Commissievergadering op 21 januari 2026
Vragen
De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.
De verdeling van het MFK tussen de regio’s
De interfederale bijdrage aan het nieuwe meerjarig financieel kader
Interfederaal financieel kader en verdeling MFK tussen regio's
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vincent Van Peteghem (De Wever) plant een jaarlijkse interfederale bijdrage van 500 miljoen euro voor het nieuwe EU-MFK, afkomstig van de gewesten/gemeenschappen, maar zonder concreet overleg, verdeelsleutel of juridische onderbouwing – enkel als "logische" verwachting binnen "begrotingscoördinatie". Alexia Bertrand (oppositie) bekritiseert dat de federale overheid geen plan B heeft als de regio’s weigeren (wat ze waarschijnlijk zullen doen, gezien eerdere geschillen zoals de plasticbijdrage) en vreest nieuwe belastingen om het gat te dichten. Wouter Vermeersch (oppositie) noemt het een "verkapte doorschuifoperatie" zonder wettelijke basis of akkoord, en beschuldigt de regering ervan Vlaanderen opnieuw onevenredig te laten betalen via vage afspraken. Van Peteghem blijft ontwijkend en stelt dat prioriteit ligt bij EU-governance-onderhandelingen.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, ik ga terug naar uw begrotingstabellen van de maand december. Daarin vinden we de omschrijving “Interfederale bijdrage nieuw MFK”. Dat gaat om een bedrag van 500 miljoen euro. Dat is een vage koepelterm. Er staat niet “bijdrage van de regio’s” of “bijdrage van de gemeenschappen”. Ik zou graag willen weten wat dat concreet betekent.
Hoe verdeelt u dat tussen de gewesten en de gemeenschappen? Gaat het om allebei? Kunt u daar duidelijkheid over scheppen? Wat betekent dat heel concreet in euro’s voor Vlaanderen, Brussel en Wallonië? Hoeveel van die 500 miljoen euro verwacht u uit elk deel?
Is dat al afgeklopt in het Overlegcomité? Hebben de minister-presidenten zich hier effectief toe verbonden? Hebt u hen al gezien en met hen gesproken? Wat als ze niet instemmen? Wat als de regio’s gewoon nee zeggen tegen uw verzoek? Hoe vult u dan dat gat van een half miljard euro concreet in, dat nu als inkomst is ingeschreven in uw tabel?
Wouter Vermeersch:
Inderdaad, mijnheer de minister, zoals gewaardeerd collega Bertrand en voorzitster ad interim vandaag reeds aanhaalde, staat in de initiële begrotingstabel voor 2028 en 2029 een interfederale bijdrage nieuw MFK (het nieuw meerjarig financieel kader) ten belope van 500 miljoen euro.
In de begrotingsnotificaties staat het volgende – ik citeer: “In het kader van een versterkte interfederale begrotingscoördinatie wordt aan de regio’s gevraagd om, met respect voor de bevoegdheidsverdeling en indien mogelijk zonder aanpassing van de bijzondere financieringswet, een jaarlijkse bijdrage ten belope van 500 miljoen euro te leveren aan het MFK.”
Ten eerste, werd hierover reeds overleg gepleegd met de deelstaten, en zo ja, wanneer?
Ten tweede, heeft de regering reeds bestudeerd in welke mate deze bijdrage juridisch mogelijk is – ik citeer nogmaals: “binnen de bevoegdheidsverdeling en zonder aanpassing van de bijzondere financieringswet”? Dat is toch een belangrijke passage in die begrotingsnotificaties.
Ten derde, wat is het standpunt van de deelstaten over enerzijds het idee en anderzijds de wettelijkheid van zo’n operatie?
Ten vierde, volgens welke verdeelsleutel beogen u en uw regering-De Wever de 500 miljoen euro te verdelen over de deelstaten?
Ten vijfde en ten laatste, beoogt de regering ook een bijdrage te vragen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest?
Vincent Van Peteghem:
Collega’s, in het kader van een versterkte interfederale begrotingscoördinatie wordt aan de regio’s inderdaad gevraagd om, met respect voor de bevoegdheidsverdeling en indien mogelijk zonder aanpassing van de bijzondere financieringswet, een jaarlijkse bijdrage van 500 miljoen euro te leveren aan het MFK. Dat lijkt mij niet meer dan logisch, wanneer zowel het Belgische als het Europese niveau voor grote uitdagingen staan.
De op het bruto nationaal inkomen (BNI) gebaseerde bijdragen van de lidstaten vormen de grootste bron van inkomsten voor de EU-begroting, waaruit ook de deelstaten financiering ontvangen. Met die BNI-bijdragen wordt gewaarborgd dat alle overeengekomen uitgaven voldoende worden gedekt, waarmee dus ook wordt gegarandeerd dat de EU-begroting altijd sluitend is.
De precieze uitvoering van die maatregel wordt besproken met de regio’s in het kader van het interfederale begrotingsoverleg. Voorlopig heeft echter de implementatie van het nieuwe Europese kader voor economische governance daar de prioriteit.
Alexia Bertrand:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord, maar ik vrees dat dat geen antwoord is op de vragen. Ik begrijp dat er nog geen overleg is geweest met de gewesten of de gemeenschappen. Ik begrijp ook dat er geen concreet bedrag is vastgelegd.
U zegt dat dat logisch is. Echter, veel zaken zijn logisch in onze federale Staat, maar gebeuren daarom nog niet noodzakelijk. De plasticbijdrage wordt zelfs niet betaald door de regio’s en covidvaccins zijn nooit terugbetaald, terwijl dat duidelijke bevoegdheden van de deelstaten waren. Hier kan men nog discussiëren of het om een bevoegdheid van de deelstaten gaat, aangezien het gaat om de BNI-bijdrage, die tot nu toe altijd door de federale overheid werd betaald. U hoopt dus dat de regio’s in die redenering zullen meegaan. Dat zou logisch kunnen zijn, maar u weet even goed als ik dat er in dit land geen hiërarchie der normen bestaat. Zoiets kunt u dus ook niet forceren.
Ik ben zeer benieuwd, mijnheer de minister, en ik hoop dat u ook een plan B hebt voor het geval dit niet wordt betaald door de gewesten en de gemeenschappen. In dat geval zal de federale overheid moeten tussenkomen, en dat betekent 500 miljoen euro extra voor de federale begroting.
Ik hoop dus dat we geen nieuwe taksen zullen zien, want dat is heel vaak de oplossing geweest van deze regering: als er ergens een tekort is, zien we nieuwe taksen ontstaan.
Ik begrijp dat u vandaag nog nergens staat wat die MFK-bijdrage van de regio’s betreft. Dat kan ik alleen maar betreuren, maar ik zal de vraag opnieuw stellen binnen een aantal weken en zien wat de vooruitgang is.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, ik denk dat oud-voorzitter van cd&v Stefaan De Clerck zeer fier op u zou zijn wegens uw bijzonder vaag en wollig antwoord. U blinkt daarin werkelijk uit. Dit is geen begrotingscoördinatie. Dit lijkt ons een verkapte doorschuifoperatie te zijn. U boekt als regering-De Wever vandaag al 500 miljoen euro in die u nog niet hebt en waarvan u hoopt die bij de deelstaten te halen, zonder voorafgaand overleg. U spreekt over respect voor de bevoegdheidsverdeling, maar in werkelijkheid schuift u de rekening gewoon door. Dit lijkt een zoveelste nieuwe financiële transfer te worden, maar dan zonder debat, zonder akkoord en wellicht ook zonder wettelijke basis. U verwijst daar zelf naar: “indien mogelijk zonder aanpassing van de bijzondere financieringswet”. Ook bij die wettelijke basis kunnen wij ons dus vragen stellen. Laat ons eerlijk zijn, mijnheer de minister – en dat is uiteindelijk de essentie –, wanneer men zo vaag en wollig blijft over de verdeelsleutel, over het debat, over het akkoord en over de wettelijke basis, dan weet men in Vlaanderen hoe laat het is. Wij vrezen dat opnieuw de Vlamingen hier de rekening zullen mogen betalen.
Het akkoord over de losse eindjes van het begrotingsakkoord en de budgettaire impact ervan
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Wouter Vermeersch bekritiseert dat het akkoord over begrotingsmaatregelen voor 2026 (o.a. uitstel btw-verhoging tot 1 maart 2026, kost: €105,5 mln misgelopen inkomsten) en onzekerheid rond de centenindex (potentieel €272 mln minder) de voorlopige begrotingstabel achterhaald maken, en wijst op structurele gaten door politieke koehandel. Minister Van Peteghem bevestigt het inkomstenverlies en belooft verdere toelichting bij de begrotingsbespreking, maar ontkent niet dat compenserende maatregelen (mogelijk belastingverhogingen) nodig zijn. Vermeersch beschuldigt de regering ervan tijdelijke uitstellen om te zetten in permanente inkomstenverliezen en vreest dat Vlamingen opnieuw de rekening zullen betalen. De kernvraag—of de cijfers nog kloppen en wie de kosten draagt—blijft onbeantwoord.
Wouter Vermeersch:
De losse eindjes zijn ondertussen wat minder los geworden, mijnheer de minister, en we hebben de vraag daarom wat geactualiseerd. Het kernkabinet zou inderdaad een akkoord hebben gevonden over die losse eindjes voor 2026. Dat akkoord werd ondertussen omgezet in de begrotingsnotificaties van 12 december 2025.
Zo zou de btw-verhoging voor hotels, campings, sport, entertainment en afhaalmaaltijden worden uitgesteld tot 1 maart 2026, waardoor de overheid 100 miljoen euro aan extra inkomsten zou mislopen. Uit begrotingsnotificatie nummer 37 blijkt bovendien dat de budgettaire impact hiervan preciezer wordt geraamd op 105,5 miljoen euro. Dat hebben we ondertussen kunnen vaststellen.
Tegelijk bestaat er onduidelijkheid over de haalbaarheid van de centenindex in 2026. Volgens de voorlopige begrotingstabel die wij in november ontvingen, was daaraan in 2026 een opbrengst van 272 miljoen euro verbonden. Die opbrengst komt minstens gedeeltelijk in het gedrang, omdat de spilindex vroeger dan verwacht, namelijk in december 2025, werd overschreden. Aanvankelijk werd bericht dat er in 2026 bijgevolg geen indexering meer zou zijn. Nu voorspelt het Planbureau echter alsnog een overschrijding van de spilindex in december 2026.
Mijnheer de minister, kunt u toelichten wat de impact is van de losse eindjes, en dus van de begrotingsnotificaties, op de voorlopige begrotingstabel die aan het Parlement werd bezorgd bij de State of the Union? U moet ons vergeven, maar dit is voorlopig het enige document dat wij hebben ontvangen waarin cijfers zijn opgenomen.
Ten tweede, kunt u toelichten wat de impact is van de aanhoudende voorlopige twaalfden en de vertraagde omzetting van de maatregelen op de ramingen uit die voorlopige begrotingstabel die wij hebben ontvangen?
Ten derde, zal de regering bijkomende compenserende maatregelen nemen om tot de beoogde begrotingsinspanningen te komen voor de jaren 2026 tot en met 2029? En sluit u uit dat hiertoe bijkomende belastingverhogingen zullen worden doorgevoerd?
Vincent Van Peteghem:
Even een vraag: dit is een vraag die ook betrekking heeft op de volgende vraag, die nog door de heer Bilmez moet worden gesteld, want daarover zijn ook vragen gesteld, over de centenindex en dergelijke.
De voorzitster : Mijnheer Vermeersch, was uw vraag nu gericht op het uitstel van de centenindex, of ging uw vraag over de losse eindjes?
Wouter Vermeersch:
Ik heb mijn vraag gesteld over de losse eindjes en de budgettaire impact daarvan. De centenindex is een van de elementen die ik heb aangehaald, maar ook de btw-verhoging en de begrotingstabel die wij hebben ontvangen, met de enige cijfers waarover wij tot nu toe beschikten. Mijn vraag is in hoeverre die begrotingstabel vandaag moet worden bijgestuurd.
Vincent Van Peteghem:
Oké. De budgettaire impact van de verschillende maatregelen die in het kader van de begrotingsopmaak 2026 werden genomen, zal uiteraard binnenkort uitgebreid in deze commissie worden besproken in het kader van de behandeling van de begroting 2026. Het klopt inderdaad wat u zegt: door de inwerkingtreding van de verschillende btw-maatregelen vanaf 1 maart in plaats van 1 januari loopt de overheid voor het jaar 2026 ongeveer 100 miljoen euro aan bijkomende ontvangsten mis.
In elk geval zullen de meeste losse eindjes waar u in uw vraag naar verwijst, worden vertaald in de programmawet, die uiteraard ook hier in deze commissie zal worden besproken.
De evaluatie of bijkomende compenserende maatregelen moeten worden genomen, gebeurt bij elke begrotingsopmaak en begrotingscontrole. De impact van alle maatregelen wordt telkens geëvalueerd in het kader van die begrotingsoefeningen, en dat zal in dit geval niet anders zijn.
Wouter Vermeersch:
Dank u, mijnheer de minister. De vraag die eigenlijk nog niet is beantwoord en waarvan wij hopen dat ze in de komende weken, ook in het kader van de begrotingsbespreking, wordt beantwoord, is de kernvraag of die cijfers eigenlijk nog wel kloppen. Dat zullen we hopelijk samen met u in de komende weken hier kunnen vaststellen. Het Parlement heeft een voorlopige begrotingstabel ontvangen die ondertussen ingehaald is door de realiteit, en niet alleen door de realiteit, maar ook door de enorme koehandel die de afgelopen weken binnen uw regering heeft plaatsgevonden. Ik denk aan het getrek en geduw rond de btw-verhoging, dus de belastingverhoging die uw regering doorvoert via de btw, het uitstel van een aantal maatregelen en de voorlopige twaalfden, waarvan we vandaag nog altijd niet weten wanneer ze eindelijk zullen eindigen – hopelijk straks wel. Die losse eindjes zijn geen details. Dat worden structurele gaten in uw begroting. Uw begrotingstabel is in feite al achterhaald. Wat vandaag als tijdelijk wordt voorgesteld, dreigt morgen – of zelfs vandaag al – een permanent verlies aan inkomsten te worden. Wanneer inkomsten wegvallen of onzeker zijn, weten we wat er in dit land gebeurt: dan kijkt uw regering, de belastingregering-De Wever, opnieuw richting de belastingbetaler. De vraag is dan eenvoudig, mijnheer de minister, en die zullen we u de komende weken zeker nog voorleggen: wie zal uiteindelijk de rekening betalen? Wij vrezen dat dat opnieuw de Vlamingen zullen zijn.
Het uitstel van de centenindex
De impact van de centenindex op de begroting
De invloed van de centenindex op begrotingsplanning en uitstel
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Peteghem bevestigt dat de centenindex (een beperkte indexsprong op lonen >€4.000 en uitkeringen >€2.000) per 1 april 2026 wordt ingevoerd via de programmawet, met een budgettair voordeel van €272 miljoen in 2026 (stijgend tot €883 miljoen in 2029), maar hangt af van een indexoverschrijding (voorzien in december 2026). Vermeersch bekritiseert het "amateurisme" van de regering omwille van onduidelijkheid, juridische onzekerheid en wisselende scenario’s, terwijl Bilmez (PTB) de maatregel "asociaal" noemt en stelt dat de index de beste inflatiebescherming is, die nu wordt uitgehold ten nadele van werknemers. De praktische uitvoering blijft afhankelijk van de indexevolutie en nog op te stellen wettelijke teksten.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, er heerst veel onduidelijkheid over het voornemen van de regering om in 2026 de zogenaamde centenindex, een verkapte indexsprong, toe te passen. De regering heeft in december een akkoord bereikt over de losse eindjes, waarover we het daarnet al hadden, maar de juridische vraagstukken rond die centenindex konden niet voor Nieuwjaar geregeld worden. De spilindex werd intussen overschreden in december 2025 en het Planbureau voorspelt een volgende overschrijding in december 2026.
Mijnheer de minister, de vragen zoals ik ze ingediend heb, breid ik uit gelet op de actualiteit.
Wanneer beoogt de regering de nodige teksten aan te nemen om die centenindex wettelijk te regelen? Wat is de budgettaire en praktische impact van een overschrijding van de spilindex in december 2025 in plaats van in januari 2026? Welke impact zal de overschrijding van de spilindex in december 2025 hebben op de centenindexering voor 2026? Hoe zal de centenindex concreet uitwerking krijgen, rekening houdend met de verschillende indexatieregelingen? Zal de regering de centenindex uitstellen naar 2027 indien de spilindex niet overschreden wordt in 2026? Wat is de budgettaire impact indien de centenindex niet in 2026, maar in 2027 zal worden toegepast? Sluit u uit dat er twee keer een centenindex kan plaatsvinden in één jaar tijd?
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
Sta me echter toe om het volgende op te merken. Twee van mijn ingediende vragen zijn doorverwezen naar de minister van Financiën. Ik vraag me af wat daarvan de logica is, aangezien die vragen gaan over budgettaire notificaties die niet meer kloppen. Ik had daaromtrent overigens al vragen gesteld aan minister Jambon en ik zal hem daarover uiteraard niet opnieuw bevragen. Mijnheer de minister, waarom hebt u geweigerd om die vragen vandaag te behandelen? Dat vraag ik ter informatie.
Monsieur le ministre, l e gouvernement a décidé de plafonner l'indexation des salaires en 2026 et 2028.
Pour les salaires supérieurs à 4 000 € bruts, la tranche excédant ce montant ne sera pas indexée.
La moitié des économies réalisées grâce à l'indexation des salaires des employés du secteur privé contribuera à l'effort budgétaire de l'État. L'autre moitié sera conservée par les employeurs afin de soutenir la compétitivité.
Le retour sur investissement budgétaire attendu est de 272 millions d'euros en 2026 et devrait atteindre 883 millions d'euros en 2029. Cette mesure générera également plus de 800 millions d'euros pour les entreprises.
1. Quels sont les montants financiers en jeu?
2. Est-ce que vous pourriez fournir les détails des économies réalisées sur les salaires de la fonction publique?
3. Est-ce que vous pourriez faire de même pour les économies réalisées sur les salaires du secteur marchand?
4. Quelles seront les économies réalisées sur les pensions et les prestations sociales?
5. Quelle sera la contribution des employeurs du secteur privé au budget de l'État ? Quel sera le manque à gagner pour la sécurité sociale et le budget de l'État en raison de l'impact négatif de la part non indexée des salaires sur les cotisations sociales et les prélèvements à la source?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Bilmez, op uw opmerking ken ik het juiste antwoord niet. Ik weet ook niet over welke vraag het precies gaat. Ik vermoed dat het secretariaat die vragen heeft doorgestuurd naar de bevoegde minister; ik weet het niet. In ieder geval, verschillende vragen worden samengevoegd, maar voor het overige interveniëren wij niet. Ik wijs niemand met de vinger. Als er vragen zouden zijn waarop u graag een antwoord hebt en moesten de antwoorden vandaag niet gekomen zijn, dan zal ik die bij een volgende gelegenheid graag beantwoorden.
Nu ga ik in op de vragen over de centenindex et le plafonnement de l’index.
Au cours des négociations budgétaires, il a été décidé de procéder à un plafonnement de l’indexation en 2026 et 2028 pour les salaires supérieurs à 4 000 euros bruts par mois et pour les prestations sociales supérieures à 2 000 euros bruts par mois.
De budgettaire impact van die maatregel werd becijferd door het Federaal Planbureau op basis van een simulatie met het door hem gehanteerde HERMES-model.
En ce qui concerne la répartition des montants évoqués par M. Bilmez, je peux vous informer que l’impact estimé par le Bureau fédéral du Plan pour l’année 2026 se répartit comme suit pour l’entité I.
Les économies sur les dépenses liées à la rémunération des travailleurs s’élèvent à 91 millions d’euros. Les économies sur les dépenses de prestations sociales représentent 494 millions d’euros. Les cotisations spéciales versées par les entreprises s’élèvent à 271 millions d’euros. Les moindres cotisations sociales représentent quant à elles 291 millions d’euros.
De teksten die ter uitvoering van de centenindex zullen worden opgemaakt, maken natuurlijk deel uit van de programmawet, die spoedig ook aan het Parlement zal worden voorgelegd. Vanaf 1 april 2026 zal de centenindex op lonen gelden. De nodige wettelijke en reglementaire bepalingen, evenals de bedingen van de individuele en collectieve arbeidsovereenkomst en eenzijdige beslissingen, zullen vanaf dat moment ingaan.
De baremieke en reële lonen worden zo gekoppeld aan een indexmechanisme dat ten belope van 2 % van het referteloon begrensd wordt tot 4.000 euro. Ook voor uitkeringen zal de voorziene beperking tot 2.000 euro maar ingaan bij de eerste aanpassingen na de inwerkingtreding van de programmawet.
Par conséquent, le rendement budgétaire en 2026 dépendra d’un prochain dépassement de l’index. Il n’est pas encore possible de déterminer avec certitude à quel moment celui-ci interviendra. Les dernières prévisions d’inflation du Bureau du Plan tablent sur un dépassement en décembre 2026.
Il convient toutefois de préciser que ces prévisions ne tiennent pas encore compte de l’ensemble des mesures récentes prises dans le cadre de l’élaboration du budget 2026.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, ik begrijp dat de concrete invulling van de centenindex, die verkapte indexsprong, zal worden verwerkt in de programmawet en dientengevolge, zodra die is goedgekeurd, bij de eerstvolgende indexoverschrijding zal worden toegepast. Het Planbureau voorziet een indexsprong momenteel in december 2026, maar uiteraard kan dat nog wijzigen, gelet op de wijzigende geopolitieke en economische omstandigheden. We zullen dat verder opvolgen, maar we hebben bij dezen alvast iets meer duidelijkheid gekregen.
Mijnheer de minister, ik wil nog een oproep doen naar aanleiding van de onzekerheid die de voorbije dagen en weken is gecreëerd, ook door de koehandel binnen uw regering. Er circuleerden verschillende scenario's. Eerst werd gezegd dat die centenindex in 2026 zou worden toegepast. Dat kwam er een uitstel naar 2027. De regering bleek het op een bepaald moment zelf niet meer te weten. Het was ook juridisch onklaar. We hebben de teksten nog niet gezien. Dat ruikt naar en heeft de schijn van amateurisme binnen uw regering, over een kwestie die heel veel burgers na aan het hart ligt, namelijk de indexering van hun loon. Onze oproep is dan ook om in 2026 het amateurisme met betrekking tot dergelijke belangrijke thema's achterwege te laten en veel duidelijker en concreter te communiceren naar de buitenwereld.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, wij betreuren absoluut dat de index wordt aangevallen. De index is de beste bescherming tegen inflatie. Het is de belangrijkste verzekering voor miljoenen werknemers in ons land. Andere landen zijn er jaloers op. Het Belgisch systeem wordt bijvoorbeeld in Frankrijk gebruikt tijdens collectieve loononderhandelingen. In tijden van crisis, zeker nu met de geopolitieke situatie, zouden we net de lonen moeten beschermen en versterken, in plaats van ze aan te vallen. Dat geldt zeker voor een regering die al van het begin claimt dat werken meer moet lonen. Wij hopen dus, samen met de sociale beweging, dat u terugkomt op die heel asociale beslissing.
De voorzitster : Aan de orde is vraag nr. 56012110C van de heer Van Lommel.
Wouter Vermeersch:
Collega Van Lommel heeft mij laten weten dat hij vervangend commissievoorzitter is. Hij vraagt om de vraag even uit te stellen. Hij zal later naar deze commissie komen.
De voorzitster : De heer Van Lommel zit op dit ogenblik inderdaad de commissie voor Economie voor. Bij zijn aankomst straks kan hij zijn vraag stellen.
Vincent Van Peteghem:
(…)
De voorzitster : Ik weet niet of een en ander tegen het Reglement ingaat. Ik ben echter de mening toegedaan dat, wanneer iemand een commissie voorzit en zijn ambt uitoefent, zoiets moet kunnen.
Wouter Vermeersch:
De commissie is meester van haar werkzaamheden. De voorzitster : Mijnheer de minister, ik vermoed dat u er geen probleem mee hebt om zijn vraag later te beantwoorden. We moeten ook de geest van het Reglement altijd goed in het oog houden.
De oplopende overheidsschuld
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand bekritiseert de stijgende overheidsschuld (van 103,9% naar >110% bbp in 2026) als "zorgwekkend" en vraagt concrete maatregelen om de trend te keren, wijzend op onvoldoende impact van geplande acties (pakjestaks, btw-uitstel) en gemiste kansen in 2025. Vincent Van Peteghem verklaart de stijging door structurele tekorten en tijdelijke factoren (Defensie-uitgaven, Vlaamse leningen), en belooft tekortvermindering via hervormingen en activa-optimalisatie, maar Bertrand betwijfelt de effectiviteit hiervan en eist een combinatie van hervormingen en besparingen, met kritiek op politieke waterbijting (Vooruit) en vertragingen.
Alexia Bertrand:
Mijn vraag gaat over de oplopende overheidsschuld, en ik weet dat u daar gevoelig voor bent, mijnheer de minister.
Ik heb het draft budgetary plan gelezen, het document dat u bij Europa hebt ingediend. Ik was niet verrast, want ik had de voorspellingen gezien, maar toch teleurgesteld om te lezen dat de schuldgraad blijft stijgen. Die gaat van 103,9 % van het bbp in 2024, wat al hoger was dan het jaar ervoor, naar meer dan 110 % in 2026. Dat is een zeer belangrijke stijging. Dat is zelfs een zorgwekkende evolutie, want een stijgende schuld beperkt de toekomstige beleidsruimte en verhoogt de rentelasten. Dan zitten we in het verhaal van het risico op een sneeuwbaleffect. Dat staat ook in het DBP, maar u kunt ons daar misschien meer over vertellen, mijnheer de minister. Het gaat mij niet zozeer over het sneeuwbaleffect op zich, maar over hoe u die trend gaat keren. Ik vind het belangrijk dat het Parlement daar inzicht in krijgt.
Hoe verantwoordt u vooral dat de overheidsschuld blijft stijgen tot 110,1 % van het bbp dit jaar? Welke concrete maatregelen zullen deze stijgende schuldgraad op korte en middellange termijn effectief doen dalen?
U zult mij natuurlijk antwoorden, mijnheer de minister, dat u nog moet komen met uw begroting 2026 en uw nieuwe programmawet, maar ik wil toch mijn bezorgdheid uiten. Ik kan vandaag al drie of vier maatregelen benoemen in uw begrotingstabel die geen impact zullen hebben in 2026, of alleszins weinig impact. Ik denk aan de pakjestaks, die al is weggevallen. Ik denk aan de centenindex, waarvan ik hoor dat die misschien in december van dit jaar zou spelen, maar dat is ook niet zeker. En dan is er de btw. U hebt ons net gezegd dat het uitstel van die maatregel tot maart 100 miljoen euro zal kosten.
Dan wil ik weten of dat ook een wijziging van de hypothese inhoudt. Werkt u nu met andere parameters, met andere aannames? Is het alleen de latere inwerkingtreding, of gaat het ook om het feit dat u de parameters hebt aangepast?
Vincent Van Peteghem:
Mevrouw Bertrand, ik zal niet vooruitlopen op de discussie die we hier later in het Parlement nog zullen voeren, maar ik kan wel vaststellen dat het logisch is dat bij een aanhoudend begrotingstekort de overheidsschuld blijft stijgen. De overheid betaalt vandaag zeer hoge interestlasten, die jaarlijks verschuldigd zijn mede omdat in vorige regeringen te weinig structurele hervormingen konden worden doorgevoerd.
In 2025 is de schuldgraad van de gezamenlijke overheid iets sneller toegenomen door een aantal factoren die de schuld verhogen, maar geen invloed hebben op het begrotingssaldo. Concreet gaat het onder meer om uitgaven voor defensiematerieel dat nog niet is geleverd. Daarnaast gaat het ook om de bijdrage van Vlaanderen aan kosten in verband met Brussels Airport en om Vlaamse leningen aan de sociale huisvestingsmaatschappijen.
In de komende jaren zal het primaire begrotingstekort naar verwachting de belangrijkste motor blijven van de dynamiek en de evolutie van de overheidsschuld. Die schulddynamiek zal enigszins worden afgeremd doordat de nominale bbp-groei, dus de noemer van de schuldgraad, nog steeds hoger ligt dan de impliciete rentevoet. Een duurzame stabilisatie en vermindering van de schuldgraad zal dan ook alleen mogelijk zijn door het primaire begrotingstekort weg te werken, waarvoor deze regering stappen blijft zetten. Daarnaast blijven we inzetten op een doorgedreven optimalisatie van de overheidsactiva, om op die manier ook de overheidsschuld verder te doen dalen.
Alexia Bertrand:
Dank u wel, mijnheer de minister. Om duidelijk te zijn, u noemde een aantal elementen die een impact hebben op de schuld, maar niet op het tekort. U verwees onder meer naar de uitgaven voor Defensie. Ik vermoed dat dat komt uit de Europese …
(…) : (…)
Alexia Bertrand:
… Die nog niet geleverd zijn, zegt u. Oké, dat heeft dus niets te maken met de Europese ontsnappingsclausule. Overheidsactiva verkopen helpt natuurlijk inzake overheidsschuld, maar helpt niet zozeer voor het tekort. U zult dan heel veel activa moeten verkopen, want om de schuld met 1 % te verminderen is 6 miljard euro nodig, dus u zult al heel veel moeten verkopen om aan dat bedrag te geraken. Ik denk dat de oplossing heel duidelijk is: het tekort moet kleiner, en dat is het enige dat de schuld echt structureel kan oplossen. Dan gaan de rentelasten ook dalen, gewoon omdat het tekort kleiner is. Ik denk dat u een opportuniteit gemist hebt vorig jaar – daar blijf ik bij – door zo weinig inspanning te doen in 2025. U hebt toen maar een inspanning van 234 miljoen gedaan en het probleem is dat het dan blijft oplopen. Ik weet dat u rekent op de hervormingen eerder dan op een kaasschaafaanpak, maar het probleem – en dat is mijn zeer diepe overtuiging – is dat u de twee zult moeten doen, mijnheer de minister. Die hervormingen zullen immers resultaat opleveren, maar minder dan u verwacht, enerzijds omdat de regering constant plooit voor de vragen van Vooruit, waardoor die hervormingen worden uitgehold omdat er uitzonderingen op komen, en anderzijds omdat ze pas op termijn resultaten opleveren, temeer omdat u steeds vertraging oploopt.
Het verschil tussen het begrotingsakkoord en het Draft Budgetary Plan betreffende Entiteit I
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand wijst op een discrepantie van 409 miljoen euro (van 2,15 naar 1,741 miljard) tussen het begrotingsakkoord (november 2023) en het ontwerpbegrotingsplan, en bekritiseert dat de regering zich "rijk rekende" door technische correcties (o.a. Phoenixdeal) als beleidsinspanningen voor te stellen. Minister Van Peteghem verklaart het verschil door uitgestelde maatregelen (btw-hervorming) en Europese exclusies (technische correcties niet meegerekend), maar Bertrand betwijfelt de transparantie en vreesd verdere verslechtering door vertragingen. Zij stelt vast dat de begrotingsdoelen al na drie maanden zijn bijgesteld en eist helderheid bij de aanstaande begrotingsbesprekingen.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, in het ontwerpbegrotingsplan bedraagt de totale inspanning voor entiteit I 1,741 miljard euro. Wanneer ik naar het begrotingsakkoord van eind november kijk, zie ik in die tabel nochtans een inspanning van 2,15 miljard euro. Er werd gesproken over bijna 2 miljard euro aan gevonden maatregelen voor 2026.
Heb ik dat slecht gelezen? Dat roept vragen op en ik kan dat niet verzoenen. Ik heb de indruk dat er een inconsistentie bestaat tussen de politieke akkoorden en de budgettaire rapporteringen aan Europa. Ik vond het zeer moeilijk om met dergelijke discrepanties mijn weg te vinden in dat document.
Kunt u mij daar een uitleg over geven? Welke uitgaven- of inkomstenposten zijn gewijzigd sinds het begrotingsakkoord van 24 november, waardoor de inspanning is teruggevallen tot 1,7 miljard euro in plaats van 2,15 miljard euro zoals in november aangekondigd?
Vincent Van Peteghem:
Het D raft Budgetary Plan is gebaseerd op de begrotingsnotificaties van 12 december, die intussen ook met het Parlement werden gedeeld. Zoals u in die notificaties hebt kunnen zien, werd rekening gehouden met bepaalde minderontvangsten, omdat maatreden niet tijdig in werking kunnen treden. Zo zal het uitstel van de btw-hervorming naar 1 maart 2026 eenmalig een budgettaire kostprijs hebben in de begrotingstabel waar u naar verwijst.
Daarnaast worden bepaalde maatregelen door de Europese Commissie als technische correctie aangemerkt. Ze worden daarom niet meegenomen in de getoonde oefening van 1,74 miljard euro. Het belangrijkste daarvan is de correctie van de Phoenixdeal.
Het D raft Budgetary Plan zal in het kader van de komende begrotingsbespreking worden behandeld. Het is dus zeker geen gebrek aan transparantie. We zullen daarover in de komende weken ongetwijfeld nog verder spreken.
Alexia Bertrand:
Dank u voor uw transparantie, mijnheer de minister. Ik denk dat het duidelijk is. We gaan van 2,15 miljard euro naar 1,741 miljard euro. Dat is een verschil van meer dan 350 miljoen euro, sinds november. Dat is gigantisch en ik denk dat dit bedrag alleen maar gaat stijgen. Dat betekent ook dat u zich rijk rekende, met een aantal technische correcties die u als een inspanning presenteerde. Gelukkig kijkt de Europese Commissie naar het Draft Budgetary Plan om de regering eraan te herinneren dat dit geen inspanning is. Dit zijn gewoon technische correcties. Uiteraard zal de Phoenixdeal meer opbrengen dan verwacht. Dat is geen inspanning van de regering. Dat is gewoon een technische correctie. Ik zal dit van dichtbij opvolgen. Ik begrijp dat we meer dan 365 miljoen euro kwijt zijn, sinds november, mijnheer de minister. Ik dank u om dat hier vandaag al te bevestigen. Ik maak me al meer zorgen over de begroting. Een aantal van de lijnen in uw tabel leken al opgeblazen te zijn. Nu, drie maanden later, alleen omdat er vertraging is, geeft u zelf toe dat de opbrengsten al veel lager zullen zijn. Ik wacht vol aandacht en ongeduld op de begroting en de programmawet.
De divergentie met de NBB-cijfers over het tekort
De verdampte rentewinst
Vergelijking en impact van financiële cijfers en rentewinsten
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand wijst op een discrepantie tussen minister Van Peteghems begrotingsramingen (gebaseerd op het Monitoringcomité, september 2025) en de Nationale Bank, die een hoger tekort (5,7% bbp) en stijgende rentelasten signaleert, en vraagt om concrete cijfers over de afwijkingen in miljoenen euro’s. Van Peteghem relativeert dit door methodologische verschillen te benadrukken: het Monitoringcomité ramde in juli 2025 al 5,8% (vs. NBB’s 5,7%), wat volgens hem juist een positieve afwijking toont, en waarschuwt tegen directe vergelijkingen; voor de rentewinst verwijst hij naar sensitiviteitsanalyses bij ongewijzigd beleid. Bertrand aanvaardt zijn standpunt maar benadrukt als signaal dat de NBB-ramingen (stijgend tekort) serieus genomen moeten worden, met de realiteit als latere toets. Beide partijen behouden hun eigen referentiekader (Monitoringcomité vs. NBB) zonder concrete cijfers te preciseren.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, uw begrotingstabel is gebaseerd op de ramingen van het monitoringcomité van september 2025. De Nationale Bank stelt echter vast in haar rapport dat het tekort in het derde kwartaal reeds is opgelopen tot 5,7 % van het bbp. Hoe groot is het verschil in miljoenen euro’s tussen het startpunt in uw tabel en de reële situatie van 5,7 % tekort die de Nationale Bank vandaag vaststelt? Dit betreft rapport 2025-3 van de Nationale Bank.
Ik heb nog een tweede vraag, mijnheer de minister. In notificatie 1 schrijft u een rentewinst in van 27 miljoen euro in 2026, oplopend tot bijna een half miljard in 2029. Uw tabel is gebaseerd op parameters van september 2025. In het laatste rapport van de Nationale Bank stelt de bank echter vast dat het tekort in het derde kwartaal al is opgelopen tot 5,7 % van de financieringsbehoeften van de Staat, wat de te betalen rente drastisch verhoogt. Hoeveel zal het verschil in rente bedragen, uitgedrukt in miljoenen euro’s?
Vincent Van Peteghem:
Mevrouw Bertrand, de methodologie die het Monitoringcomité hanteert, is uiteraard verschillend van die van de Nationale Bank van België (NBB). Een verslechtering van het resultaat volgens de methodologie van de NBB hoeft dan ook geen verslechtering te betekenen volgens de methodologie van het Monitoringcomité.
Een voorbeeld daarvan vindt u in het verslag van het Monitoringcomité van juli 2025, op pagina 179. De Nationale Bank raamde in juni 2025 het tekort van de gezamenlijke overheid voor 2025 nog op 5,2 %. Zoals u terecht aangeeft, is dat in de meest recente raming 5,7 % geworden, terwijl het Monitoringcomité in juli 2025 al uitging van een tekort van 5,8 % voor de gezamenlijke overheid in 2025. In die optiek is het verschil dus veeleer positief dan negatief. Laat ons methodologisch correct blijven en de ene raming niet zomaar extrapoleren of vergelijken met een andere.
In antwoord op uw vraag over de notificatie inzake de rentewinst, wordt die uiteraard afgezet tegenover de situatie bij ongewijzigd beleid. De inspanning die de regering zal leveren, is daarbij afgewogen tegen de ramingen in de sensitiviteitsanalyse, zoals ook opgenomen is in het rapport van het Monitoringcomité van september 2025.
Alexia Bertrand:
Dank u wel, mijnheer de minister. Ik begrijp dus dat u vasthoudt aan de ramingen van het Monitoringcomité. Op zich lijkt mij dat volkomen redelijk. U moet uiteraard altijd dezelfde parameters hanteren. We zullen achteraf wel zien wie gelijk heeft. Soms is dat het Monitoringcomité, soms de Nationale Bank van België. Dit moet gewoon een signaal zijn. Als de NBB in haar laatste ramingen aangeeft dat het tekort stijgt, moeten we ervan uitgaan – zeker gelet op de verklaringen van het Monitoringcomité in juli – dat het tekort dicht bij die raming zal liggen. We zullen de realiteit pas later kunnen vaststellen en vergelijken.
De latere inwerkingtreding van de centenindex
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand vraagt naar het effectieve verlies op de geramde 272 miljoen euro (2026) door het afromen van de indexering, nu de spilindex al overschreden is maar de wet nog niet is goedgekeurd. Minister Van Peteghem wijst op het onzekere karakter van de raming (gebaseerd op een Federaal Planbureau-scenario met gedeeltelijke doorstorting) en benadrukt dat de daadwerkelijke opbrengst afhangt van de definitieve maatregel en toekomstige spilindex-overschrijdingen, met evaluatie bij de volgende begrotingsronde. Bertrand concludeert dat er geen concrete zekerheid is zolang wetgeving en indexontwikkeling onduidelijk blijven.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, uw tabel voorziet 272 miljoen euro aan inkomsten in 2026 door het afromen van de indexering. De spilindex is echter al overschreden en de wetgeving is nog niet aangenomen. Hoeveel bedraagt het effectieve verlies op deze raming van 272 miljoen euro doordat de maatregel pas later dan voorzien van kracht kan worden?
Vincent Van Peteghem:
De berekening van het Federaal Planbureau, waarop de budgettaire opbrengst gebaseerd is, ging uit van het feit dat de helft van het verschil tussen een centenindex, dus boven 2.000 euro voor sociale uitkeringen en boven 4.000 euro voor lonen in 2026 en 2028, en een normale indexering wordt doorgestort aan entiteit I. Als dat mechanisme in 2026 op bepaalde lonen of uitkeringen niet van toepassing zal zijn, zal dat logischerwijs een impact hebben op de budgettaire opbrengst. Dat hangt echter af van de definitieve vormgeving van de maatregel, die nog moet worden goedgekeurd, en ook van een eventuele volgende overschrijding van de spilindex. Uiteraard zal elke opbrengst worden geëvalueerd bij een volgende begrotingsronde. Dat geldt zeker ook voor deze maatregel.
Alexia Bertrand:
Daar is dus nog geen duidelijkheid over, omdat de wet nog moet worden aangenomen en omdat we niet weten wanneer de volgende overschrijding van de spilindex zal plaatsvinden. Het is dus afwachten.
De netto personeelskosten van de federale overheid
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand vraagt kritisch of de netto loonmassa van de federale overheid in 2026 daalt in absolute euro’s, gegeven de besparing van 100 miljoen door niet-vervanging van ambtenaren tegenover de aanwerving van 377 fraude-inspecteurs—volgens haar een tegenstrijdigheid. Minister Van Peteghem ontwijkt een direct antwoord, verwijst naar toekomstige begrotingsdocumenten en benadrukt dat de evolutie inclusief indexering moet worden bekeken, zonder concrete cijfers te geven. Bertrand bekritiseert dit als "intellectueel oneerlijk" en vermoedt dat de 100 miljoen wel de kost van de nieuwe aanwervingen dekt, maar eist transparantie tijdens de begrotingsbespreking. De kern blijft onbeantwoord: stijgt of daalt de totale loonfactuur in 2026?
Alexia Bertrand:
U rekent op een besparing van 100 miljoen door minder vervangingen van ambtenaren. Dat is notificatie 23. Tegelijkertijd werft u 377 fraude-inspecteurs aan. Dat is notificatie 51. Vandaar mijn vraag.
Wat is de netto-evolutie van de loonmassa van de federale overheid dit jaar, rekening houdend met de loonindexeringen en met die nieuwe aanwervingen? Daalt de totale loonfactuur van de federale overheid in 2026 dan eigenlijk wel in euro's? Ja of neen, mijnheer de minister?
Vincent Van Peteghem:
Elke notificatie wordt natuurlijk berekend door de budgettaire opbrengst of kostprijs van de in die notificatie omschreven maatregel af te zetten tegen een ongewijzigd beleid. Ongewijzigd beleid houdt uiteraard ook rekening met de loonindexeringen. Wat de netto-evolutie van de loonmassa betreft, zal dat natuurlijk binnenkort ook te lezen zijn in de verschillende begrotingsdocumenten. Nu, indien men de loonfacturen in euro’s wil bekijken en die jaar na jaar wil vergelijken, moeten natuurlijk alle factoren, dus ook de indexering, in rekening worden gebracht. Dat is logisch. Volgens die logica zou de significante verhoging van de loonfactuur in 2022 door vijf indexoverschrijdingen aan de toenmalige staatssecretaris van Begroting moeten worden toegeschreven, maar dat is natuurlijk niet correct. Vandaar dat ik dat ook niet zal herhalen.
Alexia Bertrand:
Uw antwoord was mij helemaal niet duidelijk. Ik begrijp dat dat wordt vergeleken met ongewijzigd beleid. Dat is geen enkel probleem. U houdt rekening met de indexering en dat is in de wet geschreven. Maar mijn vraag betreft de besparing van 100 miljoen waarop u rekent, terwijl u 377 ambtenaren aanwerft als fraude-inspecteur. U hebt mijn vraag echt niet beantwoord.
De vraag is heel eenvoudig. Wat is de netto-evolutie van de loonmassa? Zal die stijgen of zal die dalen? Dat is toch een eenvoudige berekening. Ik denk dat u daar als minister van Begroting op moet kunnen antwoorden. Ik denk dat iedereen een dergelijke vraag begrijpt. U werft bijna 400 mensen aan, maar u zegt tegelijkertijd dat u 100 miljoen euro zult besparen.
Ik zie niet goed in wat de index daarmee te maken heeft, behalve dat die loonmassa natuurlijk stijgt met de index. Ik zou willen weten of die 377 fraude-inspecteurs ervoor zorgen dat die loonmassa gaat dalen of niet, en wat de evolutie daarvan is. Kunt u mij daar een antwoord op geven?
Vincent Van Peteghem:
De evolutie van die loonmassa krijgt u binnenkort te zien in alle documenten. De afspraken die gemaakt zijn over de aanwerving van die fraude-inspecteurs zitten ook mee in de beslissing die genomen is in de begroting.
Om eerlijk te zijn begrijp ik uw vraag niet goed. Wat is de netto-evolutie van de loonmassa van de federale overheid in 2026? Die zal uiteraard rekening houden met die loonindexeringen en met de beslissingen die genomen zijn door de regering.
De vraag of de totale loonfactuur van de federale overheid in 2026 daalt, kunt u afleiden uit de documenten. Ik heb de correcte cijfers nu niet voor mij liggen.
Alexia Bertrand:
Ik ga ervan uit - en zal dat in de begroting nagaan - dat u enerzijds 377 fraude-inspecteurs aanwerft, maar anderzijds de loonmassa doet dalen met 100 miljoen euro. Dat betekent dat u veel meer niet-vervangingen zult doen dan de kosten van die 377 inspecteurs. Ik hoop dat dat het is, want dat heb ik begrepen uit uw antwoord. Dat houdt dus rekening met die 377 fraude-inspecteurs. Als u zegt dat u enerzijds een aantal mensen niet vervangt, maar anderzijds geen rekening houdt met het feit dat u 377 inspecteurs aanwerft, dan is dat intellectueel niet eerlijk. We zullen daarop terugkomen op het moment van de begrotingsbespreking. Ik vermoed dat die 100 miljoen euro ook de loonkost van de aanwerving van die 377 inspecteurs inhoudt en dat heb ik ook zo begrepen uit uw antwoord. We komen daar zeker op terug op het moment van de bespreking van de begroting.
De clausule voor de defensie-uitgaven en de toekomst van de begrotingstrajecten
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand bekritiseert dat minister Van Peteghem geen concrete exitstrategie heeft voor de tijdelijke defensie-ontsnappingsclausule (tot 2028) en vreest dat België zonder plan de Europese begrotingsregels zal schenden, met risico’s voor het begrotingsbeleid. Ze stelt dat zijn antwoorden ontwijkend zijn en dat er geen zicht is op structurele defensiemaatregelen of het beloofde defensiefonds na 2029, ondanks eerdere toezeggingen van 20 miljard euro aan inspanningen. Van Peteghem verdedigt dat de regering 9,2 miljard euro uittrekt tot 2029 om de uitgavennorm te halen en claimt dat de huidige inspanningen volstaan, maar Bertrand betwist dit cijfer en wijst op een begrotingstekort boven 5% dat extra maatregelen vereist. De discussie blijft onopgelost, met wederzijds wantrouwen over de haalbaarheid van de plannen.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, u maakt vandaag gebruik van de nationale ontsnappingsclausule voor defensie-uitgaven, wat tijdelijk budgettaire flexibiliteit toelaat tot 2028, als ik het goed heb. Die clausule is per definitie tijdelijk en zal op een bepaald moment aflopen. Het is onduidelijk hoe de regering zich voorbereidt op de terugkeer naar een strikter begrotingskader. Ik moet eerlijk toegeven dat ik het nog niet doorheb. Ik heb nog geen strategie gezien voor na de afloop van die flexibiliteitsclausule. Zonder duidelijke exitstrategie dreigen we niet te voldoen aan de Europese begrotingsregels, wat een risico vormt voor het begrotingsbeleid.
Wat gebeurt er concreet met het netto-uitgaventraject en het begrotingspad zodra de defensiegerelateerde ontsnappingsclausule afloopt? Welke maatregelen zijn voorzien om die overgang op te vangen?
Vincent Van Peteghem:
Hoe de Europese Commissie technisch te werk zal gaan bij het aflopen van de ontsnappingsclausule in 2029, moet nog nader verduidelijkt worden. In elk geval bereidt deze regering zich voor op het aflopen van de ontsnappingsclausule door een significante inspanning te leveren om te voldoen aan de uitgavennorm, ook wanneer er geen flexibiliteit meer aan de lidstaten zou worden gegeven. Ook in de jaren dat de impact van een door het Monitoringcomité geprojecteerde overschrijding van de netto-uitgavennorm gecompenseerd zou worden door de flexibiliteit van de ontsnappingsclausule, wordt een bijkomende inspanning geleverd om onze overheidsfinanciën op orde te krijgen.
Alexia Bertrand:
Dank u wel, mijnheer de minister. Dat was opnieuw een zeer mooi non-antwoord. Die beslissing zal worden genomen tegen het einde van…
Vincent Van Peteghem:
(…)
Alexia Bertrand:
Dat betekent dus dat u pas in 2029, op het moment van de verkiezingen, een beslissing zult nemen.
Vincent Van Peteghem:
(…)
Alexia Bertrand:
Ik heb nog niet gelezen welke maatregelen u voor 2029 hebt genomen om een structurele inspanning voor defensie te doen. Dat zullen wij wel in de begrotingstabellen lezen, maar u ging een defensiefonds oprichten. Dat heb ik ook niet gezien. Er is daarvoor nog niets voorzien. Kunt u dat opnieuw verduidelijken? Welke maatregelen zijn er vanaf 2029 voor defensie?
Vincent Van Peteghem:
We hebben een meerjarenbegroting opgesteld die een inspanning van samen 9,2 miljard euro tegen 2029 omvat en die ervoor zorgt dat de uitgavennorm die we in 2029 moeten halen, wordt bereikt. U vraagt mij of die uitgavennormen, die flexibiliteit die er vandaag bestaat, er zijn en wat we zullen doen als die aflopen. Mijn antwoord daarop is dat we met de inspanningen die we nu leveren – uiteraard zullen we jaar na jaar moeten controleren of die inspanningen effectief worden omgezet en of de opbrengsten, de kosten en de noodzakelijke besparingen gehaald kunnen worden – in 2029 zullen voldoen aan de vastgelegde uitgavennorm.
Alexia Bertrand:
Het gaat echter niet meer om 9,2 miljard euro, mijnheer de minister, dus ik vrees dat u…
Vincent Van Peteghem:
(…)
Alexia Bertrand:
Ja, oké. Ik hoor het. Wij zullen dat moeten controleren, maar ik hoor dat u er rekening mee hebt gehouden. Ik zal dat ook goed bekijken, want ik kom niet tot de totale inspanning van meer dan 20 miljard euro die u aan het begin van de legislatuur hebt aangekondigd. We zullen zien waar u uiteindelijk terechtkomt. Volgens de voorspellingen zitten we immers nog boven de 5 %. Zonder die ontsnappingsclausule zal zeker een bijkomende inspanning nodig zijn. Ik hoor dat dat inbegrepen is in uw 9,2 miljard euro, maar het zal geen 9,2 miljard zijn. We zullen dat opnieuw bespreken bij het indienen van de begroting in de komende weken.
De impact van de begrotingsmaatregelen op de horecasector
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand bekritiseert dat minister Vincent Van Peteghem geen impactanalyse maakte van de lastenverzwaring van ~250 miljoen euro (btw-verhoging + afschaffing RSZ-korting) voor de horeca, ondanks risico’s op banenverlies, lagere inkomsten en vennootschapsbelasting. Van Peteghem verdedigt de maatregelen als verduidelijking (gelijk btw-tarief takeaway/ter plaatse) en wijst op compensatie (btw-daling niet-alcoholische dranken naar 12%), maar Bertrand noemt dit "losse flarden zonder visie", stelt dat de sector al kwetsbaar is en vreest verergering door gebrek aan integrale analyse. Hij belooft de gevolgen op te volgen via cijfers. Van Peteghem blijft bij zijn positieve framing van de maatregelen als antwoord op sectorbezwaren.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, volgens de tabellen bedraagt de totale factuur voor de horeca 222 miljoen euro door de btw-verhoging, plus nog eens 29 miljoen door de afschaffing van de RSZ-korting.
Wat is de economische impact van deze lastenverzwaring van een kwart miljard euro op de tewerkstelling in de horeca? Hebt u die berekend of laten berekenen? Wat zal de negatieve impact op de inkomstenkant?
Dat lijkt mij een zeer belangrijke vraag, want u weet beter dan wie ook – zeker als voormalige minister van Financiën – dat het niet alleen gaat over inkomsten hier of uitgavenverminderingen daar, het gaat ook over de economische impact van maatregelen, verschuivingen en waarschijnlijk minder vennootschapsbelastinginkomsten en andere gevolgen van uw beslissingen. Hebt u dat bekeken wat de horeca betreft?
Vincent Van Peteghem:
Wat de horeca betreft, denk ik dat de gelijktrekking van de btw-tarieven tussen takeaway en ter plaatse consumeren voor veel horecazaken net wat duidelijkheid zal bieden. Bovendien hebben we ervoor gekozen om het btw-tarief op niet-alcoholische dranken in de horeca te laten dalen van 21 % naar 12 %.
Daarbovenop zijn er nog een aantal andere maatregelen die kunnen worden gezien als ondersteuning voor de horeca. Ik denk dus dat het verhaal dat we vandaag schrijven op dat vlak een antwoord biedt op een aantal bezorgdheden en vragen die in de sector leven.
Alexia Bertrand:
Dank u wel, mijnheer de minister. U hebt het eigenlijk op een bierkaartje gedaan, zoals dat vaak wordt gedaan in de publieke sector. Dat kan ik alleen betreuren: geen impactanalyse, geen berekening, geen discussie met de stakeholders. We doen hier een plus, daar een min, met niet-alcoholische dranken. Hoe compenseert u dat met de btw-verhoging op de andere elementen, op de takeaway, met de afschaffing van de RSZ-korting? Het zijn losse maatregelen, maar u kijkt niet naar de bredere economische impact en analyse. De horecasector heeft het vandaag al zeer moeilijk. Dat zien we, dat zeggen ze, dat voelen we. Het gaat om een zeer belangrijke sector voor ons land. Ik moet daaruit afleiden dat er absoluut geen bredere economische analyse is gebeurd. We zullen dat dan in de feiten zien en voelen. Dat is zeker iets wat ik ga opvolgen, maar we zullen de cijfers zien in de komende maanden. Ik vrees dat dit de situatie van de horecasector niet zal verbeteren, zeker gelet op de complexiteit van de maatregelen die we hebben gezien op het vlak van btw en de aanpassingen die nodig zullen zijn voor die sector. Dank u.
De Europese herstelmiddelen
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Reccino Van Lommel bekritiseert de trage uitvoering van het Belgische Europese herstelplan (RRF), waarschuwt voor financiële verliezen bij niet-behaalde mijlpalen ("no milestones, no money") en vraagt om concrete versnellingsmaatregelen, budgettaire gevolgen en prestatie-indicatoren. Minister Vincent Van Peteghem stelt dat 90% van de deadlines (2021–Q3 2025) is gehaald, de rest wordt gecorrigeerd via herzieningen, en dat middelen zijn herbestemd naar volwassener projecten (o.a. mariene natuur, offshore energie, energetische renovatie), zonder de globale enveloppe te vergroten; hij pleit voor minder, maar grotere investeringen in kritieke sectoren en meer pan-Europese projecten in plaats van nationale fragmentatie. Van Lommel betwist de efficiëntie van het RRF, beweert dat het België netto meer heeft gekost dan opbracht en kritiseert het "stuntelige beheer" met te veel "gemorrel in de marge", terwijl hij hoopt dat geen middelen verloren zullen gaan door gemiste doelstellingen.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, doorheen de jaren zijn verschillende ministers verantwoordelijk geweest voor de Europese herstelmiddelen. Vroeger kwam het dossier vaak in de commissie voor Economie aan bod. Nu gebeurt dat in de commissie voor Financiën.
Sta mij toe om te zeggen dat 31 augustus van dit jaar een magische datum zal zijn, want als België op dat moment een aantal doelstellingen uit het RRF-plan niet voltooit, zal dat ook financiële gevolgen hebben. U kent het principe: no milestones, no money . Dat is de manier waarop de Europese Commissie daarmee omgaat.
In november van vorig jaar werd nog een herziening van het plan op Europees niveau goedgekeurd. Daarbij werd aangegeven dat de meeste projecten in juni van dit jaar een voltooiingsdatum zouden hebben.
Mijnheer de minister, met welke maatregelen wordt de implementatie van de resterende mijlpalen versneld, vereenvoudigd of vervangen? Zullen ze nog de vooropgestelde ambitie en impact behouden?
Welke projecten, die oorspronkelijk met Europese middelen zouden worden gefinancierd, zullen door de federale of gewestelijke begrotingen worden gedragen? Wat is het totaalbedrag en aandeel in het geheel?
Welke projecten liepen uiteindelijk een achterstand op? Wat was de oorzaak daarvan? Tot welke extra kosten geven die vertragingen aanleiding?
Hoe beoordeelt u de budgettaire gevolgen, indien bepaalde tranches van de middelen niet worden uitbetaald? Kunt u het effect op de begroting toelichten? Met welke monitoring en rapporteringsmechanismen zult u het Parlement daarover informeren?
Met welke prestatie-indicatoren zal het effect van de herstelplannen op de Belgische economie worden geëvalueerd?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Van Lommel, volgens het laatste halfjaarlijkse rapport, dat in oktober 2025 werd overgemaakt, omvat het Plan voor herstel en veerkracht op federaal niveau 228 mijlpalen en doelstellingen, en 321 opgesplitst per deelentiteit, zoals vastgelegd in het uitvoeringsbesluit van de Raad van 8 juli 2025.
Voor de mijlpalen en doelstellingen waarvan de deadline lag tussen 2021 en het derde kwartaal van 2025 is 90 % behaald. 10 % is niet behaald, maar maakt het voorwerp uit van corrigerende maatregelen die zijn opgenomen in de herziening van het plan, goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie op 13 november 2025, waar u daarnet ook naar verwees.
Voor de mijlpalen en doelstellingen met een deadline in 2026 ligt het merendeel op schema. Tussen juni en oktober 2025 werd daarom een globale herziening van het plan voltooid om bepaalde maatregelen aan te passen, middelen te heroriënteren naar meer mature projecten en de naleving van de Europese termijnen te waarborgen. Op dit moment is het plan globaal genomen conform in uitvoering.
De opvolging van het plan gebeurt op het niveau van de mijlpalen en doelstellingen die aan de maatregelen zijn gekoppeld en niet op het niveau van individuele projecten.
Sommige projecten, met name in de energiesector, werden voorgesteld voor schrapping wegens moeilijkheden bij een tijdige uitvoering. De overeenkomstige middelen werden herbestemd naar andere projecten.
De herziening van het plan had tot doel de beschikbare middelen te heralloceren naar nieuwe en versterkte projecten, zonder verhoging van de globale enveloppe.
Tot de nieuw ingevoerde projecten behoren onder meer op federaal niveau de projecten inzake herstel van de mariene natuur, offshore energie en investeringsinstrumenten via de FPIM, op Waals niveau een nieuwe maatregel met premies voor energetische renovatie en op Vlaams niveau een nieuw instrument ter ondersteuning van transitie-investeringen. De overeenkomstige budgetten zijn afkomstig van de vermindering of schrapping van projecten waarvan de uitvoering dus complexer bleek.
Op Belgisch niveau ben ik ervan overtuigd dat voor dat type plannen beter wordt gekozen voor een beperkt aantal heel grote investeringen in een aantal kritieke sectoren met een sterke opvolging, veeleer dan te kiezen voor een veelheid aan projecten verspreid over verschillende administraties met uiteenlopende beheersprocessen.
Los van een herziening van de werkwijze op Belgisch niveau moet op Europees niveau worden nagedacht over het toekomstig gebruik van middelen van die aard, zowel wat betreft de doelstelling van de projecten als het niveau waarop zij worden uitgevoerd. Vandaag worden te veel nationale projecten gefinancierd via het RRF. Die projecten zouden meer op pan-Europees niveau moeten worden uitgevoerd om de uitdagingen op het vlak van energie, mobiliteit en andere domeinen doeltreffend aan te pakken.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, u zegt dat het merendeel van de projecten op schema zit. Een heroriëntering was in een aantal gevallen mogelijk, gelukkig maar. U hebt natuurlijk niet gezegd dat u er zeker van bent dat wij geen geld zullen verliezen. Ik ga ervan uit dat alles op schema blijft en dat we geen middelen zullen verliezen, want het is u wel bekend dat het hele boeltje ons netto veel meer heeft gekost dan het ooit zal opbrengen. We hadden dat geld veel beter gebruikt om het rechtstreeks in onze economie te pompen. U hebt net heel terecht de kritieke sectoren aangehaald. Inderdaad, daarin moeten we investeren of hadden we moeten investeren. Er is de voorbije jaren te veel gemorreld in de marge. Met het hele RRF-dossier is ook heel stuntelig omgegaan. Ik hoop oprecht dat wij later dit jaar niet het debat moeten voeren over de vaststelling dat er middelen zouden zijn verloren gegaan omdat bepaalde doelstellingen niet zijn gehaald of bepaalde projecten niet zijn uitgevoerd.
Het uitblijven van een definitieve federale begroting voor 2026
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch (oppositie) bekritiseert dat de regering-De Wever te laat is met de begroting 2026, ondanks een akkoord eind november, en beschuldigt de regering van interne onenigheid en onrealistische cijfers (o.a. een vermeld gat van 400 miljoen). Vincent Van Peteghem (minister) stelt dat de begroting eind januari (volgende week) wordt ingediend, met stemming in midden maart, en benadrukt dat saneringsdoelen behouden blijven, al zullen sommige maatregelen later ingaan. Vermeersch betwijfelt de haalbaarheid en noemt het gebruik van voorlopige twaalfden onverantwoord voor een "orderegering". Kernpunt: vertraging en twijfels over budgettaire uitvoering.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, op 18 december heeft de Kamer, meerderheid tegen oppositie, ingestemd met het gebruik van voorlopige twaalfden voor de eerste drie maanden van dit jaar. Dat was noodzakelijk omdat de regering-De Wever er niet tijdig in was geslaagd een volwaardige begroting in te dienen en te laten goedkeuren. Uw regering bereikte eind november 2025 wel een akkoord over een meerjarenbegroting tot 2029, met een sanering van 9,2 miljard euro in het vooruitzicht. Dat akkoord kon echter niet meer binnen de parlementaire kalender worden omgezet in een definitieve begrotingswet.
Voorlopige twaalfden zijn bedoeld als een uitzonderlijk en tijdelijk instrument om de continuïteit van de overheidswerking te verzekeren. Dat een overheid en een regering in volle bevoegdheid, zoals de regering-De Wever, daarop moet terugvallen, is ongezien en bijzonder problematisch. Ondertussen is het januari 2026 en is er in het Parlement nog altijd geen spoor van uw definitieve begroting voor 2026. Er is ook geen duidelijkheid over de timing waarbinnen dit Parlement zijn werkzaamheden rond die begroting zal kunnen uitvoeren. Ik heb daarom een aantal vragen.
Welke concrete redenen verklaren dat uw regering, ondanks het aangekondigde begrotingsakkoord eind november, er tot op heden niet in is geslaagd de definitieve begroting in te dienen bij het Parlement?
Wanneer verwacht u, mijnheer de minister, concreet de begrotingsontwerpen voor 2026 over te maken aan dit Parlement? Op welke datum rekent u op een definitieve stemming? Beoogt u daarbij ook dat de voorlopige twaalfden vroegtijdig, met name vóór 31 maart 2026, zullen worden beëindigd?
Welke budgettaire en beleidsmatige beperkingen legt het aanhoudend gebruik van voorlopige twaalfden volgens u op aan het overheidsbeleid, in het bijzonder wat nieuw beleid en investeringen betreft? Wat is de precieze budgettaire impact? Ook daarover bestaat nog heel wat discussie met betrekking tot het werken met voorlopige twaalfden in de maanden januari tot maart.
Kunt u tot slot bevestigen dat de vooropgestelde saneringsdoelstellingen voor 2026 onverkort blijven gelden en dat het uitstel van de begroting later in het jaar geen extra schulden, begrotingstrucs of lastenverhogingen tot gevolg zal hebben?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, de begrotingsnotificaties die horen bij het begrotingsakkoord dat deze regering heeft gesloten voor de periode 2026-2029, zijn samen met enkele zogenoemde losse eindjes gefinaliseerd op 12 december. Ze zijn intussen ook bezorgd. Op basis van die notificaties werkt mijn administratie de verschillende begrotingsdocumenten uit. We hopen die eind deze maand, normaal gezien volgende week, bij het Parlement in te dienen. De termijnen voor de opmaak van zo’n begrotingsdocument zijn in wezen zeer gelijkaardig aan die van andere begrotingsoefeningen. Vervolgens zullen hier in deze commissie en in de andere commissies de besprekingen plaatsvinden, met daarna de behandeling in de plenaire vergadering, die is voorzien voor midden maart.
Wat uw vraag betreft over de budgettaire impact van het werken met voorlopige twaalfden, hangt dit af van het ijkpunt. Voorlopige twaalfden betekenen een voortzetting van ongewijzigd beleid. Dat is ook het referentiepunt waartegen de budgettaire impact normaal wordt berekend. De beoogde saneringen die zijn opgenomen in de begrotingsnotificaties blijven evenwel onverkort van toepassing. Bepaalde maatregelen, voornamelijk aan de ontvangstenzijde, zullen later in werking treden dan 1 januari en daardoor in 2026 een lager rendement opleveren. Zoals het een minister van Begroting betaamt, zal ik bij elke begrotingsronde die begroting kritisch tegen het licht houden en, waar nodig, bijkomende maatregelen voorstellen.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, u bent nog steeds niet concreet. U zegt dat het normaal gezien iets is voor volgende week. Dat is wishful thinking. Laten we inderdaad hopen dat die documenten dan effectief volgende week hier in het Parlement beschikbaar zijn. U moet weten dat die voorlopige twaalfden waarvan u op dit moment gebruikmaakt, uiteindelijk bedoeld zijn voor uitzonderlijke crisissituaties, niet voor een regering die zegt dit land op orde te gaan zetten. Dat was uiteindelijk immers de inzet van deze regering. U kondigde met uw regering eind november een meerjarenakkoord aan. We zijn ondertussen twee maanden later en er is nog altijd geen begroting 2026. U verwijst uiteraard ook naar de tijd die de administratie nodig heeft om dergelijke documenten op te stellen. De vraag is natuurlijk of het gaat om een gebrek aan tijd. Is dat het probleem of is er een gebrek aan overeenstemming binnen uw regering? Het is natuurlijk dat laatste, dat hebben we gezien tijdens het afgelopen kerstreces, toen uw regering tot op het einde nog aan het bikkelen was over de concrete invulling van die begroting. Er zijn trouwens heel wat cijfers die wij in de begrotingstabellen hebben ontvangen die ondertussen achterhaald en ook bijgesteld zijn. Als wij een snelle berekening maken, zitten we ondertussen al met een bijkomend gat ten opzichte van uw begrotingstabel die wij in november hebben ontvangen van 400 miljoen euro aan zaken die u uiteindelijk door uitstel, afstel en koehandel binnen uw regering waarschijnlijk niet zult kunnen realiseren. De cijfers zijn dus niet alleen achterhaald, we kunnen ons afvragen of alles wat u hebt vooropgesteld, nog haalbaar is op dit moment. Wij maken ons zorgen over het uitblijven van die begroting en hopen volgende week die werkzaamheden samen met u te kunnen aanvatten.
Het ontwerpbegrotingsplan: aanhoudend hoog tekort en stijgende schuld
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch bekritiseert dat de regering ondanks saneringsmaatregelen het begrotingstekort boven de EU-drempel van 3% houdt tot minstens 2026, met een schuld die richting 110% bbp groeit, en vraagt zich af of het plan steunt op te optimistische aannames en eenmalige maatregelen zonder buffers. Minister Van Peteghem verdedigt het beleid door te wijzen op structurele hervormingen (pensioenen, activatie zieke/werklozen) en ontkent terugverdieneffecten als discretionaire maatregelen, al beïnvloeden ze wel de uiteindelijke realisaties. Vermeersch bestempelt de chronische tekorten als bewijs dat België "structureel boven zijn stand leeft" en noemt de situatie "bijzonder problematisch". De discussie draait om de geloofwaardigheid van de begrotingsplannen en de langetermijnrisico’s van hoge schuld en rente.
Wouter Vermeersch:
Dank u, mevrouw de voorzitter, het gaat om een vraag die u eigenlijk net ook hebt gesteld. Ik vind het een beetje vreemd dat die vragen niet worden samengevoegd. Dat zou het debat wat uitdagender en interessanter maken.
Uw regering heeft op 14 januari een ontwerpbegrotingsplan ingediend bij de Europese Commissie. We zitten natuurlijk in de procedure van de buitensporige tekorten, waardoor we onder verhoogd toezicht binnen het Europese begrotingskader vallen. Hoewel België formeel binnen die Europese trajecten blijft, neemt de schuldgraad versneld toe onder druk van de stijgende rentelasten en de vergrijzingskosten. Verschillende waarnemers plaatsen vraagtekens bij de realiteitszin van de gehanteerde aannames en bij de effectieve uitvoering van de aangekondigde inspanningen door uw regering.
Ten eerste, hoe beoordeelt u het feit dat het begrotingstekort ook in 2026 ver boven de Europese drempel van 3 % blijft, ondanks de aangekondigde saneringsinspanningen van deze regering?
Ten tweede, kan de minister toelichten welke structurele maatregelen concreet moeten voorkomen dat de schuldgraad verder oploopt na 2026, gezien opnieuw werd bevestigd dat die richting 110 % van het bbp evolueert?
Ten derde, in welke mate steunt dit ontwerpbegrotingsplan op eenmalige maatregelen, terugverdieneffecten of te optimistische hypothesen? Welke buffers zijn voorzien indien die ramingen niet zouden worden gerealiseerd, wat steeds waarschijnlijker wordt?
Mijnheer de minister, tot slot, erkent u dat bij ongewijzigd beleid de combinatie van een hoge schuld en stijgende rentevoeten de begrotingsruimte voor toekomstige regeringen ernstig zal hypothekeren?
Vincent Van Peteghem:
De regering heeft zich van bij haar aantreden ingezet om binnen de toenmalige context het begrotingsdeficit tegen 2030 te verminderen naar 3 %. We blijven significante inspanningen leveren om zo snel mogelijk, zo dicht mogelijk bij dat streefdoel te komen. Denk maar aan de reeds goedgekeurde beperking van de werkloosheid in de tijd, de pensioenhervorming, die binnenkort hier zal worden voorgelegd, en de verschillende maatregelen om langdurig zieken te activeren.
De terugverdieneffecten zijn niet opgenomen in het ontwerpbegrotingsplan. Bovendien, zoals ik al een paar keer heb aangegeven, worden de terugverdieneffecten ex ante niet als discretionaire ontvangsten of uitgavenmaatregelen beschouwd. Het is wel zo dat na afsluiting van het begrotingsjaar deze terugverdieneffecten ex post wel verwerkt zitten in de uiteindelijke realisaties, hetzij aan de ontvangstenzijde, bijvoorbeeld doordat er extra fiscale en parafiscale ontvangsten zijn, hetzij aan de uitgavenzijde, bijvoorbeeld door minder uitgaven voor sociale prestaties.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, u spreekt over het tekort van 3 % waarnaar u streeft, maar het tegendeel is natuurlijk waar. Een tekort boven 3 % is vandaag geen uitzondering meer, maar een permanente toestand geworden in dit land. Daarmee bevestigen u en uw regering nogmaals wat wij al langer zeggen, namelijk dat dit land structureel boven zijn stand leeft. De cijfers blijven rood, jaar na jaar, en dat is bijzonder problematisch. Ook dit zullen wij in de komende weken uiteraard verder opvolgen.
De afbouw van federale subsidies
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Van Quickenborne bekritiseert dat minister Van Peteghem ondanks ambitieuze plannen (200 miljoen euro besparing tegen 2029) nauwelijks concrete resultaten boekt (slechts 1 miljoen bij Unia in 2025), en eist transparantie over het subsidieregister (belofte: voorjaar 2024) en de werkelijke besparingen. Hij beschuldigt de regering van "taks, taks, taks, maar geen cut, cut, cut" en suggereert dat vakbonden en middenveld (met ongewijzigde subsidies ondanks dalende werkloosheid) een onbenut besparingspotentieel zijn. Van Peteghem verdedigt het aanstaande subsidieregister (met definities en zoekfunctie) en belooft realistische besparingen via objectieve analyses, maar ontwijkt herhaaldelijk het concrete bedrag van 2025 – wat Van Quickenborne als "teleurstellend en ontransparant" afschildert.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, er is in Vlaanderen veel te doen over de subsidies. Dat volgt u waarschijnlijk ook in de media. De ministers rollen daar vechtend over de straat. Federaal is dat gelukkig niet het geval.
U hebt echter ook grote ambities met de federale subsidies. In de budgettaire tabel van de regering staat dat u tegen 2029 200 miljoen euro minder subsidies wilt uitdelen. In het regeerakkoord staat bovendien dat u een subsidieregister wilt aanleggen tegen de begrotingsopmaak van 2026.
Intussen heb ik als parlementslid mijn werk gedaan. Ik heb bij de verschillende excellenties, ook bij uzelf, via schriftelijke vragen informatie over die subsidies opgevraagd. Ik heb bij hen gevraagd naar inzage in de subsidies en ik heb al die bedragen opgeteld. Ik kom tot een totaalbedrag van 30 miljard euro, weliswaar ruim gedefinieerd.
Het antwoord van minister Vandenbroucke was goed voor 28 miljard euro. Hij zegt echter dat men bij hem geen cent kan halen, want dat is niet te doen. Ik zal dat dus niet doen.
Dan blijft er dus nog 2 miljard euro over. Minister Quintin zegt dat het bij hem over 1,3 miljard euro aan subsidies voor de lokale politiezones gaat en hij zegt ook dat u dat geld bij hem niet moet komen halen. Er blijft dus nog 700 miljoen euro over, mijnheer de minister, en daar moet 200 miljoen euro op worden bespaard.
Ik heb drie vragen voor u. Ten eerste, wanneer komt het subsidieregister er? Ik heb in de krant gelezen dat het er dit voorjaar zou komen.
Ten tweede, hoe hebt u het gedaan in 2025? Dat jaar is intussen denkelijk afgesloten. Ik heb gelezen dat er 1 miljoen euro is bespaard op Unia, maar als u 200 miljoen euro moet besparen, bent u met dat tempo natuurlijk 200 jaar bezig. Ik weet niet of u ambitie hebt om 200 jaar in de regering te zitten. Misschien wel, maar dat denk ik niet.
Ten derde, u zegt dat er ook bespaard zal worden op de loonlastenverlaging voor bedrijven, bovenop de initiële 200 miljoen euro. Dat is een ander element.
Hoe gaat u echter in godsnaam – ik acht u hoog – op 700 miljoen euro 200 miljoen euro aan subsidies knippen? Ik ben echt benieuwd naar uw antwoorden, mijnheer de minister.
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Van Quickenborne , u verwijst meteen naar het artikel van vandaag in de krant.
Op welke manier werd die besparing in 2025 gerealiseerd? Ik denk dat daar inderdaad de door u aangehaalde methode is toegepast. Ik denk dat u best een schriftelijke vraag stelt om daar een gedetailleerd overzicht van te ontvangen.
In opvolging van de spending review van de subsidies, dat trouwens op de website van de FOD BOSA werd gepubliceerd, werken wij momenteel aan drie werven.
In eerste instantie gaat het over de definities: wat is een toelage, wat is een dotatie, wat is een subsidie. Die definities werden reeds principieel door de ministerraad goedgekeurd. Een wetsontwerp ter zake wordt momenteel uitgewerkt.
De ministerraad gaf tevens de opdracht om alle federale toelagen in het definitiekader onder te brengen. Dit zorgt ervoor dat wij dit voorjaar de eerste versie van het federale subsidieregister zullen kunnen lanceren. Dat zal gebeuren via een publiek toegankelijke website, waarop ook een zoekfunctie te vinden zal zijn. Het is natuurlijk de bedoeling dat dit register in de periode na de lancering ook stelselmatig wordt uitgebreid.
Tot slot worden op basis van objectieve parameters verbeterpunten en of rationaliseringen voorgesteld, volgend op de categoriseringsoefening die plaatsvindt.
Op basis van die oefeningen ben ik ervan overtuigd dat de vooropgestelde besparingsdoelstelling wel degelijk realistisch is.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, het is jammer dat u niet antwoordt. Ik heb u een eenvoudige vraag gesteld: hoeveel hebt u gerealiseerd in 2025? Ik vraag u zelfs geen details. Geef gewoon het bedrag.
Ik vrees dat u niet antwoordt omdat er niets is, behalve dat miljoen bij Unia. Ik vermoed dat u niets anders hebt gerealiseerd.
Ik vind dat u zich nu te gemakkelijk verschuilt achter schriftelijke vraag en schriftelijk antwoord. Als ik minister was, had ik gezegd: het is zoveel. Dat kunt u toch wel zeggen? Was het 25 miljoen? Was het 24 miljoen? Hoeveel was het in 2025? Dat is toch een eenvoudige vraag? Nee? Wat is uw antwoord?
Er is geen antwoord?
Vincent Van Peteghem:
(…)
Vincent Van Quickenborne:
U hebt het niet bij? Moet ik nu werkelijk 30 dagen wachten op een antwoord op een schriftelijke vraag om te weten hoeveel het was? Geef me gewoon het bedrag! Ik moet de details niet hebben. Gewoon het bedrag. Is het 2 miljoen? Is het 4 miljoen? Als minister van Begroting moet u dat toch weten? Het jaar 2025 is afgesloten. Mijnheer de minister, we kennen elkaar, Vincent en Vincent. Ik verwacht dus een antwoord van u. Dat u het niet geeft, vind ik teleurstellend. Maar goed, we blijven positief. Mijnheer de minister, u vraagt veel inspanningen van onze burgers, door de arizonataksen, door de saga van de btw-kafka. U vraagt ook heel veel van onze ondernemers: de meerwaardetaks, de verdubbeling van de effectentaks, de verhoging van de roerende voorheffing van 15 % naar 18 %. Wat we onder deze regering echter niet zien, is de operatie ontvetting. Het is taks, taks, taks, maar geen cut, cut, cut. We zien geen ontvetting. Behalve een miljoen op Unia hebben we nog niets gezien van ontvetting bij de overheid. Nochtans, de opportuniteiten zijn daar, bijvoorbeeld in de werkloosheid. Er komen 30 % minder werklozen, maar wat gebeurt er met de subsidies aan de vakbonden die de werklozen uitbetalen? Zakken hun middelen met 30 %? Nee, die zakken niet. Mijnheer de minister, als u geld zoekt, zoek het dan bij de vakbonden, bij de middenveldorganisaties. Daar kunt u geld vinden en zo kunt u de staat ontvetten. Dat is uw opdracht.
De begrotingsnotificatie en het btw-tarief
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Kemal Bilmez vraagt of de late invoering (maart 2026) van de btw-harmonisatie al is verwerkt in de begrotingsraming van 633 miljoen euro extra opbrengst, en of bijstelling of compenserende maatregelen nodig zijn. Minister Van Peteghem bevestigt dat de ingangsdatum bekend is en belooft een evaluatie tijdens de begrotingsronde, zonder concrete aanpassingen te noemen. Bilmez bekritiseert impliciet dat de regering (bijgenaamd "Arizona") naar zijn mening de werkende klasse zal belasten om eventuele tekorten op te vangen. Van Peteghem gaat hier niet op in.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik denk dat deze vraag al is gesteld, maar ik ga ze toch herhalen. Ik heb vandaag niet alles kunnen beluisteren.
In de begrotingsnotificaties schat u de extra opbrengst van de harmonisatie van het btw-tarief op 633 miljoen euro per jaar. Die harmonisatie treedt in 2026 echter pas in werking in maart. Bovendien zijn er ook verschillende details die pas in december 2025 zijn beslist, dus nadat u de notificaties hebt verstuurd. Mijn vragen zijn dan ook de volgende.
Is deze late inwerkingtreding al verwerkt in de bedragen van de notificaties voor 2026? Moet de raming voor dit jaar naar beneden worden bijgesteld? En zo ja, heeft de ministerraad al nieuwe inkomsten gevonden om dat te compenseren?
Vincent Van Peteghem:
Uw opmerking in het begin is inderdaad correct. Die vraag is hier eigenlijk al gesteld. Ik heb daarnet ook al bij eerdere vragen geantwoord dat de inwerkingtreding voor bepaalde btw-tarieven zal gebeuren vanaf 1 maart, of dat de inwerkingtreding vanaf 1 maart 2026 van toepassing zal zijn. We zullen dat uiteraard, zoals we dat elke keer doen bij elke begrotingsronde, evalueren om na te gaan of er al dan niet bijkomende inspanningen noodzakelijk zijn om de cijfers die zijn neergeschreven ook effectief te kunnen realiseren.
Kemal Bilmez:
Dank u voor uw antwoord. We zullen dan zien welke nieuwe belastingen Arizona vindt om de werkende klasse te doen betalen.
Het begrotingsakkoord 2026
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Kemal Bilmez bekritiseert dat de regering via btw- en accijnsverhogingen de lasten juist niet naar "sterke schouders" verschuift, maar onevenredig de minst welgestelden treft, gestut op cijfers van Decoster en de Nationale Bank, en noemt dit "asociaal" en een "aanval op de werkende klasse". Minister Van Peteghem erkent dat deze maatregelen niet onder "sterke schouders" vallen (wel bv. de effectentaks), maar verdedigt ze als deel van een "ecofiscale, niet-antiherverdelende" logica, in lijn met collega Jambon (N-VA). Bilmez bestrijdt dit fel, wijst op wetenschappelijk consensus dat consumptiebelastingen regressief zijn, en beschuldigt Van Peteghem van "ontkenning" en "ideologische blindheid", ondanks diens reputatie als pragmaticus. De kern van het conflict draait om de bewering dat de hervorming "sociaal rechtvaardig" zou zijn, die Bilmez als "leugen" afdoet.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, naar aanleiding van het begrotingsakkoord hebt u op uw website aangegeven dat het om een rechtvaardige inspanning gaat en dat, ik citeer: “de lasten van arbeid verschuiven naar de sterke schouders”. Behalve een belastinghervorming van de personenbelasting, die gedeeltelijk wordt uitgesteld, heeft de regering beslist om de btw en de accijnzen te verhogen en geen vermogensbelasting in te voeren.
Volgens de cijfers van professor Decoster en de cijfers die door de Nationale Bank van België in haar rapport zijn gepubliceerd, wegen indirecte belastingen zoals btw en accijnzen tot vijf keer zwaarder op de minst welgestelde huishoudens dan op de rijkste 1 %. Mijn vragen zijn dus heel duidelijk.
Bent u nog steeds van mening dat een verhoging van de indirecte belastingen neerkomt op het verschuiven van de lasten naar de sterke schouders?
Bent u het eens met de minister van Financiën die op 14 januari 2026 in de commissie voor Financiën verklaarde dat de regering op die manier een geleidelijke shift naar een belasting op consumptie bewerkstelligt en dat de hervorming sociaal is? Gaat u daarmee akkoord?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Bilmez, zoals u met het Parlement uit de begrotingstabellen kunt afleiden, worden aanpassingen inzake btw en accijnzen niet gecategoriseerd onder de bijdrage van de sterkste schouders. Daaronder valt bijvoorbeeld wel de verdubbeling van de effectentaks.
Dat neemt niet weg dat ik de mening van mijn collega van Financiën deel dat de maatregelen kaderen in een ecofiscale logica en niet zozeer asociaal of anti-herverdelend zijn.
Kemal Bilmez:
U gaat dus akkoord dat btw geen asociale belasting is. Dat is uw oprechte mening. Dat verbaast mij want die mening gaat in tegen de meeste wetenschappelijke studies. Fernand Huts bijvoorbeeld is honderd keer rijker dan een gemiddeld mens, maar gaat niet honderd keer vaker naar de frituur. De extra belasting die iemand via de btw betaalt, weegt voor hem dus veel minder zwaar door. Ik snap niet dat u dat ontkent. Dat de minister van Financiën, Jan Jambon van de N-VA, dat beweert, snap ik. Hij is immers heel ideologisch ingesteld. Ik was echter van mening dat u een pragmatisch persoon was. U weet goed genoeg dat belastingen zoals accijnzen of btw veel meer wegen op gewone mensen en op gewone huishoudens dan op de sterke schouders. Dus beweren dat meer belasting op consumptie niet asociaal is, is gewoon een leugen. Ik raad u aan om enige wetenschappelijke studies rond het onderwerp te lezen. Ik betreur dus opnieuw die directe aanval op de werkende klasse.
De actualiteit van de initiële begroting voor 2026
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch vraagt op welke ramingen de initiële begroting 2026 gebaseerd was en bekritiseert dat minister Van Peteghem verouderde cijfers (Monitoringcomité, september 2025) hanteert, ondanks economische en geopolitieke veranderingen sinds november—wat volgens hem leidt tot "blind varen" en een "begroting op hoop van zegen". Van Peteghem verdedigt de actualiteit van die cijfers en ziet geen probleem. Vermeersch stelt dat de vertraging en achterhaalde aannames extra begrotingscorrecties en lasten zullen vereisen.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, omdat duidelijk werd dat het neerleggen van de definitieve begroting 2026 niet langer haalbaar was, kwam de regering eind november naar dit Parlement met het ontwerp van financiewet, op de valreep gevolgd door een begrotingsaanpassing. Uit de toelichting bij die begrotingsaanpassing bleek dat het rapport van het Monitoringcomité van 22 september als basis diende voor minstens een deel van de aanpassingen.
Op basis van welke ramingen werd de initiële begroting 2026 opgesteld? Meent u dat de ramingen van het Monitoringcomité van september nog voldoende actueel zijn als basis voor een getrouwe begroting van 2026?
Vincent Van Peteghem:
De initiële begroting werd opgesteld op basis van het recentste beschikbare rapport van het Monitoringcomité, dat van 22 september 2025. Ik zie geen redenen om aan te nemen dat dit rapport onvoldoende actueel zou zijn om een getrouwe begroting op te stellen.
Wouter Vermeersch:
Ik zie toch wel een aantal redenen. De economische toestand is intussen gewijzigd. Op geopolitiek vlak vinden ook zeer snel veranderingen plaats. U bent laat met uw begroting, maar u blijft zich baseren op de cijfers die normaal in november zouden worden gehanteerd, terwijl de bespreking in deze commissie niet in november start, maar pas in februari. We werken dus nog altijd met cijfers die we normaal in november zouden gebruiken. U holt met uw regering achter de feiten aan en vaart op heel wat vlakken blind. U bevestigt hier eigenlijk dat u begrotingen opstelt op basis van achterhaalde aannames, wat het natuurlijk moeilijker maakt. De uitdaging bij eventuele begrotingsaanpassingen, die uiteindelijk meerdere correcties vereisen en meestal bijkomende inspanningen vergen in dit land, wordt daardoor groter. Dit is dus geen begroting die hier vanaf volgende week zal worden ingediend. Dit is boekhouden op hoop van zegen, in de hoop dat het op een of andere manier zal overeenstemmen met de realiteit. Wij hadden liever gezien dat actuelere cijfers als basis zouden dienen.
De begrotingscontrole 2026 en de meerjarenramingen 2027-2031
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch vraagt minister Vincent Van Peteghem om duidelijkheid over de timing van de begrotingscontrole 2026 en de meerjarenraming 2027–2031, en bekritiseert impliciet de vertregging door de regering-De Wever, met name door gebrek aan tijdig akkoord. Van Peteghem antwoordt dat het Monitoringcomité-raport (basis voor de controle) in maart 2025 verwacht wordt, maar geen concrete datum kan geven voor de parlementaire indiening, afhankelijk van regeringsakkoorden. Vermeersch bekritiseert dat een begrotingsaanpassing (formeel, zonder Rekenhof-toezicht) geen volwaardige begrotingscontrole vervangt en wijst op procedurale verschillen, terwijl hij de vaagheid over de meerjarenraming benadrukt. De minister linkt de planning aan macro-economische updates (Federaal Planbureau februari 2026), maar bevestigt geen deadline voor de nooduitgaven 2026 of hun impact.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, op 16 januari keurde de ministerraad een ontwerp van rondzendbrief goed betreffende de begrotingscontrole 2026 en de meerjarenramingen 2027 tot en met 2031. Die rondzendbrief zou onder meer de kalender en de modaliteiten bevatten voor de voorbereiding van de begrotingscontrole 2026 en voor het opstellen van de nota van het Monitoringcomité van 19 maart. Ook zou de rondzendbrief de modaliteiten bevatten voor de voorbereiding van een nieuwe meerjarenraming voor 2027 tot en met 2031, die uitsluitend betrekking zou hebben op de absoluut noodzakelijke uitgaven die niet zijn opgenomen in de initiële begroting 2026.
Mijnheer de minister, wanneer beoogt u uiteindelijk die begrotingscontrole voor 2026 te organiseren? Ik vermoed dat ook die oefening zal worden vertraagd en zal worden verplaatst als gevolg van het niet vinden van een tijdig akkoord binnen uw regering en het uitstelgedrag van de regering-De Wever.
Wanneer mag het Parlement de teksten verwachten?
Wanneer dient de nieuwe meerjarenraming voor 2027 tot en met 2031 klaar te zijn?
Zijn er reeds absoluut noodzakelijke uitgaven die niet werden opgenomen in de initiële begroting 2026? Zo ja, van welke grootorde zijn die uitgaven en wat is hun impact op het vorderingensaldo in het ontwerpbegrotingsplan voor 2026?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, het rapport van het Monitoringcomité, op basis waarvan de begrotingscontrole zal worden gevoerd, verwachten we in de tweede helft van maart. Aan het Monitoringcomité wordt daarbij gevraagd een actualisatie van 2025 en een meerjarenraming 2026–2031 te maken, inclusief een update van de gegevens van 2025.
De ramingen moeten onder andere gebaseerd zijn op de macro-economische parameters van de economische begroting van februari 2026 van het Federaal Planbureau.
Zodra een akkoord wordt bereikt over de al dan niet te nemen maatregelen, zal er een begrotingsaanpassing worden ingediend in het Parlement, maar daarover kan ik momenteel nog geen precieze timing geven.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, een begrotingsaanpassing is uiteraard geen begrotingscontrole. Dat is een formele procedure die in de Kamer normaal rond maart plaatsvindt. U kunt geen concrete datum geven, waardoor die oefening waarschijnlijk wordt uitgesteld, waarschijnlijk in het licht van de moeilijke besluitvorming binnen uw regering. We zullen die oefening dus zeker opvolgen. Ik wijs er nog op, naar aanleiding van de werkzaamheden van onze commissie voor Financiën, dat een begrotingsaanpassing meestal niet door het Rekenhof wordt onderzocht, in tegenstelling tot een begrotingscontrole. Dat zijn dus twee verschillende procedures. Over de meerjarenraming 2027-2031 heb ik u niet concreet gehoord, maar we zullen dat uiteraard opvolgen.
De betaaltermijnen bij de federale overheid
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vincent Van Peteghem erkent de verslechterde betaaltermijnen (26 dagen in 2025, stijging t.o.v. 2024) bij federale diensten als zorgwekkend, wijst op lopend onderzoek naar oorzaken en kondigt kortetermijnmaatregelen aan, zoals verplichte e-facturatie (Peppol) en automatische nalatigheidsinteresten om vertragingen tegen te gaan. Wouter Vermeersch (kritisch) bestempelt de vertragingen als "organisatieprobleem" en schijnheilig beleid: de overheid eist stiptheid van burgers/bedrijven maar faalt zelf, terwijl beloftes uit de beleidsnota 2025 niet zijn nagekomen – "woorden genoeg, daden ontbreken". De minister streeft naar verbetering in 2026, maar Vermeersch blijft sceptisch over de geloofwaardigheid van nieuwe voornemens.
Wouter Vermeersch:
Mevrouw de voorzitter, Op 16 januari publiceerde de FOD BOSA het jaarrapport 2025 met betrekking tot de gemiddelde betaaltermijnen bij de federale overheid. Daaruit valt een verslechtering van de gemiddelde betaaltermijn af te leiden, die opliep tot 26 dagen en die een sterke stijging kende in de tweede helft van vorig jaar.
Het waren voornamelijk de FOD BOSA zelf, Justitie, Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken en de Kanselarij die verantwoordelijk waren voor die stijging. Ook steeg bij de FOD Financiën en Defensie, die een afzonderlijke statistiek bijhouden, de gemiddelde betaaltermijn van 12 dagen in 2024 naar 15 dagen in 2025.
Mijnheer de minister, in uw beleidsnota voor 2025 – bij gebrek aan een nieuwe beleidsnota moeten we het nog doen met die van vorig jaar - staat het volgende te lezen: “De gemiddelde betalingstermijn voor de facturen van de federale overheid bedroeg 25 dagen in 2024, hetgeen een aanzienlijke verslechtering is ten aanzien van 2023. In 2025 zal het terugdringen van de betalingstermijn van facturen door de federale overheid dan ook hoog aan de agenda staan.”
Uit het jaarrapport voor 2024 valt een gemiddelde betaaltermijn van 22 dagen af te leiden, waarbij opvalt dat de termijn erg hoog lag in de eerste vier maanden van 2024, om vervolgens gestaag te dalen doorheen de rest van het jaar tot 16 dagen in november en december.
Mijnheer de minister, het is een lang verhaal om uiteindelijk te zeggen dat u het voornemen had om die termijn in te korten, maar dat we in de feiten en de cijfers zien dat u die termijn vorig jaar nog hebt verlengd. U hebt uw voornemen dus absoluut niet waargemaakt.
Hoe kijkt u naar het rapport en evalueert u de evolutie van die betaaltermijnen? Hoe evalueert u het engagement uit uw beleidsnota met betrekking tot het terugdringen van de betaaltermijn? Waarom zijn de vruchten hiervan niet terug te vinden in de beleidsnota?
Hoe verklaart u dat de betaaltermijnen nog steeds hoger liggen dan in de voorgaande jaren? Hoe verklaart u de negatieve evolutie van de gemiddelde betaaltermijn bij de FOD BOSA?
Kunt u het verschil tussen de termijn uit de beleidsnota en de termijn uit het jaarrapport 2024 duiden? Wat acht u een redelijk streefdoel voor de gemiddelde betaaltermijn? Welke maatregelen zal de regering treffen om die betaaltermijn alsnog terug te dringen?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, die negatieve trend inzake de betaaltermijnen baart mij ook zorgen. De exacte redenen worden momenteel onderzocht, waarbij gewerkt wordt aan kortetermijnoplossingen.
In 2026 wil de overheid dan ook stappen zetten om de betalingstermijnen in te korten. Het gebruik van e-facturatie via het Peppolplatform zal daarin een belangrijke rol spelen. Op die manier streeft de federale overheid naar snellere betalingen en meer gedetailleerde analyses van de oorzaak van betalingsvertragingen, zowel op het federale niveau als op het niveau van de deelentiteiten.
In een reactie op de Europese veroordeling zijn extra maatregelen genomen, voortbouwend op eerdere initiatieven, zoals het koninklijk besluit van 12 augustus 2024 dat de betalingsregels in de overheidsopdrachten in een besluit van 14 januari 2013 aanpaste.
Daarnaast zal de federale overheid ook automatisch nalatigheidsinteresten en een forfaitaire vergoeding voor laattijdige betalingen toekennen, zoals bepaald in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, betaaltermijnen zijn geen detail. Het is de lakmoesproef van goed bestuur. U erkent dat de betalingstermijnen een probleem zijn, maar ondertussen worden ondernemers steeds meer de bank van de overheid. De federale regering-De Wever verwacht stiptheid van burgers en bedrijven, maar slaagt er zelf niet in om een aantal elementaire verplichtingen na te komen. Uw beleidsnota sprak over een prioriteit in 2025, maar de cijfers tonen net het omgekeerde, een achteruitgang. Uw voornemen werd dus niet bewaarheid. Wie 26 dagen nodig heeft om zijn facturen te betalen, heeft geen liquiditeitsprobleem - die legt zijn liquiditeitsprobleem bij de bedrijven - maar die heeft wel duidelijk een organisatieprobleem. Voor heel wat bedrijven is dat geen detail. Bedrijven, ondernemers, burgers moeten op tijd hun belastingen betalen, maar de overheid permitteert zichzelf om die facturen niet op tijd te betalen. Dat is bijzonder problematisch. Wij zullen dit verder opvolgen, mijnheer de minister. Wij kijken ook uit naar uw voornemen om dat in uw beleidsnota van 2026 opnieuw te formuleren en of u dat dit keer wel zult waarmaken. Woorden zijn er ondertussen genoeg geweest, mijnheer de minister. Het is tijd voor concrete daden.
De budgettaire impact van de VS-handelstarieven en de mogelijke EU-vergelding
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch waarschuwt dat de plannen van Trump voor nieuwe handelstarieven (10% vanaf 1 feb 2026) en EU-vergelding (€93 mld) de Belgische begroting – die volgens hem een "kaartenhuisje" is zonder buffers – zwaar kunnen treffen, met risico’s voor groei, tekort en schuld, gesteund door kritiek van NBB-gouverneur Wunsch. Vincent Van Peteghem erkent dat tarieven de groei kunnen beïnvloeden, maar stelt dat EU-prognoses tot nu toe beperkte impact tonen en dat aanpassingen pas volgen bij concrete signalen, gegeven Trumps onvoorspelbaar beleid. Vermeersch bekritiseert dat de regering geen robuuste risico-inschatting maakt en dringt aan op snelle impactanalyses, wijzend op de "dramatische financiële kwetsbaarheid" van België.
Wouter Vermeersch:
Met een half oog volgen we de toespraak van de president van de Verenigde Staten, Donald Trump ( op het World Economic Forum in Davos ). Ik wil daar inderdaad een vraag over stellen, omdat dit een budgettaire impact kan hebben.
De Verenigde Staten kondigden zeer recent een aantal nieuwe handelstarieven aan voor een achttal Europese lidstaten. Die zouden initieel 10 % bedragen en op 1 februari in werking treden. Als reactie daarop ligt binnen de schoot van de Europese Unie een pakket aan vergeldingsmaatregelen op tafel, de zogenaamde bazooka, ter waarde van maar liefst 93 miljard euro, die reeds op 6 februari 2026 zou moeten ingaan.
Trump merkte trouwens op dat men in Europa niet eens weet wat een bazooka is of hoe men ermee moet werken. In een interview met De Tijd stipte de hoofdeconoom van het IMF aan dat de zopas door het IMF gepubliceerde groeiprognoses eigenlijk al achterhaald zijn, omdat ze ervan uitgaan dat de invoertarieven stabiel blijven op het niveau van 2025. Aanvullend stelde hij dat invoertarieven en vergeldingsmaatregelen een negatieve impact hebben op de economische activiteit. U doet dat trouwens ook in uw begroting. Ook het Monitoringcomité zal wellicht in dezelfde richting geen rekening hebben gehouden met deze nieuwe gegevens.
Bent u het eens met de hoofdeconoom van het IMF wat betreft de impact van die invoertarieven en vergeldingsmaatregelen? Beschikt de regering over indicaties dat België niet gespaard zou blijven van die Groenlandtarieven door de Verenigde Staten? Beschikt u over cijfers die de economische impact van de eerste tarievenslag met de Verenigde Staten op dit land meten? Welke impact kunnen de nieuwe handelstarieven en vergeldingsmaatregelen hebben op het ontwerpbegrotingsplan en op de cijfers uit de initiële begrotingstabel die wij ondertussen hebben ontvangen?
Vincent Van Peteghem:
Als ik het voorbije jaar één zaak heb geleerd, dan is het natuurlijk dat het beleid van president Trump niet zeker is en nog sneller kan wijzigen dan wij soms menen.
Het is in dat opzicht mogelijk dat de invoertarieven niet stabiel zullen blijven ten opzichte van 2025. Dat kan gaan over een verhoging, gelet op de dreigingen en aankondigingen die president Trump de voorbije dagen heeft gedaan, maar evenzeer over een bijsturing naar beneden wanneer het Amerikaanse Hooggerechtshof de tarieven al dan niet als wettelijk zou bestempelen.
De handelstarieven zullen uiteraard een impact hebben op onze groei en op onze cijfers. Ik moet wel opmerken dat de voorspellingen die daaromtrent door de Europese Commissie zijn gemaakt over de groei van de eurozone in het algemeen, eigenlijk weinig impact zagen op de groeicijfers, ook al waren of zijn die tarieven toegepast. De zekerheid biedt op dat ogenblik soms ook een stimulans voor het behouden of constant houden van de groei.
Uiteraard volgen mijn diensten de ontwikkelingen van heel nabij op en zullen wij, wanneer dat nodig is, onze ramingen bijstellen op de momenten dat wij daarvoor indicaties hebben.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, onze vaststelling is dat uw begroting, de begroting van de regering-De Wever, alleen klopt als de wereld perfect draait. Dat is echter niet de realiteit. Het is ook geen robuuste begroting, maar een kaartenhuisje. Dit land zit al op het financiële randje. Dat moeten wij durven te benoemen, zeker hier in de commissie, waarin wij met kennis van zaken en met de juiste cijfers in debat gaan. Dit land kan zich dus geen nieuwe schokken permitteren. Dat heeft de gouverneur van de Nationale Bank van België, de heer Wunsch, al heel vaak benadrukt op allerlei fora en bij verschillende mogelijkheden die hij heeft om die boodschap te brengen. Als invoertarieven en vergeldingsmaatregelen de groei afremmen, wat de verwachting is, raakt dat automatisch aan de ontvangsten, aan het tekort en uiteindelijk aan de dramatische schuld van dit land. Dat is geen ideologische vaststelling, maar boekhoudkundige realiteit. Wij maken ons dus ernstige zorgen, omdat dit land geen enkele buffer meer heeft. Wij weten ook dat, als er een stresstest komt voor dit land, duidelijk is wie de rekening zal betalen. U antwoordt dat u de cijfers en risico’s vandaag niet kunt becijferen, maar wij roepen u wel op om de zaken op de voet te volgen, zeker gezien de precaire financiële toestand van dit land. Daarom roepen wij u op om snel berekeningen te maken en de impact heel snel te kunnen inschatten, zodat wij kunnen bijsturen wanneer dat nodig is.
Het effect van de applicatie Vendor invoice management op de betaaltermijnen
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Wouter Vermeersch bekritiseert dat de federale overheid ondanks digitaliseringsinspanningen (stijging e-invoicing van 42% naar 53% in 2025) nog steeds te late betaaltermijnen hanteert en vraagt om concrete resultaten in plaats van beleidsbeloftes. Minister Van Peteghem stelt dat de doelstelling 65% e-invoicing in 2026 en 80% tegen het einde van de legislatuur haalbaar is, maar Vermeersch betwijfelt of dit daadwerkelijk leidt tot verkorte betaaltermijnen, die volgens hem het echte probleem blijven. De minister verklaart dat "scanning" zowel gescande papieren facturen als pdf’s via e-mail (48% in 2025) omvat, maar Vermeersch benadrukt dat vertragingen – digitaal of niet – onaanvaardbaar blijven.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, ik vroeg daarnet geen woorden, maar daden. Deze vraag hangt samen met de discussie rond de betaaltermijnen.
In uw beleidsnota stond over de praktische aanpak van de lange gemiddelde betaaltermijnen bij de federale overheid het volgende te lezen: "Daarbij zal worden ingezet op de verdere uitrol van het vendor invoice management. Een grotere focus wordt daarbij gelegd op e-invoicing via het Mercuriusplatform. Zo wil de federale regering zorgen voor betere betaaltermijnen en meer uitgebreide analyses in verband met huidige vertragingen, zowel op federaal niveau als op het niveau van deelentiteiten."
Uit het jaarrapport voor 2025 met betrekking tot de betaaltermijnen valt af te leiden dat het aantal facturen dat rechtstreeks in het VIM-systeem wordt ingevoerd via e-invoicing toegenomen is van 42 % in 2024 tot 53 % in 2025. Terwijl er in 2024 nog een onderscheid werd gemaakt tussen e-mail (34 %) en scanning (25 %), wordt in het rapport voor 2025 één categorie 'scanning' voorzien (47 %).
Ondanks de ambitie om in te zetten op VIM blijven de FOD Financiën en het ministerie van Defensie echter gebruik maken van een eigen systeem. Ik kan me inbeelden dat er bij Defensie wel wat meer en aanzienlijk grote facturen zullen binnenkomen de komende maanden.
Hoe evalueert u de evolutie van het aantal facturen dat rechtstreeks via e-invoicing in het VIM-systeem wordt ingevoerd? Welke mate van rechtstreekse input via e-invoicing beoogt u te bereiken tegen het einde van 2026 en tegen het einde van de legislatuur? Wat dient verstaan te worden onder 'scanning' als tegencategorie van e-invoicing? Komt deze categorie overeen met de vroegere categorie 'scanning papier'? Wordt er nog gebruik gemaakt van e-mail? Zo ja, in welke mate?
Vincent Van Peteghem:
De federale regering stelt vast dat het aandeel facturen dat rechtstreeks via e-invoicing in het VIM-systeem wordt ingevoerd, duidelijk is toegenomen sinds de start in 2017: van 42 % in 2024 tot 53 % in 2025. Die evolutie bevestigt dat de ingezette beleidslijn haar effect heeft en dat e-invoicing via het Mercuriusplatform geleidelijk aan de standaard wordt binnen de federale overheid.
De doelstelling is om tegen eind 2026 een aandeel van minstens 65 % rechtstreekse e-invoicing te bereiken en om tegen het einde van de legislatuur verder door te groeien richting een overwegend digitale en geautomatiseerde factuurverwerking, met 80 % van de facturen via e-invoicing.
Er is vastgesteld dat het onderscheid tussen gescande papieren facturen en facturen die via e-mail worden aangeleverd niet altijd correct in de cijfers was opgenomen. Daarom zijn die cijfers samengenomen onder de term scanning. Dat onderscheid is bovendien technisch niet relevant, aangezien de risico’s van fouten gelijkaardig zijn.
De cijfers voor scanning hebben grotendeels betrekking op pdf-bestanden die via e-mail worden verstuurd. In december 2025 ging het daarbij om 48 % van de facturen in die categorie.
Wouter Vermeersch:
Ik begrijp, mijnheer de minister, dat u wil evolueren naar bijna 80 % e-invoicing tegen het einde van de legislatuur. Dat is een cijfer dat wij zullen onthouden en uiteraard ook zullen opvolgen. Digitalisering mag echter geen doel op zich zijn; ze moet leiden tot concrete resultaten. Dat is ook de insteek van onze vragen: de betaaltermijnen moeten korter worden. Dat moet de inzet zijn. We zien vandaag nog niet dat dit in de cijfers tot uiting komt. De resultaten uit uw beleidsnota en de voorafnames daarop zien wij voorlopig niet. Die willen we wel zien in de komende jaren. Een digitale factuur die te laat wordt betaald of een reguliere factuur die te laat wordt betaald, behoren uiteindelijk tot dezelfde categorie, die van de te laat betaalde facturen. Daarin blinkt deze federale overheid nog altijd uit en dat is problematisch. Dank u wel.
De groeiverwachtingen
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Volgens Wouter Vermeersch toont het IMF dat België (1% groei in 2026) achterblijft bij de eurozone (1,3-1,4%) en Duitsland (1,1-1,5%), terwijl hij de regering-De Wever bekritiseert voor gebrek aan groeibeleid en te veel nieuwe belastingen (bv. meerwaardebelasting, btw-hervorming) die het ondernemersvertrouwen ondermijnen. Minister Van Peteghem erkent de lage productiviteit, zwakke arbeidsdeelname en hoge sociale kosten als structurele problemen en wijst op maatregelen zoals administratieve vereenvoudiging, kmo-steun en lagere energieprijzen om groei te stimuleren, maar benadrukt dat punctuele besparingen onvoldoende zijn. Vermeersch stelt dat de regering te optimistisch is over groeiverwachtingen en faalt in hervormingen, terwijl buurlanden zoals Duitsland wel herstel boeken door gericht begrotingsbeleid.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, het IMF publiceerde op 19 januari nieuwe economische groeiverwachtingen voor de eurozone. Volgens die publicatie zou de economische groei 1,3 % bedragen in 2026 en 1,4 % in 2027. Specifiek voor België blijft de groeiverwachting uit oktober 2025 gelden, namelijk 1 % voor 2026. Volgens het ontwerpbegrotingsplan zou dat 1,1 % zijn in 2026. Voor Duitsland, dat in 2025 slechts 0,2 % groei kende, wordt een ommekeer verwacht, met een groei van respectievelijk 1,1 % en 1,5 % voor 2026 en 2027. Volgens de daarnet reeds genoemde hoofdeconoom van het IMF zou die kentering minstens gedeeltelijk een weerspiegeling zijn van het begrotingsbeleid dat men steunt.
Mijnheer de minister, hoe evalueert u de relatief lage economische groei in dit land ten opzichte van de groei in de eurozone?
Beoogt de regering maatregelen om, in navolging van Duitsland, een ommekeer te bewerkstelligen?
Welke concrete wijzigingen van het begrotingsbeleid acht u daartoe nodig?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, onze economie stagneert, waardoor wij onze overheidsuitgaven natuurlijk moeilijker gefinancierd krijgen. De lage productiviteitsgroei en onvoldoende arbeidsdeelname, in combinatie met hoge sociale kosten, vormen geen recept waarvan we vrolijk worden. Het is duidelijk dat punctuele inkomsten en besparingen alleen niet zullen volstaan om onze begroting op middellange termijn op een duurzaam traject te krijgen.
De regering is zich uiteraard bewust van het feit dat economische groei en de sanering van de overheidsfinanciën intrinsiek met elkaar verbonden zijn. Elke bijkomende procent economische groei verbetert natuurlijk ook ons begrotingssaldo en onze schuldgraad.
Daarom neemt deze regering maatregelen die het ondernemerschap stimuleren, onder andere via het plan rond administratieve vereenvoudiging en het kmo-plan. Er worden ook maatregelen genomen om de energieprijzen voor onze industrie te temperen. Dat zijn allemaal maatregelen die de bedoeling hebben om een extra impuls te geven aan onze economie.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, die cijfers tonen volgens ons vooral aan dat u voor uw begroting rekent op groei, die er gewoonweg niet komt, of toch niet in vergelijkbare mate als in onze buurlanden. De cijfers zijn heel duidelijk. België bungelt ook op dat vlak achteraan het Europese peloton. Terwijl een land als Duitsland door zijn begrotingskeuzes opnieuw vooruitgaat, blijft de regering-De Wever steken en stagneren inzake groei. De regering-De Wever belooft hervormingen en herstel, maar lage groei zorgt uiteindelijk voor heel wat onzekerheid, die gecreëerd wordt door de vele nieuwe belastingen die op de plank liggen. Denk bijvoorbeeld aan de onzekerheid die vandaag ontstaat over de meerwaardebelasting en heel wat andere initiatieven, zoals de btw-hervorming. Al die discussies bevorderen het ondernemersvertrouwen natuurlijk niet, en uiteindelijk dus ook niet de groei van dit land.
De beleidsnota: begrotingsopmaak 2026 en verdeelsleutel
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch bekritiseert minister Van Peteghem omdat de begroting 2026 de verdeelsleutel uit het regeerakkoord (twee derde hervormingen, één derde belastingen) schendt: volgens zijn berekeningen komt de inspanning van 9 miljard euro bijna volledig uit nieuwe belastingen (zelfs in 2029 nog bijna 50%), wat het regeerakkoord ondermijnt en de regering als "belastingregering" bestempelt. Van Peteghem verdedigt dat de tweederde-norm over de hele legislatuur geldt en wijst op hervormingen zoals uitgavenbeheersing en langdurige ziekte-reïntegratie, maar Vermeersch werpt tegen dat de jaarlijkse toepassing (zoals beloofd) ontbreekt en spreekt van een "stiekem nieuw regeerakkoord" zonder hervormingsfocus. De kern van het conflict draait om de interpretatie van de verdeelsleutel (jaarlijks vs. legislatuurbreed) en de afwezigheid van concrete hervormingsmaatregelen in de begrotingstabel. Vermeersch eist een gedetailleerde tabel met maatregelen per categorie, die Van Peteghem niet expliciet toezegt.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, in de beleidsnota voor 2025 werd al vooruitgekeken naar de begrotingsopmaak voor dit jaar. Daarover werd gesteld dat het respecteren van het uitgaventraject het uitgangspunt zou zijn. Daarbij zouden de inspanningen volgens de ondertussen bekende en herhaaldelijk door de minister bevestigde verdeelsleutel uit het regeerakkoord geleverd moeten worden. Hoewel de regering er niet in slaagde om de begrotingsopmaak tijdig af te ronden en voor het jaareinde een begroting te laten goedkeuren in het Parlement, werd een initiële begrotingstabel voorgelegd. Daaruit blijkt dat voor 2026 een begrotingsinspanning van 2,15 miljard euro wordt voorzien.
Mijnheer de minister, bevestigt u dat de verdeelsleutel onverkort van toepassing is op deze begrotingsinspanning? Kunt u de toepassing van de verdeelsleutel verduidelijken en toelichten hoeveel en welke inspanningen precies worden aangemerkt als structurele hervormingen, het beheersen van de uitgavengroei, de sterkste schouders en afzonderlijk diverse inkomsten?
Erkent u dat er in de begrotingstabel geen maatregelen staan die beantwoorden aan de afspraak om meer dan twee derde van de inspanning uit structurele hervormingen te laten bestaan?
Engageert u zich ertoe om in de algemene toelichting bij de begroting voor 2026 een tabel op te nemen die een overzicht geeft van de reeds genomen en te nemen maatregelen, met hun plaats binnen de verdeelsleutel, namelijk structurele hervormingen, de bijdrage van de sterkste schouders en overige posten?
Vincent Van Peteghem:
Meneer Vermeersch, ik denk dat u zelf ongeveer een samenvatting hebt gemaakt van wat er in de verdeelsleutel van het regeerakkoord staat. Het hoofddoel is dat via de structurele hervormingen, onder andere op de arbeidsmarkt en in de pensioenen, aan het einde van de legislatuur meer dan twee derde van de totale inspanning wordt gerealiseerd en dat het resterende deel via discretionaire maatregelen gebeurt. Aan het einde van de legislatuur moet dus minder dan een derde van de totale inspanning op andere wijze worden geleverd, met een onderverdeling van ongeveer twee derde via het beheersen van de uitgavengroei en maximaal een derde via de bijdrage van de sterkste schouders en diverse inkomsten.
Uit de gedeelde begrotingstabel blijkt dat in 2029 de blokken ‘beheersing van de overheidsuitgaven’, het plan ‘re-integratie langdurig zieken’ en ‘consumptie- en ecofiscaliteit’ stuk voor stuk diepgaande hervormingen betreffen die volwaardig passen binnen die tweederdehervorming.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, uw antwoord is uiteraard een goede poging, maar wij hebben het regeerakkoord goed gelezen, net zoals u. Vandaag zien wij echter geen enkel spoor meer van die verdeelsleutel. U gaat eraan voorbij dat in het regeerakkoord expliciet is vermeld dat bij elke begrotingscontrole en bij elke begrotingsinspanning die verdeelsleutel zou worden gehanteerd. U stelt nu, via een handige formulering, dat dat over de hele legislatuur moet worden beoordeeld. Dat is echter niet wat in het regeerakkoord staat. Die verdeelsleutel lijkt aan de kant geschoven te zijn. Eigenlijk krijgt de voorzitter van de MR gelijk wanneer hij zegt dat er met de laatste begrotingsoefening in feite een nieuw begrotings- of regeerakkoord is gesloten, waarin van die verdeelsleutel geen spoor meer te bekennen is. De extra inspanning van 9 miljard euro komt niet voor twee derde uit hervormingen. Wij hebben zelf de berekening gemaakt, mijnheer de minister. Daaruit blijkt dat de begrotingsinspanning in 2026 zo goed als volledig afkomstig is van nieuwe belastingen. In 2029 bestaat zelfs nog bijna de helft van die inspanning uit nieuwe belastingen. De voorafnames die u minder dan een jaar geleden, meer bepaald in februari 2025, in het Parlement hebt beloofd in uw regeerakkoord, kunnen we dus vergeten. Dat is allemaal overboord gegooid. U hebt een nieuw regeerakkoord geschreven waarin niet langer twee derde van de inspanning uit hervormingen komt, maar waarin de overgrote meerderheid voortkomt uit nieuwe belastingen. Dat is de realiteit en maakt de regering-De Wever tot een zoveelste Belgische belastingregering.
De beleidsnota en de kerntakenanalyse 2025
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Volgens minister Van Peteghem loopt de kerntakenanalyse (belangrijk voor overheidsbesparingen) nog en wordt ze pas in 2026 afgerond, met hervormingen tegen 2027; hij kondigt wel al een reorganisatie aan (o.a. FOD Migratie, centralisatie ondersteunende diensten) maar stelt dat verdere stappen afhangen van de analyse. Wouter Vermeersch (kritisch) noemt dit "uitstelgedrag" en faalangst om de overheid structureel te hervormen, wijst op gemiste deadlines (mei 2025) en ontbrekende resultaten, en bekritiseert dat zonder ingrijpen in uitgaven (bv. migratie) enkel nieuwe belastingen blijven over als "standaardoplossing".
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, bij de bespreking van de financiewet 2026 verklaarde de minister op 11 december 2025 dat er voor de federale overheidsdiensten op dat moment nog een kerntakenanalyse liep, die de regering in staat moet stellen om op basis van objectieve bevindingen bijkomende gerichte besparingen door te voeren.
Werd die kerntakenanalyse intussen afgerond en zo ja, wat zijn de bevindingen? Zo nee, waarom niet en wat is uiteindelijk het tijdpad dat u voor ogen hebt?
In de beleidsnota 2025 stond te lezen dat een eerste voorstel tot reorganisatie van het administratieve landschap voor eind mei 2025 aan de regering zou worden voorgelegd, met het doel om tot een akkoord te komen bij de begrotingsopmaak 2026, wat dus niet is gebeurd.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot dit voorstel tot reorganisatie en de bijhorende kerntakenanalyse, mijnheer de minister?
Vincent Van Peteghem:
De ministerraad van 23 december is akkoord gegaan met een specifieke visie en een kalender voor de reorganisatie en centralisatie van de overheid. Hij gaf daarbij de opdracht aan de minister van Ambtenarenzaken en aan mezelf om de tweede fase van de reorganisatie uit te werken aan de hand van de kerntakenanalyse die momenteel wordt uitgevoerd in overleg met elke bevoegde voogdijminister.
De federale regering voert daarom momenteel onder coördinatie van de minister van Modernisering van de Overheid een grondige hervorming van de overheidsstructuren door om de samenwerking tussen de federale overheidsdiensten te verbeteren en verkokering te verminderen. Dat sluit aan bij het regeerakkoord, dat inzet op meer transversale dienstverlening en een efficiëntere werking van de overheid. Daarbij worden bepaalde FOD's en instellingen samengevoegd of heringericht, met aandacht voor de rolverdeling tussen ministers en de vereenvoudiging van de besluitvormingsprocessen.
In dit kader wordt onder andere de FOD Kanselarij geheroriënteerd tot een ondersteunende dienst ten aanzien van de eerste minister en worden de twee programmatorische overheidsdiensten geïntegreerd in de FOD's van oorsprong. Er wordt ook een FOD Migratie opgericht.
Verder worden een sterke sociale en een economische pool opgericht en gecreëerd. Deze ingrepen moeten leiden tot sterkere, meer geïntegreerde federale diensten voor zowel sociale zaken als economie, transport en mobiliteit.
De kerntakenanalyse is momenteel aan de gang. Deze analyse wordt in 2026 gefinaliseerd om te bepalen welke taken de overheid moet uitvoeren, welke taken efficiënter en effectiever kunnen worden uitgevoerd, waar eventuele synergieën mogelijk zijn en waar overheidsmiddelen anders moeten worden ingezet. De resultaten zullen richting geven aan mogelijke besparingspistes en aan een tweede golf van hervormingen tegen 2027, waardoor de reorganisatie van de overheid verder kan worden verfijnd en ook afgestemd op objectieve criteria.
Tot slot volgt een centralisatie van ondersteunende diensten. De ondersteuning van kleine entiteiten met minder dan 500 medewerkers wordt gecentraliseerd, terwijl grote entiteiten hun ondersteunde processen gaan rationaliseren onder BOSA-coördinatie. Waar specifieke wettelijke vereisten gelden, kunnen instellingen gemotiveerd bepaalde functies behouden.
Wouter Vermeersch:
Dank u, mijnheer de minister. Ik begrijp dat de kerntakenanalyse die voor 2025 werd beloofd, nog altijd bezig is. Vandaag horen we dus opnieuw dat het een proces zonder resultaat is en dat de timing steeds verder wordt uitgesteld. U kondigde de kerntakenanalyse aan als een hefboom voor echte besparingen, maar het blijft bijzonder vaag. Er zijn geen resultaten, aangezien de analyse nog niet is afgerond, laat staan dat er al conclusies getrokken kunnen worden die politiek vertaald kunnen worden. Dit is het terugkerende probleem van deze regering. Er worden structurele hervormingen beloofd, maar uiteindelijk wordt er vooral uitstel gegeven op een aantal zaken. U sprak over een reorganisatie van het administratieve landschap tegen mei 2025. Die deadline hebt u absoluut niet gehaald. Wij vinden dat een begrotingsdebat niet losgekoppeld kan worden van een kerntakendebat. Dat debat kan niet worden gevoerd zonder de resultaten van de analyse. Wie niet durft in te grijpen in de moddervette overheid van dit land, voert geen hervormingen door, maar vooral nieuwe belastingen. Wie niet durft in te grijpen in onder andere de uitgaven voor migratie, die wordt gedwongen om bij begrotingsinspanningen steeds verder te belasten. Dat is de verkeerde techniek die in dit land altijd wordt gehanteerd. U had het ook over de FOD Migratie. Als er nu één post is, mijnheer de minister, waar miljarden te rapen vallen, dan is het wel bij de miljardenuitgaven aan ontwikkelingshulp en asiel en migratie. Laten we daar eindelijk werk van maken.
De beleidsnota: nieuw meerjarig financieel kader en eigen middelen
De toewijzingen van het nieuwe meerjarig financieel kader aan de lidstaten
Financieel kader en middelenverdeling binnen de EU
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Wouter Vermeersch (Vlaams Belang) bekritiseert de stijgende Belgische EU-bijdrage (van 1,14% naar 1,26% bni) en nieuwe eigen middelen (o.a. CORE-bijdrage, tabaksaccijnzen), die hij dubbel belasten noemt, en vraagt om concrete impactcijfers. Minister Van Peteghem bevestigt dat België’s jaarlijkse EU-kost 2,5 mjd euro (+56%) zou stijgen, maar benadrukt dat onderhandelingen lopen en efficiëntie centraal staat. Vermeersch beschuldigt de regering van blind betalen zonder garanties en eist geen automatische stijging, wijzend op de onevenredige last voor Vlaamse belastingbetalers. Hij pleit voor eerst besparen in EU en België vooraleer nieuwe bijdragen te aanvaarden.
Wouter Vermeersch:
In de beleidsnota 25 werd gesteld dat de FOD Beleid en Ondersteuning de impact van het nieuw Meerjarig Financieel Kader (MFK) op de begroting zou monitoren. Volgens de recentste berichtgeving zou de gemiddelde bni-bijdrage stijgen van 1,14 % onder het oude systeem naar 1,26 % onder het nieuwe systeem. Eveneens zou de Europese Unie op zoek gaan naar nieuwe eigen middelen om die bni-bijdragen aan te vullen.
Die eigen middelen zouden voortkomen uit het ETS en het CBAM, maar ook uit een afvaltaks, het afromen van tabaksaccijnzen en een taks op bedrijven met een omzet in de Europese Unie van meer dan 100 miljoen euro. Uit het antwoord op onze schriftelijke vraag aan u, mijnheer de minister, bleek dat de FOD Economie de jaarlijkse CORE-bijdrage van in België actieve ondernemingen op 402 miljoen euro schatte. Na aanbeveling van de minister van Begroting werden ook de ministers van Financiën en Economie hierover ondervraagd.
Volgens de documenten van de Europese Commissie zou voor de tabaksaccijnzen worden gewerkt met een afdrachtspercentage van 15 % van de nationale ontvangsten, berekend op basis van het nationale minimumtarief.
Maakte de FOD Beleid en Ondersteuning al een impactanalyse van het nieuwe voorstel dat deze zomer door de Europese Commissie werd voorgesteld? Met hoeveel miljoen euro zou de bni-bijdrage van België toenemen onder het nieuwe systeem, en hoeveel zou de totale bni-bijdrage bedragen? Hoe raamt de FOD Beleid en Ondersteuning de impact van de vooropgestelde verhoging van die bni-bijdrage en van de nieuwe eigen middelen op de begroting? Welke rol speelt de interfederale bijdrage van het nieuw MFK, die hier al werd besproken, en kan de minister dat toelichten?
Beschikt de regering inmiddels over een raming die in kaart brengt hoeveel de CORE-bijdrage zou bedragen voor de Belgische activiteiten van grote ondernemingen? Wat is de impact op de begroting van de vooropgestelde eigen middelen uit de tabaksaccijnzen, waar u in ruime mate en gul op rekent voor het spijzen van uw eigen begroting? Men kan natuurlijk geen middelen aan Europa geven en zichzelf tegelijk meer aanrekenen in de eigen begroting. Zo rekent men dubbel.
Op 17 juli publiceerde de Europese Commissie een tabel met de vooropgestelde verdeling van de toewijzingen aan de lidstaten. Op basis van die tabel zou België binnen het nieuwe MFK een totale toewijzing van 8,8 miljard euro mogen verwachten. Van die 8,8 miljard euro zou 7 miljard euro een algemene toewijzing betreffen, terwijl 1,3 miljard euro uit het Sociaal Klimaatfonds wordt toegewezen.
Ten slotte wordt 0,6 miljard euro voorzien voor migratie, veiligheid en binnenlandse zaken, waaronder ook steun voor asiel, migratie en integratie, geïntegreerd grensbeheer en interne veiligheid zou vallen.
Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat de genoemde cijfers nog steeds actueel zijn? Hoe kijkt u naar de toewijzingen die aan België worden verleend? Acht u deze verdeling billijk? Wat zal het standpunt van de regering zijn bij de bespreking van deze toewijzingen?
Vincent Van Peteghem:
De hervorming van het meerjarig financieel kader wordt momenteel voorbereid. De Commissie presenteerde op 16 juli 2025 haar voorstel voor het nieuwe MFK tot 2034. Deze hervorming is noodzakelijk, aangezien de Europese Unie geconfronteerd wordt met nieuwe geopolitieke en economische uitdagingen die de huidige budgettaire structuur overstijgen. De ambitie is de hervorming eind 2026 af te ronden, zodat alles tijdig in werking kan treden. Gelet op de complexiteit van het nieuwe voorstel bevindt België zich, net zoals de meeste andere lidstaten, nog in een fase van interne afstemming. Momenteel vinden overlegmomenten plaats tussen de federale overheid en de deelstaten over de verschillende onderdelen van het voorstel. Er tekenen zich enkele grote lijnen af in onze Belgische benadering.
België erkent dat de aanpak in het huidige MFK niet langer volstaat. Er is dus nood aan een flexibel en eenvoudig toekomstgericht Europees budget dat kan inspelen op nieuwe prioriteiten, waarbij defensie, veiligheid, migratie, administratieve vereenvoudiging, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en economische competitiviteit bijzondere aandacht verdienen. Daarnaast ondersteunt België het principe van een prestatiegerichte aanpak, maar benadrukt steeds dat de lessen uit de uitvoering van het RRF in aanmerking moeten worden genomen. De administratieve lasten moeten beperkt blijven en de federale structuur van lidstaten als België moet gerespecteerd worden.
Tot slot wijst ons land op de budgettaire uitdagingen waarmee lidstaten worden geconfronteerd. In dat verband verwacht België dat de Europese instellingen zelf ook een even strikte begrotingsoefening uitvoeren binnen het MFK, vergelijkbaar met wat van de lidstaten wordt gevraagd. Parallel aan het interne Belgische overleg zal ons land intensief contact onderhouden met gelijkgezinde lidstaten. Daarbij groeit een brede consensus over de noodzaak om de budgettaire lasten te beperken en de efficiëntie van de Europese uitgaven te verhogen. In dit kader wordt ook de voorstelling rond nieuwe eigen middelen grondig bestudeerd, met als doel de budgettaire impact op ons land zo veel mogelijk te beperken.
De FOD BOSA volgt de onderhandelingen en de mogelijke budgettaire gevolgen van het nieuwe MFK nauwgezet op en ondersteunt de regering ook bij de interfederale coördinatie van de Belgische positie. Op basis van de eerste berekeningen en de daarbij gehanteerde cijfers zou de gemiddelde budgettaire impact van het nieuwe MFK 2,5 miljard euro bedragen, of 56% hoger dan onder het huidige MFK. Die cijfers moeten echter met de nodige voorzichtigheid worden benaderd, aangezien het uiteraard om een voorstel gaat waarover nog veel onderhandelingen zullen plaatsvinden. De bezorgdheden die ik eerder al heb geuit over de budgettaire uitdagingen in alle, of toch in vele, Europese lidstaten, maken dat daar zeker nog wijzigingen in zullen gebeuren.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, die cijfers zijn natuurlijk problematisch. Ik had het daarnet over de miljardenuitgaven waarop kan worden bespaard, richting migratie en richting ontwikkelingssamenwerking, maar ook de miljardenuitgaven aan de Europese Unie zijn een punt dat uiteindelijk op tafel moet komen wanneer men spreekt over het saneren van dit land. Ik denk dat de bijdrage aan de Europese Unie vanuit dit land stilaan evolueert. Als we alle bedragen samen nemen en zeker met dit nieuwe meerjarig financieel kader, gaan we richting 10 miljard euro bijdragen per jaar aan de Europese Unie. Laat het duidelijk zijn, dit land heeft geen geld meer. De kas is leeg en toch slokt Europa steeds meer middelen op. Het wordt vandaag ook steeds duidelijker dat de Europese factuur systematisch wordt doorgeschoven naar de lidstaten. In dit land komt die uiteindelijk terecht bij de Vlaamse belastingbetaler, want u weet dat ook – of u zou dat moeten weten – de grootste nettobetaler van de Europese Unie zijn niet onze buurlanden, maar de Vlamingen, als men de berekening maakt. De vraag is dus niet of Europa meer geld nodig heeft, maar waarom dit land altijd en steeds opnieuw braaf blijft betalen zonder harde garanties, zonder enige korting op onze bijdrage, zoals andere landen die hebben bedongen, en zonder rode lijnen. Het Vlaams Belang zegt heel duidelijk geen automatische stijging van de Europese factuur, geen Europese belastingen en eerst orde op zaken in dit land, orde op zaken in de Europese Unie. Ook daar zijn er heel wat excessen en zit er heel wat vet op de soep. Laat ons eerst besparen op Europa, vooraleer men opnieuw gaat aankloppen bij de Vlaamse belastingbetaler.
De evolutie van het structurele primaire saldo
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch bekritiseert dat minister Van Peteghem de IMF-richtlijn (jaarlijkse besparing van 4 mjd euro tot 2031) niet haalt: het structureel primair saldo verslechtert (van -1,9% in 2024 naar -2,6% in 2025) en de uitgavendiscipline ontbreekt, terwijl het IMF en Rekenhof waarschuwen voor financiële instabiliteit en een rentesneeuwbalrisico door ontoereikende besparingen (16-30 mjd euro nodig vs. 9 mjd euro gepland). Van Peteghem verdedigt de regering met cumulatieve inspanningen tot 9 mjd euro in 2029, maar Vermeersch wijst op onvoldoende buffers voor toekomstige schokken en dreigt met "brutale saneringen" als gevolg van het niet-stabiliseren van de schuld.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister van Begroting, in antwoord op mijn eerdere mondelinge vraag in deze commissie stelde u dat de regering beoogde om het structureel saldo jaarlijks met ongeveer 0,6 % van het bbp te laten afnemen gedurende deze legislatuur. Volgens u zou dit een antwoord bieden op de uitdagingen die het IMF schetste in het toenmalige rapport.
De concrete uitdagingen waren een vertraagde economische groei - die is er nog steeds - een afnemende concurrentiekracht - die is nog steeds problematisch - en een oplopende druk op de overheidsuitgaven door de vergrijzing en andere structurele kosten. Ook daaraan is niets veranderd.
Het IMF pleitte toen voor een jaarlijkse begrotingsinspanning van 4 miljard euro tot minstens 2031, een pak meer dan de 9 à 10 miljard die u met uw regering hebt gerealiseerd, om de financiële stabiliteit te waarborgen. In dit kader werd expliciet gewezen op de noodzaak van uitgavendiscipline.
In het begrotingsplan voor 2026 blijkt dat het structureel primair saldo verder verslechterde van -1,9 % in 2024 naar -2,6 % in 2025, terwijl slechts een verbetering van 0,5 procentpunt wordt verwacht voor 2027.
Mijnheer de minister, hoe evalueert u de evolutie van het structureel primair saldo in het licht van uw eerder aangegane engagement?
Hoe beoordeelt u de impact van het niet behalen van deze mijlpaal op de budgettaire toestand en de financiële stabiliteit van het land? Bemerk ook dat het IMF het heeft over uitgavendiscipline. Dit land heeft niet zozeer een probleem met de inkomsten, zoals u in de media hebt aangehaald, maar vooral met de uitgaven.
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, deze regering levert jaarlijks een veel grotere inspanning dan 4 miljard euro. In deze begrotingsronde hebben we beslist om in 2026 een inspanning van om en bij de 2 miljard euro te leveren, die in 2029 tot 9 miljard euro oploopt. Tel daarbij de miljarden die reeds vervat zijn in de begroting van 2025.
U zult met mij vaststellen dat deze regering zeer significante inspanningen levert, niet het minst op de zo noodzakelijke lange termijn.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, u zegt dat we in 2026 we een inspanning van 2 miljard euro doen. Dat is geen 4 miljard euro. Dat is net wat het IMF zegt. Die inspanning zou veel groter moeten zijn. Het is trouwens zo - u hebt dat voor het begrotingsakkoord ook in de media toegegeven - dat er eigenlijk geen inspanning van 9 miljard euro, maar van 16 miljard euro nodig was. U hebt dat cijfer zelf genoemd toen. Herinnert u zich dat? Als wij naar een tekort van 3 % willen gaan in 2029-2030, is er een inspanning van 16 miljard euro nodig, tegen dan bijna 20 miljard euro. Als wij de schuld willen stabiliseren, onder controle willen krijgen, dan is op die termijn zelfs een inspanning van 30 miljard euro nodig. Het IMF heeft het daarover, over het zorgen voor financiële stabiliteit. Met de oefening die nu door uw regering is gebeurd, die 9 miljard euro, komen we niet in een situatie van financiële stabiliteit. Daarmee voldoen we net aan die Europese uitgavennorm, maar gaan we inderdaad niet naar een tekort van 3 %, laat staan dat we de schuld stabiliseren en dus het risico van een rentesneeuwbal zouden wegnemen, een risico dat nog altijd reëel is en toeneemt. Dat heeft het Rekenhof in deze commissie al meermaals toegegeven. Dat is bijzonder problematisch. Dat betekent ook dat dit land bij nieuwe economische schokken, die aanstaande zijn, helemaal geen buffers heeft en ook geen mogelijkheid heeft om die aan te pakken. Dan zullen zeer brutale saneringen op de eigen bevolking nodig zijn. Dat is een scenario dat we absoluut moeten vermijden, dat we konden vermijden, maar dat de regering-De Wever tot op vandaag nog niet heeft vermeden.
De vastlegging van de steun aan Oekraïne
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch vraagt minister Vincent Van Peteghem om verduidelijking over de jaarlijkse steunbedragen aan Oekraïne (2026-2029), wijzend op onduidelijkheid in het Rekenhof en het ontbreken van ministeriële goedkeuring. Van Peteghem antwoordt dat de bedragen in de aankomende begroting staan, verdeeld over meerdere posten, en benadrukt dat Russische tegoeden hiervoor worden ingezet, conform eerdere afspraken. Vermeersch bekritiseert dat België creatief rekent (o.a. door posten samen te voegen die andere EU-lidstaten apart boeken) en geen eigen middelen inzet, maar Russische bevroren activa gebruikt—wat volgens hem oneerlijk is vergeleken met andere landen. Hij stelt dat België "geen geld meer heeft" en dat dit thema bij het Rekenhof verder onder vuur zal liggen.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, ook de vastlegging van de steun aan Oekraïne is een belangrijk thema. In de marge van de bespreking van de Financiënwet bevestigde het Rekenhof in onze commissie voor Financiën dat de Strategische Visie 2025 voorziet in 1 miljard euro steun per jaar voor Oekraïne, maar konden de raadsleden van het Rekenhof bij gebrek aan goedkeuring van het dossier in de ministerraad niet bevestigen dat dat bedrag het exacte steunbedrag zou zijn. Wel wist het Rekenhof dat de vastlegging gepland was in het eerste trimester van 2026.
Mijnheer de minister, kunt u verduidelijken wat de totale jaarlijkse steunbedragen aan Oekraïne voor de jaren 2026 tot en met 2029 zullen zijn?
Werden de vastleggingen waarvan sprake reeds goedgekeurd in de schoot van uw regering?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, de steunbedragen aan Oekraïne voor de komende jaren zullen natuurlijk terug te vinden zijn in de begroting, die we spoedig in de Kamer zullen indienen. Net als in 2025 zijn die bedragen verdeeld over verschillende posten, onder andere de provisie voor Oekraïne, de bijdrage aan de European Peace Facility en diverse posten bij Defensie.
Zoals altijd houden we ons aan ons engagement dat de ontvangsten uit de Russische tegoeden terugvloeien naar Oekraïne. We zullen daar ongetwijfeld bij de bespreking van de begroting voor 2026 nog uitgebreid op terugkomen.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, het is nog bijzonder onduidelijk. Ik kan alleen maar vaststellen dat heel wat andere Europese lidstaten bijzonder bedenkelijk kijken naar hoe België tot zijn bijdragen aan Oekraïne komt. U hebt ter zake een nogal Hollandse rekenkunde. U rekent heel wat zaken samen die niet noodzakelijk samen te rekenen vallen, of die door andere landen als een uitgave voor Oekraïne worden beschouwd. Daarnaast is er natuurlijk nog de uitgebreide discussie over het Eurocleardossier, de manier waarop dit land zijn steun aan Oekraïne financiert. U maakt gebruik van die Russische tegoeden om de steun te financieren en zodoende tast u uiteindelijk niet in eigen buidel, terwijl andere Europese lidstaten dat wel doen. De situatie is wat ze is. Dit land heeft inderdaad geen geld meer, laat staan dat we geld kunnen uitdelen. Daar moeten we realistisch in zijn. Ook dat is een thema dat ongetwijfeld nog bediscussieerd zal worden in de commissie voor Financiën in de komende dagen, zeker als het Rekenhof hier binnenkort weer over de vloer komt. Dan zullen we dit punt zeker herhalen.
Het Overlegcomité en de verdeling van de uitgavennorm en de begrotingsinspanning
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch vraagt om concrete afspraken over de verdeling van de uitgavennorm en begrotingsinspanningen tussen federale overheid en deelstaten, die volgens de beleidsnota 2025 al in de eerste helft van dat jaar hadden moeten komen, maar volgens hem nog steeds ontbreken. Minister Vincent Van Peteghem bevestigt dat er in het Overlegcomité wel discussies gaande zijn en dat de federale regering de voorkeurverdeelsleutel van de Hoge Raad voor Financiën hanteert, met de hoop op een compromis tijdens de volgende vergadering. Vermeersch bekritiseert scherp dat na maanden nog steeds geen resultaten zijn geboekt en ziet dit als bewijs dat "België niet werkt" en het samenwerkingsfederalisme van de regering faalt. De minister wijst op lopende onderhandelingen, maar concrete verdelingen blijven uit.
Wouter Vermeersch:
Mevrouw de voorzitster, u hebt in uw eigen tussenkomst ook verwezen naar de onverdeelde facturen in dit land, onder meer met betrekking tot vaccins en dergelijke. In de beleidsnota Begroting voor 2025 staat te lezen dat de federale regering in de eerste jaarhelft het gesprek zou aangaan met de gemeenschappen en de gewesten om de samenwerkingsakkoorden aan te passen en te komen tot een verdeling van de netto-uitgavengroeinorm en de begrotingsinspanningen.
Naast de onverdeelde facturen is dit dus ook een discussie die met de deelstaten moet worden gevoerd. Uit uw antwoord op mijn vraag van 15 juli 2025 bleek dat er toen nog geen concrete afspraken waren gemaakt over die verdeling.
Zijn er intussen afspraken gemaakt over de verdeling van die uitgavennorm en de begrotingsinspanningen tussen de verschillende overheden? Zo ja, welke concrete verdelingen werden afgesproken? Mijnheer de minister, kunt u dat verduidelijken?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, in de schoot van het Overlegcomité hebben inderdaad al verschillende discussies plaatsgevonden over de verdeling van de uitgavennorm. Zoals u weet, en conform de beslissing van de ministerraad van 11 juli, pleit de federale regering voor het gebruik van de voorkeurverdeelsleutel van de afdeling Financieringsbehoeften van de Overheid binnen de Hoge Raad voor Financiën. Met het oog op een duurzame beheersing van de overheidsfinanciën zijn we bereid te werken aan een compromis en hopen we dat op de eerstvolgende vergadering van het Overlegcomité te bereiken.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, tot daar het samenwerkingsfederalisme waar u en uw regering zo sterk in geloven en dat u ook in het regeerakkoord hebt ingeschreven. Er zijn discussies, maar vandaag zijn er opnieuw geen resultaten en dat verbaast ons uiteraard niet. Ik verwees naar mijn vraag van juli. Het is intussen januari 2026, maanden later, en we staan nog altijd nergens. U verwijst telkens opnieuw naar het Overlegcomité, naar gesprekken en discussies, maar concrete afspraken blijven uit. Dat is bijzonder problematisch en voor ons opnieuw het bewijs dat België niet werkt.
De verlenging van de activering van de nationale ontsnappingsclausule
De doorwerking van de nationale ontsnappingsclausule na 2028
De nationale ontsnappingsclausule: activering, verlenging en doorwerking na 2028
Gesteld door
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch bekritiseert dat de regering-De Wever de begroting enkel recht houdt door de EU-ontsnappingsclausule (geactiveerd omwille van de Oekraïne-oorlog) en vraagt of verlenging mogelijk is—zelfs bij vrede—om defensie-investeringen te blijven rechtvaardigen, of voor andere geopolitieke spanningen. Hij betwijfelt of de regering na 2028 de EU-begrotingsregels kan halen zonder de clausule en vreesd dat toekomstige generaties de rekening zullen betalen, met risico’s voor de financiële markten. Minister Van Peteghem ontwijkt concrete antwoorden: de geopolitieke context is te onzeker om nu over 2028 te oordelen, maar benadrukt dat de regering ook zonder clausule de uitgavennorm wil respecteren—zonder garanties. Technische vragen over defensiecontracten na 2028 verwijst hij door naar collega-Francken. Praktisch: openstaande vragen worden later schriftelijk beantwoord.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, een belangrijke maatregel om uw begroting nog min of meer recht te houden, is het gebruik van de ontsnappingsclausule, wat heel wat vragen oproept bij ons.
In de nota van de Raad van de Europese Unie over die aanbeveling van de Raad houdende de activering van die ontsnappingsclausule staat het volgende te lezen: “In zijn verzoek stelt België dat in de context van de toegenomen geopolitieke spanningen Ruslands aanhoudende aanvalsoorlog tegen Oekraïne en de bedreiging die daarvan uitgaat voor de Europese veiligheid een existentiële uitdaging vormen voor de Unie, die een aanzienlijke verhoging van de defensie-uitgaven vereist. Deze situatie is een uitzonderlijke omstandigheid waarover de lidstaten geen controle hebben.”
Mijnheer de minister, meent u dat het, gezien de grond die initieel gegeven werd voor de activering van die ontsnappingsclausule, nog mogelijk zou zijn om die clausule te verlengen tot na 2028, indien er een staakt-het-vuren wordt bereikt dan wel een vredesverdrag zou worden afgesproken tussen Oekraïne en Rusland?
Meent u dat het nog mogelijk zou zijn om die ontsnappingsclausule te verlengen indien een staakt-het-vuren of vredesverdrag wordt bekomen, maar België blijvend en bijkomend in defensie zou moeten investeren om bij te dragen aan een Europese vredesmacht in Oekraïne?
Meent u dat het nog mogelijk zou zijn om de nationale ontsnappingsclausule te verlengen op basis van geopolitieke spanningen die niet met Oekraïne te maken hebben? Gelieve voorbeelden te geven van actuele spanningen die, voor zover ze er zijn, aanleiding zouden kunnen geven tot een verlenging van die ontsnappingsclausule. Ik heb er wel een aantal in gedachte.
Acht de regering een verlenging van de activering van de clausule wenselijk? Sluit de regering een activering van de clausule uit? Heeft de regering reeds overleg gepleegd, intern dan wel op Europees niveau, over het toekomstig gebruik van die clausule?
Mijn tweede vraag gaat over de doorwerking van de nationale ontsnappingsclausule na 2028. Aanbeveling 2 uit de nota van de Raad van de Europese Unie over die aanbeveling van de Raad voor de activering van de ontsnappingsclausule stelt dat België in de jaren na 2028 mag blijven afwijken van de overeenkomstig artikel 17 of 19 van de verordening in een aanbeveling van de Raad vastgelegde maximale groeipercentages van de netto-uitgaven en die overschrijden, voor zover de netto-uitgaven boven die maximale groeipercentages samenhangen met leveringen van militair materieel waarvoor de overeenkomsten vóór eind 2028 zijn gesloten en onder het bovengenoemde algemeen maximum blijven.
Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat België voor de genoemde overeenkomsten ook na 2028 mag blijven afwijken van de vastgestelde maximale netto uitgavengroeipercentages?
Zijn er overeenkomsten die de regering al heeft gesloten of beoogt te sluiten, waarvan nu reeds duidelijk is dat zij na 2028 onder die uitzonderingen zullen vallen?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, voor uw tweede vraag, betreffende de leveringen na 2028, verwijs ik u best naar collega-minister Francken.
Inzake uw eerste vraag heb ik in voorgaande antwoorden al aangegeven dat de geopolitieke context vandaag bijzonder onduidelijk is, razendsnel wijzigt en heel onzeker is. Het is vandaag dus erg moeilijk en weinig zinvol om in te gaan op de vraag of de context in 2028 een eventuele verlenging van de ontsnappingsclausule zal noodzaken.
Hoe dan ook, daarnet heb ik ook al gezegd dat de regering beoogt, ook buiten de activering van de clausule, om het uitgaventraject te respecteren. Dat was ook het uitgangspunt tijdens de recente begrotingsbesprekingen. Met andere woorden, ook indien de ontsnappingsclausule eind 2028 zou vervallen, zullen wij met de huidige vooruitzichten voldoen aan de uitgavennorm.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, de situatie blijft bijzonder zorgwekkend. Er zijn vele miljarden euro aan nieuwe uitgaven voor defensie gepland. Uiteindelijk rijst de vraag hoe dat allemaal zal worden ingepast in de begroting en in welke mate de factuur effectief zal worden doorgeschoven naar de toekomstige generaties. Dat is de hamvraag die voorligt en die wij stellen, namelijk hoe u zult blijven voldoen aan de Europese begrotingsregels.
Het is nu al duidelijk dat als de ontsnappingsclausule eenmaal vervalt, u qua begrotingscijfers in veel slechter vaarwater terechtkomt, waardoor we mogelijk opnieuw veel meer in het vizier komen van de financiële markten dan nu al het geval is.
De vooruitzichten zijn bijzonder slecht. Uw regering-De Wever kan daarin geen kentering brengen, hoewel dat de inzet van de regering was.
We zullen blijven opvolgen in hoeverre de ontsnappingsclausule ook na 2029 nog verlengd kan worden, want ik vrees dat uw regering dat nodig zal hebben. Uiteindelijk zal die vraag in 2029 worden beantwoord, op het moment dat de extra uitgaven op kruissnelheid komen.
De voorzitster : Mijnheer Vermeersch, u hebt nog zes vragen op de agenda staan, maar we moeten nu afronden, omdat aan de minister beloofd was dat hij tegen 16.30 uur klaar zou zijn. Dat zal dus voor een volgende vergadering zijn.
Wouter Vermeersch:
Is er al duidelijkheid over wanneer een nieuwe vergadering plaatsvindt? Het is immers altijd problematisch als we tegelijk de begrotingsbespreking hebben, omdat dan alles door elkaar loopt. Hoe ziet u dat, mijnheer de minister?
Vincent Van Peteghem:
Ik heb nog geen zicht op een datum. Misschien is er al een datum vastgelegd door mijn parlementaire medewerker, maar ik zal dat bekijken. Zodra de begroting is ingediend en de begrotingsbesprekingen plaatsvinden, zal er inderdaad veel overlap zijn tussen de bespreking en de vragen die gesteld worden. Ik stel dus voor dat we proberen alle vragen in het begrotingsdebat te brengen.
Wouter Vermeersch:
Er komt trouwens een nieuwigheid aan. In de toekomst zullen nog onbeantwoorde vragen kunnen worden toegevoegd aan het verslag, waarna ook het antwoord van de minister wordt toegevoegd, dus weliswaar zonder repliek. Die nieuwigheid zou binnenkort toegevoegd worden aan de werking. Misschien kan dat al worden toegepast voor mijn zes nog openstaande vragen. Die werkwijze is immers deze middag afgeklopt in de Conferentie van voorzitters.
Vincent Van Peteghem:
De antwoorden zijn, zoals u weet, klaar. De voorzitster : Dank u wel. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.37 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 37.