meeting-commission
Het gebruik van het logo van de FOD Justitie/ Gelijke Kansen door gesubsidieerde organisaties Mijnheer de minister, ik heb vandaag een vraag, maar eigenlijk ook een voorstel. Organisaties die subsidies ontvangen van de Vlaamse overheid zijn verplicht om dat kenbaar te maken. In hun communicatie moeten zij op hun website, in publicaties en in algemene communicatie gebruikmaken van het logo van de Vlaamse overheid als ze van diezelfde Vlaamse overheid subsidies ontvangen. Er bestaat ook een internationaal subsidielogo, dat wordt gebruikt in communicatie ten aanzien van een buitenlands publiek. Die werkwijze zorgt minstens voor iets meer transparantie over de besteding van publieke middelen, van belastinggeld. Ze maakt voor iemand die met zo’n organisatie in aanraking komt ook meteen zichtbaar of die organisatie al dan niet met belastinggeld wordt gesubsidieerd. Op federaal, op Belgisch niveau, bestaat die verplichting vandaag niet. Bovendien ontvangen heel wat organisaties in het kader van diversiteit, interculturaliteit en gelijkheid van kansen rijkelijk subsidies van zowel de Vlaamse als de federale overheid. Op de website van die organisaties is enkel het logo van de Vlaamse overheid te zien, waardoor we ervan uitgaan dat er alleen belastinggeld van de Vlaamse regering naartoe is gestroomd. Dat is echter niet de realiteit. Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er vandaag op federaal niveau geen enkele algemene verplichting bestaat voor gesubsidieerde organisaties om het logo van de betrokken FOD of van de federale overheid te gebruiken in hun communicatie? Ten tweede, en dat is eigenlijk mijn voorstel, deelt u de mening dat de invoering van een dergelijke verplichting wenselijk zou zijn vanuit het oogpunt van transparantie? Tot slot, bent u bereid om alvast vanaf vandaag voor organisaties die subsidies ontvangen in het kader van diversiteit, interculturaliteit en gelijke kansen een dergelijke verplichting in te voeren bij de toekenning van subsidies? Bent u vervolgens ook bereid om alle organisaties die vandaag subsidies ontvangen te verplichten het logo van de FOD Justitie te gebruiken? Dat is heel belangrijk, maar wordt wel eens wordt vergeten. Het budget voor die subsidies komt immers uit de begroting van het noodlijdende Justitie, meer bepaald van de dienst Gelijke Kansen. Mijnheer Van Hoecke, ik kan u bevestigen dat er geen enkele verplichting bestaat, opgenomen in een wet of in een uitvoeringsbesluit, die organisaties die federale subsidies ontvangen ertoe verplicht om systematisch het logo van de federale overheid of van de betrokken FOD op hun communicatiemiddelen te plaatsen. In principe worden de voorwaarden inzake de zichtbaarheid van overheidssteun per geval vastgelegd. In de subsidiebesluiten of in de overeenkomsten die met begunstigden worden gesloten, kunt u al die details nalezen. Voor subsidies voor gelijke kansen is er wel een bepaling die expliciet erin voorziet dat de federale steun vermeld moet worden via het gebruik van het logo equal.be. Die steun mag echter ook andere vormen aannemen. In het kader van de financieringen die ik toeken, zijn de begunstigden onderworpen aan specifieke verplichtingen die worden vastgesteld in het koninklijk besluit dat elke subsidie regelt. Zo geldt onder meer de verplichting om het publiek te informeren over de financiële steun die in het kader van de subsidie werd ontvangen, in elke communicatie of publicatie. Die verplichting kan worden nagekomen door het gebruik van een logo of via elk ander middel dat een passende zichtbaarheid waarborgt, waardoor verenigingen een zekere vrijheid behouden. Soortgelijke bepalingen zijn ook vastgelegd in verschillende recente koninklijke besluiten betreffende de structurele financiering van organisaties die actief zijn op het gebied van gelijke kansen, de ondersteuning van LGBTI+-personen en de bestrijding van racisme. Aangezien die vereiste al geldt voor de subsidies die ik toeken via de dienst Gelijke Kansen van de FOD Justitie en omdat zij bijdraagt tot transparantie en zichtbaarheid van de publieke steun, zie ik geen noodzaak om op mijn niveau nog een extra verplichting in te voeren. Ik ben van oordeel dat de transparantie waarin we voorzien inzake subsidies, gewaarborgd is. Waar het om gaat, is dat u het belangrijk vindt dat mensen weten dat overheidsgeld gegeven wordt aan organisaties. Ik heb echter uw website bekeken en u vermeldt evenmin dat die wordt gefinancierd met federaal geld. Als u die transparantie wilt doortrekken, moet u dat consequent doen, niet alleen in thema's waar u een polemiek rond wilt voeren. Uw partijdotaties worden ook gebruikt om een website te financieren, nochtans heb ik op uw website nergens het logo van de federale overheid gezien. Misschien is het, als u dat zo belangrijk vindt, aangewezen om ook daar aan transparantie te werken. Ik heb dat alleszins gedaan via mijn koninklijke besluiten in de subsidies die ik toeken. Mijnheer de minister, om een antwoord te geven op de vraag die u mij stelt: ja, ik vind het heel belangrijk dat er transparant wordt omgesprongen met belastinggeld. Laat mij die situatie toch nog eens heel kort schetsen. Er worden zowel op federaal als op Vlaams niveau subsidies uitgedeeld aan organisaties die aan politiek doen. Dat is zo. Een voorbeeld is de vzw Hand in Hand tegen racisme. Dat is een organisatie die tips uitdeelt over hoe men een sinterklaasfeest moet verpesten en die trajecten uitwerkt om alle delen van onze samenleving te dekoloniseren. Die organisatie ontvangt belastinggeld van de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zegt dat wat die organisatie doet heel goed is en wil dat ondersteunen met belastinggeld, maar de Vlaamse overheid zegt daar wel bij – en dat is toch het minste wat men kan doen – dat de organisatie met een logo op de website duidelijk kenbaar moet maken dat ze belastinggeld ontvangt. De federale overheid geeft ook belastinggeld aan dezelfde organisatie, vzw Hand in Hand tegen racisme. Zij zegt eveneens dat wat die organisatie doet goed is en dat zij dat volledig ondersteunt, maar de federale overheid legt niet op dat dat moet worden meegedeeld. Dat hoeft niet duidelijk te worden gemaakt en niet zo transparant mogelijk op de website worden vermeld, naast het logo van de Vlaamse overheid, dat men ook federaal belastinggeld ontvangt. Zelfs de Europese Unie vermeldt dat trouwens. Elk project van de Europese Unie geeft duidelijk aan dat het wordt gesponsord met belastinggeld van de Europese belastingbetaler. Het is toch te zot voor woorden dat we zo’n simpele verplichting niet zouden kunnen invoeren. Begrijp mij niet verkeerd, in een ideale wereld krijgen organisaties zoals Hand in Hand tegen racisme wat mij betreft geen cent belastinggeld. Als u er toch voor kiest om hen te subsidiëren, dan lijkt het mij het minste wat u kunt doen om daar transparant over te communiceren en duidelijk te maken aan mensen die met zo’n organisatie in aanraking komen dat zij ook van u belastinggeld ontvangen. Mijnheer Van Hoecke, het is niet mijn gewoonte om nog te reageren na een repliek, maar ik heb wel heel duidelijk geantwoord dat er een koninklijk besluit bestaat volgens hetwelk die transparantie moet worden gegarandeerd. U vindt dat dat alleen kan met een logo. Daarover verschillen we van mening. Het feit dat een organisatie transparant moet zijn over het ontvangen van middelen lijkt mij evident, en dat heb ik ook bevestigd. Het verschil bestaat erin dat transparantie voor u alleen betekent dat een logo zichtbaar is. Daarover verschillen we van mening. U hebt uiteraard zo dadelijk het laatste woord, maar u kunt mij niet in de mond leggen dat ik niet vind dat er transparantie moet zijn wanneer er middelen worden toegekend. Los daarvan wil ik duiden dat wanneer er middelen naar een organisatie gaan, daaraan volgens de subsidiereglementen voorwaarden en ook projecten aan gekoppeld zijn. Daarnaast kan een organisatie ook aanbevelingen uitschrijven – u noemt het sinterklaasfeest als voorbeeld – met eigen middelen. Wat ik verkeerd vind, maar wat het Vlaams Belang dikwijls doet, is om de gehele werking van een organisatie geheel toe te schrijven als zijnde ondersteund door subsidie. Wij steunen projecten en programma’s. Een organisatie behoudt daarnaast de vrijheid om andere zaken te doen, bijvoorbeeld aanbevelingen formuleren, op basis van eigen middelen. Het is dus niet correct te stellen dat de dingen die een organisatie doet geheel afhangen van overheidsmiddelen en dat de overheid die organisatie daardoor ook volledig steunt. Wij kennen subsidies toe op basis van projecten. Over die projecten moeten de betrokken organisaties transparantie bieden. Voor het overige kan een organisatie nog heel wat andere activiteiten ontwikkelen. Het subsidiereglement vormt voor ons de basis en garandeert transparantie. Mijnheer Van Hoecke, de volksvertegenwoordiger heeft altijd het laatste woord. Mijnheer de voorzitter, sta mij toe eerst aan te geven dat ik het aangenaam vind dat de minister nog kan reageren. Dat is in de commissie voor Justitie, die ik meestal bijwoon, niet het geval. Daar blijft het meestal bij een afgelezen antwoord. Mijnheer de minister, ik wil ingaan op de bestaansmiddelen van een organisatie. U gaat mij niet vertellen dat een organisatie als vzw Hand in Hand tegen racisme veel middelen haalt uit andere bronnen dan overheidssubsidies. U stelt dat ik er bepaalde projecten uitkies. Welnu, ik raad u aan om eens naar die website te surfen. Die hele organisatie draait rond die projecten en net dat wordt door de federale overheid gesubsidieerd. Wat ik aanklaag en wat ik eigenlijk constructief voorstel, is om heel duidelijk te maken, voor iedereen die naar de website van een dergelijke vereniging surft, te kunnen zien dat bepaalde projecten worden gesubsidieerd met federaal belastinggeld. Ik daag u uit om naar die website te surfen en mij te tonen waar heel duidelijk staat dat die organisaties federale subsidies ontvangen, zonder dat bezoekers moet beginnen grasduinen op de website. Dat is immers niet de bedoeling. Wel zie ik meteen het logo van de Vlaamse overheid, dus dat is transparant en duidelijk. Ik onthoud dat u problemen hebt met duidelijke transparantie. Mijn voorstel is heel constructief. Als het van mij afhangt, krijgen dergelijke organisaties geen cent subsidies. Als u dan toch beslist om hen subsidies te geven, is het minste wat u kunt doen, daarover transparant communiceren. Dat is volgens mij in het voordeel van iedereen. Het evenement Men Having Babies en de gelijkheid van koppels op het gebied van ouderschap Monsieur le ministre, ma question est peut-être un peu datée mais elle est toujours d'actualité sur le fond. En novembre 2025 s'est tenu l’événement "Men Having Babies" à Bruxelles, de retour après une période de turbulences et même d'absence. Il s'agit d'un événement durant lequel des hommes peuvent s'enquérir des différentes options pour devenir parents et obtenir tout renseignement utile en vue de réfléchir à ou de concrétiser leur projet de parentalité en vue de former une famille. Sur la forme, il y a un côté "foire" ou "salon", par essence commercial, pouvant rebuter même les plus progressistes d'entre nous. Personne ne s'étonnera cependant que les conservateurs ou les néo-réactionnaires en tout genre y trouve un argument facile pour ainsi s'opposer et empêcher toute avancée en matière de gestation pour autrui (GPA), qui, pour rappel, est une technique médicale permettant l'égalité en matière de fécondité et bien plus qu'une revendication communautaire, sachant que la GPA concerne majoritairement les couples hétérosexuels. Comme il n'y a pas de cadre pour la GPA en Belgique, toute source d'information est évidemment la bienvenue pour tous les candidats à la parentalité. Au-delà de cet aspect, si des opérateurs économiques y voient une opportunité pour créer un salon spécifique, n'est-ce finalement pas du fait qu'il n'y a pas de cadre en Belgique? Ils y voient tout simplement un marché, ce qui effectivement peut interpeller. Monsieur le ministre, le projet de loi relatif à la GPA avance-t-il? Le Parlement fédéral belge aura-t-il l'occasion de débattre d'abord et de se positionner ensuite? Le Parlement a toujours su tenir des débats éthiques de haute qualité. Je ne doute pas un instant qu'il en sera également ainsi pour ce dossier important, sous l'angle, je le rappelle, de l'égalité des couples face à la possibilité d'être parents. Monsieur Cornillie, je dois dire que je suis complètement d'accord avec vous. L'existence de telles initiatives montre que de nombreuses personnes sont en recherche d'informations sur la gestation pour autrui. Et cela concerne aussi bien les couples qui ne peuvent pas avoir d’enfants que les personnes seules ou les couples LGBTI+. L'absence d'un cadre légal en Belgique dans ce domaine pousse les personnes concernées à chercher d'autres solutions, souvent à l'étranger. Cette situation est source d'incertitudes et d'insécurité pour de nombreux parents d'intention et conduit souvent à des situations dramatiques. C'est précisément pour cette raison que mon parti plaide depuis longtemps en faveur d'un cadre légal pour la gestation pour autrui en Belgique. Et ce cadre doit garantir une plus grande sécurité tant pour les personnes souhaitant être parents que pour les parents porteurs et l'enfant. L'intérêt de l'enfant doit toujours primer. En instaurant une réglementation claire assortie de conditions strictes, nous voulons lutter contre les abus et les dérives. La gestation pour autrui doit être altruiste et ne pas être motivée par l'appât du gain. Elle doit être accompagnée de manière professionnelle par les centres de fertilité. En tant que ministre de l’Égalité des chances, j'accorde en outre une attention particulière aux inégalités et aux difficultés rencontrées par les co-pères. Je me réjouis donc que ce gouvernement ait décidé de mettre enfin en place un tel cadre législatif, auquel je m'attellerai en collaboration avec les ministres de la Santé publique et de la Justice. Actuellement, le SPF Justice travaille sur les textes législatifs. Ceux-ci serviront de base à la poursuite des discussions au sein du gouvernement. Merci, monsieur le ministre. Bien évidemment, j'entends et j'accueille avec satisfaction vos éléments de réponse sur cette question. Je compte sur vous pour insister afin qu'au sein de ce gouvernement les responsables de dossiers éthiques fassent en sorte que ce portefeuille avance. C'est un engagement que le gouvernement a pris dans le cadre de sa déclaration de politique fédérale. Il faut véritablement que nous puissions avancer sur ces dossiers. Je ne doute pas un instant de votre conviction profonde pour ce faire. Il ne s'agit pas de s'interroger sur la capacité d'hommes ou de femmes à être parents, il s'agit simplement de permettre à tout un chacun de vivre cette expérience, d'avoir plus de familles, plus d'enfants, qui vivent les mêmes défis, les mêmes enjeux, les mêmes difficultés. C'est l’anniversaire de mon fils aujourd’hui, il est dans son lit avec de la fièvre. Permettons à chacun, grâce au cadre clair que vous avez décrit, de vivre cette expérience, de créer plus de familles, plus de bonheur en Belgique et de ne pas devoir recourir à des agences qui ont une vision commerciale. Pour ma part, j’ai été au Mexique. La question n° 56010198C de Mme Maouane est reportée. Les questions n° 56010422C de Mme Yigit et n° 56010425 de Mme Merckx sont retirées. Présidente: Sarah Schlitz. Voorzitster: Sarah Schlitz. De jongste cijfers met betrekking tot de loonkloof Monsieur le ministre, les chiffres publiés par l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes confirment une réalité qui reste inacceptable. En effet, en 2023, l'écart salarial entre femmes et hommes stagne à 7 % après correction du temps de travail, et grimpe jusqu'à 19,5 % sans cette correction. Derrière ces moyennes, on voit que ce sont surtout les ouvrières du secteur privé qui continuent de payer le prix fort: près de 20 % de salaire horaire en moins que leurs homologues masculins. Comme l'indique Michel Pasteel, directeur de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, les ouvrières constituent un groupe particulièrement exposé aux inégalités. Les aides ménagères ou encore les ouvrières de production exercent souvent des emplois précaires à temps partiel et dans des conditions de travail exigeantes. Les salaires modestes accentuent leur vulnérabilité économique. Monsieur le ministre, comment expliquez-vous que l'écart salarial soit resté stable par rapport à 2022, alors qu'on avait connu différentes baisses continues les années précédentes? Comment expliquez-vous que les travailleuses les plus précaires restent les grandes oubliées des politiques d'égalité? Quelles mesures structurelles comptez-vous prendre pour attaquer les causes profondes de ces inégalités? Enfin, comment le gouvernement entend-il renforcer le contrôle, la transparence et les sanctions en matière d'écarts salariaux, afin que l'égalité ne reste pas un slogan mais devienne une réalité? Madame Désir, l'écart salarial entre les femmes et les hommes en Belgique s'élève aujourd'hui à 7 %. Ces chiffres confirment une tendance observée depuis plusieurs années. Si l'écart se réduit, il le fait à un rythme trop lent pour espérer atteindre rapidement une véritable égalité salariale. Ces chiffres montrent également que de nombreuses femmes, qui travaillent dans des professions pourtant essentielles au bon fonctionnement de notre société, demeurent particulièrement mal rémunérées. Ces travailleuses sont en outre surreprésentées dans des emplois pénibles, souvent proposés à temps partiel. Ces inégalités illustrent clairement l'un des défis majeurs en matière de réduction de l'écart salarial: progresser vers une plus grande égalité entre les secteurs et mieux valoriser les métiers à prédominance féminine. Je continuerai à sensibiliser mes collègues compétents en la matière afin de tendre vers une meilleure rémunération de ces secteurs et je travaille avec mes collègues du gouvernement à la transposition de la directive européenne sur la transparence salariale en droit belge. Cette directive, qui doit être transposée pour juin 2026, vise entre autres à renforcer le principe d'égalité de rémunération pour un travail de même valeur, notamment en s'assurant que les employeurs utilisent les structures de rémunération non sexistes. Les employeurs devront également fournir des informations sur l'écart de rémunération au sein de leur organisation. Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. On a déjà eu l'occasion d'échanger à propos de la transposition de cette directive lors d'autres questions parlementaires. Nous continuerons évidemment à suivre cela avec attention, puisque cette date butoir de juin 2026 approche. Par ailleurs, comme les ouvrières du secteur privé sont clairement identifiées comme étant celles qui sont le plus victimes de discriminations et d'écarts salariaux, il serait aussi intéressant de se pencher davantage sur leur situation à travers des rencontres avec les secteurs. De manosphere en het Nationaal Actieplan De evaluatie van het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld (stavaza) De evaluatie van het NAP 2021-2025 De opmaak van het nieuwe actieplan in de strijd tegen gendergerelateerd geweld (stavaza) Het plan tegen gendergerelateerd geweld en de Stop Feminicidewet Mijnheer de minister, het NAP 2021–2025 vormt sinds de vorige legislatuur het beleidskader voor de uitvoering van het verdrag van Istanbul in België. Intussen is er heel veel gebeurd, jammer genoeg niet altijd ten goede. We stellen namelijk nieuwe fenomenen in de samenleving vast die bijkomende risico's kunnen inhouden voor de strijd tegen gendergerelateerd geweld. Herinner u de discussie over de manosfeer en er zijn Grok en de Red pillnetwerken, om nog maar te zwijgen van de vaststelling dat mannelijkheidsnormen aan populariteit winnen, of de serie Adolescence . Het is duidelijk dat een structurele aanpak nodig is. Heel wat rechtenorganisaties, zoals vrouwenrechtenorganisaties, benadrukken het belang van een aanpak van technologisch gefaciliteerd geweld, waarbij dat soort onderliggende normenpatronen die dominantie over vrouwen en geweld tegen vrouwen propageren, alsmaar weeldiger tieren. Het digitale geweld waarmee vrouwen worden geconfronteerd, veroorzaakt zware psychologische schade en heeft de bedoeling hun positie in de samenleving te ondergraven. Bovendien blijkt dat geweld ook een overfloweffect te hebben in de echte wereld. Het onlinedomein beïnvloedt ook alles wat er offline gebeurt. Het werkt door in het dagelijks leven en vergroot de onveiligheid van vrouwen. Hoe ver staat het met de voorbereidingen voor het NAP? Zal het nieuwe actieplan digitale fenomenen zoals onlinemisogynie en de manosfeer aanpakken? Welke pistes worden onderzocht om technologisch gefaciliteerd geweld te bestrijden? In welke mate zullen de aanbevelingen van het Nationale Platform van het Maatschappelijk Middenveld worden geïntegreerd, in het bijzonder met betrekking tot artikel 150 van de Grondwet, zodat geschreven seksistische boodschappen inclusief onlineboodschappen niet de facto straffeloos blijven? Plant u nieuwe indicatoren rond technologisch gefaciliteerd geweld, onlinemisogynie of mogelijke vormen van radicalisering in de manosfeer? Was er al overleg met gemeenschappen en gewesten over preventie, onderwijs en mediawijsheid voor het nieuwe actieplan? Worden federale veiligheids- en cyberdiensten betrokken bij de voorbereiding van het nieuwe NAP, gelet op de toenemende digitale dimensie van gendergerelateerd geweld? Ik rond af met een anekdote van dichtbij. Onlangs werd een vriendin van mij geconfronteerd met de seksualisering van een foto van haar dochter door een vader van een klasgenoot met behulp van een app. Dergelijke problematische feiten stellen niet alleen heel veel ouders, maar ook jonge meisjes, jonge vrouwen en jongeren tout court voor ernstige uitdagingen. Ook mijn zonen moesten ervaren hoe anderen met dat soort apps leuk aan de slag gaan en hun vragen hoe ze daarmee om moeten gaan. Als het antwoord telkens is dat men een klacht moet neerleggen bij de politie en men vervolgens merkt dat daar niets mee gebeurt, omdat het geweld nu eenmaal op basis is van een app of een online-instrument, dan is het resultaat een gevoel van machteloosheid, terwijl de problematiek intussen alsmaar ernstiger wordt. Ik verontschuldig mij alvast ik de spreektijd even overschreden heb, maar het probleem is werkelijk overal. Minister, ongeveer één op de drie vrouwen krijgt in haar leven te maken met geweld en het probleem nam de voorbije jaren wereldwijd toe. Ook in ons land worden vrouwen en meisjes nog dagelijks geconfronteerd met verschillende vormen van gendergerelateerd geweld. Al te vaak blijven slachtoffers daarbij in de kou staan. Het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld is in dat verband een cruciaal beleidsinstrument. Dat actieplan liep vorig jaar af en de eindevaluatie wordt momenteel opgemaakt. Verschillende middenveldorganisaties en gespecialiseerde instellingen hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat zowel de ambities als de geplande budgetten onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen daadwerkelijk te realiseren. De oproep tot meer investeringen en meer daadkracht klonk nog luid en duidelijk tijdens de betoging van het platform Mirabal op 23 november in Brussel. Kunt u kort een stand van zaken geven van de uitvoering van het nationaal actieplan? Welke acties en doelstellingen werden al gerealiseerd en welke zijn in uitvoering? Werd het actieplan 2021-2025 al geëvalueerd? Zo ja, wat zijn de voornaamste conclusies en aanbevelingen? Kunt u de nodige documenten aan het Parlement bezorgen? Werd ook het schaduwverslag van het Nationaal Platform van het maatschappelijk middenveld geraadpleegd, zoals verplicht volgens het Verdrag van Istanbul? Kan dat verslag gedeeld worden met het Parlement? Hoe ver staat het met de voorbereidingen voor het nieuwe nationaal actieplan? Wanneer wordt dat verwacht en op welke manier zullen de verschillende overheden en het middenveld erbij betrokken worden? Zal het toekomstige actieplan maatregelen versterken, dan wel extra maatregelen opleggen gelet op de aanhoudende problematiek van gendergerelateerd geweld? Welke budgettaire middelen worden er vrijgemaakt voor de ontwikkeling en de uitvoering? Monsieur le ministre, je vous interrogeais déjà sur l’évaluation du plan d’action national contre les violences de genre en octobre dernier, pour savoir d’une part où en était l’évaluation et d’autre part où en est le prochain plan national, parce que les enjeux sont évidemment encore d’actualité. Vous me répondiez en octobre que l'évaluation du plan d'action 2021-2025 est en cours et qu'elle serait achevée d'ici la fin de l'année – l'année 2025 donc – que l'évaluation définitive serait présentée au Parlement fédéral et discutée avec la plateforme au cours d'une table ronde prévue début 2026, qu'en parallèle la plateforme réalise sa propre évaluation du plan d'action national et qu'à partir de ces éléments, elle rédigera son rapport et proposera des recommandations; et que, concernant le prochain plan d'action, le groupe interdépartemental avait récemment validé une méthodologie et un calendrier et que les travaux pour l'élaboration du prochain plan d'action débuteront au début de l'année prochaine – c'est-à-dire, a priori , maintenant. Mes questions sont les suivantes. Où en est l'évaluation du plan? A-t-elle bien été réalisée et a-t-elle abouti en fin d'année? Quand la présentation sera-t-elle réalisée au Parlement? Où en sont les travaux pour la réalisation du futur plan? Avez-vous déjà une idée des priorités pour le prochain plan national, au regard des enjeux actuels? Je vous remercie. Monsieur le ministre, sous la précédente législature, des avancées ont été réalisées en matière de lutte contre les violences liées au genre, notamment avec l'adoption du plan d'action national contre les violences en 2021 et le vote en juin 2024 de la loi Stop Féminicides. Déjà, lors de nos échanges sur votre note d'orientation, vous aviez annoncé votre volonté d'élaborer un nouveau plan, précédé d'une évaluation du plan existant et d'une consultation des parties prenantes. Monsieur le ministre, pourriez-vous m'indiquer quels travaux ont-ils déjà été menés dans le cadre de l'élaboration du nouveau plan d'action national contre les violences? Quand celui-ci devrait-il être finalisé? Le GREVIO avait exprimé des inquiétudes quant à la lisibilité des moyens financiers consacrés aux politiques de lutte contre les violences faites aux femmes. Quelles mesures entendez-vous mettre en place pour améliorer la transparence et la lisibilité de ces moyens? Quel budget ce gouvernement prévoit-il de consacrer à la lutte contre les violences liées au genre dans le cadre du prochain plan d'action? Enfin, concernant la loi visant à lutter contre les féminicides, le comité scientifique chargé d'analyser les féminicides et les meurtres fondés sur le genre a été installé il y a quelques semaines. Il s'est réuni pour la première fois le 21 novembre dernier. Quel était l'ordre du jour de cette réunion? Comment s'organiseront les travaux de ce comité? Le secteur associatif et la société civile pourront-ils contribuer aux travaux de ce comité? Je vous remercie. Het verhaal van mevrouw Almaci toont aan hoe actueel en geen ver-van-mijn-bedshow de problematiek wel is. Het probleem stopt niet aan de Belgische grens; het is ook een Europees issue. Het is tijd voor actie en niet alleen voor plannen. We zetten zeer sterk in op resultaat. Op korte termijn moeten stappen worden gezet. Europa is zeker wanneer het gaat over gendergerelateerd geweld online, een partner om duidelijke lijnen voor eigenaars van platformen, die daarin een zeer grote verantwoordelijkheid dragen, te zetten. Ik heb afgelopen week ook nog overleg gepleegd met Commissaris Lahbib. Een aanpak stopt niet bij de contouren van het nationaal actieplan, maar moet verder gaan. C’est pour cela que la lutte contre la violence liée au genre exige une approche constante et cohérente, raison pour laquelle la collaboration avec la commissaire Lahbib est essentielle car les solutions sont également à construire au niveau européen. Le plan d’action national de lutte contre les violences basées sur le genre est un instrument essentiel, vous l’avez dit, pour coordonner les efforts de tous les acteurs concernés, et ce à tous les niveaux politiques. Het vorige actieplan, dat in werking trad in november 2021, liep af in december 2025. Het leverde vooral belangrijke resultaten op het vlak van preventie, bescherming en ondersteuning van slachtoffers, vervolging, asiel en migratie en het internationale beleid. Bij de tussentijdse evaluatie in 2023 was al meer dan 72% van de maatregelen in uitvoering, onder andere omdat de vorige regering omtrent dat onderwerp belangrijke stappen heeft gezet. L’évaluation finale est actuellement réalisée par l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes, en collaboration avec le groupe interdépartemental qui réunit des représentants des cabinets et des administrations fédérales ainsi que des entités fédérées. Le rapport final est en cours de finalisation et de validation. Il sera transmis aux parlements concernés dans les mois à venir. Le rapport final est tourné vers l’avenir et formule des recommandations pour le prochain plan d’action national. Je peux toutefois déjà indiquer qu’il ressort de cette évaluation que le plan d’action national s’avère être un outil de cadre de référence indispensable pour coordonner les efforts de l’ensemble des acteurs impliqués dans la lutte contre la violence basée sur le genre. Gendergerelateerd geweld blijft een hardnekkig maatschappelijk probleem. Het komende jaar zal ik daarom samen met mijn collega-ministers, ondersteund door het instituut, werk maken van een nieuw, concreet en vooral ambitieus actieplan. We nemen de lessen uit het huidige evaluatiedocument mee, alsook alle aanbevelingen van het Nationaal Platform van het maatschappelijk middenveld. Ook de recente aanbevelingen van GREVIO in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Istanbul zullen een inspiratiebron vormen. Les discussions concernant le contenu de ce nouveau plan débuteront dans les prochains mois. En ce qui concerne les budgets, il appartient bien sûr à chaque ministre concerné de prévoir les moyens nécessaires pour les actions relevant de ses compétences. Cela explique pourquoi il est parfois difficile d’établir un aperçu global. Des efforts ont déjà été réalisés pour améliorer la visibilité des montants consacrés à la prévention et à la lutte contre les violences basées sur le genre à tous les niveaux de pouvoir, notamment à travers la comptabilisation des budgets alloués aux différentes mesures du plan. Bien qu’il soit complexe, cet exercice participe à une meilleure transparence et à une plus grande lisibilité des financements consacrés à la lutte contre les violences basées sur le genre. Onze samenleving evolueert snel. Door die snelle evolutie zien wij ook dat er alsmaar meer nieuwe vormen van geweld zichtbaarder worden. Digitale technologie speelt daarin een cruciale rol. Ook de opkomst van schadelijke mannelijkheidsnormen en de zogenaamde manosfeer dragen bij tot gendergerelateerde vormen van geweld. Die ontwikkelingen zijn bijzonder zorgwekkend en verdienen onze volle aandacht. Gendergerelateerd geweld moet ook in de digitale wereld worden bestreden en vereist meer dan ooit een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zal daarom op mijn vraag een onderzoek opstarten naar de verspreiding van masculinistisch discours op sociale media in België. Die studie zal analyseren wat de impact is van het masculinistische discours en de manosfeer op jonge mannen en tieners in het bijzonder in België en voorstellen van concrete acties om dat tegen te gaan, formuleren. In het kader van het nieuwe nationaal actieplan zullen wij vooral aandacht besteden aan technologie die wordt misbruikt om anderen te controleren, te manipuleren en te kwetsen. Om gendergerelateerd geweld in al zijn verschijningsvormen te voorkomen en te bestrijden, is coördinatie met de deelstaten alsook met de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken noodzakelijk. Zij maken momenteel allemaal deel uit van de interdepartementale groep die onder meer tot taak heeft het nieuwe nationaal actieplan op te stellen. Het nationaal actieplan vormt het kader voor de samenwerking rond dat thema over de verschillende bevoegdheidsniveaus heen. Madame Désir, concernant le comité scientifique pour l’analyse des féminicides et des homicides fondés sur le genre, celui-ci a débuté ses travaux à la fin de l’année dernière. Il s’agit d’un comité indépendant composé de membres du Conseil supérieur de la Justice, du Collège des procureurs généraux, de la police locale et fédérale ainsi que de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes. Dans le cadre de ses activités, le comité peut inviter des témoins et des experts. Pour toute question concernant son fonctionnement, je vous invite à prendre contact avec l’Institut National de Criminalistique et de Criminologie, qui assure la présidence de ce comité. Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw toelichting. Ik ben blij dat 70 % van de maatregelen uit de vorige legislatuur al in uitvoering is. Dank ook voor de verwijzing naar het goede werk dat onder meer door mevrouw Schlitz in de vorige regering is opgestart. We moeten nu vooral doorzetten en actualiseren. Daarin volg ik u. Het is goed dat er een onderzoek komt door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Ik worstel wel wat met begrippen als manosfeer en toxische mannelijkheid, omdat ook mannen en jongens hier slachtoffer van zijn. Het hele alfa-betaverhaal, voor wie dat volgt, waarbij een dominante man ook de zogenoemde betamannetjes moet onderdrukken, zorgt ervoor dat iedereen verliest in zo’n samenleving. Het woord wansmakelijk is daarbij nog een understatement. Naast dat onderzoek denk ik dat we ook ernstig met elkaar moeten spreken over artikel 150 van de Grondwet. Onlineboodschappen zijn niet zoals e-mails of persartikelen. Er is online een hele wereld op zich. Vorige week zijn daarover al bijzonder harde debatten gevoerd, in het kader van de strijd tegen racisme en discriminatie. De schaal waarop het fenomeen zich vandaag manifesteert, internationaal en ook bij ons, leidt overal tot grote debatten, niet alleen in Europa maar ook in de Verenigde Staten. We moeten bekijken hoe we omgaan met zeer gerichte boodschappen die neerkomen op een normalisering van geweld tegen iedereen die geen alfamannetje is. We moeten nagaan hoe we ons instrumentarium aanpassen aan de tijd waarin we leven. Er is meer nodig dat de vigerende Digital Services Act, die gewoon apps doet verwijderen. De wetgeving moet meer tanden krijgen en degelijke vervolging toelaten. Vandaag staan mensen erbij en kijken ernaar. Ook ik ervaar dat als ouder en zie het in mijn omgeving, zelfs bij zeer flagrante gevallen. Men staat machteloos. We kunnen nog veel onderzoek doen, maar het is die actie, waar we elkaar moeten vinden. Laat dat mijn pleidooi zijn voor vandaag. Minister, bedankt voor uw toelichting. Ik kijk uit naar de evaluatie van het actieplan en naar de uitvoerige debatten over de lessen die we daaruit trekken. De aanpak van gendergerelateerd geweld is inderdaad gelaagd. Het actieplan is het instrument bij uitstek om coherentie te brengen doorheen alle beleidsdomeinen en niveaus. U begrijpt onze bezorgdheid omtrent de vraag of de regering de nodige budgetten op tafel zal leggen om de grote uitdagingen aan te pakken. Veel van de nodige middelen vallen bijvoorbeeld onder Justitie, zoals de behandeling van daders en de steun voor en de bescherming van slachtoffers. Uw collega-minister van Justitie Verlinden vindt echter nauwelijks steun voor de nodige budgetten voor haar departement. We blijven dus bezorgd en daarom zullen we het dossier van nabij volgen. We zullen ook schriftelijk duiding vragen over de budgetten ter zake bij de beleidsdomeinen van uw collega’s. Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses. Nous nous situons un peu hors des délais qui avaient été annoncés en octobre. Je n'ai, par ailleurs, aucun doute sur la qualité du travail d'évaluation qui sera réalisé par l'Institut et qui est encore en cours de réalisation, ni sur la collaboration essentielle avec la société civile. Il est évident que cela demande du temps. Je n'ai pas non plus de doutes quant à la pertinence des recommandations qui ressortiront de l'évaluation. C'est évidemment un très bon socle pour l'accomplissement du prochain plan. À côté de son travail de qualité, l'Institut aura besoin, pour l'accomplissement de son prochain plan, de volontés politiques et d'une force que vous incarnez. Il importe de rassembler tous les ministres concernés par les violences de genre. Nous voyons à quel point, notamment sur le plan numérique, elles continuent de s'enraciner dans les évolutions sociétales. Voici encore quelques semaines, les victimes de l'incendie du bar de la station suisse ont été déshabillées par l'intelligence artificielle. Je pense aussi à d'autres formes de violences sexistes que nous souhaiterions voir révolues, mais qui se perpétuent, à l'instar de ce groupe WhatsApp de la STIB dans lequel des conducteurs s'amusaient à classer le physique de leurs collègues. Ce sont des faits inacceptables qui requièrent une coordination politique entre les différents niveaux de pouvoir, mais également entre les différentes compétences. Vous êtes la personne apte à coordonner ce travail. Monsieur le ministre, il n'y a plus de temps à perdre pour élaborer un plan d'action ambitieux qui puisse voir rapidement le jour sous cette législature en vue d'un travail coordonné. Je vous remercie. Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. Je pense que celle-ci traduit une volonté politique bien réelle dans votre chef de poursuivre cet ambitieux travail de fond entamé sous la précédente législature, notamment par Mme Schlitz. Il va sans dire que l'enjeu est immense, que ce soit en matière de violences faites aux femmes ou de féminicides. On voit effectivement que de nouvelles formes de violences genrées continuent à se développer et nécessitent des réponses sans cesse réinventées, ainsi qu'une coordination optimale entre les différents niveaux de pouvoir. Dès lors, nous nous réjouissons qu’arrive cette étape de finalisation, d'évaluation et bientôt de validation du rapport final. De même, nous nous réjouissons que ce rapport soit bientôt transmis au Parlement pour que nous puissions continuer à faire vivre ces enjeux dans cet hémicycle. Vous avez compris que nous sommes quelques-unes à vous suivre de près sur ces questions et nous continuerons évidemment à le faire. Merci aussi d'avoir répondu à la question de la lisibilité et de la transparence des financements qui avaient été soulevées par le GREVIO. Reste évidemment à savoir si votre gouvernement, monsieur le ministre, traduira ces ambitions politiques en une véritable priorité budgétaire. Nous serons bien attentifs à cela aussi. Je vous remercie. Homofoob en transfoob geweld in de openbare ruimte Monsieur le ministre, le 21 novembre dernier, une personne non binaire a été victime d’une agression homophobe et transphobe d’une extrême violence dans la station de métro bruxelloise Beekkant. Cette terrible histoire est loin d’être un cas isolé. Les associations LGBTQIA+ rappellent que les violences verbales, psychologiques et physiques persistent dans l’espace public et que certaines infractions à caractère homophobe ou transphobe ne sont plus systématiquement poursuivies par le parquet de Bruxelles, ce qui crée inévitablement un sentiment d’impunité. Monsieur le ministre, sur les 136 dossiers liés à l’orientation sexuelle clôturés l’an dernier par Unia, plus d’un tiers impliquaient des agressions physiques avec coups et blessures ainsi que de graves cas de harcèlement. Ces agressions ont généralement été perpétrées par des hommes jeunes, parfois en groupe, principalement contre d’autres hommes, comme le constatent Unia et l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes. Les deux organismes pointaient également une augmentation manifeste des guet-apens via des applications de rencontre. Quelles initiatives entendez-vous prendre pour garantir que les agressions homophobes et transphobes soient systématiquement qualifiées et poursuivies comme telles par les parquets, afin de protéger les droits fondamentaux des victimes? Vous aviez indiqué vouloir évaluer le plan d’action pour une Belgique LGBTQI+ friendly , adopté en mai 2022, et préparer un nouveau plan d’action interfédéral qui devrait accorder une attention particulière aux droits des personnes trans et intersexuées. Un calendrier est-il prévu concernant l’élaboration de ce futur plan et les concertations avec la société civile et les entités fédérées? Quelles mesures concrètes envisagez-vous dans ce cadre? Voorzitster: Ayse Yigit. Présidente: Ayse Yigit. Madame Désir, les faits évoqués sont inacceptables, et la lutte contre les violences visant les personnes LGBTI+ est une responsabilité collective. S'agissant des poursuites, je vous renvoie vers les autorités judiciaires compétentes. Cela étant, le gouvernement fédéral a la responsabilité, dans le cadre de ses compétences, de renforcer la prise en charge des victimes et l'identification des faits à caractère haineux et d'envoyer un message clair contre l'impunité. Ces enjeux seront pris en compte dans les travaux préparatoires du futur plan d'action interfédéral. Le plan fédéral précédent s'est en effet clôturé en 2024 et, dans la continuité, le gouvernement fédéral a réaffirmé son engagement à promouvoir l'égalité des droits des personnes LGBTI+, en reconnaissant la nécessité d'une mobilisation de tous les niveaux de pouvoir. Le coup d'envoi a été donné en octobre 2025, lors de la première réunion de la Conférence interministérielle Égalité des chances. Les gouvernements qui s'y étaient réunis ont affirmé leur souhait de faire du plan d'action interfédéral LGBTI+ une priorité. Les négociations sont maintenant en cours, l'ambition étant de lancer le plan en mai 2026. Le niveau fédéral apportera une contribution à ce plan. À ce stade, des mesures sont en cours d'élaboration, avec une consultation du milieu associatif et des administrations concernées. Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. J'interpellerai peut-être également la ministre de la Justice à ce sujet. Je trouve important que l'on puisse envoyer un signal fort, notamment à la communauté LGBT. De plus en plus de personnes, qu'elles soient homosexuelles, trans, etc., craignent encore de se balader en rue dans certaines villes et communes de notre pays. Cette réalité est inacceptable et des faits aussi graves ne peuvent rester sans suite sur le plan judiciaire, au risque d'envoyer aux personnes concernées un signal terrible en termes de protection et de capacité à vivre en toute sécurité. Je continuerai à suivre cette question avec attention, notamment parce que, lors de notre audition d'Unia, celui-ci nous avait alertés très spécifiquement quant à la recrudescence des cas de violences graves envers la communauté LGBT. Het decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst in België Monsieur le ministre, la Belgique compte aujourd'hui environ 450 000 personnes originaires d'Afrique subsaharienne. Un an après la fin de la première Décennie internationale des personnes d'ascendance africaine, et à l'aube d'une nouvelle décennie qui doit poursuivre les progrès tardifs permis par la première, la Belgique en demeure étonnamment absente. À ce jour, il semble que la Belgique n'ait préparé aucun plan de soutien concret à la décennie 2025-2034. Cette décennie offre un cadre d'action mondial de l'ONU axé sur la reconnaissance, la justice et le développement. Elle vise à protéger les droits humains des afrodescendants, lutter contre le racisme et valoriser leur contribution. Un soutien actif est indispensable, dans ce contexte où des initiatives ont été prises tardivement à la fin de la première décennie. Le gouvernement de l'époque avait lancé l'appel à projets "À Nous l'Histoire". Les discriminations demeurent criantes: 70 % des personnes d'origine subsaharienne disent avoir été victimes de discriminations ou de racisme au travail, un chiffre qui n'a pas évolué depuis 2016. Cette discrimination systémique est manifeste au sein-même de nos institutions, comme l'illustre l'affaire de ce bourgmestre flamand de Aalter, accusé de faire attendre plus longtemps les personnes d'origine étrangère lors de leur enregistrement à la commune. Elle se manifeste également dans l'espace public, y compris lors d'interventions de forces de l'ordre et d'agents. En août dernier, par exemple, trois femmes noires, dont une dame habitant Vilvorde se prénommant Grace, et deux membres de sa famille, sont violemment interpellées à la gare du Nord par des agents de Securail qui les mettent à terre, les brutalisent sans réel motif. En novembre, un homme noir, Amara, avec son enfant en poussette à ses côtés, a été frappé avec une matraque par des policiers devant des femmes et enfants, encore une fois sans motif valable. En décembre, Adamo a été abattu par balle, dont une dans le dos, par la police namuroise, alors qu'il était en détresse psychologique. Et, pendant ce temps, les discours d'extrême droite se multiplient et fracturent profondément notre société, en flattant et légitimant les inclinaisons racistes et xénophobes. Les associations de la diaspora africaine en Belgique n'attendent qu'une chose: qu'on leur donne enfin les moyens d'agir et de voir un gouvernement qui défend leurs droits, lutte contre les discriminations qu'elle subit et valorise leur culture et leur patrimoine. Il est temps de transformer les déclarations d'intention en actions courageuses, car l'inaction n'est pas une option. Mes questions sont les suivantes. Comment expliquez-vous l’absence d’action jusqu’à présent? Quels engagements concrets comptez-vous prendre pour la nouvelle décennie? Pouvez-vous affirmer que cette question constitue une priorité pour votre cabinet? Quand un plan interfédéral de lutte contre le racisme prendra-t-il réellement forme, à l’instar de celui qui a vu le jour en Région bruxelloise? Je vous remercie. Merci pour votre question, madame Mutyebele. Je vous remercie également, car je reconnais clairement le problème que vous soulevez. Les chiffres restent préoccupants. Unia constate que les signalements liés à des critères raciaux demeurent très importants et l’étude récente de la Fondation Roi Baudouin confirme que les expériences de racisme restent très élevées. Les experts des Nations Unies appellent aussi à des réponses structurelles. Dans ce contexte, le gouvernement fédéral a clairement inscrit son engagement dans l’accord de gouvernement, à savoir le développement d’un plan d’action interfédéral contre le racisme. C’est dans ce cadre que nous travaillons également à la concrétisation de la nouvelle décennie des Nations Unies en Belgique, en veillant à inclure l’ensemble des communautés d’origine africaine présentes dans notre pays. Depuis mon entrée en fonction, j’ai eu des échanges avec la société civile, ainsi qu’avec les experts des Nations Unies et les chercheurs ayant mené l’étude de la Fondation Roi Baudouin, afin d’intégrer ces enseignements dans ma politique. L’outil central reste la Conférence interministérielle Égalité des chances et Lutte contre le racisme, lancée en octobre dernier avec les entités fédérées. Dans le cadre de cette Conférence interministérielle, j’ai proposé que le développement du plan d’action contre le racisme constitue une priorité, ce qui a été approuvé. Depuis lors, nous élaborons activement le contenu du plan, dont le lancement est prévu en septembre 2026. En tant que ministre de l’Égalité des chances, je mets tout en œuvre pour honorer l’engagement pris par la Belgique il y a 20 ans à Durban. Pour la décennie, après une phase préparatoire, nous sommes désormais dans une phase de concrétisation. Le lancement formel est ainsi prévu en mars 2026 et j’espère vous y accueillir. Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je suis contente de savoir qu'on va enfin pouvoir lancer un plan interfédéral et qu'on va pouvoir agir, je l'espère, de manière concrète. Comme vous le savez, le racisme a plusieurs implications. Et, peut-être me direz-vous que ce que je vais vous dire n'a pas de lien avec notre discussion. Mais, dans le cadre de la limitation des allocations de chômage dans le temps, votre collègue, M. Clarinval, a dit que la plupart des personnes au chômage "ne sont pas belges". Moi-même, je ne suis pas belge. Beaucoup de non-Belges, même avec un diplôme universitaire, subissent la discrimination à l'embauche. Ayant un diplôme universitaire, cela m'a pris deux ans avant de trouver du travail. Pourquoi? Parce qu'on n'a jamais lutté activement contre la discrimination à l'embauche pour les personnes issues des minorités. Ceci doit figurer dans votre plan interfédéral. Lorsque vous lancerez cette deuxième décennie, il faut que la Belgique puisse avoir des actions concrètes, structurelles et claires. Je vous donne un exemple, j'étais échevine de l'Égalité des chances à la Ville de Bruxelles. Qu'ai-je fait? Pour clôturer la décennie des afrodescendants, j'ai mis en place un centre culturel congolais ouvert aux cultures africaines, parce qu'il fallait un lieu d'expression des passions, un lieu où on apprend à lutter contre le racisme parce qu'on connaît la culture de l'autre. Il faut travailler sur des lieux communs où on se rencontre et on apprend à se connaître pour lutter contre le racisme et la xénophobie, encore beaucoup plus présents qu'on ne croit en Belgique. Quand vous circulez dans les couloirs de notre Parlement, monsieur le ministre, combien de personnes d'ascendance africaine croisez-vous? Savez-vous que c'est la première fois que des personnes d'ascendance africaine sont élues? Si un parti politique n'affiche pas une volonté claire ou si, vous, gouvernement, État, ne montrez pas l'exemple, il ne faut pas s'attendre à ce que les associations ou les sociétés privées puissent lutter contre le racisme. L'exemple doit venir d'en haut et j'espère vraiment que vous continuerez à travailler activement dans ces matières. Je vous remercie. Madame Mutyebele, ce n'est pas dans mes habitudes de répliquer mais je tiens à vous féliciter pour votre intervention. Je ferai tout mon possible pour que le plan contre le racisme soit prêt en septembre 2026. Je voulais juste vous dire que nous étions partenaires et vous remercier pour tout ce que vous faites. Vous êtes un exemple. De studie van UCL en Unia over 11 jaar antidiscriminatierechtspraak Geachte minister, uit een recente studie van de UCL, in samenwerking met Unia, na 11 jaar Belgische antidiscriminatierechtspraak, blijkt een bijzonder ontnuchterend beeld. In amper 38 % van de geanalyseerde uitspraken werd discriminatie daadwerkelijk erkend. Met andere woorden, minder dan een op de twee slachtoffers haalt zijn of haar gelijk voor de rechter. De slaagkansen verschillen bovendien sterk naargelang het discriminatiecriterium. In dossiers rond genderdiscriminatie krijgt het slachtoffer in ongeveer de helft van de gevallen gelijk, terwijl dat bij discriminatie op basis van raciale of etnische afkomst maar 20,4 % bedraagt. Die cijfers staan in schril contrast met talrijke empirische studies, onder meer op basis van praktijktesten, die aantonen dat discriminatie, in het bijzonder op basis van origine, wijdverspreid blijft op de Belgische arbeidsmarkt. De onderzoekers besluiten dan ook dat de huidige antidiscriminatiewetgeving onvoldoende effectief is om slachtoffers een reële kans op rechtsbescherming te bieden. Daarnaast onderstreept de studie het belang van collectieve en institutionele ondersteuning. Wanneer bijvoorbeeld Unia betrokken partij is, wordt in 70,6 % van de zaken discriminatie erkend. Bij bijstand door een vakbondsafgevaardigde is dat 64,6 %. Slachtoffers die alleen procederen, behalen in amper 36,6 % van de gevallen een gunstige beslissing. Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de aanbevelingen van Unia en de UCL-onderzoekers, met name de invoering of versterking van een verplicht preventiebeleid tegen discriminatie op de werkvloer, de versterking van de arbeidsinspectiediensten, het voorzien in meer proactieve praktijktesten en de consequente toepassing van sancties bij vastgestelde discriminatie? Welke concrete stappen zult u zetten om de drempels voor slachtoffers te verlagen om discriminatie te melden en juridisch aan te vechten? Dank u wel voor uw vraag. Ik vind het ook een zeer goede vraag om dit debat in het Parlement te voeren. Ik wil daarbij verwijzen naar de studie die u aanhaalt, omdat die bijzonder waardevol is en voor ons kabinet ook een sterke basis vormt voor het beleid. We beschikken vandaag over antidiscriminatiewetgeving, maar voor slachtoffers blijft de stap naar gerechtigheid bijzonder moeilijk en complex. Daar mogen we niet blind voor zijn. Mensen die met discriminatie te maken krijgen, moeten zo snel mogelijk stappen kunnen zetten om gehoord te worden en vooral om ervoor te zorgen dat het stopt. Daarom werken we op verschillende sporen. Een eerste spoor is het werk binnen de interministeriële conferentie Gelijke Kansen en Racismebestrijding. De voorbije maanden zijn daar belangrijke mijlpalen bereikt en we zetten nu de stap naar de verdere ontwikkeling van concrete maatregelen tegen discriminatie. Die vergadering verloopt zeer constructief. Het is belangrijk om vertrouwen te hebben tussen alle bevoegde ministers om echt vooruitgang te boeken. De samenwerking verloopt daar zoals we het willen en dat geeft mij het perspectief dat concrete stappen kunnen worden gezet. Zo kunnen we gelijke toegang tot werk en de strijd tegen discriminatie op de werkvloer duidelijk als prioriteiten naar voren schuiven. In die voorbereiding nemen we ook de aanbevelingen mee van de Commissie voor de evaluatie van de federale antidiscriminatiewetten, onder meer over verplichte preventie op de werkvloer en de versterking van de arbeidsinspectie. Zodra mijn administratie die voorbereiding heeft afgerond, ga ik hierover in overleg met de collega-ministers om de actieplannen tegen discriminatie concreet vorm te geven. Een tweede spoor is de evaluatie van de drie federale antidiscriminatiewetten. In aanloop daarnaartoe heeft mijn administratie intussen de follow-up afgerond van de uitvoering van eerdere aanbevelingen. Een van de belangrijkste aanbevelingen betreft discriminatietesten, zoals praktijktesten, mysterycalls en mysteryshoppers. Uit die follow-up blijkt dat deze aanbeveling gedeeltelijk is uitgevoerd. We komen dus dichter bij een doeltreffende toepassing, maar ik vind dat we dit nog moeten versterken. Een derde en laatste spoor is het verlagen van de drempels voor slachtoffers. Onderrapportering blijft een groot probleem, omdat te veel mensen geen melding doen of onderweg afhaken. Daarom wil ik de meldpunten beter bekend en toegankelijker maken en vereenvoudigen. Tegelijk moeten we het probleem van het verzamelen van bewijsmateriaal aanpakken, zeker bij wervingsprocedures, waar het voor slachtoffers vaak moeilijk is om een vermoeden van discriminatie hard te maken. Mijn uitgangspunt is duidelijk: beleid moet gebaseerd zijn op feiten en wetenschap. Daarom financiert mijn administratie in 2026 een studie die in kaart brengt welke elementen in de praktijk aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van discriminatie en tot de activering van het mechanisme van de verschuiving van de bewijslast. Het is die studie die moet leiden tot concrete operationele aanbevelingen om het mechanisme beter toe te kunnen passen en de slachtoffers sterker te maken in het afdwingen van hun rechten, in het bijzonder in arbeidsrelaties. Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister, en voor de intentie van uw kabinet om deze waardevolle studie van dichtbij te bekijken en enkele aanbevelingen concreet vorm te geven in het beleid. De onderzoekers geven vele waardevolle inzichten en aanbevelingen, onder meer om de drempels voor juridische bescherming tegen discriminatie te verlagen voor de slachtoffers. Dat de stap om melding te doen voor vele groepen moeilijk blijft, onder meer omdat het vaak moeilijk is bewijzen aan te brengen bij een vermoeden van discriminatie bij een aanwervingsprocedure, is absoluut een aandachtspunt. Het is positief te horen dat ter zake een studie zal volgen. Unia raadt ook het verder implementeren van proactieve praktijktesten aan als instrument om discriminatie te detecteren. Het begeleidt meerdere lokale pilootprojecten. We zullen u blijven aanmoedigen om deze adviezen te implementeren in het beleid. De afwezigheid van cijfers over de zorgcentra na seksueel geweld Mijnheer de minister, het dossier van de zorgcentra na seksueel geweld ligt mij na aan het hart. Veel mensen, moeders en vaders, werden er al goed geholpen. In de periode 2019-2020 kon ik, na collega Sleurs, uitbreiden naar één zorgcentrum per provincie. Ik blijf opvolgen wat daar gebeurt. Ik heb ook goede contacten met de centra. Ik werd door mevrouw Schlitz en mevrouw Leroy ook heel goed op de hoogte gehouden van de cijfers en de stappen die ter zake werden gezet. Toen ik vorig jaar bij u de cijfers opvroeg, was ik eigenlijk een beetje verrast door uw antwoord. U zei dat er problemen waren. Wegens de overgang van Sciensano naar Healthdata.be, kon u immers slechts ruwe cijfers geven. U kon geen correcte cijfers geven over het aantal slachtoffers, of het om mannen of vrouwen ging, via welke weg men er terechtkwam, via de politie, rechtstreeks of via derden, of men het slachtoffer kende. Dergelijke zaken zijn belangrijk om te weten, zeker met het oog op de nieuwe centra die minister Vandenbroucke heeft aangekondigd. Het is belangrijk dat we op basis van de wetenschappelijke cijfers weten wie het doelpubliek is, hoe we hen kunnen helpen, hoe we de hulp kunnen verfijnen. Hoe zit het in de provincies? Waar komen ze vandaan? Wat is de impact van een centrum in de regio? Al die gegevens kunnen bijdragen aan de verdere uitbouw. Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? De centra zijn ondertussen ook van het instituut naar het RIZIV gegaan. Hoe is die overgang verlopen? Hoe staat het ondertussen met de data en de rapportage? Zijn de technische problemen opgelost? Kunnen we daarmee verder? Op basis van de gegevens kunnen we in de nieuwe centra immers ook betere zorg aanbieden. Dat blijft toch de ultieme doelstelling van die centra. Mevrouw Muylle, doe vooral zo verder en blijf dat dossier op de agenda plaatsen. We zijn hele mooie zaken aan het doen rond de zorgcentra. Het feit dat ze nu gestructureerd gefinancierd worden, toont aan dat het een blijver is. U hebt daar inderdaad heel veel verdienste aan. Van belang is dat de cijfers in de zorgcentra op een goede manier kunnen worden opgevolgd. Er werd met de allerbeste intenties overgeschakeld op een systeem dat de werklast en werkdruk moeten wegnemen en dubbele rapporteringen moet vermijden. U hebt gevraagd hoe het komt dat er problemen zijn met Healthdata.be en of die ondertussen al opgelost zijn. Het antwoord is: bijna. Bij elk overleg tussen alle organisaties is er iemand aanwezig van het kabinet van de minister van Volksgezondheid en wordt gezocht naar oplossingen om de problemen een voor een technisch aan te pakken. We verwachten dat de cijfers voor elk centrum beschikbaar zullen zijn tegen het einde van het eerste trimester van 2026. Dat betekent dat we er bijna zijn. De overgang naar de nieuwe versie van het registratiesysteem verloopt blijkbaar heel moeilijk. Ik bespaar u alle technische details. Ik betreur het en vind het jammer dat het op die manier is gebeurd, maar het is nu eenmaal zo. Daardoor werden de cijfers gedurende een hele tijd handmatig bijgehouden. We moeten die bijgevolg met de nodige voorzichtigheid interpreteren. Ik heb opdracht gegeven om in te zetten op de cijfers van 2025, zodat we daarmee verder aan de slag kunnen en voor elk zorgcentrum een gedetailleerd overzicht hebben van de cijfers van vorig jaar. Ik kan echter niet ontkennen dat er misschien menselijke fouten zitten in die cijfers, maar dan is dat maar zo. Het is volgens mij veel belangrijker is om nu aan een oplossing te werken. Aangezien alle problemen een voor een worden aangepakt, ben ik ervan overtuigd dat we binnen een of twee maanden echt van start zullen kunnen gaan met een registratiesysteem dat voor iedereen goed is. Dan heeft men immers de problemen rond GDPR aangepakt, maar ook ervoor gezorgd dat er geen dubbel werk wordt gedaan. Dan kunnen we starten, weliswaar met vertraging, maar ik ben heel hoopvol omdat het traject van de afgelopen maanden bezorgdheden heeft weggenomen. Nog een paar maanden, en dan kunnen we heel goed rapporteren. Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is inderdaad spijtig dat we geen correct, volledig beeld hebben van de nieuwe centra, alhoewel zij intern rapporteren. Ik heb daar echter alle begrip voor. Ik zal dat blijven opvolgen en zal wellicht in april of mei een schriftelijke vraag indienen. We kunnen er dan op terugkomen in de commissie om evoluties in de cijfergegevens te bespreken. In onze eigen centrum varieert de leeftijd tussen 2 en 82 jaar. Dat is heel choquerend. Van waar komen de patiënten? Daarin zie ik enorme verschillen. Veel mensen vinden de weg aangestuurd via de politie, nog te weinig aanmeldingen gebeuren spontaan. We kunnen daaruit lessen trekken en verdere stappen zetten, maar ik kom daar zeker nog op terug. De voorzitster : Vraag nr. 56011999C van de heer Van Rooy vervalt aangezien hij afwezig is. De door de arbeidsinspectie uitgevoerde praktijktesten We hadden het daarnet al over de ontoereikendheid van de Belgische antidiscriminatiewetgeving om structurele discriminatie op de arbeidsmarkt effectief aan te pakken. Voor werkgevers die mensen geen eerlijke jobkansen bieden vanwege bijvoorbeeld hun origine of leeftijd, blijft de pakkans vandaag immens klein, quasi onbestaand. Nochtans bestaat er brede eensgezindheid bij experts en middenveldorganisaties, zoals Unia en het platform Praktijktesten Nu. Praktijktesten, onder meer via mysterycalls , mystery visits of mystery mails , zijn wetenschappelijk onderbouwde en doeltreffende instrumenten om discriminatie te detecteren en aan te pakken. Ook de federale overheid erkent het nut daarvan. De arbeidsinspectie beschikt vandaag via artikel 42/1 van het Sociaal Strafwetboek over de bevoegdheid om dergelijke discriminatietesten uit te voeren. Daarom heb ik hierover een aantal vragen. Ten eerste, hoe werd dit instrument de voorbije vijf jaar concreet ingezet en welke lessen zijn daaruit getrokken? Ten tweede, welke discriminatietesten plant de arbeidsinspectie voor het jaar 2026? Ten derde, kunt u wat meer duidelijkheid geven over de werkwijze? Hoe worden meldingen van mogelijke discriminatie geanalyseerd en op basis van welke criteria wordt beslist om al dan niet een praktijktest uit te voeren? Tot slot wil ik graag peilen naar uw visie als minister van Gelijke Kansen. Hoe kijkt u naar praktijktesten als beleidsinstrument en bent u van plan om deze tijdens de komende legislatuur verder te verankeren en uit te breiden? Wat is het standpunt van de regering hierover? Mevrouw Yigit, dank u wel voor uw vraag. Ik begin met uw laatste vraag. Ik wil echt bevestigen dat ik het gebruik van praktijktesten in de strijd tegen discriminatie ondersteun. Ik ben ook vastbesloten om dat verder te zetten. Dat stemt overeen met de ambities van deze regering, ook wat de arbeidsmarkt betreft. Ik wil wel terugkomen op eerdere discussies die we in deze commissie al hebben gevoerd over praktijktesten, bijvoorbeeld in verband met de situatie in Gent. Ik vind het belangrijk dat we het draagvlak niet onderuithalen en rekening houden met de context. We moeten daar zo correct mogelijk mee omgaan, zodat we dat instrument niet ondergraven. De arbeidsinspectie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, voortaan TSW genoemd, heeft sinds de aanpassing in april 2022 van het Sociaal Strafwetboek 22 praktijktesten inzake discriminatie uitgevoerd. Dat gebeurde naar aanleiding van 6 objectieve signalen en 16 meldingen of klachten via Unia, via het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM), via de Vlaamse Sociale Inspectie en via het meldpunt van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). De meeste gevallen hadden betrekking op discriminatie op basis van etnische afkomst en op basis van geslacht of gender. Enkele dossiers hadden betrekking op leeftijd en religie. Twee gendergerelateerde praktijktesten leidden tot aanwijzingen van mogelijke discriminatie. Die dossiers werden overgemaakt aan het arbeidsauditoraat, maar er konden geen concrete vervolgstappen gezet of conclusies getrokken worden. In de andere tests waren er geen aanwijzingen van discriminatie. TSW is voor het vinden van relevante doelen voor praktijktesten hoofdzakelijk aangewezen op klachten of meldingen. Voor de praktijktesten zijn dan ook geen concrete streefcijfers voor 2026 vastgelegd. De beslissing om een test uit te voeren, is gebaseerd op de vraag of TSW bevoegd is en of het criterium beschermd is door de antidiscriminatiewetgeving. Dan wordt bepaald of een praktijktest aangewezen is, of er een relevante vacature is voor die test. Zodra er een valabel doel is, wordt een verzoek gericht aan het bevoegde arbeidsauditoraat om de praktijktest te mogen uitvoeren. De resultaten van die test worden vervolgens overgemaakt aan de magistraat, die beslist welke acties er worden ondernomen. Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden en voor het uitspreken van uw waardering voor praktijktesten als instrument. We blijven aanmoedigen om die in te zetten. Ik begrijp dat het vastleggen van streefcijfers niet mogelijk is, maar ze helemaal niet gebruiken zou schuldig verzuim betekenen. Net als het platform Praktijktesten Nu pleiten we ervoor dat overheden ook proactief kunnen testen, zonder voorafgaande melding en op grotere schaal, zodat de pakkans werkelijk stijgt. Dat is vergelijkbaar met voedselveiligheid. Men test niet pas als het helemaal misloopt. De overheid test om de bevolking te beschermen en te verdedigen. Volgens ons is het echt nodig om praktijktesten te laten aanvaarden als bewijsmiddel in rechtszaken, zoals dat in Frankrijk al het geval is sinds 2000, ook wanneer die praktijktesten zijn uitgevoerd door een middenveldorganisatie. De stavaza m.b.t. het interfederaal actieplan tegen racisme Mijnheer de minister, België heeft zich op meerdere internationale fora en meer recent binnen het regeerakkoord en uw beleidsverklaring geëngageerd om te komen tot een interfederaal nationaal actieplan tegen racisme. Dat plan moet een gecoördineerd en structureel antwoord bieden op racisme, xenofobie, antisemitisme en islamofobie. Dat actieplan laat al twintig jaar op zich wachten, stellen we vast, en er bestaat nog steeds onduidelijkheid over de concrete inhoud, de timing en de middelen. Tegelijk wil ik erkennen dat er wel degelijk stappen zijn gezet. Ik heb begrepen dat er in november een interministeriële conferentie over handicap en racisme heeft plaatsgevonden en dat de deelstaten intussen wel gestart zijn met de werkzaamheden. Dat zijn natuurlijk belangrijke ontwikkelingen, maar ze roepen ook nieuwe vragen op. Mijnheer de minister, kunt u ons informeren over huidige stand van zaken van de uitwerking van het interfederaal nationaal actieplan tegen racisme? Hoe verloopt de samenwerking tussen de overheden en beleidsniveaus en hoe wordt dat gecoördineerd? Hoe ver staat elke gemeenschap met de voorbereidingen? Ten tweede, wanneer mogen we een eerste ontwerptekst van het nationaal actieplan verwachten? Is er vandaag een duidelijke tijdlijn voor de goedkeuring en de uitvoering? Ten derde, welke middelen worden voorzien om dat plan niet alleen uit te tekenen, maar ook effectief uit te voeren? Ten vierde, hoe wordt het middenveld, en in het bijzonder de gemeenschappen die racisme ervaren, structureel betrokken? Ik heb begrepen dat er binnenkort een overleg plaatsvindt tussen uw administratie en het middenveld. Wat zult u hen voorleggen? Tot slot, hoe verklaart u de trage vooruitgang? Welke initiatieven zult u nemen om het proces te versnellen? Mevrouw Yigit, ik zal ook nu met uw laatste vraag beginnen. Ik hoop dat u met de aanhoudende vertraging bedoelt dat er al 25 jaar geen plan is, want ik ben echt vanaf dag één gestart met de opmaak van het plan. Ik geef wel aan dat ik eerst een stap terug gezet heb, om te leren waarom het in het verleden niet gelukt is. Elke legislatuur zei men dat men zo’n actieplan wilde hebben, maar het kwam er nooit van. Ik vond het dus heel belangrijk, toen ik startte als minister, om te begrijpen waarom dat plan er nooit kwam. Toen bleek eigenlijk dat de methodologie om het plan met de deelstaten te maken, niet echt goed was. In het begin van deze legislatuur ben ik daarom gestart met te werken aan een structuur en een methodologie met de deelstaten, om er vervolgens met heel sterke fundamenten zeker van te zijn dat het plan er komt. Die methodologie is inmiddels goedgekeurd door de interministeriële conferentie Gelijke Kansen. Alle leden zeggen nu dat ze het plan zullen afwerken en zijn het erover eens hoe ze zullen werken. Dat is echt een heel belangrijke stap. Ik begrijp dat het misschien heel log overkomt, maar als men moet werken met zoveel ministers, moet iedereen het erover eens zijn hoe gewerkt zal worden en wat het einddoel is. Dat is gelukt. Ik meen oprecht dat ik alle collega-ministers van de interministeriële conferentie wil bedanken voor het zetten van die stap, want nu konden we effectief starten met de uitvoering van het plan. We zitten nu in de fase van operationalisering. Dat betekent dat we de goedgekeurde methodologie omzetten in concrete maatregelen. We voorzien daarbij meer samenwerking met het middenveld. Federaal vind ik het heel belangrijk dat we het middenveld erbij betrekken. De eerste consultatieronde heeft al plaatsgevonden. Ik zal aan het stuur blijven zitten, maar het is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle regio’s. Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt om het plan te lanceren in september 2026. Dat is de datum waarop we het willen afronden. Op dit moment ben ik in de budgetten aan het bekijken hoe we die optimaal kunnen inzetten, hoe we ze kunnen vrijmaken met het oog op de acties die in het plan staan. Als het in september klaar zal zijn, dan is dat in deze legislatuur snel; dat meen ik oprecht. Ik begrijp echter uw bezorgdheid, want het had er al veel lange moeten zijn, omdat er in de voorbije 25 jaar niets was. Ik probeer heel hard te werken om het in september klaar te hebben. Die ambitie blijft overeind. Mijnheer de minister, hartelijk dank voor uw antwoord en voor het bevestigen van een concrete deadline, namelijk september van dit jaar. Ik hoor dat er verschillende stappen zijn gezet. Er heeft een overleg plaatsgevonden en verschillende beleidsniveaus hebben stappen gezet. Dat is uiteraard positief. Die inspanningen wil ik ook absoluut erkennen. Tegelijk blijft het beeld vandaag vooral dat van intenties en processen. Wat nog altijd ontbreekt, zijn duidelijkheid en het eerste ontwerp van actieplannen en garanties over de middelen en de uitvoering, want racisme is geen abstract probleem. Een interfederaal actieplan is alleen geloofwaardig als het duidelijke doelstellingen bevat met verantwoordelijkheid en een opvolging op elk beleidsniveau. De vernietiging van de aanwijzing van het CHU van Charleroi als ZSG Monsieur le ministre, je vous ai introduit une question au sujet de la décision du 15 décembre 2025 par laquelle le Conseil d'État a annulé la décision prise par le conseil d'administration de l’IEFH qui avait désigné le CHU de Charleroi comme CPVS pour l'arrondissement judiciaire du Hainaut, suite au recours introduit par le candidat débouté, le Grand Hôpital de Charleroi. Par une requête introduite le 13 janvier 2021, la partie requérante demandait l’annulation de la délibération de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes datée du 18 novembre 2020, notifiée le 23 novembre 2020, refusant de reconnaître le Grand Hôpital de Charleroi comme centre de prise en charge des violences sexuelles pour l’arrondissement judiciaire du Hainaut et désignant le CHU de Charleroi comme candidat premier classé. Dans l'intervalle, les investissements, les travaux et les recrutements visant à ouvrir le CPVS ont eu lieu. Le CPVS a d’ailleurs ouvert ses portes le 15 novembre 2021. Des campagnes de communication ont été lancées pour informer les victimes, les partenaires, les professionnels de première ligne de l’existence du CPVS et de sa localisation. Je ne dois pas vous apprendre que les CPVS jouent un rôle essentiel dans la prise en charge des personnes victimes de violences sexuelles. Depuis l'ouverture des premiers centres en 2017, 8 230 victimes s'y sont présentées, soit environ 131 personnes par mois. C’est un outil essentiel dans l’accompagnement des victimes de violences sexuelles. Il est donc extrêmement important de pouvoir maintenir un outil de cette nature. Je m'interroge sur l'impact de cette décision sur les travailleurs et travailleuses du centre, ainsi que sur les victimes de violences sexuelles futures, mais également celles qui sont actuellement suivies dans le centre, par exemple pour un suivi psychologique. Monsieur le ministre, dans l'immédiat, quelles sont les conséquences sur le fonctionnement du CPVS et son accessibilité pour les victimes? Qu'en est-il des personnes déjà prises en charge dans le centre? Quelles sont les prochaines étapes dans ce dossier? Je vous remercie. Merci, madame Schlitz. L'arrêt du Conseil d'État du 15 décembre 2025 porte sur la légalité de la décision de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes du 18 novembre 2020, par laquelle le CHU de Charleroi avait été désigné comme centre de prise en charge des violences sexuelles (CPVS) pour l'arrondissement judiciaire du Hainaut. Le Conseil d'État a décidé d'annuler cette décision car il a estimé qu'il n'existait pas de base légale explicite conférant à l'Institut de compétence formelle pour reconnaître et financer les CPVS, même si celui-ci était fondé sur sa loi organique ainsi que sur les décisions gouvernementales visant le déploiement de ces centres. Entre-temps, la loi du 25 avril 2024 relative aux centres de prise en charge des violences sexuelles est entrée en vigueur le 1 er janvier 2025. Cette loi organise explicitement la reconnaissance, les missions et les financements des CPVS et confie à l'Institut de nouvelles compétences en la matière. Le Conseil d'État a estimé qu'aucune circonstance exceptionnelle ni aucun risque financier disproportionné ne justifiait le maintien des effets de la décision annulée, compte tenu de l'entrée en vigueur de la nouvelle loi CPVS. Il en déduit qu'ordonner le maintien des effets de cet acte pour les 15 jours éventuellement restants ne présenterait que peu d'utilité, vu que l'acte ne devait plus produire d'effets juridiques. En conséquence, la convention en vigueur pour l'année 2025 n'est pas affectée par cet arrêt. Le CPVS de Charleroi peut donc continuer à fonctionner normalement, à accueillir les victimes et à assurer la prise en charge dans les mêmes conditions. Les personnes déjà suivies par le centre ne subissent aucune interruption ni modification de leur accompagnement. Les prochaines étapes s'inscrivent donc dans la mise en œuvre complète du nouveau cadre légal, à savoir la poursuite de l'application de la loi du 26 avril 2024, l'organisation progressive du nouveau régime de reconnaissance et de financement des CPVS, notamment par le biais de l'INAMI, et l'adaptation, le cas échéant, des conventions et modalités de fonctionnement des CPVS existant dans ce nouveau cadre juridique. En conclusion, l'arrêt du Conseil d'État n'entraîne aucune conséquence opérationnelle immédiate pour le CPVS de Charleroi, ni pour son personnel, ni pour les victimes prises en charge. La continuité des soins et l'accessibilité du centre sont pleinement garanties par la législation entrée en vigueur le 1 er janvier 2025 et par la nouvelle convention de subventionnement conclue avec le Comité de l'assurance de l'INAMI. Merci monsieur le ministre pour cette réponse rassurante, tant pour les travailleurs et travailleuses que pour les victimes. De IMC Vrouwenrechten Monsieur le ministre, ce vendredi, 19 mois après les élections, les travaux de la Conférence Interministérielle droits des femmes vont enfin reprendre. Quels sont les points à l'agenda? Quelle thématique prioritaire allez-vous proposer comme sujet de travail à vos partenaires? Par ailleurs, allez-vous entendre l'appel de la société civile qui vous a adressé un courrier et lancé une pétition, pour que le travail autour du "Pack nouveau départ" pour les victimes de violences intrafamiliales soit poursuivi? C'est un travail qui avait été entamé par la précédente CIM et dont les associations appellent la poursuite sous cette législature. Ce sont M. Yves Coppieters et Mme Lydia Klinkenberg qui sont responsables de la première présidence de la CIM et de l'agenda pour cette première période. Cet agenda sera discuté lors de la première réunion du 30 janvier 2026. Il revient à la présidence de la CIM de communiquer sur cet agenda. Lors des réunions, j'insisterai bien sûr sur l'importance d'un engagement fort en faveur des droits des femmes. Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse pour le moins lacunaire. Dix-neuf mois pour organiser une réunion lors de laquelle vous allez discuter de l'agenda… N'y avait-il vraiment pas la possibilité d'échanger des mails ou des notes afin de s'accorder en amont sur le programme de travail qui aurait pu débuter déjà ce vendredi? C'est complètement insuffisant. Je sais que vous n'assurez pas la présidence cette année. Néanmoins, je pense que vous pouvez également agir pour faire en sorte que les travaux de la CIM redémarrent. Une base de travail existe. J'évoquais le "Pack nouveau départ". Ce travail avait été initié sous la précédente législature. Il est toujours sur le métier et il est soutenu par la société civile. C'est du concret. Il me semble donc que toutes les conditions sont réunies pour poursuivre ce travail dès vendredi plutôt que de discuter d'éventuelles priorités pour ensuite se revoir dans trois mois et, peut-être, éventuellement avancer. L'heure presse. Je vous enjoins donc à mettre un peu d'énergie dans cette CIM, qui doit absolument déployer ses effets pendant cette législature. Je vous remercie. De uitbreiding van het recht op abortus Monsieur le ministre, ma question est simple. Votre gouvernement a annoncé, il y a quelques mois, au moment du vote de ma proposition de loi concernant le droit à l’avortement, qu’il y aurait un grand accord entre les différents partis de la majorité sur les dossiers éthiques, en ce compris l’extension du droit à l’avortement, telle que recommandée par les experts. Un calendrier avait été annoncé pour le mois de juin. C’est ambitieux. Pouvez-vous nous dire où en est le travail? Le groupe de travail s’est-il déjà réuni? Quels sujets seront, plus précisément, concernés par cet accord? Je vous remercie. Pour nous, il est essentiel d’avancer rapidement sur les thématiques éthiques qui constituent des enjeux sociétaux majeurs. Pour la plupart des dossiers, ce sont toutefois les services de ma collègue Verlinden, ministre de la Justice, qui sont chargés de la rédaction des textes. Elle est dès lors la mieux placée pour vous informer quant au calendrier envisagé. En tant que ministre de l’ É galité des chances, j’attache une importance particulière à ces dossiers et je veillerai à en assurer un suivi attentif, compte tenu des liens étroits avec mes compétences. L’accès à des soins sûrs et abordables pour l'interruption volontaire de grossesse est, par exemple, primordial, afin de garantir les droits sexuels et reproductifs des femmes et de renforcer l’égalité de genre. Merci pour cette réponse, monsieur le ministre. Je ne manquerai pas d’assurer également le suivi auprès de madame Verlinden. Vous pouvez en être assuré. De oprichting van een universele dienst voor alimentatievorderingen Monsieur le ministre, nous avons déjà abordé cette question plusieurs fois. Je voudrais savoir où en est l'évolution du Service des créances alimentaires (SECAL), ce service qui permet aux mères de récupérer les montants des pensions alimentaires qui ne sont pas payés par leur ex-conjoint. Une étude avait été commandée sous la précédente législature, et des pistes sont contenues dans celle-ci pour mettre en place un véritable service universel de versement des créances alimentaires. Vous m'aviez indiqué que des contacts étaient en cours avec le cabinet du ministre Jambon à ce sujet. J'aimerais donc savoir où en est ce dossier, essentiel dans le contexte de précarisation de la population. En effet, cet outil devrait permettre aux personnes de recouvrer les moyens auxquels elles ont droit et d'avoir davantage de moyens de subsistance pour elles et leurs enfants. Merci madame Schlitz. Dans le cadre du plan de cohésion sociale, des travaux sont déjà en cours en vue de renforcer le Service des créances alimentaires (SECAL) du SPF Finances. L'objectif est d'évoluer vers un système du SECAL élargi et accessible, prévoyant une intervention automatique pour les recouvrements et les payements des pensions alimentaires. Il a également été décidé d'augmenter progressivement les avances. Mon cabinet est associé aux discussions concernant cette réforme et la soutient. Comme déjà expliqué précédemment dans cette commission, j'ai l'intention de poursuivre les discussions à ce sujet avec mon collègue le ministre Jambon dans le cadre du prochain plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre, et ce, dans les prochains mois. Ceci dans le but de garantir le recouvrement des pensions alimentaires, de lutter contre la violence économique par les ex-partenaires et de renforcer l'indépendance financière des femmes et des familles monoparentales. Je vous tiendrai informée de l'évolution éventuelle de ce dossier. Merci monsieur le ministre pour cette réponse ambitieuse. Je suis heureuse que vous mettiez de l'énergie dans ce projet. J'entends le mot "automatique", qui est vraiment la clé de cette réforme du SECAL. Il faut faire en sorte que ces femmes, qui subissent ces non-paiements, ne soient pas en plus contraintes de devoir effectuer elles-mêmes les démarches administratives pour pouvoir récupérer ces montants, sous peine de devoir subir encore des représailles. Toutes les personnes qui ont droit à une pension alimentaire doivent pouvoir bénéficier de cet intermédiaire – violence ou pas, quel que soit le passif dans le couple –, et que ce soit automatique. Cela peut à la fois faire gagner du temps à la justice, faire en sorte que ces personnes aient accès aux ressources dont elles ont besoin et lutter contre les violences économiques. Je pense que vous prenez le bon chemin et je continuerai à vous encourager en ce sens. De uitvoering van de Stop Feminicidewet en het officiële aantal feminicides Monsieur le ministre, j'en arrive à ma dernière question. Lors de notre dernière séance de questions en octobre, vous me répondiez que l’arrêté royal permettant la mise en œuvre de la loi Stop Féminicide était en cours de préparation. Vous indiquiez que vous vous efforciez de mener la procédure de la manière la plus efficace possible afin de permettre une entrée en vigueur rapide de cet arrêté royal. Vous précisiez aussi que l’objectif était que le premier rapport annuel quantitatif, qui permettra d’effectuer un dénombrement officiel des féminicides, soit publié en 2026. Il s’agit d’ailleurs du calendrier prévu par la loi. Monsieur le ministre, cet arrêté royal a-t-il bien été adopté dans les temps? Pensez-vous pouvoir tenir l’engagement d’effectuer le décompte officiel des féminicides pour l’année 2026? Madame Schlitz, je comprends et partage pleinement votre impatience. Comme vous le savez, l’arrêté royal doit être cosigné par les ministres de la Justice et de l’Intérieur. Nous partageons tous trois l’ambition d’aboutir rapidement à un texte final. Cet arrêté royal contient toutefois certaines dispositions très techniques qui doivent être étroitement coordonnées entre les différentes parties si nous voulons obtenir des données de qualité. À ce stade, nous finalisons les discussions textuelles avant de solliciter les avis nécessaires. Notre objectif est bien de disposer d’un premier rapportage dès 2026. Monsieur le ministre, je vous remercie. L’impatience est également celle des associations qui, depuis des années, réalisent bénévolement un décompte des féminicides en épluchant les journaux, les faits divers dans les gazettes locales. Dans un contexte de réduction des moyens des associations, la moindre des choses est que le politique prenne en charge ce décompte des féminicides, dans une perspective de professionnalisation de la collecte des données afin de mieux lutter contre le phénomène. Je pense que nous nous rejoignons tous les deux sur le caractère impérieux de ce besoin. J’entends votre ambition et j’espère que vos collègues de la Justice et de l’Intérieur la partagent également et feront en sorte que nous puissions aboutir rapidement à la mise en œuvre de ce rapport quantitatif. De voorzitster : Vraag nr. 56012890C van Patrick Prévot wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Daarmee sluit ik de vergadering. Hartelijk bedankt iedereen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.44 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 44.

Commissievergadering op 28 januari 2026

🏥 Commissie Gezondheid en Gelijke Kansen

Van 14h00 tot 15h44 (1 uur en 44 minuten)

15 vragen

Voorgezeten door

lijst: MR Hervé Cornillie

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

Het gebruik van het logo van de FOD Justitie/ Gelijke Kansen door gesubsidieerde organisaties

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Alexander Van Hoecke (Vlaams Belang) bekritiseert dat federale subsidies – anders dan in Vlaanderen – niet verplicht zichtbaar zijn via een logo, wat transparantie over belastinggeld ondermijnt, en stelt een verplichte vermelding voor, met name voor organisaties zoals Hand in Hand tegen racisme. Minister Rob Beenders (FOD Justitie) benadrukt dat transparantie al is geregeld via koninklijke besluiten (o.a. vermelding via equal.be of andere middelen), maar wijst een logo-verplichting af en bekritiseert Van Hoecke’s selectieve focus op polemische thema’s. Van Hoecke houdt vol dat de huidige regels onvoldoende zichtbaarheid bieden en eist expliciete communicatie, vergelijkbaar met EU- en Vlaamse praktijken. Beenders houdt stand dat projectgebonden transparantie voldoende is en ontkent dat subsidies hele organisaties dekken.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik heb vandaag een vraag, maar eigenlijk ook een voorstel. Organisaties die subsidies ontvangen van de Vlaamse overheid zijn verplicht om dat kenbaar te maken. In hun communicatie moeten zij op hun website, in publicaties en in algemene communicatie gebruikmaken van het logo van de Vlaamse overheid als ze van diezelfde Vlaamse overheid subsidies ontvangen. Er bestaat ook een internationaal subsidielogo, dat wordt gebruikt in communicatie ten aanzien van een buitenlands publiek.

Die werkwijze zorgt minstens voor iets meer transparantie over de besteding van publieke middelen, van belastinggeld. Ze maakt voor iemand die met zo’n organisatie in aanraking komt ook meteen zichtbaar of die organisatie al dan niet met belastinggeld wordt gesubsidieerd.

Op federaal, op Belgisch niveau, bestaat die verplichting vandaag niet. Bovendien ontvangen heel wat organisaties in het kader van diversiteit, interculturaliteit en gelijkheid van kansen rijkelijk subsidies van zowel de Vlaamse als de federale overheid. Op de website van die organisaties is enkel het logo van de Vlaamse overheid te zien, waardoor we ervan uitgaan dat er alleen belastinggeld van de Vlaamse regering naartoe is gestroomd. Dat is echter niet de realiteit.

Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat er vandaag op federaal niveau geen enkele algemene verplichting bestaat voor gesubsidieerde organisaties om het logo van de betrokken FOD of van de federale overheid te gebruiken in hun communicatie?

Ten tweede, en dat is eigenlijk mijn voorstel, deelt u de mening dat de invoering van een dergelijke verplichting wenselijk zou zijn vanuit het oogpunt van transparantie?

Tot slot, bent u bereid om alvast vanaf vandaag voor organisaties die subsidies ontvangen in het kader van diversiteit, interculturaliteit en gelijke kansen een dergelijke verplichting in te voeren bij de toekenning van subsidies? Bent u vervolgens ook bereid om alle organisaties die vandaag subsidies ontvangen te verplichten het logo van de FOD Justitie te gebruiken? Dat is heel belangrijk, maar wordt wel eens wordt vergeten. Het budget voor die subsidies komt immers uit de begroting van het noodlijdende Justitie, meer bepaald van de dienst Gelijke Kansen.

Rob Beenders:

Mijnheer Van Hoecke, ik kan u bevestigen dat er geen enkele verplichting bestaat, opgenomen in een wet of in een uitvoeringsbesluit, die organisaties die federale subsidies ontvangen ertoe verplicht om systematisch het logo van de federale overheid of van de betrokken FOD op hun communicatiemiddelen te plaatsen. In principe worden de voorwaarden inzake de zichtbaarheid van overheidssteun per geval vastgelegd. In de subsidiebesluiten of in de overeenkomsten die met begunstigden worden gesloten, kunt u al die details nalezen.

Voor subsidies voor gelijke kansen is er wel een bepaling die expliciet erin voorziet dat de federale steun vermeld moet worden via het gebruik van het logo equal.be. Die steun mag echter ook andere vormen aannemen. In het kader van de financieringen die ik toeken, zijn de begunstigden onderworpen aan specifieke verplichtingen die worden vastgesteld in het koninklijk besluit dat elke subsidie regelt. Zo geldt onder meer de verplichting om het publiek te informeren over de financiële steun die in het kader van de subsidie werd ontvangen, in elke communicatie of publicatie.

Die verplichting kan worden nagekomen door het gebruik van een logo of via elk ander middel dat een passende zichtbaarheid waarborgt, waardoor verenigingen een zekere vrijheid behouden. Soortgelijke bepalingen zijn ook vastgelegd in verschillende recente koninklijke besluiten betreffende de structurele financiering van organisaties die actief zijn op het gebied van gelijke kansen, de ondersteuning van LGBTI+-personen en de bestrijding van racisme.

Aangezien die vereiste al geldt voor de subsidies die ik toeken via de dienst Gelijke Kansen van de FOD Justitie en omdat zij bijdraagt tot transparantie en zichtbaarheid van de publieke steun, zie ik geen noodzaak om op mijn niveau nog een extra verplichting in te voeren. Ik ben van oordeel dat de transparantie waarin we voorzien inzake subsidies, gewaarborgd is.

Waar het om gaat, is dat u het belangrijk vindt dat mensen weten dat overheidsgeld gegeven wordt aan organisaties. Ik heb echter uw website bekeken en u vermeldt evenmin dat die wordt gefinancierd met federaal geld. Als u die transparantie wilt doortrekken, moet u dat consequent doen, niet alleen in thema's waar u een polemiek rond wilt voeren. Uw partijdotaties worden ook gebruikt om een website te financieren, nochtans heb ik op uw website nergens het logo van de federale overheid gezien. Misschien is het, als u dat zo belangrijk vindt, aangewezen om ook daar aan transparantie te werken. Ik heb dat alleszins gedaan via mijn koninklijke besluiten in de subsidies die ik toeken.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, om een antwoord te geven op de vraag die u mij stelt: ja, ik vind het heel belangrijk dat er transparant wordt omgesprongen met belastinggeld.

Laat mij die situatie toch nog eens heel kort schetsen. Er worden zowel op federaal als op Vlaams niveau subsidies uitgedeeld aan organisaties die aan politiek doen. Dat is zo. Een voorbeeld is de vzw Hand in Hand tegen racisme. Dat is een organisatie die tips uitdeelt over hoe men een sinterklaasfeest moet verpesten en die trajecten uitwerkt om alle delen van onze samenleving te dekoloniseren. Die organisatie ontvangt belastinggeld van de Vlaamse overheid. De Vlaamse overheid zegt dat wat die organisatie doet heel goed is en wil dat ondersteunen met belastinggeld, maar de Vlaamse overheid zegt daar wel bij – en dat is toch het minste wat men kan doen – dat de organisatie met een logo op de website duidelijk kenbaar moet maken dat ze belastinggeld ontvangt.

De federale overheid geeft ook belastinggeld aan dezelfde organisatie, vzw Hand in Hand tegen racisme. Zij zegt eveneens dat wat die organisatie doet goed is en dat zij dat volledig ondersteunt, maar de federale overheid legt niet op dat dat moet worden meegedeeld. Dat hoeft niet duidelijk te worden gemaakt en niet zo transparant mogelijk op de website worden vermeld, naast het logo van de Vlaamse overheid, dat men ook federaal belastinggeld ontvangt.

Zelfs de Europese Unie vermeldt dat trouwens. Elk project van de Europese Unie geeft duidelijk aan dat het wordt gesponsord met belastinggeld van de Europese belastingbetaler. Het is toch te zot voor woorden dat we zo’n simpele verplichting niet zouden kunnen invoeren.

Begrijp mij niet verkeerd, in een ideale wereld krijgen organisaties zoals Hand in Hand tegen racisme wat mij betreft geen cent belastinggeld. Als u er toch voor kiest om hen te subsidiëren, dan lijkt het mij het minste wat u kunt doen om daar transparant over te communiceren en duidelijk te maken aan mensen die met zo’n organisatie in aanraking komen dat zij ook van u belastinggeld ontvangen.

Rob Beenders:

Mijnheer Van Hoecke, het is niet mijn gewoonte om nog te reageren na een repliek, maar ik heb wel heel duidelijk geantwoord dat er een koninklijk besluit bestaat volgens hetwelk die transparantie moet worden gegarandeerd. U vindt dat dat alleen kan met een logo. Daarover verschillen we van mening. Het feit dat een organisatie transparant moet zijn over het ontvangen van middelen lijkt mij evident, en dat heb ik ook bevestigd.

Het verschil bestaat erin dat transparantie voor u alleen betekent dat een logo zichtbaar is. Daarover verschillen we van mening. U hebt uiteraard zo dadelijk het laatste woord, maar u kunt mij niet in de mond leggen dat ik niet vind dat er transparantie moet zijn wanneer er middelen worden toegekend.

Los daarvan wil ik duiden dat wanneer er middelen naar een organisatie gaan, daaraan volgens de subsidiereglementen voorwaarden en ook projecten aan gekoppeld zijn. Daarnaast kan een organisatie ook aanbevelingen uitschrijven – u noemt het sinterklaasfeest als voorbeeld – met eigen middelen. Wat ik verkeerd vind, maar wat het Vlaams Belang dikwijls doet, is om de gehele werking van een organisatie geheel toe te schrijven als zijnde ondersteund door subsidie. Wij steunen projecten en programma’s. Een organisatie behoudt daarnaast de vrijheid om andere zaken te doen, bijvoorbeeld aanbevelingen formuleren, op basis van eigen middelen.

Het is dus niet correct te stellen dat de dingen die een organisatie doet geheel afhangen van overheidsmiddelen en dat de overheid die organisatie daardoor ook volledig steunt. Wij kennen subsidies toe op basis van projecten. Over die projecten moeten de betrokken organisaties transparantie bieden. Voor het overige kan een organisatie nog heel wat andere activiteiten ontwikkelen.

Het subsidiereglement vormt voor ons de basis en garandeert transparantie.

Voorzitter:

Mijnheer Van Hoecke, de volksvertegenwoordiger heeft altijd het laatste woord.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de voorzitter, sta mij toe eerst aan te geven dat ik het aangenaam vind dat de minister nog kan reageren. Dat is in de commissie voor Justitie, die ik meestal bijwoon, niet het geval. Daar blijft het meestal bij een afgelezen antwoord. Mijnheer de minister, ik wil ingaan op de bestaansmiddelen van een organisatie. U gaat mij niet vertellen dat een organisatie als vzw Hand in Hand tegen racisme veel middelen haalt uit andere bronnen dan overheidssubsidies. U stelt dat ik er bepaalde projecten uitkies. Welnu, ik raad u aan om eens naar die website te surfen. Die hele organisatie draait rond die projecten en net dat wordt door de federale overheid gesubsidieerd. Wat ik aanklaag en wat ik eigenlijk constructief voorstel, is om heel duidelijk te maken, voor iedereen die naar de website van een dergelijke vereniging surft, te kunnen zien dat bepaalde projecten worden gesubsidieerd met federaal belastinggeld. Ik daag u uit om naar die website te surfen en mij te tonen waar heel duidelijk staat dat die organisaties federale subsidies ontvangen, zonder dat bezoekers moet beginnen grasduinen op de website. Dat is immers niet de bedoeling. Wel zie ik meteen het logo van de Vlaamse overheid, dus dat is transparant en duidelijk. Ik onthoud dat u problemen hebt met duidelijke transparantie. Mijn voorstel is heel constructief. Als het van mij afhangt, krijgen dergelijke organisaties geen cent subsidies. Als u dan toch beslist om hen subsidies te geven, is het minste wat u kunt doen, daarover transparant communiceren. Dat is volgens mij in het voordeel van iedereen.

Het evenement Men Having Babies en de gelijkheid van koppels op het gebied van ouderschap

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Hervé Cornillie vraagt naar de stand van zaken rond een Belgisch wettelijk kader voor draagmoederschap (GPA), wijzend op het gebrek eraan dat commerciële initiatieven zoals "Men Having Babies" in de hand werkt en kandidaat-ouders naar het buitenland drijft, met risico’s op misbruik. Minister Beenders (Gelijke Kansen) bevestigt dat de regering werkt aan een altruïstisch, streng gereguleerd kader—gericht op kindbelang, veiligheid voor alle partijen en professionele begeleiding—en belooft spoedige voorstellen in samenwerking met Justitie en Volksgezondheid. Cornillie juicht dit toe en dringt aan op snelle uitvoering van de regeringbelofte, benadrukkend dat GPA gelijke ouderschapsmogelijkheden moet creëren zonder commerciële uitbuiting. Beenders benadrukt dat de tekstvoorbereiding bij Justitie loopt, maar geeft geen concrete timing voor parlementsdebat.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, ma question est peut-être un peu datée mais elle est toujours d'actualité sur le fond.

En novembre 2025 s'est tenu l’événement "Men Having Babies" à Bruxelles, de retour après une période de turbulences et même d'absence. Il s'agit d'un événement durant lequel des hommes peuvent s'enquérir des différentes options pour devenir parents et obtenir tout renseignement utile en vue de réfléchir à ou de concrétiser leur projet de parentalité en vue de former une famille.

Sur la forme, il y a un côté "foire" ou "salon", par essence commercial, pouvant rebuter même les plus progressistes d'entre nous. Personne ne s'étonnera cependant que les conservateurs ou les néo-réactionnaires en tout genre y trouve un argument facile pour ainsi s'opposer et empêcher toute avancée en matière de gestation pour autrui (GPA), qui, pour rappel, est une technique médicale permettant l'égalité en matière de fécondité et bien plus qu'une revendication communautaire, sachant que la GPA concerne majoritairement les couples hétérosexuels.

Comme il n'y a pas de cadre pour la GPA en Belgique, toute source d'information est évidemment la bienvenue pour tous les candidats à la parentalité. Au-delà de cet aspect, si des opérateurs économiques y voient une opportunité pour créer un salon spécifique, n'est-ce finalement pas du fait qu'il n'y a pas de cadre en Belgique? Ils y voient tout simplement un marché, ce qui effectivement peut interpeller.

Monsieur le ministre, le projet de loi relatif à la GPA avance-t-il? Le Parlement fédéral belge aura-t-il l'occasion de débattre d'abord et de se positionner ensuite? Le Parlement a toujours su tenir des débats éthiques de haute qualité. Je ne doute pas un instant qu'il en sera également ainsi pour ce dossier important, sous l'angle, je le rappelle, de l'égalité des couples face à la possibilité d'être parents.

Rob Beenders:

Monsieur Cornillie, je dois dire que je suis complètement d'accord avec vous. L'existence de telles initiatives montre que de nombreuses personnes sont en recherche d'informations sur la gestation pour autrui. Et cela concerne aussi bien les couples qui ne peuvent pas avoir d’enfants que les personnes seules ou les couples LGBTI+. L'absence d'un cadre légal en Belgique dans ce domaine pousse les personnes concernées à chercher d'autres solutions, souvent à l'étranger.

Cette situation est source d'incertitudes et d'insécurité pour de nombreux parents d'intention et conduit souvent à des situations dramatiques. C'est précisément pour cette raison que mon parti plaide depuis longtemps en faveur d'un cadre légal pour la gestation pour autrui en Belgique. Et ce cadre doit garantir une plus grande sécurité tant pour les personnes souhaitant être parents que pour les parents porteurs et l'enfant.

L'intérêt de l'enfant doit toujours primer. En instaurant une réglementation claire assortie de conditions strictes, nous voulons lutter contre les abus et les dérives. La gestation pour autrui doit être altruiste et ne pas être motivée par l'appât du gain. Elle doit être accompagnée de manière professionnelle par les centres de fertilité.

En tant que ministre de l’Égalité des chances, j'accorde en outre une attention particulière aux inégalités et aux difficultés rencontrées par les co-pères. Je me réjouis donc que ce gouvernement ait décidé de mettre enfin en place un tel cadre législatif, auquel je m'attellerai en collaboration avec les ministres de la Santé publique et de la Justice. Actuellement, le SPF Justice travaille sur les textes législatifs. Ceux-ci serviront de base à la poursuite des discussions au sein du gouvernement.

Hervé Cornillie:

Merci, monsieur le ministre. Bien évidemment, j'entends et j'accueille avec satisfaction vos éléments de réponse sur cette question. Je compte sur vous pour insister afin qu'au sein de ce gouvernement les responsables de dossiers éthiques fassent en sorte que ce portefeuille avance. C'est un engagement que le gouvernement a pris dans le cadre de sa déclaration de politique fédérale. Il faut véritablement que nous puissions avancer sur ces dossiers. Je ne doute pas un instant de votre conviction profonde pour ce faire.

Il ne s'agit pas de s'interroger sur la capacité d'hommes ou de femmes à être parents, il s'agit simplement de permettre à tout un chacun de vivre cette expérience, d'avoir plus de familles, plus d'enfants, qui vivent les mêmes défis, les mêmes enjeux, les mêmes difficultés. C'est l’anniversaire de mon fils aujourd’hui, il est dans son lit avec de la fièvre.

Permettons à chacun, grâce au cadre clair que vous avez décrit, de vivre cette expérience, de créer plus de familles, plus de bonheur en Belgique et de ne pas devoir recourir à des agences qui ont une vision commerciale. Pour ma part, j’ai été au Mexique.

Voorzitter:

La question n° 56010198C de Mme Maouane est reportée. Les questions n° 56010422C de Mme Yigit et n° 56010425 de Mme Merckx sont retirées. Présidente: Sarah Schlitz. Voorzitster: Sarah Schlitz.

De jongste cijfers met betrekking tot de loonkloof

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir bekritiseert dat de loonkloof in België (7% gecorrigeerd, 19,5% oncorrigeerd) in 2023 stagnatie vertoont, met name bij vrouwelijke arbeiders in het privé-sector (tot 20% uurloonachterstand) die vaak in precair werk zitten, en vraagt om structurele maatregelen en strengere controles. Minister Rob Beenders erkent het trage tempo van verbetering, wijst op de onderwaardering van vrouwendominante sectoren en belooft transparantie via de EU-richtlijn (deadline juni 2026), waaronder niet-seksistische loonstructuren en verplichte rapportage door werkgevers. Désir betwijfelt of de richtlijn alleen voldoende is en dringt aan op gerichte actie voor kwetsbare groepen, zoals sectoroverleg met privé-arbeidsters. Beide benadrukken de urgentie van concrete stappen beyond symbolische beleidsintenties.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, les chiffres publiés par l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes confirment une réalité qui reste inacceptable. En effet, en 2023, l'écart salarial entre femmes et hommes stagne à 7 % après correction du temps de travail, et grimpe jusqu'à 19,5 % sans cette correction.

Derrière ces moyennes, on voit que ce sont surtout les ouvrières du secteur privé qui continuent de payer le prix fort: près de 20 % de salaire horaire en moins que leurs homologues masculins. Comme l'indique Michel Pasteel, directeur de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes, les ouvrières constituent un groupe particulièrement exposé aux inégalités. Les aides ménagères ou encore les ouvrières de production exercent souvent des emplois précaires à temps partiel et dans des conditions de travail exigeantes. Les salaires modestes accentuent leur vulnérabilité économique.

Monsieur le ministre, comment expliquez-vous que l'écart salarial soit resté stable par rapport à 2022, alors qu'on avait connu différentes baisses continues les années précédentes? Comment expliquez-vous que les travailleuses les plus précaires restent les grandes oubliées des politiques d'égalité? Quelles mesures structurelles comptez-vous prendre pour attaquer les causes profondes de ces inégalités? Enfin, comment le gouvernement entend-il renforcer le contrôle, la transparence et les sanctions en matière d'écarts salariaux, afin que l'égalité ne reste pas un slogan mais devienne une réalité?

Rob Beenders:

Madame Désir, l'écart salarial entre les femmes et les hommes en Belgique s'élève aujourd'hui à 7 %. Ces chiffres confirment une tendance observée depuis plusieurs années. Si l'écart se réduit, il le fait à un rythme trop lent pour espérer atteindre rapidement une véritable égalité salariale. Ces chiffres montrent également que de nombreuses femmes, qui travaillent dans des professions pourtant essentielles au bon fonctionnement de notre société, demeurent particulièrement mal rémunérées. Ces travailleuses sont en outre surreprésentées dans des emplois pénibles, souvent proposés à temps partiel. Ces inégalités illustrent clairement l'un des défis majeurs en matière de réduction de l'écart salarial: progresser vers une plus grande égalité entre les secteurs et mieux valoriser les métiers à prédominance féminine.

Je continuerai à sensibiliser mes collègues compétents en la matière afin de tendre vers une meilleure rémunération de ces secteurs et je travaille avec mes collègues du gouvernement à la transposition de la directive européenne sur la transparence salariale en droit belge. Cette directive, qui doit être transposée pour juin 2026, vise entre autres à renforcer le principe d'égalité de rémunération pour un travail de même valeur, notamment en s'assurant que les employeurs utilisent les structures de rémunération non sexistes. Les employeurs devront également fournir des informations sur l'écart de rémunération au sein de leur organisation.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. On a déjà eu l'occasion d'échanger à propos de la transposition de cette directive lors d'autres questions parlementaires. Nous continuerons évidemment à suivre cela avec attention, puisque cette date butoir de juin 2026 approche. Par ailleurs, comme les ouvrières du secteur privé sont clairement identifiées comme étant celles qui sont le plus victimes de discriminations et d'écarts salariaux, il serait aussi intéressant de se pencher davantage sur leur situation à travers des rencontres avec les secteurs.

De manosphere en het Nationaal Actieplan
De evaluatie van het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld (stavaza)
De evaluatie van het NAP 2021-2025
De opmaak van het nieuwe actieplan in de strijd tegen gendergerelateerd geweld (stavaza)
Het plan tegen gendergerelateerd geweld en de Stop Feminicidewet
Evaluatie en opmaak Nationaal Actieplan tegen gendergerelateerd geweld

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de ontoereikende aanpak van gendergerelateerd geweld, met name digitale misogynie, de manosfeer en technologisch gefaciliteerd geweld (zoals AI-gemanipuleerde beelden en online intimidatie), die volgens Almaci en Yigit leiden tot psychologische schade, normalisering van geweld en een gevoel van machteloosheid bij slachtoffers door gebrek aan handhaving. Minister Beenders bevestigt dat het huidige NAP (2021–2025) voor 72% is uitgevoerd en kondigt een nieuw actieplan aan—met aandacht voor digitale geweldsvormen, samenwerking met deelstaten en een studie naar masculinistisch discours—maar Schlitz en Désir benadrukken dat snelle, gecoördineerde actie en duidelijke budgettaire toezeggingen ontbreken, terwijl Yigit wijst op bezuinigingen bij Justitie die de opvang van slachtoffers en daderbehandeling hypothekeren. Almaci pleit voor strengere wetgeving (o.a. aanpassing art. 150 Grondwet) en effectievere vervolging, omdat huidige regelgeving zoals de Digital Services Act onvoldoende grijpt.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, het NAP 2021–2025 vormt sinds de vorige legislatuur het beleidskader voor de uitvoering van het verdrag van Istanbul in België. Intussen is er heel veel gebeurd, jammer genoeg niet altijd ten goede. We stellen namelijk nieuwe fenomenen in de samenleving vast die bijkomende risico's kunnen inhouden voor de strijd tegen gendergerelateerd geweld. Herinner u de discussie over de manosfeer en er zijn Grok en de Red pillnetwerken, om nog maar te zwijgen van de vaststelling dat mannelijkheidsnormen aan populariteit winnen, of de serie Adolescence .

Het is duidelijk dat een structurele aanpak nodig is. Heel wat rechtenorganisaties, zoals vrouwenrechtenorganisaties, benadrukken het belang van een aanpak van technologisch gefaciliteerd geweld, waarbij dat soort onderliggende normenpatronen die dominantie over vrouwen en geweld tegen vrouwen propageren, alsmaar weeldiger tieren. Het digitale geweld waarmee vrouwen worden geconfronteerd, veroorzaakt zware psychologische schade en heeft de bedoeling hun positie in de samenleving te ondergraven. Bovendien blijkt dat geweld ook een overfloweffect te hebben in de echte wereld. Het onlinedomein beïnvloedt ook alles wat er offline gebeurt. Het werkt door in het dagelijks leven en vergroot de onveiligheid van vrouwen.

Hoe ver staat het met de voorbereidingen voor het NAP?

Zal het nieuwe actieplan digitale fenomenen zoals onlinemisogynie en de manosfeer aanpakken? Welke pistes worden onderzocht om technologisch gefaciliteerd geweld te bestrijden?

In welke mate zullen de aanbevelingen van het Nationale Platform van het Maatschappelijk Middenveld worden geïntegreerd, in het bijzonder met betrekking tot artikel 150 van de Grondwet, zodat geschreven seksistische boodschappen inclusief onlineboodschappen niet de facto straffeloos blijven?

Plant u nieuwe indicatoren rond technologisch gefaciliteerd geweld, onlinemisogynie of mogelijke vormen van radicalisering in de manosfeer?

Was er al overleg met gemeenschappen en gewesten over preventie, onderwijs en mediawijsheid voor het nieuwe actieplan?

Worden federale veiligheids- en cyberdiensten betrokken bij de voorbereiding van het nieuwe NAP, gelet op de toenemende digitale dimensie van gendergerelateerd geweld?

Ik rond af met een anekdote van dichtbij. Onlangs werd een vriendin van mij geconfronteerd met de seksualisering van een foto van haar dochter door een vader van een klasgenoot met behulp van een app. Dergelijke problematische feiten stellen niet alleen heel veel ouders, maar ook jonge meisjes, jonge vrouwen en jongeren tout court voor ernstige uitdagingen. Ook mijn zonen moesten ervaren hoe anderen met dat soort apps leuk aan de slag gaan en hun vragen hoe ze daarmee om moeten gaan.

Als het antwoord telkens is dat men een klacht moet neerleggen bij de politie en men vervolgens merkt dat daar niets mee gebeurt, omdat het geweld nu eenmaal op basis is van een app of een online-instrument, dan is het resultaat een gevoel van machteloosheid, terwijl de problematiek intussen alsmaar ernstiger wordt. Ik verontschuldig mij alvast ik de spreektijd even overschreden heb, maar het probleem is werkelijk overal.

Ayse Yigit:

Minister, ongeveer één op de drie vrouwen krijgt in haar leven te maken met geweld en het probleem nam de voorbije jaren wereldwijd toe. Ook in ons land worden vrouwen en meisjes nog dagelijks geconfronteerd met verschillende vormen van gendergerelateerd geweld. Al te vaak blijven slachtoffers daarbij in de kou staan.

Het Nationaal Actieplan ter bestrijding van gendergerelateerd geweld is in dat verband een cruciaal beleidsinstrument. Dat actieplan liep vorig jaar af en de eindevaluatie wordt momenteel opgemaakt. Verschillende middenveldorganisaties en gespecialiseerde instellingen hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat zowel de ambities als de geplande budgetten onvoldoende zijn om de vooropgestelde doelstellingen daadwerkelijk te realiseren. De oproep tot meer investeringen en meer daadkracht klonk nog luid en duidelijk tijdens de betoging van het platform Mirabal op 23 november in Brussel.

Kunt u kort een stand van zaken geven van de uitvoering van het nationaal actieplan? Welke acties en doelstellingen werden al gerealiseerd en welke zijn in uitvoering? Werd het actieplan 2021-2025 al geëvalueerd? Zo ja, wat zijn de voornaamste conclusies en aanbevelingen? Kunt u de nodige documenten aan het Parlement bezorgen?

Werd ook het schaduwverslag van het Nationaal Platform van het maatschappelijk middenveld geraadpleegd, zoals verplicht volgens het Verdrag van Istanbul? Kan dat verslag gedeeld worden met het Parlement?

Hoe ver staat het met de voorbereidingen voor het nieuwe nationaal actieplan? Wanneer wordt dat verwacht en op welke manier zullen de verschillende overheden en het middenveld erbij betrokken worden?

Zal het toekomstige actieplan maatregelen versterken, dan wel extra maatregelen opleggen gelet op de aanhoudende problematiek van gendergerelateerd geweld? Welke budgettaire middelen worden er vrijgemaakt voor de ontwikkeling en de uitvoering?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous interrogeais déjà sur l’évaluation du plan d’action national contre les violences de genre en octobre dernier, pour savoir d’une part où en était l’évaluation et d’autre part où en est le prochain plan national, parce que les enjeux sont évidemment encore d’actualité.

Vous me répondiez en octobre que l'évaluation du plan d'action 2021-2025 est en cours et qu'elle serait achevée d'ici la fin de l'année – l'année 2025 donc – que l'évaluation définitive serait présentée au Parlement fédéral et discutée avec la plateforme au cours d'une table ronde prévue début 2026, qu'en parallèle la plateforme réalise sa propre évaluation du plan d'action national et qu'à partir de ces éléments, elle rédigera son rapport et proposera des recommandations; et que, concernant le prochain plan d'action, le groupe interdépartemental avait récemment validé une méthodologie et un calendrier et que les travaux pour l'élaboration du prochain plan d'action débuteront au début de l'année prochaine – c'est-à-dire, a priori , maintenant.

Mes questions sont les suivantes. Où en est l'évaluation du plan? A-t-elle bien été réalisée et a-t-elle abouti en fin d'année? Quand la présentation sera-t-elle réalisée au Parlement? Où en sont les travaux pour la réalisation du futur plan? Avez-vous déjà une idée des priorités pour le prochain plan national, au regard des enjeux actuels? Je vous remercie.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, sous la précédente législature, des avancées ont été réalisées en matière de lutte contre les violences liées au genre, notamment avec l'adoption du plan d'action national contre les violences en 2021 et le vote en juin 2024 de la loi Stop Féminicides. Déjà, lors de nos échanges sur votre note d'orientation, vous aviez annoncé votre volonté d'élaborer un nouveau plan, précédé d'une évaluation du plan existant et d'une consultation des parties prenantes.

Monsieur le ministre, pourriez-vous m'indiquer quels travaux ont-ils déjà été menés dans le cadre de l'élaboration du nouveau plan d'action national contre les violences? Quand celui-ci devrait-il être finalisé?

Le GREVIO avait exprimé des inquiétudes quant à la lisibilité des moyens financiers consacrés aux politiques de lutte contre les violences faites aux femmes. Quelles mesures entendez-vous mettre en place pour améliorer la transparence et la lisibilité de ces moyens?

Quel budget ce gouvernement prévoit-il de consacrer à la lutte contre les violences liées au genre dans le cadre du prochain plan d'action?

Enfin, concernant la loi visant à lutter contre les féminicides, le comité scientifique chargé d'analyser les féminicides et les meurtres fondés sur le genre a été installé il y a quelques semaines. Il s'est réuni pour la première fois le 21 novembre dernier. Quel était l'ordre du jour de cette réunion? Comment s'organiseront les travaux de ce comité? Le secteur associatif et la société civile pourront-ils contribuer aux travaux de ce comité? Je vous remercie.

Rob Beenders:

Het verhaal van mevrouw Almaci toont aan hoe actueel en geen ver-van-mijn-bedshow de problematiek wel is.

Het probleem stopt niet aan de Belgische grens; het is ook een Europees issue. Het is tijd voor actie en niet alleen voor plannen. We zetten zeer sterk in op resultaat. Op korte termijn moeten stappen worden gezet. Europa is zeker wanneer het gaat over gendergerelateerd geweld online, een partner om duidelijke lijnen voor eigenaars van platformen, die daarin een zeer grote verantwoordelijkheid dragen, te zetten. Ik heb afgelopen week ook nog overleg gepleegd met Commissaris Lahbib. Een aanpak stopt niet bij de contouren van het nationaal actieplan, maar moet verder gaan.

C’est pour cela que la lutte contre la violence liée au genre exige une approche constante et cohérente, raison pour laquelle la collaboration avec la commissaire Lahbib est essentielle car les solutions sont également à construire au niveau européen.

Le plan d’action national de lutte contre les violences basées sur le genre est un instrument essentiel, vous l’avez dit, pour coordonner les efforts de tous les acteurs concernés, et ce à tous les niveaux politiques.

Het vorige actieplan, dat in werking trad in november 2021, liep af in december 2025. Het leverde vooral belangrijke resultaten op het vlak van preventie, bescherming en ondersteuning van slachtoffers, vervolging, asiel en migratie en het internationale beleid. Bij de tussentijdse evaluatie in 2023 was al meer dan 72% van de maatregelen in uitvoering, onder andere omdat de vorige regering omtrent dat onderwerp belangrijke stappen heeft gezet.

L’évaluation finale est actuellement réalisée par l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes, en collaboration avec le groupe interdépartemental qui réunit des représentants des cabinets et des administrations fédérales ainsi que des entités fédérées. Le rapport final est en cours de finalisation et de validation. Il sera transmis aux parlements concernés dans les mois à venir. Le rapport final est tourné vers l’avenir et formule des recommandations pour le prochain plan d’action national.

Je peux toutefois déjà indiquer qu’il ressort de cette évaluation que le plan d’action national s’avère être un outil de cadre de référence indispensable pour coordonner les efforts de l’ensemble des acteurs impliqués dans la lutte contre la violence basée sur le genre.

Gendergerelateerd geweld blijft een hardnekkig maatschappelijk probleem. Het komende jaar zal ik daarom samen met mijn collega-ministers, ondersteund door het instituut, werk maken van een nieuw, concreet en vooral ambitieus actieplan. We nemen de lessen uit het huidige evaluatiedocument mee, alsook alle aanbevelingen van het Nationaal Platform van het maatschappelijk middenveld. Ook de recente aanbevelingen van GREVIO in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Istanbul zullen een inspiratiebron vormen.

Les discussions concernant le contenu de ce nouveau plan débuteront dans les prochains mois.

En ce qui concerne les budgets, il appartient bien sûr à chaque ministre concerné de prévoir les moyens nécessaires pour les actions relevant de ses compétences. Cela explique pourquoi il est parfois difficile d’établir un aperçu global. Des efforts ont déjà été réalisés pour améliorer la visibilité des montants consacrés à la prévention et à la lutte contre les violences basées sur le genre à tous les niveaux de pouvoir, notamment à travers la comptabilisation des budgets alloués aux différentes mesures du plan.

Bien qu’il soit complexe, cet exercice participe à une meilleure transparence et à une plus grande lisibilité des financements consacrés à la lutte contre les violences basées sur le genre.

Onze samenleving evolueert snel. Door die snelle evolutie zien wij ook dat er alsmaar meer nieuwe vormen van geweld zichtbaarder worden. Digitale technologie speelt daarin een cruciale rol. Ook de opkomst van schadelijke mannelijkheidsnormen en de zogenaamde manosfeer dragen bij tot gendergerelateerde vormen van geweld. Die ontwikkelingen zijn bijzonder zorgwekkend en verdienen onze volle aandacht.

Gendergerelateerd geweld moet ook in de digitale wereld worden bestreden en vereist meer dan ooit een geïntegreerde en gecoördineerde aanpak. Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zal daarom op mijn vraag een onderzoek opstarten naar de verspreiding van masculinistisch discours op sociale media in België. Die studie zal analyseren wat de impact is van het masculinistische discours en de manosfeer op jonge mannen en tieners in het bijzonder in België en voorstellen van concrete acties om dat tegen te gaan, formuleren.

In het kader van het nieuwe nationaal actieplan zullen wij vooral aandacht besteden aan technologie die wordt misbruikt om anderen te controleren, te manipuleren en te kwetsen.

Om gendergerelateerd geweld in al zijn verschijningsvormen te voorkomen en te bestrijden, is coördinatie met de deelstaten alsook met de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken noodzakelijk. Zij maken momenteel allemaal deel uit van de interdepartementale groep die onder meer tot taak heeft het nieuwe nationaal actieplan op te stellen. Het nationaal actieplan vormt het kader voor de samenwerking rond dat thema over de verschillende bevoegdheidsniveaus heen.

Madame Désir, concernant le comité scientifique pour l’analyse des féminicides et des homicides fondés sur le genre, celui-ci a débuté ses travaux à la fin de l’année dernière.

Il s’agit d’un comité indépendant composé de membres du Conseil supérieur de la Justice, du Collège des procureurs généraux, de la police locale et fédérale ainsi que de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes. Dans le cadre de ses activités, le comité peut inviter des témoins et des experts. Pour toute question concernant son fonctionnement, je vous invite à prendre contact avec l’Institut National de Criminalistique et de Criminologie, qui assure la présidence de ce comité.

Meyrem Almaci:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw toelichting. Ik ben blij dat 70 % van de maatregelen uit de vorige legislatuur al in uitvoering is. Dank ook voor de verwijzing naar het goede werk dat onder meer door mevrouw Schlitz in de vorige regering is opgestart. We moeten nu vooral doorzetten en actualiseren. Daarin volg ik u.

Het is goed dat er een onderzoek komt door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Ik worstel wel wat met begrippen als manosfeer en toxische mannelijkheid, omdat ook mannen en jongens hier slachtoffer van zijn. Het hele alfa-betaverhaal, voor wie dat volgt, waarbij een dominante man ook de zogenoemde betamannetjes moet onderdrukken, zorgt ervoor dat iedereen verliest in zo’n samenleving. Het woord wansmakelijk is daarbij nog een understatement.

Naast dat onderzoek denk ik dat we ook ernstig met elkaar moeten spreken over artikel 150 van de Grondwet. Onlineboodschappen zijn niet zoals e-mails of persartikelen. Er is online een hele wereld op zich. Vorige week zijn daarover al bijzonder harde debatten gevoerd, in het kader van de strijd tegen racisme en discriminatie. De schaal waarop het fenomeen zich vandaag manifesteert, internationaal en ook bij ons, leidt overal tot grote debatten, niet alleen in Europa maar ook in de Verenigde Staten.

We moeten bekijken hoe we omgaan met zeer gerichte boodschappen die neerkomen op een normalisering van geweld tegen iedereen die geen alfamannetje is. We moeten nagaan hoe we ons instrumentarium aanpassen aan de tijd waarin we leven. Er is meer nodig dat de vigerende Digital Services Act, die gewoon apps doet verwijderen. De wetgeving moet meer tanden krijgen en degelijke vervolging toelaten. Vandaag staan mensen erbij en kijken ernaar. Ook ik ervaar dat als ouder en zie het in mijn omgeving, zelfs bij zeer flagrante gevallen. Men staat machteloos. We kunnen nog veel onderzoek doen, maar het is die actie, waar we elkaar moeten vinden. Laat dat mijn pleidooi zijn voor vandaag.

Ayse Yigit:

Minister, bedankt voor uw toelichting. Ik kijk uit naar de evaluatie van het actieplan en naar de uitvoerige debatten over de lessen die we daaruit trekken.

De aanpak van gendergerelateerd geweld is inderdaad gelaagd. Het actieplan is het instrument bij uitstek om coherentie te brengen doorheen alle beleidsdomeinen en niveaus. U begrijpt onze bezorgdheid omtrent de vraag of de regering de nodige budgetten op tafel zal leggen om de grote uitdagingen aan te pakken. Veel van de nodige middelen vallen bijvoorbeeld onder Justitie, zoals de behandeling van daders en de steun voor en de bescherming van slachtoffers. Uw collega-minister van Justitie Verlinden vindt echter nauwelijks steun voor de nodige budgetten voor haar departement. We blijven dus bezorgd en daarom zullen we het dossier van nabij volgen. We zullen ook schriftelijk duiding vragen over de budgetten ter zake bij de beleidsdomeinen van uw collega’s.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses. Nous nous situons un peu hors des délais qui avaient été annoncés en octobre. Je n'ai, par ailleurs, aucun doute sur la qualité du travail d'évaluation qui sera réalisé par l'Institut et qui est encore en cours de réalisation, ni sur la collaboration essentielle avec la société civile. Il est évident que cela demande du temps. Je n'ai pas non plus de doutes quant à la pertinence des recommandations qui ressortiront de l'évaluation. C'est évidemment un très bon socle pour l'accomplissement du prochain plan.

À côté de son travail de qualité, l'Institut aura besoin, pour l'accomplissement de son prochain plan, de volontés politiques et d'une force que vous incarnez. Il importe de rassembler tous les ministres concernés par les violences de genre. Nous voyons à quel point, notamment sur le plan numérique, elles continuent de s'enraciner dans les évolutions sociétales. Voici encore quelques semaines, les victimes de l'incendie du bar de la station suisse ont été déshabillées par l'intelligence artificielle. Je pense aussi à d'autres formes de violences sexistes que nous souhaiterions voir révolues, mais qui se perpétuent, à l'instar de ce groupe WhatsApp de la STIB dans lequel des conducteurs s'amusaient à classer le physique de leurs collègues. Ce sont des faits inacceptables qui requièrent une coordination politique entre les différents niveaux de pouvoir, mais également entre les différentes compétences. Vous êtes la personne apte à coordonner ce travail.

Monsieur le ministre, il n'y a plus de temps à perdre pour élaborer un plan d'action ambitieux qui puisse voir rapidement le jour sous cette législature en vue d'un travail coordonné. Je vous remercie.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. Je pense que celle-ci traduit une volonté politique bien réelle dans votre chef de poursuivre cet ambitieux travail de fond entamé sous la précédente législature, notamment par Mme Schlitz. Il va sans dire que l'enjeu est immense, que ce soit en matière de violences faites aux femmes ou de féminicides. On voit effectivement que de nouvelles formes de violences genrées continuent à se développer et nécessitent des réponses sans cesse réinventées, ainsi qu'une coordination optimale entre les différents niveaux de pouvoir. Dès lors, nous nous réjouissons qu’arrive cette étape de finalisation, d'évaluation et bientôt de validation du rapport final. De même, nous nous réjouissons que ce rapport soit bientôt transmis au Parlement pour que nous puissions continuer à faire vivre ces enjeux dans cet hémicycle. Vous avez compris que nous sommes quelques-unes à vous suivre de près sur ces questions et nous continuerons évidemment à le faire. Merci aussi d'avoir répondu à la question de la lisibilité et de la transparence des financements qui avaient été soulevées par le GREVIO. Reste évidemment à savoir si votre gouvernement, monsieur le ministre, traduira ces ambitions politiques en une véritable priorité budgétaire. Nous serons bien attentifs à cela aussi. Je vous remercie.

Homofoob en transfoob geweld in de openbare ruimte

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir wijst op de toename van gewelddadige homo- en transfobe agressies (o.a. groepsgeweld, valse afspraken via datingsapps) en bekritiseert dat Brusselse parketten deze niet systematisch vervolgen, wat volgens haar impuniteit in de hand werkt. Ze vraagt concrete maatregelen en een tijdlijn voor het nieuwe interfederale LGBTQI+-actieplan (met focus op trans- en intersekse rechten), dat het vorige plan (2022-2024) moet opvolgen. Minister Rob Beenders noemt de geweldfeiten "onaanvaardbaar" maar verwijst voor vervolging naar justitie; federale inspanningen richten zich op slachtofferopvang en haatmisdaadregistratie. Hij bevestigt dat het nieuwe plan mei 2026 gelanceerd moet worden, na overleg met gemeenschappen en middenveld, maar geeft nog geen concrete maatregelen. Désir bekritiseert het gebrek aan urgente actie en benadrukt dat angst en onveiligheid bij LGBTQIA+-personen onaanvaardbaar zijn, met name door justitiële tekortkomingen die volgens Unia de escalatie van geweld verergeren.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le 21 novembre dernier, une personne non binaire a été victime d’une agression homophobe et transphobe d’une extrême violence dans la station de métro bruxelloise Beekkant. Cette terrible histoire est loin d’être un cas isolé.

Les associations LGBTQIA+ rappellent que les violences verbales, psychologiques et physiques persistent dans l’espace public et que certaines infractions à caractère homophobe ou transphobe ne sont plus systématiquement poursuivies par le parquet de Bruxelles, ce qui crée inévitablement un sentiment d’impunité.

Monsieur le ministre, sur les 136 dossiers liés à l’orientation sexuelle clôturés l’an dernier par Unia, plus d’un tiers impliquaient des agressions physiques avec coups et blessures ainsi que de graves cas de harcèlement. Ces agressions ont généralement été perpétrées par des hommes jeunes, parfois en groupe, principalement contre d’autres hommes, comme le constatent Unia et l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes. Les deux organismes pointaient également une augmentation manifeste des guet-apens via des applications de rencontre.

Quelles initiatives entendez-vous prendre pour garantir que les agressions homophobes et transphobes soient systématiquement qualifiées et poursuivies comme telles par les parquets, afin de protéger les droits fondamentaux des victimes? Vous aviez indiqué vouloir évaluer le plan d’action pour une Belgique LGBTQI+ friendly , adopté en mai 2022, et préparer un nouveau plan d’action interfédéral qui devrait accorder une attention particulière aux droits des personnes trans et intersexuées. Un calendrier est-il prévu concernant l’élaboration de ce futur plan et les concertations avec la société civile et les entités fédérées? Quelles mesures concrètes envisagez-vous dans ce cadre?

Voorzitster: Ayse Yigit.

Présidente: Ayse Yigit.

Rob Beenders:

Madame Désir, les faits évoqués sont inacceptables, et la lutte contre les violences visant les personnes LGBTI+ est une responsabilité collective. S'agissant des poursuites, je vous renvoie vers les autorités judiciaires compétentes.

Cela étant, le gouvernement fédéral a la responsabilité, dans le cadre de ses compétences, de renforcer la prise en charge des victimes et l'identification des faits à caractère haineux et d'envoyer un message clair contre l'impunité. Ces enjeux seront pris en compte dans les travaux préparatoires du futur plan d'action interfédéral. Le plan fédéral précédent s'est en effet clôturé en 2024 et, dans la continuité, le gouvernement fédéral a réaffirmé son engagement à promouvoir l'égalité des droits des personnes LGBTI+, en reconnaissant la nécessité d'une mobilisation de tous les niveaux de pouvoir.

Le coup d'envoi a été donné en octobre 2025, lors de la première réunion de la Conférence interministérielle Égalité des chances. Les gouvernements qui s'y étaient réunis ont affirmé leur souhait de faire du plan d'action interfédéral LGBTI+ une priorité. Les négociations sont maintenant en cours, l'ambition étant de lancer le plan en mai 2026. Le niveau fédéral apportera une contribution à ce plan. À ce stade, des mesures sont en cours d'élaboration, avec une consultation du milieu associatif et des administrations concernées.

Caroline Désir:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. J'interpellerai peut-être également la ministre de la Justice à ce sujet. Je trouve important que l'on puisse envoyer un signal fort, notamment à la communauté LGBT. De plus en plus de personnes, qu'elles soient homosexuelles, trans, etc., craignent encore de se balader en rue dans certaines villes et communes de notre pays. Cette réalité est inacceptable et des faits aussi graves ne peuvent rester sans suite sur le plan judiciaire, au risque d'envoyer aux personnes concernées un signal terrible en termes de protection et de capacité à vivre en toute sécurité. Je continuerai à suivre cette question avec attention, notamment parce que, lors de notre audition d'Unia, celui-ci nous avait alertés très spécifiquement quant à la recrudescence des cas de violences graves envers la communauté LGBT.

Het decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst in België

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Lydia Mutyebele Ngoi bekritiseert dat België geen concreet plan heeft voor de VN-decennia 2025-2034 tegen racisme en discriminatie van Afro-Belgen, ondanks systematische discriminatie (70% meldt racistische incidenten) en geweld door politie/beveiliging. Ze eist structurele actie, inclusie op de arbeidsmarkt en culturele erkenning, en wijst op falend overheidsvoorbeeld (bv. onderrepresentatie in politiek). Minister Beenders bevestigt dat een interfederaal antiracismeplan (lancering september 2026) en de VN-decennie (start maart 2026) prioriteit zijn, na overleg met Unia, VN-experts en burgers. Hij prijs Mutyebeles inzet en belooft haar betrokkenheid bij de uitvoering.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, la Belgique compte aujourd'hui environ 450 000 personnes originaires d'Afrique subsaharienne. Un an après la fin de la première Décennie internationale des personnes d'ascendance africaine, et à l'aube d'une nouvelle décennie qui doit poursuivre les progrès tardifs permis par la première, la Belgique en demeure étonnamment absente. À ce jour, il semble que la Belgique n'ait préparé aucun plan de soutien concret à la décennie 2025-2034.

Cette décennie offre un cadre d'action mondial de l'ONU axé sur la reconnaissance, la justice et le développement. Elle vise à protéger les droits humains des afrodescendants, lutter contre le racisme et valoriser leur contribution. Un soutien actif est indispensable, dans ce contexte où des initiatives ont été prises tardivement à la fin de la première décennie. Le gouvernement de l'époque avait lancé l'appel à projets "À Nous l'Histoire".

Les discriminations demeurent criantes: 70 % des personnes d'origine subsaharienne disent avoir été victimes de discriminations ou de racisme au travail, un chiffre qui n'a pas évolué depuis 2016. Cette discrimination systémique est manifeste au sein-même de nos institutions, comme l'illustre l'affaire de ce bourgmestre flamand de Aalter, accusé de faire attendre plus longtemps les personnes d'origine étrangère lors de leur enregistrement à la commune. Elle se manifeste également dans l'espace public, y compris lors d'interventions de forces de l'ordre et d'agents.

En août dernier, par exemple, trois femmes noires, dont une dame habitant Vilvorde se prénommant Grace, et deux membres de sa famille, sont violemment interpellées à la gare du Nord par des agents de Securail qui les mettent à terre, les brutalisent sans réel motif. En novembre, un homme noir, Amara, avec son enfant en poussette à ses côtés, a été frappé avec une matraque par des policiers devant des femmes et enfants, encore une fois sans motif valable. En décembre, Adamo a été abattu par balle, dont une dans le dos, par la police namuroise, alors qu'il était en détresse psychologique.

Et, pendant ce temps, les discours d'extrême droite se multiplient et fracturent profondément notre société, en flattant et légitimant les inclinaisons racistes et xénophobes. Les associations de la diaspora africaine en Belgique n'attendent qu'une chose: qu'on leur donne enfin les moyens d'agir et de voir un gouvernement qui défend leurs droits, lutte contre les discriminations qu'elle subit et valorise leur culture et leur patrimoine. Il est temps de transformer les déclarations d'intention en actions courageuses, car l'inaction n'est pas une option.

Mes questions sont les suivantes. Comment expliquez-vous l’absence d’action jusqu’à présent? Quels engagements concrets comptez-vous prendre pour la nouvelle décennie? Pouvez-vous affirmer que cette question constitue une priorité pour votre cabinet? Quand un plan interfédéral de lutte contre le racisme prendra-t-il réellement forme, à l’instar de celui qui a vu le jour en Région bruxelloise? Je vous remercie.

Rob Beenders:

Merci pour votre question, madame Mutyebele. Je vous remercie également, car je reconnais clairement le problème que vous soulevez. Les chiffres restent préoccupants. Unia constate que les signalements liés à des critères raciaux demeurent très importants et l’étude récente de la Fondation Roi Baudouin confirme que les expériences de racisme restent très élevées. Les experts des Nations Unies appellent aussi à des réponses structurelles.

Dans ce contexte, le gouvernement fédéral a clairement inscrit son engagement dans l’accord de gouvernement, à savoir le développement d’un plan d’action interfédéral contre le racisme. C’est dans ce cadre que nous travaillons également à la concrétisation de la nouvelle décennie des Nations Unies en Belgique, en veillant à inclure l’ensemble des communautés d’origine africaine présentes dans notre pays. Depuis mon entrée en fonction, j’ai eu des échanges avec la société civile, ainsi qu’avec les experts des Nations Unies et les chercheurs ayant mené l’étude de la Fondation Roi Baudouin, afin d’intégrer ces enseignements dans ma politique.

L’outil central reste la Conférence interministérielle Égalité des chances et Lutte contre le racisme, lancée en octobre dernier avec les entités fédérées. Dans le cadre de cette Conférence interministérielle, j’ai proposé que le développement du plan d’action contre le racisme constitue une priorité, ce qui a été approuvé. Depuis lors, nous élaborons activement le contenu du plan, dont le lancement est prévu en septembre 2026.

En tant que ministre de l’Égalité des chances, je mets tout en œuvre pour honorer l’engagement pris par la Belgique il y a 20 ans à Durban. Pour la décennie, après une phase préparatoire, nous sommes désormais dans une phase de concrétisation. Le lancement formel est ainsi prévu en mars 2026 et j’espère vous y accueillir.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je suis contente de savoir qu'on va enfin pouvoir lancer un plan interfédéral et qu'on va pouvoir agir, je l'espère, de manière concrète.

Comme vous le savez, le racisme a plusieurs implications. Et, peut-être me direz-vous que ce que je vais vous dire n'a pas de lien avec notre discussion. Mais, dans le cadre de la limitation des allocations de chômage dans le temps, votre collègue, M. Clarinval, a dit que la plupart des personnes au chômage "ne sont pas belges". Moi-même, je ne suis pas belge. Beaucoup de non-Belges, même avec un diplôme universitaire, subissent la discrimination à l'embauche. Ayant un diplôme universitaire, cela m'a pris deux ans avant de trouver du travail. Pourquoi? Parce qu'on n'a jamais lutté activement contre la discrimination à l'embauche pour les personnes issues des minorités. Ceci doit figurer dans votre plan interfédéral.

Lorsque vous lancerez cette deuxième décennie, il faut que la Belgique puisse avoir des actions concrètes, structurelles et claires. Je vous donne un exemple, j'étais échevine de l'Égalité des chances à la Ville de Bruxelles. Qu'ai-je fait? Pour clôturer la décennie des afrodescendants, j'ai mis en place un centre culturel congolais ouvert aux cultures africaines, parce qu'il fallait un lieu d'expression des passions, un lieu où on apprend à lutter contre le racisme parce qu'on connaît la culture de l'autre. Il faut travailler sur des lieux communs où on se rencontre et on apprend à se connaître pour lutter contre le racisme et la xénophobie, encore beaucoup plus présents qu'on ne croit en Belgique.

Quand vous circulez dans les couloirs de notre Parlement, monsieur le ministre, combien de personnes d'ascendance africaine croisez-vous? Savez-vous que c'est la première fois que des personnes d'ascendance africaine sont élues? Si un parti politique n'affiche pas une volonté claire ou si, vous, gouvernement, État, ne montrez pas l'exemple, il ne faut pas s'attendre à ce que les associations ou les sociétés privées puissent lutter contre le racisme. L'exemple doit venir d'en haut et j'espère vraiment que vous continuerez à travailler activement dans ces matières. Je vous remercie.

Rob Beenders:

Madame Mutyebele, ce n'est pas dans mes habitudes de répliquer mais je tiens à vous féliciter pour votre intervention. Je ferai tout mon possible pour que le plan contre le racisme soit prêt en septembre 2026. Je voulais juste vous dire que nous étions partenaires et vous remercier pour tout ce que vous faites. Vous êtes un exemple.

De studie van UCL en Unia over 11 jaar antidiscriminatierechtspraak

Gesteld door

lijst: PTB Ayse Yigit

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ayse Yigit wijst op een UCL/Unia-studie die aantoont dat Belgische rechtbanken in slechts 38% van de discriminatiezaken het slachtoffer gelijk geven – met extreme verschillen per grond (bv. 20,4% bij raciale afkomst vs. ~50% bij gender) – en bekritiseert dat de wetgeving onnvoldoende effectief is, vooral zonder institutionele steun (bv. 70,6% succes met Unia vs. 36,6% alleen). Ze dringt aan op verplichte preventie op de werkvloer, versterkte arbeidsinspectie, proactieve praktijktesten en strengere sancties. Minister Rob Beenders erkent de structurele tekortkomingen (o.a. bewijslast, onderrapportering) en belooft drie actiesporen: (1) interministeriële afspraken via de Conferentie Gelijke Kansen, (2) evaluatie van antidiscriminatiewetten met focus op praktijktesten, en (3) drempelverlaging (beter toegankelijke meldpunten, studie in 2026 naar bewijslastverschuiving). Hij benadrukt wetenschappelijk onderbouwde oplossingen, maar concrete maatregelen blijven nog vaag. Yigit utiliseert het antwoord als "positief signaal", maar houdt de minister scherp aan op snelle implementatie van Unia’s adviezen, met name proactieve praktijktesten en bewijsverlichting voor slachtoffers.

Ayse Yigit:

Geachte minister, uit een recente studie van de UCL, in samenwerking met Unia, na 11 jaar Belgische antidiscriminatierechtspraak, blijkt een bijzonder ontnuchterend beeld.

In amper 38 % van de geanalyseerde uitspraken werd discriminatie daadwerkelijk erkend. Met andere woorden, minder dan een op de twee slachtoffers haalt zijn of haar gelijk voor de rechter. De slaagkansen verschillen bovendien sterk naargelang het discriminatiecriterium.

In dossiers rond genderdiscriminatie krijgt het slachtoffer in ongeveer de helft van de gevallen gelijk, terwijl dat bij discriminatie op basis van raciale of etnische afkomst maar 20,4 % bedraagt. Die cijfers staan in schril contrast met talrijke empirische studies, onder meer op basis van praktijktesten, die aantonen dat discriminatie, in het bijzonder op basis van origine, wijdverspreid blijft op de Belgische arbeidsmarkt. De onderzoekers besluiten dan ook dat de huidige antidiscriminatiewetgeving onvoldoende effectief is om slachtoffers een reële kans op rechtsbescherming te bieden.

Daarnaast onderstreept de studie het belang van collectieve en institutionele ondersteuning. Wanneer bijvoorbeeld Unia betrokken partij is, wordt in 70,6 % van de zaken discriminatie erkend. Bij bijstand door een vakbondsafgevaardigde is dat 64,6 %. Slachtoffers die alleen procederen, behalen in amper 36,6 % van de gevallen een gunstige beslissing.

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de aanbevelingen van Unia en de UCL-onderzoekers, met name de invoering of versterking van een verplicht preventiebeleid tegen discriminatie op de werkvloer, de versterking van de arbeidsinspectiediensten, het voorzien in meer proactieve praktijktesten en de consequente toepassing van sancties bij vastgestelde discriminatie? Welke concrete stappen zult u zetten om de drempels voor slachtoffers te verlagen om discriminatie te melden en juridisch aan te vechten?

Rob Beenders:

Dank u wel voor uw vraag. Ik vind het ook een zeer goede vraag om dit debat in het Parlement te voeren. Ik wil daarbij verwijzen naar de studie die u aanhaalt, omdat die bijzonder waardevol is en voor ons kabinet ook een sterke basis vormt voor het beleid.

We beschikken vandaag over antidiscriminatiewetgeving, maar voor slachtoffers blijft de stap naar gerechtigheid bijzonder moeilijk en complex. Daar mogen we niet blind voor zijn. Mensen die met discriminatie te maken krijgen, moeten zo snel mogelijk stappen kunnen zetten om gehoord te worden en vooral om ervoor te zorgen dat het stopt.

Daarom werken we op verschillende sporen. Een eerste spoor is het werk binnen de interministeriële conferentie Gelijke Kansen en Racismebestrijding. De voorbije maanden zijn daar belangrijke mijlpalen bereikt en we zetten nu de stap naar de verdere ontwikkeling van concrete maatregelen tegen discriminatie. Die vergadering verloopt zeer constructief. Het is belangrijk om vertrouwen te hebben tussen alle bevoegde ministers om echt vooruitgang te boeken. De samenwerking verloopt daar zoals we het willen en dat geeft mij het perspectief dat concrete stappen kunnen worden gezet. Zo kunnen we gelijke toegang tot werk en de strijd tegen discriminatie op de werkvloer duidelijk als prioriteiten naar voren schuiven.

In die voorbereiding nemen we ook de aanbevelingen mee van de Commissie voor de evaluatie van de federale antidiscriminatiewetten, onder meer over verplichte preventie op de werkvloer en de versterking van de arbeidsinspectie. Zodra mijn administratie die voorbereiding heeft afgerond, ga ik hierover in overleg met de collega-ministers om de actieplannen tegen discriminatie concreet vorm te geven.

Een tweede spoor is de evaluatie van de drie federale antidiscriminatiewetten. In aanloop daarnaartoe heeft mijn administratie intussen de follow-up afgerond van de uitvoering van eerdere aanbevelingen. Een van de belangrijkste aanbevelingen betreft discriminatietesten, zoals praktijktesten, mysterycalls en mysteryshoppers. Uit die follow-up blijkt dat deze aanbeveling gedeeltelijk is uitgevoerd. We komen dus dichter bij een doeltreffende toepassing, maar ik vind dat we dit nog moeten versterken.

Een derde en laatste spoor is het verlagen van de drempels voor slachtoffers. Onderrapportering blijft een groot probleem, omdat te veel mensen geen melding doen of onderweg afhaken. Daarom wil ik de meldpunten beter bekend en toegankelijker maken en vereenvoudigen. Tegelijk moeten we het probleem van het verzamelen van bewijsmateriaal aanpakken, zeker bij wervingsprocedures, waar het voor slachtoffers vaak moeilijk is om een vermoeden van discriminatie hard te maken.

Mijn uitgangspunt is duidelijk: beleid moet gebaseerd zijn op feiten en wetenschap. Daarom financiert mijn administratie in 2026 een studie die in kaart brengt welke elementen in de praktijk aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van discriminatie en tot de activering van het mechanisme van de verschuiving van de bewijslast. Het is die studie die moet leiden tot concrete operationele aanbevelingen om het mechanisme beter toe te kunnen passen en de slachtoffers sterker te maken in het afdwingen van hun rechten, in het bijzonder in arbeidsrelaties.

Ayse Yigit:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister, en voor de intentie van uw kabinet om deze waardevolle studie van dichtbij te bekijken en enkele aanbevelingen concreet vorm te geven in het beleid. De onderzoekers geven vele waardevolle inzichten en aanbevelingen, onder meer om de drempels voor juridische bescherming tegen discriminatie te verlagen voor de slachtoffers. Dat de stap om melding te doen voor vele groepen moeilijk blijft, onder meer omdat het vaak moeilijk is bewijzen aan te brengen bij een vermoeden van discriminatie bij een aanwervingsprocedure, is absoluut een aandachtspunt. Het is positief te horen dat ter zake een studie zal volgen. Unia raadt ook het verder implementeren van proactieve praktijktesten aan als instrument om discriminatie te detecteren. Het begeleidt meerdere lokale pilootprojecten. We zullen u blijven aanmoedigen om deze adviezen te implementeren in het beleid.

De afwezigheid van cijfers over de zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nathalie Muylle benadrukt het belang van gedetailleerde cijfers over slachtoffers in zorgcentra na seksueel geweld (leeftijd, aanmeldroute, regio-impact) om de hulpverlening te optimaliseren, maar kritiseert dat de overgang naar Healthdata.be (via Sciensano → RIZIV) nog steeds onbetrouwbare, handmatige data oplevert, wat de uitbouw van nieuwe centra (aangekondigd door Vandenbroucke) bemoeilijkt. Rob Beenders erkent de technische en GDPR-problemen, bevestigt dat de oplossing vertraagd is (eind Q1 2026 verwacht) maar stelt dat structurele financiering en stapsgewijze aanpak (met betrokkenheid van Volksgezondheid) hoop bieden; hij vindt het spijtig maar prioriteit geeft aan een werkend systeem vanaf 2025, ondanks mogelijke menselijke fouten in tussentijdse cijfers. Muylle toont begrip voor de vertraging maar hamert op nodige actie, wijzend op schokkende leeftijdsverschillen (2–82 jaar) en te weinig spontane aanmeldingen (meest via politie), en belooft opvolging via schriftelijke vragen in 2024. Kernpunt: Data-chaos ondermijnt evidence-based beleid, terwijl politieke urgentie (Muylle) en technisch optimisme (Beenders) botsen over de tijdlijn en betrouwbaarheid van rapportage.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, het dossier van de zorgcentra na seksueel geweld ligt mij na aan het hart. Veel mensen, moeders en vaders, werden er al goed geholpen. In de periode 2019-2020 kon ik, na collega Sleurs, uitbreiden naar één zorgcentrum per provincie. Ik blijf opvolgen wat daar gebeurt. Ik heb ook goede contacten met de centra. Ik werd door mevrouw Schlitz en mevrouw Leroy ook heel goed op de hoogte gehouden van de cijfers en de stappen die ter zake werden gezet.

Toen ik vorig jaar bij u de cijfers opvroeg, was ik eigenlijk een beetje verrast door uw antwoord. U zei dat er problemen waren. Wegens de overgang van Sciensano naar Healthdata.be, kon u immers slechts ruwe cijfers geven. U kon geen correcte cijfers geven over het aantal slachtoffers, of het om mannen of vrouwen ging, via welke weg men er terechtkwam, via de politie, rechtstreeks of via derden, of men het slachtoffer kende. Dergelijke zaken zijn belangrijk om te weten, zeker met het oog op de nieuwe centra die minister Vandenbroucke heeft aangekondigd.

Het is belangrijk dat we op basis van de wetenschappelijke cijfers weten wie het doelpubliek is, hoe we hen kunnen helpen, hoe we de hulp kunnen verfijnen. Hoe zit het in de provincies? Waar komen ze vandaan? Wat is de impact van een centrum in de regio? Al die gegevens kunnen bijdragen aan de verdere uitbouw.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? De centra zijn ondertussen ook van het instituut naar het RIZIV gegaan. Hoe is die overgang verlopen? Hoe staat het ondertussen met de data en de rapportage? Zijn de technische problemen opgelost? Kunnen we daarmee verder?

Op basis van de gegevens kunnen we in de nieuwe centra immers ook betere zorg aanbieden. Dat blijft toch de ultieme doelstelling van die centra.

Rob Beenders:

Mevrouw Muylle, doe vooral zo verder en blijf dat dossier op de agenda plaatsen. We zijn hele mooie zaken aan het doen rond de zorgcentra. Het feit dat ze nu gestructureerd gefinancierd worden, toont aan dat het een blijver is. U hebt daar inderdaad heel veel verdienste aan.

Van belang is dat de cijfers in de zorgcentra op een goede manier kunnen worden opgevolgd. Er werd met de allerbeste intenties overgeschakeld op een systeem dat de werklast en werkdruk moeten wegnemen en dubbele rapporteringen moet vermijden. U hebt gevraagd hoe het komt dat er problemen zijn met Healthdata.be en of die ondertussen al opgelost zijn. Het antwoord is: bijna. Bij elk overleg tussen alle organisaties is er iemand aanwezig van het kabinet van de minister van Volksgezondheid en wordt gezocht naar oplossingen om de problemen een voor een technisch aan te pakken. We verwachten dat de cijfers voor elk centrum beschikbaar zullen zijn tegen het einde van het eerste trimester van 2026. Dat betekent dat we er bijna zijn. De overgang naar de nieuwe versie van het registratiesysteem verloopt blijkbaar heel moeilijk. Ik bespaar u alle technische details. Ik betreur het en vind het jammer dat het op die manier is gebeurd, maar het is nu eenmaal zo. Daardoor werden de cijfers gedurende een hele tijd handmatig bijgehouden. We moeten die bijgevolg met de nodige voorzichtigheid interpreteren.

Ik heb opdracht gegeven om in te zetten op de cijfers van 2025, zodat we daarmee verder aan de slag kunnen en voor elk zorgcentrum een gedetailleerd overzicht hebben van de cijfers van vorig jaar. Ik kan echter niet ontkennen dat er misschien menselijke fouten zitten in die cijfers, maar dan is dat maar zo. Het is volgens mij veel belangrijker is om nu aan een oplossing te werken. Aangezien alle problemen een voor een worden aangepakt, ben ik ervan overtuigd dat we binnen een of twee maanden echt van start zullen kunnen gaan met een registratiesysteem dat voor iedereen goed is. Dan heeft men immers de problemen rond GDPR aangepakt, maar ook ervoor gezorgd dat er geen dubbel werk wordt gedaan. Dan kunnen we starten, weliswaar met vertraging, maar ik ben heel hoopvol omdat het traject van de afgelopen maanden bezorgdheden heeft weggenomen. Nog een paar maanden, en dan kunnen we heel goed rapporteren.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is inderdaad spijtig dat we geen correct, volledig beeld hebben van de nieuwe centra, alhoewel zij intern rapporteren. Ik heb daar echter alle begrip voor. Ik zal dat blijven opvolgen en zal wellicht in april of mei een schriftelijke vraag indienen. We kunnen er dan op terugkomen in de commissie om evoluties in de cijfergegevens te bespreken. In onze eigen centrum varieert de leeftijd tussen 2 en 82 jaar. Dat is heel choquerend. Van waar komen de patiënten? Daarin zie ik enorme verschillen. Veel mensen vinden de weg aangestuurd via de politie, nog te weinig aanmeldingen gebeuren spontaan. We kunnen daaruit lessen trekken en verdere stappen zetten, maar ik kom daar zeker nog op terug. De voorzitster : Vraag nr. 56011999C van de heer Van Rooy vervalt aangezien hij afwezig is.

De door de arbeidsinspectie uitgevoerde praktijktesten

Gesteld door

lijst: PTB Ayse Yigit

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Ayse Yigit faalt de Belgische antidiscriminatiewetgeving in het bestrijden van structurele discriminatie op de arbeidsmarkt door een quasi afwezige pakkans, ondanks brede steun voor praktijktesten (bv. mystery calls) als effectief middel—ook erkend door de overheid. Minister Beenders bevestigt zijn steun voor praktijktesten (22 uitgevoerd sinds 2022, vooral bij meldingen over etnische afkomst/gender), maar benadrukt voorzichtigheid om draagvlak niet te ondermijnen; concrete streefcijfers ontbreken, tests volgen enkel na klachten. Yigit bekritiseert dit reactieve beleid als "schuldig verzuim" en pleit—gesteund door Praktijktesten Nu—voor proactief, grootschalig testen (zoals bij voedselveiligheid) en erkenning van tests als bewijsmiddel in rechtszaken (zoals in Frankrijk), ook door middenveldorganisaties. Beenders’ antwoord over regeringsambities blijft vaag.

Ayse Yigit:

We hadden het daarnet al over de ontoereikendheid van de Belgische antidiscriminatiewetgeving om structurele discriminatie op de arbeidsmarkt effectief aan te pakken. Voor werkgevers die mensen geen eerlijke jobkansen bieden vanwege bijvoorbeeld hun origine of leeftijd, blijft de pakkans vandaag immens klein, quasi onbestaand. Nochtans bestaat er brede eensgezindheid bij experts en middenveldorganisaties, zoals Unia en het platform Praktijktesten Nu.

Praktijktesten, onder meer via mysterycalls , mystery visits of mystery mails , zijn wetenschappelijk onderbouwde en doeltreffende instrumenten om discriminatie te detecteren en aan te pakken. Ook de federale overheid erkent het nut daarvan. De arbeidsinspectie beschikt vandaag via artikel 42/1 van het Sociaal Strafwetboek over de bevoegdheid om dergelijke discriminatietesten uit te voeren.

Daarom heb ik hierover een aantal vragen. Ten eerste, hoe werd dit instrument de voorbije vijf jaar concreet ingezet en welke lessen zijn daaruit getrokken? Ten tweede, welke discriminatietesten plant de arbeidsinspectie voor het jaar 2026? Ten derde, kunt u wat meer duidelijkheid geven over de werkwijze? Hoe worden meldingen van mogelijke discriminatie geanalyseerd en op basis van welke criteria wordt beslist om al dan niet een praktijktest uit te voeren?

Tot slot wil ik graag peilen naar uw visie als minister van Gelijke Kansen. Hoe kijkt u naar praktijktesten als beleidsinstrument en bent u van plan om deze tijdens de komende legislatuur verder te verankeren en uit te breiden? Wat is het standpunt van de regering hierover?

Rob Beenders:

Mevrouw Yigit, dank u wel voor uw vraag. Ik begin met uw laatste vraag. Ik wil echt bevestigen dat ik het gebruik van praktijktesten in de strijd tegen discriminatie ondersteun. Ik ben ook vastbesloten om dat verder te zetten. Dat stemt overeen met de ambities van deze regering, ook wat de arbeidsmarkt betreft.

Ik wil wel terugkomen op eerdere discussies die we in deze commissie al hebben gevoerd over praktijktesten, bijvoorbeeld in verband met de situatie in Gent. Ik vind het belangrijk dat we het draagvlak niet onderuithalen en rekening houden met de context. We moeten daar zo correct mogelijk mee omgaan, zodat we dat instrument niet ondergraven.

De arbeidsinspectie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, voortaan TSW genoemd, heeft sinds de aanpassing in april 2022 van het Sociaal Strafwetboek 22 praktijktesten inzake discriminatie uitgevoerd. Dat gebeurde naar aanleiding van 6 objectieve signalen en 16 meldingen of klachten via Unia, via het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM), via de Vlaamse Sociale Inspectie en via het meldpunt van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). De meeste gevallen hadden betrekking op discriminatie op basis van etnische afkomst en op basis van geslacht of gender. Enkele dossiers hadden betrekking op leeftijd en religie.

Twee gendergerelateerde praktijktesten leidden tot aanwijzingen van mogelijke discriminatie. Die dossiers werden overgemaakt aan het arbeidsauditoraat, maar er konden geen concrete vervolgstappen gezet of conclusies getrokken worden. In de andere tests waren er geen aanwijzingen van discriminatie.

TSW is voor het vinden van relevante doelen voor praktijktesten hoofdzakelijk aangewezen op klachten of meldingen. Voor de praktijktesten zijn dan ook geen concrete streefcijfers voor 2026 vastgelegd. De beslissing om een test uit te voeren, is gebaseerd op de vraag of TSW bevoegd is en of het criterium beschermd is door de antidiscriminatiewetgeving. Dan wordt bepaald of een praktijktest aangewezen is, of er een relevante vacature is voor die test.

Zodra er een valabel doel is, wordt een verzoek gericht aan het bevoegde arbeidsauditoraat om de praktijktest te mogen uitvoeren. De resultaten van die test worden vervolgens overgemaakt aan de magistraat, die beslist welke acties er worden ondernomen.

Ayse Yigit:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden en voor het uitspreken van uw waardering voor praktijktesten als instrument. We blijven aanmoedigen om die in te zetten. Ik begrijp dat het vastleggen van streefcijfers niet mogelijk is, maar ze helemaal niet gebruiken zou schuldig verzuim betekenen. Net als het platform Praktijktesten Nu pleiten we ervoor dat overheden ook proactief kunnen testen, zonder voorafgaande melding en op grotere schaal, zodat de pakkans werkelijk stijgt. Dat is vergelijkbaar met voedselveiligheid. Men test niet pas als het helemaal misloopt. De overheid test om de bevolking te beschermen en te verdedigen. Volgens ons is het echt nodig om praktijktesten te laten aanvaarden als bewijsmiddel in rechtszaken, zoals dat in Frankrijk al het geval is sinds 2000, ook wanneer die praktijktesten zijn uitgevoerd door een middenveldorganisatie.

De stavaza m.b.t. het interfederaal actieplan tegen racisme

Gesteld door

lijst: PTB Ayse Yigit

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Beenders bevestigt dat het interfederaal actieplan tegen racisme – na 25 jaar uitstel – nu concreet in uitvoering is, met een deadline in september 2026, dankzij een nieuwe, goedgekeurde methodologie en betere interfederale samenwerking. Hij erkent kritiek op de traagheid, wijt die aan eerdere structurele falen en belooft budgettaire middelen en middenveldconsultatie (eerste ronde al afgehandeld), maar concrete maatregelen en financiële garanties ontbreken nog. Yigit prijst de vooruitgang (o.a. interministerieel overleg), maar bekritiseert dat het blijft steken in "intenties en processen" zonder zichtbaar ontwerp, duidelijke doelstellingen of uitvoeringsborging, en benadrukt dat geloofwaardigheid verantwoordelijkheidsverdeling en meetbare actie vereist.

Ayse Yigit:

Mijnheer de minister, België heeft zich op meerdere internationale fora en meer recent binnen het regeerakkoord en uw beleidsverklaring geëngageerd om te komen tot een interfederaal nationaal actieplan tegen racisme. Dat plan moet een gecoördineerd en structureel antwoord bieden op racisme, xenofobie, antisemitisme en islamofobie.

Dat actieplan laat al twintig jaar op zich wachten, stellen we vast, en er bestaat nog steeds onduidelijkheid over de concrete inhoud, de timing en de middelen. Tegelijk wil ik erkennen dat er wel degelijk stappen zijn gezet. Ik heb begrepen dat er in november een interministeriële conferentie over handicap en racisme heeft plaatsgevonden en dat de deelstaten intussen wel gestart zijn met de werkzaamheden. Dat zijn natuurlijk belangrijke ontwikkelingen, maar ze roepen ook nieuwe vragen op.

Mijnheer de minister, kunt u ons informeren over huidige stand van zaken van de uitwerking van het interfederaal nationaal actieplan tegen racisme? Hoe verloopt de samenwerking tussen de overheden en beleidsniveaus en hoe wordt dat gecoördineerd? Hoe ver staat elke gemeenschap met de voorbereidingen?

Ten tweede, wanneer mogen we een eerste ontwerptekst van het nationaal actieplan verwachten? Is er vandaag een duidelijke tijdlijn voor de goedkeuring en de uitvoering?

Ten derde, welke middelen worden voorzien om dat plan niet alleen uit te tekenen, maar ook effectief uit te voeren?

Ten vierde, hoe wordt het middenveld, en in het bijzonder de gemeenschappen die racisme ervaren, structureel betrokken? Ik heb begrepen dat er binnenkort een overleg plaatsvindt tussen uw administratie en het middenveld. Wat zult u hen voorleggen?

Tot slot, hoe verklaart u de trage vooruitgang? Welke initiatieven zult u nemen om het proces te versnellen?

Rob Beenders:

Mevrouw Yigit, ik zal ook nu met uw laatste vraag beginnen. Ik hoop dat u met de aanhoudende vertraging bedoelt dat er al 25 jaar geen plan is, want ik ben echt vanaf dag één gestart met de opmaak van het plan.

Ik geef wel aan dat ik eerst een stap terug gezet heb, om te leren waarom het in het verleden niet gelukt is. Elke legislatuur zei men dat men zo’n actieplan wilde hebben, maar het kwam er nooit van. Ik vond het dus heel belangrijk, toen ik startte als minister, om te begrijpen waarom dat plan er nooit kwam. Toen bleek eigenlijk dat de methodologie om het plan met de deelstaten te maken, niet echt goed was. In het begin van deze legislatuur ben ik daarom gestart met te werken aan een structuur en een methodologie met de deelstaten, om er vervolgens met heel sterke fundamenten zeker van te zijn dat het plan er komt. Die methodologie is inmiddels goedgekeurd door de interministeriële conferentie Gelijke Kansen. Alle leden zeggen nu dat ze het plan zullen afwerken en zijn het erover eens hoe ze zullen werken. Dat is echt een heel belangrijke stap.

Ik begrijp dat het misschien heel log overkomt, maar als men moet werken met zoveel ministers, moet iedereen het erover eens zijn hoe gewerkt zal worden en wat het einddoel is. Dat is gelukt. Ik meen oprecht dat ik alle collega-ministers van de interministeriële conferentie wil bedanken voor het zetten van die stap, want nu konden we effectief starten met de uitvoering van het plan.

We zitten nu in de fase van operationalisering. Dat betekent dat we de goedgekeurde methodologie omzetten in concrete maatregelen. We voorzien daarbij meer samenwerking met het middenveld. Federaal vind ik het heel belangrijk dat we het middenveld erbij betrekken. De eerste consultatieronde heeft al plaatsgevonden.

Ik zal aan het stuur blijven zitten, maar het is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle regio’s. Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt om het plan te lanceren in september 2026. Dat is de datum waarop we het willen afronden.

Op dit moment ben ik in de budgetten aan het bekijken hoe we die optimaal kunnen inzetten, hoe we ze kunnen vrijmaken met het oog op de acties die in het plan staan. Als het in september klaar zal zijn, dan is dat in deze legislatuur snel; dat meen ik oprecht. Ik begrijp echter uw bezorgdheid, want het had er al veel lange moeten zijn, omdat er in de voorbije 25 jaar niets was. Ik probeer heel hard te werken om het in september klaar te hebben. Die ambitie blijft overeind.

Ayse Yigit:

Mijnheer de minister, hartelijk dank voor uw antwoord en voor het bevestigen van een concrete deadline, namelijk september van dit jaar. Ik hoor dat er verschillende stappen zijn gezet. Er heeft een overleg plaatsgevonden en verschillende beleidsniveaus hebben stappen gezet. Dat is uiteraard positief. Die inspanningen wil ik ook absoluut erkennen. Tegelijk blijft het beeld vandaag vooral dat van intenties en processen. Wat nog altijd ontbreekt, zijn duidelijkheid en het eerste ontwerp van actieplannen en garanties over de middelen en de uitvoering, want racisme is geen abstract probleem. Een interfederaal actieplan is alleen geloofwaardig als het duidelijke doelstellingen bevat met verantwoordelijkheid en een opvolging op elk beleidsniveau.

De vernietiging van de aanwijzing van het CHU van Charleroi als ZSG

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz vraagt naar de gevolgen van de annulering door de Raad van State (15/12/2025) van de erkenning van het CHU Charleroi als CPVS (centrum voor slachtoffers van seksueel geweld) in Hainaut, na een beroep van het Grand Hôpital de Charleroi, en benadrukt de risico’s voor lopende zorg en toekomstige slachtoffers. Minister Rob Beenders stelt dat de annulering geen directe operationele impact heeft, omdat de nieuwe CPVS-wet (2024, in werking sinds 01/01/2025) de erkenning en financiering nu regelt; het centrum blijft functioneren en patiënten behouden ononderbroken zorg. Schlitz reageert opgelucht over de garanties voor personeel en slachtoffers.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous ai introduit une question au sujet de la décision du 15 décembre 2025 par laquelle le Conseil d'État a annulé la décision prise par le conseil d'administration de l’IEFH qui avait désigné le CHU de Charleroi comme CPVS pour l'arrondissement judiciaire du Hainaut, suite au recours introduit par le candidat débouté, le Grand Hôpital de Charleroi.

Par une requête introduite le 13 janvier 2021, la partie requérante demandait l’annulation de la délibération de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes datée du 18 novembre 2020, notifiée le 23 novembre 2020, refusant de reconnaître le Grand Hôpital de Charleroi comme centre de prise en charge des violences sexuelles pour l’arrondissement judiciaire du Hainaut et désignant le CHU de Charleroi comme candidat premier classé.

Dans l'intervalle, les investissements, les travaux et les recrutements visant à ouvrir le CPVS ont eu lieu. Le CPVS a d’ailleurs ouvert ses portes le 15 novembre 2021. Des campagnes de communication ont été lancées pour informer les victimes, les partenaires, les professionnels de première ligne de l’existence du CPVS et de sa localisation.

Je ne dois pas vous apprendre que les CPVS jouent un rôle essentiel dans la prise en charge des personnes victimes de violences sexuelles. Depuis l'ouverture des premiers centres en 2017, 8 230 victimes s'y sont présentées, soit environ 131 personnes par mois. C’est un outil essentiel dans l’accompagnement des victimes de violences sexuelles. Il est donc extrêmement important de pouvoir maintenir un outil de cette nature.

Je m'interroge sur l'impact de cette décision sur les travailleurs et travailleuses du centre, ainsi que sur les victimes de violences sexuelles futures, mais également celles qui sont actuellement suivies dans le centre, par exemple pour un suivi psychologique.

Monsieur le ministre, dans l'immédiat, quelles sont les conséquences sur le fonctionnement du CPVS et son accessibilité pour les victimes? Qu'en est-il des personnes déjà prises en charge dans le centre? Quelles sont les prochaines étapes dans ce dossier? Je vous remercie.

Rob Beenders:

Merci, madame Schlitz. L'arrêt du Conseil d'État du 15 décembre 2025 porte sur la légalité de la décision de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes du 18 novembre 2020, par laquelle le CHU de Charleroi avait été désigné comme centre de prise en charge des violences sexuelles (CPVS) pour l'arrondissement judiciaire du Hainaut.

Le Conseil d'État a décidé d'annuler cette décision car il a estimé qu'il n'existait pas de base légale explicite conférant à l'Institut de compétence formelle pour reconnaître et financer les CPVS, même si celui-ci était fondé sur sa loi organique ainsi que sur les décisions gouvernementales visant le déploiement de ces centres. Entre-temps, la loi du 25 avril 2024 relative aux centres de prise en charge des violences sexuelles est entrée en vigueur le 1 er janvier 2025. Cette loi organise explicitement la reconnaissance, les missions et les financements des CPVS et confie à l'Institut de nouvelles compétences en la matière.

Le Conseil d'État a estimé qu'aucune circonstance exceptionnelle ni aucun risque financier disproportionné ne justifiait le maintien des effets de la décision annulée, compte tenu de l'entrée en vigueur de la nouvelle loi CPVS. Il en déduit qu'ordonner le maintien des effets de cet acte pour les 15 jours éventuellement restants ne présenterait que peu d'utilité, vu que l'acte ne devait plus produire d'effets juridiques. En conséquence, la convention en vigueur pour l'année 2025 n'est pas affectée par cet arrêt.

Le CPVS de Charleroi peut donc continuer à fonctionner normalement, à accueillir les victimes et à assurer la prise en charge dans les mêmes conditions. Les personnes déjà suivies par le centre ne subissent aucune interruption ni modification de leur accompagnement.

Les prochaines étapes s'inscrivent donc dans la mise en œuvre complète du nouveau cadre légal, à savoir la poursuite de l'application de la loi du 26 avril 2024, l'organisation progressive du nouveau régime de reconnaissance et de financement des CPVS, notamment par le biais de l'INAMI, et l'adaptation, le cas échéant, des conventions et modalités de fonctionnement des CPVS existant dans ce nouveau cadre juridique.

En conclusion, l'arrêt du Conseil d'État n'entraîne aucune conséquence opérationnelle immédiate pour le CPVS de Charleroi, ni pour son personnel, ni pour les victimes prises en charge. La continuité des soins et l'accessibilité du centre sont pleinement garanties par la législation entrée en vigueur le 1 er janvier 2025 et par la nouvelle convention de subventionnement conclue avec le Comité de l'assurance de l'INAMI.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le ministre pour cette réponse rassurante, tant pour les travailleurs et travailleuses que pour les victimes.

De IMC Vrouwenrechten

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz bekritiseert de traagheid van de heropstart van de Interministeriële Conferentie Vrouwenrechten na 19 maanden stilstand en vraagt waarom het "Pack nouveau départ" (steun voor slachtoffers van intrafamiliaal geweld) – een concreet dossier uit de vorige legislatuur, gesteund door maatschappelijke organisaties – niet onmiddellijk wordt opgepakt in plaats van eerst een agenda te bespreken. Minister Rob Beenders wijst de verantwoordelijkheid voor de agenda toe aan de huidige CIM-voorzitters (Yves Coppieters en Lydia Klinkenberg) en belooft persoonlijk in te zetten voor krachtig vrouwenrechtenbeleid, zonder concrete actie te beloven. Schlitz noemt zijn antwoord "onvoldoende" en eist meer urgentie, benadrukkend dat de bestaande basis (het "Pack") direct had kunnen worden voortgezet in plaats van uitstel tot na de agendabepaling op 30 januari 2026.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, ce vendredi, 19 mois après les élections, les travaux de la Conférence Interministérielle droits des femmes vont enfin reprendre.

Quels sont les points à l'agenda? Quelle thématique prioritaire allez-vous proposer comme sujet de travail à vos partenaires? Par ailleurs, allez-vous entendre l'appel de la société civile qui vous a adressé un courrier et lancé une pétition, pour que le travail autour du "Pack nouveau départ" pour les victimes de violences intrafamiliales soit poursuivi? C'est un travail qui avait été entamé par la précédente CIM et dont les associations appellent la poursuite sous cette législature.

Rob Beenders:

Ce sont M. Yves Coppieters et Mme Lydia Klinkenberg qui sont responsables de la première présidence de la CIM et de l'agenda pour cette première période. Cet agenda sera discuté lors de la première réunion du 30 janvier 2026. Il revient à la présidence de la CIM de communiquer sur cet agenda. Lors des réunions, j'insisterai bien sûr sur l'importance d'un engagement fort en faveur des droits des femmes.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse pour le moins lacunaire. Dix-neuf mois pour organiser une réunion lors de laquelle vous allez discuter de l'agenda… N'y avait-il vraiment pas la possibilité d'échanger des mails ou des notes afin de s'accorder en amont sur le programme de travail qui aurait pu débuter déjà ce vendredi? C'est complètement insuffisant. Je sais que vous n'assurez pas la présidence cette année. Néanmoins, je pense que vous pouvez également agir pour faire en sorte que les travaux de la CIM redémarrent. Une base de travail existe. J'évoquais le "Pack nouveau départ". Ce travail avait été initié sous la précédente législature. Il est toujours sur le métier et il est soutenu par la société civile. C'est du concret. Il me semble donc que toutes les conditions sont réunies pour poursuivre ce travail dès vendredi plutôt que de discuter d'éventuelles priorités pour ensuite se revoir dans trois mois et, peut-être, éventuellement avancer. L'heure presse. Je vous enjoins donc à mettre un peu d'énergie dans cette CIM, qui doit absolument déployer ses effets pendant cette législature. Je vous remercie.

De uitbreiding van het recht op abortus

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz vraagt om een update over de beloofde brede akkoorden binnen de meerderheid over ethische dossiers, met name de uitbreiding van abortusrechten zoals door experts aanbevolen, en het aangekondigde tijdschema voor juni. Minister Rob Beenders wijst de verantwoordelijkheid grotendeels toe aan justitieminister Verlinden (tekstontwerp en planning), maar benadrukt als minister van Gelijke Kansen het belang van veilige, betaalbare abortuszorg voor vrouwenrechten en gendergelijkheid. Schlitz belooft kritisch opvolging bij Verlinden, zonder verdere reactie op Beenders' standpunt. De concrete voortgang en inhoud van het akkoord blijven onduidelijk.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, ma question est simple. Votre gouvernement a annoncé, il y a quelques mois, au moment du vote de ma proposition de loi concernant le droit à l’avortement, qu’il y aurait un grand accord entre les différents partis de la majorité sur les dossiers éthiques, en ce compris l’extension du droit à l’avortement, telle que recommandée par les experts.

Un calendrier avait été annoncé pour le mois de juin. C’est ambitieux. Pouvez-vous nous dire où en est le travail? Le groupe de travail s’est-il déjà réuni? Quels sujets seront, plus précisément, concernés par cet accord? Je vous remercie.

Rob Beenders:

Pour nous, il est essentiel d’avancer rapidement sur les thématiques éthiques qui constituent des enjeux sociétaux majeurs. Pour la plupart des dossiers, ce sont toutefois les services de ma collègue Verlinden, ministre de la Justice, qui sont chargés de la rédaction des textes. Elle est dès lors la mieux placée pour vous informer quant au calendrier envisagé.

En tant que ministre de l’ É galité des chances, j’attache une importance particulière à ces dossiers et je veillerai à en assurer un suivi attentif, compte tenu des liens étroits avec mes compétences. L’accès à des soins sûrs et abordables pour l'interruption volontaire de grossesse est, par exemple, primordial, afin de garantir les droits sexuels et reproductifs des femmes et de renforcer l’égalité de genre.

Sarah Schlitz:

Merci pour cette réponse, monsieur le ministre. Je ne manquerai pas d’assurer également le suivi auprès de madame Verlinden. Vous pouvez en être assuré.

De oprichting van een universele dienst voor alimentatievorderingen

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz vraagt om een update over de hervorming van SECAL (Service des créances alimentaires), een systeem om automatische uitkering van niet-betaalde alimentatie af te dwingen, en benadrukt het belang ervan voor financiële onafhankelijkheid van alleenstaande ouders en bestrijding van economisch geweld. Minister Rob Beenders bevestigt dat er binnen het plan cohésion sociale gewerkt wordt aan een geautomatiseerd, universeel systeem met stapsgewijze verhoging van voorschotten, in overleg met minister Jambon, gekoppeld aan het volgende actieplan gendergerelateerd geweld. Schlitz prijst het automatiseringsvoorstel als cruciaal om administratieve lasten en represailles voor vrouwen te voorkomen en roept op tot een algemene toegang zonder voorwaarden zoals geweldshistorie. Ze steunt Beenders’ aanpak, die volgens haar justitiële efficiëntie en economische veiligheid combineert.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, nous avons déjà abordé cette question plusieurs fois. Je voudrais savoir où en est l'évolution du Service des créances alimentaires (SECAL), ce service qui permet aux mères de récupérer les montants des pensions alimentaires qui ne sont pas payés par leur ex-conjoint. Une étude avait été commandée sous la précédente législature, et des pistes sont contenues dans celle-ci pour mettre en place un véritable service universel de versement des créances alimentaires.

Vous m'aviez indiqué que des contacts étaient en cours avec le cabinet du ministre Jambon à ce sujet. J'aimerais donc savoir où en est ce dossier, essentiel dans le contexte de précarisation de la population. En effet, cet outil devrait permettre aux personnes de recouvrer les moyens auxquels elles ont droit et d'avoir davantage de moyens de subsistance pour elles et leurs enfants.

Rob Beenders:

Merci madame Schlitz. Dans le cadre du plan de cohésion sociale, des travaux sont déjà en cours en vue de renforcer le Service des créances alimentaires (SECAL) du SPF Finances. L'objectif est d'évoluer vers un système du SECAL élargi et accessible, prévoyant une intervention automatique pour les recouvrements et les payements des pensions alimentaires. Il a également été décidé d'augmenter progressivement les avances. Mon cabinet est associé aux discussions concernant cette réforme et la soutient.

Comme déjà expliqué précédemment dans cette commission, j'ai l'intention de poursuivre les discussions à ce sujet avec mon collègue le ministre Jambon dans le cadre du prochain plan d'action national de lutte contre les violences basées sur le genre, et ce, dans les prochains mois. Ceci dans le but de garantir le recouvrement des pensions alimentaires, de lutter contre la violence économique par les ex-partenaires et de renforcer l'indépendance financière des femmes et des familles monoparentales. Je vous tiendrai informée de l'évolution éventuelle de ce dossier.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le ministre pour cette réponse ambitieuse. Je suis heureuse que vous mettiez de l'énergie dans ce projet. J'entends le mot "automatique", qui est vraiment la clé de cette réforme du SECAL. Il faut faire en sorte que ces femmes, qui subissent ces non-paiements, ne soient pas en plus contraintes de devoir effectuer elles-mêmes les démarches administratives pour pouvoir récupérer ces montants, sous peine de devoir subir encore des représailles. Toutes les personnes qui ont droit à une pension alimentaire doivent pouvoir bénéficier de cet intermédiaire – violence ou pas, quel que soit le passif dans le couple –, et que ce soit automatique. Cela peut à la fois faire gagner du temps à la justice, faire en sorte que ces personnes aient accès aux ressources dont elles ont besoin et lutter contre les violences économiques. Je pense que vous prenez le bon chemin et je continuerai à vous encourager en ce sens.

De uitvoering van de Stop Feminicidewet en het officiële aantal feminicides

Gesteld aan

Vooruit Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz vraagt of het belofte arrêté royal voor de uitvoering van de Wet Stop Féminicide—dat in oktober 2023 nog "in voorbereiding" was—intussen is goedgekeurd en of de officiële telling van feminicides tegen 2026 (zoals de wet voorschrijft) haalbaar blijft. Minister Rob Beenders bevestigt dat de tekst nog in technische onderhandelingen zit tussen Justitie en Binnenlandse Zaken, maar herhaalt de ambitie om de eerste rapportage in 2026 af te leveren. Schlitz kritiseert de vertraging en benadrukt dat maatschappelijke organisaties al jaren onbetaald deze telling doen, terwijl de overheid—ondanks bezuinigingen op hun middelen—nu professionalisering en politieke verantwoordelijkheid moet tonen. Beenders erkent de urgentie, maar wijst op de noodzaak van kwalitatieve datacoördinatie tussen departementen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, j'en arrive à ma dernière question. Lors de notre dernière séance de questions en octobre, vous me répondiez que l’arrêté royal permettant la mise en œuvre de la loi Stop Féminicide était en cours de préparation. Vous indiquiez que vous vous efforciez de mener la procédure de la manière la plus efficace possible afin de permettre une entrée en vigueur rapide de cet arrêté royal. Vous précisiez aussi que l’objectif était que le premier rapport annuel quantitatif, qui permettra d’effectuer un dénombrement officiel des féminicides, soit publié en 2026. Il s’agit d’ailleurs du calendrier prévu par la loi.

Monsieur le ministre, cet arrêté royal a-t-il bien été adopté dans les temps? Pensez-vous pouvoir tenir l’engagement d’effectuer le décompte officiel des féminicides pour l’année 2026?

Rob Beenders:

Madame Schlitz, je comprends et partage pleinement votre impatience. Comme vous le savez, l’arrêté royal doit être cosigné par les ministres de la Justice et de l’Intérieur. Nous partageons tous trois l’ambition d’aboutir rapidement à un texte final. Cet arrêté royal contient toutefois certaines dispositions très techniques qui doivent être étroitement coordonnées entre les différentes parties si nous voulons obtenir des données de qualité.

À ce stade, nous finalisons les discussions textuelles avant de solliciter les avis nécessaires. Notre objectif est bien de disposer d’un premier rapportage dès 2026.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie. L’impatience est également celle des associations qui, depuis des années, réalisent bénévolement un décompte des féminicides en épluchant les journaux, les faits divers dans les gazettes locales. Dans un contexte de réduction des moyens des associations, la moindre des choses est que le politique prenne en charge ce décompte des féminicides, dans une perspective de professionnalisation de la collecte des données afin de mieux lutter contre le phénomène. Je pense que nous nous rejoignons tous les deux sur le caractère impérieux de ce besoin. J’entends votre ambition et j’espère que vos collègues de la Justice et de l’Intérieur la partagent également et feront en sorte que nous puissions aboutir rapidement à la mise en œuvre de ce rapport quantitatif. De voorzitster : Vraag nr. 56012890C van Patrick Prévot wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Daarmee sluit ik de vergadering. Hartelijk bedankt iedereen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.44 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 44.

Popover content