meeting-commission
De toenemende controles en rechtsonzekerheid bij het nieuwe btw-regime voor sloop en heropbouw Mijnheer de minister, mijn vraag betreft de sloop en heropbouw. Die nieuwe regeling ging in op 1 juli. Die is een succes. Wij juichen dat vanuit de oppositie toe. Onze felicitaties daarvoor. Het is uiteraard een goede zaak voor de gezinnen, maar ook voor de bouwsector, want we lezen in De Tijd dat er toch een lichte remonte is in de bouwsector, onder meer dankzij die maatregel. Op het terrein hoor ik dat er toch wel wat problemen zijn. Dat is evident met een nieuwe regeling. Zo zijn er blijkbaar steeds meer controles door de fiscus op de naleving van de voorwaarden. Als men die voorwaarden niet respecteert, riskeert men een btw-verhoging van 6 % naar 21 %, dus 15 procentpunt extra, boven op boetes en intresten. Mijn vraag dateert van oktober 2025. Blijkbaar waren op dat moment de noodzakelijke modeldocumenten voor de btw-verklaring nog steeds niet beschikbaar. Verder bestaat er heel wat discussie over wat bewoonbare oppervlakte is. Er geldt immers een maximum van 175 of 150 m 2 . Ook over de behandeling van zolders en burelen zouden uiteenlopende lezingen bestaan. Ik heb hier vier vragen over. Ten eerste, bevestigt u dat de btw-diensten sinds de zomer intensiever controleren op het nieuwe regime van sloop en heropbouw? Hoeveel dossiers zijn er sinds 1 juli gecontroleerd of geviseerd? Ten tweede, erkent u dat het gebrek aan modeldocumenten in oktober 2025 – het kan intussen gewijzigd zijn - voor problemen zorgde? Zijn die documenten inmiddels gepubliceerd en gecommuniceerd? Ten derde, overweegt u een overgangsperiode of een soepelere toepassing zolang de nodige uitvoeringsrichtlijnen ontbreken? Zult u duidelijke administratieve instructies laten publiceren, onder meer over de berekening van de bewoonbare oppervlakte, het bezit van blote eigendom en de wijziging van bestemming van verhuur naar eigen bewoning? Ten slotte, vindt u het proportioneel dat mensen die te goeder trouw handelen, maar op een detail in de formaliteiten botsen, plots 15 procentpunt btw moeten bijbetalen, boven op interesten en boetes? Mijnheer Van Quickenborne, er werden nog geen gerichte controleacties uitgerold voor de belastingplichtigen die onder het nieuwe systeem vallen, dat op 1 juli 2025 in werking trad. Wel worden op basis van de bouwvergunningen die mijn administratie ontvangt vragen om inlichtingen verstuurd. Deze kunnen aanleiding geven tot een controle, waarbij wordt nagegaan of die werken daadwerkelijk in aanmerking komen voor het verlaagd btw-tarief van 6 % en of na de uitvoering van de werken nog steeds aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is dus mogelijk dat deze vragen werden uitgestuurd in dossiers die reeds onder het nieuwe regime vallen. Zoals reeds uiteengezet in het antwoord op uw schriftelijke vraag nr. 55734, beantwoordt de administratie bovendien preventief talrijke vragen om inlichtingen en adviezen. Daarnaast is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om ook projecten waarvoor nog geen bouwvergunning is aangevraagd vooraf aan de administratie voor te leggen. In het geval van ernstige twijfel of interpretatieproblemen die niet via rondzendbrieven of FAQ's kunnen worden opgelost, worden concrete dossiers rechtstreeks met bouwheren en architecten besproken. Het blijft aangewezen om omvangrijke projecten met belangrijke financiële implicaties voor te leggen aan de Dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, beter bekend als de rulingdienst, teneinde een grote rechtszekerheid te verkrijgen. Het uitgangspunt van deze aanpak is om zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen voor de start van de werken en te vermijden dat bouwheren achteraf met een foutieve toepassing van het tarief worden geconfronteerd. Uiteraard behoudt de administratie steeds het recht om het verlaagd tarief te weigeren indien het uiteindelijke project afwijkt van het voorgelegde plan en daardoor de toepassing van het verlaagd tarief niet gerechtvaardigd is. De modeldocumenten werden op 12 november ter beschikking gesteld. Dat was na de indiening van uw vraag. Bovendien werd uitdrukkelijk gecommuniceerd over een overgangsperiode, op de dag dat de programmawet in de plenaire vergadering werd goedgekeurd. Dit werd opgenomen in rondzendbrief 2025/C/48, punt 4.4. Tot 31 december 2025 gold een tolerantieregeling. Het verlaagd tarief mag worden toegepast indien de vereiste vermelding voorkomt op de factuur en, wat de leveringen betreft, in de verkoopovereenkomst of de authentieke akten. Het toepassingsgebied van het verlaagd btw-tarief bij de afbraak en heropbouw van een woning werd sinds 2021 meermaals gewijzigd. Mijn administratie heeft bij elke wijziging een actuabericht, een rondzendbrief en/of een lijst van veel gestelde vragen gepubliceerd via de website van de FOD Financiën en via de fiscale databank FisconetPlus. De meest recente commentaren betreffende de nieuwigheden vanaf 1 juli 2025 vindt u terug in rondzendbrief 2025/C/48, die reeds is gepubliceerd op de dag dat de nieuwe regelgeving in het Belgisch Staatsblad is verschenen en in een FAQ, gepubliceerd op de website. Een toelichting bij de berekeningswijze van de bewoonbare oppervlakte of het standpunt van de administratie in het geval van een gesplitste verkoop, met het vruchtgebruik en de blote eigendom apart, werd voor het eerst gepubliceerd in 2021. Daarvoor was er ook een circulaire, namelijk 2021/C/8. Mijn administratie houdt de vinger aan de pols via contacten met stakeholders zoals de bouwsector en de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zodat de communicatie kan worden bijgestuurd en aangevuld wanneer nodig. Ik wil uitgaan van het principe van de goede trouw van de belastingplichtigen. Een eerste stap werd gezet in de inkomstenbelastingen. Ik hoop in de nabije toekomst ook nog initiatieven te nemen inzake btw. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting. Het is positief dat er op voorhand duidelijkheid kan worden verschaft. Ik heb echter één bedenking. Het Netwerk Architecten Vlaanderen (NAV) heeft mij gesignaleerd dat er een grijze zone bestaat tussen renovatie en sloop en heropbouw. Bij sloop en heropbouw gaat het om afbraak en opnieuw bouwen. Om van renovatie te kunnen spreken moet men minstens 50 % van de oorspronkelijke dragende muren en 50 % van de oorspronkelijke oppervlakte behouden. Als men zich daar niet aan houdt, valt men tussen twee stoelen en moet men 21 % btw betalen. Dat zorgt ervoor dat mensen die bijvoorbeeld 40 % van de muren willen behouden, tot de conclusie komen dat hun project niet in aanmerking komt voor renovatie en daarom beslissen dat het beter is het gebouw volledig te slopen en iets nieuws te bouwen. Men zou die problematiek eens grondig moeten onderzoeken en ter harte te nemen, zodat men energetische beslissingen neemt op basis van gezond verstand en niet op basis van de btw. Het NAV, overigens een zeer degelijke organisatie, is zeker bereid om daarover met u te overleggen. De blijvende rechtsonzekerheid over de toepassing van de DBI-aftrek na de programmawet Mijnheer de minister, tijdens de bespreking van de programmawet in juli vorig jaar heb ik u al gewezen op het risico van de toenemende rechtsonzekerheid bij de toepassing van de gewijzigde regels inzake de DBI-aftrek. Voor alle duidelijkheid, dat is een degelijk systeem. Ik zal me niet overgeven aan populisme en het wegzetten als een systeem van profitariaat. Ik lichtte toen het probleem in verband met de definitie van financieel vast actief toe. Wanneer het belang kleiner is dan 10 % maar de aanschaffingswaarde hoger ligt dan 2,5 miljoen euro, kan de DBI-aftrek enkel worden toegepast, als de deelneming de vorm neemt van een financieel vast actief. Ondanks de recente rondzendbrief van uw FOD, die het begrip financieel vast actief moest verduidelijken, blijkt volgens verschillende fiscaal experten en praktijkmensen dat de onzekerheid precies is toegenomen. Ze duiden erop dat concrete criteria of termijnen voor wat beschouwd wordt als een duurzame band tussen investeerder en doelvennootschap, ontbreken en vrezen het risico van al te restrictieve interpretatie door de administratie. De vaagheid treft volgens hen vooral minderheidsaandeelhouders, holdings en beleggingsvennootschappen, die nu niet langer zeker zijn of hun deelnemingen nog in aanmerking komen voor de DBI-aftrek, zelfs als ze die deelnemingen langdurig aanhouden en strategisch motiveren. Dat kan ook een negatief effect hebben op lokale investeringen in Belgische kmo’s en start-ups, die nood hebben aan risicokapitaal. Ten eerste, erkent u dat er na de publicatie van de rondzendbrief nog aanzienlijke rechtsonzekerheid bestaat over de kwalificatie? Ten tweede, hoe zal de administratie vermijden dat de nieuwe regels te restrictief worden toegepast, met name ten aanzien van minderheidsaandeelhouders die een reële, maar niet-controlerende band hebben met de doelvennootschap? Ten derde, overweegt u bijkomende verduidelijking of richtlijnen, bijvoorbeeld over de interpretatie van korte termijn of de kenmerken van een duurzame band om de fiscale voorspelbaarheid te verhogen? Erkent u dat de bijkomende voorwaarde van een financieel vast actief in de praktijk een bijkomende drempel vormt voor Belgische investeerders om minderheidsbelangen te nemen in ondernemingen en dat dat ook een negatief effect kan hebben op de toegang van lokale bedrijven tot Belgisch risicokapitaal? Ten vierde en tot slot, kunt u garanderen dat lopende investeringsdossiers die dateren van vóór de inwerkingtreding van de programmawet niet retroactief in vraag gesteld zullen worden? Dank u wel, mijnheer Van Quickenborne, voor uw vraag. Ik merk vooreerst op dat het begrip financiële vaste activa, zoals bedoeld in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet werd herzien door de door u bedoelde programmawet, die onder meer het DBI-stelsel heeft gewijzigd. Voor het begrip andere financiële vaste activa moet nog steeds worden gekeken naar de betekenis die eraan wordt gegeven door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Voor die materie ben ik overigens niet bevoegd. Of er sprake is van andere financiële vaste activa in een concreet geval, hangt af van de feitelijke situatie waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van de verhoudingen tussen de betrokken vennootschappen. U lijkt zich te focussen op de termijn van de deelneming, zonder rekening te houden met het doel ervan, namelijk het scheppen van een specifieke band. Logischerwijze beoogt een deelneming op korte termijn niet het scheppen van een dergelijke specifieke band. Wat uw bezorgdheid over een mogelijk negatief effect op de toegang tot risicokapitaal betreft, herinner ik eraan dat de bedoelde bepalingen niet van toepassing zijn op dividenden die worden verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen, zoals bedoeld in artikel 2 van het WIB 1992, met name vennootschappen die het risicokapitaal in België vormgeven. Ik herinner er ook aan dat maatregelen werden genomen inzake de carried interest om de ontwikkeling van die vennootschappen in ons land zo goed mogelijk te verzekeren. De wijziging van de bedoelde bepaling treedt in werking vanaf aanslagjaar 2026. Die inwerkingtreding is gekoppeld aan een antimisbruikbepaling die betrekking heeft op het afsluiten van het boekjaar vanaf 3 februari 2025. In dat verband voeg ik eraan toe dat de participatievoorwaarde, met inbegrip van de aard van het financiële vaste actief, moet worden beoordeeld op het ogenblik van de toekenning of de betaalbaarstelling van de dividenden. Ten slotte merk ik op dat een vennootschap vrij is om ter zake een beroep te doen op de rulingpraktijk van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen voor een individuele beslissing inzake boekhoudrecht. Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. We zullen die nader bestuderen en eventueel opnieuw bij u aankloppen. De toepassing van de vennootschapsbelasting op intercommunales, elf jaar na de hervorming Mijnheer de minister, in 2015 besliste de Zweedse regering om het belastingsysteem voor intercommunales grondig te wijzigen. U maakte toen deel uit van die Zweedse regering, dus misschien herinnert u zich nog de discussies daaromtrent. Het ging over een groot bedrag – 220 miljoen euro – dat men wou ophalen via de hervorming van de intercommunales. Sinds 1 januari 2015 vallen de intercommunales – ik ken er een aantal in mijn streek, waarschijnlijk zijn er bij u in Brasschaat ook wel een aantal – in principe onder het stelsel van de vennootschapsbelasting, tenzij ze specifiek zijn vrijgesteld op grond van hun activiteit of rechtsvorm. De opbrengst van die hervorming werd geraamd op 220 miljoen euro aan bijkomende fiscale ontvangsten. In de praktijk bleek toen echter al dat veel intercommunales dat probeerden te omzeilen. Men zegt vaak dat de Belgen de belastingen proberen te omzeilen, maar de intercommunales zijn nog veel straffer. Zij hebben toen blijkbaar juridische constructies opgericht om hun reserves zo fiscaal gunstig mogelijk te beheren. Dat heeft men mij althans verteld. We zijn intussen iets meer dan elf jaar verder en de vraag rijst hoe dit regime vandaag functioneert. Ten eerste, kunt u toelichten welke intercommunales vandaag effectief onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en welke daarentegen nog onder de rechtspersonenbelasting of onder een vrijstellingsstelsel vallen? Ik vraag natuurlijk niet naar alle namen en cijfers, maar wel naar de verhouding. Met andere woorden, is iedereen plots een rechtspersoon geworden in plaats van een vennootschap? Ten tweede, hoeveel brengt de vennootschapsbelasting op intercommunales jaarlijks op? Hoe verhoudt zich dat tot de oorspronkelijke raming van 220 miljoen euro? Was dat met andere woorden een longshot of was dat een accurate inschatting? Ten derde, worden er fiscale optimalisatietechnieken toegepast door intercommunales om de vennootschapsbelasting te beperken, zoals herstructurering, fusie, oprichting van patrimoniumvennootschappen of uitkeren van reserves aan gemeenten? Dat doet mij wat denken aan de interne meerwaardebelasting, maar dat is een andere discussie. Ten vierde, hoe wordt in dat verband door de FOD Financiën toezicht gehouden op de fiscale transparantie van de intercommunales, gelet op hun publieke karakter en aard en op het feit dat zij grotendeels gemeentelijk kapitaal beheren? Mijnheer Van Quickenborne, behoudens voor deze die zijn opgenomen in artikel 180, eerste lid, ten eerste, van het WIB 92, wordt geval per geval beoordeeld of een intercommunale aan de rechtspersonenbelasting dan wel aan de vennootschapsbelasting wordt onderworpen. Een compleet overzicht zou ons te ver leiden, maar over het algemeen worden de intercommunales die instaan voor het beheer van de distributienetwerken voor elektriciteit en aardgas aan de vennootschapsbelasting onderworpen. De intercommunales voor afvalbeheer, voor de productie en de distributie van drinkwater, en voor de organisatie van wijkwerking worden dan weer aan de rechtspersonenbelasting onderworpen. Ik bezorg het secretariaat een tabel met de globaal ingekohierde vennootschapsbelasting van de intercommunales tijdens de laatste aanslagjaren en die kan aan het verslag worden toegevoegd. De globaal ingekohierde vennootschapsbelasting voor de intercommunales beloopt ongeveer 200 miljoen euro voor elk aanslagjaar, behalve voor de aanslagjaren 2019 en 2024. De inkohiering van het aanslagjaar 2024 is nog niet beëindigd, maar de raming van 220 miljoen zat dicht in de buurt. Het begrip fiscale transparantie is in deze een ongelukkig gekozen term, aangezien intercommunales als rechtspersonen ofwel aan de vennootschapsbelasting ofwel aan de rechtspersonenbelasting worden onderworpen. Het is dus de rechtspersoon als dusdanig die aan de belasting wordt onderworpen. Van een fiscaal transparante behandeling van deze entiteiten is geen sprake. De tabel van de ingekohierde vennootschapsbelasting kan aan het verslag worden toegevoegd. Zoals gezegd loopt dat van 207 miljoen tot 268 miljoen, met een uitschieter in 2019 toen het slechts 190 miljoen bedroeg. In 2022 en 2023 was het ook iets minders dan 200 miljoen. 2024 is nog niet volledig afgesloten. Mijnheer de minister, de minister van Financiën en de regering van toen hebben destijds blijkbaar goed geraamd. Het is ook fijn om te zien dat er niet veel of weinig technieken worden gebruikt om dat te ontwijken. Dat is positief. Natuurlijk is de vraag of dat dan wordt doorgerekend aan de uiteindelijke eindgebruiker. Bij gas en elektriciteit waarschijnlijk wel. Elke belasting sijpelt altijd door, dat is onvermijdelijk. Het gebrek aan efficiëntie bij de intercommunales is soms hemeltergend. Ik weet niet hoe de situatie bij u in Brasschaat is met het nieuwe afvalbeleid en de kleine gft-bakjes. Bent u daarvan op de hoogte? Mijn vrouw vraagt zich constant af of het afval nu in een bakje of een zakje moet. Om nog meer te sorteren, wordt het allemaal nog moeilijker, maar vooral ook duurder. Ik vraag me dan af of dat allemaal in overheidshanden moet zijn. Zou het niet beter zijn om de staat wat te ontvetten en daar concessies voor uit te schrijven, weliswaar, mijnheer Vanbesien, met de nodige reglementering? Milton Friedman, collega’s, zei ooit dat als de overheid iets doet, het altijd twee keer minder efficiënt is dan de private sector. Dat heb ik al een paar keer gezegd en ik blijf dat herhalen tot iedereen het beseft en ook de heer Vanbesien het begrijpt en misschien zelfs aanvaardt. Dat gezegd zijnde, mijnheer de minister, dank ik u voor uw antwoorden. We kijken uit naar de tabellen die u aan het commissiesecretariaat zult bezorgen. De brandstofcontroles door de douane Monsieur le ministre, les contrôles effectués par les douanes jouent un rôle essentiel dans la lutte contre la fraude fiscale et environnementale liée à l'usage illégal de carburants détaxés, communément appelés “diesel rouge". Ce carburant, réservé à des usages agricoles ou spécifiques, continue malheureusement d'être utilisé par certains automobilistes ou entreprises dans des véhicules non autorisés. Au-delà de la fraude fiscale qu'elle représente, cette pratique engendre une concurrence déloyale à l'égard des transporteurs et professionnels respectueux de la législation, tout en nuisant à l'image du secteur. Les opérations de contrôle menées par les douanes permettent de détecter ces infractions, mais il importe d'en mesurer l'ampleur et d'évaluer si les moyens déployés sont adaptés à l'évolution du phénomène. De plus, une ventilation régionale et sectorielle de ces infractions offrirait une vision plus claire des tendances et des publics concernés. Monsieur le ministre, combien de véhicules ont-ils été contrôlés par les services des douanes pour suspicion d'utilisation de diesel rouge au cours des cinq dernières années? Combien de ces contrôles se sont-ils révélés positifs et comment ces chiffres ont-ils évolué au cours de la même période? Quelle est la ventilation régionale de ces infractions? Quels types de véhicules ou de publics sont-ils le plus fréquemment concernés (particuliers, transporteurs, entreprises, agriculteurs, etc.)? Quelles mesures de prévention ou de dissuasion le SPF Finances envisage-t-il pour réduire encore ce type de fraude? Monsieur Dufrane, en 2020, l'année du Covid-19, la douane a effectué 22 900 contrôles de véhicules pour suspicion d'utilisation de diesel rouge. En 2021 et en 2022, il y en a eu environ 28 000. En 2023, 26 600 et, en 2024, 18 450. En 2020, 838 contrôles ont révélé une infraction. En 2021, ce chiffre est monté à 1 816, puis à 1 958 en 2022. En 2023, il y en a eu 1 435 et, en 2024, encore 850. Si nous examinons la répartition des infractions entre les trois régions, nous constatons que la Flandre représente, selon l'année, environ 43 à 48 % du total national. Pour la Wallonie, ces parts se situent entre 47 et 56%. Quant à la Région de Bruxelles-Capitale, elle représente généralement environ 1 % des infractions, mais peut-être le chiffre n’est-il pas connu en raison de l’absence de gouvernement. Si nous examinons le type de véhicules les plus concernés, nous constatons que les véhicules utilitaires – c'est-à-dire ceux dont la masse maximale autorisée est inférieure à 3,5 tonnes – sont les plus contrôlés, avec un taux moyen d'infraction d'environ 5,16 %. Viennent ensuite les voitures particulières, avec un taux de 6,5 %. Les camions de plus de 3,5 tonnes occupent la troisième place, avec 5,88 %. Quant aux véhicules agricoles, ils se situent en quatrième position en nombre de contrôles, mais leur taux d'infraction est nettement plus élevé et avoisine les 30 %. L'Administration générale des Douanes et Accises attire chaque année l'attention du public sur la problématique de cette fraude, en communiquant les résultats de ces contrôles à la presse écrite et en acceptant que la presse télévisée filme les opérations de contrôle sur le terrain. Les sanctions auxquelles s'exposent les contrevenants sont également communiquées à la presse. Les sanctions varient entre 500 euros et, en cas de récidive, 5 000 euros si l'affaire est portée au tribunal. Une confiscation du véhicule est également possible. Président: Frédéric Daerden. Voorzitter: Frédéric Daerden. Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse détaillée et complète, ainsi que pour ces chiffres très intéressants qui permettent de mieux évaluer et de mieux situer la problématique. Comme je le rappelais, l'utilisation du diesel rouge demeure une solution pour certains face aux prix des carburants. Il est toutefois important de poursuivre les contrôles en vue de limiter ces abus qui, comme vous le disiez, sont importants – jusqu'à 30 % de véhicules hors-la-loi en fonction des catégories. Au vu de ces chiffres, je ne doute pas que le SPF Finances continuera ses contrôles et les accentuera, je l'espère du moins, pour mener à bien sa mission. De douanecontroles op Liege Airport Monsieur le ministre, la saisie d'environ une tonne de cannabis en provenance du Qatar, interceptée à l'aéroport de Liège, souligne l'ampleur croissante des trafics de stupéfiants transitant par notre territoire. Selon les données les plus récentes, l'aéroport de Liège est devenu un point d'entrée majeur pour divers types de drogues: en 2024, près de 30 kg de cocaïne, plus de 600 kg de cannabis et plus de 3 tonnes de précurseurs chimiques (destinés à la fabrication de drogues de synthèse) y ont été saisis. Les pays d'origine identifiés incluent principalement l'Amérique latine pour la cocaïne, la Chine pour les précurseurs chimiques, et désormais le Moyen-Orient pour le cannabis. Ces chiffres, en constante évolution, révèlent une diversification des routes et des méthodes utilisées par les organisations criminelles pour infiltrer le marché européen. La saisie d'une tonne de cannabis en une seule fois est exceptionnelle, même si des quantités importantes de cocaïne et de précurseurs chimiques ont déjà été interceptées ces dernières années. Ces trafics profitent de l'augmentation exponentielle du fret aérien à Liège, où seulement 5 ETP sont actuellement affectés à la détection quotidienne des drogues. Cette situation pose la question de l'adéquation des moyens humains et technologiques déployés pour contrer ces flux illicites, d'autant que les trafiquants adaptent sans cesse leurs stratégies pour contourner les contrôles. Mes questions monsieur le ministre, sont: Quelles sont les quantités exactes de drogues saisies à l'aéroport de Liège depuis 2024, ventilées par type (cannabis, cocaïne, précurseurs chimiques, etc.) et par pays d'origine? Comment évaluez-vous la rareté ou la fréquence des saisies massives de cannabis, comme celle d'une tonne interceptée, et quelles sont les tendances observées ces dernières années? Quelles mesures concrètes votre SPF envisage-t-il pour renforcer les contrôles douaniers à Liège, notamment en termes de personnel, de technologies de détection et de coopération internationale avec les pays d'origine et de transit? Une collaboration accrue avec les autorités européennes et les pays voisins (Pays-Bas, France, Allemagne) est-elle prévue pour lutter plus efficacement contre ces trafics, notamment en partageant des informations en temps réel et en ciblant les organisations criminelles transnationales? Quels sont les résultats des investissements déjà réalisés pour moderniser les infrastructures de contrôle à Liège, et quels budgets supplémentaires sont prévus pour 2025 afin de faire face à cette menace grandissante? Monsieur Dufrane, en 2024, la douane a saisi à l'aéroport de Liège les quantités de drogue suivantes: - 626,44 kg de cannabis, surtout de la marijuana; - 29,54 kg de cocaïne; - 4,87 kg d'opioïdes; - 6 kg de drogues synthétiques (MDMA et amphétamines); - 66,57 kg de nouvelles substances psychoactives (NPS); - et 3 171,06 kg de précurseurs de drogue. En 2025, entre le 1 er janvier et le 30 septembre, la douane a saisi à l'aéroport de Liège les quantités de drogue suivantes: - 1 488,02 kg de cannabis, surtout de la marijuana; - 10 g d'opioïdes; - et 698,73 kg de précurseurs de drogue. La marijuana saisie provenait surtout des États-Unis. La saisie d'une tonne de marijuana à l'aéroport de Liège, dont vous parlez, date d'octobre 2025 et provenait de Thaïlande, avec un transit via le Qatar. La cocaïne saisie provenait de l'Équateur et de la République dominicaine. Les opioïdes venaient de Hong Kong. Pour les NPS, il s'agissait de la Belgique et de Hong Kong. Les drogues synthétiques provenaient des États-Unis et d'Europe. Enfin, les précurseurs de drogue venaient de Hong Kong et de Chine. Depuis deux ans, la Belgique et plusieurs autres pays européens sont confrontés à l'importation illégale de grandes quantités de marijuana en provenance du Canada, des États-Unis et de Thaïlande. Ces trois pays ont légalisé totalement ou partiellement la production de marijuana il y a quelques années. Ces envois de marijuana entrent via le port d'Anvers et les aéroports de Zaventem et de Liège. L'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) dispose à l'aéroport de Bierset de différents moyens de contrôle. Il s'agit notamment d'un scanner à bagages, d'un ScanVan, d'un Backscatter portable, d'un spectromètre Raman. Récemment, un scanner mobile pour le fret a été mis en service. Par ailleurs, des équipes cynophiles peuvent être mobilisées pour la détection de drogue et d'argent liquide. À court terme, l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) prévoit également d'augmenter le nombre d'équipes cynophiles à l'aéroport de Bierset. Plusieurs projets sont en préparation concernant les technologies de contrôle intégrées aux flux logistiques à nos points de passage frontaliers. Par ailleurs, un projet portant sur des outils innovants dans la lutte contre le trafic de drogue sera déployé au cours de l'année 2026. En termes de personnel, Bierset compte 205 douaniers, dont 24 au sein de l'administration recherche. Une place de niveau B, en shift , est actuellement ouverte, tandis que les autres postes vacants sont gelés dans l'attente des résultats des exercices budgétaires en cours. La douane belge intensifie la coopération internationale avec les pays d'origine en concluant des Memorandum of Understanding avec ceux-ci et en déployant des attachés douaniers dans les pays sources de drogue. Outre ces attachés douaniers en poste au Brésil, en Chine et en Indonésie, la douane belge a déployé un attaché douanier au Panama en 2025 et est en train de signer un accord avec les États-Unis afin de placer un attaché douanier à Washington cette année-ci. Ces attachés douaniers sont accrédités pour un ou plusieurs pays. La douane belge entretient également des contacts avec les officiers de liaison des douanes étrangères stationnées en Belgique ou à Europol via son officier de liaison auprès d'Europol. La douane belge entretient quotidiennement des contacts avec les douanes des pays voisins ainsi qu'avec d'autres pays afin d'échanger des informations et d'organiser des actions opérationnelles. Elle participe également à plusieurs opérations internationales organisées dans le cadre de European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT), ou du Groupe "Application de la loi" (Douane), une instance préparatoire du Conseil de l'UE, et participe notamment à une opération visant spécifiquement le cannabis en provenance du Canada, des États-Unis et de Thaïlande. Finalement, pour 2025 et 2026, un montant d'investissement de 3,5 millions d'euros sera consacré à des moyens de contrôle supplémentaires. Les investissements réalisés à Liège ont déjà permis de moderniser les infrastructures de contrôle. Les améliorations apportées ont déjà renforcé notre capacité à faire face aux menaces. Des budgets supplémentaires sont prévus afin de poursuivre ces efforts, mais leur montant exact dépendra des arbitrages budgétaires qui sont en cours. Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse plus que détaillée. Vous avez devant vous un député ravi d'entendre tous les moyens qui sont déjà déployés, notamment les détachements dans les pays considérés comme des plaques tournantes et également tous ces futurs investissements que vous annoncez pour endiguer ce trafic de drogue dans notre pays. Je vous remercie encore du temps que vous avez consacré à répondre à ma question. De levering van goederen door bedrijven over de grens Monsieur le ministre, l'arrivée de Leclerc sur le marché belge, via la livraison directe de courses à domicile depuis la France, pose une question cruciale. En effet, une entreprise étrangère livrant des biens de consommation en Belgique, même sans implantation physique, ne devrait-elle pas être soumise aux mêmes obligations fiscales que ses concurrents locaux? Les écarts de prix, parfois supérieurs à 50 % sur des produits de base, s'expliquent en partie par des différences de TVA et de charges sociales entre nos deux pays. Pourtant, cette activité commerciale, qu'elle soit organisée en direct ou via des livraisons collaboratives, génère un chiffre d'affaires sur notre territoire et concurrence directement les enseignes belges, qui paient intégralement leurs taxes et cotisations sociales en Belgique. Cette situation aggrave le manque à gagner pour nos commerçants, déjà estimé à 750 millions d'euros par an en raison des achats transfrontaliers, et menace près de 4 500 emplois dans le secteur. Alors que Colruyt et d'autres distributeurs s'efforcent d'aligner leurs prix pour rester compétitifs, ils se retrouvent désavantagés face à un acteur qui bénéficie des avantages fiscaux français tout en ciblant activement la clientèle belge. Cette distorsion de concurrence, si elle n'est pas encadrée, risque d'accentuer la pression sur un secteur déjà fragilisé, notamment dans les régions frontalières. Monsieur le ministre, une entreprise comme Leclerc, qui livre des produits en Belgique depuis la France, est-elle considérée comme exerçant une activité commerciale sur notre territoire au sens fiscal, et si oui, quelles taxes devrait-elle payer? Quelles mesures votre SPF envisage-t-il pour garantir une concurrence loyale entre les distributeurs belges et les acteurs étrangers livrant en Belgique, notamment en matière d'harmonisation fiscale ou de contrôle des flux commerciaux transfrontaliers? Une collaboration avec le ministre des Finances est-elle prévue pour évaluer l'impact fiscal de ces livraisons et, le cas échéant, imposer à Leclerc ou à d'autres enseignes étrangères de s'acquitter des taxes belges sur les ventes réalisées sur notre sol? Comment comptez-vous soutenir les commerçants belges face à cette concurrence déloyale, au-delà de la baisse de la TVA sur certains produits, afin de préserver l'emploi et l'économie locale? Envisagez-vous de saisir la Commission européenne pour examiner les règles applicables aux livraisons transfrontalières et éviter que des entreprises étrangères ne profitent indûment des différences de législation fiscale? Monsieur Dufrane, la législation permet à un vendeur étranger, c'est-à-dire établi dans un autre État membre, de livrer des produits relevant de la directive 2020/262, dénommés produits soumis à accise, à des consommateurs belges. Le cas échéant, les droits d'accise deviennent exigibles dans l'État membre de destination, en l'occurrence la Belgique, au moment de la livraison des produits soumis à accise. Le redevable de l'accise est soit le vendeur (l'expéditeur), soit un représentant fiscal désigné par le vendeur. Cette personne doit accomplir toutes les formalités et payer les accises dues. Pour les produits qui ne relèvent pas de la directive précitée, mais sont soumis à une accise nationale, dénommé produits d'accise, les formalités doivent être accomplies et les accises dues doivent être payées par une personne titulaire d'un établissement d'accise tel que défini en droit belge. En outre, une cotisation d'emballage est due lors de la mise à la consommation en Belgique de certaines boissons définies dans la loi. Il convient toutefois de noter que la vente à distance aux consommateurs et l'achat à distance par les consommateurs de produits de tabac sont interdits en Belgique, en vertu de la réglementation en matière de santé publique. En ce qui concerne la TVA, les ventes à distance intracommunautaires de biens depuis la France à des particuliers en Belgique constituent en principe des opérations imposables dans l'État membre de consommation, en l'occurrence en Belgique. Il est clair qu'une entreprise française, même si elle n'a pas d'établissement stable en Belgique, y exerce une activité économique qui est soumise à la TVA. En principe, cette entreprise française doit s'identifier à la TVA en Belgique et y respecter toutes les obligations en matière de TVA. Toutefois, depuis le 1 er juillet 2021, le régime européen du guichet unique One Stop Shop permet aux entreprises qui effectuent des ventes à distance intracommunautaires de biens à des consommateurs finaux dans d'autres États membres de déclarer et de payer la TVA due dans les différents États membres de leurs clients via un portail dans leur propre État membre d'établissement. En tout cas, dans le cas visé, la TVA applicable est celle de l'État membre de consommation, c'est-à-dire la Belgique. Mon administration dispose des instruments et mécanismes nécessaires pour activer la collaboration administrative internationale afin d'échanger les informations vraisemblablement pertinentes dans le but de garantir le respect des règles fiscales applicables et de promouvoir une plus grande équité fiscale. En vue d'assurer le respect des dispositions en matière d'accises, les administrations douanières de l'Union européenne coopèrent étroitement entre elles sur la base de la convention dite "Naples 2" et du règlement concernant la coopération administrative dans le domaine des droits d'accise. La loi prévoit également une telle coopération pour la cotisation d'emballage. De plus, le centre national de recherche peut, dans le cadre d'une action conjointe avec les douanes, contrôler des camionnettes aux postes frontières avec la France. Enfin, pour ce qui est de la concurrence déloyale, je renvoie au régime précité des ventes à distance, en vertu duquel la TVA est due dans le pays de consommation, à savoir la Belgique. Ce régime garantit précisément que la TVA est acquittée de manière équitable et que la position concurrentielle des commerçants en Belgique est préservée. Monsieur le ministre, je dois avouer que cette question était initialement destinée à votre collègue en charge de l'Économie. Je vous remercie pour votre réponse, qui a le mérite d'apporter de la clarté pour le secteur. On le constate, l'arrivée chez nous d'acteurs étrangers, basés à l'étranger, peut poser pas mal de problèmes en termes de concurrence et de fiscalité non perçue. Je vous remercie pour le suivi de cette question et pour agir dans l'intérêt de nos entreprises face à cette concurrence déloyale. Voorzitter: Vincent Van Quickenborne. Président: Vincent Van Quickenborne. Het rapport van het Rekenhof Over welk rapport van het Rekenhof gaat het, mijnheer Vanbesien? Ik licht dadelijk toe over welk rapport het gaat, mijnheer de voorzitter. Mijnheer de minister, in september publiceerde het Rekenhof zijn 182ste Boek, deel 1. Met betrekking tot de economische jaarrekening lees ik daarin dat het Rekenhof nogal wat opmerkingen heeft over de juistheid van de cijfers. Het Rekenhof gaat dieper in op een aantal problemen bij de concrete toepassing van de beginselen van de vastgestelde rechten, waaronder ook de vorderingen uit geschillendossiers van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (AAD&A). Het Rekenhof stelt dat de gerapporteerde ontvangsten in de samenvattende rekening van de begrotingsverrichtingen systematisch ontvangsten bevatten waarvan in werkelijkheid slechts een klein deel zal worden geïnd. De effectief geïnde bedragen in de periode 2020 tot en met 2024 maken minder dan 1 % uit van de geboekte vastgestelde rechten. Een groot deel van die rechten wordt uiteindelijk geannuleerd. Het bedrag van die annuleringen liep in 2024 op tot 3,3 miljard euro. Dat werpt uiteraard een aantal vragen op. Ten eerste, hoe verklaart u die grote discrepantie tussen het vastgestelde recht aan boetes op basis van processen-verbaal en de feitelijk geïnde boetes? Welk percentage van de processen-verbaal tussen 2020 en 2024 leidde uiteindelijk tot een feitelijk geïnde boete? Hoe verklaart u dat percentage? Ten tweede, gezien het toenemende probleem aan de inkomstenzijde in de huidige begrotingsoefening, hoe zult u de inning van AAD&A-inkomsten versterken? Hoe verzoent u de huidige aanpak met het budgettaire voorzichtigheidsprincipe en de nood aan een betrouwbare voorspelling en beschrijving van de fiscale inkomsten? Ten slotte, hoe verklaart u dat de werkgroep die zich buigt over de vastgestelde rechten op dit punt geen vooruitgang boekt? Ik kijk uit naar uw antwoord. Dat doen we allemaal, mijnheer de minister. Dank u voor uw vraag, mijnheer Vanbesien. Hoewel het proces-verbaal een zekere bewijskracht heeft, zijn de daarin berekende boetes niet automatisch opeisbaar. Alleen een strafrechter kan die boetes effectief opleggen. De enige uitvoerbare titel voor de inning van een boete is een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing van een strafrechter of een aanvaarde minnelijke schikking. Mijn administratie beschikt niet over het percentage aan feitelijk geïnde boetes ten opzichte van de in het pv berekende boetes. Het verschil tussen beide bedragen kan worden verklaard door drie mogelijke factoren, namelijk de boeking van de theoretische maximumboete bij het afsluiten van het pv en de uiteindelijke rechterlijke beslissing, of het tijdsverloop om tot een uitvoerbare titel te komen, of het feit dat het om georganiseerde fraude gaat waarbij de boetes hoog oplopen en de geïdentificeerde en veroordeelde schuldenaars onvermogend zijn. Zoals gezegd, komt het alleen aan de strafrechter toe om te bepalen welke boetes effectief worden opgelegd en om te beslissen over de hoogte ervan. Naar aanleiding van uw vraag zal ik mijn administratie de opdracht geven om de analyse van het Rekenhof te bestuderen en na te gaan of aan de opmerkingen van het Rekenhof kan worden tegemoetgekomen door boetes pas te boeken op het moment dat er een definitieve titel bestaat. Dat betekent dus niet op het moment dat de boetes worden geraamd, maar wel bij de uitspraak. Ik voeg daaraan toe dat mijn beleidscel blijft werken aan een hervorming van de AWDA, zodat het strafrecht inzake douane kan worden hervormd. Het introduceren van administratieve sancties bij inbreuken zal efficiënter zijn, minder druk leggen op de rechtbanken en zorgen voor meer inkomsten, niets dan voordelen dus. Dank u wel, mijnheer de minister. Dat is een duidelijk antwoord. Er blijft natuurlijk wel een heel groot verschil. U zegt dat het om een inschatting gaat die wordt gemaakt op basis van de pv’s, die op zich niet de bewijskracht hebben. Dat moet nadien verder worden uitgewerkt door een strafrechter of via een minnelijke schikking. Het gaat hier echter over slechts 1 % van die inschattingen. Dat is een enorm verschil. Ik ben dan ook blij dat u zegt dat u de administratie zal vragen om dat advies te bestuderen en eventueel aanpassingen te maken, zodat de inschattingen gebeuren op basis van de effectieve veroordelingen in plaats van op de theoretische veroordelingen. Ik hoop twee zaken. Ten eerste hoop ik dat we daarmee de inschattingen beter kunnen afstemmen op de uiteindelijke inkomsten, wat zal helpen om de begroting te evalueren. Ten tweede hoop ik dat de inkomsten in die materie ook wat kunnen stijgen. Dank u wel voor uw antwoord. De impact van de elektrificatie op de accijnsontvangsten Selon le handbook sur les coûts externes des transports de la Commission européenne, ceux-ci s'élevaient, pour la Belgique, à 26,4 milliards d'euros en 2016 tandis que la Febiac réalisait une estimation (haute) de la "productivité fiscale" des véhicules à moteur à 18,4 milliards pour cette même année. Les coûts externes ne sont donc pas couverts. Néanmoins, dans une perspective budgétaire annuelle, la contribution des recettes d'accises sur les ventes de carburants routiers n'est pas négligeable. L'électrification progressive du parc de voitures, camionnettes et camions, nécessaire pour décarboner les transports, va induire une baisse de la vente de carburants et donc des recettes d'accises. Beaucoup d'incertitudes planent sur la dynamique d'électrification, notamment en raison des appels au report de l'objectif européen de 100 % de ventes de véhicules légers zéro émission en 2035. Ces incertitudes rendent difficile le calcul de l'impact de l'électrification sur les recettes d'accises, et donc sur le budget fédéral. Il me semble néanmoins que, dans une optique de bonne gouvernance, l'exercice mérite d'être fait, sous différentes hypothèses. Des estimations ont-elles déjà été entreprises par l'administration? Sont-elles prévues? Cela semble d'autant plus nécessaire que, en Belgique, la dynamique d'électrification est plus rapide que dans d'autres Etats européens. Ainsi, le parc automobile comptait 0,2 % de véhicules électriques et 1,6 % de véhicules hybrides en 2018 et respectivement 6,4 % et 14 % au premier août 2025. Des effets sur les recettes d'accises ont-ils déjà été décelés au cours des dernières années? A ce titre, pouvez-vous me communiquer les chiffres agrégés de recettes d'accises (par carburant et par type de véhicule: voitures, camionnettes et camions) pour les années 2018 à 2024? Madame Schlitz, à l'heure actuelle, l'électrification du parc automobile n'a pas d'incidence budgétaire claire sur les recettes fiscales provenant des carburants. En effet, cette électrification n'est pas indépendante d'autres évolutions qui ont un impact sur les recettes fiscales. On peut citer par exemple l'évolution des taux d'accises au cours des dernières années; l'impact de l'épidémie de Covid-19 et les mesures sociales prises à l'époque; l'impact de la crise énergétique en 2022; l'impact de la réduction de la consommation d'un moteur à carburant fossile; l'impact de l'augmentation générale de la demande en produits énergétiques; etc. Mon administration ne dispose pas de recettes ventilées par type de véhicule. Toutefois, je peux vous communiquer les recettes provenant de l'essence et du gazole utilisé comme carburant, donc du diesel. Je transmettrai le tableau dont je dispose au secrétariat de la commission afin qu'il puisse être repris dans le compte rendu. Ce sont les recettes essence et diesel de 2018 à 2024. Merci pour votre réponse et pour la transmission des données. En effet, ce sera plus utile et plus pratique pour les services. Plus globalement, ce que l'on constate dans ce type de dossier, c'est qu'on avance avec des réformes fiscales ou en matière d'accises, sans avoir une vision claire de ce que cela peut coûter ou rapporter au budget de l'État. Je comprends que ce n'est pas forcément évident à évaluer. Néanmoins, cela constitue, qu'on le veuille ou non, des instruments d'orientation des comportements de la population. Il me semble donc toujours utile d'avoir cela en tête et de pouvoir, dans ce cas-là, disposer des ventilations d'impact, puisqu’il y en aura de toute façon. Qu’on ne puisse pas tout anticiper est une chose. Mais en tout cas, qu'on puisse l'évaluer pour pouvoir, dans d'autres dossiers, savoir quels vont être les impacts de telle ou telle augmentation ou réduction d'accises est indispensable dans un optique de planification publique. Je vous remercie. De gevolgen van de poging tot overname van Proximus door Xavier Niel De rol van een parlementslid in contacten tussen NJJ Capital en de Belgische Staat inzake Proximus De gerechtelijke vervolging van een bestuurder van Proximus Monsieur le ministre, la tentative d'acquisition de Proximus par Xavier Niel a suscité des interrogations sur la valorisation boursière de l'entreprise et sur les risques financiers pour l'État, actionnaire majoritaire via la Société Fédérale de Participations et d'Investissement (SFPIM). Les critiques formulées à l'encontre de la gestion précédente de Proximus, ainsi que les propositions de restructuration avancées par Xavier Niel, ont mis en évidence les défis auxquels l'entreprise est confrontée. Le rejet de cette offre, bien que justifié par des considérations stratégiques, pourrait avoir des conséquences sur la perception des investisseurs et sur la capacité de Proximus à se financer à des conditions avantageuses. De plus, la présence continue de Xavier Niel dans le capital de Proximus, via son holding Saxo Holding, soulève des questions sur les intentions futures de l'investisseur français et sur les risques de déstabilisation de l'actionnariat. Il est donc crucial d'évaluer l'impact de cette affaire sur la valorisation de Proximus et sur les intérêts financiers de l'État. Monsieur le ministre, comment analysez-vous l'impact de la tentative d'acquisition de Xavier Niel? Comment le gouvernement évalue-t-il les risques financiers liés à la présence de Xavier Niel dans le capital de Proximus, et quelles garanties ont-elles été mises en place pour protéger les intérêts de l'État actionnaire? Pour conclure, quels mécanismes de suivi ont-ils été instaurés pour surveiller l'évolution de la participation de Xavier Niel dans Proximus et anticiper d'éventuelles nouvelles tentatives d'influence sur la gouvernance de l'entreprise? De heer Coenegrachts laat zich verontschuldigen. Monsieur le ministre, ma question était initialement adressée à votre collègue Vanessa Matz, la ministre en charge des Participations, mais apparemment c'est vous le ministre compétent pour tout ce qui concerne Proximus. Des informations de presse récentes révèlent que M. Franck-Philippe Georgin, administrateur de Proximus, fait l'objet de poursuites judiciaires en France dans le cadre de l'affaire dite "Casino", avec des réquisitions de peine de prison avec sursis et des amendes conséquentes. Il apparaît à cet égard que ni la SFPIM, ni le gouvernement n'ont été informés en temps utile de cette situation, alors même que l'intéressé aurait signé un document affirmant ne faire l'objet d'aucune procédure susceptible de compromettre l'exercice de son mandat. Selon les mêmes sources, la communication de cette information n'a eu lieu qu'à la fin du mois de septembre auprès du président du conseil d'administration de Proximus, et seulement début novembre auprès de la SFPIM et du gouvernement. Monsieur le ministre, confirmez-vous que le gouvernement, votre cabinet et la société d'investissement n'ont été informés de la situation judiciaire de M. Georgin qu'au début du mois de novembre? Considérez-vous que les obligations de transparence et de diligence incombant aux administrateurs d'une entreprise publique ont été respectées en l’occurrence? Quelles mesures le gouvernement entend-il prendre à l'égard de cet administrateur, en particulier dans l'attente du jugement prévu le 29 janvier 2026, c'est-à-dire demain? De manière plus générale, le gouvernement entend-il renforcer les mécanismes de vérification préalable et continue liés à l'honorabilité et à l'indépendance des administrateurs représentant ou proposés par l'État dans les entreprises publiques? Monsieur De Smet, je voudrais d'abord rappeler que je ne suis pas le ministre de Proximus. Je suis le ministre responsable pour la SFPIM, qui a, certes, un rôle à jouer auprès de Proximus. La tentative de prise de contrôle de Proximus par Xavier Niel a été relayée dans la presse, mais elle n'a donné lieu à aucune offre publique formelle, ni à un processus structuré. En conséquence, il est difficile d'isoler un effet direct et quantifiable sur la valorisation boursière de l'entreprise. Le cours de Proximus est influencé par un ensemble de facteurs structurels et conjoncturels, parmi lesquels les résultats financiers et la guidance de l'entreprise, la pression concurrentielle sur les marchés fixes et mobiles, le niveau élevé des investissements (CapEx), la stratégie internationale, en particulier via Proximus Global, et l'anticipation du marché quant aux réformes de gouvernance ou à la politique de dividendes. Dans ce contexte, l'annonce de l'intérêt de Xavier Niel a pu avoir un effet marginal ou temporaire, mais aucune revalorisation structurelle du cours n'a été observée. A l'inverse, une offre publique d'achat assortie d'une prime significative aurait pu générer un impact visible à court terme. Or, aucune offre de ce type n'a été soumise. On peut donc raisonnablement en conclure que si un effet sur la valorisation a existé, il a été limité, temporaire et probablement déjà estompé. La SFPIM prend son rôle d'actionnaire majoritaire au sérieux. En concertation avec le gouvernement, elle veille à défendre les intérêts stratégiques de l'État dans Proximus, notamment en pesant sur les orientations du groupe via les administrateurs représentant l'actionnaire public. Xavier Niel détient environ 6 % du capital de Proximus depuis novembre 2023. En l'état, cette participation ne confère pas de droit de gouvernance particulier et ne permet pas de revendiquer un siège au conseil d'administration en vertu des statuts de Proximus et des bonnes pratiques en matière de gouvernance d'entreprise. La présence d'un actionnaire minoritaire actif et vocal n'est pas inhabituelle dans des sociétés cotées à participation publique. Cela ne constitue pas un risque en soi tant que les équilibres de gouvernance sont respectés. Afin de protéger les intérêts de l'État actionnaire, le cadre d'action existant permet un suivi étroit des décisions stratégiques du groupe et de leur alignement avec les objectifs de politique publique. Cela étant, la meilleure protection pour une entreprise face à des pressions ou dérives externes reste sa capacité de créer durablement de la valeur en ayant une vision stratégique claire, en assurant une communication transparente avec les marchés et en délivrant de manière cohérente ses promesses opérationnelles et financières. Une gouvernance solide et une exécution crédible renforcent la confiance des investisseurs, stabilisent l'actionnariat et limitent les risques de déstabilisation. Comme pour tout actionnaire significatif, la participation de Xavier Niel dans Proximus est publique et soumise aux obligations de transparence prévues par la loi, notamment la déclaration des franchissements de seuil. Par ailleurs, en vertu de l'article 11 des statuts de Proximus et de la loi du 2 mai 2007, tout actionnaire franchissant certains seuils – on parle de 3 %, 5 % et 7,5 % – doit en informer Proximus et l’Autorité des services et marchés financiers (FSMA). Aucun signalement formel de projet de renforcement de la participation n'a été adressé depuis la dernière déclaration publique de novembre 2023. Enfin, le fait que la SFPIM conserve une majorité du capital (53,51 %) constitue une assurance forte contre toute tentative de contrôle non concertée. La stratégie de l'actionnaire majoritaire reste guidée par l'intérêt de long terme de l'entreprise et des citoyens, dans un esprit de neutralité et de responsabilité. Aucune décision n'a été prise à ce sujet, de sorte que la SFPIM et l'État belge n'entendent en aucune façon porter atteinte à la présomption d'innocence. Je souhaite donc examiner les moyens de renforcer les mécanismes de vérification préalable et contenus liés à l'honorabilité et à l'indépendance des administrateurs représentés ou proposés par l'État dans les entreprises publiques ou à participation publique majoritaire, même si plusieurs précautions avaient déjà été prises. Il faut également reconnaître qu’il existe une zone grise entre ce qui relève de l'obligation légale de transparence et ce qui relève de la sphère privée. Ik wil daar nog aan toevoegen dat de regering nadrukkelijk geen uitspraken doet over schuld of onschuld, zolang een gerechtelijk onderzoek loopt. Tegelijk blijft ze waakzaam over de integriteit en de reputatie van ondernemingen. Proximus beschikt over een kader rond corporate governance conform de desbetreffende Belgische code over interne compliance- en integriteitsmechanismen en een raad van bestuur die waakt over de reputatie en de belangen van de onderneming. De situatie wordt nauwgezet opgevolgd, zonder vooruit te lopen op de uitkomst van een eventueel gerechtelijk proces. Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre analyse et pour votre réponse. Il est compréhensible que les parts de Proximus soient achetées par des investisseurs. Néanmoins, le cas de Niel pourrait être problématique si ce dernier tentait de s'approprier l'entreprise ou s'il possédait une minorité de blocage. Je vous remercie de rester attentif et de continuer à mettre en place des mécanismes protégeant la souveraineté de l'entreprise au travers des parts de la SFPIM. Je vous remercie également pour les éléments que vous avez évoqués concernant le travail que vous opérerez dans le but de renforcer le contrôle et la transparence à l'avenir. Monsieur le ministre, je vous remercie. "Dont acte" sur le suivi qu'en feront le conseil d'administration et éventuellement le gouvernement en vue des décisions judiciaires, lesquelles ne devraient d'ailleurs pas tarder. Il n'en reste pas moins qu'il y a un trou dans la raquette, puisque ce M. Georgin a tout de même réussi à être nommé administrateur alors que les poursuites judiciaires qui sont en cours à son encontre ne sont pas une simple affaire privée. M. Georgin risque une peine de prison avec sursis et d'importantes amendes; il s'agit d'un gros dossier. Cela signifie que, malgré toutes les précautions prises, on n'arrive pas à trouver des personnes qui soient dénuées de tout soupçon. J'entends toutefois ce que vous dites concernant la présomption d'innocence et, en effet, peut-être l'affaire se dégonflera-t-elle dans les prochains jours. De uitspraken van de kabinetschef over de zogenaamde Zumex-case Collega’s, is er geen bezwaar dat ik mijn vraag van op de voorzittersstoel stel? Ik vraag me overigens af waar de voorzitter van deze commissie is. De reden voor zijn afwezigheid gisteren is ons bekend, maar ik weet niet wat er precies gebeurd is. Goed, zolang ik kan, hou ik dit vol. Mijnheer de minister, kent u Zumex? Dat is het toestel dat in supermarkten wordt gebruikt. Uw kabinetschef heeft daarover gezegd dat het soms voor hoofdbrekens zorgt, omdat het gebruik van zo’n toestel in een winkel door Douane en Accijnzen wordt beschouwd als een accijnsproduct. Daarvoor moet een borg van 500 euro worden gesteld en moet om de twee weken een aangifte worden gedaan. Als die aangifte te laat gebeurt, volgt een boete van 625 euro. Daarnaast moet men blijkbaar ook aan de douane meedelen hoe alles wordt gestockeerd, de plek waar de productie plaatsvindt en waar de voorraad ligt. Het schijnt absurd te zijn. Uw kabinetschef heeft dat toegelicht en daarbij gezegd dat de regeling zou worden vereenvoudigd, waarvoor hij verwees naar de wet lagere kosten. Ik vond dat een bijzonder fascinerend verhaal. Ik heb dat vervolgens opgezocht, maar blijkbaar was dat intussen al rechtgezet, door een zekere Alexander De Croo, nog voor de vivaldiregering. Hoe het precies zit, weet ik niet, maar dat was blijkbaar al lopende. Het zou opgelost zijn in artikel 7 van een wetsvoorstel van de heer Christian Leysen. Intussen is er echter niet alleen Zumex, maar ook gember. Ik was onlangs in een slagerij in Knokke. Daar verkoopt men kleine potjes geconcentreerd gembersap, zelf gemaakt. Ik weet niet of dat in de slagerij zelf is geproduceerd of misschien ernaast, maar ze verkopen het in plastic potjes. Het gaat om gemberconcentraat dat men met een beetje warm water kan aanlengen om gemberthee te maken. Gemberthee is intussen ook populair geworden in het Parlement. Elke donderdag is er gemberthee verkrijgbaar en naar het schijnt drinken al 30 van de 150 parlementsleden gemberthee, maar dat geheel terzijde. Mijnheer de minister, ten eerste, is de regelgeving inzake Zumex intussen al dan niet reeds aangepast? Dat is eigenlijk een heel eenvoudige vraag. Indien ja, waarom wordt dat dan niet vermeld in uw wet lagere kosten? Ten tweede, zijn er vandaag nog altijd discussies over de Zumexcase, of is dat nu volledig uitgeklaard? Indien dat laatste het geval is, zet u dan stappen bij Douane en Accijnzen? Ten derde, wat is de fiscale behandeling, zowel inzake accijnzen als verpakkingsheffingen, van gembersappen die bijvoorbeeld in slagerijen worden verkocht? Mijnheer Van Quickenborne, het schrappen van de administratieve kafka voor de Zumexmachines was een heel mooi voorbeeld van wat een wet lagere kosten moet en kan omvatten. Niet alle hervormingen van Vivaldi waren slecht, maar u hebt zonet verteld dat de aanpassing van vóór Vivaldi dateerde. Het gaat in principe om kleinere taksen en rechten die geschrapt of verlaagd kunnen worden, en om administratieve vereenvoudigingen. De Zumexmachine past perfect binnen dat verhaal. Sedert 21 december 2020 zijn versgeperste vruchten- en groentesappen die geen enkele bewerking hebben ondergaan en die beschikbaar zijn in de detailhandel, bijvoorbeeld via sappersautomaten – een mooi woord – van het genre Zumex, inderdaad uitgesloten van het toepassingsgebied van de accijnzen en de verpakkingsheffing, waardoor ook de bijhorende administratieve lasten zijn vervallen. Mijn administratie is niet op de hoogte van blijvende problemen of onduidelijkheden bij de behandeling van die vruchten- en groentesappen. Puur gembersap wordt in principe beschouwd als een substantie bestemd voor de vervaardiging van alcoholvrije dranken overeenkomstig artikel 7j van de wet betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie. Dezelfde controlebepalingen als voor de overige accijnsproducten zijn van toepassing. Die substanties zijn onderhevig aan een accijnstarief van 40,8803 euro per hectoliter. De verpakkingsheffing is daarop dus niet van toepassing. Indien aan het gembersap suiker en/of zoetstoffen worden toegevoegd of indien het wordt gemengd met andere producten, zoals vruchten- of groentesappen, kan de accijnstechnische behandeling wijzigen afhankelijk van de samenstelling van het eindproduct en het beoogd gebruik ervan. Zoals u weet, staan ik en mijn beleidsstel open voor alle suggesties om administratieve kafka te verminderen of af te schaffen. Wij hebben hier opnieuw een dergelijke suggestie, waarvoor dank. Mijnheer de minister, bedankt voor uw duidelijk antwoord. Die slager in de Lippenslaan in Knokke verkoopt dat. Ik veronderstel dat het om officiële verkoop gaat. Voor alle duidelijkheid, ik ken die slager niet persoonlijk en ben daar maar twee keer geweest. Vermoedelijk is dat gembersapconcentraat zelfgemaakt, enigszins vergelijkbaar zoals bij Zumex. Uit uw antwoord leid ik af dat zijn activiteit valt onder artikel 7j van de accijnswet, wat betekent dat daarop accijns moet worden ingehouden, maar waarschijnlijk brengt dat heel wat administratie met zich mee. Als ik nog eens bij die slager langsga, pas over een tijdje, zal ik hem niet vermanen dat hij dat moet doen. Ik zal hem vragen hoe het nu exact in elkaar zit. Als er gelijkenissen zijn met de Zumexcase, kan ik u daarover alsnog bevragen met het oog op uw tweede wet lagere kosten, die we waarschijnlijk binnenkort kunnen verwachten. (…) Mijnheer de minister, misschien kan uw medewerker bij die slager eens een kijkje nemen. Het is niet mijn bedoeling om die man te controleren. Een van ons beiden zal op onderzoek uitgaan en we komen dan met een antwoord bij u terug. De overbelasting bij vervroegde uitkering van een liquidatiereserve aangelegd vanaf 1 januari 2026 Mijnheer de minister, het gaat over de liquidatiereserve. We weten dat u daar een initiatief in hebt genomen om zowel de VVPRbis als de liquidatiereserve op elkaar af te stemmen. Dat is intussen goedgekeurd met de programmawet van 18 juli van vorig jaar. Ik heb echter een vraag die meer algemeen is. U weet dat als de termijn van drie jaar in het nieuwe regime wordt nageleefd, er een effectieve belastingdruk van 15 % is. Dat wordt verhoogd naar 18 %, dat weet u ook. Als de reserve vroeger dan drie jaar, of binnen die drie jaar, wordt uitgekeerd, is naast de anticipatieve heffing van 10 % ook nog de klassieke roerende voorheffing van 30 % verschuldigd. Kenners laten mij weten dat als die twee worden gecombineerd, men uitkomt op een totale belastingdruk van 36,36 %. Die uitkomst van 36,36 % is, voor alle duidelijkheid, niet uw verantwoordelijkheid, dat is al lang geleden beslist. Die persoon zegt mij dat de totale belastingdruk dan hoger ligt dan bij een onmiddellijke dividenduitkering en dat dat niet rechtvaardig lijkt. Daarover heb ik drie vragen. Ten eerste, kunt u bevestigen dat bij een uitkering van een liquidatiereserve binnen drie jaar na de aanleg zowel de afzonderlijke heffing van 10 % bij de aanleg als de roerende voorheffing van 30 % bij de uitkering verschuldigd is? Ten tweede, leidt dat in totaal tot een effectieve belastingdruk van 36,36 % en ligt dat percentage dus hoger dan de klassieke roerende voorheffing van 30 %? Ten derde, was het destijds de bedoeling van de regering, gelet op de doelstelling om bij naleving van een termijn van drie jaar een effectieve belastingdruk van 15 % te realiseren, dat bij niet-naleving een zwaardere belasting zou ontstaan dan bij een gewone dividenduitkering? Het zijn vrij technische vragen, maar we kijken uiteraard uit naar uw antwoorden. Ik kan bevestigen dat bij een uitkering van de liquidatiereserve binnen de drie jaar het standaardtarief roerende voorheffing van 30 % van toepassing is. De toepassing van het standaardtarief roerende voorheffing bij een te vroege uitkering van de liquidatiereserve enerzijds is te verantwoorden door het inkorten van de minimale houdperiode om van een verlaagd tarief roerende voorheffing te kunnen genieten van vijf tot drie jaar, anderzijds. Dank u wel. Ik had ook vragen gesteld over de 36,36 %, dus een hoger percentage dan het tarief van de 30 %, maar daar komen we dan later op terug. De terugvordering en de mogelijke wetsaanpassing in het kader van een disproportionele belastingdruk Dit betreft een eerdere vraag uit de vorige legislatuur, waarbij werd ingegaan op het beleid inzake de mogelijke overbelasting bij liquidatiereserves. Toen werd aan de minister van Financiën gevraagd of de afzonderlijke heffing van 10 % kan worden teruggevorderd wanneer een liquidatiereserve ten onrechte werd aangelegd. Uw voorganger bevestigde dat dit mogelijk is en verduidelijkte dat, wanneer een liquidatiereserve onterecht wordt aangelegd, de daaropvolgende dividenduitkering weliswaar aan de gewone roerende voorheffing van 30 % kan worden onderworpen, maar dat de vennootschap in dat geval een bezwaarschrift kan indienen om de 10 % terug te krijgen. De situatie die zich vanaf 2026 kan voordoen is van een andere aard. Wanneer een vennootschap de liquidatiereserve correct aanlegt en vervolgens beslist die binnen drie jaar uit te keren, is er geen sprake van een foutieve toepassing van de wet, maar van een keuze binnen het wettelijk kader. In tegenstelling tot de vroegere situatie lijkt er in dit geval geen rechtsgrond aanwezig te zijn om de afzonderlijke heffing van 10 % via bezwaar te recupereren. Ik heb daarover vier vragen. Ten eerste, kunt u toelichten of het principe van de correlatieve overbelasting van artikel 373, van het WIB 92, zoals in het verleden aanvaard, in dit geval eveneens kan worden toegepast? Ten tweede, zou dit kunnen toelaten dat de afzonderlijke heffing van 10 % alsnog wordt teruggevorderd wanneer de liquidatiereserve binnen drie jaar wordt uitgekeerd, hoewel de aanleg formeel correct was? Ten derde, overweegt de regering, gelet op de disproportionele belastingdruk van 36,36 %, in een wetsaanpassing of een administratieve verduidelijking te voorzien die voorkomt dat een vennootschap die correct gebruikmaakt van de regeling zwaarder wordt belast dan bij een gewone dividenduitkering? Ten vierde, kan een overweging erin bestaan om bij een uitkering binnen drie jaar een roerende voorheffing van 23 % te voorzien, wat zou resulteren in een totale belastingdruk van 30 % in plaats van 36,36 %? Mijnheer de minister, we kijken uit naar uw antwoorden. Mijnheer Van Quickenborne, wat uw eerste vraag betreft, in geval van spontaan betaalde roerende voorheffing kan geen toepassing worden gemaakt van artikel 373, van het WIB 92, omdat er geen sprake is van aanvullende belasting. Ten tweede, nee, in dit geval is het niet mogelijk om de afzonderlijke heffing van 10 % alsnog terug te vorderen. Dit is volledig in overeenstemming met het regeerakkoord, waarin bovendien de wil bestaat om een roerende voorheffing van 30 % toe te passen in het geval van een vervroegde uitkering van de liquidatiereserve. Ik behandel uw derde en vierde vraag samen. Nee, het regime van de liquidatiereserve is bedoeld om de kapitalisatie van kleine vennootschappen te bevorderen door middel van een uitgestelde dividenduitkering. De hervorming van dit regime bestaat erin om enerzijds de minimale houdperiode om van een verlaagd tarief van roerende voorheffing te kunnen genieten in te korten van vijf tot drie jaar en aldus het regime meer af te stemmen op dat van de VVPR-bis, en anderzijds het standaardtarief van roerende voorheffing van 30 % toe te passen bij een te vroege uitkering van de liquidatiereserve. Hoe kom ik tot die 36,36 %? Als je de afzonderlijke heffing van 10 % toepast, vertrekkend van 100 winst, deel je dat bedrag door 1,1 en houd je 90,90 over. Daarop pas je de heffing van 10 % toe, wat neerkomt op 9,09, zodat een liquidatiereserve van 90,09 wordt aangelegd. Wanneer die reserve vervolgens te vroeg wordt uitgekeerd, wordt daarop een roerende voorheffing van 30 % toegepast. Als je die twee heffingen combineert – de anticipatieve heffing van 10 % en de roerende voorheffing van 30 % – kom je uit op een totale belastingdruk van 36,36 %. Nogmaals, dat is niet uw verantwoordelijkheid, mijnheer de minister, maar het gevolg van een eerdere beslissing. De fiscalist die mij daarop heeft gewezen, stelt dat dit niet correct aanvoelt, aangezien de normale roerende voorheffing 30 % bedraagt en hier in dit geval 36,36 % wordt betaald. Hij stelde dan ook voor – slim als hij is, die fiscale expert – de roerende voorheffing niet te schrappen, maar te verlagen tot 23 %, omdat de combinatie van beide heffingen dan opnieuw zou uitkomen op 30 %. Ik heb echter begrepen dat er op dit ogenblik geen plannen in die richting bestaan. Deze fiscale expert zal u zeer dankbaar zijn, mijnheer de minister. Dank u wel. Collega’s, mevrouw Grillaert is afwezig en heeft zich niet laten verontschuldigen. Haar vraag nr. 56009833C vervalt. Nochtans was de minister enthousiast om die te beantwoorden. De impact van het inkorten v.d. verjaringstermijnen voor fiscale inbreuken op de federale begroting Monsieur le ministre, cette question avait été déposée au moment des débats relatifs à la loi portant dispositions diverses, à travers laquelle vous aviez décidé de réduire le délai de prescription d'une infraction fiscale. En l'occurrence, les inspecteurs n'auront plus que sept ans pour contrôler les dossiers pour lesquels il existe des indices de fraude, au lieu des dix ans en vigueur actuellement, et ce avec effet rétroactif à partir du 1 er janvier 2023. En clair, cela signifie, par exemple, que pour quelqu'un ayant fraudé en 2019 sous le régime précédent, l'administration fiscale avait jusqu'en décembre 2029 pour mener son enquête et récupérer les montants dus, alors qu'avec votre réforme les inspecteurs ne pourront plus enquêter que jusqu'à la fin 2026. Me confirmez-vous bien cette information? Par ailleurs, pourriez-vous m'indiquer combien de dossiers sont concernés par cette réforme et combien de dossiers de 2019 et 2020 le sont potentiellement? C'est encore pire pour les déclarations qui impliquent des montages d'optimisation fiscale. Alors que, sous la Vivaldi, nous avions décidé d'étendre les délais à dix ans dans les cas les plus complexes, votre gouvernement a décidé de les réduire à quatre ans, avec effet rétroactif. Cela signifie qu'un montage fiscal sera prescrit à la fin 2026 plutôt qu'en 2032. Me confirmez-vous bien cette information? Pourriez-vous m'indiquer combien de dossiers sont concernés par cette réforme? Avez-vous évalué le manque-à-gagner potentiel pour les finances de l' É tat? Madame Schlitz, le délai de dix ans introduit par la loi du 20 novembre 2022 s'appliquait uniquement à partir de l'exercice d'imposition 2023. Les dossiers datant, par exemple, de 2019 n'étaient donc, de toute façon, pas soumis à ce délai. L'effet rétroactif au 1 er janvier 2023 a précisément pour but que les exercices d'imposition ne soient pas soumis à des délais différents en fonction de l'année visée. Le délai prévu pour les déclarations complexes s'appliquait également à partir du 1 er janvier 2023. Ces cas sont à présent limités à une période d'investigation et d'imposition de quatre ans. En effet, les dossiers concernés par l'exercice 2023 peuvent, par conséquent, être contrôlés jusqu'au 31 décembre de cette année-ci. En cas d'indice de fraude, ce délai sera cependant prolongé à sept ans. Vu la nouveauté de ces dispositions, mon administration n'est pas en mesure de livrer des statistiques sur le nombre de dossiers concernés. Selon nous, il n'y pas d'impact budgétaire. Monsieur le ministre, je vous remercie. Cela dit, je ne peux pas croire que vous estimiez qu'il n'y a pas d'impact budgétaire, alors que vous décidez de réduire la possibilité pour les inspecteurs des impôts de poursuivre des enquêtes relatives à la fraude fiscale. Cela revient à se voiler la face. De deux choses l'une, soit vous nous annoncez que, pour contrebalancer ces pertes fiscales, vous allez engager des inspecteurs, renforcer les effectifs, augmenter les moyens d'investigation et ainsi vous assurer que ces dossiers soient traités comme ils l'auraient été sous le régime précédent soit vous admettez qu'il y aura un impact budgétaire. Ce que vous dites ne tient pas la route, puisque vous nous répétez à longueur de temps qu'il n'y a pas d'argent, qu'il faut faire des économies, qu'il faut aller rechercher des moyens, quitte à faire très mal à la population. Et puis, vous faites des cadeaux fiscaux comme ceux-ci en accordant des faveurs aux fraudeurs à travers plusieurs mesures qui vont mettre des bâtons dans les roues de l'administration fiscale. Et vous nous dites que l'impact budgétaire est inexistant. Franchement, je ne peux pas le croire. J'espère que nous obtiendrons, dans un an, une évaluation de l'impact de cette réforme. Je vous remercie. De personeelsbezetting bij de Bijzondere Belastinginspectie Monsieur le ministre, l’accord de gouvernement prévoit le recrutement de 300 membres du personnel pour la lutte contre la fraude fiscale, en particulier au sein de la BBI, de la lutte contre la fraude sociale, de la police judiciaire et de la justice. Le ministre en charge de la lutte contre la fraude sociale indiquait en novembre dernier que ces 300 inspecteurs seraient en réalité répartis entre la fraude sociale et la fraude fiscale, sans davantage de précisions sur cette répartition. Où en est la mise en œuvre de cet engagement? Combien d’équivalents temps plein étaient dédiés à la lutte contre la fraude fiscale au 31 janvier 2025 et combien d’équivalents temps plein sont actuellement dédiés à la lutte contre la fraude fiscale? Madame Schlitz, l’accord de gouvernement prévoit effectivement le recrutement de 100 membres du personnel pour le SPF Finances, y compris pour l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts (AGISI). Le chiffre de 300 membres du personnel comprend également des recrutements pour la Justice. Conformément à l’accord de gouvernement, l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts travaille actuellement, en collaboration avec mon cabinet, à un projet visant à développer une lutte efficace contre la criminalité fiscale, qui mêle le trafic de drogue, le blanchiment et la fraude fiscale d’organisations criminelles. À cet effet, les besoins en personnel et en moyens légaux seront définis. Au 31 janvier 2025, l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts disposait de 637,2 équivalents temps plein. Au 3 novembre 2025, 632,5 équivalents temps plein sont dédiés à la lutte contre la fraude fiscale au sein de cette administration. Merci, monsieur le ministre, pour ces précisions. Nous continuerons donc à suivre ce dossier important pour faire en sorte qu'il y ait une vraie justice fiscale dans notre pays. De toepassing van de nieuwe administratieve sanctieregeling (10 % heffing en dubbele bestraffing) Mijnheer de minister, sinds de hervorming van artikel 444 van het WIB, ingevoerd met de fameuze programmawet van 18 juli 2025, werd de vroegere belastingverhoging vervangen door een nieuw systeem van administratieve sancties. De circulaire 2025/49 verduidelijkt de concrete toepassing. Wat blijkt na een aantal maanden toepassing van die nieuwe regels, mijnheer de minister? Dat de administratie in gevallen van goede trouw soms de eerste fout herleidt tot 0 %, maar bij een volgende, al dan niet opzettelijke vergissing binnen een periode van vier jaar automatisch het tarief van 20 % toepast. Dat roept vragen op over de rechtsgelijkheid en de proportionaliteit van het systeem. Wanneer de eerste fout wordt beschouwd als niet-bestraffingswaardig en tot 0 % wordt herleid, lijkt het immers onlogisch dat de volgende vergissing automatisch als een tweede fout wordt behandeld en daardoor met 20 % wordt bestraft. Bovendien wordt in de praktijk vastgesteld dat de administratie steevast – een prachtig woord – een eerste rang inroept, ook in situaties waarin vroeger geen belastingverhoging werd toegepast. Daardoor vervaagt het onderscheid tussen kwade trouw en de gewone vergissing, wat het vertrouwen van ondernemingen in de fiscaliteit en in de fiscale rechtszekerheid ondermijnt, collega’s. Ik heb vier vragen. Ten eerste, kunt u bevestigen dat wanneer de administratie een eerste fout herleidt tot 0 % wegens goede trouw, een volgende vergissing niet automatisch als een tweede fout mag worden beschouwd die aan 20 % wordt onderworpen? Ten tweede, hoe wordt in de praktijk bepaald of een belastingplichtige al dan niet te goeder trouw heeft gehandeld? Ten derde, bent u bereid de genoemde circulaire te verduidelijken of aan te passen, zodat de toepassing van de sanctieladder 0 %, 10 %, 20 % beter in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever? Ten slotte, hoe ziet u toe op een uniforme toepassing door de diensten van de FOD Financiën, om te vermijden dat gelijkaardige dossiers toch verschillend worden behandeld? Mijnheer Van Quickenborne, ik zal uw eerste en derde vraag samen behandelen. Wanneer een belastingplichtige een eerste overtreding begaat waarvoor het vermoeden van goede trouw geldt, wordt afgezien van de toepassing van de belastingverhoging. Die eerste overtreding neemt echter wel een rang in. De betrokken overtreding zal dus toch in aanmerking worden genomen voor de bepaling van het percentage van de belastingverhoging dat van toepassing is op een volgende overtreding van dezelfde aard, hetzij het niet indienen van een aangifte, een laattijdige aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, ook wanneer die wordt begaan zonder het opzet de belasting te ontduiken. Bijgevolg zal bij een tweede overtreding van dezelfde aard, eveneens begaan zonder het opzet de belasting te ontduiken, een belastingverhoging van 20 % worden opgelegd. Het percentage van de belastingverhoging voor de eerste overtreding waarvan wordt afgezien, bedraagt immers 10 % en niet 0 %, zoals ook blijkt uit de desbetreffende schalen van belastingverhogingen opgenomen in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De door u aangehaalde circulaire hoeft dus niet te worden aangepast of verduidelijkt, aangezien die in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Ik kom tot uw tweede vraag. Het begrip ‘goede trouw’ is een feitelijk begrip. Bijgevolg oordelen de taxatieambtenaren daarover op basis van de concrete elementen van het dossier. Ik kom tot uw vierde vraag. De circulaire waarnaar u verwijst, bevat de nodige richtlijnen om een uniforme toepassing van artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 te garanderen. Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik betreur dat toch, maar ik denk dat die positie al werd ingenomen op het moment dat we de programmawet hebben behandeld, namelijk dat bij een tweede vergissing, fout of overtreding onmiddellijk 20 % wordt toegepast. U zegt dat er een rang ingenomen wordt, dat is juist, maar op die manier springt men onmiddellijk van 0 % naar 20 %. Ik had het billijker gevonden dat, wanneer een eerste overtreding wordt weggevaagd, bij een tweede overtreding 10 % zou worden toegepast in plaats van 20 %. U houdt echter vast aan die 20 %, waarvan akte. Het fiscale achterpoortje met betrekking tot het verlengen van het vruchtgebruik Mijnheer de minister, in de loop van 2025 vroeg ik naar uw plannen met betrekking tot de gevolgen van een arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2025. In dat arrest oordeelde het Hof dat een overeenkomst tot verlenging van het lenen van een vruchtgebruik geenszins kan worden gekwalificeerd als een verkooprecht. Het gevolg daarvan is, zoals ik toen ook heb gesteld, dat er door dat arrest geen specifieke belasting meer kan worden geïnd op een dergelijk inkomen, waardoor er een heel lucratief fiscaal achterpoortje is ontstaan met betrekking tot het verlengen van dat vruchtgebruik. In juni 2025 hebt u mij geantwoord dat u op de hoogte was van de problematiek maar dat uw administratie het arrest nog aan het analyseren was. We zijn ondertussen opnieuw meer dan een half jaar later. Daarom heb ik nu de hiernavolgende vragen. Wat is het resultaat van de analyse van het arrest van het Hof van Cassatie? Ir sinds juni 2025 daarover nog overleg geweest met Vlaams minister Ben Weyts? Zo ja, wat was de conclusie van dat overleg? Welke acties werden inmiddels ondernomen om het achterpoortje te sluiten? Welke bijkomende acties plant u nog te nemen en welke deadline stelt u daarvoor voorop? Ik kijk uit naar uw antwoord. Wij kijken samen uit naar het antwoord. Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanbesien, dat arrest is recent besproken op het overleg, georganiseerd door de waarnemerspost voor de gewestelijke fiscaliteit. Er kan nu echter nog niet worden ingegaan op acties die mogelijk kunnen worden ondernomen en evenmin op een deadline daaromtrent. Als een eventuele wetswijziging zich opdringt, zal ik ze uiteraard eerst bespreken binnen de regering en die daarna in het Parlement voorstellen. Mijnheer de minister, dat is een kort maar duidelijk antwoord. Het arrest is natuurlijk wel al meer dan een jaar geleden uitgesproken. Dus dat is al een hele tijd. Ik zal u blijven ondervragen en vragen naar de evolutie in het dossier. Ik ben er echter zeker van dat, als de heren Weyts en Jambon hun schouders eronder zetten, de zaak ongetwijfeld opgelost zal geraken. De bankdiensten van Nickel bij bpost Monsieur le ministre, l'annonce de l'arrivée des services bancaires Nickel dans les 654 bureaux de poste belges, en plus des librairies, représente une extension significative des points de vente pour cette filiale de BNP Paribas. Cette initiative soulève des questions quant à la santé financière de Nickel, à son impact sur l'inclusion bancaire des personnes exclues des banques classiques et aux pratiques commerciales mises en place, notamment pour les anciens utilisateurs de bpaid by bpost. En effet, Nickel se positionne comme une solution pour les personnes en situation d'interdit bancaire ou exclues des banques traditionnelles. De plus, elle a grandement accru ses points de vente, ce qui pose question sur sa situation actuelle, est-elle en pleine croissance ou cherche-t-elle une issue pour se maintenir? Enfin, il est essentiel de s'assurer que cette offre reste accessible à tous, sans discrimination, et que les avantages proposés aux anciens utilisateurs de bpaid by bpost ne créent pas d'inégalités pour les nouveaux clients. Mes questions, monsieur le ministre, sont: Quelle est votre analyse de l'extension des points de vente de Nickel dans les bureaux de poste, en plus des librairies? Pouvez-vous nous éclairer sur la santé financière de Nickel, notamment en termes de rentabilité, de garanties offertes par BNP Paribas et de sa capacité à assurer une offre bancaire stable et sécurisée pour les utilisateurs belges? Comment ce partenariat avec bpost contribue-t-il à l'inclusion bancaire des personnes en situation d'interdit bancaire ou exclues des banques classiques? Cependant, ne craignez-vous pas que cela fragilise encore plus les publics ayant eu des soucis bancaires par le passé? Qu'en pense la BNB? Les offres avantageuses proposées aux anciens utilisateurs de bpaid by post pour les inciter à rejoindre Nickel ne risquent-elles pas de créer une discrimination envers les nouveaux clients qui n'ont pas bénéficié de ces avantages? Quelles garanties sont mises en place pour éviter de telles pratiques?​​ Vous vous référez à votre question écrite, je trouve cela "nickel"! M. Dufrane, d'après les publications de BNPP SA et de Nickel, cette dernière est une fintech créée en 2014, dont l'objectif est de proposer des services bancaires accessibles aux populations mal desservies. La décision de Nickel d'étendre son réseau de distribution aux 654 bureaux de poste belges, en plus de ses partenariats existants avec les libraires et les maisons de la presse, traduit une volonté stratégique de renforcer sa présence physique et son accessibilité. Ces mêmes sources indiquent que le modèle dual – digital via une application dédiée et physique via le partenaire de proximité – soutient une mission d'inclusion financière. Les bureaux de poste constituent en effet un réseau étendu qui permet à Nickel d'atteindre des clients éloignés des services bancaires traditionnels. Selon le rapport annuel 2024 de BNPP SA, Nickel a consolidé sa position de numéro 1 des réseaux de distribution pour les comptes courants en France et au Portugal, s'est hissée au deuxième rang en Espagne et a renforcé sa présence européenne. Selon la même source, le réseau de points de vente a connu une croissance de 13,7 % entre la fin 2023 et la fin 2024. Ces évolutions ont fortement contribué à la croissance du chiffre d'affaires de la Financière des Paiements Électroniques (FPE). Le modèle économique de Nickel est simple et évolutif, basé sur une cotisation annuelle fixe d'environ 25 euros. Il revient à chacun de se faire sa propre opinion sur cette expansion, étant entendu que l'augmentation des points de vente tend à démontrer une stratégie axée parallèlement sur la croissance et la digitalisation. D'après les informations publiées sur le site internet de Nickel, son modèle est conçu pour l'inclusion. Les comptes sont accessibles à tous, sans condition de revenus, et les dépenses sont limitées aux soldes disponibles afin d'éviter le risque d'endettement. En s'appuyant sur le réseau étendu de bpost, Nickel peut toucher des personnes qui sont confrontées à des obstacles dans les banques traditionnelles en leur offrant un compte de paiement. Il ressort des publications de BNP Paribas SA qu'elle considère que cette approche réduit l'exclusion financière. En application du droit de l'Union européenne, l'autorité en charge de la supervision de FPE et de ses succursales établies au sein de l'Union européenne est l'Autorité de contrôle prudentiel et de résolution (ACPR). L'ACPR est une autorité française. La Banque nationale de Belgique (BNB), en sa qualité d'autorité de contrôle prudentiel belge des établissements de paiement, s'assure, s'agissant des succursales et, dès lors, notamment de Nickel, du respect des dispositions de droit belge d'intérêt général, en application de l'article 130 de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement. Les établissements de paiement qui exercent leur activité en Belgique par voie de succursale transmettent à la banque des états périodiques relatifs aux opérations effectuées en Belgique à des fins d'informations ou statistiques, conformément à l'article 133 de la même loi. La BNB est soumise à un régime de secret professionnel strict qui l'empêche de communiquer toute information confidentielle relative aux établissements se trouvant sous son contrôle. D'après les informations reprises sur le site de Nickel, les offres promotionnelles destinées aux anciens utilisateurs bpaid sont temporaires et visent à faciliter la transition de ces clients vers les services de Nickel. Les produits bpaid seront ensuite supprimés. Le caractère temporaire de ces promotions est communiqué de manière transparente et uniforme pour l'ensemble des clients. Nickel indique sur son site internet garantir un accès égal et une communication claire des conditions à tous les usagers. M. Dufrane ayant dû nous quitter pour voter dans une autre commission, il écoutera ou lira attentivement la réponse du ministre. De dubbele belastingheffing op inkomsten van burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht Monsieur le ministre, e n France, lorsqu’une société civile immobilière (SCI) est soumise à l’impôt sur le revenu, elle est fiscalement translucide: les bénéfices sont imposés comme des revenus fonciers directement dans le chef des associés, qu’ils soient distribués ou non. Par un arrêt du 2 décembre 2004 (Cass., 2 décembre 2004, F.J.F., 2005, 179), la Cour de cassation belge avait jugé que, compte tenu de cette translucidité, les revenus distribués par une SCI détenue par des résidents belges devaient être considérés comme des revenus immobiliers au sens de la convention fiscale franco-belge du 10 mars 1964, et donc exonérés en Belgique par application de cette convention lorsque l’immeuble détenu est situé en France. L’administration fiscale belge n’a toutefois pas maintenu cette interprétation et a continué de qualifier ces distributions de revenus mobiliers, assimilés à des dividendes au sens de l’article 18 du Code des impôts sur les revenus 1992. Cette approche, confirmée par la Cour de cassation en 2016 et 2017, conduit à une double imposition du même revenu : en France comme revenu foncier, et en Belgique via un précompte mobilier de 30 %. La nouvelle convention fiscale belgo-française, signée en 2021, n’a pas permis de corriger cette situation, alors que la convention fiscale franco-luxembourgeoise du 20 mars 2018 prévoit, dans son protocole, un crédit d’impôt intégral pour l’impôt payé en France sur les revenus perçus via une SCI, ce qui permet d’éviter toute double imposition. Monsieur le ministre, envisagez-vous d’ouvrir des discussions avec les autorités françaises en vue d’une adaptation de la convention fiscale belgo-française de 2021, afin d’y introduire, à l’instar de la convention franco-luxembourgeoise, un mécanisme d’élimination de la double imposition applicable aux revenus issus de sociétés civiles immobilières françaises? Cette question pourrait-elle, par ailleurs, être intégrée aux échanges bilatéraux à venir avec la France, notamment dans le cadre de la révision de la convention relative à l’introduction d’un quota de télétravail transfrontalier? Monsieur Piedboeuf, je n'envisage pas d'ouvrir des discussions avec les autorités françaises en vue d'introduire, dans la convention fiscale belgo-française de 2021, un mécanisme particulier d'élimination de la double imposition applicable aux revenus issus des sociétés civiles immobilières françaises. Cette convention prévoit expressément que, en ce qui concerne la Belgique, la nature des sommes qui sont payées ou attribuées à un associé pour une société civile immobilière française est déterminée conformément aux dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992. Une société civile immobilière française est dotée de la personnalité juridique, de sorte que les sommes qu'elle paie ou attribue à un associé ont la nature de dividendes au regard de l'article 18 du Code des impôts sur les revenus 1992. Cela vaut tant lorsque l'associé est une société que lorsqu'il est une personne physique. Lorsque l'associé de la société civile immobilière française est une société belge, la convention confirme que celle-ci peut bénéficier de la déduction des revenus définitivement taxés. Lorsque l'associé de la société civile immobilière française est une personne physique, la convention ne prévoit pas de mécanisme particulier destiné à éviter la double imposition que vous mentionnez, à savoir l'imposition en France des sommes qui lui sont payées ou attribuées en tant que revenus fonciers et en Belgique en tant que dividendes. Ce résultat n'en est pas moins compatible avec la politique suivie en Belgique, tant sur le plan interne qu'au niveau conventionnel. En effet, ni le Code des impôts sur les revenus 1992, ni les conventions fiscales conclues par la Belgique ne prévoient de mécanisme d'élimination de la double imposition de dividendes dans le chef de personnes physiques résidant en Belgique. D'un point de vue économique, la double imposition qui se produit lorsque la société payant ou attribuant les sommes concernées est une société fiscalement translucide, telle qu'une société civile immobilière française, ne diffère pas fondamentalement de celle qui se produit lorsque la société qui les paie ou les attribue est fiscalement opaque. Ces deux situations ne diffèrent que par le fait que, dans le premier cas, l'imposition a lieu deux fois dans le chef du même contribuable, l'associé, tandis que, dans le second cas, l'imposition a d'abord lieu dans le chef de la société, avant d'avoir lieu dans le chef de l'associé. Monsieur le président, je n'ai pas de réplique. La réponse est claire et nette. Je vous en remercie, monsieur le ministre. Verlieslatende zelfstandige activiteiten Monsieur le ministre, une jurisprudence nombreuse des cours d’appel juge que "remettre les pertes à zéro" est un comportement arbitraire, et partant qui ne peut être admis, de l’administration. En rejetant, en bloc, les frais professionnels déclarés, à hauteur des revenus générés par l'activité professionnelle du contribuable, l’administration a agi de manière arbitraire et n'a pas rapporté la preuve du caractère déraisonnable des frais litigieux. C'est faire preuve d'arbitraire que de rejeter comme déraisonnables des frais sans avoir aucun égard aux comptes des frais professionnels joints aux déclarations fiscales, qui ne révèlent aucune dépense somptuaire ou excessive (Bruxelles, 15 décembre 2020, rôle n°2015/AF/19). Les instructions administratives vont clairement dans ce sens, comme explicité dans la circulaire n°Ci.D.19/324.587 du 1er juin 1982. Les frais qui dépassent de manière déraisonnable les besoins professionnels seront donc réduits à un montant raisonnable et admissible, proportionné à la profession du contribuable. Dans l’appréciation du caractère déraisonnable, le fonctionnaire du fisc doit travailler avec circonspection. Il ne peut l’invoquer à tort ou à travers. Des frais professionnels ne dépassent pas les besoins professionnels du contribuable parce que pour l’année où ils ont été faits le revenu est resté inférieur aux attentes et qu’en raison de ces frais, le résultat est négatif ou modeste. Des frais n’engendrent, en effet, pas toujours les résultats espérés. Cet argument ne peut en tant que tel être utilisé pour rejeter ces frais. Suivre le raisonnement du fisc et de certaines juridictions (qui consiste à ramener les pertes à zéro parce que récurrentes) reviendrait à autoriser illégalement l’administration à décider comment le contribuable doit mener ses affaires, autrement dit, à apprécier l’opportunité des dépenses (Bruxelles, 5 novembre 2015, rôle n°2013/AF/29). Le Commentaire administratif du C.I.R. 1992 mentionne notamment que dans la pratique, l'appréciation du caractère déraisonnable de frais déterminés sera fondée sur des éléments, tant qualitatifs que quantitatifs, propres à ces frais (n°53/188). Sauf erreur, l’article 53, 10°, du C.I.R. 1992 n’a pas été modifié depuis ces commentaires et instructions qui devraient donc toujours être d’actualité. Ces instructions et la circulaire précitées sont-elles toujours d’application? Dans l’affirmative, les fonctionnaires ont-ils la liberté de s’en écarter? Dans quelles circonstances précises? Dans la négative, pourquoi figurent-elles encore dans la doctrine administrative? Je vous remercie de vos réponses. Les directives que vous évoquez relatives au caractère déraisonnable de certaines dépenses professionnelles sont toujours d'application. Pour apprécier le caractère déraisonnable d'une dépense, le fonctionnaire taxateur doit agir avec discernement en se fondant sur des éléments tant qualitatifs que quantitatifs propres à la dépense. La loi n'imposant pas de critères qualitatifs ou quantitatifs spécifiques, le taxateur dispose d'une certaine souplesse pour juger du caractère raisonnable ou non des dépenses professionnelles, pour autant qu'elles ne soient pas fondées sur des critères quantitatifs généraux. Il est rappelé qu'en cas de doute concernant notamment le caractère raisonnable d'une dépense professionnelle, le contribuable peut introduire une demande d'accord préalable auprès de l'administration fiscale. Je remercie monsieur le ministre de sa réponse. Du temps où j'étais conseiller fiscal, le problème était le même parce que cela laisse beaucoup d'arbitraire à l'agent du fisc, mais le ministre confirme cette pratique. De investeringsaftrek en het advies van de administratie Monsieur le ministre, par un avis publié au Moniteur belge du 15 septembre 2025, l'Administration Générale de la Fiscalité publie les pourcentages de la déduction pour investissement 'spécifique' pour les investissements effectués jusqu'au 31 décembre 2024 au cours de la période imposable qui se rattache à l'exercice d'imposition 2026, c'est-à-dire les investissements relevant encore de l'ancien régime de déduction pour investissement (avant sa modification par la loi du 12 mai 2024 pour les immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2025). Pourriez-vous préciser dans quelle hypothèse un investissement effectué en 2024 par un indépendant personne physique pourrait se rattacher à l'exercice d'imposition 2026? Je vous remercie de votre réponse. Pour l'application de l'impôt de personnes physiques, la période imposable coïncide avec l'année précédent celle dont le millésime désigne l'exercice d'imposition. Si une dépense ressortant d'une comptabilité est réalisée en 2024 et se rapporte à un exercice comptable se clôturant en 2025, elle est censée avoir été effectuée à la date de clôture de cet exercice comptable. Une telle dépense se rattache, alors, à la période imposable 2025 et à l'exercice d'imposition 2026. Je vous donne un exemple. Une entreprise personne physique tient une comptabilité régulière. Son exercice comptable va du 1 er janvier 2024 au 31 mai 2025. Une dépense professionnelle relative à cet exercice comptable est censée s'effectuer au 31 mai 2025. Elle se rapporte donc à la période imposable 2025, année calendrier, et donc à l'exercice d'imposition 2026. Monsieur le ministre, en effet, c'est le cas, dans l'exemple que vous avez pris. Mais à mon avis, ce n'est pas toujours ainsi. De definitie van de beroepsactiviteit Monsieur le ministre, Le législateur fiscal n’a jamais jugé utile de définir ce qu’est une activité professionnelle. On explique dans les bonnes écoles qu’il définit ce qu’est une immobilisation considérée comme affectée à l’exercice de l’activité professionnelle à l’article 41 du Code des impôts sur les revenus 1992, mais dans le cadre des plus-values uniquement. À défaut de définition, on enseigne également dans les bonnes écoles (il s’agit de ce que l’on appelle la doctrine privée) que l’on doit se rattacher à la définition qu’en donne la Cour de cassation, définition qu’elle a peaufinée récemment dans son arrêt du 17 novembre 2023 (F.23.0018.F). La Cour décide que « Est professionnelle une activité impliquant la réalisation d’opérations suffisamment fréquentes et liées entre elles pour constituer une occupation habituelle, fût-elle accessoire, ne consistant pas en la gestion normale d’un patrimoine privé ». Certains services du fisc, dont l’inspection contentieux de Charleroi, refusent cette définition sauf si on ajoute « lucrative » entre « occupation » et « habituelle ». Ce que la Cour ne dit pas et n’a jamais dit. Ce service n’en démord pas. À défaut de définition légale, il prétend que « il y a lieu de s’en remettre au sens commun dans le respect du principe de réalité subjective ». Dans ce cadre, poursuit ce service, par profession, il y a lieu d’entendre « une occupation déterminée dont on peut tirer ses moyens de subsistance » (Dictionnaire Robert) ou « une activité régulière exercée pour gagner sa vie » (Dictionnaire Larousse). 1. Pouvez-vous préciser de ce que veut dire la phrase « il y a lieu de s’en remettre au sens commun dans le respect du principe de réalité subjective » ? 2. Faut-il se référer à la définition donnée par la Cour de cassation (de Belgique) concernant des notions de fiscalité belge ou s’en remettre à des dictionnaires français ? 3. Si ce sont les définitions de dictionnaires français qui priment, valent-elles aussi pour la région flamande ? Sauf erreur ou mauvaise compréhension de ma part, le van Dale donne comme signification du mot ‘beroep’ : 1)het te hulp roepen: een beroep op iem. Doen 2)werkkring, ambacht: het beroep van advocaat; een beroep uitoefenen 3)(juridisch) het zich wenden tot een hogere rechtbank om herziening van een vonnis: in hoger beroep gaan. On n’y trouve pas cette idée d’obligation de « lucre ». Je vous remercie de vos réponses. La notion d’activité professionnelle doit s’entendre principalement à la lumière de la jurisprudence de la Cour de Cassation. Selon cette jurisprudence, une activité professionnelle consiste en une activité impliquant la réalisation d’opérations suffisamment fréquentes et liées entre elles pour constituer une occupation habituelle, fût-elle accessoire, ne consistant pas en la gestion normale d’un patrimoine privé. Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Nous avançons. Nous sommes en train d’éclaircir le paysage fiscal belge. Het percentsgewijs uitgedrukte gebruik van de woning voor beroepsdoeleinden Monsieur le ministre, Il arrive fréquemment qu’outre leur lieu de travail (bureau chez un employeur, salle dans une école, magasin pour un indépendant, etc.), un contribuable soit amené pour des raisons qui lui sont propres à travailler également, voire exclusivement, chez lui, à son domicile. Il est alors parfaitement en droit de déduire une partie des frais liés à son immeuble (chauffage, électricité, assurance, nettoyage, remboursement d’un crédit hypothécaire ou non, etc.) Que ce soit en matière d’impôts directs ou de TVA, la proportion entre l’usage privé et l’usage professionnel de la maison ou appartement doit être fixée par le contribuable ou l'assujetti sur la base des circonstances de fait et sous le contrôle de l'administration. Il me semble aller de soi également que ce pourcentage n’est pas immuable; dépendant des circonstances de fait, il peut soit augmenter soit diminuer au fil des années. Il me revient un cas interpellant, certes individuel mais qui vaut de manière générale. Lorsqu’il n’est pas contesté que l’habitation est affectée partiellement à des fins professionnelles et que le pourcentage professionnel a par exemple été fixé à 25 % après visite des lieux par un agent contrôleur, ce pourcentage peut-il, des années plus tard, être subitement ramené à 15 %, par exemple toujours, sans qu’aucune modification n’ait été signalée par le contribuable concerné quant à l’utilisation professionnelle qu’il fait de son bien, et surtout sans qu’aucune nouvelle visite des lieux n'ait été faite par l’agent qui décide de réduire subitement et sans explication le pourcentage initialement convenu ? Ne sommes-nous pas là dans un cas flagrant de comportement arbitraire de la part de l’administration ? Dans l’affirmative, ne convient-il pas de rappeler aux agents quelles sont les règles en vigueur ? Je vous remercie de vos réponses. Monsieur Piedboeuf, s'il ne m'appartient pas de me prononcer sur des situations individuelles, les considérations générales qui suivent peuvent être apportées. En matière fiscale, l'administration et le contribuable peuvent conclure un accord portant sur certaines questions de fait telles que l'évaluation de frais professionnels ou la quotité professionnelle d'un immeuble. Cet accord, qu'il soit explicite ou tacite, lie en principe les deux parties pour l'avenir. Toutefois, l'administration fiscale conserve la possibilité de le dénoncer, à condition d'en informer préalablement et de manière formelle, le contribuable. L'accord initial cesse alors de produire ses effets à partir de la période imposable suivant celle au cours de laquelle la dénonciation de l'accord a été communiquée. Cela repose sur les principes de sécurité juridique et de bonne administration, en vertu desquels les citoyens doivent pouvoir anticiper et évaluer les conséquences juridiques des actes qu'ils accomplissent et des comportements qu'ils adoptent. Ils doivent également pouvoir compter sur une certaine stabilité de la réglementation et des pratiques administratives. Toutefois, lorsqu'un contribuable a obtenu un accord au moyen de données fausses ou volontairement inexactes, il y a lieu de considérer que l'administration n'a pas pu donner son accord en connaissance de cause, les éléments de fait sur lesquels reposait son appréciation étant erronés. Dans un tel cas, l'accord de l'administration est entaché d'un vice de consentement et peut être remis en cause avec effet rétroactif. De même, lorsque les données de fait ayant débouché sur un accord sont modifiées, notamment à la suite d'un changement dans les conditions d'exercice de l'activité professionnelle, l'administration peut revenir sur l'accord à partir de la période imposable au cours de laquelle ces modifications sont intervenues. En effet, dans cette hypothèse, l'accord initial n'est plus valable puisque les éléments de fait ayant fondé l'appréciation de l'administration ont été modifiés par le contribuable. Dans le cas de la fixation d'une quotité professionnelle d'une habitation par l'administration fiscale à la suite d'un contrôle sur place de l'agent taxateur, il paraît clair que la dénonciation de cet accord explicite et la vérification d'une modification dans les conditions de l'exercice de l'activité professionnelle nécessiteront une nouvelle visite de l'agent contrôleur afin de fixer une nouvelle quotité professionnelle. Enfin, lorsqu'un contribuable a déposé une déclaration dans les formes et délais en se basant, pour la compléter, sur un accord conclu avec l'administration et que celle-ci décide, pour l'un des motifs précités, de revenir sur l'accord avec effet rétroactif, cette dernière sera alors tenue d'adresser au contribuable un avis de rectification. En effet, conformément au Code des impôts sur les revenus, lorsque le contribuable a introduit une déclaration valable, l’administration fera connaître, par lettre recommandée, les éléments qu’elle se propose de substituer à ceux qui ont été déclarés ou admis par écrit, en indiquant les motifs qui lui paraissent justifier la rectification. Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour ce rappel des principes généraux, qui pourrait constituer un chapitre entier d’une charte du contribuable. On est totalement d’accord sur le fond et sur vos réponses. Je me réjouis vraiment de la réaffirmation de tous ces principes. De community land trust (CLT) Monsieur le ministre, dans le cadre d’une gestion intelligente de ses activités, une commune peut notamment utiliser la forme juridique du CLT (ce modèle est bcp utilisé en Angleterre). Lorsque la commune, membre du CLT (avec des privés, utilisateurs du terrain qui reste communal), pour en assurer le suivi, concède un bail emphytéotique sur un de ses terrains au CLT, l’administration de l’enregistrement considère, à tort selon moi, qu’il s’agit d’une opération avec bénéficiaires privés et réclame des droits d’enregistrement sur la valeur du canon sur la totalité de la durée du bail. La commune est et reste propriétaire du terrain, elle concède un droit réel à un CLT dont elle est membre, on reste donc dans un gestion publique. Pourriez-vous dès lors: 1) me donner votre interprétation de cette situation? 2) donner instruction à l’administration pour que l’interprétation soit plus conforme aux intérêts publics? Monsieur Piedboeuf, la question vise, le cas échéant, un cas d'enregistrement gratuit en application d'une disposition d'exemption prévue à l'article 161 du Code des droits d'enregistrement. La figure juridique du Community Land Trust, lorsqu'elle est utilisée en droit belge, peut prendre la forme d'une fondation privée de droit belge. D'après les statuts de cette catégorie de fondation, il n'est pas autorisé d'étendre l'exemption de l'article 161, même si, par exemple, un représentant d'une commune se trouvait nommé au sein du conseil d'administration de la fondation. Il n'y a pas d'analogie possible en droit fiscal entre une commune et une fondation privée. Il me semble que, pour apporter une réponse la plus précise possible à cette demande d'exemption, il y a lieu de disposer d'un dossier complet, notamment des statuts précis du Community Land Trust et d'autres pièces justificatives. Pour ce faire, je vous invite à transférer ce dossier complet à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale. Merci beaucoup, monsieur le ministre. C'est en effet un dossier que je connais bien. Le notaire et moi pensions qu'on pouvait bénéficier de l'exonération, puisque c'est un modèle qui est mis en place pour gérer et pour évacuer certains des problèmes d'une vie en communauté. Je vais donc suivre votre conseil et envoyer un dossier complet à l'administration. Pouvons-nous revenir en arrière et passer à la question de M. Dufrane? Ce dernier avait été excusé parce qu’il devait participer au vote dans une autre commission. Bien sûr. Boilerroomfraude Monsieur le ministre, j’ai entendu votre réponse à ma question. Elle était "nickel"! Monsieur le ministre, la FSMA a récemment mis en garde contre les activités de sociétés de type "boiler rooms", qui opèrent de manière irrégulière en Belgique. Ces sociétés contactent des consommateurs pour leur proposer d'investir dans des actions ou d'autres produits financiers, avant de leur rendre impossible le retrait de leurs fonds. Malgré une apparence professionnelle, ces entités ne sont pas agréées et les produits proposés sont souvent fictifs ou sans valeur réelle. Cette forme de fraude repose sur des techniques de manipulation psychologique et financière, avec des promesses de rendements rapides suivies de demandes d'investissements supplémentaires. Les victimes se retrouvent souvent dans l'impossibilité de récupérer leur argent, ce qui soulève des questions sur l'efficacité des mécanismes de protection et de régularisation en Belgique. Mes questions, monsieur le ministre, sont: Quelles méthodes sont utilisées par les autorités belges pour identifier et traquer les sociétés de type "boiler rooms" opérant en Belgique? Comment la collaboration avec la FSMA et les autres régulateurs européens permet-elle de renforcer la détection de ces fraudes? Quel est le sort des fonds investis par les victimes belges dans ces sociétés frauduleuses et quelles procédures de régularisation ou de récupération sont envisagées pour limiter les pertes financières subies par les particuliers et les entreprises? Avez-vous des chiffres concernant le nombre d'entreprises et de particuliers ciblés? Envisagez-vous de renforcer la communication et la sensibilisation du public aux risques liés aux "boiler rooms", notamment en ciblant les particuliers et les petites entreprises, qui semblent particulièrement vulnérables à ces pratiques frauduleuses? Quelles mesures supplémentaires votre administration compte-t-il mettre en œuvre pour prévenir ces fraudes, notamment en améliorant la transparence sur les sociétés agréées et en facilitant l'accès du public aux informations sur les mises en garde de la FSMA? Monsieur Dufrane, la fraude de type "boiler room" est une forme de fraude à l’investissement qui consiste à contacter des investisseurs potentiels afin de leur proposer l’achat d’actions ou d’autres produits financiers. Les escrocs soumettent le consommateur à une très forte pression, le poussant à verser toujours plus d’argent, d’où l’appellation anglaise de "boiler room". Au final, le consommateur ne récupère jamais les montants investis. Comme vous le mentionnez, la FSMA met régulièrement le public en garde contre de telles pratiques et, plus généralement, contre les activités de sociétés agissant de manière irrégulière sur le territoire belge. Dans son cadre légal et réglementaire, la FSMA dispose de pouvoirs d’investigation lui permettant de traquer les différentes formes de fraude à l’investissement. Toutefois, ces fraudes se développant rapidement et à l’échelle mondiale, les combattre efficacement ne peut s’envisager sans une coopération internationale forte et sans l’aide des fournisseurs des plateformes utilisées par les fraudeurs. Dans ce contexte, la FSMA a soutenu une initiative récente de l’Organisation internationale des commissions de valeurs (IOSCO), présidée depuis 2022 par le président de la FSMA. Cette organisation a lancé un appel aux fournisseurs de plateformes, moteurs de recherche internet, réseaux sociaux et fournisseurs d’applications afin qu’ils suivent cinq mesures visant notamment à mieux détecter les fraudes à l’investissement, à supprimer les contenus liés à ces fraudes et à établir des canaux de communication directs avec les régulateurs financiers et les autorités gouvernementales. Dans le prolongement de cette initiative, l’Autorité européenne des marchés financiers (ESMA), dont la FSMA est membre, a adressé une lettre aux grandes plateformes actives dans l’Union européenne, à savoir X, Meta, TikTok, Alphabet, Telegram, Snap, Amazon, Apple, Reddit et Google, afin de les encourager à prendre des mesures proactives dans la lutte contre la fraude en ligne. Lorsque la FSMA publie un avertissement concernant un site web frauduleux, elle transmet également le dossier aux autorités judiciaires et demande systématiquement au parquet de bloquer l’accès du public à ce site. Des accords pratiques ont été conclus à cet effet avec la section Ecofin du parquet du procureur du Roi de Bruxelles. Au cours du premier semestre 2025, la FSMA a ainsi mis en garde contre 138 sites web frauduleux dont elle a demandé le blocage aux autorités judiciaires. En outre, depuis avril 2025, la FSMA est partenaire de confiance du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB). Celui-ci a développé le Belgian Anti-Phishing Shield (BAPS), un système permettant de rediriger les citoyens qui tentent d’accéder à un site web douteux vers une page d’avertissement. Depuis lors, et à titre indicatif, 121 noms de domaines frauduleux différents ont été introduits par la FSMA et 11 590 adresses IP individuelles ont été redirigées vers une page d'avertissement au lieu d'un site web frauduleux. En ce qui concerne le sort des fonds investis et les procédures de régularisation ou de récupération que vous évoquez, il s'agit ici de dommages résultant d'infractions pénales, dont la poursuite éventuelle et la réparation sur le plan civil relèvent de la compétence des cours et tribunaux. Je vous renvoie donc à ce sujet vers ma collègue, la ministre de la Justice. En ce qui concerne le nombre d'entreprises et de particuliers ciblés, au cours du premier semestre 2025, la FSMA a reçu 1 289 signalements de consommateurs concernant des fraudes à l'investissement et d'autres offres irrégulières de services et produits financiers, contre 1 332 signalements au cours du premier semestre 2024. Un peu moins de 60 % de ces signalements étaient des plaintes de consommateurs ayant perdu de l'argent à la suite d'une fraude à l'investissement ou d'une escroquerie au faux crédit. Ce nombre important de signalements peut être interprété comme un indicateur positif de l'efficacité des campagnes de prévention, en ce qu’elles incitent davantage les citoyens à reconnaître les risques et à alerter les autorités avant qu'un préjudice financier ne survienne. Au vu de ces chiffres, la sensibilisation, la prévention et l'éducation des consommateurs de produits financiers sont d'une importance capitale. Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. La FSMA doit jouer un rôle dans la protection des investisseurs face à la fraude des "boiler rooms". Je vous remercie donc d'avoir relevé l'initiative de l'IOSCO en lien avec ces grandes plateformes. Je ne doute pas que vous agirez pour limiter la présence de ces opérateurs frauduleux et que des solutions seront trouvées pour les personnes et les entreprises lésées. Comme vous le suggérez, j'interrogerai Mme la ministre de la Justice sur le sujet. De dubbelbelastingverdragen en onderhoudsgelden Monsieur le ministre, il me revient que certains contrôleurs et contrôleuses de l'administration réclament du précompte professionnel sur des rentes alimentaires versées par un débirentier résident belge à ses enfants qui habitent en Inde. Je pense qu’ils se trompent et occasionnent ainsi par méconnaissance des règles applicables des pertes de temps et d’argent à leur répondre, sans garantie qu’ils s’inclineront. Pouvez-vous marquer votre accord sur le raisonnement suivant? Les conditions habituelles de déduction des rentes alimentaires dans le chef du débirentier sont également applicables lorsque la rente est payée par un résident belge à un bénéficiaire établi à l’étranger. Deux conditions supplémentaires sont toutefois exigées, à savoir que le débirentier: - doit retenir un précompte professionnel qui s’élève à 26,75 % des 80 % des sommes versées; - doit mentionner ces sommes sur une fiche 281.30. Concernant le 1er tiret, il faut examiner ce que dit la convention préventive de double imposition (CPDI) conclue éventuellement par la Belgique avec le pays où réside le bénéficiaire. Lorsque le bénéficiaire réside dans un pays avec lequel la Belgique a conclu une CPDI attribuant le pouvoir d’imposer la rente à l’État de résidence du bénéficiaire, le précompte professionnel ne doit pas être retenu, sous réserve de la présentation de la preuve de la résidence du bénéficiaire dans le pays concerné. La Belgique et l’Inde ont signé une CPDI qui attribue le droit d’imposer ce revenu à l’État de résidence du bénéficiaire, c’est-à-dire l’Inde. Dès lors, si la résidence fiscale en Inde du bénéficiaire est attestée, le précompte professionnel n’a pas à être retenu, mais la déclaration et la fiche restent nécessaires. Si vous pouvez marquer votre accord sur mon analyse, ne pensez-vous pas nécessaire de rappeler aux contrôleurs dans l’erreur quelles sont les règles applicables en matière de déduction en Belgique des rentes alimentaires versées à un crédirentier établi à l’étranger? Je vous remercie de vos réponses. Contrairement à ce que vous avancez, les conditions légales pour pouvoir déduire une rente alimentaire sont indépendantes des obligations en matière de précompte professionnel et d'établissement de fiches de revenus. En droit interne, une rente alimentaire payée à une personne résidant à l'étranger qui remplit ces mêmes conditions légales est en principe imposable en Belgique, dans le chef du bénéficiaire, à l'impôt des non-résidents. En principe, la personne qui paie une telle rente alimentaire doit introduire une déclaration au précompte professionnel, verser ce précompte au Trésor et introduire la fiche de revenus ad hoc . Lorsque des rentes alimentaires sont payées par un résident de Belgique à un résident d'Inde, la convention préventive de la double imposition conclue entre ces deux États donne le pouvoir d'imposition à la Belgique, car ces rentes proviennent de Belgique. Il appartient à l'Inde de résoudre alors la double imposition en imputant l'impôt belge sur l'impôt indien. Les impositions faites par mon administration dans ces circonstances sont donc justifiées. Les rentes alimentaires font l'objet d'actions en gestion des risques. Cette gestion des risques concerne, d'une part, la vérification du respect des conditions de déduction des rentes alimentaires et, d'autre part, l'obligation de versement du précompte professionnel pour des rentes versées à l'étranger. Pour les paiements à des non-résidents de la Belgique, il est donc vérifié si le précompte professionnel a été payé et, lorsque ce n'est pas le cas, si les conditions de dispense du versement dudit précompte sont respectées. Lorsque le précompte professionnel n'est pas payé et que les conditions ne sont pas remplies, le précompte professionnel doit être enrôlé. Les agents de taxation appliquent, lors du contrôle, les dispositions légales en vigueur, en tenant compte des éléments spécifiques propres à chaque dossier. Merci monsieur le ministre. Votre réponse est très claire. De inkoop van eigen aandelen door een vennootschap Monsieur le ministre, par sa question parlementaire n°142 du 7 novembre 1995, mon collègue Daniel Bacquelaine avait demandé que lui soit confirmé que lorsqu’une société acquiert gratuitement pour annulation ses propres actions et si la valeur réelle des actions rachetées est inférieure à la quote-part du capital libéré (suite à des pertes reportées par exemple) que: · il ne se dégage pas de dividende au sens de l’article 186 du Code des impôts sur les revenus 1992 (C.I.R. 1992) puisque la différence entre la valeur réelle des actions et leur quote-part dans le capital est négative; · la seule conséquence fiscale de cette annulation, est donc la réduction du capital fiscal représenté par les actions annulées? Il lui avait été répondu que la question posée a incité l’administration à procéder à un réexamen approfondi de la problématique du rachat par une société de ses propres actions et notamment de la nature du capital qui doit être réduit en cas d’application de l’article 186 du C.I.R. 1992. Cet examen était toujours en cours au moment de la réponse fournie et votre prédécesseur a promis que dès que les conclusions lui en auront été communiquées, il ne manquera pas d’en informer l’honorable Membre. Je n’ai rien vu passer depuis lors à ce sujet dans la littérature administrative. Si cet examen a effectivement eu lieu et est terminé, peut-on en connaître le résultat? Je vous remercie de votre réponse. Je n'ai effectivement vu aucun commentaire sur cette question qui aurait été publié au cours de législatures antérieures. Cela étant, l'article 186 du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 1992) prévoit que "lorsqu'une société acquiert de quelque façon que ce soit ses propres actions ou parts, l'excédent que représente le prix d'acquisition, ou à défaut, la valeur de ces actions ou parts, sur la quote-part de la valeur réévaluée du capital libéré représenté par ces actions ou parts est considéré comme un dividende distribué". En l'occurrence, la question précise bien que la valeur réelle des actions rachetées est inférieure à la quote-part du capital libéré. À cet égard, je peux confirmer qu'en l'absence d'excédent, l'application de l'article 186 du CIR 1992 n'entraîne aucune taxation des dividendes distribués. À la suite de l'annulation des actions ou parts, conformément au Code des sociétés et des associations, le capital libéré est réduit à concurrence de la quote-part de celui-ci représenté par les actions ou parts acquises. Il est compensé par une réserve taxée incorporée au capital, qui interviendra dans la détermination de la base imposable de la société, vu le caractère gratuit de l'opération. Vous voyez, monsieur le président, que les législatures changent, mais les réponses évoluent aussi. De definitie van de beroepsactiviteit versus de economische activiteit Monsieur le ministre, le législateur fiscal n’a jamais défini ce qu’est une activité professionnelle en matière d’impôts directs. En matière de TVA, on parle d’activité économique (article 4, § 1er). L’article 9, § 1er, alinéa 2, de la Dir. 2006/112/CE précise que les activités économiques visées sont toutes les activités de producteur, de commerçant ou de prestataire de services, y compris les activités extractives, agricoles et celles des professions libérales. L’article 1er, § 21, CTVA dit: "… on entend par "activité économique", toute activité de producteur, de fournisseur de biens ou de prestataire de services, y compris les activités extractives, agricoles et celles des professions libérales ou assimilées. (…). Il suffit, mais il est indispensable, que cette activité vise à retirer une recette ayant un caractère de permanence." Dans le cadre d’une activité indépendante exercée à titre accessoire, certains fonctionnaires estiment qu’elle ne peut pas être en perte. Or aucune disposition légale ne va dans ce sens, sinon il serait inutile de prévoir par les articles 78 à 80 du CIR 1992 la manière dont s’imputent les pertes professionnelles. Je souhaite vous poser les questions suivantes. 1. Si on peut sans aucun risque fiscal être en perte au niveau de la TVA , en matière d’impôts directs, des instructions ont-elles été données aux fonctionnaires taxateurs, et à ceux chargés d’examiner le contentieux administratif, qui leur enjoignent de rejeter les pertes professionnelles encourues dès lors que celles-ci présentent un caractère de récurrence? 2. Combien d’années l’administration donne-t-elle à une activité indépendante pour devenir rentable au sens de ce qu’elle entend ? 3. Est-il et même doit-il être tenu compte du fait qu’une activité indépendante, accessoire ou non, peut connaître des périodes moins fastes (années COVID, perte d’un client important, etc.), être globalement en perte à la suite de ces événements, mais redevenir ensuite ‘rentable’? 4. Existe-t-il des instructions, à défaut de dispositions légales, qui interdisent de financer une activité professionnelle indépendante accessoire au moyen des revenus d’une activité professionnelle exercée à titre principal? Je vous remercie de vos réponses. Monsieur Piedboeuf, tout d'abord, aucune disposition légale n'interdit qu'une activité indépendante, principale ou accessoire, soit déficitaire. Le Code des impôts sur les revenus 1992 prévoit expressément l'imputation des pertes professionnelles. Il n'a pas été donné d'instruction générale aux fonctionnaires visant à rejeter systématiquement les pertes dès lors qu'elles présentent un caractère récurrent. Mon administration examine chaque situation au cas par cas, en vérifiant que l'activité est exercée dans un but réel de lucre et qu'elle ne constitue pas une activité purement privée. Ensuite, il n'existe pas de délai légal ou réglementaire imposant qu'une activité devienne rentable dans un nombre déterminé d'années. L'administration fiscale apprécie la situation en fonction des circonstances concrètes et de la preuve apportée par le contribuable quant au caractère professionnel de l'activité. Il est tenu compte, bien évidemment, des aléas économiques et des événements exceptionnels tels que la crise sanitaire liée au Covid-19 ou encore la perte d'un client important. Une activité peut connaître des pertes temporaires sans que cela remette en cause son caractère professionnel dès lors qu'elle conserve une perspective de revenus futurs. Par ailleurs, aucune disposition légale ni instruction administrative n'interdit de financer une activité indépendante accessoire au moyen des revenus d'une activité principale. Les pertes professionnelles peuvent être imputées, conformément aux règles prévues par le CIR 1992. Monsieur le ministre, je vous remercie. Nous venons d'écrire une nouvelle page dans la Charte du contribuable! Zelfstandigen in bijberoep Monsieur le ministre, de manière assez régulière, l'administration conteste la déduction de frais professionnels par les contribuables qui se sont lancés dans une activité indépendante à titre accessoire, au motif que les frais sont plus élevés que les revenus provenant de ladite activité. L’attitude du fisc à cet égard est incohérente: tant que l’activité se solde par des pertes, il s’agit d’un hobby, dès qu’elle devient bénéficiaire, ce n’est plus un hobby mais une véritable activité professionnelle taxable. N’ayons pas peur de dire que ce qui indispose par-dessus tout les fonctionnaires taxateurs, c’est que ces pertes s’imputent sur d’autres revenus professionnels. Dès que l’administration considère que des frais indubitablement professionnels ne sont pas déductibles, le contribuable peut-il demander et obtenir une attestation de son contrôleur que son activité accessoire constitue en réalité un hobby et qu’il n’a plus rien à déclarer la concernant, même pas si elle devient ou redevient un jour bénéficiaire? Si non, pourquoi? Merci de vos réponses. L’administration fiscale est tenue d’appliquer les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992. Celui-ci prévoit que les frais professionnels sont déductibles lorsqu’ils répondent aux conditions de l’article 49, à savoir qu’ils doivent être exposés en vue d’acquérir ou de conserver des revenus imposables. Il est exact que, dans certaines situations, l’administration conteste la déduction de frais lorsque l’activité indépendante accessoire se solde de manière récurrente par des pertes. Cette appréciation ne repose pas sur une qualification de "hobby", mais sur l’examen de la réalité économique de l’activité et de son caractère professionnel. L’administration doit vérifier si l’activité est exercée dans un but de lucre réel et non comme une activité purement privée. Il est par ailleurs de jurisprudence que la disproportion récurrente entre les revenus obtenus et les charges postulées dans le cadre de l’activité indépendante, l’importance des pertes enregistrées, l’absence d’évolution de cette tendance et l’absence de perspective quant à un résultat positif démontrent que, à l’entame des périodes imposables litigieuses, l’activité ne présente aucun indice de rentabilité et qu’il apparaît déraisonnable d’exposer de tels frais dans ce contexte. En outre, il n’est pas possible pour un contribuable d’obtenir une attestation de son contrôleur fiscal indiquant que son activité accessoire constitue un hobby et qu’il n’a plus rien à déclarer. Une telle attestation n’est en effet pas prévue par la législation fiscale. La qualification d’une activité relève de l’appréciation concrète des faits du dossier, année par année, et peut évoluer dans le temps. L’administration ne peut, de surcroît, délivrer un document qui exonérerait par avance un contribuable de ses obligations déclaratives futures. Je vous remercie, monsieur le ministre. Il va de soi que la dernière question était un clin d’œil. Dans ma pratique professionnelle, j’ai rencontré des gens qui, par exemple, étaient disc-jockey, aimaient cela, investissaient des montants importants dans du matériel, étaient constamment en perte et dans ce cas l’administration rejetait ces pertes au motif qu’il s’agirait d’un hobby. Cela peut faire rire mais il est vrai que dans certains cas, on oblige des gens à s’assujettir pour des activités accessoires alors que cela est un non-sens. Cela crée des problèmes de contrôle et des discussions, alors qu’il semblerait parfois plus simple de considérer qu’il s’agit d’une activité de loisir. Je vous remercie pour votre réponse, qui correspond à la position de l’administration. Il est donc entendu qu’il n’y aura pas de nouveau formulaire attestant qu’une activité relève du hobby. Bezwaarschriften en de administratieve instructie 'proces 110' Monsieur le ministre, j’ai déjà eu l’occasion d’interroger vos prédécesseurs sur le "processus 110 dans le cadre du contentieux administratif" (mes questions orales 22864 du 24 janvier 2018, Compte Rendu Analytique, 2017-2018, Com 803, pp. 24-25 et 25777 du 13 juin 2018, Compte Rendu Intégral, 2017-2018, Com 921, pp. 23-25). Il m’a été confirmé à l’époque l’existence d’une instruction administrative, dite "processus 110", secrète et interne mais que tout le monde connaissait, qui oblige les fonctionnaires fiscaux à rejeter les réclamations en matière d’impôts sur les revenus lorsqu’elles ne contiennent aucun grief ou argument nouveau par rapport à la réponse qu’ils avaient donné à l’avis de rectification. Il a été dénoncé de toutes parts que dans ces conditions, la procédure de réclamation n’avait plus aucun sens. Monsieur le ministre, pouvez-vous me dire si cette instruction est toujours de mise? Si non, à partir de quand a-t-elle été supprimée? Monsieur Piedboeuf, le processus 110 est toujours d'application. Ce processus ne contient aucune disposition obligeant les agents traitant une réclamation à rejeter systématiquement le recours lorsqu'il ne contient pas de nouveaux arguments. Lorsque le contribuable introduit un recours, le dossier est, dans la mesure du possible, attribué à un autre agent du service d'expertise, lequel n'a pas participé à la discussion dans le cadre du contrôle. Il est important de souligner que le recours est toujours examiné sur le fond. L'agent de l'équipe d'expertise instruit le recours et consulte l'agent taxateur en cas de nouveaux arguments avancés par le contribuable. Évidemment, si le recours ne contient aucun élément nouveau par rapport à ce qui a déjà été examiné lors de la phase précontentieuse, la position précédemment adoptée peut, le cas échéant, être confirmée. Cela se fait sur la base d'une décision motivée dont les motifs peuvent être identiques à ceux déjà communiqués au contribuable. La procédure prévue dans le processus 110 garantit ainsi un nouveau traitement objectif et rigoureux du recours, sans rejet automatique en l'absence de nouveaux arguments. Je terminerai par une réponse biblique. Ainsi soit-il! Je vous remercie, monsieur le ministre. De efficiëntie en transparantie v.d. overheidssubsidies en investeringspremies aan ondernemingen Het jongste rapport van de NBB over bedrijfssubsidies De 25 miljard euro aan steun voor de bedrijven De bedrijfssubsidies en het verslag van de NBB M. Bayet s’est excusé. Volgens recent onderzoek van de Nationale Bank van België bedroegen de totale overheidssubsidies en investeringspremies aan ondernemingen in België in 2024 circa 25,1 miljard euro, ofwel 4,1 % van het bbp. Dat niveau ligt minstens 1,5 procentpunt hoger dan het gemiddelde in de eurozone en onze buurlanden. Wat de federale bevoegdheden betreft, vormen de vrijstellingen van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, met 4,39 miljard euro, en de gerichte verminderingen van de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid, met 926 miljoen euro, de belangrijkste pijlers in het verhaal. De Nationale Bank plaatst ernstige vraagtekens bij de efficiëntie van die geldstromen. Het Rekenhof bekritiseerde al in 2019 de vrijstellingen van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing als zijnde gebaseerd op een complexe en onduidelijke wetgeving, wat volgens mij haaks staat op de ambitie van efficiëntie die we met de regering hebben. Welke spending reviews worden er gepland? Heeft de regering de ambitie om bepaalde fiscale subsidies te beperken? Zo ja, wat is de inhoud ervan? In het regeerakkoord is overeengekomen om een spending review met betrekking tot de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op te maken. Dat is ook logisch, gezien de exploderende kostprijs. Ondertussen kost het regime jaarlijks al bijna 5 miljard euro. Wanneer komt die spending review er en wanneer mogen we daarvan resultaten verwachten? Welke concrete en bindende afspraken zijn gemaakt om te garanderen dat de meest kostelijke federale loonsubsidies structureel en periodiek aan een diepgaande kosten-batenanalyse worden onderworpen in het kader van de geplande spending reviews ? De Nationale Bank wijst op het belang van transparantie, zoals ook geïllustreerd door het Vlaamse subsidieregister. Conform het regeerakkoord moet er een sociaal register waarin alle sociale bijstand en voordelen worden meegenomen, worden ingevoerd. In een soortgelijk register voor fiscale steunmaatregelen is niet voorzien. Wat is uw visie op het belang van een uniforme en publiek toegankelijke federale inventarisatie of dus een register van alle fiscale subsidies en investeringspremies, om zo ook het toezicht en de efficiëntie van 25 miljard euro aan middelen te verbeteren? Ten slotte, waarom zijn de totale overheidssubsidies en investeringspremies aan ondernemingen in België volgens u veel hoger dan in onze buurlanden en welke regelingen zouden daar de oorzaak van zijn? Monsieur le ministre, un nouveau rapport de la BNB a mis en évidence le montant extrêmement élevé des subventions que verse l' é tat belge chaque année aux entreprises. Ces subventions totaliseraient près de 4 % du produit intérieur brut de la Belgique, soit 25 milliards d'euros. Ces subventions sont versées pour diverses raisons, certaines louables et d'autres moins: compenser la pression fiscale belge sur le travail, stimuler l'innovation, favoriser l'emploi des groupes vulnérables, ou encore renforcer la compétitivité. Le montant de ces subventions soulève certaines questions quant à leur nécessité et leur efficacité, d'autant plus dans une période durant laquelle vous recherchez de l'argent de tous les côtés. Monsieur le ministre, prévoyez-vous un audit de ces aides, notamment en vue de vérifier si des compagnies profitent injustement du système et réalisent des surprofits injustifiés grâce à ces aides? Lors des négociations budgétaires, j’aurais voulu vous demander si l'option de toucher à ces subsides était sur la table dans le cadre des négociations. Aujourd’hui, je vous demande si vous souhaitez réaliser un audit et revoir le montant de ces subventions pour l'année prochaine, par exemple. Monsieur le ministre, dans les tableaux budgétaires, vous indiquez vouloir diminuer certaines subventions aux entreprises, comme la dispense de versement du précompte professionnel, pour un montant de 107 millions en 2027, de 246 millions en 2028, et de 148 millions en 2029. Le Bureau fédéral du Plan estime le soutien public aux entreprises à 15 milliards d'euros. La dispense du versement du précompte professionnel, à elle seule, s'élève à 4,4 milliards en 2024. Dans la presse, on peut lire qu’il reste encore plusieurs éléments à définir. Monsieur le ministre, cette réduction de la dispense s'appliquera-t-elle à tous les régimes de travail (travail de nuit, travail d'équipe, chercheurs, etc.) ou seulement à des régimes spécifiques? Comment expliquez-vous l'oscillation de l'impact budgétaire de cette non-indexation? Pourquoi l'impact diminue-t-il entre 2028 et 2029? Chers collègues, le 18 juillet 2025, le Conseil des ministres a décidé quelles seraient les trois spending reviews qui seraient lancées en 2026. L’une d’entre elles porte sur l’exonération du précompte professionnel pour la R&D, les heures supplémentaires ainsi que le travail de nuit ou en équipe. Le gouvernement attend son résultat . Voor het antwoord op de vraag over het belang van transparantie kan ik verwijzen naar de laatste paragraaf van de conclusie van het artikel van de Nationale Bank van België. Ik citeer: “De afgelopen jaren hebben de overheden bepaalde subsidies hervormd of afgeschaft, deels op basis van uitgavenbeoordelingen. Om dergelijke beoordelingen uit te voeren, is meer transparantie over subsidies en de ontvangers ervan nodig. Het Vlaams subsidieregister kan in dit opzicht als voorbeeld dienen. In het middellange termijnplan voor de begrotingsstructuur, dat bij de Europese Commissie is ingediend, heeft de federale regering toegezegd een aantal uitgavenbeoordelingen uit te voeren. Een kritische beoordeling van het huidige subsidiebeleid op alle bestuursniveaus is in elk geval essentieel gezien de noodzaak van begrotingsconsolidatie”. Voor het antwoord op de vraag over de verschillen tussen ons land en onze buurlanden verwijs ik naar sectie drie van het artikel van de Nationale Bank en de vierde paragraaf van de conclusie van het artikel. De subsidies in België zijn hoger dan in de buurlanden en liggen minstens 1,5 % van het bbp boven het gemiddelde van de eurozone. In 2000 was dat nog niet het geval. Het niveau van de investeringssubsidies in België ligt echter iets onder het Europees gemiddelde. De aanzienlijke stijging van de subsidies in de afgelopen decennia en het verschil met de buurlanden kunnen bijna volledig aan loonsubsidies worden toegeschreven. De doelstellingen die de regering aanvoert om het gebruik van die subsidies te rechtvaardigen, zijn onder meer het versterken van het internationale concurrentievermogen van Belgische bedrijven, het integreren van bepaalde kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt en het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling. Monsieur Bilmez, cette mesure fait partie de l'accord budgétaire et sera reprise dans le projet de loi-programme qui sera bientôt déposé au Parlement. La réponse à votre première question apparaîtra clairement à la lecture de ce texte déposé, mais je peux d'ores et déjà vous informer que la mesure s'applique à tous les régimes. En ce qui concerne votre deuxième question, la diminution de la recette de la mesure s'explique par la diminution des recettes de précompte professionnel entre 2028 et 2029, suite à l'augmentation de la quotité exemptée (réforme IPP). Par conséquent, le montant de dispense de précompte professionnel diminuera lui aussi entre 2028 et 2029. Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden. Ik ben uiteraard tevreden met uw erkenning dat er op dat vlak nog werk op de plank ligt. De regering focust op efficiëntie, zowel bij de inkomsten als bij de uitgaven. Op het vlak van de subsidies moeten we dus nog een weg afleggen. De eerste stap is gezet en u hebt daarvoor onze steun. We zullen het dossier zeker blijven opvolgen. Ik ben er vooral over tevreden dat u, verwijzend naar het rapport, het pleidooi voor het belang van transparantie steunt. U noemt ten slotte vooral de loonsubsidies als verklaring voor de gigantische stijging van de uitgaven. Op dat vlak is er de komende jaren nog veel werk aan de winkel. We zullen dat samen aanpakken. Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. J'entends qu'une étape positive sera déjà franchie cette année avec cette évaluation dans trois domaines. Aujourd'hui, dans une période où on met la pression sur la grande majorité de la population dans cette recherche de moyens, sans parler de l'augmentation de la TVA qui heurtera toute une série de secteurs, on ne peut pas continuer à naviguer à vue concernant les subsides aux entreprises. Ces subsides doivent aujourd'hui poursuivre des objectifs sociétaux et de bien commun: insertion socioprofessionnelle de personnes vulnérables, création d'emplois, etc. Vous pouvez également poursuivre les objectifs climatiques qui devraient figurer dans le cadre des subsides aux entreprises. Nous devons bien sûr évaluer ces subsides, pour s'assurer qu'ils poursuivent bien des objectifs ambitieux, mais surtout pour les maintenir dans ces domaines. Il y a vraiment du pain sur la planche en la matière et nous continuerons dès lors à suivre ce dossier avec beaucoup d'intérêt. Merci, monsieur le ministre, pour ces réponses claires et concrètes. Je voudrais juste rappeler que ces dispenses ont vraiment explosé. En 2005, il y a donc 20 ans, elles s'élevaient à 190 millions d'euros en 2005; aujourd'hui, il s'agit de 4,4 milliards d'euros. L'économie de 200 millions prévue sur ce montant par le gouvernement représente moins de 2 % du total. Alors qu'on augmente la TVA et qu'on attaque les travailleurs via le vol de l'index, il me semble qu'on pourrait en faire plus à ce sujet. Je vous entends dire qu'il faut des évaluations. Cela me parait déjà très bien, mais ces aides ne sont pas du tout conditionnées. Les entreprises qui reçoivent des millions et des millions d'euros en subventions peuvent toujours délocaliser, partir ou supprimer des emplois. Il nous semple que l'on pourrait très facilement conditionner ces aides à de la création d'emploi, ce qui n'a pas été fait. Le rapport de la Cour des comptes remet d'ailleurs en question l'idée qu'une partie de ces aides aurait effectivement créé de l'emploi. Nous estimons donc qu'il ne suffit pas de faire des ajustements à la marge, mais qu'il convient d'examiner ce système en profondeur, car son coût dépassera les 18 milliards d'euros par an en 2029. M. Bayet s’est excusé. Ses questions, n°56010322C et 56010324C sont postposées. De btw-omzendbrief en de toepassing ervan op woonmaatschappijen Geachte minister, inzake het verbruik van energie in een appartementsgebouw, kan een rechtspersoon-eigenaar, als het verbruik overwegend niet zakelijk is, een verklaring afleggen bij de leverancier om een verlaagd btw-tarief van 6% te bekomen. Zowel een vme als een woonmaatschappij kunnen zo'n verklaring afleggen. In circulaire 2023/C/65 is deze regeling nog verduidelijkt. Op vraag 8 van deze FAQ, inzake de verhuur van appartementen met collectieve sociale gaslevering door een sociale huisvestingsmaatschappij waarbij de sociale huisvestingsmaatschappij een contract sluit met de gasleverancier, luidt het antwoord als volgt: 'Een sociale huisvestingsmaatschappij wordt als rechtspersoon in de regel aangemerkt als een bedrijf waarbij inzake accijnswetgeving wordt uitgegaan van een zakelijk gebruik van door de gasleverancier via het distributienetwerk geleverde gas. Het tarief zakelijk gebruik zal dan van toepassing zijn. De sociale huisvestingsmaatschappij kan evenwel een verklaring bezorgen aan de energieleverancier dat het gaat om een hoofdzakelijk niet-zakelijk gebruik. In die zin kan het gebruik van collectieve verwarming gefactureerd worden aan het specifiek tarief voor residentieel beschermde klanten, conform de gaswet.' Hier wordt verwezen naar het sociaal tarief, maar dan specifiek voor gas. In de Elektriciteitswet vinden we geen verwijzing terug naar sociale huurders als residentieel beschermde afnemers. Uit het antwoord op vraag 10 blijkt een gelijkaardige regeling voor vme's te bestaan, maar opnieuw wordt enkel over het tarief voor gas gesproken, niet voor elektriciteit. Daarom volgende vragen: 1) Zijn de antwoorden op vragen 8 en 10 uit de btw-circulaire 2023/C/65 ook van toepassing op elektriciteitsverbruik? 2) Kunnen sociale huurders die een appartement huren met collectieve energielevering, gebruikmaken van het verlaagd btw-tarief (6%) en dit zowel voor gas als voor elektriciteit? 3) Kunnen sociale huurders die een appartement huren met collectieve energielevering, gebruikmaken van het sociaal tarief voor energie en dit zowel voor gas als elektriciteit? Alvast bedankt voor uw antwoorden. Mijnheer Tas, ik bevestig dat de toelichting die de administratie geeft onder de door u aangehaalde vragen 8 en 10 van de circulaire 2023/C/65 zowel van toepassing is op de levering van aardgas voor verwarming als op de levering van elektriciteit. Ik maak toch twee bedenkingen. Ten eerste, wat vraag 8 betreft, merk ik op dat de versie van het antwoord op de vraag die u citeert een fout bevatte die op 14 december 2023 door de administratie werd rechtgezet middels een erratum. Een sociale huisvestingsmaatschappij wordt in het algemeen immers aangemerkt als een bedrijf, waarbij inzake accijnswetgeving wordt uitgegaan van een zakelijk gebruik van het door de gasleverancier via het distributienetwerk aan de maatschappij geleverde gas. U weet dat onder het huidige tarifair stelsel dat van toepassing is op de leveringen van aardgas en elektriciteit de accijnswetgeving en de btw-wetgeving gekoppeld zijn. Gelet op het zakelijke gebruik zal het normale btw-tarief van toepassing zijn in de relatie tussen de leverancier van gas en de huisvestingsmaatschappij. Het later doorrekenen van het aardgas door de verhuurder aan de huurder is geen levering in de zin van de accijnswetgeving. Dit heeft tot gevolg dat het verlaagde btw-tarief evenmin van toepassing is op de doorfacturering. In het geval van een vrijgestelde onroerende verhuur zal de huisvestingsmaatschappij de keuze hebben om de doorfacturering aan de huurder hetzij te belasten, hetzij ze vrij te stellen als bijzaak bij de onroerende verhuur. Ten tweede, benadruk ik dat het geval van een woonmaatschappij of een huisvestingsmaatschappij die woningen of appartementen verhuurt aan derden fundamenteel verschillend is van de situatie van een vme als beschreven in vraag 10, die in de regel geen economische activiteit uitoefent maar louter de eigenaars vertegenwoordigt. Uw vraag inzake het toepassingsgebied van het sociaal tarief voor energie behoort tot de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding, u welbekend. Mijnheer de minister, dank u wel voor uw verduidelijking, en ook voor de rechtzetting. We zullen dit verder nakijken. Managementvennootschappen waarbij een tweede verblijf als beroepskosten wordt ingebracht Mijnheer de minister, in de pers verschijnen regelmatig voorbeelden van managementvennootschappen met een tweede verblijf dat in kosten wordt opgenomen. Zo staat bijvoorbeeld in Artsenkrant van 6 november 2025 een uitgebreid artikel over het in kosten brengen van een tweede verblijf in een artsen-bv. Tegenover de hoge kosten van een appartement staat een beperkt belastbaar voordeel van alle aard voor de arts-bedrijfsleider van de managementvennootschap. Zoals het artikel aantoont, is die manier van fiscale optimalisatie erg populair. Een arts laat zijn managementvennootschap bijvoorbeeld een duur tweede verblijf aankopen, dat volledig als beroepskosten wordt ingebracht, terwijl het uitsluitend privé wordt gebruikt en hij slechts wordt belast op een beperkt forfaitair voordeel van alle aard. Een gewone belastingplichtige die zijn kosten bewijst, kan zich dergelijke constructies zelfs niet voorstellen. Probeer maar eens de beroepskosten van een thuiskantoor te bewijzen. Men betaalt heel veel zelf en met veel rekenwerk kan men vaak slechts een fractie van de kosten inbrengen. Zelfs dan is er vaak heel wat discussie over fiscale fraude. Bij managementvennootschappen kan een tweede verblijf voor 100 % in kosten worden ingebracht, zelfs zonder aantoonbaar beroepsgebruik. Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u dat voorbeeld van een luxeappartement in een managementvennootschap? Is daarop een fiscale correctie aangewezen en, zo ja, op welke manier? Zijn alle kosten van het tweede verblijf in die doktersvennootschap fiscaal aftrekbaar? Is het voordeel van alle aard van bewoning ter zake hoog genoeg ingeschat? Bent u van plan om initiatieven te nemen om dergelijke vormen van fiscale optimalisatie aan te pakken? Is de fiscale beoordeling hetzelfde bij een verblijf in een buitenlandse vennootschap, bijvoorbeeld een verblijf aan de Côte d’Azur, als dat verblijf in de kosten zit van een managementvennootschap? Mijnheer Tas, de kosten voor een tweede verblijf kunnen pas als beroepskosten aftrekbaar zijn als de vennootschap aantoont dat ze die kosten in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden. De echtheid en het bedrag moeten verantwoord worden door middel van bewijsstukken of, in geval dat niet mogelijk is, door alle bewijsmiddelen toegelaten door het gemeen recht, met uitzondering van de eed. Bovendien moet de vennootschap kunnen aantonen dat de toegekende voordelen beantwoorden aan werkelijk door de zaakvoerder geleverde prestaties ten behoeve van de vennootschap binnen het kader van haar maatschappelijke activiteit. Dat blijkt afdoende uit rechtspraak van de hoogste rechtscolleges. Of aan de voorwaarden voldaan is, zal telkens beoordeeld moeten worden aan de hand van de feitelijke elementen van een dossier. De voorwaarden om kosten in aftrek te kunnen nemen gelden ook en op dezelfde manier wanneer het gaat om onroerende goederen die in het buitenland gelegen zijn. Tot slot wijs ik er nog op dat wanneer aan voormelde voorwaarden voldaan is, maar de kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoefte overtreffen, ze niet aftrekbaar zijn. Het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 voorziet dat de Koning regels kan vaststellen om voordelen van alle aard die niet in geld werden verkregen als een forfaitair bedrag te ramen. Voor het voordeel dat voortvloeit uit de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten ervan heeft de Koning dergelijke regels uitgewerkt. Wanneer dat voordeel overeenkomstig die regels forfaitair wordt geraamd, wordt die raming fiscaal als correct aangemerkt. De voorwaarden voor de aftrekbaarheid van kosten verbonden aan onroerende goederen bieden een solide kader om de aftrek van kosten die geen beroepskarakter hebben en niet bewezen kunnen worden, maar kennelijk wel de beroepsbehoefte te buiten gaan, niet toe te staan. Daarnaast wil ik erop wijzen dat het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting voorziet in een zogenaamde 20 %-regel, waardoor het overmatig toekennen van een forfaitair voordeel alle aard fiscaal nadeliger zal worden. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik werd gecontacteerd door een aantal artsen die zich afvroegen of die handelwijze wel helemaal oké is. U stelt dat het op dit moment voldoende duidelijk is. We zullen dat nog verder uitzoeken en daarmee aan de slag gaan. De dalende rente op spaarboekjes De stand van zaken betreffende het advies van de Nationale Bank over de dalende spaarrentes Mijnheer de minister, mijn beide vragen, die ik samen zal stellen, zijn eigenlijk al grotendeels achterhaald doordat het rapport ondertussen beschikbaar is, waardoor een groot aantal vragen niet meer geldig is. De Belgen hebben massaal gespaard. Er staat meer dan 300 miljard euro op de Belgische spaarboekjes. Niettemin blijft de rente kelderen. Op maar liefst 71 % van de bestaande spaarboekjes verlaagde de rente de voorbije tijd, terwijl de Europese Centrale Bank de rentes niet meer heeft verlaagd. Daardoor wordt het spaargeld van de kleine spaarder minder waard en smelt de koopkracht weg, en dat in onzekere tijden. In de pers liet u weten dat de Nationale Bank van België om een analyse en aanbevelingen zal worden gevraagd, conform ook het engagement uit het federaal regeerakkoord, alsook om op te treden bij een onredelijk grote kloof in rentes op spaarboekjes en om op korte termijn mogelijke maatregelen te nemen, mits een en ander is afgetoetst binnen het kader van de Nationale Bank van België en het ECB-bankenoverzicht. Ondertussen is dat advies beschikbaar. Ik heb daarom de hiernavolgende vragen voor u. Nu het advies van de Nationale Bank van België officieel is uitgebracht en de conclusies over de rentemarges en de marktstructuur zijn getrokken, welke concrete stappen zult u zetten om aan de slag te gaan met de aanbevelingen? Het advies verschaft duidelijkheid over de winstmarges van de banken versus de vergoeding voor de spaarder. Acht u de huidige kloof op basis van dat advies onredelijk groot genoeg om nu direct over te gaan tot wettelijke of reglementaire maatregelen die in het regeerakkoord werden vooropgesteld? Het staatsboneffect lijkt uitgedoofd en de marktwerking blijft behoorlijk stroef. Welke specifieke aanbevelingen uit het rapport zult u overwegen om de structurele concurrentie tussen de banken duurzaam aan te wakkeren? Tot slot, in het regeerakkoord wordt gesproken over een onredelijk grote kloof. Welke concrete drempel of formule werd nu en zal ook in de toekomst worden gehanteerd om officieel vast te stellen of die kloof is bereikt? Mijnheer Tas, zoals u meegaf, is het advies onlangs gepubliceerd op de website van de Nationale Bank van België. Specifiek inzake de structurele concurrentie tussen spaarbanken wil ik u eraan herinneren dat de Nationale Bank van België geen mededingingsautoriteit is, maar enkel de Belgische prudentiële toezichthouder. Voor de transparantie op de gereglementeerde spaarrekeningen verwijs ik u naar het protocol dat werd gesloten tussen Febelfin en de vorige regering, dat zorgde voor een vereenvoudiging van dat spaarproduct en een verhoogde transparantie. Dat werd toen concreet verwoord in de vernieuwde spaarsimulator van de FSMA, die die aanpassingen verwerkt ten behoeve van de spaarders. Het regeerakkoord verwijst naar de eventuele veroordeling van België door het Europees Hof van Justitie, waaraan de regering desgevallend gevolg zal geven. Die veroordeling is nog niet gebeurd. In ieder geval houdt mijn beleidsstelsel zich bezig met het onderzoek van de problematiek, zodat ik te gepasten tijde voorstellen ter zake aan de regering kan doen. Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kijk uit naar die gepasten tijde. De inzet van consultants door de federale overheid Mijnheer de minister, het recent gepubliceerde rapport van het Rekenhof over de federale overheidsuitgaven aan externe consultants werpt een bijzonder licht op de aanpak van onze overheid inzake externe expertise. Uit dat rapport blijkt immers dat er tussen 2020 en 2022 maar liefst 2,5 miljard euro werd besteed aan consultancy, voornamelijk voor IT-diensten, goed voor meer dan 80 %. Nog verontrustender is dat het Rekenhof structurele inbreuken vaststelt op de regels voor overheidsopdrachten. Het gebrek aan een duidelijke strategie, de afwezigheid van een centrale inventaris, de onduidelijke motivering voor opdrachten in bijna 80 % van de gevallen en de onrealistische ramingen van contracten, soms van 400.000 euro naar 10 miljoen euro, tonen aan dat de controle en de transparantie daarin tekortschieten. De premier heeft zich al achter de conclusies geschaard en in het regeerakkoord staat ook de ambitie om een maximale afbouw van externe consultancy na te streven. Onze fractie ziet dat rapport dan ook als een belangrijk instrument om die doelstelling verder te concretiseren. Mijnheer de minister, welke concrete en onmiddellijke stappen zult u zetten om een einde te maken aan die structurele inbreuken, het gebrek aan controle en de toch wel hoogoplopende uitgaven die het Rekenhof blootlegt? Mijnheer Tas, het Rekenhof heeft een audit uitgevoerd bij de federale departementen over de inzet van consultants. Bij de FOD Financiën is een selectie gemaakt van tien bestellingen in de periode van 2020 tot 2022. Twee van de bestellingen uit die periode betreffen algemene consultancy. De acht andere geselecteerde bestellingen betreffen pure IT-consultancy. Het is belangrijk te stellen dat de tien geselecteerde bestellingen bij de FOD Financiën steeds zijn gebeurd met toepassing van de wetgeving inzake overheidsopdrachten. In een aantal dossiers waren er opmerkingen over de archivering van stukken van de lancering van het bestek of van de gunningsprocedure. De tien geselecteerde bestellingen baseerden zich namelijk op overheidsopdrachten voor raamovereenkomsten daterend van 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018, ofwel gemiddeld tien jaar geleden. De verhuis van archieven, digitalisering en ook de wijzigingen in 2023 van het overheidsopdrachtenplatform van BOSA, e-Tendering, zijn de oorzaken dat sommige stukken niet meer konden worden aangeleverd. De laatste vijf jaar werken we in dat proces volledig digitaal, waardoor die opmerking zich niet meer kan herhalen. Meermaals komt de opmerking terug dat bepaalde stukken als verantwoording van de verificatiewerkzaamheden van de dossierbeheerders niet voorgelegd konden worden. De FOD Financiën neemt die opmerking mee en bekijkt in een actieplan in welke mate ze daaraan in de toekomst in haar werkprocedures kan tegemoetkomen. Ten slotte zijn er opmerkingen aangaande de controle van de facturatie en de oplevering van de diensten in het kader van die bestellingen. Ook die opmerkingen zullen worden opgenomen in een actieplan. Mijnheer de minister, ik denk dat het een blijvende opdracht is. We vragen van onze administraties in de komende jaren heel wat inspanningen, want er staan gigantisch veel hervormingen bij de verschillende ministers op de planning, en dat met steeds minder mensen in de administratie. Het zal dus ook belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat we in die oefening die opdrachten niet structureel uitbesteden, maar maximaal ook in huis proberen te zetten. Dat is alleszins onze visie en het is onze oproep om dat ook te blijven doen. Ik ga ervan uit dat de aanbevelingen consistent en consequent worden toegepast, want op dat vlak moet de overheid het goede voorbeeld geven en dient een sterk signaal te worden gegeven. Les questions n°s 56010384C, 56010388C et 56010392C de M. Hugues Bayet sont postposées. De onderwerping van culturele vzw's aan de vennootschapsbelasting Mijnheer de minister, de fiscale onzekerheid treft de culturele sector, en in het bijzonder de festivalsector, zeer hard. Negentig procent van de festivals opereert vandaag via een vzw-structuur. Het argument als zouden ze te professioneel werken, terwijl hun opbrengsten zeer vaak volledig worden geherinvesteerd in het maatschappelijk doel en ze hoofdzakelijk met vrijwilligers werken, dreigt een diverse festivalcultuur te treffen door de financiële druk en de dreiging van commercialisering of overname. U bevestigde in onze commissie op 12 november de intentie om culturele vzw’s met de juiste ingesteldheid te beschermen en de wetgeving rond de vzw-fiscaliteit aan te passen, conform het regeerakkoord, om ook misbruik tegen te gaan. U stelde echter ook dat de onderwerping aan de vennootschapsbelasting een feitelijke beoordeling vereist die geval per geval moet gebeuren en dat algemene uitspraken complex zijn. Dat laatste draagt net bij tot de huidige onzekerheid. Culturele vzw’s als de Roma en Dranouter worden geconfronteerd met die fiscale procedures, terwijl ze in essentie hun maatschappelijke rol vervullen door culturele participatie en gemeenschapsvorming te stimuleren. In het licht daarvan heb ik voor u een aantal vervolgvragen, waarvoor ik verwijs naar de vragen zoals ik die heb ingediend. Hoe zult u de verklaarde politieke intentie om legitieme culturele vzw's te beschermen vertalen in concrete, objectieve en meetbare criteria in de aangekondigde wetsaanpassing? Welke mechanismen zullen worden ingebouwd om te verzekeren dat de fiscale administratie deze 'juiste ingesteldheid' en het ideële karakter van een vzw op een voorspelbare manier kan vaststellen, en niet langer enkel op basis van subjectieve interpretaties van handelsmethodes? Hoe zal de minister ervoor zorgen dat de "feitelijke beoordeling" in de toekomst voorspelbaar en objectief wordt, zodat culturele vzw's weten welke mate van 'professionaliteit' of welke omvang van activiteiten aanvaardbaar is, en hoe hij zijn intentie om vzw's met de 'juiste ingesteldheid' te beschermen, zal vertalen naar wetgevende criteria? De onzekerheid zal pas verdwijnen wanneer de wetgeving is aangepast. Welke timing voorziet de minister om hiervoor een wetsontwerp voor te leggen of de criteria te verduidelijken? Mijnheer Tas, uiteraard ben ik mij bewust van de problematiek waarmee die vzw’s geconfronteerd worden. Het is inderdaad niet altijd duidelijk voor vzw’s uit de cultuursector om te bepalen of ze onder de vennootschapsbelasting dan wel onder de rechtspersonenbelasting vallen. In tegenstelling tot wat u lijkt te suggereren in uw vraagstelling is dat echter allesbehalve een recent probleem. De problematiek bestaat al sinds 1976, toen men de huidige opdeling tussen de vennootschaps- en de rechtspersonenbelasting wettelijk geregeld heeft. Sindsdien zijn er tal van juridische procedures geweest. Ik verwijs bijvoorbeeld naar een zaak omtrent de vzw Graspop, waarbij het Hof van Cassatie oordeelde dat de organiserende vzw aan de vennootschapsbelasting moest worden onderworpen. Dat is de uitspraak F.14.0197.N van 16 juli 2016 van het Hof van Cassatie. Het is net om die al lang bestaande problematiek uit de wereld te helpen dat mijn beleidscel momenteel werkt aan een hervorming. Bij die hervorming wordt rekening gehouden met zowel het bijzondere karakter van deze organisaties als het garanderen van de concurrentieneutraliteit. De vragen die u stelt, zijn terechte vragen en raken aan de kern van hoe zo’n hervorming er zou moeten uitzien. Omdat mijn kabinet momenteel bezig is met de voorbereiding van die hervorming, wil ik niet vooruitlopen door deze vragen nu al te beantwoorden. Zodra mijn kabinet een hervorming heeft uitgewerkt, zullen we die bespreken binnen technische werkgroepen en binnen de regering, en zal ik dat uiteraard communiceren aan het Parlement. De werkzaamheden zijn in volle voorbereiding. Dank u wel, mijnheer de minister, voor de erkenning van het probleem. Het klopt inderdaad, dit sleept al lang aan. Het heeft soms ook te maken met het moment waarop de fiscus daar extra aandacht aan besteedt en met de manier waarop dat dan extra in de picture komt. Ik heb nog één vraag ter verduidelijking. Is het de ambitie om daar dit jaar nog mee naar het Parlement te komen, zodat daar duidelijkheid over bestaat? (Ja) Dank u wel. De kwetsbare situatie van sommige kmo's in het licht van de overstap naar het Peppol-netwerk Peppol, de tolerantieperiode en de federale overheid als facturerende partij Peppol voor iedereen... behalve voor de overheid Mijnheer de minister, sinds 1 januari van dit jaar is Peppol verplicht. Wat blijkt echter? Het Belgisch Staatsblad , u kent dat ongetwijfeld, heeft op 13 januari een factuur per post verstuurd. De betrokken dienst van de FOD Justitie geeft aan dat de verzending van uitgaande facturen via Peppol technisch nog niet volledig operationeel is, dat er nog testen lopen en dat de facturen voorlopig via de ‘gebruikelijke kanalen’ worden verstuurd. De postduif is daar niet meer bij, maar het gaat wel degelijk nog om de klassieke post. Mijnheer de minister, ik dacht dat e-facturatie door de overheid al langer verplicht was. Voor bedrijven geldt die verplichting nu vanaf 1 januari 2026. Mijn eerste vraag luidt dan ook als volgt: kunt u ons meedelen welke federale overheidsdiensten vandaag, sinds 1 januari 2026, effectief in staat zijn om uitgaande facturen via Peppol te verzenden en welke niet? Vindt u dat soort gedrag van een overheidsdienst aanvaardbaar? U hebt een tolerantieperiode ingelast en er komen geen boetes, op voorwaarde dat er inspanningen worden geleverd. Vindt u dat de FOD Justitie en het Belgisch Staatsblad die inspanningen leveren, of vindt u dat ze niet doen wat ze moeten doen? Erkent u bovendien dat ondernemers die vandaag geconfronteerd worden met het in gebreke blijven van de overheid nu moeten werken met een hybride systeem, terwijl zij zelf Peppol-compliant moeten zijn? Mijn tweede vraag gaat over iets anders. Ik volg nogal de sociale media, vooral LinkedIn, een heel interessant medium, dat u waarschijnlijk kent. Daar verscheen een post van iemand met de naam Bart Vanraes. Collega’s, Bart Vanraes is een freelance preventieadviseur en omschrijft zichzelf als een safety maverick . Dat is altijd interessant, zo’n maverick . Hij postte op LinkedIn een bericht waarin hij het aanslagbiljet van de vennootschapsbelasting deelde, met een pijnlijk punt. Hij schreef dat hij van de FOD Financiën nog altijd aanslagbiljetten via de post ontvangt. Er is dus een klein probleem, want de documenten komen niet binnen via zijn verplichte Peppol-platform. Die post kreeg enorm veel reacties, mijnheer de minister. Het ging om meer dan 2.000 likes en 167 commentaren. Dat betekent wel wat op LinkedIn. Ik begrijp die reactie ook wel. Hij zegt dat men van ondernemers verwacht dat alles via Peppol verloopt, met als doel minder administratie, minder fouten, meer efficiëntie en meer controleerbaarheid, maar waarom geldt dat principe dan niet voor de overheid? Er kwamen dus heel veel reacties op. Sommige mensen zeiden dat Peppol enkel geldt voor btw-plichtige partijen en dat de overheid dat niet is, zodat ze dat niet hoeft te volgen. In andere reacties werd erop gewezen dat er een verschil is tussen btw-plicht en btw-belastingplicht. Blijkbaar bevinden bepaalde vzw’s, bpost en verzekeraars zich ook in een uitzonderingspositie. Dat is wat mensen op LinkedIn aangeven. Ook al is een aanslagbiljet geen factuur, het blijft voor ondernemers natuurlijk wel een document dat verwerkt moet worden. Vandaag gebeurt dat nog altijd door openen, scannen, uploaden en manueel boeken, terwijl de belofte van Peppol net automatisering is. Mijn vraag luidt dan ook, mijnheer de minister, klopt het dat aanslagbiljetten van bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting niet via het Peppol-netwerk kunnen worden afgeleverd en dus nog via de post of andere kanalen worden verstuurd? Kunt u helder uitleggen wat het verschil is tussen btw-plichtig en btw-belastingplichtig en waarom dat verschil ertoe leidt dat sommige diensten en instellingen ‘niet moeten meedoen’? Vindt u het verantwoord dat de overheid e-facturatie oplegt aan de bedrijfswereld, maar zelf niet systematisch dezelfde digitale standaard toepast? Bent u bereid het principe van leading by example toe te passen en te bekijken hoe we kunnen evolueren naar een model waarin ook G2B-documenten, dus government-to-businessdocumenten, digitaal kunnen worden verwerkt? Welke stappen zet u om de administratieve lasten voor ondernemers echt te verminderen, in plaats van die te verplaatsen naar scan- en plakwerk bij de boekhouder? Dat zijn veel vragen, mijnheer de minister, maar u weet dat steeds meer mensen Peppol volgen. Ik weet dat u daar veel inspanningen voor levert, maar er zijn toch een aantal vragen waar mensen mee zitten. Ze kijken nu allemaal live naar u om te zien wat u daarover te zeggen hebt. Dan zal ik eerst die mensen groeten, om u vervolgens van antwoord te dienen. Voor e-facturatie is het cruciaal een onderscheid te maken tussen de nieuwe verplichting die enkel betrekking heeft op belastingplichtige ondernemingen en e-facturen die door een onderneming aan een overheid worden uitgereikt in het kader van een overheidsopdracht. De eerste verplichting houdt in dat Belgische btw-belastingplichtigen, inclusief overheden, onderling gestructureerde elektronische facturen moeten gebruiken vanaf 1 januari 2026. Dat is een belangrijke stap in de digitalisering van onze economie. Zoals bij elke belangrijke operationele vernieuwing kunnen welwillende ondernemingen door omstandigheden buiten hun wil om soms niet tijdig aan die nieuwe verplichting voldoen. Om die reden zal mijn administratie, zoals ik al meermaals heb gezegd, gedurende de eerste drie maanden van 2026 geen sancties opleggen aan ondernemingen die kunnen aantonen dat ze tijdig en op redelijke wijze inspanningen hebben geleverd om de nieuwe verplichting na te leven. Die tolerantie geldt uiteraard ook voor welwillende overheden. Ik maak u er tevens attent op dat deze nieuwe verplichting enkel geldt voor de handelingen van de overheden waarvoor btw verschuldigd is. Het is wel degelijk de bedoeling, zoals u aangeeft, om verder te gaan en volledige wederkerigheid te bieden. Daarvoor is echter nog wetgevend werk nodig. Die doelstelling is als maatregel opgenomen in het regeerakkoord, op bladzijde 59. Ik citeer: “net zoals voor ondernemingen zal voor de overheid de elektronische facturatie naar ondernemingen verplicht worden”, inderdaad in een G2B-context. Facturatie in een G2B-context valt evenwel buiten mijn bevoegdheid. Collega-minister Matz vermeldt deze maatregel echter uitdrukkelijk in haar beleidsnota. U kunt dan ook ongetwijfeld bij haar terecht voor verdere vragen over dit onderwerp. Gelet op de grote diversiteit aan mogelijke redenen waarom een onderneming niet compliant is, werd ervoor gekozen geen lijst van criteria op te stellen. U geeft zelf aan in uw vraag dat het Belgisch Staatsblad een instelling is die niet onder mijn bevoegdheid valt. Specifieke vragen over de werking van die instelling dient u dan ook te richten aan mijn collega-minister van Justitie. De tweede verplichting betreft enkel ondernemingen die e-facturen versturen naar overheden in het kader van overheidsopdrachten. Dat betekent dat overheden geen facturen verzenden, maar wel in staat moeten zijn om facturen te ontvangen. Voor vragen hierover verwijs ik u door naar mijn collega-minister van Modernisering van de overheid. Verder heeft de overheid in haar communicatie naar burgers en ondernemingen sterk ingezet op digitale communicatie. e-Box Enterprise is de beveiligde elektronische brievenbus die alle officiële communicatie tussen ondernemingen en overheidsinstellingen op één plek samenbrengt. Aanslagbiljetten in de vennootschapsbelasting vallen niet onder de B2B-verplichting. Het valt af te wachten of aanslagbiljetten gevat zullen zijn door de nog te ontwikkelen G2B-regelgeving. Mijn administratie is alleszins bereid daaraan mee te werken, als daarnaar gevraagd wordt. Op de website efactuur.belgium.be vindt u bovendien een artikel waarin duidelijk wordt uiteengezet voor wie e-facturatie verplicht wordt. De algemene regel is dat bij facturatie tussen Belgische ondernemingen de nieuwe verplichting inzake e-facturatie geldt. Daarop bestaan enkele uitzonderingen, zoals ondernemingen die uitsluitend door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen verrichten. Die moeten geen e-facturen kunnen ontvangen of verzenden. Dat betekent concreet dat scholen, ziekenhuizen, instellingen voor jeugd-, bejaarden- en gehandicaptenzorg, ziekenfondsen en bibliotheken niet onder die verplichting vallen. Artikel 44 omvat ook verzekeringsactiviteiten en financiële activiteiten, zoals de verlening van kredieten. Die vrijstellingen zijn vaak afhankelijk van specifieke voorwaarden, zoals erkenning door de overheid, afwezigheid van een winstoogmerk enzovoort. Een in België gevestigde onderneming moet zich registreren voor de btw, als ze belastingplichtig is. Een onderneming is btw-plichtig, als ze regelmatig en zelfstandig goederen levert of diensten verricht die in het Btw-Wetboek omschreven zijn. Als de onderneming alleen activiteiten uitoefent die vrijgesteld zijn van btw, de artikel 44-handelingen, en ze daardoor ook geen enkel recht op aftrek heeft, moet ze zich niet registreren. Het zijn dus btw-belastingplichtigen, maar ze hebben meestal geen Belgisch btw-identificatienummer. Ten opzichte van publiekrechtelijke lichamen die handelen als overheid, voorziet het Btw-Wetboek in een uitzondering op het principe dat iedereen die geregeld en zelfstandig handelingen verricht, in dat wetboek wordt aangemerkt als belastingplichtige. De Staat, de gemeenschappen en de gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtig aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die ze als overheid verrichten. Op overheidsdiensten moet dus ook geen btw betaald worden door ondernemingen en burgers. Publiekrechtelijke lichamen zijn wel belastingplichtig, als de kwalificatie als overheid concurrentieverstoring van enige betekenis met zich zou brengen. Voorts ben ik het wel met u eens dat de overheid het goede voorbeeld moet geven onder het motto practice what you preach . Wat dat betreft, moeten we nog wat stapjes doen. Dank u voor uw heldere antwoord, mijnheer de minister, dat door de vele kijkers en luisteraars wel geapprecieerd zal worden, want u hebt het goed uitgelegd. De verplichting van Peppol sinds 1 januari 2026 geldt voor iedereen die btw-plichtig is, dus ook voor overheden die btw-plichtig zouden zijn. Het komt me voor dat het Belgisch Staatsblad , dat niet uw verantwoordelijkheid is maar die van de FOD Justitie, ter zake dringend inspanningen moet leveren en zijn facturen via Peppol doorstuurt. Het ging over een factuur voor publicatie in het Belgisch Staatsblad , en dat is onderworpen aan btw. Ik veronderstel dat die factuur dan ook op die manier moet worden bezorgd. Als u dus uw collega, mevrouw Verlinden, tot bekwame spoed kunt aanzetten om Peppol te gebruiken voor haar diensten, zou dat geapprecieerd worden. Ik onthoud ook dat men voor alle andere overheden zonder btw-plicht van plan is over te gaan tot elektronische facturatie G2B, conform het regeerakkoord, een bevoegdheid van uw collega Matz. Dat is een goede zaak. U bent bereid daar eventueel de aanslagbiljetten aan toe te voegen. Overigens, het is goed bedrijven eraan te herinneren dat ze via de e-Box Enterprise, de digitale box voor bedrijven, aanslagbiljetten van de fiscus kunnen ontvangen en daarmee aan de slag kunnen gaan. In het algemeen leeft bij mensen de indruk dat de overheid hen verplicht om digitaal te communiceren; dat is nu eenmaal efficiënter en ook beter controleerbaar. Als de overheid echter is van de bevolking vraagt, verwacht men dat de overheid dat minstens zelf ook doet en het goede voorbeeld geeft. U hebt daarop gewezen en dat wordt geapprecieerd. Ik besluit met wat Bart Vanraes, de zogenoemde Safety Maverick, op LinkedIn daarover zei – ik citeer: “Het voelt toch ergens onlogisch en onrechtvaardig aan: van zaakvoerders wordt digitale discipline geëist, terwijl een deel van de overheid zelf blijft vasthouden aan papier.” De boodschap lijkt alvast te zijn aangekomen bij u. Ik dank u dan ook voor uw antwoord, mijnheer de minister. De praktische modaliteiten van de belastinghervorming Monsieur le ministre, l’accord de coalition fédéral 2025-2029 engage le gouvernement à renforcer le régime fiscal dédié aux chercheurs et salariés entrants afin d’améliorer la position de la Belgique dans la compétition européenne pour les talents et les investissements à haute valeur ajoutée. Deux mesures sont actées: abaissement du seuil de rémunération de 75 000 à 70 000 euros bruts, et extension de ce régime aux jeunes docteurs ayant moins de cinq ans d’expérience professionnelle, même en deçà de ce seuil. Ces avancées répondront aux attentes des employeurs, universités et centres de recherche. Cependant, la réforme de 2022 a révélé que le manque de clarté des textes d’application, les délais excessifs de ruling et l’absence de coordination entre le SPF Finances, les employeurs et les institutions académiques peuvent transformer une mesure d'attractivité en source de contentieux. Dans ce contexte, alors que le budget fédéral 2026 est en négociation, il est essentiel que le gouvernement précise le calendrier, les modalités et les garde-fous administratifs nécessaires. Je me permets donc de vous poser trois questions: 1. Concernant un éventuel relèvement de l’abattement à 35 %, la suppression du plafond de 90 000 euros ou d’autres modifications structurelles du régime: quels scénarios sont étudiés, avec quel calendrier de décision et quelle évaluation d’impact budgétaire? 2. Quel est le calendrier précis de mise en œuvre de l’abaissement à 70 000 euros et de l’extension aux jeunes docteurs? Les arrêtés d’exécution et circulaires interprétatives seront-ils publiés avant le 31 décembre 2025 pour une entrée en vigueur au 1 er janvier 2026? Quelles mesures d’accompagnement sont-elles prévues (guide, webinaire, hotline)? 3. Quelles garanties concrètes assurez-vous pour une réelle simplification administrative? Un guichet unique sera-t-il mis en place? Un délai maximal pour le traitement des rulings et un dispositif d’évaluation annuel de l’impact administratif seront-ils instaurés? Monsieur Piedboeuf, ces mesures étaient reprises dans les articles 15 à 17 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses. Le coût budgétaire pour le relèvement de l'abattement à 35 % n'était pas estimable. Néanmoins, le coût devrait être assez limité, puisqu'une entreprise qui souhaite absolument attirer un cadre ou chercheur étranger ne fera pas beaucoup de différence entre octroyer une rémunération de 70 000 euros ou 75 000 euros. Le coût budgétaire pour la suppression du montant maximum de 90 000 euros est estimé à 2,49 millions d'euros sur la base d'un taux marginal de 50 %. Pour l'extension du régime aux jeunes docteurs ayant moins de cinq ans d'expérience professionnelle, il existe le régime des chercheurs impatriés prévu à l'article 32/2 du Code des impôts sur les revenus 1992 qui est également concerné par les changements évoqués. Le calendrier de la mise en œuvre est précisé à l'article 17 qui stipule que les mesures sont applicables à partir de l'année de revenus 2025. Comme la loi a récemment été publiée au Moniteur belge , mon administration prépare actuellement les communications nécessaires pour que les contribuables soient bien informés. Monsieur le président, la raison pour laquelle on arrive seulement à ma question est en partie imputable au président qui a retardé les travaux en commission des Finances. C'est un clin d'œil que je lui fais. De samengevoegde vragen nrs. 56010501C, 56011131C, 56011195C en 56010558C van mevrouw Alexia Bertrand, de heer Hugues Bayet en mezelf over de meerwaardebelasting worden ingetrokken. De bescherming van onze burgers in het licht van de digitalisering van de bankdiensten Monsieur le ministre, la numérisation des services bancaires en Belgique ces dernières années a entraîné de grands changements dans l’accessibilité et l’efficacité des banques au service des citoyens. Objectif: réduire les coûts et augmenter les profits des banques. Parmi ces changements, on retrouve la diminution du nombre d’agences bancaires accessibles physiquement. Les banques ferment de plus en plus les agences physiques, et forcent les citoyens à faire toutes leurs démarches sur internet. Pourtant, beaucoup ont besoin d'avoir un contact humain avec leur banque. Les Belges subissent ces changements sans aucune contrepartie. On pourrait s’attendre à ce que la fermeture des agences engendre une diminution des coûts d’opération des banques et donc une diminution des frais à charge des citoyens, ou alors que de nouveaux services leur soient offerts, mais rien. Les banques changent, les Belges subissent et les intérêts continuent de stagner. Monsieur le ministre, quelles actions allez-vous entreprendre pour que les banques implantées en Belgique prennent en compte les réalités et besoins des Belges dans leurs décisions stratégiques? Madame Schlitz, il convient de rappeler que les banques, comme toutes les entreprises commerciales, sont libres de déterminer dans le respect du cadre réglementaire applicable leurs stratégies et politiques commerciales, en ce compris les dimensions sociétales qu'elles souhaitent prendre en compte dans ce cadre. Il ne m'appartient pas, comme ministre des Finances, de me substituer aux organes de gestion des banques. Chaque citoyen est libre de choisir la banque avec laquelle il souhaite nouer ou poursuivre une relation de clientèle. Ceci étant, cela n'empêche nullement le gouvernement de prendre des initiatives lorsque, dans les domaines qui relèvent de ses compétences, il constate que des interventions sont souhaitables ou nécessaires. Ainsi, il est arrivé que le gouvernement négocie et conclue avec le secteur bancaire un protocole visant à simplifier et augmenter la transparence en matière de compte d'épargne réglementé. De même, dans le cadre de la volonté de garantir à tous les citoyens un accès satisfaisant aux espèces, un protocole a été conclu entre les parties prenantes fixant le nombre et la répartition des distributeurs automatiques de billets sur notre territoire. L'évaluation de ce réseau est d'ailleurs en cours, en concertation avec mon collègue le ministre de l'Économie. Le secteur public a l'obligation de servir tous les citoyens via les canaux numériques, ou analogiques si les gens le demandent. Une banque est une institution commerciale, et c'est à elle de définir sa politique commerciale. Je ne veux et ne peux pas y intervenir. Merci pour votre réponse. Les banques ne sont pas des entreprises comme les autres, étant donné que les citoyens sont aujourd'hui contraints d'avoir un compte en banque. On ne peut pas vivre en Belgique sans compte en banque. Vous avez besoin, dans votre vie, de pouvoir retirer de l'argent pour pouvoir payer certaines choses et donc faire fonctionner l'économie. On ne peut vraiment pas dire que les banques soient des entreprises comme les autres qui font ce qu'elles veulent. C'est un choix politique de ne pas vouloir davantage contraindre les banques à leurs responsabilités sociétales. On voit bien le protocole que vous évoquiez sur la disponibilité et l'accessibilité des distributeurs de billets. L'attitude des banques dans ce dossier est scandaleuse. D'abord, elles ont refusé pendant des années d'entrer en négociation et d’installer des distributeurs aux endroits utiles. Maintenant qu'il existe un plan de répartition, que font-elles? Dans ma ville, à Liège, elles se sont amusées à concentrer tous les distributeurs au même endroit. Ainsi, il continue à y avoir des zones blanches, des quartiers entiers sans aucun distributeur, et des endroits où on en trouve dix. Est-ce vraiment l'esprit de l'accord qui avait été passé? Les banques sont-elles vraiment des acteurs de bonne volonté, alors que les citoyens sont obligés de passer par elles? Aujourd'hui, oui, il appartient au politique de remettre les banques face à leurs responsabilités dans leurs contacts avec la population et dans les services qu'elles rendent à la population, mais il choisit de ne pas le faire. La question n° 56010531C de M. Xavier Dubois est postposée. De containerscreening in de Antwerpse haven Monsieur le ministre, il y a quelques semaines, le procureur général du parquet général de Bruxelles s’est exprimé en ces termes: " Lutter contre la criminalité organisée, c’est aussi toucher à la liberté d’entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d’Anvers: il n’y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés. Et on nous dit clairement que si on contrôle 15 % des conteneurs, Anvers va perdre des parts de marché. C’est inaudible pour nous. Mais le résultat, ce sont des tonnes et des tonnes de cocaïne qui rentrent par Anvers. Si on veut vraiment lutter contre la criminalité organisée, il faudra aussi accepter de perdre des points de PIB." Depuis cette déclaration, j’ai eu l’occasion d’interpeller plusieurs de vos collègues du gouvernement, notamment le ministre de l’Intérieur, et tous me renvoient vers vous en tant que ministre compétent pour les douanes. Je ne doute donc pas que vous allez répondre courageusement aux questions suivantes puisque – c’est ce que je répète inlassablement depuis les premiers jours de ce gouvernement –, tant que le port d’Anvers laissera passer la cocaïne, nous aurons des tirs de kalachnikovs dans les rues de Bruxelles comme d’Anvers. Monsieur le ministre, quelles sont les justifications de ce taux apparemment très faible de contrôle des conteneurs au port d’Anvers? Pouvez-vous confirmer le chiffre avancé par le procureur général du parquet de Bruxelles? Quelles mesures le gouvernement compte-t-il prendre pour accélérer et renforcer le contrôle des conteneurs, si l’on veut réellement lutter contre le narcotrafic et l’entrée de cocaïne par le port d’Anvers? Monsieur De Smet, au port d’Anvers, l’administration des douanes n’a jamais scanné autant de conteneurs qu’en 2024, avec plus de 45 000 unités contrôlées, grâce aux capacités de scanners fixes et à l’extension des capacités de scanners mobiles. Cela représente en moyenne 125 conteneurs scannés par jour calendrier. L’opération de scannage s’inscrit dans un processus logistique complexe, qui nécessite que l’ensemble des éléments s’articulent de manière fluide. L’administration travaille sur la base d’une analyse des risques. L’objectif n’est pas de scanner tous les conteneurs du port, mais de concentrer les contrôles sur les conteneurs identifiés comme présentant un risque. Grâce aux collaborations avec les autres partenaires de sécurité en Belgique, avec les administrations douanières en Amérique latine et avec des organisations internationales actives dans ce domaine telles que l'Office des Nations Unies contre la drogue et le crime (ONUDC), il est possible d’avoir une vision de plus en plus précise de ce que sont des conteneurs à risque. La lutte contre le trafic de drogue est un exercice continu. L’administration des douanes s’efforce donc en permanence d’améliorer le fonctionnement de ses équipes en investissant dans de meilleures formations, de meilleurs outils informatiques et de meilleurs équipements. Un budget supplémentaire a récemment été alloué au recrutement de nouveaux collaborateurs dans le cadre du projet visant le scannage à 100 % des conteneurs à risque. Dans le port d’Anvers, la capacité de l’équipe de surveillance et de l’équipe de scan a ainsi été renforcée. Par ailleurs, l’administration douanière est en permanence à la recherche de nouvelles technologies et envisage également des partenariats avec des acteurs de la sécurité, des services douaniers étrangers, les secteurs économiques et le monde scientifique afin d’intensifier la lutte et d’obtenir des résultats encore meilleurs. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. Personne ne dit que vous ne faites rien et il est vrai que des investissements sont consentis. Toutefois, vous me répondez avec des chiffres absolus et non en pourcentage. Je prendrai donc le temps d’analyser ce qu’il y a derrière ces chiffres et je reviendrai vers vous. Personne ne demande de scanner la totalité des conteneurs, car nous savons que c’est impossible. Atteindre un taux de 100 % pour les conteneurs à risque serait déjà fantastique. Il faudra également encadrer les nouveaux arrivants. Le problème des dockers et des agents des douanes est comparable à celui des gardiens de prison. Ce sont des professions confrontées à un narcotrafic extrêmement puissant sur le plan financier et très violent. Ces personnes sont particulièrement exposées à l’extorsion, aux menaces, au chantage et à la corruption. Ce phénomène est observable chez les gardiens de prison, notamment lorsqu’ils sont engagés et formés trop rapidement. Le même risque existe pour les dockers et, le cas échéant, pour les agents des douanes. Je souhaitais simplement vous sensibiliser à cet aspect. Chers collègues, pour les questions jointes qui suivent, Mme Marie Meunier s’est excusée. Elle est devenue maman d’une petite fille et je lui adresse toutes nos félicitations. M. Frédéric Daerden s’est également excusé. La parole est donc à Mme Alexia Bertrand puis M. Kemal Bilmez. De stijging van de energieprijzen De verhoging van de gasrekening voor de gezinnen De verhoging van de accijnzen en de 'ecofiscaliteit' De verhoging van de accijnzen en de gasprijs Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de verhoging van de accijnzen en de ecofiscaliteit. U hebt die voorgesteld, ook in de tabellen, als een ecologische taxshift, om gedrag te sturen. Ik maak mij daar toch zorgen over. Wanneer ik naar de effectieve cijfers kijk, krijg ik eerder de indruk dat het gaat om een platte belastingverhoging en dat het klimaat wordt gebruikt als excuus om gaten in de begroting te vullen. Dat kan een aantal mensen blindelings treffen, mensen die geen keuze hebben. Ik maak mij ook zorgen over de stapeling van facturen. U verhoogt de accijnzen, wat goed is voor 365 miljoen euro extra inkomsten, maar we weten allemaal dat er een Europese CO ₂ -taks aankomt en dat de btw in 2030 verplicht terug naar 21 % moet. Niet alleen ik, maar ook experts waarschuwen voor een stijging van 500 euro per jaar. Wat u wilt doen, en dat is op zich een nobel doel, is mensen richting warmtepompen sturen. De vraag is dan wat u doet met de huurder die afhankelijk is van de oude ketel van zijn huisbaas, of met het jonge gezin dat net heeft gekocht en geen 20.000 euro heeft liggen voor een energetische renovatie. Warmtepompen zijn duur. Ik vrees dat u die mensen richting energiearmoede duwt. Wanneer ik naar de begrotingstabellen kijk, zie ik dat de inkomsten uit de accijnzen op aardgas en huisbrandolie jaar na jaar stijgen. Waarom is dat zo? Tot slot is er de timing. Europa verplicht die verhogingen vandaag nog niet, maar u kiest ervoor om vooruit te lopen op de regels. Dat is een voorbeeld van gold-plating , iets wat u zelf vaak bekritiseert. Waarom wilt u roomser zijn dan de paus en iedereen nu al laten betalen, jaren voor het moet? Is dat werkelijk groen beleid, of is het gewoon een snelle manier om uw begroting op orde te zetten? Monsieur le ministre, sur base des données de l'index ICE, qui détermine le prix du gaz naturel, le prix du gaz a augmenté en passant de 27 à 42 euros par MWh depuis le mois dernier. C'est une augmentation de 50 %. Avec l'augmentation des accises que j'avais prévues, la facture va augmenter plus rapidement que prévu pour les ménages. Allez-vous revoir cette hausse des accises vu cette flambée des prix? Soixante pour cent de notre gaz naturel est importé des États-Unis. Est-ce que dépendre si lourdement d'un seul exportateur ne nous met pas en situation de faiblesse? Chers collègues, je tiens tout d'abord à souligner qu'il reste très difficile, à ce stade, de formuler une estimation précise. Le prix du gaz naturel demeure particulièrement volatile et dépend de plusieurs facteurs externes. De plus, l'accord budgétaire ne prévoit aucune augmentation de la TVA sur le gaz. S'agissant de l'impact pour les ménages, selon les chiffres actuels de la CREG – il s'agit de chiffres provisoires –, le coût supplémentaire s'élèvera en moyenne à environ 79 euros par famille. Ce montant pourrait évidemment varier en fonction de la consommation et de l'évolution du marché. Sa confirmation dépendra de la forme définitive de la mesure et de l'évolution des prix de l'énergie dans les mois à venir. Comme je continuerai à le souligner ici, cette mesure fait partie de la loi-programme. Cet avant-projet de loi est actuellement soumis pour avis au Conseil d'État. Ensuite, le projet sera transmis au gouvernement pour une deuxième lecture. Les modifications restent donc toujours possibles. Je ne vais dès lors pas anticiper sur le contenu de la mesure. Par ailleurs, une réduction des accises sur l'électricité est également prévue afin de favoriser une électrification accrue. En outre, plusieurs dispositifs existent déjà pour soutenir les ménages vulnérables. Je pense notamment au tarif social de l'énergie, qui demeure un filet de sécurité essentiel pour les personnes en situation de précarité énergétique. En outre, au niveau européen, la création d'un Fonds social pour le climat offrira en outre un soutien financier supplémentaire aux ménages qui rencontrent des difficultés à suivre le rythme de la transition énergétique. We werken nauw samen met de gewesten om de opbrengsten uit onder andere de ETS-systemen, het CBAM-mechanisme en het Sociaal Klimaatfonds op een evenwichtige manier te verdelen om de gevolgen voor kwetsbare burgers te compenseren. De hervorming van de accijns op aardgas en huisbrandolie gebeurt bewust stapsgewijs. Zo krijgen gezinnen en ondernemingen voldoende voorspelbaarheid en tijd om zich aan te passen. De toename van de inkomsten die in de begroting wordt weergegeven, is een rechtstreeks gevolg van die gefaseerde invoering. Om de doelstellingen van de Europese Green Deal en de klimaatneutraliteit tegen 2050 te realiseren, is het essentieel om tijdig en consistent bij te sturen. Een vooruitziende aanpak schept duidelijkheid, moedigt investeringen in alternatieve verwarmingssystemen aan en voorkomt dat later ingrijpendere maatregelen nodig zijn. Mijnheer de minister, u begint met te zeggen dat het moeilijk is om de kostprijs in te schatten, maar u geeft toch een raming van 79 euro per gezin, op basis van de gegevens van vandaag. Dat bedrag van 79 euro is dus jaarlijks. U zegt dat er geen stijging van de btw op gas is, maar er is wel een verhoging van de accijnzen op gas. Ik heb dus andere ramingen of inschattingen gelezen van experts die eerder spraken over 500 euro. De toekomst zal het ons leren. U spreekt over ongeveer 80 euro per jaar, en dat houdt nog geen rekening met de andere btw-verhogingen. We weten immers dat ook de btw op sport en cultuur, hotels en nog een aantal andere zaken, zoals het frietkot, verhoogd wordt. Als u ons een raming geeft van 79 euro per jaar, ga ik ervan uit dat het bedrag waarschijnlijk hoger zal uitvallen. U spreekt weinig over die ecologische taxshift. Dat was nochtans de bedoeling van deze hele aanpassing. Ik hoor u weinig over het klimaat spreken, mijnheer de minister. Misschien had ik toch gelijk dat dit eerder een begrotingsoperatie is. Ik zal daarop in de toekomst terugkomen, wanneer we de reële kosten kennen van uw btw-stijging voor de gezinnen. Dank u wel. Mijnheer de minister, u haalt het sociaal tarief aan. Dat klopt, daar worden mensen mee geholpen, maar slechts 10 % van de bevolking of zelfs minder heeft recht op dat sociaal tarief. Alle anderen moeten die prijsstijging wel betalen. Niet alleen de marktprijs die stijgt, maar daarbovenop komt u met accijnzen. In 2030 zal de btw daarop ook verhogen. Voor al die werkende mensen die geen recht hebben op het sociaal tarief, zal de prijs dus enorm stijgen. Ik wil de woorden van de heer Van Quickenborne niet herhalen, maar dit is echt een regering van taks, taks, taks. Dat is toch niet te doen? Inderdaad, we hebben heel die heisa rond de btw enzovoort. Daar kunt u zeggen dat sommige dingen luxe zijn en niet essentieel voor iedereen, maar energie, uzelf verwarmen, dat moet iedereen doen! En daar verhoogt u opnieuw de prijzen. U doet beloften dat werken meer zal lonen dankzij Arizona. Ik weet niet wie daar nog in gelooft. Ik weet niet of u daar zelf in gelooft, maar deze prijsstijging toont dat u eigenlijk niets geeft om de lonen van de mensen en het welzijn van de mensen. Dank u wel. De forse premieverhogingen bij rechtsbijstandsverzekeringen Mijnheer de minister, u weet dat de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen, met die premieaftrek, is afgeschaft. We noemen dat gemakshalve de rechtsbijstandstaks. We hebben daar een interessante, zeer boeiende discussie over gehad. U zei toen in de commissie dat u beleidsoverleg had gehad met de sector en dat dat overleg verder zou worden gezet, en ik citeer, “met het oog op de vermindering van de premies”. Intussen blijkt het tegendeel te gebeuren, collega’s. In De Standaard van 8 november lezen we dat de premies van marktleider DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar DAS, in twee jaar tijd meer dan verdubbeld zijn, van 324 euro naar 771 euro. Andere verzekeraars perken hun aanbod zelfs in. De zogenoemde polis-Geens, genoemd naar minister Geens, die de aftrek ooit heeft ingevoerd, verdwijnt. Echtscheidingen of bouwgeschillen worden in het nieuwe gamma niet langer gedekt, of enkel nog via bemiddeling. Mijnheer de minister, de afschaffing van de belastingvermindering had volgens uw verklaring de bedoeling om het systeem te vereenvoudigen – minder koterijen. Het probleem is echter dat de consument twee keer betaalt. Ten eerste verliest hij de fiscale aftrek en ten tweede wordt de premie verhoogd. We betalen dus twee keer. Mijnheer de minister, ten eerste, bevestigt u dat de voorziene afschaffing van de belastingvermindering in werking is getreden? Dat is intussen inderdaad het geval, dus die vraag is enigszins achterhaald. Ik ben vooral geïnteresseerd in het overleg dat u gepland had of hebt met de verzekeringssector. Wat heeft dat opgeleverd? Hoe verklaart u dat de premies vandaag zo sterk stijgen? Ik had het geval van iemand die mij zijn factuur toonde. Die factuur was, denk ik, verdrievoudigd, van 500 euro naar 1.500 euro. Als men de toegang tot justitie wil democratiseren, collega’s … Er is het pro-Deosysteem, maar niet iedereen kan daarvan genieten. Als men dan tot 1.000 euro per jaar moet betalen om een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten, wordt dat meer en meer een luxeproduct. Mijnheer de minister, de vraag is dan ook – en ik moet dat als liberaal zeer terughoudend stellen, maar ik doe het toch – of u bereid bent te onderzoeken hoe we mensen kunnen beschermen tegen buitensporige premieverhogingen. Misschien is er nood aan meer concurrentie op de markt, ik weet het niet. Ik weet ook niet wat Milton Friedman daarover zou zeggen. We zijn in elk geval benieuwd wat u hierover te zeggen hebt. Dank u wel. Mijnheer Van Quickenborne, het antwoord op uw eerste vraag is duidelijk. Gelet op de publicatie van de wet diverse bepalingen in het Belgisch Staatsblad op 30 december 2025, is dit inderdaad het geval. Wat uw tweede en derde vraag betreft, moet ik heel eerlijk zeggen dat dat overleg, dat ik inderdaad heb beloofd, gezien de workload van de voorbije weken en maanden nog niet heeft plaatsgevonden. Ik zal dat prioritair op mijn to-dolijst zetten. Op dat punt ben ik dus in gebreke gebleven, waarvoor mijn excuses. Wat uw vierde vraag betreft, verwijs ik in eerste instantie naar artikel 23 van de wet betreffende het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering. Dat artikel voorziet in een evaluatie waarbij de Orde van Vlaamse Balies, de Ordre des barreaux francophones et germanophones en de beroepsvereniging van de verzekeringsondernemingen, Assuralia, tweejaarlijks, en voor het eerst in 2021 op de datum van de verjaardag van de inwerkingtreding van deze wet, een gemeenschappelijk evaluatierapport bezorgen over de toepassing van deze wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten. Dat rapport wordt overgemaakt aan de minister van Justitie, de minister bevoegd voor Consumentenzaken, de minister van Economie en aan mijzelf, de minister van Financiën, op initiatief van een van hen en via een paritair orgaan dat zij daartoe zullen aanwijzen. U hebt uw vijfde vraag niet gesteld, maar ik ga er toch op ingaan. Ik verwijs daarbij naar mijn antwoord van daarnet en voeg eraan toe dat meer concurrentie natuurlijk kan zorgen voor lagere prijzen. Daarom probeer ik dat in toekomstige wetsontwerpen te doen door regels te schrappen en/of te versoepelen. Ik volg net als u in dezen Friedman en laat vooral de concurrentie op die markt toenemen. Dank u wel, mijnheer de minister. En geen probleem, u hebt inderdaad heel wat werk, maar het is goed dat u alsnog van plan bent om het overleg met de sector te voeren. Ik ben dus heel benieuwd naar de resultaten daarvan, want die prijsstijgingen zijn werkelijk spectaculair. De prijzen zijn verdubbeld of verdrievoudigd. Er wordt verwezen naar de inflatie en naar het feit dat advocaten veel duurder zouden zijn geworden. Dat is de informatie die mij bereikt, maar de vraag is of dat wel klopt en of daar iets aan te doen is. Ten tweede verwijst u ook naar het tweejaarlijkse gemeenschappelijke evaluatierapport. Mocht dat op de een of andere manier kunnen worden overgemaakt aan de commissie, aan het secretariaat, dan zouden we u daar zeer dankbaar voor zijn. La question n° 56010662C de M. Hugues Bayet est reportée. De kapitaalverhoging bij Elia en de lening van SFPIM aan Publi-T Monsieur le ministre, en début d'année 2025, le gestionnaire du réseau de transport d'électricité Elia a procédé à une augmentation de capital de 2,2 milliards d'euros afin de financer d'importants investissements en Belgique et en Allemagne. Le journal De Tijd a révélé en avril que la Société Fédérale de Participations et d'Investissement (SFPIM) a consenti un prêt de 200 millions d'euros à Publi-T, holding des communes belges et actionnaire majoritaire d'Elia, afin de permettre à cette dernière de conserver son statut d'actionnaire majoritaire et de ne pas être diluée suite à l'opération. Ce prêt, convertible en actions une fois l'augmentation de capital clôturée, aurait pour effet de faire de la SFPIM un nouvel actionnaire de Publi-T, aux côtés d'investisseurs institutionnels régionaux flamands et privés. Cependant, à ce jour, ni le site de la SFPIM ni celui de Publi-T ne font état de la participation ainsi acquise. Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer la réalisation complète de l'augmentation de capital prévue par Elia et, le cas échéant, confirmer que la SFPIM est bien devenue actionnaire de Publi-T? Pouvez-vous préciser à hauteur de quel pourcentage du capital de Publi-T s'élève sa participation? Quand la transparence sur la participation de la SFPIM sera-t-elle assurée auprès du public? Quels sont aujourd'hui les autres actionnaires institutionnels et privés dans cette institution? Pouvez-vous indiquer précisément quels sont ceux ayant pris part à l'opération décrite, en plus de la SFPIM, et à combien s'élève leur participation dans Publi-T? Quelle est la stratégie d’actionnariat de la SFPIM dans Elia? La SFPIM a-t-elle formulé des objectifs ou émis des conditions à cette participation, notamment en termes de politique d'entreprise, de politique ESG ou de nomination d'administrateurs dans le cadre SFPIM? Quelle est la stratégie actionnariale de la SFPIM plus largement dans le pilier énergétique prévu par l'accord de gouvernement? La SFPIM prévoit-elle d'autres prises de participation dans le secteur de l'énergie dans un futur proche? Je vous remercie. La SFPIM n'est que prêteur à ce stade-ci. Publi-T procédera au remboursement en convertissant le prêt de la SFPIM lors d'une augmentation du capital qui aura lieu en juin 2026. SFPIM deviendra alors actionnaire et sa participation dans Publi-T sera de 5,62 %. La transparence sur la participation sera faite dès que le prêt aura été effectivement converti. À ce jour, la transparence est effective pour le prêt. Celui-ci n'est conclu qu'entre la SFPIM et Publi-T SC/CV. Les informations sur les actionnaires de Publi-T sont publiées chaque année dans le rapport annuel de son conseil d'administration. Je transmettrai le tableau dont je dispose ici au secrétariat de la commission, afin qu'il puisse être repris dans le compte rendu. Ce tableau indique les différents actionnaires, le nombre d'actions, les pourcentages, etc. La participation dans Elia constitue un ancrage stratégique essentiel pour l'économie belge. Grâce à son siège au conseil d'administration au moment de la conversion, la SFPIM jouera un rôle actif dans la gouvernance du groupe et accompagnera Publi-T, et donc indirectement aussi Elia, dans le déploiement et le renforcement de leur approche ESG. Plusieurs engagements ont été pris à cet égard. Notamment, Publi-T et ses filiales n'exerceront aucune activité significative dans les secteurs interdits ou dans les paradis fiscaux et adopteront une démarche de précaution à l'égard des secteurs sensibles, ce qui implique que leurs activités s'inscrivent dans la transition énergétique et contribuent à la lutte contre le réchauffement climatique. La SFPIM est en train de revoir sa stratégie 2026-2031. Cette stratégie sera rendue publique dès qu'elle aura été approuvée. L'actuelle stratégie étant d'application jusqu'à septembre de cette année-ci, la nouvelle devrait donc pouvoir être rendue publique avant septembre. De manière générale, quels que soient les piliers d'investissement concernés, le portefeuille existant de la SFPIM est rendu public. Les informations relatives à des dossiers qui sont à l'examen sont, en revanche, traitées de manière confidentielle et ne sont donc pas divulguées. Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses très précises et pour le tableau que vous nous ferez parvenir par l'intermédiaire du secrétariat et qui permettra, en effet, de nous "éclairer", sans faire de jeu de mots, par rapport à cet apport électrique nécessaire pour pouvoir subvenir aux besoins grandissants en énergie électrique. Je vous remercie encore pour les réponses et l'attention que vous avez apportées à ma question. De Belgische bankensector en de Congolese mijnbouw Mijnheer de minister, enkele weken geleden publiceerde 11.11.11, in samenwerking met Oxfam en Fair Finance International, het nieuwe rapport Financing Critical Minerals but Failing Critical Safeguards . Uit de studie, die breed werd opgepikt in de binnen- en buitenlandse pers, blijkt dat de Europese financiële sector onvoldoende garanties biedt voor een eerlijke energietransitie. De cijfers zijn sprekend: BNP Paribas en ING verstrekten samen bijna 20 miljard dollar aan mijnbouwbedrijven, ondanks dat hun beleid op vlak van mensenrechten en milieu als ondermaats wordt beoordeeld, met minder dan vier op tien. De impact hiervan wordt concreet gemaakt door de organisatie L'Initiative Bonne Gouvernance et Droits Humains of IBGDH in de Democratische Republiek Congo. Zij rapporteerde over de Kamoa-Kakulamijn, waar in april 2025 nog 72 arrestaties en gewelddadige incidenten plaatsvonden tijdens protesten van de lokale bevolking. Gezien de ernst van de feiten heb ik de volgende vragen. Hebt u kennisgenomen van de bevindingen over de Belgische grootbanken en hun lage scores op ESG-criteria? Is er reeds overleg geweest met de sector of de opstellers van het rapport over de feiten? De auteurs pleiten ervoor de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) onverkort toe te passen op de financiële sector. Steunt u dat standpunt zodat wegkijken onmogelijk wordt? Hoe staat u tegenover de vraag om in Europees verband strikte sociale criteria te gebruiken voor de verwerking van kritieke mineralen en de naleving ervan ook op te nemen in alle handelsakkoorden, zoals aanbevolen in het rapport? Mijnheer Tas, het rapport onderstreept en weerspiegelt het belang van kritieke mineralen in onze economie, zeker met het oog op de groene en digitale transitie. Nationale veiligheid, gezondheidszorg, schone energie, om er enkele te noemen, hangen af van kritieke mineralen. Dat maakt de financiering van of de investeringen van ondernemingen die kritieke mineralen produceren of ze nodig hebben, belangrijk. Het spreekt voor zich dat banken in hun risicobeleid maatregelen moeten nemen om de gerelateerde risico’s in de toeleveringsketen te beheren. Dat is vandaag al het geval. Men moet rekening houden met de kwetsbaarheden van die toeleveringsketen op onder ander geopolitiek vlak en op het vlak van de mensenrechten. De omzetting van de zesde Capital Requirements Directive verankert de vereisten dan ook in de Bankenwet. De Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) maakt deel uit van het eerste omnibuspakket dat de Europese Commissie in februari van vorig jaar gepubliceerd heeft. Het doel van het pakket is de competitiviteit in de EU te versterken en administratieve lasten voor bedrijven te verminderen, zonder afbreuk te doen aan de onderlinge beleidsdoelstellingen. Inzake de financiële sector wil ik graag benadrukken dat die in de initiële versie van CSDDD uiteindelijk werd uitgesloten wat zijn financieringsactiviteiten betreft, de zogenaamde downstreamactiviteiten. De Europese wetgever vond immers de toepassing op financiële instellingen in dergelijke gevallen te complex en vreesde dat dat de toegang tot financiering zou bemoeilijken. Dat aspect lag ook niet op de tafel voor het omnibuspakket, dat daaromtrent dan ook geen wijzigingen aanbracht. Omwille van onze open strategische autonomie moeten we onze aanvoerbronnen diversifiëren. Het is belangrijk dat we ambitieuze open en rechtvaardige handels- en investeringsakkoorden sluiten op het EU-niveau. Conform het regeerakkoord waken we bij vrijhandelsakkoorden over het respect voor de mensenrechten en over de opname van sociale en ecologische standaarden zoals die vandaag worden toegepast door de Europese Commissie, alsook over het respect voor de afspraken in internationale verdragen. Mijnheer de minister, ik erken dat het een moeilijk evenwicht is: enerzijds zijn de kritieke mineralen nodig voor onze economie en is daarvoor financiering nodig en anderzijds moet de ontginning ervan op een veilige, eerlijke en correcte manier gebeuren. Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat we de kwestie inderdaad vooral op Europees niveau verder zullen moeten opnemen. België kan ter zake niet alleen maatregelen nemen. Ik ga er tegelijk van uit dat we dergelijke projecten blijven financieren conform vastgestelde standaarden. M. Frédéric Daerden a demandé la transformation de sa question n° 56011208C en question écrite. M. Anthony Dufrane a demandé le report de sa question n° 56011386C. De taks op managementvennootschappen, die ook van toepassing is op taxibedrijven (kmo-taks) Het VVPR-bis-systeem en de terugwerkende kracht De verhoging van de roerende voorheffing: rechtsonzekerheid, timing en overgangsregels Mijnheer de minister, we weten dat wat ik nu aankaart, vooral een strijd is van uw collega, de minister van Begroting, de heer Van Peteghem, die de maatregel graag presenteert als gericht tegen de fiscalisten en tegen de managementvennootschappen. Ik weet niet of u dat ook zo presenteert, maar het klinkt natuurlijk goed, alsof u enkel de topconsultants en de excessen wilt aanpakken. Telkens wanneer ik een Uber of taxi neem in Brussel, spreek ik met de bestuurder. Meestal zijn die chauffeurs heel jonge mensen, die vaak ook 's nachts werken. Zij vertellen mij altijd dat ze een vennootschap hebben. Ze doen dat, omdat ze heel goed begrepen hebben dat de fiscaliteit zo hoog ligt dat ze tegen 50 % belast worden. Die mensen werken heel hard, maar het zijn geen rijke mensen. Het zijn heel kleine zelfstandigen. U viseert het VVPR-bis-regime, een term die klinkt alsof het om grote vissen gaat. In werkelijkheid is het geen achterpoortje voor de happy few, maar een systeem dat door tienduizenden hardwerkende ondernemers in dit land wordt gebruikt. Ik wil daarom een heel concreet antwoord. Geldt uw tariefverhoging van 15 % naar 18 % enkel voor de managementvennootschap van de topconsultant, of geldt ze ook voor de vennootschap van de taxichauffeur, de mensen met wie ik vaak spreek? Geldt de tariefverhoging ook voor de loodgieter en voor de bakker op de hoek? Zoals wij het lezen, maakt u geen onderscheid. U scheert iedereen gewoon over dezelfde kam. Ik begrijp dan ook niet goed waarom sommigen dat blijven framen als een rijkentaks, terwijl u goed weet dat het in de praktijk gewoon een platte kmo-belasting is die de kleine zelfstandigen zal treffen. Kunt u dat bevestigen, mijnheer de minister? Mijnheer de minister, mijn vraag gaat eveneens over die verhoging van 15 % naar 18 %, waarover mevrouw Bertrand spreekt. Eigenlijk is dat 20 % belastingverhoging. U weet dat er eind vorig jaar nogal wat paniek heerste bij accountants en fiscalisten, omdat mensen dringend geld uit hun vennootschap wilden halen aan het lagere tarief. Bart Van Coile van het ITAA verklaarde dat de onzekerheid het voor zijn leden zeer moeilijk maakt om cliënten correct te informeren. Intussen hebben we vernomen dat alles vast zou liggen in een programmawet, die nog naar het Parlement moet komen. Mijnheer de minister, wanneer komt die wet naar het Parlement? Is er al een advies van de Raad van State? Wanneer komt de tweede lezing eraan? Klopt het dat men verwacht dat die maatregel pas ten vroegste op 1 april 2026 in werking zou treden? Klopt het dat historische winsten, dus winsten opgebouwd in het verleden, bij uitkering vanaf 2026 ook aan 18 % roerende voorheffing zullen worden belast, zelfs als ze onder een ander fiscaal regime zijn gerealiseerd? In de teksten staat dat het tarief voor VVPR-bis-dividenden zou worden verhoogd naar 18 % voor alle uitkeringen vanaf 31 december 2025. Betekent dat dat een dividend dat op 31 december 2025 wordt uitgekeerd reeds onder het nieuw tarief van 18 % valt, of bedoelt u in werkelijkheid vanaf 1 januari 2026? Voor de liquidatiereserves geldt dat de reserves aangelegd vanaf 31 december 2025 aan 9,8 % zullen worden belast, terwijl oude reserves aan 5 % of 6,5 % kunnen blijven. Klopt dat al dan niet? Ten slotte, hoe voorkomt u dat die opeenvolging van onduidelijke data, tarieven en uitzonderingen leidt tot paniekbeslissingen, foutieve aangiftes en betwistingen, met als gevolg rechtsonzekerheid voor ondernemers en extra werk voor de fiscus? Mevrouw Bertrand, mijnheer Van Quickenborne, in de programmawet zijn de hiernavolgende tariefwijzigingen met betrekking tot de roerende voorheffing opgenomen. In het VVPR-bis-stelsel wordt het tarief van 15 %, dat van toepassing is bij uitkeringen uit de winstverdelingen van het derde of een later boekjaar volgend op dat waarin de inbreng of verhoging heeft plaatsgevonden, opgetrokken naar 18 %. Die tariefverhoging zal pas van toepassing zijn vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de programmawet in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, dus niet vanaf 31 december 2025 of 1 januari 2026. De maatregel is van toepassing op alle vennootschappen die gebruikmaken van het VVPR-bis-stelsel. Voor de dividenden die daarvoor worden toegekend, blijft het huidig tarief van toepassing. Er is dus geen sprake van terugwerkende kracht. Voor de andere opmerking van mevrouw Bertrand citeer ik uit een recent artikel van De Tijd . Het gaat om kleine stapjes om de excessen eruit te halen, maar de impact is al bij al beperkt. Voor de liquidatiereserve wordt het tarief van 6,5 %, dat van toepassing is bij uitkeringen waarvoor de wachttermijn van drie jaar is gerespecteerd, opgetrokken naar 9,8 % om op die manier uit te komen op een totale effectieve belasting van 18 % met inbegrip van de afzonderlijke aanslag van 10 %. Die tariefverhoging zal enkel gelden voor dividenden die voortkomen uit liquidatiereserves die op 31 december 2025 of later zijn aangelegd ofwel vanaf het aanslagjaar 2026. Door de wachttermijn van drie jaar zal die tariefverhoging pas ten vroegste uitwerking kunnen hebben in de loop van 2029. De toepassing van verschillende tarieven naargelang de datum waarop de liquidatiereserve is aangelegd of de inbreng of verhoging heeft plaatsgevonden, is trouwens niet nieuw. Ook in het verleden bestond dergelijk onderscheid al en leverde dat geen problemen op wat de administratieve opvolging betreft. Ik wil benadrukken dat de programmawet momenteel bij de Raad van State ligt. De tweede lezing binnen de regering volgt dus onmiddellijk nadat het dossier terugkomt van de Raad van State, waarna wij dat ongetwijfeld nader zullen bespreken tijdens de behandeling hier in de Kamer. Mijnheer de minister, ik begrijp dat dat van toepassing is op alle vennootschappen en dus niet alleen op de managementvennootschappen. Uw collega, minister Van Peteghem, zei over de managementvennootschappen trouwens dat ze een schande waren en dat het de bedoeling was om de excessen eruit te halen. U verwijst naar die excessen, maar ik zie niet goed in welke excessen u eruit zult halen. Eigenlijk is het een verhoging van 20 %. U zegt dat het effect klein en beperkt zal zijn, maar daarmee ben ik het niet eens. Dat zei ik niet. Dat is een verhoging van 20 %. Dat is een zeer belangrijk effect. Het effect is dubbel. Voor de kleine zelfstandigen is dat een belastingverhoging van 20 %: voor de bakker, voor de Uberchauffeur, voor de loodgieter, voor de elektricien, mensen die heel hard werken en die extra belastingen zullen betalen. Daarnaast is er ook een effect door de cumulatie van al uw belastingen. Naast deze belasting komt er ook een zeer complexe meerwaardebelasting. Collega Van Quickenborne heeft daar al op gewezen. Er komt ook een verdubbeling van de taks op de effectenrekening. U kunt zeggen dat de rijke mensen beoogd worden, maar al die maatregelen hebben vooral een negatief effect op het investeringsklimaat. Ik zal u iets vertellen, mijnheer de minister. Een aantal dagen geleden kwam ik een bankier tegen op een receptie. Hij vertelde mij dat hij nog nooit in zijn dertigjarige carrière zoveel mensen heeft ontmoet die hem vragen hoe ze weg geraken uit België, uit dit land. We kunnen dat betreuren. Ik vind dat triestig. Ik zal in elk geval hier blijven. Het gaat erom dat die mensen op een bepaald moment vinden dat er in dit land geen klimaat van ondernemerschap meer is. Dat is het effect van deze maatregel. Mijnheer de minister, ik denk dat een en ander het gevolg is van het feit dat er over het ondernemerschap karikaturen worden opgehangen, waaraan u voor alle duidelijkheid niet meedoet. U kent wel de karikatuur van iemand die aan zijn zwembad ligt en zichzelf een minimumbezoldiging uitkeert of de karikatuur van de doctoors . Collega El Yakhloufi, die net binnenkomt, zei in een andere commissie dat die ondernemers gratis op onze wegen rijden en gratis onderwijs krijgen en intussen is het kassa kassa, in the pocket . Die uitspraak herinner ik mij nog goed. Door die karikaturen vermindert echter de schroom van de regering om die mensen fiscaal te straffen. U wilt misbruiken bestrijden. Het behoort tot de opdracht van minister Van Peteghem om de excessen inzake managementvennootschappen aan te pakken. Het gevolg van die maatregel is dat u de gewone bedrijven taxeert, zowel de kleine als de middelgrote. Iedereen met een kleine vennootschap in ons land, honderdduizenden vennootschappen, zal nu plots meer belastingen moeten betalen. Waar hebben die mensen dat aan verdiend? Dat gaat niet over de sterkste schouders, maar wel over mensen met een gewone activiteit, zoals een bakker, een slager, een loodgieter of een dakwerker. Iedereen die een kleine vennootschap heeft, zal die taks moeten betalen. Het is trouwens niet zomaar een taks, het is 20 % belastingverhoging. Waar hebben die mensen dat aan verdiend? Waarom doet u dat? Waarom moeten zij nu plots 20 % belastingen meer betalen? Ik heb die vraag al een paar keer gesteld aan u en aan de eerste minister, maar u blijft het antwoord schuldig. Dat is een platte belastingverhoging die niets te maken heeft met de sterkste schouders en die er alleen maar komt omdat u zegt dat u ze zult pakken waar u ze kunt pakken. Dat is jammer, want het ondernemersklimaat lijdt daar inderdaad onder. Als u de optelsom ziet van al de taksen die erbij komen, taks op taks op taks, dan vrees ik inderdaad dat het klimaat voor ondernemers verder verzuurt. Het economisch klimaat is vandaag trouwens ook niet gemakkelijk en we stevenen regelrecht af op slechte resultaten, waarbij bedrijven mensen zullen ontslaan, er minder ondernemerschap is en de goesting om ondernemen in ons land zal dalen. Mijnheer de minister, herpak u en verlaag de belastingen in plaats van ze te verhogen, zodat onze ondernemers gelukkig zijn. Ik denk trouwens dat er in uw coalitie ook partijen zijn die dat willen, maar het tegendeel gebeurt. ”Je le dis au nom de ma formation politique: il n'y aura pas d'autres taxes, ni de nouvelles taxes”, mais malheureusement, chers collègues, c'est l'inverse qui se passe. Mijnheer de minister, ik hoop dat u goed geluisterd hebt. Ik denk van wel. De vragen nrs. 56011460C en 56011461C van de heer Hugues Bayet worden uitgesteld. De fiscale gevolgen voor de microwoningzones Monsieur le Ministre, cher Monsieur Jambon, dans le cadre de la gestion cadastrale des biens immobiliers, il apparaît que les habitats légers – tels que yourtes, tiny house ou chalets permanents – sont actuellement répertoriés sous la dénomination "maisons de vacances", bien qu'ils constituent pour nombre de citoyens leur domicile ou résidence principale et non un logement de villégiature. Le Cadastre m'a indiqué que cette dénomination résulte d'une absence de classification spécifique pour les habitats légers et qu'il s'agit d'une appellation "provisoire". Cependant, cette qualification ne reflète pas la réalité de l'usage et du décret wallon qui a introduit la notion d'habitation légère dans le Code wallon du logement. Ce décret a été adopté le 30 avril 2019 et est entré en vigueur le 1 er septembre 2019, qui confirme l'habitat léger comme habitat et pourrait avoir des conséquences fiscales, notamment sur le montant du revenu cadastral ou sur d'autres obligations fiscales locales ou fédérales. Dès lors, Monsieur le Ministre: 1. Confirmez-vous que les services cadastraux n'ont pas encore de catégorie propre pour les habitats légers? 2. Cette situation entraîne-t-elle une évaluation spécifique du revenu cadastral (par exemple, une réduction liée à la qualification de "maison de vacances")? 3. Envisagez-vous d'adapter la nomenclature cadastrale afin de mieux refléter la réalité de ces formes d'habitat, croissantes sur le territoire et répondant à de véritables besoins de logement? Monsieur Piedboeuf, tout d'abord, il n'existe pas encore de catégorie propre pour les habitats légers. La nature cadastrale est déterminée sur la base des caractéristiques intrinsèques du bien immobilier, et non sur son usage. Elle est indépendante de la destination urbanistique. Par ailleurs, la prise en compte de ce type d'habitation dans la documentation patrimoniale fait actuellement l'objet d'une analyse portant sur le critère d'immobilisation. Monsieur le ministre, je vous remercie. Vu que cet habitat est reconnu à présent en Wallonie comme un bien permettant la domiciliation, il était évidemment un peu vexatoire de se faire cadastrer en "maison de vacances" alors qu'il s'agit d'un domicile authentique de personnes désireuses de vivre dans ce type de bien. Je vous remercie d'être attentif à l'évolution de la législation, qui est un peu en retard par rapport à la réalité. Extra uitzonderingen op de btw-verhoging (De Standaard, 26/01/2026) De verhoging van de btw op culturele activiteiten Monsieur le ministre, dans le cadre de l’ajustement budgétaire, le gouvernement a décidé de faire passer de 6 % à 12 le taux de TVA applicable aux activités sportives, culturelles et de loisirs, tout en prévoyant une série d’exceptions sectorielles. Selon les informations communiquées à ce stade, seraient exemptés de la hausse notamment le théâtre de rue, le cirque, l’opéra, la musique classique et la chorégraphie, tandis que d’autres formes de spectacles – concerts de musique pop, rock, rap, festivals ou formes hybrides – seraient soumises au taux majoré. Or, depuis l’annonce de cette réforme, un flou juridique important persiste quant: - au champ exact des disciplines concernées ou exclues (théâtre versus théâtre de rue, spectacles hybrides, impro, stand-up, jazz, festivals, etc.); - aux définitions retenues pour opérer ces distinctions; - et aux fondements objectifs justifiant une différence de traitement entre formes culturelles contribuant pourtant toutes à la création, à la cohésion sociale et au rayonnement culturel. Les fédérations professionnelles et les opérateurs culturels indiquent par ailleurs avoir sollicité à plusieurs reprises des clarifications écrites, sans obtenir de réponses précises, y compris de la part des cabinets compétents. À cela s’ajoute une insécurité opérationnelle majeure liée au moment d’application du taux de TVA: le SPF Finances indique que le taux applicable dépend de la date de vente des billets, ce qui pose de graves difficultés lorsque des spectacles sont mis en vente avant l’entrée en vigueur de la réforme, mais vendus après celle-ci. Les plateformes de billetterie elles-mêmes communiquent de manière contradictoire, accentuant l’incertitude pour les organisateurs comme pour le public. Enfin, plusieurs acteurs dénoncent le caractère potentiellement discriminatoire et disproportionné de la mesure, qui pourrait être contestée au regard des principes d’égalité de traitement, de sécurité juridique et de proportionnalité, notamment dans le cadre de l’avis du Conseil d’État attendu. Dans ce contexte, monsieur le ministre, pouvez-vous préciser: Les définitions juridiques exactes retenues pour déterminer les disciplines culturelles exemptées ou non de la hausse de TVA? Les justifications objectives et vérifiables qui fondent ces distinctions entre formes culturelles? Le modus operandi précis prévu pour les opérateurs en matière de billetterie, en particulier lorsque la mise en vente et la vente effective interviennent de part et d’autre de l’entrée en vigueur de la réforme? Les garanties apportées afin d’éviter toute discrimination arbitraire et toute insécurité juridique pour les secteurs concernés? Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de btw-kwestie. De heer Piedboeuf luistert aandachtig mee. We hebben het al gehad over de btw op meeneemmaaltijden. Ik zeg niet dat dat verteerd is, maar intussen weten we hoe dat zit. Dat gaat dan over de pizza's en dergelijke. U lacht ermee, mijnheer El Yakhloufi, maar er is nog een tweede btw-saga in het btw-circus, want blijkbaar zou de btw-verhoging van 6 % naar 12 % niet gelden voor het circus, voor voorstellingen van straattheater, voor choreografie, opera en klassieke muziek. U zult zeggen dat we daar al eerder over hebben gediscussieerd in de commissie, maar dit is een nieuw element, dat volgens De Standaard zou zijn ingevoerd op vraag van Les Engagés. De krant citeert het kabinet van Maxime Prévot, een sympathieke minister: “We hebben er inderdaad als enige partij voor gevochten om de status quo voor cultuur te behouden. Mijnheer de minister, dat is opvallend. We hebben daar inderdaad op 14 juni over gediscussieerd, maar voor mij wordt het wel bijzonder complex. Ik heb dus een aantal vragen. Ten eerste, klopt het dat minister Prévot en Les Engagés daarvoor gelobbyd hebben, zoals hij zelf toegeeft in De Standaard ? Klopt dat of niet? U was erbij in het kernkabinet, dus u herinnert zich levendig hoe die discussie verliep. Ten tweede, wat is de logica achter die uitzonderingen? Ik probeer dat te begrijpen, want er staat letterlijk klassieke muziek . Onlangs woonde ik een optreden bij van Matthias De Jaeger, een muzikant die moderne klassieke muziek speelt, en het was een thuisconcert. Ik vond dat heel mooi, maar hij vroeg me of het dan 6 % of 12 % is. Zal er een beoordeling plaatsvinden om te bepalen of iets klassiek is of moderne klassieke muziek? Wat doet u met jazzklassiek, een soort fusion? Ik houd daarvan, ik weet dat u van klassieke muziek houdt. Valt jazzklassiek dan ook onder klassieke muziek of niet? Dan is er het circus. Het circus valt blijkbaar onder 6 %, maar wat met internationale producties zoals Cirque du Soleil? Is dat een circus of een voorstelling? Wat doet u met musicals? Een musical bevat muziek, maar niet altijd klassieke muziek, en is ook een voorstelling. Valt een musical dan onder 6 % of 12 %? Moet men dan kijken naar het soort musical: een klassieke musical of een moderne musical? Iets wat ik echt niet begrijp, is het volgende: musea worden belast aan 12 %, terwijl het circus aan 6 % is. U bent nochtans een grote museumliefhebber. Het lijkt alsof hoge cultuur, zoals het circus, voordeliger is dan musea, die volgens deze logica mindere cultuur zijn. Kunt u ons dat eens uitleggen? Waar is men eigenlijk mee bezig? Ik zal het trachten uit te leggen, maar eerst en vooral wil ik het volgende zeggen. De Standaard schrijft dat dit nieuw is. Ik neem aan dat De Standaard niet al onze debatten volgt, maar ik heb dat tijdens het actualiteitsdebat letterlijk toegelicht. Het staat ook letterlijk vermeld in het verslag op pagina 10. Ik citeer: “In de huidige tekst van het ontwerp van het KB, die voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State, zal die tariefverhoging daarentegen niet van toepassing zijn op theater, straattheater, choreografie, opera, klassieke muziek, voorstellingen en circus.” Dat was dus niet nieuw. Ik zal beleefdheidshalve ook de vragen van mevrouw Schlitz beantwoorden en daarna tot uw vragen komen, mijnheer Van Quickenborne. Ces exceptions sont le fruit d’un compromis, comme toujours, trouvé au sein du gouvernement lors du Conseil des ministres du 23 décembre 2025. En tout état de cause, le projet d’arrêté royal reprenant ces mesures tarifaires en matière de TVA fera l’objet de nouvelles discussions au sein du gouvernement sur la base de l’avis rendu par le Conseil d’État. À cet égard, l’avis du Conseil d’État sur le point que vous venez de mentionner sera déterminant. Les exceptions envisagées en matière culturelle dans le cadre des mesures visant à relever le taux de TVA de 6 à 12 % sur certains biens et services s’inscrivent dans le prolongement de la réglementation applicable en matière de tax shelter pour les arts de la scène, conformément à l’article 194 ter /1, § 2, 2° du Code des impôts sur les revenus (CIR) 1992. S’agissant de ces disciplines et de ces arts en particulier, à défaut de définitions précises dans le Code de la TVA ou dans la disposition précitée, il convient de se référer aux définitions fournies par les services compétents des communautés concernées dans le cadre de leur réglementation propre, notamment en matière d’agrément. De verwijzing naar de toekenning van het recht op toegang tot circusvoorstellingen is algemeen en maakt geen onderscheid naargelang de rechtsvorm of de omvang van de productie. Een musical valt doorgaans niet onder theater en is op basis van de ontwerptekst inzake de hervorming van de btw-tarieven dus onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 12 %. Wat betreft de Night of the Proms verplicht de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie tot een strikte interpretatie van de bepalingen inzake verlaagde btw-tarieven. Daarbij geldt bovendien dat complexe handelingen die uit economisch oogpunt één enkele dienst vormen, niet kunstmatig mogen worden opgesplitst. Het recht op toegang tot een voorstelling van de Night of the Proms zal dienovereenkomstig, op grond van de huidige ontwerptekst inzake de hervorming van de btw-tarieven, onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 12 %. Mijn beleidscel en mijn administratie werken momenteel aan een FAQ waarin alle praktijkgevallen zo veel mogelijk worden uitgewerkt, zodat maximale rechtszekerheid wordt verschaft aan de belastingplichtigen. Ingevolge het advies van de Raad van State moeten de teksten mogelijk nog worden aangepast. Zodra de ministerraad in een tweede lezing het finale koninklijk besluit bekrachtigt, zal de FAQ zo snel mogelijk worden gepubliceerd. Enfin, comme déjà indiqué précédemment, les réformes tarifaires envisagées doivent entrer en vigueur au 1 er mars 2026 et seront applicables aux opérations pour lesquelles la taxe est devenue exigible à partir de cette date. Concrètement, lorsque des billets seront réservés et payés avant cette date, l’actuel taux de TVA de 6 % restera applicable, quelle que soit la date effective de la représentation en cause. Het advies van de Raad van State zal een belangrijk element zijn om het koninklijk besluit af te ronden. Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Als ik dat mag zeggen, vond ik uw antwoord beter dan de discussie die we in de vorige commissievergadering hadden, omdat u wel zeer concreet was. Wat ik interessant vind, is dat u zegt dat het advies van de Raad van State bepalend zal zijn. Ik heb dus de indruk dat het best zou kunnen dat de tekst alsnog wordt gewijzigd, wat ik niet onverstandig zou vinden. Collega’s, laten we eerlijk zijn. Ik denk dat de minister zelf ook een beetje plaatsvervangende schaamte voelt bij alles wat er aan het gebeuren is. Ik neem u dat niet persoonlijk kwalijk, absoluut niet. Ik denk trouwens ook niet dat Jambon in de ministerraad gezegd heeft dat hij van opera houdt en dat hij niet de clown wil zijn… Dat denk ik niet. Zo bent u niet, zo functioneert u niet. We zitten toch in de politiek om de dingen eenvoudig te maken. Maar ik heb nu de indruk dat we voortdurend bezig zijn om alles moeilijker en complexer te maken. Niemand begrijpt het nog. Oké, een musical is 12 %, dat is uitgeklaard. De Night of the Proms is ook 12 %. Maar als we voor elke activiteit eerst moeten bepalen of het 6 % of 12 % is, dan zijn we nog lang bezig. Dan kunnen hier elke week vragen aan de minister worden gesteld, terwijl u intussen wel andere zaken te doen hebt. Mijnheer de minister, wanneer u naar de tweede lezing van het koninklijk besluit gaat, stop dan met al die koterijen en zotternijen. Herleid het tot de essentie. Zorg er ook voor dat jonge mensen niet worden gediscrimineerd. Jongeren die naar Werchter gaan, moeten plots 12 % betalen, onder meer ook de kinderen van onze goede collega Vanbesien. Maak het dus gewoon eenvoudig. Dat is wat de mensen verlangen van u en van de regering: de dingen eenvoudig maken in plaats van ze voortdurend complexer te maken. Dat is goed voor de mensen, goed voor de administratie en vooral goed voor ons land en onze economie. Helmut Lotti heeft gezegd dat als hij voor klassiek gaat, het 6 %, en als hij voor metal gaat, is het 12 %. Ik heb Helmut al in beide gedaanten gezien. Maar, mijnheer de minister, het kan toch niet zijn dat het muziekgenre bepaalt hoeveel btw je betaalt. In uw geval zou het dan 6 % zijn en in mijn geval 12 %. Dat kan toch niet. Terug naar de tekentafel dus. Er is wel het lichte engagement om het anders te doen. Mijnheer de minister, het kan inderdaad ook anders. Punt. Het mechanisme van de autonome gemeentebedrijven (AGB's) Monsieur le Ministre, Cher Monsieur Jambon, la plupart des communes font appel au mécanisme des RCA afin de gérer leur patrimoine immobilier, sportif ou non, et à l'occasion, mais pas exclusivement, d'étaler le paiement de la TVA sur les travaux immobiliers dans le temps. Avec la nouvelle mesure d'augmentation de la TVA de 6 à 12 %, les Communes et leurs RCA seront directement concernées, en raison du mécanisme de subsides liés aux prix, instauré par la décision du SPF Finances E.T.129.288 du 19 janvier 2016 (entrée en vigueur le 1 er janvier 2016), remplacée par la circulaire 2022/C/100 du 13 octobre 2022. Avant 2016, il y avait une séparation nette entre subsides liés au prix soumis à TVA et subventions de fonctionnement. Depuis lors, il semble que l'administration considère que tant les subsides liés au prix que les subventions de fonctionnement doivent être soumis à TVA, ce qui présente l'inconvénient pour des opérations internes à la gestion communale d'ajouter de la TVA alors que la plupart du temps les subsides de fonctionnement concernent le paiement du personnel. Pourriez-vous, Monsieur le Ministre, confirmer la distinction qu'il y a entre d'une part les subsides liés au prix passibles de la TVA pour utilisation des locaux qui ont permis cet étalement de TVA et les subventions qui permettent simplement d'intervenir pour le paiement du personnel affecté? Monsieur Piedboeuf, compte tenu du contexte spécifique dans lequel une régie communale autonome développe ses activités, il est nécessaire de déterminer dans quelles circonstances une RCA peut être considérée comme un organisme à but lucratif. Ceci est important parce que le champ d'application de certaines exemptions à la TVA se limite aux opérations fournies par des organismes sans but lucratif. Dès lors que la poursuite d'un but de lucre ne peut être déduite de la seule mention en ce sens dans les statuts, encore faut-il définir la manière dont peut être identifiée l'existence effective d'un tel but, et donc d'un bénéfice distribuable dans le chef de la RCA. S'agissant des subsides liés aux prix octroyés par la commune à la RCA, ils font, au même titre que le prix acquitté par les bénéficiaires des prestations réalisées par la RCA, partie intégrante du chiffre d'affaires, et doivent être pris en considération afin de déterminer si les dispositions statutaires relatives à la poursuite d'un but lucratif sont théoriques ou non. Les deux éléments du chiffre d'affaires sont soumis à la TVA. Les subsides de fonctionnement alloués par une autorité communale à une RCA, par exemple pour couvrir les coûts de personnel, sont également à exclure dans le cadre de la détermination de l'existence d'un bénéfice. Je peux vous confirmer que ces subsides de fonctionnement ne sont pas soumis à la TVA. La hausse du taux de TVA de 6 à 12 % relatif aux prestations de services de culture, de sport et de divertissement n'a dès lors aucune incidence sur ces subsides de fonctionnement. La distinction entre subsides liés au prix et subsides de fonctionnement est clarifiée de manière circonstanciée dans la circulaire 2022/C/100. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour ces précisions fondamentales. Nous sommes tout à fait d'accord sur cette distinction et d'accord d'appliquer la TVA sur les subsides liés au prix, mais il fallait évidemment exonérer les communes de payer de la TVA sur les subventions qu'elles donnent à la RCA pour pouvoir fonctionner. C'est une très bonne nouvelle qui va rassurer, je le pense, énormément de RCA qui font un excellent travail en matière économique pour notre pays. De bijdrage van gemeenten en provincies aan de ontwikkeling van projecten Monsieur le Ministre, il y a qq années nous avons décidé de soumettre les intercommunales de développement économique à l’Impôt des Sociétés, dans le cadre de cette imposition et en toute bonne logique les subsides perçus sont exonérés. En province de Luxembourg, l’intercommunale Idelux a créé un fonds d’expansion alimenté par moitié par la province et par moitié par les communes. Ce fonds d’expansion, qui en réalité est un subside, permet de contribuer à financer ou à attirer des projets stratégiques et utiles pour le développement économique, la création d’emplois, etc. Ce prélèvement sur ce fonds d’expansion se trouve bien évidemment dans le résultat mais il s’ensuit qu’il est soumis à l’Isoc ce qui est une aberration. En effet, cette contribution publique, équivalent à un subside, se retrouve amputé du montant de l’impôt et in fine réduit la dotation du public au public. Pourriez-vous, Monsieur le Ministre, établir une circulaire qui dispense de cette contribution injuste? Je vous remercie de votre réponse. Monsieur Piedboeuf, comme vous le comprendrez, il ne m'est pas possible de me prononcer sur le cas concret d'un contribuable, étant tenu par le secret professionnel. Cela étant, sur le principe, je peux confirmer que toute société assujettie à l'impôt des sociétés est, conformément à l'article 24 du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 1992), imposée sur l'ensemble de ses bénéfices, y compris les subsides reçus. Ces derniers peuvent toutefois être exonérés s'ils constituent des aides régionales qui entrent dans le champ d'application des articles 193 bis ou ter du Code précité. Enfin, une circulaire ne peut avoir pour vocation de déroger à des dispositions d'ordre public, claires et univoques, qui seraient correctement appliquées. Monsieur le ministre, je comprends la réponse concernant les subsides régionaux, mais, ici, on est devant une intercommunale de développement économique qui, pour pouvoir faire du développement économique, sollicite les provinces et les communes à abonder dans un fonds d'investissement, en quelque sorte. Pour développer des projets et attirer des entreprises, ce fonds d'investissement permet de faire des aides aux entreprises, etc. Donc, il est un peu contradictoire que les apports des associés soient soumis à l'impôt des sociétés alors qu'ils permettent de réaliser l'objet social. Là, on a vraiment un problème, parce que ce sont des subsides qui devraient être eux-mêmes exonérés, et pas passibles de l'impôt des sociétés. Je leur ai déjà expliqué qu'il faudrait peut-être qu'ils fassent des augmentations de capital et puis des diminutions de capital, mais je trouve qu'on devrait trouver un moyen d'exonérer les apports des associés pour financer le développement économique. Je vous soumettrai éventuellement un dossier argumenté à ce sujet. Merci monsieur le ministre pour toutes vos réponses. Je crois que nous avons fait avancer beaucoup de sujets. Collega’s, ik zal al mijn vragen aan het einde van deze zitting stellen, dan kan ik u allemaal bevrijden uit deze commissievergadering. De aan Pillar 2 toe te schrijven opbrengst Monsieur le ministre, comme vous le savez probablement, les États-Unis ont obtenu début janvier que leurs multinationales échappent à l'impôt minimum Pillar 2 de 15 % qui s'applique pourtant à toutes les multinationales européennes et donc également aux sociétés belges qui se sont développées à l'étranger. Pouvez-vous m'indiquer quel a été le bénéfice net pour le Trésor de Pillar 2 jusqu'ici, c'est-à-dire les impôts supplémentaires que Pillar 2 a permis de récolter, moins les montants qui ont dû être investis pour créer une administration qui contrôle et supervise l'implémentation de cette nouvelle réglementation? Monsieur Piedboeuf, le SPF Finances ne possède pas encore l'ensemble des données relatives au pilier 2 pour pouvoir calculer les bénéfices générés par cet impôt. Pour l ’Income Inclusion Rule , le SPF Finances dispose des chiffres du précompte. Il s'agit en l'occurrence d'un montant de 6 467 637 euros. Pour le binnenlandse bijheffing, c’est 63 847 828 euros. Toutes les réponses étaient vraiment intéressantes. Merci, monsieur le ministre. De financiële betrokkenheid van België in bezet gebied Mijnheer de minister, dit debat is eigenlijk heel eenvoudig. België zegt dat illegale nederzettingen in bezet Palestijns gebied in strijd zijn met het internationaal recht. Dat is ons officiële standpunt. Tegelijkertijd tonen rapporten van internationale organisaties aan dat Belgische financiële instellingen nog altijd betrokken zijn bij bedrijven die daar actief zijn. Ze steunen bedrijven die daar bouwen, die daar investeren in infrastructuur en die ondersteunen in een bezettingssituatie die wij zelf onwettig noemen. Dat wringt, want woorden moeten met daden kloppen. Dat is wat de mensen van ons vragen. Daarom zijn mijn vragen heel concreet, mijnheer de minister. Hoe beoordeelt u deze vaststelling in het licht van het internationaal humanitair recht en van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Dit gaat niet over meningen, dit gaat over regels die we zelf onderschrijven. Acht u het aanvaardbaar dat Belgische financiële instellingen betrokken blijven bij activiteiten die bijdragen aan een illegale bezettingssituatie? Heel eenvoudig ja of nee antwoorden volstaat. Overweegt deze regering bindende regels of een nationaal sanctiemechanisme zolang er geen Europese consensus is, of blijven we wachten terwijl het geld gewoon blijft stromen en daar elke dag de huizen van mensen worden platgereden door een bulldozer? Dat is de realiteit. Hoe zal België er concreet voor zorgen dat zijn financieel beleid niet bijdraagt aan de schending van het internationaal recht, niet in verklaringen maar in afdwingbare keuzes. Want de mensen verwachten terecht dat hun spaargeld, hun pensioenen en hun verzekeringen geen rol spelen in een situatie die we juridisch veroordelen. De mensenrechten zijn geen bijlage, ze zijn toetsstenen van onze samenleving. Ik hoor graag hoe u die verantwoordelijkheid vandaag opneemt. Ik veronderstel dat u verwijst naar het rapport Don't Buy into Occupation. Ik kan niet ingaan op vragen van internationaal recht, maar wat mijn bevoegdheid betreft, blijft de essentie dat de Belgische banken moeten voldoen aan alle wetten, regels en conventies die op hen van toepassing zijn, waaronder - en dat spreekt voor zich natuurlijk - mensenrechten. Dat behoort tot het due diligencewerk dat banken al onder het huidige kader moeten vervullen, zeker wanneer het gaat om belangrijke financieringsbeslissingen. Wat uw vraag over mogelijke nationale regels betreft, onderzoekt de Thesaurie of een nationaal sanctieregime kan worden ingevoerd. Dat onderzoek is nu dus lopende, maar op basis van een eerste analyse lijkt dat juridisch niet vanzelfsprekend. Is dat logischer in een Europees verhaal? Het onderzoek is bezig en nog niet afgerond. Mijnheer de minister. Ik ben even aan het kijken of u op al mijn vragen hebt geantwoord. Er zijn twee dingen. Er is het Europese verhaal, mijnheer de minister. Als we wachten op het Europese verhaal, dan zullen we nog heel lang mogen wachten. Ik ben wel blij dat u zegt dat de kwestie wordt onderzocht en dat u het nodige aan het doen bent. Mijn vraag is welke sancties u zult opleggen aan de financiële instellingen die toch zo blijven handelen. De realiteit is dat ons spaargeld vandaag wordt ingezet, het spaargeld van de kleine belegger, over wie heel veel collega's in de commissie voor Financiën spreken. Het gaat om Jan de bakker, Thomas de tassenverkoper, Mo met de pizzeria. Het zijn die mensen van wie het spaargeld wordt ingezet. Het spaargeld van de gewone werkmensen wordt belegd in Israël. Daar worden huizen mee platgebombardeerd, daar wordt mee geïnvesteerd in nieuwe bezettingen op grond die niet van de Israëli’s is. Men moet zeer streng zijn. Ik hoop dat u met de regering heel duidelijk nee zegt tegen dat beleid en dat u al die mensen die zo handelen, ook zult blijven bestrijden. De jaarlijkse taks op de effectenrekeningen Mijnheer de minister, deze vraag gaat over de taks op de effectenrekening. U verdubbelt die taks van 0,15 % naar 0,3 %. Zoals u weet is die taks van toepassing op effectenrekeningen waarvan de waarde meer dan 1 miljoen euro bedraagt. Het probleem betreft de cliënten van Belgische verzekeringsondernemingen die een tak 23-beleggingsverzekering onderschrijven. Een tak 23 - dat kent u, mijnheer de minister - is een levensverzekering die eigenlijk een belegging is. Dat is dus goede praktijk. Het probleem is echter dat die mensen eigenlijk geen gebruik maken van een effectenrekening. De effectenrekening staat immers op naam van de verzekeringsonderneming. Die rekent dan de taks door aan haar cliënten. Dat is ook door de vorige minister van Financiën aan de verzekeringsondernemingen als normale praktijk erkend. Dat betekent wel dat voor die cliënten de drempel van 1 miljoen euro niet geldt, wat tegen de geest van de wet ingaat. Zij betalen de taks op de effectenrekening immers ook voor zeer kleine bedragen. Dat betekent dat er een ongelijke behandeling is tussen deze beleggers en de beleggers in financiële instrumenten die zelf een effectenrekening hebben geopend bij een financiële instelling. Ik vind dat discriminatie. Mijnheer de minister, wat zult u ondernemen om deze ongelijke behandeling te stoppen? Er is echter nog een tweede probleem. Beleggers die via hun Belgische verzekeringsmakelaar wensen in te tekenen op een tak 23-beleggingsverzekering, zullen de keuze hebben tussen een tak 23-verzekering bij een Belgische verzekeraar, waarop de taks op de effectenrekening wel van toepassing is, of een tak 23-verzekering bij een Luxemburgse verzekeringsondernemer, die in België via de Belgische verzekeringsmakelaar onder het stelsel van de vrije dienstverlening kan worden aangeboden en waarop de taks dan niet van toepassing is. Het spreekt voor zich dat cliënten eerder de minst belaste weg zullen kiezen en dat is ook absoluut legaal. Ze zullen dus het Luxemburgse tak 23-verzekeringsproduct verkiezen boven het Belgische tak 23-verzekeringsproduct. De verzekeringsmakelaar, die het belang van zijn klant moet dienen, is bovendien verplicht om het product met de minste kosten te adviseren. Mijnheer de minister, wat zult u ondernemen om dit ongelijk speelveld tegen te gaan en ervoor te zorgen dat aan deze ontsnappingsroute een einde wordt gesteld? Mevrouw Bertrand, de hervormde jaarlijkse taks op de effectenrekening werd ingevoerd in 2021. De problematiek is dus niet nieuw. Ik zat niet in de federale regering in 2021. Het Grondwettelijk Hof heeft de taks gevalideerd, ook specifiek wat de rekeningen betreft die worden aangehouden in het kader van tak 23. Dat is arrest nr. 138/2022 van 27 oktober 2022. Ik citeer punt B.19: “In het licht van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid in fiscale zaken komt het de wetgever toe te oordelen welke effectenrekeningen, als werkinstrument in eigen naam en voor eigen rekening aangehouden door financiële instellingen en entiteiten en instellingen voor collectieve beleggingen, dienen te worden vrijgesteld om de normale werking van het nationale en internationale financiële systeem niet te ontwrichten. In het licht van de doelstelling van de wetgever om enerzijds een jaarlijkse abonnementstaks in te voeren ten aanzien van alle effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van 1 miljoen euro en anderzijds aan de hand van een belastingvrijstelling voor de effectenrekeningen die welbepaalde financiële instellingen en instellingen voor collectieve beleggingen in eigen naam en voor eigen rekening aanhouden, de normale werking van het nationale en internationale financiële systeem te vrijwaren, is het daarenboven evenmin kennelijk onredelijk dat de vrijstelling van de bestreden taks niet geldt voor de effectenrekeningen die in het kader van een met een verzekeringsnemer afgesloten tak 23-levensverzekeringsproduct door verzekeringsondernemingen weliswaar in eigen naam worden aangehouden maar waarop derden een vorderingsrecht hebben dat verbonden is aan de waarde van de betrokken rekening.” Een aanpassing ligt dus momenteel niet voor. Mijnheer de minister, u hebt gelijk op één punt. Er is namelijk niets veranderd. Dat is net het probleem. Het probleem is echter wel groter geworden, precies omdat u de taks verdubbelt. De ongelijkheid wordt dus alleen maar groter. Dat is het probleem. U kunt uiteraard stellen dat het al zo was in 2021 maar u voelt toch ook aan dat er hier een ongelijke behandeling is. Het is niet fair dat mensen die in een tak 23 investeren met heel kleine bedragen van misschien 50.000 euro of 100.000 euro, ook die belasting moeten betalen terwijl die taks normaal gezien pas van toepassing is vanaf 1 miljoen euro. U beweert dat er niets is veranderd. Er is wel iets veranderd, namelijk dat u de taks hebt verdubbeld. Het probleem wordt daardoor alleen maar schrijnender. Ook het probleem van de concurrentie met Luxemburgse producten wordt groter. Het verschil in tarief van de taks maakt het immers veel interessanter om een Luxemburgs product aan te kopen in plaats van een Belgisch product. Dat is erg jammer voor onze Belgische verzekeringen. Ik ben het dus niet eens met u. U verschuilt zich achter een arrest en achter een juridische redenering maar het gaat hier niet over het recht of over een juridische redenering, het gaat over wat fair is, over wat onze economie en onze verzekeringsproducten bevordert en over wat fair is voor de kleine belegger in België. Ik ben dus heel teleurgesteld door uw antwoord. Ik had van u verwacht dat u toch iets aan het probleem zou doen. Het kan immers anders en het moet ook anders. De uitvoering van de resolutie over p2p-deelplatformen De aanpak van misbruiken in de fiscale regeling voor erkende deelplatformen Mijnheer de minister, op 8 januari keurde het Parlement een resolutie met betrekking tot de misbruiken bij de deelplatformen goed. Die resolutie bouwt verder op talrijke onderzoeken, inspectieverslagen, reportages en duidelijke rechtspraak dat platformen zoals Uber en Deliveroo het fiscale voordeel voor vriendendiensten niet mogen gebruiken, omdat het gaat om apps die werknemers aansturen. Wie onder dat fiscale statuut met de fiets bijvoorbeeld hamburgers en frieten rondbrengt, is niet verzekerd, niet beschermd en onderbetaald. Bovendien is er vaak sprake van fraude door handel in valse accounts waarbij mensen hun identiteit verhuren, zodat men toch voor de platformen aan de slag kan. Anderzijds worden de deelplatformen die wel correct handelen, uit de markt geconcurreerd. Een meerderheid in het Parlement vond dat zulks niet langer kon en veroordeelde met de resolutie ondubbelzinnig het misbruik van dat stelsel. Dat was een belangrijke stap. Ik heb een eenvoudige vraag. Een meerderheid van het Parlement heeft zich ervoor uitgesproken om de misbruiken onder dat stelsel aan te pakken. Zult u de resolutie uitvoeren? Dat betekent dat er geen nieuwe rulings met die platformen mogen worden overeengekomen of rulings worden verlengd. De resolutie gaat ook in op de erkenningsprocedure. Aangezien die vandaag vrij formeel is, kan men bij wantoestanden de erkenning niet intrekken of weigeren met als argument dat de aanvrager geen vriendendiensten aanbiedt, maar een werkgever is. Unizo en UCM hebben duidelijk geadviseerd om de erkenningsprocedure aan te passen. We mogen geen achterpoortjes meer toelaten. Zult u bijgevolg alle achterpoortjes sluiten? Zo ja, binnen welke termijn? Ik kijk uit naar uw antwoord. Mijnheer de minister, met de aangehaalde resolutie, die als doelstelling heeft zwartwerk tegen te gaan en rechtszekerheid te bieden over het statuut, formuleert het Parlement een aantal concrete verzoeken. Hoe en wanneer zult u die implementeren? Wanneer zult u de uitspraken van het arbeidshof en de Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie dat fietskoeriers als werknemers moeten worden beschouwd, wettelijk verankeren? Wat rechtvaardigt nog verder uitstel? Hoe verliepen de controles op het peer-to-peerstatuut in het verleden? Hoe zult u de controles versterken, onder meer op de onderverhuur van accounts, alsook op de bedrijfsvoorheffing, die moet worden doorgestort? Hoe zult u de administratieve verplichtingen afdwingen in het kader van artikel 321quater van het WIB1992, dat gaat over de plichten van exploitanten van een digitaal samenwerkingsplatform? Wanneer mogen wij een campagne verwachten voor platformmedewerkers, waarin hen wordt gewezen op hun rechten en plichten onder de fiscale peer-to-peerregeling en de mogelijke fiscale gevolgen van meerdere accounts? Welk budget trekt u daarvoor uit? Ten slotte, hoe zult u de omzetting van het EU-richtlijn betreffende platformwerk in nationale wetgeving, die uiterlijk op 2 december 2026 rond moet zijn, coördineren met uw collega-ministers Clarinval en Vandenbroucke? Collega's, in de mate dat de vragen betrekking hebben op mijn bevoegdheid als minister van Financiën, zal ik de aspecten die in de resolutie werden opgenomen, nader analyseren en meenemen in een reflectie over het fiscale kader voor platformwerk. Hieromtrent bestaan op vandaag nog geen initiatieven die op niveau van de regering besproken worden. In het kader van de omzetting van de Europese platformwerkrichtlijn ben ik uiteraard bereid om mijn collega's die het initiatief nemen voor de omzetting, te ondersteunen, als zij dat opportuun vinden. Daarnaast zal bij de rulingpraktijk rekening gehouden worden met de nieuwe rechtspraak. Een voorafgaande beslissing is in principe geldig voor een periode van maximaal vijf jaar. Wanneer na afloop van de geldigheidsperiode een verzoek tot verlenging wordt ingediend, voert de dienst Voorafgaande Beslissingen een nieuwe analyse uit, onafhankelijk van de vorige. De verlenging van een voorafgaande beslissing is dus niet automatisch. Bij de beoordeling houdt de dienst rekening met eventuele wijzigingen in het wetgevingskader, de relevante ontwikkelingen in de jurisprudentie en de manier waarop de oorspronkelijke voorafgaande beslissing in de praktijk is toegepast. Op basis hiervan kan de dienst Voorafgaande Beslissingen in alle onafhankelijkheid tot de conclusie komen dat een nieuwe positieve voorafgaande beslissing niet meer kan worden toegekend. De dienst Risicobeheer van de administratie Particulieren heeft geen specifiek onderzoek gevoerd naar het statuut van de dienstverleners. Jaarlijks worden wel acties gelanceerd die gericht zijn op belastingplichtigen die inkomsten behalen uit het laagbelast bijverdienen, deeleconomie of verenigingswerk, en waarvoor een risico werd gedetecteerd. Het risico bestaat dat de inkomsten uit de deeleconomie en het verenigingswerk helemaal niet of foutief zijn aangegeven en bijgevolg niet correct belast zijn of in het verlengde liggen van de beroepsactiviteit en als beroepsinkomsten moeten beschouwd worden of verspreid zijn over verschillende fiches, waardoor de grens wordt overschreden en de inkomsten belastbaar zijn als beroepsinkomsten. De controle met betrekking tot het aanslagjaar 2023 resulteerde in een productiviteit van 63 %. De administratie zal haar controle politiek versterken door de behandeling van de DAC-7-fiches die betrekking hebben op het aanslagjaar 2024 en volgende. Bij niet-naleving van de verplichtingen door de platformexploitant voorziet het Wetboek van Inkomstenbelasting in het opleggen van belangrijke administratieve boetes. Ik verwijs hierbij naar artikel 445 § 6 van dat WIB. Samen met de collega bevoegd voor sociale fraudebestrijding, minister Beenders, zullen er ook maatregelen worden uitgewerkt in het college voor de fraudebestrijding. In het kader van een betere en efficiëntere fraudebestrijding en conform het regeerakkoord ben ik bereid die erkenningsprocedure te evalueren, zoals u voorstelt, mevrouw Vanrobaeys. Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Wat de controles betreft, mijn standpunt ter zake is dat men natuurlijk een heel bataljon aan inspecteurs kan inzetten voor controles, maar men het probleem ook bij de bron moet aanpakken. De rulings voor de platformen en de erkenningsprocedure moeten worden herbekeken. Ik noteer dat de dienst Voorafgaande Beslissingen, voor een ruling wordt verlengd, de vraag opnieuw onderzoekt. Ik hoop dat hij daarbij met alle elementen rekening houdt, zowel met rechtspraak als met alle onderzoeken en met de resolutie, en dat hij die niet meer verlengt. U wilt de erkenningsprocedure zeker herbekijken. Dat is een positief antwoord op de resolutie. Ik kan het niet meer aanzien, mijnheer de minister. Er fietsen voortdurend maaltijdkoeriers op straat voorbij. Wetende dat meer dan 82 % in dat statuut werkt, is de kans groot dat ze worden uitgebuit. Bovendien zijn ze onvoldoende beschermd en misschien is er ook sprake van onder andere sociale fraude via valse accounts, fiscale fraude en handel in valse accounts. Ik vind dat we de uitbuiting op onze straten moeten stoppen. Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Vanuit de oppositie stemden wij ook voor de resolutie, resolutie die trouwens op het Vlaams Belang na unaniem wed goedgekeurd, en onderstreepten wij dat de uitvoering absoluut moest worden opgevolgd. De auteur van de resolutie, mevrouw Vanrobaeys, heeft dat ook bevestigd. Een resolutie mag geen dode letter blijven. Ik hoor dat er al een aantal initiatieven zijn. Ik begrijp ook dat er op bepaalde vlakken nog stappen kunnen worden gezet. Daarom zullen wij u over het onderwerp regelmatig blijven ondervragen, tot de verschillende maatregelen die in de resolutie zijn overeengekomen, zijn uitgevoerd. Vraag nr. 56012431C van de heer Bilmez wordt uitgesteld. Vraag nr. 56012404C van de heer Chahid is zonder voorwerp. Vraag nr. 56012413C van mevrouw Schlitz wordt uitgesteld. Het OESO-akkoord over de mondiale minimumbelasting Mijnheer de minister, op 5 januari besliste de OESO binnen het Inclusive Framework om een zogenaamde side-by-sideregeling in te voeren binnen de mondiale minimumbelasting voor multinationals, de Pillar 2. Die regeling laat toe dat multinationals met een Amerikaans moederbedrijf onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van bijheffingen via de Income Inclusion Rule of de Undertaxed Profits Rule, terwijl Europese ondernemingen volledig onder het Pillar 2-kader blijven vallen. Die beslissing roept vragen op over een gelijk speelveld en over de impact op de Europese en de Belgische belastinggrondslag. Daarnaast staat die beslissing op gespannen voet met de herhaaldelijk uitgesproken Europese ambities inzake strategische autonomie, economische weerbaarheid en het verdedigen van gezamenlijk afgesproken internationale standaarden. Ten eerste, hoe beoordeelt u het risico dat die regeling leidt tot een oneerlijk speelveld tussen Europese en Amerikaanse multinationals? Deelt u de analyse dat dit de Europese en Belgische belastinggrondslag kan uithollen? Ten tweede, hoe rijmt u de nadruk op strategische autonomie met het aanvaarden van uitzonderingen die onder externe druk tot stand komen en die eerder afgesproken regels uithollen? Ten derde, kunt u toelichten hoe België binnen de Europese Unie en de OESO pleit voor het verdedigen en het niet afzwakken van gezamenlijk afgesproken standaarden? Ten slotte, het herhaald toevoegen van uitzonderingen en safe harbors ondermijnt de geloofwaardigheid van de mondiale minimumbelasting. Hoe staat België tegenover alternatieve, meer inclusieve kaders voor internationale fiscale samenwerking, zoals de momenteel lopende onderhandelingen binnen de Verenigde Naties? Alvorens in te gaan op de vragen die u aanhaalt, herinner ik u dat het zogenaamde side-by-side-akkoord kadert in een bijzonder gevoelige internationale context. Dat akkoord is immers voortgekomen uit het gezamenlijke initiatief van de G7 en de G20 en berust op drie pijlers: de vereenvoudiging van de internationale fiscale regels, de stabilisatie van het systeem en het vermijden van vergeldingsmaatregelen door de Verenigde Staten voor Europese multinationals. Ik ben bijzonder aandachtig voor de risico's op concurrentieverstoring tussen Europese en Amerikaanse multinationals. Niettemin dient te worden benadrukt dat het akkoord werd ontworpen met het oog op vereenvoudiging en met de erkenning dat het Amerikaanse belastingstelsel al voorziet in maatregelen inzake minimumheffing op zowel binnenlandse als buitenlandse inkomsten van multinationale groepen met zetel in de Verenigde Staten. Ik blijf evenwel voorzichtig wat betreft de mogelijke implicaties. Daarom hebben we tijdens de onderhandelingen de invoering van een inventaris van de gevolgen van het side-by-side-akkoord ondersteund. Er is voorzien dat de OESO een overzicht zal opmaken met betrekking tot de impact van het akkoord. Dat overzicht zal zijn gebaseerd op objectief bewijsmateriaal en de resultaten zullen uiterlijk in 2029 worden gepubliceerd. Op Belgisch niveau is voorzien dat bij de omzetting van het side-by-side-akkoord in het intern recht formeel een analyse zal worden voorgelegd. Ik hecht groot belang aan de Belgische en Europese doelstellingen inzake strategische autonomie en economische veerkracht. De aanvaarding van het side-by-side-akkoord mag niet worden geïnterpreteerd als afstand doen van deze doelstellingen, maar veeleer als middel om een zo breed mogelijke toetreding tot het gemeenschappelijke multilaterale kader te bevorderen, zoals vastgelegd in de Pijler 2-regels van de OESO en de EU-richtlijn 2022/2523. Het side-by-side-akkoord bevoordeelt niet uitsluitend Amerikaanse multinationale ondernemingen, maar is een erkenning van het Amerikaanse fiscale stelsel. Verder vereenvoudigt het de internationale fiscale regels en versterkt het de rechtszekerheid voor Belgische ondernemingen. Tot slot vermindert het de spanningen en het risico op vergeldingsmaatregelen met onze Amerikaanse partners. België pleit consequent, zowel binnen de Europese Unie als binnen de OESO, voor een coherente, voorspelbare en eerlijke uitvoering van de overeengekomen regels. De voorbije maanden heeft dit zich onder meer vertaald in steun voor vereenvoudigingsmaatregelen die de integriteit en de doeltreffendheid van de regels waarborgen, eerder dan in geïsoleerde nationale initiatieven. België stelt zich dan ook constructief op in de onderhandelingen van het VN-kaderverdrag inzake internationale belastingsamenwerking en de daarbij horende protocollen. Wij wensen wel duplicatie en fragmentatie van reeds geleverd werk op OESO- en op Europees niveau te voorkomen. Daarenboven moeten de verplichtingen waartoe we ons zouden verbinden op VN-niveau duidelijk zijn, net als de precieze gevolgen ervan, met name voor ons bestaand netwerk van dubbelbelastingverdragen. België verzoekt daarom om een verduidelijkende toelichting bij het VN-kaderverdrag. Het verheugt mij dat u de doelstelling van Pillar 2 onderschrijft en dat België zich constructief opstelt over de samenwerking op VN-niveau. Zodra die aangekondigde analysenota beschikbaar is, willen we deze zeker nog eens samen doornemen. We hebben deze problematiek enkele weken of maanden geleden al besproken in de commissie in het kader van de bespreking van uw wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving rond de minimumbelasting voor multinationals. Naar aanleiding daarvan hebben Anders. en de MR al een pleidooi gehouden om Pillar 2 aan de kant te zetten en om dat dossier te agenderen op de Ecofin-vergaderingen. U zei toen dat het alvast het plan was dat dit dossier op de Ecofin-vergadering besproken zal worden. Ik herhaal mijn pleidooi om daar te pleiten voor het verdedigen en niet het afzwakken van de internationale afspraken. U kondigde aan om voor de omzetting rond de side-by-side-akkoord met een grondige analyse zal komen. Daar kijk ik ook naar uit. Ten slotte herhaal ik mijn vraag om regelmatig in deze commissie een debriefing te organiseren na de vergaderingen van de Eurogroep en Ecofin, zoals minister Van Peteghem dat deed in de vorige legislatuur. De overbelasting van de douane en de kosten-batenverhouding De afschaffing van de pakjestaks en de vervanging ervan door een Europese taks Mijnheer de minister, ik heb de notificaties bekeken en verwijs specifiek naar notificatie 48. Daarin erkent u dat de douane de toevloed aan pakjes nu al niet aankan. U trekt daarom 83 miljoen euro uit voor extra scanners, IT en personeel om die taks te kunnen innen. De kosten staan vast, maar de inkomsten zijn onzeker geworden. De nationale taks is geschrapt en de Europese variant start pas in de tweede jaarhelft. Mijn eerste vraag is of de kostprijs van de handhaving, dus 83 miljoen euro, in 2026 niet hoger dreigt uit te vallen dan de effectieve netto-opbrengst die België mag overhouden. Ik heb een tweede vraag. In notificatie 48 schrijft u voor 2026 een bruto-opbrengst van 223 miljoen euro in, een bedrag berekend op basis van een nationale taks die zou ingaan op 1 januari 2026. Intussen is, zoals ik net zei, bevestigd dat die nationale taks er niet komt en dat de Europese taks pas start in juli 2026, dus zes maanden later. Mislopen we hierdoor niet de inkomsten van de pakjestaks van minstens de eerste zes maanden van 2026 onherroepelijk? Wat met de bedragen van de komende jaren? Hebt u dat verlies reeds verrekend in uw tabellen of is uw saldo momenteel te optimistisch voorgesteld? Mevrouw Bertrand, u had mijn antwoord kunnen weten, want die vraag is al gesteld. Ik heb die kwestie al omstandig toegelicht, maar ik doe het nogmaals, geen enkel probleem. Ik kan u bevestigen dat tussen de budgettaire tabel die we destijds hebben opgesteld, de begrotingsnotificaties en de actuele stand van zaken vandaag, al heel wat gebeurd is. We volgen die situatie op en zullen bij de begrotingscontrole een herraming maken van de verwachte opbrengst. Zoals u weet, heeft de Ecofin-Raad recent, in november, beslist om de bestaande vrijstellingsregel voor invoer van goederen met een waarde tot 150 euro af te schaffen en een soort importheffing in te voeren. Oorspronkelijk was het voorstel 10 %, dat is omgezet in diezelfde Ecofin-Raad naar 3 euro; dus geen percentage, maar 3 euro per pakje. In onze oorspronkelijke raming, waarin wij zelf een handling fee zouden invoeren, hebben we rekening gehouden met een verplaatsing van de stroom. Als heel Europa dat doet, zal die verplaatsing er niet zijn. Wat in Luik binnenkomt, bijvoorbeeld, is voor een derde voor de Duitse markt. Als natuurlijk Duitsland mee in dat systeem zit, is er geen enkele reden voor (…) en gaan we dus op een zeer hoog aantal pakjes die momenteel in Luik en Antwerpen binnenkomen, een Europese heffing van 3 % hebben. U weet dat wij daarvoor op 0,25 % rekenen, dus 75 cent, maar op een veel groter volume dan ingeschat. De nationale handling fee is niet afgeschaft. Dat moet ik tegenspreken. In de pers is dat anders vermeld, maar dat klopt niet. Wat we wel hebben gezegd, is dat we enkel een pakjestaks willen invoeren boven op de Europese heffing, als we dat kunnen doen in samenwerking met al onze buurlanden. Nederland, Frankrijk, Luxemburg en België zijn daartoe bereid. Duitsland heeft recent aangegeven dat het dat niet zelfstandig zal doen, tenzij het in heel Europa wordt ingevoerd. Duitsland is wel bereid om het eerder in te voeren, maar het moet een Europees initiatief zijn. Daarom zal er een brief worden geschreven door deze vijf landen aan Europa om, boven op de importheffing, ook de handling fee in te voeren. Dat zijn immers twee verschillende zaken. Er zijn dus nog enkele variabelen, maar we zullen dat tegen de begrotingscontrole beter kunnen inschatten. De raming die we hebben gemaakt met een handling fee van 2 % houdt rekening met een substantiële verplaatsing van het transport. Nu zijn we zeker dat de handling fee van 3 euro, waarvan 75 cent in België blijft, op een veel grotere basis zal worden geheven. De finetuning van dat bedrag zal tegen de begrotingscontrole zijn afgerond. Europa plant echter ook een handling fee te doen – het is een beetje complex –, en die we naar voren willen trekken en de onderhandelingen daarover zijn lopende in trilogen tussen het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie. De uiteindelijke wetgevende tekst en de budgettaire raming kunnen dus nog wijzigen. Onze bedoeling blijft echter om, zo snel mogelijk en liefst in Europees verband, de handling fee boven op de importheffing te heffen. Dank u wel, mijnheer de minister. Ik begrijp dus dat de bruto-opbrengst van 223 miljoen euro totaal onzeker is en dat u het nog niet weet. Het zal afhangen van de beslissing van Duitsland. Drie buurlanden zijn al mee met het verhaal, maar het is nog onzeker of Duitsland zal meedoen. Dat zal afhangen van de vraag of er een Europees initiatief komt. Dat betekent wel degelijk dat er 223 miljoen euro in het gedrang komt. Dat moest op 1 januari ingaan, maar dat zal niet het geval zijn. U denkt dat het misschien nog op een andere manier kan lukken, maar dat weten we nog niet. We zullen dat pas zien op het moment van de begrotingscontrole. Zekerheid hebt u vandaag in ieder geval niet. Dat hoor ik ook niet van u. U hebt ook geen antwoord gegeven op mijn vraag over de handhaving. Daar zijn de kosten wel zeker: 83 miljoen euro. Voor 2026 weten we het nog niet. We zullen het samen bekijken in maart, op het moment van de begrotingscontrole. Ik zal die vraag op dat moment opnieuw stellen. Dan zullen we de waarheid van de cijfers samen kunnen bekijken. De uitgestelde invoering en de gewijzigde modaliteiten van de btw-harmonisatie Mijnheer de minister, in uw tabel staat een opbrengst van 633 miljoen euro voor wat u de btw-harmonisatie noemt, maar wat ik de btw-verhoging noem. In notificatie 37 geeft uw administratie zelf aan dat de invoering pas op 1 maart kan starten. Daarnaast is duidelijk geworden dat de specifieke uitvoeringsregels met betrekking tot de verschillende tarieven intussen al zijn gewijzigd, wat we in deze commissie al hebben besproken met de heer Van Quickenborne en andere collega's. Mijn eerste vraag is wat de impact is van het uitstel. Ten tweede wil ik graag weten wat de impact is van de wijziging van de uitvoeringsregels. Dat zijn twee verschillende zaken. Afhankelijk van uw antwoord heb ik nog een derde vraag: hoe zult u dat gat in 2026 dichten, of wordt dat toegevoegd aan het reeds oplopende tekort? Mevrouw Bertrand, de begrotingsnotificaties betreffen een raming van een beslissing die de regering heeft genomen. Die beslissing werd na de notificaties verder uitgewerkt in concrete wetteksten, waarna de berekeningen worden geactualiseerd. Bij elke volgende begrotingsronde, ook bij de begrotingscontrole, zal de budgettaire impact van die fiscale hervorming opnieuw worden geanalyseerd en indien nodig worden bijgesteld in de begroting. Dat is de normale cyclus. Dat was een perfect non-antwoord , mijnheer de minister. Ik ben wat verrast, want ik heb dezelfde vraag gesteld aan de minister van Begroting, die heeft geantwoord dat het uitstel al 100 miljoen euro zal kosten. Dat is dus het antwoord inzake het uitstel van de btw-maatregelen tot 1 maart. De minister van Begroting heeft echter niet geantwoord op de vraag wat de kosten zijn als gevolg van de gewijzigde uitvoeringsregels. Als men al 100 miljoen euro verliest door het uitstel, kan ik mij voorstellen dat die factuur nog zal oplopen door de gewijzigde uitvoeringsregels. Bent u het niet eens met de analyse van de minister van Begroting over die 100 miljoen euro? U hebt mij dat immers niet gezegd. Het klopt natuurlijk dat alles een raming is, maar dan kunt u toch ook ramen hoeveel geld u ondertussen na anderhalve maand verloren bent. Als u het nog niet wist, ben ik altijd bereid om u het nieuws te brengen: de kosten van uw btw-uitstel lopen al op tot 100 miljoen euro. Ik zal dat blijven opvolgen, want de wijziging van de uitvoeringsregels zal vermoedelijk nog voor extra kosten zorgen. De strijd tegen fiscale fraude en de (over)schatting van de opbrengsten De strijd tegen fiscale fraude is soms een slotpost in een begroting. U schrijft daarvoor 13 miljoen euro nettokosten in tegenover een wel gigantische netto-opbrengst van 472 miljoen euro tegen 2029. Op welke objectieve parameters is dat specifieke bedrag gebaseerd? In welke mechanismen voorziet u om het gat te dichten, indien de extra inkomsten uit controles zich niet materialiseren? Mevrouw Bertrand, in het federaal regeerakkoord worden ettelijke pagina’s gewijd aan fraudebestrijding. Al die maatregelen worden momenteel geïmplementeerd en moeten voor mij zo snel mogelijk operationeel zijn. De budgettaire inschatting werd gemaakt door de FOD Financiën. Verschillende projecten maken daar deel van uit. Het gaat om een inschatting van hogere ontvangsten door onder andere versterkte compliance , bijvoorbeeld voor Biosafety, het stroomlijnen van controles via de BV-tool en een hogere inningsratio door het project Argus en First Recovery. Zoals reeds eerder in de commissie werd vermeld, heeft professor Friedrich Schneider in 2000 een model ontwikkeld om de zwarte economie te ramen. Voor 2024 was die economie voor België goed voor 17,4 %, zijnde 108 miljard euro. Het bedrag dat wij inschrijven, komt neer op 0,43 % van dat bedrag. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zal het dossier blijven opvolgen. De btw-verhoging voor schoolkantines Monsieur le ministre, je tiens d'abord à vous remercier de rester aussi tard pour épuiser toutes les questions. C'est vraiment positif. Ainsi, elles ne sont pas reportées et peuvent être posées. Ma question porte à nouveau sur la TVA que vous avez déjà évoquée précédemment. Un collègue évoquait même "le cirque de la TVA". Mais, pour certains, c'est évidemment moins rigolo. En effet, la question de l'application de l'augmentation de la TVA sur les repas scolaires fait toujours débat, notamment au niveau du conseil communal de Charleroi, où je siège, et où cette augmentation de quand même 15 à 20 cents par repas pourrait avoir une influence. Cela met, par ailleurs, en péril le projet de gratuité des repas qui sont donnés. Durant les débats à la Fédération Wallonie-Bruxelles, Mme Glatigny a confirmé vous avoir adressé un courrier à ce sujet pour demander une exemption ou une non-application de la hausse de la TVA. Par ailleurs, le 23 janvier 2026, le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles aurait aussi adressé un courrier au niveau fédéral à ce propos. Le 14 janvier 2026, cela a fait l'objet du débat d'actualité qui comptait une vingtaine de questions. Malgré une réponse très longue, vous n'avez pas été précis quant à l'application de cette hausse de TVA sur les cantines scolaires. Ma question, monsieur le ministre, est dès lors très simple et j'espère obtenir une réponse. Avez-vous reçu un courrier de la part de Mme Glatigny ou du gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles? Il semblerait toutefois que cette conséquence d'une décision prise au sein du Conseil des ministres ne plaise ni au MR, ni aux Engagés. Une exception sera-t-elle éventuellement appliquée pour les repas scolaires? Madame Merckx, je confirme que la lettre de Mme Glatigny a bien été reçue par mon cabinet. Le projet d'arrêté royal est actuellement soumis pour avis au Conseil d'État. Des adaptations restent donc éventuellement possibles. Dans le texte de base, il n’est pas prévu d'exception pour les repas scolaires. Mais je ne souhaite pas anticiper ces adaptations. Par la suite, l'arrêté royal sera à nouveau soumis au Conseil des ministres pour une deuxième lecture. Il sera toujours possible d'adapter le texte. Mais dans le texte de base, qui est maintenant au Conseil d'État, il n'y a pas d'exception prévue pour les repas scolaires. D’accord. Je conclus de votre réponse, qu'en fait, finalement, c'est encore en discussion. Vous dites que pour le moment, ce n'est pas prévu, mais vous avez reçu le courrier de Mme Glatigny. Je suppose que vous écoutez quand même vos partenaires de gouvernement quand ils ont des demandes. Plus sérieusement, je pense que ce n'est vraiment pas quelque chose d'anodin: 15 à 20 cents par repas pour les familles, cela pèse, bien sûr, quand on a un très petit revenu. La gratuité des repas scolaires est aussi en péril. Je ne peux qu'espérer, monsieur le ministre, si vous ne jetez pas l'ensemble du projet d'augmentation de la TVA à la poubelle… Ce serait peut-être quand même la meilleure chose à faire, parce que quand on voit le cirque que c'est devenu, cela devient vraiment n'importe quoi. Cela pénalise clairement le simple citoyen, les jeunes, et aussi les enfants. Revoyez donc votre copie, s'il vous plaît! Er zijn nog leden aanwezig, maar behalve ikzelf zijn er geen andere vraagstellers meer aanwezig. Ik zal nog een viertal vragen mondeling stellen en alle andere omzetten in schriftelijk vragen. Ik hoop dat u mij de antwoorden daarop spoedig zult bezorgen. Het dalende aantal miljonairs in België Mijnheer de minister, uit recente cijfers blijkt dat het aantal miljonairs in België in 2025 is gedaald van 138.000 naar 134.000. Zoals mevrouw Bertrand daarnet ook zei, vestigen er zich nogal wat mensen in onder andere Zwitserland en blijkbaar ook in Italië. Zwitserland telt ondertussen al meer dan 22.000 Belgische expats. Mijnheer de minister, kloppen die cijfergegevens? Beschikt de FOD Financiën over eigen data? Vindt u die trend goed of zorgwekkend? Dat is best een provocerende vraag en ik ben benieuwd naar uw antwoord, meer bepaald met het oog op investeren en ondernemerschap. We zagen het afgelopen jaar een verstrenging van de fiscaliteit. We hebben een heel hoge TOB, de verdubbeling van de taks op effectenrekeningen, de roerende voorheffing en nu ook de meerwaardebelasting. Erkent u dat de opeenstapeling van maatregelen kan bijdragen tot fiscale onzekerheid en kapitaalvlucht? Welke concrete maatregelen neemt of overweegt de regering om te vermijden dat België verder aan aantrekkelijkheid verliest voor wie investeert, onderneemt en bijdraagt aan onze economie? Mijnheer Van Quickenborne, ik wil u eerst en vooral danken voor het reduceren van het aantal mondelinge vragen. Dat wordt bijzonder geapprecieerd. Mijn administratie kan de door u vermelde cijfers niet bevestigen, aangezien ze niet beschikt over gegevens daarover. Ik vind dit alleszins een kwalijke evolutie. Mensen zouden steeds rijker moeten worden. Een daling van het aantal rijken is een slechte evolutie. Het is niet mijn doel om de rijken te bestrijden, maar wel om ervoor te zorgen dat mensen uit de armoede kunnen komen. De regering neemt verschillende maatregelen om de concurrentiekracht en het ondernemerschap te ondersteunen, ook in moeilijke budgettaire tijden. Naast de loonkostverlaging, de arbeidsmarkthervorming, de introductie van een bijdrageplafond in de sociale bijdragen, een verlaging van de energiekosten en de zogenaamde centenindex, werden verschillende fiscale maatregelen genomen om ondernemingen te ondersteunen, zoals de versterking van de investeringsaftrek en een verbetering van het expatstelsel. Ik ben het echter met u eens dat de aantrekkelijkheid voor wie investeert en onderneemt behouden en zelfs versterkt moet worden, en dat dit een blijvend aandachtspunt is van deze regering en van alle andere regeringen. Mijnheer de minister, ik vind het verfrissend dat ook u dit een kwalijke evolutie vindt. We zouden van iedereen een miljonair moeten kunnen maken. Onze Einsteinrekening is daarvoor een goed instrument: als men vanaf de geboorte elke maand 100 euro op een beleggersrekening stort, heeft men op de leeftijd van 65 jaar 1,4 miljoen euro. Op die manier maakt men mensen rijker, wat veel slimmer is sparen via een spaarboekje, aangezien men daar alleen centen verliest. Hoe dan ook klinkt de roep van ondernemers en investeerders om naar het buitenland te vertrekken hier en daar luider. Ik sprak recent met iemand die investeert in private equity. Onder meer de discussie over de interne meerwaarden zorgt voor veel onrust. Mensen zeggen dat er aantrekkelijkere landen zijn. De fiscaliteit in Italië is hervormd en de streek van Milaan is populair geworden. Portugal heeft eveneens inspanningen gedaan. We moeten zeer op onze hoede zijn om ervoor te zorgen dat we grote talenten in ons land houden, want zij zorgen voor welvaart en welvaartscreatie, wat uiteindelijk goed is voor de toekomst van ons land. De invoering van de witte kassa Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de invoering van de witte kassa. Ik zal daar heel kort over zijn. Die vraag werd mij eigenlijk gesteld door Café Welkom Noorderwijk. Kent u nog dat Café Welkom van die lasagne, die belastingterugwinmachine die de btw van 12 % naar 6 % brengt. Jo heet die man, een sympathieke man uit Herentals. Hij vraagt zich af hoe het precies zit met de witte kassa. In het regeerakkoord is sprake van een grens van 25.000 euro omzet. Jo heeft maar twee vragen. Vanaf wanneer bent u van plan die regeling in te voeren? Op welke ondernemingen zal het systeem precies van toepassing zijn, enkel op de horeca of ook op andere ondernemingen? Graag wat toelichting. Momenteel werkt de administratie samen met mijn beleidscel aan een grondige modernisering en uitbreiding van de geïntegreerde kassa, dus de GKS-regeling, zoals voorzien in het regeerakkoord. Eerst wordt een upgrade voorzien van GKS 1.0 naar GKS 2.0. De drempel zal behouden blijven, maar de berekening zal worden aangepast en er zal steeds op toegezien worden dat occasionele en kleinschalige activiteiten worden ontzien. Er zal nog overleg volgen met de betrokken sectoren. Het toepassingsgebied van de GKS-regeling wordt gevoelig uitgebreid naar de gehele horeca en op termijn ook naar andere sectoren waarvoor het systeem opportuun wordt geacht. De implementatie zal gefaseerd en geleidelijk verlopen, maar we zullen het regeerakkoord uitvoeren. Mijnheer de minister, verwacht u nog dit jaar zaken te realiseren of niet? Gezien de agenda nog voor dit jaar… Ik kan er geen timing op plakken. Ik wens geen uitspraak te doen over een timing. We gaan het wel doen. De 'Vinted-taks', een belasting op spullen die al lang belast zijn Mijnheer de minister, de arizonaregering heeft al heel wat nieuwe taksen uitgevonden. Er komt geen einde aan, lijkt het. Nu is er plots ook de Vintedtaks. Mensen die tweedehandsspullen op het internet verkopen, bijvoorbeeld kinderkledij, een smartphone of een tweedehands computer, krijgen, zodra ze meer dan 170 euro per maand en 2.000 euro per jaar verkopen, een belastingcontrole. Dat bedrag wordt door het platform aan de fiscus wordt meegedeeld. Het gaat niet over winst maken. Het gaat gewoon over verkopen. Zelfs als men met verlies verkoopt, wordt men aan 33 % belast. Verschillende mensen sturen mij hierover berichten en stellen dat men die spullen beter in de container weggooit, als er zo’n Vintedtaks wordt opgelegd, want anders staat de fiscus voor de deur. Mijnheer de minister, vindt u het normaal dat burgers die occasioneel iets verkopen en meer dan 2.000 euro verdienen, in het vizier van de fiscus komen? Dat bedrag heeft men snel als men een smartphone, een computer of wat kledij verkoopt. Ik vind dat echt overdreven. Als het gaat over beroepsverkoop, is dat iets anders, maar daarover hebben we het niet. Klopt het dat de grens van 2.000 euro een brutogrens is, dat men met andere woorden ook belasting moet betalen als er nul euro winst wordt gemaakt? Welke instructies geeft u aan de fiscus om te vermijden dat de maatregel uitdraait op intimidatie van mensen die kinderkledij, een buggy, een smartphone of een computer verkopen? Mijnheer de minister, wij kijken uit naar uw antwoord. Mijnheer Van Quickenborne, er is nog geen wettekst goedgekeurd en zelfs nog niet in de commissie besproken. Ik ben formeel: de maatregel voorstellen als een Vintedtaks is misleidend en onjuist. Verrichtingen die voortkomen uit het normaal beheer van een privévermogen, bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende goederen, zijn niet belastbaar in de personenbelasting. Wanneer het niet langer om normaal beheer gaat, maar om abnormaal beheer, waarover we de afgelopen dagen een aantal keer hebben gesproken, zijn de opbrengsten uit die verrichtingen belastbaar als divers inkomen aan 33 %. Dat is al jaar en dag zo, dat is nooit anders geweest en daar wijzigt op zich niets aan. De maatregel biedt eventueel wel rechtszekerheid. De hamvraag in de bestaande regeling is namelijk wat als normaal beheer wordt beschouwd. Dat is van belang, want zolang het gaat om verrichtingen die voortkomen uit normaal beheer, is er geen belastbaarheid als divers inkomen. De maatregel die in het ontwerp is opgenomen, geeft nu een extra zekerheid aan de burger door te stellen dat de opbrengsten die iemand behaalt, sowieso tot het normaal beheer van een privévermogen behoren en dus niet belastbaar zijn, zolang het bedrag van 2.000 euro niet wordt overschreden. Die zekerheid bestaat vandaag nog niet, in die zin dat strikt genomen ook kleinere bedragen vandaag als divers inkomen belast kunnen worden. Ik herhaal dat dat een regeling is die al lang bestaat, waar opeenvolgende regeringen niets aan hebben gewijzigd en waarvan wij nu menen dat er rechtszekerheid moet worden geboden aan de burger. Daardoor moeten belastingplichtigen niet langer naar de rulingdienst stappen. Zolang men niet boven dat bedrag van 2.000 euro uitkomt, zal de fiscus dus niet meer kunnen stellen dat het om abnormaal beheer gaat en dat die inkomsten belastbaar zijn. Die inkomsten zullen met andere woorden niet meer kunnen worden belast, in tegenstelling tot vandaag. Dat is voor de burger uiteraard alleen maar een goede zaak. Het gaat inderdaad om bruto-opbrengsten. Dat staat letterlijk in de memorie van toelichting. U mag daaruit ook niet afleiden dat alles boven de 2.000 euro automatisch belastbaar is. Ook dat staat letterlijk in de memorie. Het lijkt mij een maatregel in het voordeel van de belastingplichtige, die moet zorgen voor meer rechtszekerheid bij alle verrichtingen zoals via Vinted of 2dehands, terwijl de huidige situatie totaal onzeker is en de belastingplichtige noodzaakt om naar de rulingdienst te stappen voor meer rechtszekerheid. Dank u wel, mijnheer de minister. Uw antwoord overtuigt mij niet. U probeert meer rechtszekerheid te creëren, maar het gaat over brutobedragen. Dat betekent dat bij de verkoop van spullen waarop mensen zelfs verlies lijden, die bedragen toch meegeteld worden voor dat bedrag van 2.000 euro. Dat vind ik problematisch. Ten tweede wilt u vermijden dat mensen naar de rulingcommissie moeten stappen. Als gewone burgers morgen een advocaat onder de arm moeten nemen om de verkoop van een babywagen eerst te laten voorleggen aan de rulingcommissie, dan is het hek helemaal van de dam. Ik verwacht van u, mijnheer de minister, dat de verkoop van dat soort spullen, waarvan mensen geen beroepsactiviteit maken, automatisch normaal beheer betreft. Dat is geen speculatie of abnormaal beheer, zodat u die mensen moet vrijstellen. Of het nu om 2.000 euro, 3.000 euro of 400 euro gaat, de verkoop moet worden vrijgesteld. U werpt op dat de wettekst nog niet is goedgekeurd. Dat klopt. Hij moet nog in het Parlement worden ingediend. Als ik mij niet vergis, zal hij, indien hij voor het einde van het jaar wordt goedgekeurd, wel van toepassing zijn op het inkomstenjaar 2026. Of zegt u dat de maatregel pas zal gelden vanaf inkomstenjaar 2027? Dat zou ik nog graag weten. We zullen er eerst voor zorgen dat de tekst goedgekeurd wordt. Daarna weten we wanneer die in werking treedt. Dat weet ik, maar is de ambitie dit jaar of volgend jaar? Er staat daarvoor een bedrag ingeschreven in de begrotingstabel. Er staat een bedrag ingeschreven in de begrotingstabel en u wilt er geld mee ophalen, dat betekent dat mensen extra zullen moeten betalen. Ik vind dat hoogst problematisch. Maar goed, de discussie wordt gevoerd in het Parlement. Misschien kan de oppositie u nog op andere gedachten brengen, wie weet. Dat zou niet slecht zijn. Het geschil tussen de FOD Financiën en FedCaf over de forfaitaire btw-grondslag voor bierverbruik Mijnheer de minister, ik weet niet of u de discussie kent of al gevolgd hebt, maar blijkbaar zijn er al meer dan tien jaar geschillen tussen de FOD Financiën en de beroepsvereniging van Belgische cafés, FedCaf Belgium, over het aantal pintjes in een vat. De fiscus stelt dat een vat 192 pinten bevat, terwijl de sector dat aantal onjuist noemt. Het aantal is lager, volgens de sector 180 of zelfs maar 168 pinten. Dat is belangrijk omdat er vandaag een forfaitaire belasting wordt geheven, die nog bestaat tot 2028, en het verschil tussen 168 en 192 pinten kan snel een btw-verschil van 13.000 tot 17.000 euro betekenen voor een café. Blijkbaar heeft uw voorganger daarover een koninklijk besluit uitgevaardigd, maar dat werd vernietigd door de Raad van State wegens onvoldoende inspraak van de sector. Daarom heb ik enkele vragen voor u. Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken na het recentste arrest van de Raad van State? Zijn er nog gesprekken lopende? Zal de belastingheffing gebeuren op basis van realistische, aantoonbare cijfers? U zei daarstraks zelf dat men heel goed moet kunnen tappen om 192 pinten te halen. Wat is uw taprecord, mijnheer de minister, en hoeveel pintjes denkt u uit een vat te kunnen tappen? Mijnheer Van Quickenborne, vroeger had men vaten waarin men een plongeur moest steken en als men die een beetje scheef zette, dan tapte men niet veel pinten. Vandaag is dat proces vereenvoudigd door er een knop op te draaien, zodat men nu het vat geheel leeg kan tappen. Een vat van 50 liter zou theoretisch 200 pinten opleveren, nog meer dan de genoemde 192. AB InBev organiseert tapcursussen. Ik heb daar zelf eens een cursus gevolgd en men moet heel goed kunnen tappen om 180 tot 185 pinten proper uit een vat te krijgen. Naar aanleiding van de vernietiging van het koninklijk besluit tot vaststelling van de forfaitaire grondslagen van aanslag inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor caféhouders en kleine caféhouders door de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest van 18 oktober 2024, werd op 7 december 2025 een nieuw koninklijk besluit, nr. 2 bis, aangenomen, dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 december 2025. Dat koninklijk besluit is het resultaat van een dubbele raadpleging van de beroepsfederaties, overeenkomstig koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde en de overwegingen van het voormelde arrest van de Raad van State. De dubbele raadpleging had, ten eerste, betrekking op de jaren 2020 tot 2024, waarop de formele vernietiging betrekking heeft en, ten tweede, op het jaar 2025, waarvoor de gewone jaarlijkse procedure van toepassing is. Het resultaat van die twee raadplegingen was dat bij afwezigheid van enig verzoek tot wijziging van de betrokken forfaitaire grondslagen, die grondslagen voor de betrokken jaren moesten worden gehandhaafd. Op 17 november 2025 werden nieuwe raadplegingen gestart voor het jaar 2026. Die procedure zal op 1 februari 2026 worden afgesloten overeenkomstig de jaarlijkse procedure die altijd al van toepassing was op grond van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 2. Er is al een eerste antwoord ontvangen, waarin wordt voorgesteld om de in 2025 geldende forfaitaire grondslagen van aanslag ongewijzigd te handhaven. Zoals u aangeeft, loopt de regeling hoe dan ook af op 1 januari 2028, wat de betrokken belastingplichtigen sinds 2022 weten. Van de federatie waarnaar u verwijst, heeft mijn administratie geen enkel nieuws meer ontvangen, maar wij zullen die misschien contacteren. Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Collega’s, wij kunnen aldus de vergadering beëindigen. Mijnheer de minister, wij danken u voor de vele antwoorden. Ik wens iedereen een goede avond en wens de kijkers en luisteraars een goede thuiskomst. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.06 uur. La réunion publique de commission est levée à 19 h 06.

Commissievergadering op 28 januari 2026

💰 Commissie Financiën en Begroting

Van 14h08 tot 19h06 (4 uur en 58 minuten)

61 vragen

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

De toenemende controles en rechtsonzekerheid bij het nieuwe btw-regime voor sloop en heropbouw

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Vincent Van Quickenborne (oppositie) prijst de nieuwe sloop- en heropbouwregeling (ingegaan 1/7/2025) als succesvol voor gezinnen en de bouwsector, maar wijst op praktische knelpunten: strenge fiscale controles (risico op 15% btw-verhoging), ontbrekende modeldocumenten (inmiddels wel gepubliceerd), onduidelijkheid over bewoonbare oppervlakte en overgangsregels. Jan Jambon ontkent gerichte controles maar bevestigt preventieve vragen en een tolerantieperiode tot 31/12/2025, benadrukt bestaande FAQ’s/rondzendbrieven en roept op tot voorafgaande ruling voor rechtszekerheid. Van Quickenborne kaart aan dat de strikte scheiding tussen renovatie (50% behoud muren/oppervlakte) en sloop onbedoeld energetisch verantwoorde deelrenovaties (bv. 40% behoud) ontmoedigt door het btw-voordeel te ontnemen, en pleit voor overleg met Netwerk Architecten Vlaanderen om de regels praktijker te maken.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, mijn vraag betreft de sloop en heropbouw. Die nieuwe regeling ging in op 1 juli. Die is een succes. Wij juichen dat vanuit de oppositie toe. Onze felicitaties daarvoor. Het is uiteraard een goede zaak voor de gezinnen, maar ook voor de bouwsector, want we lezen in De Tijd dat er toch een lichte remonte is in de bouwsector, onder meer dankzij die maatregel.

Op het terrein hoor ik dat er toch wel wat problemen zijn. Dat is evident met een nieuwe regeling. Zo zijn er blijkbaar steeds meer controles door de fiscus op de naleving van de voorwaarden. Als men die voorwaarden niet respecteert, riskeert men een btw-verhoging van 6 % naar 21 %, dus 15 procentpunt extra, boven op boetes en intresten.

Mijn vraag dateert van oktober 2025. Blijkbaar waren op dat moment de noodzakelijke modeldocumenten voor de btw-verklaring nog steeds niet beschikbaar.

Verder bestaat er heel wat discussie over wat bewoonbare oppervlakte is. Er geldt immers een maximum van 175 of 150 m 2 . Ook over de behandeling van zolders en burelen zouden uiteenlopende lezingen bestaan.

Ik heb hier vier vragen over. Ten eerste, bevestigt u dat de btw-diensten sinds de zomer intensiever controleren op het nieuwe regime van sloop en heropbouw? Hoeveel dossiers zijn er sinds 1 juli gecontroleerd of geviseerd?

Ten tweede, erkent u dat het gebrek aan modeldocumenten in oktober 2025 – het kan intussen gewijzigd zijn - voor problemen zorgde? Zijn die documenten inmiddels gepubliceerd en gecommuniceerd?

Ten derde, overweegt u een overgangsperiode of een soepelere toepassing zolang de nodige uitvoeringsrichtlijnen ontbreken? Zult u duidelijke administratieve instructies laten publiceren, onder meer over de berekening van de bewoonbare oppervlakte, het bezit van blote eigendom en de wijziging van bestemming van verhuur naar eigen bewoning?

Ten slotte, vindt u het proportioneel dat mensen die te goeder trouw handelen, maar op een detail in de formaliteiten botsen, plots 15 procentpunt btw moeten bijbetalen, boven op interesten en boetes?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, er werden nog geen gerichte controleacties uitgerold voor de belastingplichtigen die onder het nieuwe systeem vallen, dat op 1 juli 2025 in werking trad. Wel worden op basis van de bouwvergunningen die mijn administratie ontvangt vragen om inlichtingen verstuurd. Deze kunnen aanleiding geven tot een controle, waarbij wordt nagegaan of die werken daadwerkelijk in aanmerking komen voor het verlaagd btw-tarief van 6 % en of na de uitvoering van de werken nog steeds aan de toepassingsvoorwaarden is voldaan. Het is dus mogelijk dat deze vragen werden uitgestuurd in dossiers die reeds onder het nieuwe regime vallen.

Zoals reeds uiteengezet in het antwoord op uw schriftelijke vraag nr. 55734, beantwoordt de administratie bovendien preventief talrijke vragen om inlichtingen en adviezen. Daarnaast is het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om ook projecten waarvoor nog geen bouwvergunning is aangevraagd vooraf aan de administratie voor te leggen. In het geval van ernstige twijfel of interpretatieproblemen die niet via rondzendbrieven of FAQ's kunnen worden opgelost, worden concrete dossiers rechtstreeks met bouwheren en architecten besproken.

Het blijft aangewezen om omvangrijke projecten met belangrijke financiële implicaties voor te leggen aan de Dienst Voorafgaande beslissingen in fiscale zaken, beter bekend als de rulingdienst, teneinde een grote rechtszekerheid te verkrijgen. Het uitgangspunt van deze aanpak is om zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen voor de start van de werken en te vermijden dat bouwheren achteraf met een foutieve toepassing van het tarief worden geconfronteerd.

Uiteraard behoudt de administratie steeds het recht om het verlaagd tarief te weigeren indien het uiteindelijke project afwijkt van het voorgelegde plan en daardoor de toepassing van het verlaagd tarief niet gerechtvaardigd is. De modeldocumenten werden op 12 november ter beschikking gesteld. Dat was na de indiening van uw vraag.

Bovendien werd uitdrukkelijk gecommuniceerd over een overgangsperiode, op de dag dat de programmawet in de plenaire vergadering werd goedgekeurd. Dit werd opgenomen in rondzendbrief 2025/C/48, punt 4.4. Tot 31 december 2025 gold een tolerantieregeling. Het verlaagd tarief mag worden toegepast indien de vereiste vermelding voorkomt op de factuur en, wat de leveringen betreft, in de verkoopovereenkomst of de authentieke akten.

Het toepassingsgebied van het verlaagd btw-tarief bij de afbraak en heropbouw van een woning werd sinds 2021 meermaals gewijzigd. Mijn administratie heeft bij elke wijziging een actuabericht, een rondzendbrief en/of een lijst van veel gestelde vragen gepubliceerd via de website van de FOD Financiën en via de fiscale databank FisconetPlus.

De meest recente commentaren betreffende de nieuwigheden vanaf 1 juli 2025 vindt u terug in rondzendbrief 2025/C/48, die reeds is gepubliceerd op de dag dat de nieuwe regelgeving in het Belgisch Staatsblad is verschenen en in een FAQ, gepubliceerd op de website.

Een toelichting bij de berekeningswijze van de bewoonbare oppervlakte of het standpunt van de administratie in het geval van een gesplitste verkoop, met het vruchtgebruik en de blote eigendom apart, werd voor het eerst gepubliceerd in 2021. Daarvoor was er ook een circulaire, namelijk 2021/C/8. Mijn administratie houdt de vinger aan de pols via contacten met stakeholders zoals de bouwsector en de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, zodat de communicatie kan worden bijgestuurd en aangevuld wanneer nodig. Ik wil uitgaan van het principe van de goede trouw van de belastingplichtigen. Een eerste stap werd gezet in de inkomstenbelastingen. Ik hoop in de nabije toekomst ook nog initiatieven te nemen inzake btw.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw toelichting. Het is positief dat er op voorhand duidelijkheid kan worden verschaft. Ik heb echter één bedenking. Het Netwerk Architecten Vlaanderen (NAV) heeft mij gesignaleerd dat er een grijze zone bestaat tussen renovatie en sloop en heropbouw. Bij sloop en heropbouw gaat het om afbraak en opnieuw bouwen. Om van renovatie te kunnen spreken moet men minstens 50 % van de oorspronkelijke dragende muren en 50 % van de oorspronkelijke oppervlakte behouden. Als men zich daar niet aan houdt, valt men tussen twee stoelen en moet men 21 % btw betalen. Dat zorgt ervoor dat mensen die bijvoorbeeld 40 % van de muren willen behouden, tot de conclusie komen dat hun project niet in aanmerking komt voor renovatie en daarom beslissen dat het beter is het gebouw volledig te slopen en iets nieuws te bouwen. Men zou die problematiek eens grondig moeten onderzoeken en ter harte te nemen, zodat men energetische beslissingen neemt op basis van gezond verstand en niet op basis van de btw. Het NAV, overigens een zeer degelijke organisatie, is zeker bereid om daarover met u te overleggen.

De blijvende rechtsonzekerheid over de toepassing van de DBI-aftrek na de programmawet

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Vincent Van Quickenborne bekritiseert de toegenomen rechtsonzekerheid rond de DBI-aftrek door vaagheid in de definitie van financieel vast actief, wat volgens fiscaal experten minderheidsaandeelhouders, holdings en lokale investeringen in kmo’s bedreigt en risicokapitaal ontmoedigt. Hij vraagt om verduidelijking, garanties tegen restrictieve toepassing en bevestiging dat bestaande dossiers niet retroactief worden aangepast. Minister Jan Jambon stelt dat de regels niet zijn gewijzigd en verwijst naar bestaande boekhoudnormen, benadrukt dat korte-termijndeelnemingen geen "duurzame band" beogen, en wijst op uitzonderingen voor risicokapitaalvennootschappen en de mogelijkheid van individuele rulings. De nieuwe regels gelden pas vanaf 2026, met een antimisbruikclausule vanaf februari 2025.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, tijdens de bespreking van de programmawet in juli vorig jaar heb ik u al gewezen op het risico van de toenemende rechtsonzekerheid bij de toepassing van de gewijzigde regels inzake de DBI-aftrek. Voor alle duidelijkheid, dat is een degelijk systeem. Ik zal me niet overgeven aan populisme en het wegzetten als een systeem van profitariaat. Ik lichtte toen het probleem in verband met de definitie van financieel vast actief toe. Wanneer het belang kleiner is dan 10 % maar de aanschaffingswaarde hoger ligt dan 2,5 miljoen euro, kan de DBI-aftrek enkel worden toegepast, als de deelneming de vorm neemt van een financieel vast actief.

Ondanks de recente rondzendbrief van uw FOD, die het begrip financieel vast actief moest verduidelijken, blijkt volgens verschillende fiscaal experten en praktijkmensen dat de onzekerheid precies is toegenomen. Ze duiden erop dat concrete criteria of termijnen voor wat beschouwd wordt als een duurzame band tussen investeerder en doelvennootschap, ontbreken en vrezen het risico van al te restrictieve interpretatie door de administratie.

De vaagheid treft volgens hen vooral minderheidsaandeelhouders, holdings en beleggingsvennootschappen, die nu niet langer zeker zijn of hun deelnemingen nog in aanmerking komen voor de DBI-aftrek, zelfs als ze die deelnemingen langdurig aanhouden en strategisch motiveren. Dat kan ook een negatief effect hebben op lokale investeringen in Belgische kmo’s en start-ups, die nood hebben aan risicokapitaal.

Ten eerste, erkent u dat er na de publicatie van de rondzendbrief nog aanzienlijke rechtsonzekerheid bestaat over de kwalificatie?

Ten tweede, hoe zal de administratie vermijden dat de nieuwe regels te restrictief worden toegepast, met name ten aanzien van minderheidsaandeelhouders die een reële, maar niet-controlerende band hebben met de doelvennootschap?

Ten derde, overweegt u bijkomende verduidelijking of richtlijnen, bijvoorbeeld over de interpretatie van korte termijn of de kenmerken van een duurzame band om de fiscale voorspelbaarheid te verhogen?

Erkent u dat de bijkomende voorwaarde van een financieel vast actief in de praktijk een bijkomende drempel vormt voor Belgische investeerders om minderheidsbelangen te nemen in ondernemingen en dat dat ook een negatief effect kan hebben op de toegang van lokale bedrijven tot Belgisch risicokapitaal?

Ten vierde en tot slot, kunt u garanderen dat lopende investeringsdossiers die dateren van vóór de inwerkingtreding van de programmawet niet retroactief in vraag gesteld zullen worden?

Jan Jambon:

Dank u wel, mijnheer Van Quickenborne, voor uw vraag.

Ik merk vooreerst op dat het begrip financiële vaste activa, zoals bedoeld in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet werd herzien door de door u bedoelde programmawet, die onder meer het DBI-stelsel heeft gewijzigd. Voor het begrip andere financiële vaste activa moet nog steeds worden gekeken naar de betekenis die eraan wordt gegeven door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Voor die materie ben ik overigens niet bevoegd.

Of er sprake is van andere financiële vaste activa in een concreet geval, hangt af van de feitelijke situatie waarbij rekening moet worden gehouden met de aard van de verhoudingen tussen de betrokken vennootschappen. U lijkt zich te focussen op de termijn van de deelneming, zonder rekening te houden met het doel ervan, namelijk het scheppen van een specifieke band. Logischerwijze beoogt een deelneming op korte termijn niet het scheppen van een dergelijke specifieke band.

Wat uw bezorgdheid over een mogelijk negatief effect op de toegang tot risicokapitaal betreft, herinner ik eraan dat de bedoelde bepalingen niet van toepassing zijn op dividenden die worden verleend of toegekend door beleggingsvennootschappen, zoals bedoeld in artikel 2 van het WIB 1992, met name vennootschappen die het risicokapitaal in België vormgeven. Ik herinner er ook aan dat maatregelen werden genomen inzake de carried interest om de ontwikkeling van die vennootschappen in ons land zo goed mogelijk te verzekeren.

De wijziging van de bedoelde bepaling treedt in werking vanaf aanslagjaar 2026. Die inwerkingtreding is gekoppeld aan een antimisbruikbepaling die betrekking heeft op het afsluiten van het boekjaar vanaf 3 februari 2025. In dat verband voeg ik eraan toe dat de participatievoorwaarde, met inbegrip van de aard van het financiële vaste actief, moet worden beoordeeld op het ogenblik van de toekenning of de betaalbaarstelling van de dividenden.

Ten slotte merk ik op dat een vennootschap vrij is om ter zake een beroep te doen op de rulingpraktijk van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen voor een individuele beslissing inzake boekhoudrecht.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. We zullen die nader bestuderen en eventueel opnieuw bij u aankloppen.

De toepassing van de vennootschapsbelasting op intercommunales, elf jaar na de hervorming

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne vraagt kritisch naar de effectiviteit van de Zweedse belastinghervorming (2015) voor intercommunales, die 220 miljoen euro moest opbrengen maar volgens hem werd omzeild via juridische constructies. Jambon bevestigt dat de opbrengst (gemiddeld ~200 miljoen/jaar) dicht bij de raming ligt, met uitschieters (190–268 miljoen), en dat energie-intercommunales vennootschapsbelasting betalen, terwijl afval/water onder de rechtspersonenbelasting vallen – geen sprake van "fiscale transparantie". Van Quickenborne bekritiseert vervolgens het gebrek aan efficiëntie bij intercommunales (bv. afvalbeheer) en pleit – als mening – voor privatisering via concessies, verwijzend naar Milton Friedmans stelling dat overheden twee keer minder efficiënt zijn dan de private sector. Jambon reageert niet op die kritiek.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, in 2015 besliste de Zweedse regering om het belastingsysteem voor intercommunales grondig te wijzigen. U maakte toen deel uit van die Zweedse regering, dus misschien herinnert u zich nog de discussies daaromtrent. Het ging over een groot bedrag – 220 miljoen euro – dat men wou ophalen via de hervorming van de intercommunales.

Sinds 1 januari 2015 vallen de intercommunales – ik ken er een aantal in mijn streek, waarschijnlijk zijn er bij u in Brasschaat ook wel een aantal – in principe onder het stelsel van de vennootschapsbelasting, tenzij ze specifiek zijn vrijgesteld op grond van hun activiteit of rechtsvorm. De opbrengst van die hervorming werd geraamd op 220 miljoen euro aan bijkomende fiscale ontvangsten. In de praktijk bleek toen echter al dat veel intercommunales dat probeerden te omzeilen. Men zegt vaak dat de Belgen de belastingen proberen te omzeilen, maar de intercommunales zijn nog veel straffer. Zij hebben toen blijkbaar juridische constructies opgericht om hun reserves zo fiscaal gunstig mogelijk te beheren. Dat heeft men mij althans verteld. We zijn intussen iets meer dan elf jaar verder en de vraag rijst hoe dit regime vandaag functioneert.

Ten eerste, kunt u toelichten welke intercommunales vandaag effectief onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en welke daarentegen nog onder de rechtspersonenbelasting of onder een vrijstellingsstelsel vallen? Ik vraag natuurlijk niet naar alle namen en cijfers, maar wel naar de verhouding. Met andere woorden, is iedereen plots een rechtspersoon geworden in plaats van een vennootschap?

Ten tweede, hoeveel brengt de vennootschapsbelasting op intercommunales jaarlijks op? Hoe verhoudt zich dat tot de oorspronkelijke raming van 220 miljoen euro? Was dat met andere woorden een longshot of was dat een accurate inschatting?

Ten derde, worden er fiscale optimalisatietechnieken toegepast door intercommunales om de vennootschapsbelasting te beperken, zoals herstructurering, fusie, oprichting van patrimoniumvennootschappen of uitkeren van reserves aan gemeenten? Dat doet mij wat denken aan de interne meerwaardebelasting, maar dat is een andere discussie.

Ten vierde, hoe wordt in dat verband door de FOD Financiën toezicht gehouden op de fiscale transparantie van de intercommunales, gelet op hun publieke karakter en aard en op het feit dat zij grotendeels gemeentelijk kapitaal beheren?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, behoudens voor deze die zijn opgenomen in artikel 180, eerste lid, ten eerste, van het WIB 92, wordt geval per geval beoordeeld of een intercommunale aan de rechtspersonenbelasting dan wel aan de vennootschapsbelasting wordt onderworpen.

Een compleet overzicht zou ons te ver leiden, maar over het algemeen worden de intercommunales die instaan voor het beheer van de distributienetwerken voor elektriciteit en aardgas aan de vennootschapsbelasting onderworpen. De intercommunales voor afvalbeheer, voor de productie en de distributie van drinkwater, en voor de organisatie van wijkwerking worden dan weer aan de rechtspersonenbelasting onderworpen. Ik bezorg het secretariaat een tabel met de globaal ingekohierde vennootschapsbelasting van de intercommunales tijdens de laatste aanslagjaren en die kan aan het verslag worden toegevoegd.

De globaal ingekohierde vennootschapsbelasting voor de intercommunales beloopt ongeveer 200 miljoen euro voor elk aanslagjaar, behalve voor de aanslagjaren 2019 en 2024. De inkohiering van het aanslagjaar 2024 is nog niet beëindigd, maar de raming van 220 miljoen zat dicht in de buurt.

Het begrip fiscale transparantie is in deze een ongelukkig gekozen term, aangezien intercommunales als rechtspersonen ofwel aan de vennootschapsbelasting ofwel aan de rechtspersonenbelasting worden onderworpen. Het is dus de rechtspersoon als dusdanig die aan de belasting wordt onderworpen. Van een fiscaal transparante behandeling van deze entiteiten is geen sprake.

De tabel van de ingekohierde vennootschapsbelasting kan aan het verslag worden toegevoegd. Zoals gezegd loopt dat van 207 miljoen tot 268 miljoen, met een uitschieter in 2019 toen het slechts 190 miljoen bedroeg. In 2022 en 2023 was het ook iets minders dan 200 miljoen. 2024 is nog niet volledig afgesloten.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, de minister van Financiën en de regering van toen hebben destijds blijkbaar goed geraamd. Het is ook fijn om te zien dat er niet veel of weinig technieken worden gebruikt om dat te ontwijken. Dat is positief. Natuurlijk is de vraag of dat dan wordt doorgerekend aan de uiteindelijke eindgebruiker. Bij gas en elektriciteit waarschijnlijk wel. Elke belasting sijpelt altijd door, dat is onvermijdelijk. Het gebrek aan efficiëntie bij de intercommunales is soms hemeltergend. Ik weet niet hoe de situatie bij u in Brasschaat is met het nieuwe afvalbeleid en de kleine gft-bakjes. Bent u daarvan op de hoogte? Mijn vrouw vraagt zich constant af of het afval nu in een bakje of een zakje moet. Om nog meer te sorteren, wordt het allemaal nog moeilijker, maar vooral ook duurder. Ik vraag me dan af of dat allemaal in overheidshanden moet zijn. Zou het niet beter zijn om de staat wat te ontvetten en daar concessies voor uit te schrijven, weliswaar, mijnheer Vanbesien, met de nodige reglementering? Milton Friedman, collega’s, zei ooit dat als de overheid iets doet, het altijd twee keer minder efficiënt is dan de private sector. Dat heb ik al een paar keer gezegd en ik blijf dat herhalen tot iedereen het beseft en ook de heer Vanbesien het begrijpt en misschien zelfs aanvaardt. Dat gezegd zijnde, mijnheer de minister, dank ik u voor uw antwoorden. We kijken uit naar de tabellen die u aan het commissiesecretariaat zult bezorgen.

De brandstofcontroles door de douane

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane vraagt aan minister Jan Jambon om cijfers over douanecontroles op illegaal gebruik van "diesel rouge" (gedetaxeerde diesel), wijzend op fraude, oneerlijke concurrentie en milieuschade. Jambon meldt dat tussen 2020-2024 jaarlijks 18.450-28.000 controles plaatsvonden, met 838-1.958 overtredingen per jaar, vooral in Wallonië (47-56%) en Vlaanderen (43-48%), en met name bij landbouwvoertuigen (30% overtredingskans) en personenwagens (6,5%). Dufrane prijsde de transparantie maar benadrukte de nood aan versterkte controles, gezien de hoge fraudepercentages in bepaalde sectoren.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les contrôles effectués par les douanes jouent un rôle essentiel dans la lutte contre la fraude fiscale et environnementale liée à l'usage illégal de carburants détaxés, communément appelés “diesel rouge". Ce carburant, réservé à des usages agricoles ou spécifiques, continue malheureusement d'être utilisé par certains automobilistes ou entreprises dans des véhicules non autorisés. Au-delà de la fraude fiscale qu'elle représente, cette pratique engendre une concurrence déloyale à l'égard des transporteurs et professionnels respectueux de la législation, tout en nuisant à l'image du secteur.

Les opérations de contrôle menées par les douanes permettent de détecter ces infractions, mais il importe d'en mesurer l'ampleur et d'évaluer si les moyens déployés sont adaptés à l'évolution du phénomène. De plus, une ventilation régionale et sectorielle de ces infractions offrirait une vision plus claire des tendances et des publics concernés.

Monsieur le ministre, combien de véhicules ont-ils été contrôlés par les services des douanes pour suspicion d'utilisation de diesel rouge au cours des cinq dernières années? Combien de ces contrôles se sont-ils révélés positifs et comment ces chiffres ont-ils évolué au cours de la même période? Quelle est la ventilation régionale de ces infractions? Quels types de véhicules ou de publics sont-ils le plus fréquemment concernés (particuliers, transporteurs, entreprises, agriculteurs, etc.)? Quelles mesures de prévention ou de dissuasion le SPF Finances envisage-t-il pour réduire encore ce type de fraude?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, en 2020, l'année du Covid-19, la douane a effectué 22 900 contrôles de véhicules pour suspicion d'utilisation de diesel rouge. En 2021 et en 2022, il y en a eu environ 28 000. En 2023, 26 600 et, en 2024, 18 450. En 2020, 838 contrôles ont révélé une infraction. En 2021, ce chiffre est monté à 1 816, puis à 1 958 en 2022. En 2023, il y en a eu 1 435 et, en 2024, encore 850.

Si nous examinons la répartition des infractions entre les trois régions, nous constatons que la Flandre représente, selon l'année, environ 43 à 48 % du total national. Pour la Wallonie, ces parts se situent entre 47 et 56%. Quant à la Région de Bruxelles-Capitale, elle représente généralement environ 1 % des infractions, mais peut-être le chiffre n’est-il pas connu en raison de l’absence de gouvernement.

Si nous examinons le type de véhicules les plus concernés, nous constatons que les véhicules utilitaires – c'est-à-dire ceux dont la masse maximale autorisée est inférieure à 3,5 tonnes – sont les plus contrôlés, avec un taux moyen d'infraction d'environ 5,16 %. Viennent ensuite les voitures particulières, avec un taux de 6,5 %. Les camions de plus de 3,5 tonnes occupent la troisième place, avec 5,88 %. Quant aux véhicules agricoles, ils se situent en quatrième position en nombre de contrôles, mais leur taux d'infraction est nettement plus élevé et avoisine les 30 %.

L'Administration générale des Douanes et Accises attire chaque année l'attention du public sur la problématique de cette fraude, en communiquant les résultats de ces contrôles à la presse écrite et en acceptant que la presse télévisée filme les opérations de contrôle sur le terrain. Les sanctions auxquelles s'exposent les contrevenants sont également communiquées à la presse. Les sanctions varient entre 500 euros et, en cas de récidive, 5 000 euros si l'affaire est portée au tribunal. Une confiscation du véhicule est également possible.

Président: Frédéric Daerden.

Voorzitter: Frédéric Daerden.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse détaillée et complète, ainsi que pour ces chiffres très intéressants qui permettent de mieux évaluer et de mieux situer la problématique. Comme je le rappelais, l'utilisation du diesel rouge demeure une solution pour certains face aux prix des carburants. Il est toutefois important de poursuivre les contrôles en vue de limiter ces abus qui, comme vous le disiez, sont importants – jusqu'à 30 % de véhicules hors-la-loi en fonction des catégories. Au vu de ces chiffres, je ne doute pas que le SPF Finances continuera ses contrôles et les accentuera, je l'espère du moins, pour mener à bien sa mission.

De douanecontroles op Liege Airport

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat de luchthaven van Luik een cruciale drugsroute is geworden, met in 2024-2025 recordbeslagen: 1,5 ton cannabis (vooral uit de VS, Thailand en Qatar), 30 kg cocaïne (Ecuador/Dominicaanse Republiek) en 3,2 ton precursoren (China/Hongkong), terwijl slechts 24 douaneonderzoekers actief zijn. Hij kondigt versterkte controles aan via extra speurhonden, nieuwe scanners (2026) en 3,5 miljoen euro extra investeringen, maar personeelsuitbreiding hangt af van budtaire onderhandelingen. Dufrane (parlementslid) prijsde de internationale samenwerking (o.a. douane-attachés in de VS, Panama en China) en toekomstige technologieën, maar benadrukte de urgentie gezien de snel evoluerende smokkelroutes via legale cannabislanden (Canada, Thailand). Kritiek op middelen bleef onuitgesproken, maar de tevrede toon suggereert erkenning van Jambons plannen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la saisie d'environ une tonne de cannabis en provenance du Qatar, interceptée à l'aéroport de Liège, souligne l'ampleur croissante des trafics de stupéfiants transitant par notre territoire. Selon les données les plus récentes, l'aéroport de Liège est devenu un point d'entrée majeur pour divers types de drogues: en 2024, près de 30 kg de cocaïne, plus de 600 kg de cannabis et plus de 3 tonnes de précurseurs chimiques (destinés à la fabrication de drogues de synthèse) y ont été saisis.

Les pays d'origine identifiés incluent principalement l'Amérique latine pour la cocaïne, la Chine pour les précurseurs chimiques, et désormais le Moyen-Orient pour le cannabis. Ces chiffres, en constante évolution, révèlent une diversification des routes et des méthodes utilisées par les organisations criminelles pour infiltrer le marché européen.

La saisie d'une tonne de cannabis en une seule fois est exceptionnelle, même si des quantités importantes de cocaïne et de précurseurs chimiques ont déjà été interceptées ces dernières années. Ces trafics profitent de l'augmentation exponentielle du fret aérien à Liège, où seulement 5 ETP sont actuellement affectés à la détection quotidienne des drogues. Cette situation pose la question de l'adéquation des moyens humains et technologiques déployés pour contrer ces flux illicites, d'autant que les trafiquants adaptent sans cesse leurs stratégies pour contourner les contrôles.

Mes questions monsieur le ministre, sont:

Quelles sont les quantités exactes de drogues saisies à l'aéroport de Liège depuis 2024, ventilées par type (cannabis, cocaïne, précurseurs chimiques, etc.) et par pays d'origine?

Comment évaluez-vous la rareté ou la fréquence des saisies massives de cannabis, comme celle d'une tonne interceptée, et quelles sont les tendances observées ces dernières années?

Quelles mesures concrètes votre SPF envisage-t-il pour renforcer les contrôles douaniers à Liège, notamment en termes de personnel, de technologies de détection et de coopération internationale avec les pays d'origine et de transit?

Une collaboration accrue avec les autorités européennes et les pays voisins (Pays-Bas, France, Allemagne) est-elle prévue pour lutter plus efficacement contre ces trafics, notamment en partageant des informations en temps réel et en ciblant les organisations criminelles transnationales?

Quels sont les résultats des investissements déjà réalisés pour moderniser les infrastructures de contrôle à Liège, et quels budgets supplémentaires sont prévus pour 2025 afin de faire face à cette menace grandissante?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, en 2024, la douane a saisi à l'aéroport de Liège les quantités de drogue suivantes:

- 626,44 kg de cannabis, surtout de la marijuana;

- 29,54 kg de cocaïne;

- 4,87 kg d'opioïdes;

- 6 kg de drogues synthétiques (MDMA et amphétamines);

- 66,57 kg de nouvelles substances psychoactives (NPS);

- et 3 171,06 kg de précurseurs de drogue.

En 2025, entre le 1 er janvier et le 30 septembre, la douane a saisi à l'aéroport de Liège les quantités de drogue suivantes:

- 1 488,02 kg de cannabis, surtout de la marijuana;

- 10 g d'opioïdes;

- et 698,73 kg de précurseurs de drogue.

La marijuana saisie provenait surtout des États-Unis. La saisie d'une tonne de marijuana à l'aéroport de Liège, dont vous parlez, date d'octobre 2025 et provenait de Thaïlande, avec un transit via le Qatar. La cocaïne saisie provenait de l'Équateur et de la République dominicaine. Les opioïdes venaient de Hong Kong. Pour les NPS, il s'agissait de la Belgique et de Hong Kong. Les drogues synthétiques provenaient des États-Unis et d'Europe. Enfin, les précurseurs de drogue venaient de Hong Kong et de Chine.

Depuis deux ans, la Belgique et plusieurs autres pays européens sont confrontés à l'importation illégale de grandes quantités de marijuana en provenance du Canada, des États-Unis et de Thaïlande. Ces trois pays ont légalisé totalement ou partiellement la production de marijuana il y a quelques années. Ces envois de marijuana entrent via le port d'Anvers et les aéroports de Zaventem et de Liège.

L'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) dispose à l'aéroport de Bierset de différents moyens de contrôle. Il s'agit notamment d'un scanner à bagages, d'un ScanVan, d'un Backscatter portable, d'un spectromètre Raman. Récemment, un scanner mobile pour le fret a été mis en service.

Par ailleurs, des équipes cynophiles peuvent être mobilisées pour la détection de drogue et d'argent liquide. À court terme, l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) prévoit également d'augmenter le nombre d'équipes cynophiles à l'aéroport de Bierset. Plusieurs projets sont en préparation concernant les technologies de contrôle intégrées aux flux logistiques à nos points de passage frontaliers. Par ailleurs, un projet portant sur des outils innovants dans la lutte contre le trafic de drogue sera déployé au cours de l'année 2026.

En termes de personnel, Bierset compte 205 douaniers, dont 24 au sein de l'administration recherche. Une place de niveau B, en shift , est actuellement ouverte, tandis que les autres postes vacants sont gelés dans l'attente des résultats des exercices budgétaires en cours. La douane belge intensifie la coopération internationale avec les pays d'origine en concluant des Memorandum of Understanding avec ceux-ci et en déployant des attachés douaniers dans les pays sources de drogue.

Outre ces attachés douaniers en poste au Brésil, en Chine et en Indonésie, la douane belge a déployé un attaché douanier au Panama en 2025 et est en train de signer un accord avec les États-Unis afin de placer un attaché douanier à Washington cette année-ci. Ces attachés douaniers sont accrédités pour un ou plusieurs pays. La douane belge entretient également des contacts avec les officiers de liaison des douanes étrangères stationnées en Belgique ou à Europol via son officier de liaison auprès d'Europol.

La douane belge entretient quotidiennement des contacts avec les douanes des pays voisins ainsi qu'avec d'autres pays afin d'échanger des informations et d'organiser des actions opérationnelles. Elle participe également à plusieurs opérations internationales organisées dans le cadre de European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT), ou du Groupe "Application de la loi" (Douane), une instance préparatoire du Conseil de l'UE, et participe notamment à une opération visant spécifiquement le cannabis en provenance du Canada, des États-Unis et de Thaïlande. Finalement, pour 2025 et 2026, un montant d'investissement de 3,5 millions d'euros sera consacré à des moyens de contrôle supplémentaires.

Les investissements réalisés à Liège ont déjà permis de moderniser les infrastructures de contrôle. Les améliorations apportées ont déjà renforcé notre capacité à faire face aux menaces. Des budgets supplémentaires sont prévus afin de poursuivre ces efforts, mais leur montant exact dépendra des arbitrages budgétaires qui sont en cours.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse plus que détaillée. Vous avez devant vous un député ravi d'entendre tous les moyens qui sont déjà déployés, notamment les détachements dans les pays considérés comme des plaques tournantes et également tous ces futurs investissements que vous annoncez pour endiguer ce trafic de drogue dans notre pays. Je vous remercie encore du temps que vous avez consacré à répondre à ma question.

De levering van goederen door bedrijven over de grens

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

MR David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane wijst op concurrentievervalsing door Leclerc, dat vanuit Frankrijk goederen aan Belgische consumenten levert met prijsverschillen tot 50% door lagere Franse TVA en sociale lasten, wat Belgische winkels (zoals Colruyt) benadeelt en volgens hem 750 miljoen euro omzetverlies en 4.500 banen bedreigt. Hij vraagt of Leclerc Belastbare activiteiten verricht in België en of extra fiscale controles of Europese harmonisatie nodig zijn om gelijke concurrentie af te dwingen. Minister Jan Jambon bevestigt dat TVA en accijnzen verschuldigd zijn in België bij grensoverschrijdende verkopen, ook via het One Stop Shop-systeem (sinds 2021), en dat controles via douanesamenwerking (Naples 2) en fiscale informatie-uitwisseling plaatsvinden om fraude tegen te gaan. Hij stelt dat het huidige kader reeds eerlijke concurrentie waarborgt, maar erkent dat handhaving cruciaal is. Dufrane sluit af door te benadrukken dat de fiscale leemtes en oneerlijke concurrentie door buitenlandse spelers een reëel risico vormen voor de Belgische detailhandel, ondanks de ministeriële verzekeringen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, l'arrivée de Leclerc sur le marché belge, via la livraison directe de courses à domicile depuis la France, pose une question cruciale. En effet, une entreprise étrangère livrant des biens de consommation en Belgique, même sans implantation physique, ne devrait-elle pas être soumise aux mêmes obligations fiscales que ses concurrents locaux? Les écarts de prix, parfois supérieurs à 50 % sur des produits de base, s'expliquent en partie par des différences de TVA et de charges sociales entre nos deux pays.

Pourtant, cette activité commerciale, qu'elle soit organisée en direct ou via des livraisons collaboratives, génère un chiffre d'affaires sur notre territoire et concurrence directement les enseignes belges, qui paient intégralement leurs taxes et cotisations sociales en Belgique. Cette situation aggrave le manque à gagner pour nos commerçants, déjà estimé à 750 millions d'euros par an en raison des achats transfrontaliers, et menace près de 4 500 emplois dans le secteur.

Alors que Colruyt et d'autres distributeurs s'efforcent d'aligner leurs prix pour rester compétitifs, ils se retrouvent désavantagés face à un acteur qui bénéficie des avantages fiscaux français tout en ciblant activement la clientèle belge. Cette distorsion de concurrence, si elle n'est pas encadrée, risque d'accentuer la pression sur un secteur déjà fragilisé, notamment dans les régions frontalières.

Monsieur le ministre, une entreprise comme Leclerc, qui livre des produits en Belgique depuis la France, est-elle considérée comme exerçant une activité commerciale sur notre territoire au sens fiscal, et si oui, quelles taxes devrait-elle payer? Quelles mesures votre SPF envisage-t-il pour garantir une concurrence loyale entre les distributeurs belges et les acteurs étrangers livrant en Belgique, notamment en matière d'harmonisation fiscale ou de contrôle des flux commerciaux transfrontaliers? Une collaboration avec le ministre des Finances est-elle prévue pour évaluer l'impact fiscal de ces livraisons et, le cas échéant, imposer à Leclerc ou à d'autres enseignes étrangères de s'acquitter des taxes belges sur les ventes réalisées sur notre sol? Comment comptez-vous soutenir les commerçants belges face à cette concurrence déloyale, au-delà de la baisse de la TVA sur certains produits, afin de préserver l'emploi et l'économie locale? Envisagez-vous de saisir la Commission européenne pour examiner les règles applicables aux livraisons transfrontalières et éviter que des entreprises étrangères ne profitent indûment des différences de législation fiscale?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, la législation permet à un vendeur étranger, c'est-à-dire établi dans un autre État membre, de livrer des produits relevant de la directive 2020/262, dénommés produits soumis à accise, à des consommateurs belges. Le cas échéant, les droits d'accise deviennent exigibles dans l'État membre de destination, en l'occurrence la Belgique, au moment de la livraison des produits soumis à accise. Le redevable de l'accise est soit le vendeur (l'expéditeur), soit un représentant fiscal désigné par le vendeur. Cette personne doit accomplir toutes les formalités et payer les accises dues.

Pour les produits qui ne relèvent pas de la directive précitée, mais sont soumis à une accise nationale, dénommé produits d'accise, les formalités doivent être accomplies et les accises dues doivent être payées par une personne titulaire d'un établissement d'accise tel que défini en droit belge.

En outre, une cotisation d'emballage est due lors de la mise à la consommation en Belgique de certaines boissons définies dans la loi. Il convient toutefois de noter que la vente à distance aux consommateurs et l'achat à distance par les consommateurs de produits de tabac sont interdits en Belgique, en vertu de la réglementation en matière de santé publique.

En ce qui concerne la TVA, les ventes à distance intracommunautaires de biens depuis la France à des particuliers en Belgique constituent en principe des opérations imposables dans l'État membre de consommation, en l'occurrence en Belgique. Il est clair qu'une entreprise française, même si elle n'a pas d'établissement stable en Belgique, y exerce une activité économique qui est soumise à la TVA. En principe, cette entreprise française doit s'identifier à la TVA en Belgique et y respecter toutes les obligations en matière de TVA.

Toutefois, depuis le 1 er juillet 2021, le régime européen du guichet unique One Stop Shop permet aux entreprises qui effectuent des ventes à distance intracommunautaires de biens à des consommateurs finaux dans d'autres États membres de déclarer et de payer la TVA due dans les différents États membres de leurs clients via un portail dans leur propre État membre d'établissement. En tout cas, dans le cas visé, la TVA applicable est celle de l'État membre de consommation, c'est-à-dire la Belgique.

Mon administration dispose des instruments et mécanismes nécessaires pour activer la collaboration administrative internationale afin d'échanger les informations vraisemblablement pertinentes dans le but de garantir le respect des règles fiscales applicables et de promouvoir une plus grande équité fiscale.

En vue d'assurer le respect des dispositions en matière d'accises, les administrations douanières de l'Union européenne coopèrent étroitement entre elles sur la base de la convention dite "Naples 2" et du règlement concernant la coopération administrative dans le domaine des droits d'accise. La loi prévoit également une telle coopération pour la cotisation d'emballage. De plus, le centre national de recherche peut, dans le cadre d'une action conjointe avec les douanes, contrôler des camionnettes aux postes frontières avec la France.

Enfin, pour ce qui est de la concurrence déloyale, je renvoie au régime précité des ventes à distance, en vertu duquel la TVA est due dans le pays de consommation, à savoir la Belgique. Ce régime garantit précisément que la TVA est acquittée de manière équitable et que la position concurrentielle des commerçants en Belgique est préservée.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je dois avouer que cette question était initialement destinée à votre collègue en charge de l'Économie. Je vous remercie pour votre réponse, qui a le mérite d'apporter de la clarté pour le secteur. On le constate, l'arrivée chez nous d'acteurs étrangers, basés à l'étranger, peut poser pas mal de problèmes en termes de concurrence et de fiscalité non perçue. Je vous remercie pour le suivi de cette question et pour agir dans l'intérêt de nos entreprises face à cette concurrence déloyale. Voorzitter: Vincent Van Quickenborne. Président: Vincent Van Quickenborne.

Het rapport van het Rekenhof

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Rekenhof bekritiseert in zijn rapport dat de AAD&A systematisch onrealistisch hoge ontvangsten boekt uit geschillendossiers (slechts <1% wordt effectief geïnd, met 3,3 mjd annuleringen in 2024), wat de begrotingsbetrouwbaarheid ondermijnt. Minister Jambon wijt dit aan juridische beperkingen (alleen rechterlijke uitspraken zijn bindend) en belooft boekingen pas na definitieve vonnissen te laten gebeuren, plus een hervorming naar administratieve sancties voor efficiëntere inning. Vanbesien noemt het 1%-realisatiecijfer "enorm problematisch" maar waardeert Jambons voorstel om boekingen te baseren op effectieve vonnissen, in de hoop op betere begrotingsvoorspellingen en hogere inkomsten.

Voorzitter:

Over welk rapport van het Rekenhof gaat het, mijnheer Vanbesien?

Dieter Vanbesien:

Ik licht dadelijk toe over welk rapport het gaat, mijnheer de voorzitter.

Mijnheer de minister, in september publiceerde het Rekenhof zijn 182ste Boek, deel 1. Met betrekking tot de economische jaarrekening lees ik daarin dat het Rekenhof nogal wat opmerkingen heeft over de juistheid van de cijfers.

Het Rekenhof gaat dieper in op een aantal problemen bij de concrete toepassing van de beginselen van de vastgestelde rechten, waaronder ook de vorderingen uit geschillendossiers van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (AAD&A). Het Rekenhof stelt dat de gerapporteerde ontvangsten in de samenvattende rekening van de begrotingsverrichtingen systematisch ontvangsten bevatten waarvan in werkelijkheid slechts een klein deel zal worden geïnd. De effectief geïnde bedragen in de periode 2020 tot en met 2024 maken minder dan 1 % uit van de geboekte vastgestelde rechten. Een groot deel van die rechten wordt uiteindelijk geannuleerd. Het bedrag van die annuleringen liep in 2024 op tot 3,3 miljard euro. Dat werpt uiteraard een aantal vragen op.

Ten eerste, hoe verklaart u die grote discrepantie tussen het vastgestelde recht aan boetes op basis van processen-verbaal en de feitelijk geïnde boetes? Welk percentage van de processen-verbaal tussen 2020 en 2024 leidde uiteindelijk tot een feitelijk geïnde boete? Hoe verklaart u dat percentage?

Ten tweede, gezien het toenemende probleem aan de inkomstenzijde in de huidige begrotingsoefening, hoe zult u de inning van AAD&A-inkomsten versterken? Hoe verzoent u de huidige aanpak met het budgettaire voorzichtigheidsprincipe en de nood aan een betrouwbare voorspelling en beschrijving van de fiscale inkomsten?

Ten slotte, hoe verklaart u dat de werkgroep die zich buigt over de vastgestelde rechten op dit punt geen vooruitgang boekt?

Ik kijk uit naar uw antwoord.

Voorzitter:

Dat doen we allemaal, mijnheer de minister.

Jan Jambon:

Dank u voor uw vraag, mijnheer Vanbesien. Hoewel het proces-verbaal een zekere bewijskracht heeft, zijn de daarin berekende boetes niet automatisch opeisbaar. Alleen een strafrechter kan die boetes effectief opleggen. De enige uitvoerbare titel voor de inning van een boete is een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing van een strafrechter of een aanvaarde minnelijke schikking.

Mijn administratie beschikt niet over het percentage aan feitelijk geïnde boetes ten opzichte van de in het pv berekende boetes. Het verschil tussen beide bedragen kan worden verklaard door drie mogelijke factoren, namelijk de boeking van de theoretische maximumboete bij het afsluiten van het pv en de uiteindelijke rechterlijke beslissing, of het tijdsverloop om tot een uitvoerbare titel te komen, of het feit dat het om georganiseerde fraude gaat waarbij de boetes hoog oplopen en de geïdentificeerde en veroordeelde schuldenaars onvermogend zijn. Zoals gezegd, komt het alleen aan de strafrechter toe om te bepalen welke boetes effectief worden opgelegd en om te beslissen over de hoogte ervan.

Naar aanleiding van uw vraag zal ik mijn administratie de opdracht geven om de analyse van het Rekenhof te bestuderen en na te gaan of aan de opmerkingen van het Rekenhof kan worden tegemoetgekomen door boetes pas te boeken op het moment dat er een definitieve titel bestaat. Dat betekent dus niet op het moment dat de boetes worden geraamd, maar wel bij de uitspraak. Ik voeg daaraan toe dat mijn beleidscel blijft werken aan een hervorming van de AWDA, zodat het strafrecht inzake douane kan worden hervormd. Het introduceren van administratieve sancties bij inbreuken zal efficiënter zijn, minder druk leggen op de rechtbanken en zorgen voor meer inkomsten, niets dan voordelen dus.

Dieter Vanbesien:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dat is een duidelijk antwoord. Er blijft natuurlijk wel een heel groot verschil. U zegt dat het om een inschatting gaat die wordt gemaakt op basis van de pv’s, die op zich niet de bewijskracht hebben. Dat moet nadien verder worden uitgewerkt door een strafrechter of via een minnelijke schikking. Het gaat hier echter over slechts 1 % van die inschattingen. Dat is een enorm verschil. Ik ben dan ook blij dat u zegt dat u de administratie zal vragen om dat advies te bestuderen en eventueel aanpassingen te maken, zodat de inschattingen gebeuren op basis van de effectieve veroordelingen in plaats van op de theoretische veroordelingen. Ik hoop twee zaken. Ten eerste hoop ik dat we daarmee de inschattingen beter kunnen afstemmen op de uiteindelijke inkomsten, wat zal helpen om de begroting te evalueren. Ten tweede hoop ik dat de inkomsten in die materie ook wat kunnen stijgen. Dank u wel voor uw antwoord.

De impact van de elektrificatie op de accijnsontvangsten

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

Les Engagés Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz wijst op een budgettair tekort in 2016 (26,4 mjd externe transportkosten vs. 18,4 mjd fiscale opbrengst) en vraagt om impactanalyses van versnelde elektrificatie (6,4% EV in 2025 vs. 0,2% in 2018) op accijnsinkomsten, die volgens haar nodig zijn voor goede governance, maar ontbreken. Jan Jambon stelt dat geen duidelijke daling zichtbaar is door overlappende factoren (covid, energiecrisis, efficiëntere motoren) en levert enkel geaggregeerde diesel/benzinecijfers (2018-2024) zonder verdeling per voertuigtype. Schlitz bekritiseert het gebrek aan prospectieve budgetplanning, benadrukkend dat fiscale maatregelen gedrag sturen en ex-post evaluaties essentieel zijn voor toekomstige beleidskeuzes.

Sarah Schlitz:

Selon le handbook sur les coûts externes des transports de la Commission européenne, ceux-ci s'élevaient, pour la Belgique, à 26,4 milliards d'euros en 2016 tandis que la Febiac réalisait une estimation (haute) de la "productivité fiscale" des véhicules à moteur à 18,4 milliards pour cette même année. Les coûts externes ne sont donc pas couverts. Néanmoins, dans une perspective budgétaire annuelle, la contribution des recettes d'accises sur les ventes de carburants routiers n'est pas négligeable.

L'électrification progressive du parc de voitures, camionnettes et camions, nécessaire pour décarboner les transports, va induire une baisse de la vente de carburants et donc des recettes d'accises. Beaucoup d'incertitudes planent sur la dynamique d'électrification, notamment en raison des appels au report de l'objectif européen de 100 % de ventes de véhicules légers zéro émission en 2035.

Ces incertitudes rendent difficile le calcul de l'impact de l'électrification sur les recettes d'accises, et donc sur le budget fédéral. Il me semble néanmoins que, dans une optique de bonne gouvernance, l'exercice mérite d'être fait, sous différentes hypothèses.

Des estimations ont-elles déjà été entreprises par l'administration? Sont-elles prévues?

Cela semble d'autant plus nécessaire que, en Belgique, la dynamique d'électrification est plus rapide que dans d'autres Etats européens. Ainsi, le parc automobile comptait 0,2 % de véhicules électriques et 1,6 % de véhicules hybrides en 2018 et respectivement 6,4 % et 14 % au premier août 2025.

Des effets sur les recettes d'accises ont-ils déjà été décelés au cours des dernières années? A ce titre, pouvez-vous me communiquer les chiffres agrégés de recettes d'accises (par carburant et par type de véhicule: voitures, camionnettes et camions) pour les années 2018 à 2024?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, à l'heure actuelle, l'électrification du parc automobile n'a pas d'incidence budgétaire claire sur les recettes fiscales provenant des carburants. En effet, cette électrification n'est pas indépendante d'autres évolutions qui ont un impact sur les recettes fiscales. On peut citer par exemple l'évolution des taux d'accises au cours des dernières années; l'impact de l'épidémie de Covid-19 et les mesures sociales prises à l'époque; l'impact de la crise énergétique en 2022; l'impact de la réduction de la consommation d'un moteur à carburant fossile; l'impact de l'augmentation générale de la demande en produits énergétiques; etc.

Mon administration ne dispose pas de recettes ventilées par type de véhicule. Toutefois, je peux vous communiquer les recettes provenant de l'essence et du gazole utilisé comme carburant, donc du diesel. Je transmettrai le tableau dont je dispose au secrétariat de la commission afin qu'il puisse être repris dans le compte rendu. Ce sont les recettes essence et diesel de 2018 à 2024.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse et pour la transmission des données. En effet, ce sera plus utile et plus pratique pour les services. Plus globalement, ce que l'on constate dans ce type de dossier, c'est qu'on avance avec des réformes fiscales ou en matière d'accises, sans avoir une vision claire de ce que cela peut coûter ou rapporter au budget de l'État. Je comprends que ce n'est pas forcément évident à évaluer. Néanmoins, cela constitue, qu'on le veuille ou non, des instruments d'orientation des comportements de la population. Il me semble donc toujours utile d'avoir cela en tête et de pouvoir, dans ce cas-là, disposer des ventilations d'impact, puisqu’il y en aura de toute façon. Qu’on ne puisse pas tout anticiper est une chose. Mais en tout cas, qu'on puisse l'évaluer pour pouvoir, dans d'autres dossiers, savoir quels vont être les impacts de telle ou telle augmentation ou réduction d'accises est indispensable dans un optique de planification publique. Je vous remercie.

De gevolgen van de poging tot overname van Proximus door Xavier Niel
De rol van een parlementslid in contacten tussen NJJ Capital en de Belgische Staat inzake Proximus
De gerechtelijke vervolging van een bestuurder van Proximus
De Proximus-overnamepoging door Xavier Niel, politieke en gerechtelijke aspecten

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Les Engagés Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon (SFPIM) stelt dat Xavier Niel’s poging tot overname van Proximus geen structurele impact had op de beurswaarde, aangezien er nooit een formeel bod kwam, en benadrukt dat diens 6%-belang (sinds 2023) geen bestuurlijke dreiging vormt zolang de SFPIM (53,5% aandeelhouder) de strategische controle behoudt. Hij erkent wel dat transparantielekken – zoals de late melding van het justitieel onderzoek naar administrateur Franck-Philippe Georgin (betrokken bij het "Casino"-schandaal) – aantonen dat voorafgaande integriteitschecks voor bestuurders moeten worden aangescherpt, zonder de presomptie van onschuld te schenden. François De Smet bekritiseert dat Georgin ondanks lopende strafzaken (risico op gevangenisstraf en boetes) toch benoemd werd, wat wijst op falende waarborgmechanismen, terwijl Anthony Dufrane waarschuwt voor Niel’s potentiële blokkerende minderheidspositie en de soevereiniteitsrisico’s voor België. Jambon belooft strengere monitoring, maar stelt dat de huidige governance-kaders voldoende zijn.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la tentative d'acquisition de Proximus par Xavier Niel a suscité des interrogations sur la valorisation boursière de l'entreprise et sur les risques financiers pour l'État, actionnaire majoritaire via la Société Fédérale de Participations et d'Investissement (SFPIM). Les critiques formulées à l'encontre de la gestion précédente de Proximus, ainsi que les propositions de restructuration avancées par Xavier Niel, ont mis en évidence les défis auxquels l'entreprise est confrontée. Le rejet de cette offre, bien que justifié par des considérations stratégiques, pourrait avoir des conséquences sur la perception des investisseurs et sur la capacité de Proximus à se financer à des conditions avantageuses.

De plus, la présence continue de Xavier Niel dans le capital de Proximus, via son holding Saxo Holding, soulève des questions sur les intentions futures de l'investisseur français et sur les risques de déstabilisation de l'actionnariat. Il est donc crucial d'évaluer l'impact de cette affaire sur la valorisation de Proximus et sur les intérêts financiers de l'État.

Monsieur le ministre, comment analysez-vous l'impact de la tentative d'acquisition de Xavier Niel? Comment le gouvernement évalue-t-il les risques financiers liés à la présence de Xavier Niel dans le capital de Proximus, et quelles garanties ont-elles été mises en place pour protéger les intérêts de l'État actionnaire? Pour conclure, quels mécanismes de suivi ont-ils été instaurés pour surveiller l'évolution de la participation de Xavier Niel dans Proximus et anticiper d'éventuelles nouvelles tentatives d'influence sur la gouvernance de l'entreprise?

Voorzitter:

De heer Coenegrachts laat zich verontschuldigen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, ma question était initialement adressée à votre collègue Vanessa Matz, la ministre en charge des Participations, mais apparemment c'est vous le ministre compétent pour tout ce qui concerne Proximus.

Des informations de presse récentes révèlent que M. Franck-Philippe Georgin, administrateur de Proximus, fait l'objet de poursuites judiciaires en France dans le cadre de l'affaire dite "Casino", avec des réquisitions de peine de prison avec sursis et des amendes conséquentes. Il apparaît à cet égard que ni la SFPIM, ni le gouvernement n'ont été informés en temps utile de cette situation, alors même que l'intéressé aurait signé un document affirmant ne faire l'objet d'aucune procédure susceptible de compromettre l'exercice de son mandat. Selon les mêmes sources, la communication de cette information n'a eu lieu qu'à la fin du mois de septembre auprès du président du conseil d'administration de Proximus, et seulement début novembre auprès de la SFPIM et du gouvernement.

Monsieur le ministre, confirmez-vous que le gouvernement, votre cabinet et la société d'investissement n'ont été informés de la situation judiciaire de M. Georgin qu'au début du mois de novembre?

Considérez-vous que les obligations de transparence et de diligence incombant aux administrateurs d'une entreprise publique ont été respectées en l’occurrence?

Quelles mesures le gouvernement entend-il prendre à l'égard de cet administrateur, en particulier dans l'attente du jugement prévu le 29 janvier 2026, c'est-à-dire demain?

De manière plus générale, le gouvernement entend-il renforcer les mécanismes de vérification préalable et continue liés à l'honorabilité et à l'indépendance des administrateurs représentant ou proposés par l'État dans les entreprises publiques?

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, je voudrais d'abord rappeler que je ne suis pas le ministre de Proximus. Je suis le ministre responsable pour la SFPIM, qui a, certes, un rôle à jouer auprès de Proximus.

La tentative de prise de contrôle de Proximus par Xavier Niel a été relayée dans la presse, mais elle n'a donné lieu à aucune offre publique formelle, ni à un processus structuré. En conséquence, il est difficile d'isoler un effet direct et quantifiable sur la valorisation boursière de l'entreprise. Le cours de Proximus est influencé par un ensemble de facteurs structurels et conjoncturels, parmi lesquels les résultats financiers et la guidance de l'entreprise, la pression concurrentielle sur les marchés fixes et mobiles, le niveau élevé des investissements (CapEx), la stratégie internationale, en particulier via Proximus Global, et l'anticipation du marché quant aux réformes de gouvernance ou à la politique de dividendes.

Dans ce contexte, l'annonce de l'intérêt de Xavier Niel a pu avoir un effet marginal ou temporaire, mais aucune revalorisation structurelle du cours n'a été observée. A l'inverse, une offre publique d'achat assortie d'une prime significative aurait pu générer un impact visible à court terme. Or, aucune offre de ce type n'a été soumise. On peut donc raisonnablement en conclure que si un effet sur la valorisation a existé, il a été limité, temporaire et probablement déjà estompé.

La SFPIM prend son rôle d'actionnaire majoritaire au sérieux. En concertation avec le gouvernement, elle veille à défendre les intérêts stratégiques de l'État dans Proximus, notamment en pesant sur les orientations du groupe via les administrateurs représentant l'actionnaire public.

Xavier Niel détient environ 6 % du capital de Proximus depuis novembre 2023. En l'état, cette participation ne confère pas de droit de gouvernance particulier et ne permet pas de revendiquer un siège au conseil d'administration en vertu des statuts de Proximus et des bonnes pratiques en matière de gouvernance d'entreprise. La présence d'un actionnaire minoritaire actif et vocal n'est pas inhabituelle dans des sociétés cotées à participation publique.

Cela ne constitue pas un risque en soi tant que les équilibres de gouvernance sont respectés. Afin de protéger les intérêts de l'État actionnaire, le cadre d'action existant permet un suivi étroit des décisions stratégiques du groupe et de leur alignement avec les objectifs de politique publique.

Cela étant, la meilleure protection pour une entreprise face à des pressions ou dérives externes reste sa capacité de créer durablement de la valeur en ayant une vision stratégique claire, en assurant une communication transparente avec les marchés et en délivrant de manière cohérente ses promesses opérationnelles et financières. Une gouvernance solide et une exécution crédible renforcent la confiance des investisseurs, stabilisent l'actionnariat et limitent les risques de déstabilisation.

Comme pour tout actionnaire significatif, la participation de Xavier Niel dans Proximus est publique et soumise aux obligations de transparence prévues par la loi, notamment la déclaration des franchissements de seuil. Par ailleurs, en vertu de l'article 11 des statuts de Proximus et de la loi du 2 mai 2007, tout actionnaire franchissant certains seuils – on parle de 3 %, 5 % et 7,5 % – doit en informer Proximus et l’Autorité des services et marchés financiers (FSMA). Aucun signalement formel de projet de renforcement de la participation n'a été adressé depuis la dernière déclaration publique de novembre 2023.

Enfin, le fait que la SFPIM conserve une majorité du capital (53,51 %) constitue une assurance forte contre toute tentative de contrôle non concertée. La stratégie de l'actionnaire majoritaire reste guidée par l'intérêt de long terme de l'entreprise et des citoyens, dans un esprit de neutralité et de responsabilité.

Aucune décision n'a été prise à ce sujet, de sorte que la SFPIM et l'État belge n'entendent en aucune façon porter atteinte à la présomption d'innocence. Je souhaite donc examiner les moyens de renforcer les mécanismes de vérification préalable et contenus liés à l'honorabilité et à l'indépendance des administrateurs représentés ou proposés par l'État dans les entreprises publiques ou à participation publique majoritaire, même si plusieurs précautions avaient déjà été prises.

Il faut également reconnaître qu’il existe une zone grise entre ce qui relève de l'obligation légale de transparence et ce qui relève de la sphère privée.

Ik wil daar nog aan toevoegen dat de regering nadrukkelijk geen uitspraken doet over schuld of onschuld, zolang een gerechtelijk onderzoek loopt. Tegelijk blijft ze waakzaam over de integriteit en de reputatie van ondernemingen. Proximus beschikt over een kader rond corporate governance conform de desbetreffende Belgische code over interne compliance- en integriteitsmechanismen en een raad van bestuur die waakt over de reputatie en de belangen van de onderneming. De situatie wordt nauwgezet opgevolgd, zonder vooruit te lopen op de uitkomst van een eventueel gerechtelijk proces.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre analyse et pour votre réponse. Il est compréhensible que les parts de Proximus soient achetées par des investisseurs. Néanmoins, le cas de Niel pourrait être problématique si ce dernier tentait de s'approprier l'entreprise ou s'il possédait une minorité de blocage.

Je vous remercie de rester attentif et de continuer à mettre en place des mécanismes protégeant la souveraineté de l'entreprise au travers des parts de la SFPIM. Je vous remercie également pour les éléments que vous avez évoqués concernant le travail que vous opérerez dans le but de renforcer le contrôle et la transparence à l'avenir.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie. "Dont acte" sur le suivi qu'en feront le conseil d'administration et éventuellement le gouvernement en vue des décisions judiciaires, lesquelles ne devraient d'ailleurs pas tarder. Il n'en reste pas moins qu'il y a un trou dans la raquette, puisque ce M. Georgin a tout de même réussi à être nommé administrateur alors que les poursuites judiciaires qui sont en cours à son encontre ne sont pas une simple affaire privée. M. Georgin risque une peine de prison avec sursis et d'importantes amendes; il s'agit d'un gros dossier. Cela signifie que, malgré toutes les précautions prises, on n'arrive pas à trouver des personnes qui soient dénuées de tout soupçon. J'entends toutefois ce que vous dites concernant la présomption d'innocence et, en effet, peut-être l'affaire se dégonflera-t-elle dans les prochains jours.

De uitspraken van de kabinetschef over de zogenaamde Zumex-case

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne vraagt kritisch waarom de Zumex-regels (accijns en borg voor versgeperste sappen in winkels) nog in de wet lagere kosten staan, terwijl minister Jambon bevestigt dat ze sinds december 2020 al zijn vereenvoudigd (geen accijns/heffing meer). Voor gembersap geldt wel een accijnstarief (€40,88/hl) en administratieve verplichtingen, tenzij het gemengd wordt—dan kan de behandeling wijzigen. Van Quickenborne twijfelt of een Knokse slager die zelfgemaakt gemberconcentraat verkoopt, hiervan op de hoogte is en stelt voor dit nader te onderzoeken voor mogelijke vereenvoudiging in een tweede wet lagere kosten.

Vincent Van Quickenborne:

Collega’s, is er geen bezwaar dat ik mijn vraag van op de voorzittersstoel stel? Ik vraag me overigens af waar de voorzitter van deze commissie is. De reden voor zijn afwezigheid gisteren is ons bekend, maar ik weet niet wat er precies gebeurd is. Goed, zolang ik kan, hou ik dit vol.

Mijnheer de minister, kent u Zumex? Dat is het toestel dat in supermarkten wordt gebruikt. Uw kabinetschef heeft daarover gezegd dat het soms voor hoofdbrekens zorgt, omdat het gebruik van zo’n toestel in een winkel door Douane en Accijnzen wordt beschouwd als een accijnsproduct. Daarvoor moet een borg van 500 euro worden gesteld en moet om de twee weken een aangifte worden gedaan. Als die aangifte te laat gebeurt, volgt een boete van 625 euro. Daarnaast moet men blijkbaar ook aan de douane meedelen hoe alles wordt gestockeerd, de plek waar de productie plaatsvindt en waar de voorraad ligt. Het schijnt absurd te zijn.

Uw kabinetschef heeft dat toegelicht en daarbij gezegd dat de regeling zou worden vereenvoudigd, waarvoor hij verwees naar de wet lagere kosten. Ik vond dat een bijzonder fascinerend verhaal. Ik heb dat vervolgens opgezocht, maar blijkbaar was dat intussen al rechtgezet, door een zekere Alexander De Croo, nog voor de vivaldiregering. Hoe het precies zit, weet ik niet, maar dat was blijkbaar al lopende. Het zou opgelost zijn in artikel 7 van een wetsvoorstel van de heer Christian Leysen.

Intussen is er echter niet alleen Zumex, maar ook gember. Ik was onlangs in een slagerij in Knokke. Daar verkoopt men kleine potjes geconcentreerd gembersap, zelf gemaakt. Ik weet niet of dat in de slagerij zelf is geproduceerd of misschien ernaast, maar ze verkopen het in plastic potjes. Het gaat om gemberconcentraat dat men met een beetje warm water kan aanlengen om gemberthee te maken. Gemberthee is intussen ook populair geworden in het Parlement. Elke donderdag is er gemberthee verkrijgbaar en naar het schijnt drinken al 30 van de 150 parlementsleden gemberthee, maar dat geheel terzijde.

Mijnheer de minister, ten eerste, is de regelgeving inzake Zumex intussen al dan niet reeds aangepast? Dat is eigenlijk een heel eenvoudige vraag. Indien ja, waarom wordt dat dan niet vermeld in uw wet lagere kosten?

Ten tweede, zijn er vandaag nog altijd discussies over de Zumexcase, of is dat nu volledig uitgeklaard? Indien dat laatste het geval is, zet u dan stappen bij Douane en Accijnzen?

Ten derde, wat is de fiscale behandeling, zowel inzake accijnzen als verpakkingsheffingen, van gembersappen die bijvoorbeeld in slagerijen worden verkocht?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, het schrappen van de administratieve kafka voor de Zumexmachines was een heel mooi voorbeeld van wat een wet lagere kosten moet en kan omvatten. Niet alle hervormingen van Vivaldi waren slecht, maar u hebt zonet verteld dat de aanpassing van vóór Vivaldi dateerde. Het gaat in principe om kleinere taksen en rechten die geschrapt of verlaagd kunnen worden, en om administratieve vereenvoudigingen. De Zumexmachine past perfect binnen dat verhaal.

Sedert 21 december 2020 zijn versgeperste vruchten- en groentesappen die geen enkele bewerking hebben ondergaan en die beschikbaar zijn in de detailhandel, bijvoorbeeld via sappersautomaten – een mooi woord – van het genre Zumex, inderdaad uitgesloten van het toepassingsgebied van de accijnzen en de verpakkingsheffing, waardoor ook de bijhorende administratieve lasten zijn vervallen. Mijn administratie is niet op de hoogte van blijvende problemen of onduidelijkheden bij de behandeling van die vruchten- en groentesappen.

Puur gembersap wordt in principe beschouwd als een substantie bestemd voor de vervaardiging van alcoholvrije dranken overeenkomstig artikel 7j van de wet betreffende het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken en koffie. Dezelfde controlebepalingen als voor de overige accijnsproducten zijn van toepassing. Die substanties zijn onderhevig aan een accijnstarief van 40,8803 euro per hectoliter. De verpakkingsheffing is daarop dus niet van toepassing.

Indien aan het gembersap suiker en/of zoetstoffen worden toegevoegd of indien het wordt gemengd met andere producten, zoals vruchten- of groentesappen, kan de accijnstechnische behandeling wijzigen afhankelijk van de samenstelling van het eindproduct en het beoogd gebruik ervan.

Zoals u weet, staan ik en mijn beleidsstel open voor alle suggesties om administratieve kafka te verminderen of af te schaffen. Wij hebben hier opnieuw een dergelijke suggestie, waarvoor dank.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw duidelijk antwoord. Die slager in de Lippenslaan in Knokke verkoopt dat. Ik veronderstel dat het om officiële verkoop gaat. Voor alle duidelijkheid, ik ken die slager niet persoonlijk en ben daar maar twee keer geweest. Vermoedelijk is dat gembersapconcentraat zelfgemaakt, enigszins vergelijkbaar zoals bij Zumex. Uit uw antwoord leid ik af dat zijn activiteit valt onder artikel 7j van de accijnswet, wat betekent dat daarop accijns moet worden ingehouden, maar waarschijnlijk brengt dat heel wat administratie met zich mee. Als ik nog eens bij die slager langsga, pas over een tijdje, zal ik hem niet vermanen dat hij dat moet doen. Ik zal hem vragen hoe het nu exact in elkaar zit. Als er gelijkenissen zijn met de Zumexcase, kan ik u daarover alsnog bevragen met het oog op uw tweede wet lagere kosten, die we waarschijnlijk binnenkort kunnen verwachten.

Medewerker van de minister:

(…)

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, misschien kan uw medewerker bij die slager eens een kijkje nemen. Het is niet mijn bedoeling om die man te controleren. Een van ons beiden zal op onderzoek uitgaan en we komen dan met een antwoord bij u terug.

De overbelasting bij vervroegde uitkering van een liquidatiereserve aangelegd vanaf 1 januari 2026

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Quickenborne vraagt of minister Jambon kan bevestigen dat bij een vroege uitkering (binnen 3 jaar) van de liquidatiereserve zowel de 10% anticipatieve heffing als de 30% roerende voorheffing gelden, wat volgens kenners leidt tot een effectieve belastingdruk van 36,36% – hoger dan de klassieke 30% op dividenden. Jambon bevestigt dat de 30% roerende voorheffing geldt bij vroege uitkering en verdedigt dit als een logisch gevolg van de verkorte houdperiode (van 5 naar 3 jaar). Van Quickenborne stelt kritisch dat dit hogere tarief (36,36%) niet rechtvaardig lijkt vergeleken met directe dividenduitkeringen, maar Jambon gaat hier niet dieper op in.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het gaat over de liquidatiereserve. We weten dat u daar een initiatief in hebt genomen om zowel de VVPRbis als de liquidatiereserve op elkaar af te stemmen. Dat is intussen goedgekeurd met de programmawet van 18 juli van vorig jaar. Ik heb echter een vraag die meer algemeen is. U weet dat als de termijn van drie jaar in het nieuwe regime wordt nageleefd, er een effectieve belastingdruk van 15 % is. Dat wordt verhoogd naar 18 %, dat weet u ook. Als de reserve vroeger dan drie jaar, of binnen die drie jaar, wordt uitgekeerd, is naast de anticipatieve heffing van 10 % ook nog de klassieke roerende voorheffing van 30 % verschuldigd. Kenners laten mij weten dat als die twee worden gecombineerd, men uitkomt op een totale belastingdruk van 36,36 %. Die uitkomst van 36,36 % is, voor alle duidelijkheid, niet uw verantwoordelijkheid, dat is al lang geleden beslist. Die persoon zegt mij dat de totale belastingdruk dan hoger ligt dan bij een onmiddellijke dividenduitkering en dat dat niet rechtvaardig lijkt.

Daarover heb ik drie vragen. Ten eerste, kunt u bevestigen dat bij een uitkering van een liquidatiereserve binnen drie jaar na de aanleg zowel de afzonderlijke heffing van 10 % bij de aanleg als de roerende voorheffing van 30 % bij de uitkering verschuldigd is? Ten tweede, leidt dat in totaal tot een effectieve belastingdruk van 36,36 % en ligt dat percentage dus hoger dan de klassieke roerende voorheffing van 30 %? Ten derde, was het destijds de bedoeling van de regering, gelet op de doelstelling om bij naleving van een termijn van drie jaar een effectieve belastingdruk van 15 % te realiseren, dat bij niet-naleving een zwaardere belasting zou ontstaan dan bij een gewone dividenduitkering?

Het zijn vrij technische vragen, maar we kijken uiteraard uit naar uw antwoorden.

Jan Jambon:

Ik kan bevestigen dat bij een uitkering van de liquidatiereserve binnen de drie jaar het standaardtarief roerende voorheffing van 30 % van toepassing is. De toepassing van het standaardtarief roerende voorheffing bij een te vroege uitkering van de liquidatiereserve enerzijds is te verantwoorden door het inkorten van de minimale houdperiode om van een verlaagd tarief roerende voorheffing te kunnen genieten van vijf tot drie jaar, anderzijds.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u wel. Ik had ook vragen gesteld over de 36,36 %, dus een hoger percentage dan het tarief van de 30 %, maar daar komen we dan later op terug.

De terugvordering en de mogelijke wetsaanpassing in het kader van een disproportionele belastingdruk

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne vraagt of de 36,36% belastingdruk (10% afzonderlijke heffing + 30% roerende voorheffing) bij vervroegde uitkering van een correct aangelegde liquidatiereserve (binnen 3 jaar) kan worden vermeden, en stelt voor de roerende voorheffing te verlagen naar 23% om op 30% uit te komen. Jambon bevestigt dat terugvordering onmogelijk is (in lijn met het regeerakkoord) en dat het regime bewust een hogere belasting voorziet bij vroege uitkering, om kapitalisatie te stimuleren—geen wijzigingsplannen. Van Quickenborne bekritiseert de "disproportionele" druk als oneerlijk ten opzichte van normale dividenden (30%).

Vincent Van Quickenborne:

Dit betreft een eerdere vraag uit de vorige legislatuur, waarbij werd ingegaan op het beleid inzake de mogelijke overbelasting bij liquidatiereserves. Toen werd aan de minister van Financiën gevraagd of de afzonderlijke heffing van 10 % kan worden teruggevorderd wanneer een liquidatiereserve ten onrechte werd aangelegd. Uw voorganger bevestigde dat dit mogelijk is en verduidelijkte dat, wanneer een liquidatiereserve onterecht wordt aangelegd, de daaropvolgende dividenduitkering weliswaar aan de gewone roerende voorheffing van 30 % kan worden onderworpen, maar dat de vennootschap in dat geval een bezwaarschrift kan indienen om de 10 % terug te krijgen.

De situatie die zich vanaf 2026 kan voordoen is van een andere aard. Wanneer een vennootschap de liquidatiereserve correct aanlegt en vervolgens beslist die binnen drie jaar uit te keren, is er geen sprake van een foutieve toepassing van de wet, maar van een keuze binnen het wettelijk kader. In tegenstelling tot de vroegere situatie lijkt er in dit geval geen rechtsgrond aanwezig te zijn om de afzonderlijke heffing van 10 % via bezwaar te recupereren.

Ik heb daarover vier vragen.

Ten eerste, kunt u toelichten of het principe van de correlatieve overbelasting van artikel 373, van het WIB 92, zoals in het verleden aanvaard, in dit geval eveneens kan worden toegepast?

Ten tweede, zou dit kunnen toelaten dat de afzonderlijke heffing van 10 % alsnog wordt teruggevorderd wanneer de liquidatiereserve binnen drie jaar wordt uitgekeerd, hoewel de aanleg formeel correct was?

Ten derde, overweegt de regering, gelet op de disproportionele belastingdruk van 36,36 %, in een wetsaanpassing of een administratieve verduidelijking te voorzien die voorkomt dat een vennootschap die correct gebruikmaakt van de regeling zwaarder wordt belast dan bij een gewone dividenduitkering?

Ten vierde, kan een overweging erin bestaan om bij een uitkering binnen drie jaar een roerende voorheffing van 23 % te voorzien, wat zou resulteren in een totale belastingdruk van 30 % in plaats van 36,36 %?

Mijnheer de minister, we kijken uit naar uw antwoorden.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, wat uw eerste vraag betreft, in geval van spontaan betaalde roerende voorheffing kan geen toepassing worden gemaakt van artikel 373, van het WIB 92, omdat er geen sprake is van aanvullende belasting.

Ten tweede, nee, in dit geval is het niet mogelijk om de afzonderlijke heffing van 10 % alsnog terug te vorderen. Dit is volledig in overeenstemming met het regeerakkoord, waarin bovendien de wil bestaat om een roerende voorheffing van 30 % toe te passen in het geval van een vervroegde uitkering van de liquidatiereserve.

Ik behandel uw derde en vierde vraag samen. Nee, het regime van de liquidatiereserve is bedoeld om de kapitalisatie van kleine vennootschappen te bevorderen door middel van een uitgestelde dividenduitkering. De hervorming van dit regime bestaat erin om enerzijds de minimale houdperiode om van een verlaagd tarief van roerende voorheffing te kunnen genieten in te korten van vijf tot drie jaar en aldus het regime meer af te stemmen op dat van de VVPR-bis, en anderzijds het standaardtarief van roerende voorheffing van 30 % toe te passen bij een te vroege uitkering van de liquidatiereserve.

Vincent Van Quickenborne:

Hoe kom ik tot die 36,36 %?

Als je de afzonderlijke heffing van 10 % toepast, vertrekkend van 100 winst, deel je dat bedrag door 1,1 en houd je 90,90 over. Daarop pas je de heffing van 10 % toe, wat neerkomt op 9,09, zodat een liquidatiereserve van 90,09 wordt aangelegd. Wanneer die reserve vervolgens te vroeg wordt uitgekeerd, wordt daarop een roerende voorheffing van 30 % toegepast. Als je die twee heffingen combineert – de anticipatieve heffing van 10 % en de roerende voorheffing van 30 % – kom je uit op een totale belastingdruk van 36,36 %.

Nogmaals, dat is niet uw verantwoordelijkheid, mijnheer de minister, maar het gevolg van een eerdere beslissing. De fiscalist die mij daarop heeft gewezen, stelt dat dit niet correct aanvoelt, aangezien de normale roerende voorheffing 30 % bedraagt en hier in dit geval 36,36 % wordt betaald. Hij stelde dan ook voor – slim als hij is, die fiscale expert – de roerende voorheffing niet te schrappen, maar te verlagen tot 23 %, omdat de combinatie van beide heffingen dan opnieuw zou uitkomen op 30 %. Ik heb echter begrepen dat er op dit ogenblik geen plannen in die richting bestaan.

Deze fiscale expert zal u zeer dankbaar zijn, mijnheer de minister. Dank u wel.

Voorzitter:

Collega’s, mevrouw Grillaert is afwezig en heeft zich niet laten verontschuldigen. Haar vraag nr. 56009833C vervalt. Nochtans was de minister enthousiast om die te beantwoorden.

De impact van het inkorten v.d. verjaringstermijnen voor fiscale inbreuken op de federale begroting

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz bekritiseert minister Jan Jambon voor de verkorting van de verjaringstermijnen voor fiscale fraude (van 10 naar 7 jaar, en voor complexe constructies van 10 naar 4 jaar, met terugwerkende kracht), wat volgens haar fraudeurs bevoordeelt en de fiscus miljoenen kost. Jambon ontkent budgettaire gevolgen, stelt dat de oude termijnen niet golden voor dossiers vóór 2023, en claimt dat de hervorming juist uniformiteit brengt, maar kan geen cijfers leveren. Schlitz beschuldigt de regering van tegenstrijdigheid: enerzijds bezuinigen op burgers, anderzijds fraudeurs ontzien door beperkte controlemogelijkheden, en eist later evaluatie van de financiële schade.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, cette question avait été déposée au moment des débats relatifs à la loi portant dispositions diverses, à travers laquelle vous aviez décidé de réduire le délai de prescription d'une infraction fiscale. En l'occurrence, les inspecteurs n'auront plus que sept ans pour contrôler les dossiers pour lesquels il existe des indices de fraude, au lieu des dix ans en vigueur actuellement, et ce avec effet rétroactif à partir du 1 er janvier 2023.

En clair, cela signifie, par exemple, que pour quelqu'un ayant fraudé en 2019 sous le régime précédent, l'administration fiscale avait jusqu'en décembre 2029 pour mener son enquête et récupérer les montants dus, alors qu'avec votre réforme les inspecteurs ne pourront plus enquêter que jusqu'à la fin 2026. Me confirmez-vous bien cette information? Par ailleurs, pourriez-vous m'indiquer combien de dossiers sont concernés par cette réforme et combien de dossiers de 2019 et 2020 le sont potentiellement?

C'est encore pire pour les déclarations qui impliquent des montages d'optimisation fiscale. Alors que, sous la Vivaldi, nous avions décidé d'étendre les délais à dix ans dans les cas les plus complexes, votre gouvernement a décidé de les réduire à quatre ans, avec effet rétroactif. Cela signifie qu'un montage fiscal sera prescrit à la fin 2026 plutôt qu'en 2032. Me confirmez-vous bien cette information? Pourriez-vous m'indiquer combien de dossiers sont concernés par cette réforme? Avez-vous évalué le manque-à-gagner potentiel pour les finances de l' É tat?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, le délai de dix ans introduit par la loi du 20 novembre 2022 s'appliquait uniquement à partir de l'exercice d'imposition 2023. Les dossiers datant, par exemple, de 2019 n'étaient donc, de toute façon, pas soumis à ce délai. L'effet rétroactif au 1 er janvier 2023 a précisément pour but que les exercices d'imposition ne soient pas soumis à des délais différents en fonction de l'année visée.

Le délai prévu pour les déclarations complexes s'appliquait également à partir du 1 er janvier 2023. Ces cas sont à présent limités à une période d'investigation et d'imposition de quatre ans. En effet, les dossiers concernés par l'exercice 2023 peuvent, par conséquent, être contrôlés jusqu'au 31 décembre de cette année-ci. En cas d'indice de fraude, ce délai sera cependant prolongé à sept ans.

Vu la nouveauté de ces dispositions, mon administration n'est pas en mesure de livrer des statistiques sur le nombre de dossiers concernés. Selon nous, il n'y pas d'impact budgétaire.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Cela dit, je ne peux pas croire que vous estimiez qu'il n'y a pas d'impact budgétaire, alors que vous décidez de réduire la possibilité pour les inspecteurs des impôts de poursuivre des enquêtes relatives à la fraude fiscale. Cela revient à se voiler la face. De deux choses l'une, soit vous nous annoncez que, pour contrebalancer ces pertes fiscales, vous allez engager des inspecteurs, renforcer les effectifs, augmenter les moyens d'investigation et ainsi vous assurer que ces dossiers soient traités comme ils l'auraient été sous le régime précédent soit vous admettez qu'il y aura un impact budgétaire. Ce que vous dites ne tient pas la route, puisque vous nous répétez à longueur de temps qu'il n'y a pas d'argent, qu'il faut faire des économies, qu'il faut aller rechercher des moyens, quitte à faire très mal à la population. Et puis, vous faites des cadeaux fiscaux comme ceux-ci en accordant des faveurs aux fraudeurs à travers plusieurs mesures qui vont mettre des bâtons dans les roues de l'administration fiscale. Et vous nous dites que l'impact budgétaire est inexistant. Franchement, je ne peux pas le croire. J'espère que nous obtiendrons, dans un an, une évaluation de l'impact de cette réforme. Je vous remercie.

De personeelsbezetting bij de Bijzondere Belastinginspectie

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz vraagt om opheldering over de uitvoering van de regeringafspraak om 300 extra medewerkers voor fraudebestrijding (fiscaal en sociaal) aan te werven, en kritiseert het gebrek aan transparantie over de verdeling. Minister Jambon bevestigt dat 100 van die 300 naar het SPF Finances gaan (inclusief de AGISI), benadrukt dat er een project loopt om criminele fiscale fraude (gelinkte drugshandel, witwassen) aan te pakken, en meldt dat het AGISI-personeel licht daalde van 637,2 (jan. 2025) naar 632,5 ETP (nov. 2025). Schlitz reageert dat ze het dossier blijft opvolgen om "echte fiscale rechtvaardigheid" af te dwingen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, l’accord de gouvernement prévoit le recrutement de 300 membres du personnel pour la lutte contre la fraude fiscale, en particulier au sein de la BBI, de la lutte contre la fraude sociale, de la police judiciaire et de la justice. Le ministre en charge de la lutte contre la fraude sociale indiquait en novembre dernier que ces 300 inspecteurs seraient en réalité répartis entre la fraude sociale et la fraude fiscale, sans davantage de précisions sur cette répartition. Où en est la mise en œuvre de cet engagement? Combien d’équivalents temps plein étaient dédiés à la lutte contre la fraude fiscale au 31 janvier 2025 et combien d’équivalents temps plein sont actuellement dédiés à la lutte contre la fraude fiscale?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, l’accord de gouvernement prévoit effectivement le recrutement de 100 membres du personnel pour le SPF Finances, y compris pour l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts (AGISI). Le chiffre de 300 membres du personnel comprend également des recrutements pour la Justice. Conformément à l’accord de gouvernement, l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts travaille actuellement, en collaboration avec mon cabinet, à un projet visant à développer une lutte efficace contre la criminalité fiscale, qui mêle le trafic de drogue, le blanchiment et la fraude fiscale d’organisations criminelles. À cet effet, les besoins en personnel et en moyens légaux seront définis.

Au 31 janvier 2025, l’Administration générale de l’Inspection spéciale des impôts disposait de 637,2 équivalents temps plein. Au 3 novembre 2025, 632,5 équivalents temps plein sont dédiés à la lutte contre la fraude fiscale au sein de cette administration.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre, pour ces précisions. Nous continuerons donc à suivre ce dossier important pour faire en sorte qu'il y ait une vraie justice fiscale dans notre pays.

De toepassing van de nieuwe administratieve sanctieregeling (10 % heffing en dubbele bestraffing)

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne bekritiseert dat het nieuwe sanctiesysteem (art. 444 WIB) onevenredig is: een eerste fout in goede trouw wordt weliswaar op 0% gezet, maar een volgende fout (zelfs zonder opzet) leidt automatisch tot 20%, wat hij onlogisch en schadelijk voor rechtszekerheid noemt. Minister Jambon verdedigt het systeem door te stellen dat de eerste fout wel een rang inneemt (impliciet 10%) en een tweede fout dus 20% rechtvaardigt, in lijn met de wetgeversbedoeling – aanpassing van de circulaire is volgens hem niet nodig. Van Quickenborne blijft het oneerlijk vinden dat men van 0% direct naar 20% springt en pleit voor een tussentijdse 10%-straf. Jambon benadrukt dat goede trouw casuïstisch wordt beoordeeld en dat de circulaire uniformiteit waarborgt.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, sinds de hervorming van artikel 444 van het WIB, ingevoerd met de fameuze programmawet van 18 juli 2025, werd de vroegere belastingverhoging vervangen door een nieuw systeem van administratieve sancties. De circulaire 2025/49 verduidelijkt de concrete toepassing.

Wat blijkt na een aantal maanden toepassing van die nieuwe regels, mijnheer de minister? Dat de administratie in gevallen van goede trouw soms de eerste fout herleidt tot 0 %, maar bij een volgende, al dan niet opzettelijke vergissing binnen een periode van vier jaar automatisch het tarief van 20 % toepast. Dat roept vragen op over de rechtsgelijkheid en de proportionaliteit van het systeem. Wanneer de eerste fout wordt beschouwd als niet-bestraffingswaardig en tot 0 % wordt herleid, lijkt het immers onlogisch dat de volgende vergissing automatisch als een tweede fout wordt behandeld en daardoor met 20 % wordt bestraft.

Bovendien wordt in de praktijk vastgesteld dat de administratie steevast – een prachtig woord – een eerste rang inroept, ook in situaties waarin vroeger geen belastingverhoging werd toegepast. Daardoor vervaagt het onderscheid tussen kwade trouw en de gewone vergissing, wat het vertrouwen van ondernemingen in de fiscaliteit en in de fiscale rechtszekerheid ondermijnt, collega’s.

Ik heb vier vragen.

Ten eerste, kunt u bevestigen dat wanneer de administratie een eerste fout herleidt tot 0 % wegens goede trouw, een volgende vergissing niet automatisch als een tweede fout mag worden beschouwd die aan 20 % wordt onderworpen?

Ten tweede, hoe wordt in de praktijk bepaald of een belastingplichtige al dan niet te goeder trouw heeft gehandeld?

Ten derde, bent u bereid de genoemde circulaire te verduidelijken of aan te passen, zodat de toepassing van de sanctieladder 0 %, 10 %, 20 % beter in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever?

Ten slotte, hoe ziet u toe op een uniforme toepassing door de diensten van de FOD Financiën, om te vermijden dat gelijkaardige dossiers toch verschillend worden behandeld?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, ik zal uw eerste en derde vraag samen behandelen.

Wanneer een belastingplichtige een eerste overtreding begaat waarvoor het vermoeden van goede trouw geldt, wordt afgezien van de toepassing van de belastingverhoging. Die eerste overtreding neemt echter wel een rang in. De betrokken overtreding zal dus toch in aanmerking worden genomen voor de bepaling van het percentage van de belastingverhoging dat van toepassing is op een volgende overtreding van dezelfde aard, hetzij het niet indienen van een aangifte, een laattijdige aangifte of een onjuiste of onvolledige aangifte, ook wanneer die wordt begaan zonder het opzet de belasting te ontduiken. Bijgevolg zal bij een tweede overtreding van dezelfde aard, eveneens begaan zonder het opzet de belasting te ontduiken, een belastingverhoging van 20 % worden opgelegd.

Het percentage van de belastingverhoging voor de eerste overtreding waarvan wordt afgezien, bedraagt immers 10 % en niet 0 %, zoals ook blijkt uit de desbetreffende schalen van belastingverhogingen opgenomen in het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De door u aangehaalde circulaire hoeft dus niet te worden aangepast of verduidelijkt, aangezien die in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever.

Ik kom tot uw tweede vraag. Het begrip ‘goede trouw’ is een feitelijk begrip. Bijgevolg oordelen de taxatieambtenaren daarover op basis van de concrete elementen van het dossier.

Ik kom tot uw vierde vraag. De circulaire waarnaar u verwijst, bevat de nodige richtlijnen om een uniforme toepassing van artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 te garanderen.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik betreur dat toch, maar ik denk dat die positie al werd ingenomen op het moment dat we de programmawet hebben behandeld, namelijk dat bij een tweede vergissing, fout of overtreding onmiddellijk 20 % wordt toegepast. U zegt dat er een rang ingenomen wordt, dat is juist, maar op die manier springt men onmiddellijk van 0 % naar 20 %. Ik had het billijker gevonden dat, wanneer een eerste overtreding wordt weggevaagd, bij een tweede overtreding 10 % zou worden toegepast in plaats van 20 %. U houdt echter vast aan die 20 %, waarvan akte.

Het fiscale achterpoortje met betrekking tot het verlengen van het vruchtgebruik

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Dieter Vanbesien creëert een Hof van Cassatie-arrest (jan. 2025)—dat verlenging van vruchtgebruikleen niet als verkooprecht kwalificeert—een lucratief fiscaal achterpoortje, waar sinds juni 2025 nog steeds geen oplossing voor is. Minister Jan Jambon bevestigt dat het arrest recent besproken werd in overleg met de gewestelijke fiscaliteit, maar ontwijkt concrete acties of deadlines, verwijzend naar mogelijke toekomstige regeringsbesprekingen en parlementaire voorstellen. Vanbesien kritiseert het trage tempo (arrest ligt al >1 jaar vast) en drukt hoop uit dat Jambon en Vlaams minister Ben Weyts de kwestie gezamenlijk zullen aanpakken. Jambon belooft geen duidelijke stappen, enkel "eventuele wetswijzigingen" na interne overleg.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, in de loop van 2025 vroeg ik naar uw plannen met betrekking tot de gevolgen van een arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2025.

In dat arrest oordeelde het Hof dat een overeenkomst tot verlenging van het lenen van een vruchtgebruik geenszins kan worden gekwalificeerd als een verkooprecht. Het gevolg daarvan is, zoals ik toen ook heb gesteld, dat er door dat arrest geen specifieke belasting meer kan worden geïnd op een dergelijk inkomen, waardoor er een heel lucratief fiscaal achterpoortje is ontstaan met betrekking tot het verlengen van dat vruchtgebruik.

In juni 2025 hebt u mij geantwoord dat u op de hoogte was van de problematiek maar dat uw administratie het arrest nog aan het analyseren was. We zijn ondertussen opnieuw meer dan een half jaar later.

Daarom heb ik nu de hiernavolgende vragen.

Wat is het resultaat van de analyse van het arrest van het Hof van Cassatie?

Ir sinds juni 2025 daarover nog overleg geweest met Vlaams minister Ben Weyts? Zo ja, wat was de conclusie van dat overleg?

Welke acties werden inmiddels ondernomen om het achterpoortje te sluiten?

Welke bijkomende acties plant u nog te nemen en welke deadline stelt u daarvoor voorop?

Ik kijk uit naar uw antwoord.

Voorzitter:

Wij kijken samen uit naar het antwoord.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Vanbesien, dat arrest is recent besproken op het overleg, georganiseerd door de waarnemerspost voor de gewestelijke fiscaliteit. Er kan nu echter nog niet worden ingegaan op acties die mogelijk kunnen worden ondernomen en evenmin op een deadline daaromtrent. Als een eventuele wetswijziging zich opdringt, zal ik ze uiteraard eerst bespreken binnen de regering en die daarna in het Parlement voorstellen.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, dat is een kort maar duidelijk antwoord. Het arrest is natuurlijk wel al meer dan een jaar geleden uitgesproken. Dus dat is al een hele tijd. Ik zal u blijven ondervragen en vragen naar de evolutie in het dossier. Ik ben er echter zeker van dat, als de heren Weyts en Jambon hun schouders eronder zetten, de zaak ongetwijfeld opgelost zal geraken.

De bankdiensten van Nickel bij bpost

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane vraagt kritisch naar de uitbreiding van Nickel (BNP Paribas) naar 654 Belgische postkantoren, met twijfels over financiële gezondheid (groei vs. overlevingsstrategie), inclusie voor bankuitgeslotenen en discriminatie door tijdelijke voordelen voor ex-bpaid-gebruikers. Minister Jan Jambon verwijst naar officiële bronnen (BNP Paribas, Nickel) die groei (13,7% meer verkooppunten, stijgende omzet) en een inclusief model (geen inkomensvoorwaarden, geen rood staan) benadrukken, maar bevestigt dat de BNB geen financiële details mag delen door beroepsgeheim. Hij stelt dat tijdelijke promoties voor ex-bpaid-klanten transparant zijn en dat de ACPR (Frans toezicht) en BNB de naleving van EU-regels controleren.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, l'annonce de l'arrivée des services bancaires Nickel dans les 654 bureaux de poste belges, en plus des librairies, représente une extension significative des points de vente pour cette filiale de BNP Paribas. Cette initiative soulève des questions quant à la santé financière de Nickel, à son impact sur l'inclusion bancaire des personnes exclues des banques classiques et aux pratiques commerciales mises en place, notamment pour les anciens utilisateurs de bpaid by bpost.

En effet, Nickel se positionne comme une solution pour les personnes en situation d'interdit bancaire ou exclues des banques traditionnelles. De plus, elle a grandement accru ses points de vente, ce qui pose question sur sa situation actuelle, est-elle en pleine croissance ou cherche-t-elle une issue pour se maintenir?

Enfin, il est essentiel de s'assurer que cette offre reste accessible à tous, sans discrimination, et que les avantages proposés aux anciens utilisateurs de bpaid by bpost ne créent pas d'inégalités pour les nouveaux clients.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Quelle est votre analyse de l'extension des points de vente de Nickel dans les bureaux de poste, en plus des librairies?

Pouvez-vous nous éclairer sur la santé financière de Nickel, notamment en termes de rentabilité, de garanties offertes par BNP Paribas et de sa capacité à assurer une offre bancaire stable et sécurisée pour les utilisateurs belges?

Comment ce partenariat avec bpost contribue-t-il à l'inclusion bancaire des personnes en situation d'interdit bancaire ou exclues des banques classiques?

Cependant, ne craignez-vous pas que cela fragilise encore plus les publics ayant eu des soucis bancaires par le passé? Qu'en pense la BNB?

Les offres avantageuses proposées aux anciens utilisateurs de bpaid by post pour les inciter à rejoindre Nickel ne risquent-elles pas de créer une discrimination envers les nouveaux clients qui n'ont pas bénéficié de ces avantages?

Quelles garanties sont mises en place pour éviter de telles pratiques?​​

Jan Jambon:

Vous vous référez à votre question écrite, je trouve cela "nickel"!

M. Dufrane, d'après les publications de BNPP SA et de Nickel, cette dernière est une fintech créée en 2014, dont l'objectif est de proposer des services bancaires accessibles aux populations mal desservies. La décision de Nickel d'étendre son réseau de distribution aux 654 bureaux de poste belges, en plus de ses partenariats existants avec les libraires et les maisons de la presse, traduit une volonté stratégique de renforcer sa présence physique et son accessibilité. Ces mêmes sources indiquent que le modèle dual – digital via une application dédiée et physique via le partenaire de proximité – soutient une mission d'inclusion financière. Les bureaux de poste constituent en effet un réseau étendu qui permet à Nickel d'atteindre des clients éloignés des services bancaires traditionnels.

Selon le rapport annuel 2024 de BNPP SA, Nickel a consolidé sa position de numéro 1 des réseaux de distribution pour les comptes courants en France et au Portugal, s'est hissée au deuxième rang en Espagne et a renforcé sa présence européenne. Selon la même source, le réseau de points de vente a connu une croissance de 13,7 % entre la fin 2023 et la fin 2024. Ces évolutions ont fortement contribué à la croissance du chiffre d'affaires de la Financière des Paiements Électroniques (FPE). Le modèle économique de Nickel est simple et évolutif, basé sur une cotisation annuelle fixe d'environ 25 euros. Il revient à chacun de se faire sa propre opinion sur cette expansion, étant entendu que l'augmentation des points de vente tend à démontrer une stratégie axée parallèlement sur la croissance et la digitalisation.

D'après les informations publiées sur le site internet de Nickel, son modèle est conçu pour l'inclusion. Les comptes sont accessibles à tous, sans condition de revenus, et les dépenses sont limitées aux soldes disponibles afin d'éviter le risque d'endettement. En s'appuyant sur le réseau étendu de bpost, Nickel peut toucher des personnes qui sont confrontées à des obstacles dans les banques traditionnelles en leur offrant un compte de paiement. Il ressort des publications de BNP Paribas SA qu'elle considère que cette approche réduit l'exclusion financière.

En application du droit de l'Union européenne, l'autorité en charge de la supervision de FPE et de ses succursales établies au sein de l'Union européenne est l'Autorité de contrôle prudentiel et de résolution (ACPR). L'ACPR est une autorité française. La Banque nationale de Belgique (BNB), en sa qualité d'autorité de contrôle prudentiel belge des établissements de paiement, s'assure, s'agissant des succursales et, dès lors, notamment de Nickel, du respect des dispositions de droit belge d'intérêt général, en application de l'article 130 de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement.

Les établissements de paiement qui exercent leur activité en Belgique par voie de succursale transmettent à la banque des états périodiques relatifs aux opérations effectuées en Belgique à des fins d'informations ou statistiques, conformément à l'article 133 de la même loi.

La BNB est soumise à un régime de secret professionnel strict qui l'empêche de communiquer toute information confidentielle relative aux établissements se trouvant sous son contrôle.

D'après les informations reprises sur le site de Nickel, les offres promotionnelles destinées aux anciens utilisateurs bpaid sont temporaires et visent à faciliter la transition de ces clients vers les services de Nickel. Les produits bpaid seront ensuite supprimés. Le caractère temporaire de ces promotions est communiqué de manière transparente et uniforme pour l'ensemble des clients. Nickel indique sur son site internet garantir un accès égal et une communication claire des conditions à tous les usagers.

Voorzitter:

M. Dufrane ayant dû nous quitter pour voter dans une autre commission, il écoutera ou lira attentivement la réponse du ministre.

De dubbele belastingheffing op inkomsten van burgerlijke vastgoedvennootschappen naar Frans recht

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf wijst op een structurele double imposition van Belgische aandeelhouders in Franse SCI’s: Frankrijk belast de winst als onroerend inkomen, België als dividenden (30% roerende voorheffing), ondanks een gunstiger Frans-Luxemburgs verdragsmechanisme. Minister Jan Jambon verdedigt de huidige belastingconventie (2021), die dividenden aanziet als roerend inkomen volgens Belgisch recht, en ziet geen grond voor aanpassing, omdat de dubbele belasting consistent is met de Belgische fiscale politiek (geen eliminatiemechanisme voor dividenden bij natuurlijke personen). Piedboeuf aanvaardt het standpunt maar benadrukt de ongelijkheid met Luxemburg.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, e n France, lorsqu’une société civile immobilière (SCI) est soumise à l’impôt sur le revenu, elle est fiscalement translucide: les bénéfices sont imposés comme des revenus fonciers directement dans le chef des associés, qu’ils soient distribués ou non.

Par un arrêt du 2 décembre 2004 (Cass., 2 décembre 2004, F.J.F., 2005, 179), la Cour de cassation belge avait jugé que, compte tenu de cette translucidité, les revenus distribués par une SCI détenue par des résidents belges devaient être considérés comme des revenus immobiliers au sens de la convention fiscale franco-belge du 10 mars 1964, et donc exonérés en Belgique par application de cette convention lorsque l’immeuble détenu est situé en France.

L’administration fiscale belge n’a toutefois pas maintenu cette interprétation et a continué de qualifier ces distributions de revenus mobiliers, assimilés à des dividendes au sens de l’article 18 du Code des impôts sur les revenus 1992. Cette approche, confirmée par la Cour de cassation en 2016 et 2017, conduit à une double imposition du même revenu : en France comme revenu foncier, et en Belgique via un précompte mobilier de 30 %.

La nouvelle convention fiscale belgo-française, signée en 2021, n’a pas permis de corriger cette situation, alors que la convention fiscale franco-luxembourgeoise du 20 mars 2018 prévoit, dans son protocole, un crédit d’impôt intégral pour l’impôt payé en France sur les revenus perçus via une SCI, ce qui permet d’éviter toute double imposition.

Monsieur le ministre, envisagez-vous d’ouvrir des discussions avec les autorités françaises en vue d’une adaptation de la convention fiscale belgo-française de 2021, afin d’y introduire, à l’instar de la convention franco-luxembourgeoise, un mécanisme d’élimination de la double imposition applicable aux revenus issus de sociétés civiles immobilières françaises?

Cette question pourrait-elle, par ailleurs, être intégrée aux échanges bilatéraux à venir avec la France, notamment dans le cadre de la révision de la convention relative à l’introduction d’un quota de télétravail transfrontalier?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, je n'envisage pas d'ouvrir des discussions avec les autorités françaises en vue d'introduire, dans la convention fiscale belgo-française de 2021, un mécanisme particulier d'élimination de la double imposition applicable aux revenus issus des sociétés civiles immobilières françaises.

Cette convention prévoit expressément que, en ce qui concerne la Belgique, la nature des sommes qui sont payées ou attribuées à un associé pour une société civile immobilière française est déterminée conformément aux dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992. Une société civile immobilière française est dotée de la personnalité juridique, de sorte que les sommes qu'elle paie ou attribue à un associé ont la nature de dividendes au regard de l'article 18 du Code des impôts sur les revenus 1992. Cela vaut tant lorsque l'associé est une société que lorsqu'il est une personne physique.

Lorsque l'associé de la société civile immobilière française est une société belge, la convention confirme que celle-ci peut bénéficier de la déduction des revenus définitivement taxés. Lorsque l'associé de la société civile immobilière française est une personne physique, la convention ne prévoit pas de mécanisme particulier destiné à éviter la double imposition que vous mentionnez, à savoir l'imposition en France des sommes qui lui sont payées ou attribuées en tant que revenus fonciers et en Belgique en tant que dividendes.

Ce résultat n'en est pas moins compatible avec la politique suivie en Belgique, tant sur le plan interne qu'au niveau conventionnel. En effet, ni le Code des impôts sur les revenus 1992, ni les conventions fiscales conclues par la Belgique ne prévoient de mécanisme d'élimination de la double imposition de dividendes dans le chef de personnes physiques résidant en Belgique. D'un point de vue économique, la double imposition qui se produit lorsque la société payant ou attribuant les sommes concernées est une société fiscalement translucide, telle qu'une société civile immobilière française, ne diffère pas fondamentalement de celle qui se produit lorsque la société qui les paie ou les attribue est fiscalement opaque.

Ces deux situations ne diffèrent que par le fait que, dans le premier cas, l'imposition a lieu deux fois dans le chef du même contribuable, l'associé, tandis que, dans le second cas, l'imposition a d'abord lieu dans le chef de la société, avant d'avoir lieu dans le chef de l'associé.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le président, je n'ai pas de réplique. La réponse est claire et nette. Je vous en remercie, monsieur le ministre.

Verlieslatende zelfstandige activiteiten

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf bekritiseert dat de fisc arbitrair verliesposten naar nul herleidt door kosten zonder bewijs van excessiviteit af te wijzen, wat in strijd is met jurisprudentie (o.a. Brussel, 2020) en administratieve richtlijnen (circulaire 1982). Hij stelt dat negatieve resultaten geen bewijs zijn voor onredelijke kosten en dat de fisc niet mag oordelen over de opportuniteit van bedrijfsuitgaven. Minister Jan Jambon bevestigt dat de richtlijnen nog gelden, maar benadrukt dat fiscale ambtenaren ruime beoordelingsvrijheid hebben bij het toetsen van redelijkheid, zonder strikte criteria. Piedboeuf reageert dat deze praktijk te veel ruimte voor willekeur laat, ook historisch gezien.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, une jurisprudence nombreuse des cours d’appel juge que "remettre les pertes à zéro" est un comportement arbitraire, et partant qui ne peut être admis, de l’administration. En rejetant, en bloc, les frais professionnels déclarés, à hauteur des revenus générés par l'activité professionnelle du contribuable, l’administration a agi de manière arbitraire et n'a pas rapporté la preuve du caractère déraisonnable des frais litigieux.

C'est faire preuve d'arbitraire que de rejeter comme déraisonnables des frais sans avoir aucun égard aux comptes des frais professionnels joints aux déclarations fiscales, qui ne révèlent aucune dépense somptuaire ou excessive (Bruxelles, 15 décembre 2020, rôle n°2015/AF/19). Les instructions administratives vont clairement dans ce sens, comme explicité dans la circulaire n°Ci.D.19/324.587 du 1er juin 1982.

Les frais qui dépassent de manière déraisonnable les besoins professionnels seront donc réduits à un montant raisonnable et admissible, proportionné à la profession du contribuable. Dans l’appréciation du caractère déraisonnable, le fonctionnaire du fisc doit travailler avec circonspection. Il ne peut l’invoquer à tort ou à travers.

Des frais professionnels ne dépassent pas les besoins professionnels du contribuable parce que pour l’année où ils ont été faits le revenu est resté inférieur aux attentes et qu’en raison de ces frais, le résultat est négatif ou modeste. Des frais n’engendrent, en effet, pas toujours les résultats espérés. Cet argument ne peut en tant que tel être utilisé pour rejeter ces frais.

Suivre le raisonnement du fisc et de certaines juridictions (qui consiste à ramener les pertes à zéro parce que récurrentes) reviendrait à autoriser illégalement l’administration à décider comment le contribuable doit mener ses affaires, autrement dit, à apprécier l’opportunité des dépenses (Bruxelles, 5 novembre 2015, rôle n°2013/AF/29). Le Commentaire administratif du C.I.R. 1992 mentionne notamment que dans la pratique, l'appréciation du caractère déraisonnable de frais déterminés sera fondée sur des éléments, tant qualitatifs que quantitatifs, propres à ces frais (n°53/188).

Sauf erreur, l’article 53, 10°, du C.I.R. 1992 n’a pas été modifié depuis ces commentaires et instructions qui devraient donc toujours être d’actualité. Ces instructions et la circulaire précitées sont-elles toujours d’application? Dans l’affirmative, les fonctionnaires ont-ils la liberté de s’en écarter? Dans quelles circonstances précises? Dans la négative, pourquoi figurent-elles encore dans la doctrine administrative?

Je vous remercie de vos réponses.

Jan Jambon:

Les directives que vous évoquez relatives au caractère déraisonnable de certaines dépenses professionnelles sont toujours d'application. Pour apprécier le caractère déraisonnable d'une dépense, le fonctionnaire taxateur doit agir avec discernement en se fondant sur des éléments tant qualitatifs que quantitatifs propres à la dépense.

La loi n'imposant pas de critères qualitatifs ou quantitatifs spécifiques, le taxateur dispose d'une certaine souplesse pour juger du caractère raisonnable ou non des dépenses professionnelles, pour autant qu'elles ne soient pas fondées sur des critères quantitatifs généraux. Il est rappelé qu'en cas de doute concernant notamment le caractère raisonnable d'une dépense professionnelle, le contribuable peut introduire une demande d'accord préalable auprès de l'administration fiscale.

Benoît Piedboeuf:

Je remercie monsieur le ministre de sa réponse. Du temps où j'étais conseiller fiscal, le problème était le même parce que cela laisse beaucoup d'arbitraire à l'agent du fisc, mais le ministre confirme cette pratique.

De investeringsaftrek en het advies van de administratie

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon verduidelijkt dat een investering door een zelfstandige in 2024 onder het belastingjaar 2026 valt als deze geboekt is in een boekjaar dat pas in 2025 sluit (bv. boekjaar 01/2024–05/2025), omdat de uitgave fiscale geldt op de slotdatum. Benoît Piedboeuf betwist dat dit altijd zo is, zonder verdere toelichting. Het gaat om de toepassing van de oude investeringsaftrek (pre-2025) voor overgangsgevallen.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, par un avis publié au Moniteur belge du 15 septembre 2025, l'Administration Générale de la Fiscalité publie les pourcentages de la déduction pour investissement 'spécifique' pour les investissements effectués jusqu'au 31 décembre 2024 au cours de la période imposable qui se rattache à l'exercice d'imposition 2026, c'est-à-dire les investissements relevant encore de l'ancien régime de déduction pour investissement (avant sa modification par la loi du 12 mai 2024 pour les immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 2025).

Pourriez-vous préciser dans quelle hypothèse un investissement effectué en 2024 par un indépendant personne physique pourrait se rattacher à l'exercice d'imposition 2026?

Je vous remercie de votre réponse.

Jan Jambon:

Pour l'application de l'impôt de personnes physiques, la période imposable coïncide avec l'année précédent celle dont le millésime désigne l'exercice d'imposition. Si une dépense ressortant d'une comptabilité est réalisée en 2024 et se rapporte à un exercice comptable se clôturant en 2025, elle est censée avoir été effectuée à la date de clôture de cet exercice comptable. Une telle dépense se rattache, alors, à la période imposable 2025 et à l'exercice d'imposition 2026. Je vous donne un exemple. Une entreprise personne physique tient une comptabilité régulière. Son exercice comptable va du 1 er janvier 2024 au 31 mai 2025. Une dépense professionnelle relative à cet exercice comptable est censée s'effectuer au 31 mai 2025. Elle se rapporte donc à la période imposable 2025, année calendrier, et donc à l'exercice d'imposition 2026.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, en effet, c'est le cas, dans l'exemple que vous avez pris. Mais à mon avis, ce n'est pas toujours ainsi.

De definitie van de beroepsactiviteit

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf wijst op de afwezigheid van een wettelijke definitie van "activiteit professionele" in de Belgische fiscaliteit en stelt dat de Cassatiehof-definitie (frequente, onderling verbonden handelingen als habituele bezigheid, exclusief normaal patrimoniumbeheer) door sommige fiscale diensten – zoals Charleroi – ten onrechte wordt aangevuld met het vereiste "winstgevend", wat de rechtspraak niet bevestigt. Hij bekritiseert ook het beroep op Franse woordenboeken (Robert/Larousse) en vraagt of die geldig zijn voor Vlaanderen, waar Van Dale geen lucratief element vermeldt. Minister Jan Jambon bevestigt dat enkel de Cassatiehof-jurisprudentie (zonder winstvoorwaarde) leidend is, zonder in te gaan op de regionale of taalkundige discrepanties. Piedboeuf reageert positief op deze verduidelijking.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre,

Le législateur fiscal n’a jamais jugé utile de définir ce qu’est une activité professionnelle. On explique dans les bonnes écoles qu’il définit ce qu’est une immobilisation considérée comme affectée à l’exercice de l’activité professionnelle à l’article 41 du Code des impôts sur les revenus 1992, mais dans le cadre des plus-values uniquement.

À défaut de définition, on enseigne également dans les bonnes écoles (il s’agit de ce que l’on appelle la doctrine privée) que l’on doit se rattacher à la définition qu’en donne la Cour de cassation, définition qu’elle a peaufinée récemment dans son arrêt du 17 novembre 2023 (F.23.0018.F).

La Cour décide que « Est professionnelle une activité impliquant la réalisation d’opérations suffisamment fréquentes et liées entre elles pour constituer une occupation habituelle, fût-elle accessoire, ne consistant pas en la gestion normale d’un patrimoine privé ».

Certains services du fisc, dont l’inspection contentieux de Charleroi, refusent cette définition sauf si on ajoute « lucrative » entre « occupation » et « habituelle ». Ce que la Cour ne dit pas et n’a jamais dit.

Ce service n’en démord pas. À défaut de définition légale, il prétend que « il y a lieu de s’en remettre au sens commun dans le respect du principe de réalité subjective ».

Dans ce cadre, poursuit ce service, par profession, il y a lieu d’entendre « une occupation déterminée dont on peut tirer ses moyens de subsistance » (Dictionnaire Robert) ou « une activité régulière exercée pour gagner sa vie » (Dictionnaire Larousse).

1. Pouvez-vous préciser de ce que veut dire la phrase « il y a lieu de s’en remettre au sens commun dans le respect du principe de réalité subjective » ?

2. Faut-il se référer à la définition donnée par la Cour de cassation (de Belgique) concernant des notions de fiscalité belge ou s’en remettre à des dictionnaires français ?

3. Si ce sont les définitions de dictionnaires français qui priment, valent-elles aussi pour la région flamande ?

Sauf erreur ou mauvaise compréhension de ma part, le van Dale donne comme signification du mot ‘beroep’ :

1)het te hulp roepen: een beroep op iem. Doen

2)werkkring, ambacht: het beroep van advocaat; een beroep uitoefenen

3)(juridisch) het zich wenden tot een hogere rechtbank om herziening van een vonnis: in hoger beroep gaan.

On n’y trouve pas cette idée d’obligation de « lucre ». Je vous remercie de vos réponses.

Jan Jambon:

La notion d’activité professionnelle doit s’entendre principalement à la lumière de la jurisprudence de la Cour de Cassation. Selon cette jurisprudence, une activité professionnelle consiste en une activité impliquant la réalisation d’opérations suffisamment fréquentes et liées entre elles pour constituer une occupation habituelle, fût-elle accessoire, ne consistant pas en la gestion normale d’un patrimoine privé.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Nous avançons. Nous sommes en train d’éclaircir le paysage fiscal belge.

Het percentsgewijs uitgedrukte gebruik van de woning voor beroepsdoeleinden

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf vraagt of de fiscale administratie arbitrair handelt door jaren later een eerdere, na controle vastgelegde beroepskostenafspraak (bv. 25% woninggebruik) zonder nieuwe inspectie of motivering te verlagen (bv. naar 15%), terwijl de situatie ongewijzigd bleef. Minister Jan Jambon bevestigt dat afspraken bindend zijn, tenzij de administratie ze formeel opzegt (met opgaaf van redenen) of bij fraude/veranderde feiten—maar benadrukt dat een nieuwe terreinbezoeking vereist is bij wijziging van het beroepsgebruik. Piedboeuf juicht de herbevestiging van deze principes toe als essentieel voor rechtszekerheid.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre,

Il arrive fréquemment qu’outre leur lieu de travail (bureau chez un employeur, salle dans une école, magasin pour un indépendant, etc.), un contribuable soit amené pour des raisons qui lui sont propres à travailler également, voire exclusivement, chez lui, à son domicile.

Il est alors parfaitement en droit de déduire une partie des frais liés à son immeuble (chauffage, électricité, assurance, nettoyage, remboursement d’un crédit hypothécaire ou non, etc.)

Que ce soit en matière d’impôts directs ou de TVA, la proportion entre l’usage privé et l’usage professionnel de la maison ou appartement doit être fixée par le contribuable ou l'assujetti sur la base des circonstances de fait et sous le contrôle de l'administration.

Il me semble aller de soi également que ce pourcentage n’est pas immuable; dépendant des circonstances de fait, il peut soit augmenter soit diminuer au fil des années.

Il me revient un cas interpellant, certes individuel mais qui vaut de manière générale.

Lorsqu’il n’est pas contesté que l’habitation est affectée partiellement à des fins professionnelles et que le pourcentage professionnel a par exemple été fixé à 25 % après visite des lieux par un agent contrôleur, ce pourcentage peut-il, des années plus tard, être subitement ramené à 15 %, par exemple toujours, sans qu’aucune modification n’ait été signalée par le contribuable concerné quant à l’utilisation professionnelle qu’il fait de son bien, et surtout sans qu’aucune nouvelle visite des lieux n'ait été faite par l’agent qui décide de réduire subitement et sans explication le pourcentage initialement convenu ?

Ne sommes-nous pas là dans un cas flagrant de comportement arbitraire de la part de l’administration ? Dans l’affirmative, ne convient-il pas de rappeler aux agents quelles sont les règles en vigueur ?

Je vous remercie de vos réponses.

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, s'il ne m'appartient pas de me prononcer sur des situations individuelles, les considérations générales qui suivent peuvent être apportées.

En matière fiscale, l'administration et le contribuable peuvent conclure un accord portant sur certaines questions de fait telles que l'évaluation de frais professionnels ou la quotité professionnelle d'un immeuble. Cet accord, qu'il soit explicite ou tacite, lie en principe les deux parties pour l'avenir. Toutefois, l'administration fiscale conserve la possibilité de le dénoncer, à condition d'en informer préalablement et de manière formelle, le contribuable. L'accord initial cesse alors de produire ses effets à partir de la période imposable suivant celle au cours de laquelle la dénonciation de l'accord a été communiquée.

Cela repose sur les principes de sécurité juridique et de bonne administration, en vertu desquels les citoyens doivent pouvoir anticiper et évaluer les conséquences juridiques des actes qu'ils accomplissent et des comportements qu'ils adoptent. Ils doivent également pouvoir compter sur une certaine stabilité de la réglementation et des pratiques administratives. Toutefois, lorsqu'un contribuable a obtenu un accord au moyen de données fausses ou volontairement inexactes, il y a lieu de considérer que l'administration n'a pas pu donner son accord en connaissance de cause, les éléments de fait sur lesquels reposait son appréciation étant erronés. Dans un tel cas, l'accord de l'administration est entaché d'un vice de consentement et peut être remis en cause avec effet rétroactif.

De même, lorsque les données de fait ayant débouché sur un accord sont modifiées, notamment à la suite d'un changement dans les conditions d'exercice de l'activité professionnelle, l'administration peut revenir sur l'accord à partir de la période imposable au cours de laquelle ces modifications sont intervenues. En effet, dans cette hypothèse, l'accord initial n'est plus valable puisque les éléments de fait ayant fondé l'appréciation de l'administration ont été modifiés par le contribuable.

Dans le cas de la fixation d'une quotité professionnelle d'une habitation par l'administration fiscale à la suite d'un contrôle sur place de l'agent taxateur, il paraît clair que la dénonciation de cet accord explicite et la vérification d'une modification dans les conditions de l'exercice de l'activité professionnelle nécessiteront une nouvelle visite de l'agent contrôleur afin de fixer une nouvelle quotité professionnelle.

Enfin, lorsqu'un contribuable a déposé une déclaration dans les formes et délais en se basant, pour la compléter, sur un accord conclu avec l'administration et que celle-ci décide, pour l'un des motifs précités, de revenir sur l'accord avec effet rétroactif, cette dernière sera alors tenue d'adresser au contribuable un avis de rectification.

En effet, conformément au Code des impôts sur les revenus, lorsque le contribuable a introduit une déclaration valable, l’administration fera connaître, par lettre recommandée, les éléments qu’elle se propose de substituer à ceux qui ont été déclarés ou admis par écrit, en indiquant les motifs qui lui paraissent justifier la rectification.

Benoît Piedboeuf:

Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour ce rappel des principes généraux, qui pourrait constituer un chapitre entier d’une charte du contribuable. On est totalement d’accord sur le fond et sur vos réponses. Je me réjouis vraiment de la réaffirmation de tous ces principes.

De community land trust (CLT)

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf bekritiseert dat de fiscale administratie ten onrechte droits d’enregistrement heft op een emfyteutisch bail tussen een gemeente (als eigenaar) en een CLT (waarvan ze lid is), hoewel het volgens hem om publieke beheer gaat. Minister Jan Jambon stelt dat een CLT in België vaak als privaatrechtelijke stichting opereert en geen aanspraak kan maken op de vrijstelling van art. 161, zelfs niet met gemeentelijke betrokkenheid, maar vraagt een volledig dossier voor verdere beoordeling. Piedboeuf blijft bij zijn mening dat het model wel degelijk voor vrijstelling in aanmerking komt en belooft het dossier in te dienen. De discussie blijft onopgelost, met een juridisch-fiscale tegenstelling tussen publiek belang en privaatrechtelijke vorm.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, dans le cadre d’une gestion intelligente de ses activités, une commune peut notamment utiliser la forme juridique du CLT (ce modèle est bcp utilisé en Angleterre).

Lorsque la commune, membre du CLT (avec des privés, utilisateurs du terrain qui reste communal), pour en assurer le suivi, concède un bail emphytéotique sur un de ses terrains au CLT, l’administration de l’enregistrement considère, à tort selon moi, qu’il s’agit d’une opération avec bénéficiaires privés et réclame des droits d’enregistrement sur la valeur du canon sur la totalité de la durée du bail. La commune est et reste propriétaire du terrain, elle concède un droit réel à un CLT dont elle est membre, on reste donc dans un gestion publique.

Pourriez-vous dès lors:

1) me donner votre interprétation de cette situation?

2) donner instruction à l’administration pour que l’interprétation soit plus conforme aux intérêts publics?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, la question vise, le cas échéant, un cas d'enregistrement gratuit en application d'une disposition d'exemption prévue à l'article 161 du Code des droits d'enregistrement. La figure juridique du Community Land Trust, lorsqu'elle est utilisée en droit belge, peut prendre la forme d'une fondation privée de droit belge. D'après les statuts de cette catégorie de fondation, il n'est pas autorisé d'étendre l'exemption de l'article 161, même si, par exemple, un représentant d'une commune se trouvait nommé au sein du conseil d'administration de la fondation. Il n'y a pas d'analogie possible en droit fiscal entre une commune et une fondation privée.

Il me semble que, pour apporter une réponse la plus précise possible à cette demande d'exemption, il y a lieu de disposer d'un dossier complet, notamment des statuts précis du Community Land Trust et d'autres pièces justificatives. Pour ce faire, je vous invite à transférer ce dossier complet à l'Administration générale de la Documentation patrimoniale.

Benoît Piedboeuf:

Merci beaucoup, monsieur le ministre. C'est en effet un dossier que je connais bien. Le notaire et moi pensions qu'on pouvait bénéficier de l'exonération, puisque c'est un modèle qui est mis en place pour gérer et pour évacuer certains des problèmes d'une vie en communauté. Je vais donc suivre votre conseil et envoyer un dossier complet à l'administration.

Voorzitter:

Pouvons-nous revenir en arrière et passer à la question de M. Dufrane? Ce dernier avait été excusé parce qu’il devait participer au vote dans une autre commission.

Benoît Piedboeuf:

Bien sûr.

Boilerroomfraude

Gesteld door

MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane vraagt aan minister Jan Jambon hoe België boiler room-fraude (agressieve oplichting via valse beleggingsaanbiedingen) bestrijdt, met name de detectiemethodes, internationale samenwerking en slachtoffercompensatie. Jambon benadrukt dat de FSMA via onderzoek, waarschuwingen (138 frauduleuze sites in H1 2025) en blokkades (samen met justitie en het Belgian Anti-Phishing Shield) optreedt, maar herstelt van fondsen afhangt van strafrechtelijke procedures (verwijzend naar Justitie). Hij wijst op IOSCO/ESMA-lobby bij techplatforms (Meta, Google e.a.) voor betere fraudedetectie en meldt 1.289 signaleringen (H1 2025), waarvan 60% met financieel verlies—wat hij ziet als teken dat preventiecampagnes werken. Dufrane prijst de inspanningen maar blijft kritisch over slachtofferbescherming en kondigt navraag bij Justitie aan.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, j’ai entendu votre réponse à ma question. Elle était "nickel"!

Monsieur le ministre, la FSMA a récemment mis en garde contre les activités de sociétés de type "boiler rooms", qui opèrent de manière irrégulière en Belgique. Ces sociétés contactent des consommateurs pour leur proposer d'investir dans des actions ou d'autres produits financiers, avant de leur rendre impossible le retrait de leurs fonds.

Malgré une apparence professionnelle, ces entités ne sont pas agréées et les produits proposés sont souvent fictifs ou sans valeur réelle. Cette forme de fraude repose sur des techniques de manipulation psychologique et financière, avec des promesses de rendements rapides suivies de demandes d'investissements supplémentaires. Les victimes se retrouvent souvent dans l'impossibilité de récupérer leur argent, ce qui soulève des questions sur l'efficacité des mécanismes de protection et de régularisation en Belgique.

Mes questions, monsieur le ministre, sont: Quelles méthodes sont utilisées par les autorités belges pour identifier et traquer les sociétés de type "boiler rooms" opérant en Belgique? Comment la collaboration avec la FSMA et les autres régulateurs européens permet-elle de renforcer la détection de ces fraudes? Quel est le sort des fonds investis par les victimes belges dans ces sociétés frauduleuses et quelles procédures de régularisation ou de récupération sont envisagées pour limiter les pertes financières subies par les particuliers et les entreprises? Avez-vous des chiffres concernant le nombre d'entreprises et de particuliers ciblés? Envisagez-vous de renforcer la communication et la sensibilisation du public aux risques liés aux "boiler rooms", notamment en ciblant les particuliers et les petites entreprises, qui semblent particulièrement vulnérables à ces pratiques frauduleuses? Quelles mesures supplémentaires votre administration compte-t-il mettre en œuvre pour prévenir ces fraudes, notamment en améliorant la transparence sur les sociétés agréées et en facilitant l'accès du public aux informations sur les mises en garde de la FSMA?

Jan Jambon:

Monsieur Dufrane, la fraude de type "boiler room" est une forme de fraude à l’investissement qui consiste à contacter des investisseurs potentiels afin de leur proposer l’achat d’actions ou d’autres produits financiers.

Les escrocs soumettent le consommateur à une très forte pression, le poussant à verser toujours plus d’argent, d’où l’appellation anglaise de "boiler room". Au final, le consommateur ne récupère jamais les montants investis. Comme vous le mentionnez, la FSMA met régulièrement le public en garde contre de telles pratiques et, plus généralement, contre les activités de sociétés agissant de manière irrégulière sur le territoire belge.

Dans son cadre légal et réglementaire, la FSMA dispose de pouvoirs d’investigation lui permettant de traquer les différentes formes de fraude à l’investissement. Toutefois, ces fraudes se développant rapidement et à l’échelle mondiale, les combattre efficacement ne peut s’envisager sans une coopération internationale forte et sans l’aide des fournisseurs des plateformes utilisées par les fraudeurs.

Dans ce contexte, la FSMA a soutenu une initiative récente de l’Organisation internationale des commissions de valeurs (IOSCO), présidée depuis 2022 par le président de la FSMA. Cette organisation a lancé un appel aux fournisseurs de plateformes, moteurs de recherche internet, réseaux sociaux et fournisseurs d’applications afin qu’ils suivent cinq mesures visant notamment à mieux détecter les fraudes à l’investissement, à supprimer les contenus liés à ces fraudes et à établir des canaux de communication directs avec les régulateurs financiers et les autorités gouvernementales.

Dans le prolongement de cette initiative, l’Autorité européenne des marchés financiers (ESMA), dont la FSMA est membre, a adressé une lettre aux grandes plateformes actives dans l’Union européenne, à savoir X, Meta, TikTok, Alphabet, Telegram, Snap, Amazon, Apple, Reddit et Google, afin de les encourager à prendre des mesures proactives dans la lutte contre la fraude en ligne.

Lorsque la FSMA publie un avertissement concernant un site web frauduleux, elle transmet également le dossier aux autorités judiciaires et demande systématiquement au parquet de bloquer l’accès du public à ce site. Des accords pratiques ont été conclus à cet effet avec la section Ecofin du parquet du procureur du Roi de Bruxelles.

Au cours du premier semestre 2025, la FSMA a ainsi mis en garde contre 138 sites web frauduleux dont elle a demandé le blocage aux autorités judiciaires. En outre, depuis avril 2025, la FSMA est partenaire de confiance du Centre pour la Cybersécurité Belgique (CCB). Celui-ci a développé le Belgian Anti-Phishing Shield (BAPS), un système permettant de rediriger les citoyens qui tentent d’accéder à un site web douteux vers une page d’avertissement.

Depuis lors, et à titre indicatif, 121 noms de domaines frauduleux différents ont été introduits par la FSMA et 11 590 adresses IP individuelles ont été redirigées vers une page d'avertissement au lieu d'un site web frauduleux.

En ce qui concerne le sort des fonds investis et les procédures de régularisation ou de récupération que vous évoquez, il s'agit ici de dommages résultant d'infractions pénales, dont la poursuite éventuelle et la réparation sur le plan civil relèvent de la compétence des cours et tribunaux. Je vous renvoie donc à ce sujet vers ma collègue, la ministre de la Justice.

En ce qui concerne le nombre d'entreprises et de particuliers ciblés, au cours du premier semestre 2025, la FSMA a reçu 1 289 signalements de consommateurs concernant des fraudes à l'investissement et d'autres offres irrégulières de services et produits financiers, contre 1 332 signalements au cours du premier semestre 2024. Un peu moins de 60 % de ces signalements étaient des plaintes de consommateurs ayant perdu de l'argent à la suite d'une fraude à l'investissement ou d'une escroquerie au faux crédit. Ce nombre important de signalements peut être interprété comme un indicateur positif de l'efficacité des campagnes de prévention, en ce qu’elles incitent davantage les citoyens à reconnaître les risques et à alerter les autorités avant qu'un préjudice financier ne survienne.

Au vu de ces chiffres, la sensibilisation, la prévention et l'éducation des consommateurs de produits financiers sont d'une importance capitale.

Anthony Dufrane:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse détaillée. La FSMA doit jouer un rôle dans la protection des investisseurs face à la fraude des "boiler rooms". Je vous remercie donc d'avoir relevé l'initiative de l'IOSCO en lien avec ces grandes plateformes. Je ne doute pas que vous agirez pour limiter la présence de ces opérateurs frauduleux et que des solutions seront trouvées pour les personnes et les entreprises lésées. Comme vous le suggérez, j'interrogerai Mme la ministre de la Justice sur le sujet.

De dubbelbelastingverdragen en onderhoudsgelden

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Benoît Piedboeuf stelt dat Belgische controleurs ten onrechte 26,75% précompte eisen op alimentatie naar India, terwijl de Belgisch-Indische belastingverdrag (CPDI) dit uitsluit als de ontvanger in India woont – enkel vermelding op fiche 281.30 zou volstaan. Minister Jan Jambon weerlegt dit: volgens hem blijft België bevoegd om te belasten (ook bij CPDI) en moet précompte altijd worden inhouden, tenzij expliciet vrijgesteld; India moet dubbele belasting voorkomen via verrekening. Jambon benadrukt dat controleurs wettelijk correct handelen door précompte te vorderen bij ontbrekend bewijs van vrijstelling. Piedboeuf aanvaardt de uitleg zonder verdere discussie.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, il me revient que certains contrôleurs et contrôleuses de l'administration réclament du précompte professionnel sur des rentes alimentaires versées par un débirentier résident belge à ses enfants qui habitent en Inde. Je pense qu’ils se trompent et occasionnent ainsi par méconnaissance des règles applicables des pertes de temps et d’argent à leur répondre, sans garantie qu’ils s’inclineront.

Pouvez-vous marquer votre accord sur le raisonnement suivant? Les conditions habituelles de déduction des rentes alimentaires dans le chef du débirentier sont également applicables lorsque la rente est payée par un résident belge à un bénéficiaire établi à l’étranger.

Deux conditions supplémentaires sont toutefois exigées, à savoir que le débirentier:

- doit retenir un précompte professionnel qui s’élève à 26,75 % des 80 % des sommes versées;

- doit mentionner ces sommes sur une fiche 281.30.

Concernant le 1er tiret, il faut examiner ce que dit la convention préventive de double imposition (CPDI) conclue éventuellement par la Belgique avec le pays où réside le bénéficiaire. Lorsque le bénéficiaire réside dans un pays avec lequel la Belgique a conclu une CPDI attribuant le pouvoir d’imposer la rente à l’État de résidence du bénéficiaire, le précompte professionnel ne doit pas être retenu, sous réserve de la présentation de la preuve de la résidence du bénéficiaire dans le pays concerné.

La Belgique et l’Inde ont signé une CPDI qui attribue le droit d’imposer ce revenu à l’État de résidence du bénéficiaire, c’est-à-dire l’Inde. Dès lors, si la résidence fiscale en Inde du bénéficiaire est attestée, le précompte professionnel n’a pas à être retenu, mais la déclaration et la fiche restent nécessaires.

Si vous pouvez marquer votre accord sur mon analyse, ne pensez-vous pas nécessaire de rappeler aux contrôleurs dans l’erreur quelles sont les règles applicables en matière de déduction en Belgique des rentes alimentaires versées à un crédirentier établi à l’étranger? Je vous remercie de vos réponses.

Jan Jambon:

Contrairement à ce que vous avancez, les conditions légales pour pouvoir déduire une rente alimentaire sont indépendantes des obligations en matière de précompte professionnel et d'établissement de fiches de revenus.

En droit interne, une rente alimentaire payée à une personne résidant à l'étranger qui remplit ces mêmes conditions légales est en principe imposable en Belgique, dans le chef du bénéficiaire, à l'impôt des non-résidents. En principe, la personne qui paie une telle rente alimentaire doit introduire une déclaration au précompte professionnel, verser ce précompte au Trésor et introduire la fiche de revenus ad hoc .

Lorsque des rentes alimentaires sont payées par un résident de Belgique à un résident d'Inde, la convention préventive de la double imposition conclue entre ces deux États donne le pouvoir d'imposition à la Belgique, car ces rentes proviennent de Belgique. Il appartient à l'Inde de résoudre alors la double imposition en imputant l'impôt belge sur l'impôt indien. Les impositions faites par mon administration dans ces circonstances sont donc justifiées.

Les rentes alimentaires font l'objet d'actions en gestion des risques. Cette gestion des risques concerne, d'une part, la vérification du respect des conditions de déduction des rentes alimentaires et, d'autre part, l'obligation de versement du précompte professionnel pour des rentes versées à l'étranger. Pour les paiements à des non-résidents de la Belgique, il est donc vérifié si le précompte professionnel a été payé et, lorsque ce n'est pas le cas, si les conditions de dispense du versement dudit précompte sont respectées.

Lorsque le précompte professionnel n'est pas payé et que les conditions ne sont pas remplies, le précompte professionnel doit être enrôlé. Les agents de taxation appliquent, lors du contrôle, les dispositions légales en vigueur, en tenant compte des éléments spécifiques propres à chaque dossier.

Benoît Piedboeuf:

Merci monsieur le ministre. Votre réponse est très claire.

De inkoop van eigen aandelen door een vennootschap

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Benoît Piedboeuf bleef een belastingvraag uit 1995 over de fiscale gevolgen van het gratis terugkopen en annuleren van eigen aandelen (bij negatieve waarde vs. kapitaalaandeel) onbeantwoord, ondanks de toezegging van een nadere analyse door de vorige regering. Minister Jan Jambon bevestigt dat art. 186 CIR 1992 geen dividendenbelasting oplegt bij afwezigheid van een positief verschil, maar dat de kapitaalvermindering wel gecompenseerd wordt door een belaste reserve die de fiscale grondslag beïnvloedt. Piedboeuf stelt kritisch vast dat antwoorden na jaren eindelijk evolueren.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, par sa question parlementaire n°142 du 7 novembre 1995, mon collègue Daniel Bacquelaine avait demandé que lui soit confirmé que lorsqu’une société acquiert gratuitement pour annulation ses propres actions et si la valeur réelle des actions rachetées est inférieure à la quote-part du capital libéré (suite à des pertes reportées par exemple) que:

· il ne se dégage pas de dividende au sens de l’article 186 du Code des impôts sur les revenus 1992 (C.I.R. 1992) puisque la différence entre la valeur réelle des actions et leur quote-part dans le capital est négative;

· la seule conséquence fiscale de cette annulation, est donc la réduction du capital fiscal représenté par les actions annulées?

Il lui avait été répondu que la question posée a incité l’administration à procéder à un réexamen approfondi de la problématique du rachat par une société de ses propres actions et notamment de la nature du capital qui doit être réduit en cas d’application de l’article 186 du C.I.R. 1992.

Cet examen était toujours en cours au moment de la réponse fournie et votre prédécesseur a promis que dès que les conclusions lui en auront été communiquées, il ne manquera pas d’en informer l’honorable Membre.

Je n’ai rien vu passer depuis lors à ce sujet dans la littérature administrative. Si cet examen a effectivement eu lieu et est terminé, peut-on en connaître le résultat?

Je vous remercie de votre réponse.

Jan Jambon:

Je n'ai effectivement vu aucun commentaire sur cette question qui aurait été publié au cours de législatures antérieures. Cela étant, l'article 186 du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 1992) prévoit que "lorsqu'une société acquiert de quelque façon que ce soit ses propres actions ou parts, l'excédent que représente le prix d'acquisition, ou à défaut, la valeur de ces actions ou parts, sur la quote-part de la valeur réévaluée du capital libéré représenté par ces actions ou parts est considéré comme un dividende distribué".

En l'occurrence, la question précise bien que la valeur réelle des actions rachetées est inférieure à la quote-part du capital libéré. À cet égard, je peux confirmer qu'en l'absence d'excédent, l'application de l'article 186 du CIR 1992 n'entraîne aucune taxation des dividendes distribués. À la suite de l'annulation des actions ou parts, conformément au Code des sociétés et des associations, le capital libéré est réduit à concurrence de la quote-part de celui-ci représenté par les actions ou parts acquises. Il est compensé par une réserve taxée incorporée au capital, qui interviendra dans la détermination de la base imposable de la société, vu le caractère gratuit de l'opération.

Benoît Piedboeuf:

Vous voyez, monsieur le président, que les législatures changent, mais les réponses évoluent aussi.

De definitie van de beroepsactiviteit versus de economische activiteit

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat geen enkele wettelijke bepaling een zelfstandige activiteit (hoofd- of bijberoep) verbiedt om verlieslatend te zijn, noch dat recurrent verlies automatisch wordt gewraakt—elk dossier wordt individueel beoordeeld op winstbejag en professioneel karakter, met oog voor externe schokken (bv. COVID, klantverlies). Hij ontkent systematische instructies aan ambtenaren om verliesafrekening te blokkeren en benadrukt dat geen vaste termijn geldt voor rentabiliteit, mits aantoonbare toekomstperspectieven. Piedboeuf juicht dit antwoord toe als een "mijlpaal voor de Rechten van de Belastingplichtige", impliciet suggererend dat eerdere praktijken onduidelijk of restrictief waren.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, le législateur fiscal n’a jamais défini ce qu’est une activité professionnelle en matière d’impôts directs. En matière de TVA, on parle d’activité économique (article 4, § 1er). L’article 9, § 1er, alinéa 2, de la Dir. 2006/112/CE précise que les activités économiques visées sont toutes les activités de producteur, de commerçant ou de prestataire de services, y compris les activités extractives, agricoles et celles des professions libérales.

L’article 1er, § 21, CTVA dit: "… on entend par "activité économique", toute activité de producteur, de fournisseur de biens ou de prestataire de services, y compris les activités extractives, agricoles et celles des professions libérales ou assimilées. (…). Il suffit, mais il est indispensable, que cette activité vise à retirer une recette ayant un caractère de permanence."

Dans le cadre d’une activité indépendante exercée à titre accessoire, certains fonctionnaires estiment qu’elle ne peut pas être en perte. Or aucune disposition légale ne va dans ce sens, sinon il serait inutile de prévoir par les articles 78 à 80 du CIR 1992 la manière dont s’imputent les pertes professionnelles.

Je souhaite vous poser les questions suivantes.

1. Si on peut sans aucun risque fiscal être en perte au niveau de la TVA , en matière d’impôts directs, des instructions ont-elles été données aux fonctionnaires taxateurs, et à ceux chargés d’examiner le contentieux administratif, qui leur enjoignent de rejeter les pertes professionnelles encourues dès lors que celles-ci présentent un caractère de récurrence?

2. Combien d’années l’administration donne-t-elle à une activité indépendante pour devenir rentable au sens de ce qu’elle entend ?

3. Est-il et même doit-il être tenu compte du fait qu’une activité indépendante, accessoire ou non, peut connaître des périodes moins fastes (années COVID, perte d’un client important, etc.), être globalement en perte à la suite de ces événements, mais redevenir ensuite ‘rentable’?

4. Existe-t-il des instructions, à défaut de dispositions légales, qui interdisent de financer une activité professionnelle indépendante accessoire au moyen des revenus d’une activité professionnelle exercée à titre principal?

Je vous remercie de vos réponses.

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, tout d'abord, aucune disposition légale n'interdit qu'une activité indépendante, principale ou accessoire, soit déficitaire. Le Code des impôts sur les revenus 1992 prévoit expressément l'imputation des pertes professionnelles. Il n'a pas été donné d'instruction générale aux fonctionnaires visant à rejeter systématiquement les pertes dès lors qu'elles présentent un caractère récurrent. Mon administration examine chaque situation au cas par cas, en vérifiant que l'activité est exercée dans un but réel de lucre et qu'elle ne constitue pas une activité purement privée.

Ensuite, il n'existe pas de délai légal ou réglementaire imposant qu'une activité devienne rentable dans un nombre déterminé d'années. L'administration fiscale apprécie la situation en fonction des circonstances concrètes et de la preuve apportée par le contribuable quant au caractère professionnel de l'activité. Il est tenu compte, bien évidemment, des aléas économiques et des événements exceptionnels tels que la crise sanitaire liée au Covid-19 ou encore la perte d'un client important. Une activité peut connaître des pertes temporaires sans que cela remette en cause son caractère professionnel dès lors qu'elle conserve une perspective de revenus futurs.

Par ailleurs, aucune disposition légale ni instruction administrative n'interdit de financer une activité indépendante accessoire au moyen des revenus d'une activité principale. Les pertes professionnelles peuvent être imputées, conformément aux règles prévues par le CIR 1992.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Nous venons d'écrire une nouvelle page dans la Charte du contribuable!

Zelfstandigen in bijberoep

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf bekritiseert dat de fisc willekeurig omgaat met aftrek van beroepskosten bij bijkomende zelfstandige activiteiten: verliezen worden als hobby bestempeld (en afgewezen), terwijl winsten plots als belastbaar beroep gelden – met als echte reden dat verliezen andere inkomens drukken. Hij vraagt retorisch of belastingplichtigen een vrijstellingsattest kunnen eisen als hun activiteit als hobby wordt gezien, wat minister Jan Jambon ontkent: de fisc beoordeelt jaarlijks of een activiteit winstgericht is (met jurisprudentie als leidraad), en een voorafgaande vrijstelling bestaat niet. Piedboeuf illustreert de absurditeit met voorbeelden (bv. dj’s met dure investeringen maar structurele verliezen) en stelt dat de huidige regels onnodige controles en discussies veroorzaken, terwijl een hobby-kwalificatie soms logischer zou zijn – maar accepteert dat het beleid niet zal wijzigen.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, de manière assez régulière, l'administration conteste la déduction de frais professionnels par les contribuables qui se sont lancés dans une activité indépendante à titre accessoire, au motif que les frais sont plus élevés que les revenus provenant de ladite activité.

L’attitude du fisc à cet égard est incohérente: tant que l’activité se solde par des pertes, il s’agit d’un hobby, dès qu’elle devient bénéficiaire, ce n’est plus un hobby mais une véritable activité professionnelle taxable. N’ayons pas peur de dire que ce qui indispose par-dessus tout les fonctionnaires taxateurs, c’est que ces pertes s’imputent sur d’autres revenus professionnels.

Dès que l’administration considère que des frais indubitablement professionnels ne sont pas déductibles, le contribuable peut-il demander et obtenir une attestation de son contrôleur que son activité accessoire constitue en réalité un hobby et qu’il n’a plus rien à déclarer la concernant, même pas si elle devient ou redevient un jour bénéficiaire? Si non, pourquoi? Merci de vos réponses.

Jan Jambon:

L’administration fiscale est tenue d’appliquer les dispositions du Code des impôts sur les revenus 1992. Celui-ci prévoit que les frais professionnels sont déductibles lorsqu’ils répondent aux conditions de l’article 49, à savoir qu’ils doivent être exposés en vue d’acquérir ou de conserver des revenus imposables. Il est exact que, dans certaines situations, l’administration conteste la déduction de frais lorsque l’activité indépendante accessoire se solde de manière récurrente par des pertes.

Cette appréciation ne repose pas sur une qualification de "hobby", mais sur l’examen de la réalité économique de l’activité et de son caractère professionnel. L’administration doit vérifier si l’activité est exercée dans un but de lucre réel et non comme une activité purement privée. Il est par ailleurs de jurisprudence que la disproportion récurrente entre les revenus obtenus et les charges postulées dans le cadre de l’activité indépendante, l’importance des pertes enregistrées, l’absence d’évolution de cette tendance et l’absence de perspective quant à un résultat positif démontrent que, à l’entame des périodes imposables litigieuses, l’activité ne présente aucun indice de rentabilité et qu’il apparaît déraisonnable d’exposer de tels frais dans ce contexte.

En outre, il n’est pas possible pour un contribuable d’obtenir une attestation de son contrôleur fiscal indiquant que son activité accessoire constitue un hobby et qu’il n’a plus rien à déclarer. Une telle attestation n’est en effet pas prévue par la législation fiscale. La qualification d’une activité relève de l’appréciation concrète des faits du dossier, année par année, et peut évoluer dans le temps. L’administration ne peut, de surcroît, délivrer un document qui exonérerait par avance un contribuable de ses obligations déclaratives futures.

Benoît Piedboeuf:

Je vous remercie, monsieur le ministre. Il va de soi que la dernière question était un clin d’œil. Dans ma pratique professionnelle, j’ai rencontré des gens qui, par exemple, étaient disc-jockey, aimaient cela, investissaient des montants importants dans du matériel, étaient constamment en perte et dans ce cas l’administration rejetait ces pertes au motif qu’il s’agirait d’un hobby. Cela peut faire rire mais il est vrai que dans certains cas, on oblige des gens à s’assujettir pour des activités accessoires alors que cela est un non-sens. Cela crée des problèmes de contrôle et des discussions, alors qu’il semblerait parfois plus simple de considérer qu’il s’agit d’une activité de loisir. Je vous remercie pour votre réponse, qui correspond à la position de l’administration. Il est donc entendu qu’il n’y aura pas de nouveau formulaire attestant qu’une activité relève du hobby.

Bezwaarschriften en de administratieve instructie 'proces 110'

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf vraagt of het omstreden, geheim "proces 110"—waarbij fiscale ambtenaren volgens eerdere beweringen klachten automatisch afwijzen als ze geen nieuwe argumenten bevatten—nog steeds geldt, wijzend op eerdere kritiek dat dit de beroepsprocedure zinloos maakt. Minister Jan Jambon bevestigt dat het proces 110 nog actief is, maar ontkent systematische afwijzing: beroepen worden wel inhoudelijk beoordeeld door een andere ambtenaar dan de oorspronkelijke belastinginspecteur, en enkel bij geen nieuwe elementen kan de eerdere beslissing worden bevestigd—met gemotiveerde, herhaalde argumenten. Piedboeuf reageert skeptisch ("Amen") maar bedankt, zonder verdere tegenwerping.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, j’ai déjà eu l’occasion d’interroger vos prédécesseurs sur le "processus 110 dans le cadre du contentieux administratif" (mes questions orales 22864 du 24 janvier 2018, Compte Rendu Analytique, 2017-2018, Com 803, pp. 24-25 et 25777 du 13 juin 2018, Compte Rendu Intégral, 2017-2018, Com 921, pp. 23-25).

Il m’a été confirmé à l’époque l’existence d’une instruction administrative, dite "processus 110", secrète et interne mais que tout le monde connaissait, qui oblige les fonctionnaires fiscaux à rejeter les réclamations en matière d’impôts sur les revenus lorsqu’elles ne contiennent aucun grief ou argument nouveau par rapport à la réponse qu’ils avaient donné à l’avis de rectification. Il a été dénoncé de toutes parts que dans ces conditions, la procédure de réclamation n’avait plus aucun sens.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me dire si cette instruction est toujours de mise? Si non, à partir de quand a-t-elle été supprimée?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, le processus 110 est toujours d'application. Ce processus ne contient aucune disposition obligeant les agents traitant une réclamation à rejeter systématiquement le recours lorsqu'il ne contient pas de nouveaux arguments. Lorsque le contribuable introduit un recours, le dossier est, dans la mesure du possible, attribué à un autre agent du service d'expertise, lequel n'a pas participé à la discussion dans le cadre du contrôle. Il est important de souligner que le recours est toujours examiné sur le fond.

L'agent de l'équipe d'expertise instruit le recours et consulte l'agent taxateur en cas de nouveaux arguments avancés par le contribuable. Évidemment, si le recours ne contient aucun élément nouveau par rapport à ce qui a déjà été examiné lors de la phase précontentieuse, la position précédemment adoptée peut, le cas échéant, être confirmée.

Cela se fait sur la base d'une décision motivée dont les motifs peuvent être identiques à ceux déjà communiqués au contribuable. La procédure prévue dans le processus 110 garantit ainsi un nouveau traitement objectif et rigoureux du recours, sans rejet automatique en l'absence de nouveaux arguments.

Benoît Piedboeuf:

Je terminerai par une réponse biblique. Ainsi soit-il! Je vous remercie, monsieur le ministre.

De efficiëntie en transparantie v.d. overheidssubsidies en investeringspremies aan ondernemingen
Het jongste rapport van de NBB over bedrijfssubsidies
De 25 miljard euro aan steun voor de bedrijven
De bedrijfssubsidies en het verslag van de NBB
Overheidssteun en bedrijfssubsidies: efficiëntie, transparantie en rapportage

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België geeft 25,1 miljard euro (4,1% BBP) aan bedrijfssubsidies – 1,5% BBP boven het eurozonegemiddelde – vooral via loonsubsidies (zoals vrijstelling bedrijfsvoorheffing: 4,4 miljard/jaar), die volgens de Nationale Bank en het Rekenhof inefficiënt, ontransparant en slecht geëvalueerd zijn. Minister Jambon bevestigt dat in 2026 een spending review komt voor drie regimes (R&D, nacht-/ploegenwerk, overuren), maar kritiek blijft: Ecolo (Schlitz) en PTB (Bilmez) eisen strengere voorwaarden (bv. werkgelegenheid, klimaatdoelen) en betreuren dat de besparingen (200 mln/jaar) marginaal zijn vergeleken met de explosieve stijging (van 190 mln in 2005 naar 4,4 mjd nu). N-VA (Tas) steunt transparantie, maar alle partijen dringen aan op structurele hervorming in plaats van kleinschalige aanpassingen.

Voorzitter:

M. Bayet s’est excusé.

Niels Tas:

Volgens recent onderzoek van de Nationale Bank van België bedroegen de totale overheidssubsidies en investeringspremies aan ondernemingen in België in 2024 circa 25,1 miljard euro, ofwel 4,1 % van het bbp. Dat niveau ligt minstens 1,5 procentpunt hoger dan het gemiddelde in de eurozone en onze buurlanden. Wat de federale bevoegdheden betreft, vormen de vrijstellingen van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, met 4,39 miljard euro, en de gerichte verminderingen van de werkgeversbijdragen in de sociale zekerheid, met 926 miljoen euro, de belangrijkste pijlers in het verhaal.

De Nationale Bank plaatst ernstige vraagtekens bij de efficiëntie van die geldstromen. Het Rekenhof bekritiseerde al in 2019 de vrijstellingen van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing als zijnde gebaseerd op een complexe en onduidelijke wetgeving, wat volgens mij haaks staat op de ambitie van efficiëntie die we met de regering hebben.

Welke spending reviews worden er gepland? Heeft de regering de ambitie om bepaalde fiscale subsidies te beperken? Zo ja, wat is de inhoud ervan? In het regeerakkoord is overeengekomen om een spending review met betrekking tot de vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing op te maken. Dat is ook logisch, gezien de exploderende kostprijs. Ondertussen kost het regime jaarlijks al bijna 5 miljard euro. Wanneer komt die spending review er en wanneer mogen we daarvan resultaten verwachten?

Welke concrete en bindende afspraken zijn gemaakt om te garanderen dat de meest kostelijke federale loonsubsidies structureel en periodiek aan een diepgaande kosten-batenanalyse worden onderworpen in het kader van de geplande spending reviews ?

De Nationale Bank wijst op het belang van transparantie, zoals ook geïllustreerd door het Vlaamse subsidieregister. Conform het regeerakkoord moet er een sociaal register waarin alle sociale bijstand en voordelen worden meegenomen, worden ingevoerd. In een soortgelijk register voor fiscale steunmaatregelen is niet voorzien. Wat is uw visie op het belang van een uniforme en publiek toegankelijke federale inventarisatie of dus een register van alle fiscale subsidies en investeringspremies, om zo ook het toezicht en de efficiëntie van 25 miljard euro aan middelen te verbeteren?

Ten slotte, waarom zijn de totale overheidssubsidies en investeringspremies aan ondernemingen in België volgens u veel hoger dan in onze buurlanden en welke regelingen zouden daar de oorzaak van zijn?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, un nouveau rapport de la BNB a mis en évidence le montant extrêmement élevé des subventions que verse l' é tat belge chaque année aux entreprises. Ces subventions totaliseraient près de 4 % du produit intérieur brut de la Belgique, soit 25 milliards d'euros.

Ces subventions sont versées pour diverses raisons, certaines louables et d'autres moins: compenser la pression fiscale belge sur le travail, stimuler l'innovation, favoriser l'emploi des groupes vulnérables, ou encore renforcer la compétitivité. Le montant de ces subventions soulève certaines questions quant à leur nécessité et leur efficacité, d'autant plus dans une période durant laquelle vous recherchez de l'argent de tous les côtés.

Monsieur le ministre, prévoyez-vous un audit de ces aides, notamment en vue de vérifier si des compagnies profitent injustement du système et réalisent des surprofits injustifiés grâce à ces aides?

Lors des négociations budgétaires, j’aurais voulu vous demander si l'option de toucher à ces subsides était sur la table dans le cadre des négociations. Aujourd’hui, je vous demande si vous souhaitez réaliser un audit et revoir le montant de ces subventions pour l'année prochaine, par exemple.

Kemal Bilmez:

Monsieur le ministre, dans les tableaux budgétaires, vous indiquez vouloir diminuer certaines subventions aux entreprises, comme la dispense de versement du précompte professionnel, pour un montant de 107 millions en 2027, de 246 millions en 2028, et de 148 millions en 2029. Le Bureau fédéral du Plan estime le soutien public aux entreprises à 15 milliards d'euros. La dispense du versement du précompte professionnel, à elle seule, s'élève à 4,4 milliards en 2024.

Dans la presse, on peut lire qu’il reste encore plusieurs éléments à définir.

Monsieur le ministre, cette réduction de la dispense s'appliquera-t-elle à tous les régimes de travail (travail de nuit, travail d'équipe, chercheurs, etc.) ou seulement à des régimes spécifiques? Comment expliquez-vous l'oscillation de l'impact budgétaire de cette non-indexation? Pourquoi l'impact diminue-t-il entre 2028 et 2029?

Jan Jambon:

Chers collègues, le 18 juillet 2025, le Conseil des ministres a décidé quelles seraient les trois spending reviews qui seraient lancées en 2026. L’une d’entre elles porte sur l’exonération du précompte professionnel pour la R&D, les heures supplémentaires ainsi que le travail de nuit ou en équipe. Le gouvernement attend son résultat .

Voor het antwoord op de vraag over het belang van transparantie kan ik verwijzen naar de laatste paragraaf van de conclusie van het artikel van de Nationale Bank van België. Ik citeer: “De afgelopen jaren hebben de overheden bepaalde subsidies hervormd of afgeschaft, deels op basis van uitgavenbeoordelingen. Om dergelijke beoordelingen uit te voeren, is meer transparantie over subsidies en de ontvangers ervan nodig. Het Vlaams subsidieregister kan in dit opzicht als voorbeeld dienen. In het middellange termijnplan voor de begrotingsstructuur, dat bij de Europese Commissie is ingediend, heeft de federale regering toegezegd een aantal uitgavenbeoordelingen uit te voeren. Een kritische beoordeling van het huidige subsidiebeleid op alle bestuursniveaus is in elk geval essentieel gezien de noodzaak van begrotingsconsolidatie”.

Voor het antwoord op de vraag over de verschillen tussen ons land en onze buurlanden verwijs ik naar sectie drie van het artikel van de Nationale Bank en de vierde paragraaf van de conclusie van het artikel. De subsidies in België zijn hoger dan in de buurlanden en liggen minstens 1,5 % van het bbp boven het gemiddelde van de eurozone. In 2000 was dat nog niet het geval. Het niveau van de investeringssubsidies in België ligt echter iets onder het Europees gemiddelde.

De aanzienlijke stijging van de subsidies in de afgelopen decennia en het verschil met de buurlanden kunnen bijna volledig aan loonsubsidies worden toegeschreven. De doelstellingen die de regering aanvoert om het gebruik van die subsidies te rechtvaardigen, zijn onder meer het versterken van het internationale concurrentievermogen van Belgische bedrijven, het integreren van bepaalde kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt en het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling.

Monsieur Bilmez, cette mesure fait partie de l'accord budgétaire et sera reprise dans le projet de loi-programme qui sera bientôt déposé au Parlement. La réponse à votre première question apparaîtra clairement à la lecture de ce texte déposé, mais je peux d'ores et déjà vous informer que la mesure s'applique à tous les régimes.

En ce qui concerne votre deuxième question, la diminution de la recette de la mesure s'explique par la diminution des recettes de précompte professionnel entre 2028 et 2029, suite à l'augmentation de la quotité exemptée (réforme IPP). Par conséquent, le montant de dispense de précompte professionnel diminuera lui aussi entre 2028 et 2029.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoorden. Ik ben uiteraard tevreden met uw erkenning dat er op dat vlak nog werk op de plank ligt. De regering focust op efficiëntie, zowel bij de inkomsten als bij de uitgaven. Op het vlak van de subsidies moeten we dus nog een weg afleggen. De eerste stap is gezet en u hebt daarvoor onze steun. We zullen het dossier zeker blijven opvolgen.

Ik ben er vooral over tevreden dat u, verwijzend naar het rapport, het pleidooi voor het belang van transparantie steunt.

U noemt ten slotte vooral de loonsubsidies als verklaring voor de gigantische stijging van de uitgaven. Op dat vlak is er de komende jaren nog veel werk aan de winkel. We zullen dat samen aanpakken.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse.

J'entends qu'une étape positive sera déjà franchie cette année avec cette évaluation dans trois domaines. Aujourd'hui, dans une période où on met la pression sur la grande majorité de la population dans cette recherche de moyens, sans parler de l'augmentation de la TVA qui heurtera toute une série de secteurs, on ne peut pas continuer à naviguer à vue concernant les subsides aux entreprises.

Ces subsides doivent aujourd'hui poursuivre des objectifs sociétaux et de bien commun: insertion socioprofessionnelle de personnes vulnérables, création d'emplois, etc. Vous pouvez également poursuivre les objectifs climatiques qui devraient figurer dans le cadre des subsides aux entreprises.

Nous devons bien sûr évaluer ces subsides, pour s'assurer qu'ils poursuivent bien des objectifs ambitieux, mais surtout pour les maintenir dans ces domaines. Il y a vraiment du pain sur la planche en la matière et nous continuerons dès lors à suivre ce dossier avec beaucoup d'intérêt.

Kemal Bilmez:

Merci, monsieur le ministre, pour ces réponses claires et concrètes.

Je voudrais juste rappeler que ces dispenses ont vraiment explosé. En 2005, il y a donc 20 ans, elles s'élevaient à 190 millions d'euros en 2005; aujourd'hui, il s'agit de 4,4 milliards d'euros. L'économie de 200 millions prévue sur ce montant par le gouvernement représente moins de 2 % du total. Alors qu'on augmente la TVA et qu'on attaque les travailleurs via le vol de l'index, il me semble qu'on pourrait en faire plus à ce sujet.

Je vous entends dire qu'il faut des évaluations. Cela me parait déjà très bien, mais ces aides ne sont pas du tout conditionnées. Les entreprises qui reçoivent des millions et des millions d'euros en subventions peuvent toujours délocaliser, partir ou supprimer des emplois. Il nous semple que l'on pourrait très facilement conditionner ces aides à de la création d'emploi, ce qui n'a pas été fait. Le rapport de la Cour des comptes remet d'ailleurs en question l'idée qu'une partie de ces aides aurait effectivement créé de l'emploi.

Nous estimons donc qu'il ne suffit pas de faire des ajustements à la marge, mais qu'il convient d'examiner ce système en profondeur, car son coût dépassera les 18 milliards d'euros par an en 2029.

Voorzitter:

M. Bayet s’est excusé. Ses questions, n°56010322C et 56010324C sont postposées.

De btw-omzendbrief en de toepassing ervan op woonmaatschappijen

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Niels Tas vraagt of sociale huisvestingsmaatschappijen en VME’s het verlaagde btw-tarief (6%) en sociaal tarief kunnen toepassen op zowel gas als elektriciteit bij collectieve energielevering aan huurders. Minister Jan Jambon bevestigt dat de regeling uit circulaire 2023/C/65 (vragen 8 en 10) geldt voor beide energievormen, maar corrigeert dat sociale huisvestingsmaatschappijen standaard als zakelijk worden beschouwd, waardoor het normale btw-tarief (21%) van toepassing is op de levering aan de maatschappij zelf—niet op doorfacturering aan huurders (waarbij vrijstelling of belasting mogelijk is). Hij benadrukt dat VME’s (geen economische activiteit) anders worden behandeld dan huisvestingsmaatschappijen en verwijst voor het sociaal tarief naar de bevoegde minister van Armoedebestrijding. Tas aanvaardt de verduidelijking en belooft verdere analyse.

Niels Tas:

Geachte minister, inzake het verbruik van energie in een appartementsgebouw, kan een rechtspersoon-eigenaar, als het verbruik overwegend niet zakelijk is, een verklaring afleggen bij de leverancier om een verlaagd btw-tarief van 6% te bekomen. Zowel een vme als een woonmaatschappij kunnen zo'n verklaring afleggen. In circulaire 2023/C/65 is deze regeling nog verduidelijkt.

Op vraag 8 van deze FAQ, inzake de verhuur van appartementen met collectieve sociale gaslevering door een sociale huisvestingsmaatschappij waarbij de sociale huisvestingsmaatschappij een contract sluit met de gasleverancier, luidt het antwoord als volgt: 'Een sociale huisvestingsmaatschappij wordt als rechtspersoon in de regel aangemerkt als een bedrijf waarbij inzake accijnswetgeving wordt uitgegaan van een zakelijk gebruik van door de gasleverancier via het distributienetwerk geleverde gas. Het tarief zakelijk gebruik zal dan van toepassing zijn. De sociale huisvestingsmaatschappij kan evenwel een verklaring bezorgen aan de energieleverancier dat het gaat om een hoofdzakelijk niet-zakelijk gebruik. In die zin kan het gebruik van collectieve verwarming gefactureerd worden aan het specifiek tarief voor residentieel beschermde klanten, conform de gaswet.' Hier wordt verwezen naar het sociaal tarief, maar dan specifiek voor gas. In de Elektriciteitswet vinden we geen verwijzing terug naar sociale huurders als residentieel beschermde afnemers. Uit het antwoord op vraag 10 blijkt een gelijkaardige regeling voor vme's te bestaan, maar opnieuw wordt enkel over het tarief voor gas gesproken, niet voor elektriciteit.

Daarom volgende vragen:

1) Zijn de antwoorden op vragen 8 en 10 uit de btw-circulaire 2023/C/65 ook van toepassing op elektriciteitsverbruik?

2) Kunnen sociale huurders die een appartement huren met collectieve energielevering, gebruikmaken van het verlaagd btw-tarief (6%) en dit zowel voor gas als voor elektriciteit?

3) Kunnen sociale huurders die een appartement huren met collectieve energielevering, gebruikmaken van het sociaal tarief voor energie en dit zowel voor gas als elektriciteit?

Alvast bedankt voor uw antwoorden.

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, ik bevestig dat de toelichting die de administratie geeft onder de door u aangehaalde vragen 8 en 10 van de circulaire 2023/C/65 zowel van toepassing is op de levering van aardgas voor verwarming als op de levering van elektriciteit.

Ik maak toch twee bedenkingen.

Ten eerste, wat vraag 8 betreft, merk ik op dat de versie van het antwoord op de vraag die u citeert een fout bevatte die op 14 december 2023 door de administratie werd rechtgezet middels een erratum. Een sociale huisvestingsmaatschappij wordt in het algemeen immers aangemerkt als een bedrijf, waarbij inzake accijnswetgeving wordt uitgegaan van een zakelijk gebruik van het door de gasleverancier via het distributienetwerk aan de maatschappij geleverde gas.

U weet dat onder het huidige tarifair stelsel dat van toepassing is op de leveringen van aardgas en elektriciteit de accijnswetgeving en de btw-wetgeving gekoppeld zijn. Gelet op het zakelijke gebruik zal het normale btw-tarief van toepassing zijn in de relatie tussen de leverancier van gas en de huisvestingsmaatschappij. Het later doorrekenen van het aardgas door de verhuurder aan de huurder is geen levering in de zin van de accijnswetgeving. Dit heeft tot gevolg dat het verlaagde btw-tarief evenmin van toepassing is op de doorfacturering. In het geval van een vrijgestelde onroerende verhuur zal de huisvestingsmaatschappij de keuze hebben om de doorfacturering aan de huurder hetzij te belasten, hetzij ze vrij te stellen als bijzaak bij de onroerende verhuur.

Ten tweede, benadruk ik dat het geval van een woonmaatschappij of een huisvestingsmaatschappij die woningen of appartementen verhuurt aan derden fundamenteel verschillend is van de situatie van een vme als beschreven in vraag 10, die in de regel geen economische activiteit uitoefent maar louter de eigenaars vertegenwoordigt.

Uw vraag inzake het toepassingsgebied van het sociaal tarief voor energie behoort tot de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding, u welbekend.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw verduidelijking, en ook voor de rechtzetting. We zullen dit verder nakijken.

Managementvennootschappen waarbij een tweede verblijf als beroepskosten wordt ingebracht

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Niels Tas bekritiseert dat managementvennootschappen van artsen luxe tweede verblijven volledig als beroepskosten aftrekken zonder aantoonbaar beroepsgebruik, terwijl gewone belastingplichtigen strikt worden gecontroleerd, en vraagt om fiscale correctie. Minister Jan Jambon benadrukt dat aftrek alleen geldt bij bewijs van beroepsnuts en redelijkheid, verwijzend naar bestaande wetgeving en rechtspraak, en kondigt een strengere 20%-regel aan in het wetsontwerp personenbelasting om misbruik tegen te gaan. Tas twijfelt of de huidige regels voldoende zijn, gebaseerd op signalen van artsen, en belooft verdere onderzoek. Jambon houdt vol dat het kader robuust is, maar erkent dat forfaitaire voordelen straks fiscaal nadeliger worden.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, in de pers verschijnen regelmatig voorbeelden van managementvennootschappen met een tweede verblijf dat in kosten wordt opgenomen. Zo staat bijvoorbeeld in Artsenkrant van 6 november 2025 een uitgebreid artikel over het in kosten brengen van een tweede verblijf in een artsen-bv. Tegenover de hoge kosten van een appartement staat een beperkt belastbaar voordeel van alle aard voor de arts-bedrijfsleider van de managementvennootschap.

Zoals het artikel aantoont, is die manier van fiscale optimalisatie erg populair. Een arts laat zijn managementvennootschap bijvoorbeeld een duur tweede verblijf aankopen, dat volledig als beroepskosten wordt ingebracht, terwijl het uitsluitend privé wordt gebruikt en hij slechts wordt belast op een beperkt forfaitair voordeel van alle aard.

Een gewone belastingplichtige die zijn kosten bewijst, kan zich dergelijke constructies zelfs niet voorstellen. Probeer maar eens de beroepskosten van een thuiskantoor te bewijzen. Men betaalt heel veel zelf en met veel rekenwerk kan men vaak slechts een fractie van de kosten inbrengen. Zelfs dan is er vaak heel wat discussie over fiscale fraude. Bij managementvennootschappen kan een tweede verblijf voor 100 % in kosten worden ingebracht, zelfs zonder aantoonbaar beroepsgebruik.

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u dat voorbeeld van een luxeappartement in een managementvennootschap? Is daarop een fiscale correctie aangewezen en, zo ja, op welke manier? Zijn alle kosten van het tweede verblijf in die doktersvennootschap fiscaal aftrekbaar? Is het voordeel van alle aard van bewoning ter zake hoog genoeg ingeschat?

Bent u van plan om initiatieven te nemen om dergelijke vormen van fiscale optimalisatie aan te pakken?

Is de fiscale beoordeling hetzelfde bij een verblijf in een buitenlandse vennootschap, bijvoorbeeld een verblijf aan de Côte d’Azur, als dat verblijf in de kosten zit van een managementvennootschap?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, de kosten voor een tweede verblijf kunnen pas als beroepskosten aftrekbaar zijn als de vennootschap aantoont dat ze die kosten in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om belastbare beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden. De echtheid en het bedrag moeten verantwoord worden door middel van bewijsstukken of, in geval dat niet mogelijk is, door alle bewijsmiddelen toegelaten door het gemeen recht, met uitzondering van de eed. Bovendien moet de vennootschap kunnen aantonen dat de toegekende voordelen beantwoorden aan werkelijk door de zaakvoerder geleverde prestaties ten behoeve van de vennootschap binnen het kader van haar maatschappelijke activiteit. Dat blijkt afdoende uit rechtspraak van de hoogste rechtscolleges. Of aan de voorwaarden voldaan is, zal telkens beoordeeld moeten worden aan de hand van de feitelijke elementen van een dossier. De voorwaarden om kosten in aftrek te kunnen nemen gelden ook en op dezelfde manier wanneer het gaat om onroerende goederen die in het buitenland gelegen zijn.

Tot slot wijs ik er nog op dat wanneer aan voormelde voorwaarden voldaan is, maar de kosten op onredelijke wijze de beroepsbehoefte overtreffen, ze niet aftrekbaar zijn. Het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 voorziet dat de Koning regels kan vaststellen om voordelen van alle aard die niet in geld werden verkregen als een forfaitair bedrag te ramen. Voor het voordeel dat voortvloeit uit de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten ervan heeft de Koning dergelijke regels uitgewerkt. Wanneer dat voordeel overeenkomstig die regels forfaitair wordt geraamd, wordt die raming fiscaal als correct aangemerkt. De voorwaarden voor de aftrekbaarheid van kosten verbonden aan onroerende goederen bieden een solide kader om de aftrek van kosten die geen beroepskarakter hebben en niet bewezen kunnen worden, maar kennelijk wel de beroepsbehoefte te buiten gaan, niet toe te staan.

Daarnaast wil ik erop wijzen dat het wetsontwerp tot hervorming van de personenbelasting voorziet in een zogenaamde 20 %-regel, waardoor het overmatig toekennen van een forfaitair voordeel alle aard fiscaal nadeliger zal worden.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik werd gecontacteerd door een aantal artsen die zich afvroegen of die handelwijze wel helemaal oké is. U stelt dat het op dit moment voldoende duidelijk is. We zullen dat nog verder uitzoeken en daarmee aan de slag gaan.

De dalende rente op spaarboekjes
De stand van zaken betreffende het advies van de Nationale Bank over de dalende spaarrentes
Dalende spaarrentes en adviezen van de Nationale Bank

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Niels Tas bekritiseert dat Belgische spaarders ondanks 300 miljard op spaarboekjes te maken krijgen met dalende rentes (71% verlaagd, ondanks stabiele ECB-rentes), wat hun koopkracht aantast, en vraagt dringende maatregelen gebaseerd op het recente NBB-advies over "onredelijke" rentekloven en gebrek aan bankconcurrentie. Minister Jan Jambon wijst op het beperkte mandaat van de NBB (geen mededingingsautoriteit) en verwijst naar bestaande transparantieregels (Febelfin-protocol, FSMA-simulator), maar stelt geen concrete actie voor: hij wacht op een mogelijk vonnis van het Europees Hof en belooft enkel "voorstellen te gepasten tijde". Tas uit ongeduld met Jambons afwachtende houding, terwijl de kernkritiek blijft dat banken te hoge winstmarges maken ten koste van spaarders, zonder duidelijke drempel voor wat als "onredelijke kloof" geldt. Het hoofdconflict draait om politieke terughoudendheid (Jambon) vs. eis tot snelle regulering (Tas), met het NBB-rapport als onbenut hefboom.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, mijn beide vragen, die ik samen zal stellen, zijn eigenlijk al grotendeels achterhaald doordat het rapport ondertussen beschikbaar is, waardoor een groot aantal vragen niet meer geldig is.

De Belgen hebben massaal gespaard. Er staat meer dan 300 miljard euro op de Belgische spaarboekjes. Niettemin blijft de rente kelderen. Op maar liefst 71 % van de bestaande spaarboekjes verlaagde de rente de voorbije tijd, terwijl de Europese Centrale Bank de rentes niet meer heeft verlaagd. Daardoor wordt het spaargeld van de kleine spaarder minder waard en smelt de koopkracht weg, en dat in onzekere tijden.

In de pers liet u weten dat de Nationale Bank van België om een analyse en aanbevelingen zal worden gevraagd, conform ook het engagement uit het federaal regeerakkoord, alsook om op te treden bij een onredelijk grote kloof in rentes op spaarboekjes en om op korte termijn mogelijke maatregelen te nemen, mits een en ander is afgetoetst binnen het kader van de Nationale Bank van België en het ECB-bankenoverzicht.

Ondertussen is dat advies beschikbaar. Ik heb daarom de hiernavolgende vragen voor u.

Nu het advies van de Nationale Bank van België officieel is uitgebracht en de conclusies over de rentemarges en de marktstructuur zijn getrokken, welke concrete stappen zult u zetten om aan de slag te gaan met de aanbevelingen?

Het advies verschaft duidelijkheid over de winstmarges van de banken versus de vergoeding voor de spaarder. Acht u de huidige kloof op basis van dat advies onredelijk groot genoeg om nu direct over te gaan tot wettelijke of reglementaire maatregelen die in het regeerakkoord werden vooropgesteld?

Het staatsboneffect lijkt uitgedoofd en de marktwerking blijft behoorlijk stroef. Welke specifieke aanbevelingen uit het rapport zult u overwegen om de structurele concurrentie tussen de banken duurzaam aan te wakkeren?

Tot slot, in het regeerakkoord wordt gesproken over een onredelijk grote kloof. Welke concrete drempel of formule werd nu en zal ook in de toekomst worden gehanteerd om officieel vast te stellen of die kloof is bereikt?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, zoals u meegaf, is het advies onlangs gepubliceerd op de website van de Nationale Bank van België.

Specifiek inzake de structurele concurrentie tussen spaarbanken wil ik u eraan herinneren dat de Nationale Bank van België geen mededingingsautoriteit is, maar enkel de Belgische prudentiële toezichthouder.

Voor de transparantie op de gereglementeerde spaarrekeningen verwijs ik u naar het protocol dat werd gesloten tussen Febelfin en de vorige regering, dat zorgde voor een vereenvoudiging van dat spaarproduct en een verhoogde transparantie. Dat werd toen concreet verwoord in de vernieuwde spaarsimulator van de FSMA, die die aanpassingen verwerkt ten behoeve van de spaarders.

Het regeerakkoord verwijst naar de eventuele veroordeling van België door het Europees Hof van Justitie, waaraan de regering desgevallend gevolg zal geven. Die veroordeling is nog niet gebeurd. In ieder geval houdt mijn beleidsstelsel zich bezig met het onderzoek van de problematiek, zodat ik te gepasten tijde voorstellen ter zake aan de regering kan doen.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kijk uit naar die gepasten tijde.

De inzet van consultants door de federale overheid

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Niels Tas bekritiseert het Rekenhof-rapport dat aantoont dat de federale overheid 2,5 miljard euro (80% voor IT) aan consultancy besteedde (2020-2022), met structurele inbreuken op aanbestedingsregels, slechte motivatie (80% van de gevallen) en explosieve budgetoverschrijdingen, en dringt aan op onmiddellijke correctieve maatregelen. Minister Jan Jambon verdedigt de FOD Financiën door te stellen dat de 10 gecontroleerde opdrachten wettelijk waren, maar erkent archiveringsfouten (door verouderde raamcontracten en digitaliseringsproblemen) en belooft een actieplan voor betere dossierverantwoording en factuurcontrole. Tas benadrukt als kritiekpunt dat hervormingen niet mogen leiden tot structurele uitbesteding en eist consistente toepassing van de aanbevelingen om het slechte voorbeeld van de overheid te keren. Jambon wijt de tekortkomingen vooral aan verouderde systemen en procedures, zonder de systematische problemen uit het rapport te ontkennen.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, het recent gepubliceerde rapport van het Rekenhof over de federale overheidsuitgaven aan externe consultants werpt een bijzonder licht op de aanpak van onze overheid inzake externe expertise. Uit dat rapport blijkt immers dat er tussen 2020 en 2022 maar liefst 2,5 miljard euro werd besteed aan consultancy, voornamelijk voor IT-diensten, goed voor meer dan 80 %.

Nog verontrustender is dat het Rekenhof structurele inbreuken vaststelt op de regels voor overheidsopdrachten. Het gebrek aan een duidelijke strategie, de afwezigheid van een centrale inventaris, de onduidelijke motivering voor opdrachten in bijna 80 % van de gevallen en de onrealistische ramingen van contracten, soms van 400.000 euro naar 10 miljoen euro, tonen aan dat de controle en de transparantie daarin tekortschieten.

De premier heeft zich al achter de conclusies geschaard en in het regeerakkoord staat ook de ambitie om een maximale afbouw van externe consultancy na te streven. Onze fractie ziet dat rapport dan ook als een belangrijk instrument om die doelstelling verder te concretiseren.

Mijnheer de minister, welke concrete en onmiddellijke stappen zult u zetten om een einde te maken aan die structurele inbreuken, het gebrek aan controle en de toch wel hoogoplopende uitgaven die het Rekenhof blootlegt?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, het Rekenhof heeft een audit uitgevoerd bij de federale departementen over de inzet van consultants. Bij de FOD Financiën is een selectie gemaakt van tien bestellingen in de periode van 2020 tot 2022. Twee van de bestellingen uit die periode betreffen algemene consultancy. De acht andere geselecteerde bestellingen betreffen pure IT-consultancy.

Het is belangrijk te stellen dat de tien geselecteerde bestellingen bij de FOD Financiën steeds zijn gebeurd met toepassing van de wetgeving inzake overheidsopdrachten. In een aantal dossiers waren er opmerkingen over de archivering van stukken van de lancering van het bestek of van de gunningsprocedure. De tien geselecteerde bestellingen baseerden zich namelijk op overheidsopdrachten voor raamovereenkomsten daterend van 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018, ofwel gemiddeld tien jaar geleden.

De verhuis van archieven, digitalisering en ook de wijzigingen in 2023 van het overheidsopdrachtenplatform van BOSA, e-Tendering, zijn de oorzaken dat sommige stukken niet meer konden worden aangeleverd. De laatste vijf jaar werken we in dat proces volledig digitaal, waardoor die opmerking zich niet meer kan herhalen.

Meermaals komt de opmerking terug dat bepaalde stukken als verantwoording van de verificatiewerkzaamheden van de dossierbeheerders niet voorgelegd konden worden. De FOD Financiën neemt die opmerking mee en bekijkt in een actieplan in welke mate ze daaraan in de toekomst in haar werkprocedures kan tegemoetkomen.

Ten slotte zijn er opmerkingen aangaande de controle van de facturatie en de oplevering van de diensten in het kader van die bestellingen. Ook die opmerkingen zullen worden opgenomen in een actieplan.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, ik denk dat het een blijvende opdracht is. We vragen van onze administraties in de komende jaren heel wat inspanningen, want er staan gigantisch veel hervormingen bij de verschillende ministers op de planning, en dat met steeds minder mensen in de administratie. Het zal dus ook belangrijk zijn om ervoor te zorgen dat we in die oefening die opdrachten niet structureel uitbesteden, maar maximaal ook in huis proberen te zetten. Dat is alleszins onze visie en het is onze oproep om dat ook te blijven doen.

Ik ga ervan uit dat de aanbevelingen consistent en consequent worden toegepast, want op dat vlak moet de overheid het goede voorbeeld geven en dient een sterk signaal te worden gegeven.

Voorzitter:

Les questions n°s 56010384C, 56010388C et 56010392C de M. Hugues Bayet sont postposées.

De onderwerping van culturele vzw's aan de vennootschapsbelasting

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt de langlopende fiscale onzekerheid voor culturele vzw’s (zoals festivals) over vennootschapsbelasting, die volgens hem al sinds 1976 bestaat en verergerd wordt door wisselende rechtspraak (bv. Graspop-arrest 2016). Hij belooft een hervorming die rekening houdt met hun maatschappelijk karakter en concurrentieneutraliteit, maar weigert concrete criteria of timing te geven omdat het dossier nog in voorbereiding is. Niels Tas bekritiseert de blijvende onduidelijkheid—verergerd door wisselende fiscale handhaving—en dringt aan op objectieve, meetbare criteria om de "juiste ingesteldheid" van vzw’s te garanderen, plus een duidelijke timing; Jambon bevestigt enkel dat de hervorming "in volle voorbereiding" is en mogelijk dit jaar nog ter sprake komt.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, de fiscale onzekerheid treft de culturele sector, en in het bijzonder de festivalsector, zeer hard. Negentig procent van de festivals opereert vandaag via een vzw-structuur. Het argument als zouden ze te professioneel werken, terwijl hun opbrengsten zeer vaak volledig worden geherinvesteerd in het maatschappelijk doel en ze hoofdzakelijk met vrijwilligers werken, dreigt een diverse festivalcultuur te treffen door de financiële druk en de dreiging van commercialisering of overname.

U bevestigde in onze commissie op 12 november de intentie om culturele vzw’s met de juiste ingesteldheid te beschermen en de wetgeving rond de vzw-fiscaliteit aan te passen, conform het regeerakkoord, om ook misbruik tegen te gaan. U stelde echter ook dat de onderwerping aan de vennootschapsbelasting een feitelijke beoordeling vereist die geval per geval moet gebeuren en dat algemene uitspraken complex zijn. Dat laatste draagt net bij tot de huidige onzekerheid.

Culturele vzw’s als de Roma en Dranouter worden geconfronteerd met die fiscale procedures, terwijl ze in essentie hun maatschappelijke rol vervullen door culturele participatie en gemeenschapsvorming te stimuleren.

In het licht daarvan heb ik voor u een aantal vervolgvragen, waarvoor ik verwijs naar de vragen zoals ik die heb ingediend.

Hoe zult u de verklaarde politieke intentie om legitieme culturele vzw's te beschermen vertalen in concrete, objectieve en meetbare criteria in de aangekondigde wetsaanpassing? Welke mechanismen zullen worden ingebouwd om te verzekeren dat de fiscale administratie deze 'juiste ingesteldheid' en het ideële karakter van een vzw op een voorspelbare manier kan vaststellen, en niet langer enkel op basis van subjectieve interpretaties van handelsmethodes?

Hoe zal de minister ervoor zorgen dat de "feitelijke beoordeling" in de toekomst voorspelbaar en objectief wordt, zodat culturele vzw's weten welke mate van 'professionaliteit' of welke omvang van activiteiten aanvaardbaar is, en hoe hij zijn intentie om vzw's met de 'juiste ingesteldheid' te beschermen, zal vertalen naar wetgevende criteria?

De onzekerheid zal pas verdwijnen wanneer de wetgeving is aangepast. Welke timing voorziet de minister om hiervoor een wetsontwerp voor te leggen of de criteria te verduidelijken?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, uiteraard ben ik mij bewust van de problematiek waarmee die vzw’s geconfronteerd worden. Het is inderdaad niet altijd duidelijk voor vzw’s uit de cultuursector om te bepalen of ze onder de vennootschapsbelasting dan wel onder de rechtspersonenbelasting vallen. In tegenstelling tot wat u lijkt te suggereren in uw vraagstelling is dat echter allesbehalve een recent probleem. De problematiek bestaat al sinds 1976, toen men de huidige opdeling tussen de vennootschaps- en de rechtspersonenbelasting wettelijk geregeld heeft. Sindsdien zijn er tal van juridische procedures geweest.

Ik verwijs bijvoorbeeld naar een zaak omtrent de vzw Graspop, waarbij het Hof van Cassatie oordeelde dat de organiserende vzw aan de vennootschapsbelasting moest worden onderworpen. Dat is de uitspraak F.14.0197.N van 16 juli 2016 van het Hof van Cassatie.

Het is net om die al lang bestaande problematiek uit de wereld te helpen dat mijn beleidscel momenteel werkt aan een hervorming. Bij die hervorming wordt rekening gehouden met zowel het bijzondere karakter van deze organisaties als het garanderen van de concurrentieneutraliteit. De vragen die u stelt, zijn terechte vragen en raken aan de kern van hoe zo’n hervorming er zou moeten uitzien. Omdat mijn kabinet momenteel bezig is met de voorbereiding van die hervorming, wil ik niet vooruitlopen door deze vragen nu al te beantwoorden.

Zodra mijn kabinet een hervorming heeft uitgewerkt, zullen we die bespreken binnen technische werkgroepen en binnen de regering, en zal ik dat uiteraard communiceren aan het Parlement. De werkzaamheden zijn in volle voorbereiding.

Niels Tas:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor de erkenning van het probleem. Het klopt inderdaad, dit sleept al lang aan. Het heeft soms ook te maken met het moment waarop de fiscus daar extra aandacht aan besteedt en met de manier waarop dat dan extra in de picture komt. Ik heb nog één vraag ter verduidelijking. Is het de ambitie om daar dit jaar nog mee naar het Parlement te komen, zodat daar duidelijkheid over bestaat? (Ja) Dank u wel.

De kwetsbare situatie van sommige kmo's in het licht van de overstap naar het Peppol-netwerk
Peppol, de tolerantieperiode en de federale overheid als facturerende partij
Peppol voor iedereen... behalve voor de overheid
Peppol-implementatie en uitdagingen voor kmo's en overheid

Gesteld aan

Les Engagés Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid), N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne kritiseert dat overheidsdiensten zoals het Belgisch Staatsblad (FOD Justitie) en FOD Financiën niet Peppol-compliant zijn, ondanks de verplichting sinds 1 januari 2026, en ondernemers wel verplicht met hybride systemen werken. Jambon bevestigt dat Peppol enkel geldt voor btw-belastingplichtigen (inclusief overheden bij btw-plichtige handelingen) en tolerantie hanteert, maar erkent dat G2B-documenten (zoals aanslagbiljetten) nog niet onder de verplichting vallen—wetgevend werk is nodig voor volledige wederkerigheid. Van Quickenborne eist dat het Belgisch Staatsblad (btw-plichtig) onmiddellijk Peppol gebruikt en dringt aan op leading by example, terwijl Jambon belooft mee te werken aan uitbreiding naar G2B, maar wijst naar collega-ministers voor uitvoering. Kritiekpunt blijft: ondernemers moeten digitaliseren, terwijl de overheid zelf papier blijft gebruiken (cfr. LinkedIn-reacties).

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, sinds 1 januari van dit jaar is Peppol verplicht. Wat blijkt echter? Het Belgisch Staatsblad , u kent dat ongetwijfeld, heeft op 13 januari een factuur per post verstuurd.

De betrokken dienst van de FOD Justitie geeft aan dat de verzending van uitgaande facturen via Peppol technisch nog niet volledig operationeel is, dat er nog testen lopen en dat de facturen voorlopig via de ‘gebruikelijke kanalen’ worden verstuurd. De postduif is daar niet meer bij, maar het gaat wel degelijk nog om de klassieke post.

Mijnheer de minister, ik dacht dat e-facturatie door de overheid al langer verplicht was. Voor bedrijven geldt die verplichting nu vanaf 1 januari 2026.

Mijn eerste vraag luidt dan ook als volgt: kunt u ons meedelen welke federale overheidsdiensten vandaag, sinds 1 januari 2026, effectief in staat zijn om uitgaande facturen via Peppol te verzenden en welke niet? Vindt u dat soort gedrag van een overheidsdienst aanvaardbaar?

U hebt een tolerantieperiode ingelast en er komen geen boetes, op voorwaarde dat er inspanningen worden geleverd. Vindt u dat de FOD Justitie en het Belgisch Staatsblad die inspanningen leveren, of vindt u dat ze niet doen wat ze moeten doen? Erkent u bovendien dat ondernemers die vandaag geconfronteerd worden met het in gebreke blijven van de overheid nu moeten werken met een hybride systeem, terwijl zij zelf Peppol-compliant moeten zijn?

Mijn tweede vraag gaat over iets anders. Ik volg nogal de sociale media, vooral LinkedIn, een heel interessant medium, dat u waarschijnlijk kent. Daar verscheen een post van iemand met de naam Bart Vanraes. Collega’s, Bart Vanraes is een freelance preventieadviseur en omschrijft zichzelf als een safety maverick . Dat is altijd interessant, zo’n maverick . Hij postte op LinkedIn een bericht waarin hij het aanslagbiljet van de vennootschapsbelasting deelde, met een pijnlijk punt. Hij schreef dat hij van de FOD Financiën nog altijd aanslagbiljetten via de post ontvangt. Er is dus een klein probleem, want de documenten komen niet binnen via zijn verplichte Peppol-platform.

Die post kreeg enorm veel reacties, mijnheer de minister. Het ging om meer dan 2.000 likes en 167 commentaren. Dat betekent wel wat op LinkedIn. Ik begrijp die reactie ook wel. Hij zegt dat men van ondernemers verwacht dat alles via Peppol verloopt, met als doel minder administratie, minder fouten, meer efficiëntie en meer controleerbaarheid, maar waarom geldt dat principe dan niet voor de overheid?

Er kwamen dus heel veel reacties op. Sommige mensen zeiden dat Peppol enkel geldt voor btw-plichtige partijen en dat de overheid dat niet is, zodat ze dat niet hoeft te volgen. In andere reacties werd erop gewezen dat er een verschil is tussen btw-plicht en btw-belastingplicht. Blijkbaar bevinden bepaalde vzw’s, bpost en verzekeraars zich ook in een uitzonderingspositie. Dat is wat mensen op LinkedIn aangeven.

Ook al is een aanslagbiljet geen factuur, het blijft voor ondernemers natuurlijk wel een document dat verwerkt moet worden. Vandaag gebeurt dat nog altijd door openen, scannen, uploaden en manueel boeken, terwijl de belofte van Peppol net automatisering is.

Mijn vraag luidt dan ook, mijnheer de minister, klopt het dat aanslagbiljetten van bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting niet via het Peppol-netwerk kunnen worden afgeleverd en dus nog via de post of andere kanalen worden verstuurd? Kunt u helder uitleggen wat het verschil is tussen btw-plichtig en btw-belastingplichtig en waarom dat verschil ertoe leidt dat sommige diensten en instellingen ‘niet moeten meedoen’?

Vindt u het verantwoord dat de overheid e-facturatie oplegt aan de bedrijfswereld, maar zelf niet systematisch dezelfde digitale standaard toepast? Bent u bereid het principe van leading by example toe te passen en te bekijken hoe we kunnen evolueren naar een model waarin ook G2B-documenten, dus government-to-businessdocumenten, digitaal kunnen worden verwerkt? Welke stappen zet u om de administratieve lasten voor ondernemers echt te verminderen, in plaats van die te verplaatsen naar scan- en plakwerk bij de boekhouder?

Dat zijn veel vragen, mijnheer de minister, maar u weet dat steeds meer mensen Peppol volgen. Ik weet dat u daar veel inspanningen voor levert, maar er zijn toch een aantal vragen waar mensen mee zitten. Ze kijken nu allemaal live naar u om te zien wat u daarover te zeggen hebt.

Jan Jambon:

Dan zal ik eerst die mensen groeten, om u vervolgens van antwoord te dienen.

Voor e-facturatie is het cruciaal een onderscheid te maken tussen de nieuwe verplichting die enkel betrekking heeft op belastingplichtige ondernemingen en e-facturen die door een onderneming aan een overheid worden uitgereikt in het kader van een overheidsopdracht. De eerste verplichting houdt in dat Belgische btw-belastingplichtigen, inclusief overheden, onderling gestructureerde elektronische facturen moeten gebruiken vanaf 1 januari 2026. Dat is een belangrijke stap in de digitalisering van onze economie.

Zoals bij elke belangrijke operationele vernieuwing kunnen welwillende ondernemingen door omstandigheden buiten hun wil om soms niet tijdig aan die nieuwe verplichting voldoen. Om die reden zal mijn administratie, zoals ik al meermaals heb gezegd, gedurende de eerste drie maanden van 2026 geen sancties opleggen aan ondernemingen die kunnen aantonen dat ze tijdig en op redelijke wijze inspanningen hebben geleverd om de nieuwe verplichting na te leven. Die tolerantie geldt uiteraard ook voor welwillende overheden.

Ik maak u er tevens attent op dat deze nieuwe verplichting enkel geldt voor de handelingen van de overheden waarvoor btw verschuldigd is. Het is wel degelijk de bedoeling, zoals u aangeeft, om verder te gaan en volledige wederkerigheid te bieden. Daarvoor is echter nog wetgevend werk nodig. Die doelstelling is als maatregel opgenomen in het regeerakkoord, op bladzijde 59. Ik citeer: “net zoals voor ondernemingen zal voor de overheid de elektronische facturatie naar ondernemingen verplicht worden”, inderdaad in een G2B-context. Facturatie in een G2B-context valt evenwel buiten mijn bevoegdheid. Collega-minister Matz vermeldt deze maatregel echter uitdrukkelijk in haar beleidsnota. U kunt dan ook ongetwijfeld bij haar terecht voor verdere vragen over dit onderwerp.

Gelet op de grote diversiteit aan mogelijke redenen waarom een onderneming niet compliant is, werd ervoor gekozen geen lijst van criteria op te stellen. U geeft zelf aan in uw vraag dat het Belgisch Staatsblad een instelling is die niet onder mijn bevoegdheid valt. Specifieke vragen over de werking van die instelling dient u dan ook te richten aan mijn collega-minister van Justitie.

De tweede verplichting betreft enkel ondernemingen die e-facturen versturen naar overheden in het kader van overheidsopdrachten. Dat betekent dat overheden geen facturen verzenden, maar wel in staat moeten zijn om facturen te ontvangen. Voor vragen hierover verwijs ik u door naar mijn collega-minister van Modernisering van de overheid.

Verder heeft de overheid in haar communicatie naar burgers en ondernemingen sterk ingezet op digitale communicatie. e-Box Enterprise is de beveiligde elektronische brievenbus die alle officiële communicatie tussen ondernemingen en overheidsinstellingen op één plek samenbrengt. Aanslagbiljetten in de vennootschapsbelasting vallen niet onder de B2B-verplichting. Het valt af te wachten of aanslagbiljetten gevat zullen zijn door de nog te ontwikkelen G2B-regelgeving. Mijn administratie is alleszins bereid daaraan mee te werken, als daarnaar gevraagd wordt.

Op de website efactuur.belgium.be vindt u bovendien een artikel waarin duidelijk wordt uiteengezet voor wie e-facturatie verplicht wordt. De algemene regel is dat bij facturatie tussen Belgische ondernemingen de nieuwe verplichting inzake e-facturatie geldt. Daarop bestaan enkele uitzonderingen, zoals ondernemingen die uitsluitend door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen verrichten. Die moeten geen e-facturen kunnen ontvangen of verzenden.

Dat betekent concreet dat scholen, ziekenhuizen, instellingen voor jeugd-, bejaarden- en gehandicaptenzorg, ziekenfondsen en bibliotheken niet onder die verplichting vallen. Artikel 44 omvat ook verzekeringsactiviteiten en financiële activiteiten, zoals de verlening van kredieten. Die vrijstellingen zijn vaak afhankelijk van specifieke voorwaarden, zoals erkenning door de overheid, afwezigheid van een winstoogmerk enzovoort.

Een in België gevestigde onderneming moet zich registreren voor de btw, als ze belastingplichtig is. Een onderneming is btw-plichtig, als ze regelmatig en zelfstandig goederen levert of diensten verricht die in het Btw-Wetboek omschreven zijn. Als de onderneming alleen activiteiten uitoefent die vrijgesteld zijn van btw, de artikel 44-handelingen, en ze daardoor ook geen enkel recht op aftrek heeft, moet ze zich niet registreren. Het zijn dus btw-belastingplichtigen, maar ze hebben meestal geen Belgisch btw-identificatienummer.

Ten opzichte van publiekrechtelijke lichamen die handelen als overheid, voorziet het Btw-Wetboek in een uitzondering op het principe dat iedereen die geregeld en zelfstandig handelingen verricht, in dat wetboek wordt aangemerkt als belastingplichtige. De Staat, de gemeenschappen en de gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtig aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die ze als overheid verrichten.

Op overheidsdiensten moet dus ook geen btw betaald worden door ondernemingen en burgers. Publiekrechtelijke lichamen zijn wel belastingplichtig, als de kwalificatie als overheid concurrentieverstoring van enige betekenis met zich zou brengen.

Voorts ben ik het wel met u eens dat de overheid het goede voorbeeld moet geven onder het motto practice what you preach . Wat dat betreft, moeten we nog wat stapjes doen.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u voor uw heldere antwoord, mijnheer de minister, dat door de vele kijkers en luisteraars wel geapprecieerd zal worden, want u hebt het goed uitgelegd. De verplichting van Peppol sinds 1 januari 2026 geldt voor iedereen die btw-plichtig is, dus ook voor overheden die btw-plichtig zouden zijn. Het komt me voor dat het Belgisch Staatsblad , dat niet uw verantwoordelijkheid is maar die van de FOD Justitie, ter zake dringend inspanningen moet leveren en zijn facturen via Peppol doorstuurt. Het ging over een factuur voor publicatie in het Belgisch Staatsblad , en dat is onderworpen aan btw. Ik veronderstel dat die factuur dan ook op die manier moet worden bezorgd. Als u dus uw collega, mevrouw Verlinden, tot bekwame spoed kunt aanzetten om Peppol te gebruiken voor haar diensten, zou dat geapprecieerd worden. Ik onthoud ook dat men voor alle andere overheden zonder btw-plicht van plan is over te gaan tot elektronische facturatie G2B, conform het regeerakkoord, een bevoegdheid van uw collega Matz. Dat is een goede zaak. U bent bereid daar eventueel de aanslagbiljetten aan toe te voegen. Overigens, het is goed bedrijven eraan te herinneren dat ze via de e-Box Enterprise, de digitale box voor bedrijven, aanslagbiljetten van de fiscus kunnen ontvangen en daarmee aan de slag kunnen gaan. In het algemeen leeft bij mensen de indruk dat de overheid hen verplicht om digitaal te communiceren; dat is nu eenmaal efficiënter en ook beter controleerbaar. Als de overheid echter is van de bevolking vraagt, verwacht men dat de overheid dat minstens zelf ook doet en het goede voorbeeld geeft. U hebt daarop gewezen en dat wordt geapprecieerd. Ik besluit met wat Bart Vanraes, de zogenoemde Safety Maverick, op LinkedIn daarover zei – ik citeer: “Het voelt toch ergens onlogisch en onrechtvaardig aan: van zaakvoerders wordt digitale discipline geëist, terwijl een deel van de overheid zelf blijft vasthouden aan papier.” De boodschap lijkt alvast te zijn aangekomen bij u. Ik dank u dan ook voor uw antwoord, mijnheer de minister.

De praktische modaliteiten van de belastinghervorming

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Piedboeuf vraagt om verduidelijking over de geplande fiscale aanpassingen (drempelverlaging naar 70.000€, uitbreiding naar jonge doctoren) en bekritiseert administratieve knelpunten (trage rulings, gebrek aan coördinatie) die de aantrekkingskracht van België voor talent ondermijnen. Minister Jambon bevestigt dat de maatregelen vanaf 2025 gelden, schat de budgettaire impact van een 35%-abattement als beperkt in, en wijst op lopende communicatie over de uitvoering, maar ontwijkt concrete garanties voor vereenvoudiging. Piedboeuf bekritiseert impliciet de traagheid van de commissie Financiën, terwijl de voorzitter onverwachts verwante vragen over meerwaardebelasting intrekt.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, l’accord de coalition fédéral 2025-2029 engage le gouvernement à renforcer le régime fiscal dédié aux chercheurs et salariés entrants afin d’améliorer la position de la Belgique dans la compétition européenne pour les talents et les investissements à haute valeur ajoutée.

Deux mesures sont actées: abaissement du seuil de rémunération de 75 000 à 70 000 euros bruts, et extension de ce régime aux jeunes docteurs ayant moins de cinq ans d’expérience professionnelle, même en deçà de ce seuil. Ces avancées répondront aux attentes des employeurs, universités et centres de recherche. Cependant, la réforme de 2022 a révélé que le manque de clarté des textes d’application, les délais excessifs de ruling et l’absence de coordination entre le SPF Finances, les employeurs et les institutions académiques peuvent transformer une mesure d'attractivité en source de contentieux.

Dans ce contexte, alors que le budget fédéral 2026 est en négociation, il est essentiel que le gouvernement précise le calendrier, les modalités et les garde-fous administratifs nécessaires. Je me permets donc de vous poser trois questions:

1. Concernant un éventuel relèvement de l’abattement à 35 %, la suppression du plafond de 90 000 euros ou d’autres modifications structurelles du régime: quels scénarios sont étudiés, avec quel calendrier de décision et quelle évaluation d’impact budgétaire?

2. Quel est le calendrier précis de mise en œuvre de l’abaissement à 70 000 euros et de l’extension aux jeunes docteurs? Les arrêtés d’exécution et circulaires interprétatives seront-ils publiés avant le 31 décembre 2025 pour une entrée en vigueur au 1 er janvier 2026? Quelles mesures d’accompagnement sont-elles prévues (guide, webinaire, hotline)?

3. Quelles garanties concrètes assurez-vous pour une réelle simplification administrative? Un guichet unique sera-t-il mis en place? Un délai maximal pour le traitement des rulings et un dispositif d’évaluation annuel de l’impact administratif seront-ils instaurés?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, ces mesures étaient reprises dans les articles 15 à 17 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses.

Le coût budgétaire pour le relèvement de l'abattement à 35 % n'était pas estimable. Néanmoins, le coût devrait être assez limité, puisqu'une entreprise qui souhaite absolument attirer un cadre ou chercheur étranger ne fera pas beaucoup de différence entre octroyer une rémunération de 70 000 euros ou 75 000 euros. Le coût budgétaire pour la suppression du montant maximum de 90 000 euros est estimé à 2,49 millions d'euros sur la base d'un taux marginal de 50 %.

Pour l'extension du régime aux jeunes docteurs ayant moins de cinq ans d'expérience professionnelle, il existe le régime des chercheurs impatriés prévu à l'article 32/2 du Code des impôts sur les revenus 1992 qui est également concerné par les changements évoqués.

Le calendrier de la mise en œuvre est précisé à l'article 17 qui stipule que les mesures sont applicables à partir de l'année de revenus 2025.

Comme la loi a récemment été publiée au Moniteur belge , mon administration prépare actuellement les communications nécessaires pour que les contribuables soient bien informés.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le président, la raison pour laquelle on arrive seulement à ma question est en partie imputable au président qui a retardé les travaux en commission des Finances. C'est un clin d'œil que je lui fais.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nrs. 56010501C, 56011131C, 56011195C en 56010558C van mevrouw Alexia Bertrand, de heer Hugues Bayet en mezelf over de meerwaardebelasting worden ingetrokken.

De bescherming van onze burgers in het licht van de digitalisering van de bankdiensten

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

Les Engagés Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz bekritiseert dat Belgische banken door digitalisering en sluiting van fysieke kantoren klanten dwingen naar online diensten zonder lagere kosten of betere service, terwijl ze verplicht zijn een rekening te hebben. Ze noemt het bankgedrag—zoals het opzettelijk clusteren van geldautomaten in Liège, waardoor hele wijken zonder blijven—"schandalig" en wijt dit aan politiek falen om banken te verplichten tot maatschappelijke verantwoordelijkheid. Minister Jan Jambon stelt dat banken als commerciële ondernemingen vrije strategiekeuzes hebben binnen de wet, maar benadrukt overheidsinitiatieven zoals afspraken over transparantie van spaarrekeningen en spreiding van geldautomaten (waarvan de evaluatie loopt). Hij wijst direct ingrijpen af, maar erkent dat de overheid kan bemiddelen waar nodige aanpassingen binnen haar bevoegdheid vallen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, la numérisation des services bancaires en Belgique ces dernières années a entraîné de grands changements dans l’accessibilité et l’efficacité des banques au service des citoyens. Objectif: réduire les coûts et augmenter les profits des banques.

Parmi ces changements, on retrouve la diminution du nombre d’agences bancaires accessibles physiquement. Les banques ferment de plus en plus les agences physiques, et forcent les citoyens à faire toutes leurs démarches sur internet. Pourtant, beaucoup ont besoin d'avoir un contact humain avec leur banque.

Les Belges subissent ces changements sans aucune contrepartie. On pourrait s’attendre à ce que la fermeture des agences engendre une diminution des coûts d’opération des banques et donc une diminution des frais à charge des citoyens, ou alors que de nouveaux services leur soient offerts, mais rien. Les banques changent, les Belges subissent et les intérêts continuent de stagner.

Monsieur le ministre, quelles actions allez-vous entreprendre pour que les banques implantées en Belgique prennent en compte les réalités et besoins des Belges dans leurs décisions stratégiques?

Jan Jambon:

Madame Schlitz, il convient de rappeler que les banques, comme toutes les entreprises commerciales, sont libres de déterminer dans le respect du cadre réglementaire applicable leurs stratégies et politiques commerciales, en ce compris les dimensions sociétales qu'elles souhaitent prendre en compte dans ce cadre. Il ne m'appartient pas, comme ministre des Finances, de me substituer aux organes de gestion des banques.

Chaque citoyen est libre de choisir la banque avec laquelle il souhaite nouer ou poursuivre une relation de clientèle. Ceci étant, cela n'empêche nullement le gouvernement de prendre des initiatives lorsque, dans les domaines qui relèvent de ses compétences, il constate que des interventions sont souhaitables ou nécessaires. Ainsi, il est arrivé que le gouvernement négocie et conclue avec le secteur bancaire un protocole visant à simplifier et augmenter la transparence en matière de compte d'épargne réglementé.

De même, dans le cadre de la volonté de garantir à tous les citoyens un accès satisfaisant aux espèces, un protocole a été conclu entre les parties prenantes fixant le nombre et la répartition des distributeurs automatiques de billets sur notre territoire. L'évaluation de ce réseau est d'ailleurs en cours, en concertation avec mon collègue le ministre de l'Économie.

Le secteur public a l'obligation de servir tous les citoyens via les canaux numériques, ou analogiques si les gens le demandent. Une banque est une institution commerciale, et c'est à elle de définir sa politique commerciale. Je ne veux et ne peux pas y intervenir.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse. Les banques ne sont pas des entreprises comme les autres, étant donné que les citoyens sont aujourd'hui contraints d'avoir un compte en banque. On ne peut pas vivre en Belgique sans compte en banque. Vous avez besoin, dans votre vie, de pouvoir retirer de l'argent pour pouvoir payer certaines choses et donc faire fonctionner l'économie. On ne peut vraiment pas dire que les banques soient des entreprises comme les autres qui font ce qu'elles veulent.

C'est un choix politique de ne pas vouloir davantage contraindre les banques à leurs responsabilités sociétales. On voit bien le protocole que vous évoquiez sur la disponibilité et l'accessibilité des distributeurs de billets. L'attitude des banques dans ce dossier est scandaleuse. D'abord, elles ont refusé pendant des années d'entrer en négociation et d’installer des distributeurs aux endroits utiles. Maintenant qu'il existe un plan de répartition, que font-elles? Dans ma ville, à Liège, elles se sont amusées à concentrer tous les distributeurs au même endroit. Ainsi, il continue à y avoir des zones blanches, des quartiers entiers sans aucun distributeur, et des endroits où on en trouve dix. Est-ce vraiment l'esprit de l'accord qui avait été passé? Les banques sont-elles vraiment des acteurs de bonne volonté, alors que les citoyens sont obligés de passer par elles?

Aujourd'hui, oui, il appartient au politique de remettre les banques face à leurs responsabilités dans leurs contacts avec la population et dans les services qu'elles rendent à la population, mais il choisit de ne pas le faire.

Voorzitter:

La question n° 56010531C de M. Xavier Dubois est postposée.

De containerscreening in de Antwerpse haven

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet bekritiseert dat slechts 0,5% van de conteneurs in Antwerpen wordt gecontroleerd, wat volgens het parket leiden zou tot tonnen cocaïne en geweld in steden, en vraagt waarom economische belangen (PIB-verlies) zwaarder lijken te wegen dan veiligheid. Minister Jambon verdedigt de aanpak: in 2024 werden 45.000 conteneurs gescand (125/dag) via risicoanalyse en samenwerking met internationale partners, met extra budget voor personeel en technologie om 100% van risicocontainers te controleren. De Smet erkent inspanningen maar twijfelt aan de effectiviteit en waarschuwt voor corruptie- en veiligheidsrisico’s bij haastige werving van douaniers en dockers, vergelijkbaar met problemen bij gevangenispersoneel. Jambon benadrukt continue verbetering, zonder concreet te reageren op de corruptiekwestie.

François De Smet:

Monsieur le ministre, il y a quelques semaines, le procureur général du parquet général de Bruxelles s’est exprimé en ces termes: " Lutter contre la criminalité organisée, c’est aussi toucher à la liberté d’entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d’Anvers: il n’y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés. Et on nous dit clairement que si on contrôle 15 % des conteneurs, Anvers va perdre des parts de marché. C’est inaudible pour nous. Mais le résultat, ce sont des tonnes et des tonnes de cocaïne qui rentrent par Anvers. Si on veut vraiment lutter contre la criminalité organisée, il faudra aussi accepter de perdre des points de PIB."

Depuis cette déclaration, j’ai eu l’occasion d’interpeller plusieurs de vos collègues du gouvernement, notamment le ministre de l’Intérieur, et tous me renvoient vers vous en tant que ministre compétent pour les douanes. Je ne doute donc pas que vous allez répondre courageusement aux questions suivantes puisque – c’est ce que je répète inlassablement depuis les premiers jours de ce gouvernement –, tant que le port d’Anvers laissera passer la cocaïne, nous aurons des tirs de kalachnikovs dans les rues de Bruxelles comme d’Anvers.

Monsieur le ministre, quelles sont les justifications de ce taux apparemment très faible de contrôle des conteneurs au port d’Anvers? Pouvez-vous confirmer le chiffre avancé par le procureur général du parquet de Bruxelles? Quelles mesures le gouvernement compte-t-il prendre pour accélérer et renforcer le contrôle des conteneurs, si l’on veut réellement lutter contre le narcotrafic et l’entrée de cocaïne par le port d’Anvers?

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, au port d’Anvers, l’administration des douanes n’a jamais scanné autant de conteneurs qu’en 2024, avec plus de 45 000 unités contrôlées, grâce aux capacités de scanners fixes et à l’extension des capacités de scanners mobiles. Cela représente en moyenne 125 conteneurs scannés par jour calendrier.

L’opération de scannage s’inscrit dans un processus logistique complexe, qui nécessite que l’ensemble des éléments s’articulent de manière fluide. L’administration travaille sur la base d’une analyse des risques. L’objectif n’est pas de scanner tous les conteneurs du port, mais de concentrer les contrôles sur les conteneurs identifiés comme présentant un risque.

Grâce aux collaborations avec les autres partenaires de sécurité en Belgique, avec les administrations douanières en Amérique latine et avec des organisations internationales actives dans ce domaine telles que l'Office des Nations Unies contre la drogue et le crime (ONUDC), il est possible d’avoir une vision de plus en plus précise de ce que sont des conteneurs à risque.

La lutte contre le trafic de drogue est un exercice continu. L’administration des douanes s’efforce donc en permanence d’améliorer le fonctionnement de ses équipes en investissant dans de meilleures formations, de meilleurs outils informatiques et de meilleurs équipements.

Un budget supplémentaire a récemment été alloué au recrutement de nouveaux collaborateurs dans le cadre du projet visant le scannage à 100 % des conteneurs à risque. Dans le port d’Anvers, la capacité de l’équipe de surveillance et de l’équipe de scan a ainsi été renforcée. Par ailleurs, l’administration douanière est en permanence à la recherche de nouvelles technologies et envisage également des partenariats avec des acteurs de la sécurité, des services douaniers étrangers, les secteurs économiques et le monde scientifique afin d’intensifier la lutte et d’obtenir des résultats encore meilleurs.

François De Smet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Personne ne dit que vous ne faites rien et il est vrai que des investissements sont consentis. Toutefois, vous me répondez avec des chiffres absolus et non en pourcentage. Je prendrai donc le temps d’analyser ce qu’il y a derrière ces chiffres et je reviendrai vers vous.

Personne ne demande de scanner la totalité des conteneurs, car nous savons que c’est impossible. Atteindre un taux de 100 % pour les conteneurs à risque serait déjà fantastique. Il faudra également encadrer les nouveaux arrivants. Le problème des dockers et des agents des douanes est comparable à celui des gardiens de prison. Ce sont des professions confrontées à un narcotrafic extrêmement puissant sur le plan financier et très violent. Ces personnes sont particulièrement exposées à l’extorsion, aux menaces, au chantage et à la corruption.

Ce phénomène est observable chez les gardiens de prison, notamment lorsqu’ils sont engagés et formés trop rapidement. Le même risque existe pour les dockers et, le cas échéant, pour les agents des douanes. Je souhaitais simplement vous sensibiliser à cet aspect.

Voorzitter:

Chers collègues, pour les questions jointes qui suivent, Mme Marie Meunier s’est excusée. Elle est devenue maman d’une petite fille et je lui adresse toutes nos félicitations. M. Frédéric Daerden s’est également excusé. La parole est donc à Mme Alexia Bertrand puis M. Kemal Bilmez.

De stijging van de energieprijzen
De verhoging van de gasrekening voor de gezinnen
De verhoging van de accijnzen en de 'ecofiscaliteit'
De verhoging van de accijnzen en de gasprijs
Stijgende energiekosten en belastingen voor huishoudens

Gesteld aan

MR Mathieu Bihet (Minister van Energie), N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert de accijnsverhoging op gas als een vermomde belastingverhoging om de begroting te spekken, met risico op energiearmoede voor huurders en jong gezinnen die geen warmtepomp kunnen betalen; ze noemt de timing (voorlopen op EU-regels) onnodig en vraagt zich af of het groen beleid of fiscale opportunisme is. Kemal Bilmez wijst op de 50% gasprijsstijging en vraagt of de accijnsverhoging nu niet extra pijnlijk is, terwijl 90% geen sociaal tarief krijgt; hij bekritiseert de regering als een "taksregering" die loonwaarde en welzijn negeert. Minister Jambon verdedigt de maatregel als gefaseerde klimaatsturing (79€/gezin/jaar, volgens CREG), benadrukt steunmaatregelen (sociaal tarief, EU Klimaatfonds) en elektrificering, maar erkent dat aanpassingen nog mogelijk zijn; hij stelt dat voortijdig handelen toekomstige schokken voorkomt. Bertrand en Bilmez blijven skeptisch: ze verwachten hogere kosten (tot 500€/jaar), zien onvoldoende klimaatfocus en beschuldigen de regering van begrotingsmotieven onder groene dekmantel.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de verhoging van de accijnzen en de ecofiscaliteit. U hebt die voorgesteld, ook in de tabellen, als een ecologische taxshift, om gedrag te sturen. Ik maak mij daar toch zorgen over. Wanneer ik naar de effectieve cijfers kijk, krijg ik eerder de indruk dat het gaat om een platte belastingverhoging en dat het klimaat wordt gebruikt als excuus om gaten in de begroting te vullen. Dat kan een aantal mensen blindelings treffen, mensen die geen keuze hebben.

Ik maak mij ook zorgen over de stapeling van facturen. U verhoogt de accijnzen, wat goed is voor 365 miljoen euro extra inkomsten, maar we weten allemaal dat er een Europese CO ₂ -taks aankomt en dat de btw in 2030 verplicht terug naar 21 % moet. Niet alleen ik, maar ook experts waarschuwen voor een stijging van 500 euro per jaar.

Wat u wilt doen, en dat is op zich een nobel doel, is mensen richting warmtepompen sturen. De vraag is dan wat u doet met de huurder die afhankelijk is van de oude ketel van zijn huisbaas, of met het jonge gezin dat net heeft gekocht en geen 20.000 euro heeft liggen voor een energetische renovatie. Warmtepompen zijn duur. Ik vrees dat u die mensen richting energiearmoede duwt.

Wanneer ik naar de begrotingstabellen kijk, zie ik dat de inkomsten uit de accijnzen op aardgas en huisbrandolie jaar na jaar stijgen. Waarom is dat zo?

Tot slot is er de timing. Europa verplicht die verhogingen vandaag nog niet, maar u kiest ervoor om vooruit te lopen op de regels. Dat is een voorbeeld van gold-plating , iets wat u zelf vaak bekritiseert. Waarom wilt u roomser zijn dan de paus en iedereen nu al laten betalen, jaren voor het moet? Is dat werkelijk groen beleid, of is het gewoon een snelle manier om uw begroting op orde te zetten?

Kemal Bilmez:

Monsieur le ministre, sur base des données de l'index ICE, qui détermine le prix du gaz naturel, le prix du gaz a augmenté en passant de 27 à 42 euros par MWh depuis le mois dernier. C'est une augmentation de 50 %.

Avec l'augmentation des accises que j'avais prévues, la facture va augmenter plus rapidement que prévu pour les ménages. Allez-vous revoir cette hausse des accises vu cette flambée des prix? Soixante pour cent de notre gaz naturel est importé des États-Unis. Est-ce que dépendre si lourdement d'un seul exportateur ne nous met pas en situation de faiblesse?

Jan Jambon:

Chers collègues, je tiens tout d'abord à souligner qu'il reste très difficile, à ce stade, de formuler une estimation précise. Le prix du gaz naturel demeure particulièrement volatile et dépend de plusieurs facteurs externes. De plus, l'accord budgétaire ne prévoit aucune augmentation de la TVA sur le gaz.

S'agissant de l'impact pour les ménages, selon les chiffres actuels de la CREG – il s'agit de chiffres provisoires –, le coût supplémentaire s'élèvera en moyenne à environ 79 euros par famille. Ce montant pourrait évidemment varier en fonction de la consommation et de l'évolution du marché. Sa confirmation dépendra de la forme définitive de la mesure et de l'évolution des prix de l'énergie dans les mois à venir.

Comme je continuerai à le souligner ici, cette mesure fait partie de la loi-programme. Cet avant-projet de loi est actuellement soumis pour avis au Conseil d'État. Ensuite, le projet sera transmis au gouvernement pour une deuxième lecture.

Les modifications restent donc toujours possibles. Je ne vais dès lors pas anticiper sur le contenu de la mesure. Par ailleurs, une réduction des accises sur l'électricité est également prévue afin de favoriser une électrification accrue.

En outre, plusieurs dispositifs existent déjà pour soutenir les ménages vulnérables. Je pense notamment au tarif social de l'énergie, qui demeure un filet de sécurité essentiel pour les personnes en situation de précarité énergétique. En outre, au niveau européen, la création d'un Fonds social pour le climat offrira en outre un soutien financier supplémentaire aux ménages qui rencontrent des difficultés à suivre le rythme de la transition énergétique.

We werken nauw samen met de gewesten om de opbrengsten uit onder andere de ETS-systemen, het CBAM-mechanisme en het Sociaal Klimaatfonds op een evenwichtige manier te verdelen om de gevolgen voor kwetsbare burgers te compenseren. De hervorming van de accijns op aardgas en huisbrandolie gebeurt bewust stapsgewijs. Zo krijgen gezinnen en ondernemingen voldoende voorspelbaarheid en tijd om zich aan te passen. De toename van de inkomsten die in de begroting wordt weergegeven, is een rechtstreeks gevolg van die gefaseerde invoering.

Om de doelstellingen van de Europese Green Deal en de klimaatneutraliteit tegen 2050 te realiseren, is het essentieel om tijdig en consistent bij te sturen. Een vooruitziende aanpak schept duidelijkheid, moedigt investeringen in alternatieve verwarmingssystemen aan en voorkomt dat later ingrijpendere maatregelen nodig zijn.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, u begint met te zeggen dat het moeilijk is om de kostprijs in te schatten, maar u geeft toch een raming van 79 euro per gezin, op basis van de gegevens van vandaag. Dat bedrag van 79 euro is dus jaarlijks.

U zegt dat er geen stijging van de btw op gas is, maar er is wel een verhoging van de accijnzen op gas. Ik heb dus andere ramingen of inschattingen gelezen van experts die eerder spraken over 500 euro. De toekomst zal het ons leren. U spreekt over ongeveer 80 euro per jaar, en dat houdt nog geen rekening met de andere btw-verhogingen. We weten immers dat ook de btw op sport en cultuur, hotels en nog een aantal andere zaken, zoals het frietkot, verhoogd wordt. Als u ons een raming geeft van 79 euro per jaar, ga ik ervan uit dat het bedrag waarschijnlijk hoger zal uitvallen.

U spreekt weinig over die ecologische taxshift. Dat was nochtans de bedoeling van deze hele aanpassing. Ik hoor u weinig over het klimaat spreken, mijnheer de minister.

Misschien had ik toch gelijk dat dit eerder een begrotingsoperatie is. Ik zal daarop in de toekomst terugkomen, wanneer we de reële kosten kennen van uw btw-stijging voor de gezinnen. Dank u wel.

Kemal Bilmez:

Mijnheer de minister, u haalt het sociaal tarief aan. Dat klopt, daar worden mensen mee geholpen, maar slechts 10 % van de bevolking of zelfs minder heeft recht op dat sociaal tarief. Alle anderen moeten die prijsstijging wel betalen. Niet alleen de marktprijs die stijgt, maar daarbovenop komt u met accijnzen. In 2030 zal de btw daarop ook verhogen. Voor al die werkende mensen die geen recht hebben op het sociaal tarief, zal de prijs dus enorm stijgen. Ik wil de woorden van de heer Van Quickenborne niet herhalen, maar dit is echt een regering van taks, taks, taks. Dat is toch niet te doen? Inderdaad, we hebben heel die heisa rond de btw enzovoort. Daar kunt u zeggen dat sommige dingen luxe zijn en niet essentieel voor iedereen, maar energie, uzelf verwarmen, dat moet iedereen doen! En daar verhoogt u opnieuw de prijzen. U doet beloften dat werken meer zal lonen dankzij Arizona. Ik weet niet wie daar nog in gelooft. Ik weet niet of u daar zelf in gelooft, maar deze prijsstijging toont dat u eigenlijk niets geeft om de lonen van de mensen en het welzijn van de mensen. Dank u wel.

De forse premieverhogingen bij rechtsbijstandsverzekeringen

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne bekritiseert dat de afschaffing van de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen (de "rechtsbijstandstaks") leidt tot premiestijgingen tot 300% (bv. DAS: van €324 naar €771) en beperkt aanbod, waardoor toegang tot justitie een "luxeproduct" wordt. Hij vraagt zich af of minister Jambon de belofte van premieverlagend overleg nakomt en pleit voor marktconcurrentie om consumenten te beschermen. Jambon bevestigt de afschaffing, geeft toe het overleg nog niet te hebben gevoerd (excuses) en wijst op een tweejaarlijkse evaluatie (met Assuralia en balies), maar stelt wel dat deregulering (à la Friedman) de oplossing is. Van Quickenborne dringt aan op transparantie (rapport delen met commissie) en betwijfelt of advocatenkosten de enige oorzaak zijn van de prijsstijgingen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, u weet dat de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen, met die premieaftrek, is afgeschaft. We noemen dat gemakshalve de rechtsbijstandstaks. We hebben daar een interessante, zeer boeiende discussie over gehad. U zei toen in de commissie dat u beleidsoverleg had gehad met de sector en dat dat overleg verder zou worden gezet, en ik citeer, “met het oog op de vermindering van de premies”.

Intussen blijkt het tegendeel te gebeuren, collega’s. In De Standaard van 8 november lezen we dat de premies van marktleider DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar DAS, in twee jaar tijd meer dan verdubbeld zijn, van 324 euro naar 771 euro. Andere verzekeraars perken hun aanbod zelfs in. De zogenoemde polis-Geens, genoemd naar minister Geens, die de aftrek ooit heeft ingevoerd, verdwijnt. Echtscheidingen of bouwgeschillen worden in het nieuwe gamma niet langer gedekt, of enkel nog via bemiddeling.

Mijnheer de minister, de afschaffing van de belastingvermindering had volgens uw verklaring de bedoeling om het systeem te vereenvoudigen – minder koterijen. Het probleem is echter dat de consument twee keer betaalt. Ten eerste verliest hij de fiscale aftrek en ten tweede wordt de premie verhoogd. We betalen dus twee keer.

Mijnheer de minister, ten eerste, bevestigt u dat de voorziene afschaffing van de belastingvermindering in werking is getreden? Dat is intussen inderdaad het geval, dus die vraag is enigszins achterhaald. Ik ben vooral geïnteresseerd in het overleg dat u gepland had of hebt met de verzekeringssector. Wat heeft dat opgeleverd? Hoe verklaart u dat de premies vandaag zo sterk stijgen?

Ik had het geval van iemand die mij zijn factuur toonde. Die factuur was, denk ik, verdrievoudigd, van 500 euro naar 1.500 euro. Als men de toegang tot justitie wil democratiseren, collega’s … Er is het pro-Deosysteem, maar niet iedereen kan daarvan genieten. Als men dan tot 1.000 euro per jaar moet betalen om een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten, wordt dat meer en meer een luxeproduct.

Mijnheer de minister, de vraag is dan ook – en ik moet dat als liberaal zeer terughoudend stellen, maar ik doe het toch – of u bereid bent te onderzoeken hoe we mensen kunnen beschermen tegen buitensporige premieverhogingen. Misschien is er nood aan meer concurrentie op de markt, ik weet het niet. Ik weet ook niet wat Milton Friedman daarover zou zeggen. We zijn in elk geval benieuwd wat u hierover te zeggen hebt. Dank u wel.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, het antwoord op uw eerste vraag is duidelijk. Gelet op de publicatie van de wet diverse bepalingen in het Belgisch Staatsblad op 30 december 2025, is dit inderdaad het geval.

Wat uw tweede en derde vraag betreft, moet ik heel eerlijk zeggen dat dat overleg, dat ik inderdaad heb beloofd, gezien de workload van de voorbije weken en maanden nog niet heeft plaatsgevonden. Ik zal dat prioritair op mijn to-dolijst zetten. Op dat punt ben ik dus in gebreke gebleven, waarvoor mijn excuses.

Wat uw vierde vraag betreft, verwijs ik in eerste instantie naar artikel 23 van de wet betreffende het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering. Dat artikel voorziet in een evaluatie waarbij de Orde van Vlaamse Balies, de Ordre des barreaux francophones et germanophones en de beroepsvereniging van de verzekeringsondernemingen, Assuralia, tweejaarlijks, en voor het eerst in 2021 op de datum van de verjaardag van de inwerkingtreding van deze wet, een gemeenschappelijk evaluatierapport bezorgen over de toepassing van deze wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten. Dat rapport wordt overgemaakt aan de minister van Justitie, de minister bevoegd voor Consumentenzaken, de minister van Economie en aan mijzelf, de minister van Financiën, op initiatief van een van hen en via een paritair orgaan dat zij daartoe zullen aanwijzen.

U hebt uw vijfde vraag niet gesteld, maar ik ga er toch op ingaan. Ik verwijs daarbij naar mijn antwoord van daarnet en voeg eraan toe dat meer concurrentie natuurlijk kan zorgen voor lagere prijzen. Daarom probeer ik dat in toekomstige wetsontwerpen te doen door regels te schrappen en/of te versoepelen. Ik volg net als u in dezen Friedman en laat vooral de concurrentie op die markt toenemen.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u wel, mijnheer de minister. En geen probleem, u hebt inderdaad heel wat werk, maar het is goed dat u alsnog van plan bent om het overleg met de sector te voeren. Ik ben dus heel benieuwd naar de resultaten daarvan, want die prijsstijgingen zijn werkelijk spectaculair. De prijzen zijn verdubbeld of verdrievoudigd. Er wordt verwezen naar de inflatie en naar het feit dat advocaten veel duurder zouden zijn geworden. Dat is de informatie die mij bereikt, maar de vraag is of dat wel klopt en of daar iets aan te doen is.

Ten tweede verwijst u ook naar het tweejaarlijkse gemeenschappelijke evaluatierapport. Mocht dat op de een of andere manier kunnen worden overgemaakt aan de commissie, aan het secretariaat, dan zouden we u daar zeer dankbaar voor zijn.

Voorzitter:

La question n° 56010662C de M. Hugues Bayet est reportée.

De kapitaalverhoging bij Elia en de lening van SFPIM aan Publi-T

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat de SFPIM voorlopig enkel een lening van 200 miljoen euro verstrekte aan Publi-T (holding van Belgische gemeenten en hoofdaktionaris van Elia), die in juni 2026 omgezet wordt in een 5,62%-aandeel in Publi-T, met transparantie na die datum. Hij stelt dat de SFPIM via een zetel in de raad van bestuur actief zal sturen op ESG-doelstellingen (o.a. geen activiteiten in verboden sectoren of belastingparadijzen) en de energietransitie, maar benadrukt dat de nieuwe strategie (2026-2031) nog niet openbaar is. Stéphane Lasseaux (vraagsteller) toont zich tevreden met de precisie van de antwoorden, met name over de toekomstige transparantie en de strategische inbedding van de SFPIM in de Belgische energiemarkt.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, en début d'année 2025, le gestionnaire du réseau de transport d'électricité Elia a procédé à une augmentation de capital de 2,2 milliards d'euros afin de financer d'importants investissements en Belgique et en Allemagne.

Le journal De Tijd a révélé en avril que la Société Fédérale de Participations et d'Investissement (SFPIM) a consenti un prêt de 200 millions d'euros à Publi-T, holding des communes belges et actionnaire majoritaire d'Elia, afin de permettre à cette dernière de conserver son statut d'actionnaire majoritaire et de ne pas être diluée suite à l'opération.

Ce prêt, convertible en actions une fois l'augmentation de capital clôturée, aurait pour effet de faire de la SFPIM un nouvel actionnaire de Publi-T, aux côtés d'investisseurs institutionnels régionaux flamands et privés. Cependant, à ce jour, ni le site de la SFPIM ni celui de Publi-T ne font état de la participation ainsi acquise.

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer la réalisation complète de l'augmentation de capital prévue par Elia et, le cas échéant, confirmer que la SFPIM est bien devenue actionnaire de Publi-T? Pouvez-vous préciser à hauteur de quel pourcentage du capital de Publi-T s'élève sa participation? Quand la transparence sur la participation de la SFPIM sera-t-elle assurée auprès du public?

Quels sont aujourd'hui les autres actionnaires institutionnels et privés dans cette institution? Pouvez-vous indiquer précisément quels sont ceux ayant pris part à l'opération décrite, en plus de la SFPIM, et à combien s'élève leur participation dans Publi-T?

Quelle est la stratégie d’actionnariat de la SFPIM dans Elia? La SFPIM a-t-elle formulé des objectifs ou émis des conditions à cette participation, notamment en termes de politique d'entreprise, de politique ESG ou de nomination d'administrateurs dans le cadre SFPIM?

Quelle est la stratégie actionnariale de la SFPIM plus largement dans le pilier énergétique prévu par l'accord de gouvernement? La SFPIM prévoit-elle d'autres prises de participation dans le secteur de l'énergie dans un futur proche? Je vous remercie.

Jan Jambon:

La SFPIM n'est que prêteur à ce stade-ci. Publi-T procédera au remboursement en convertissant le prêt de la SFPIM lors d'une augmentation du capital qui aura lieu en juin 2026. SFPIM deviendra alors actionnaire et sa participation dans Publi-T sera de 5,62 %. La transparence sur la participation sera faite dès que le prêt aura été effectivement converti.

À ce jour, la transparence est effective pour le prêt. Celui-ci n'est conclu qu'entre la SFPIM et Publi-T SC/CV. Les informations sur les actionnaires de Publi-T sont publiées chaque année dans le rapport annuel de son conseil d'administration. Je transmettrai le tableau dont je dispose ici au secrétariat de la commission, afin qu'il puisse être repris dans le compte rendu. Ce tableau indique les différents actionnaires, le nombre d'actions, les pourcentages, etc.

La participation dans Elia constitue un ancrage stratégique essentiel pour l'économie belge. Grâce à son siège au conseil d'administration au moment de la conversion, la SFPIM jouera un rôle actif dans la gouvernance du groupe et accompagnera Publi-T, et donc indirectement aussi Elia, dans le déploiement et le renforcement de leur approche ESG.

Plusieurs engagements ont été pris à cet égard. Notamment, Publi-T et ses filiales n'exerceront aucune activité significative dans les secteurs interdits ou dans les paradis fiscaux et adopteront une démarche de précaution à l'égard des secteurs sensibles, ce qui implique que leurs activités s'inscrivent dans la transition énergétique et contribuent à la lutte contre le réchauffement climatique.

La SFPIM est en train de revoir sa stratégie 2026-2031. Cette stratégie sera rendue publique dès qu'elle aura été approuvée. L'actuelle stratégie étant d'application jusqu'à septembre de cette année-ci, la nouvelle devrait donc pouvoir être rendue publique avant septembre.

De manière générale, quels que soient les piliers d'investissement concernés, le portefeuille existant de la SFPIM est rendu public. Les informations relatives à des dossiers qui sont à l'examen sont, en revanche, traitées de manière confidentielle et ne sont donc pas divulguées.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses très précises et pour le tableau que vous nous ferez parvenir par l'intermédiaire du secrétariat et qui permettra, en effet, de nous "éclairer", sans faire de jeu de mots, par rapport à cet apport électrique nécessaire pour pouvoir subvenir aux besoins grandissants en énergie électrique. Je vous remercie encore pour les réponses et l'attention que vous avez apportées à ma question.

De Belgische bankensector en de Congolese mijnbouw

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Niels Tas wijst op een kritisch rapport (11.11.11/Oxfam) dat aantoont hoe BNP Paribas en ING 20 miljard dollar lenen aan mijnbouwbedrijven met slechte ESG-scores (minder dan 40%), gekoppeld aan mensenrechtenschendingen (o.a. geweld bij Kamoa-Kakula-mijn in Congo), en pleit voor strikte toepassing van de CSDDD op banken en verplichte sociale criteria in EU-handelsakkoorden. Minister Jan Jambon bevestigt dat banken reeds risicobeleid voeren (via de 6de Capital Requirements Directive) en dat de CSDDD de financiële sector bewust uitsloot voor downstream-activiteiten (te complex, vrees voor financieringsbelemmering), maar benadrukt dat EU-handelsakkoorden wel sociale en ecologische normen moeten handhaven zoals in het regeerakkoord vastgelegd. Tas erkent het spanningsveld (nood aan mineralen vs. ethische ontginning) en dringt aan op EU-brede actie, aangezien nationale maatregelen onvoldoende zijn. Daerden en Dufrane schuiven hun verwante vragen door naar schriftelijk of later moment.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, enkele weken geleden publiceerde 11.11.11, in samenwerking met Oxfam en Fair Finance International, het nieuwe rapport Financing Critical Minerals but Failing Critical Safeguards . Uit de studie, die breed werd opgepikt in de binnen- en buitenlandse pers, blijkt dat de Europese financiële sector onvoldoende garanties biedt voor een eerlijke energietransitie. De cijfers zijn sprekend: BNP Paribas en ING verstrekten samen bijna 20 miljard dollar aan mijnbouwbedrijven, ondanks dat hun beleid op vlak van mensenrechten en milieu als ondermaats wordt beoordeeld, met minder dan vier op tien. De impact hiervan wordt concreet gemaakt door de organisatie L'Initiative Bonne Gouvernance et Droits Humains of IBGDH in de Democratische Republiek Congo. Zij rapporteerde over de Kamoa-Kakulamijn, waar in april 2025 nog 72 arrestaties en gewelddadige incidenten plaatsvonden tijdens protesten van de lokale bevolking.

Gezien de ernst van de feiten heb ik de volgende vragen. Hebt u kennisgenomen van de bevindingen over de Belgische grootbanken en hun lage scores op ESG-criteria?

Is er reeds overleg geweest met de sector of de opstellers van het rapport over de feiten?

De auteurs pleiten ervoor de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) onverkort toe te passen op de financiële sector. Steunt u dat standpunt zodat wegkijken onmogelijk wordt?

Hoe staat u tegenover de vraag om in Europees verband strikte sociale criteria te gebruiken voor de verwerking van kritieke mineralen en de naleving ervan ook op te nemen in alle handelsakkoorden, zoals aanbevolen in het rapport?

Jan Jambon:

Mijnheer Tas, het rapport onderstreept en weerspiegelt het belang van kritieke mineralen in onze economie, zeker met het oog op de groene en digitale transitie. Nationale veiligheid, gezondheidszorg, schone energie, om er enkele te noemen, hangen af van kritieke mineralen. Dat maakt de financiering van of de investeringen van ondernemingen die kritieke mineralen produceren of ze nodig hebben, belangrijk.

Het spreekt voor zich dat banken in hun risicobeleid maatregelen moeten nemen om de gerelateerde risico’s in de toeleveringsketen te beheren. Dat is vandaag al het geval. Men moet rekening houden met de kwetsbaarheden van die toeleveringsketen op onder ander geopolitiek vlak en op het vlak van de mensenrechten. De omzetting van de zesde Capital Requirements Directive verankert de vereisten dan ook in de Bankenwet.

De Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) maakt deel uit van het eerste omnibuspakket dat de Europese Commissie in februari van vorig jaar gepubliceerd heeft. Het doel van het pakket is de competitiviteit in de EU te versterken en administratieve lasten voor bedrijven te verminderen, zonder afbreuk te doen aan de onderlinge beleidsdoelstellingen.

Inzake de financiële sector wil ik graag benadrukken dat die in de initiële versie van CSDDD uiteindelijk werd uitgesloten wat zijn financieringsactiviteiten betreft, de zogenaamde downstreamactiviteiten. De Europese wetgever vond immers de toepassing op financiële instellingen in dergelijke gevallen te complex en vreesde dat dat de toegang tot financiering zou bemoeilijken. Dat aspect lag ook niet op de tafel voor het omnibuspakket, dat daaromtrent dan ook geen wijzigingen aanbracht.

Omwille van onze open strategische autonomie moeten we onze aanvoerbronnen diversifiëren. Het is belangrijk dat we ambitieuze open en rechtvaardige handels- en investeringsakkoorden sluiten op het EU-niveau. Conform het regeerakkoord waken we bij vrijhandelsakkoorden over het respect voor de mensenrechten en over de opname van sociale en ecologische standaarden zoals die vandaag worden toegepast door de Europese Commissie, alsook over het respect voor de afspraken in internationale verdragen.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, ik erken dat het een moeilijk evenwicht is: enerzijds zijn de kritieke mineralen nodig voor onze economie en is daarvoor financiering nodig en anderzijds moet de ontginning ervan op een veilige, eerlijke en correcte manier gebeuren.

Ik ben er in ieder geval van overtuigd dat we de kwestie inderdaad vooral op Europees niveau verder zullen moeten opnemen. België kan ter zake niet alleen maatregelen nemen. Ik ga er tegelijk van uit dat we dergelijke projecten blijven financieren conform vastgestelde standaarden.

Voorzitter:

M. Frédéric Daerden a demandé la transformation de sa question n° 56011208C en question écrite. M. Anthony Dufrane a demandé le report de sa question n° 56011386C.

De taks op managementvennootschappen, die ook van toepassing is op taxibedrijven (kmo-taks)
Het VVPR-bis-systeem en de terugwerkende kracht
De verhoging van de roerende voorheffing: rechtsonzekerheid, timing en overgangsregels
Belastingen en fiscale regelgeving voor bedrijven en investeringen

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand en Vincent Van Quickenborne bekritiseren de geplande verhoging van de roerende voorheffing in het VVPR-bis-regime (van 15% naar 18%) als een platte belastingverhoging van 20% die kleine zelfstandigen (zoals taxichauffeurs, bakkers en loodgieters) onevenredig treft, in plaats van enkel "excessen" bij topconsultants en managementvennootschappen aan te pakken—tegen de framing van minister Van Peteghem in. Bertrand stelt dat de maatregel het ondernemersklimaat verzuurt, wijzend op signalen van kapitaalvlucht en daling in investeringszin, terwijl Van Quickenborne vraagt waarom "gewone bedrijven" gestraft worden en waarschuwt voor rechtsonzekerheid door complexe overgangsregels (bv. historische winsten belast vanaf 2026). Minister Jan Jambon bevestigt dat de verhoging voor alle VVPR-bis-vennootschappen geldt (geen onderscheid), zonder terugwerkende kracht, maar pas ingaat na publicatie in het Staatsblad (dus niet per 1/1/2026); voor liquidatiereserves geldt het nieuwe tarief (9,8%) enkel voor reserves aangelegd na 31/12/2025, met uitwerking pas vanaf 2029 door de wachttermijn. Hij ontkent dat de impact groot is, maar Bertrand en Van Quickenborne blijven kritisch, beweren dat de cumulatie van belastingen (incl. meerwaarde- en effectenrekentaks) kmo’s en het investeringsklimaat ondermijnt en eisen een herziening.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, we weten dat wat ik nu aankaart, vooral een strijd is van uw collega, de minister van Begroting, de heer Van Peteghem, die de maatregel graag presenteert als gericht tegen de fiscalisten en tegen de managementvennootschappen. Ik weet niet of u dat ook zo presenteert, maar het klinkt natuurlijk goed, alsof u enkel de topconsultants en de excessen wilt aanpakken.

Telkens wanneer ik een Uber of taxi neem in Brussel, spreek ik met de bestuurder. Meestal zijn die chauffeurs heel jonge mensen, die vaak ook 's nachts werken. Zij vertellen mij altijd dat ze een vennootschap hebben. Ze doen dat, omdat ze heel goed begrepen hebben dat de fiscaliteit zo hoog ligt dat ze tegen 50 % belast worden. Die mensen werken heel hard, maar het zijn geen rijke mensen. Het zijn heel kleine zelfstandigen.

U viseert het VVPR-bis-regime, een term die klinkt alsof het om grote vissen gaat. In werkelijkheid is het geen achterpoortje voor de happy few, maar een systeem dat door tienduizenden hardwerkende ondernemers in dit land wordt gebruikt.

Ik wil daarom een heel concreet antwoord. Geldt uw tariefverhoging van 15 % naar 18 % enkel voor de managementvennootschap van de topconsultant, of geldt ze ook voor de vennootschap van de taxichauffeur, de mensen met wie ik vaak spreek? Geldt de tariefverhoging ook voor de loodgieter en voor de bakker op de hoek? Zoals wij het lezen, maakt u geen onderscheid. U scheert iedereen gewoon over dezelfde kam.

Ik begrijp dan ook niet goed waarom sommigen dat blijven framen als een rijkentaks, terwijl u goed weet dat het in de praktijk gewoon een platte kmo-belasting is die de kleine zelfstandigen zal treffen. Kunt u dat bevestigen, mijnheer de minister?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat eveneens over die verhoging van 15 % naar 18 %, waarover mevrouw Bertrand spreekt. Eigenlijk is dat 20 % belastingverhoging. U weet dat er eind vorig jaar nogal wat paniek heerste bij accountants en fiscalisten, omdat mensen dringend geld uit hun vennootschap wilden halen aan het lagere tarief. Bart Van Coile van het ITAA verklaarde dat de onzekerheid het voor zijn leden zeer moeilijk maakt om cliënten correct te informeren. Intussen hebben we vernomen dat alles vast zou liggen in een programmawet, die nog naar het Parlement moet komen.

Mijnheer de minister, wanneer komt die wet naar het Parlement? Is er al een advies van de Raad van State? Wanneer komt de tweede lezing eraan?

Klopt het dat men verwacht dat die maatregel pas ten vroegste op 1 april 2026 in werking zou treden?

Klopt het dat historische winsten, dus winsten opgebouwd in het verleden, bij uitkering vanaf 2026 ook aan 18 % roerende voorheffing zullen worden belast, zelfs als ze onder een ander fiscaal regime zijn gerealiseerd? In de teksten staat dat het tarief voor VVPR-bis-dividenden zou worden verhoogd naar 18 % voor alle uitkeringen vanaf 31 december 2025. Betekent dat dat een dividend dat op 31 december 2025 wordt uitgekeerd reeds onder het nieuw tarief van 18 % valt, of bedoelt u in werkelijkheid vanaf 1 januari 2026?

Voor de liquidatiereserves geldt dat de reserves aangelegd vanaf 31 december 2025 aan 9,8 % zullen worden belast, terwijl oude reserves aan 5 % of 6,5 % kunnen blijven. Klopt dat al dan niet?

Ten slotte, hoe voorkomt u dat die opeenvolging van onduidelijke data, tarieven en uitzonderingen leidt tot paniekbeslissingen, foutieve aangiftes en betwistingen, met als gevolg rechtsonzekerheid voor ondernemers en extra werk voor de fiscus?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, mijnheer Van Quickenborne, in de programmawet zijn de hiernavolgende tariefwijzigingen met betrekking tot de roerende voorheffing opgenomen. In het VVPR-bis-stelsel wordt het tarief van 15 %, dat van toepassing is bij uitkeringen uit de winstverdelingen van het derde of een later boekjaar volgend op dat waarin de inbreng of verhoging heeft plaatsgevonden, opgetrokken naar 18 %. Die tariefverhoging zal pas van toepassing zijn vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de programmawet in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, dus niet vanaf 31 december 2025 of 1 januari 2026.

De maatregel is van toepassing op alle vennootschappen die gebruikmaken van het VVPR-bis-stelsel. Voor de dividenden die daarvoor worden toegekend, blijft het huidig tarief van toepassing. Er is dus geen sprake van terugwerkende kracht.

Voor de andere opmerking van mevrouw Bertrand citeer ik uit een recent artikel van De Tijd . Het gaat om kleine stapjes om de excessen eruit te halen, maar de impact is al bij al beperkt.

Voor de liquidatiereserve wordt het tarief van 6,5 %, dat van toepassing is bij uitkeringen waarvoor de wachttermijn van drie jaar is gerespecteerd, opgetrokken naar 9,8 % om op die manier uit te komen op een totale effectieve belasting van 18 % met inbegrip van de afzonderlijke aanslag van 10 %. Die tariefverhoging zal enkel gelden voor dividenden die voortkomen uit liquidatiereserves die op 31 december 2025 of later zijn aangelegd ofwel vanaf het aanslagjaar 2026. Door de wachttermijn van drie jaar zal die tariefverhoging pas ten vroegste uitwerking kunnen hebben in de loop van 2029.

De toepassing van verschillende tarieven naargelang de datum waarop de liquidatiereserve is aangelegd of de inbreng of verhoging heeft plaatsgevonden, is trouwens niet nieuw. Ook in het verleden bestond dergelijk onderscheid al en leverde dat geen problemen op wat de administratieve opvolging betreft.

Ik wil benadrukken dat de programmawet momenteel bij de Raad van State ligt. De tweede lezing binnen de regering volgt dus onmiddellijk nadat het dossier terugkomt van de Raad van State, waarna wij dat ongetwijfeld nader zullen bespreken tijdens de behandeling hier in de Kamer.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat dat van toepassing is op alle vennootschappen en dus niet alleen op de managementvennootschappen. Uw collega, minister Van Peteghem, zei over de managementvennootschappen trouwens dat ze een schande waren en dat het de bedoeling was om de excessen eruit te halen. U verwijst naar die excessen, maar ik zie niet goed in welke excessen u eruit zult halen.

Eigenlijk is het een verhoging van 20 %. U zegt dat het effect klein en beperkt zal zijn, maar daarmee ben ik het niet eens.

Jan Jambon:

Dat zei ik niet.

Alexia Bertrand:

Dat is een verhoging van 20 %. Dat is een zeer belangrijk effect.

Het effect is dubbel. Voor de kleine zelfstandigen is dat een belastingverhoging van 20 %: voor de bakker, voor de Uberchauffeur, voor de loodgieter, voor de elektricien, mensen die heel hard werken en die extra belastingen zullen betalen. Daarnaast is er ook een effect door de cumulatie van al uw belastingen. Naast deze belasting komt er ook een zeer complexe meerwaardebelasting. Collega Van Quickenborne heeft daar al op gewezen. Er komt ook een verdubbeling van de taks op de effectenrekening. U kunt zeggen dat de rijke mensen beoogd worden, maar al die maatregelen hebben vooral een negatief effect op het investeringsklimaat.

Ik zal u iets vertellen, mijnheer de minister. Een aantal dagen geleden kwam ik een bankier tegen op een receptie. Hij vertelde mij dat hij nog nooit in zijn dertigjarige carrière zoveel mensen heeft ontmoet die hem vragen hoe ze weg geraken uit België, uit dit land. We kunnen dat betreuren. Ik vind dat triestig. Ik zal in elk geval hier blijven. Het gaat erom dat die mensen op een bepaald moment vinden dat er in dit land geen klimaat van ondernemerschap meer is. Dat is het effect van deze maatregel.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik denk dat een en ander het gevolg is van het feit dat er over het ondernemerschap karikaturen worden opgehangen, waaraan u voor alle duidelijkheid niet meedoet. U kent wel de karikatuur van iemand die aan zijn zwembad ligt en zichzelf een minimumbezoldiging uitkeert of de karikatuur van de doctoors . Collega El Yakhloufi, die net binnenkomt, zei in een andere commissie dat die ondernemers gratis op onze wegen rijden en gratis onderwijs krijgen en intussen is het kassa kassa, in the pocket . Die uitspraak herinner ik mij nog goed. Door die karikaturen vermindert echter de schroom van de regering om die mensen fiscaal te straffen.

U wilt misbruiken bestrijden. Het behoort tot de opdracht van minister Van Peteghem om de excessen inzake managementvennootschappen aan te pakken. Het gevolg van die maatregel is dat u de gewone bedrijven taxeert, zowel de kleine als de middelgrote. Iedereen met een kleine vennootschap in ons land, honderdduizenden vennootschappen, zal nu plots meer belastingen moeten betalen.

Waar hebben die mensen dat aan verdiend? Dat gaat niet over de sterkste schouders, maar wel over mensen met een gewone activiteit, zoals een bakker, een slager, een loodgieter of een dakwerker. Iedereen die een kleine vennootschap heeft, zal die taks moeten betalen. Het is trouwens niet zomaar een taks, het is 20 % belastingverhoging. Waar hebben die mensen dat aan verdiend? Waarom doet u dat? Waarom moeten zij nu plots 20 % belastingen meer betalen? Ik heb die vraag al een paar keer gesteld aan u en aan de eerste minister, maar u blijft het antwoord schuldig. Dat is een platte belastingverhoging die niets te maken heeft met de sterkste schouders en die er alleen maar komt omdat u zegt dat u ze zult pakken waar u ze kunt pakken. Dat is jammer, want het ondernemersklimaat lijdt daar inderdaad onder.

Als u de optelsom ziet van al de taksen die erbij komen, taks op taks op taks, dan vrees ik inderdaad dat het klimaat voor ondernemers verder verzuurt. Het economisch klimaat is vandaag trouwens ook niet gemakkelijk en we stevenen regelrecht af op slechte resultaten, waarbij bedrijven mensen zullen ontslaan, er minder ondernemerschap is en de goesting om ondernemen in ons land zal dalen.

Mijnheer de minister, herpak u en verlaag de belastingen in plaats van ze te verhogen, zodat onze ondernemers gelukkig zijn. Ik denk trouwens dat er in uw coalitie ook partijen zijn die dat willen, maar het tegendeel gebeurt.

”Je le dis au nom de ma formation politique: il n'y aura pas d'autres taxes, ni de nouvelles taxes”, mais malheureusement, chers collègues, c'est l'inverse qui se passe.

Mijnheer de minister, ik hoop dat u goed geluisterd hebt. Ik denk van wel.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56011460C en 56011461C van de heer Hugues Bayet worden uitgesteld.

De fiscale gevolgen voor de microwoningzones

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Benoît Piedboeuf klasseren kadasterdiensten habitats légers (o.a. tiny houses, yourtes) onterecht als "maisons de vacances", hoewel deze voor veel inwoners een principale woning zijn en sinds het Walloon decreet van 2019 juridisch als zodanig erkend worden, met mogelijke fiscale gevolgen. Minister Jan Jambon bevestigt dat er geen specifieke cadastrale categorie bestaat en dat de classificatie gebaseerd is op fysieke kenmerken, niet op gebruik, terwijl een analyse loopt naar immobilisatiecriteria. Piedboeuf kritiseert dat de huidige benaming "vexerend" is voor bewoners en wijst op een achterstand van de wetgeving ten opzichte van de praktijk. Jambon belooft aandacht voor evoluties, maar kondigt geen directe aanpassingen aan.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le Ministre, cher Monsieur Jambon, dans le cadre de la gestion cadastrale des biens immobiliers, il apparaît que les habitats légers – tels que yourtes, tiny house ou chalets permanents – sont actuellement répertoriés sous la dénomination "maisons de vacances", bien qu'ils constituent pour nombre de citoyens leur domicile ou résidence principale et non un logement de villégiature.

Le Cadastre m'a indiqué que cette dénomination résulte d'une absence de classification spécifique pour les habitats légers et qu'il s'agit d'une appellation "provisoire".

Cependant, cette qualification ne reflète pas la réalité de l'usage et du décret wallon qui a introduit la notion d'habitation légère dans le Code wallon du logement. Ce décret a été adopté le 30 avril 2019 et est entré en vigueur le 1 er septembre 2019, qui confirme l'habitat léger comme habitat et pourrait avoir des conséquences fiscales, notamment sur le montant du revenu cadastral ou sur d'autres obligations fiscales locales ou fédérales.

Dès lors, Monsieur le Ministre:

1. Confirmez-vous que les services cadastraux n'ont pas encore de catégorie propre pour les habitats légers?

2. Cette situation entraîne-t-elle une évaluation spécifique du revenu cadastral (par exemple, une réduction liée à la qualification de "maison de vacances")?

3. Envisagez-vous d'adapter la nomenclature cadastrale afin de mieux refléter la réalité de ces formes d'habitat, croissantes sur le territoire et répondant à de véritables besoins de logement?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, tout d'abord, il n'existe pas encore de catégorie propre pour les habitats légers. La nature cadastrale est déterminée sur la base des caractéristiques intrinsèques du bien immobilier, et non sur son usage. Elle est indépendante de la destination urbanistique. Par ailleurs, la prise en compte de ce type d'habitation dans la documentation patrimoniale fait actuellement l'objet d'une analyse portant sur le critère d'immobilisation.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Vu que cet habitat est reconnu à présent en Wallonie comme un bien permettant la domiciliation, il était évidemment un peu vexatoire de se faire cadastrer en "maison de vacances" alors qu'il s'agit d'un domicile authentique de personnes désireuses de vivre dans ce type de bien. Je vous remercie d'être attentif à l'évolution de la législation, qui est un peu en retard par rapport à la réalité.

Extra uitzonderingen op de btw-verhoging (De Standaard, 26/01/2026)
De verhoging van de btw op culturele activiteiten
Btw-verhoging en uitzonderingen voor culturele sector

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon verdedigt de selectieve BTW-verhoging van 6% naar 12% voor cultuur, gebaseerd op een compromis in de regering (23/12/2025) en bestaande tax shelter-regels, waarbij klassieke muziek, opera, circus en straattheater zijn uitgezonderd – maar pop/rock/festivals en musicals niet. Hij belooft een FAQ voor rechtszekerheid en stelt dat het advies van de Raad van Staat de definitieve tekst zal bepalen, met inwerkingtreding op 1 maart 2026 (geldend bij betaling van tickets, niet bij het evenement). Sarah Schlitz en Vincent Van Quickenborne (Open VLD) bekritiseren de maatregel als willekeurig, discriminerend en juridisch onduidelijk: ze vragen om objectieve criteria voor de uitzonderingen en wijzen op praktische chaos (bv. hybrid genres, billetterie over de grensdatum). Van Quickenborne noemt het systeem "absurd" (bv. musea 12%, circus 6%) en pleit voor vereenvoudiging, met de beschuldiging dat de regering cultuur "onnodig complex en oneerlijk" maakt – vooral voor jongeren (bv. festivals). Hij dringt aan op herziening voorafgaand aan de tweede lezing.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, dans le cadre de l’ajustement budgétaire, le gouvernement a décidé de faire passer de 6 % à 12 le taux de TVA applicable aux activités sportives, culturelles et de loisirs, tout en prévoyant une série d’exceptions sectorielles.

Selon les informations communiquées à ce stade, seraient exemptés de la hausse notamment le théâtre de rue, le cirque, l’opéra, la musique classique et la chorégraphie, tandis que d’autres formes de spectacles – concerts de musique pop, rock, rap, festivals ou formes hybrides – seraient soumises au taux majoré.

Or, depuis l’annonce de cette réforme, un flou juridique important persiste quant:

- au champ exact des disciplines concernées ou exclues (théâtre versus théâtre de rue, spectacles hybrides, impro, stand-up, jazz, festivals, etc.);

- aux définitions retenues pour opérer ces distinctions;

- et aux fondements objectifs justifiant une différence de traitement entre formes culturelles contribuant pourtant toutes à la création, à la cohésion sociale et au rayonnement culturel.

Les fédérations professionnelles et les opérateurs culturels indiquent par ailleurs avoir sollicité à plusieurs reprises des clarifications écrites, sans obtenir de réponses précises, y compris de la part des cabinets compétents.

À cela s’ajoute une insécurité opérationnelle majeure liée au moment d’application du taux de TVA: le SPF Finances indique que le taux applicable dépend de la date de vente des billets, ce qui pose de graves difficultés lorsque des spectacles sont mis en vente avant l’entrée en vigueur de la réforme, mais vendus après celle-ci. Les plateformes de billetterie elles-mêmes communiquent de manière contradictoire, accentuant l’incertitude pour les organisateurs comme pour le public.

Enfin, plusieurs acteurs dénoncent le caractère potentiellement discriminatoire et disproportionné de la mesure, qui pourrait être contestée au regard des principes d’égalité de traitement, de sécurité juridique et de proportionnalité, notamment dans le cadre de l’avis du Conseil d’État attendu.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, pouvez-vous préciser:

Les définitions juridiques exactes retenues pour déterminer les disciplines culturelles exemptées ou non de la hausse de TVA?

Les justifications objectives et vérifiables qui fondent ces distinctions entre formes culturelles?

Le modus operandi précis prévu pour les opérateurs en matière de billetterie, en particulier lorsque la mise en vente et la vente effective interviennent de part et d’autre de l’entrée en vigueur de la réforme?

Les garanties apportées afin d’éviter toute discrimination arbitraire et toute insécurité juridique pour les secteurs concernés?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de btw-kwestie. De heer Piedboeuf luistert aandachtig mee. We hebben het al gehad over de btw op meeneemmaaltijden. Ik zeg niet dat dat verteerd is, maar intussen weten we hoe dat zit. Dat gaat dan over de pizza's en dergelijke.

U lacht ermee, mijnheer El Yakhloufi, maar er is nog een tweede btw-saga in het btw-circus, want blijkbaar zou de btw-verhoging van 6 % naar 12 % niet gelden voor het circus, voor voorstellingen van straattheater, voor choreografie, opera en klassieke muziek.

U zult zeggen dat we daar al eerder over hebben gediscussieerd in de commissie, maar dit is een nieuw element, dat volgens De Standaard zou zijn ingevoerd op vraag van Les Engagés. De krant citeert het kabinet van Maxime Prévot, een sympathieke minister: “We hebben er inderdaad als enige partij voor gevochten om de status quo voor cultuur te behouden.

Mijnheer de minister, dat is opvallend. We hebben daar inderdaad op 14 juni over gediscussieerd, maar voor mij wordt het wel bijzonder complex. Ik heb dus een aantal vragen.

Ten eerste, klopt het dat minister Prévot en Les Engagés daarvoor gelobbyd hebben, zoals hij zelf toegeeft in De Standaard ? Klopt dat of niet? U was erbij in het kernkabinet, dus u herinnert zich levendig hoe die discussie verliep.

Ten tweede, wat is de logica achter die uitzonderingen? Ik probeer dat te begrijpen, want er staat letterlijk klassieke muziek . Onlangs woonde ik een optreden bij van Matthias De Jaeger, een muzikant die moderne klassieke muziek speelt, en het was een thuisconcert. Ik vond dat heel mooi, maar hij vroeg me of het dan 6 % of 12 % is. Zal er een beoordeling plaatsvinden om te bepalen of iets klassiek is of moderne klassieke muziek? Wat doet u met jazzklassiek, een soort fusion? Ik houd daarvan, ik weet dat u van klassieke muziek houdt. Valt jazzklassiek dan ook onder klassieke muziek of niet?

Dan is er het circus. Het circus valt blijkbaar onder 6 %, maar wat met internationale producties zoals Cirque du Soleil? Is dat een circus of een voorstelling? Wat doet u met musicals? Een musical bevat muziek, maar niet altijd klassieke muziek, en is ook een voorstelling. Valt een musical dan onder 6 % of 12 %? Moet men dan kijken naar het soort musical: een klassieke musical of een moderne musical?

Iets wat ik echt niet begrijp, is het volgende: musea worden belast aan 12 %, terwijl het circus aan 6 % is. U bent nochtans een grote museumliefhebber. Het lijkt alsof hoge cultuur, zoals het circus, voordeliger is dan musea, die volgens deze logica mindere cultuur zijn.

Kunt u ons dat eens uitleggen? Waar is men eigenlijk mee bezig?

Jan Jambon:

Ik zal het trachten uit te leggen, maar eerst en vooral wil ik het volgende zeggen. De Standaard schrijft dat dit nieuw is. Ik neem aan dat De Standaard niet al onze debatten volgt, maar ik heb dat tijdens het actualiteitsdebat letterlijk toegelicht. Het staat ook letterlijk vermeld in het verslag op pagina 10. Ik citeer: “In de huidige tekst van het ontwerp van het KB, die voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State, zal die tariefverhoging daarentegen niet van toepassing zijn op theater, straattheater, choreografie, opera, klassieke muziek, voorstellingen en circus.” Dat was dus niet nieuw.

Ik zal beleefdheidshalve ook de vragen van mevrouw Schlitz beantwoorden en daarna tot uw vragen komen, mijnheer Van Quickenborne.

Ces exceptions sont le fruit d’un compromis, comme toujours, trouvé au sein du gouvernement lors du Conseil des ministres du 23 décembre 2025.

En tout état de cause, le projet d’arrêté royal reprenant ces mesures tarifaires en matière de TVA fera l’objet de nouvelles discussions au sein du gouvernement sur la base de l’avis rendu par le Conseil d’État. À cet égard, l’avis du Conseil d’État sur le point que vous venez de mentionner sera déterminant.

Les exceptions envisagées en matière culturelle dans le cadre des mesures visant à relever le taux de TVA de 6 à 12 % sur certains biens et services s’inscrivent dans le prolongement de la réglementation applicable en matière de tax shelter pour les arts de la scène, conformément à l’article 194 ter /1, § 2, 2° du Code des impôts sur les revenus (CIR) 1992. S’agissant de ces disciplines et de ces arts en particulier, à défaut de définitions précises dans le Code de la TVA ou dans la disposition précitée, il convient de se référer aux définitions fournies par les services compétents des communautés concernées dans le cadre de leur réglementation propre, notamment en matière d’agrément.

De verwijzing naar de toekenning van het recht op toegang tot circusvoorstellingen is algemeen en maakt geen onderscheid naargelang de rechtsvorm of de omvang van de productie. Een musical valt doorgaans niet onder theater en is op basis van de ontwerptekst inzake de hervorming van de btw-tarieven dus onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 12 %.

Wat betreft de Night of the Proms verplicht de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie tot een strikte interpretatie van de bepalingen inzake verlaagde btw-tarieven. Daarbij geldt bovendien dat complexe handelingen die uit economisch oogpunt één enkele dienst vormen, niet kunstmatig mogen worden opgesplitst. Het recht op toegang tot een voorstelling van de Night of the Proms zal dienovereenkomstig, op grond van de huidige ontwerptekst inzake de hervorming van de btw-tarieven, onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 12 %.

Mijn beleidscel en mijn administratie werken momenteel aan een FAQ waarin alle praktijkgevallen zo veel mogelijk worden uitgewerkt, zodat maximale rechtszekerheid wordt verschaft aan de belastingplichtigen. Ingevolge het advies van de Raad van State moeten de teksten mogelijk nog worden aangepast. Zodra de ministerraad in een tweede lezing het finale koninklijk besluit bekrachtigt, zal de FAQ zo snel mogelijk worden gepubliceerd.

Enfin, comme déjà indiqué précédemment, les réformes tarifaires envisagées doivent entrer en vigueur au 1 er mars 2026 et seront applicables aux opérations pour lesquelles la taxe est devenue exigible à partir de cette date. Concrètement, lorsque des billets seront réservés et payés avant cette date, l’actuel taux de TVA de 6 % restera applicable, quelle que soit la date effective de la représentation en cause.

Het advies van de Raad van State zal een belangrijk element zijn om het koninklijk besluit af te ronden.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Als ik dat mag zeggen, vond ik uw antwoord beter dan de discussie die we in de vorige commissievergadering hadden, omdat u wel zeer concreet was. Wat ik interessant vind, is dat u zegt dat het advies van de Raad van State bepalend zal zijn. Ik heb dus de indruk dat het best zou kunnen dat de tekst alsnog wordt gewijzigd, wat ik niet onverstandig zou vinden. Collega’s, laten we eerlijk zijn. Ik denk dat de minister zelf ook een beetje plaatsvervangende schaamte voelt bij alles wat er aan het gebeuren is. Ik neem u dat niet persoonlijk kwalijk, absoluut niet. Ik denk trouwens ook niet dat Jambon in de ministerraad gezegd heeft dat hij van opera houdt en dat hij niet de clown wil zijn… Dat denk ik niet. Zo bent u niet, zo functioneert u niet. We zitten toch in de politiek om de dingen eenvoudig te maken. Maar ik heb nu de indruk dat we voortdurend bezig zijn om alles moeilijker en complexer te maken. Niemand begrijpt het nog. Oké, een musical is 12 %, dat is uitgeklaard. De Night of the Proms is ook 12 %. Maar als we voor elke activiteit eerst moeten bepalen of het 6 % of 12 % is, dan zijn we nog lang bezig. Dan kunnen hier elke week vragen aan de minister worden gesteld, terwijl u intussen wel andere zaken te doen hebt. Mijnheer de minister, wanneer u naar de tweede lezing van het koninklijk besluit gaat, stop dan met al die koterijen en zotternijen. Herleid het tot de essentie. Zorg er ook voor dat jonge mensen niet worden gediscrimineerd. Jongeren die naar Werchter gaan, moeten plots 12 % betalen, onder meer ook de kinderen van onze goede collega Vanbesien. Maak het dus gewoon eenvoudig. Dat is wat de mensen verlangen van u en van de regering: de dingen eenvoudig maken in plaats van ze voortdurend complexer te maken. Dat is goed voor de mensen, goed voor de administratie en vooral goed voor ons land en onze economie. Helmut Lotti heeft gezegd dat als hij voor klassiek gaat, het 6 %, en als hij voor metal gaat, is het 12 %. Ik heb Helmut al in beide gedaanten gezien. Maar, mijnheer de minister, het kan toch niet zijn dat het muziekgenre bepaalt hoeveel btw je betaalt. In uw geval zou het dan 6 % zijn en in mijn geval 12 %. Dat kan toch niet. Terug naar de tekentafel dus. Er is wel het lichte engagement om het anders te doen. Mijnheer de minister, het kan inderdaad ook anders. Punt.

Het mechanisme van de autonome gemeentebedrijven (AGB's)

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat subsidies voor personeelskosten (functioneringsubsidies) van gemeentes aan RCA’s (Regies voor Autonome Gemeentediensten) geen BTW-plichtig zijn, terwijl prijsgerelateerde subsidies (bv. voor lokale huur) wel onder de verhoogde BTW (6→12%) vallen, omdat ze deel uitmaken van de omzetbepaling voor winstoogmerk. Piedboeuf noemt deze verduidelijking—gebaseerd op circulaire 2022/C/100—een "geruststelling" voor RCA’s, die volgens hem economisch waardevol werk leveren. De discussie draait om de BTW-impact op gemeentelijke patrimoniumbeheer via RCA’s na de tariefsverhoging.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le Ministre, Cher Monsieur Jambon, la plupart des communes font appel au mécanisme des RCA afin de gérer leur patrimoine immobilier, sportif ou non, et à l'occasion, mais pas exclusivement, d'étaler le paiement de la TVA sur les travaux immobiliers dans le temps.

Avec la nouvelle mesure d'augmentation de la TVA de 6 à 12 %, les Communes et leurs RCA seront directement concernées, en raison du mécanisme de subsides liés aux prix, instauré par la décision du SPF Finances E.T.129.288 du 19 janvier 2016 (entrée en vigueur le 1 er janvier 2016), remplacée par la circulaire 2022/C/100 du 13 octobre 2022.

Avant 2016, il y avait une séparation nette entre subsides liés au prix soumis à TVA et subventions de fonctionnement. Depuis lors, il semble que l'administration considère que tant les subsides liés au prix que les subventions de fonctionnement doivent être soumis à TVA, ce qui présente l'inconvénient pour des opérations internes à la gestion communale d'ajouter de la TVA alors que la plupart du temps les subsides de fonctionnement concernent le paiement du personnel.

Pourriez-vous, Monsieur le Ministre, confirmer la distinction qu'il y a entre d'une part les subsides liés au prix passibles de la TVA pour utilisation des locaux qui ont permis cet étalement de TVA et les subventions qui permettent simplement d'intervenir pour le paiement du personnel affecté?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, compte tenu du contexte spécifique dans lequel une régie communale autonome développe ses activités, il est nécessaire de déterminer dans quelles circonstances une RCA peut être considérée comme un organisme à but lucratif. Ceci est important parce que le champ d'application de certaines exemptions à la TVA se limite aux opérations fournies par des organismes sans but lucratif. Dès lors que la poursuite d'un but de lucre ne peut être déduite de la seule mention en ce sens dans les statuts, encore faut-il définir la manière dont peut être identifiée l'existence effective d'un tel but, et donc d'un bénéfice distribuable dans le chef de la RCA.

S'agissant des subsides liés aux prix octroyés par la commune à la RCA, ils font, au même titre que le prix acquitté par les bénéficiaires des prestations réalisées par la RCA, partie intégrante du chiffre d'affaires, et doivent être pris en considération afin de déterminer si les dispositions statutaires relatives à la poursuite d'un but lucratif sont théoriques ou non. Les deux éléments du chiffre d'affaires sont soumis à la TVA.

Les subsides de fonctionnement alloués par une autorité communale à une RCA, par exemple pour couvrir les coûts de personnel, sont également à exclure dans le cadre de la détermination de l'existence d'un bénéfice. Je peux vous confirmer que ces subsides de fonctionnement ne sont pas soumis à la TVA. La hausse du taux de TVA de 6 à 12 % relatif aux prestations de services de culture, de sport et de divertissement n'a dès lors aucune incidence sur ces subsides de fonctionnement.

La distinction entre subsides liés au prix et subsides de fonctionnement est clarifiée de manière circonstanciée dans la circulaire 2022/C/100.

Benoît Piedboeuf:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour ces précisions fondamentales. Nous sommes tout à fait d'accord sur cette distinction et d'accord d'appliquer la TVA sur les subsides liés au prix, mais il fallait évidemment exonérer les communes de payer de la TVA sur les subventions qu'elles donnent à la RCA pour pouvoir fonctionner. C'est une très bonne nouvelle qui va rassurer, je le pense, énormément de RCA qui font un excellent travail en matière économique pour notre pays.

De bijdrage van gemeenten en provincies aan de ontwikkeling van projecten

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Benoît Piedboeuf bekritiseert dat het fonds d’expansion van intercommunale Idelux (gefinancierd door provincies/gemeenten voor economische ontwikkeling) ten onrechte belast wordt met vennootschapsbelasting, hoewel het volgens hem een subsidie-equivalent is dat vrijgesteld zou moeten zijn. Minister Jan Jambon bevestigt dat subsidies enkel vrijgesteld zijn als ze onder specifieke regionale steunregels (art. 193bis/ter CIR 1992) vallen en wijst erop dat een circulaire geen afwijking van wetgeving kan toelaten. Piedboeuf houdt vol dat de belasting op publiek gefinancierd kapitaal voor economische doelen absurd is en kondigt een gedetailleerd voorstel voor vrijstelling aan, maar Jambon blijft bij de wettelijke kaders.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le Ministre, il y a qq années nous avons décidé de soumettre les intercommunales de développement économique à l’Impôt des Sociétés, dans le cadre de cette imposition et en toute bonne logique les subsides perçus sont exonérés. En province de Luxembourg, l’intercommunale Idelux a créé un fonds d’expansion alimenté par moitié par la province et par moitié par les communes. Ce fonds d’expansion, qui en réalité est un subside, permet de contribuer à financer ou à attirer des projets stratégiques et utiles pour le développement économique, la création d’emplois, etc.

Ce prélèvement sur ce fonds d’expansion se trouve bien évidemment dans le résultat mais il s’ensuit qu’il est soumis à l’Isoc ce qui est une aberration. En effet, cette contribution publique, équivalent à un subside, se retrouve amputé du montant de l’impôt et in fine réduit la dotation du public au public. Pourriez-vous, Monsieur le Ministre, établir une circulaire qui dispense de cette contribution injuste?

Je vous remercie de votre réponse.

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, comme vous le comprendrez, il ne m'est pas possible de me prononcer sur le cas concret d'un contribuable, étant tenu par le secret professionnel.

Cela étant, sur le principe, je peux confirmer que toute société assujettie à l'impôt des sociétés est, conformément à l'article 24 du Code des impôts sur les revenus 1992 (CIR 1992), imposée sur l'ensemble de ses bénéfices, y compris les subsides reçus. Ces derniers peuvent toutefois être exonérés s'ils constituent des aides régionales qui entrent dans le champ d'application des articles 193 bis ou ter du Code précité.

Enfin, une circulaire ne peut avoir pour vocation de déroger à des dispositions d'ordre public, claires et univoques, qui seraient correctement appliquées.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, je comprends la réponse concernant les subsides régionaux, mais, ici, on est devant une intercommunale de développement économique qui, pour pouvoir faire du développement économique, sollicite les provinces et les communes à abonder dans un fonds d'investissement, en quelque sorte.

Pour développer des projets et attirer des entreprises, ce fonds d'investissement permet de faire des aides aux entreprises, etc. Donc, il est un peu contradictoire que les apports des associés soient soumis à l'impôt des sociétés alors qu'ils permettent de réaliser l'objet social. Là, on a vraiment un problème, parce que ce sont des subsides qui devraient être eux-mêmes exonérés, et pas passibles de l'impôt des sociétés.

Je leur ai déjà expliqué qu'il faudrait peut-être qu'ils fassent des augmentations de capital et puis des diminutions de capital, mais je trouve qu'on devrait trouver un moyen d'exonérer les apports des associés pour financer le développement économique. Je vous soumettrai éventuellement un dossier argumenté à ce sujet.

Merci monsieur le ministre pour toutes vos réponses. Je crois que nous avons fait avancer beaucoup de sujets.

Voorzitter:

Collega’s, ik zal al mijn vragen aan het einde van deze zitting stellen, dan kan ik u allemaal bevrijden uit deze commissievergadering.

De aan Pillar 2 toe te schrijven opbrengst

Gesteld door

MR Benoît Piedboeuf

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Benoît Piedboeuf vraagt minister Jan Jambon naar het nettovoordeel van de Pillar 2-belasting (15% minimumtarief voor multinationals), met name of de extra inkomsten de administratiekosten overstijgen, en bekritiseert impliciet dat VS-multinationals zijn uitgezonderd terwijl Europese bedrijven wel betalen. Jambon antwoordt dat het SPF Finances nog geen volledige data heeft, maar noemt wel tussentijdse opbrengsten: €6,5 miljoen via de Income Inclusion Rule en €63,8 miljoen via de binnenlandse bijheffing, zonder de nettowinst te specificeren. Piedboeuf sluit af met een ironisch bedankje, wat suggereert dat hij de antwoorden onvolledig vindt. Het hoofdthema blijft de oneerlijke toepassing en kostenefficiëntie van Pillar 2.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, comme vous le savez probablement, les États-Unis ont obtenu début janvier que leurs multinationales échappent à l'impôt minimum Pillar 2 de 15 % qui s'applique pourtant à toutes les multinationales européennes et donc également aux sociétés belges qui se sont développées à l'étranger.

Pouvez-vous m'indiquer quel a été le bénéfice net pour le Trésor de Pillar 2 jusqu'ici, c'est-à-dire les impôts supplémentaires que Pillar 2 a permis de récolter, moins les montants qui ont dû être investis pour créer une administration qui contrôle et supervise l'implémentation de cette nouvelle réglementation?

Jan Jambon:

Monsieur Piedboeuf, le SPF Finances ne possède pas encore l'ensemble des données relatives au pilier 2 pour pouvoir calculer les bénéfices générés par cet impôt.

Pour l ’Income Inclusion Rule , le SPF Finances dispose des chiffres du précompte. Il s'agit en l'occurrence d'un montant de 6 467 637 euros. Pour le binnenlandse bijheffing, c’est 63 847 828 euros.

Benoît Piedboeuf:

Toutes les réponses étaient vraiment intéressantes. Merci, monsieur le ministre.

De financiële betrokkenheid van België in bezet gebied

Gesteld aan

CD&V Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Achraf El Yakhloufi bekritiseert dat België ondanks zijn officiële afwijzing van illegale Israëlische nederzettingen als strijdig met internationaal recht, toelaat dat Belgische banken deze via financiering steunen, en eist concrete sancties of bindende regels om dit te stoppen. Minister Jan Jambon bevestigt dat banken verplicht zijn tot due diligence (inclusief mensenrechten) en dat een nationaal sanctiemechanisme wordt onderzocht, maar wijst op juridische haken en de voorkeur voor een Europees kader. El Yakhloufi bestempelt dit als onvoldoende, benadrukt dat Europese traagheid geen excuus is en dringt aan op onmiddellijke straffen voor instellingen die volgens hem spaargeld van burgers inzetten voor bezettingspraktijken. De kern: woorden vs. daden—België’s beleid zou juridische veroordeling van bezetting moeten vertalen in afdwingbare financiële blokkades.

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister, dit debat is eigenlijk heel eenvoudig. België zegt dat illegale nederzettingen in bezet Palestijns gebied in strijd zijn met het internationaal recht. Dat is ons officiële standpunt. Tegelijkertijd tonen rapporten van internationale organisaties aan dat Belgische financiële instellingen nog altijd betrokken zijn bij bedrijven die daar actief zijn. Ze steunen bedrijven die daar bouwen, die daar investeren in infrastructuur en die ondersteunen in een bezettingssituatie die wij zelf onwettig noemen. Dat wringt, want woorden moeten met daden kloppen. Dat is wat de mensen van ons vragen.

Daarom zijn mijn vragen heel concreet, mijnheer de minister. Hoe beoordeelt u deze vaststelling in het licht van het internationaal humanitair recht en van maatschappelijk verantwoord ondernemen? Dit gaat niet over meningen, dit gaat over regels die we zelf onderschrijven.

Acht u het aanvaardbaar dat Belgische financiële instellingen betrokken blijven bij activiteiten die bijdragen aan een illegale bezettingssituatie? Heel eenvoudig ja of nee antwoorden volstaat.

Overweegt deze regering bindende regels of een nationaal sanctiemechanisme zolang er geen Europese consensus is, of blijven we wachten terwijl het geld gewoon blijft stromen en daar elke dag de huizen van mensen worden platgereden door een bulldozer? Dat is de realiteit.

Hoe zal België er concreet voor zorgen dat zijn financieel beleid niet bijdraagt aan de schending van het internationaal recht, niet in verklaringen maar in afdwingbare keuzes. Want de mensen verwachten terecht dat hun spaargeld, hun pensioenen en hun verzekeringen geen rol spelen in een situatie die we juridisch veroordelen. De mensenrechten zijn geen bijlage, ze zijn toetsstenen van onze samenleving. Ik hoor graag hoe u die verantwoordelijkheid vandaag opneemt.

Jan Jambon:

Ik veronderstel dat u verwijst naar het rapport Don't Buy into Occupation. Ik kan niet ingaan op vragen van internationaal recht, maar wat mijn bevoegdheid betreft, blijft de essentie dat de Belgische banken moeten voldoen aan alle wetten, regels en conventies die op hen van toepassing zijn, waaronder - en dat spreekt voor zich natuurlijk - mensenrechten. Dat behoort tot het due diligencewerk dat banken al onder het huidige kader moeten vervullen, zeker wanneer het gaat om belangrijke financieringsbeslissingen.

Wat uw vraag over mogelijke nationale regels betreft, onderzoekt de Thesaurie of een nationaal sanctieregime kan worden ingevoerd. Dat onderzoek is nu dus lopende, maar op basis van een eerste analyse lijkt dat juridisch niet vanzelfsprekend. Is dat logischer in een Europees verhaal? Het onderzoek is bezig en nog niet afgerond.

Achraf El Yakhloufi:

Mijnheer de minister. Ik ben even aan het kijken of u op al mijn vragen hebt geantwoord. Er zijn twee dingen. Er is het Europese verhaal, mijnheer de minister. Als we wachten op het Europese verhaal, dan zullen we nog heel lang mogen wachten. Ik ben wel blij dat u zegt dat de kwestie wordt onderzocht en dat u het nodige aan het doen bent. Mijn vraag is welke sancties u zult opleggen aan de financiële instellingen die toch zo blijven handelen. De realiteit is dat ons spaargeld vandaag wordt ingezet, het spaargeld van de kleine belegger, over wie heel veel collega's in de commissie voor Financiën spreken. Het gaat om Jan de bakker, Thomas de tassenverkoper, Mo met de pizzeria. Het zijn die mensen van wie het spaargeld wordt ingezet. Het spaargeld van de gewone werkmensen wordt belegd in Israël. Daar worden huizen mee platgebombardeerd, daar wordt mee geïnvesteerd in nieuwe bezettingen op grond die niet van de Israëli’s is. Men moet zeer streng zijn. Ik hoop dat u met de regering heel duidelijk nee zegt tegen dat beleid en dat u al die mensen die zo handelen, ook zult blijven bestrijden.

De jaarlijkse taks op de effectenrekeningen

Gesteld door

Open Vld Alexia Bertrand

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert de verdubbeling van de effectenrekeningtaks (van 0,15% naar 0,3%) omdat deze ongelijke behandeling creëert: klanten van Belgische tak 23-verzekeringen (beleggingsverzekeringen) betalen de taks zonder drempel van €1 miljoen (omdat de rekening op naam van de verzekeraar staat), terwijl directe beleggers wel genieten van die vrijstelling, wat ze als "discriminatie" bestempelt. Ze wijst erop dat dit Belgische verzekeraars benadeelt ten opzichte van Luxemburgse concurrenten (die de taks ontwijken via vrije dienstverlening), wat klanten en makelaars logischerwijs naar goedkopere buitenlandse producten duwt. Minister Jan Jambon verdedigt de maatregel door te verwijzen naar het Grondwettelijk Hof (arrest 138/2022), dat de taks – inclusief de toepassing op tak 23-rekeningen – juridisch valide achtte, en stelt dat aanpassing niet aan de orde is. Bertrand verwerpt dit als onvoldoende: ze benadrukt dat de verdubbeling de ongelijkheid verergert (kleine beleggers betalen onevenredig veel) en dat de concurrentiepositie van Belgische verzekeraars verder ondermijnd wordt, terwijl Jambon zich volgens haar verschuil achter juridische argumenten zonder oog voor "fairness" of economische gevolgen.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, deze vraag gaat over de taks op de effectenrekening. U verdubbelt die taks van 0,15 % naar 0,3 %. Zoals u weet is die taks van toepassing op effectenrekeningen waarvan de waarde meer dan 1 miljoen euro bedraagt.

Het probleem betreft de cliënten van Belgische verzekeringsondernemingen die een tak 23-beleggingsverzekering onderschrijven. Een tak 23 - dat kent u, mijnheer de minister - is een levensverzekering die eigenlijk een belegging is. Dat is dus goede praktijk.

Het probleem is echter dat die mensen eigenlijk geen gebruik maken van een effectenrekening. De effectenrekening staat immers op naam van de verzekeringsonderneming. Die rekent dan de taks door aan haar cliënten. Dat is ook door de vorige minister van Financiën aan de verzekeringsondernemingen als normale praktijk erkend. Dat betekent wel dat voor die cliënten de drempel van 1 miljoen euro niet geldt, wat tegen de geest van de wet ingaat. Zij betalen de taks op de effectenrekening immers ook voor zeer kleine bedragen. Dat betekent dat er een ongelijke behandeling is tussen deze beleggers en de beleggers in financiële instrumenten die zelf een effectenrekening hebben geopend bij een financiële instelling. Ik vind dat discriminatie.

Mijnheer de minister, wat zult u ondernemen om deze ongelijke behandeling te stoppen?

Er is echter nog een tweede probleem. Beleggers die via hun Belgische verzekeringsmakelaar wensen in te tekenen op een tak 23-beleggingsverzekering, zullen de keuze hebben tussen een tak 23-verzekering bij een Belgische verzekeraar, waarop de taks op de effectenrekening wel van toepassing is, of een tak 23-verzekering bij een Luxemburgse verzekeringsondernemer, die in België via de Belgische verzekeringsmakelaar onder het stelsel van de vrije dienstverlening kan worden aangeboden en waarop de taks dan niet van toepassing is.

Het spreekt voor zich dat cliënten eerder de minst belaste weg zullen kiezen en dat is ook absoluut legaal. Ze zullen dus het Luxemburgse tak 23-verzekeringsproduct verkiezen boven het Belgische tak 23-verzekeringsproduct. De verzekeringsmakelaar, die het belang van zijn klant moet dienen, is bovendien verplicht om het product met de minste kosten te adviseren.

Mijnheer de minister, wat zult u ondernemen om dit ongelijk speelveld tegen te gaan en ervoor te zorgen dat aan deze ontsnappingsroute een einde wordt gesteld?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, de hervormde jaarlijkse taks op de effectenrekening werd ingevoerd in 2021. De problematiek is dus niet nieuw. Ik zat niet in de federale regering in 2021.

Het Grondwettelijk Hof heeft de taks gevalideerd, ook specifiek wat de rekeningen betreft die worden aangehouden in het kader van tak 23. Dat is arrest nr. 138/2022 van 27 oktober 2022.

Ik citeer punt B.19: “In het licht van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid in fiscale zaken komt het de wetgever toe te oordelen welke effectenrekeningen, als werkinstrument in eigen naam en voor eigen rekening aangehouden door financiële instellingen en entiteiten en instellingen voor collectieve beleggingen, dienen te worden vrijgesteld om de normale werking van het nationale en internationale financiële systeem niet te ontwrichten. In het licht van de doelstelling van de wetgever om enerzijds een jaarlijkse abonnementstaks in te voeren ten aanzien van alle effectenrekeningen met een gemiddelde waarde van 1 miljoen euro en anderzijds aan de hand van een belastingvrijstelling voor de effectenrekeningen die welbepaalde financiële instellingen en instellingen voor collectieve beleggingen in eigen naam en voor eigen rekening aanhouden, de normale werking van het nationale en internationale financiële systeem te vrijwaren, is het daarenboven evenmin kennelijk onredelijk dat de vrijstelling van de bestreden taks niet geldt voor de effectenrekeningen die in het kader van een met een verzekeringsnemer afgesloten tak 23-levensverzekeringsproduct door verzekeringsondernemingen weliswaar in eigen naam worden aangehouden maar waarop derden een vorderingsrecht hebben dat verbonden is aan de waarde van de betrokken rekening.”

Een aanpassing ligt dus momenteel niet voor.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, u hebt gelijk op één punt. Er is namelijk niets veranderd. Dat is net het probleem. Het probleem is echter wel groter geworden, precies omdat u de taks verdubbelt. De ongelijkheid wordt dus alleen maar groter. Dat is het probleem. U kunt uiteraard stellen dat het al zo was in 2021 maar u voelt toch ook aan dat er hier een ongelijke behandeling is. Het is niet fair dat mensen die in een tak 23 investeren met heel kleine bedragen van misschien 50.000 euro of 100.000 euro, ook die belasting moeten betalen terwijl die taks normaal gezien pas van toepassing is vanaf 1 miljoen euro. U beweert dat er niets is veranderd. Er is wel iets veranderd, namelijk dat u de taks hebt verdubbeld. Het probleem wordt daardoor alleen maar schrijnender. Ook het probleem van de concurrentie met Luxemburgse producten wordt groter. Het verschil in tarief van de taks maakt het immers veel interessanter om een Luxemburgs product aan te kopen in plaats van een Belgisch product. Dat is erg jammer voor onze Belgische verzekeringen. Ik ben het dus niet eens met u. U verschuilt zich achter een arrest en achter een juridische redenering maar het gaat hier niet over het recht of over een juridische redenering, het gaat over wat fair is, over wat onze economie en onze verzekeringsproducten bevordert en over wat fair is voor de kleine belegger in België. Ik ben dus heel teleurgesteld door uw antwoord. Ik had van u verwacht dat u toch iets aan het probleem zou doen. Het kan immers anders en het moet ook anders.

De uitvoering van de resolutie over p2p-deelplatformen
De aanpak van misbruiken in de fiscale regeling voor erkende deelplatformen
Regulering en misbruikbestrijding van p2p-deelplatformen

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Vanrobaeys en Vanbesien dringen erop aan dat minister Jambon de unaniem goedgekeurde resolutie tegen misbruik van het vriendendienstenstatuut door platformen als Uber en Deliveroo onmiddellijk uitvoert, met name door geen nieuwe fiscale rulings toe te staan, de erkenningsprocedure strenger te maken en fraude (valse accounts, onderbetaalde koeriers) harder aan te pakken. Jambon belooft de resolutie te analyseren en rulings voortaan kritischer te beoordelen (met oog voor rechtspraak en praktijk), maar stelt geen concrete termijnen voor en wijst op lopende controles (63% productiviteit in 2023) en toekomstige DAC-7-maatregelen; hij bevestigt wel de evaluatie van de erkenningsprocedure. Vanrobaeys bekritiseert dat de bron van het probleem (rulings/erkenning) onvoldoende wordt aangepakt, terwijl Vanbesien dreigt met blijvende parlementaire druk tot volledige uitvoering.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, op 8 januari keurde het Parlement een resolutie met betrekking tot de misbruiken bij de deelplatformen goed. Die resolutie bouwt verder op talrijke onderzoeken, inspectieverslagen, reportages en duidelijke rechtspraak dat platformen zoals Uber en Deliveroo het fiscale voordeel voor vriendendiensten niet mogen gebruiken, omdat het gaat om apps die werknemers aansturen. Wie onder dat fiscale statuut met de fiets bijvoorbeeld hamburgers en frieten rondbrengt, is niet verzekerd, niet beschermd en onderbetaald. Bovendien is er vaak sprake van fraude door handel in valse accounts waarbij mensen hun identiteit verhuren, zodat men toch voor de platformen aan de slag kan. Anderzijds worden de deelplatformen die wel correct handelen, uit de markt geconcurreerd. Een meerderheid in het Parlement vond dat zulks niet langer kon en veroordeelde met de resolutie ondubbelzinnig het misbruik van dat stelsel. Dat was een belangrijke stap.

Ik heb een eenvoudige vraag. Een meerderheid van het Parlement heeft zich ervoor uitgesproken om de misbruiken onder dat stelsel aan te pakken. Zult u de resolutie uitvoeren? Dat betekent dat er geen nieuwe rulings met die platformen mogen worden overeengekomen of rulings worden verlengd.

De resolutie gaat ook in op de erkenningsprocedure. Aangezien die vandaag vrij formeel is, kan men bij wantoestanden de erkenning niet intrekken of weigeren met als argument dat de aanvrager geen vriendendiensten aanbiedt, maar een werkgever is. Unizo en UCM hebben duidelijk geadviseerd om de erkenningsprocedure aan te passen. We mogen geen achterpoortjes meer toelaten. Zult u bijgevolg alle achterpoortjes sluiten? Zo ja, binnen welke termijn? Ik kijk uit naar uw antwoord.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, met de aangehaalde resolutie, die als doelstelling heeft zwartwerk tegen te gaan en rechtszekerheid te bieden over het statuut, formuleert het Parlement een aantal concrete verzoeken. Hoe en wanneer zult u die implementeren?

Wanneer zult u de uitspraken van het arbeidshof en de Administratieve Commissie ter regeling van de Arbeidsrelatie dat fietskoeriers als werknemers moeten worden beschouwd, wettelijk verankeren? Wat rechtvaardigt nog verder uitstel?

Hoe verliepen de controles op het peer-to-peerstatuut in het verleden? Hoe zult u de controles versterken, onder meer op de onderverhuur van accounts, alsook op de bedrijfsvoorheffing, die moet worden doorgestort?

Hoe zult u de administratieve verplichtingen afdwingen in het kader van artikel 321quater van het WIB1992, dat gaat over de plichten van exploitanten van een digitaal samenwerkingsplatform?

Wanneer mogen wij een campagne verwachten voor platformmedewerkers, waarin hen wordt gewezen op hun rechten en plichten onder de fiscale peer-to-peerregeling en de mogelijke fiscale gevolgen van meerdere accounts? Welk budget trekt u daarvoor uit?

Ten slotte, hoe zult u de omzetting van het EU-richtlijn betreffende platformwerk in nationale wetgeving, die uiterlijk op 2 december 2026 rond moet zijn, coördineren met uw collega-ministers Clarinval en Vandenbroucke?

Jan Jambon:

Collega's, in de mate dat de vragen betrekking hebben op mijn bevoegdheid als minister van Financiën, zal ik de aspecten die in de resolutie werden opgenomen, nader analyseren en meenemen in een reflectie over het fiscale kader voor platformwerk. Hieromtrent bestaan op vandaag nog geen initiatieven die op niveau van de regering besproken worden. In het kader van de omzetting van de Europese platformwerkrichtlijn ben ik uiteraard bereid om mijn collega's die het initiatief nemen voor de omzetting, te ondersteunen, als zij dat opportuun vinden.

Daarnaast zal bij de rulingpraktijk rekening gehouden worden met de nieuwe rechtspraak. Een voorafgaande beslissing is in principe geldig voor een periode van maximaal vijf jaar. Wanneer na afloop van de geldigheidsperiode een verzoek tot verlenging wordt ingediend, voert de dienst Voorafgaande Beslissingen een nieuwe analyse uit, onafhankelijk van de vorige. De verlenging van een voorafgaande beslissing is dus niet automatisch. Bij de beoordeling houdt de dienst rekening met eventuele wijzigingen in het wetgevingskader, de relevante ontwikkelingen in de jurisprudentie en de manier waarop de oorspronkelijke voorafgaande beslissing in de praktijk is toegepast. Op basis hiervan kan de dienst Voorafgaande Beslissingen in alle onafhankelijkheid tot de conclusie komen dat een nieuwe positieve voorafgaande beslissing niet meer kan worden toegekend.

De dienst Risicobeheer van de administratie Particulieren heeft geen specifiek onderzoek gevoerd naar het statuut van de dienstverleners. Jaarlijks worden wel acties gelanceerd die gericht zijn op belastingplichtigen die inkomsten behalen uit het laagbelast bijverdienen, deeleconomie of verenigingswerk, en waarvoor een risico werd gedetecteerd. Het risico bestaat dat de inkomsten uit de deeleconomie en het verenigingswerk helemaal niet of foutief zijn aangegeven en bijgevolg niet correct belast zijn of in het verlengde liggen van de beroepsactiviteit en als beroepsinkomsten moeten beschouwd worden of verspreid zijn over verschillende fiches, waardoor de grens wordt overschreden en de inkomsten belastbaar zijn als beroepsinkomsten.

De controle met betrekking tot het aanslagjaar 2023 resulteerde in een productiviteit van 63 %. De administratie zal haar controle politiek versterken door de behandeling van de DAC-7-fiches die betrekking hebben op het aanslagjaar 2024 en volgende.

Bij niet-naleving van de verplichtingen door de platformexploitant voorziet het Wetboek van Inkomstenbelasting in het opleggen van belangrijke administratieve boetes. Ik verwijs hierbij naar artikel 445 § 6 van dat WIB.

Samen met de collega bevoegd voor sociale fraudebestrijding, minister Beenders, zullen er ook maatregelen worden uitgewerkt in het college voor de fraudebestrijding. In het kader van een betere en efficiëntere fraudebestrijding en conform het regeerakkoord ben ik bereid die erkenningsprocedure te evalueren, zoals u voorstelt, mevrouw Vanrobaeys.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Wat de controles betreft, mijn standpunt ter zake is dat men natuurlijk een heel bataljon aan inspecteurs kan inzetten voor controles, maar men het probleem ook bij de bron moet aanpakken. De rulings voor de platformen en de erkenningsprocedure moeten worden herbekeken.

Ik noteer dat de dienst Voorafgaande Beslissingen, voor een ruling wordt verlengd, de vraag opnieuw onderzoekt. Ik hoop dat hij daarbij met alle elementen rekening houdt, zowel met rechtspraak als met alle onderzoeken en met de resolutie, en dat hij die niet meer verlengt.

U wilt de erkenningsprocedure zeker herbekijken. Dat is een positief antwoord op de resolutie. Ik kan het niet meer aanzien, mijnheer de minister. Er fietsen voortdurend maaltijdkoeriers op straat voorbij. Wetende dat meer dan 82 % in dat statuut werkt, is de kans groot dat ze worden uitgebuit. Bovendien zijn ze onvoldoende beschermd en misschien is er ook sprake van onder andere sociale fraude via valse accounts, fiscale fraude en handel in valse accounts. Ik vind dat we de uitbuiting op onze straten moeten stoppen.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Vanuit de oppositie stemden wij ook voor de resolutie, resolutie die trouwens op het Vlaams Belang na unaniem wed goedgekeurd, en onderstreepten wij dat de uitvoering absoluut moest worden opgevolgd. De auteur van de resolutie, mevrouw Vanrobaeys, heeft dat ook bevestigd. Een resolutie mag geen dode letter blijven.

Ik hoor dat er al een aantal initiatieven zijn. Ik begrijp ook dat er op bepaalde vlakken nog stappen kunnen worden gezet. Daarom zullen wij u over het onderwerp regelmatig blijven ondervragen, tot de verschillende maatregelen die in de resolutie zijn overeengekomen, zijn uitgevoerd.

Voorzitter:

Vraag nr. 56012431C van de heer Bilmez wordt uitgesteld. Vraag nr. 56012404C van de heer Chahid is zonder voorwerp. Vraag nr. 56012413C van mevrouw Schlitz wordt uitgesteld.

Het OESO-akkoord over de mondiale minimumbelasting

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dieter Vanbesien bekritiseert het OESO-side-by-side-akkoord (Pillar 2) omdat het Amerikaanse multinationals vrijstelt van minimumbelasting terwijl Europese bedrijven wel gebonden blijven, wat volgens hem het speelveld vervalst, de Europese belastinginkomsten uitholt en strategische autonomie ondermijnt. Hij vraagt hoe België binnen EU en OESO internationale standaarden verdedigt en pleit voor alternatieve VN-kaders om geloofwaardigheid te herstellen. Minister Jan Jambon verdedigt het akkoord als een compromis om vergeldingsmaatregelen te vermijden en rechtszekerheid te bieden, benadrukkend dat het geen exclusieve Amerikaanse bevoordeling is maar een erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel. België steunt impactanalyses (OESO 2029) en constructieve VN-onderhandelingen, maar wil duplicatie met OESO/EU-regels voorkomen. Vanbesien herhaalt zijn oproep om Pillar 2 niet af te zwakken en vraagt regelmatige Ecofin-debriefings in de commissie.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, op 5 januari besliste de OESO binnen het Inclusive Framework om een zogenaamde side-by-sideregeling in te voeren binnen de mondiale minimumbelasting voor multinationals, de Pillar 2. Die regeling laat toe dat multinationals met een Amerikaans moederbedrijf onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van bijheffingen via de Income Inclusion Rule of de Undertaxed Profits Rule, terwijl Europese ondernemingen volledig onder het Pillar 2-kader blijven vallen.

Die beslissing roept vragen op over een gelijk speelveld en over de impact op de Europese en de Belgische belastinggrondslag. Daarnaast staat die beslissing op gespannen voet met de herhaaldelijk uitgesproken Europese ambities inzake strategische autonomie, economische weerbaarheid en het verdedigen van gezamenlijk afgesproken internationale standaarden.

Ten eerste, hoe beoordeelt u het risico dat die regeling leidt tot een oneerlijk speelveld tussen Europese en Amerikaanse multinationals? Deelt u de analyse dat dit de Europese en Belgische belastinggrondslag kan uithollen?

Ten tweede, hoe rijmt u de nadruk op strategische autonomie met het aanvaarden van uitzonderingen die onder externe druk tot stand komen en die eerder afgesproken regels uithollen?

Ten derde, kunt u toelichten hoe België binnen de Europese Unie en de OESO pleit voor het verdedigen en het niet afzwakken van gezamenlijk afgesproken standaarden?

Ten slotte, het herhaald toevoegen van uitzonderingen en safe harbors ondermijnt de geloofwaardigheid van de mondiale minimumbelasting. Hoe staat België tegenover alternatieve, meer inclusieve kaders voor internationale fiscale samenwerking, zoals de momenteel lopende onderhandelingen binnen de Verenigde Naties?

Jan Jambon:

Alvorens in te gaan op de vragen die u aanhaalt, herinner ik u dat het zogenaamde side-by-side-akkoord kadert in een bijzonder gevoelige internationale context. Dat akkoord is immers voortgekomen uit het gezamenlijke initiatief van de G7 en de G20 en berust op drie pijlers: de vereenvoudiging van de internationale fiscale regels, de stabilisatie van het systeem en het vermijden van vergeldingsmaatregelen door de Verenigde Staten voor Europese multinationals.

Ik ben bijzonder aandachtig voor de risico's op concurrentieverstoring tussen Europese en Amerikaanse multinationals. Niettemin dient te worden benadrukt dat het akkoord werd ontworpen met het oog op vereenvoudiging en met de erkenning dat het Amerikaanse belastingstelsel al voorziet in maatregelen inzake minimumheffing op zowel binnenlandse als buitenlandse inkomsten van multinationale groepen met zetel in de Verenigde Staten.

Ik blijf evenwel voorzichtig wat betreft de mogelijke implicaties. Daarom hebben we tijdens de onderhandelingen de invoering van een inventaris van de gevolgen van het side-by-side-akkoord ondersteund. Er is voorzien dat de OESO een overzicht zal opmaken met betrekking tot de impact van het akkoord. Dat overzicht zal zijn gebaseerd op objectief bewijsmateriaal en de resultaten zullen uiterlijk in 2029 worden gepubliceerd.

Op Belgisch niveau is voorzien dat bij de omzetting van het side-by-side-akkoord in het intern recht formeel een analyse zal worden voorgelegd. Ik hecht groot belang aan de Belgische en Europese doelstellingen inzake strategische autonomie en economische veerkracht. De aanvaarding van het side-by-side-akkoord mag niet worden geïnterpreteerd als afstand doen van deze doelstellingen, maar veeleer als middel om een zo breed mogelijke toetreding tot het gemeenschappelijke multilaterale kader te bevorderen, zoals vastgelegd in de Pijler 2-regels van de OESO en de EU-richtlijn 2022/2523.

Het side-by-side-akkoord bevoordeelt niet uitsluitend Amerikaanse multinationale ondernemingen, maar is een erkenning van het Amerikaanse fiscale stelsel. Verder vereenvoudigt het de internationale fiscale regels en versterkt het de rechtszekerheid voor Belgische ondernemingen. Tot slot vermindert het de spanningen en het risico op vergeldingsmaatregelen met onze Amerikaanse partners.

België pleit consequent, zowel binnen de Europese Unie als binnen de OESO, voor een coherente, voorspelbare en eerlijke uitvoering van de overeengekomen regels. De voorbije maanden heeft dit zich onder meer vertaald in steun voor vereenvoudigingsmaatregelen die de integriteit en de doeltreffendheid van de regels waarborgen, eerder dan in geïsoleerde nationale initiatieven.

België stelt zich dan ook constructief op in de onderhandelingen van het VN-kaderverdrag inzake internationale belastingsamenwerking en de daarbij horende protocollen. Wij wensen wel duplicatie en fragmentatie van reeds geleverd werk op OESO- en op Europees niveau te voorkomen.

Daarenboven moeten de verplichtingen waartoe we ons zouden verbinden op VN-niveau duidelijk zijn, net als de precieze gevolgen ervan, met name voor ons bestaand netwerk van dubbelbelastingverdragen. België verzoekt daarom om een verduidelijkende toelichting bij het VN-kaderverdrag.

Dieter Vanbesien:

Het verheugt mij dat u de doelstelling van Pillar 2 onderschrijft en dat België zich constructief opstelt over de samenwerking op VN-niveau. Zodra die aangekondigde analysenota beschikbaar is, willen we deze zeker nog eens samen doornemen. We hebben deze problematiek enkele weken of maanden geleden al besproken in de commissie in het kader van de bespreking van uw wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving rond de minimumbelasting voor multinationals. Naar aanleiding daarvan hebben Anders. en de MR al een pleidooi gehouden om Pillar 2 aan de kant te zetten en om dat dossier te agenderen op de Ecofin-vergaderingen. U zei toen dat het alvast het plan was dat dit dossier op de Ecofin-vergadering besproken zal worden. Ik herhaal mijn pleidooi om daar te pleiten voor het verdedigen en niet het afzwakken van de internationale afspraken. U kondigde aan om voor de omzetting rond de side-by-side-akkoord met een grondige analyse zal komen. Daar kijk ik ook naar uit. Ten slotte herhaal ik mijn vraag om regelmatig in deze commissie een debriefing te organiseren na de vergaderingen van de Eurogroep en Ecofin, zoals minister Van Peteghem dat deed in de vorige legislatuur.

De overbelasting van de douane en de kosten-batenverhouding
De afschaffing van de pakjestaks en de vervanging ervan door een Europese taks
Douane-overbelasting, kosten-batenanalyse en Europese pakkettaks

Gesteld aan

CD&V Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert dat de geplande 83 miljoen euro aan handhavingskosten voor de pakjestaks in 2026 mogelijk hoger uitvallen dan de netto-opbrengst, nu de nationale taks is uitgesteld (Europese variant start pas juli 2026) en de bruto-opbrengst van 223 miljoen euro onzeker is door vertraging en afhankelijkheid van Duitsland. Minister Jan Jambon ontkent dat de nationale handling fee is afgeschaft, maar stelt dat deze alleen wordt ingevoerd als buurlanden (inclusief Duitsland) meedoen via een Europees initiatief; hij verwacht 75 cent per pakje (via 3 euro EU-heffing) op een groter volume dan voorzien. Hij erkent onzekerheid door lopende EU-onderhandelingen en belooft een bijgestelde raming bij de begrotingscontrole in maart. Bertrand concludeert dat Jambon geen zekerheid biedt over de opbrengsten en geen antwoord geeft op de risico’s van dure handhaving zonder garantie op inkomsten, terwijl hij de kritiek op de optimistische cijfers niet weerspreekt.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik heb de notificaties bekeken en verwijs specifiek naar notificatie 48. Daarin erkent u dat de douane de toevloed aan pakjes nu al niet aankan. U trekt daarom 83 miljoen euro uit voor extra scanners, IT en personeel om die taks te kunnen innen. De kosten staan vast, maar de inkomsten zijn onzeker geworden. De nationale taks is geschrapt en de Europese variant start pas in de tweede jaarhelft.

Mijn eerste vraag is of de kostprijs van de handhaving, dus 83 miljoen euro, in 2026 niet hoger dreigt uit te vallen dan de effectieve netto-opbrengst die België mag overhouden.

Ik heb een tweede vraag. In notificatie 48 schrijft u voor 2026 een bruto-opbrengst van 223 miljoen euro in, een bedrag berekend op basis van een nationale taks die zou ingaan op 1 januari 2026. Intussen is, zoals ik net zei, bevestigd dat die nationale taks er niet komt en dat de Europese taks pas start in juli 2026, dus zes maanden later. Mislopen we hierdoor niet de inkomsten van de pakjestaks van minstens de eerste zes maanden van 2026 onherroepelijk? Wat met de bedragen van de komende jaren? Hebt u dat verlies reeds verrekend in uw tabellen of is uw saldo momenteel te optimistisch voorgesteld?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, u had mijn antwoord kunnen weten, want die vraag is al gesteld. Ik heb die kwestie al omstandig toegelicht, maar ik doe het nogmaals, geen enkel probleem.

Ik kan u bevestigen dat tussen de budgettaire tabel die we destijds hebben opgesteld, de begrotingsnotificaties en de actuele stand van zaken vandaag, al heel wat gebeurd is. We volgen die situatie op en zullen bij de begrotingscontrole een herraming maken van de verwachte opbrengst.

Zoals u weet, heeft de Ecofin-Raad recent, in november, beslist om de bestaande vrijstellingsregel voor invoer van goederen met een waarde tot 150 euro af te schaffen en een soort importheffing in te voeren. Oorspronkelijk was het voorstel 10 %, dat is omgezet in diezelfde Ecofin-Raad naar 3 euro; dus geen percentage, maar 3 euro per pakje. In onze oorspronkelijke raming, waarin wij zelf een handling fee zouden invoeren, hebben we rekening gehouden met een verplaatsing van de stroom. Als heel Europa dat doet, zal die verplaatsing er niet zijn. Wat in Luik binnenkomt, bijvoorbeeld, is voor een derde voor de Duitse markt. Als natuurlijk Duitsland mee in dat systeem zit, is er geen enkele reden voor (…) en gaan we dus op een zeer hoog aantal pakjes die momenteel in Luik en Antwerpen binnenkomen, een Europese heffing van 3 % hebben. U weet dat wij daarvoor op 0,25 % rekenen, dus 75 cent, maar op een veel groter volume dan ingeschat.

De nationale handling fee is niet afgeschaft. Dat moet ik tegenspreken. In de pers is dat anders vermeld, maar dat klopt niet. Wat we wel hebben gezegd, is dat we enkel een pakjestaks willen invoeren boven op de Europese heffing, als we dat kunnen doen in samenwerking met al onze buurlanden. Nederland, Frankrijk, Luxemburg en België zijn daartoe bereid. Duitsland heeft recent aangegeven dat het dat niet zelfstandig zal doen, tenzij het in heel Europa wordt ingevoerd. Duitsland is wel bereid om het eerder in te voeren, maar het moet een Europees initiatief zijn. Daarom zal er een brief worden geschreven door deze vijf landen aan Europa om, boven op de importheffing, ook de handling fee in te voeren. Dat zijn immers twee verschillende zaken.

Er zijn dus nog enkele variabelen, maar we zullen dat tegen de begrotingscontrole beter kunnen inschatten. De raming die we hebben gemaakt met een handling fee van 2 % houdt rekening met een substantiële verplaatsing van het transport. Nu zijn we zeker dat de handling fee van 3 euro, waarvan 75 cent in België blijft, op een veel grotere basis zal worden geheven. De finetuning van dat bedrag zal tegen de begrotingscontrole zijn afgerond.

Europa plant echter ook een handling fee te doen – het is een beetje complex –, en die we naar voren willen trekken en de onderhandelingen daarover zijn lopende in trilogen tussen het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie. De uiteindelijke wetgevende tekst en de budgettaire raming kunnen dus nog wijzigen. Onze bedoeling blijft echter om, zo snel mogelijk en liefst in Europees verband, de handling fee boven op de importheffing te heffen.

Alexia Bertrand:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik begrijp dus dat de bruto-opbrengst van 223 miljoen euro totaal onzeker is en dat u het nog niet weet. Het zal afhangen van de beslissing van Duitsland. Drie buurlanden zijn al mee met het verhaal, maar het is nog onzeker of Duitsland zal meedoen. Dat zal afhangen van de vraag of er een Europees initiatief komt. Dat betekent wel degelijk dat er 223 miljoen euro in het gedrang komt. Dat moest op 1 januari ingaan, maar dat zal niet het geval zijn. U denkt dat het misschien nog op een andere manier kan lukken, maar dat weten we nog niet. We zullen dat pas zien op het moment van de begrotingscontrole. Zekerheid hebt u vandaag in ieder geval niet. Dat hoor ik ook niet van u. U hebt ook geen antwoord gegeven op mijn vraag over de handhaving. Daar zijn de kosten wel zeker: 83 miljoen euro. Voor 2026 weten we het nog niet. We zullen het samen bekijken in maart, op het moment van de begrotingscontrole. Ik zal die vraag op dat moment opnieuw stellen. Dan zullen we de waarheid van de cijfers samen kunnen bekijken.

De uitgestelde invoering en de gewijzigde modaliteiten van de btw-harmonisatie

Gesteld door

Open Vld Alexia Bertrand

Gesteld aan

CD&V Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert minister Jan Jambon omdat zijn "btw-harmonisatie" (door haar een "btw-verhoging" genoemd) door uitstel tot 1 maart 2024 en gewijzigde uitvoeringsregels al 100 miljoen euro minder opbrengt – volgens de minister van Begroting – en mogelijk nog meer kosten met zich meebrengt, wat het tekort in 2026 verder vergroot. Jambon wijst op de standaard begrotingscyclus en belooft latere actualisaties, maar Bertrand noemt zijn antwoord "non-antwoord" en stelt dat hij de concrete financiële impact ontwijkt, ondanks dat de regering zelf al cijfers deelt. Zij kondigt aan de extra kosten door regelwijzigingen scherp te blijven volgen.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, in uw tabel staat een opbrengst van 633 miljoen euro voor wat u de btw-harmonisatie noemt, maar wat ik de btw-verhoging noem. In notificatie 37 geeft uw administratie zelf aan dat de invoering pas op 1 maart kan starten. Daarnaast is duidelijk geworden dat de specifieke uitvoeringsregels met betrekking tot de verschillende tarieven intussen al zijn gewijzigd, wat we in deze commissie al hebben besproken met de heer Van Quickenborne en andere collega's.

Mijn eerste vraag is wat de impact is van het uitstel.

Ten tweede wil ik graag weten wat de impact is van de wijziging van de uitvoeringsregels. Dat zijn twee verschillende zaken. Afhankelijk van uw antwoord heb ik nog een derde vraag: hoe zult u dat gat in 2026 dichten, of wordt dat toegevoegd aan het reeds oplopende tekort?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, de begrotingsnotificaties betreffen een raming van een beslissing die de regering heeft genomen. Die beslissing werd na de notificaties verder uitgewerkt in concrete wetteksten, waarna de berekeningen worden geactualiseerd. Bij elke volgende begrotingsronde, ook bij de begrotingscontrole, zal de budgettaire impact van die fiscale hervorming opnieuw worden geanalyseerd en indien nodig worden bijgesteld in de begroting. Dat is de normale cyclus.

Alexia Bertrand:

Dat was een perfect non-antwoord , mijnheer de minister. Ik ben wat verrast, want ik heb dezelfde vraag gesteld aan de minister van Begroting, die heeft geantwoord dat het uitstel al 100 miljoen euro zal kosten. Dat is dus het antwoord inzake het uitstel van de btw-maatregelen tot 1 maart. De minister van Begroting heeft echter niet geantwoord op de vraag wat de kosten zijn als gevolg van de gewijzigde uitvoeringsregels. Als men al 100 miljoen euro verliest door het uitstel, kan ik mij voorstellen dat die factuur nog zal oplopen door de gewijzigde uitvoeringsregels. Bent u het niet eens met de analyse van de minister van Begroting over die 100 miljoen euro? U hebt mij dat immers niet gezegd. Het klopt natuurlijk dat alles een raming is, maar dan kunt u toch ook ramen hoeveel geld u ondertussen na anderhalve maand verloren bent. Als u het nog niet wist, ben ik altijd bereid om u het nieuws te brengen: de kosten van uw btw-uitstel lopen al op tot 100 miljoen euro. Ik zal dat blijven opvolgen, want de wijziging van de uitvoeringsregels zal vermoedelijk nog voor extra kosten zorgen.

De strijd tegen fiscale fraude en de (over)schatting van de opbrengsten

Gesteld door

Open Vld Alexia Bertrand

Gesteld aan

CD&V Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand vraagt kritisch hoe de 13 miljoen euro nettokosten voor fraudebestrijding objectief zijn berekend, gezien de verwachte 472 miljoen euro opbrengst, en hoe tekorten worden opgevangen als de inkomsten uitblijven. Jan Jambon verwijst naar het regeerakkoord en de FOD Financiën’s inschatting, gebaseerd op versterkte controles (o.a. Biosafety, BV-tool, Argus) en een schatting van de zwarte economie (17,4% of 108 mjd), waar de doelstelling 0,43% van bedraagt. Bertrand belooft het dossier verder te volgen.

Alexia Bertrand:

De strijd tegen fiscale fraude is soms een slotpost in een begroting. U schrijft daarvoor 13 miljoen euro nettokosten in tegenover een wel gigantische netto-opbrengst van 472 miljoen euro tegen 2029. Op welke objectieve parameters is dat specifieke bedrag gebaseerd?

In welke mechanismen voorziet u om het gat te dichten, indien de extra inkomsten uit controles zich niet materialiseren?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, in het federaal regeerakkoord worden ettelijke pagina’s gewijd aan fraudebestrijding. Al die maatregelen worden momenteel geïmplementeerd en moeten voor mij zo snel mogelijk operationeel zijn.

De budgettaire inschatting werd gemaakt door de FOD Financiën. Verschillende projecten maken daar deel van uit. Het gaat om een inschatting van hogere ontvangsten door onder andere versterkte compliance , bijvoorbeeld voor Biosafety, het stroomlijnen van controles via de BV-tool en een hogere inningsratio door het project Argus en First Recovery.

Zoals reeds eerder in de commissie werd vermeld, heeft professor Friedrich Schneider in 2000 een model ontwikkeld om de zwarte economie te ramen. Voor 2024 was die economie voor België goed voor 17,4 %, zijnde 108 miljard euro. Het bedrag dat wij inschrijven, komt neer op 0,43 % van dat bedrag.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zal het dossier blijven opvolgen.

De btw-verhoging voor schoolkantines

Gesteld door

PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sofie Merckx (PS) bekritiseert de geplande TVA-verhoging op schoolmaaltijden (15-20 cent per maaltijd), die volgens haar de gratis schoolmaaltijden in Charleroi bedreigt en lage inkomens raakt, en vraagt of minister Jambon (N-VA) een uitzondering overweegt. Jambon bevestigt de ontvangst van een brief van Waals minister Glatigny (PS) en stelt dat het ontwerp-KB (zonder uitzondering voor scholen) nog bij de Raad van State ligt, maar aanpassingen mogelijk blijven. Merckx noemt de TVA-maatregel "een circus dat burgers en kinderen straft" en dringt aan op herziening, terwijl Jambon geen concrete toezeggingen doet, maar de deur openlaat voor wijzigingen tijdens de tweede ministerraadlezing. De voorzitter sluit de mondelinge vragen af.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, je tiens d'abord à vous remercier de rester aussi tard pour épuiser toutes les questions. C'est vraiment positif. Ainsi, elles ne sont pas reportées et peuvent être posées.

Ma question porte à nouveau sur la TVA que vous avez déjà évoquée précédemment. Un collègue évoquait même "le cirque de la TVA". Mais, pour certains, c'est évidemment moins rigolo. En effet, la question de l'application de l'augmentation de la TVA sur les repas scolaires fait toujours débat, notamment au niveau du conseil communal de Charleroi, où je siège, et où cette augmentation de quand même 15 à 20 cents par repas pourrait avoir une influence. Cela met, par ailleurs, en péril le projet de gratuité des repas qui sont donnés.

Durant les débats à la Fédération Wallonie-Bruxelles, Mme Glatigny a confirmé vous avoir adressé un courrier à ce sujet pour demander une exemption ou une non-application de la hausse de la TVA. Par ailleurs, le 23 janvier 2026, le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles aurait aussi adressé un courrier au niveau fédéral à ce propos.

Le 14 janvier 2026, cela a fait l'objet du débat d'actualité qui comptait une vingtaine de questions. Malgré une réponse très longue, vous n'avez pas été précis quant à l'application de cette hausse de TVA sur les cantines scolaires.

Ma question, monsieur le ministre, est dès lors très simple et j'espère obtenir une réponse. Avez-vous reçu un courrier de la part de Mme Glatigny ou du gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles? Il semblerait toutefois que cette conséquence d'une décision prise au sein du Conseil des ministres ne plaise ni au MR, ni aux Engagés. Une exception sera-t-elle éventuellement appliquée pour les repas scolaires?

Jan Jambon:

Madame Merckx, je confirme que la lettre de Mme Glatigny a bien été reçue par mon cabinet.

Le projet d'arrêté royal est actuellement soumis pour avis au Conseil d'État. Des adaptations restent donc éventuellement possibles. Dans le texte de base, il n’est pas prévu d'exception pour les repas scolaires. Mais je ne souhaite pas anticiper ces adaptations.

Par la suite, l'arrêté royal sera à nouveau soumis au Conseil des ministres pour une deuxième lecture. Il sera toujours possible d'adapter le texte. Mais dans le texte de base, qui est maintenant au Conseil d'État, il n'y a pas d'exception prévue pour les repas scolaires.

Sofie Merckx:

D’accord. Je conclus de votre réponse, qu'en fait, finalement, c'est encore en discussion. Vous dites que pour le moment, ce n'est pas prévu, mais vous avez reçu le courrier de Mme Glatigny. Je suppose que vous écoutez quand même vos partenaires de gouvernement quand ils ont des demandes.

Plus sérieusement, je pense que ce n'est vraiment pas quelque chose d'anodin: 15 à 20 cents par repas pour les familles, cela pèse, bien sûr, quand on a un très petit revenu. La gratuité des repas scolaires est aussi en péril.

Je ne peux qu'espérer, monsieur le ministre, si vous ne jetez pas l'ensemble du projet d'augmentation de la TVA à la poubelle… Ce serait peut-être quand même la meilleure chose à faire, parce que quand on voit le cirque que c'est devenu, cela devient vraiment n'importe quoi. Cela pénalise clairement le simple citoyen, les jeunes, et aussi les enfants. Revoyez donc votre copie, s'il vous plaît!

Voorzitter:

Er zijn nog leden aanwezig, maar behalve ikzelf zijn er geen andere vraagstellers meer aanwezig. Ik zal nog een viertal vragen mondeling stellen en alle andere omzetten in schriftelijk vragen. Ik hoop dat u mij de antwoorden daarop spoedig zult bezorgen.

Het dalende aantal miljonairs in België

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne wijst op een daling van Belgische miljonairs (138.000 → 134.000 in 2025) en bekritiseert de opeenstapeling van fiscale verstrengingen (TOB, effectentaks, meerwaardebelasting) als oorzaak van beweerde kapitaalvlucht naar Zwitserland/Italië, wat volgens hem investeringsklimaat en ondernemerschap ondermijnt. Jambon bevestigt geen cijfers maar noemt de trend "kwalijk" en benadrukt dat rijken niet bestreden maar armoede bestreden moet worden; hij somt regeringsmaatregelen op (loonkostverlaging, investeringsaftrek, expatstelsel) om aantrekkelijkheid te behouden, maar erkent dat dit blijvend aandachtspunt is. Van Quickenborne pleit voor proactief rijker-maken-beleid (bv. Einsteinrekening) en waarschuwt dat fiscale onzekerheid en buitenlandse concurrentie (Italië, Portugal) talent en kapitaal doen vertrekken, wat welvaart in gevaar brengt. Beide spreken uit dat België’s aantrekkingskracht voor investeerders urgent versterkt moet worden.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, uit recente cijfers blijkt dat het aantal miljonairs in België in 2025 is gedaald van 138.000 naar 134.000. Zoals mevrouw Bertrand daarnet ook zei, vestigen er zich nogal wat mensen in onder andere Zwitserland en blijkbaar ook in Italië. Zwitserland telt ondertussen al meer dan 22.000 Belgische expats.

Mijnheer de minister, kloppen die cijfergegevens? Beschikt de FOD Financiën over eigen data?

Vindt u die trend goed of zorgwekkend? Dat is best een provocerende vraag en ik ben benieuwd naar uw antwoord, meer bepaald met het oog op investeren en ondernemerschap. We zagen het afgelopen jaar een verstrenging van de fiscaliteit. We hebben een heel hoge TOB, de verdubbeling van de taks op effectenrekeningen, de roerende voorheffing en nu ook de meerwaardebelasting. Erkent u dat de opeenstapeling van maatregelen kan bijdragen tot fiscale onzekerheid en kapitaalvlucht? Welke concrete maatregelen neemt of overweegt de regering om te vermijden dat België verder aan aantrekkelijkheid verliest voor wie investeert, onderneemt en bijdraagt aan onze economie?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, ik wil u eerst en vooral danken voor het reduceren van het aantal mondelinge vragen. Dat wordt bijzonder geapprecieerd.

Mijn administratie kan de door u vermelde cijfers niet bevestigen, aangezien ze niet beschikt over gegevens daarover. Ik vind dit alleszins een kwalijke evolutie. Mensen zouden steeds rijker moeten worden. Een daling van het aantal rijken is een slechte evolutie. Het is niet mijn doel om de rijken te bestrijden, maar wel om ervoor te zorgen dat mensen uit de armoede kunnen komen. De regering neemt verschillende maatregelen om de concurrentiekracht en het ondernemerschap te ondersteunen, ook in moeilijke budgettaire tijden. Naast de loonkostverlaging, de arbeidsmarkthervorming, de introductie van een bijdrageplafond in de sociale bijdragen, een verlaging van de energiekosten en de zogenaamde centenindex, werden verschillende fiscale maatregelen genomen om ondernemingen te ondersteunen, zoals de versterking van de investeringsaftrek en een verbetering van het expatstelsel. Ik ben het echter met u eens dat de aantrekkelijkheid voor wie investeert en onderneemt behouden en zelfs versterkt moet worden, en dat dit een blijvend aandachtspunt is van deze regering en van alle andere regeringen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik vind het verfrissend dat ook u dit een kwalijke evolutie vindt. We zouden van iedereen een miljonair moeten kunnen maken. Onze Einsteinrekening is daarvoor een goed instrument: als men vanaf de geboorte elke maand 100 euro op een beleggersrekening stort, heeft men op de leeftijd van 65 jaar 1,4 miljoen euro. Op die manier maakt men mensen rijker, wat veel slimmer is sparen via een spaarboekje, aangezien men daar alleen centen verliest. Hoe dan ook klinkt de roep van ondernemers en investeerders om naar het buitenland te vertrekken hier en daar luider. Ik sprak recent met iemand die investeert in private equity. Onder meer de discussie over de interne meerwaarden zorgt voor veel onrust. Mensen zeggen dat er aantrekkelijkere landen zijn. De fiscaliteit in Italië is hervormd en de streek van Milaan is populair geworden. Portugal heeft eveneens inspanningen gedaan. We moeten zeer op onze hoede zijn om ervoor te zorgen dat we grote talenten in ons land houden, want zij zorgen voor welvaart en welvaartscreatie, wat uiteindelijk goed is voor de toekomst van ons land.

De invoering van de witte kassa

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat de witte kassa (GKS 2.0) wordt gemoderniseerd en uitgebreid, met behoud van de 25.000 euro-drempel (maar aangepaste berekening) en uitzonderingen voor kleinschalige activiteiten, na overleg met sectoren. De regeling geldt eerst voor de hele horeca en later mogelijk voor andere sectoren, met een gefaseerde invoering. Op Vincent Van Quickenbornes vraag of er dit jaar al stappen worden gezet, antwoordt Jambon ontwijkend: "We gaan het wel doen", maar geeft geen concrete timing.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de invoering van de witte kassa. Ik zal daar heel kort over zijn. Die vraag werd mij eigenlijk gesteld door Café Welkom Noorderwijk. Kent u nog dat Café Welkom van die lasagne, die belastingterugwinmachine die de btw van 12 % naar 6 % brengt. Jo heet die man, een sympathieke man uit Herentals. Hij vraagt zich af hoe het precies zit met de witte kassa. In het regeerakkoord is sprake van een grens van 25.000 euro omzet. Jo heeft maar twee vragen. Vanaf wanneer bent u van plan die regeling in te voeren? Op welke ondernemingen zal het systeem precies van toepassing zijn, enkel op de horeca of ook op andere ondernemingen? Graag wat toelichting.

Jan Jambon:

Momenteel werkt de administratie samen met mijn beleidscel aan een grondige modernisering en uitbreiding van de geïntegreerde kassa, dus de GKS-regeling, zoals voorzien in het regeerakkoord. Eerst wordt een upgrade voorzien van GKS 1.0 naar GKS 2.0. De drempel zal behouden blijven, maar de berekening zal worden aangepast en er zal steeds op toegezien worden dat occasionele en kleinschalige activiteiten worden ontzien. Er zal nog overleg volgen met de betrokken sectoren.

Het toepassingsgebied van de GKS-regeling wordt gevoelig uitgebreid naar de gehele horeca en op termijn ook naar andere sectoren waarvoor het systeem opportuun wordt geacht. De implementatie zal gefaseerd en geleidelijk verlopen, maar we zullen het regeerakkoord uitvoeren.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, verwacht u nog dit jaar zaken te realiseren of niet?

Jan Jambon:

Gezien de agenda nog voor dit jaar… Ik kan er geen timing op plakken. Ik wens geen uitspraak te doen over een timing. We gaan het wel doen.

De 'Vinted-taks', een belasting op spullen die al lang belast zijn

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne bekritiseert de geplande "Vintedtaks", die particuliere verkopers (bv. tweedehandskleding, smartphones) vanaf €2.000 bruto-omzet/jaar (zelfs bij verlies) belast met 33% en noemt dit "overdreven" en "intimiderend". Jambon verdedigt de maatregel als rechtszekerheidverlenend, omdat ze normaal privébeheer (onder €2.000) vrijstelt van belasting—wat nu niet gegarandeerd is—en stelt dat alleen "abnormaal beheer" (bv. beroepsmatige verkoop) belastbaar blijft. Van Quickenborne blijft kritisch: de bruto-drempel treft ook verlieslatende verkopen, en hij eist volledige vrijstelling voor occasionele particuliere transacties. Jambon bevestigt dat de ingangsdatum (2026/2027) afhangt van parlementaire goedkeuring, maar Van Quickenborne ziet het als een "geldkloppende maatregel" die burgers extra zal kosten.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, de arizonaregering heeft al heel wat nieuwe taksen uitgevonden. Er komt geen einde aan, lijkt het. Nu is er plots ook de Vintedtaks. Mensen die tweedehandsspullen op het internet verkopen, bijvoorbeeld kinderkledij, een smartphone of een tweedehands computer, krijgen, zodra ze meer dan 170 euro per maand en 2.000 euro per jaar verkopen, een belastingcontrole. Dat bedrag wordt door het platform aan de fiscus wordt meegedeeld. Het gaat niet over winst maken. Het gaat gewoon over verkopen. Zelfs als men met verlies verkoopt, wordt men aan 33 % belast. Verschillende mensen sturen mij hierover berichten en stellen dat men die spullen beter in de container weggooit, als er zo’n Vintedtaks wordt opgelegd, want anders staat de fiscus voor de deur.

Mijnheer de minister, vindt u het normaal dat burgers die occasioneel iets verkopen en meer dan 2.000 euro verdienen, in het vizier van de fiscus komen? Dat bedrag heeft men snel als men een smartphone, een computer of wat kledij verkoopt. Ik vind dat echt overdreven. Als het gaat over beroepsverkoop, is dat iets anders, maar daarover hebben we het niet.

Klopt het dat de grens van 2.000 euro een brutogrens is, dat men met andere woorden ook belasting moet betalen als er nul euro winst wordt gemaakt?

Welke instructies geeft u aan de fiscus om te vermijden dat de maatregel uitdraait op intimidatie van mensen die kinderkledij, een buggy, een smartphone of een computer verkopen?

Mijnheer de minister, wij kijken uit naar uw antwoord.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, er is nog geen wettekst goedgekeurd en zelfs nog niet in de commissie besproken. Ik ben formeel: de maatregel voorstellen als een Vintedtaks is misleidend en onjuist. Verrichtingen die voortkomen uit het normaal beheer van een privévermogen, bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende goederen, zijn niet belastbaar in de personenbelasting. Wanneer het niet langer om normaal beheer gaat, maar om abnormaal beheer, waarover we de afgelopen dagen een aantal keer hebben gesproken, zijn de opbrengsten uit die verrichtingen belastbaar als divers inkomen aan 33 %. Dat is al jaar en dag zo, dat is nooit anders geweest en daar wijzigt op zich niets aan.

De maatregel biedt eventueel wel rechtszekerheid. De hamvraag in de bestaande regeling is namelijk wat als normaal beheer wordt beschouwd. Dat is van belang, want zolang het gaat om verrichtingen die voortkomen uit normaal beheer, is er geen belastbaarheid als divers inkomen. De maatregel die in het ontwerp is opgenomen, geeft nu een extra zekerheid aan de burger door te stellen dat de opbrengsten die iemand behaalt, sowieso tot het normaal beheer van een privévermogen behoren en dus niet belastbaar zijn, zolang het bedrag van 2.000 euro niet wordt overschreden.

Die zekerheid bestaat vandaag nog niet, in die zin dat strikt genomen ook kleinere bedragen vandaag als divers inkomen belast kunnen worden. Ik herhaal dat dat een regeling is die al lang bestaat, waar opeenvolgende regeringen niets aan hebben gewijzigd en waarvan wij nu menen dat er rechtszekerheid moet worden geboden aan de burger. Daardoor moeten belastingplichtigen niet langer naar de rulingdienst stappen.

Zolang men niet boven dat bedrag van 2.000 euro uitkomt, zal de fiscus dus niet meer kunnen stellen dat het om abnormaal beheer gaat en dat die inkomsten belastbaar zijn. Die inkomsten zullen met andere woorden niet meer kunnen worden belast, in tegenstelling tot vandaag. Dat is voor de burger uiteraard alleen maar een goede zaak.

Het gaat inderdaad om bruto-opbrengsten. Dat staat letterlijk in de memorie van toelichting. U mag daaruit ook niet afleiden dat alles boven de 2.000 euro automatisch belastbaar is. Ook dat staat letterlijk in de memorie.

Het lijkt mij een maatregel in het voordeel van de belastingplichtige, die moet zorgen voor meer rechtszekerheid bij alle verrichtingen zoals via Vinted of 2dehands, terwijl de huidige situatie totaal onzeker is en de belastingplichtige noodzaakt om naar de rulingdienst te stappen voor meer rechtszekerheid.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u wel, mijnheer de minister. Uw antwoord overtuigt mij niet. U probeert meer rechtszekerheid te creëren, maar het gaat over brutobedragen. Dat betekent dat bij de verkoop van spullen waarop mensen zelfs verlies lijden, die bedragen toch meegeteld worden voor dat bedrag van 2.000 euro. Dat vind ik problematisch.

Ten tweede wilt u vermijden dat mensen naar de rulingcommissie moeten stappen. Als gewone burgers morgen een advocaat onder de arm moeten nemen om de verkoop van een babywagen eerst te laten voorleggen aan de rulingcommissie, dan is het hek helemaal van de dam.

Ik verwacht van u, mijnheer de minister, dat de verkoop van dat soort spullen, waarvan mensen geen beroepsactiviteit maken, automatisch normaal beheer betreft. Dat is geen speculatie of abnormaal beheer, zodat u die mensen moet vrijstellen. Of het nu om 2.000 euro, 3.000 euro of 400 euro gaat, de verkoop moet worden vrijgesteld.

U werpt op dat de wettekst nog niet is goedgekeurd. Dat klopt. Hij moet nog in het Parlement worden ingediend. Als ik mij niet vergis, zal hij, indien hij voor het einde van het jaar wordt goedgekeurd, wel van toepassing zijn op het inkomstenjaar 2026. Of zegt u dat de maatregel pas zal gelden vanaf inkomstenjaar 2027? Dat zou ik nog graag weten.

Jan Jambon:

We zullen er eerst voor zorgen dat de tekst goedgekeurd wordt. Daarna weten we wanneer die in werking treedt.

Vincent Van Quickenborne:

Dat weet ik, maar is de ambitie dit jaar of volgend jaar?

Jan Jambon:

Er staat daarvoor een bedrag ingeschreven in de begrotingstabel.

Vincent Van Quickenborne:

Er staat een bedrag ingeschreven in de begrotingstabel en u wilt er geld mee ophalen, dat betekent dat mensen extra zullen moeten betalen. Ik vind dat hoogst problematisch. Maar goed, de discussie wordt gevoerd in het Parlement. Misschien kan de oppositie u nog op andere gedachten brengen, wie weet. Dat zou niet slecht zijn.

Het geschil tussen de FOD Financiën en FedCaf over de forfaitaire btw-grondslag voor bierverbruik

Gesteld aan

N-VA Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne wijst op een jarenlang geschil tussen de FOD Financiën en cafésector FedCaf Belgium over het aantal pinten per vat (192 vs. 168-180), wat tot btw-verschillen van €13.000-17.000 per café leidt, en bekritiseert dat een eerder koninklijk besluit door de Raad van State werd vernietigd wegens gebrek aan sectorraadpleging. Jambon verdedigt het nieuwe KB (2025), gebaseerd op dubbele raadpleging, en stelt dat moderne tapptechnieken 200 pinten mogelijk maken, maar erkent dat 180-185 realistisch is; hij bevestigt dat de huidige forfaitaire heffing (tot 2028) gehandhaafd blijft na sectorinstemming, met lopende consultaties voor 2026. Van Quickenborne suggereert impliciet dat de fiscale aannames onrealistisch zijn, terwijl Jambon benadrukt dat de procedure nu wel correct verloopt. De federatie reageerde niet recent, maar de overheid overweegt contact.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik weet niet of u de discussie kent of al gevolgd hebt, maar blijkbaar zijn er al meer dan tien jaar geschillen tussen de FOD Financiën en de beroepsvereniging van Belgische cafés, FedCaf Belgium, over het aantal pintjes in een vat. De fiscus stelt dat een vat 192 pinten bevat, terwijl de sector dat aantal onjuist noemt. Het aantal is lager, volgens de sector 180 of zelfs maar 168 pinten.

Dat is belangrijk omdat er vandaag een forfaitaire belasting wordt geheven, die nog bestaat tot 2028, en het verschil tussen 168 en 192 pinten kan snel een btw-verschil van 13.000 tot 17.000 euro betekenen voor een café. Blijkbaar heeft uw voorganger daarover een koninklijk besluit uitgevaardigd, maar dat werd vernietigd door de Raad van State wegens onvoldoende inspraak van de sector. Daarom heb ik enkele vragen voor u.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken na het recentste arrest van de Raad van State?

Zijn er nog gesprekken lopende?

Zal de belastingheffing gebeuren op basis van realistische, aantoonbare cijfers? U zei daarstraks zelf dat men heel goed moet kunnen tappen om 192 pinten te halen. Wat is uw taprecord, mijnheer de minister, en hoeveel pintjes denkt u uit een vat te kunnen tappen?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, vroeger had men vaten waarin men een plongeur moest steken en als men die een beetje scheef zette, dan tapte men niet veel pinten. Vandaag is dat proces vereenvoudigd door er een knop op te draaien, zodat men nu het vat geheel leeg kan tappen. Een vat van 50 liter zou theoretisch 200 pinten opleveren, nog meer dan de genoemde 192. AB InBev organiseert tapcursussen. Ik heb daar zelf eens een cursus gevolgd en men moet heel goed kunnen tappen om 180 tot 185 pinten proper uit een vat te krijgen.

Naar aanleiding van de vernietiging van het koninklijk besluit tot vaststelling van de forfaitaire grondslagen van aanslag inzake de belasting over de toegevoegde waarde voor caféhouders en kleine caféhouders door de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest van 18 oktober 2024, werd op 7 december 2025 een nieuw koninklijk besluit, nr. 2 bis, aangenomen, dat werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 december 2025.

Dat koninklijk besluit is het resultaat van een dubbele raadpleging van de beroepsfederaties, overeenkomstig koninklijk besluit nr. 2 van 19 december 2018 met betrekking tot de forfaitaire regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde en de overwegingen van het voormelde arrest van de Raad van State.

De dubbele raadpleging had, ten eerste, betrekking op de jaren 2020 tot 2024, waarop de formele vernietiging betrekking heeft en, ten tweede, op het jaar 2025, waarvoor de gewone jaarlijkse procedure van toepassing is. Het resultaat van die twee raadplegingen was dat bij afwezigheid van enig verzoek tot wijziging van de betrokken forfaitaire grondslagen, die grondslagen voor de betrokken jaren moesten worden gehandhaafd.

Op 17 november 2025 werden nieuwe raadplegingen gestart voor het jaar 2026. Die procedure zal op 1 februari 2026 worden afgesloten overeenkomstig de jaarlijkse procedure die altijd al van toepassing was op grond van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 2. Er is al een eerste antwoord ontvangen, waarin wordt voorgesteld om de in 2025 geldende forfaitaire grondslagen van aanslag ongewijzigd te handhaven.

Zoals u aangeeft, loopt de regeling hoe dan ook af op 1 januari 2028, wat de betrokken belastingplichtigen sinds 2022 weten.

Van de federatie waarnaar u verwijst, heeft mijn administratie geen enkel nieuws meer ontvangen, maar wij zullen die misschien contacteren.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Voorzitter:

Collega’s, wij kunnen aldus de vergadering beëindigen. Mijnheer de minister, wij danken u voor de vele antwoorden. Ik wens iedereen een goede avond en wens de kijkers en luisteraars een goede thuiskomst. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.06 uur. La réunion publique de commission est levée à 19 h 06.

Popover content