van een nieuwe beheersovereenkomst tussen de FPIM en de overheid?

Dat waren mijn twee vragen gecombineerd, mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister.

Anthony Dufrane:

Le gouvernement a acté la vente de 20 % des parts de Belfius, une décision qui marque la fin de son statut de banque entièrement publique depuis le rachat de Dexia après la crise financière. Cette opération, qui pourrait rapporter environ 2 milliards d'euros, soulève des questions sur l'impact financier pour l'État, notamment en matière de dividendes futurs ainsi que sur les conséquences pour les clients de la banque.

Par ailleurs, la stratégie de la Société Fédérale de Participations et d’Investissement (SFPIM) concernant l'avenir de Belfius, notamment après cette privatisation partielle, reste à préciser. Alors que Belfius a toujours reversé des dividendes significatifs à l'État, il est crucial d'évaluer les répercussions de cette vente sur les finances publiques et sur les services proposés aux utilisateurs.

Quel sera l'impact financier de la vente de 20 % des parts de Belfius sur les dividendes perçus par l'État? Quelles garanties sont prévues pour préserver la qualité des services bancaires offerts aux clients de Belfius?

Quelle est la stratégie de la SFPIM pour l'avenir de Belfius après cette privatisation partielle? Envisagez-vous toujours une introduction en bourse à plus long terme? Comment le gouvernement compte-t-il utiliser les fonds générés par cette vente? Quelles mesures seront mises en place pour assurer la transparence et la stabilité de Belfius dans ce nouveau contexte actionnarial?

Sofie Merckx:

Le 5 décembre dernier, le kern a acté la vente de 20 % des parts de la banque Belfius. La vente de certaines participations pour financer le fonds de Défense était inscrite depuis le départ dans l'accord de gouvernement. Ce point, jusque-là resté très vague, semble se concrétiser ici. Vous auriez donc demandé à la SFPIM de lancer les démarches nécessaires.

La valeur comptable de la banque était d'environ 12,4 milliards d'euros en juin 2025. Rappelons que la banque Belfius a rapporté l'État 2,9 milliards d'euros de dividendes entre 2012 et 2025, auxquels il faut ajouter un dividende exceptionnel de 500 millions d'euros versé en 2025. Cette banque a donc rapporté 3,4 milliards d'euros au contribuable. Il faut toutefois rappeler aussi que c'est le contribuable qui a sauvé cette banque après la crise bancaire.

Nous voudrions donc avoir plus d’informations sur cette vente.

Nous avons appris qu'on prévoyait 100 millions d’euros de dividendes en moins mais, aujourd'hui, vous remettez ces 100 millions d’euros dans les notifications budgétaires.

La question se pose donc de savoir comment nous allons faire pour vendre 20 % de cette banque sans perdre en dividendes. Pouvez-vous expliquer cette stratégie?

Un montant circule: nous gagnerions 2 milliards par cette vente en one shot . Confirmez-vous que cela servira à financer le fonds Défense? Quel est le calendrier exact? Cela se fera-t-il en 2026? Prévoyez-vous une introduction en bourse? Quel sera l’impact sur les dividendes?

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, collega's, in overleg met Belfius en na bespreking in de regering is inderdaad besloten om maximaal 20 % van de participatie in de bankverzekeraar te verkopen. Het streefdoel is om deze transactie af te ronden tegen eind 2026.

Een verkoop van 20 % komt tegemoet aan de vraag van Belfius zelf. Op deze manier kan de input van private mede-aandeelhouders worden meegenomen in de nieuwe strategie. Bijkomend dient bij een verkoop van 20 % de regering haar prognoses aan dividendeninkomsten niet bij te sturen, daar de payout ratio van de winst normaliter kan worden verhoogd met 20 %. Om die timing te kunnen halen is, zoals u zelf heeft vermeld, reeds enkele maanden geleden aan Belfius gevraagd om de voorbereiding te starten.

Over andere desinvesteringen van overheidsparticipaties zijn er geen beslissingen genomen. De huidige beheersovereenkomst loopt af in september 2026. SFPIM is bezig met de voorbereiding om tijdig te komen tot een nieuwe beheersovereenkomst voor de komende vijf jaar.

De verwachte opbrengst van de verkoop bedraagt 2 miljard euro. Deze opbrengsten zullen worden gebruikt om de stijging van de schuld te mitigeren. Dexia, dat zich sinds eind 2011 in run-off bevindt, geniet inderdaad van een Belgische staatswaarborg op haar schulduitgifte. Deze waarborg werd in 2022 verlengd voor een periode van tien jaar. De Belgische staatswaarborg is geplafonneerd op 39,75 miljard euro. De verlenging van de waarborg werd door de Europese Commissie goedgekeurd, conform de staatssteunregels van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het totaal uitstaand bedrag met staatswaarborg bedroeg eind november 13 miljard euro.

Les sociétés Arco sont toujours en cours de liquidation, mais plusieurs procédures judiciaires en cours retardent la clôture. Cette liquidation ne sera probablement pas achevée avant 2029. L'affaire concernant la Gemeentelijke Holding a été portée devant les juridictions et relève dès lors du pouvoir judiciaire. L'audience de plaidoirie est actuellement fixée au 23 novembre 2026.

Enfin, il n'existe à ce jour aucun projet concret de coopération et/ou de fusion entre Belfius et Ethias.

Lode Vereeck:

Dank u vriendelijk voor uw heel duidelijke antwoorden, mijnheer de minister. We begrijpen eruit dat dit voor het einde van het jaar afgerond moet zijn. We begrijpen dat de opbrengsten gebruikt worden voor de schuldafbouw. Ik meen dat het een goede zaak is dat de middelen daarvoor aangewend worden. Ik meen trouwens dat het niet anders kan, tenzij ze geïnvesteerd worden in een ander activum, natuurlijk.

Ik noteer ook al uw antwoorden over de afwikkeling van de bad bank Dexia. Die blijft toch een beetje een zwaard van Damocles dat boven ons hoofd hangt. Het is jammer te horen dat de procedures inzake Arco kunnen aanslepen tot 2029, als ik u goed begrepen heb. Jammer voor de aandeelhouders dan. We zullen binnenkort meer weten, namelijk op 23 november 2026, dus later dit jaar, over de niet-terugbetaalde lening aan de Gemeentelijke Holding. Het is ook belangrijk te vernemen dat er geen plannen zijn om Belfius en Ethias te fuseren.

Ik blijf eigenlijk maar met een klein vraagje zitten. Blijkbaar leidt deze verkoop niet tot een verminderde inkomst aan dividenden daar het gaat om 20 % van de aandelen en de dividenden met 20 % worden opgeschroefd. Als dat een vaste afspraak is, legt dat natuurlijk een bijzondere druk op de bank. Ik weet niet of dit zo gezond is. Belfius is al een klein beetje een melkkoe. En nu zal er nog meer druk zijn om meer dividenden uit te keren, terwijl dat misschien op een bepaald moment helemaal niet gewenst is.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses et de vos éclaircissements. Je note que les recettes permettront de réduire la dette publique. C'est très bien ainsi. Il importera également de ne pas déforcer notre présence dans la banque pour l'avenir et les dividendes qui y sont liés.

Enfin, vos éclaircissements relatifs à la SFPIM sont instructifs au vu de son rôle de bras financier pour l' É tat.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, vous confirmez donc une vente à hauteur de 2 milliards d'euros, prévue pour la fin de cette année. Vous dites que ce n'est pas pour alimenter le fonds de Défense, mais pour réduire la dette. Or celle-ci va augmenter puisque nous dépensons 4 milliards d'euros supplémentaires par an pour la Défense. Il faut quand même le rappeler. Et puis, vous restez assez vague, car vous ne répondez pas au sujet de l'introduction de Belfius en bourse. Il est en effet assez bizarre que l'on ne prévoie pas une diminution de dividendes, alors que l'on va vendre pour 2 milliards. Vous parlez d'une nouvelle stratégie du côté de Belfius. Cette banque est, pour le moment, 100 % publique. Dans un an, elle le sera à 80 %. Il me semble que cette nouvelle stratégie devrait aussi faire l'objet d'un débat démocratique. Quelle est cette stratégie qui consisterait alors à obtenir plus de dividendes? Suppose-t-elle un comportement plus agressif sur les marchés, avec tous les risques qui en découlent? Il faut tirer les leçons du passé. Pour nous, cette vente n'est pas une bonne idée, car il s'agit d'une opération one shot . Nous plaidons pour une banque Belfius vraiment publique, qui pourrait jouer un rôle essentiel dans le soutien aux communes, lesquelles peinent à obtenir un véritable financement, de sorte que l'argent du contribuable servirait l'intérêt des citoyens, et non uniquement celui de la bourse.

De vliegtaks
De reactie van Ryanair op de verhoogde inschepingstaks
De zwaar overschatte begrotingsramingen en de verschoven doelstelling inzake de vliegtaks
Luchtvaartbelastingen, budgettaire inschattingen en luchtvaartmaatschappijreacties

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon verdedigt de verhoging van de vliegtaks (naar max. 11€) als een budgettaire maatregel die concurrentieel blijft vergeleken met buurlanden (bv. Zweden: tot 49€), maar belooft monitoring en bijsturing indien Ryanair (CEO O’Leary) vluchten schrapt, wat jobverlies in Charleroi dreigt. Lode Vereeck (N-VA) bekritiseert het gebrek aan onderbouwde impactanalyses en noemt de aanpak "trial-and-error", terwijl Vincent Van Quickenborne (Open Vld) de budgettaire ramingen (168M€ in 2027) als "onrealistisch" afschildert, wijzend op foutieve cijfers (btw, pakjestaks, centenindex) en een "luchtbel in de begroting". Jambon blijft vaag over gedetailleerde opbrengstberekeningen, verwijzend naar latere commissiedebatten.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, de topman van Ryanair heeft naar aanleiding van de verhoging van de vliegtaks geïrriteerd gereageerd en aangekondigd een aantal lijnen en vluchten te schrappen, wat gepaard gaat met jobverlies in Charleroi. Hij verwees naar de invoering van gelijkaardige belastingen in het verleden in Zweden, Italië en Hongarije, waar die volgens hem onmiddellijk tot verliezen hebben geleid, waardoor die landen die maatregelen later zouden hebben ingetrokken.

Mijn tweede ingediende vraag komt met de eerste overeen, maar vraagt naar actuelere cijfers.

Mijnheer de minister, wat is uw visie op die uitspraken? Denkt u dat de topman van Ryanair bluft, of moeten we zijn verklaringen ernstig nemen? Bent u bereid om de impact van de vliegtaks ten minste periodiek in kaart te brengen om indien nodig bij te sturen en een daling te voorkomen? In bijvoorbeeld Zweden werd een afname van 35 % van het aantal vluchten en van het aantal gestationeerde vliegtuigen opgetekend, wat uiteraard ook jobverlies betekent. Bent u bereid om een tussentijdse evaluatie te maken?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik wil het met u hebben over de budgettaire opbrengsten van de vliegtaks.

De vliegtaks is ingevoerd door de vorige regering; dat geef ik grif toe. De filosofie was toen: hoe korter de vlucht, hoe hoger het bedrag. Het ging om 10 euro voor vluchten onder de 500 kilometer, 2 euro voor vluchten binnen Europa van meer dan 500 kilometer en 4 euro voor vluchten van meer dan 500 kilometer buiten Europa. De opbrengst daarvan bedroeg 42,3 miljoen euro in 2024.

Mijnheer de minister, u hebt met Arizona beslist om die taks van 2 euro en 4 euro te verhogen naar 5 euro. Daartoe hebt u 37 miljoen euro ingeschreven in de begroting van 2026 en volgende. Vervolgens hebt u met het laatste akkoord beslist om die 5 euro op te trekken naar 10 euro en om de taks van 10 euro licht aan te passen naar 10,5 euro en 11 euro. De budgettaire opbrengst blijkt nu 168 miljoen euro in 2027 te zijn, 176 miljoen euro in 2028 en 184 miljoen euro in 2029, boven op die bedragen.

Mijnheer de minister, ik ben geen wiskundige zoals u, maar een eenvoudige jurist. Daarom heb ik mij bevraagd bij een aantal instanties. Als dat bedrag gewoon wordt geëxtrapoleerd, kunnen die bedragen nooit worden bereikt. Het bedrag van 168 miljoen euro dat u inschrijft in 2027, is eigenlijk maar 75 miljoen euro, zelfs bij een optimistische raming. Uw verhoging van 10 euro naar 10,5 euro per ticket en vervolgens naar 11 euro per ticket in respectievelijk 2028 en 2029 brengt u 0,2 miljoen euro en 0,4 miljoen euro extra op.

Hoe komt u tot die getallen?

U hebt mijn vragen gezien zoals ze zijn neergepend. Ik zal heel aandachtig luisteren naar uw antwoord.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, collega's, de uitspraken van de heer O'Leary, die zijn eigen stijl heeft, zijn voor zijn rekening. Als CEO van een van de grootste luchtvaartbedrijven is het niettemin een belangrijke stem.

De Belgische luchtvaartsector is en blijft een belangrijke sector voor de Belgische economie. Niettemin is onze concurrentiekracht een belangrijk aandachtspunt. Aangezien de maatregelen in de programmawet zitten vervat, gaat het uiteraard in hoofdzaak om een budgettaire maatregel. De opbrengst van de maatregel zal worden gemonitord, net zoals dat voor andere maatregelen of belastingen gebeurt. Met het bedrag van 10 euro zitten we nog steeds concurrentieel ten opzichte van de buurlanden. In Zweden bijvoorbeeld kan de taks tot ongeveer 49 euro oplopen.

Voor een verdere bespreking verwijs ik naar de commissie, waarin de loop van volgende maand de maatregel in detail besproken zal worden tijdens de behandeling van de programmawet.

De maatregel opgenomen in het ontwerp voorziet inderdaad in een geleidelijke stijging in 2028 en 2029. Zoals ik voor andere maatregelen al herhaaldelijk heb gezegd, er wordt altijd gewerkt aan de hand van ramingen. Tijdens de volgende begrotingscontrole zullen die dan geëvalueerd worden. Als Ryanair inderdaad verschillende vluchten en routes schrapt, zal dat uiteraard een impact hebben. We zullen de opbrengst van de inschepingstaks aandachtig monitoren. Hetzelfde geldt voor de vragen van de heer Van Quickenborne; het gebeurt op basis van fiches van de FOD Financiën. Bij de begrotingscontrole zullen we monitoren of die ramingen correct zijn en bijsturen indien nodig.

Lode Vereeck:

Dank u wel.

Het viel mij al eerder op dat heel veel van de maatregelen van deze regering op trial-and-error berusten; deze maatregel, de vliegtaks, maar ook bijvoorbeeld de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ik had persoonlijk gedacht dat er toch wel veel meer en veel betere modellen bestonden om zo'n begroting te ramen en verder op te volgen, vooral ook om de prijselasticiteit in die sector te kennen en precies te weten op welke manier er gereageerd wordt door consumenten.

Ten tweede, u zegt het zelf, O'Leary is een flamboyante CEO maar wel een belangrijke stem in deze sector – niet alleen O'Leary trouwens, ook zijn secondant, McGuinness kent er wel wat van –, maar ik vroeg mij toch af wanneer zo'n bedrijf, dat toch het grootste bedrijf in Charleroi is, dat signaal geeft, of daar dan enig overleg komt dan wel of dat gewoon wordt genegeerd. Dat waren mijn commentaren.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, uw antwoord was zeer kort. U verwijst naar de fiches van de FOD Financiën. Ik had u echter letterlijk de vraag gesteld of wij een uitsplitsing kunnen krijgen. Met andere woorden, van die 168 miljoen euro, welk bedrag komt voort uit korte vluchten en welk bedrag uit lange vluchten? Ik veronderstel dat de FOD Financiën u dat toch moet hebben meegedeeld. Waarom antwoordt u daar niet op?

Voorzitter:

Het antwoord is gegeven.

Vincent Van Quickenborne:

Het antwoord volstaat allerminst. Ik begrijp niet, mijnheer de minister, hoe u in uw eerste maatregel 37 miljoen euro inschrijft en nu plots 168 miljoen euro. Ik weet niet over welke toverstaf u beschikt om dat bedrag zo te laten toenemen, maar ik geloof daar niets van. Het feit dat u geen uitleg geeft, toont aan dat het rammelt. Ik vrees dat dit ook geldt voor meerdere lijnen in uw begrotingstabel. Wat de btw betreft, u schrijft 222 miljoen euro in – we kennen het btw-verhaal ondertussen –, maar de btw gaat echter pas in op 1 maart, waardoor in 2026 reeds twee maanden ontbreken. De tabel klopt dus niet. Wat de pakjestaks van 2 euro betreft – we komen daar straks op terug –, die is reeds ingetrokken, die wordt niet ingevoerd. Het gaat om 3 euro op Europees niveau. Ook hier klopt uw budgettabel niet. Voor centenindex wordt 800 miljoen euro ingeschreven voor 2026, maar die centenindex komt er dit jaar niet. Dat is dus 800 miljoen euro die wordt opgeblazen. Mijnheer de minister, uw budgettabel zit vol met lucht. Herinner u wat de eerste minister heeft gezegd: "Voor minder dan 10 miljard euro zullen we het nooit doen". Nooit. Eerst was het geen 10 miljard meer, maar 9,2 miljard euro. Vervolgens was het geen 9,2 miljard meer, maar 8,2 miljard euro. En zo kunnen we de budgettaire lijnen blijven overlopen, mijnheer de minister. Uw begrotingscontrole moet er snel komen, en zelfs zeer snel. Ik vrees immers dat het budgettaire moeras van Arizona alleen maar dieper, en dieper, en dieper, en dieper wordt.

De terugbetaling van de btw-tegoeden

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck vraagt om opheldering over het herhaaldelijk uitgestelde nieuwe btw-terugbetalingssysteem (met provisierekening als vervanger van de rekening-courant), dat volgens hem administratieve rompslomp veroorzaakt doordat belastingplichtigen twee tools moeten raadplegen en historische tegoeden onduidelijk blijven. Minister Jan Jambon bevestigt dat de hervorming—gericht op transparantie en versnelde terugbetaling—technisch nog niet klaar is, maar benadrukt dat de provisierekening behouden blijft en dat MyMinfin uiteindelijk alle btw-gegevens (schulden en tegoeden) zal centraliseren; hij wijst op reeds ingevoerde tussentijdse verbeteringen (bv. versnelde terugbetaling voor maandaangevers). Vereeck prijsde de plannen (één tool, snellere afhandeling) maar kritiseert het gebrek aan een concrete invoeringsdatum, wijzend op structurele vertragingen bij overheidsprojecten (o.a. mislukte IT-projecten bij politie/justitie) die miljoenenverspilling en onzekerheid voor ondernemers veroorzaken. Jambon houdt vol dat extra tijd nodig is voor een vlotte implementatie, zonder nieuwe deadline te noemen.

Lode Vereeck:

Collega’s, normaal gezien zou er vanaf 1 oktober 2025 een nieuwe procedure in werking treden om btw-tegoeden terug te vragen. Die procedure werd inmiddels voor de tweede keer uitgesteld en een nieuwe invoeringsdatum was er niet, althans niet op het moment waarop ik de vraag stelde, begin september.

Met de nieuwe procedure zouden niet alle opgebouwde btw-tegoeden worden terugbetaald, maar enkel de tegoeden van de betrokken aangifte. Voor de historische tegoeden zou een nieuwe procedure komen, met een nieuwe provisierekening die de bestaande rekening-courant zou vervangen. Door het uitstel komt dat er voorlopig alvast niet.

In tegenstelling tot de rekening-courant biedt de provisierekening ook een overzicht van de gestorte btw-voorschotten, de gedane betalingen en de niet-opgevraagde tegoeden, maar niet van de btw-schulden. Een btw-plichtige moet dus voortaan twee tools raadplegen om zijn btw-positie te kennen.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de invoering van de nieuwe btw-terugbetalingsprocedure? Is er sprake van uitstel dan wel van afstel? Wat is de eventuele nieuwe streefdatum voor de invoering? Welke stappen plant de minister om de hervorming alsnog te realiseren?

Wat zijn de plannen met betrekking tot de provisierekening? Wil de regering dat concept definitief afvoeren, dan wel rekening houden met de geformuleerde kritiek?

Hoe evalueert de minister tot slot de administratieve lasten van het nieuwe stelsel, aangezien men in de praktijk twee tools moet raadplegen? Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, de hervorming van de terugbetalingsprocedure van btw-tegoeden, inclusief de invoering van de provisierekening, beoogt een verhoogde transparantie en flexibiliteit voor de belastingplichtige. Tegelijk wordt er gewaakt over de gebruiksvriendelijkheid van het systeem. De provisierekening is ontworpen als een moderner en flexibeler alternatief voor de rekening-courant, met uitgebreidere digitale functionaliteiten via het MyMinfin-platform.

Bepaalde onderdelen van de nieuwe terugbetalingsprocedure zijn reeds geïmplementeerd. Zo is er onder meer sprake van een versnelde terugbetaling voor alle maandaangevers en van de mogelijkheid voor alle aangevers om een beschikbaar btw-krediet buiten de aangifte om terug te vragen. Deze aangepaste procedure verloopt voorlopig nog via de bestaande rekening courant. Een nieuwe invoeringsdatum is op dit moment evenwel nog niet vastgelegd.

Mijn administratie werkt onverminderd verder aan de technische voorbereiding van de hervorming. De provisierekening zal pas worden ingevoerd zodra de digitale infrastructuur volledig operationeel is en de fiscale controlemechanismen adequaat zijn geïntegreerd. In afwachting daarvan worden de rechten die de btw-plichtige aan de nieuwe wetgeving ontleent, gewaarborgd via de rekening-courant.

De provisierekening is niet afgevoerd, maar blijft een essentieel onderdeel van de geplande hervorming. De bezorgdheid dat belastingplichtigen meerdere tools zouden moeten raadplegen om hun volledige btw-positie te kennen, wordt ernstig genomen. Daarom wordt het overzicht van btw-schulden, kredieten en provisies geïntegreerd in MyMinfin, zodat alle relevante informatie via één platform toegankelijk is.

De hervorming is erop gericht om de administratieve lasten op lange termijn te verlichten door middel van automatisering en digitalisering van de processen. In afwachting van de definitieve implementatie verloopt de verwerking van teruggave via de rekening-courant op identieke wijze als voorheen, zij het reeds met enkele gunstige maatregelen, zoals de versnelde uitvoering voor elke maandaangever.

Mijn administratie heeft alles in het werk gesteld om ervoor te zorgen dat er door het uitstel geen extra administratieve lasten ontstaan ten opzichte van het vorige systeem. Tegelijkertijd willen wij ondernemingen voldoende tijd geven om zich aan te passen aan de wijziging. Zoals ik reeds meerdere malen in deze commissie heb meegegeven, is de btw-ketting uitgesteld om belastingplichtigen alle tijd te geven om de e-facturatie succesvol te implementeren.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, wat positief is aan uw antwoord, is dat eens uitgerold, dit systeem normaal gezien inderdaad sneller zou moeten werken, dus dat de terugbetaling ook sneller gebeurt. Dat is een prima zaak. Ik vind het ook fijn om te vernemen dat de btw-schuld zal worden opgenomen in die nieuwe tool via MyMinfin, dus dat men geen twee tools moet raadplegen. Het is goed dat er rekening is gehouden met die opmerkingen. Het blijft echter jammer dat er geen nieuwe datum naar voren kan worden geschoven, maar dat weet u zelf ook. Dat is toch een beetje kenmerkend en ook problematisch voor heel veel digitale projecten van de overheid. Zo was er onlangs nog een heel groot project bij de politie of justitie, dat tot niets heeft geleid en waaraan miljoenen werden verspild. We zouden toch eens moeten bekijken hoe het komt dat we geen einddatum kunnen plakken op de invoering van iets wat in theorie een goede zaak is. Zoals u net zei, is dat iets dat zorgt voor minder administratieve lasten, waar alles sneller kan dankzij één tool en met zelfs nog meer modaliteiten binnen het programma. Ik besluit met te zeggen dat hoop doet leven.

De fiscale behandeling van ploegenarbeid

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck kritiseert dat de versoepelde fiscale regeling voor ploegenarbeid (met 10%-tolerantie en strenge administratie) te complex is, waardoor bedrijven massaal afhaken en kiezen voor het alternatief met lagere korting, en vraagt of minister Jambon bereid is de regeling bij te sturen op basis van praktische knelpunten. Jambon verdedigt de huidige regeling als een noodzakelijke verduidelijking na het arrest van het Grondwettelijk Hof, benadrukt dat de tolerantie reëel is en belooft een definitieve regeling tegen eind 2024, met mogelijke herevaluatie indien nodig—zonder concreet in te gaan op de signalen over afhakers. Vereeck stelt teleurgesteld dat Jambon geen cijfermatig of kwalitatief inzicht geeft in de impact op bedrijven en dringt aan op nadere informatie, mogelijk via een schriftelijke vraag.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, u versoepelde met respect voor de uitspraak van het Grondwettelijk Hof.eind juli vorig jaar via een omzendbrief het tijdelijke fiscale gunstregime voor ploegenarbeid, wat een korting op de bedrijfsvoorheffing is. De korting geldt alleen als ploegen dezelfde omvang hebben, met een tolerantie van 10 %. Als het verschil zelfs maar één dag in de maand meer dan 10 % bedraagt, verliezen bedrijven een deel van de korting, tenzij er sprake is van overmacht.

U begrijpt natuurlijk dat dat in geval van een ploegensysteem met heel veel werknemers niet zo eenvoudig te managen is. Bovendien is de administratie om de bezetting van de ploegen te documenteren, tijdsintensief en complex. Daarom haken heel wat bedrijven af. Zij vallen liever terug op het alternatieve stelsel met verminderde korting dat er kwam na het arrest van het Grondwettelijk Hof.

Mijnheer de minister, hoe evalueert u de nieuwe regeling? Welke signalen hebt u al ontvangen uit bedrijven die met ploegenstelsels werken? Mijn vraag is immers gebaseerd op anekdotische informatie. Ik heb daar geen totaalbeeld op, maar misschien hebt u wel een aantal signalen gekregen en beschikt u wel over die totaalvisie.

Ten tweede, bent u bereid de nieuwe regeling bij te sturen, als blijkt dat slechts heel weinig bedrijven nog gebruik kunnen maken van de volledige korting op de ploegenarbeid, hetzij omdat de administratieve rompslomp te groot is, hetzij omdat de tolerantiegrens van 10 % misschien toch net iets te strikt is?

Wanneer wordt een nieuwe, definitieve regeling verwacht?

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, in zijn arrest van 8 februari 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het grondwettig is dat de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid alleen geldt wanneer de ploegen zowel qua inhoud als qua omvang hetzelfde werk doen. In navolging van dat arrest werd, bij wijze van de wet van 12 mei 2024, een ploegenarbeidsbisregeling geïntroduceerd, die naast de klassieke variant blijft bestaan.

De circulaire introduceert dus geen nieuwe regeling, maar interpreteert een bestaande regeling. Een administratieve omzendbrief of circulaire beoogt immers een specifieke bepaling uit te leggen. In de nasleep van de introductie van de ploegenarbeidsbisregeling werden ondernemingen immers geconfronteerd met toepassings- en interpretatievragen, in het bijzonder met betrekking tot het snijvlak tussen de klassieke variant en de ploegenarbeidsbisregeling.

De circulaire beëindigde de onzekerheid voor ondernemingen door de voorwaarde dat de ploegen hetzelfde werk qua inhoud en omvang moeten verrichten, te verduidelijken. De algemene tolerantie houdt rekening met de realiteit op de werkvloer. Dat is volgens ons dan ook een positieve evolutie.

Op uw tweede en derde vraag, als er nog bijsturingen nodig zijn, zullen wij herevalueren, net zoals wij dat bij elke maatregel doen. Het einde van de ploegenarbeidbisregeling is gepland voor 31 december van dit jaar. In lijn met het regeerakkoord moet dus in een definitieve regeling worden voorzien, die de fundamenten van het voordeel garandeert. Dat werk zal in de loop van dit jaar worden gedaan.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, u legt de regeling nog eens uit en dat is natuurlijk goed, maar mijn vraag luidde toch enigszins anders. Ondanks de rondzendbrief krijgen wij immers signalen dat het al bij al wat te complex is en dat men massaal afhaakt. Mijn vraag was of u een wat ruimer en vooral een vollediger zicht hebt op wat zich op dit moment in het bedrijfsleven met betrekking tot de ploegenarbeid afspeelt. Ik heb daarop niet direct een antwoord gekregen, maar ik zal hierover misschien nog eens een schriftelijke vraag indienen.

Derdenbeslag door de fiscus

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck (N-VA) wijst op een verviervoudiging van derdenbeslagen (1,1 miljoen in 2024 vs. 261.000 in 2020) en vraagt om opheldering over opbrengst, unieke schuldenaren en impact op hun inkomen. Jan Jambon (minister) verduidelijkt dat het om 412.322 beslagen gaat (op 282.000 unieke personen), goed voor €441,9 miljoen in 2024, met een gemiddelde schuld van €4.400 (max. €36,6 miljoen), en wijt de stijging aan geautomatiseerde invordering. Vereeck bekritiseert dat de beslagen mensen mogelijk "tot de armoedegrens drijven" en dringt aan op transparantie over de restinkomensna beslag. Jambon geeft geen antwoord op die laatste vraag.

Lode Vereeck:

Mijnheer de voorzitter, uit het jaarrapport van de FOD Financiën van 2025 bleek dat de fiscus in 2024 1.127.707 keer, dus 1,1 miljoen keer, beslag heeft gelegd op het loon of andere inkomsten van wanbetalers. Dat is een verviervoudiging ten opzichte van 2020, toen dat zowat 261.000 keer is gebeurd.

Bij het derdenbeslag komt er geen deurwaarder aan te pas. Een aangetekend schrijven van de fiscus aan de werkgever volstaat. Als de werkgever trouwens niet binnen de vijftien dagen reageert, wordt hij beschouwd als medeschuldenaar. U begrijpt dus dat dat een zware stok achter de deur is, waardoor werkgevers meewerken met de fiscus.

Die cijfers over het aantal keer dat beslag werd gelegd, dus de verviervoudiging op vier jaar tijd die ik net heb genoemd, zijn mij bekend.

Ten eerste, hoeveel bracht het derdenbeslag op in 2024, zijnde het jaar waarover het jaarverslag ging? Ik heb dat niet in het verslag teruggevonden, maar dat kan ook mijn fout zijn.

Aangezien het ondertussen al 2026 is, durf ik ook te vragen of u cijfers hebt over het derdenbeslag in 2025.

Ten tweede, we kennen het aantal keer dat beslag is gelegd. Gaat dat echter om unieke personen? Op hoeveel personen slaat dat? Ik kan me immers moeilijk voorstellen dat er 1,1 miljoen mensen zijn die beslag hebben gekregen op hun loon of andere inkomsten. Gaat het dus om meerdere beslagleggingen bij dezelfde persoon? Over hoeveel personen gaat het?

Ten derde, wat is het gemiddelde bedrag van een dergelijk derdenbeslag? Wat is het minimumbedrag en wat is het allergrootste bedrag dat is geheven?

Ten slotte, wat is het aandeel van het derdenbeslag in het inkomen van die belastingplichtigen? Wat is het gemiddelde minimum- en maximumaandeel in percentages van de inkomsten van belastingplichtigen die onder een derdenbeslag vallen?

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, vooreerst wil ik een verduidelijking geven bij het aantal van 1.127.707 schulden, die het voorwerp van een vereenvoudigd beslag onder derden hebben uitgemaakt. Een dergelijk beslag wordt meestal voor meerdere schulden gelegd. Het aantal beslagen onder derden is met andere woorden lager.

In 2024 hebben de teams voor de invordering van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering 412.322 vereenvoudigde beslagen onder derden via aangetekend schrijven gelegd. Die beslagen betreffen, zoals eerder gezegd, meestal meerdere schulden en naast fiscale schulden ook een aanzienlijk aantal niet-fiscale schulden, aangezien deze administratie de hoedanigheid van shared service center heeft.

De administratie moderniseerde haar informaticatoepassingen, waardoor het gebruik van solvabiliteitsbronnen aanzienlijk werd versneld. Die modernisering is de voornaamste reden voor de forse stijging van de invorderingsmaatregelen in de afgelopen jaren.

In 2024 werd via vereenvoudigde beslagen onder derden een totaalbedrag van 441,9 miljoen euro geïnd, met dien verstande dat die beslagen hun volledige uitwerking pas na verloop van tijd hebben en dat ook nadien nog bedragen worden geïnd.

De in 2024 gelegde vereenvoudigde beslagen onder derden hadden betrekking op 281.963 verschillende schuldenaren. Het gemiddeld bedrag van de schulden, opgenomen in die beslagen, bedroeg iets meer dan 4.400 euro. Het maximale bedrag van de schulden, opgenomen in die beslagen, bedraagt 36.583.745,22 euro.

Lode Vereeck:

Dank u voor de toelichting en de cijfers. Het gaat dus om een gemiddeld beslag van 4.400 euro. Dat is per jaar, neem ik aan. Blijkbaar gaat het hier om 282.000 mensen. Dat is nog altijd bijzonder veel, vind ik. Het antwoord op mijn laatste vraag boeide mij het meest. Als mensen zo'n derdenbeslag opgelegd krijgen, wat houden zij dan nog over? Kunnen zij nog verder met hun leven of worden zij werkelijk tot op het randje van de armoede gedwongen? Ik formuleer het nu nogal zwart-wit. Ik zal deze vraag nogmaals schriftelijk indienen. Wat mij vooral interesseert, is hoever men eigenlijk met het derdenbeslag gaat? Hoever drijft men dat? Alvast bedankt voor deze interessante cijfers.

De ploegenpremie

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck vraagt kritisch waarom werknemers in ploegendienst hun fiscale korting op de ploegenpremie verliezen als ze buiten ploeguren een opleiding volgen, terwijl die opleiding volgens hem geen impact heeft op het ploegensysteem en hij dit "bizar" noemt. Minister Jan Jambon verduidelijkt dat de korting behouden blijft zolang de opleidingsdag samvalt met een geplande ploegendag en de werkgever contractueel verplicht is de premie door te betalen (bv. via CAO of arbeidsreglement), maar benadrukt dat de premie strikt gekoppeld moet zijn aan ploegenarbeid. Vereeck aanvaardt de uitleg en bevestigt dat zijn initiële interpretatie foutief was, nu duidelijk is dat de korting niet vervalt bij opleidingen tijdens normale ploegendagen.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, de ploegenpremie is een extra bedrag dat werknemers in een ploegendienst krijgen ter compensatie voor de onregelmatige uren die zij draaien. Volgens de fiscus zou het recht op de fiscale korting op de bedrijfsvoorheffing vervallen zodra de begunstigde van zo’n premie buiten de ploeguren een opleiding volgt. U hoort het goed: men krijgt een ploegenpremie omdat men in een ploeg werkt, maar als men een opleiding volgt, speelt men de fiscale korting kwijt.

Ik vond dat wat bizar om te lezen. Mijn vragen zijn dan ook de volgende. Ten eerste, op welke manier heeft een opleiding buiten de ploeguren impact op het systeem van ploegenarbeid? Dat is mij niet duidelijk.

Ten tweede, wat is de economische of fiscale rationaliteit om het fiscale gunstregime te doen vervallen als een activiteit die uiteindelijk geen impact heeft op het systeem van ploegenarbeid, wordt uitgeoefend door de begunstigde van een ploegenpremie?

Ten derde, bent u bereid een omzendbrief te sturen die ertoe strekt dat het volgen van een opleiding buiten de ploeguren niet leidt tot het vervallen van de korting op de bedrijfsvoorheffing? Ik dank u om daarin wat klaarheid te scheppen.

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, de toekenning van een ploegenpremie is een noodzakelijke voorwaarde voor de toepassing van de steunmaatregel van vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid.

De fiscale wettekst definieert het begrip ploegenpremie als de premie die wordt toegekend naar aanleiding van het verrichten van ploegenarbeid. Het basisprincipe is dus dat de ploegenpremie moet zijn gekoppeld aan prestaties in ploegenarbeid. Daaruit vloeit voort dat die premie is voorbehouden aan werknemers die ploegenarbeid verrichten en dat alle werknemers die ploegenarbeid verrichten die premie moeten ontvangen. De concrete benaming van de premie is daarbij niet bepalend.

Eenzelfde premie die wordt toegekend aan zowel werknemers die ploegenarbeid verrichten als werknemers die geen ploegenarbeid verrichten, beantwoordt bijgevolg strikt genomen niet aan de fiscale definitie van het begrip ploegenpremie. Als een werknemer overeenkomstig zijn arbeidsregeling in ploegenarbeid is tewerkgesteld, maar bij wijze van uitzondering op een bepaalde dag geen ploegenarbeid heeft verricht en op grond van wettelijke verplichtingen of arbeidsrechtelijke afspraken met de werkgever toch recht heeft op de toekenning van de ploegenpremie, bijvoorbeeld wanneer de arbeidsovereenkomst is geschorst wegens ziekte of, zoals in het door u gegeven voorbeeld, bij het volgen van een opleiding met doorbetaling van het loon door de werkgever, dan wordt de premie geacht nog steeds te zijn toegekend naar aanleiding van het verrichten van ploegenarbeid, op voorwaarde dat de ziekte- of opleidingsdag samenvalt met een arbeidsdag waarop de betrokken werknemer overeenkomstig zijn arbeidsregeling in ploegenarbeid zou zijn tewerkgesteld. De werkgever moet dan wel aantonen dat hij in dergelijke gevallen verplicht is de premie toe te kennen. Dat bewijs kan onder meer blijken uit een wettelijke verplichting, een collectieve arbeidsovereenkomst of een arbeidsreglement.

Lode Vereeck:

Bedankt. Toen ik het bericht las, had ik het een beetje verkeerd begrepen. Ik vroeg me namelijk af hoe het volgen van een opleiding een impact zou kunnen hebben. Als ik het goed begrijp, behoudt een werknemer, wanneer hij een opleiding volgt, zelfs al doet hij dat individueel, toch de fiscale korting wanneer hij normaal in een ploegensysteem werkt. Dat is dan uitgeklaard. Bedankt voor uw toelichting.

De fiscale voordelen bij overmakingen naar het buitenland

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck vraagt naar de omvang van remittances (geldovermakingen naar herkomstlanden) uit België en eventuele belastingvoordelen, met verwijzing naar Britse fiscale voordelen. Jan Jambon antwoordt dat België in 2023 €148,9 miljoen aan onderhoudsuitkeringen naar 183 landen overmaakte (88% naar 35 landen), waarvoor 80% fiscaal aftrekbaar is mits voldaan wordt aan strikte voorwaarden (o.a. wettelijke verplichting en bewijs). Vereeck kritiseert de geplande afbouw van deze aftrek (naar 50%) en de "echtscheidingstaks", die volgens hem ook kinderen in het buitenland zullen treffen.

Lode Vereeck:

Collega's, personen die geld naar hun land van herkomst sturen, ontvangen in veel landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, belastingverminderingen op die overmakingen. Overmakingen is een wat krakkemikkige vertaling van remittances .

Hoeveel bedragen de overmakingen vanuit België in totaal en per land? Welke belastingvoordelen gelden er in België voor dergelijke overmakingen? Hoeveel bedraagt de totale en per land toegepaste belastingvermindering? Hoeveel bedragen van de belastingverminderingen voor overmakingen vanuit België per type belastingvoordeel?

Jan Jambon:

Op basis van de door de belastingplichtigen in hun fiscale aangifte via Tax-on-web ingediende gegevens voor het aanslagjaar 2024 – inkomsten 2023 bedraagt het totaalbedrag van in het buitenland betaalde onderhoudsuitkeringen 148,9 miljoen euro in 183 verschillende landen. 35 landen nemen 88,12 % van de door de belastingplichtigen aangegeven totaalbedrag voor hun rekening. De lijst van die 35 landen met de bijbehorende bedragen, gerangschikt in aflopende volgorde van het totaalbedrag, wordt als bijlage neergelegd bij de commissie voor Financiën en Begroting. U zult die lijst ontvangen.

De genoemde cijfers hebben betrekking op overmakingen naar het buitenland die de aard van een onderhoudsuitkering hebben. In dat geval kunnen ze, volgens de huidige wetgeving, voor 80 % worden afgetrokken van het totale netto-inkomen, mits aan de volgende voorwaarde wordt voldaan: de overmakingen moeten regelmatig worden betaald of toegekend aan personen die geen deel uitmaken van het gezin van de onderhoudsplichtige en voortvloeien uit een verplichting op grond van het burgerlijk of gerechtelijk wetboek of een gelijkaardige verplichting in een buitenlandse wetgeving. De betaling moet door bewijsstukken worden gestaafd. Die aftrek geldt volgens de huidige stand van wetgeving zowel voor onderhoudsuitkeringen aan rijksinwoners als aan niet-rijksinwoners. Zoals u ongetwijfeld weet, zijn er aanpassingen doorgevoerd naar aanleiding van de wet diverse bepalingen van 11 december 2025.

Lode Vereeck:

Dank u voor de toelichting en voor de cijfers. Dank u ook voor de toezegging om die bijlage via het secretariaat ter beschikking te stellen. Het gaat dus om een aftrek van 80 %, die geleidelijk zal dalen naar 70 %, 60 % en 50 %. Indien de onverbiddelijke en kwalijke wet op de echtscheidingstaks wordt doorgevoerd, zullen de gevolgen niet alleen gelden voor kinderen in gezinnen met uit de echt gescheiden ouders in België, maar ook voor kinderen in het buitenland.

De sluiting van taxatiekantoren
De sluiting van het taxatiekantoor van Hoei
De sluiting van taxatiekantoren in verschillende steden

Gesteld aan

Les Engagés Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Hugues Bayet bekritiseert dat de voorzitter procedures manipuleert om een actualiteitsdebat over TVA-verhogingen (cultuur, horeca, etc.) te vermijden door gelijkaardige vragen (punten 45 en 120) politiek gemotiveerd te splitsen, wat hij ziet als censuur van het parlementair debat. Hij eist toepassing van artikel 128 (verplicht debat bij 5 partijen) en dreigt met een beroep op de Conferentie van Voorzitters, gesteund door Sofie Merckx (Groen). De voorzitter ontkent politieke invloed, wijt de splitsing aan administratieve suggesties en vermijdt het debat om spreektijdconflicten te voorkomen, maar Van Quickenborne (Open Vld) stelt dat de Conferentie al besliste dat één vraag in het debat hoort, de rest normaal kan volgen—geen splitsing nodig. Jambon verdedigt de sluiting van 22 fiscale kantoren (Horizon 2030) als modernisering (99,5% digitale afhandeling), belooft lokale spreekuren en syndicale overleg, maar Bayet twijfelt aan de criteria, evaluatie en impact op personeel/burgers, eist schriftelijke verduidelijking.

Hugues Bayet:

Monsieur le président, désolé de faire le "chiant" de service, mais je vais reprendre ma casquette de vice ‑ pr é sident de cette commission pour souligner les conditions dans lesquelles nous travaillons. Il n ’ est tout de m ê me pas normal de modifier à midi l ’ ensemble de l ’ ordre des questions. J ’ en ai une quarantaine. Je suis au travail depuis 8 heures. J'ai à peine eu le temps de manger une petite mousse qui tra î nait et mon collaborateur a encore son sandwich devant lui, parce que nous devons reclasser les questions qui ont été changées ou modifiées.

Je ne vous en veux pas personnellement, monsieur le président, et encore moins aux services, qui font ce qu’on leur demande, mais cela ne va pas. Je suis désolé. Ce n’est pas nouveau: nous savions déjà, avant les vacances de Noël, que 250 questions étaient adressées au ministre des Finances. Ce n’est donc pas ce matin que nous avons découvert qu’il y en avait 250 et qu’il fallait les regrouper par paquets. Ce premier élément concerne donc une question de forme.

En ce qui concerne le fond, j’ai failli tomber de ma chaise. Alors que j'étais en train de reclasser mes questions – ce qui explique mes cinq minutes de retard dans cette commission –, une de mes collaboratrices a dû se rendre au secrétariat parce qu’une question semblait avoir disparu. Elle n'avait en réalité pas disparu, mais vous aviez procédé à des classements. J’espère que vous me répondrez qu’il ne s’agit pas de classements politiques.

Certaines questions portent sur la TVA, notamment sur les augmentations dans le secteur culturel, dans l’hôtellerie, à Pairi Daiza et pour la livraison de repas, etc. Nous aurions pu croire que toutes ces questions se retrouveraient au point 45 de l'agenda, mais certaines sont au point 45 alors que d’autres sont au point 120. Il n’y a pourtant aucune différence entre ces questions. Elles portent toutes sur la TVA, certaines de manière spécifique, d’autres de manière plus globale. Le seul élément qui semble avoir motivé cette séparation entre le point 45 et le point 120 est la volonté d’éviter un débat d’actualité. J'attends encore une réponse à ce sujet.

Monsieur le président, c’est, encore une fois, une manière de museler les parlementaires et d’éviter un débat d’actualité. En effet, cinq groupes politiques ont déposé des questions, et cela aurait dû constituer le premier point.

J’ose espérer que ce n’est pas le ministre des Finances qui a demandé de scinder ces questions. Je souhaiterais une réponse précise et détaillée sur les raisons de cette séparation en deux. Je peux comprendre qu'on rassemble les questions sur la TVA car nous avons de multiples questions à vous poser dans tous les secteurs. Selon moi, les questions aux points 45 et 120 sont exactement les mêmes, si ce n'est que vous voulez échapper à un débat d'actualité.

Devant mes collègues, tous présents ici et qui ont très probablement constaté la même chose que moi, je voudrais savoir, monsieur le président, pourquoi vous avez refusé d’organiser un débat d’actualité et préféré scinder en deux des questions jointes pourtant exactement identiques.

Voorzitter:

Je prends note de vos remarques, monsieur Bayet. Vous savez comment se font les choses: il m'a été demandé si je voulais organiser des débats d'actualité. Je me suis souvenu des autres débats d'actualité que nous avons déjà eus ici, soulevant de manière récurrente une discussion sur le temps de parole accordé aux parlementaires. Selon le Règlement, en cas de débat d'actualité, le temps de parole est réduit. J'ai donc préféré ne pas ouvrir la discussion sur le temps de parole et j'ai décidé de ne pas organiser de débat d'actualité. Je m'assurerai que tous ceux qui ont introduit une question puissent la poser.

En ce qui concerne les questions jointes, j'ai suivi la suggestion des services.

Ik heb geen enkel belang bij het politiek organiseren van deze vragen.

Je suis ici en tant que président de commission. J’essaie d’organiser cette session avec le ministre et avec vous, en sachant qu’énormément de questions doivent être posées et, espérons ‑ le, recevront une r é ponse.

En ce qui concerne le d é bat d ’ actualit é , je viens de vous expliquer la mani è re dont j ’ ai analys é cette question, et cela s ’ arr ê te l à.

Hugues Bayet:

Non, cela ne s'arrête pas là, monsieur le président. Je suis désolé. J’entends ce que vous me dites, mais vous pouvez choisir vous ‑ m ê me lorsqu ’ il y a trois groupes politiques. Ici, nous en avons cinq ou six: l'Open Vld, Groen, DéFI, le PS et le PTB.

Voorzitter:

Vous oubliez la N-VA.

Hugues Bayet:

Vous avez donc l'obligation de respecter l'article 128 du Règlement sur les débats d’actualité en commission. Je ne sais pas qui a pris cette décision, mais vous présidez la commission.

Sans doute comme beaucoup de mes coll è gues, j ’ ai regard é hier soir l ’ ordre des questions et rien n ’ avait é t é modifi é . J ’ ai encore v é rifi é ce matin  à 9 h et c'était toujours pareil. Si rien n ’ avait chang é , je ne serais pas intervenu sur les d é bats d ’ actualit é , mais vous avez décidé de modifier et de regrouper toute une série de questions. Cela pose un réel problème, d’autant plus que ces deux points, 45 et 120, ne concernent que l’opposition.

Vous me dites que ce n’est pas un choix politique et que "c’est ainsi". Je suis désolé, monsieur le président, mais ce n’est pas de cette manière que les choses doivent se faire. Il s’agit d’un élément majeur dans cette commission, qui risque d’avoir des conséquences pour l’avenir et pour la Conférence des présidents. Je suis désolé, monsieur le président, mais ce n’est pas ainsi que nous devons travailler. Je demande donc l'application de l'article 128 du Règlement.

Voorzitter:

Très bien, mais nous sommes actuellement occupés par le point 11 de l'agenda.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, ik wil eerst even ingaan op het procedurepunt.

Ik begrijp dat u de vragen hebt gesplitst om te vermijden dat er een actualiteitsdebat zou komen. Op die manier vermijdt u dat de discussie die we ooit hebben gehad, wordt heropend.

Ik wil er u echter op wijzen dat het punt in de Conferentie van voorzitters werd beslecht. Wanneer bij een actualiteitsdebat een parlementslid meerdere vragen heeft, wordt zijn eerste vraag toegevoegd aan het actualiteitsdebat en behoudt hij of zij het recht om de andere vragen met de voorziene spreektijd te kunnen stellen.

Dat is vastgelegd in de Conferentie van voorzitters naar aanleiding van de discussie die we hebben gehad over de meerwaardetaks. Herinnert u zich de meerwaardetaks en het debat dat we daarover hebben gehad? Toen heeft de Conferentie van voorzitters beslist dat de eerste vraag mee wordt opgenomen in het actualiteitsdebat. De andere vragen kan het parlementslid blijven stellen met de vastgelegde spreektijd.

U hoeft dus helemaal niet te splitsen. U moet gewoon de beslissing van de Conferentie van voorzitters volgen.

Hugues Bayet:

Monsieur le président, je demande l’application de l’article 128. Je veux encore bien être gentil, parce que mon objectif n’est pas d’être râleur. Mais simplement, nous sommes dans un État de droit. Il y a des règles et nous devons les appliquer.

Nous pouvons continuer avec les autres questions, mais les questions n° 45 et 120 à notre ordre du jour seront traitées lors d’un débat d’actualité demain à 14 heures. Voilà ma proposition.

Je pourrais demander que nous arrêtions tout de suite. À un moment donné, il faut quand même essayer d’être respectueux de tout le monde, monsieur le président. Je sais que vous l’êtes. Nous vous avons envoyé un email à midi, et vous ne nous avez pas répondu.

Voorzitter:

Je prends note. Je vais y réfléchir, monsieur Bayet. Maintenant, nous sommes au point 11.

Sofie Merckx:

Monsieur le président. Je me permets d'intervenir aussi brièvement pour soutenir la proposition qui est faite par M. Bayet. Parce qu'effectivement, nous avons aussi des questions dans deux groupes de questions jointes.

Force est de constater qu’énormément de gens ont introduit des questions sur la TVA. Il était donc logique, à partir du moment où un certain nombre est atteint, que soit le président, de son initiative, soit parce qu'il y a au moins cinq groupes, cela devient d'office un débat d'actualité. C’est le Règlement.

C’est à cela que nous nous attendions quand nous avons vu le stock des questions; mais ce n'était pas fait à 14 h. Maintenant, des gens ne sont peut-être pas au courant de la discussion ici. Il me semble donc que c'est une bonne proposition que de regrouper ces questions sur la TVA dans un débat d'actualité demain à 14 h.

Voorzitter:

Monsieur Bayet, vous avez la parole pour votre question sur la fermeture des bureaux de taxation.

Hugues Bayet:

Excusez-moi, monsieur le président. Je veux bien continuer, je l’ai dit. Je veux bien poursuivre la question, mais il faut d’abord trancher ce point. C’est une question de fond, monsieur le président.

Voorzitter:

Soit vous posez votre question, soit je passe au point suivant.

Hugues Bayet:

Si vous voulez, toute l'opposition peut sortir.

Voorzitter:

On peut discuter de tout ce que l’on veut. Je suis l’agenda.

Hugues Bayet:

On discute du Règlement, monsieur le président.

Voorzitter:

Votre discussion porte sur le point 45 de notre agenda. À ce moment-ci, nous sommes au point 11 et je poursuis avec le point 11. Je vous ai dit que j’allais y réfléchir. Pour l’instant, nous sommes au point 11. Soit vous posez votre question, soit je passe à l’intervenant suivant.

Hugues Bayet:

Je trouve cela tout de même un peu cavalier, monsieur le président. Je suis désolé, mais c’est vous qui nous mettez dans cette situation. Ce n’est pas moi. Je ne fais qu'essayer de faire respecter le Règlement.

Voorzitter:

Monsieur Bayet, posez-vous votre question au point 11, oui ou non?

Hugues Bayet:

Je demande un vote ou, si vous le souhaitez, j'appelle la Conférence des présidents. On peut voter

Voorzitter:

Il n’y a aucun vote sur l’agenda.

Hugues Bayet:

Monsieur le président, je pose une question de fond sur le Règlement.

Voorzitter:

Posez-vous votre question sur la fermeture des bureaux, oui ou non?

Hugues Bayet:

Je vais poser ma question, mais franchement, c’est une blague. J’écrirai à la Conférence des présidents.

Voorzitter:

Je vous ai donné une réponse, monsieur Bayet

Hugues Bayet:

Vous pouvez me donner toutes les réponses que vous voulez. À un moment donné, il y a une légalité dans ce Parlement. Si vous voulez essayer de faire comme Trump et les autres, c’est votre problème, pas le mien. Pour ma part, j’irai jusqu’au bout afin de faire respecter la réglementation.

Monsieur le ministre, vous avez décidé que le SPF Finances allait fermer 22 des 43 bureaux de taxation dans le cadre de votre plan Horizon 2030. Je voudrais connaître votre analyse d'impact. Quels sont les critères qui ont prévalu à la fermeture de ces 22 bureaux pour n'en laisser plus que 21? Quelles seront les balises ou les indicateurs concrets qui vont permettre d'évaluer dans les prochaines années si le niveau de service est effectivement maintenu? Je rappelle que ce sont des services aux citoyens. Les usagers ou les associations de défense des contribuables vont-ils être associés à l'évaluation de cette réforme? Dire depuis votre bureau de Bruxelles que "tout va bien Mme la Marquise" sans avoir une évaluation des citoyens, cela me paraîtrait un peu particulier, d'autant qu'ils nous paient et qu'ils vous donnent de l'argent pour avoir justement ces services décentralisés.

Comment vous assurerez-vous que la concentration des services dans un nombre réduit d'agences centrales ne provoquera pas une surcharge de travail pour les équipes et un allongement des délais de traitement pour les contribuables?

Veuillez me détailler le contenu concret du trajet d'accompagnement que vous avez annoncé pour les agents concernés: la formation, la mobilité interne, géographique, le télétravail, les primes, le soutien logistique, etc.? Comment mettre en mouvement tout cela? Quel sera l'impact en termes de temps et de coût de déplacement pour les agents transférés vers les agences centrales? Y a-t-il des compensations prévues? Ce calendrier de mise en œuvre est-il négocié avec les organisations syndicales? Je suppose que oui et que vous n'allez évidemment pas apporter de modifications majeures aux conditions de travail sans un accord préalable.

Jan Jambon:

Le plan d'infrastructure Horizon 2030 est un projet de modernisation important pour le SPF Finances, qui vise à adapter le service public aux réalités sociales actuelles et le préparer aux évolutions futures, tout en maintenant un service public de qualité, accessible et durable.

Dans le cadre de ce projet, le service aux citoyens est une priorité absolue. Depuis la crise sanitaire, la majorité des démarches fiscales se font désormais à distance, par voie numérique ou téléphonique. En 2024, seul 0,5 % des contribuables a sollicité un rendez-vous physique pour sa déclaration d'impôt. Pour les personnes qui en ont besoin, des permanences locales continueront d'être organisées, notamment durant la période de déclaration fiscale, dans les communes qui en font la demande. D'ailleurs, la collaboration avec la Régie des Bâtiments a été constante et transparente. Contrairement à certaines inquiétudes, la Régie a été pleinement associée à la mise en œuvre du plan et a salué la qualité de la concertation et du travail accompli.

Les objectifs budgétaires sont clairs et assumés: la centralisation des services permettra de réaliser des économies substantielles tant pour la Régie des Bâtiments que pour le SPF Finances, tout en modernisant les environnements de travail. Les bâtiments qui fermeront entre 2027 et 2030 sont situés dans les communes suivantes: Ostende, Roulers, Saint-Nicolas, Audenarde, Diest, Turnhout, Pelt, Tongres, Marche-en-Famenne, Nivelles, Saint-Vith, Verviers, Huy et Philippeville. S'agissant du bureau de Huy, je confirme que les agents de service de l'administration générale de la fiscalité seront redéployés cette année vers le site de Liège. Ce redéploiement se fera dans le respect des droits des agents et en concertation avec les organisations syndicales.

Quant aux rendez-vous physiques pour les déclarations d'impôts dans les bâtiments visés à Huy pendant l'année complète de 2024, mon administration en a compté 450.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Tout d'abord, je définis la modernisation comme étant davantage de services pour moins cher, et non pas moins de services dans un désert administratif. Nous allons donc évidemment nous assurer que ce soit le cas. Je vous ai demandé quels avaient été les critères qui ont amené ces décisions et je ne les ai pas eus. Donc, soit vous me les envoyez, soit je vous dépose une question écrite. Sur le fait que le personnel va bouger, je n'ai pas eu beaucoup de réponses non plus. Vous pouvez me les renvoyer par écrit aussi ou je redépose une question, c'est comme vous voulez. Mais c'est quand même notre matière première, nos fonctionnaires. Et donc, j'aimerais quand même m'assurer que tout ça est négocié avec eux. S'agissant de l'évaluation, là non plus, je n'ai pas eu beaucoup de réponses. Je veux bien vous croire, je pense qu'il ne sert à rien de garder les bâtiments énormes si on n'a plus que sept personnes qui viennent par semaine. Mais c'est bien de l'évaluer avec les travailleurs sur place, avec les délégations syndicales et avec les citoyens qui bénéficient de ces services. Je me permettrai donc de revenir avec une autre question sur cette nécessaire évaluation.

De impact op de begroting van de dwangsommen voor het niet naleven van rechterlijke beslissingen

Gesteld door

PS Frédéric Daerden

Gesteld aan

CD&V Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Frédéric Daerden bekritiseert dat Fedasil – ondanks vonnissen – dakloze gezinnen (inclusief erkende vluchtelingen) weigert op te vangen, wat leidt tot menselijk leed en miljoenen aan dwangsommen (al >€6,5 mln) voor de staat. Hij vraagt om budgettaire impact, kosten voor de belastingbetaler en garanties dat ideologie niet langer tot verspilling van publiek geld leidt. Minister Jan Jambon wijst de vragen af als bevoegdheid van Budget en Justitie, zonder inhoudelijk te reageren. Daerden stelt vast dat het dossier structureel wordt doorgeschoven.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, depuis l’entrée en vigueur, début août, des lois sur l’accueil et les demandes ultérieures, plusieurs familles avec enfants se retrouvent à la rue.

Leurs avocats ont obtenu gain de cause devant le tribunal du travail de Bruxelles, qui a rappelé que Fedasil a l’obligation de leur fournir un hébergement. Ces décisions sont exécutoires, or elles ne sont pas appliquées. Derrière ces dossiers, il y a des vies. Une mère seule avec son bébé d’un an est contrainte de dormir dehors après avoir fui des violences subies, alors même qu’elle a obtenu le statut de réfugiée. Ces histoires humaines sont bouleversantes.

Elles ont aussi une conséquence directe sur le budget fédéral. Le non-respect des jugements entraîne une avalanche d’astreintes qui s’ajoutent aux plus de 6,5 millions d’euros déjà dus.

Monsieur le ministre, mes questions sont budgétaires, mais elles partent d’une conviction: une gestion inhumaine est toujours, au final, une gestion coûteuse. Premièrement, pouvez-vous préciser l’impact actuel et prévisionnel de ces astreintes sur le budget de l’État et la manière dont elles sont intégrées dans votre trajectoire budgétaire pour les années à venir? Deuxièmement, quel est le coût actuel, à charge du contribuable, du non-respect par le gouvernement de ses obligations? Troisièmement, quels mécanismes de suivi budgétaire et de provisionnement sont prévus pour assumer les conséquences actuelles de cette mauvaise gestion? Quatrièmement, quelles garanties donnez-vous que l’État respectera les décisions de justice afin d’éviter que l’idéologie ne se traduise en gaspillage d’argent public?

Jan Jambon:

Monsieur Daerden, je dois m’excuser. Nous aurions peut-être dû prendre contact avec vous auparavant, car les trois premières questions que vous posez relèvent plutôt des compétences du ministre du Budget, et la quatrième de celles du ministre de la Justice. Je m’en excuse.

Frédéric Daerden:

Merci pour cette brève réponse. Je les transmettrai donc à vos collègues concernés, à l'un d'entre eux tout du moins.

Accijnsverlagingen
De accijnshervorming
Accijnsbeleid en belastingmaatregelen

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat grensshoppen (vooral naar Frankrijk, goed voor €769 miljoen verlies in 2023) een groot probleem is door hoge Belgische accijnzen op dranken, en verwijst naar een Laffer-effect: lagere accijnzen zouden de staatsinkomsten kunnen verhogen via meer binnenlandse consumptie. Hij belooft nog dit jaar een wetsontwerp in te dienen, gebaseerd op het regeerakkoord, maar blijft vaag over concrete producten, tarieven en timing, benadrukkend dat succes afhangt van consumentengedrag. Lode Vereeck (N-VA) bekritiseert dat het regeerakkoord geen specifieke accijnsverlagingen bevat (behalve op elektriciteit) en wijst op een stijgende belastingdruk door maatregelen zoals de "loonmatigingstaks" (belasting op niet-uitbetaalde indexering). Hugues Bayet (PS) stelt scherp dat de regering sinds februari geen concrete stappen heeft gezet en enkel de btw-verlaging op elektriciteit heeft gerealiseerd, ondanks herhaalde "semi-akkoorden".

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, op 14 september was u te gast bij VTM. U vermeldde dat – zoals we weten – de accijnzen in dit land zo hoog zijn dat dezelfde producten veel goedkoper zijn in onze buurlanden. U dacht daarbij vooral aan frisdrank en water. Dat leidt tot grensshoppen, wat op zijn beurt aanzienlijke verliezen voor de Schatkist met zich brengt.

Volgens u kan een verlaging van de accijnzen zelfs leiden tot een verhoging van de staatsinkomsten. Laffer is alive and kicking . Dat is uiteraard een interessante stelling: lagere belastingen of lagere belastingtarieven leiden tot meer opbrengsten.

Ik heb daarover een aantal vragen. Ten eerste, hoe hoog wordt het verlies voor de staatsinkomsten door grensshoppen geraamd? Kunt u daarbij, indien mogelijk, een opsplitsing maken per buurland?

Ten tweede, op welke producten wilt u de accijnzen verlagen? Vallen de accijnzen op energie en brandstoffen ook onder die maatregel?

Ten derde, hoe groot is de accijnsverlaging per product dat u voor ogen hebt?

Ten vierde, wat is de geraamde meeropbrengst per product als gevolg van een accijnsverlaging? Het gaat over grensshoppen en dus niet over elektriciteit.

Ten vijfde, binnen welke termijn wilt u die accijnsverlagingen doorvoeren?

Ten zesde, aansluitend bij die Lafferiaanse benadering, zijn er naast accijnzen nog andere belastingen waarvan een verlaging kan leiden tot hogere staatsinkomsten? Zo ja, welke andere belastingen wilt u verlagen om de staatsinkomsten te verhogen en hoeveel meeropbrengsten verwacht u?

Ten zevende, kunt u een defensiebelasting uitsluiten dan wel bevestigen?

Ten achtste, blijft de regering vasthouden aan de afspraak uit het regeerakkoord dat de belastingdruk bij geen enkele begrotingsopmaak of -controle hoger mag uitvallen dan bij de aanvang van de regering?

Ten negende, kunt u toelichten hoeveel de belastingdruk volgens die regel maximaal zou mogen bedragen en hoeveel de belastingdruk vandaag bedraagt?

Hugues Bayet:

Monsieur le président, en référence à la question précédente, je remercie M. le ministre d'acquiescer à mes propos selon lesquels notre méthode de travail n'est pas idéale puisque vous voyez bien que, même pour lui, cela occasionne des problèmes.

Monsieur le Ministre,

Vous avez annoncé votre volonté de profiter des prochaines négociations budgétaires pour revoir certaines accises et taxes touchant directement la grande distribution, dans le but de rendre les achats « nationaux » plus attractifs et de lutter contre le phénomène persistants des courses transfrontalières.

Pouvez-vous préciser :

Quelles mesures fiscales concrètes vous envisagez de mettre en œuvre dès janvier prochain afin d'alléger le prix des produits de consommation courante en Belgique (notamment l'eau, les boissons sans sucre, le thé, le café, ou encore les emballages réutilisables) ?

Comment vous évaluez l'effet budgétaire net de ces réductions de taxes pour l'État, puisque vous évoquez une possible augmentation des recettes via une hausse de la consommation locale ?

Je vous remercie d'avance pour vos réponses​

Jan Jambon:

Collega’s, grensoverschrijdende aankopen blijven een belangrijk aandachtspunt. De verschillen in accijnzen en productprijzen tussen België en onze buurlanden zetten consumenten er regelmatig toe aan hun aankopen in het buitenland te doen, wat een impact heeft op onze binnenlandse verkoop en op de fiscale ontvangsten.

Voor een diepgaandere analyse, waarnaar u naar vraagt, verwijs ik graag naar een studie van het Prijzenobservatorium uit 2023, waarin de verschillende prijzen in België en in de buurlanden worden vergeleken. Volgens Fevia vertegenwoordigden die aankopen in 2023 een recordbedrag van 769 miljoen euro, waarvan het merendeel in Frankrijk werd besteed.

Ik wil er eveneens op wijzen dat België actief deelneemt aan de Europese discussies over de herziening van de tabaksrichtlijn. Dat proces zal bijdragen tot het herstel van eerlijke concurrentievoorwaarden voor economische operatoren, terwijl tegelijk de doelstellingen inzake volksgezondheid worden versterkt.

Comme vous le savez, l'accord de gouvernement prévoit plusieurs mesures visant à lutter contre les achats transfrontaliers. Elles y sont énumérées textuellement. Vous pouvez donc les y retrouver. Bien entendu, j'espère pouvoir les appliquer le plus rapidement possible.

En ce qui concerne les produits non alimentaires, le problème est évidemment moins lié aux accises qu'aux coûts salariaux et à ceux de l'énergie. Comme vous le savez, le gouvernement entend agir sur ces deux aspects.

Ainsi que je l'ai déjà indiqué, la lutte contre les achats transfrontaliers peut conduire à une augmentation de recettes via davantage d'accises et de TVA en Belgique. Bien évidemment, cela dépendra, dans une large mesure, du comportement des consommateurs.

Tegelijkertijd werk ik ook aan een bredere fiscale hervorming, die ook andere belastingverlagingen omvat.

Wat de financiering van toekomstige uitgaven betreft, met inbegrip van die in de defensiesector, zullen de besprekingen binnen de regering doorslaggevend zijn.

Ik heb in de commissie het belang benadrukt om voor verschillende opties open te blijven staan, zonder op dit moment op specifieke keuzes vooruit te lopen. De fiscale druk in België behoort tot de hoogste op internationaal niveau. Het is mijn ambitie om via gerichte hervormingen de fiscale druk te verlagen en de economische dynamiek te versterken, terwijl tegelijk een evenwicht tussen competitiviteit en budgettaire verantwoordelijkheid wordt nagestreefd.

Met betrekking tot de timing zal ik dit jaar nog met een wetsontwerp naar de regering gaan, conform de maatregelen die in het regeerakkoord terug te vinden zijn.

Lode Vereeck:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dank u om de grootteorde eventjes te schetsen, met de studie van het Prijzenobservatorium en Fevia. Ik begrijp dat vooral onze zuidgrens een probleem is.

In het begrotingsakkoord staan natuurlijk heel veel maatregelen. Uw uitspraak bij VTM ging specifiek over accijnsverlagingen. Nu is er wel in een accijnsverlaging voor elektriciteit voorzien, maar er staan in het begrotingsakkoord toch geen andere accijnsverlagingen? Er zijn wel heel wat verschuivingen van btw, maar niets specifieks over accijnzen.

Hoe transparant en gedetailleerd u bent over de omvang van het grensshoppen, zo flou blijft u over de belastingdruk. U spreekt daar een algemeen principe uit, maar ik had graag geweten wat de belastingdruk op dit moment is. Hoeveel mag dat maximaal bedragen? Hoeveel was dat in het begin van de regeerperiode en hoeveel is dat nu?

Door een aantal maatregelen, onder andere in de programmawet, zien we dat de fiscale druk vanuit de federale overheid lichtjes is gestegen. Wat we ook weten, is dat er door de centenindex op een bepaald moment een loonmatigingstaks op de indexsprong zelf wordt geheven, dus op loon dat men niet heeft. Men verdient bijvoorbeeld 6.000 euro. Men zou normaal 120 euro extra moeten krijgen, maar die 40 euro krijgt men dus niet. Er wordt dus belasting geheven op loon dat men niet heeft. Daardoor kan het niet anders – daarvoor moet men geen genie zijn – dan dat de belastingdruk op de lonen stijgt.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, vous vous référez à l’accord de gouvernement. Accord de gouvernement qui, comme vous le savez mieux que moi, date de février, mais que vous n’avez pas encore su mettre en place, puisqu’il a fallu se revoir en juillet. En juillet, cela n’allait toujours pas. Il a fallu se revoir pour avoir un budget 2026 à la fin de l’année. Cela n’allait toujours pas. Vous êtes un peu arrivés à un semi-accord fin novembre. Nous attendons toujours la concrétisation de celui-ci. Des textes vont arriver. À part, en effet, une diminution de la TVA sur l’électricité, nous ne voyons rien d’autre venir. Je trouve cela dommage, mais nous suivrons évidemment attentivement tout ce que vous allez, j'espère, nous soumettre dans les prochaines semaines. Je vous remercie.

Fiscale fouten te goeder trouw
De uitspraak van het hof van beroep van Gent (belastingverhoging bij eerste fiscale overtreding)
Het arrest van het Gentse hof van beroep over belastingverhogingen
De fiscale weerslag van de rechtspraak over het 'recht om zich te vergissen'
Fiscale rechtspraak en belastingverhogingen bij vergissingen

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Lode Vereeck, Dieter Vanbesien en Niels Tas bekritiseren dat de afschaffing van de 10%-belastingverhoging bij fiscale fouten te goeder trouw (zoals beloofd in het regeerakkoord) alleen voor personenbelasting geldt en niet voor andere federale belastingen zoals btw, en pas in juli 2025 inging in plaats van 1 januari. Ze wijzen op een bom onder de fiscale praktijk door een arrest van het Gentse hof (nov. 2025), dat de verhoging als strafrechtelijke sanctie kwalificeert en retroactieve toepassing van de mildere wet afdwingt – met potentieel miljardenverlies voor de schatkist en gigantische administratieve lasten door massale herzieningen van lopende dossiers (mogelijk 84.000+ zaken). Minister Jan Jambon bevestigt dat goede trouw het uitgangspunt blijft en dat de fiscus de bewijslast voor kwade trouw draagt, maar ontkent dat het arrest fundamenteel iets verandert, omdat rechters altijd al individuele beoordeling konden toepassen. Hij erkent dat btw-initiatieven volgen, maar ontwijkt concrete budgettaire impactcijfers en een algehele oplossing, terwijl hij een cassatieberoep overweegt. Kritici vrezen dat de fiscus onvoldoende capaciteit heeft om fraude nog effectief aan te pakken en dat de begroting onvoorzien wordt getroffen.

Lode Vereeck:

Mijn eerste vraag heeft betrekking op de fiscale fouten te goeder trouw. In het regeerakkoord werd voorzien in de afschaffing van de belastingverhoging in geval van goede trouw voor alle federale belastingen. De programmawet van juli 2025 heeft het recht op fiscale fouten te goeder trouw echter enkel ingevoerd voor de inkomstenbelasting, met name de personenbelasting. De fiscus kan voortaan geen belastingverhoging van 10 % meer opleggen wanneer een belastingplichtige zich voor het eerst schuldig maakt aan een fiscale overtreding te goeder trouw. Het is bovendien aan de fiscus om het tegendeel te bewijzen. Daarover heb ik drie vragen.

Waarom wordt de afschaffing van de belastingverhoging in geval van goede trouw uitsluitend toegepast in de inkomstenbelasting, meer bepaald de personenbelasting, en niet op andere federale belastingen? Is de regering bereid om, conform het regeerakkoord, de afschaffing van de belastingverhoging in geval van goede trouw ook toe te passen op andere federale belastingen, zoals de btw? Op welke belastingen zou dit dan betrekking hebben en wat is de voorziene planning en timing? Fiscale maatregelen hebben in beginsel betrekking op het volledige inkomstenjaar. Waarom treedt deze maatregel pas in werking op 29 juli 2025 en niet op 1 januari 2025?

In dezelfde thematiek, maar toch enigszins verschillend, wil ik uw aandacht vestigen op een recente uitspraak van het Hof van Beroep van Gent van 18 november 2025. We hebben het daarnet al gehad over de wijziging door de programmawet. Op het ogenblik dat ik mijn vraag indiende, heeft het Hof van Beroep van Gent een arrest gewezen waarin werd geoordeeld dat de beoogde belastingverhogingen administratieve sancties met een strafrechtelijk karakter zijn in de zin van het EVRM. Daardoor is het beginsel van de retroactieve werking van de mildere strafwet van toepassing, dat voorrang heeft op het Belgisch recht.

Naar mijn oordeel is dit arrest een regelrechte bom. Met dat arrest volgt het Hof immers de stelling dat de wijziging in de programmawet, die voorziet in het afzien van een belastingverhoging en in een vermoeden van goede trouw bij een eerste overtreding, ook moet gelden voor eerder gevestigde aanslagen die nog in debat zijn of die nog voor de rechtbank kunnen worden aangevochten. De gevolgen van deze uitspraak beperken zich niet tot de belastingverhoging die werd opgelegd bij een eerste overtreding te goeder trouw, maar strekken zich ook uit tot de minimale belastbare grondslagen.

Dat brengt mij tot de volgende vragen. Heeft de minister reeds kennis kunnen nemen van dit arrest? Waarom werd op de, naar het lijkt, evidente voorrang van het internationaal recht niet geanticipeerd en werd bijgevolg een onwettige datum van inwerkingtreding in de programmawet opgenomen? Bestaat er een inschatting van de impact van dit arrest op lopende betwistingen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de toepassing van artikel 206/3, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, dat in vele gevallen zal komen te vervallen?

Samengevat, collega’s, zorgt dat arrest van het hof van beroep ervoor dat, gelet op het strafrechtelijk karakter, retroactief voor alle hangende zaken of zaken die nog aanhangig worden gemaakt, niet alleen de sanctionerende belastingverhoging van 10 % zal moeten worden terugbetaald, maar dat ook eventueel de belastbare grondslag moet worden geregulariseerd, bijvoorbeeld als er een betwisting is over de totale winst en die niet volledig door de fiscus in aanmerking wordt genomen. Nu blijkt dat wel het geval te zijn.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over hetzelfde arrest van het Gentse hof van beroep, dat definitief de praktijk van sanctionerende belastingverhogingen bij een eerste fout op de belastingaangifte vernietigt. Voortaan moet met terugwerkende kracht het uitgangspunt van de goede trouw worden toegepast op oudere aanslagen als daarover nog een betwisting loopt.

Het arrest draait daarmee de bewijslast om. Het is niet aan de belastingplichtige om de goede trouw te bewijzen, maar aan de fiscus om de kwade trouw aan te tonen. Dat creëert mogelijk een aantal problemen binnen uw bevoegdheden, die om een oplossing vragen.

Ten eerste blijken er mogelijk zeer veel dossiers te zijn waarin een sanctionerende belastingverhoging van 10 % werd toegepast en waartegen mogelijk ook beroep werd aangetekend. Voor 2022 zou het in totaal gaan om 84.000 dossiers die werden geopend voor een belastingverhoging. Hoewel het onduidelijk is om hoeveel beroepsprocedures het gaat, kan worden vermoed dat het om een aanzienlijk aantal gaat en dat dit dus extra werk inhoudt voor de fiscus.

Hoe zal de fiscus die dossiers behandelen en dus de bewijslast aanleveren en welke extra middelen stelt u daarvoor ter beschikking, gelet op de lineaire besparing van 1,8 % bij de fiscus?

Ten tweede leidt het arrest mogelijk ook tot minder belastinginkomsten, met een impact op de begroting. Er zijn immers advocaten die stellen dat ondernemingen door de vernietiging van de belastingverhoging met terugwerkende kracht mogelijk enkele boekjaren als verlies kunnen registreren en dat in veel gevallen ook de aanslagen zelf zullen wegvallen. Gaat u akkoord met die analyse? Zo ja, welke impact verwacht u op de belastinginkomsten en hoe houdt u daarmee rekening in de begrotingsbesprekingen?

Niels Tas:

Mijnheer de minister, Ik heb het uiteraard over dezelfde uitspraak waarnaar de vorige twee sprekers verwezen. Het arrest zorgt niet alleen voor een juridische onzekerheid, maar houdt ook een potentieel budgettair risico in, zoals collega Vanbesien aanhaalde. In 2023 ging het al om 48 miljoen euro aan dergelijke sancties. Indien dit arrest een precedent schept voor dossiers die nog hangende zijn – sommige lopen wellicht al 20 jaar – spreken we over zeer aanzienlijke bedragen.

Bovendien grijpt het ook in op de vennootschapsbelasting, door de combinatie van een minimale sanctie van 10 % belastingverhoging en het aftrekverbod. Dat heeft een directe weerslag op de effectieve belastingdruk en de inkomsten voor de Staat. Bovendien dreigt de administratieve last om al die herberekeningen en terugbetalingen uit te voeren voor de administratie gigantisch te worden.

Kunt u een inschatting geven van het aantal lopende administratieve en gerechtelijke procedures waarin een belastingverhoging voor een eerste overtreding administratief en gerechtelijk wordt aangevochten? Over welk volume aan dossiers spreken we hier?

Heeft uw administratie reeds een simulatie gemaakt van de totale budgettaire impact indien de rechtspraak van Gent algemeen gevolgd wordt? Houdt u hierbij ook rekening met het effect op de vennootschapsbelasting, gezien de impact op het aftrekverbod?

Zal de FOD Financiën zich neerleggen bij de toepassing van de lex mitior, de mildere strafwet, of zal er een cassatieberoep worden aangetekend om de budgettaire belangen te vrijwaren?

Indien u niet naar cassatie stapt, zijn er provisies aangelegd in de begroting om die potentiële terugbetalingen en de bijhorende moratoriuminteresten op te vangen?

Jan Jambon:

Collega’s, het regeerakkoord bepaalt inderdaad dat goede trouw het uitgangspunt moet zijn bij de toepassing van administratieve sancties.

Inzake btw is er sinds de instructie 2018/1/41 van 13 juni 2018 een automatische kwijtschelding mogelijk. Het is echter de bedoeling om ook inzake btw bijkomende initiatieven te nemen.

Dan kom ik tot de argumentatie. Ik citeer daarvoor het advies van de Raad van State: "Er werd zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de aanslagprocedure. Na een aangifte, die vermoed wordt juist te zijn, vindt een controle plaats die aanleiding geeft tot een bericht van wijziging. Tenslotte volgt een vestiging van de aanslag, de inkohiering en de motivatie waarom al dan niet rekening werd gehouden met de opmerkingen van de belastingplichtige. Op dit moment kan de belastingverhoging effectief worden toegepast. Het leek dan ook logisch hierbij aan te sluiten en aan te duiden vanaf wanneer het wettelijk vermoeden temporeel wordt toegepast, zijnde wanneer de effectieve belastingverhoging ontstaat." Overeenkomstig het advies van de Raad van State werd dat ook letterlijk opgenomen in de memorie van toelichting.

Wat de vraag betreft over overtredingen begaan tegen de bepalingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale vorderingen (WMGI) geldt dat ook die op dezelfde wijze zullen worden geanalyseerd als de overtredingen van de andere wetboeken.

Vóór de inwerkingtreding van de programmawet van 18 juli 2025 had de rechter reeds de mogelijkheid om, op basis van de feitelijke gegevens van het individuele dossier, de belastingverhoging van 10 % te beoordelen. Daarbij moet de administratie de beginselen van behoorlijk bestuur eerbiedigen, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De rechter kan binnen diezelfde grenzen de opgelegde belastingverhoging van 10 % beoordelen.

De administratie heeft dus steeds de mogelijkheid om het gebrek aan goede trouw aan te tonen. Die mogelijkheid blijft bestaan na de rechtspraak inzake de lex mitior.

Wat de hangende geschillen betreft waarbij een belastingverhoging van 10 % werd toegepast, onderzoekt mijn administratie geval per geval, op basis van de feitelijke gegevens, of er sprake kan zijn van een afwezigheid van goede trouw. Daarbij wordt rekening gehouden met de richtlijnen vermeld in de circulaire 2025/C/49. De bewijslast ligt bij mijn administratie.

In overeenstemming met de programmawet is er geenszins sprake van een vermoeden van goede trouw in geval van een aanslag van ambtswege. De mogelijkheid tot het instellen van een voorziening in cassatie wordt momenteel door mijn administratie nog onderzocht.

Gelet op de individuele beoordeling van elk geschil en op het feit dat een dergelijke belastingverhoging niet alleen werd opgelegd inzake vennootschapsbelasting met een eventueel bijhorend aftrekverbod, maar ook in een groot aantal aanslagen in de personenbelasting, is het op dit moment nog niet mogelijk om de budgettaire gevolgen van arresten van het hof van beroep te Gent te bepalen. Om die reden is het ook niet mogelijk om het aantal dossiers op te geven dat aanleiding zal geven tot een ontheffing van de belastingverhoging van 10 %.

Het recente arrest van het hof van beroep van Gent van 18 november 2025 verandert dus in se niets aangezien de rechter de beoordelingsbevoegdheid blijft behouden. In het voormelde arrest wordt bovendien ook bepaald dat de administratie niet het tegendeel van de goede trouw bewijst.

Ten slotte, het vroegere artikel 207, 7°, van het WIB92, thans artikel 206/3 van hetzelfde WIB, bepaalt dat wanneer een belastingverhoging van 10 % of meer effectief wordt toegepast, bepaalde aftrekken niet mogelijk zijn. De niet-toepassing van een belastingverhoging van 10 % heeft tot gevolg dat voormelde bepaling niet kan worden toegepast.

Lode Vereeck:

Voor het eerste deel van mijn vraag noteer ik dat u ook voor de fiscale fouten te goeder trouw bijkomende initiatieven gaat nemen in de btw-regeling.

Inzake de uitspraak van het hof van beroep gaat u daar toch iets te licht overheen. Ook in het verleden kon de rechter die beoordeling doen. Wat nu gebeurt, is dat, doordat het hier gaat om een strafrechtelijke sanctie of een administratieve fout met een strafrechtelijk karakter, de retroactieve werking van de mildere strafwet onmiddellijk speelt.

Dat betekent dat wij nu al weten dat in alle zaken die nu aanhangig zijn of die aanhangig worden gemaakt, de belastingplichtige niets meer moet bewijzen. Dat betekent in principe dat alle zaken die voorliggen, bij wijze van spreken allemaal van tafel zijn als het een eerste fout te goeder trouw betreft.

U laat uw administratie dus best eens navraag doen naar een inschatting van het aantal zaken die nu allemaal onder de nieuwe regeling vallen.

Zoals de collega’s ook hebben aangegeven, is het noodzakelijk om te proberen de budgettaire gevolgen daarvan in te schatten. De mensen uit de sector met wie ik heb gesproken, spreken over een fiscale splinterbom. Het kan immers gaan over vele miljoenen euro’s die niet naar de Schatkist vloeien. Terecht, maar u zult daar rekening mee moeten houden.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Los van de budgettaire impact, waarvan u aangeeft dat die vandaag nog niet kan worden berekend, onderschrijf ik het principe van goede trouw. Ik heb dat ook eerder gezegd tijdens het debat daarover. Ik heb daarbij altijd aangegeven dat dat betekent dat er meer mankracht nodig zal zijn bij de fiscus, aangezien het nu aan de fiscus is om de kwade trouw te bewijzen. De bewijskracht ligt bij de fiscus, waardoor die over de nodige mankracht moet beschikken. Die situatie wordt ondertussen realiteit. We moeten ervoor zorgen dat de criticasters van het principe van goede trouw geen gelijk krijgen. Het is dus belangrijk dat frauduleuze dossiers daardoor niet bewust door de mazen van het net glippen. Daarom is een reactie nodig en verdienen we een antwoord op de vraag hoe de fiscus daarmee zal omgaan en of die voldoende mankracht heeft.

Niels Tas:

Ik sluit mij aan bij de bezorgdheid van de twee voorgaande sprekers. We mogen de gevolgen van die uitspraak op tal van lopende dossiers niet onderschatten. Ik begrijp enerzijds het antwoord van de minister, die duidelijk maakt dat elk dossier individueel beoordeeld moet worden. Daardoor kan men niet eenvoudig met één klik een overzicht krijgen van het aantal dossiers dat een impact zal ondervinden. Anderzijds is de uitspraak een zwaard van Damocles. Een grondige analyse is dus echt aangewezen en uw diensten moeten daar verder mee aan de slag gaan. We zullen het dossier blijven opvolgen. Het is maar correct en eerlijk dat iedereen zijn deel doet. Zoals collega Vanbesien zegt, moeten mensen die bewust fraude plegen ook worden aangepakt. Dat is bijzonder belangrijk.

De toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6 % op deelwagens voor personen met een handicap

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Niels Tas vraagt of het verlaagde btw-tarief (6%) voor voertuigen bestemd voor personen met een handicap ook geldt voor deelauto’s die uitsluitend door deze doelgroep worden gebruikt, verwijzend naar eerdere pragmatische interpretaties van "persoonlijk gebruik". Jan Jambon wijst dit af: de Europese uitzonderingsregel (uit 1992) staat enkel toe dat het tarief geldt voor strikt persoonlijk gebruik door de gehandicapte persoon zelf, en uitbreiding naar deelmobiliteit zou de hele regeling in gevaar brengen. Tas betuigt spijt over de beperkende historische afspraken, die volgens hem niet meer passen bij moderne mobiliteitsoplossingen, maar aanvaardt het standpunt. De voorzitter sluit de discussie zonder verdere inhoudelijke toevoeging.

Niels Tas:

In het kader van de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6 % voor voertuigen bestemd voor het vervoer van personen met een handicap, wens ik verduidelijking te bekomen over de toepassing van dit tarief in situaties waarin het voertuig niet op naam van één individuele persoon staat.

Dit speelt onder meer bij deelmobiliteitsprojecten die specifiek worden opgezet voor personen met een handicap. In dergelijke initiatieven worden voertuigen immers exclusief ter beschikking gesteld van deze doelgroep. Hoewel de wagen in dat geval niet op naam van één individuele persoon is ingeschreven, wordt het gebruik wel beperkt tot personen die voldoen aan de voorwaarden om van het verlaagde btw-tarief te genieten.

De administratie heeft in het verleden reeds via circulaire 2019/C/23 een pragmatische interpretatie toegelaten van het begrip "persoonlijk gebruik" door personen met een handicap. Wij zouden daarom graag vernemen of ook in deze context – waarbij deelwagens uitsluitend door personen met een handicap worden gebruikt – kan worden geoordeeld dat dit onder "persoonlijk gebruik" valt in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20 en de vermelde circulaire.

Een bevestiging van deze interpretatie zou toelaten om ook bij de aankoop van dergelijke voertuigen in deelprojecten voor personen met een handicap het verlaagde btw-tarief van 6 % toe te passen. Dit zou een belangrijke stimulans vormen voor de verdere uitbouw van toegankelijke deelmobiliteit voor personen met een handicap.

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, de fiscale gunstregeling inzake btw verleend aan bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten voor een auto die voor persoonlijk vervoer wordt gebruikt, wordt slechts toegekend mits enkele strikte voorwaarden. Wat de btw betreft, komt die gunstregeling in feite neer op de toepassing van een nultarief op de aankoop van een auto.

Volgens de Europese btw-richtlijn mag een verlaagd btw-tarief eigenlijk niet worden toegepast voor auto's bestemd voor invaliden en gehandicapten. De Europese Commissie heeft in 1992, in het kader van de afschaffing van de fiscale grenzen, België evenwel de toelating gegeven om in het kader van zijn sociale politiek deze gunstregeling, die werd ingevoerd op 1 januari 1970, te behouden, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat België die regeling niet uitbreidt. Deze toelating is een uitzonderingsmaatregel die werd opgenomen in het proces-verbaal van de Raad Ecofin van 19 oktober 1992. De gunstregeling kan dus enkel worden ingeroepen voor een automobiel voor personenvervoer dat door een beoogde invalide als persoonlijk vervoermiddel wordt gebruikt. Uit de bepalingen van de betreffende regeling zelf blijkt dat de gunstregeling een strikt persoonlijk recht is dat slechts wordt verleend aan de invalide zelf. Het voertuig mag in principe niet worden gebruikt zonder aanwezigheid van de invalide die het voordeel geniet.

Slechts in een beperkt aantal situaties aanvaardt de administratie dat er vervoer is zonder aanwezigheid van de invalide in het voertuig, maar ook in die gevallen moet er een onmiddellijk verband bestaan met de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van de betrokken invalide.

Een auto die gebruikt wordt in een autodeelsysteem kan niet worden aangemerkt als het persoonlijk vervoermiddel van de invalide. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, kan geen gunstig gevolg worden gegeven aan het verzoek om de gunstregeling inzake btw voor voertuigen voor personen met een handicap uit te breiden naar projecten inzake autodelen. De wettelijke voorwaarden om van de gunstregeling te kunnen genieten zouden immers worden miskend en bovendien bestaat het risico dat de hele gunstregeling in het gedrang komt.

Niels Tas:

Bedankt voor uw duidelijke antwoord. Het is uiteraard bijzonder jammer, maar we zijn nu eenmaal gebonden aan historische regels of afspraken op dat vlak die misschien niet meer toepasbaar zijn op de huidige manieren om hiermee om te gaan. We zullen dit ook nog verder onderzoeken.

Voorzitter:

Vraag nr. 56008389C van mevrouw Thémont wordt op haar vraag omgezet in een schriftelijke vraag.

Het belasten van de internetgiganten

Gesteld door

PS Hugues Bayet

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Voorzitter en Hugues Bayet stemmen in met het uitstellen van het actualiteitsdebat over een digitale belasting (geïnspireerd op het Franse model) tot morgen, om vandaag prioriteit te geven aan wetgevend werk en rekening te houden met het verzoek van minister Jan Jambon (die morgen eerder wil eindigen omwille van een privéfestijn). Bayet pleit voor een Belgische digitale belasting van 3% op omzet van techmultinationals (naar Frans voorbeeld), om fiscale ongelijkheid tussen kmo’s en grote spelers aan te pakken, en bekritiseert dat België nog wacht op Europese unanimiteit. Jambon bevestigt dat België—conform het regeerakkoord—eerst internationale afspraken nastreeft, maar unilateraal een digitale belasting invoert uiterlijk in 2027 als Europa faalt, mits gelijke concurrentievoorwaarden voor Belgische en buitenlandse bedrijven. Bayet noemt dit een "goed nieuws", maar had een eerdere invoering (2026) verkieslijk geacht.

Hugues Bayet:

Vous avez une réponse pour moi, monsieur le président, c'est bien ça? Pas encore?

Voorzitter:

Pour en revenir à votre question, je crois qu'il y a six ou sept personnes qui veulent prendre la parole. Quand je lis le règlement, je vois qu'il y a un intervenant dans la…

U kunt het hoofd schudden, maar, als ik uitga van de organisatie van een actualiteitsdebat, dan is er één spreker per fractie.

…une personne par groupe qui prend la parole. Ensuite, la discussion est close, à la suite de quoi, je pense, les autres peuvent poser leurs questions et ainsi se joindre au débat d'actualité.

Wat zal evenwel het antwoord zijn van de minister op dat moment? Ik verwijs naar het debat dat we juist gehad hebben. Ik kan me voorstellen dat, mocht ik minister zijn, ik er ook zou naar verwijzen omdat het in essentie over dezelfde dingen gaat. Daarom heb ik geoordeeld dat we geen actualiteitsdebat zullen houden. Als u erop staat om absoluut een actualiteitsdebat te organiseren, dan zullen we vandaag punt 45 niet behandelen. Ik stel voor dat we morgen ons wetgevend werk doen en dat we daarna een actualiteitsdebat houden. Voor mij is dat geen probleem, maar dan zal het zijn volgens de regels zoals ze hier zie van een actualiteitsdebat.

…un intervenant par groupe. C'est comme vous voulez.

Dat is tenminste de afweging die ik gemaakt heb.

Hugues Bayet:

Je suis d'accord, monsieur le président. C'est exactement ce que j'ai proposé: continuer de traiter toutes les questions simples aujourd'hui et traiter demain les questions jointes aux points 45 et 120 après les deux débats. Avant même l'examen des projets de loi, peut-être, ce qui nous permettrait d'avoir le débat avant le dossier.

Jan Jambon:

Mag ik een vraag stellen aan de commissie? Mijn vrouw is morgen jarig. Ik had daarom voor morgen een einduur gevraagd. Kan dat gerespecteerd worden? Vandaag wil ik gerust langer doorgaan.

Voorzitter:

Morgen eindigen we rond 17.30 uur en vandaag is het einduur normaal gezien 18.00 uur.

Jan Jambon:

Dat is aan de commissie om te beslissen. Ik wil graag morgen het actualiteitsdebat houden, zolang we maar rond 17.30 uur kunnen eindigen.

Voorzitter:

Dan moeten we gewoon tempo maken en het afgerond krijgen.

Jan Jambon:

Ik wou er een plezierig feestje van maken.

Voorzitter:

Ik hoor van de minister dat hij vandaag langer kan blijven, maar de commissie is vandaag wel geagendeerd tot 18.00 uur. Ook ik heb daarna andere afspraken.

Mijnheer Bayet, morgen is er wetgevend werk en daarna het actualiteitsdebat.

Hugues Bayet:

M. le président, on a un grand accord, pour lequel je vous remercie. Normalement on aurait le débat aujourd'hui. Je propose qu'on continue jusqu'à ce que M. le ministre doit partir. C'est l'anniversaire de son épouse demain. Donc évidemment, il a ses engagements.

Continuons donc aujourd'hui jusqu'au maximum pour que le ministre soit libéré. Demain matin, on peut commencer par les débats d'actualité et faire le débat jusqu'à l'heure que M. le ministre sait rester pour les deux propositions de loi.

Voorzitter:

De voorstellen hebben recht van voorrang wegens de hoogdringendheid. De agenda zal morgen worden medegedeeld. We vervolgen nu de commissievergadering.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, vous le savez, la justice française a tranché en faveur d’Amazon concernant certaines activités qui ne relèvent pas du champ d’application de la taxe sur les services numériques. En même temps – et c’est peut-être le plus important –, ce jugement confirme la validité et la légitimité de cette taxe dans son principe même, puisqu’il s’agit désormais d’une contribution reconnue et déjà appliquée en France aux activités des grandes plateformes numériques. Vous le savez également, cette taxe, fixée à 3 % du chiffre d’affaires réalisé sur certains services numériques, a rapporté 750 millions d’euros en 2024.

Cela constitue une réponse concrète au déséquilibre fiscal persistant entre les grandes entreprises numériques internationales et les acteurs économiques soumis au système classique d’imposition. Cette situation existe aussi bien en Flandre que dans les autres régions du pays je suppose. Il devient de plus en plus difficile d’expliquer à nos petites et moyennes entreprises pourquoi elles supportent une pression fiscale élevée alors que de nombreuses grandes multinationales y échappent.

Dès lors, ne pensez-vous pas qu’il serait opportun que notre pays s’inspire de ce modèle français et envisage la mise en place d’une taxe analogue sur les services numériques, afin que les géants du numérique contribuent de manière équitable au financement de nos services publics, de nos entreprises et de nos écoles? Il ne faut pas être gêné, monsieur le ministre. Parfois, les bonnes idées viennent d'ailleurs, y compris des Français.

L’exemple français montre qu’il n’est pas nécessaire d’attendre une unanimité européenne pour agir. Je vous remercie d’avance pour votre réponse.

Jan Jambon:

Monsieur Bayet, l'accord de gouvernement prévoit que, si aucun accord ne peut être conclu au niveau européen et international, la Belgique élaborera unilatéralement une taxe numérique.

En premier lieu, la Belgique s'inscrit donc dans notre engagement de mettre en œuvre les accords internationaux relatifs à une taxe sur les services numériques. Si aucun accord ne peut être atteint au niveau européen ou international, la Belgique élaborera au plus tard, à partir de 2027, une taxe numérique de manière unilatérale.

En tout état de cause, cette taxe respectera le principe de l'égalité des conditions de concurrence, donc le level playing field , entre les entreprises belges et étrangères opérant sur le marché national.

La taxe ne pourra pas avoir pour effet que la pression fiscale soit plus élevée pour les entreprises belges que pour les entreprises étrangères. À ce sujet aussi donc, je respecterai l'accord de gouvernement.

Hugues Bayet:

Merci monsieur le ministre. C'est une bonne nouvelle! Je crois qu'il est vraiment plus que temps que toutes les entreprises soient taxées de la même façon. Parce que si nos petits et moyens entrepreneurs sont taxés de plus en plus, c'est bien parce que les plus grands d'entre eux ne sont pas taxés, y compris tous ceux qui ne résident même pas en Belgique. J'aurais préféré qu'on ait déjà une taxe ici, en 2026. Mais enfin, vous vous engagez clairement, s'il n'y a pas d'accord européen, à le faire en 2027. Je vous en remercie et nous suivrons évidemment avec attention ce dossier. Merci monsieur le ministre.

De fiscale regeling voor de derde pensioenpijler

Gesteld door

PS Frédéric Daerden

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frédéric Daerden (PS) vraagt kritische cijfers over het derde-pijlerpensioensparen in 2024, wijst op hoge bank- en verzekeringskosten die het nettorendement ondermijnen en op de 8%-belasting bij 60 jaar, en pleit voor lagere kosten om de sparers te beschermen. Minister Jan Jambon (N-VA) corrigeert de fiscale plafonds (max. €1.050/€1.350 in 2025), meldt dat 2,5 miljoen Belgen (gem. €864/jaar) sparen via dit systeem – vrouwen zijn licht in meerderheid – en belooft een wetsvoorstel om de kosten te drukken, zonder concrete timing. Daerden onderschrijft de nood aan striktere regulering van financiële tussenpersonen om het systeem eerlijker te maken. Jambon deelt gedetailleerde decieldata na maar ontkent inzicht in totaal opgebouwde kapitaal.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, depuis de nombreuses années, l'État encourage les citoyens à souscrire une épargne pension individuelle dans le cadre du 3 e pilier. Cette incitation prend principalement la forme d'un avantage fiscal qui peut aller jusqu'à 30 % des montants versés chaque année, dans la limite de 1 500 euros au titre de 2025. L'argument avancé est que cet effort individuel viendrait compléter la pension légale et améliorer le niveau de vie des retraités. Cependant, plusieurs études, notamment de l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) ont mis en évidence le poids important des frais appliqués par les banques et les compagnies d'assurance réduisant ainsi le rendement net pour l'épargnant. En outre, au moment du 60 e anniversaire, l'administration fiscale prélève un impôt libératoire de 8 % sur le capital constitué, ce qui signifie que l'État dispose d'informations précises sur les montants accumulés par les épargnants.

Monsieur le ministre, pouvez-vous indiquer pour l'année 2024 combien de contribuables ont souscrit une épargne pension du 3 e pilier et pour quel montant moyen annuel? Quelle est la répartition du recours à ce dispositif selon les quartiles de revenus et selon le genre? Pouvez-vous préciser sur base des données fiscales disponibles au moment du prélèvement de 8 % à 60 ans, le montant moyen, le montant médian effectivement accumulé par les épargnants, la répartition de ces capitaux en fonction des quartiles de revenus et du genre? Comptez-vous œuvrer à diminuer les frais appliqués par les banques et les compagnies d'assurance afin d'assurer le rendement net pour l'épargnant? Si oui, pourriez-vous m'indiquer comment et sous quel calendrier?

Jan Jambon:

Monsieur Daerden, je tiens tout d'abord à rectifier le montant mentionné dans votre question. Pour 2025, les contribuables ont droit à une réduction d'impôt de 30 % s'ils versent maximum 1 050 euros et à une réduction d'impôt de 25 % s'ils versent plus de 1 005 euros, avec un maximum de 1 350 euros, et non 1 500 euros comme indiqué dans votre question.

Les données les plus récentes de mon administration concernent l'exercice d'imposition 2024, portant sur l'année de revenus 2023. Durant cet exercice d'imposition, 2 497 405 contribuables ont demandé à bénéficier de la réduction d'impôt pour versement dans le cadre de l'épargne-pension. Le montant total versé est de 2,16 milliards d'euros et le montant moyen s'élève à 864 euros. Pour rappel, les montants maximum étaient de 990 euros, pour une réduction d'impôt de 30 %, et 1 270 euros pour une réduction d'impôt de 25 % durant l'année de revenus 2023. Un historique du nombre de contribuables et du montant total versé dans le cadre de l'épargne-pension est disponible sur le site du SPF Finances, sous l'onglet statistiques et analyses (https://finances.belgium.be/fr/statistiques_et_analyses).

L'administration fiscale ne dispose pas de données quartiles, mais je vous fournirai un tableau avec la répartition par décile. La répartition par genre est équilibrée: les femmes représentent un peu plus de 50 % du nombre de contribuables, et ont demandé la réduction d'impôt pour épargne-pension, et un peu plus de 50 % du montant total versé. Mon administration ne dispose pas de données relatives aux montants totaux accumulés pour les épargnants.

Nous travaillons actuellement à un avant-projet de loi visant à neutraliser autant que possible les coûts liés à l'épargne-pension. J'espère pouvoir présenter cet avant-projet au Parlement dans les plus brefs délais.

Je transmettrai au secrétariat de la commission un tableau contenant de nombreux chiffres, afin qu'il soit repris dans le compte rendu. Il s'agit des données par décile de l'épargne-pension, le nombre de contribuables, les montants totaux versés, le montant moyen versé pour les différents déciles, de plus qu'un tableau de la répartition par genre, le nombre de contribuables et le montant total versé.

Frédéric Daerden:

Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse et la rectification. Désolé pour l'erreur dans notre question. Merci pour les différente informations concernant les différents déciles. Je reviendrai sur un élément. Je pense que nous nous rejoignons, car votre intention est de faire une correction. Il s'agit du coût élevé des intermédiaires financiers. S'il pouvait être contraint et diminuer, cela serait évidemment tout bénéfice pour les épargnants.

Belfius Private

Gesteld door

PS Hugues Bayet

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Hugues Bayet vraagt hoe de overheid garandeert dat Belfius’ uitbreiding in private banking (met doel 100 mjd beheerd vermogen in 2030) verenigbaar is met haar publieke missie van toegankelijke bankdiensten voor alle burgers. Jan Jambon verdedigt Belfius’ model: winsten uit vermogensbeheer en zakelijke diensten subsidieren volgens hem sociale producten (bv. 162.865 gratis sociale rekeningen via CPAS-samenwerking) en verzekeren financiële stabiliteit, terwijl Belfius marktleider blijft in publieke sector (50%) en hypotheken (20%). Bayet prijsde Belfius als "juweel" maar suggereert kritisch dat andere banken regelgeving mogelijk ontwijken (zonder Belfius te noemen). Jambon benadrukt expliciet dat Belfius’ gediversifieerd model haar publieke rol versterkt, niet ondermijnt.

Hugues Bayet:

Belfius a récemment annoncé le lancement de sa nouvelle structure "Belfius Private", qui vise à rassembler ses activités Private et Wealth dans une offre intégrée de banque privée, avec l'ambition de gérer 100 milliards d'actifs à l'horizon 2030. Cette activité concerne aujourd'hui plus de 145 000 clients et plus de 60 milliards d'euros d'encours, et prévoit un élargissement par le biais d'un réseau physique de "Private Houses".

Dans ce contexte, pourriez-vous préciser :

- comment le gouvernement entend assurer que le développement de cette nouvelle activité par une banque détenue par l'État se fasse dans le respect des missions d'intérêt général et sans compromettre la vocation publique de Belfius;

- si vous estimez qu'un tel accent mis sur la clientèle fortunée est compatible avec le rôle d'une banque publique qui est de garantir un service bancaire accessible et durable pour l'ensemble de la population?

Jan Jambon:

Belfius est une banque assureur universelle belge qui offre ses services à tous les segments de clients, indépendamment de leur patrimoine. C'est justement par cette approche, qui vise à servir tous les pans de la société belge et tous les segments de clients, que Belfius est à même de servir également les populations moins favorisées. Grâce à son développement en private banking , en wealth management , mais aussi en corporate banking , Belfius a été en mesure de remplir pleinement son rôle sociétal, bien au-delà de ce que font les autres banques en Belgique. Le développement de l'activité de Belfius sur ces segments permet donc de financer le développement et de garantir des services qualitatifs et accessibles au plus grand nombre.

Les parts de marché de Belfius pour la première partie de 2025 illustrent d'ailleurs très bien les efforts équilibrés que Belfius fournit pour tous les acteurs de la société belge. Ces parts de marché sont les suivantes: 19,8 % en crédit hypothécaire; 20,8 % pour le segment business ; 21,6 % pour le segment corporate banking ; 15,2 % pour le private banking et plus de 50 % dans le secteur public.

L'ancrage de Belfius dans tous les piliers de la société belge pour ses activités tant bancaires que d'assurance garantit sa solidité financière et contribue à renforcer son capital et sa rentabilité au fil des ans en tant que banque systémique. Rien qu'en exploitant pleinement la synergie entre différents segments de clients, Belfius s'assure donc d'un business model pérenne qui lui permet de diversifier et de maîtriser ses risques, d'augmenter et de diversifier ses revenus tout en maîtrisant ses coûts, ce qui lui permet in fine de continuer à développer une offre de qualité pour tous les segments et de jouer pleinement son rôle de soutien à la société belge dans son ensemble.

À titre d'exemple, au premier semestre 2025, outre les comptes de paiement gratuits accessibles à tous, Belfius dénombrait 162 865 comptes sociaux. En collaboration avec les CPAS, dont Belfius est la banque, ces comptes sociaux permettent aux plus fragiles d'accéder à des moyens financiers. Par ailleurs, 64 500 clients Belfius bénéficient toujours d'un service bancaire de base.

Hugues Bayet:

Merci pour votre réponse. Je n'aurais jamais cru entendre de votre bouche qu'une banque belge appartenant à l'État belge fasse mieux que les banques privées. Je suis d'accord avec vous: c'est en effet l'un de nos joyaux et nous devons continuer à soutenir cette banque, qui doit évidemment respecter toutes les règles du secteur. Je vous remercie pour l'ensemble de ces informations et je reviendrai probablement vers vous dans une question écrite, car j'ai tout de même quelques questions sur l'application de vos réglementations par toute une série de banques. Je ne parle toutefois pas ici de Belfius spécifiquement. Je vous remercie pour votre réponse et pour votre soutien indéfectible, si je comprends bien, à cette banque publique belge.

Voorzitter:

Ik wil de collega’s van het Vlaams Belang en van Open Vld erop wijzen dat we nu heel snel zullen gaan, onder andere omdat de vragen van mevrouw Verkeyn worden omgezet in schriftelijke vragen.

De investeringen van banken in fossiele energie

Gesteld door

PS Hugues Bayet

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Hugues Bayet wijst op een studie waaruit blijkt dat 65 topbanken wereldwijd dubbel zoveel in fossiele (3.285 mrd USD) als in duurzame energie (1.368 mrd USD) investeren (2021-2024), wat indruist tegen de doelen van het Akkoord van Parijs, en vraagt om concrete sturing van Belgische banken om hun fossiele financeringen te verminderen. Minister Jan Jambon stelt dat de overheid banken niet kan dwingen, maar benadrukt dat EU-regels (zoals transparantieverplichtingen en klimaatrisico-analyses vanaf 2026) hen moeten aanzetten tot vrijwillige verschuiving, met waarschuwing voor financiële instabiliteit bij geforceerde transitie. Bayet bekritiseert dit als te passief, wijst op de miljarden aan bankreserves en pleit voor strengere overheidssturing—analog aan de (omstreden) maatregelen tegen mazoutketels—om banken te verplichten fossiele investeringen sneller af te bouwen. De discussie blijft onopgelost: Jambon houdt vast aan marktmechanismen en EU-kaders, Bayet eist actiever overheidsingrijpen.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, selon une récente étude menée par plusieurs ONG, dont Reclaim Finance, les 65 plus grandes banques mondiales ont accordé, entre 2021 et 2024, plus du double de financements aux énergies fossiles (3.285 milliards de dollars) qu'aux énergies dites soutenables, comme l'éolien ou le solaire (1.368 milliards de dollars).

Concrètement, pour chaque dollar investi dans les énergies fossiles, seuls 42 cents soutiennent la transition énergétique. Ce constat est contraire aux trajectoires recommandées par l'Agence internationale de l'énergie (AIE) et aux engagements climatiques de l'accord de Paris.

Si les banques françaises s'en sortent mieux que d'autres pays, l'étude ne met toutefois pas en avant de manière claire la performance des établissements belges. Or, les banques opérant en Belgique, en tant qu'acteurs financiers majeurs, ont une responsabilité particulière dans la mobilisation de capitaux vers des secteurs compatibles avec nos objectifs climatiques. Leur rôle est déterminant pour réduire progressivement l'exposition aux énergies fossiles et accroître significativement le financement de la transition énergétique.

Pouvez-vous préciser quelle évaluation le gouvernement fait actuellement de l'implication des banques belges dans ce domaine et quelles actions concrètes seront entreprises pour s'assurer que le secteur bancaire belge accélère son désengagement des énergies fossiles et augmente ses investissements dans les énergies soutenables, conformément à nos engagements européens et internationaux en matière climatique?

Voorzitter:

Zo gaat het wel heel snel.

Jan Jambon:

Monsieur Bayet, il incombe aux institutions financières, elles-mêmes, d'élaborer une stratégie et de prendre des décisions commerciales pour leur organisation. Cela vaut également en matière de finances durables. Les pouvoirs publics ne peuvent pas obliger les institutions financières à investir ou non dans certains secteurs ni à accorder des prêts. En revanche, ils peuvent faciliter les investissements soutenant la transition climatique et énergétique, par exemple en favorisant une plus grande transparence.

La réglementation européenne et les initiatives visant à promouvoir la finance durable s'inscrivent dans cette logique. En particulier, le cadre européen de reporting en matière de durabilité, qui est affiné via le paquet législatif dit Omnibus, renforce cette transparence. Il est important à cet égard de souligner que la réglementation européenne en matière de finances durables n'exclut aucun secteur de l'accès au financement. De même, la réglementation prudentielle ne prescrit pas que certaines entreprises ou secteurs ne puissent plus recevoir de crédit ni que d'autres secteurs doivent recevoir davantage de financement. Un déplacement massif et soudain des financements entre secteurs pourrait en outre engendrer une instabilité financière, ce qui n'est pas souhaitable d'un point de vue prudentiel.

En revanche, il est attendu des institutions financières qu'elles intègrent systématiquement les risques liés au climat et à l'environnement au même titre que les autres risques dans leur gestion des risques. Elles doivent également adopter une perspective à long terme et, à partir de 2026, établir des plans prudentiels indiquant comment elles comptent aborder les risques physiques et les transitions liées au changement climatique et à la dégradation de l'environnement à court, moyen et long termes.

Les décisions finales en matière d'octroi de crédit et les conditions y associées relèvent en revanche entièrement de la responsabilité des institutions financières.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Je crois que nous pouvons faire un peu plus par rapport aux banques. Vous avez décidé de montrer l’exemple avec les citoyens en augmentant la taxation sur les chaudières au mazout. C’est une bonne chose d’un point de vue environnemental. C’est une mauvaise chose d’un point de vue social, puisque vous n’aidez pas les plus pauvres d’entre nous.

Mais en ce qui concerne les banques, je vous rappelle qu’elles ont des milliards stockés sur leurs comptes. Moi, je dis cela, c’est juste pour être cohérent par rapport à votre accord de gouvernement. Je pense que nous pouvons être un peu plus actifs par rapport aux choix faits par les banques, et que nous pouvons sans problème orienter des choses un peu plus strictes par rapport aux énergies fossiles.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56008419C, 56008421C, 56008423C en 56008494C van mevrouw Charlotte Verkeyn worden omgezet in schriftelijke vragen. Collega's, morgen zullen we ons actualiteitsdebat over de btw houden, in het algemeen. Voor de goede orde preciseer ik dat al diegenen die vragen hebben ingediend, de spreektijd zullen krijgen waarop ze volgens hun aantal vragen recht hebben. Ze zullen geagendeerd worden onder dat punt en zullen dan ook aan het woord komen. Is dat goed? ( Ja )

De fiscale hervorming ter stimulatie van arbeid en aanwervingen
De netto loonsverhoging, een illusie voor de middenklasse
De belastinghervorming
Belastinghervorming en impact op lonen en werkgelegenheid

Gesteld aan

MR David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand en Sofie Merckx bekritiseren minister Jan Jambon omdat zijn belofte om werken aantrekkelijker te maken (500 euro netto verschil, 1.000 euro extra per jaar) de facto uitgesteld en drastisch afgekalfd is: voor een mediaaninkomen (3.700 bruto) levert het niets op, terwijl minimumloners in 2026 slechts 8 euro extra per maand krijgen – ver van de 500 euro. Jambon verdedigt de gefaseerde hervorming (werkbonus voor laagste lonen, belastingverlaging pas in 2030) en wijst op bijkomende maatregelen zoals hogere maaltijdcheques, maar ontwijkt concrete bedragen, wat Bertrand als "geheimzinnigheid" en "leegloop van beloftes" bestempelt. Merckx hamert op de koopkrachtverlaging door btw-stijgingen (voeding, medicijnen) en beperkte indexering, terwijl Jambon verwijst naar toekomstige microsimulaties in het wetsontwerp (pas na 17.00 uur ingediend). Critici beweren dat de hervorming vooral symbolisch is en gezinnen met mediaaninkomens benadeelt.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik denk dat dit een belangrijk onderwerp is. Ik weet dat deze vraag al gesteld is, maar tot nu toe hebben wij nooit een antwoord mogen krijgen. Het betreft nochtans een heel belangrijke belofte uit uw campagne en bovendien staat het in uw regeerakkoord. Het gaat erom dat werken meer moet lonen en dat er een verschil van 500 euro per maand moet zijn tussen mensen die werken en mensen die niet werken. Er werd ook gezegd dat mensen 1.000 euro per jaar extra zouden verdienen.

Als ik voorbij de slogans kijk en naar uw begrotingstabellen voor 2026, 2027 en 2028 kijk, zie ik echter een ander beeld; zeker sinds het begrotingsakkoord van december, waarin u de verhoging van het netto-inkomen uitstelt tot 2030. Dat is een beetje zoals zeggen op café: "Ik ga trakteren, maar mijn opvolger zal het betalen."

We hebben uw begrotingstabellen geanalyseerd. Voor een Belg met een mediaanloon – ik heb het over de hardwerkende middenklasse – lijkt die belofte een lege doos. U versnelt wel de fiscale werkbonus, maar dat geldt alleen voor de allerlaagste lonen. Dat is op zich nobel, maar de algemene belastingverlaging die iedereen ten goede zou komen, schuift u door naar de verre toekomst. Misschien komt die ooit terecht bij uw opvolger.

Ik wil duidelijkheid krijgen. Hoeveel euro netto, per maand of per jaar, dat maakt niet uit, krijgt een Vlaming met een mediaanloon – ongeveer 3.700 euro bruto – er effectief bij in 2026 en 2027? Krijgt iemand met een mediaanloon er überhaupt iets bij? Creëert u, door alleen de laagste lonen een bonus te geven, geen nieuwe promotieval? Zo krijgt iemand die promotie maakt of net iets meer verdient niets, maar hij betaalt wel de volledige nieuwe belastingen.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, il s'agit effectivement d'une grande, grande, grande promesse. Augmenter le pouvoir d'achat des travailleurs via une réforme fiscale en trois volets – le bonus emploi, la diminution de la cotisation spéciale de sécurité sociale et la quotité exemptée d'impôt –, c'est ce qui était dans l'accord de gouvernement.

Au début, il était question de 500 euros net en plus par mois. En juillet dernier, vous m'indiquiez qu'en 2029 on arriverait à une augmentation de 110 euros par mois pour un isolé au salaire minimum. Comme ma collègue l'a dit, tout le monde, bien sûr, n’a pas le salaire minimum.

Durant le débat budgétaire, et à la suite des notifications budgétaires, nous avons constaté que vous avez, d'un côté, avancé certaines mesures, mais que d'un autre, vous en avez postposé aussi une en grande partie, à savoir le relèvement de la quotité exemptée.

Quand je lis la presse de ces derniers jours, je vois que la mesure annoncée fera en sorte qu'un isolé au salaire minimum aura, tenez-vous bien, 8 euros en plus par mois en 2026. Donc, des 500 euros, on est finalement arrivés en 2026 à 8 euros en plus par mois, et à 12 euros pour un couple!

Pour ce qui est de la mesure concernant la quotité exemptée, le journal L'Echo ou La Libre – je suis désolée, je n'ai plus la source – a fait le calcul: il s'agira de 62 euros en 2029 et 91 euros en 2030.

Monsieur le ministre, la question est claire. Mme Bertrand vous a posé la question par rapport à un revenu médian, mais quels sont maintenant les montants corrects? Et, toute chose étant égale par ailleurs, concernant l'augmentation du salaire d'un isolé au salaire minimum d'ici 2029, quelle est la différence entre l'estimation que vous aviez faite en juillet et celle qui peut être faite suite à l'accord budgétaire de novembre dernier?

Jan Jambon:

Geachte Kamerleden, het wetsontwerp met de verlaging van de personenbelasting werd aan de Kamer bezorgd en zal dus binnenkort in de commissie voor Financiën worden besproken. Die hervorming en de verlaging van de personenbelasting gaat al dit inkomstenjaar in en komt in 2030 op kruissnelheid. Daarnaast werd ook de maximale waarde van de maaltijdcheque van 8 naar 10 euro verhoogd, wat eveneens bijkomende koopkracht oplevert. Daarnaast zijn, zoals u weet, ook andere arbeidsmarktmaatregelen al van toepassing, bijvoorbeeld de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd.

Ik zal de verschillende microsimulaties toelichten bij de inleiding op het wetsontwerp van de hervorming van de personenbelasting. Net zoals de vorige regering kiezen we ervoor om inderdaad het netto-inkomen voor de laagste lonen te verhogen via de werkbonus. Door de aanpassing van de parafiscale grensbedragen van de lage looncomponent en de zeer lage looncomponent wordt de promotieval enigszins getemperd.

L'augmentation du salaire net pour un travailleur au salaire minium résultera de l'adaptation du bonus à l'emploi. Cette adaptation fait partie du projet de loi portant réforme de l'impôt des personnes physiques qui sera prochainement examiné en commission des Finances. Les montants corrects sont ceux qui figurent dans le projet de loi. Je commencerai mon introduction du projet de loi portant réforme de l'impôt des personnes physiques par une présentation des différentes micro-simulations. Je vous demanderai donc de bien vouloir aborder toutes les questions relatives aux micro-simulations lors de l'examen du projet de loi en commission.

En ce qui concerne votre question, madame Merckx, sur la notification budgétaire dans les plans budgétaires initiaux, la réduction et la réforme de la cotisation spéciale pour la sécurité sociale étaient déjà prévues pour 2029. La notification prévoit une anticipation à 2028. Il n'y a donc pas de modification en 2029 par rapport à la notification antérieure.

We zullen alle microsimulaties aan jullie bezorgen en toelichten wanneer we het wetsontwerp in de commissie voor Financiën bespreken.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik kan u moeilijk bedanken voor uw antwoord, want u hebt mij geen antwoord gegeven. U hebt gewoon herhaald wat u al maanden zegt.

Ik hoor dat de wettekst zou zijn ingediend, maar dat is niet het geval, want op de website van de Kamer staat nog steeds: niet beschikbaar. Er is gewoon niets ingediend.

Jan Jambon:

Dat wordt vandaag voor 17.00 uur gepubliceerd.

Alexia Bertrand:

Het is 16.20 uur. We zullen dat aandachtig opvolgen, mijnheer de minister.

U hebt dat wetsontwerp ingediend, maar toch kunt u geen bedrag noemen. Nochtans is dat de kern, de essentie, van uw campagnebelofte, van uw aankondigingen. Is er iets te verbergen? Is dat zo moeilijk om te berekenen? Is het problematisch om die informatie met de Kamer te delen? U hamert daar al maanden op, maar het lijkt nu het grootste geheim van de wereld te zijn.

Ik vrees dat ik weet waarom. Die bedragen zullen zo veel lager liggen dan wat werd aangekondigd. De afschaffing van de BBSZ geldt alleen voor de alleenstaanden. Op zich is dat goed voor de alleenstaanden, maar dat betekent dat de gezinnen daarvan niet zullen kunnen genieten. De belastingvrije som hebt u tot 2030 uitgesteld. Wat blijft er over? U zei het zelf: een verhoging voor de allerlaagste lonen. Dat betekent dat gezinnen met een mediaanloon, de hardwerkende Vlamingen, de hardwerkende Belgen, niets zullen krijgen. Zij zullen niets zien. Integendeel, uw btw-verhoging zal alles absorberen. Ze zullen eigenlijk veel meer betalen.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, nous ressentons bien le malaise qui est présent. Nous lirons, en effet, le projet de loi.

Vous dites que nous devons attendre pour les micro ‑ simulations. C ’ est surtout parce qu ’ il s ’ agit de micro ‑ augmentations. Vous aviez promis 500 euros, et nous en sommes tr è s loin. Nous sommes à peine à 8 euros par mois en 2026 pour les personnes disposant du salaire minimum. Nous serons peut ‑ ê tre à 60 euros en 2029 et à 90 euros en 2030, mais cela rel è vera d é j à de la prochaine l é gislature.

Entre ‑ temps, monsieur le ministre, les gens verront leur pouvoir d ’ achat baisser. Alors que les revenus n ’ ont pas é t é augment é s, depuis le 1 er janvier, je re ç ois des centaines de messages de personnes qui me disent devoir payer 2, 3, 10, 15 ou 20   euros de plus pour leurs m é dicaments.

Vous décidez d’augmenter la TVA sur les plats à emporter ou dans les cantines scolaires. Vous décidez d’augmenter le prix des abonnements de fitness. Et je ne parle même pas de tous les Wallons qui vont subir l’augmentation massive des taxes dans l’ensemble des communes.

De plus, vous avez décidé de vous attaquer au pouvoir d’achat des travailleurs et des pensionnés en limitant l’indexation des salaires. Le résultat sera que votre augmentation va fondre comme neige au soleil face à toutes les hausses que les personnes subissent aujourd’hui, notamment en matière de prix et de taxes.

Leur pouvoir d’achat est en train de diminuer, mais rien n’est encore voté, et nous ferons en sorte de bloquer vos réformes. Bien sûr, pas la réforme fiscale, mais celles sur la TVA et sur l’indexation des salaires, qui vont lourdement impacter le pouvoir d’achat des gens.

Voorzitter:

Vraag nr. 56008552C van de heer Ribaudo is omgezet in een schriftelijke vraag.

Stablecoins

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat het geplande Europese stablecoin-project (een Electronic Money Token onder MiCAR-regels) voldoet aan strenge EU-eisen, zoals volledige inwisselbaarheid, transparantie (via whitepapers) en verbod op rente, om consumentenbescherming en financiële stabiliteit te garanderen. Hij benadrukt dat de regulering (inclusief Nederlandse toezichtsrol) cruciaal is, maar distantieert zich van commerciële bankbeslissingen, hoewel de overheid wel snelle nationale implementatie van MiCAR nastreeft. Anthony Dufrane juicht het initiatief toe als kans voor Europese betaalautonomie en Belgische banken, en waarschuwt voor achterstand ten opzichte van Amerikaanse stablecoins, maar stelt geen verdere kritiek.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, neuf grandes banques européennes, parmi lesquelles KBC et ING, ont récemment annoncé la création d’un consortium visant à lancer un stablecoin en euros d’ici 2026.

Cet instrument de paiement numérique basé sur la technologie blockchain et conforme au règlement européen MiCAR, se veut une alternative crédible face à la domination des stablecoins américains – que ce soit l'USDT ou l'USDC – sur le marché.

Les promoteurs de ce projet mettent en avant des avantages tels que la rapidité des transactions, la réduction des coûts, la disponibilité permanente et la sécurité des règlements.

En Belgique, les banques commencent déjà à s'ouvrir aux actifs numériques, notamment par l'intermédiaire de services permettant l'achat de crypto-monnaies via leurs applications. Le lancement d'un stablecoin européen, émis directement par les institutions bancaires réunies autour d'une nouvelle entreprise dédiée à la gestion de cette monnaie numérique, pourrait représenter une opportunité pour renforcer la position du secteur financier belge et européen, tout en contribuant à l'autonomie stratégique de l'Union européenne en matière de paiement.

Alors, monsieur le ministre, j'en viens à mes questions. La première: que pensez-vous de cette initiative bancaire et des opportunités qu'elle pourrait dégager pour les banques belges? Ensuite, quels seraient, selon vous, les avantages concrets pour notre économie et pour les consommateurs belges en cas de généralisation de l'usage des stablecoins? Troisièmement, quelles garanties sont-elles envisagées pour assurer la sécurité, la transparence et la stabilité de ces nouveaux instruments financiers?

Et pour conclure, monsieur le ministre, le gouvernement fédéral entend-il soutenir activement le développement de ces projets européens, notamment en matière de cadres réglementaires et d'intégration dans le système bancaire belge? Je vous remercie d'avance pour vos réponses.

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, le stablecoin en question, s’il se concrétise, sera qualifié d’Electronic Money Token, un EMT, dans le cadre du nouveau règlement européen MiCAR. MiCAR, pour Markets and Crypto Assets Regulation, constitue le cadre juridique de l’Union européenne visant à réglementer les crypto-actifs, leurs émetteurs et les prestataires de services dans l’ensemble des États membres.

Ses objectifs sont d’assurer la protection des consommateurs et des investisseurs, l’intégrité du marché et la stabilité financière, tout en favorisant l’innovation dans le secteur de la finance numérique. Le règlement MiCAR introduit des règles relatives à l’émission, à la négociation et à la conservation des stablecoins et établit des exigences de licence pour les prestataires de services sur crypto-actifs. Il comprend également des dispositions destinées à prévenir les abus de marché et impose des obligations de transparence, notamment par le biais de whitepapers et de divulgations.

Les EMT sont définis comme des crypto-actifs visant à maintenir une valeur stable en se référant à une seule monnaie officielle et sont considérés comme une forme de monnaie électronique. En tant que telle, leur émission est limitée aux entités autorisées en tant qu’institutions de crédit ou établissements de monnaie électronique. C’est la raison pour laquelle, selon les informations relayées par les médias, le consortium bancaire concerné envisage de créer une entreprise distincte qui sollicitera un agrément en tant qu’établissement de monnaie électronique aux Pays-Bas.

Les émetteurs d’EMT doivent respecter des exigences strictes. Ils doivent notamment garantir des droits complets de remboursement – des redemption rights – pour les détenteurs de jetons à leur valeur nominale, interdire le paiement d’intérêts sur les tokens et soumettre un whitepaper détaillé sur les crypto-actifs à l’autorité de contrôle compétente, en l’occurrence l’autorité néerlandaise. Ces obligations visent à assurer un niveau élevé de transparence, de protection des consommateurs et de solidité financière.

Pour le surplus, il ne m’appartient pas de m’immiscer dans les décisions relevant de la politique commerciale des banques ni de les commenter. Les acteurs du secteur financier déterminent librement leurs politiques et stratégies commerciales dans le respect du cadre réglementaire applicable, y compris lorsque l’État est actionnaire.

Enfin, il va de soi que je m’attèle à ce que soient adoptées, sans délai, les mesures nationales nécessaires pour compléter ce cadre réglementaire et permettre une application rapide et complète du MiCAR en Belgique. C’est ma mission en tant que ministre des Finances, et celle du gouvernement dans son ensemble, de veiller à la mise en place de ce cadre réglementaire et au niveau de protection et de transparence décidé au niveau européen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée et toutes les informations techniques concernant les stablecoins. Il est important de vulgariser ces monnaies virtuelles afin de ne pas se laisser distancer par d'autres devises sur les marchés. Et je ne doute pas de votre implication dans ce secteur et dans ce dossier pour représenter la Belgique au mieux.

De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen
De dringende invoering van een importverbod
De importban voor goederen uit door Israël bezette gebieden
Importverbod op producten uit Israëlische bezettingsgebieden

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Els Van Hoof bekritiseert dat de regering-De Wever het Gaza-akkoord van 2 september 2023 (importban op goederen uit Israëlisch bezette gebieden) nog niet uitvoert, ondanks toezeggingen en urgente mensenrechtenschendingen, waaronder 120 nieuwe kolonistenboerderijen waarvan producten op de Belgische markt komen. Jan Jambon bevestigt dat zijn administratie de nodige juridische en douanetechnische elementen (oorsprongscontroles via EU-regels en postcodelijsten) heeft doorgegeven aan FOD Economie (bevoegd voor het KB), maar benadrukt dat EU-wetgeving nationale invoerbeperkingen verbiedt en samenwerking met Israël vereist is; Nederland heeft volgens hem eveneens vertraging. Van Hoof eist versnelling en herhaalt haar kritiek op Israëlisch geweld (o.a. huisvernielingen door kolonisten), verwijzend naar documentaires zoals No Other Land, maar schort haar eigen wetsvoorstel op nu het KB in voorbereiding is. Jambon wijst FOD Economie (Clarinval) aan als verantwoordelijke voor de verdere uitvoering.

Els Van Hoof:

Ik heb mijn vraag voor de kerstvakantie ingediend, maar ze blijft zeer actueel. De Standaard kopte deze week nog dat de regering-De Wever het Gaza-akkoord vergeet. Op 2 september vorig jaar heeft de regering een akkoord bereikt over een aantal belangrijke maatregelen met betrekking tot de oorlog in Gaza, waarvan men weet dat er in de door Israël bezette gebieden nog steeds wordt gesloopt. Volgens een van die maatregelen kregen de federale ministers van Economie en van Financiën de opdracht om samen met de minister van Buitenlandse Zaken een koninklijk besluit op te stellen dat voorziet in een nationale importban voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt zijn in de door Israël bezette gebieden door de bezettende macht. Tevens diende de nodige controle van de naleving van de importban te worden voorzien.

Er werden al enkele vragen over gesteld, ook aan u, mijnheer de minister, en u verwees inderdaad naar de complexiteit van de materie. Belangrijk is te weten dat ook andere landen, zoals Spanje, Ierland en Slovenië, met soortgelijke maatregelen bezig zijn. Minister Prévot zal morgen van mij ook een vraag krijgen, evenals minister Clarinval. Het is duidelijk dat de minister van Buitenlandse Zaken volgens het artikel in De Standaard zijn werk reeds heeft uitgevoerd.

Mijn vraag aan u is of u de nodige elementen hebt aangeleverd opdat minister Clarinval verder zou kunnen werken aan het koninklijk besluit? Kunt u een stand van zaken geven over de voorbereiding van de maatregel? Minister Prévot vermeldt dat de toepassing ervan niet eenvoudig is. Welke deelaspecten behoren daartoe? Is er voldoende wettelijke basis om de situatie te regelen? Staat u in contact met uw collega’s uit Ierland, Slovenië en Spanje, die eveneens een gelijkaardig voorstel uitwerken?

Voorzitter:

Op dit moment is er geen andere vraagsteller aanwezig. Mijnheer de minister, u hebt het woord.

Jan Jambon:

Het is een belangrijke materie. Daarom zal ik de vragen van de andere collega’s in hun geheel beantwoorden. Dat is een kwestie van beleefdheid, omdat zij de moeite hebben gedaan om deze vraag te stellen, maar niet de moeite hebben gedaan om aanwezig te zijn.

Conformément aux traités sur l'Union européenne, aucune législation nationale ne peut imposer d'interdiction en matière douanière. Par conséquent, il sera fait appel à la législation économique du SPF Économie.

Pour l'identification des marchandises, les contrôles se concentreront sur l'origine et l'expéditeur. L'Administration générale des Douanes et Accises, donc l'AGD&A, n'est pas compétente pour effectuer des contrôles sur le marché belge. Une fois que les marchandises ont été libérées dans un État membre faisant partie du territoire douanier de l'Union, elles sont considérées comme des marchandises de l'Union et peuvent circuler librement sur le plan douanier.

La réglementation contenue dans le Code des douanes de l'Union et dans l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël donnent à la douane la possibilité d'effectuer les contrôles nécessaires respectivement en matière d'origine non préférentielle et préférentielle, notamment sur la base de la liste des codes postaux publiée par la Commission européenne. En cas de doute fondé quant à l'origine préférentielle, une procédure de coopération administrative avec Israël peut être engagée. Le cas échéant, la douane peut soumettre l'affaire au SPF Économie afin de déterminer l'applicabilité de l'origine non préférentielle.

De regelgeving vervat in het douanewetboek van de Unie en in de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, geeft de administratie van de douane de mogelijkheid om de nodige controles uit te voeren, respectievelijk inzake niet-preferentiële en preferentiële oorsprong, met name op basis van de door de Europese Commissie gepubliceerde lijst van postcodes.

In geval van gegronde twijfel over de preferentiële oorsprong kan een procedure van administratieve samenwerking met Israël worden opgestart. In voorkomend geval kan de douane de zaak voorleggen aan de FOD Economie om de toepasselijkheid van de niet-preferentiële oorsprong te bepalen.

Les modalités spécifiques font l'objet de consultations, qui sont en cours avec le SPF Économie. La disposition relative aux sanctions sera déterminée par la base légale sur laquelle s'appuie l'arrêté royal. Comme indiqué, la douane collabore avec le SPF Économie, y compris en ce qui concerne la mise en œuvre. Le SPF Économie prépare actuellement le projet d'arrêté royal. Le processus d'adoption sera mené à bien dans les plus brefs délais.

Mijn administratie heeft ook de Nederlandse collega’s bevraagd. Uit hun antwoord blijkt dat het verbod daar nog niet is geïmplementeerd, aangezien de wetgeving zich nog in de opmaakfase bevindt bij de respectieve bevoegde autoriteiten. Het dossier geniet de vereiste aandacht en de regering zal hierover op het gepaste tijdstip communiceren.

Mevrouw Van Hoof, het is dus de FOD Economie die in dit dossier de pen vasthoudt, met dien verstande dat zij alle relevante informatie van ons heeft ontvangen.

Els Van Hoof:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het is duidelijk dat u uw werkzaamheden ter zake hebt afgerond, zoals ook de minister van Buitenlandse Zaken heeft meegedeeld. We vragen dan ook aan de minister van Economie om snel werk te maken van het koninklijk besluit. We zullen hem daarover opnieuw bevragen, zodat er geen enkele twijfel bestaat dat het akkoord van 2 september zal worden uitgevoerd door de Belgische regering.

De reden daarvoor is duidelijk: het geweld van de Israëlische kolonisten blijft aanhouden. De situatie is nog nooit zo ernstig geweest als sinds 7 oktober en ook sinds het staakt-het-vuren. Het is belangrijk te onderstrepen dat er zelfs economisch meer gebeurt dan voorheen. Er zijn 120 nieuwe boerderijen opgericht waarvan de producten effectief op onze markt terechtkomen.

Wie de documentaire No Other Land heeft gezien – naast andere interessante documentaires die op de VRT worden uitgezonden – kan vaststellen dat de werkelijkheid de verbeelding tart. Ze toont hoe men daar te werk gaat en hoe woningen met bulldozers worden vernield: men komt zich eenvoudigweg aanmelden met zwaar materieel en maakt de huizen met de grond gelijk.

Het is dan ook goed dat hier snel werk van wordt gemaakt. Ik zal de regering en ook uw collega’s hierover blijven bevragen, aangezien mijn wetsvoorstel nog steeds hangende is. Ik zal het evenwel niet agenderen, aangezien u bezig bent met het koninklijk besluit, waarvoor dank.

Voorzitter:

La question n° 56008773C de M. François De Smet tombe.

De impact van de shutdown op de goudkoers en de beleggingen

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane vraagt hoe België omgaat met de economische gevolgen van de Amerikaanse shutdown (dollarvolatiliteit, recordgoudprijs) en of de SFPIM haar strategie aanpast (bv. goudinkopen), maar minister Jan Jambon benadrukt dat de SFPIM wettelijk verboden is te speculeren in grondstoffen en enkel in bedrijven mag investeren. Hij wijst erop dat goudreserves onder de Nationale Bank vallen en dat douanetarieven EU-bevoegdheid zijn, zonder direct verband met de Amerikaanse crisis. Dufrane aanvaardt de uitleg en merkt op dat de shutdown intussen is opgelost.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la situation budgétaire aux États-Unis a conduit à un shutdown gouvernemental, paralysant les services publics fédéraux. Cette situation a provoqué un recul du dollar face à l'euro et au yen, tandis que les marchés financiers restent volatils et hésitent sur leur tendance. Dans ce contexte d'incertitude, l'or a atteint un nouveau record historique, renforçant son statut de valeur refuge en période de crise économique et financière.

Ces évolutions internationales ne sont pas sans conséquences pour notre pays. Le cours de l'or influence directement les stratégies d'investissement, y compris celles de la SFPIM, qui pourrait être amenée à diversifier ses placements. La volatilité de l'euro face au dollar, en lien avec les conséquences d'un shutdown prolongé, pose également la question de la solidité de notre monnaie et de ses effets sur l'économie belge, en particulier pour les importations et les exportations.

Il est essentiel d'évaluer dans quelles mesures ces fluctuations mondiales affectent les finances belges et quelles stratégies peuvent être mises en place pour anticiper les répercussions sur notre économie.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Quel suivi est effectué par vos services concernant l'évolution du cours de l'or et les opportunités éventuelles d'achats par la SFPIM dans ce contexte?

Autrement dit, comptez-vous renforcer les stratégies d'investissements dans les métaux précieux au vu des forts rendements en période d'instabilité?

Quels sont les impacts possibles d'un shutdown prolongé aux États-Unis sur la stabilité de l'euro et, plus particulièrement, sur la situation de notre monnaie face au dollar?

Comptez-vous changer les stratégies d'investissements dans les devises étrangères?

Quelles sont les conséquences attendues pour l'économie belge, notamment en ce qui concerne les coûts des importations et la compétitivité des exportations?

Quid des taxes douanières dans ce contexte?

Comment ont évolué les stocks d'or de la Belgique ces 6 derniers mois?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, pour rappel, la SFPIM investit dans des sociétés et non dans des matières premières. Sa trésorerie peut uniquement être placée en titres consolidés. La mission de la SFPIM n'est pas de générer un taux de rentabilité prédéfini à partir d'une gestion d'actifs, mais bien de soutenir l'économie belge par des investissements dans des projets industriels ou entrepreneuriaux correspondant à sa politique d'investissement.

En termes de gestion de trésorerie, la SFPIM est soumise à des fortes restrictions par la loi et aucune spéculation ni aucun placement à pure finalité financière ne sont autorisés. Par conséquent, l'achat de matières premières comme des métaux ne fait pas partie des missions ou des latitudes confiées à la SFPIM.

Comme déjà précédemment évoqué à plusieurs reprises, les stocks d'or de la Belgique sont gérés en toute indépendance par la Banque nationale de Belgique en sa qualité de banque centrale.

La détermination des possibles conséquences du shutdown sur l'économie belge, notamment par le biais d'une dépréciation du dollar et de ses effets sur le commerce mondial, ne relève pas des compétences du SPF Finances. Je ne peux donc pas renseigner valablement l'honorable membre en la matière.

S'agissant des taux de droits de douane, j'attire l'attention sur le fait que l'Union européenne constitue une union douanière, pour laquelle l'Union exerce d'ailleurs une compétence exclusive fondée sur l'utilisation d'un tarif douanier commun, dont les droits sont fixés par le Conseil sur proposition de la Commission, lesquels sont ajustés annuellement en fonction des développements de la politique commerciale commune, autre compétence exclusive de l'Union, dont les négociations avec les pays, groupes de pays et les organisations internationales, sont conduites par la Commission.

La situation budgétaire des États-Unis est sans effet direct à cet égard.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et précisions, qui étaient importantes et dont je n’avais pas connaissance au moment d’écrire cette question. Je m’en excuse.

Concernant le shutdown , de toute manière, la situation est désormais résolue. Je vous remercie encore pour toutes vos informations, monsieur le ministre.

Voorzitter:

Vraag nr. 56008835 van mevrouw Merckx wordt ingetrokken. De heer Van Hoecke is niet aanwezig, dus zijn vraag nr. 56008841C vervalt.

De actualisatie van het kadastraal inkomen
De herziening van het kadastraal inkomen
De transparantie en de bezwaarprocedure bij het kadastraal inkomen
De nood aan duidelijke en toegankelijke informatie voor burgers over het kadastraal inkomen
Het kadastraal inkomen: actualisatie, herziening, transparantie en burgerinformatie

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De parlementsleden bekritiseren het verouderde, ondoorzichtige en ongelijke systeem van het kadastraal inkomen (KI), dat nog steeds gebaseerd is op huurwaarden uit 1975 en nooit uniform is herzien, wat leidt tot willekeurige belastingverschillen tussen vergelijkbare woningen. Van Quickenborne (N-VA) noemt de procedure "kafkaiaans" en wijst op het gebrek aan transparantie, waarbij burgers zoals Jürgen Vandewalle geen inzage krijgen in de berekeningsmethodiek en financieel risico lopen bij bezwaren, terwijl Vereeck (N-VA) benadrukt dat 96% van de gerechtelijke bezwaren door belastingplichtigen wordt verloren, wat het systeem onrechtvaardig maakt. Minister Jambon (N-VA) erkent de problemen maar verdedigt de huidige aanpak: het KI wordt jaarlijks geïndexeerd, slechts 2% van de 281.730 betekeningen leidt tot bezwaar, en een nieuwe online uitleg moet transparantie verbeteren, al is een universele rekentool onmogelijk door subjectieve schattingsfactoren. Hij wijst op de kosteloze bemiddelingsdienst maar bevestigt geen structurele hervorming, wat Vanbesien (Open Vld) en Tas (VB) onvoldoende vinden: zij eisen een moderne, uniforme herwaardering om fiscale rechtvaardigheid te herstellen. Van Quickenborne pleit radicaal voor afschaffing van de onroerende voorheffing op eigen woningen, die hij een "aberratie" noemt, terwijl Tas (VB) stelt dat meer transparantie het draagvlak voor belastingen vergroot, maar een grondige hervorming budgettaire gevolgen heeft die niemand durft te benoemen.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, elke huiseigenaar in ons land betaalt op zijn eigendom een onroerende voorheffing, die wordt berekend volgens het kadastraal inkomen van dat eigendom. Dat kadastraal inkomen stemt overeen met de netto huurwaarde die een verhuurder in 1975 voor zijn pand zou ontvangen. Volgens de wet moet dat KI om de tien jaar worden herzien, maar dat is eigenlijk nog nooit gebeurd.

Aangezien de meeste huizen en ook veel buurten sindsdien zijn opgewaardeerd, is het KI van veel woningen vaak achterhaald. De kans is groot dat een klein nieuwbouwappartement in de Antwerpse Rand een hoger kadastraal inkomen heeft dan een grote gerenoveerde villa in Brasschaat.

De toekenning van het KI verloopt zeer willekeurig. De FOD Financiën bevestigt dat er geen tool, geen formule, wordt gehanteerd waarop de berekening uniform wordt toegepast. Het is dus duidelijk dat het KI tot grote ongelijkheid tussen belastingbetalers leidt. Aangezien ook de wet het voorschrijft, lijkt de berekening van het KI daarom dringend aan herziening toe.

Veel gemeenten zijn ondertussen trouwens zelf met een actualisatie gestart, wat kan leiden tot meer inkomsten van de gemeentelijke opcentiemen, maar wat opnieuw geen uniforme aanpak is.

Mijnheer de minister, in de plaats van de KI-berekening elke keer opnieuw te indexeren, wanneer zal de berekening op zichzelf worden herzien? De wet verplicht immers om dat om de tien jaar te doen. Bent u van plan om maatregelen voor te stellen om die berekening transparanter te maken? Zo ja, welke? Welke deadline stelt u voorop?

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag over hetzelfde onderwerp, maar van een andere orde. Het kadastraal inkomen vormt inderdaad de grondslag voor de berekening van de onroerende voorheffing, maar wie niet akkoord is met een nieuw of gewijzigd KI heeft twee maanden de tijd om bezwaar in te dienen bij het controlekantoor van het kadaster. In het bezwaar moet de eigenaar een concreet tegenvoorstel doen. Als er geen akkoord wordt bereikt, kan de eigenaar een beroep doen op de fiscale bemiddelingsdienst. Als dat ook niets oplevert, wordt een proces-verbaal van niet-akkoord opgesteld en worden één of drie erkende schatters, arbiters, aangesteld die de hoogte van het KI bepalen.

Daarna kan het bezwaar voor de rechtbank worden voorgezet, maar wie een tegenvoorstel gedaan heeft, loopt het risico voor de arbitragekosten op te draaien, indien het tegenvoorstel het meest afwijkt van de schatting van de erkende schatters. Dat risico is natuurlijk niet onbestaande, want de berekeningswijze van het KI is inderdaad ondoorzichtig, verouderd en absoluut niet transparant.

Mijnheer de minister, waarom is de berekeningswijze van het KI niet openbaar? Bent u bereid om de berekeningswijze openbaar en vooral veel transparanter te maken? Waarom worden de burgers opgezadeld met de arbitragekosten, als zij de redelijkheid of onredelijkheid van hun tegenvoorstel niet kunnen inschatten door het ontbreken van publieke informatie over de berekeningswijze?

Hoeveel KI's worden door het kadaster per jaar herberekend na een bezwaar door de eigenaars?

Hoeveel bezwaren leiden per jaar tot een verhoging of verlaging van dat kadastraal inkomen? Hoeveel bedraagt de gemiddelde verhoging of verlaging van het voorgestelde kadastraal inkomen?

Hoeveel bezwaren worden per jaar ingeleid bij het kadaster, maar afgebroken voor er een definitieve beslissing is? Hoeveel bezwaren bij het kadaster worden per jaar beslecht door een bindende schatting van één of drie erkende schatters of arbiters? In hoeveel procent van de gevallen moeten de eigenaars respectievelijk het kadaster de arbitragekosten betalen? Hoeveel bezwaren tegen een voorgesteld kadastraal inkomen worden per jaar beslecht door een rechtbank?

U ziet dat het om een soort van procedurele trechter gaat waar men doorheen moeten. Ik zou graag enig zicht krijgen op de omvang en op wat dat alles eigenlijk voorstelt.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het verhaal is echt kafkaiaans. Ik weet niet of u het verhaal hebt gelezen. Het gaat over Jürgen Vandewalle uit West-Vlaanderen; niet uit Brasschaat. Hij heeft met zijn vriendin een oud huis gesloopt en op die plaats een nieuw huis gezet. Kort nadat zij verhuisd waren, kregen zij een brief met daarin het kadastraal inkomen van hun huis, waarop de onroerende voorheffing wordt berekend. Dat leek hem een vrij hoog kadastraal inkomen te zijn en hij meende bezwaar te kunnen indienen met het argument dat zij niet goed begrepen waarom het zo hoog was. Naar zijn idee werken op de betrokken dienst allemaal mensen die fiscaliteit hebben gestudeerd, dus hij mende dat hij hen die vraag niet kon stellen.

Het antwoord kwam via een aangetekende brief. Het hele proces verliep via aangetekende brieven. Die man is tien keer naar het postkantoor moeten gaan voor een aangetekende brief. Weet u hoeveel een aangetekende brief kost? Dat is niet 2 euro, het is wel wat meer.

In de brief werd gesteld dat het onvoldoende is het bedrag te hoog te vinden, men moet immers ook een tegenvoorstel doen. Jürgen vond dat een rare vraag. Hoe kunnen hij en zijn vriendin immers weten op basis waarvan dat bedrag is berekend? Na enig opzoekingswerk heeft hij geprobeerd om een soort formule toe te passen die zij ergens hadden gevonden, namelijk bruto vloeroppervlak maal een bepaalde factor maal nog een andere factor. Zij hebben een en ander ook vergeleken met de huizen van vrienden en kennissen. Dat is echter allemaal niet eenvoudig. Jürgen stelde vast dat het totaal niet duidelijk is hoe een en ander wordt berekend. Er werden ook heel weinig antwoorden gegeven. Uiteindelijk krijgt hij als antwoord dat hij zijn plan maar moet trekken.

Dat hele verhaal is heel bizar en kafkaiaans en ook typisch voor een administratie die de miserie altijd bij de mensen legt.

Mijnheer de minister, erkent u dat de huidige procedure erg complex en heel weinig klantvriendelijk is?

Waarom bestaat er vandaag nog steeds geen duidelijke publicatie of rekeninstrument waarmee burgers zelf hun kadastraal inkomen kunnen inschatten?

Acht u het aanvaardbaar dat burgers die een fout tegenvoorstel doen, risico lopen op arbitragekosten, hoewel zij geen correcte informatie krijgen?

Bent u bereid om de berekeningsmethodiek voor het kadastraal inkomen te moderniseren, te actualiseren en publiek toegankelijk te maken, bijvoorbeeld via een online tool, zodat de administratie werkt voor de mensen in plaats van dat de mensen moeten werken voor de staat? De staat is er immers om de mensen te helpen, niet omgekeerd. Mijnheer de minister, bewijs dat u dat kunt.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, mijn vragen sluiten enigszins bij de vragen van de voorgaande sprekers aan. Burgers die bezwaar willen intekenen tegen een kennisgeving door de administratie van een nieuw of aangepast kadastraal inkomen, botsen vaak op het gebrek aan transparantie. Het kadastraal inkomen heeft uiteraard een directe impact op het gezinsbudget van heel wat mensen. Uit getuigenissen blijkt dat de berekeningswijze voor burgers tegenwoordig volstrekt ondoorzichtig is en blijft. Het recente geval waarnaar de vorige sprekers verwezen, illustreert dat. Het is duidelijk dat de huidige procedure vanwege het onbekende veel wantrouwen wekt en tegelijkertijd de rechtszekerheid ondergraaft. Burgers verwachten van ons als overheid duidelijke, begrijpelijke en toegankelijke informatie, ook over de berekening van het kadastraal inkomen. Zo kunnen de burgers hun rechten en ook hun plichten uitoefenen.

Mijnheer de minister, erkent u dat de huidige werkwijze weinig transparant is en voor veel burgers als ontmoedigend wordt ervaren?

Ten tweede, welke stappen zult u zetten om de berekeningswijze van het kadastraal inkomen duidelijker te communiceren, bijvoorbeeld via een online tool, via publieke richtlijnen of op een andere manier? Welke criteria bepalen de waarde van het kadastraal inkomen en welk gewicht hebben die verschillende criteria?

Ten derde, bent u bereid ervoor te zorgen dat burgers vooraf inzage krijgen in de concrete berekeningsparameters die voor hun woning worden gehanteerd, zodat ze onderbouwd een bezwaar kunnen indienen zonder financieel risico?

Tot slot, het kadastraal inkomen wordt bepaald op basis van criteria die al geruime tijd gelden. In sommige gevallen, zoals collega Vanbesien eerder ook aanhaalde, kan het voorkomen dat vastgestelde kadastrale inkomens relatief laag uitvallen voor bepaalde woningen, terwijl ze voor veel andere hoger zijn. Dat kan uiteraard aanleiding geven tot vragen of bezwaarprocedures. Er zijn bovendien enkele lokale besturen die daar de komende periode mee aan de slag willen gaan. Mijn vraag is dan ook of in uw beleid aandacht is voor een evaluatie van de gehanteerde criteria en de methodiek, om te verzekeren dat het systeem in de praktijk zo consistent en evenwichtig mogelijk blijft.

Jan Jambon:

Beste collega’s, vier belangrijke feiten leiden tot een wijziging van het kadastraal inkomen: een algemene perequatie, een buitengewone herziening, een bijzondere herziening en een herschatting in geval van wijziging van het goed. De algemene perequatie heeft niet meer plaatsgevonden sinds de laatste perequatie waarbij de kadastrale inkomens werden vastgesteld op het referentietijdstip, namelijk 1 januari 1975. Deze wettelijke verplichting wordt sindsdien gecompenseerd via een jaarlijkse indexering. Vanaf 1991 worden de kadastrale inkomens automatisch geïndexeerd.

In zeldzame gevallen wordt een buitengewone herziening uitgevoerd op verzoek van de burgemeesters van de betrokken gemeente. Dit leidt tot een scheeftrekking tussen de kadastrale inkomens van die categorie en die van de andere categorieën.

Ook de algemene en bijzondere herzieningen zijn onderworpen aan de wettelijke procedure voor het vaststellen van het kadastraal inkomen. Steeds meer gemeenten ondernemen acties om de kadastrale beschrijving van het onroerend goed in overeenstemming te laten brengen met de werkelijke samenstelling ervan. Deze acties mogen niet worden verward met de actualisering van de schattingsgrondslag.

De Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie verzamelt systematisch informatie om de kadastrale documentatie zo actueel mogelijk te houden in afwachting van een modernisering van de basisgrondslag en de berekening ervan. Diverse mechanismen waarborgen de transparantie van de schatting van het kadastraal inkomen. Bij elke nieuwe schatting ontvangt de belastingplichtige een kennisgeving met het nieuwe of gewijzigde kadastraal inkomen en de bouwtechnische kenmerken van het pand.

Deze kennisgeving bevat tevens de contactgegevens van de schatter, zodat rechtstreeks contact mogelijk is voor verdere toelichting. De fiche met de bouwtechnische gegevens van het pand kan worden geraadpleegd of aangevraagd via MyMinfin. Op de website van de FOD Financiën zal een rubriek "Hoe wordt het kadastraal inkomen bepaald" worden toegevoegd.

Ik kom nu bij de vraag van de heer Vereeck. De schatting van het kadastraal inkomen berust, zoals elke vastgoedschatting, zowel op objectieve gegevens als op indicatoren die door de schatter worden geïnterpreteerd en toegevoegd. De werkwijze zal worden toegelicht in de genoemde rubriek. Indien bij een bezwaar tussen de onderzoekende ambtenaar en de belastingplichtige geen akkoord wordt bereikt na onderhandeling, kan de belastingplichtige kosteloos een beroep doen op de fiscale bemiddelingsdienst.

Leidt ook dit niet tot een vergelijk, dan stelt de onderzoekende ambtenaar een proces-verbaal van niet-akkoord op en wordt de arbitrageprocedure opgestart. Hierbij worden één of drie scheidsrechters aangesteld om het geschil finaal te beslechten. Welke kosten met een arbitrageprocedure gepaard gaan en wie deze moet betalen, hangt af van de hoogte van het betekende kadastraal inkomen en van de schatting van de scheidsrechters. De procedure is vastgelegd bij koninklijk besluit.

Ik kom nu bij uw derde en vierde vraag, mijnheer Vereeck. In 2024 werden er 281.730 KI-betekeningen verzonden. De administratie ontving in hetzelfde jaar 5.252 bezwaren, dat is net geen 2 %. In 2024 werden er 4.430 bezwaren afgesloten, waarbij het KI in 2.364 gevallen werd verlaagd en in 101 gevallen werd verhoogd. In de resterende gevallen, ongeveer 44 %, bleef het KI ongewijzigd.

In 2024 werden 23 arbitrageprocedures afgesloten. De administratie werd in één dossier veroordeeld tot betaling van de kosten. In de overige dossiers werd de bezwaarindiener veroordeeld tot de kosten.

In 2024 sprak de rechtbank zich in vijf dossiers uit over de betwisting van een arbitrageverslag.

De cijfers van de voorgaande jaren zijn terug te vinden op de website van de FOD Financiën, onder de rubriek Beheer en Dienstverlening.

Mijnheer Van Quickenborne, uw eerste vraag heb ik al beantwoord in mijn antwoord op de vraag van de heer Vereeck.

De schatting van het KI kan niet in één universele rekenformule worden gevat voor alle woningen, of ruimer voor alle onroerende goederen, in België. Voor meer uitleg daaromtrent verwijs ik naar de rubriek die binnenkort beschikbaar zal zijn op de website van de FOD Financiën.

Zoals ik eerder heb aangegeven, is de procedure enerzijds vastgelegd bij KB en anderzijds bestaat de mogelijkheid om in een eerdere fase een beroep te doen op de kosteloze tussenkomst van de fiscale bemiddelingsdienst.

Als er bijsturing nodig is, ben ik uiteraard bereid de procedure te bekijken.

Inzake toegankelijkheid en transparantie heb ik al geantwoord dat dit via de rubriek op de website van de FOD Financiën zal worden toegelicht. Zoals ik al heb aangetoond, is een eenvoudige onlinetool voor de schatting van het KI niet mogelijk.

Mijnheer Tas, ik verwijs ook naar een aantal antwoorden die ik aan de heer Vereeck heb gegeven.

Voor de berekeningswijze en de transparantie verwijs ik naar mijn antwoorden aan de heer Vereeck en de heer Van Quickenborne. Zoals ik al heb aangegeven, vertegenwoordigt het KI een verondersteld jaarlijks netto huurinkomen dat een onroerend goed in 1975 onder normale omstandigheden had kunnen opbrengen.

Concreet wordt het KI van een woning door de administratie geschat door de nuttig te gebruiken oppervlakte te vermenigvuldigen met een eenheidsprijs uit 1975. Dat resultaat wordt verminderd met 40 %, wat voor de onderhoudskosten staat.

Daarnaast kan de schatter een min- of meerwaarde toekennen, afhankelijk van bijzondere kenmerken of omstandigheden die een impact hebben op de intrinsieke waarde van het te schatten goed.

Het eerste deel kan dus in een eenvoudige formule worden gegoten, maar het tweede deel niet. Bij elke schatting ontvangt de belastingplichtige een schriftelijke kennisgeving met het vastgestelde KI en de bouwtechnische kenmerken waarop de schatting is gebaseerd. Deze kennisgeving bevat tevens de contactgegevens van de schatter, zodat rechtstreeks contact mogelijk is voor verdere toelichting. De schattingsfiche kan digitaal of op papier worden verkregen. Er blijft altijd de mogelijkheid dat de instanties die de onroerende voorheffing innen, compenseren aan de hand van een gediversifieerd opcentiemenbeleid.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, u beschrijft in uw antwoord de huidige manier van werken, maar bevestigt daarmee ook voor een groot deel de kritiek die wij daar vandaag op geven. Het kadastraal inkomen is een kwestie van fiscale rechtvaardigheid. Vandaag worden veel huizen op een verschillende manier gewaardeerd of niet geherwaardeerd na een renovatie. Het hele systeem is verouderd. U zegt zelf ook dat het gebaseerd is op de prijzen van 1975, meer dan 50 jaar geleden. Dat is achterhaald, ondoorzichtig en niet uniform. Wat ik u niet heb horen zeggen, is dat hier werk van gemaakt moet worden. Er moet een nieuw, modern en vooral transparant systeem komen om onze huizen te waarderen, zodat iedereen het gevoel krijgt eerlijk belast te worden, of ten minste op dezelfde manier als zijn of haar buren. Ik dring erop aan dit grondig te onderzoeken.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik heb twee dingen geleerd. Ten eerste, er zijn 218.730 KI-betekeningen en er werden 5.252 bezwaren daartegen ingediend via de kosteloze fiscale bemiddelingsdienst. In 40 % van de gevallen hebben de indieners een verlaging gekregen. Mijn oproep aan de mensen is om daar serieus naar te kijken, want men kan kosteloos bezwaar indienen en naar de bemiddelingsdienst stappen. Er is dan 40 % kans om een verlaging van het KI te bekomen. Als de herziening van het KI geweigerd wordt en men een gerechtelijke procedure start, dan is er slechts 1 kans op 23 om te slagen. In de 23 zaken moest de fiscus slechts één keer de gerechtskosten betalen en 22 keer de belastingplichtigen, zoals u daarnet zei.

Dit illustreert wat we hier de hele tijd aangeven: de burger kan het KI niet inschatten en het systeem is volledig intransparant. Wanneer moet men immers de arbitragekosten betalen? Als men er ver naast zit. In 22 van de 23 gevallen, dus bijna altijd, vergist de burger zich, slaat hij er een slag naar, en wordt hij veroordeeld. Dit feit bevestigt volgens mij wat de vorige spreker ook stelde, namelijk dat het systeem compleet intransparant is en er dringend behoefte is aan een grondige hervorming.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het verhaal van Jurgen is nog niet ten einde.

Hij heeft dus tien aangetekende brieven verstuurd en het wordt op een bepaald moment duidelijk dat er geen overeenstemming wordt bereikt. Jurgen wordt dan gevraagd om naar het kantoor te komen, en Jurgen zegt dat hij zal komen. Hij vraagt of dat eventueel na de kantooruren kan, aangezien hij moet werken. Het antwoord luidt: "Nee, u moet komen; anders verliest u de zaak". Jurgen gaat ernaartoe en komt terecht in een lange gang, in een groot gebouw; het doet wat denken aan een verhaal van Kafka, je staat voor een groot gebouw en weet niet waarheen. Aan het einde van die lange gang, in een klein zaaltje, zitten twee heren die zich aangevallen voelen omdat Jurgen de berekening in twijfel trekt. Hij zegt dat het leek op een filmscène. Wanneer hij aan de twee heren vraagt hoe zijn KI wordt berekend, zeggen zij dat ze dat niet kunnen uitleggen, maar het wel kunnen tonen. Op een computerscherm tonen ze een oude Excel-tabel, van lang geleden, waarop het KI werd gebaseerd. Jurgen merkt op dat dit vreemd is, want de wijk die werd getoond was intussen volledig veranderd. Hoewel hij voorbeelden had kunnen geven van vergelijkbare huizen in de wijk, maakte dat blijkbaar niets uit. Er was dus geen concrete informatie beschikbaar om een tegenvoorstel te doen, en er is evenmin inzage mogelijk. Jurgen erkent eerlijk, het is een West-Vlaming, dat hij begrijpt dat belasting betaald moet worden en heeft daar op zich geen probleem mee, maar hij vraagt zich af waarom dit zo weinig transparant moet zijn.

U zegt dat er nu een rubriek komt, wat een stap vooruit is.

Ik zou echter aanraden om de procedure volledig te moderniseren – de aangetekende brieven, de klantvriendelijkheid. Ik wil waarschuwen voor een voluntaristisch voorstel van mijn collega Vanbesien, die naast mij zit. Hij stelt voor de belasting voor iedereen te verhogen. Mijns inziens is een belasting op de eigen woning, los van andere eigendommen, een aberratie. Ik begrijp niet waarom mensen belasting moeten betalen enkel omdat ze in een eenvoudig huis wonen. Ik begrijp dat niet. Mocht ik u zijn, mijnheer de minister, ik schafte die belasting op de eigen woonst gewoon af. Waarom moeten mensen, als ze ergens wonen, daarop belast worden?

Jan Jambon:

(…)

Hoeveel dat opbrengt? Is dat de vraag? De minister stelt vragen aan het Parlement.

Jan Jambon:

U suggereert om dat af te schaffen. Ik zou dan gedacht hebben dat de burgemeester van Kortrijk dat al zou hebben gedaan.

Vincent Van Quickenborne:

Ik ben geen burgemeester van Kortrijk. Dat weet u.

Niels Tas:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Het is duidelijk dat het systeem van de onroerende voorheffing gewoon heel sterk verouderd is. Het blijft ook voor veel mensen onrechtvaardig aanvoelen. Er zijn gewoon gigantisch grote verschillen die het oneerlijk maken. Als men aan een oude auto blijft sleutelen, zal die wel blijven rijden, maar men weet dat er toch een aantal problemen mee zijn. Dat doet zich hier ook voor. Ik ben het natuurlijk wel eens met iets wat u niet uitspreekt. Dat zullen we hier ook niet horen, want op het moment dat we dit systeem grondig gaan hervormen, heeft dat uiteraard ook een gigantische impact. Daarvan moeten we ons ook bewust zijn. Een eerste belangrijke stap is er toch voor zorgen dat we veel transparanter kunnen werken. U zet vandaag een stapje in de goede richting, maar er is nog heel wat werk om ervoor te zorgen dat dat op een transparante en eerlijke manier gebeurt. Mijnheer Van Quickenborne, als mensen het gevoel hebben dat belastingen eerlijk en transparant door iedereen op dezelfde manier worden betaald, is daar ook veel meer draagvlak voor. Dat is the way to go .

Verenigingen zonder winstoogmerk

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck vraagt naar de fiscale behandeling van vzw’s met commerciële activiteiten, inclusief cijfers over vennootschapsbelasting, opbrengsten en bezwaren, en bekritiseert impliciet de onduidelijkheid rond de definitie van "commerciële activiteiten" (bv. festivals, sportkampen). Minister Jan Jambon wijst erop dat vzw’s altijd al vennootschapsbelasting verschuldigd waren bij winstgevende activiteiten (art. 179 WIB), benadrukt dat 995 vzw’s dit in 2024 betaalden (€15,1 mln opbrengst), en meldt 28 bezwaren dat jaar; hij bekritiseert Vereecks "verkeerde indruk" dat dit nieuw beleid zou zijn. Jambon stelt tevens dat schriftelijke vragen efficiënter zijn voor precieze cijfers. Vereeck sluit af met een beknopte dank voor de verstrekte data.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, verenigingen zonder winstoogmerk (vzw's) moeten doorgaans geen belastingen betalen op hun winst. Ze zijn onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, niet aan de vennootschapsbelasting. De FOD Financiën wil echter dat sommige vzw's voortaan wel vennootschapsbelasting betalen als ze winst maken uit commerciële activiteiten, wat begrijpelijk is.

Mijn vragen zijn de volgende. Hoeveel vzw's betalen er al vennootschapsbelasting? Hoeveel bedraagt de fiscale opbrengst van vzw's uit rechtspersonenbelasting respectievelijk vennootschapsbelasting? Wat verstaat de fiscus precies onder commerciële activiteiten van vzw's? Ik heb begrepen dat daarover discussie bestaat, onder andere over de organisatie van festivals en zelfs over sportkampen. Hoeveel bezwaren worden jaarlijks ingediend tegen de classificatie van commerciële activiteiten door de bedoelde vzw's?

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mag ik eerst een kleine opmerking maken. De heer Vereeck stelt vaak vragen die politiek van aard zijn, maar ook heel vaak vragen over exacte cijfers, zoals aantallen, de mediaan of het gemiddelde. Ik maak er een punt van schriftelijke vragen echt heel exact en binnen de termijn te beantwoorden.

Mijnheer Vereeck, had u deze vragen schriftelijk gesteld, dan had u al eerder antwoord gekregen. U doet wat u wilt, maar vragen over heel precieze cijfers zou u beter schriftelijk indienen. Ik zal uw vraag nu natuurlijk beantwoorden.

In de eerste plaats wekt de vraagstelling een licht verkeerde indruk wanneer u stelt dat "de FOD Financiën wil dat sommige verenigingen zonder winstoogmerk (vzw's) voortaan wel vennootschapsbelasting betalen als ze winst maken uit commerciële activiteiten". Het wekt de indruk alsof vzw's met commerciële activiteiten voorheen niet aan de vennootschapsbelasting onderworpen waren. Het correct belasten van vzw's in de inkomstenbelastingen is echter al lange tijd prioriteit van de fiscus.

Zo was er bijvoorbeeld in 2004 al een controleactie waaruit bleek dat 10 % van de gecontroleerde vzw's fictief was.

Voor het aanslagjaar 2024 hebben 995 vzw’s de vennootschapsbelasting betaald. Voor datzelfde jaar bedragen de fiscale ontvangsten van de vzw’s 12,1 miljoen euro voor 3.285 vzw's in het kader van de rechtspersonenbelasting, en 15,1 miljoen euro voor 462 vzw's in het kader van de vennootschapsbelasting.

Om te bepalen of een vzw al dan niet onder de vennootschapsbelasting valt, moet worden onderzocht of er sprake is van de exploitatie van een onderneming of van het zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard. Dat is artikel 179, 2 e lid, § 1, ten vijfde, A van het WIB 1992. Bovendien moet rekening worden gehouden met de uitzonderingen in de artikelen 180 tot en met 182 van hetzelfde WIB, waardoor de vzw uitgesloten kan zijn van de vennootschapsbelasting.

In 2024 heeft mijn administratie 28 bezwaarschriften ontvangen met betrekking tot de onderwerping van een vzw aan de vennootschapsbelasting.

Lode Vereeck:

Bedankt voor de informatie, mijnheer de minister.

De invoerheffing voor e-commerce
De pakjestaks
Het ontwijken van de pakjestaks
De Europese vaste douanerechten op kleine e-commercepakjes en de Belgische pakjestaks
De vestiging van SHEIN in Polen
De pakjestaks
Douanerechten en heffingen op internationale e-commercepakketten

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België schrapt zijn geplande nationale handling fee van 2 euro op pakjes uit niet-EU-landen, maar onderhandelt met buurlanden (inclusief Duitsland) over een gecoördineerde invoering (mogelijk 5 euro totaal, naast de Europese importtaks van 3 euro vanaf 1 juli 2026). 25% (0,75 euro) van die EU-taks gaat naar België, maar de verdeling kan verschuiven naar 10% als de EU haar claim verhoogt – wat volgens kritiek van Van Quickenborne (Open Vld) de budgettaire baten sterk zou reduceren. Kemal Bilmez (PTB) bekritiseert de maatregel als een regressive vlaktaks die lage inkomens onevenredig treft en stelt dat het beoogde doel (beperken goedkope import) niet zal slagen, terwijl Jambon (N-VA) benadrukt dat de opbrengst deels zal dienen voor douane-investeringen. De EU overweegt bovendien een eigen handling fee vanaf november 2024, wat nationale regels overbodig zou maken.

Voorzitter:

De heer Keuten is niet aanwezig.

Lode Vereeck:

Oorspronkelijk wou ik naar aanleiding van het bericht van begin november dat de Europese Unie, net zoals de Belgische regering, een importtaks op alle pakjes van buiten de Europese Unie, ook op de kleine pakjes onder de 150 euro, wou heffen, vernemen of de Europese en de Belgische pakjestaks naast elkaar konden bestaan, dan wel of ze mekaar zouden uitsluiten volgens het principe van non bis in idem . De situatie is ondertussen gewijzigd. De Belgische regering heeft haar pakjestaks van 2 euro ingetrokken en er komt nu een Europese taks van 3 euro.

Heeft de Europese Unie eigenlijk wel de bevoegdheid om die bijkomende belasting zomaar te kunnen invoeren? Gaat die opbrengst ook volledig naar de schatkist van de Europese Unie?

Ik zag in de begrotingsnotificatie ook dat er een handling fee komt. Is dat hetzelfde als de pakjestaks? Of is dat nog iets anders? Is dat dan een dubbele belasting? Komt er op pakjes uit het buitenland dan een handling fee en een Europese pakjestaks? Dient de handling fee dan eigenlijk om uw verlies aan inkomsten, dat u voorzien had met uw Belgische pakjestaks, te compenseren? Kunt u dat eens toelichten?

Voorzitter:

Mevrouw Bertrand trekt haar vraag nr. 56011432C terug.

Vincent Van Quickenborne:

Het nadeel van relatief laat een antwoord te krijgen, is dat intussen de zaken veranderen. U zult begrijpen dat ik mijn vragen dan ook wat verander, want van de zeven vragen die ik indiende, zijn er inmiddels zes achterhaald. Ik heb begrepen dat u de Belgische pakjestaks niet zal invoeren. Die komt er niet. Wel zal de Europese pakjestaks van 3 euro vanaf 1 juli 2026 van kracht zijn.

Mijnheer de minister, hoe zit het dan met uw budgettaire opbrengsten? U had voor 2026 140 miljoen ingeschreven, voor 2027 200 miljoen, voor 2028 250 miljoen en voor 2029 300 miljoen. Als ik goed ben geïnformeerd, zal de opbrengst van de 3 euro Europese pakjestaks niet volledig België toekomen, maar slechts een deel, terwijl het andere deel aan Europa wordt gegeven. Hoe worden de opbrengsten verdeeld?

U was ook van plan bijkomende investeringen te doen omwille van meer controleurs en controlemechanismen. Hoeveel bedragen die investeringen?

Wat is uiteindelijk het budgettaire effect? Wat zal er nog overblijven van de geraamde opbrengsten?

Zal dat gebeuren via een Europese richtlijn, een Europees reglement, een verordening of moet de Belgische wetgeving worden aangepast in die zin?

Kemal Bilmez:

Monsieur le ministre, fin novembre, dans le cadre de l’accord budgétaire, vous avez décidé d’introduire une taxe de deux euros sur les colis provenant de pays hors Europe. Cette mesure vise à répondre à l’afflux massif de produits bon marché.

Le 11 décembre, les ministres des Finances de l’Union européenne ont décidé, eux aussi, d’introduire, au niveau européen, une taxe de trois euros par colis à partir de juillet 2026.

Selon la presse du 24 décembre dernier, vous avez donc décidé de ne pas introduire de taxe belge distincte et il ne sera donc pas nécessaire d’élaborer une loi belge pour quelques mois, pour ensuite passer au système européen en juillet.

Pourtant, dans les notifications budgétaires, les montants ont déjà été inscrits: 223 millions d’euros en 2026, 283 millions d’euros en 2027, 333 millions d’euros en 2028 et 383 millions d’euros en 2029.

Monsieur le ministre, quel sera l’impact budgétaire de cette modification? Les notifications budgétaires actuelles intègrent-elles déjà ces derniers éléments? Comme dans le cas de la TVA, une partie de ces recettes sera-t-elle reversée à l’Union européenne?

Jan Jambon:

Het is een complex dossier. Enerzijds is er de handling fee en anderzijds zijn er de Europese invoerrechten. Onder andere op Belgisch niveau hadden we het steeds over een handling fee van 2 euro per pakje. We hebben dat besproken met Frankrijk, Luxemburg en Nederland, maar niet met Duitsland. In de budgettaire raming, die altijd gebaseerd was op een fee van 2 euro, hielden we rekening met een mogelijke verschuiving van het goederenverkeer om de handling fee te ontwijken, indien alleen die vier landen die zouden invoeren. De budgettaire raming is dus niet gebaseerd op een fee van 2 euro vermenigvuldigd met het dagelijkse ingevoerde aantal pakjes. Dat heeft de luchthaven van Luik de wenkbrauwen doen fronsen, om het zacht uit te drukken. Het Europees Parlement besliste vervolgens invoerrechten te heffen op pakjes met een waarde van minder dan 150 euro. Lange tijd bestond de hypothese van 10 % invoerrechten, maar op de recentste bijeenkomst van Ecofin, eind november, kwam Frankrijk met een voorstel om die vast te leggen op 3 euro.

Mijnheer Van Quickenborne, u hebt gelijk: van de 3 euro gaat 25 %, dus 0,75 euro naar de lidstaten waar de heffing gebeurt, en 2,25 euro naar de Europese schatkist. De heffing van 3 euro per pakje wordt echter over heel Europa ingevoerd, vanaf 1 juli. We denken dat daardoor geen verschuiving van verkeer van goederen zal plaatsvinden. Op die manier is er dus een veel grotere belastbare basis dan met de handling fee van 2 euro per pakje, die we met slechts vier landen zouden invoeren.

Wat hebben we nu op regeringsniveau over de fee van 2 euro beslist? De pers heeft gemeld dat de maatregel is afgeschaft, maar dat is niet volledig correct. Men heeft mij gevraagd om twee zaken te doen: ten eerste overleg te plegen met de sector, vooral met de luchthaven van Luik, en ten tweede te bekijken of we Duitsland kunnen betrekken bij het systeem van de 2 euro. Hypothetisch, als we dat akkoord met Duitsland kunnen sluiten, komt dat boven op de 3 euro, waardoor het totaal 5 euro zou bedragen. In Frankrijk is het wetgevingsproces aan de gang om alsnog, naast de 3 euro, een handling fee in te voeren. De Senaat heeft beslist dat die minstens 5 euro moet bedragen, boven op de 3 euro importheffing. In Roemenië, als ik mij niet vergis, is dat bedrag ook al op 5 euro vastgesteld. Ik ben nu dus gevraagd om onderhandelingen met Duitsland te voeren. Ik heb opnieuw contact gehad met de vier landen die de handling fee wilden invoeren en wij zullen daarover in de marge van de eerstvolgende Ecofin-vergadering met onze Duitse collega overleggen.

Budgettair is het onze inschatting dat de heffing van 0,75 euro, vermenigvuldigd met de volledige hoeveelheid inkomende pakjes, minstens even veel zal opleveren als een fee van 2 euro die unilateriaal door vier van de vijf landen wordt opgelegd. Daarom is de budgettaire tabel niet aangepast. Het is zelfs mogelijk dat de heffing meer zal opleveren.

Europa overweegt tevens om vanaf november dit jaar een handling fee in te voeren. Op dat moment zullen wij de nationale handling fee laten vallen en zal de regeling voor heel Europa gelden. Het is enigszins complex, omdat de twee initiatieven elkaar deels doorkruisen.

De juridische basis van de invoering zal afhangen van de Europese onderhandelingen. Als er enkel een handling fee komt met verschillende buurlanden, zal die via een nationale wet worden ingevoerd. Als er een Europese handling fee komt met alle EU-lidstaten, zal dat via Europese wetgeving verlopen, die al dan niet in nationaal recht moet worden omgezet.

Het is dus niet de bedoeling dat een Europese en een Belgische handling fee naast elkaar bestaan, maar de importheffing kan wel naast een handling fee bestaan. Het is misschien een beetje complex, maar ik denk dat ik daarmee wel de actuele situatie heb geschetst.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik zou de uitwerking van de budgettaire raming wel eens willen zien. Als de 75 cent die we krijgen van de Europese pakjestaks en die niet tot een verschuiving van de handelsstromen leidt, meer opbrengt dan de 2 euro fee waarbij er wel een verschuiving is, dan kan men niet anders dan concluderen dat door de fee van 2 euro de distributie van pakjes meer dan gehalveerd moest zijn. Ik kan me voorstellen dat ze dan in Luik wel eventjes in hun haar krabben.

Dat zijn toch wel interessante cijfers. Ik dank u voor de uitleg. De impact is dus niet te onderschatten. De hele handel stuikt in elkaar, tot minder dan de helft. Het is dus een goede zaak dat u dat voorlopig niet unilateraal, met vier, invoert.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Wat ik onthoud, is dat er ofwel een Belgische handling fee komt, gecoördineerd met een aantal landen, waaronder Duitsland, ofwel komt er een Europese handling fee vanaf 1 november.

Jan Jambon:

Mijn inschatting is dat de Europese handling fee er zal komen vanaf 1 november. De vraag is of we al eerder samen met de buurlanden een Belgische handling fee zouden invoeren. Daar komt het op neer, maar daarvoor is die onderhandeling met Duitsland cruciaal belangrijk.

Vincent Van Quickenborne:

Samengevat, er kan eerst nog een handling fee komen met vier of vijf landen afhankelijk van het resultaat van de onderhandelingen. Dat is één zaak.

Een tweede zaak zijn de invoerrechten. Europa heeft beslist om vanaf 1 juli dit jaar een invoertaks van 3 euro in te voeren, ook voor pakjes onder de 150 euro. U zegt dat van de opbrengst 75 % naar Europa en 25 % naar België gaat. Dat is juist, maar ik heb mij laten vertellen dat Europa in haar meerjarig financieel kader (MFK), de nieuwe meerjarenbegroting, vraagt om de opbrengst van 75 % naar 90 % op te trekken. De opbrengst voor België is dus maar 10 %. U zegt dat de budgettaire tabel beter zal zijn dan we verwacht hadden, maar ik denk dat u met die 10 % niet zult behalen wat u hebt vooropgesteld.

Dank u voor de volledigheid en het actuele antwoord dat u hebt gegeven, mijnheer de minister.

Ik heb nog één laatste vraag. Eigenlijk heeft de pers het niet juist omschreven. Dat kan gebeuren. Het is duidelijk dat de invoerrechten worden verdeeld, maar gaat de opbrengst van de handling fee naar de lidstaten of is dat voor Europa?

Jan Jambon:

Dat gaat naar de lidstaten, in afwachting van de onderhandeling van het MFK. U gaat er al van uit dat het 90% en 10 % zal zijn. De meeste landen aanvaarden dat niet. Daarvoor volgt er nog een onderhandelingsproces, waar wij duidelijk standpunten zullen innemen. De opbrengst van de handling fee is voor de lidstaten.

Vincent Van Quickenborne:

Is dat een netto-opbrengst? Of moet men dat gebruiken om personeel aan te stellen, om te handlen?

Jan Jambon:

U hebt gewezen op een aantal investeringen die in de douane moeten gebeuren, voor meer controleurs en ook voor het informaticasysteem MASP-T, dat Europa ons oplegt, een project dat al een tijdje loopt. Wij moeten daarin nieuwe stappen doen en een deel van de inkomsten zullen wij aanwenden voor de automatisering van de inning.

Kemal Bilmez:

Ik dank u, mijnheer de minister, want het is inderdaad een bijzonder complexe situatie. Er lijkt sprake van een race om de pakjes zo snel mogelijk te taxeren.

Ik vind ook de cijfers die u aanhaalde over de opbrengst opmerkelijk. U gaf aan dat het transferverkeer in Luik zou halveren en dat een aanzienlijk deel van de pakjes via Duitsland zou verlopen indien we die handling fee in België en drie andere landen zouden invoeren. Dat zijn bijzonder opvallende cijfers. Het lijkt mij dan ook aangewezen om dat op Europees niveau aan te pakken en niet alleen op het niveau van België, waardoor alles via Duitsland zou passeren.

Tegelijk merk ik op dat dit betekent dat we na het einde van het jaar 5 euro per pakje zouden moeten betalen, terwijl dat nu nul euro is, als ik het goed begrijp. Dat komt neer op een aanzienlijke belastingverhoging. Het gaat hier om een vorm van consumptietaks, aangezien het een heffing is op consumptiegoederen. Zoals bij andere consumptietaksen, zoals de btw, veranderen mensen hun gedrag doorgaans niet meteen. Mogelijk gebeurt dat wel bij een bedrag van 5 euro. Bij een bedrag van 2 of 3 euro blijven niet-Europese producten echter meestal goedkoper dan Europese. In dat geval zal het consumentengedrag niet wezenlijk veranderen en wordt het beoogde doel niet bereikt.

Bovendien gaat het om een vlaktaks: iedereen betaalt hetzelfde bedrag. Dat maakt die belasting per definitie regressief. Mensen met een lager inkomen betalen proportioneel meer van hun inkomen aan dergelijke belastingen. We moeten daar eerlijk over zijn: het zijn niet de sterkste schouders die hun aankopen via AliExpress doen, maar veeleer gewone mensen met een beperkt inkomen.

We stellen dus vast, zowel in Europa als met uw beslissing, dat er opnieuw voor wordt gekozen om het geld niet te halen bij de superrijken of via het afbouwen van bedrijfssubsidies, maar wel via een platte consumptietaks die de werkende mensen treft. Dat betreuren wij ten zeerste.

Jan Jambon:

Het gaat hier duidelijk om pakjes die van buiten de EER komen.

De verdeling van auteurs- en naburige rechten aan in het buitenland erkende beheersvennootschappen

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jan Jambon verklaart dat een verouderd administratief standpunt over auteursrechtenbeheer niet langer juridisch houdbaar is, omdat EU-organisaties leden uit andere lidstaten niet mogen weigeren, wat fiscale attesten voor Belgische belastinginhouding verplicht maakt. Volgens hem blijven de uiteindelijke rechthebbenden de individuele leden, niet de beheerorganisaties zelf. Benoît Piedboeuf kritiseert dat deze aanpassing tot extra administratieve lasten zal leiden voor collectieve beheerorganisaties, maar aanvaardt dat ze zich moeten conformeren aan de nieuwe regels.

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, le point de commentaire administratif repris dans la question est ancien et n’est plus pertinent car, si cette position administrative avait créé un système simple et efficace, il n’est plus juridiquement sécurisé. En effet, le système préconisé par cette ancienne position administrative ne peut pas être appliqué parce que les organismes de gestion collective situés dans un État de l’Union européenne ne peuvent pas refuser à un titulaire de droits d’auteur ou de droits voisins de devenir membre de cet organisme pour la seule raison que ce titulaire de droits n’est pas résident du même État que l’organisme concerné.

Ainsi, lorsqu’une société belge de gestion rétrocède des droits d’auteur ou des droits voisins à un organisme de gestion collective situé dans un autre État de l’Union européenne, cette société de gestion ne peut s’abstenir de retenir le précompte mobilier sans demander une attestation de résidence fiscale pour les membres concernés de cet organisme, car ces membres pourraient ne pas être résidents de l’État de résidence de l’organisme et même être résidents de la Belgique. Je rappelle que les bénéficiaires effectifs des droits d’auteur ou des droits voisins restent en principe les membres de la société de gestion et non la société de gestion elle-même.

Benoît Piedboeuf:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Je crois que cela compliquera beaucoup les choses et générera un surcroît administratif aux sociétés collectives de gestion. Mais ainsi soit-il, si c'est une nouvelle circulaire, elles devront s'y conformer.

Privéstichtingen

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane vraagt zich af of de sterke groei van Belgische private stichtingen (2.100+ in 2024), mede gedreven door Nederlandse belastingvlucht, fiscale verliezen voor de staat veroorzaakt, vooral bij successierechten en vermogensbelastingen. Jan Jambon stelt dat de stichtingen weliswaar meer compensatoire successietaks betalen (van €180K in 2013 naar €11M in 2024), maar geen specifiek fiscaal voordeel genieten: ze vallen onder standaard vennootschaps- of rechtspersonenbelasting afhankelijk van hun activiteiten, met beperkt toezicht (slechts 3 onderzoeken en 10 vooronderzoeken in 2024). Dufrane toont zich tevreden met de antwoorden, maar belooft verdere analyse.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la création de fondations privées belges a fortement augmenté ces dernières années, avec plus de 2 100 structures recensées fin 2024. Ce phénomène est en partie lié à un transfert de structures similaires depuis les Pays-Bas, où la taxe Caïman a finalement rendu les Stak fiscalement moins attractives. Cette appellation désigne une forme particulière de fondation néerlandaise dont le but est de détenir des actions et d'émettre des certificats sur cette base

Ces fondations belges permettent désormais de loger les actions d'entreprises familiales ou de PME, tout en optimisant la gouvernance et, potentiellement, les charges fiscales. Cette évolution interroge sur les implications fiscales pour l'État belge.

En effet, ces structures détiennent souvent des participations importantes et peuvent influencer le paiement de dividendes, les droits de succession et les impôts sur les revenus du patrimoine. Or, ces structures pourraient voir leur intérêt croître, en particulier pour les grandes fortunes, si de nouvelles taxes visant les hauts revenus devaient apparaître.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Quel est l'impact financier et fiscal global du développement des fondations privées sur les recettes publiques? Autrement dit, le développement de ces structures peut-il créer un manque à gagner pour l'Etat ou cela peut-il lui être bénéfique? Combien de ces structures font actuellement l'objet d'un suivi ou d'un contrôle fiscal par l'administration?

Quels mécanismes de surveillance avez-vous pour suivre les mouvements financiers de ces fondations? Les fondations privées bénéficient-elles d'avantages fiscaux spécifiques? Si oui, ces régimes sont-ils toujours justifiés au regard de l'évolution de leur usage par les entreprises?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, en ce qui concerne les impôts fédéraux, l'augmentation du nombre de fondations privées peut avoir un impact budgétaire sur les recettes issues de la taxe annuelle compensatoire des droits de succession et de l'impôt sur les revenus. Pour ce qui est de la taxe précitée, les mêmes conditions, taux et exonération que pour les ASBL s'appliquent. Les sociétés ne sont pas soumises à cette taxe.

La taxe due par les fondations privées est passée de 179 848,02 euros en 2013 à 5 261 130,24 euros en 2023. Pour l'année 2024, les fondations privées étaient redevables d'un montant total de 11 188 177,63 euros, mais il convient de noter qu'à partir de cette année-là, la taxe compensatoire des droits de succession a été réformée.

En matière d'impôt sur les revenus, il n'existe pas de régime propre aux fondations. Comme les autres personnes morales, elles sont soumises à l'impôt des sociétés lorsqu'elles se livrent à une exploitation ou à des opérations à caractère lucratif. Dans le cas contraire, l'impôt des personnes morales leur est applicable. Étant donné l'absence de régime fiscal propre et le fait que la soumission à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des personnes morales ne dépend pas de leur forme juridique, mais bien de la nature des activités de la fondation, on considère qu'il n'y a pas d'impact budgétaire au niveau de l'impôt sur les revenus.

Toutes les fondations ont été contactées pour qu'elles déposent la déclaration éventuellement requise. La taxe annuelle compensatoire des droits de succession ne s'applique qu'aux avoirs imposables supérieurs à 50 000 euros détenus par les ASBL et les fondations au 1er janvier de l'année d'imposition. L'Administration générale de la Documentation patrimoniale (AGDP) vérifie uniquement si le patrimoine imposable est correctement déclaré.

Il n'existe pas d'action de contrôle spécifique à ce jour pour les fondations privées au sein de l'Administration Grandes Entreprises et de l'Administration PME. Elles peuvent toutefois faire l'objet d'autres contrôles. Dans le passé, l'Administration générale de l'Inspection spéciale des impôts (AG ISI) avait investigué plusieurs fondations privées étrangères utilisées par des contribuables belges.

En 2024, l'AG ISI a enquêté sur trois fondations privées belges. Ils ont détecté les cas de fraude grâce aux signaux provenant de diverses sources, notamment par le biais d'une analyse de risques. Sur la base de ces signaux, une pré-enquête est menée. En 2024, dix fondations privées belges ont fait l'objet d'une pré-enquête.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour la qualité et la précision de vos réponses. Je ne manquerai pas de les analyser et d'éventuellement revenir vers vous.

De rol van ESMA voor cryptoactiva

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België steunt volgens minister Jan Jambon geen centrale EU-supervisie (zoals voorgesteld voor crypto via ESMA), maar pleit voor versterkte convergentie tussen nationale toezichthouders (FSMA en NBB in België) om een eerlijk speelveld en investeerdersbescherming te garanderen, zonder de nationale bevoegdheden in te perken. Dufrane benadrukt dat MiCA structurele wijzigingen vereist, maar waarschuwt tegen verlies van nationale controle ten koste van de FSMA. Jambon bevestigt dat België de kosten-batenanalyse van verdere EU-centralisatie kritisch zal evalueren, met aandacht voor mogelijke negatieve effecten op lokale markten. De Belgische positie blijft vooralsnog afwachtend afhankelijk van toekomstige EU-wetsvoorstellen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, l'Union européenne poursuit ses réflexions sur la création d'un régulateur unique pour la supervision financière, en particulier dans le secteur des cryptoactifs. L'Autorité européenne des marchés financiers (ESMA) pourrait ainsi voir ses compétences considérablement élargies, au-delà de son rôle actuel de coordination entre les superviseurs nationaux. La Commission européenne préparerait un transfert de compétences de supervision directe vers l'ESMA, couvrant notamment les acteurs des cryptoactifs, les sociétés de marché et les chambres de compensation.

Ce projet s'inscrit dans la volonté de renforcer l'Union des marchés de capitaux et d'éviter les divergences d'interprétation du règlement MiCA entre États membres. Actuellement, la supervision reste nationale, certains pays appliquant des contrôles plus souples afin d'attirer les entreprises du secteur, ce qui soulève des inquiétudes en matière d'équité et de stabilité financière.

Plusieurs États membres, dont la France, l'Italie et l'Autriche, plaident pour une centralisation de la supervision, tandis que d'autres, tels que l'Irlande ou le Luxembourg, y sont opposés, vu leur importante influence dans le secteur financier, enfin la position belge ne semble pas avoir encore été tranchée.

Monsieur le ministre, quelle est la position de la Belgique concernant la création d'un régulateur unique européen pour la supervision financière et plus particulièrement pour le secteur des cryptoactifs? Comment le SPF Finances et les autorités belges évaluent-ils l'impact d'un tel transfert de compétences sur le contrôle des établissements bancaires et financiers opérant en Belgique dans ces domaines? La Belgique dispose-t-elle déjà d'une position claire sur l'autorité nationale qui assurera la supervision des acteurs crypto dans le cadre du règlement MiCA? Estimez-vous qu'une supervision centralisée par l'ESMA permettrait d'assurer une meilleure protection des investisseurs et une plus grande stabilité du secteur financier européen? Un tel transfert de compétence permettra-t-il à l'ESMA de réduire la concurrence déloyale entre les Etats Européens concernant l'application du règlement MiCA?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, comme vous le savez, les activités de distribution de crypto ‑ actifs au public font d é sormais l ’ objet d ’ un cadre harmonis é au niveau europ é en via le r è glement sur les march é s de crypto ‑ actifs, dit r è glement MiCA. Nous en avons d é j à parl é au cours de cette commission. La mise en œ uvre de ce r è glement en droit belge est en cours de finalisation.

À cet égard, un projet de loi a récemment été déposé au Parlement afin de désigner la Banque nationale de Belgique ainsi que l’Autorité des services et marchés financiers (FSMA), comme autorités nationales compétentes, tout en précisant leurs tâches respectives. La discussion de ce projet de loi en commission des Finances et du Budget aurait dû intervenir il y a plusieurs semaines, mais a dû être reportée à de nombreuses reprises en raison de circonstances indépendantes de ma volonté.

Parallèlement, dans le cadre de la mise en œuvre de la stratégie pour l’Union de l’épargne et des investissements adoptée par la Commission européenne le 19 mars 2025, une consultation publique a été lancée avant l’été afin d’identifier les obstacles persistants à l’intégration des marchés financiers au sein de l’Union européenne.

Cette initiative visait notamment à identifier les divergences éventuelles en matière de supervision susceptibles de freiner l’intégration des marchés de capitaux, dans la mesure où les acteurs opérant de manière transfrontalière sont parfois confrontés à des exigences réglementaires distinctes selon les États membres.

Dans ce contexte, certains stakeholders ont exprimé leur préférence pour un renforcement du rôle de l’Autorité européenne des marchés financiers (ESMA), voire pour une supervision plus intégrée au niveau européen dans certains domaines, en particulier pour les principaux prestataires de services de crypto ‑ actifs. D ’ autres stakeholders ont, au contraire, plaid é pour le maintien d ’ un syst è me de contr ô le largement d é centralis é , tout en appelant à davantage de convergence dans les pratiques de supervision.

La Belgique, pour sa part, a affirmé à de nombreuses reprises son soutien à la stratégie pour l’Union de l’épargne et des investissements, qui vise à orienter plus efficacement l’épargne des citoyens européens vers des investissements productifs. Elle plaide, dans ce cadre, en faveur d’une convergence accrue des pratiques de supervision des régulateurs nationaux, afin d’assurer un meilleur level playing field entre États membres et de contribuer ainsi à la stabilité du système financier, à la préservation de son intégrité et à la protection équitable des investisseurs sur l’ensemble du marché unique, sans pour autant se diriger vers un système centralisé de contrôle.

Cette convergence dans la supervision est d'autant plus importante pour le secteur des crypto-actifs, qui est par nature transfrontalier et dans lequel une disparité a été constatée entre les approches adoptées par certains États membres concernant le régime national d'autorisation précédant l'entrée en application du règlement MiCA précité. L'ESMA, à laquelle ce mandat de veiller à la convergence du contrôle par les régulateurs européens a été confié, dispose déjà d'outils concrets pour favoriser cette convergence, et il importe qu'elle en fasse un usage optimal.

Une supervision cohérente et coordonnée contribue non seulement à assurer un niveau homogène de protection des investisseurs à travers l'Union et un level playing field entre les opérateurs de ces plateformes, mais également à prévenir les risques pour l'intégrité des marchés et la stabilité financière.

La Belgique examinera donc avec attention les propositions législatives que la Commission fera à la suite de sa récente consultation sur l'intégration des marchés financiers. À cet égard, il apparaît essentiel que toute éventuelle évolution du cadre européen de supervision soit solidement et adéquatement justifiée, fasse l'objet d'une analyse coût-bénéfice approfondie et n'entraîne pas d'effets négatifs disproportionnés sur le développement des marchés financiers nationaux ni sur la protection du public dans chaque État membre.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, à nouveau, je tiens à vous remercier pour votre réponse plus que complète ainsi que pour les clarifications concernant la position de la Belgique. Comme vous le disiez, le règlement MiCA impose des changements structurels. Le renforcement de l'ESMA est pertinent, mais certainement pas au détriment de nos compétences nationales ou du rôle de la FSMA. Je vous remercie encore une fois de suivre ce dossier.

Voorzitter:

M. Keuten étant absent, sa question n° 56009109C est sans objet.

SFPIM en Umicore

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane vraagt of België via SFPIM (5% aandeelhouder) zijn participatie in Umicore moet uitbreiden, gelet op de sterke financiële prestaties (koersstijging, winst op oroverkoop) en strategische rol van het bedrijf in recyclage, batterijmaterialen en energietransitie. Minister Jan Jambon bevestigt dat de huidige 5%-deelneming al een blokkeringsminoriteit biedt tegen een gedwongen delisting, maar benadrukt dat verdere aankopen onder strikte boursregels (transparantie, marktmisbruik) zouden vallen; hij wijst op voordelen (dividenden, industriële soevereiniteit) en risico’s (technologische disruptie, marktschommelingen). Dufrane sluit af met de opmerking dat de goudprijsstijging extra urgentie geeft aan deze afweging, mits risicobeheersing.

Anthony Dufrane:

Monsieur le Ministre,

Alors que le cours de l'or tutoie la barre symbolique des 4000 dollars l'once, doublant de valeur en deux ans, la société Umicore a annoncé la vente de ses stocks d'or logés dans deux de ses divisions. Cette opération devrait générer environ 410 millions d'euros, dont une plus-value nette estimée à 370 millions, renforçant significativement le bilan et la liquidité du groupe. Cette décision stratégique a été saluée par les marchés financiers, l'action Umicore ayant bondi de plus de 100 % depuis le printemps.

L'État belge, via la SFPIM, détient actuellement environ 5 % du capital d'Umicore. Dans un contexte de valorisation croissante de l'entreprise et de consolidation de ses performances dans les secteurs de la transition énergétique et du recyclage des métaux précieux, cette participation publique soulève la question d'une éventuelle extension. En effet, alors que la société renforce sa solidité financière et poursuit ses développements dans les matériaux pour batteries, un accroissement des parts publiques pourrait constituer un investissement stratégique, tant du point de vue économique qu'industriel.

Dans cette perspective, il serait utile d'évaluer l'opportunité d'une augmentation de la participation de la SFPIM dans Umicore, compte tenu de la conjoncture favorable et de la plus-value potentielle à moyen terme pour l'État belge.

Mes questions, Monsieur le Ministre, sont :

Quelle est aujourd'hui la valorisation de la participation de la SFPIM dans Umicore et quelle politique d'investissement guide la gestion de ces parts ?

Envisagez-vous d'accroître la participation publique dans Umicore afin de renforcer le contrôle belge sur une entreprise stratégique dans les domaines du recyclage, de la transition énergétique et des métaux critiques ?

Quels seraient les avantages économiques et budgétaires, mais aussi les risques potentiels, d'une telle opération ?

La SFPIM a-t-elle identifié d'autres opportunités similaires dans le secteur des matériaux ou de la transition énergétique susceptibles d'assurer un rendement durable pour l'État et de soutenir la souveraineté industrielle du pays ?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, d'abord, sur la valorisation actuelle de la participation de la SFPIM. La SFPIM détient 5 % du capital d'Umicore, selon une déclaration de transparence du 10 mai 2024. Le cours de l'action Umicore était d'environ 14,52 euros au 21 novembre 2025, avec une capitalisation de l'ordre de 3,5 milliards d'euros. 5 % de 3,5 milliards représente environ 175 millions d'euros.

Concernant la politique d'investissement de SFPIM, elle tente d'être fournisseur de smart capital pour l'innovation belge et la croissance socioéconomique durable. Elle cible des secteurs stratégiques. L'entrée dans Umicore a été explicitement motivée par une volonté d'ancrage industriel, sur un acteur qui joue un rôle central dans la transition écologique via le recyclage et les matériaux pour batterie.

Votre deuxième question porte sur le perspective de la participation publique. Comme pour chacune de ses participations, la SFPIM suit de manière continue l'évolution de sa position dans Umicore. Étant donné qu'il s'agit d'une société cotée, toute décision d'augmenter cette participation devrait être traitée avec une stricte confidentialité par le conseil d'administration de la SFPIM. Une telle opération serait en effet encadrée par des règles boursières strictes, notamment en matière d'abus de marché, et soumise à des obligations de transparence dès que certains seuils de participation sont franchis.

Par ailleurs, la détention de 5 % du capital confère à l'État une minorité dite de blocage en cas de procédure de squeeze-out. Elle permet de s'opposer à l'exclusion forcée des actionnaires minoritaires par un actionnaire majoritaire souhaitant atteindre 95 % du capital pour retirer la société de la cote.

En d'autres termes, la position actuelle garantit déjà une capacité de protection des intérêts stratégiques belges dans Umicore.

Votre troisième question porte sur les avantages économiques et budgétaires. Les avantages de cette participation sont multiples.

1. Souveraineté industrielle: renforcer l'ancrage belge dans une entreprise clé de la transition énergétique aide à sécuriser les filières stratégiques.

2. Effet signal: une minorité de blocage d'une squeeze-out envoie un signal au marché, aux investisseurs et à l'écosystème belge de l'innovation et de l'énergie verte.

3. Rendement potentiel: Umicore distribue des dividendes de manière annuelle, sauf exception. La SFPIM a investi sur fonds propres de sorte que les dividendes lui reviennent intégralement.

4. Un effet levier pour d'autres projets. Cela peut ouvrir la voie à des co-investissements, à des partenariats publics privés ou à des filières de recyclage à fort impact.

Quels sont donc les risques? En termes de technologie et de marché, ils sont incertains. Même si la transition énergétique est forte, certaines technologies, et je parle ici de types de batterie ou de métaux critiques, peuvent évoluer plus vite que prévu ou bien connaître des ruptures. Par exemple, Umicore a dû anticiper une demande plus faible de batteries et a procédé à une dépréciation.

Votre quatrième question concernait les autres opportunités. La SFPIM considère comme stratégique l'ancrage d'entreprises actives dans les matériaux critiques, le recyclage et la transition énergétique. Dans cette perspective, elle analyse en permanence de nouvelles opportunités d'investissement au sein de ces filières clés, compte tenu de leur importance pour la souveraineté industrielle, la sécurité d'approvisionnement et la compétitivité à long terme du pays. Cette veille active vise à identifier des acteurs capables de générer un rendement durable pour l'État tout en renforçant les chaînes de valeurs stratégiques en Belgique.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, tout comme pour la précédente question, je tiens à vous remercier pour la qualité et la transparence de vos réponses. Il est peut-être à noter que le cours de l'or a dépassé les prédictions d'octobre. Il est donc d'autant plus intéressant de réfléchir à ces investissements tout en minimisant les risques. Je ne doute pas que vos services et la FSMA restent attentifs à l'évolution de la situation de l'or et des entreprises cotées en bourse dont elle détient des parts.

De participaties van SFPIM in de luchtvaartsector

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane (AD) benadrukt de strategische groei van Airbus (A320-voorsprong op Boeing 737) en pleit voor versterkte Belgische publieke investeringen in Sonaca (waarin Wallonië en de SFPIM al participeren) om de Belgische positie in de aeronautische keten te consolideren, inclusief een mogelijke directe staatsparticipatie in Airbus. Minister Jan Jambon bevestigt dat de SFPIM actief investeert in Sonaca (o.a. via overname Aciturri), Asco en Aerospacelab, maar sluit directe Airbus-deelname uit—tenzij bij een toekomstige kapitaalverhoging, waarvoor hij openstaat mits strategische afweging. AD waardeert de aanpak maar wijst op de kwetsbaarheid van de sector voor economische schokken.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, l'industrie aéronautique européenne connaît actuellement une période de croissance soutenue, portée notamment par le succès commercial de l'Airbus A320. Cet appareil, devenu un véritable fleuron de l'aviation civile, a désormais dépassé le Boeing 737 en nombre d'unités produites avec plus de 12 260 avions contre 12 214 pour son concurrent américain. Cette performance confirme non seulement la vitalité d'Airbus, mais également la solidité de toute une chaîne de sous-traitance européenne.

Parmi elles figure la Sonaca, société active dans la conception et la fabrication de composants pour l'aéronautique civile et militaire, mais aussi pour le secteur spatial. Cette entreprise, dont la Région wallonne est actionnaire majoritaire via la SRIW, compte également la Société fédérale de participations et d'investissement parmi ses actionnaires à hauteur de 14,75 %. Or, dans un contexte d'expansion de la production de l'A320 et de développement de nouvelles lignes d'assemblage, la position de la Belgique au sein de cette chaîne industrielle stratégique pourrait être consolidée par une participation publique accrue. Pour rappel, la Sonaca est active dans la production de pièces de A320 et des 737, ce qui double son avantage dans cette concurrence duopolistique.

Dès lors, il serait opportun d'évaluer la stratégie d'investissement de la SFPIM dans le secteur aéronautique et la manière dont celle-ci pourrait contribuer à soutenir l'emploi et l'innovation en Belgique, tout en profitant de la dynamique positive du marché mondial.

Mes questions, Monsieur le ministre, sont: Si la SFPIM dispose d'une stratégie visant à renforcer sa participation dans la Sonaca afin de soutenir le développement industriel belge et de tirer parti de la croissance d'Airbus et de Boeing? Si la SFPIM envisage d'investir dans d'autres entreprises belges actives dans le secteur aéronautique ou spatial? Enfin, pour quelles raisons l'État belge n'envisage-t-il pas une participation directe au capital d'Airbus, compte tenu de son importance stratégique pour l'industrie européenne et de son ancrage industriel partiel en Belgique?

Jan Jambon:

Je traite les deux premières questions ensemble. La Société Fédérale de Participations et d’Investissement (SFPIM) est un instrument important du gouvernement fédéral pour mener une politique industrielle active. Le secteur aéronautique est l’un des piliers de la stratégie d’investissement de la SFPIM. Celle-ci détient par exemple des participations en capital ou quasi-capital dans des entreprises comme Asco, Safran Aero Boosters, Sonaca ou encore le groupe Orizio (SABCA-Sabena AeroSpace), partenaire de premier plan d’Airbus et de Boeing.

Cet été, la SFPIM, avec Wallonie Entreprendre, a aidé Sonaca à franchir une étape importante pour devenir un acteur majeur de l’aérostructure en Europe avec l’acquisition de la société espagnole Aciturri. Cette acquisition permettra à Sonaca de renforcer ses parts de marché avec Airbus. Les récentes décisions d’augmentation des volumes de production d’Airbus et de Boeing ont bien évidemment profité aux entreprises belges actives dans ce secteur.

La SFPIM ne se limite pas au secteur aéronautique et investit également dans des sociétés actives dans le domaine spatial. La SFPIM, via ses filiales Relaunch et Real Estate, a financé en 2024 la société Aerospacelab. Le secteur aéronautique et spatial est et restera l’un des piliers d’investissement de la SFPIM.

Sans entrer dans le secret des affaires, la SFPIM envisage de nouvelles participations ou des financements complémentaires dans un avenir proche. Une participation directe dans Airbus n’est pas à l’ordre du jour, même si la SFPIM entretient des relations à haut niveau.

Je partage votre avis selon lequel Airbus revêt une importance stratégique pour l’industrie européenne. Si une demande de participation à une augmentation de capital devait être adressée à la SFPIM, un tel dossier serait assurément examiné avec toute l’attention nécessaire, compte tenu également de son importance pour l’économie belge.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces informations et pour les bonnes nouvelles concernant la stratégie de la SFPIM. Le secteur aéronautique représente un grand nombre d’opportunités, même si son économie est sensible aux chocs. Je ne doute donc pas que votre position et les investissements seront réfléchis et mesurés.

De indexsprong

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Lode Vereeck vraagt minister Jambon om concrete cijfers over hoe een (centen)indexsprong de begroting beïnvloedt (minder belastingen door lagere koopkracht vs. mogelijke groei door lagere loonkosten), verwijzend naar tegenstrijdige economische meningen (o.a. Gert Peersman). Jambon antwoordt dat de regering nog geen definitieve berekeningen heeft, omdat het nieuwe begrotingskader (2026-2030) en de tweede lezing nog lopen, maar baseert zich op ramingen van het Planbureau die inkomstdalingen inschatten. Vereeck aanvaardt het uitgestelde antwoord, waarna de voorzitter aankondigt dat de vraag later in een actualiteitsdebat over btw wordt behandeld.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, waarschijnlijk vindt u dat ik mijn vraag beter schriftelijk had gesteld. U moet alles evenwel in zijn context zien. Mijn vraag dateert van 10 oktober, toen er volop sprake van was dat de regering een indexsprong zou doorvoeren. De vraag is ook perfect toepasbaar, niet alleen op een gewone indexsprong, maar ook op de centenindex.

Iets wat mij in de discussie interesseerde en waarover ik graag het standpunt van de regering wilde weten, is met welke cijfers zij werkt en waarom zij denkt dat een indexsprong uiteindelijk de begroting ten goede komt of de begroting ontlast. Daarover bestond immers heel wat discussie onder economen. Zo verklaarde onder andere Gert Peersman dat de zaken elkaar enigszins in evenwicht houden. Voor alle duidelijkheid, u bent minister van Financiën, dus ik heb het over de inkomstenzijde. Aan de ene kant zullen er minder inkomsten zijn voor de Staat uit de personenbelastingen, want normaal waren die geïndexeerd. U had dan dus meer personenbelasting geïnd. Voor de sociale bijdragen geldt grotendeels hetzelfde, althans nominaal. Door de indexsprong verliezen mensen echter in zekere mate koopkracht, waardoor het ook mogelijk is dat er uiteindelijk wegens minder omzet minder btw en minder inkomsten uit accijnzen worden geïnd. Tot slot kan er mogelijk een positief effect optreden doordat bedrijven enigszins zuurstof krijgen, omdat loon relatief goedkoper wordt. Dat zou kunnen leiden tot een hogere omzet in het buitenland omdat men concurrentiëler wordt, waardoor de vennootschapsbelasting misschien kan stijgen.

Ik zal mijn vraag de volgende keer schriftelijk stellen, maar ik wou eigenlijk gewoon weten met welke cijfers u rekening houdt. Kunt u die toepassen op de centenindex?

Jan Jambon:

De regering werkt momenteel aan de opmaak van een nieuw begrotingskader voor 2026-2030, mede met het oog op bijkomende inspanningen om het begrotingstekort op lange termijn te beperken. Zolang die werkzaamheden niet zijn afgerond, kan ik niet vooruitlopen op alle mogelijke effecten. Zoals u weet, moeten alle teksten nog naar een tweede lezing. De gebruikte ramingen komen van het Planbureau, dat rekening hield met een daling van sommige inkomsten, ook door de ingrepen in de index. Zodra de tweede lezing is afgerond en de begrotingen hier worden ingediend, kunnen we die vragen specifiek beantwoorden.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, mijn dank voor uw antwoord.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen onder agendapunt 45 zullen worden omgevormd in een actualiteitsdebat, samen met alle andere openstaande vragen met betrekking tot de btw.

De flexi-jobs

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck (N-VA) vraagt kritisch naar de impact van de btw-hervorming en de verhoging van de belastingvrijstelling voor flexi-jobs (van €12.000 naar €18.000 in 2025), met name hoeveel flexwerkers hierdoor worden getroffen en wat het inkomensverlies voor de schatkist is. Minister Jan Jambon bevestigt dat 7.749 (2023) en 8.863 (2024) flexwerkers boven €12.000 verdienen (gemiddeld ~€17.600), maar ontwijkt concrete fiscale gevolgen, omdat de gegevens voor 2024 nog ontbreken. Vereeck bekritiseert de maatregel als "fiscale koterij", maar steunt deze wel omdat ze de lasten op arbeid verlaagt; hij wijst erop dat vooral gepensioneerden met laag pensioen (rond €800) baat hebben bij de verhoging, omdat zij vaker hoog bijverdienen (soms >€24.000/jaar). Hij kondigt een schriftelijke vraag aan over de exacte budgettaire impact.

Lode Vereeck:

Mijnheer de voorzitter, mag ik een korte vraag stellen over de vragen die worden samengenomen in het actualiteitsdebat over de btw. In oktober heb ik al een vraag gesteld over de hervorming van de btw en gisteren heb ik dat opnieuw gedaan, met een wat specifiekere vraag. Er is echter ook vraag nr. 56010478C over de btw-nalevingskloof. Moet die vraag ook worden meegenomen?

Voorzitter:

Mijnheer Vereeck, we hebben even tijd nodig om te bekijken welke vragen precies onder de algemene discussie van btw-aanpassingen vallen. Ik denk dat gaps buiten het toepassingsgebied van de btw op maaltijden en dergelijke vallen. Als u morgen voor de vergadering de agenda raadpleegt, dan ziet u welke vragen daaronder geagendeerd zijn.

Lode Vereeck:

Dank u vriendelijk, mijnheer de voorzitter.

Mijnheer de minister, ik heb nog een aanvullende vraag over flexi-jobs. Het gaat over de belastingvrijstelling voor flexiwerk die de regering optrekt van 12.000 euro naar 18.000 euro per jaar, toepasselijk vanaf aanslagjaar 2026, dus inkomstenjaar 2025. Mijn eerste twee vragen heb ik zelf kunnen beantwoorden via een buitengewoon interessante website, waarnaar u misschien ook zult verwijzen.

Met mijn vraag wilde ik een inschatting krijgen van hoeveel mensen met hun flexi-job meer dan 12.000 euro verdienden. Het betreft een groep die tussen 1.000 en 1.500 euro verdient met flexiwerk, die u nu een belastingvoordeel wilt geven. Ik vroeg mij af hoeveel mensen dat precies zijn. Als het om 1.000 euro gaat, bijvoorbeeld mensen die een extra zaterdag werken, betekent dat al 250 euro per dag. Met 1.500 euro is dat 375 euro per dag dat men moet verdienen om het voordeel volledig te benutten.

Ik heb u die vraag al gesteld. Wat is het profiel van die mensen? Wie zijn zij en om hoeveel mensen gaat het? U mag die vragen natuurlijk nog altijd beantwoorden. Hoeveel verdienen de mensen die meer dan 12.000 euro verdienen? Dat is interessante informatie die beschikbaar is.

Wat ik echter niet heb gevonden, is hoeveel belastingen en sociale bijdragen flexiwerkers betalen en vooral hun werkgevers op het gedeelte boven die 12.000 euro. Tot nu toe waren zij vrijgesteld met een kleine werkgeversbijdrage. Hoeveel betaalden zij echter?

Waar ik eigenlijk naar op zoek was, was het inkomensverlies door de verhoging naar 18.000 euro. In principe sta ik immers wel achter elk systeem, hoezeer het ook een koterij is, wat het natuurlijk is. Alles wat de lasten op arbeid verlaagt, kunnen wij evenwel steunen.

Er kwam echter wel weerwerk van de minister van Begroting. Ik wilde dus wel eens weten hoeveel de schatkist ter zake nu eigenlijk verliest.

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, in 2023 waren er 7.749 belastingplichtigen en in 2024 8.863 belastingplichtigen die in het kader van een flexi-job meer dan 12.000 euro verdienden, Die cijfers had u al gevonden. Het gemiddeld inkomen als flexi-jobber bedroeg 17.768,34 euro in 2023 en 17.576 euro in 2024. Het totale bedrag van hun inkomen was 137,7 miljoen euro in 2023 en 155,8 miljoen euro in 2024.

Het is niet verwonderlijk dat u het antwoord op uw derde vraag niet hebt gevonden want de begrenzing van de fiscale vrijstelling tot 12.000 euro per belastbaar tijdperk was nog niet van toepassing voor het inkomstenjaar 2023.

Met betrekking tot het inkomstenjaar 2024 is het momenteel nog te vroeg om een definitieve uitspraak te doen over de verschuldigde belasting op deze inkomsten aangezien de belastingaangiften voor die periode nog in behandeling zijn. Mijn administratie beschikt bovendien niet over gegevens betreffende de sociale bijdragen die op die inkomsten werden betaald. Het is dus nog te vroeg aangezien de dossiers nog in behandeling zijn.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik herhaal dat wij dat steunen, zij het enigszins met lange tanden, omdat het voor ons een fiscale koterij is. Wij steunen de maatregel dus, net zoals alles wat de lasten op arbeid verlaagt. Wat ook interessant is, is dat u op diezelfde website, waarvan ik de uitgever niet ken, ook kunt lezen wat het reguliere inkomen is van de mensen die bijklussen. Dat is werkelijk omgekeerd evenredig. U hebt zelf aangegeven dat de hogere inkomens 17.000 tot 17.500 euro verdienen. Dat is maandelijks bijna 1.500 euro. Er zijn er ook met inkomens uit flexi-jobs van meer dan 24.000 euro. Hun aantal stijgt heel snel. U kunt die ook linken aan hun inkomen en dat blijken bijna allemaal gepensioneerden met een pensioen van 800 euro te zijn. Omdat zij niet slechts een dag kunnen bijklussen, maar wel twee of drie dagen, komen zij aan die grote bedragen. Wat u met die maatregel probeert te doen, is het ondermaatse pensioen van mensen compenseren door ervoor te zorgen dat zij er beter van worden wanneer ze bijklussen. Ik denk dat heel veel mensen dat nodig hebben, gewoon om te kunnen rondkomen. Ik zal mijn derde vraag over de impact op de inkomsten als schriftelijke vraag indienen.

De vertraagde uitkering van de liquidatiereserves

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck vraagt minister Jambon naar het fiscale effect van de vertraagde uitkering van liquidatiereserves (van 5% naar 6,5% na 3 in plaats van 5 jaar), die ondernemingen volgens De Tijd uitstellen om hun eigen vermogen te sparen voor de meerwaardebelasting in 2025, maar trekt zijn vraag over de meerwaardebelasting zelf in. Jambon wijst er sarcastisch op dat Vereeck zijn vraag al deels beantwoordt en vervolgens intrekt. Vereeck verdedigt zijn aanpak door te stellen dat schriftelijke vragen te traag worden beantwoord (wat volgens hem fakenieuws in de hand werkt) en verwijt eerdere kabinetten, inclusief Jambons collega’s, onvoldoende responsiviteit. Hij kondigt aan meer schriftelijke vragen in te dienen, ondanks zijn kritiek op de vertraging.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, diezelfde programmawet van 2025 voorziet in de mogelijkheid om de liquidatiereserves al na drie jaar uit te keren tegen 6,5 % roerende voorheffing in plaats van na vijf jaar. Dat betekent dat de uitkering sneller kan plaatsvinden, maar tegen een iets hoger percentage, want nu is het 5 %.

Volgens de krant De Tijd , ook op 10 oktober, keren veel ondernemingen hun opgebouwde reserves echter niet uit om hun eigen vermogen niet te verlagen voor het ijkmoment in de meerwaardebelasting eind 2025.

Mijnheer de minister, wat is het geraamd effect op de ontvangsten uit de roerende voorheffing door die vertraagde uitkering? Misschien hebt u al een zicht op de reacties.

Wat is het geraamde effect op de ontvangsten uit de meerwaardebelasting door die vertraagde uitkering? Ik besef nu echter dat die vraag te vroeg komt. Ik trek deze vraag dan ook in.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, de heer Vereeck was zo vriendelijk om het antwoord al te geven tijdens het stellen van zijn vraag. Vervolgens heeft hij zijn vraag ingetrokken.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, ik ben er al mee begonnen om meer schriftelijke vragen in te dienen. De reden is dat ik van collega Van Quickenborne de informatie had gekregen dat uw kabinet daar zeer stipt in is. Daarom heb ik onlangs een vraag, die ik eerst als mondelinge vraag had opgesteld, ook schriftelijk ingediend, bij wijze van test. Ik moet zeggen dat ik met uw collega-ministers en bepaalde ministers vroeger in het Vlaams Parlement, van voor uw tijd, nogal slechte ervaringen had. Men leest immers iets in de krant en wil daar snel een antwoord op krijgen, voor een stuk ook om fakenieuws en discussie te stoppen. Zoveel maanden na datum is de vraag bijna encyclopedisch en dus niet meer geschikt. Mijn volgende vraag is dat wel.

De impact van de geplande onderzoeksbesparingen op de Vlaamse universiteiten

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Niels Tas bekritiseert de geplande federale en Vlaamse besparingen op onderzoek, die volgens universiteiten en rectoren vooral sociale en humane wetenschappen treffen door het schrappen van bedrijfsvoorheffingsvoordelen voor niet-exacte wetenschappen, wat honderden mandaten en fundamenteel onderzoek bedreigt en afhankelijkheid van private financiering vergroot. Minister Jan Jambon bevestigt een hervorming van de vrijstelling (budget 2023: €232,8 mln, 2024: €229,3 mln), gericht op "rechtszekerheid en efficiëntie", maar ontkent sture invloed op Vlaams beleid en wijst op lopend overleg met stakeholders—concrete impact en voorstellen volgen later. Tas dringt aan op samenwerking om schade voor humane wetenschappen te beperken en vraagt garanties voor breed onderzoek, maar Jambon duidt dit als een Vlaamse verantwoordelijkheid. De discussie blijft onopgelost afhankelijk van toekomstige voorstellen.

Niels Tas:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Mijnheer de minister,

De aangekondigde besparingen op onderzoek veroorzaken grote ongerustheid binnen de universitaire wereld. Universiteiten spreken van een dubbele besparing, omdat ze zowel door Vlaamse maatregelen als door federale plannen getroffen worden. Vooral de sociale en humane wetenschappen dreigen zwaar te lijden onder de herziening van de regeling rond bedrijfsvoorheffing, die voortaan enkel nog zou gelden voor onderzoekers in de exacte, toegepaste en technologische domeinen.

Rectoren waarschuwen dat hierdoor honderden onderzoeksmandaten kunnen verdwijnen en dat fundamenteel onderzoek, dat niet onmiddellijk economisch rendement oplevert maar wel cruciaal is voor kennisopbouw, onder druk komt te staan. Ook leeft de vrees dat onderzoekers meer afhankelijk worden van private financiering, waardoor resultaten minder vrij en publiek toegankelijk worden.

Daarom heb ik de volgende vragen :

Welke verstrengingen voorziet u voor universiteiten en hogescholen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? In de media staat dat sommige betrokkenen de ontwerpen al konden inkijken. Over welke ontwerpen gaat dit? Wat wordt hierin voorgesteld?

Hoe beoordeelt u de impact van deze dubbele besparing op het Vlaams onderzoeksklimaat?

Hoeveel bedroeg de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor respectievelijk universiteiten en hogescholen in 2023 en 2024? Wat is de budgettaire impact hierop van uw voorstellen?

Voorziet u ook verstrengingen voor erkende wetenschappelijke instellingen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? Zo ja, dewelke?

Bent u bereid om samen met de betrokken universiteiten te bekijken hoe de negatieve gevolgen voor de sociale en humane wetenschappen kunnen worden beperkt?

Hoe wilt u er als minister van Financiën over waken dat Vlaanderen blijft investeren in breed en fundamenteel onderzoek, en niet enkel inzet op economische of technologische toepassingen?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, in uitvoering van het regeerakkoord en voortbouwend op de werkzaamheden die mijn voorganger reeds had opgestart, bereid ik een hervorming van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor. Deze hervorming heeft in de eerste plaats tot doel om verduidelijkingen en kwalitatieve verbeteringen aan te brengen om een maximale rechtszekerheid, efficiëntie, budgettaire bewaking en stabiliteit te waarborgen.

Het is mijn bedoeling om deze hervorming in overleg met de stakeholders uit te werken. Daarbij is het normaal dat bepaalde pistes worden uitgewerkt en dat deze bij de stakeholders worden afgetoetst, maar het is op dit ogenblik nog te vroeg om te concluderen welke pistes uiteindelijk in deze hervorming zullen worden weerhouden.

De budgettaire impact van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor universiteiten en hogescholen bedroeg 232,8 miljoen euro in 2023 en 229,3 miljoen euro in 2024.

Aangezien ik nog geen definitief voorstel heb uitgewerkt, is het niet mogelijk om de budgettaire impact te ramen, maar ik zie het niet als de taak van de federale minister van Financiën om het Vlaams beleid inzake onderzoek en ontwikkeling te sturen. Vlaanderen maakt zelf zijn keuzes op dat vlak, maar ik zal dus nog met voorstellen ter zake komen.

Niels Tas:

Dan zullen we de verdere voorstellen afwachten.

De aanbesteding voor de herdenkingsmunten

Gesteld door

VB Lode Vereeck

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck (VB) bekritiseert dat de Belgische Staat miljarden misloopt door artikel 37 van de NBB-wet niet toe te passen: de overheid mag 9 ton goud (4% van de reserves) tegen een verouderde boekwaarde (€1.400 vs. marktprijs >€100.000/kg) opeisen voor herdenkingsmunten, maar doet dit niet, terwijl de meerwaarde (nu >€1 mjd) naar de schatkist zou gaan. Hij noemt het onlogisch dat minister Jan Jambon (N-VA) in de nieuwe aanbesteding (2026-2029, nog niet gegund) geen verplichting oplegt om NBB-goud te gebruiken, en wijst op een coalitie-resolutie (cd&v) die dit wel voorstelt als win-win: burgers krijgen een goede belegging, de staat reduceert schuld. Jambon verdedigt het commerciële vrijheidsargument: licentienemers (nu de Koninklijke Nederlandse Munt) mogen zelf goud inkopen om hogere retributies voor de staat te garanderen, omdat verplichte NBB-aankoop hun kosten zou verhogen en de overheid uiteindelijk minder opbrengt. Vereeck verwerpt dit als onzin, omdat de marktprijs hoger is dan de NBB-boekwaarde, en de meerwaarde 100% naar de staat zou gaan—zonder extra lasten voor burgers of risico voor de goudreserves.

Voorzitter:

De heer Vereeck krijgt het woord voor zijn actuele vraag over de aanbesteding voor de herdenkingsmunten

Lode Vereeck:

Mijnheer de voorzitter, het is inderdaad een heel actuele vraag.

Mijnheer de minister, de Koninklijke Munt van België is verantwoordelijk voor de uitgifte van circulatiemunten en herdenkingsmunten. Die muntslag gebeurde echter door de Koninklijke Nederlandse Munt, meer bepaald volgens een contract dat eind december afliep. De Belgische Staat blijft uiteraard de officiële uitgevende instantie. Voor de uitgifte van die gouden herdenkingsmunten moet de Nationale Bank van België een deel van haar goudvoorraad – het gaat om maximaal negen ton van de huidige reserves, niet meer – ter beschikking houden van de Belgische Staat. Zoals bepaald in artikel 37 van de organieke wet van de Nationale Bank, komt de meerwaarde uit de verkoop, die tegenwoordig meer dan 1 miljard euro bedraagt, toe aan de Belgische Staat. Sinds 2015 wordt daarvan echter geen gebruik meer gemaakt, waardoor de Belgische Staat inkomsten misloopt.

Voor de uitgifte van gouden herdenkingsmunten wordt sinds 2015 geen gebruik gemaakt van het goud dat de Nationale Bank volgens de organieke wet ter beschikking moet houden van de Belgische Staat , waardoor de staat dus inkomsten misloopt. Waarom gebeurt dat niet?

Is er een nieuwe aanbesteding voor het slaan van de herdenkingsmunten lopende, en zo ja, voor welke periode, of is die al gegund, en zo ja, aan welke partij en onder welke voorwaarden?

Wordt in de nieuwe aanbesteding bepaald dat voor de uitgifte van Belgische gouden herdenkingsmunten het goud moet worden aangekocht bij de Nationale Bank van België? Dat gebeurt nu immers niet. De Nederlandse Munt ging de markt op en moest het goud tegen een hoge prijs kopen, terwijl hier een enorme meerwaarde kan worden gerealiseerd. Zo nee, waarom niet? Waarom laat de regering die inkomsten verloren gaan?

Waarom wordt in een budgettair moeilijke situatie niet gebruikgemaakt van een financieringsbron die geen extra lasten legt op de bevolking, noch een grote impact heeft op de strategische goudvoorraad – het gaat om 4 % – terwijl de bestaande wetgeving kan worden toegepast?

De actualiteit zit in de vijfde vraag. Collega's Leentje Grillaert en Sammy Mahdi van uw coalitiepartner cd&v zullen een resolutie indienen of hebben er een ingediend voor het slaan van een gouden Elisabethherdenkingsmunt. Dat moet een interessante investering en belegging zijn voor onze burgers. Aangezien de meerwaarde ten gunste van de begroting komt, kan daarmee ook nog eens de staatsschuld worden afgebouwd.

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, sinds 2018 is de muntslag voor circulatie- en verzamelmunten via openbare aanbesteding uitbesteed aan de Koninklijke Nederlandse Munt. Die haalde de opdracht binnen voor de periodes 2018-2021 en 2022-2025. Momenteel loopt een nieuwe aanbestedingsprocedure voor de periode 2026-2029. Offertes konden ingediend worden tot 4 november 2025. De opdrachtnemer moet een Europees munthuis zijn of een samenwerkingsovereenkomst met een Europees munthuis hebben.

De productie en commercialisatie van de gouden verzamelmunten zit vervat in een licentieovereenkomst, waarbij de overheid jaarlijks een minimale retributie ontvangt. Afhankelijk van de verkoopcijfers wordt een bijkomende retributie verkregen. De licentienemer is vrij om zelf in zijn grondstoffen te voorzien, op voorwaarde dat die afkomstig zijn uit Europa.

Er bestaat dus geen verplichting om de grondstoffen bij de Nationale Bank van België op te nemen. Ook de nieuwe aanbesteding legt die verplichting niet op. De reden daarvoor is dat de commerciële vrijheden in de licentieovereenkomst het aantrekkelijk moeten maken om zich in te schrijven. Indien de licentienemer sterk beperkt wordt in de keuzemogelijkheid om de voordeligste optie voor de aankoop van grondstoffen te kiezen, zal zich dat weerspiegelen in de hoogte van de minimale en bijkomende retributies die daar tegenover staan. Alle meerkosten voor de onderaannemer die voortvloeien uit een verplichte aankoop van grondstoffen, zullen logischerwijs de retributies verlagen, waardoor de overheid inkomsten dreigt mis te lopen.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, uw antwoord is naast de kwestie. Mijn vraag is de volgende. U hebt als overheid, op grond van artikel 37 van de organieke wet van de Nationale Bank, het recht om 4 %, oftewel 9 ton, op te vragen die staat geboekt aan 1.400 euro, terwijl dat nu 125.000 euro bedraagt; het gaat over enorme bedragen. U hebt wettelijk het recht dit op te vragen, maar u zegt hier dat dit niet verplicht kan worden aan de licentienemer, omdat die mogelijk interessantere opties op de markt heeft. Ah, nee! Wat is de marktprijs van het goud? Meer dan 100.000 euro, terwijl dit aan 1.400 euro wordt verrekend. Het verschil gaat in de pocket van de Belgische Staat. Ik meen dat u hier naast de kwestie hebt geantwoord. Dit vormt immers geen beperking. Als u in uw aanbesteding had aangegeven dat nieuwe licentienemers de optie hebben om goud bij de Nationale Bank op te vragen, tegen een gemakkelijke prijs, wat een win-winsituatie is omdat de meerwaarde eveneens in de Belgische schatkist terechtkomt … Ik zal het anders verwoorden. Het voorstel van Mahdi en Grillaert, is dat om te lachen? Zij passen dit artikel toe en stellen letterlijk dat het interessant is voor de burger, een goede belegging vormt en bovendien bijdraagt aan het afbouwen van de staatsschuld, aangezien de meerwaarde aanzienlijk is. U zegt zelf hoe beperkt uw marge is. Ik denk dat u hier de bal volledig hebt misgeslagen. Het verbaast mij een beetje, maar goed. De behandeling van de vragen eindigt om 18.10 uur. Le développement des questions se termine à 18 h 10.

Popover content