meeting-commission
De aanpak van veelplegers die illegaal in het land verblijven Mevrouw de minister, het nieuwe Strafwetboek moet binnenkort, op 8 april, volledig in werking treden, twee jaar na de publicatie in het Staatsblad. Het heeft een aanzienlijke impact op magistraten, advocaten en andere rechtspractici. Voordat de inwerkingtreding ervan probleemloos kan verlopen, moeten er nog enkele obstakels worden weggewerkt. Zo liggen er verschillende wetsontwerpen ter bespreking in onze commissie, onder andere met het doel de wethoudende voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering te wijzigen en de wet betreffende de voorlopige hechtenis aan te pakken. Daarnaast is er een wetsontwerp dat de nodige wijzigingen bevat om een deel van de federale wetgeving die onder de bevoegdheid van Justitie valt, af te stemmen op de nieuwe beginselen die door het Strafwetboek worden ingevoerd. Het is absoluut niet duidelijk, mevrouw de minister, of de bespreking van al die wetsontwerpen – want het zijn er inmiddels nog meer geworden – volledig zal zijn afgerond tegen 8 april. Een grondige hervorming van het Wetboek van Strafvordering is eveneens belangrijk voor een degelijke inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek. Naar aanleiding van de bespreking in onze commissie opperden alle deskundigen herhaaldelijk dat beide hervormingen gelijktijdig zouden moeten ingaan, wat helaas niet het geval zal zijn. Ook de Orde van Vlaamse Balies was hierover duidelijk: "Het is essentieel om procedurele hervormingen gelijktijdig met materiële hervormingen te behandelen, gezien deze nauw verbonden zijn." Oude verwijzingen en procedures kloppen niet met de nieuwe straffen en structuur en rechters en parketten moeten daardoor tegelijkertijd met twee logica’s werken. Dat leidt tot rechtsongelijkheid bij de toepassing. Daarnaast moeten diverse andere knelpunten worden aangepakt. Steeds vaker, mevrouw de minister, rijst de vraag of Justitie tijdig zal klaar zijn voor een probleemloze inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek dan wel of er nu al gedacht wordt aan een uitstel. Daarom heb ik enkele vragen. Welke garanties kunt u geven dat het nieuwe Strafwetboek probleemloos in werking zal treden op 8 april? Bent u er zich van bewust dat er op het terrein nog diverse knelpunten zijn? Kunt u een overzicht geven van al die knelpunten? Moeten er buiten de bevoegdheid van Justitie ook in andere departementen initiatieven worden genomen om bestaande wetgeving te harmoniseren met de nieuwe beginselen en terminologie van het Strafwetboek? Zo ja, kunt u daarvan een overzicht geven en hoe ver staat het met die noodzakelijke initiatieven? Ten derde, een knelpunt is het gebrek aan voldoende opleidingen en voorbereiding van magistraten, advocaten, griffiers en politie. Dat kan onder meer leiden tot een foutieve toepassing van straffen, interpretatieproblemen bij vonnissen en vertraging in de rechtspraak. Welke initiatieven hebt u genomen met het oog op voldoende opleiding en ondersteuning, uiteraard voor de beroepsgroepen die onder uw bevoegdheid vallen? Ten vierde, Justitie werkt met verouderde IT-systemen of met IT-systemen die in de praktijk veel te wensen overlaten. Dat is duidelijk gebleken uit het rapport over de digitalisering van Justitie van het Rekenhof. De nieuwe codificatie vereist onder meer een aanpassing van juridische databanken en een update van de software van parketten, rechtbanken en politie. De vraag rijst dan ook of de digitale systemen waarmee Justitie vandaag werkt, wel klaar zijn voor een vlotte toepassing van het Strafwetboek. Kunt u daarover meer toelichting geven? Hebt u inmiddels initiatieven genomen om te zorgen voor de noodzakelijke ICT-aanpassingen van alle justitiële platformen? Zijn daarvoor voldoende budgetten uitgetrokken? Ten vijfde, de kans is reëel dat de nieuwe regels zullen zorgen voor meer werkdruk. Hoe hebt u er met aanwervingen voor gezorgd dat er voldoende magistraten en griffies ter beschikking zijn om de hogere werkdruk op te vangen, uiteraard gekoppeld aan de nodige middelen? Er rijzen, ten slotte, ook vragen over de overgangsregeling. Hebt u duidelijke overgangsbepalingen en richtlijnen voor de magistraten uitgewerkt? Sinds mijn aantreden als minister heb ik samen met heel veel partners alles in het werk gesteld om het nieuwe Strafwetboek, boek 1 en 2, goedgekeurd op 29 februari 2024, in werking te doen treden op 8 april, zoals vooropgesteld. Om die reden hebben we in de regering al geruime tijd aangedrongen op de bevestiging van de timing van de inwerkingtreding, zodat alle betrokkenen hetzelfde tijdsperspectief voor ogen konden houden. De administratie van de FOD Justitie heeft sinds ik in 2025 aantrad, haar werkzaamheden met het oog op de inwerkingtreding sterk geïntensiveerd. Daarbij werd ook rekening gehouden met het regeerakkoord, dat uitging van de geplande datum van de inwerkingtreding. Op het niveau van de FOD Justitie is gezorgd voor een degelijke voorbereiding en een efficiënte planning om de beleidsdoelstellingen te realiseren. Zo is het directoraat-generaal Wetgeving bij de FOD Justitie sinds de publicatie van de wetten in februari 2024 gestart met de voorbereiding van de vereiste harmonisatiewetgeving, die hier al herhaaldelijk werd besproken. Inmiddels zijn op het vlak van wetgeving zeven voorontwerpen van wet voorbereid met het oog op de harmonisatie van de bijzondere wetgeving die geheel of gedeeltelijk tot de bevoegdheid van Justitie behoort, evenals tot de wijziging van de wetten van 29 februari 2024 tot invoering van boek 1 en 2. Daarvan zijn vijf wetsontwerpen al ingediend in het Parlement. Twee andere zijn nog in voorbereiding, die we hopen in de nabije toekomst te kunnen indienen. Ik onderstreep dat naast de FOD Justitie ook de andere federale departementen, evenals de collega’s op deelstaatniveau, wetgevende initiatieven hebben genomen om de wetgeving die tot hun bevoegdheid behoort, aan te passen aan de principes van het nieuwe Strafwetboek. Om dat te kaderen, heeft de FOD Justitie een brief met richtlijnen bezorgd aan de andere federale departementen en deelstaatdepartementen, met als doel de harmonisatie van de geldende regelgeving met het nieuwe Strafwetboek te verzekeren. De FOD ondersteunt die departementen ook bij de voorbereiding van hun harmonisatiewetgeving. We kunnen erop wijzen dat, bij het ontbreken van een tijdig wetgevend kader, kan worden teruggevallen op het conversiemechanisme van artikel 78. Wat uw vraag betreft over de opleiding en voorbereiding van het gerechtspersoneel, het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) voorziet in opleidingen en die worden gegeven door experten van de Commissie tot hervorming van het strafrecht. Wat uw vraag betreft over de noodzakelijke ICT-aanpassingen bij Justitie, al vóór het rapport van het Rekenhof over de digitalisering van Justitie werden al maatregelen genomen om de ICT-systemen waar nodig te moderniseren en de achterliggende technologieën op te waarderen. Door de vele nieuwe uitdagingen op ICT-gebied, onder meer inzake cyberveiligheid en gegevensbescherming, liggen de kosten voor een gestructureerd, modern en veilig ICT-beheer veel hoger dan in het verleden. In de regering verkreeg ik dan ook extra middelen, waarvan een deel gaat naar een substantiële verhoging van de financiering van de ICT-projecten en diensten voor de volgende jaren. Daarbovenop komt inzake de digitalisering nog de impact van het nieuwe Strafwetboek, dat in werking treedt op 8 april. Daarvoor werden bij de diensten van de FOD de impact van de nieuwe codificatie op de thans gebruikte applicaties geïnventariseerd. De impactanalyse en de hieruit volgende projecten voor aanpak van applicaties en databanken gebeuren in volledige en dagelijkse samenwerking met de hoven en rechtbanken, het openbaar ministerie, de penitentiaire instellingen en de partnerorganisaties zoals de federale politie. Daarvoor werd in een transversale aanpak voorzien, waarbij de vele applicatiegroepen en de betrokken externe partners per applicatie werken, maar de aansturing centraal gebeurt. Waar nodig werd binnen het werkingsbudget van de FOD Justitie voorzien in bijkomende budgetten, indien de beschikbare werkingsbudgetten per applicatie niet volstaan. De FOD doet al het mogelijke om tijdig klaar te geraken met de aanpassingen van de ICT-applicaties die geïmpacteerd worden door het nieuwe Strafwetboek. De behoeften aan bijkomend personeel worden voortdurend geëvalueerd en er zal, zo nodig en waar mogelijk, tegemoet worden gekomen aan de behoeften. Zo wordt in het kader van de totstandkoming van het tijdelijk wettelijk kader inzake strafuitvoering nu al voorzien in een personeelsversterking. De grondleggers van het nieuwe Strafwetboek hebben uiteraard stilgestaan bij het vraagstuk over de werking in de tijd van het nieuw Strafwetboek. Doordat artikel 2 van het Strafwetboek 2024 milder is dan artikel 2 van het Strafwetboek van 1867, moet artikel 2 retroactief worden toegepast op feiten gepleegd vóór 8 april 2026. Bovendien blijkt uit de tekst en de memorie van toelichting bij artikel 2 duidelijk de wil van de wetgever om bij wijziging in de strafwet straf per straf en bepaling per bepaling in concreto te beoordelen of de nieuwe regel zwaarder of milder is dan de oude. De wetgever heeft ervoor gekozen niet in overgangsbepalingen te voorzien, hoewel hij uitdrukkelijk aandacht heeft geschonken aan de algemene principes omtrent de werking van de strafwet in de tijd door wijzigingen aan te brengen in artikel 2. Ik verwijs ook naar de al in de doctrine verschenen uitvoerige bijdragen, waarin gedetailleerde richtsnoeren staan die uitgaan van de experts van de Commissie tot hervorming van het strafrecht. Dank u vriendelijk, mevrouw de minister, voor uw uitgebreide antwoord. Ik heb echter geen duidelijke ja gekregen op mijn vraag of u garandeert dat 8 april zal worden gehaald. Verschillende wetsontwerpen – er zijn al een aantal toegelicht – moeten hier in deze commissie nog besproken worden. Misschien zullen er vragen om advies of hoorzittingen komen, wat in deze commissie gebruikelijk is. Ik hoor ook van u dat er nog twee wetsontwerpen in voorbereiding zijn. Ik wil niet negatief denken, mevrouw de minister, maar ik denk dat 8 april heel moeilijk haalbaar is. We hebben ondertussen ook nog de krokusvakantie in februari, waardoor we weer een week zullen verliezen. Ik vrees dus dat men zich in de praktijk moet voorbereiden op een uitstel. Wat de andere departementen betreft, zegt u dat justitie ondersteuning biedt om ervoor te zorgen dat ook zij in orde geraken met de aanpassing van de materies die onder de respectieve departementen vallen. Ik heb echter geen overzicht gekregen van welke departementen al in orde zijn en welke nog werk voor de boeg hebben. Wat de ICT-kosten betreft, mevrouw de minister, weten we allemaal dat die veel hoger liggen dan in het verleden. Dat begrijpen we ook. Op het terrein moet trouwens nog heel veel worden hersteld om een goede werking van de ICT te verzekeren. U hebt bijkomende middelen gekregen, maar werden er al projecten opgesteld om ervoor te zorgen dat die aanpassing kan gebeuren? Ik stel vast, mevrouw de minister, dat men er in de praktijk van uitgaat dat 8 april niet gehaald zal worden. Ik heb gesproken met een aantal strafpleiters die zeer regelmatig grote en kleinere strafzaken behandelen in Antwerpen. Ik beperk mij daartoe, omdat ik daar ervaring heb. Ik krijg er regelmatig de boodschap dat men ofwel de zaken beter op lange termijn kan uitstellen, zodat er duidelijkheid is, ofwel van de zetelende magistraat de opdracht krijgt zich voor te bereiden op de twee scenario’s: zowel de toepassing van het oude als die van het nieuwe Strafwetboek. U hebt het zo-even zelf ook gezegd: voor sommige misdrijven is de straf in het oude systeem hoger of lager dan in het nieuwe systeem. Ik rond af, mevrouw de minister. U hebt gezegd dat u al het mogelijke doet om het in orde te brengen, maar een garantie is er niet. Ik zal het blijven opvolgen. Het is wel beter om te zorgen voor een uitstel, zodat het Strafwetboek op een goede en grondige manier in werking kan treden in plaats van vlugvlug op 8 april te starten, om dan in praktijk te worden geconfronteerd met talrijke problemen en moeilijkheden. Tot slot, voorzitter, heb ik een motie ingediend. [NL]Moties [FR]Motions [MNF01/] [NL]Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. [FR]En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. [NL]Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat er nog tal van obstakels moeten overwonnen worden vooraleer het nieuwe strafwetboek in april in werking zal kunnen treden; - overwegende dat tal van experten er bij de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek op gewezen hebben dat de termijn tussen de publicatie in het Staatsblad en de effectieve inwerkingtreden – 2 jaar – veel tekort was; - overwegende dat er op heden niet alleen tal van juridische knelpunten zijn – den ken we maar aan tal van regelgeving die nog niet compatibel is met het nieuwe Strafwetboek – maar ook praktische bezwaren zijn waaronder onder meer het gebrek aan voldoende opleidingen voor de staande en zittende magistratuur; - overwegende dat daarnaast ook openlijk de vraag dient gesteld te worden of de IT-systemen van Justitie in het algemeen, en de parketten in het bijzonder reeds werden aangepast aan het volledige nieuwe Strafwetboek; - overwegende dat bij gebrek aan een succesvolle integratie een totale chaos dreigt, met alle gevolgen vandien; vraagt de regering - op korte termijn een grondige analyse te maken, samen met de belangrijkste actoren binnen Justitie, waaronder de staande en zittende magistratuur, de advocaten, de IT-sector van Justitie en de experten die hebben bijgedragen tot de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek, teneinde te verifiëren of het nieuwe Strafwetboek, zoals aangekondigd, in werking kan treden op de vooropgestelde datum, zonder dat er totale chaos dreigt; - voor zover het juridisch en praktisch, en rekening houdend met voorgaande, niet verantwoord zou zijn om het nieuwe strafwet op de gestelde datum in werking te laten treden, er prioriteit van te maken dat dit zo spoedig mogelijk kan geschieden. " [FR]Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que bon nombre d'obstacles doivent encore être surmontés avant que le nouveau Code pénal puisse entrer en vigueur en avril prochain; - considérant que de nombreux experts ont souligné lors de l'élaboration du nouveau Code pénal que le délai de 2 ans entre la publication au Moniteur et l'entrée en vigueur effective était bien trop court; - considérant qu'il existe à l'heure actuelle non seulement de nombreux problèmes juridiques – songeons aux nombreuses réglementations qui ne sont pas encore compatibles avec le nouveau Code pénal – mais également des entraves pratiques, dont l'insuffisance des formations destinées à la magistrature debout et assise; - considérant qu'il faut également poser ouvertement la question de savoir si les systèmes informatiques de la Justice en général et des parquets en particulier ont déjà été adaptés à l'intégralité du nouveau Code pénal; - considérant que l'absence d'une intégration fructueuse risque d'entraîner un chaos absolu, avec toutes les conséquences qui s'ensuivent; demande au gouvernement - de réaliser une analyse approfondie à brève échéance, en collaboration avec les acteurs les plus importants de la Justice, dont la magistrature debout et assise, les avocats, le secteur informatique de la Justice et les experts qui ont contribué à l'élaboration du nouveau Code pénal, afin de vérifier si celui-ci peut, comme annoncé, entrer en vigueur à la date fixée, sans risquer de provoquer un chaos absolu; - dans la mesure où il ne serait pas raisonnable d'un point de vue juridique et pratique, et compte tenu de ce qui précède, de laisser le nouveau Code pénal entrer en vigueur à la date prévue, de veiller en priorité à cette entrée en vigueur dans les meilleurs délais. " [NL]Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Tine Gielis. [FR]Une motion pure et simple a été déposée par Mme Tine Gielis . [NL]Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. [FR]Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. Madame la ministre, Les témoignages que je reçois du terrain de la part de policiers sont particulièrement préoccupants et révèlent une réalité qui fragilise gravement la sécurité publique. Beaucoup décrivent un système où l’interpellation d’étrangers en séjour irrégulier, souvent multirécidivistes, ne produit que très peu d’effets, malgré la lourdeur des procédures qu’ils appliquent et leur engagement quotidien. Ils expliquent interpeller régulièrement les mêmes individus tout en sachant qu’ils seront très rapidement relâchés. Après l’application complète de la procédure: les empreintes, la fouille, les auditions et le procès-verbal, la même décision tombe presque systématiquement: relaxer, y compris pour des personnes déjà connues pour plusieurs faits. Selon ces retours, l’Office des étrangers ordonne très fréquemment la remise en liberté, les placements en centre fermé étant réservés à des cas exceptionnels. La surpopulation carcérale limite considérablement l’action judiciaire: même lorsqu’un individu est déféré, le procureur du Roi n’ordonnera pas de mise en détention, faute de places disponibles. Le bracelet é lectronique n ’ est pas davantage une option pour des personnes d é pourvues de domicile, ce qui conduit, une nouvelle fois, à une remise en liberté dans la nature. Cette accumulation de contraintes aboutit à une situation où des individus potentiellement dangereux se retrouvent de facto laissés en liberté. La situation crée en réalité un véritable engrenage : arrestation, remise en liberté, nouvelle infraction, nouvelle arrestation… sans résultat concret et sans capacité réelle de protéger la population. Outre le problème majeur que cela pose pour la sécurité publique, ces constats s’accompagnent d’un sentiment profond d’impuissance au sein des forces de l’ordre. D è s lors, Madame la Ministre: Confirmez-vous que, dans la pratique, de nombreux étrangers en séjour irrégulier interpellés pour des faits répétés sont relâchés faute de solutions judiciaires ou administratives permettant de les maintenir à disposition des autorités? Comment expliquez-vous que, malgré la récidive et parfois la gravité des faits, la chaîne pénale ne puisse apporter qu’une réponse limitée, conduisant presque systématiquement à ces remises en liberté? Ce dossier figure-t-il aujourd’hui parmi vos priorités? Si oui, quelles mesures concrètes entendez-vous mettre en œuvre. Madame la Ministre, derrière ces témoignages, ce sont des policiers qui doutent, des citoyens qui s’inquiètent et un système qui s’essouffle. 
 Il est temps que cela change. Merci. Merci collègue Vandeberg, il est incontestable que le problème de la surpopulation carcérale et les limites liées au domicile pour la mise en œuvre d'une surveillance électronique peuvent entraver la réponse judiciaire aux faits commis par des délinquants multirécidivistes qui sont en situation irrégulière ou non. Il convient cependant de souligner qu'il n'existe pas de législation ni de réglementation différenciée selon que le suspect dispose ou non d'un titre de séjour valable sur le territoire belge. Je suis vraiment étonnée par la teneur de votre question à cet égard. En outre et en général, la remise en liberté d'un suspect n'implique pas une absence de réaction judiciaire, celle-ci pouvant naturellement être mise en œuvre autrement qu'à travers une privation de liberté. Le simple fait d'informer l'Office des étrangers, de l'interroger systématiquement et de lui remettre la personne interceptée en séjour illégal constitue déjà une réaction judiciaire en soi. Les suites que réserve l'Office des étrangers ne relèvent pas de la compétence du pouvoir judiciaire. Pour cet aspect, je vous invite à vous adresser à ma collègue en charge de l'Asile et de la Migration. Les chiffres relatifs à la surpopulation pénitentiaire au 15 décembre dernier fournies par la DG EPI elle-même, montrent qu'il convient également de nuancer quelque peu cette situation. Dans les prisons belges, 1 885 personnes sans droit de séjour sont détenues sous le statut de détention préventive, et 2 230 sous le statut de condamnés, soit 30 % de la population carcérale totale. Comme vous le savez, nous travaillons au sein du gouvernement avec la ministre compétente pour l'Asile et la Migration à des solutions pour améliorer et pour accélérer le transfert des détenus sans droit de séjour vers des centres fermés et/ou vers leur pays d'origine. Merci. Je vous remercie pour votre réponse. C'est vrai que je peux effectivement me retourner vers la ministre compétente pour l'Asile et la Migration, mais la problématique est bien liée à vos compétences au niveau de la Justice, notamment, comme vous l'avez mentionné au début de votre réponse, par rapport à la surpopulation et donc au manque de place et à la possibilité de ne pas être mis en détention, sachant évidemment que le bracelet électronique ne peut être une option pour des personnes qui ne sont pas pourvues de domicile. Toute cette chaîne-là fait évidemment que, l'un dans l'autre, c'est autant l'Office des étrangers qui est responsable que la Justice. J'espère donc qu'un suivi pourra être donné par rapport à ces cas particuliers. Je vous remercie. De administratieve rompslomp voor het politiepersoneel Madame la Ministre, Lors de nos récents échanges avec plusieurs collèges communaux et zones de police, un constat revient de manière insistante et préoccupante : le sentiment croissant, parmi les policiers, de travailler sous une charge administrative toujours plus lourde… pour des résultats perçus comme trop faibles. Beaucoup nous indiquent consacrer une part croissante de leur temps à des tâches administratives, au détriment du travail opérationnel. Beaucoup s’interrogent sur le suivi judiciaire réel de leurs dossiers et ont parfois l’impression que leur travail ne sert à rien. Cette impression que leurs efforts n’aboutissent pas ou ne sont pas pris en compte génère frustration, perte de sens et un découragement préoccupant, avec des conséquences directes sur la motivation des équipes et, plus largement, sur l’efficacité de la chaîne pénale. Madame la Ministre, dès lors : Comment votre département évalue-t-il aujourd’hui l’articulation entre police et justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers transmis par les services de police et la perception d’un manque de suivi Quelles mesures envisagez-vous pour améliorer la visibilité et la transparence du suivi judiciaire des dossiers, afin que les policiers puissent percevoir l’impact concret de leur travail sur la chaîne pénale ? Dans le cadre strict des compétences de la Justice, des simplifications procédurales ou adaptations organisationnelles sont-elles à l’étude pour alléger la charge administrative liée au volet judiciaire et permettre aux policiers de consacrer davantage de temps à leurs missions opérationnelles ? Merci​ Collègue Vandeberg, l'articulation entre la police et la justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers, me semble évoluer favorablement, et ce, depuis 2015 déjà. En effet, cette année s'est caractérisée par le lancement d'un management de la recherche (REM) auprès de la police fédérale judiciaire, et ensuite par la justice. Plus récemment, la police locale a rejoint la démarche. Le 14 octobre 2024, une directive visant la rationalisation des processus de travail opérationnels et administratifs liés aux missions de la police judiciaire a aussi été adoptée. Ces dernières années, de nombreux investissements ont été effectués dans le cadre du développement du management de la recherche. Ce REM envisage justement la cohérence entre les investissements de la police, d'un côté, et les efforts et les besoins de la justice, de l'autre. Au début de l'année passée, un outil, Itinera 2, a été approuvé et adopté par la justice à cette fin. Cet outil permet d'échanger en temps réel entre les services de la police et de la justice. Cet échange offre une vue exacte et transparente de l'état des dossiers au sein de la justice et des résultats de la poursuite. L'utilisation de cet outil et l'élargissement du management de la recherche font l'objet d'une circulaire du Collège des procureurs généraux, qui sera finalisée dans les semaines à venir. Le processus décrit a – et aura encore plus – l'effet d'optimiser le travail de recherche, d'éviter du travail double ou inutile et d'orienter les efforts en fonction des besoins et du traitement envisagé des dossiers. Je vous remercie pour votre réponse et j'espère évidemment que cela pourra répondre aux besoins et aux questionnements des policiers, qui ont l'impression que leur travail opérationnel passe au second plan à cause de cette surcharge administrative au niveau de la justice. J'attendrai les résultats et la suite avec impatience. Het rapport van Myria over mensenhandel Madame la Ministre, En 2024, les services de police belges ont détecté 346 infractions liées à la traite des êtres humains. Près des deux tiers de ces dossiers, soit 213 affaires, concernaient la prostitution forcée, principalement dans les grandes villes du pays. Derrière ces chiffres, il y a des victimes. Pour ne citer qu’un exemple parmi tant d’autres, une récente affaire fait état d’une jeune femme venue du Nigéria, recrutée avec la promesse d’un emploi de vendeuse en Europe, qui a finalement atterri à Anvers, où elle a été contrainte à la prostitution dans un bar, dans des hôtels et en rue. Myria rappelle par ailleurs que les chiffres disponibles ne reflètent en aucun cas l’ampleur réelle du phénomène, puisqu’ils ne concernent que les faits et les victimes identifiés par les autorités. Dans son rapport annuel 2025, le Centre fédéral Migration attire l’attention sur les attentes parfois excessives qui pèsent sur les victimes de traite dans le cadre des procédures judiciaires. Il souligne le risque que, parfois malgré lui, le système judiciaire repose trop fortement sur la capacité des victimes à témoigner rapidement et à porter une partie du poids des enquêtes et des poursuites, alors même que ces personnes ont subi des violences graves et se trouvent dans une situation de grande vulnérabilité. Myria insiste dès lors sur la nécessité d’adapter les procédures judiciaires à la réalité des victimes de traite, afin que la justice constitue avant tout un appui et une protection, et non une source de pression supplémentaire susceptible de conduire à une forme de double victimisation. Le Centre fédéral formule à cet égard plusieurs recommandations visant à renforcer leur protection et leur accompagnement. Madame la Ministre, Comment le gouvernement entend-il tenir compte de l’ensemble des constats et recommandations formulés par Myria afin d’améliorer la protection des victimes de traite des êtres humains et d’adapter le cadre actuel à leur réalité, tant dans le déroulement des procédures que dans l’accompagnement qui leur est proposé ? Par ailleurs, au-delà de la prise en charge après les faits, qu’en est-il des mesures de prévention et de lutte en amont contre la traite des êtres humains ? L’accord de gouvernement fédéral fait de cette lutte une priorité, notamment en matière de démantèlement des réseaux, de protection renforcée des mineurs et de coopération entre la justice, la police et les services d’inspection. Pouvez-vous faire le point sur l’état d’avancement de ces engagements et sur les actions concrètes mises en œuvre ? Je vous remercie. ​ Je partage le constat de Myria selon lequel les données disponibles ne reflètent que partiellement le phénomène, puisqu'elles se limitent aux faits et victimes identifiés. La lutte contre la traite constitue une priorité affirmée de l'accord de gouvernement. Myria est représentée au sein du bureau de la Cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains. Ses constats et recommandations sont intégrés de manière transversale dans l'évolution du cadre législatif, procédural et opérationnel, afin de mieux répondre à la réalité vécue par les victimes. Une révision approfondie de la circulaire multidisciplinaire relative à l'identification, à l'orientation et à la protection des victimes est en cours. Elle vise à renforcer la coordination entre la justice, la police, les centres d'accueil spécialisés et les entités fédérées – en particulier pour les mineurs – ainsi qu'à garantir un mécanisme d'orientation plus clair et plus protecteur, en tenant compte des constats de Myria concernant les attentes parfois excessives à l'égard des victimes en début de procédure. Je suis par ailleurs attentive aux risques de forte pression et de double victimisation soulignés par Myria. Les recommandations relatives au titre de séjour, également reprises par la commission parlementaire spéciale, seront examinées en concertation avec la ministre chargée de la Migration dans le cadre du prochain plan d'action contre la traite des êtres humains. Je vous remercie pour vos réponses et j'espère évidemment que toutes ces évolutions permettront une meilleure protection des victimes. Mevrouw de minister, op 1 januari van dit jaar opende de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel een zesde onderzoekskabinet. Deze beslissing werd genomen ten gevolge van de uitzonderlijke verhoging van de werklast op strafrechtelijk vlak sinds de aantreding van de heer Julien Moinil aan het hoofd van het parket van Brussel in januari 2025. Het strenge strafbeleid dat sindsdien gevoerd wordt, heeft geleid tot meer dan een verdubbeling van het aantal dossiers waarin het parket de tussenkomst van een onderzoeksrechter vordert. De druk op het onderzoek brengt het welzijn van magistraten, griffiers en medewerkers en de goede werking van het onderzoek dermate in gevaar dat een versterking van het onderzoek, dat gepaard gaat met andere structurele maatregelen, zoals verbetering van communicatie, werkprocessen en leiding, onontbeerlijk is. Deze noodzakelijke versterking gebeurde binnen het bestaande wettelijk kader van 41 magistraten en heeft de rechtbank gedwongen beleidskeuzes te maken. Deze keuze heeft echter een negatieve impact op andere secties van de rechtbank. De correctionele sectie, die evenzeer onder zware druk staat door het – terechte - vervolgingsbeleid van het parket van Brussel en ook door het parket van Halle-Vilvoorde en het federaal parket, kan niet versterkt worden zoals het zou moeten. De vaststellingstermijnen in de correctionele kamer die de zaken van het parket van Brussel behandelt worden langer, met een toevloed aan verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidstelling tot gevolg. Zaken zonder gedetineerde, waaronder financiële zaken, worden minder snel behandeld. De burgerlijke sectie probeert de tijd die nodig is om een zaak te behandelen te beperken tot één jaar en slaagt daar vandaag meestal in. Met de interne verschuivingen zal dat niet meer mogelijk zijn. Heel concreet zullen er in bouwzaken en fiscale zaken doorlooptijden van twee jaar komen. De burger zal dus langer moeten wachten op een vonnis. Het onderzoek krijgt een rechter meer, maar dat is onvoldoende gelet op de verdubbeling van de werklast. Ook op de jeugdrechtbank is de druk vanuit het parket van Brussel stevig toegenomen sinds januari vorig jaar. In januari 2024 werd een vierde jeugdkabinet geopend, waardoor de verhoogde werkdruk momenteel enigszins onder controle is, maar de vraag is tot wanneer. Mevrouw de minister, deze boodschap op de website van de rechtbank zelf is bijzonder duidelijk maar tegelijkertijd zeer verontrustend wat de goede en snelle rechtsbedeling in het belang van de burger betreft. De rechtbank juicht toe dat het parket een visie heeft voor de veiligheid van de samenleving in Brussel en de Rand, maar zonder versterking van de volledige strafketen, waaronder de rechtbank, blijft deze visie echter zonder effect. Het wettelijk kader van de rechtbank is niet aangepast aan de zeer hoge werklast. Dat is al jaren het geval. Volgens de werklastmeting die in 2024 werd uitgevoerd door het College van de hoven en rechtbanken heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel 14 bijkomende rechters en het bijhorende griffiepersoneel nodig. Dat was dus nog vóór het nieuwe beleid van het parket van Brussel. Vandaag liggen die noden met andere woorden nog hoger. Welke initiatieven gaat u nemen om eindelijk het wettelijk kader uit te breiden en daarvoor de nodige middelen vrij te maken, alles in het kader van een goede en tijdige rechtsbedeling? Ten tweede leiden de interne verschuivingen, waarbij de strafketen binnen zeer beperkte mogelijkheden een beetje wordt versterkt, ertoe dat andere rechtszaken op de lange baan worden geschoven. Dat is vandaag al het geval in correctionele en burgerlijke zaken, morgen misschien ook, mevrouw de minister, zo wordt gewaarschuwd, in familiezaken. Zonder een uitbreiding van het kader, zowel wat magistraten als griffiers en medewerkers betreft, kan de rechtbank de goede dienstverlening die zij hoog in het vaandel draagt niet langer waarborgen en zal de burger nog langer moeten wachten op de behandeling van zijn zaak. Dat moet absoluut worden vermeden. Wat gaat u doen om onmiddellijk een antwoord te bieden op de ontwrichtende flessenhals die zich in de strafketen voordoet op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dat uiteraard opnieuw gekoppeld aan de nodige budgetten, in het belang van een goede en snelle rechtsbedeling? In het kader van het hefboomplan werd alvast een bedrag van 12 miljoen euro toegekend aan de hoven en rechtbanken, onder meer voor bijkomende personeelswerving. Het hefboomplan heeft de structurele versterking van de rechterlijke orde tot doel, onder andere door extra ondersteuning en investeringen die moeten bijdragen aan een evenwichtigere werklast en, vooral, een betere werking van justitie in het algemeen. Het komt het College van de hoven en rechtbanken toe om binnen de beschikbare middelen de gepaste verdelingen en toewijzingen te doen. Daarover hebben we het al meerdere keren gehad. Het wettelijk kader bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg voorziet in 41 magistraten en die plaatsen zijn vandaag volledig ingevuld. De magistratenplaatsen zijn derhalve alle bezet, conform het geldende personeelskader. De verdeling van de zaken over de magistraten, alsook de interne organisatie van de werkzaamheden over de verschillende onderdelen van de rechtbank, behoren tot de bevoegdheid van de korpschef. Die autonomie is een essentieel onderdeel van het onafhankelijk functioneren van de rechterlijke macht en laat toe om binnen het bestaande kader zo efficiënt mogelijk in te spelen op de verwerking van de te behandelen zaken. Uiteraard volgen wij dit vanuit ons perspectief verder op. Voorts heeft het College van de hoven en rechtbanken op mijn vraag een voorstel opgesteld om, volgens de toepassing van de flexibele kaders zoals bepaald in artikel 186, §1/1, van het Gerechtelijk Wetboek, de vacante plaatsen voor de magistraten toe te wijzen aan die entiteiten waar de werkdruk het hoogst is. In 2026 wordt een eerste stap gezet in een flexibelere toepassing van de wettelijke kaders naargelang de werklast. In het ontwerp van KB dat momenteel in voorbereiding is, staat een versterking met drie bijkomende rechters voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel. Daarnaast zal de regering op mijn vraag bijkomend investeren in justitie, onder meer met drie bijkomende onderzoekskabinetten, specifiek bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel. De middelen daarvoor werden toegekend in het kader van het begrotingsakkoord van eind november 2025. Net als u ben ik ervan overtuigd dat de werkdruk binnen de rechterlijke orde doorgaans hoog is en dat een coherente versterking van alle niveaus en van de verschillende schakels in de keten noodzakelijk is. De noden kunnen enkel worden ondervangen door gerichte versterkingen, een flexibel personeelskader, goed beheer en een efficiëntere inzet van de personeelsmiddelen. Het is u bekend dat de regering bijkomende middelen investeert in justitie en daarnaast voornemens is om op termijn de wettelijke personeelskaders te vervangen door een wettelijk geregeld allocatiemodel, waarbij de middelen worden verdeeld volgens objectieve parameters, waaronder werklastmetingen. Dank u. Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik heb eerst een vraag om verduidelijking. U hebt gezegd dat er middelen zullen worden vrijgemaakt voor drie extra onderzoekskabinetten. Komen die boven op de zes bestaande onderzoekskabinetten? Sinds 1 januari is er immers een zesde bijgekomen. In het kader van het hefboomplan hebt u 12 miljoen euro vrijgemaakt voor alle rechtbanken. Volgens u is het wettelijk kader voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel volledig ingevuld. Uit de werklastmeting van het College van hoven en rechtbanken uit 2024 blijkt echter duidelijk dat 14 extra magistraten, met daaraan gekoppeld griffiers en medewerkers, absoluut noodzakelijk zijn voor een goede werking van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel. De vraag blijft dan ook hoe het bedrag van 12 miljoen euro zal worden verdeeld. Niet alleen in Brussel zijn er problemen, maar ook in verschillende andere gerechtelijke arrondissementen. De aanpak van de nieuwe procureur in Brussel kunnen we alleen toejuichen. Het is hoog tijd dat de criminaliteit, die in Brussel helaas zeer groot is, kordaat wordt aangepakt. Wij kunnen de aanpak van procureur Moinil dan ook alleen steunen. Er moet echter voor worden gezorgd, mevrouw de minister - en dat is niet uitsluitend maar wel mede uw verantwoordelijkheid - dat daardoor andere dossiers niet op de lange baan worden geschoven. Ik heb u daarnet een aantal voorbeelden gegeven. Deze boodschap komt niet uit mijn mond, ze komt letterlijk van de website van de rechtbank van Brussel. Daar worden een aantal voorbeelden gegeven van secties die dreigen dossiers op lange termijn te moeten uitstellen. Dat moet worden vermeden in het algemeen en zeker in de familierechtbank. Mevrouw de minister, ik hoop daarvoor in u een bondgenoot te vinden. In de familierechtbank probeert men het binnen een jaar op te lossen. Het gaat daar over kinderen en vaak over bijzonder schrijnende situaties. Daar moet absoluut worden gegarandeerd dat dossiers niet op de lange baan worden geschoven. Tot slot, mijnheer de voorzitter, heb ik een motie ingediend. [NL]Moties [FR]Motions [MNF01/] [NL]Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. [FR]En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. [NL]Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat sinds het aantreding van de nieuwe procureur te Brussel, het streng strafbeleid dat sindsdien gevoerd wordt heeft geleid tot meer dan een verdubbeling van het aantal dossiers waarin het parket de tussenkomst van een onderzoeksrechter vordert; - overwegende dat de correctionele sectie, die evenzeer onder zware druk staat door het vervolgingsbeleid van het parket Brussel, maar ook van het parket Halle-Vilvoorde en van het federaal parket, kan niet versterkt worden zoals het zou moeten; - overwegende dat met de geplande interne verschuivingen de doorlooptijd in bouw- en fiscale zaken dreigt te verdubbelen van één naar twee jaar; - overwegende dat er dringende maatregelen moeten genomen worden om aan voormelde problematieken tegemoet te komen; vraagt de regering - de nodige initiatieven te nemen om eindelijk het wettelijk kader uit te breiden en hiervoor de nodige middelen vrij te maken, dit allemaal in het belang van een goede en tijdige rechtsbedeling; - per kerende de nodige maatregelen te nemen om een antwoord te kunnen bieden aan de ontwrichtende flessenhals die zich in de strafketen op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel voordoet, dit uiteraard gekoppeld aan het vrijmaken van de nodige budgetten. " [FR]Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que depuis l'entrée en fonction du nouveau procureur de Bruxelles, le nombre de dossiers dans lesquels le parquet requiert l'intervention d'un juge d'instruction a plus que doublé à la suite de la politique pénale stricte qui est poursuivie depuis lors; - considérant qu'il est impossible de renforcer comme il se devrait la section correctionnelle, qui subit également une forte pression en raison de la politique des poursuites menée par le parquet de Bruxelles, mais aussi par le parquet de Hal-Vilvorde et le parquet fédéral; - considérant que les réorientations internes prévues menacent le délai de traitement des dossiers immobiliers et fiscaux, qui risque de doubler et de passer d'un à deux ans; - considérant qu'il convient de prendre des mesures urgentes afin de remédier aux problèmes précités; demande au gouvernement - de prendre les initiatives nécessaires pour élargir enfin le cadre légal et dégager les moyens qui s'imposent pour ce faire, et ce dans l'intérêt de l'efficacité et de la promptitude de la justice; - d'entreprendre sans retard les démarches nécessaires afin de pouvoir apporter une réponse au goulet d'étranglement qui perturbe la chaîne pénale au niveau du tribunal de première instance de Bruxelles, en y associant bien entendu la libération des budgets nécessaires. " [NL]Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Tine Gielis. [FR]Une motion pure et simple a été déposée par Mme Tine Gielis. [NL]Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. [FR]Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. De overbrenging van buitenlandse gedetineerden Madame la ministre, j’entends régulièrement certains de vos partenaires de coalition, en particulier celui qui est présent au gouvernement fédéral sans discontinuer depuis 26 ans, se plaindre de la proportion importante d'étrangers parmi les détenus dans nos prisons. Si cela correspond certes à une réalité statistique réelle, plus de 40 % des détenus n'étant pas belges, j'avoue ne pas aimer la petite musique qui accompagne en général ce constat et qui vise à suggérer qu’il suffirait d’expulser toutes ces personnes pour régler instantanément le problème de la surpopulation. Si c'était si simple, ce serait probablement fait depuis longtemps, d'autant plus que le parti qui s'en plaint le plus est celui qui est au pouvoir depuis le plus longtemps. Moi, je crois que ce n'est pas si simple et qu'il y a là une forme de populisme et de paresse intellectuelle qui élude le fait, d'une part, qu’il y a une grande partie d’étrangers en détention préventive (impossibles à expulser avant d'être jugés) et, d'autre part, que cela fait depuis 20 ans qu'on a un vrai problème de transfèrement des détenus condamnés. C’est sur ce point que je vous interroge. Les données indiquent que le nombre moyen de transfèrements sortants n’a pas dépassé 60 par an entre 2013 et 2023. Le SPF Justice identifie l'accord systématique de l'État destinataire comme une "pierre d’achoppement" majeure, car la majorité des États refusent les transfèrements non volontaires, faute d'attaches familiales ou de garanties de réinsertion du détenu. Madame la ministre, quels sont les chiffres précis pour les années 2023 et 2024 concernant les renvois effectifs de détenus condamnés vers les pays du "top 10" des nationalités représentées, notamment le Maroc, l'Albanie et la Roumanie? La balance des transfèrements est-elle toujours défavorable à la Belgique, avec un nombre de transfèrements entrants (de l'étranger vers la Belgique) supérieur aux transfèrements sortants, comme le soulignait la Cour des comptes? Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour inciter les pays d'origine à accepter leurs ressortissants condamnés, en particulier via le protocole additionnel de 1997 qui permet théoriquement le transfert sans consentement pour les personnes devant être expulsées? Monsieur le député, je vous invite à formuler par écrit vos deux premières questions portant sur des données chiffrées, étant donné qu'il n'est pas possible de présenter oralement un tableau couvrant plusieurs pays et plusieurs années. En ce qui concerne votre question relative aux actions à venir visant à augmenter le nombre de transferts vers l'étranger, je peux vous dire qu'un accord a été conclu avec le Maroc et que notre ambition conjointe est d'augmenter le nombre de transferts. Ce lundi, j'ai eu une réunion constructive avec mon homologue marocain à ce sujet et un plan d'action a été signé pour concrétiser cette ambition. Il n'y a quasiment pas eu de transferts ces dernières années, mais je constate que nous avons pu réaliser trois transferts vers le Maroc au cours des derniers mois, le but étant d'augmenter ce nombre de façon significative dans les mois qui viennent. Je tiens à vous informer qu'une minorité d'États tiers a adhéré au protocole additionnel de 1997 et que des accords bilatéraux existent entre la Belgique et le Maroc, l'Albanie, la République démocratique du Congo et le Kosovo. Bien que ces accords bilatéraux avec ces quatre derniers pays prévoient la possibilité d'effectuer des transferts sans consentement, encore faut-il que les États concernés marquent leur accord avec ces transferts. Pour les autres mesures concrètes, je vous renvoie à ma réponse à la question orale n° 56011851C de Mme Dillen, que vous trouverez dans le compte rendu de la commission du 7 janvier 2025. Een speciaal team voor cold cases Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag. In Antwerpen breekt de procureur-generaal een lans voor een voltijds team dat zich permanent bezighoudt met het oplossen van cold cases. Ook het parket van Antwerpen is voorstander van dit idee. Volgens het Antwerps parket zijn er in Antwerpen alleen al 165 onopgeloste moorddossiers, soms al tientallen jaren. Het oudste dossier dateert van ergens in de jaren 70. Dit is zeer traumatisch voor de nabestaanden die eigenlijk nooit echt aan het rouwproces kunnen beginnen maar tast ook het vertrouwen in Justitie aan. “Met de kennis en technologie die nu voorhanden zijn, zouden nabestaanden antwoorden kunnen krijgen waar ze al lang op wachten", zo stelde de procureur-generaal. Volgens het parket gaat het vooral om efficiëntie. Cold cases zijn vaak lijvige dossiers die heel arbeidsintensief zijn. Als speurders voltijds kunnen ingezet worden op een efficiënte wijze, levert dat resultaten op. Volgens de woordvoerder van het Antwerps parket zou er efficiënter kunnen worden gewerkt als de mensen die nu aan cold cases werken, ook aan een volgende cold case kunnen werken zodat er niet telkens vanaf nul moet worden begonnen. De keerzijde is wel dat de kans groot is dat bepaalde dossiers intussen verjaard zijn en dat als er toch een verdachte wordt geïdentificeerd die mogelijk zijn of haar straf ontloopt. Dossiers over moord en doodslag zijn ontwrichtend voor de maatschappij en zouden om die reden buiten de verjaring moeten kunnen vallen. Wat is het standpunt van de minister betreffende dit pleidooi van de Antwerpse procureur-generaal en het Antwerpse Parket? Zal de minister ter zake een initiatief nemen, minstens onderzoeken of dit haalbaar is en dit in overleg met alle betrokken actoren, nl. parket, rechters en politie? Is de minister bereid een wetgevend initiatief te nemen om ervoor te zorgen dat moord en doodslag, twee misdaden die bijzonder ontwrichtend zijn, niet langer kunnen verjaren? Elke procureur des Konings is momenteel vrij om binnen zijn kader een coldcasesectie op te richten. De procureur-generaal van Antwerpen zou ook, als hij dat nodig acht, een ressortelijke circulaire kunnen uitvaardigen om zijn procureurs uit te nodigen in die zin te werken. Wat uw vraag over de onverjaarbaarheid betreft, de regels inzake verjaring van strafvorderingen zijn grondig hervormd door de wet betreffende strafvordering 1 van 2024. Tijdens de voorbereidende besprekingen is de mogelijkheid besproken om moord en doodslag onverjaarbaar te maken, voor zover ze geen internationaal humanitair misdrijf vormen, aangezien die al onverjaarbaar zijn. De geraadpleegde experten bij de hervorming van de strafprocedure waren van oordeel dat dat niet opportuun was en hebben zich beperkt tot toepassing van onverjaarbaarheid voor dossiers van het type van de Bende van Nijvel. Het gaat hierbij om de gevallen bedoeld in de artikelen 394 en 475 van het Strafwetboek, met name misdrijven die door hun aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kunnen schaden, de bevolking ernstige vrees kunnen aanjagen of de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze kunnen dwingen tot het verrichten van een handeling of tot het zich onthouden daarvan, dan wel tot het ernstig ontwrichten of vernietigen van de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie. De memorie van toelichting benadrukt dat hiermee feiten worden geviseerd die buitengewoon ernstig zijn ten gevolge van hun omvang, inzonderheid door het aantal slachtoffers of door de ernstige vrees of terreur die bij de bevolking wordt veroorzaakt, en die om die reden niet mogen verjaren of vergeten worden. Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik noteer dat u geen initiatief zult nemen om tegemoet te komen aan het pleidooi van de procureur en het parket om een wetgevend initiatief te nemen met het oog op de uitbreiding van de niet-verjaarbaarheid om zo een grondiger onderzoek in cold cases mogelijk te maken. Casa legal De onzekerheid voor Casa legal Madame la ministre, le dossier Casa legal nous a – et vous a – beaucoup occupés au sein de cette commission en raison de l'intérêt de cette structure en matière d'accès au droit pour les francophones et les néerlandophones de Bruxelles, mais aussi en raison de l'étude scientifique en cours afin de définir si le modèle d'aide juridique qui est développé doit être étendu. Vous nous avez publiquement indiqué l'an dernier que vous attendiez le résultat d'une discussion entre le cabinet d'avocats Casa legal et les Ordres communautaires pour trancher. Cet engagement semblait conforme aux tableaux budgétaires qui sont repris aux douzièmes provisoires, puisque la ligne budgétaire reprenait un montant conforme au budget 2025 globalisé, en ce compris le subside attribué à Casa legal en 2025. Par ailleurs, aucune notification dans les tableaux accompagnant les douzièmes budgétaires ne laissait à penser que les sous-affectations de cette ligne y seraient modifiées et que Casa legal ne bénéficierait pas, comme les autres structures intégrant cette ligne budgétaire, des budgets dans le cadre des douzièmes provisoires. Or nous apprenons aujourd'hui que vous n'auriez pas l'intention d'attribuer ces montants dans le cadre des douzièmes provisoires à Casa legal. Madame la ministre, dire qu'il faut attendre un accord pour modifier le cadre actuel implique que les parties à l'accord continuent à exister lorsque celui-ci sera scellé. Or, sans subside pour le premier trimestre 2026, vous ne laissez aucune chance à la structure d'exister, ou alors vous lui mettez un fusil sur la tempe pour accepter n'importe quel arrangement qui lui permettra éventuellement de survivre. Une telle attitude est donc contraire à ce que vous avez déclaré ici, en commission. Cette attitude est également contraire aux douzièmes provisoires qui ne modifient en rien les affectations budgétaires entre 2025 et 2026, et donc laissaient à penser qu'un financement provisoire et temporaire, le temps d'un accord, serait acquis, à tout le moins au premier trimestre 2026. En conséquence, Casa legal a dû licencier une partie de son personnel et certaines personnes sont en préavis, un préavis qui ne court que jusqu'au mois de mars prochain. Dès lors, madame la ministre, ma question sera simple: entendez-vous octroyer ce subside ou souhaitez-vous simplement la faillite de l'ASBL Casa legal? Madame la Ministre, Vous avez déjà eu l'occasion à plusieurs reprises de vous prononcer sur le dossier « Casa Legal ». Toutefois, force est de constater que l'asbl et son équipe sont toujours dans une incertitude qui est de plus en plus difficile à supporter. Lors de la dernière réunion de notre commission, vous avez indiqué que la discussion concernant la subvention 2026 a été reportée au contrôle budgétaire de février-mars. Vous avez dans la foulée déclaré que nous sommes actuellement sous le régime des douzièmes provisoires jusqu'à la fin mars, et qu'il n'y avait pas beaucoup de budget disponible pour payer des subventions facultatives. Si, comme vous l'avez déclaré en commission, vous souhaitez que Casa Legal reste partie prenante aux négociations et à la réflexion avec les Ordres sur l'approche multidisciplinaire des justiciables, il est évidemment nécessaire que Casa Legal se maintienne en vie. Quelles garanties pouvez-vous annoncer aujourd'hui ? Les employées de Casa Legal méritent au minimum de la clarté sur la situation. Depuis le 1er janvier dernier, les équipes de Casa Legal naviguent en effet à vue, sans aucune perspective ni certitude sur leur financement et, donc, leur survie. Je souhaiterais donc vous entendre afin de clarifier certaines choses. Madame la Ministre, - Si nous sommes actuellement sous le régime des douzièmes provisoires comme vous l'avez signalé, alors Casa Legal devrait logiquement demeurer finançable sous ce système. Est-ce le cas ? Que pouvez-vous dire à ce sujet ? Casa Legal va-t-elle recevoir des financements en ce début d'année 2026 ? À concurrence de quels montants et selon quel calendrier ? Je vous remercie. Chers collègues, compte tenu des réponses récemment données concernant Casa legal, je concentrerai mon intervention sur le paiement de la subvention dans le cadre des douzièmes provisoires. Il n'est pas prévu d'octroyer de subsides facultatifs en 2026 avant qu'un budget définitif soit alloué, pour deux raisons. D'abord, les crédits provisoires du premier trimestre sont insuffisants pour payer l'avance de subsides facultatifs. Il est habituellement attendu que les crédits annuels soient disponibles pour octroyer un subside afin d'éviter de prendre des arrêtés d'octroi par trimestre, ce qui représenterait une charge administrative trop lourde. Deuxièmement, l'octroi de subsides facultatifs est sensible, compte tenu de la politique de désubsidiation reprise dans l'accord gouvernemental. Il convient dès lors d'attendre qu'un budget définitif soit édicté. En outre, si Casa legal est en mesure de remettre les pièces justifiant les dépenses que l'ASBL a effectuées en 2025 et qu'elles sont admises à hauteur du montant du solde de 2025, elle pourra recevoir ce dernier à brève échéance, ce qui épuisera presque en totalité les crédits provisoires disponibles au premier trimestre 2026. Madame la ministre, je suis désolé, mais vous parlez des subsides 2025. Moi, je vous parle de l'année 2026. Que les subsides 2025 soient consolidés et que des pièces justificatives soient transmises pour les justifier, c'est une chose. Et je pense que jusqu'à présent, les relations entre le SPF Justice et Casa legal ont toujours été bonnes. Tout ce qui leur a été demandé a été fourni et les subsides ont finalement été payés. Moi, je vous parle de 2026. Comment voulez-vous qu'une structure qui compte sur un financement puisse survivre sans trois mois de financement? Vous me dites qu'il n'y aura pas de subsides facultatifs. Est-ce à dire qu'il n'y a aucun subside facultatif qui est versé? Donc, a-t-on arrêté en réalité tous les intervenants en prison qui font de la santé mentale, qui font de la santé physique et qui font de la prévention? A-t-on arrêté l'ensemble des programmes pendant trois mois dans l'ensemble de la Belgique au prétexte que vous n'avez pas été en capacité, avec le gouvernement fédéral, de faire voter un budget de plein exercice avant l'échéance légale qui vous incombait? Le budget et le vote du budget ne relève pas de la responsabilité de ces structures associatives. C'était votre responsabilité gouvernementale de le faire adopter avant le 31 décembre 2025 par ce Parlement. Vous n'y êtes pas parvenue. Et au final, qui paye? Ces structures associatives, en ce compris Casa legal. On vous dit qu’il y a des licenciements et, finalement, l’impossibilité de pouvoir fonctionner jusqu’au mois de mars 2026 s’il n’y a pas de financement corrélatif qui leur est octroyé. Suite à cela, vous indiquez simplement "Circulez, il n’y a rien à voir. On verra quand le budget de 2026 sera pleinement adopté." Pour quand, madame la ministre? Quel horizon donnez ‑ vous à toutes ces structures associatives? La situation actuelle a sincèrement de quoi m ’ inqui é ter. Vous reportez la charge de votre responsabilit é de ne pas avoir fait adopter un budget sur la viabilit é de ces structures associatives; dans ce cas-ci, de Casa legal. C'est autant indigne qu’indécent. Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse, qui est évidemment inquiétante sur le fond, s’agissant d’une structure qui, sauf erreur, est loin d’avoir démérité au cours des années écoulées et a rendu des services particulièrement importants au fonctionnement de la justice. Comme mon collègue Aouasti, je souligne que cela vaut tant pour les procédures en français que pour les procédures en néerlandais, puisque c’était effectivement un enjeu de ce dossier au moment du lancement de la subvention. La réponse que vous donnez est donc particulièrement alarmante et ne semble pas faire grand cas de l’investissement humain consenti par les fondateurs de cette ASBL, par ceux qui l’ont fait vivre, ni de l’évaluation du projet en cours. Nous pouvons craindre que cette évaluation perde toute raison d’être en cas de faillite de l’ASBL Casa legal. Het verbod van een strafrechter om advocaten te laten pleiten In het Kriva Rochem-proces heeft een correctionele rechtbank beslist na de opening van de zitting om de debatten onmiddellijk te sluiten en een datum voor uitspraak vast te leggen. Geen van de partijen kreeg het woord: niet het OM, niet de verdediging. Volgens de rechtbank was zij voldoende ingelicht door de neergelegde conclusies. Reden? De advocaten zouden zich niet schikken naar de vastgelegde zittingsmodaliteiten, er was al eerder sprake van een zgn. “verstoring" en de redelijke termijn. Deze gang van zaken roept een fundamentele procesrechtelijke vraag op: mag een strafrechter het pleidooi verbieden en beslissen zonder mondeling debat? Dit roept ernstige vragen op m.b.t. het recht van verdediging, dat een fundamenteel beginsel vormt van onze rechtsstaat. Dit druist in tegen art. 190 Sv. dat het verloop van de zitting van een correctionele rechtbank regelt. Strafzaken worden in de openbare zitting behandeld en de advocaat en de beklaagde krijgen het woord om de verdediging voor te dragen. Met de Wet van 05/02/2016 werd in art. 152 Sv. de mogelijkheid ingevoerd om ook in strafzaken in conclusietermijnen te voorzien. Maar bij het invoeren van deze nieuwe optie werd door de wetgever meerdere keren herhaald dat het nemen van een schriftelijke conclusie op geen enkele wijze het recht op mondelinge pleidooien aantastte, een stelling die bevestigd werd door het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 /01/2021. Ook het Hof van Cassatie in haar arrest van 14/03/2023 is duidelijk: de rechter mag de pleitduur beperken maar een dergelijke beperking mag ook niet dermate zijn dat ze elk mondeling verweer feitelijk onmogelijk maakt. Ook het EHRM is duidelijk: een rechter mag de debatten sturen maar een categoriek pleitverbod in een strafzaak kan slechts bij hoge uitzondering en pas na een inhoudelijke en concreet gemotiveerde afweging. Collectief aan alle procespartijen het woord ontzeggen, de debatten onmiddellijk sluiten en de zaak meteen voor uitspraak stellen is moeilijk te verzoenen met de fundamentele waarborgen van art. 6 EVRM. Hoe beoordeelt de minister de verenigbaarheid van een dergelijk verbod met het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces? In welke uitzonderlijke omstandigheden kan een rechter volgens de geldende regelgeving of rechtspraak advocaten het pleiten ontzeggen? Is de minister bereid een initiatief te nemen om te waarborgen dat het pleitrecht van advocaten en de rechten van de verdediging ten volle worden gerespecteerd? Door de scheiding der machten kan ik als minister uiteraard geen uitspraken doen over beslissingen die genomen zijn in een lopende procedure. In het algemeen kan ik zeggen dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht op een openbare rechtszaak vermeldt. De verplichting om een openbare zitting te houden, is echter niet absoluut in alle zaken die onder het strafrechtelijke deel van artikel 6 vallen. De rechtspraak van het Hof vermeldt dat dit geldt vanwege de uitbreiding van het begrip ‘strafrechtelijke vervolging’ tot zaken die traditioneel niet onder het strafrecht vallen en die geen bijzonder schadelijk karakter hebben. De criteria die de weigering om een openbare rechtszaak te organiseren rechtvaardigen, zijn vastgelegd in 'Grande Stevens e.a. tegen Italië' van 2014. Indien de omstandigheden van de zaak geen feitelijke of juridische kwesties aan de orde stellen die niet op basis van het dossier alleen kunnen worden beslecht, kan de rechter afzien van een zitting om redenen van efficiëntie en procedurele zuinigheid. Dat is het geval in zaken waarin geen twijfel bestaat over de geloofwaardigheid of waarin geen controverse is over de feiten die aanleiding geven tot een debat over het bewijsmateriaal of tot een contradictoire hoorzitting van getuigen. Ook wanneer de verdachte bovendien voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zaak schriftelijk te verdedigen en de tegen hem aangevoerde bewijzen te betwisten, kan worden afgezien van een zitting. Uiteraard moet de weigering om een zitting te houden naar behoren worden gemotiveerd en mag die slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden. Dat is het kader, maar uiteraard spreek ik me niet uit over concrete zaken. Dank u wel, mevrouw de minister. Ik vroeg u niet zich uit te spreken over dit specifieke dossier, maar wel over de principes. U verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof, waarin gezegd wordt dat men zich in een aantal gevallen om redenen van efficiëntie en procedurele zuinigheid kan beperken tot de schriftelijke conclusies, maar slechts als absolute uitzondering. Hier heeft geen van de partijen het woord gekregen, noch het openbaar ministerie, noch de verdediging. De rechter zei voldoende ingelicht te zijn door de conclusies. Dat roept een aantal fundamentele procesrechtelijke vragen op. Ik verwijs bijvoorbeeld naar artikel 190 van het Wetboek van strafvordering, dat heel uitdrukkelijk bepaalt dat advocaat en beklaagde – alle beklaagden in een strafproces hebben immers ook spreekrecht – het woord moeten krijgen om zich te kunnen verdedigen. Mevrouw de minister, ik verwijs ook naar de bespreking hier in deze commissie, nu bijna tien jaar geleden, waarin het opstellen van conclusietermijnen ook in het strafrecht werd ingevoerd en waarin – u kunt dat nazien in de voorbereidende werken – heel uitdrukkelijk wordt gezegd dat het niet de bedoeling mag zijn dat de conclusietermijnen de pleidooien zouden vervangen. Nee, de advocaten en de beklaagden behouden het recht om ook mondeling toelichting te geven. Ik verwijs bijvoorbeeld ook naar een arrest van het Grondwettelijk Hof dat dat principe bevestigt. Ik verwijs naar een arrest – er zijn er meerdere – van het Hof van Cassatie. Mevrouw de minister, hier heeft men collectief het woord ontnomen aan alle advocaten, ook aan hen die op geen enkel ogenblik vertragingsmanoeuvres hebben ingeroepen. Los van het feit dat die vertragingsmanoeuvres misschien wel de voorzitter konden irriteren, mag dat er langs de andere kant niet toe leiden dat pleidooien zomaar bruusk worden verboden door een voorzitter die vindt dat dat geen enkele zin meer heeft. De vzw Het Huis Mevrouw de minister, in Kapellen werd deze maand een 32-jarige man neergeschoten nadat hij de politie bedreigde met een bijl. De man werd in levensgevaar overgebracht naar het ziekenhuis, maar overleed er iets later. De precieze redenen waarom de man met een bijl rondliep zijn niet bekend. Het parket meldde wel dat er elementen zijn die wijzen op intrafamiliaal geweld. De man kreeg een contactverbod met zijn ex opgelegd in december, maar mocht zijn kinderen nog steeds zien via een bezoekregeling bij vzw Het Huis. Dat roept opnieuw ernstige vraagtekens op. Er zijn namelijk nog steeds ernstige bezorgdheden over de veiligheid van die vzw. Er blijven immers berichten opduiken over gebrekkig toezicht ter plaatse, een gebrek aan controle op de vereiste alcohol- en drugstesten en het blinde vertrouwen dat familierechtbanken lijken te stellen in de verslaggeving van vzw Het Huis daarover. Ouders geven bovendien ook aan dat er geen inzage wordt gegeven in het huishoudelijk reglement van de vzw. Ik heb daarom een aantal vragen voor u. Kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot de opvolging van dit dossier? U stelde eerder dat u op 17 november een schriftelijk verzoek hebt gericht aan uw Vlaamse collega Zuhal Demir om de capaciteit van de bezoekruimtes bij de CAW's structureel uit te breiden. Hebt u daarop ondertussen een antwoord ontvangen? Zo ja, kunt u dat antwoord delen? Zo niet, zult u opnieuw aandringen op een structurele oplossing bij uw Vlaamse collega? Zijn er nog gesprekken geweest met de familierechtbanken die doorverwijzen naar Het Huis? Zo ja, hebt u daarbij de bezorgdheden die bestaan over de werking van de vzw doorgegeven en wat was de reactie van de familierechtbanken? Hebt u zelf al contact opgenomen met de vzw om hun werking nader te bekijken? Hebt u ondertussen nog andere signalen ontvangen die de werking van vzw Het Huis in vraag stellen? Zo ja, welke en welk gevolg werd eraan gegeven? Collega Van Hoecke, we hebben inderdaad al eerder over dit thema gesproken en ik wil dus ook verwijzen naar mijn antwoord op de vragen die u over deze vzw stelde in deze commissie van 21 oktober 2025 en 2 december 2025. Laat ik eerst en vooral nogmaals duidelijk herhalen dat het welzijn en de veiligheid van onze kinderen altijd de eerste prioriteiten moeten zijn. We kunnen niet toestaan dat ze terechtkomen in een context waar toezicht en professionaliteit zouden ontbreken. De samenwerking met vzw Het Huis is echter nodig vanwege de lange wachtlijst bij de neutrale bezoekruimtes van het CAW, waardoor vele gezinnen nog langer op ondersteuning zouden moeten wachten en het contactherstel tussen ouder en kind bijgevolg in het gedrang zou komen. Uiteraard dient de samenwerking nauwgezet te worden opgevolgd. Ik ben dan ook van mening dat alleen via een versterking van de CAW's gegarandeerd kan worden dat deze bezoeken plaatsvinden in een veilige, kindvriendelijke en deskundige omgeving. Mevrouw de minister, dit is toch niet echt serieus. Ik heb u vijf zeer concrete vragen gesteld. U hebt de vorige keer in de commissie gezegd dat u een schriftelijk verzoek hebt gericht aan een collega-minister. Dan lijkt het mij toch niet meer dan logisch dat wij ook mogen weten of u daar een antwoord op hebt ontvangen. Als u daar geen antwoord op hebt ontvangen, lijkt het me gepast om dat verzoek opnieuw tot uw collega te richten. U kunt immers wel zeggen dat de veiligheid en het welzijn van onze kinderen de absolute prioriteiten zouden moeten zijn. Als dat effectief zo is voor u, dan verwacht ik toch dat u als minister van Justitie iets doet, dat u ook iets meer klaarheid schept over wat u zult ondernemen en over wat u onderneemt. Dat dossier sleept al aan sinds 2023. Wij weten nu al jaren dat er bij die vzw iets schort, dat er gebrekkig toezicht is en dat er steeds meer signalen zijn dat er heel wat fout loopt. Dan meen ik dat u de verantwoordelijkheid hebt om ook effectief in te grijpen. Zoals bij vele andere vragen antwoordt u steeds met een algemeen, nietszeggend statement. Dat getuigt van zeer weinig respect voor al die ouders wier kinderen naar vzw Het Huis worden gestuurd en die zich ernstige zorgen maken. U antwoordde ook niet op de vraag of u nog signalen ontvangt over de werking van de vzw, of er inderdaad nog meer zaken fout lopen. U antwoordde niet op de vraag of u al contact hebt opgenomen met de vzw om die werking nader te bekijken, of dat u met de familierechtbanken hebt gesproken, die blijven doorverwijzen naar die vzw. Ik kom tot het belangrijkste. U zegt dat alleen via een versterking van de CAW's een structurele oplossing kan worden bereikt. Kunt u dan minstens antwoorden op de vraag wat u hebt gedaan om verder contact op te nemen met uw collega’s in de Vlaamse regering om dit probleem echt aan te pakken? Ik vind het echt ontzettend bedroevend dat u op geen enkele van mijn vragen antwoordt. Het wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen voor de terugkeer van gedetineerden In de begrotingsnotificaties, die ik even heb doorgenomen, staat te lezen dat aan de minister van Mobiliteit wordt gevraagd om, in het kader van het whole-of-governmentprincipe uit het regeerakkoord en het actieplan 'Terugkeer van gedetineerden', een plan uit te werken met het oog op het zoveel mogelijk wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen die een impact hebben op het aantal overbrengingen door Justitie. Dat zou zijn gebeurd in samenspraak met de minister van Justitie, met uzelf en met de minister van Asiel en Migratie. De opgegeven deadline hiervoor was 15 december 2025. Volgens de begrotingsnotificaties zou het plan ook worden besproken binnen de taskforce 'Overbevolking gevangenissen'. Ik heb daarover een aantal vragen. Kan u een meer algemene toelichting geven bij deze passage en bij de inhoud van dat plan? Werd de deadline van 15 december volledig gehaald voor de finalisering van het plan? Is dat plan ondertussen ook al besproken binnen de taskforce overbevolking gevangenissen en wat leverde die bespreking concreet op? Welke beperkingen, die een impact hebben op het aantal overbrengingen, zullen concreet worden weggewerkt met dat plan? Welk tijdschema werd daarvoor vooropgesteld en hoe zal dat in de praktijk worden uitgewerkt? Welke beperkingen door luchtvaartmaatschappijen bestaan er vandaag nog steeds die niet onder de reikwijdte van dat plan vallen en hoe zal dit verder worden opgevolgd? Collega, de passage waar u naar verwijst kadert inderdaad binnen de whole-of-governmentbenadering uit het regeerakkoord en het actieplan 'Terugkeer'. Dat betekent dat alle betrokken partners structureel samenwerken om de terugkeer van personen zonder verblijfsrecht efficiënter te organiseren en om de overbrengingen te faciliteren. De contouren van het actieplan en de algemene doelstellingen liggen vast, terwijl de uitvoering continu wordt opgevolgd via overlegstructuren en bilaterale contacten tussen de betrokken administraties en beleidscellen. Waar nodig wordt steeds bijgestuurd. Samen met mijn collega, de minister van Asiel en Migratie, is het onze prioriteit om zoveel mogelijk gedetineerden zonder verblijfsrecht van het grondgebied te verwijderen en het aantal overbrengingen te verhogen. Het plan waar u naar verwijst kadert volledig binnen die doelstelling, aangezien ook de luchtvaartmaatschappijen daarbij een belangrijke rol spelen. Voor dat aspect is ook mijn collega, de minister van Mobiliteit, bevoegd. In de praktijk beperken sommige luchtvaartmaatschappijen immers het aantal terugvluchten per week of bemoeilijken zij het werk van de politie die belast is met de begeleiding van gedetineerden. Het doel is om met die luchtvaartmaatschappijen in overleg te gaan om het aantal terugkeerders, uitwijzingen van illegale gedetineerden en overbrengingen aanzienlijk te verhogen. Deze week staat nog een verdere vergadering gepland met de bevoegde beleidscellen en diensten, met het oog op het uitwerken van een concreet plan in dat kader. De wet-Quintin waarmee men organisaties wil verbieden Madame la Ministre, Nous avons appris par la presse que le Conseil d’État avait rendu un avis critique sur le projet de loi du ministre Quintin visant à interdire certaines organisations. Cet avis ne porte pas uniquement sur des aspects techniques, mais remet en cause l’équilibre entre le pouvoir exécutif et le pouvoir judiciaire tel qu’il était prévu dans le projet initial. À la suite de cet avis, le ministre Quintin a indiqué vouloir modifier son approche. Le gouvernement n’aurait plus le pouvoir d’interdire définitivement une organisation par voie administrative, cette décision relevant désormais du pouvoir judiciaire. Le gouvernement conserverait toutefois la possibilité de suspendre administrativement une organisation ou d’interdire certaines activités dans l’attente d’une décision judiciaire. Je souhaiterais dès lors vous poser les questions suivantes : Êtes-vous satisfaite du fait que, à la suite de l’avis critique du Conseil d’État, le gouvernement ait dû renoncer à la possibilité d’une interdiction administrative définitive et confier cette compétence aux tribunaux ? Compte tenu des pénuries structurelles auxquelles la justice est aujourd’hui confrontée, comment le gouvernement entend-il éviter que des mesures administratives dites temporaires ne produisent, dans les faits, des effets durables avant qu’un juge de fond n’ait pu se prononcer ? Des moyens supplémentaires sont-ils prévus pour le SPF Justice afin de permettre un traitement rapide de ce type de dossiers ? En tant que ministre de la Justice, estimez-vous que les notions utilisées dans ce projet de loi, et notamment celle d’« organisation radicale », offrent aujourd’hui une sécurité juridique suffisante, tant pour les organisations concernées que pour les magistrats appelés à se prononcer ? Êtes-vous favorable à ce que votre département reprenne formellement la coordination de ce dossier, au vu de son impact direct sur les droits fondamentaux et sur le fonctionnement de la justice ? Qui sera chargé de rédiger le prochain avant-projet de loi et, s’il est approuvé par le Conseil des ministres, qui en assurera la présentation et la défense au Parlement : vous-même ou le ministre Quintin ? Enfin, pouvez-vous nous préciser le calendrier envisagé pour la suite de ce dossier ? Je vous remercie Madame la Ministre pour vos réponses. Collègue Ribaudo, j'ai pris connaissance des articles de presse. À ce stade, j'attends d'être contactée par le ministre de l'Intérieur, à l'initiative de ce projet, afin de voir quelle suite lui donner et d'établir un calendrier. En parallèle, je peux vous informer que mon administration examine actuellement l'avis du Conseil d'État. Pour le reste, je vous renvoie vers le ministre de l'Intérieur, qui sera plus à même de répondre à votre question. Comme votre collègue ne vous a pas encore contactée, je vais me glisser dans cet entre-deux pour vous susurrer notre avis. Tout d'abord, je voudrais rappeler un fait politique simple, à savoir que le gouvernement a reculé après l'avis critique du Conseil d'État sur la loi Quintin et sous la pression de nombreuses organisations de la société civile, que ce soient des syndicats, des juristes, des défenseurs des droits humains, et de l'opposition. C'est une première victoire démocratique, mais ce n'est qu'une première victoire parce que, sur le fond, la loi Quintin reste profondément problématique. Hier encore, en commission, le ministre Quintin expliquait, après une question que je lui avais posée, que ce texte visait "à mettre hors d'état de nuire des groupements qui, de manière répétée, organiseraient des activités ou des événements dont les discours incitent à l'exclusion ou la déshumanisation de certains groupes de population, en fonction de leur origine, de leur religion ou de l'orientation sexuelle". Madame la ministre, ce n'est pas vous que je dois convaincre du fait que la justice dispose déjà de tous les outils nécessaires pour poursuivre et condamner ce type de comportements lorsqu'ils sont avérés. La question se pose. Si des outils existent déjà, pourquoi ce projet? Pour museler la contestation. Le gouvernement, même avec ce recul, garderait le pouvoir de suspendre administrativement des organisations ou d'interdire des activités dans l'attente d'une décision judiciaire qui peut prendre du temps, vu l'état actuel de la justice. L'Institut Fédéral des Droits Humains (IFDH) a d'ailleurs clairement expliqué qu'en Belgique, nous assistons à une érosion de l'état de droit, notamment à cause du recours croissant à des sanctions administratives, sans l'intervention préalable d'un juge. Ici, nous sommes dans ce cas-là. Ce projet repose aussi sur une notion floue et dangereuse, celle "d'organisation radicale". Il s'agit d'une notion vague, large et floue. Avec une définition aussi floue, la suspension ou l'interdiction peuvent très vite servir à criminaliser la protestation sociale, et ce n'est pas théorique. On l'a déjà constaté, par exemple lorsque le gouvernement flamand a retiré des subsides il y a quelques semaines à des associations de la société civile en raison de leur position sur la Palestine, notamment. Voyons aussi ce qu'il se passe au Royaume-Uni. Tout cela constitue une menace majeure pour nos droits démocratiques et c'est pour cela que, pour nous, la loi Quintin ne doit pas être amendée à la marge, mais doit être abandonnée. Je continuerai donc à vous interroger sur ce dossier. De inzet van privébewaking en cipiers zonder diploma in de gevangenissen Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag. De gevangenissen in dit land zitten niet alleen overvol, het Gevangeniswezen wordt ook al jarenlang geplaagd door een tekort aan zogenaamde penitentiair beambten. Volgens vakbondslieden is momenteel sprake van een tekort van maar liefst 418 cipiers. Om hieraan tegemoet te komen overweegt de minister de inzet van private veiligheidsfirma's in de gevangenissen. Die privébewakers zouden dan de “contactloze bewakingsopdrachten" en “onthaalfuncties" in de gevangenissen uitvoeren. De cipiersvakbonden verzetten zich tegen het plan. Volgens hen zijn er niet alleen juridische, maar ook praktische bezwaren. “Om sommige van die zogenaamde contactloze bewakingsopdrachten uit te voeren, moet je naar ruimtes diep in de gevangenis. Om dat allemaal veilig te laten verlopen én om daar te geraken, moet je ook alle veiligheidsprocedures goed kennen. En wat met de onthaalfuncties? Willen we dat privébewakers elke dag zien wie er in en uit de gevangenis gaat?" Daarnaast zou de minister bekijken of voor sommige jobs in de gevangenis van de diplomavereisten kan worden afgeweken, dan wel of er bijkomende kandidaten kunnen worden gevonden voor een job door de functie toegankelijk te maken voor burgers van andere EU-lidstaten. De vakbonden reageren kritisch: “Verlinden zou beter het statuut én de aantrekkelijkheid van de job van cipier fors verbeteren, in plaats van veel heil te verwachten van deze halve maatregelen." Naast een aantal praktische bezwaren zouden er volgens de vakbonden ook juridische bezwaren zijn tegen inzet van de privébewakers in de gevangenissen. Heeft de minister reeds onderzocht of de inzet van privébewakers in de gevangenissen juridisch haalbaar is? Wat is de reactie op de praktische bezwaren die door de vakbonden werden geformuleerd? Daar waar uw voorganger heel veel beloftes maakte en niet nakwam bent u veeleer de minister van “onderzoeken". Hebt u een idee wanneer dit onderzoek zal leiden tot resultaten? En wanneer wenst u deze resultaten te implementeren in de gevangenissen? Zou het niet efficiënter en beter zijn om eindelijk werk maken van een beter statuut voor de cipiers? Welke maatregelen gaat ze daartoe ondernemen? Wanneer mogen we desbetreffend eindelijk resultaten verwachten? Collega Dillen, de administratie onderzoekt deze piste in lijn met het regeerakkoord. Die werd eind 2025 ook met de vakbonden besproken. De bezwaren die door de vakbonden naar voren werden geschoven, worden momenteel onderzocht en er wordt nagegaan of en hoe die verholpen kunnen worden. Dit is geen vrijblijvende studieoefening, want de opening van onder meer de nieuwe gevangenis in Antwerpen, waar we de private bewaking zouden kunnen inzetten, heeft een duidelijke doelstelling en een timing die gekoppeld is aan de geplande opening van de gevangenis en dus het rekruteren van voldoende personeel. De uitbesteding van bepaalde taken aan een bewakingsonderneming vormt een pragmatische en tijdelijke maatregel die erop gericht is de geplande opening van de gevangenis mogelijk te maken, veiligheidsrisico’s zoals ontsnappingen of incidenten te voorkomen en veilige arbeidsomstandigheden voor het personeel binnen de instelling te waarborgen. De uitbesteding is uitsluitend gericht op taken zonder contact met gedetineerden, zoals toegangscontrole en perifere bewaking. In totaal gaat het over maximaal 10 % van het kader dat door private bewakingsagenten kan worden ingevuld. De kerntaken van detentie, toezicht op gedetineerden en uitvoering van straffen, blijven dus volledig in handen van de overheid. Daarover bestaat geen twijfel. Private bewakingsagenten vallen in elk geval onder de strikte toepassing van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Dit wettelijk kader legt strenge voorwaarden op inzake vergunningen, persoonlijke vereisten, opleiding en discretieplicht. Bewakingsondernemingen moeten bovendien beschikken over een voorafgaande machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken die om de vijf jaar moet worden vernieuwd, wat een hoog niveau van controle en veiligheid waarborgt. Indien bijkomende wetgevende initiatieven nodig zijn om de inzet van private bewakingsfirma’s mogelijk te maken, zullen die ook in de loop van de komende maanden aan het Parlement worden voorgelegd. Ik heb uiteraard begrip voor de vragen en bezorgdheden van de vakbonden. Het is een nieuw initiatief en het is logisch dat het personeel zich afvraagt hoe dit concreet zal verlopen. Net daarom wordt in het bestek heel duidelijk vastgelegd welke taken wel en niet worden uitbesteed, hoe de operationele samenwerking verloopt en hoe veiligheid en kennis van procedures worden gegarandeerd. We hebben bovendien al ervaring met private partners binnen justitie, onder meer in justitiepaleizen. Die samenwerking verloopt in de praktijk correct en gecontroleerd en dat neemt niet weg dat dit traject verder in overleg met het personeel zal worden uitgewerkt. Laat mij ook duidelijk zijn: het inzetten van private bewaking staat niet op zichzelf. U verwijst terecht naar de nood aan een aantrekkelijker statuut voor penitentiaire beambten en ook daar zet ik bijzonder hard op in. Mevrouw de minister, u werpt op dat privépartners ook al elders bij Justitie worden ingezet, bijvoorbeeld in de justitiepaleizen. Ik neem aan dat u het hebt over de toegangscontroles in de justitiepaleizen waar al een scanstraat is. Dat mag men echter niet vergelijken met de functie van cipier, van penitentiaire beambte. U zegt dat er al overleg is gepleegd met de vakbonden. Ik kan alleen maar vaststellen dat de vakbonden onmiddellijk negatief hebben gereageerd en zich verzetten tegen uw plan op grond van juridische en praktische bezwaren. Ik kan hen alleen maar steunen in hun pleidooi om hun statuut aantrekkelijker te maken en te verbeteren in plaats van dat u dergelijke maatregelen neemt. De situatie in Iran Madame la ministre, depuis plus de deux semaines, des Iraniennes et des Iraniens clament leur liberté et manifestent dans toutes les villes d'Iran. Aujourd'hui, nous devons constater que des Belges ou des Iraniens établis sur notre territoire s'inquiètent pour les membres de leur famille restés en Iran. En effet, suite aux premières manifestations, internet a été coupé, rendant difficile voire impossible tout contact entre membres d'une même famille. Cette coupure s'accompagne malheureusement de répression violente et de morts. Sans entrer dans des considérations diplomatiques, il apparaît aussi important, je pense, de pouvoir assurer la sécurité des Belges d'origine iranienne et des Iraniens qui sont sur le territoire belge. Ils sont, pas seulement depuis les récents événements, mais comme nous avons pu le voir suite à l'assassinat de Mahsa Amini et aux manifestations qui ont suivi, la cible du régime iranien sur le sol belge ou européen, ou ils sont utilisés comme levier pour faire pression sur les familles qui résident toujours en Iran. À travers les services sur lesquels vous avez la tutelle, que ce soit le parquet fédéral, le parquet général, l'OCAM ou la Sûreté de l'État, je pense qu'il y a une nécessité de ne pas laisser les choses aller et de veiller à ce que la sécurité de nos ressortissants belges d'origine iranienne ou des ressortissants iraniens établis sur le territoire belge soit absolument assurée. Dans ces circonstances, madame la ministre, pourriez-vous m'indiquer si des dispositifs particuliers sont mis en place au niveau de ces instances afin de monitorer les mouvements potentiels de dignitaires iraniens et de protéger les Belges et les Iraniens établis sur notre territoire? Monsieur Aouasti, la Sûreté de l'État, par ses propres activités et en étroite collaboration avec ses partenaires nationaux et étrangers, observe en permanence les possibles répercussions sécuritaires pour la Belgique, ses citoyens et les intérêts belges au sens large, générées par les foyers d'instabilité dans le monde. La situation actuelle en République islamique d'Iran ne fait pas exception. Sans pouvoir en détailler la nature ou l'ampleur, la Sûreté de l'État mène diverses activités opérationnelles et d'analyse en vue de déterminer, de dissuader et de réduire la menace pesant sur les résidents belges, et notamment les Iraniens établis sur notre territoire. Cela concerne en effet des situations dites de répression transnationale, lorsque des individus et des entités font l'objet de tentatives d'activités clandestines hostiles de la part de leur pays d'origine, ou des situations de mise sous pression directe ou indirecte par les autorités de leur pays d'origine. L'utilisation de délégations officielles comme possible couverture à des activités clandestines fait également l'objet d'une attention spécifique de la part de la Sûreté de l'État. Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse. Je ne vais pas vous demander de rentrer dans les détails opérationnels, mais je suis rassuré de constater que cette intention est bel et bien là. Souvenez-vous qu'à la suite de la visite du maire de Téhéran, des personnes ont, sous couvert de délégations officielles comme vous le dites, pris en photo des manifestants belges d'origine iranienne ou des Iraniens, ici sur le territoire bruxellois, pour exercer des pressions sur ces personnes, les utiliser comme levier, faire pression sur leur famille ou encore les menacer directement ou indirectement. Nous savons que les services secrets iraniens ont mené des opérations clandestines sur le territoire européen en vue d'enlever, voire d'assassiner des personnes. Dans le cadre de la fébrilité actuelle du régime iranien, qui fait face à une contestation nationale visant à le faire chuter, je marque tout mon soutien à la population iranienne. Il est plus que nécessaire que les voix qui peuvent s'exprimer ici soient absolument protégées de toute menace – physique ou autre – et que leur sécurité puisse être assurée par nos services. La réunion publique de commission est levée à 19 h 03. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.03 uur.

Commissievergadering op 14 januari 2026

⚖️ Commissie Justitie

Van 17h51 tot 19h03 (1 uur en 12 minuten)

12 vragen

Voorgezeten door

Les Engagés Ismaël Nuino

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

De aanpak van veelplegers die illegaal in het land verblijven

Gesteld door

MR Victoria Vandeberg

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Marijke Dillen bekritiseert de haastige inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek op 8 april, wijzend op onvoltooide wetgeving, gebrek aan opleidingen, verouderde IT-systemen en risico’s op rechtsongelijkheid door niet-afgestemde procedures. Ze betwijfelt of de deadline haalbaar is en pleit voor uitstel om chaos te voorkomen, gesteund door een motie die een grondige risicoanalyse en prioritaire oplossingen eist. Minister Verlinden benadrukt dat Justitie alles doet om de deadline te halen, met zeven harmonisatiewetsontwerpen (vijf ingediend), extra ICT-budgetten en opleidingen via het IGO, maar geeft geen absolute garantie. Ze erkent afhankelijkheid van andere departementen en wijst op noodoplossingen zoals het conversiemechanisme (art. 78) en retroactieve toepassing van mildere straffen (art. 2). Praktijkgetuigenissen (o.a. van strafpleiters en politie) bevestigen skepsis: dubbele werklast (oud/nieuw systeem), onvoldoende detentiecapaciteit voor illegale recidivisten (waardoor ze vaak vrijgelaten worden), en gebrek aan vertrouwen in de voorbereiding. Dillen concludeert dat uitstel beter is dan een geforceerde, problematische invoering. Victoria Vandeberg kritiseert bovendien het systeemfalen bij illegale veelplegers, waar justitie en vreemdelingenbeleid elkaar blokkeren door celtekort en gebrek aan alternatieven (bv. enkelbanden zonder vaste woonplaats), wat straffeloosheid in de hand werkt. Verlinden nuanceert de cijfers (30% gevangenen zonder verblijfsrecht) en wijst naar bevoegdheidsverdeling (Asiel & Migratie), maar belooft samenwerking aan versnelde terugkeer.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, het nieuwe Strafwetboek moet binnenkort, op 8 april, volledig in werking treden, twee jaar na de publicatie in het Staatsblad. Het heeft een aanzienlijke impact op magistraten, advocaten en andere rechtspractici. Voordat de inwerkingtreding ervan probleemloos kan verlopen, moeten er nog enkele obstakels worden weggewerkt. Zo liggen er verschillende wetsontwerpen ter bespreking in onze commissie, onder andere met het doel de wethoudende voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering te wijzigen en de wet betreffende de voorlopige hechtenis aan te pakken. Daarnaast is er een wetsontwerp dat de nodige wijzigingen bevat om een deel van de federale wetgeving die onder de bevoegdheid van Justitie valt, af te stemmen op de nieuwe beginselen die door het Strafwetboek worden ingevoerd.

Het is absoluut niet duidelijk, mevrouw de minister, of de bespreking van al die wetsontwerpen – want het zijn er inmiddels nog meer geworden – volledig zal zijn afgerond tegen 8 april.

Een grondige hervorming van het Wetboek van Strafvordering is eveneens belangrijk voor een degelijke inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek. Naar aanleiding van de bespreking in onze commissie opperden alle deskundigen herhaaldelijk dat beide hervormingen gelijktijdig zouden moeten ingaan, wat helaas niet het geval zal zijn. Ook de Orde van Vlaamse Balies was hierover duidelijk: "Het is essentieel om procedurele hervormingen gelijktijdig met materiële hervormingen te behandelen, gezien deze nauw verbonden zijn."

Oude verwijzingen en procedures kloppen niet met de nieuwe straffen en structuur en rechters en parketten moeten daardoor tegelijkertijd met twee logica’s werken. Dat leidt tot rechtsongelijkheid bij de toepassing. Daarnaast moeten diverse andere knelpunten worden aangepakt.

Steeds vaker, mevrouw de minister, rijst de vraag of Justitie tijdig zal klaar zijn voor een probleemloze inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek dan wel of er nu al gedacht wordt aan een uitstel. Daarom heb ik enkele vragen. Welke garanties kunt u geven dat het nieuwe Strafwetboek probleemloos in werking zal treden op 8 april? Bent u er zich van bewust dat er op het terrein nog diverse knelpunten zijn? Kunt u een overzicht geven van al die knelpunten?

Moeten er buiten de bevoegdheid van Justitie ook in andere departementen initiatieven worden genomen om bestaande wetgeving te harmoniseren met de nieuwe beginselen en terminologie van het Strafwetboek? Zo ja, kunt u daarvan een overzicht geven en hoe ver staat het met die noodzakelijke initiatieven?

Ten derde, een knelpunt is het gebrek aan voldoende opleidingen en voorbereiding van magistraten, advocaten, griffiers en politie. Dat kan onder meer leiden tot een foutieve toepassing van straffen, interpretatieproblemen bij vonnissen en vertraging in de rechtspraak. Welke initiatieven hebt u genomen met het oog op voldoende opleiding en ondersteuning, uiteraard voor de beroepsgroepen die onder uw bevoegdheid vallen?

Ten vierde, Justitie werkt met verouderde IT-systemen of met IT-systemen die in de praktijk veel te wensen overlaten. Dat is duidelijk gebleken uit het rapport over de digitalisering van Justitie van het Rekenhof. De nieuwe codificatie vereist onder meer een aanpassing van juridische databanken en een update van de software van parketten, rechtbanken en politie. De vraag rijst dan ook of de digitale systemen waarmee Justitie vandaag werkt, wel klaar zijn voor een vlotte toepassing van het Strafwetboek. Kunt u daarover meer toelichting geven? Hebt u inmiddels initiatieven genomen om te zorgen voor de noodzakelijke ICT-aanpassingen van alle justitiële platformen? Zijn daarvoor voldoende budgetten uitgetrokken?

Ten vijfde, de kans is reëel dat de nieuwe regels zullen zorgen voor meer werkdruk. Hoe hebt u er met aanwervingen voor gezorgd dat er voldoende magistraten en griffies ter beschikking zijn om de hogere werkdruk op te vangen, uiteraard gekoppeld aan de nodige middelen?

Er rijzen, ten slotte, ook vragen over de overgangsregeling. Hebt u duidelijke overgangsbepalingen en richtlijnen voor de magistraten uitgewerkt?

Annelies Verlinden:

Sinds mijn aantreden als minister heb ik samen met heel veel partners alles in het werk gesteld om het nieuwe Strafwetboek, boek 1 en 2, goedgekeurd op 29 februari 2024, in werking te doen treden op 8 april, zoals vooropgesteld. Om die reden hebben we in de regering al geruime tijd aangedrongen op de bevestiging van de timing van de inwerkingtreding, zodat alle betrokkenen hetzelfde tijdsperspectief voor ogen konden houden.

De administratie van de FOD Justitie heeft sinds ik in 2025 aantrad, haar werkzaamheden met het oog op de inwerkingtreding sterk geïntensiveerd. Daarbij werd ook rekening gehouden met het regeerakkoord, dat uitging van de geplande datum van de inwerkingtreding.

Op het niveau van de FOD Justitie is gezorgd voor een degelijke voorbereiding en een efficiënte planning om de beleidsdoelstellingen te realiseren. Zo is het directoraat-generaal Wetgeving bij de FOD Justitie sinds de publicatie van de wetten in februari 2024 gestart met de voorbereiding van de vereiste harmonisatiewetgeving, die hier al herhaaldelijk werd besproken. Inmiddels zijn op het vlak van wetgeving zeven voorontwerpen van wet voorbereid met het oog op de harmonisatie van de bijzondere wetgeving die geheel of gedeeltelijk tot de bevoegdheid van Justitie behoort, evenals tot de wijziging van de wetten van 29 februari 2024 tot invoering van boek 1 en 2. Daarvan zijn vijf wetsontwerpen al ingediend in het Parlement. Twee andere zijn nog in voorbereiding, die we hopen in de nabije toekomst te kunnen indienen.

Ik onderstreep dat naast de FOD Justitie ook de andere federale departementen, evenals de collega’s op deelstaatniveau, wetgevende initiatieven hebben genomen om de wetgeving die tot hun bevoegdheid behoort, aan te passen aan de principes van het nieuwe Strafwetboek. Om dat te kaderen, heeft de FOD Justitie een brief met richtlijnen bezorgd aan de andere federale departementen en deelstaatdepartementen, met als doel de harmonisatie van de geldende regelgeving met het nieuwe Strafwetboek te verzekeren. De FOD ondersteunt die departementen ook bij de voorbereiding van hun harmonisatiewetgeving.

We kunnen erop wijzen dat, bij het ontbreken van een tijdig wetgevend kader, kan worden teruggevallen op het conversiemechanisme van artikel 78.

Wat uw vraag betreft over de opleiding en voorbereiding van het gerechtspersoneel, het Instituut voor Gerechtelijke Opleiding (IGO) voorziet in opleidingen en die worden gegeven door experten van de Commissie tot hervorming van het strafrecht.

Wat uw vraag betreft over de noodzakelijke ICT-aanpassingen bij Justitie, al vóór het rapport van het Rekenhof over de digitalisering van Justitie werden al maatregelen genomen om de ICT-systemen waar nodig te moderniseren en de achterliggende technologieën op te waarderen. Door de vele nieuwe uitdagingen op ICT-gebied, onder meer inzake cyberveiligheid en gegevensbescherming, liggen de kosten voor een gestructureerd, modern en veilig ICT-beheer veel hoger dan in het verleden.

In de regering verkreeg ik dan ook extra middelen, waarvan een deel gaat naar een substantiële verhoging van de financiering van de ICT-projecten en diensten voor de volgende jaren.

Daarbovenop komt inzake de digitalisering nog de impact van het nieuwe Strafwetboek, dat in werking treedt op 8 april. Daarvoor werden bij de diensten van de FOD de impact van de nieuwe codificatie op de thans gebruikte applicaties geïnventariseerd. De impactanalyse en de hieruit volgende projecten voor aanpak van applicaties en databanken gebeuren in volledige en dagelijkse samenwerking met de hoven en rechtbanken, het openbaar ministerie, de penitentiaire instellingen en de partnerorganisaties zoals de federale politie.

Daarvoor werd in een transversale aanpak voorzien, waarbij de vele applicatiegroepen en de betrokken externe partners per applicatie werken, maar de aansturing centraal gebeurt. Waar nodig werd binnen het werkingsbudget van de FOD Justitie voorzien in bijkomende budgetten, indien de beschikbare werkingsbudgetten per applicatie niet volstaan.

De FOD doet al het mogelijke om tijdig klaar te geraken met de aanpassingen van de ICT-applicaties die geïmpacteerd worden door het nieuwe Strafwetboek. De behoeften aan bijkomend personeel worden voortdurend geëvalueerd en er zal, zo nodig en waar mogelijk, tegemoet worden gekomen aan de behoeften. Zo wordt in het kader van de totstandkoming van het tijdelijk wettelijk kader inzake strafuitvoering nu al voorzien in een personeelsversterking.

De grondleggers van het nieuwe Strafwetboek hebben uiteraard stilgestaan bij het vraagstuk over de werking in de tijd van het nieuw Strafwetboek. Doordat artikel 2 van het Strafwetboek 2024 milder is dan artikel 2 van het Strafwetboek van 1867, moet artikel 2 retroactief worden toegepast op feiten gepleegd vóór 8 april 2026. Bovendien blijkt uit de tekst en de memorie van toelichting bij artikel 2 duidelijk de wil van de wetgever om bij wijziging in de strafwet straf per straf en bepaling per bepaling in concreto te beoordelen of de nieuwe regel zwaarder of milder is dan de oude. De wetgever heeft ervoor gekozen niet in overgangsbepalingen te voorzien, hoewel hij uitdrukkelijk aandacht heeft geschonken aan de algemene principes omtrent de werking van de strafwet in de tijd door wijzigingen aan te brengen in artikel 2.

Ik verwijs ook naar de al in de doctrine verschenen uitvoerige bijdragen, waarin gedetailleerde richtsnoeren staan die uitgaan van de experts van de Commissie tot hervorming van het strafrecht.

Marijke Dillen:

Dank u vriendelijk, mevrouw de minister, voor uw uitgebreide antwoord. Ik heb echter geen duidelijke ja gekregen op mijn vraag of u garandeert dat 8 april zal worden gehaald.

Verschillende wetsontwerpen – er zijn al een aantal toegelicht – moeten hier in deze commissie nog besproken worden. Misschien zullen er vragen om advies of hoorzittingen komen, wat in deze commissie gebruikelijk is. Ik hoor ook van u dat er nog twee wetsontwerpen in voorbereiding zijn. Ik wil niet negatief denken, mevrouw de minister, maar ik denk dat 8 april heel moeilijk haalbaar is. We hebben ondertussen ook nog de krokusvakantie in februari, waardoor we weer een week zullen verliezen. Ik vrees dus dat men zich in de praktijk moet voorbereiden op een uitstel.

Wat de andere departementen betreft, zegt u dat justitie ondersteuning biedt om ervoor te zorgen dat ook zij in orde geraken met de aanpassing van de materies die onder de respectieve departementen vallen. Ik heb echter geen overzicht gekregen van welke departementen al in orde zijn en welke nog werk voor de boeg hebben.

Wat de ICT-kosten betreft, mevrouw de minister, weten we allemaal dat die veel hoger liggen dan in het verleden. Dat begrijpen we ook. Op het terrein moet trouwens nog heel veel worden hersteld om een goede werking van de ICT te verzekeren. U hebt bijkomende middelen gekregen, maar werden er al projecten opgesteld om ervoor te zorgen dat die aanpassing kan gebeuren?

Ik stel vast, mevrouw de minister, dat men er in de praktijk van uitgaat dat 8 april niet gehaald zal worden. Ik heb gesproken met een aantal strafpleiters die zeer regelmatig grote en kleinere strafzaken behandelen in Antwerpen. Ik beperk mij daartoe, omdat ik daar ervaring heb. Ik krijg er regelmatig de boodschap dat men ofwel de zaken beter op lange termijn kan uitstellen, zodat er duidelijkheid is, ofwel van de zetelende magistraat de opdracht krijgt zich voor te bereiden op de twee scenario’s: zowel de toepassing van het oude als die van het nieuwe Strafwetboek. U hebt het zo-even zelf ook gezegd: voor sommige misdrijven is de straf in het oude systeem hoger of lager dan in het nieuwe systeem.

Ik rond af, mevrouw de minister. U hebt gezegd dat u al het mogelijke doet om het in orde te brengen, maar een garantie is er niet. Ik zal het blijven opvolgen. Het is wel beter om te zorgen voor een uitstel, zodat het Strafwetboek op een goede en grondige manier in werking kan treden in plaats van vlugvlug op 8 april te starten, om dan in praktijk te worden geconfronteerd met talrijke problemen en moeilijkheden.

Tot slot, voorzitter, heb ik een motie ingediend.

[NL]Moties

[FR]Motions

Voorzitter:

[MNF01/]

[NL]Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

[FR]En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

[NL]Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen

en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee,

- overwegende dat er nog tal van obstakels moeten overwonnen worden vooraleer het nieuwe strafwetboek in april in werking zal kunnen treden;

- overwegende dat tal van experten er bij de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek op gewezen hebben dat de termijn tussen de publicatie in het Staatsblad en de effectieve inwerkingtreden – 2 jaar – veel tekort was;

- overwegende dat er op heden niet alleen tal van juridische knelpunten zijn – den ken we maar aan tal van regelgeving die nog niet compatibel is met het nieuwe Strafwetboek – maar ook praktische bezwaren zijn waaronder onder meer het gebrek aan voldoende opleidingen voor de staande en zittende magistratuur;

- overwegende dat daarnaast ook openlijk de vraag dient gesteld te worden of de IT-systemen van Justitie in het algemeen, en de parketten in het bijzonder reeds werden aangepast aan het volledige nieuwe Strafwetboek;

- overwegende dat bij gebrek aan een succesvolle integratie een totale chaos dreigt, met alle gevolgen vandien;

vraagt de regering

- op korte termijn een grondige analyse te maken, samen met de belangrijkste actoren binnen Justitie, waaronder de staande en zittende magistratuur, de advocaten, de IT-sector van Justitie en de experten die hebben bijgedragen tot de totstandkoming van het nieuwe Strafwetboek, teneinde te verifiëren of het nieuwe Strafwetboek, zoals aangekondigd, in werking kan treden op de vooropgestelde datum, zonder dat er totale chaos dreigt;

- voor zover het juridisch en praktisch, en rekening houdend met voorgaande, niet verantwoord zou zijn om het nieuwe strafwet op de gestelde datum in werking te laten treden, er prioriteit van te maken dat dit zo spoedig mogelijk kan geschieden. "

[FR]Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen

et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord,

- considérant que bon nombre d'obstacles doivent encore être surmontés avant que le nouveau Code pénal puisse entrer en vigueur en avril prochain;

- considérant que de nombreux experts ont souligné lors de l'élaboration du nouveau Code pénal que le délai de 2 ans entre la publication au Moniteur et l'entrée en vigueur effective était bien trop court;

- considérant qu'il existe à l'heure actuelle non seulement de nombreux problèmes juridiques – songeons aux nombreuses réglementations qui ne sont pas encore compatibles avec le nouveau Code pénal – mais également des entraves pratiques, dont l'insuffisance des formations destinées à la magistrature debout et assise;

- considérant qu'il faut également poser ouvertement la question de savoir si les systèmes informatiques de la Justice en général et des parquets en particulier ont déjà été adaptés à l'intégralité du nouveau Code pénal;

- considérant que l'absence d'une intégration fructueuse risque d'entraîner un chaos absolu, avec toutes les conséquences qui s'ensuivent;

demande au gouvernement

- de réaliser une analyse approfondie à brève échéance, en collaboration avec les acteurs les plus importants de la Justice, dont la magistrature debout et assise, les avocats, le secteur informatique de la Justice et les experts qui ont contribué à l'élaboration du nouveau Code pénal, afin de vérifier si celui-ci peut, comme annoncé, entrer en vigueur à la date fixée, sans risquer de provoquer un chaos absolu;

- dans la mesure où il ne serait pas raisonnable d'un point de vue juridique et pratique, et compte tenu de ce qui précède, de laisser le nouveau Code pénal entrer en vigueur à la date prévue, de veiller en priorité à cette entrée en vigueur dans les meilleurs délais. "

[NL]Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Tine Gielis.

[FR]Une motion pure et simple a été déposée par Mme Tine Gielis .

[NL]Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.

[FR]Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre,

Les témoignages que je reçois du terrain de la part de policiers sont particulièrement préoccupants et révèlent une réalité qui fragilise gravement la sécurité publique. Beaucoup décrivent un système où l’interpellation d’étrangers en séjour irrégulier, souvent multirécidivistes, ne produit que très peu d’effets, malgré la lourdeur des procédures qu’ils appliquent et leur engagement quotidien.

Ils expliquent interpeller régulièrement les mêmes individus tout en sachant qu’ils seront très rapidement relâchés. Après l’application complète de la procédure: les empreintes, la fouille, les auditions et le procès-verbal, la même décision tombe presque systématiquement: relaxer, y compris pour des personnes déjà connues pour plusieurs faits.

Selon ces retours, l’Office des étrangers ordonne très fréquemment la remise en liberté, les placements en centre fermé étant réservés à des cas exceptionnels. La surpopulation carcérale limite considérablement l’action judiciaire: même lorsqu’un individu est déféré, le procureur du Roi n’ordonnera pas de mise en détention, faute de places disponibles. Le bracelet é lectronique n ’ est pas davantage une option pour des personnes d é pourvues de domicile, ce qui conduit, une nouvelle fois, à une remise en liberté dans la nature.

Cette accumulation de contraintes aboutit à une situation où des individus potentiellement dangereux se retrouvent de facto laissés en liberté. La situation crée en réalité un véritable engrenage : arrestation, remise en liberté, nouvelle infraction, nouvelle arrestation… sans résultat concret et sans capacité réelle de protéger la population.

Outre le problème majeur que cela pose pour la sécurité publique, ces constats s’accompagnent d’un sentiment profond d’impuissance au sein des forces de l’ordre.

D è s lors, Madame la Ministre:

Confirmez-vous que, dans la pratique, de nombreux étrangers en séjour irrégulier interpellés pour des faits répétés sont relâchés faute de solutions judiciaires ou administratives permettant de les maintenir à disposition des autorités?

Comment expliquez-vous que, malgré la récidive et parfois la gravité des faits, la chaîne pénale ne puisse apporter qu’une réponse limitée, conduisant presque systématiquement à ces remises en liberté?

Ce dossier figure-t-il aujourd’hui parmi vos priorités? Si oui, quelles mesures concrètes entendez-vous mettre en œuvre.

Madame la Ministre, derrière ces témoignages, ce sont des policiers qui doutent, des citoyens qui s’inquiètent et un système qui s’essouffle. 
 Il est temps que cela change. Merci.

Annelies Verlinden:

Merci collègue Vandeberg, il est incontestable que le problème de la surpopulation carcérale et les limites liées au domicile pour la mise en œuvre d'une surveillance électronique peuvent entraver la réponse judiciaire aux faits commis par des délinquants multirécidivistes qui sont en situation irrégulière ou non. Il convient cependant de souligner qu'il n'existe pas de législation ni de réglementation différenciée selon que le suspect dispose ou non d'un titre de séjour valable sur le territoire belge. Je suis vraiment étonnée par la teneur de votre question à cet égard.

En outre et en général, la remise en liberté d'un suspect n'implique pas une absence de réaction judiciaire, celle-ci pouvant naturellement être mise en œuvre autrement qu'à travers une privation de liberté.

Le simple fait d'informer l'Office des étrangers, de l'interroger systématiquement et de lui remettre la personne interceptée en séjour illégal constitue déjà une réaction judiciaire en soi. Les suites que réserve l'Office des étrangers ne relèvent pas de la compétence du pouvoir judiciaire. Pour cet aspect, je vous invite à vous adresser à ma collègue en charge de l'Asile et de la Migration.

Les chiffres relatifs à la surpopulation pénitentiaire au 15 décembre dernier fournies par la DG EPI elle-même, montrent qu'il convient également de nuancer quelque peu cette situation. Dans les prisons belges, 1 885 personnes sans droit de séjour sont détenues sous le statut de détention préventive, et 2 230 sous le statut de condamnés, soit 30 % de la population carcérale totale.

Comme vous le savez, nous travaillons au sein du gouvernement avec la ministre compétente pour l'Asile et la Migration à des solutions pour améliorer et pour accélérer le transfert des détenus sans droit de séjour vers des centres fermés et/ou vers leur pays d'origine. Merci.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour votre réponse. C'est vrai que je peux effectivement me retourner vers la ministre compétente pour l'Asile et la Migration, mais la problématique est bien liée à vos compétences au niveau de la Justice, notamment, comme vous l'avez mentionné au début de votre réponse, par rapport à la surpopulation et donc au manque de place et à la possibilité de ne pas être mis en détention, sachant évidemment que le bracelet électronique ne peut être une option pour des personnes qui ne sont pas pourvues de domicile. Toute cette chaîne-là fait évidemment que, l'un dans l'autre, c'est autant l'Office des étrangers qui est responsable que la Justice. J'espère donc qu'un suivi pourra être donné par rapport à ces cas particuliers. Je vous remercie.

De administratieve rompslomp voor het politiepersoneel

Gesteld door

MR Victoria Vandeberg

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Victoria Vandeberg signale dat politieagenten gefrustreerd raken door een groeiende administratieve last en het gebrek aan zichtbaar gevolg van hun werk in de strafrechtelijke keten, wat hun motivatie en operationele inzet ondermijnt. Minister Annelies Verlinden wijst op structurele verbeteringen sinds 2015, zoals het Research Management (REM) en het digitale tool Itinera 2 (realtime dossierspoor tussen politie en justitie), die dubbel werk moeten verminderen en transparantie vergroten – met een aanstaande circulaire om dit verder te verankeren. Vandeberg betwijfelt of deze maatregelen voldoende zullen aansluiten bij de ervaren klachten van agenten, maar wacht de uitvoering af. Het hoofdpunt blijft de spanning tussen politie-ervaringen (overbelasting, zinloosheid) en justitiële stelselhervormingen (efficiëntie, digitalisering).

Victoria Vandeberg:

Madame la Ministre,

Lors de nos récents échanges avec plusieurs collèges communaux et zones de police, un constat revient de manière insistante et préoccupante : le sentiment croissant, parmi les policiers, de travailler sous une charge administrative toujours plus lourde… pour des résultats perçus comme trop faibles.

Beaucoup nous indiquent consacrer une part croissante de leur temps à des tâches administratives, au détriment du travail opérationnel. Beaucoup s’interrogent sur le suivi judiciaire réel de leurs dossiers et ont parfois l’impression que leur travail ne sert à rien. Cette impression que leurs efforts n’aboutissent pas ou ne sont pas pris en compte génère frustration, perte de sens et un découragement préoccupant, avec des conséquences directes sur la motivation des équipes et, plus largement, sur l’efficacité de la chaîne pénale.

Madame la Ministre, dès lors :

Comment votre département évalue-t-il aujourd’hui l’articulation entre police et justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers transmis par les services de police et la perception d’un manque de suivi

Quelles mesures envisagez-vous pour améliorer la visibilité et la transparence du suivi judiciaire des dossiers, afin que les policiers puissent percevoir l’impact concret de leur travail sur la chaîne pénale ?

Dans le cadre strict des compétences de la Justice, des simplifications procédurales ou adaptations organisationnelles sont-elles à l’étude pour alléger la charge administrative liée au volet judiciaire et permettre aux policiers de consacrer davantage de temps à leurs missions opérationnelles ?

Merci​

Annelies Verlinden:

Collègue Vandeberg, l'articulation entre la police et la justice, en particulier en ce qui concerne le traitement judiciaire des dossiers, me semble évoluer favorablement, et ce, depuis 2015 déjà. En effet, cette année s'est caractérisée par le lancement d'un management de la recherche (REM) auprès de la police fédérale judiciaire, et ensuite par la justice. Plus récemment, la police locale a rejoint la démarche.

Le 14 octobre 2024, une directive visant la rationalisation des processus de travail opérationnels et administratifs liés aux missions de la police judiciaire a aussi été adoptée. Ces dernières années, de nombreux investissements ont été effectués dans le cadre du développement du management de la recherche. Ce REM envisage justement la cohérence entre les investissements de la police, d'un côté, et les efforts et les besoins de la justice, de l'autre.

Au début de l'année passée, un outil, Itinera 2, a été approuvé et adopté par la justice à cette fin. Cet outil permet d'échanger en temps réel entre les services de la police et de la justice. Cet échange offre une vue exacte et transparente de l'état des dossiers au sein de la justice et des résultats de la poursuite. L'utilisation de cet outil et l'élargissement du management de la recherche font l'objet d'une circulaire du Collège des procureurs généraux, qui sera finalisée dans les semaines à venir. Le processus décrit a – et aura encore plus – l'effet d'optimiser le travail de recherche, d'éviter du travail double ou inutile et d'orienter les efforts en fonction des besoins et du traitement envisagé des dossiers.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour votre réponse et j'espère évidemment que cela pourra répondre aux besoins et aux questionnements des policiers, qui ont l'impression que leur travail opérationnel passe au second plan à cause de cette surcharge administrative au niveau de la justice. J'attendrai les résultats et la suite avec impatience.

Het rapport van Myria over mensenhandel

Gesteld door

MR Victoria Vandeberg

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Victoria Vandeberg (PV) wijst op 346 gedetecteerde mensenhandelzaken in 2024 (twee derde prostitutie), met kritiek op systeemfalen: slachtoffers worden dubbel gevictimiseerd door te hoge eisen in strafprocedures en onvoldoende bescherming, terwijl Myria pleit voor aanpassing van procedures en betere begeleiding. Minister Verlinden bevestigt dat Myria’s aanbevelingen (o.a. circulaireherziening, betere samenwerking justitie/hulpverlening) worden geïntegreerd, maar concrete maatregelen (bv. verbeterde verblijfsstatus) blijven in studie. Marijke Dillen (N-VA) bekritiseert de overbelaste Brussel-NL rechtbank: door verdubbelde werklast (strikte parketbeleid Moinil) ontbreken 14 rechters/griffiers, leidend tot vertragingen (bv. fiscale zaken van 1 → 2 jaar, risico’s in familiezaken). Verlinden kondigt 3 extra rechters (2026) en 3 onderzoekskabinetten aan via flexibele kaders en 12 miljoen euro hefboomplan, maar Dillen betwist de volstaatheid en eist structurele kaderuitbreiding om rechtsvertraging te voorkomen.

Victoria Vandeberg:

Madame la Ministre,

En 2024, les services de police belges ont détecté 346 infractions liées à la traite des êtres humains. Près des deux tiers de ces dossiers, soit 213 affaires, concernaient la prostitution forcée, principalement dans les grandes villes du pays.

Derrière ces chiffres, il y a des victimes. Pour ne citer qu’un exemple parmi tant d’autres, une récente affaire fait état d’une jeune femme venue du Nigéria, recrutée avec la promesse d’un emploi de vendeuse en Europe, qui a finalement atterri à Anvers, où elle a été contrainte à la prostitution dans un bar, dans des hôtels et en rue.

Myria rappelle par ailleurs que les chiffres disponibles ne reflètent en aucun cas l’ampleur réelle du phénomène, puisqu’ils ne concernent que les faits et les victimes identifiés par les autorités.

Dans son rapport annuel 2025, le Centre fédéral Migration attire l’attention sur les attentes parfois excessives qui pèsent sur les victimes de traite dans le cadre des procédures judiciaires. Il souligne le risque que, parfois malgré lui, le système judiciaire repose trop fortement sur la capacité des victimes à témoigner rapidement et à porter une partie du poids des enquêtes et des poursuites, alors même que ces personnes ont subi des violences graves et se trouvent dans une situation de grande vulnérabilité. Myria insiste dès lors sur la nécessité d’adapter les procédures judiciaires à la réalité des victimes de traite, afin que la justice constitue avant tout un appui et une protection, et non une source de pression supplémentaire susceptible de conduire à une forme de double victimisation. Le Centre fédéral formule à cet égard plusieurs recommandations visant à renforcer leur protection et leur accompagnement.

Madame la Ministre,

Comment le gouvernement entend-il tenir compte de l’ensemble des constats et recommandations formulés par Myria afin d’améliorer la protection des victimes de traite des êtres humains et d’adapter le cadre actuel à leur réalité, tant dans le déroulement des procédures que dans l’accompagnement qui leur est proposé ?

Par ailleurs, au-delà de la prise en charge après les faits, qu’en est-il des mesures de prévention et de lutte en amont contre la traite des êtres humains ? L’accord de gouvernement fédéral fait de cette lutte une priorité, notamment en matière de démantèlement des réseaux, de protection renforcée des mineurs et de coopération entre la justice, la police et les services d’inspection. Pouvez-vous faire le point sur l’état d’avancement de ces engagements et sur les actions concrètes mises en œuvre ?

Je vous remercie. ​

Annelies Verlinden:

Je partage le constat de Myria selon lequel les données disponibles ne reflètent que partiellement le phénomène, puisqu'elles se limitent aux faits et victimes identifiés. La lutte contre la traite constitue une priorité affirmée de l'accord de gouvernement. Myria est représentée au sein du bureau de la Cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains. Ses constats et recommandations sont intégrés de manière transversale dans l'évolution du cadre législatif, procédural et opérationnel, afin de mieux répondre à la réalité vécue par les victimes.

Une révision approfondie de la circulaire multidisciplinaire relative à l'identification, à l'orientation et à la protection des victimes est en cours. Elle vise à renforcer la coordination entre la justice, la police, les centres d'accueil spécialisés et les entités fédérées – en particulier pour les mineurs – ainsi qu'à garantir un mécanisme d'orientation plus clair et plus protecteur, en tenant compte des constats de Myria concernant les attentes parfois excessives à l'égard des victimes en début de procédure.

Je suis par ailleurs attentive aux risques de forte pression et de double victimisation soulignés par Myria. Les recommandations relatives au titre de séjour, également reprises par la commission parlementaire spéciale, seront examinées en concertation avec la ministre chargée de la Migration dans le cadre du prochain plan d'action contre la traite des êtres humains.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour vos réponses et j'espère évidemment que toutes ces évolutions permettront une meilleure protection des victimes.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op 1 januari van dit jaar opende de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel een zesde onderzoekskabinet. Deze beslissing werd genomen ten gevolge van de uitzonderlijke verhoging van de werklast op strafrechtelijk vlak sinds de aantreding van de heer Julien Moinil aan het hoofd van het parket van Brussel in januari 2025.

Het strenge strafbeleid dat sindsdien gevoerd wordt, heeft geleid tot meer dan een verdubbeling van het aantal dossiers waarin het parket de tussenkomst van een onderzoeksrechter vordert. De druk op het onderzoek brengt het welzijn van magistraten, griffiers en medewerkers en de goede werking van het onderzoek dermate in gevaar dat een versterking van het onderzoek, dat gepaard gaat met andere structurele maatregelen, zoals verbetering van communicatie, werkprocessen en leiding, onontbeerlijk is. Deze noodzakelijke versterking gebeurde binnen het bestaande wettelijk kader van 41 magistraten en heeft de rechtbank gedwongen beleidskeuzes te maken.

Deze keuze heeft echter een negatieve impact op andere secties van de rechtbank. De correctionele sectie, die evenzeer onder zware druk staat door het – terechte - vervolgingsbeleid van het parket van Brussel en ook door het parket van Halle-Vilvoorde en het federaal parket, kan niet versterkt worden zoals het zou moeten.

De vaststellingstermijnen in de correctionele kamer die de zaken van het parket van Brussel behandelt worden langer, met een toevloed aan verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidstelling tot gevolg. Zaken zonder gedetineerde, waaronder financiële zaken, worden minder snel behandeld. De burgerlijke sectie probeert de tijd die nodig is om een zaak te behandelen te beperken tot één jaar en slaagt daar vandaag meestal in. Met de interne verschuivingen zal dat niet meer mogelijk zijn. Heel concreet zullen er in bouwzaken en fiscale zaken doorlooptijden van twee jaar komen. De burger zal dus langer moeten wachten op een vonnis. Het onderzoek krijgt een rechter meer, maar dat is onvoldoende gelet op de verdubbeling van de werklast.

Ook op de jeugdrechtbank is de druk vanuit het parket van Brussel stevig toegenomen sinds januari vorig jaar. In januari 2024 werd een vierde jeugdkabinet geopend, waardoor de verhoogde werkdruk momenteel enigszins onder controle is, maar de vraag is tot wanneer.

Mevrouw de minister, deze boodschap op de website van de rechtbank zelf is bijzonder duidelijk maar tegelijkertijd zeer verontrustend wat de goede en snelle rechtsbedeling in het belang van de burger betreft.

De rechtbank juicht toe dat het parket een visie heeft voor de veiligheid van de samenleving in Brussel en de Rand, maar zonder versterking van de volledige strafketen, waaronder de rechtbank, blijft deze visie echter zonder effect.

Het wettelijk kader van de rechtbank is niet aangepast aan de zeer hoge werklast. Dat is al jaren het geval. Volgens de werklastmeting die in 2024 werd uitgevoerd door het College van de hoven en rechtbanken heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel 14 bijkomende rechters en het bijhorende griffiepersoneel nodig. Dat was dus nog vóór het nieuwe beleid van het parket van Brussel. Vandaag liggen die noden met andere woorden nog hoger.

Welke initiatieven gaat u nemen om eindelijk het wettelijk kader uit te breiden en daarvoor de nodige middelen vrij te maken, alles in het kader van een goede en tijdige rechtsbedeling?

Ten tweede leiden de interne verschuivingen, waarbij de strafketen binnen zeer beperkte mogelijkheden een beetje wordt versterkt, ertoe dat andere rechtszaken op de lange baan worden geschoven. Dat is vandaag al het geval in correctionele en burgerlijke zaken, morgen misschien ook, mevrouw de minister, zo wordt gewaarschuwd, in familiezaken.

Zonder een uitbreiding van het kader, zowel wat magistraten als griffiers en medewerkers betreft, kan de rechtbank de goede dienstverlening die zij hoog in het vaandel draagt niet langer waarborgen en zal de burger nog langer moeten wachten op de behandeling van zijn zaak. Dat moet absoluut worden vermeden.

Wat gaat u doen om onmiddellijk een antwoord te bieden op de ontwrichtende flessenhals die zich in de strafketen voordoet op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dat uiteraard opnieuw gekoppeld aan de nodige budgetten, in het belang van een goede en snelle rechtsbedeling?

Annelies Verlinden:

In het kader van het hefboomplan werd alvast een bedrag van 12 miljoen euro toegekend aan de hoven en rechtbanken, onder meer voor bijkomende personeelswerving. Het hefboomplan heeft de structurele versterking van de rechterlijke orde tot doel, onder andere door extra ondersteuning en investeringen die moeten bijdragen aan een evenwichtigere werklast en, vooral, een betere werking van justitie in het algemeen. Het komt het College van de hoven en rechtbanken toe om binnen de beschikbare middelen de gepaste verdelingen en toewijzingen te doen. Daarover hebben we het al meerdere keren gehad.

Het wettelijk kader bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg voorziet in 41 magistraten en die plaatsen zijn vandaag volledig ingevuld. De magistratenplaatsen zijn derhalve alle bezet, conform het geldende personeelskader.

De verdeling van de zaken over de magistraten, alsook de interne organisatie van de werkzaamheden over de verschillende onderdelen van de rechtbank, behoren tot de bevoegdheid van de korpschef. Die autonomie is een essentieel onderdeel van het onafhankelijk functioneren van de rechterlijke macht en laat toe om binnen het bestaande kader zo efficiënt mogelijk in te spelen op de verwerking van de te behandelen zaken. Uiteraard volgen wij dit vanuit ons perspectief verder op.

Voorts heeft het College van de hoven en rechtbanken op mijn vraag een voorstel opgesteld om, volgens de toepassing van de flexibele kaders zoals bepaald in artikel 186, §1/1, van het Gerechtelijk Wetboek, de vacante plaatsen voor de magistraten toe te wijzen aan die entiteiten waar de werkdruk het hoogst is. In 2026 wordt een eerste stap gezet in een flexibelere toepassing van de wettelijke kaders naargelang de werklast. In het ontwerp van KB dat momenteel in voorbereiding is, staat een versterking met drie bijkomende rechters voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel.

Daarnaast zal de regering op mijn vraag bijkomend investeren in justitie, onder meer met drie bijkomende onderzoekskabinetten, specifiek bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel. De middelen daarvoor werden toegekend in het kader van het begrotingsakkoord van eind november 2025.

Net als u ben ik ervan overtuigd dat de werkdruk binnen de rechterlijke orde doorgaans hoog is en dat een coherente versterking van alle niveaus en van de verschillende schakels in de keten noodzakelijk is. De noden kunnen enkel worden ondervangen door gerichte versterkingen, een flexibel personeelskader, goed beheer en een efficiëntere inzet van de personeelsmiddelen. Het is u bekend dat de regering bijkomende middelen investeert in justitie en daarnaast voornemens is om op termijn de wettelijke personeelskaders te vervangen door een wettelijk geregeld allocatiemodel, waarbij de middelen worden verdeeld volgens objectieve parameters, waaronder werklastmetingen. Dank u.

Marijke Dillen:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik heb eerst een vraag om verduidelijking. U hebt gezegd dat er middelen zullen worden vrijgemaakt voor drie extra onderzoekskabinetten. Komen die boven op de zes bestaande onderzoekskabinetten? Sinds 1 januari is er immers een zesde bijgekomen.

In het kader van het hefboomplan hebt u 12 miljoen euro vrijgemaakt voor alle rechtbanken. Volgens u is het wettelijk kader voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel volledig ingevuld. Uit de werklastmeting van het College van hoven en rechtbanken uit 2024 blijkt echter duidelijk dat 14 extra magistraten, met daaraan gekoppeld griffiers en medewerkers, absoluut noodzakelijk zijn voor een goede werking van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel.

De vraag blijft dan ook hoe het bedrag van 12 miljoen euro zal worden verdeeld. Niet alleen in Brussel zijn er problemen, maar ook in verschillende andere gerechtelijke arrondissementen.

De aanpak van de nieuwe procureur in Brussel kunnen we alleen toejuichen. Het is hoog tijd dat de criminaliteit, die in Brussel helaas zeer groot is, kordaat wordt aangepakt. Wij kunnen de aanpak van procureur Moinil dan ook alleen steunen. Er moet echter voor worden gezorgd, mevrouw de minister - en dat is niet uitsluitend maar wel mede uw verantwoordelijkheid - dat daardoor andere dossiers niet op de lange baan worden geschoven. Ik heb u daarnet een aantal voorbeelden gegeven. Deze boodschap komt niet uit mijn mond, ze komt letterlijk van de website van de rechtbank van Brussel.

Daar worden een aantal voorbeelden gegeven van secties die dreigen dossiers op lange termijn te moeten uitstellen. Dat moet worden vermeden in het algemeen en zeker in de familierechtbank. Mevrouw de minister, ik hoop daarvoor in u een bondgenoot te vinden. In de familierechtbank probeert men het binnen een jaar op te lossen. Het gaat daar over kinderen en vaak over bijzonder schrijnende situaties. Daar moet absoluut worden gegarandeerd dat dossiers niet op de lange baan worden geschoven.

Tot slot, mijnheer de voorzitter, heb ik een motie ingediend.

[NL]Moties

[FR]Motions

Voorzitter:

[MNF01/] [NL]Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. [FR]En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. [NL]Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat sinds het aantreding van de nieuwe procureur te Brussel, het streng strafbeleid dat sindsdien gevoerd wordt heeft geleid tot meer dan een verdubbeling van het aantal dossiers waarin het parket de tussenkomst van een onderzoeksrechter vordert; - overwegende dat de correctionele sectie, die evenzeer onder zware druk staat door het vervolgingsbeleid van het parket Brussel, maar ook van het parket Halle-Vilvoorde en van het federaal parket, kan niet versterkt worden zoals het zou moeten; - overwegende dat met de geplande interne verschuivingen de doorlooptijd in bouw- en fiscale zaken dreigt te verdubbelen van één naar twee jaar; - overwegende dat er dringende maatregelen moeten genomen worden om aan voormelde problematieken tegemoet te komen; vraagt de regering - de nodige initiatieven te nemen om eindelijk het wettelijk kader uit te breiden en hiervoor de nodige middelen vrij te maken, dit allemaal in het belang van een goede en tijdige rechtsbedeling; - per kerende de nodige maatregelen te nemen om een antwoord te kunnen bieden aan de ontwrichtende flessenhals die zich in de strafketen op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel voordoet, dit uiteraard gekoppeld aan het vrijmaken van de nodige budgetten. " [FR]Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que depuis l'entrée en fonction du nouveau procureur de Bruxelles, le nombre de dossiers dans lesquels le parquet requiert l'intervention d'un juge d'instruction a plus que doublé à la suite de la politique pénale stricte qui est poursuivie depuis lors; - considérant qu'il est impossible de renforcer comme il se devrait la section correctionnelle, qui subit également une forte pression en raison de la politique des poursuites menée par le parquet de Bruxelles, mais aussi par le parquet de Hal-Vilvorde et le parquet fédéral; - considérant que les réorientations internes prévues menacent le délai de traitement des dossiers immobiliers et fiscaux, qui risque de doubler et de passer d'un à deux ans; - considérant qu'il convient de prendre des mesures urgentes afin de remédier aux problèmes précités; demande au gouvernement - de prendre les initiatives nécessaires pour élargir enfin le cadre légal et dégager les moyens qui s'imposent pour ce faire, et ce dans l'intérêt de l'efficacité et de la promptitude de la justice; - d'entreprendre sans retard les démarches nécessaires afin de pouvoir apporter une réponse au goulet d'étranglement qui perturbe la chaîne pénale au niveau du tribunal de première instance de Bruxelles, en y associant bien entendu la libération des budgets nécessaires. " [NL]Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Tine Gielis. [FR]Une motion pure et simple a été déposée par Mme Tine Gielis. [NL]Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. [FR]Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De overbrenging van buitenlandse gedetineerden

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet bekritiseert dat coalitiepartners – met name een partij die 26 jaar onafgebroken aan de macht is – populistisch de hoge aandeel buitenlandse gedetineerden (40%) als simpele oplossing voor overbevolking presenteren, terwijl expulsie vaak onmogelijk is (o.a. door preventieve hechtenis) en transfèrements al 20 jaar falen (gemiddeld slechts 60 per jaar). Hij vraagt concrete cijfers (2023-2024) over terugzendingen naar topnationaliteiten (Marokko, Albanië, Roemenië) en hoe Verlinden de weigering van herkomstlanden (o.a. door gebrek aan familiebanden) zal doorbreken via het protocollaire dwangmechanisme van 1997. Verlinden wijst voor gedetailleerde cijfers naar een schriftelijke vraag, maar meldt een recent akkoord met Marokko (3 transfèrements in 2024, doel: significante stijging) en benadrukt dat bilaterale afspraken (met o.a. Albanië, Congo) dwangtransfers toelaten, maar afhankelijk zijn van goedkeuring door de partnerlanden – waarvoor ze verwijst naar eerdere parlementaire antwoorden.

François De Smet:

Madame la ministre, j’entends régulièrement certains de vos partenaires de coalition, en particulier celui qui est présent au gouvernement fédéral sans discontinuer depuis 26 ans, se plaindre de la proportion importante d'étrangers parmi les détenus dans nos prisons.

Si cela correspond certes à une réalité statistique réelle, plus de 40 % des détenus n'étant pas belges, j'avoue ne pas aimer la petite musique qui accompagne en général ce constat et qui vise à suggérer qu’il suffirait d’expulser toutes ces personnes pour régler instantanément le problème de la surpopulation. Si c'était si simple, ce serait probablement fait depuis longtemps, d'autant plus que le parti qui s'en plaint le plus est celui qui est au pouvoir depuis le plus longtemps. Moi, je crois que ce n'est pas si simple et qu'il y a là une forme de populisme et de paresse intellectuelle qui élude le fait, d'une part, qu’il y a une grande partie d’étrangers en détention préventive (impossibles à expulser avant d'être jugés) et, d'autre part, que cela fait depuis 20 ans qu'on a un vrai problème de transfèrement des détenus condamnés. C’est sur ce point que je vous interroge.

Les données indiquent que le nombre moyen de transfèrements sortants n’a pas dépassé 60 par an entre 2013 et 2023. Le SPF Justice identifie l'accord systématique de l'État destinataire comme une "pierre d’achoppement" majeure, car la majorité des États refusent les transfèrements non volontaires, faute d'attaches familiales ou de garanties de réinsertion du détenu.

Madame la ministre, quels sont les chiffres précis pour les années 2023 et 2024 concernant les renvois effectifs de détenus condamnés vers les pays du "top 10" des nationalités représentées, notamment le Maroc, l'Albanie et la Roumanie? La balance des transfèrements est-elle toujours défavorable à la Belgique, avec un nombre de transfèrements entrants (de l'étranger vers la Belgique) supérieur aux transfèrements sortants, comme le soulignait la Cour des comptes? Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour inciter les pays d'origine à accepter leurs ressortissants condamnés, en particulier via le protocole additionnel de 1997 qui permet théoriquement le transfert sans consentement pour les personnes devant être expulsées?

Annelies Verlinden:

Monsieur le député, je vous invite à formuler par écrit vos deux premières questions portant sur des données chiffrées, étant donné qu'il n'est pas possible de présenter oralement un tableau couvrant plusieurs pays et plusieurs années. En ce qui concerne votre question relative aux actions à venir visant à augmenter le nombre de transferts vers l'étranger, je peux vous dire qu'un accord a été conclu avec le Maroc et que notre ambition conjointe est d'augmenter le nombre de transferts. Ce lundi, j'ai eu une réunion constructive avec mon homologue marocain à ce sujet et un plan d'action a été signé pour concrétiser cette ambition. Il n'y a quasiment pas eu de transferts ces dernières années, mais je constate que nous avons pu réaliser trois transferts vers le Maroc au cours des derniers mois, le but étant d'augmenter ce nombre de façon significative dans les mois qui viennent. Je tiens à vous informer qu'une minorité d'États tiers a adhéré au protocole additionnel de 1997 et que des accords bilatéraux existent entre la Belgique et le Maroc, l'Albanie, la République démocratique du Congo et le Kosovo. Bien que ces accords bilatéraux avec ces quatre derniers pays prévoient la possibilité d'effectuer des transferts sans consentement, encore faut-il que les États concernés marquent leur accord avec ces transferts. Pour les autres mesures concrètes, je vous renvoie à ma réponse à la question orale n° 56011851C de Mme Dillen, que vous trouverez dans le compte rendu de la commission du 7 janvier 2025.

Een speciaal team voor cold cases

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen pleit voor een voltijds coldcaseteam in Antwerpen (165 onopgeloste moorden, sommige uit de jaren ’70) en afschaffing van verjaring voor moord/doodslag, om nabestaanden recht te doen en het justitieel vertrouwen te herstellen. Minister Annelies Verlinden wijst erop dat parketten zelf coldcaseteams kunnen oprichten en dat experten onverjaarbaarheid afwezen tijdens de recente hervorming (2024), behalve voor extreem ontwrichtende misdrijven (bv. Bende van Nijvel). Dillen kritiseert dat de minister geen wetgevend initiatief plant, ondanks het dringend verzoek van het Antwerps parket.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

In Antwerpen breekt de procureur-generaal een lans voor een voltijds team dat zich permanent bezighoudt met het oplossen van cold cases. Ook het parket van Antwerpen is voorstander van dit idee. Volgens het Antwerps parket zijn er in Antwerpen alleen al 165 onopgeloste moorddossiers, soms al tientallen jaren. Het oudste dossier dateert van ergens in de jaren 70. Dit is zeer traumatisch voor de nabestaanden die eigenlijk nooit echt aan het rouwproces kunnen beginnen maar tast ook het vertrouwen in Justitie aan.

“Met de kennis en technologie die nu voorhanden zijn, zouden nabestaanden antwoorden kunnen krijgen waar ze al lang op wachten", zo stelde de procureur-generaal. Volgens het parket gaat het vooral om efficiëntie. Cold cases zijn vaak lijvige dossiers die heel arbeidsintensief zijn. Als speurders voltijds kunnen ingezet worden op een efficiënte wijze, levert dat resultaten op. Volgens de woordvoerder van het Antwerps parket zou er efficiënter kunnen worden gewerkt als de mensen die nu aan cold cases werken, ook aan een volgende cold case kunnen werken zodat er niet telkens vanaf nul moet worden begonnen.

De keerzijde is wel dat de kans groot is dat bepaalde dossiers intussen verjaard zijn en dat als er toch een verdachte wordt geïdentificeerd die mogelijk zijn of haar straf ontloopt. Dossiers over moord en doodslag zijn ontwrichtend voor de maatschappij en zouden om die reden buiten de verjaring moeten kunnen vallen.

Wat is het standpunt van de minister betreffende dit pleidooi van de Antwerpse procureur-generaal en het Antwerpse Parket? Zal de minister ter zake een initiatief nemen, minstens onderzoeken of dit haalbaar is en dit in overleg met alle betrokken actoren, nl. parket, rechters en politie?

Is de minister bereid een wetgevend initiatief te nemen om ervoor te zorgen dat moord en doodslag, twee misdaden die bijzonder ontwrichtend zijn, niet langer kunnen verjaren?

Annelies Verlinden:

Elke procureur des Konings is momenteel vrij om binnen zijn kader een coldcasesectie op te richten. De procureur-generaal van Antwerpen zou ook, als hij dat nodig acht, een ressortelijke circulaire kunnen uitvaardigen om zijn procureurs uit te nodigen in die zin te werken.

Wat uw vraag over de onverjaarbaarheid betreft, de regels inzake verjaring van strafvorderingen zijn grondig hervormd door de wet betreffende strafvordering 1 van 2024. Tijdens de voorbereidende besprekingen is de mogelijkheid besproken om moord en doodslag onverjaarbaar te maken, voor zover ze geen internationaal humanitair misdrijf vormen, aangezien die al onverjaarbaar zijn. De geraadpleegde experten bij de hervorming van de strafprocedure waren van oordeel dat dat niet opportuun was en hebben zich beperkt tot toepassing van onverjaarbaarheid voor dossiers van het type van de Bende van Nijvel. Het gaat hierbij om de gevallen bedoeld in de artikelen 394 en 475 van het Strafwetboek, met name misdrijven die door hun aard of context een land of een internationale organisatie ernstig kunnen schaden, de bevolking ernstige vrees kunnen aanjagen of de overheid of een internationale organisatie op onrechtmatige wijze kunnen dwingen tot het verrichten van een handeling of tot het zich onthouden daarvan, dan wel tot het ernstig ontwrichten of vernietigen van de politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van een land of een internationale organisatie.

De memorie van toelichting benadrukt dat hiermee feiten worden geviseerd die buitengewoon ernstig zijn ten gevolge van hun omvang, inzonderheid door het aantal slachtoffers of door de ernstige vrees of terreur die bij de bevolking wordt veroorzaakt, en die om die reden niet mogen verjaren of vergeten worden.

Marijke Dillen:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik noteer dat u geen initiatief zult nemen om tegemoet te komen aan het pleidooi van de procureur en het parket om een wetgevend initiatief te nemen met het oog op de uitbreiding van de niet-verjaarbaarheid om zo een grondiger onderzoek in cold cases mogelijk te maken.

Casa legal
De onzekerheid voor Casa legal
Wettelijke onzekerheid rond Casa

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Khalil Aouasti en Pierre Jadoul bekritiseren minister Verlinden omdat zij Casa Legal – een cruciale Brussels juridische dienstverlener – geen voorfinanciering toekent in 2026, ondanks eerdere toezeggingen en ongewijzigde budgettaire douzièmes, wat de ASBL dreigt failliet te doen laten. Verlinden stelt dat geen facultatieve subsidies worden uitbetaald voor 2026 tot het definitieve budget er is, wegens beperkte middelen en beleid om subsidies af te bouwen, maar belooft wel achterstallige 2025-gelden (bij indiening bewijsstukken) snel vrij te geven. Aouasti beschuldigt de regering ervan eigen budgettaire tekortkomingen af te wentelen op kwetsbare organisaties, terwijl Jadoul vreest dat Casa Legal’s evaluatie en meertalige dienstverlening verloren gaan door deze “alarmerende” blokkade.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, le dossier Casa legal nous a – et vous a – beaucoup occupés au sein de cette commission en raison de l'intérêt de cette structure en matière d'accès au droit pour les francophones et les néerlandophones de Bruxelles, mais aussi en raison de l'étude scientifique en cours afin de définir si le modèle d'aide juridique qui est développé doit être étendu.

Vous nous avez publiquement indiqué l'an dernier que vous attendiez le résultat d'une discussion entre le cabinet d'avocats Casa legal et les Ordres communautaires pour trancher. Cet engagement semblait conforme aux tableaux budgétaires qui sont repris aux douzièmes provisoires, puisque la ligne budgétaire reprenait un montant conforme au budget 2025 globalisé, en ce compris le subside attribué à Casa legal en 2025.

Par ailleurs, aucune notification dans les tableaux accompagnant les douzièmes budgétaires ne laissait à penser que les sous-affectations de cette ligne y seraient modifiées et que Casa legal ne bénéficierait pas, comme les autres structures intégrant cette ligne budgétaire, des budgets dans le cadre des douzièmes provisoires. Or nous apprenons aujourd'hui que vous n'auriez pas l'intention d'attribuer ces montants dans le cadre des douzièmes provisoires à Casa legal.

Madame la ministre, dire qu'il faut attendre un accord pour modifier le cadre actuel implique que les parties à l'accord continuent à exister lorsque celui-ci sera scellé. Or, sans subside pour le premier trimestre 2026, vous ne laissez aucune chance à la structure d'exister, ou alors vous lui mettez un fusil sur la tempe pour accepter n'importe quel arrangement qui lui permettra éventuellement de survivre.

Une telle attitude est donc contraire à ce que vous avez déclaré ici, en commission. Cette attitude est également contraire aux douzièmes provisoires qui ne modifient en rien les affectations budgétaires entre 2025 et 2026, et donc laissaient à penser qu'un financement provisoire et temporaire, le temps d'un accord, serait acquis, à tout le moins au premier trimestre 2026.

En conséquence, Casa legal a dû licencier une partie de son personnel et certaines personnes sont en préavis, un préavis qui ne court que jusqu'au mois de mars prochain. Dès lors, madame la ministre, ma question sera simple: entendez-vous octroyer ce subside ou souhaitez-vous simplement la faillite de l'ASBL Casa legal?

Pierre Jadoul:

Madame la Ministre,

Vous avez déjà eu l'occasion à plusieurs reprises de vous prononcer sur le dossier « Casa Legal ». Toutefois, force est de constater que l'asbl et son équipe sont toujours dans une incertitude qui est de plus en plus difficile à supporter.

Lors de la dernière réunion de notre commission, vous avez indiqué que la discussion concernant la subvention 2026 a été reportée au contrôle budgétaire de février-mars. Vous avez dans la foulée déclaré que nous sommes actuellement sous le régime des douzièmes provisoires jusqu'à la fin mars, et qu'il n'y avait pas beaucoup de budget disponible pour payer des subventions facultatives.

Si, comme vous l'avez déclaré en commission, vous souhaitez que Casa Legal reste partie prenante aux négociations et à la réflexion avec les Ordres sur l'approche multidisciplinaire des justiciables, il est évidemment nécessaire que Casa Legal se maintienne en vie. Quelles garanties pouvez-vous annoncer aujourd'hui ? Les employées de Casa Legal méritent au minimum de la clarté sur la situation.

Depuis le 1er janvier dernier, les équipes de Casa Legal naviguent en effet à vue, sans aucune perspective ni certitude sur leur financement et, donc, leur survie. Je souhaiterais donc vous entendre afin de clarifier certaines choses.

Madame la Ministre,

- Si nous sommes actuellement sous le régime des douzièmes provisoires comme vous l'avez signalé, alors Casa Legal devrait logiquement demeurer finançable sous ce système. Est-ce le cas ? Que pouvez-vous dire à ce sujet ? Casa Legal va-t-elle recevoir des financements en ce début d'année 2026 ? À concurrence de quels montants et selon quel calendrier ?

Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Chers collègues, compte tenu des réponses récemment données concernant Casa legal, je concentrerai mon intervention sur le paiement de la subvention dans le cadre des douzièmes provisoires. Il n'est pas prévu d'octroyer de subsides facultatifs en 2026 avant qu'un budget définitif soit alloué, pour deux raisons.

D'abord, les crédits provisoires du premier trimestre sont insuffisants pour payer l'avance de subsides facultatifs. Il est habituellement attendu que les crédits annuels soient disponibles pour octroyer un subside afin d'éviter de prendre des arrêtés d'octroi par trimestre, ce qui représenterait une charge administrative trop lourde.

Deuxièmement, l'octroi de subsides facultatifs est sensible, compte tenu de la politique de désubsidiation reprise dans l'accord gouvernemental. Il convient dès lors d'attendre qu'un budget définitif soit édicté.

En outre, si Casa legal est en mesure de remettre les pièces justifiant les dépenses que l'ASBL a effectuées en 2025 et qu'elles sont admises à hauteur du montant du solde de 2025, elle pourra recevoir ce dernier à brève échéance, ce qui épuisera presque en totalité les crédits provisoires disponibles au premier trimestre 2026.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je suis désolé, mais vous parlez des subsides 2025. Moi, je vous parle de l'année 2026. Que les subsides 2025 soient consolidés et que des pièces justificatives soient transmises pour les justifier, c'est une chose. Et je pense que jusqu'à présent, les relations entre le SPF Justice et Casa legal ont toujours été bonnes. Tout ce qui leur a été demandé a été fourni et les subsides ont finalement été payés.

Moi, je vous parle de 2026. Comment voulez-vous qu'une structure qui compte sur un financement puisse survivre sans trois mois de financement? Vous me dites qu'il n'y aura pas de subsides facultatifs. Est-ce à dire qu'il n'y a aucun subside facultatif qui est versé? Donc, a-t-on arrêté en réalité tous les intervenants en prison qui font de la santé mentale, qui font de la santé physique et qui font de la prévention? A-t-on arrêté l'ensemble des programmes pendant trois mois dans l'ensemble de la Belgique au prétexte que vous n'avez pas été en capacité, avec le gouvernement fédéral, de faire voter un budget de plein exercice avant l'échéance légale qui vous incombait?

Le budget et le vote du budget ne relève pas de la responsabilité de ces structures associatives. C'était votre responsabilité gouvernementale de le faire adopter avant le 31 décembre 2025 par ce Parlement. Vous n'y êtes pas parvenue. Et au final, qui paye? Ces structures associatives, en ce compris Casa legal.

On vous dit qu’il y a des licenciements et, finalement, l’impossibilité de pouvoir fonctionner jusqu’au mois de mars 2026 s’il n’y a pas de financement corrélatif qui leur est octroyé. Suite à cela, vous indiquez simplement "Circulez, il n’y a rien à voir. On verra quand le budget de 2026 sera pleinement adopté."

Pour quand, madame la ministre? Quel horizon donnez ‑ vous à toutes ces structures associatives? La situation actuelle a sincèrement de quoi m ’ inqui é ter. Vous reportez la charge de votre responsabilit é de ne pas avoir fait adopter un budget sur la viabilit é de ces structures associatives; dans ce cas-ci, de Casa legal. C'est autant indigne qu’indécent.

Pierre Jadoul:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse, qui est évidemment inquiétante sur le fond, s’agissant d’une structure qui, sauf erreur, est loin d’avoir démérité au cours des années écoulées et a rendu des services particulièrement importants au fonctionnement de la justice. Comme mon collègue Aouasti, je souligne que cela vaut tant pour les procédures en français que pour les procédures en néerlandais, puisque c’était effectivement un enjeu de ce dossier au moment du lancement de la subvention. La réponse que vous donnez est donc particulièrement alarmante et ne semble pas faire grand cas de l’investissement humain consenti par les fondateurs de cette ASBL, par ceux qui l’ont fait vivre, ni de l’évaluation du projet en cours. Nous pouvons craindre que cette évaluation perde toute raison d’être en cas de faillite de l’ASBL Casa legal.

Het verbod van een strafrechter om advocaten te laten pleiten

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert dat de correctionele rechtbank in het Kriva Rochem-proces collectief alle partijen het woord ontzegde en de zitting onmiddellijk sloot, wat volgens haar in strijd is met art. 190 Sv., art. 6 EVRM en vaste rechtspraak (Grondwettelijk Hof, Cassatie, EHRM), die mondelinge pleidooien als fundamenteel recht beschermen—zelfs bij schriftelijke conclusies. Ze wijst op gebrek aan concrete motivering en vraagt of de minister wettelijke waarborgen wil versterken om dergelijke inperkingen te voorkomen. Minister Annelies Verlinden stelt dat art. 6 EVRM een openbare zitting vereist, maar uitzonderingen toelaat (bv. bij onbetwiste feiten of efficiëntie), mits gemotiveerd—zonder zich over de specifieke zaak uit te spreken. Dillen repliceert dat efficiëntie nooit het pleitrecht mag uithollen en benadrukt dat zelfs bij conclusietermijnen mondelinge verdediging gegarandeerd moet blijven, zoals bevestigd door wetgever, Cassatie en Grondwettelijk Hof.

Marijke Dillen:

In het Kriva Rochem-proces heeft een correctionele rechtbank beslist na de opening van de zitting om de debatten onmiddellijk te sluiten en een datum voor uitspraak vast te leggen. Geen van de partijen kreeg het woord: niet het OM, niet de verdediging. Volgens de rechtbank was zij voldoende ingelicht door de neergelegde conclusies. Reden? De advocaten zouden zich niet schikken naar de vastgelegde zittingsmodaliteiten, er was al eerder sprake van een zgn. “verstoring" en de redelijke termijn. Deze gang van zaken roept een fundamentele procesrechtelijke vraag op: mag een strafrechter het pleidooi verbieden en beslissen zonder mondeling debat? Dit roept ernstige vragen op m.b.t. het recht van verdediging, dat een fundamenteel beginsel vormt van onze rechtsstaat. Dit druist in tegen art. 190 Sv. dat het verloop van de zitting van een correctionele rechtbank regelt. Strafzaken worden in de openbare zitting behandeld en de advocaat en de beklaagde krijgen het woord om de verdediging voor te dragen. Met de Wet van 05/02/2016 werd in art. 152 Sv. de mogelijkheid ingevoerd om ook in strafzaken in conclusietermijnen te voorzien. Maar bij het invoeren van deze nieuwe optie werd door de wetgever meerdere keren herhaald dat het nemen van een schriftelijke conclusie op geen enkele wijze het recht op mondelinge pleidooien aantastte, een stelling die bevestigd werd door het Grondwettelijk Hof in een arrest van 28 /01/2021.

Ook het Hof van Cassatie in haar arrest van 14/03/2023 is duidelijk: de rechter mag de pleitduur beperken maar een dergelijke beperking mag ook niet dermate zijn dat ze elk mondeling verweer feitelijk onmogelijk maakt. Ook het EHRM is duidelijk: een rechter mag de debatten sturen maar een categoriek pleitverbod in een strafzaak kan slechts bij hoge uitzondering en pas na een inhoudelijke en concreet gemotiveerde afweging. Collectief aan alle procespartijen het woord ontzeggen, de debatten onmiddellijk sluiten en de zaak meteen voor uitspraak stellen is moeilijk te verzoenen met de fundamentele waarborgen van art. 6 EVRM.

Hoe beoordeelt de minister de verenigbaarheid van een dergelijk verbod met het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces?

In welke uitzonderlijke omstandigheden kan een rechter volgens de geldende regelgeving of rechtspraak advocaten het pleiten ontzeggen?

Is de minister bereid een initiatief te nemen om te waarborgen dat het pleitrecht van advocaten en de rechten van de verdediging ten volle worden gerespecteerd?

Annelies Verlinden:

Door de scheiding der machten kan ik als minister uiteraard geen uitspraken doen over beslissingen die genomen zijn in een lopende procedure. In het algemeen kan ik zeggen dat artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht op een openbare rechtszaak vermeldt. De verplichting om een openbare zitting te houden, is echter niet absoluut in alle zaken die onder het strafrechtelijke deel van artikel 6 vallen.

De rechtspraak van het Hof vermeldt dat dit geldt vanwege de uitbreiding van het begrip ‘strafrechtelijke vervolging’ tot zaken die traditioneel niet onder het strafrecht vallen en die geen bijzonder schadelijk karakter hebben. De criteria die de weigering om een openbare rechtszaak te organiseren rechtvaardigen, zijn vastgelegd in 'Grande Stevens e.a. tegen Italië' van 2014. Indien de omstandigheden van de zaak geen feitelijke of juridische kwesties aan de orde stellen die niet op basis van het dossier alleen kunnen worden beslecht, kan de rechter afzien van een zitting om redenen van efficiëntie en procedurele zuinigheid.

Dat is het geval in zaken waarin geen twijfel bestaat over de geloofwaardigheid of waarin geen controverse is over de feiten die aanleiding geven tot een debat over het bewijsmateriaal of tot een contradictoire hoorzitting van getuigen. Ook wanneer de verdachte bovendien voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn zaak schriftelijk te verdedigen en de tegen hem aangevoerde bewijzen te betwisten, kan worden afgezien van een zitting. Uiteraard moet de weigering om een zitting te houden naar behoren worden gemotiveerd en mag die slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvinden.

Dat is het kader, maar uiteraard spreek ik me niet uit over concrete zaken.

Marijke Dillen:

Dank u wel, mevrouw de minister. Ik vroeg u niet zich uit te spreken over dit specifieke dossier, maar wel over de principes. U verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof, waarin gezegd wordt dat men zich in een aantal gevallen om redenen van efficiëntie en procedurele zuinigheid kan beperken tot de schriftelijke conclusies, maar slechts als absolute uitzondering. Hier heeft geen van de partijen het woord gekregen, noch het openbaar ministerie, noch de verdediging. De rechter zei voldoende ingelicht te zijn door de conclusies. Dat roept een aantal fundamentele procesrechtelijke vragen op. Ik verwijs bijvoorbeeld naar artikel 190 van het Wetboek van strafvordering, dat heel uitdrukkelijk bepaalt dat advocaat en beklaagde – alle beklaagden in een strafproces hebben immers ook spreekrecht – het woord moeten krijgen om zich te kunnen verdedigen. Mevrouw de minister, ik verwijs ook naar de bespreking hier in deze commissie, nu bijna tien jaar geleden, waarin het opstellen van conclusietermijnen ook in het strafrecht werd ingevoerd en waarin – u kunt dat nazien in de voorbereidende werken – heel uitdrukkelijk wordt gezegd dat het niet de bedoeling mag zijn dat de conclusietermijnen de pleidooien zouden vervangen. Nee, de advocaten en de beklaagden behouden het recht om ook mondeling toelichting te geven. Ik verwijs bijvoorbeeld ook naar een arrest van het Grondwettelijk Hof dat dat principe bevestigt. Ik verwijs naar een arrest – er zijn er meerdere – van het Hof van Cassatie. Mevrouw de minister, hier heeft men collectief het woord ontnomen aan alle advocaten, ook aan hen die op geen enkel ogenblik vertragingsmanoeuvres hebben ingeroepen. Los van het feit dat die vertragingsmanoeuvres misschien wel de voorzitter konden irriteren, mag dat er langs de andere kant niet toe leiden dat pleidooien zomaar bruusk worden verboden door een voorzitter die vindt dat dat geen enkele zin meer heeft.

De vzw Het Huis

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke bekritiseert de veiligheidsrisico’s bij vzw Het Huis (o.a. gebrekkig toezicht, ontbrekende controles op alcohol/drugs, blind vertrouwen van rechtbanken) na de dodelijke schietpartij door een man met een contactverbod maar bezoekrecht via de vzw, en eist concrete actie van minister Verlinden. Verlinden bevestigt dat kinderveiligheid prioriteit is, maar verdedigt de samenwerking met de vzw wegens capaciteitstekort bij CAW’s, terwijl ze pleit voor structurele uitbreiding daar—zonder echter antwoord te geven op Van Hoeckes vijf specifieke vragen (o.a. opvolging dossier, contact met Vlaamse collega’s, signalen over nieuwe incidenten). Van Hoecke beschuldigt Verlinden van "nietszeggende statements", "gebrek aan respect voor bezorgde ouders" en passiviteit ondanks jarenlange signalen, en eist transparantie over haar daadwerkelijke stappen om de problemen aan te pakken. De kernconflict draait om verantwoordelijkheidsontwijking (Volgens Van Hoecke) vs. systeemtekort (Volgens Verlinden).

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, in Kapellen werd deze maand een 32-jarige man neergeschoten nadat hij de politie bedreigde met een bijl. De man werd in levensgevaar overgebracht naar het ziekenhuis, maar overleed er iets later. De precieze redenen waarom de man met een bijl rondliep zijn niet bekend. Het parket meldde wel dat er elementen zijn die wijzen op intrafamiliaal geweld.

De man kreeg een contactverbod met zijn ex opgelegd in december, maar mocht zijn kinderen nog steeds zien via een bezoekregeling bij vzw Het Huis. Dat roept opnieuw ernstige vraagtekens op. Er zijn namelijk nog steeds ernstige bezorgdheden over de veiligheid van die vzw. Er blijven immers berichten opduiken over gebrekkig toezicht ter plaatse, een gebrek aan controle op de vereiste alcohol- en drugstesten en het blinde vertrouwen dat familierechtbanken lijken te stellen in de verslaggeving van vzw Het Huis daarover. Ouders geven bovendien ook aan dat er geen inzage wordt gegeven in het huishoudelijk reglement van de vzw.

Ik heb daarom een aantal vragen voor u.

Kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot de opvolging van dit dossier?

U stelde eerder dat u op 17 november een schriftelijk verzoek hebt gericht aan uw Vlaamse collega Zuhal Demir om de capaciteit van de bezoekruimtes bij de CAW's structureel uit te breiden. Hebt u daarop ondertussen een antwoord ontvangen? Zo ja, kunt u dat antwoord delen? Zo niet, zult u opnieuw aandringen op een structurele oplossing bij uw Vlaamse collega?

Zijn er nog gesprekken geweest met de familierechtbanken die doorverwijzen naar Het Huis? Zo ja, hebt u daarbij de bezorgdheden die bestaan over de werking van de vzw doorgegeven en wat was de reactie van de familierechtbanken?

Hebt u zelf al contact opgenomen met de vzw om hun werking nader te bekijken? Hebt u ondertussen nog andere signalen ontvangen die de werking van vzw Het Huis in vraag stellen? Zo ja, welke en welk gevolg werd eraan gegeven?

Annelies Verlinden:

Collega Van Hoecke, we hebben inderdaad al eerder over dit thema gesproken en ik wil dus ook verwijzen naar mijn antwoord op de vragen die u over deze vzw stelde in deze commissie van 21 oktober 2025 en 2 december 2025. Laat ik eerst en vooral nogmaals duidelijk herhalen dat het welzijn en de veiligheid van onze kinderen altijd de eerste prioriteiten moeten zijn. We kunnen niet toestaan dat ze terechtkomen in een context waar toezicht en professionaliteit zouden ontbreken.

De samenwerking met vzw Het Huis is echter nodig vanwege de lange wachtlijst bij de neutrale bezoekruimtes van het CAW, waardoor vele gezinnen nog langer op ondersteuning zouden moeten wachten en het contactherstel tussen ouder en kind bijgevolg in het gedrang zou komen. Uiteraard dient de samenwerking nauwgezet te worden opgevolgd. Ik ben dan ook van mening dat alleen via een versterking van de CAW's gegarandeerd kan worden dat deze bezoeken plaatsvinden in een veilige, kindvriendelijke en deskundige omgeving.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, dit is toch niet echt serieus. Ik heb u vijf zeer concrete vragen gesteld. U hebt de vorige keer in de commissie gezegd dat u een schriftelijk verzoek hebt gericht aan een collega-minister. Dan lijkt het mij toch niet meer dan logisch dat wij ook mogen weten of u daar een antwoord op hebt ontvangen. Als u daar geen antwoord op hebt ontvangen, lijkt het me gepast om dat verzoek opnieuw tot uw collega te richten. U kunt immers wel zeggen dat de veiligheid en het welzijn van onze kinderen de absolute prioriteiten zouden moeten zijn. Als dat effectief zo is voor u, dan verwacht ik toch dat u als minister van Justitie iets doet, dat u ook iets meer klaarheid schept over wat u zult ondernemen en over wat u onderneemt. Dat dossier sleept al aan sinds 2023. Wij weten nu al jaren dat er bij die vzw iets schort, dat er gebrekkig toezicht is en dat er steeds meer signalen zijn dat er heel wat fout loopt. Dan meen ik dat u de verantwoordelijkheid hebt om ook effectief in te grijpen. Zoals bij vele andere vragen antwoordt u steeds met een algemeen, nietszeggend statement. Dat getuigt van zeer weinig respect voor al die ouders wier kinderen naar vzw Het Huis worden gestuurd en die zich ernstige zorgen maken. U antwoordde ook niet op de vraag of u nog signalen ontvangt over de werking van de vzw, of er inderdaad nog meer zaken fout lopen. U antwoordde niet op de vraag of u al contact hebt opgenomen met de vzw om die werking nader te bekijken, of dat u met de familierechtbanken hebt gesproken, die blijven doorverwijzen naar die vzw. Ik kom tot het belangrijkste. U zegt dat alleen via een versterking van de CAW's een structurele oplossing kan worden bereikt. Kunt u dan minstens antwoorden op de vraag wat u hebt gedaan om verder contact op te nemen met uw collega’s in de Vlaamse regering om dit probleem echt aan te pakken? Ik vind het echt ontzettend bedroevend dat u op geen enkele van mijn vragen antwoordt.

Het wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen voor de terugkeer van gedetineerden

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke vraagt om opheldering over het plan om beperkingen van luchtvaartmaatschappijen op overbrengingen van gedetineerden door Justitie weg te werken, met een deadline van 15 december 2025, en of dit al besproken is in de taskforce overbevolking gevangenissen. Annelies Verlinden bevestigt dat het plan deel uitmaakt van de whole-of-governmentaanpak om terugkeer van gedetineerden zonder verblijfsrecht efficiënter te maken, maar stelt dat de uitvoering nog loopt en dat luchtvaartmaatschappijen nu nog terugvluchten beperken of politiebegeleiding bemoeilijken. Ze benadrukt dat overleg met deze maatschappijen essentieel is om het aantal overbrengingen te verhogen, met een aankomende vergadering om concrete stappen uit te werken.

Alexander Van Hoecke:

In de begrotingsnotificaties, die ik even heb doorgenomen, staat te lezen dat aan de minister van Mobiliteit wordt gevraagd om, in het kader van het whole-of-governmentprincipe uit het regeerakkoord en het actieplan 'Terugkeer van gedetineerden', een plan uit te werken met het oog op het zoveel mogelijk wegwerken van de beperkingen door luchtvaartmaatschappijen die een impact hebben op het aantal overbrengingen door Justitie. Dat zou zijn gebeurd in samenspraak met de minister van Justitie, met uzelf en met de minister van Asiel en Migratie. De opgegeven deadline hiervoor was 15 december 2025. Volgens de begrotingsnotificaties zou het plan ook worden besproken binnen de taskforce 'Overbevolking gevangenissen'. Ik heb daarover een aantal vragen.

Kan u een meer algemene toelichting geven bij deze passage en bij de inhoud van dat plan? Werd de deadline van 15 december volledig gehaald voor de finalisering van het plan? Is dat plan ondertussen ook al besproken binnen de taskforce overbevolking gevangenissen en wat leverde die bespreking concreet op?

Welke beperkingen, die een impact hebben op het aantal overbrengingen, zullen concreet worden weggewerkt met dat plan? Welk tijdschema werd daarvoor vooropgesteld en hoe zal dat in de praktijk worden uitgewerkt?

Welke beperkingen door luchtvaartmaatschappijen bestaan er vandaag nog steeds die niet onder de reikwijdte van dat plan vallen en hoe zal dit verder worden opgevolgd?

Annelies Verlinden:

Collega, de passage waar u naar verwijst kadert inderdaad binnen de whole-of-governmentbenadering uit het regeerakkoord en het actieplan 'Terugkeer'. Dat betekent dat alle betrokken partners structureel samenwerken om de terugkeer van personen zonder verblijfsrecht efficiënter te organiseren en om de overbrengingen te faciliteren. De contouren van het actieplan en de algemene doelstellingen liggen vast, terwijl de uitvoering continu wordt opgevolgd via overlegstructuren en bilaterale contacten tussen de betrokken administraties en beleidscellen. Waar nodig wordt steeds bijgestuurd. Samen met mijn collega, de minister van Asiel en Migratie, is het onze prioriteit om zoveel mogelijk gedetineerden zonder verblijfsrecht van het grondgebied te verwijderen en het aantal overbrengingen te verhogen. Het plan waar u naar verwijst kadert volledig binnen die doelstelling, aangezien ook de luchtvaartmaatschappijen daarbij een belangrijke rol spelen. Voor dat aspect is ook mijn collega, de minister van Mobiliteit, bevoegd. In de praktijk beperken sommige luchtvaartmaatschappijen immers het aantal terugvluchten per week of bemoeilijken zij het werk van de politie die belast is met de begeleiding van gedetineerden. Het doel is om met die luchtvaartmaatschappijen in overleg te gaan om het aantal terugkeerders, uitwijzingen van illegale gedetineerden en overbrengingen aanzienlijk te verhogen. Deze week staat nog een verdere vergadering gepland met de bevoegde beleidscellen en diensten, met het oog op het uitwerken van een concreet plan in dat kader.

De wet-Quintin waarmee men organisaties wil verbieden

Gesteld door

PTB-PVDA Julien Ribaudo

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Julien Ribaudo bekritiseert dat de regering onder druk van het kritische advies van de Raad van State en maatschappelijke organisaties weliswaar de definitieve administratieve verbodsbevoegdheid uit minister Quintins wetsontwerp schrapte, maar het voorstel fundamenteel problematisch blijft: de overheid behoudt immers de mogelijkheid om organisaties tijdelijk administratief te schorsen – wat door structurele rechtbankachterstanden de facto een permanent effect kan hebben, aldus Ribaudo, die dit ziet als een erosie van de rechtsstaat en een bedreiging voor democratische rechten. Hij wijst op de vage definitie van "radicale organisaties", die volgens hem kan leiden tot criminalisering van sociale protesten (met voorbeelden uit Vlaanderen en het VK), en pleit voor vollige intrekking in plaats van marginale aanpassingen, omdat bestaande juridische instrumenten volgens hem volstaan. Minister Verlinden (Justitie) ontwijkt inhoudelijk standpunt, verwijst voor details naar minister Quintin (Binnenlandse Zaken) – die het dossier initieerde – en beperkt zich tot de mededeling dat haar administratie het advies van de Raad van State analyseert, zonder concrete toezeggingen over coördinatie, middelen of timing.

Julien Ribaudo:

Madame la Ministre,

Nous avons appris par la presse que le Conseil d’État avait rendu un avis critique sur le projet de loi du ministre Quintin visant à interdire certaines organisations.

Cet avis ne porte pas uniquement sur des aspects techniques, mais remet en cause l’équilibre entre le pouvoir exécutif et le pouvoir judiciaire tel qu’il était prévu dans le projet initial.

À la suite de cet avis, le ministre Quintin a indiqué vouloir modifier son approche. Le gouvernement n’aurait plus le pouvoir d’interdire définitivement une organisation par voie administrative, cette décision relevant désormais du pouvoir judiciaire. Le gouvernement conserverait toutefois la possibilité de suspendre administrativement une organisation ou d’interdire certaines activités dans l’attente d’une décision judiciaire.

Je souhaiterais dès lors vous poser les questions suivantes :

Êtes-vous satisfaite du fait que, à la suite de l’avis critique du Conseil d’État, le gouvernement ait dû renoncer à la possibilité d’une interdiction administrative définitive et confier cette compétence aux tribunaux ?

Compte tenu des pénuries structurelles auxquelles la justice est aujourd’hui confrontée, comment le gouvernement entend-il éviter que des mesures administratives dites temporaires ne produisent, dans les faits, des effets durables avant qu’un juge de fond n’ait pu se prononcer ?

Des moyens supplémentaires sont-ils prévus pour le SPF Justice afin de permettre un traitement rapide de ce type de dossiers ?

En tant que ministre de la Justice, estimez-vous que les notions utilisées dans ce projet de loi, et notamment celle d’« organisation radicale », offrent aujourd’hui une sécurité juridique suffisante, tant pour les organisations concernées que pour les magistrats appelés à se prononcer ?

Êtes-vous favorable à ce que votre département reprenne formellement la coordination de ce dossier, au vu de son impact direct sur les droits fondamentaux et sur le fonctionnement de la justice ?

Qui sera chargé de rédiger le prochain avant-projet de loi et, s’il est approuvé par le Conseil des ministres, qui en assurera la présentation et la défense au Parlement : vous-même ou le ministre Quintin ?

Enfin, pouvez-vous nous préciser le calendrier envisagé pour la suite de ce dossier ?

Je vous remercie Madame la Ministre pour vos réponses.

Annelies Verlinden:

Collègue Ribaudo, j'ai pris connaissance des articles de presse. À ce stade, j'attends d'être contactée par le ministre de l'Intérieur, à l'initiative de ce projet, afin de voir quelle suite lui donner et d'établir un calendrier. En parallèle, je peux vous informer que mon administration examine actuellement l'avis du Conseil d'État. Pour le reste, je vous renvoie vers le ministre de l'Intérieur, qui sera plus à même de répondre à votre question.

Julien Ribaudo:

Comme votre collègue ne vous a pas encore contactée, je vais me glisser dans cet entre-deux pour vous susurrer notre avis. Tout d'abord, je voudrais rappeler un fait politique simple, à savoir que le gouvernement a reculé après l'avis critique du Conseil d'État sur la loi Quintin et sous la pression de nombreuses organisations de la société civile, que ce soient des syndicats, des juristes, des défenseurs des droits humains, et de l'opposition. C'est une première victoire démocratique, mais ce n'est qu'une première victoire parce que, sur le fond, la loi Quintin reste profondément problématique. Hier encore, en commission, le ministre Quintin expliquait, après une question que je lui avais posée, que ce texte visait "à mettre hors d'état de nuire des groupements qui, de manière répétée, organiseraient des activités ou des événements dont les discours incitent à l'exclusion ou la déshumanisation de certains groupes de population, en fonction de leur origine, de leur religion ou de l'orientation sexuelle". Madame la ministre, ce n'est pas vous que je dois convaincre du fait que la justice dispose déjà de tous les outils nécessaires pour poursuivre et condamner ce type de comportements lorsqu'ils sont avérés. La question se pose. Si des outils existent déjà, pourquoi ce projet? Pour museler la contestation. Le gouvernement, même avec ce recul, garderait le pouvoir de suspendre administrativement des organisations ou d'interdire des activités dans l'attente d'une décision judiciaire qui peut prendre du temps, vu l'état actuel de la justice. L'Institut Fédéral des Droits Humains (IFDH) a d'ailleurs clairement expliqué qu'en Belgique, nous assistons à une érosion de l'état de droit, notamment à cause du recours croissant à des sanctions administratives, sans l'intervention préalable d'un juge. Ici, nous sommes dans ce cas-là. Ce projet repose aussi sur une notion floue et dangereuse, celle "d'organisation radicale". Il s'agit d'une notion vague, large et floue. Avec une définition aussi floue, la suspension ou l'interdiction peuvent très vite servir à criminaliser la protestation sociale, et ce n'est pas théorique. On l'a déjà constaté, par exemple lorsque le gouvernement flamand a retiré des subsides il y a quelques semaines à des associations de la société civile en raison de leur position sur la Palestine, notamment. Voyons aussi ce qu'il se passe au Royaume-Uni. Tout cela constitue une menace majeure pour nos droits démocratiques et c'est pour cela que, pour nous, la loi Quintin ne doit pas être amendée à la marge, mais doit être abandonnée. Je continuerai donc à vous interroger sur ce dossier.

De inzet van privébewaking en cipiers zonder diploma in de gevangenissen

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Marijke Dillen (CD&V) bekritiseert minister Verlinden’s plan om private bewakers in te zetten voor "contactloze" gevangenistaken (toegangscontrole, perifere bewaking) als tijdelijke oplossing voor het cipierstekort (418 FTE) en de overvolle gevangenissen. De vakbonden verwerpen dit, wijzend op juridische risico’s (wettelijk kader ontbreekt) en praktische gevaren (veiligheidsprocedures, toegang tot gevoelige zones), en eisen structurele verbeteringen (statuut, loon) in plaats van "halve maatregelen". Verlinden verdedigt het voorstel als pragmatisch en beperkt (max. 10% van het personeelsbestand), benadrukt strikte wettelijke controle (wet 2017) en belooft bijkomende wetgeving indien nodig, maar Dillen betwist de vergelijking met justitiepaleizen en steunt de vakbonden, die prioriteit geven aan betere arbeidsvoorwaarden boven privatisering. Verlinden bevestigt wel onderhandelingen over het statuut, maar concrete plannen ontbreken.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

De gevangenissen in dit land zitten niet alleen overvol, het Gevangeniswezen wordt ook al jarenlang geplaagd door een tekort aan zogenaamde penitentiair beambten. Volgens vakbondslieden is momenteel sprake van een tekort van maar liefst 418 cipiers.

Om hieraan tegemoet te komen overweegt de minister de inzet van private veiligheidsfirma's in de gevangenissen. Die privébewakers zouden dan de “contactloze bewakingsopdrachten" en “onthaalfuncties" in de gevangenissen uitvoeren.

De cipiersvakbonden verzetten zich tegen het plan. Volgens hen zijn er niet alleen juridische, maar ook praktische bezwaren. “Om sommige van die zogenaamde contactloze bewakingsopdrachten uit te voeren, moet je naar ruimtes diep in de gevangenis. Om dat allemaal veilig te laten verlopen én om daar te geraken, moet je ook alle veiligheidsprocedures goed kennen. En wat met de onthaalfuncties? Willen we dat privébewakers elke dag zien wie er in en uit de gevangenis gaat?"

Daarnaast zou de minister bekijken of voor sommige jobs in de gevangenis van de diplomavereisten kan worden afgeweken, dan wel of er bijkomende kandidaten kunnen worden gevonden voor een job door de functie toegankelijk te maken voor burgers van andere EU-lidstaten.

De vakbonden reageren kritisch: “Verlinden zou beter het statuut én de aantrekkelijkheid van de job van cipier fors verbeteren, in plaats van veel heil te verwachten van deze halve maatregelen."

Naast een aantal praktische bezwaren zouden er volgens de vakbonden ook juridische bezwaren zijn tegen inzet van de privébewakers in de gevangenissen. Heeft de minister reeds onderzocht of de inzet van privébewakers in de gevangenissen juridisch haalbaar is?

Wat is de reactie op de praktische bezwaren die door de vakbonden werden geformuleerd?

Daar waar uw voorganger heel veel beloftes maakte en niet nakwam bent u veeleer de minister van “onderzoeken". Hebt u een idee wanneer dit onderzoek zal leiden tot resultaten? En wanneer wenst u deze resultaten te implementeren in de gevangenissen?

Zou het niet efficiënter en beter zijn om eindelijk werk maken van een beter statuut voor de cipiers? Welke maatregelen gaat ze daartoe ondernemen? Wanneer mogen we desbetreffend eindelijk resultaten verwachten?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, de administratie onderzoekt deze piste in lijn met het regeerakkoord. Die werd eind 2025 ook met de vakbonden besproken. De bezwaren die door de vakbonden naar voren werden geschoven, worden momenteel onderzocht en er wordt nagegaan of en hoe die verholpen kunnen worden. Dit is geen vrijblijvende studieoefening, want de opening van onder meer de nieuwe gevangenis in Antwerpen, waar we de private bewaking zouden kunnen inzetten, heeft een duidelijke doelstelling en een timing die gekoppeld is aan de geplande opening van de gevangenis en dus het rekruteren van voldoende personeel.

De uitbesteding van bepaalde taken aan een bewakingsonderneming vormt een pragmatische en tijdelijke maatregel die erop gericht is de geplande opening van de gevangenis mogelijk te maken, veiligheidsrisico’s zoals ontsnappingen of incidenten te voorkomen en veilige arbeidsomstandigheden voor het personeel binnen de instelling te waarborgen.

De uitbesteding is uitsluitend gericht op taken zonder contact met gedetineerden, zoals toegangscontrole en perifere bewaking. In totaal gaat het over maximaal 10 % van het kader dat door private bewakingsagenten kan worden ingevuld. De kerntaken van detentie, toezicht op gedetineerden en uitvoering van straffen, blijven dus volledig in handen van de overheid. Daarover bestaat geen twijfel.

Private bewakingsagenten vallen in elk geval onder de strikte toepassing van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Dit wettelijk kader legt strenge voorwaarden op inzake vergunningen, persoonlijke vereisten, opleiding en discretieplicht. Bewakingsondernemingen moeten bovendien beschikken over een voorafgaande machtiging van de minister van Binnenlandse Zaken die om de vijf jaar moet worden vernieuwd, wat een hoog niveau van controle en veiligheid waarborgt. Indien bijkomende wetgevende initiatieven nodig zijn om de inzet van private bewakingsfirma’s mogelijk te maken, zullen die ook in de loop van de komende maanden aan het Parlement worden voorgelegd.

Ik heb uiteraard begrip voor de vragen en bezorgdheden van de vakbonden. Het is een nieuw initiatief en het is logisch dat het personeel zich afvraagt hoe dit concreet zal verlopen. Net daarom wordt in het bestek heel duidelijk vastgelegd welke taken wel en niet worden uitbesteed, hoe de operationele samenwerking verloopt en hoe veiligheid en kennis van procedures worden gegarandeerd. We hebben bovendien al ervaring met private partners binnen justitie, onder meer in justitiepaleizen. Die samenwerking verloopt in de praktijk correct en gecontroleerd en dat neemt niet weg dat dit traject verder in overleg met het personeel zal worden uitgewerkt. Laat mij ook duidelijk zijn: het inzetten van private bewaking staat niet op zichzelf. U verwijst terecht naar de nood aan een aantrekkelijker statuut voor penitentiaire beambten en ook daar zet ik bijzonder hard op in.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u werpt op dat privépartners ook al elders bij Justitie worden ingezet, bijvoorbeeld in de justitiepaleizen. Ik neem aan dat u het hebt over de toegangscontroles in de justitiepaleizen waar al een scanstraat is. Dat mag men echter niet vergelijken met de functie van cipier, van penitentiaire beambte. U zegt dat er al overleg is gepleegd met de vakbonden. Ik kan alleen maar vaststellen dat de vakbonden onmiddellijk negatief hebben gereageerd en zich verzetten tegen uw plan op grond van juridische en praktische bezwaren. Ik kan hen alleen maar steunen in hun pleidooi om hun statuut aantrekkelijker te maken en te verbeteren in plaats van dat u dergelijke maatregelen neemt.

De situatie in Iran

Gesteld door

PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Khalil Aouasti vraagt om expliciete maatregelen om Belgen van Iraanse afkomst en Iraanse inwoners in België te beschermen tegen transnationale repressie door het Iraanse regime, waaronder intimidatie, dreigingen en surveillance via officiële delegaties, met name na de protesten na de dood van Mahsa Amini. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat de Staatsveiligheid actief toezicht houdt op dreigingen, waaronder clandestiene activiteiten en druk vanuit Iran, maar geeft geen operationele details. Aouasti bekritiseert dat Iran eerder via "officiële bezoeken" (bv. de burgemeester van Teheran) Belgische demonstranten fotografeerde en intimideerde, en benadrukt dat Europese inlichtingendiensten al Iraanse moord- en ontvoeringspogingen signaleerden, wat extra waakzaamheid vereist. Hij steunt de Iraanse protestbeweging en eist absolute bescherming van kritische stemmen in België.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, depuis plus de deux semaines, des Iraniennes et des Iraniens clament leur liberté et manifestent dans toutes les villes d'Iran.

Aujourd'hui, nous devons constater que des Belges ou des Iraniens établis sur notre territoire s'inquiètent pour les membres de leur famille restés en Iran. En effet, suite aux premières manifestations, internet a été coupé, rendant difficile voire impossible tout contact entre membres d'une même famille. Cette coupure s'accompagne malheureusement de répression violente et de morts.

Sans entrer dans des considérations diplomatiques, il apparaît aussi important, je pense, de pouvoir assurer la sécurité des Belges d'origine iranienne et des Iraniens qui sont sur le territoire belge. Ils sont, pas seulement depuis les récents événements, mais comme nous avons pu le voir suite à l'assassinat de Mahsa Amini et aux manifestations qui ont suivi, la cible du régime iranien sur le sol belge ou européen, ou ils sont utilisés comme levier pour faire pression sur les familles qui résident toujours en Iran.

À travers les services sur lesquels vous avez la tutelle, que ce soit le parquet fédéral, le parquet général, l'OCAM ou la Sûreté de l'État, je pense qu'il y a une nécessité de ne pas laisser les choses aller et de veiller à ce que la sécurité de nos ressortissants belges d'origine iranienne ou des ressortissants iraniens établis sur le territoire belge soit absolument assurée.

Dans ces circonstances, madame la ministre, pourriez-vous m'indiquer si des dispositifs particuliers sont mis en place au niveau de ces instances afin de monitorer les mouvements potentiels de dignitaires iraniens et de protéger les Belges et les Iraniens établis sur notre territoire?

Annelies Verlinden:

Monsieur Aouasti, la Sûreté de l'État, par ses propres activités et en étroite collaboration avec ses partenaires nationaux et étrangers, observe en permanence les possibles répercussions sécuritaires pour la Belgique, ses citoyens et les intérêts belges au sens large, générées par les foyers d'instabilité dans le monde. La situation actuelle en République islamique d'Iran ne fait pas exception. Sans pouvoir en détailler la nature ou l'ampleur, la Sûreté de l'État mène diverses activités opérationnelles et d'analyse en vue de déterminer, de dissuader et de réduire la menace pesant sur les résidents belges, et notamment les Iraniens établis sur notre territoire.

Cela concerne en effet des situations dites de répression transnationale, lorsque des individus et des entités font l'objet de tentatives d'activités clandestines hostiles de la part de leur pays d'origine, ou des situations de mise sous pression directe ou indirecte par les autorités de leur pays d'origine. L'utilisation de délégations officielles comme possible couverture à des activités clandestines fait également l'objet d'une attention spécifique de la part de la Sûreté de l'État.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, madame la ministre, pour votre réponse. Je ne vais pas vous demander de rentrer dans les détails opérationnels, mais je suis rassuré de constater que cette intention est bel et bien là. Souvenez-vous qu'à la suite de la visite du maire de Téhéran, des personnes ont, sous couvert de délégations officielles comme vous le dites, pris en photo des manifestants belges d'origine iranienne ou des Iraniens, ici sur le territoire bruxellois, pour exercer des pressions sur ces personnes, les utiliser comme levier, faire pression sur leur famille ou encore les menacer directement ou indirectement. Nous savons que les services secrets iraniens ont mené des opérations clandestines sur le territoire européen en vue d'enlever, voire d'assassiner des personnes. Dans le cadre de la fébrilité actuelle du régime iranien, qui fait face à une contestation nationale visant à le faire chuter, je marque tout mon soutien à la population iranienne. Il est plus que nécessaire que les voix qui peuvent s'exprimer ici soient absolument protégées de toute menace – physique ou autre – et que leur sécurité puisse être assurée par nos services. La réunion publique de commission est levée à 19 h 03. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.03 uur.

Popover content