Commissievergadering op 21 januari 2026
Vragen
De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.
Extreem gewelddadige en sadistische online chatgroepen die jongeren viseren
764 en andere sadistische chatgroepen
Sadistische online chatgroepen gericht op jongeren
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden bevestigt dat nihilistisch extremisme (waaronder sadistische chatgroepen zoals 764 en No Lives Matter) in België bekend is bij veiligheidsdiensten en als ideologisch extremisme met potentieel terroristisch karakter wordt opgevolgd, met drie lopende dossiers en actieve internationale samenwerking (OCAD, Europol). Ze benadrukt preventie via de Strategie T.E.R. en aankomende afstemming tussen diensten (DJSOC, FCCU), maar bevestigt geen Belgische zelfmoordgevallen gelinkt aan deze groepen. Oru en Van Hoecke (parlementsleden) bekritiseeren de onderrapportering en dringen aan op versterkte bewustmaking voor kwetsbare jongeren, ouders en scholen, plus betere regionale preventiecoördinatie, ondanks de "geruststellende" opvolging. Van Hoecke waarschuwt dat de verspreiding van deze groepen – die macht en vernedering als drijfveer hebben – onvermijdelijk lijkt, gegeven de buitenlandse voorbeelden (bv. vijf Nederlandse zelfmoordpogingen).
Funda Oru:
Mevrouw de minister, Child Focus signaleerde heel recent het bestaan van extreem gewelddadige online netwerken die jongeren manipuleren, intimideren en aanzetten tot zelfverwonding of erger. Wat dat bijzonder zorgwekkend maakt, is waar dat gebeurt: niet in de krochten van het darkweb, maar op plaatsen waar kinderen elke dag aanwezig zijn, zoals TikTok en online games zoals Roblox. Extra alarmerend is dat het vaak niet om geld draait, maar om macht, vernedering en het systematisch breken van kwetsbare jongeren.
Child Focus en Europol waarschuwen beide dat we waarschijnlijk maar een deel van het probleem zien. Veel gevallen blijven onder de radar en het fenomeen stopt duidelijk niet aan onze landsgrenzen.
Is uw departement op de hoogte van het bestaan en de activiteiten van die extreem gewelddadige online chatgroepen in België, en werden daarover al dossiers geopend door politiediensten of het parket? Wordt het fenomeen momenteel opgevolgd vanuit het oogpunt van radicalisering, extremisme of georganiseerde criminaliteit, zoals door Child Focus wordt gesuggereerd?
Welke concrete maatregelen worden genomen om jongeren beter te beschermen tegen dergelijke online netwerken, zowel preventief als repressief? Hoe verloopt de samenwerking tussen de federale diensten, Child Focus, het parket en internationale partners, zoals Europol, bij de opsporing en vervolging van de daders?
Bent u bereid om bijkomende initiatieven te nemen op het vlak van bewustmaking, vroegdetectie en meldingsbereidheid bij jongeren, ouders en scholen, gelet op de grote schaamte en onderrapportering die met dat fenomeen gepaard gaan?
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, Child Focus trekt inderdaad aan de alarmbel over sadistische chatgroepen die online open en bloot circuleren. Het gaat om chatgroepen waarin jongeren onder druk worden gezet en elkaar aansporen om vaak heel extreme vormen van geweld te plegen en daar ook beelden van te verspreiden. Dat is waar dat netwerk in essentie op draait. In sommige gevallen gaat het om zelfverminking, dus niet om beelden van geweld tegen anderen, maar om geweld dat men zichzelf aandoet. Er zijn gevallen bekend van slachtoffers die zichzelf moeten verminken of seksueel geweld op zichzelf moeten plegen.
Die chatgroepen zijn gelinkt aan 764. Dat is een beruchte chatgroep waarin wordt opgeroepen tot extreme en steeds extremere vormen van geweld en tot de verspreiding van beelden daarvan. Dat fenomeen kan heel snel volledig ontsporen. Dat blijkt ook wanneer we de landsgrens oversteken, want in Nederland deden de afgelopen twee jaar vijf meisjes een zelfmoordpoging onder invloed van die chatgroepen. Dat zijn alleen de gevallen waarvan we officieel weten dat ze gelinkt zijn aan die chatgroepen.
Eerder sprak Europol in zijn jaarrapport al een waarschuwing uit. Het is niet de eerste keer dat dit fenomeen naar boven komt bij onlinegroepen die zichzelf vaak omschrijven als de No Lives Matter-beweging of de COM, een verwijzing naar de community.
In een vorig antwoord op vragen die ik u stelde in de commissie voor Justitie hebt u gezegd dat tijdens internationale vergaderingen collega’s uit het buitenland wezen op de problematiek van netwerken zoals 764 en vergelijkbare groeperingen. U hebt ook gesteld dat er, wat de opsporing en monitoring van dergelijke onlinegroepen betreft, al informatie werd uitgewisseld met internationale partners.
Mevrouw de minister, op welke manier heeft het fenomeen zich in de tussentijd verder ontwikkeld in ons land, en welke evoluties zien we daar?
Zijn er ook in ons land zelfmoordpogingen geweest die werden aangestuurd vanuit dergelijke chatgroepen, zoals in Nederland, en zo ja, om hoeveel gevallen ging het?
Hoe verloopt die informatie-uitwisseling met internationale partners waarnaar u verwees, en zijn er op dat vlak bepaalde knelpunten?
Tot slot, werden er al personen vervolgd naar aanleiding van activiteiten in die chatgroepen?
Annelies Verlinden:
Mevrouw Oru, mijnheer Van Hoecke, nihilistisch extremisme is een transnationaal fenomeen waarvan de exacte grootte moeilijk kan worden ingeschat. Het OCAD ziet het fenomeen als ideologisch geïnspireerd extremisme en stelt dat het in sommige gevallen ook potentieel terroristisch van aard kan zijn.
Binnen het Belgisch veiligheidslandschap is het fenomeen bekend en baart het de nodige zorgen. Het parket en zowel de inlichtingen- als veiligheidsdiensten zijn op de hoogte en volgen de situatie actief op. Er zijn minstens drie dossiers lopende.
Er wordt sterk ingezet op sensibilisering in het kader van de Strategie T.E.R. In dat kader, waarbij alle beleidsniveaus betrokken zijn, ligt een grote verantwoordelijkheid bij preventie. Dat gebeurt op regionaal vlak. Momenteel zijn al enkele entiteiten opgenomen in de GGB T.E.R. in verband met dat fenomeen. Binnenkort zal DJSOC ook intern samenzitten met de betrokken diensten inzake terrorisme, cyber, child abuse en de FCCU, IT en ERU, om na te denken over een gestructureerde aanpak.
De veiligheidsdiensten die betrokken zijn bij de opvolging van dat fenomeen wisselen op regelmatige basis informatie uit, ook op internationaal niveau. Entiteiten kunnen besproken worden op veiligheidsgerichte opvolgingsplatformen, zoals de JIC/JDC of op LTF-niveau, en binnen sociopreventieve platformen, zoals de LIVC-R. Dat laatste platform verdient bijzondere aandacht, aangezien het vaak, maar niet uitsluitend, gaat om relatief jonge daders, onder wie minderjarigen.
In België heeft men vooralsnog geen slachtoffers van aanzet tot zelfdoding kunnen linken aan het fenomeen van nihilistisch extremisme.
Funda Oru:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is enigszins geruststellend dat de problematiek op de agenda staat en dat de veiligheidsdiensten het opvolgen, maar het is geen randfenomeen meer. Dat is zeer zorgwekkend.
Aangezien Child Focus en Europol aangeven dat er sprake is van onderrapportering, is het belangrijk dat we dat niet loslaten. Ik heb er echter alle vertrouwen in dat het verder wordt opgevolgd om onze kinderen te beschermen in de digitale wereld.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoord. De sadistische chatgroepen trekken vooral kwetsbare jongeren aan. Dat zullen we waarschijnlijk vaststellen in zowel het daderprofiel als bij de slachtoffers. Vooral kwetsbare jongeren trappen in die val. Het is zeer positief dat er nog geen linken zijn vastgesteld met zelfmoorden in ons land. We moeten daar wel waakzaam voor blijven. De kans dat het fenomeen zich niet verder verspreidt, is redelijk klein, zeker als we naar het buitenland kijken. U hebt ook preventie op regionaal vlak aangehaald. Preventie is inderdaad een regionale bevoegdheid, maar ik wil u vragen om daarover zeker ook met de ministers in de Vlaamse regering en de andere deelstaten te spreken en ervoor te zorgen dat maximaal op preventie wordt ingezet. Het is heel belangrijk dat kwetsbare jongeren weten in welke val ze kunnen lopen en wat de mogelijke gevolgen zijn van die verschrikkelijke sadistische chatgroepen die online overal circuleren.
De in Noord-Macedonië gedetineerde Belg
De overbrenging van Lars De Smet
De detentie van Lars De Smet in Noord-Macedonië
De zaak van Lars De Smet in Noord-Macedonië
Gesteld door
VB
Alexander Van Hoecke
Open Vld
Sandro Di Nunzio
Vooruit
Annick Lambrecht
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Parlementsleden Van Hoecke (Vlaams Belang) en Di Nunzio bekritiseren dat de Belgische gevangene Lars De Smet al vier jaar in "structureel onmenselijke" Noord-Macedonische gevangenissen zit, met ernstige medische en psychologische problemen, terwijl de familie klaagt over gebrek aan actie en pingpong tussen Justitie en Buitenlandse Zaken. Minister Verlinden (Justitie) bevestigt dat Noord-Macedonië in augustus 2023 een goedgekeurde overbrenging plots weigerde (zonder motivatie) en benadrukt dat beide ministeries het dossier opvolgen, maar geen concrete vooruitgang boeken—wat de parlementsleden "onacceptabel" noemen. Zij eisen dringende diplomatieke druk, betere communicatie met de familie en een hernieuwde overbrengingspoging, terwijl Verlinden belooft het dossier "van nabij" te blijven volgen.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, Lars De Smet is een jongeman uit Aalst die al vier jaar in de cel zit in Noord-Macedonië. De lokale rechtbanken hebben hem veroordeeld tot een celstraf van zes jaar. Hij zit sinds mei 2022 opgesloten. Hij werd opgesloten in twee Macedonische gevangenissen, volgens de informatie die ons bereikte. De Raad van Europa heeft die gevangenissen herhaaldelijk omschreven als structureel onmenselijk met ernstige tekortkomingen op het vlak van veiligheid, medische zorgverlening en basisrechten.
De Belgische Staat is sinds 2022 formeel op de hoogte van de ernstige medische en psychologische problemen waar Lars mee kampt. Roland, de vader van Lars, trekt al de hele tijd aan de alarmbel. Om het in zijn woorden te zeggen: Lars is uitgeput, ziek en volledig op zichzelf aangewezen.
Verschillende collega's die vandaag in deze commissie aanwezig zijn, hebben vorige week de minister van Buitenlandse Zaken over de kwestie ondervraagd. Ik had zelf voor de kerstvakantie een schriftelijke vraag ingediend, maar gezien de tijdsdruk en de ernst van het dossier leek het mij beter die vragen ook meteen mondeling aan u te richten vandaag.
De minister van Buitenlandse Zaken stelde vorige week dat de situatie vanuit de Belgische ambassade nauw wordt opgevolgd, maar verwees voor alle vragen wat de overlevering van Lars naar België betreft naar u, in uw hoedanigheid van minister van Justitie. Hij stelde ook dat de diensten van de minister van Buitenlandse Zaken in regelmatig contact staan met de diensten van Justitie over deze zaak en dat u bevoegd bent voor de uitvoering van het overbrengingsverdrag van de Raad van Europa. Vandaar heb ik voor u vandaag de volgende vragen, mevrouw de minister.
Ten eerste, hoe gebeurde de opvolging vanuit Justitie bij de Noord-Macedonische autoriteiten de afgelopen jaren? Kunt u daar wat meer context over geven?
Ten tweede, hoeveel bezoeken, gesprekken of interventies vonden er vanuit Justitie daadwerkelijk plaats?
Ten derde, welke opvolging werd gegeven aan de signalen van procedurefouten of mogelijke problemen met detentieomstandigheden?
Ten vierde, hebt u zelf al rechtstreeks face to face overleg gepleegd met de minister van Buitenlandse Zaken over deze kwestie? Hebt u dit dossier ook al formeel onder de aandacht gebracht bij uw Noord-Macedonische ambtgenoot of bij de ambassadeur in Brussel? Zo ja, wanneer en wat was de reactie? Zo niet, waarom niet en wanneer zal dat gebeuren?
Tot slot vallen België en Noord-Macedonië allebei onder het verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen. Hoe staat het met de uitvoering van dat verdrag in deze casus? Welke stappen zijn er ondertussen gezet? Welke moeilijkheden hebt u daarbij zien opduiken? Hoe zal dit verder worden opgevolgd en wat zult u ondernemen om schot in de zaak te krijgen?
Sandro Di Nunzio:
Mevrouw de minister, de collega van het Vlaams Belang heeft de context al volledig geschetst. Ik zal dat niet opnieuw doen. Ook wij hebben alarmerende signalen ontvangen vanwege de familie van Lars De Smet over de situatie waarin hij zich bevindt, zowel op het vlak van voeding en ondervoeding als wat betreft de fysieke mishandelingen die hij in Noord-Macedonië ondergaat. Wanneer een landgenoot van ons in het buitenland opgesloten zit en er gevreesd moet worden voor zijn veiligheid en gezondheid, lijkt het mij gerechtvaardigd dat wij daar in het Parlement vragen over stellen.
In eerste instantie verwijs ik naar wat eerder aan de minister van Buitenlandse Zaken is voorgelegd. Minister Prévot heeft toen geantwoord dat vanuit zijn diensten alle mogelijke stappen genomen zouden zijn, onder meer wat consulaire bijstand betreft. Wij horen echter van de familie dat zij dat tegenspreekt en het gevoel heeft dat niet alles wordt gedaan wat nodig is om de levensomstandigheden van Lars te verbeteren. Dat wordt dus in twijfel getrokken.
In tweede instantie heeft de minister van Buitenlandse Zaken expliciet verwezen naar Justitie en naar uw diensten. De collega van het Vlaams Belang heeft het al gezegd, specifiek wat de overbrengingsprocedure betreft, die onder de bevoegdheid van Justitie valt. Ik kan meegeven, en ik heb dat ook in mijn vraagstelling omschreven, dat de familie zich van het kastje naar de muur gestuurd voelt, waarbij Justitie en Buitenlandse Zaken naar elkaar verwijzen. Volgens Justitie zou het gaan om een administratieve afhandeling die door Buitenlandse Zaken kan gebeuren, terwijl volgens Buitenlandse Zaken de angel van het probleem bij Justitie zit.
De vraag is nochtans duidelijk. Hopelijk kunnen beide instanties, samen met u en uw collega van Buitenlandse Zaken, aan hetzelfde zeel trekken, zodat de levensomstandigheden van Lars verbeteren en hij ook effectief, en niet slechts mogelijk, naar ons land wordt overgebracht.
Ik verwijs daarom naar wat ik schriftelijk heb ingediend en de deelvragen die daarin zijn opgenomen. Ik vraag u om toe te lichten waar de knoop precies zit op het vlak van Justitie en hoe de afstemming verloopt met uw collega van Buitenlandse Zaken. Ik dank u.
Voorzitter:
Mevrouw Lambrecht is niet aanwezig.
Annelies Verlinden:
Dank u wel, collega’s. Vooraleer ik inga op de diverse vragen, wil ik duidelijk aangeven dat ik mij het lot van elke onderdaan in een buitenlandse gevangenis zeker aantrek. Wij hebben vaak contact met de familie, zowel via de betrokken diensten als via het kabinet, over dossiers om na te gaan hoe we, waar nodig en mogelijk, een doorbraak kunnen realiseren.
Daarbij moet uiteraard rekening worden gehouden met de verdragsrechtelijke basis en moeten de procedures worden gerespecteerd, zodat de situatie en vooral de juridische positie van de betrokkenen niet verder worden bemoeilijkt. Dergelijke demarches hebben in het verleden al meermaals geleid tot betere detentieomstandigheden of een beter toekomstperspectief. Dat is ook precies de reden waarom we dat blijven doen.
Mijn kabinet en ook het kabinet van de minister van Buitenlandse Zaken blijven, zoals u net zei, regelmatig in contact over het dossier van de heer De Smet. Wij worden ook rechtstreeks gecontacteerd door de familie. Het dossier wordt uiteraard nauw opgevolgd, in contact met de autoriteiten van Noord-Macedonië. U weet dat ik niet in detail kan ingaan op individuele dossiers, maar ik schets u wel de algemene stand van zaken.
De vraag over consulaire bijstand ter plaatse behoort tot de bevoegdheid van de FOD Buitenlandse Zaken, waarvoor collega Prévot bevoegd is. Sinds oktober 2023, toen de situatie van de heer De Smet in Noord-Macedonië door zijn vader werd aangemeld bij de FOD Justitie, volgt Justitie dit dossier actief op. De Centrale Autoriteit van de FOD Justitie staat in rechtstreeks contact met de minister van Justitie van Noord-Macedonië en met de rechtbank van Skopje die de veroordeling heeft uitgesproken.
Noord-Macedonië is partij bij het Verdrag van de Raad van Europa van 21 maart 1983 inzake de overbrenging van gevonniste personen. Dat vormt de wettelijke verdragsbasis voor dit individuele overbrengingsdossier. Nadat Noord-Macedonië instemming had gegeven met de overbrenging heeft de Centrale Autoriteit Internationale Samenwerking in Strafzaken van de FOD Justitie aan de federale politie de opdracht gegeven om de overbrenging van Lars De Smet te organiseren. Die zou op 9 september van vorig jaar worden uitgevoerd. Op 7 augustus hebben de Noord-Macedonische autoriteiten echter laten weten niet langer in te stemmen met de overbrenging. Dat is een soevereine beslissing van de Noord-Macedonische autoriteiten, zoals die ons is meegedeeld.
Ik kan niet inschatten wanneer Noord-Macedonië zijn beslissing over de tussenstaatse overbrenging zal heroverwegen, maar de diensten en het kabinet blijven dit dossier van nabij opvolgen, in de hoop daar zo snel mogelijk duidelijkheid over te krijgen.
Alexander Van Hoecke:
Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.
Ik onthoud dat u via de diensten van Justitie en het kabinet in contact staat met de familie van Lars. Wat mij vooral zorgen baart, is dat Noord-Macedonië op een bepaald moment heeft meegedeeld niet langer akkoord te gaan met de overbrenging, zonder dat daar een gemotiveerde reden voor werd gegeven, en dat er nadien geen enkele vooruitgang meer is geboekt. Dan lijkt het mij dat het initiatief aan onze kant moet liggen. Het moet vanuit België komen dat er druk wordt gezet en dat er een duidelijk signaal wordt gegeven aan de Noord-Macedonische autoriteiten: wij laten dit niet los, wij zijn Lars niet vergeten. Hij zit daar nog steeds in de cel. Wij willen minstens een duidelijke verklaring en zekerheid dat de detentieomstandigheden aanvaardbaar zijn. Zo niet, dan willen wij dat Lars wordt overgebracht.
Ik reken erop dat u samen met de minister van Buitenlandse Zaken hierop keihard blijft inzetten. Ik hoop oprecht dat u dat zult doen. Ik hoop eveneens dat u regelmatig contact blijft opnemen met de autoriteiten in Noord-Macedonië, telkens opnieuw de stand van zaken opvraagt en blijft aandringen op een akkoord over die overbrenging. Wij blijven dit alleszins opvolgen, want zolang Lars daar vastzit in mensonterende omstandigheden, kunnen wij dat absoluut niet aanvaarden. Wij zullen dit blijven opvolgen tot Lars terug in België is. Dank u wel.
Sandro Di Nunzio:
Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoorden, en in het bijzonder voor de opheldering rond de eerder geplande overbrenging die uiteindelijk niet is doorgegaan. Dat was inderdaad een van de vragen die wij hadden gesteld.
Wat ik vooral onthoud, zijn twee zaken. Wanneer ik de signalen van de familie hoor, met wie u en uw diensten in contact staan, is er toch minstens de perceptie, al dan niet terecht, dat niet altijd tijdige en voldoende duidelijke informatie wordt verstrekt. Ik wil daarom in mijn repliek een warme oproep doen om daar zeker de nodige aandacht aan te besteden.
Ik meen ook te weten dat u er altijd naar streeft prioriteit te geven aan mensen die in moeilijkheden verkeren, die slachtoffer zijn of zich slachtoffer voelen. Volgens mij is het hier echt noodzakelijk, gelet op wat de familie aangeeft, om daar volop in te investeren, uiteraard ook in overleg met de diensten van de minister van Buitenlandse Zaken, zodat voor iedereen duidelijk is waar men aan toe is.
Wat mij vooral zorgen baart in uw antwoord, en ik begrijp dat u niet in detail kunt treden, is dat ik geen enkel spoor zie van een doorbraak, noch wat betreft een verbetering van de levensomstandigheden, noch in het kader van de overbrenging. Dat is op zich zorgwekkend. Ik zeg uiteraard niet dat u daar persoonlijk iets aan kunt doen, maar de vraag stelt zich wel of de familie enige hoop kan koesteren op verbetering. Dat horen wij vandaag niet.
Ik vermoed dus dat dit iets is dat we goed moeten blijven opvolgen. Informeer de familie correct en tijdig, en dan zullen we zien wat het verdere verloop is. Ik hoop dat Lars op betere omstandigheden mag rekenen en, in een ideale wereld, dat u binnenkort met de boodschap kunt komen dat hij effectief naar België wordt overgebracht.
Wij zullen dit blijven opvolgen. Ik dank u.
Voorzitter:
Aan de orde zijn de samengevoegde interpellatie en vraag, nrs. 56000218I en 56012705C, van de heer Van Hoecke en mevrouw De Wit.
Alexander Van Hoecke:
Mijnheer de voorzitter, aangezien collega De Wit vandaag niet aanwezig kan zijn, wil ik dit punt graag laten uitstellen, uit collegialiteit.
Voorzitter:
We zullen dit punt uitstellen.
Vzw Het Huis
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexander Van Hoecke bekritiseert minister Annelies Verlinden omdat zij zijn concrete vragen over vzw Het Huis (veiligheid kinderen, signalen over misbruik, drugs en ongekwalificeerde vrijwilligers) ontwijkt met algemene antwoorden, terwijl hij als parlementslid controle eist op haar beleid. Hij stelt dat ouders en signalen al jaren aangeven dat de vzw onveilig is, maar dat er geen daadkrachtig ingrijpen komt—ondanks herhaalde vragen en bezorgdheden bij familierechtbanken. Verlinden benadrukt dat kinderveiligheid prioriteit is, bevestigt dat ze bij collega Demir aangedrongen heeft op capaciteitsuitbreiding bij CAW’s (nog zonder resultaat), maar ontkent officiële klachten over Het Huis. Ze belooft signalen te onderzoeken, maar Van Hoecke blijft ontevreden en eist directe actie, inclusief eigen onderzoek naar de vzw en kritischer opstelling van rechtbanken, die volgens hem klachten negeren.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, dit is een vraag die ik u vorige week al heb gesteld. In de commissievergadering van vorige week heb ik u een aantal concrete vragen over vzw Het Huis voorgelegd. U bent toen niet ingegaan op die concrete vragen, maar hebt geantwoord met een algemeen statement.
Ik heb daar even over nagedacht en besloten om mijn vraag gewoon opnieuw in te dienen, omdat ik vind dat dit niet zomaar kan passeren. We hebben een job als parlementslid. We zijn verkozen om controle uit te oefenen op de uitvoerende macht, dus ook op u. Dat betekent dat het niet geheel vrijblijvend is wanneer we u vragen stellen: u kunt niet kiezen of u daarop antwoordt of niet.
U kunt zeggen dat u onvoldoende gegevens hebt of dat het niet uw bevoegdheid is, waardoor u geen antwoord kunt geven. U kunt echter niet zeggen dat u geen zin hebt om te antwoorden en daarom gewoon niet op de vragen ingaat. Ik heb mijn vragen daarom opnieuw ingediend en hoop dat u vandaag wel een antwoord kunt geven op die concrete vragen.
Zoniet ben ik verplicht om ze volgende week opnieuw in te dienen. Dit is een principiële kwestie. We stellen vragen in deze commissievergadering en doen dat niet zomaar. Dat is onze job en u hebt ook de verplichting om daarop te antwoorden.
Ik zal de vragen nog heel kort overlopen. Ten eerste, u stelde eerder dat u op 17 november een schriftelijk verzoek hebt gericht aan Vlaams minister Zuhal Demir om de capaciteit van de bezoekruimtes bij de centra algemeen welzijnswerk (CAW’s) structureel uit te breiden. Hebt u daar ondertussen een antwoord op ontvangen? Kunt u dat antwoord delen? Zo niet, zult u opnieuw aandringen bij uw Vlaamse collega op een structurele oplossing?
Ten tweede, zijn er nog gesprekken geweest met de familierechtbanken die doorverwijzen naar Het Huis? Zo ja, hebt u daarbij de bezorgdheden over de vzw doorgegeven? Wat was hun reactie? Hebt u zelf al contact opgenomen met de vzw om haar werking nader te bekijken?
Tot slot, hebt u ondertussen nog andere signalen ontvangen die de werking van vzw Het Huis in twijfel trekken? Zo ja, welke signalen en welk gevolg werd daaraan gegeven?
Annelies Verlinden:
Collega Van Hoecke, sta mij toch even toe te reageren wanneer u zegt dat ik geen antwoord geef, terwijl u in uw eerste vraag verwijst naar een antwoord dat ik eerder heb gegeven en naar aanleiding daarvan een bijkomende vraag stelt. Daarmee is dat ook uitgeklaard.
We hebben inderdaad al verschillende keren over dit thema gesproken en ik verwijs daarom ook naar de voorgaande antwoorden op de vragen die u stelde. Zoals ik eerder al aangaf - dat wil ik desnoods blijven herhalen - moet de veiligheid van onze kinderen altijd de eerste prioriteit zijn. We kunnen niet toestaan dat zij terechtkomen in een context waarin toezicht en professionaliteit ontbreken. Dat is en blijft mijn grootste bezorgdheid.
Ik heb in november van vorig jaar inderdaad een schrijven gericht aan collega Zuhal Demir, waarin ik blijf aandringen op een structurele oplossing om de capaciteit van de bezoekruimtes bij de CAW’s uit te breiden. Die uitbreiding is er vandaag nog niet. Daardoor werken de familierechtbanken, gelet op het gebrek aan voldoende capaciteit in de bezoekruimtes van de CAW’s, momenteel ook samen met deze vzw.
Op basis van de informatie die mij werd verstrekt, zijn er voor zover mij bekend tot heden geen officiële klachten tegen Het Huis ingediend bij de politie of bij het parket. De familierechtbanken die overgaan tot de aanstelling van Het Huis hebben evenmin kennis van klachten over de werking ervan.
Vanzelfsprekend zal ik eventuele bezorgdheden of verontrustende berichten over de werking van de vzw die mijn kabinet bereiken, steeds zorgvuldig laten onderzoeken. Ik heb mijn ambitie in dat verband nogmaals onderschreven. We werken met de situatie zoals die vandaag is en doen elke dag wat mogelijk is om de veiligheid van de kinderen te verbeteren. Ik dank u.
Alexander Van Hoecke:
Sta mij toe te zeggen dat ik dit nog altijd een zeer algemeen antwoord vind. Ik stel deze vraag en blijf ze stellen om een eenvoudige reden. Er zijn heel veel ouders die hun kinderen naar vzw Het Huis moeten sturen en die allemaal dezelfde signalen geven: dat is geen veilige omgeving voor kinderen. Kinderen worden daar geconfronteerd met daders van seksueel misbruik en met drugsverslaafden. Dat is absoluut niet veilig. Vzw Het Huis werkt met vrijwilligers, mensen die het wellicht goed bedoelen, maar die op geen enkele manier gekwalificeerd zijn om met kwetsbare kinderen om te gaan.
Als we dat allemaal weten, als die signalen er al jaren zijn, dan grijpen we toch in. Het lijkt mij logisch dat er dan vanuit de politiek, vanuit het beleid, van de minister van Justitie een duidelijk signaal komt: ik neem dit ernstig, ik ga zelf kijken naar vzw Het Huis, ik ga de familierechtbanken blijven aanspreken op alle signalen die naar boven komen en ik ga ervoor zorgen dat we de veiligheid van onze kinderen ernstig nemen en daar ook actie aan koppelen.
Ik blijf dus toch wat op mijn honger. Ik vind het jammer dat u niet concreter ingrijpt. Dit is absoluut geen afgesloten verhaal. Ik vind het enorm jammer voor alle ouders die daar wakker van liggen en die oprecht worstelen met het feit dat hun kinderen naar dat huis moeten. Ik hoop dat u hen ernstig neemt.
Ik hoop ook dat als zij u zelf contacteren, u hen keer op keer een duidelijk antwoord kunt geven. Geloof mij, mevrouw de minister, heel veel ouders hebben slapeloze nachten over het feit dat hun kinderen naar vzw Het Huis worden gestuurd. Het lijkt erop dat de familierechtbanken alles, maar dan ook alles wat de vzw Het Huis in haar verslagen schrijft voor waar aannemen. Ik denk dat het einde hiervan nog niet is gezien. We blijven dit verder opvolgen. Ik hoop alleszins op beterschap, in het belang van al die ouders en al die kinderen.
Voorzitter:
Les questions jointes n° 56012520C de Mme Marijke Dillen, n° 56012522C de M. Julien Ribaudo, n° 56012536C de M. Ortwin Depoortere, n° 56012552C de Mme Kristien Van Vaerenbergh et n° 56012558C de Mme Maaike De Vreese sont reportées à la demande de leurs auteurs.
V-Europe, Saint-Luc, UZ Leuven, vzw's en de facultatieve subsidies in 2026
De slachtoffercoaches van V-Europe
De financiering van de forensisch medische instituten
Financiering en ondersteuning van slachtofferhulp en forensische zorginstellingen
Gesteld door
PS
Khalil Aouasti
Open Vld
Paul Van Tigchelt
Open Vld
Paul Van Tigchelt
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Khalil Aouasti bekritiseert minister Verlinden omdat zij de weigering van facultatieve subsidies (o.a. voor Casa Legal, V-Europe en forensische instituten) verkeerdelijk wijt aan de voorlopige twaalfden in plaats van aan de regeringsverantwoordelijkheid voor het ontbreken van een volwaardig budget. Volgens hem leidt dit tot massale ontslagen (bijv. alle coaches bij V-Europe) en het stopzetten van essentiële justitiële diensten, terwijl de minister geen zekerheid biedt over toekomstige financiering en bankkredieten onmogelijk maakt door de onduidelijkheid. Verlinden benadrukt dat facultatieve subsidies nooit bedoeld zijn als enige inkomstenbron en dat vertraging ontstaat door administratieve controles (o.a. onderbezetting), maar bevestigt dat er in 2026 géén nieuwe subsidies komen in de voorlopige twaalfden en dat rationalisering eraan komt. Ze erkent wel voorschotten voor 2025 (bijv. €1,3 mln voor FMI’s), maar Van Tigchelt en Aouasti wijzen op de acute crisis: cruciale projecten (zoals slachtofferbegeleiding na terrorisme) liggen stil door gebrek aan financiering, met directe gevolgen voor personeel en maatschappelijke missies.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, la semaine dernière, dans le cadre du débat relatif au cabinet d'avocats Casa Legal, vous aviez justifié l’absence de versement de subside facultatif par le fait que nous étions en douzièmes provisoires. Je vous avais déjà expliqué qu'une telle justification était fausse sur le plan technique dans la mesure où les douzièmes provisoires ont pour vocation de permettre la poursuite de la politique menée l’année antérieure, d'autant plus que des moyens y sont prévus à cette fin. De plus, une telle justification est également dramatique sur le plan politique puisque vous faites porter la responsabilité de l’absence de budget de plein exercice non sur les épaules du gouvernement qui ne l'a pas confectionné avant le 31 décembre, mais sur celles des structures qui mènent des politiques publiques, alors même qu'il en va de votre responsabilité.
Au vu de votre argumentation, je me suis donc intéressé à l’impact d’une telle décision et j'ai consulté les arrêtés royaux pris pour les subsides facultatifs. J'ai sélectionné ceux qui représentaient les montants les plus élevés. Si vous n'éprouvez aucune empathie pour Casa Legal – dont je rappelle que le personnel fait l'objet d'une procédure de licenciement, avec un préavis qui court jusqu'au mois de mars –, les autres structures, et des plus importantes, sont notamment l’association V-Europe, qui accompagne les victimes d’attentats terroristes, les Cliniques universitaires Saint-Luc et leur centre de médecine légale ou encore l’UZ Leuven.
Madame la ministre, pourriez-vous m’indiquer pour ces structures quand les subsides 2025 ont été liquidés pour leur dernière tranche? Une décision identique de ne pas leur octroyer de subsides dans le cadre des douzièmes provisoires a-t-elle été prise à leur encontre? Si non, pourquoi cette différence? Si oui, avec quel effet, en particulier sur leur personnel? Ces structures ont-elles dû, à l’instar de Casa Legal, prendre des décisions de licenciements compromettant leurs missions pour 2026? Si oui, combien de personnes y exercent encore les missions déléguées?
Paul Van Tigchelt:
De context is geschetst door collega Aouasti. Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding, mijnheer de voorzitter, met de nuance voor het verslag dat er in mijn vraag een fout staat wat het FMI betreft, het Forensisch Medisch Instituut. Dat bestaat in Leuven en in Brussel, niet in Luik. In mijn vraag stond Luik, waarvoor mijn excuses.
Met V-Europe zetten we in 2021 vanuit Justitie een systeem van slachtoffercoaches op voor de begeleiding van slachtoffers van terrorisme. Het betreft een andere manier om met de slachtoffers om te gaan en is een project gebleken dat de voorbije jaren zijn meerwaarde ruimschoots heeft aangetoond.
Is de financiering van de slachtoffercoaches voor de begeleiding van slachtoffers van terrorisme, zoals die in de vorige legislatuur werd opgezet, nog steeds oké? Tijdens de bespreking van de Beleidsnota 2025 in de commissie justitie verzekerde u me dat “er geen intentie is om deze subsidie stop te zetten," en dat “gezien het zeer verbindende werk dat V-Europe verricht, zij ondersteuning verdient."
In het kader daarvan heb ik volgende vragen voor u:
1. Hoeveel subsidies werden in 2025 uitgekeerd?
2. Hoeveel worden er in 2026 uitgekeerd en wanneer?
3. Hoeveel slachtoffercoaches zijn er vandaag de dag nog werkzaam bij V-Europe?
In november 2023 werd UZ Leuven door Justitie erkend als eerste Forensisch Medisch Instituut (FMI) van België, als onderdeel van het voornemen om op termijn vijf FMI's uit te bouwen die het hele land afdekken. In dat kader lopen vandaag twee pilootprojecten, namelijk bij UZ Leuven en bij het Institut Médico-Légal Liège, die door Justitie worden gesubsidieerd.
Voor 2024 werd voor deze twee centra samen 1.781.000 euro aan subsidies voorzien. Dergelijke projecten zijn cruciaal om de gerechtelijke geneeskunde te professionaliseren, de kwaliteit en uniformiteit van expertise te versterken, en de instroom en omkadering van wetsdokters structureel te verbeteren.
In het kader daarvan heb ik volgende vragen voor u:
1. Hoeveel subsidies werden in 2025 uitgekeerd?
2. Wat is de stand van zaken van de uitrol naar vijf FMI's? Welke stappen zijn al gezet? Welke timing voorziet u voor erkenning/opstart van bijkomende FMI's? Welke selectiecriteria zullen daarbij gelden?
3. Kan u bevestigen dat de financiering van deze FMI-pilootprojecten gegarandeerd blijft?
4. Hoeveel subsidies worden er in 2026 uitgekeerd en wanneer?
Annelies Verlinden:
La subvention facultative permet de soutenir financièrement des initiatives d’utilité publique. Pour la structure subventionnée, il s’agit toutefois d’un mode de financement par nature fragile, puisqu’il repose sur un pouvoir discrétionnaire fondé sur les moyens disponibles et qui implique également une lourde charge administrative. En effet, pour obtenir le remboursement d’une dépense, la structure subventionnée doit démontrer qu’elle concourt aux objectifs visés par le subventionnement, que la dépense est opportune et qu’elle a été engagée durant l’année couverte par la subvention.
Il en ressort qu’une subvention constitue un soutien financier partiel pour les structures, mais que celles-ci ne devraient pas fonder leur équilibre financier sur une seule subvention facultative. En l’espèce, l’administration du SPF Justice a liquidé l’avance de plusieurs subventions pour l’exercice 2025 en toute fin d’année, voire au début de l’année 2026, principalement en raison d’un sous-effectif. L’octroi de ces subventions est en effet l’aboutissement d’un travail particulièrement fastidieux de contrôle des dépenses de l’année précédente. La dernière tranche de la subvention 2025, à savoir le solde, sera liquidée après le contrôle de la justification des dépenses, c’est-à-dire en 2026. Les soldes de 2025 pour les structures auxquelles vous faites référence n’ont donc pas encore été liquidés, celles-ci n’ayant pas encore transmis les pièces justificatives des dépenses.
Aucune subvention facultative pour l’année 2026 ne sera octroyée dans le cadre des douzièmes provisoires. Les crédits disponibles au cours du premier trimestre 2026 pourront toutefois être utilisés pour liquider le solde de la subvention 2025, à condition que les structures subventionnées aient transmis leurs pièces justificatives et que l’administration estime, à l’issue de son contrôle, que les dépenses sont admissibles.
Le budget général des dépenses pour l’année 2026 n’ayant pas encore été approuvé, il n’est pas possible de confirmer qu’une subvention sera octroyée pour cette même année, ni d’en communiquer le montant. Par ailleurs, le contrôle budgétaire 2026 annonce déjà un exercice de rationalisation des subventions fédérales.
Voor het overige volgt hieronder de gevraagde, gedetailleerde informatie met betrekking tot V-Europe en de Forensisch Medische Instituten.
V-Europe heeft in 2025 300.000 euro subsidies ontvangen. Daarbij werd meegedeeld dat de diensten van vier coaches werden ingeschakeld voor de begeleiding van slachtoffers van terroristische aanslagen. De Forensisch Medische Instituten hebben in 2025 het saldo van de subsidie voor 2024 ontvangen, namelijk 445.250 euro, en begin 2026 het voorschot voor de subsidie voor 2025, namelijk 1.335.750 euro.
Vandaag zijn er inderdaad twee FMI’s operationeel. De bedoeling is die methode uit te breiden naar andere sites om een gelijke kwaliteit van de dienstverlening over het hele Belgische grondgebied te kunnen garanderen. De financiering voor de uitrol van die bijkomende FMI’s is, gelet op het grote belang dat ik hecht aan de forensische geneeskunde, opgenomen in de interdepartementale provisie.
Het project is onder leiding van het NICC geplaatst om het beter in lijn te brengen met de behoeften en de vragen van de rechterlijke orde. De opstart van bijkomende FMI’s hangt af van de oefening van het NICC en van de afstemming op de behoeften en de vragen van de magistratuur. Het doel blijft een forensisch medisch centrum te organiseren om de kwaliteit van het forensisch werk medisch te garanderen, voor het hele Belgische grondgebied.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, très sincèrement, ce que vous me dites m’inquiète énormément, puisque vous faites reposer des missions précises sur des structures que vous chargez explicitement. Casa Legal est chargée d’une mission, V-Europe est chargée d’une mission, les instituts médico-légaux sont chargés d’une mission, et vous indiquez dans votre réponse qu’en réalité, les missions dont vous les avez chargées, pour lesquelles vous les financez, ne devraient pas reposer exclusivement sur le subside que vous leur octroyez, mais sur d’autres mécanismes de financement qui sont absolument inexistants.
Vous nous indiquez également que, dans le cadre des douzièmes provisoires, il n’y aura absolument rien qui sera liquidé, puisque ce sont les soldes de 2025, déjà consommés, qui vont être liquidés. Par conséquent, chez V-Europe, l’association qui s’occupe – c’est peu dire – des victimes des attentats de mars 2016, on ne va recevoir que zéro euro, zéro centime pendant ces périodes de douzièmes provisoires. Je pensais que les victimes avaient beaucoup d’intérêt à vos yeux. Cette association ne peut même pas, vu l’incertitude dans laquelle vous la plongez, s’adresser à un organisme bancaire pour demander une ligne de crédit ou une avance, puisque vous dites vous-même que vous allez procéder à un exercice de rationalisation des subsides facultatifs et, par cet exercice, personne n’a lagarantie de recevoir ces subsides facultatifs.
Aujourd’hui, on se retrouve avec des structures – j’en ai cité quatre: Casa Legal, V-Europe et les deux instituts médico-légaux – qui remplissent des missions fondamentales en matière de justice et qui sont dans une incertitude totale. Elles sont dans l’incapacité de payer leurs agents qui remplissent les missions dont vous les avez chargées, parce que, premièrement, vous leur refusez des subsides et, deuxièmement, vous leur refusez l’accès bancaire, en n’étant même pas capable de leur dire si, oui ou non, elles intégreront le budget de 2026.
Les conséquences sont claires: à Casa Legal, tout le monde est licencié. Je vais vous le dire aujourd’hui, à V-Europe, tout le monde a été licencié, et il n’y a plus un seul coach aujourd'hui pour accompagner les victimes d’attentats terroristes, alors que c’est précisément leur mission. Cela, madame la ministre, c’est votre bilan et c’est votre responsabilité.
Paul Van Tigchelt:
Dank u voor uw antwoorden, mevrouw de minister. Mijn vragen over V-Europe en de Forensisch Medische Instituten waren het vertrekpunt. Dat zijn waardevolle projecten, dat staat buiten kijf.
U hebt gezegd dat er geen subsidies uitgekeerd kunnen worden zolang we in voorlopige twaalfden zitten. De bedragen die werden uitgekeerd, zijn in feite nog subsidies uit het verleden. De ongerustheid is dan ook terecht, want die projecten verkeren vandaag in onzekerheid.
Ik meen ook te weten dat wat collega Aouasti zegt, klopt, namelijk dat de slachtoffercoaches – een project waarvan we allemaal overtuigd waren dat het meerwaarde bood in een andere aanpak en begeleiding van slachtoffers van terrorisme – vandaag niet langer werken bij V-Europe. Zij zijn inderdaad ontslagen bij gebrek aan financiering. Dat is zonde.
Voorzitter:
Les questions jointes n° 56012634C et n° 56012711C de Mme Annick Lambrecht et Mme Marijke Dillen sont reportées à leur demande.
De gevangenis van Bergen
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Marie Meunier bekritiseert de catastrofale omstandigheden in de gevangenis van Bergen (rats, brandveiligheidsrisico’s, 30 gedetineerden op matrassen) en wijst op herhaalde waarschuwingen zonder resultaat, terwijl de burgemeester dreigt met sluiting wegens veiligheidsrisico’s. Minister Annelies Verlinden bevestigt de ontvangst van de oproep (overleg op 6 februari) en erkent het structurele probleem van overbevolking in alle gevangenissen, maar biedt geen directe oplossing—alleen langetermijnplannen (bv. nieuwe capaciteitsvisie) en noodmaatregelen om de huidige situatie "draaglijk" te houden, zonder transfers die andere gevangenissen overbelasten. Meunier betwist de effectiviteit van Verlindens aanpak, noemt het dramatisch dat er na jaren nog steeds geen concrete uitweg is, en kondigt verdere politieke druk aan. Verlinden benadrukt wel steun voor het gevangenispersoneel maar blijft vaag over acute acties.
Marie Meunier:
Madame la ministre, la question n’est plus de savoir si la situation à la prison de Mons est problématique; elle est unanimement reconnue comme catastrophique. Nous vous avons interrogée à plusieurs reprises sous cette législature sur l’état de l’établissement et sur l’absence de travaux à la hauteur des enjeux. Force est de constater, à ce stade, qu’en dépit de ces alertes répétées, la situation ne cesse de s’aggraver.
Aujourd’hui, les faits sont accablants: présence massive de punaises de lit et de rats, dont la propagation devient presque impossible à endiguer; pannes d’électricité récurrentes; manque d’eau chaude; morceaux de plafonds qui s’effondrent; 30 détenus dormant au sol sur des paillasses et un rapport des pompiers qualifié d’alarmant, qui indique que l’établissement ne répond plus de manière satisfaisante aux normes incendie.
Face à cette situation, le bourgmestre de Mons a pris ses responsabilités. Après que certains de ses arrêtés ont été contestés pour des raisons de procédure, il a annoncé cette semaine vous avoir officiellement convoquée pour une audition, avec pour objectif de prendre un nouvel arrêté. Il n’exclut plus, si rien ne bouge, de devoir aller jusqu’à la fermeture de la prison pour des raisons de sécurité publique. Bien que le projet de nouvelle prison avance – comme nous avons eu l'occasion de le saluer ici ou auprès de votre collègue en charge de la Régie des Bâtiments –, cela ne se concrétisera pas avant six ou sept ans. Vu la situation, on ne peut plus attendre.
Madame la ministre, avez-vous bien reçu la convocation officielle du bourgmestre de Mons pour une audition et pouvez-vous préciser quand celle-ci aura lieu? Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre à court terme pour éviter que le bourgmestre ne soit contraint de prendre un nouvel arrêté, voire un arrêté de fermeture de la prison? Si, malgré tout, une telle décision devait tomber, quelle serait la réaction du gouvernement fédéral? Où les détenus seraient-ils transférés?
Annelies Verlinden:
Madame Meunier, il n'est pas nécessaire de me convaincre du fait que la surpopulation dans les prisons constitue un problème grave, tout comme les conditions difficiles dans lesquelles le personnel doit travailler et les détenus doivent séjourner. La même constatation s'impose quant à l'état dans lequel nous avons trouvé certains bâtiments au début de la législature. Je considère d'ailleurs avoir attiré l'attention sur cette réalité à plus d'une reprise au cours des derniers mois.
Le courrier du bourgmestre a été bien reçu et un représentant de l'administration sera présent lors d'une réunion de concertation le 6 février.
La surpopulation carcérale est un problème complexe qui ne peut être résolu au niveau d'une seule prison, car toutes les prisons du pays sont confrontées à cette problématique. Il n'existe pas de solution toute faite pour la prison de Mons, qui n'ait pas d'impact négatif sur les autres prisons surpeuplées et où les détenus dorment à même le sol.
J'ai déposé sur la table du gouvernement différentes propositions visant à poursuivre la prise en charge de cette problématique. À ce stade, un accord n'a pas encore été trouvé et je continue bien évidemment à m'y consacrer sans relâche.
Comme mentionné précédemment, le simple transfert de Mons vers d'autres prisons ne constitue pas une solution au problème global et entraînerait l'ensemble du système pénitentiaire dans une crise encore plus profonde. Nous devons être en mesure de réduire la surpopulation dans son ensemble et à court terme, au moins, de faire en sorte que les détenus ne dorment plus par terre.
Entre-temps, j'ai donné instruction à l'administration, en étroite collaboration avec la Régie des Bâtiments et ma collègue compétente, la ministre Vanessa Matz, avec laquelle la coopération est excellente, de prendre les mesures nécessaires afin de maintenir la capacité existante, y compris à Mons, dans le cadre des budgets qui ont été dégagés à cet effet. Par ailleurs, un travail est mené en urgence pour l'élaboration d'une vision renouvelée à long terme de la capacité pénitentiaire, dans laquelle la prison de Mons devra également être pleinement intégrée.
Je saisis une nouvelle fois l'occasion pour réaffirmer avec la plus grande fermeté mon soutien indéfectible et ma profonde reconnaissance à l'ensemble du personnel pénitentiaire et à tous les acteurs concernés, dont l'engagement quotidien, souvent dans des conditions extrêmement difficiles, mérite le plus grand respect.
Marie Meunier:
Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Je prends note de la date du 6 février. En revanche, je reste inquiète quant à l'absence de solutions à court terme. Vous avez l'air effectivement pleinement engagée, de vouloir en discuter avec vos collègues, mais dans les faits il n'y a pas de solution face à cette situation alarmante. Si le bourgmestre ferme cette prison demain, il n'y aura de solution ni pour les détenus, ni pour le personnel pénitentiaire. Je trouve cela dramatique. Des signaux d'alerte ont été envoyés à de nombreuses reprises et je trouve cela dommageable que, le 21 janvier 2026, nous n'ayons toujours aucune solution face à cette problématique, qui concerne Mons, mais les autres prisons aussi, comme vous l'avez dit. Vous comprendrez que je suis assez peu convaincue de la réponse que vous m'avez donnée. Je reviendrai avec des questions complémentaires dans les mois qui viennent.
De aanpak van verkeerscriminaliteit
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Annelies Verlinden bevestigt dat recidive in het verkeer een structureel probleem is dat de verkeersveiligheid ondermijnt, en wijst op evidencebased maatregelen zoals de recidivemonitor (NICC) en gerichte handhaving, maar ontwijkt concrete vragen over de veelplegersdatabank (stand van zaken, samenwerkingsakkoorden, wettelijk kader) – een regeerakkoordbelofte waar Wouter Raskin haar kritisch op afrekent omdat ze "geen enkel antwoord" geeft, ondanks haar regie. Verlinden noemt inbeslagname van voertuigen een onderzoekswaardige piste, maar stelt dat strengere rechters (zoals in Aalst) niet wetenschappelijk bewezen effectief zijn. Raskin bekritiseert haar gebrek aan urgentie en kondigt herhaalde controle aan op de databankrealisatie.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, zaterdag stond in De Morgen een bijzonder interessant interview met twee politierechters. Zij bevestigen wat we al langer weten: recidive in het verkeer is geen marginaal fenomeen. Ze schatten dat een derde tot de helft van de mensen die voor hen verschijnen, eerder al voor zware overtredingen zijn veroordeeld.
Daarnaast lijkt ook rijden tijdens een rijverbod bijna een evidentie te zijn geworden. Dat wisten we deels al op basis van cijfers uit de Mercuriusdatabank. De Oost-Vlaamse politierechtbanken schatten dat maar liefst 20 % van de rechtszaken mensen betreft die achter het stuur worden betrapt terwijl hun rijbewijs is ingetrokken. Dan gaat het alleen over de gevallen die toevallig tegen de lamp lopen, aangezien de pakkans erg laag is.
Ik heb daarover een aantal vragen. Deelt u de analyse van de politierechters dat recidive in het verkeer een ernstig probleem is? Welke maatregelen acht u het meest geschikt om dat aan te pakken?
De regering heeft zich in het regeerakkoord voorgenomen om recidivisten van zware feiten streng aan te pakken, onder meer door een centrale databank te ontwikkelen om veelplegers te identificeren en hen op basis daarvan eventueel automatisch te dagvaarden wanneer zij binnen een bepaalde termijn een aantal overtredingen hebben begaan. Kunt u toelichten wat de stand van zaken is van die veelplegersdatabank? Ik denk concreet aan de totstandkoming van een samenwerkingsakkoord met de gewesten en aan de oprichting van een entiteit die de betrokken actoren verenigt en instaat voor het beheer van die databank, en de voorbereiding van een wettelijk kader.
Een opmerkelijke vaststelling in Aalst zou zijn dat er een correlatie lijkt te bestaan tussen een strenge politierechter en een afname van het aantal dodelijke ongevallen. Hoe kijkt u daarnaar? Bestaat een dergelijke correlatie en is dat ooit onderzocht in ons land of elders?
Tot slot pleiten de politierechters in het interview voor een uitbreiding van de mogelijkheid voor rechters om over te gaan tot inbeslagname of verbeurdverklaring van een voertuig. Zij stellen dat zware overtreders vaak niet met hun eigen wagen rijden. Mijn vraag aan u is of dit een piste is die het onderzoeken waard is en welke bezwaren u eventueel ziet tegen dat voorstel.
Annelies Verlinden:
Collega Raskin, recidive in het verkeer vormt een ernstig maatschappelijk probleem dat ook blijvend onze aandacht vereist. Het gaat niet alleen om de overtredingen op zich, maar om een hardnekkig gedragspatroon dat de verkeersveiligheid structureel ondermijnt. Een effectief beleid steunt op een evidencebased benadering waarbij dataverzameling, monitoring en wetenschappelijk onderzoek centraal staan. Naast de veelplegersdatabank is ook de verdere uitrol van de recidivemonitor van het NICC een belangrijk instrument om recidive beter in kaart te brengen. Ook de handhaving gebeurt steeds datagerichter, met aandacht voor risicolocaties, risicoprofielen en -tijdstippen. Daarnaast richten we ons op een snellere en striktere handhaving met bijzondere focus op zware recidivisten, betere identificatie van de werkelijke bestuurder en een geïntegreerde veelplegersdatabank en impactanalyse binnen de strafrechtketen om zo overbelasting te vermijden. Ook binnen de rechtbanken wordt gewerkt aan sensibilisering en gedragsverandering bij recidivisten,
onder meer via gerichte themazittingen.
De beoordeling van verkeersinbreuken behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke macht. Rechters oordelen onafhankelijk en op basis van de concrete omstandigheden in elk dossier. Dat kan ertoe leiden dat strafmaten tussen rechtsgebieden verschillen, maar dat is inherent aan het feit dat rechtspraak altijd een individuele beoordeling blijft. Het is belangrijk dat het algemeen kader helder, coherent en proportioneel is, zodat rechters binnen dat kader hun onafhankelijke appreciatie kunnen maken. Tot heden is geen onderzoek bekend dat de correlatie tussen een strengere rechter en de afwezigheid van dodelijke ongevallen bevestigt. De passage in het artikel waarnaar u verwijst, betreft een persoonlijke indruk en zijn ons inziens dus geen empirisch onderbouwde vaststellingen. Binnen een evidencebased beleid is het aangewezen dat dergelijke hypothesen worden getoetst via degelijk wetenschappelijk onderzoek, zodat eventuele beleidsconclusies op objectieve en betrouwbare gegevens kunnen worden gebaseerd.
De vraag naar een mogelijke uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagname of verbeurdverklaring van voertuigen past binnen de bredere ambitie om onze aanpak verder te versterken en kan dus ook worden onderzocht.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, dank om de vaststelling te delen dat recidive een groot probleem is. U noemt het een structurele ondermijning van de verkeersveiligheid. U hebt daar honderd procent gelijk in: het zijn net die profielen die het sterkst vertegenwoordigd zijn in de statistieken en die verantwoordelijk zijn voor heel wat ellende op de weg. Ik hoor u ook een aantal ideeën opsommen om daarop in te grijpen. Dat is op zich allemaal goed en wel. Mijn tweede vraag, die heel concreet ging over de veelplegersdatabank, een concrete ambitie die is neergeschreven in het regeerakkoord, beantwoordt u echter niet. Ik heb daarover drie concrete vragen gesteld, namelijk over de totstandkoming van een protocol, het samenwerkingsakkoord met de gewesten. Ik heb daar niets over gehoord. Ik heb u gevraagd naar de stand van zaken van de oprichting van een entiteit die de betrokken actoren moet verenigen en die ook die databank zal moeten beheren. Ik heb u ook gevraagd naar de voorbereiding van een wettelijk kader. Drie keer heb ik geen enkel antwoord gekregen. Dat kan ik veel minder appreciëren, mevrouw de minister, omdat de aanpak van recidive een belangrijke ambitie is die we samen in het regeerakkoord hebben neergeschreven. Dat de oprichting van een veelplegersdatabank vandaag technisch mogelijk is, maar geen wandeling door het park, staat vast. Dat vraagt inzet, expertise en ook tijd. Het is dus nodig om daar tijdig aan te werken. Ik merk dat daar nog niet aan gewerkt is, ofschoon, zo laat minister Crucke mij weten, de regie voor de veelplegersdatabank bij u zit. Bij wijze van afronding, mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, verwijs ik naar bladzijde 104 van het regeerakkoord, waar wordt gesproken over verkeerscriminelen, recidivisten, gedragsverandering bij die mensen en de oprichting van een veelplegersdatabank. Ik zal u daar vanaf heden zeer, zeer regelmatig over blijven ondervragen.
Het advies van het Comité voor Bio-ethiek over euthanasie bij dementie
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek adviseert om euthanasie toe te staan voor personen met vergevorderde dementie via een voorafgaande wilsverklaring, maar stelt dat er geen consensus bestaat over de weerlegbaarheid ervan als de patiënt later geen lijden toont. Frieda Gijbels (parlementslid) vraagt hoe juridische waarborgen, proportionaliteit en timing worden gegarandeerd, en beklemtoont de dringendheid van een oplossing voor een mondige oudere generatie. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat de regering het advies bestudeert binnen de kaders van het regeerakkoord, met focus op bescherming van patiënten, zorgverleners en familie, en benadrukt de complexiteit van het vastleggen van wilsbekwaamheid en vroegtijdige zorgplanning. Een voorontwerp van wet wordt voorbereid, maar omzichtigheid is cruciaal om praktische onzekerheden te vermijden. Gijbels erkent de moeilijkheid maar dringt aan op een parlementair debat en een toepasbaar juridisch kader, met behoud van bescherming voor kwetsbaren.
Frieda Gijbels:
Mevrouw de minister, mijn vraag vloeit voort uit een recent advies van het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek. Volgens het comité zou de euthanasiewet uitgebreid moeten worden naar personen met vergevorderde dementie, die dus hun beslissingsvermogen verliezen. Volgens de huidige wetgeving is euthanasie niet mogelijk in een vergevorderd stadium van dementie, omdat die mensen geleidelijk hun wilsbekwaamheid verliezen. Dit zorgt ervoor dat ze in dat vergevorderde stadium geen geldig verzoek meer kunnen doen. Het comité noemt dit ethisch onbevredigend en formuleerde een advies dat in de lijn van het regeerakkoord ligt.
Wel moet worden opgemerkt dat er binnen het comité niet over alles consensus was. Er was geen consensus over het belangrijkste punt, namelijk over de vraag wat te doen wanneer een persoon met vergevorderde dementie in een toestand belandt die hij of zij eerder als ondraaglijk lijden heeft omschreven, maar op dat moment geen blijk meer geeft van lijden. Wat moet men dan doen? Gaat men dan verder met die voorafgaande wilsverklaring of niet? Met andere woorden, is die voorafgaande wilsverklaring dan weerlegbaar of onweerlegbaar? Wat voorligt, is dus absoluut geen evident vraagstuk.
Hoe ziet u de invulling van de juridische waarborgen? Op welke manier tracht u proportionaliteit, zorgvuldigheid en bescherming te garanderen, zoals het regeerakkoord vraagt? Hoe tracht u burgers en zorgverleners beter te ondersteunen bij het opstellen van een voorafgaande wilsverklaring, zodat deze juridisch sluitend is? Welke timing voorziet u voor de uitbreiding van de euthanasiewet naar personen met vergevorderde dementie en wilsonbekwaamheid? Kunt u een tijdlijn schetsen?
Annelies Verlinden:
Mevrouw Gijbels, ik heb inderdaad kennisgenomen van het advies van 10 november van het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek betreffende euthanasie op basis van een voorafgaande wilsverklaring bij bewuste personen van wie de wilsbekwaamheid en het vermogen hun wil te uiten onherstelbaar is aangetast. We bestuderen dat advies samen met de minister van Volksgezondheid grondig.
In het regeerakkoord wordt gesteld dat wordt gestreefd naar een uitbreiding van de voorafgaande wilsverklaring naar personen met wilsonbekwaamheid als gevolg van dementie en dat op een grondige wetenschappelijke basis. Er moet daarbij volgens het regeerakkoord voldoende aandacht worden besteed aan de bescherming van de wilsonbekwame persoon en aan de zorgverleners die de vraag tot euthanasie van deze persoon inwilligen. Ik voeg daaraan toe dat ook de naaste familie en verwanten van de wilsonbekwame persoon en andere personen die deze persoon gedurende dit proces zouden begeleiden, ondersteuning en bescherming verdienen.
Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek onderzocht de vraag onder welke voorwaarden het ethisch aanvaardbaar zou zijn om op een moment dat een actueel verzoek om euthanasie niet meer mogelijk is, rekening te houden met een voorafgaande wilsverklaring bij personen die nog bij bewustzijn zijn, maar bij wie de wilsbekwaamheid en het vermogen om hun wil te uiten onherstelbaar zijn aangetast.
De ethische aanvaardbaarheid is uiteraard een onderdeel dat moet worden onderzocht. Wanneer de wetgever in de mogelijkheid voorziet om euthanasie toe te kennen aan personen met vergevorderde dementie via een voorafgaande wilsverklaring, draagt de wetgever ook de verantwoordelijkheid om dat te organiseren op een manier die robuust is en alle betrokken partijen maximaal beschermt.
We moeten immers vermijden dat er bij de toepassing in de praktijk meer vragen dan antwoorden ontstaan. Zoals u weet, is er in de euthanasiewetgeving om die reden ook sprake van grondvoorwaarden en procedurele voorwaarden. Die voorwaarden dienen ertoe te waarborgen dat de rechten en de wil van de patiënt worden geëerbiedigd.
Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek is zich bewust dat het verlies van wilsbekwaamheid zich in vele gevallen niet abrupt voltrekt. Ik citeer: “Het verlies van cognitieve en psychologische vermogens om beslissingen te nemen, verloopt langzaam en geleidelijk. Het verloop en de verschillende stadia van dit proces variëren echter naargelang de persoon, wat het moeilijk maakt om precies te bepalen op welk moment iemand niet langer als wilsbekwaam kan worden beschouwd.”
Het Belgisch Raadgevend Comité voor Bio-ethiek wijst in dat opzicht ook onverdeeld op het belang van vroegtijdige zorgplanning als ondersteunend kader voor de patiënt. Ik citeer: “Het is daarom essentieel dat deze voorafgaande wilsverklaring in het kader van de zorgvuldige medische opvolging bij een progressieve aandoening, of daarbuiten in het kader van algemene gezondheidsopvolging indien die bestaat, wordt opgesteld met of ter kennis wordt gebracht van de behandelende arts. Het is daarnaast belangrijk dat ze wordt besproken in het kader van de vroegtijdige zorgplanning.”
Met alle beschikbare informatie gaan we nu aan de slag om een voorontwerp van wet te redigeren over deze diepmenselijke en complexe materie. De tekst moet toepasbaar zijn op tal van uiteenlopende situaties, waarbij moet worden vermeden dat er later bij de toepassing ervan onzekerheid in het beschikbare kader bestaat.
De nodige omzichtigheid is dus aangewezen, in het bijzonder omdat het gaat om mensen in hun meest kwetsbare positie. In die geest werken we momenteel aan de voorbereiding van dat kader, en dat binnen de contouren van het regeerakkoord. Dank u.
Frieda Gijbels:
Mevrouw de minister, het is een maatschappelijk debat dat leeft, zeker bij een generatie van 70- en 80-plussers die daar grondig over nadenkt, die zeer mondig is en die ook aangeeft daar zelf een stem in te willen hebben en daar zelf over te willen meebeslissen. Ik geef u wel gelijk: het is niet evident. Het is een zeer moeilijke oefening die moet worden gemaakt, vooral omdat als we een nieuw juridisch kader uitwerken, dat in alle omstandigheden toepasbaar moet zijn en we de meest kwetsbare personen ook de nodige bescherming moeten blijven bieden. Tegelijk denk ik wel dat het echt nodig is dat we aan een oplossing werken. Ik kijk er dan ook naar uit dat het ontwerp van wet naar het Parlement kan komen en dat we daar een goed maatschappelijk en parlementair debat over kunnen voeren. Dank u wel.
De IS-gevangenen in Oost-Syrië
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Paul Van Tigchelt vraagt zich bezorgd af hoe de VSSE, Veiligheid van de Staat en OCAD de groeiende dreiging inschatten van mogelijke ontsnappingen van Belgische IS-gevangenen in Noordoost-Syrië, nu de Koerdische SDF onder druk staat en de controle over detentiecentra dreigt over te gaan naar het Syrische regime—wat volgens hem een "chaotische overgang" riskeert die terroristen kansen biedt. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat er geen Belgische FTF’ers ontsnapt zijn volgens huidige inlichtingen, maar erkent dat de situatie "snel verandert en onduidelijk" blijft; zij herhaalt het regeringsstandpunt om Syriëstrijders ter plaatse te houden en wijst op toezeggingen van het Syrische regime om IS te bestrijden. Van Tigchelt bekritiseert impliciet het regeringsbeleid als risicovol voor de Belgische veiligheid en dringt aan op alertheid en een snelle reactie van de Nationale Veiligheidsraad bij nieuwe dreigingsinformatie.
Paul Van Tigchelt:
Mevrouw de minister, we weten dat de Koerden, meer bepaald de Syrische Democratische Strijdkrachten, al jaren verantwoordelijk zijn voor de bewaking van duizenden IS-gevangenen, waaronder ook Belgen, in dat gebied. We zijn zelf niet ter plaatse, maar als we de nationale en internationale pers mogen geloven, staat die strijdkracht, die SDF, onder druk.
Gelet op het feit dat die Koerden verantwoordelijk zijn voor de gevangenen, groeit opnieuw, dat is niet de eerste keer de voorbije jaren, de onrust over het lot van duizenden IS-gevangenen in het gebied. Het is de nachtmerrie van vele veiligheidsdiensten dat IS-gevangenen met een zekere ideologie in de natuur zouden verdwijnen.
Mevrouw de minister, hoe beoordelen onze veiligheidsdiensten dat, meer bepaald de diensten die mede onder uw verantwoordelijkheid vallen, de VSSE, de Veiligheid van de Staat en het OCAD? Hebt u weet van Belgische FTF'ers die al aan de controle zouden zijn ontsnapt? Hoe evalueert u deze evolutie in het licht van het regeringsstandpunt van deze regering, namelijk om alle FTF'ers ginds te laten? Hoe beoordeelt u dat in het belang van onze veiligheid?
Annelies Verlinden:
In het kader van hun wettelijke bevoegdheden volgen inderdaad de VSSE en het OCAD de Belgische foreign terrorist fighters op, waaronder de Belgische FTF’ers die, op basis van de beschikbare informatie, vermeend in detentie verblijven in centrale kampen of gevangenissen in het noordoosten van Syrië. De situatie op het Syrische terrein verandert snel en is niet altijd duidelijk. De detentiecentra waar de Belgische FTF’ers verblijven, waren tot voor kort in elk geval nog onder controle van de Syrian Democratic Forces.
Indien het nieuwe Syrische regime de controle overneemt van deze detentiecentra, betekent dat niet automatisch dat de Europese FTF’ers zullen worden vrijgelaten. Het nieuwe Syrische regime engageert zich, net zoals de coalitie tegen IS, om de strijd aan te gaan tegen deze terroristische groepering. We zullen die toezegging uiteraard van nabij opvolgen.
Volgens de informatie waarover de VSSE op dit moment beschikt, zijn tot op heden geen Belgische FTF’ers ontsnapt uit de detentiecentra. De veiligheids- en inlichtingendiensten volgen dat verder op. Het blijft het standpunt van de regering dat we alles doen om te verhinderen dat Syriëstrijders zouden terugkeren naar ons land.
Paul Van Tigchelt:
Dank u wel, mevrouw de minister. De ongerustheid zit vooral in die chaotische periode wanneer de controle overgaat van de Koerden naar het Syrische regime. Dat brengt immers altijd chaos en onzekerheid met zich mee. Van die chaos zouden bepaalde gevangenen gebruik kunnen maken. Dat vraagt om alertheid en een zekere mate van ongerustheid. Ik hoop dat dit inderdaad goed wordt opgevolgd en dat, indien er een advies is van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de Nationale Veiligheidsraad zich daarover goed zal beraden. Het is uiteindelijk onze veiligheid die mogelijk op het spel staat.
De islamitische lokale geloofsgemeenschap Ayasofya te Hasselt
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Frank Troosters (Vlaams Parlementslid) bekritiseert de schijnbare tegenstrijdigheid tussen het gunstige federale veiligheidsadvies (door Justitie/OCAD) voor de Turks-islamitische geloofsgemeenschap Ayasofya in Hasselt – ondanks vastgestelde buitenlandse inmenging (Turkse ambassade) en discriminatie door de Vlaamse Informatie- en Screeningsdienst (ISD) – en vraagt of veiligheidsdiensten deze risico’s onvoldoende wegen of slecht geïnformeerd waren. Minister Annelies Verlinden (Justitie) benadrukt dat federale en Vlaamse instanties verschillende criteria hanteren (dreigingsanalyse vs. erkenningsvoorwaarden) en dat het OCAD-advies niet bindend is, maar wijst wel op goede samenwerking tussen diensten; ze ontwijkt specifieke casusdetails. Troosters kondigt verdere schriftelijke vragen aan, suggereert procedurale haast als excuus voor late indiening.
Frank Troosters:
Mevrouw de minister, ik kom vandaag naar deze commissie met een vraag over de islamitische lokale geloofsgemeenschap Ayasofya te Hasselt. Die verkreeg geen erkenning van de bevoegde Vlaamse minister, Hilde Crevits.
Uit haar ministerieel besluit blijkt dat de Informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen heel wat ernstige tekortkomingen vaststelde, onder andere in verband met buitenlandse inmenging, een structurele rol van diplomatiek personeel van de Turkse ambassade en een schending van de non-discriminatieverplichtingen. Opvallend daarbij is dat de federale minister van Justitie, ondanks die vaststellingen, een gunstig veiligheidsadvies afleverde op 18 december 2023 en dat dit gunstige advies in 2025 bevestigd werd. Die inconsistenties en vastgestelde tekortkomingen roepen bij mij een aantal vragen op.
Hoe verklaart u dat de federale minister van Justitie een gunstig veiligheidsadvies afleverde en dat later ook nog eens bevestigde, terwijl de Informatie- en screeningsdienst duidelijke vaststellingen deed van haatzaaierij en structurele inmenging door een buitenlandse mogendheid? Werden de vaststellingen die de Informatie- en screeningsdienst deed, meegenomen in die federale veiligheidsanalyse? Moet daaruit worden afgeleid dat de federale veiligheidsdiensten dergelijke elementen, die toch niet van de minste zijn, niet beschouwen als een veiligheidsrisico, dan wel dat ze daarover misschien niet volledig of correct geïnformeerd waren?
Daarnaast heb ik nog een vraag over de informatie-uitwisseling. Zijn er inzake het uitwisselen van informatie en de onderlinge communicatie zaken die anders of beter kunnen? Ik verwijs daarbij zowel naar de Vlaamse controle door de ISD als naar het federale niveau en naar de lokale steden en gemeenten die betrokken zijn.
Tot slot, welke contacten vonden er plaats met het lokale bestuur van Hasselt met betrekking tot de lokale geloofsgemeenschap Ayasofya? Was er contact of communicatie? Wat werd er gezegd?
Ik dank u alvast voor uw antwoord.
Annelies Verlinden:
Collega Troosters, bij wijze van inleiding wil ik nog even de aandacht vestigen op het feit dat u uiteraard vragen kunt indienen tot 11.00 uur, de dag voor de commissievergadering, maar deze vraag werd exact om 11.00 uur ingediend. Ik zeg dat uit respect voor de diensten en voor de vele mensen die zich dagelijks inzetten voor Justitie. Snel moeten antwoorden, brengt namelijk een grote druk met zich mee. Dat maakt de werkzaamheden, die ook betrekking hebben op andere dossiers, voor de mensen bij Justitie er niet makkelijker op.
Wat uw vraag betreft, vanzelfsprekend kan ik niet ingaan op individuele dossiers. Wat de procedure betreft, kan ik wel melden dat het federale veiligheidsadvies tot stand komt op basis van een dreigingsanalyse. Sinds september 2024 is het OCAD bevoegd voor het afleveren van die evaluatie. In de evaluatie wordt beoordeeld of lokale geloofsgemeenschappen een dreiging vormen voor de veiligheid van de staat en voor de openbare orde.
Voor de dreigingsanalyse wint het OCAD deeladviezen in bij de Veiligheid van de Staat, de ADIV, de Dienst Vreemdelingenzaken, de geïntegreerde politie en de Cel voor Financiële Informatieverwerking. De diensten voeren die opdracht uit conform de wet en rekening houdend met de actuele situatie. Een erkenningsaanvraag van een lokale geloofsgemeenschap wordt ook steeds geagendeerd op de bevoegde local taskforce (LTF).
Het is belangrijk om op te merken dat de federale veiligheidsdiensten en de Informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen verschillende bevoegdheden hebben en bijgevolg bepaalde elementen op een andere manier kunnen evalueren. In het kader van een erkenningsprocedure geeft de ISD advies over de mate waarin een erkenning zoekende lokale geloofsgemeenschap voldoet aan de erkenningscriteria uit het Vlaams erkenningsdecreet. De federale dreigingsevaluatie is niet bindend. Ook al is het advies gunstig, dan nog moet een lokale geloofsgemeenschap voldoen aan tal van voorwaarden en criteria die uitsluitend door de ISD worden beoordeeld.
De bestaande informatie- en overlegkanalen tussen de betrokken veiligheidsdiensten en de regionale diensten functioneren evenwel goed en worden blijvend geëvalueerd. Naast het federale veiligheidsadvies zijn er nog een aantal andere adviezen die opgesteld worden en mee aan de basis liggen van de finale beslissing van de regionale minister, zoals de adviezen van de provincie, het lokale bestuur en het representatieve orgaan.
Zoals gezegd, kan ik niet ingaan op individuele dossiers, maar in het algemeen steunt het federale veiligheidsadvies op een ernstige, globale en actuele beoordeling van alle beschikbare informatie. Alle betrokken diensten voeren die opdrachten uit met de grootste zorgvuldigheid en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Ik wil hen in dit kader zeker danken voor hun inspanningen, in het licht van onze collectieve veiligheid.
Frank Troosters:
Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik heb begrip voor wat u zegt. Mijn vraag werd inderdaad vrij laat ingediend. Ik had ze eigenlijk iets eerder ingediend. Ik zou u uw inbox kunnen laten nakijken, maar ze is ergens blijven hangen. Ik heb dus gisteren nog letterlijk door de gang gespurt om ze voor 11.00 uur te kunnen indienen, omdat ik wist dat ik dan vandaag mijn vraag kon komen stellen. Ik zit soms in andere commissies, en dan is dat soms moeilijk. Ik begrijp dus ook dat de antwoordtermijn zeer kort is. Ik zal het antwoord sowieso nog eens herbeluisteren. Ik zal misschien via een aantal schriftelijke vragen verder op deze kwestie terugkomen, maar ik begrijp dat het voor vandaag misschien moeilijk is. Ik heb alvast al iets en ik wil u daarvoor danken. Wordt vervolgd. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 14 h 59.