meeting-commission
Het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat Het Intelligence Report van de Veiligheid van de Staat Mevrouw de minister, de Veiligheid van de Staat (VSSE) waarschuwt in haar jaarrapport opnieuw voor een aantal bedreigingen. De eerste, gekende dreiging uit Rusland is al sinds de start van de oorlog in Oekraïne toegenomen. In dat verband duikt in het rapport het begrip 'wegwerpagenten' op, zijnde individuen die voor buitenlandse mogendheden werken en worden betaald om specifieke sabotageopdrachten uit te voeren, een soort van freelance sabotage. De VSSE wijst erop dat ons land toe nu toe van grote sabotageacties gespaard is gebleven, maar waarschuwt dat de opdrachten voor wegwerpagenten mogelijk in escalerende lijn gaan. Het tweede onderdeel is weinig verrassend. De VSSE wijst erop dat het links-extremisme in 2025 is toegenomen. Dat mag niemand verbazen wetende hoe vorig jaar verschillende betogingen werden aangewend door extreemlinkse organisaties zoals Secours Rouge en Antifa om vandalisme en geweld te organiseren. De betogingen waren meestal zeer legitiem, maar extreemlinkse organisaties wendden ze aan om zoveel mogelijk schade aan te richten. Op Telegramkanalen wisselen die organisaties tips uit om onder de radar te blijven en suggesties om wat te doen als men wordt gearresteerd. Wat vooral heel gevaarlijk is en wat ik in de plenaire vergadering ook al heb gezegd, is dat locaties worden gedeeld van politieagenten. Rekening houdend met het standpunt van die organisaties over iedereen die een functie uitoefent om de openbare orde te garanderen, is dat levensgevaarlijk. Het derde onderdeel is het belangrijkste, ook volgens de VSSE. Het betreft de jihadistische dreiging, die bijzonder verontrustend blijft. De VSSE benadrukt dat die terreurdreiging allesbehalve verdwenen is. Dat zou iedereen ten volle moeten beseffen. Net zoals vorig jaar waarschuwt ze in het bijzonder voor lone actors en kleine terreurcellen. Terreurverdachten worden alsmaar jonger, wat zeer verontrustend is. Maar liefst een derde van de dossiers betreft minderjarigen. De jongste verdachten zijn amper 12 jaar oud. Het conflict in Gaza en onlinepropaganda daarover voeden dat fenomeen. Dat is duidelijk te zien in de cijfers. Ook niet onbelangrijk, en hier in het land wat onderbelicht gebleven: in december heeft IS nog een oproep in haar magazine gelanceerd om in België aanslagen tegen joden en christenen te plegen. Mevrouw de minister, ik heb hierover de volgende vragen. Ten eerste, wat is uw visie op het verontrustende rapport van de Veiligheid van de Staat? Ten tweede, volgens de Veiligheid van de Staat is België tot nu toe van grote sabotageacties gespaard gebleven. Zijn er beperktere sabotageacties bij de Veiligheid van de Staat gekend? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en kunt u daarbij wat meer context geven? Ik begrijp uiteraard dat u geen details kunt geven, maar het is wel belangrijk om te weten hoe groot het probleem is. Ten derde, werden er personen in verdenking gesteld naar aanleiding van zulke sabotageacties in opdracht van een buitenlandse mogendheid? Zo ja, hoeveel en omwille van welke feiten? Ten vierde, wat onderneemt u in samenspraak met uw collega’s in de regering om de opmars van extreemlinks geweld tegen te gaan? Ten vijfde, zijn er naar aanleiding van de oproep van IS in december specifieke dreigingen naar voren gekomen? Kunt u dat toelichten? Ten zesde, hoe verloopt de uitwisseling van gegevens tussen het federaal parket en de lokale parketten in dossiers met minderjarige terreurverdachten? Zijn er bepaalde knelpunten die moeten worden weggewerkt? Hoe zult u daaraan tegemoetkomen? Ten zevende, gelet op het feit dat een derde van de terreurverdachten minderjarig is, lijkt het aangewezen – zelfs noodzakelijk – dat u overleg met uw Vlaamse collega Zuhal Demir pleegt. Er dringt zich ook een verstrenging van het jeugddelinquentierecht op. Hebt u sinds uw aantreden al overleg met uw collega in de Vlaamse regering gepleegd? Zo ja, wanneer? Wat werd er toen besproken of beslist? Zo neen, zult u nog een overleg inplannen? Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar mijn ingediende vraag. Naar aanleiding van mijn mondelinge vraag in deze commissie vorig jaar over het Intelligence Rapport van de Veiligheid van de Staat (VSSE) voor het jaar 2024 waarbij u inging op hybride dreigingen, radicalisering bij minderjarigen, buitenlandse inmenging, de beschikbare capaciteit en internationale samenwerking, wens ik vandaag voort te bouwen op uw toenmalige antwoorden in het licht van het recentste Intelligence Report van de VSSE voor het jaar 2025. Het Intelligence Report 2025 van de VSSE, dat recent bekend werd gemaakt, schetst opnieuw een bijzonder zorgwekkend en complex dreigingsbeeld voor België. Het rapport wijst op een verdere toename van hybride dreigingen door buitenlandse staten, waaronder spionage, inmenging, cyberaanvallen en desinformatiecampagnes, maar ook op aanhoudende risico’s inzake terrorisme, radicalisering bij minderjarigen, extremisme en de staatsondermijnende impact van georganiseerde criminaliteit. Ik heb volgende vragen: Wat is uw reactie op het nieuwe zorgwekkende rapport van de VSSE? Welke concrete justitiële maatregelen zijn sinds uw antwoorden van vorig jaar, gebaseerd op het toenmalige Intelligence Report, effectief genomen om hybride dreigingen beter te detecteren en op te volgen en welke bijkomende aanpassingen acht u noodzakelijk in het licht van het recentste rapport? Welke concrete stappen zijn sinds uw antwoorden van vorig jaar, gebaseerd op het toenmalige Intelligence Report, binnen Justitie reeds genomen om de ketenaanpak inzake radicalisering bij minderjarigen te versterken? Welke opvolging is binnen Justitie sinds het Intelligence Rapport 2024 gegeven aan de vaststellingen over buitenlandse inmenging en op welke punten verschilt de aanpak vandaag van die ten tijde van het vorige Intelligence Report? Welke bijkomende aanwervingen of capaciteitsversterkingen binnen de Veiligheid van de Staat werden in de loop van 2025 gerealiseerd? Collega’s, sta mij toe eerst te verwijzen naar mijn tussenkomst in de plenaire zitting van 15 januari, waarbij ik ook al antwoordde op gelijkaardige vragen. Ik licht graag aansluitend nog het volgende toe. In het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat wordt teruggeblikt op de dreigingen van het afgelopen jaar 2025 en worden ook de uitdagingen voor de toekomst belicht. De geopolitieke context vertaalt zich in hybride dreigingen, gaande van spionage tot cyberoperaties. Onze diensten volgen die dreigingen op de voet en delen informatie waar nodig en waar mogelijk, om zo te kunnen anticiperen op potentiële incidenten. Zoals geduid in het verslag, is de terroristische dreiging niet verdwenen, zoals helaas ook nog bleek uit de recente aanslag in Bondi Beach in Australië. De conflicten in het Midden-Oosten blijven daarbij een voedingsbodem voor radicalisering. Waakzaamheid blijft dus geboden en onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten spelen kort op de bal. De strijd tegen extremisme in al zijn vormen is een prioriteit, waarbij de diensten ook actie ondernemen om elke aantasting van de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat te voorkomen. Ik geloof er wel degelijk in dat die strijd een taak is van de hele samenleving, waarbij iedereen waakzaam en weerbaar moet zijn, omdat we allemaal deel uitmaken van de veiligheidsketen. Verder blijkt uit het verslag dat de polarisatie van de samenleving extremistische bewegingen, zowel linkse als rechtse, versterkt. Ten slotte vormt de georganiseerde misdaad een steeds grotere veiligheidsuitdaging. Criminele organisaties zetten steeds vaker minderjarigen in en proberen de samenleving te destabiliseren door corruptie, intimidatie van ambtenaren of door in legale structuren te infiltreren. De Veiligheid van de Staat zet extra in op partnerschappen, aangezien dreigingen in kaart kunnen worden gebracht en beheerst dankzij informatie-uitwisseling en gezamenlijke analyse. Voor onze veiligheid is het cruciaal dat we onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijven versterken. Zoals ik vorige week tijdens de plenaire zitting onderstreepte, heb ik geïnvesteerd in de technologische capaciteit van de VSSE en zal ik binnenkort een wetsontwerp indienen om ook haar juridische arsenaal uit te breiden. We moeten immers alles inzetten om dreigingen voor te zijn. Wat betreft maatregelen om hybride dreigingen te detecteren, kan ik enerzijds melden dat we beschikken over het coördinatieplatform van het Coördinatiecomité voor Inlichtingen en Veiligheid om de bewustmaking inzake hybride dreigingen te vergroten en de algemene weerbaarheid te versterken. Dat platform wordt voorgezeten door het Nationaal Crisiscentrum (NCCN). Anderzijds is het belangrijk te weten dat hybride dreigingen erg divers zijn. Voor elk relevant domein bestaan er al meerdere operationele, thematische en interdepartementale structuren, of zijn die verder in uitbouw. Zo zijn er initiatieven rond onder meer desinformatie, maritieme veiligheid, spionage, inmenging, sabotage en andere fenomenen. Wat sabotage betreft, heeft de VSSE tot heden geen grote sabotageacties op Belgisch grondgebied vastgesteld, zoals vermeld in het jaarverslag. Er zijn dan ook geen dossiers bij het federaal parket waarin personen in verdenking zijn gesteld met betrekking tot sabotageacties uitgevoerd door buitenlandse mogendheden. Wat uw vragen over extreemlinks geweld betreft, geldt dat het gemeenschappelijk platform van de ADIV en de VSSE voor de strijd tegen extremisme en terrorisme gebruikmaakt van de term linksextremisme om het fenomeen extreemlinks geweld te beschrijven. In het kader van hun bevoegdheden informeert dat platform over de activiteiten van personen of groeperingen die een mogelijke dreiging vormen. Deze personen en groeperingen vormen ook het onderwerp van regelmatig overleg binnen de bestaande structuren van de Strategie T.E.R. en zijn hernomen in de Gemeenschappelijke Gegevensbank (GGB) T.E.R., indien ze aan de criteria van de wet beantwoorden. Het radicaliseringsproces, zeker bij jongeren, speelt zich voor een groot deel online af. Sensibilisering is daarom een belangrijk aandachtspunt. Zo heeft het OCAD onder meer inzake gewelddadig nihilisme sensibiliseringsinitiatieven opgestart bij de partners, met het oog op het waarschuwen en informeren over deze ideologie. Daarnaast heeft het OCAD ingezet op het sensibiliseren van partners uit de jeugdsector, onder meer door deel te nemen aan een nieuwe omzendbrief van de Franse Gemeenschap over polarisatie en radicalisering in het schoolmilieu. Het Agentschap Opgroeien is ook een partner van de GGB T.E.R. en wisselt daarom informatie uit met betrekking tot de minderjarigen die daarin zijn opgenomen. In dit kader heeft het OCAD een protocol afgesloten met het Vlaams Agentschap om zijn dreigingsevaluaties te kunnen voeden voor de minderjarigen die in de GGB T.E.R. zijn opgenomen. De uitwisseling van gegevens tussen het federaal parket en de lokale parketten in dossiers met minderjarige terreurverdachten verloopt via de JIC-JDC-procedure (Joint Intelligence Centre-Joint Decision Centre). Die procedure verplicht alle partnerdiensten om bijeen te komen op basis van alle nieuwe informatie over terrorisme, ongeacht of die betrekking heeft op een meerderjarige of een minderjarige. De uitwisseling van informatie tussen de lokale parketten en het federaal parket verloopt volledig en snel. Naast de veiligheidsopvolging is het, wanneer het om minderjarigen gaat, essentieel om ook in te zetten op preventie en om partners zoals zorgverleners in de geestelijke gezondheidszorg te betrekken bij de aanpak, zoals beschreven in de Strategie T.E.R., waaronder hun deelname aan de LIVC-R. Overigens kan worden vastgesteld dat er sprake is van een zekere stabilisatie, zowel wat betreft het aantal dreigingsmeldingen afkomstig van minderjarigen als het aantal minderjarigen opgenomen in de GGB T.E.R. De dreiging van IS, die in het nummer 526 van Al-Naba van 18 december expliciet tegen België werd geuit, werd later door andere kanalen van IS overgenomen. Dat heeft uiteraard geleid tot een verhoogde waakzaamheid van het platform ten aanzien van mogelijke acties van IS-sympathisanten tegen ons land. Tot heden zijn geen specifieke dreigingen in verband met deze publicatie vastgesteld. Tot slot, wat betreft de laatste twee vragen van mevrouw De Wit, in 2025 bleef het personeelskader van de VSSE stabiel net onder de 1.000 personeelsleden, na de grote aanwervingsgolf die in 2021 werd ingezet. Er werden in 2025 uiteraard wel nieuwe aanwervingen gedaan, onder meer heel gespecialiseerde profielen voor de Nationale Veiligheidsoverheid. De nieuwe strafbaarstellingen rond spionage en inmenging hebben de manier van samenwerking met politie en parket meer operationeel en gericht gemaakt. Naast de strafbaarstellingen zet de VSSE ook blijvend in op bewustwordingscampagnes bij potentiële doelgroepen van spionage en inmenging, zowel bij het Belgisch doelpubliek, als ook bij de Europese instellingen in ons land. De VSSE doet dus alles wat kan en mogelijk is om dreigingen zo goed mogelijk op te volgen en informatie te delen met de relevante partnerdiensten. Mevrouw de minister, ik denk dat het voor iedereen duidelijk moet zijn dat het niet één zwaard van Damocles is dat boven ons hoofd hangt, maar wel meerdere. We hebben de jihadistische dreiging en een steeds agressiever wordende dreiging van buitenlandse mogendheden. Wat mij nog het meest blijft verontrusten, is die jihadistische dreiging, vooral omdat we daar een verontrustende evolutie zien met die minderjarigen. Er is bijvoorbeeld een jonge verdachte van amper 12 jaar en een derde van de terrorismedossiers gaat over minderjarigen. Dat is echt een heel groot probleem. Ik heb in uw antwoord niets gehoord over de verdere opvolging met de Vlaamse regering, met de deelstaten, maar u mag mij gerust verbeteren als ik mij vergis. Dat is immers een heel belangrijke bevoegdheid. Als een op drie terrorismedossiers betrekking heeft op minderjarigen, dan moet daar echt op worden gefocust, want dat zijn geen uitzonderingen. Wat doen we in de praktijk met een twaalfjarige terreurverdachte? Hoe wordt die opgevolgd? Ik wil erop aandringen dat u met de Vlaamse regering en met uw collega's in gesprek gaat en zoekt naar een aanpak die zo overkoepelend mogelijk is. Ik wil u ook vragen om waakzaam te blijven, want we kunnen wel doen alsof die jihadistische dreiging verdwenen is, maar dat is absoluut niet het geval. De Veiligheid van de Staat blijft jaar na jaar op diezelfde nagel kloppen. Dat is terecht, want dat is een enorme bedreiging. Ik hoop dat u die bedreiging ook steeds in het achterhoofd houdt en dat u, samen met andere collega’s in de regering en de deelstaten, bekijkt wat we kunnen ondernemen om het jeugddelinquentierecht eventueel aan te passen, zodat we ons kunnen wapenen tegen het feit dat vandaag al een op de drie terreurdossiers minderjarigen betreft. Als we bovendien zien welke propaganda er allemaal online wordt verspreid en hoe die propaganda minderjarigen viseert, denk ik dat dat cijfer in de toekomst nog zou kunnen stijgen. Ik bedank de minister voor haar antwoord. Moties Motions Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van heer Alexander Van Hoecke en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - gelet op het recentste jaarrapport van de Veiligheid van de Staat, waarin wordt gewezen op een toegenomen dreiging door buitenlandse inmenging, extremistisch geweld en jihadistisch terrorisme; - gelet op de vaststelling dat België tot op heden gespaard bleef van grootschalige sabotage, maar dat de Veiligheid van de Staat expliciet waarschuwt voor een escalatie van opdrachten aan zogeheten "wegwerpagenten"; - gelet op de vaststelling dat links-extremistische organisaties manifestaties en protestacties aanwenden voor het organiseren van vandalisme en geweld, en daarbij gebruikmaken van digitale kanalen om politiediensten te omzeilen; - gelet op de aanhoudend ernstige jihadistische dreiging, met een zorgwekkende toename van minderjarige terreurverdachten en een groeiend fenomeen van lone actors ; - gelet op de expliciete oproepen van lslamitische Staat om in België aanslagen te plegen tegen joodse en christelijke doelwitten; - overwegende dat de bescherming van de nationale veiligheid en de openbare orde tot de kerntaken van de federale overheid behoort; - overwegende dat buitenlandse inmenging, sabotage en spionage een directe bedreiging vormen voor de soevereiniteit, infrastructuur en veiligheid van ons land; - overwegende dat elke vorm van extremistisch geweld, ongeacht de ideologische oorsprong, met dezelfde vastberadenheid moet worden bestreden; - overwegende dat de aanwezigheid van minderjarigen in terreurdossiers wijst op ernstige structurele problemen inzake radicalisering, opvolging en repressie; - overwegende dat een efficiënte aanpak van terrorisme en extremisme een nauwe samenwerking vereist tussen federale en deelstatelijke overheden, Justitie, veiligheidsdiensten en parketten; vraagt de regering - om de opsporing, opvolging en vervolging van sabotage in opdracht van buitenlandse mogendheden te intensiveren en daarbij de beschikbare middelen voor de veiligheidsdiensten structureel te versterken; - om, in overleg met Justitie en het federaal parket, de informatie-uitwisseling met lokale parketten in terreurdossiers met minderjarigen te evalueren en te verbeteren, en eventuele knelpunten structureel weg te werken; - om dringend overleg te plegen met de Vlaamse regering over het jeugddelinquentierecht, met het oog op een verstrenging en actualisering ervan voor zware feiten zoals terrorisme en deelname aan terroristische activiteiten; - om specifieke beschermingsmaatregelen te nemen voor potentieel geviseerde gemeenschappen en infrastructuur, in het bijzonder naar aanleiding van expliciete dreigingsoproepen door terroristische organisaties. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - compte tenu du dernier rapport de la Sûreté de l'État, dans lequel celle-ci fait état d'une menace accrue en matière d'ingérence étrangère, de violences extrémistes et de terrorisme djihadiste; - compte tenu de la constatation que la Belgique a été jusqu'à présent épargnée par des actes de sabotage de grande ampleur, mais que la Sûreté de l'État met explicitement en garde contre une escalade dans les missions confiées à des agents "jetables"; - compte tenu de la constatation que des organisations d'extrême gauche profitent de manifestations et d'actions de protestation pour se livrer à des actes de vandalisme et de violence, en utilisant pour ce faire des canaux numériques visant à contourner les dispositifs policiers; - compte tenu de la menace djihadiste grave et persistante qui s'accompagne d'une augmentation inquiétante du nombre d'individus mineurs suspectés de terrorisme et d'une croissance de l'importance du phénomène des acteurs isolés; - compte tenu des appels explicites de l'État islamique à commettre des attentats contre des cibles juives et chrétiennes en Belgique; - considérant que la protection de la sécurité nationale et de l'ordre public font partie des missions de base de l'État fédéral; - considérant que les actes d'ingérence étrangère, de sabotage et d'espionnage constituent une menace directe de la souveraineté, des infrastructures et de la sécurité de notre pays; - considérant que toute forme de violence extrémiste, quelle que soit son origine idéologique, doit être combattue avec une même détermination; - considérant que la présence de mineurs dans des dossiers de terrorisme est un indice de problèmes structurels graves en matière de radicalisation, de suivi et de répression; - considérant qu'une lutte efficace contre le terrorisme et l'extrémisme requiert une collaboration étroite entre les autorités fédérales et les entités fédérées, la justice, les services de sécurité et les parquets; demande au gouvernement - d'intensifier la recherche et le suivi des actes de sabotage réalisés pour le compte de puissances étrangères ainsi que les poursuites engagées dans ce cadre, tout en renforçant structurellement les moyens mis à la disposition des services de sécurité; - d'évaluer et d'améliorer l'échange d'informations avec les parquets locaux dans les dossiers de terrorisme impliquant des mineurs, en concertation avec la Justice et le parquet fédéral, et d'éliminer structurellement les obstacles éventuels; - de se concerter d'urgence avec le gouvernement flamand au sujet du droit applicable en matière de délinquance juvénile, en vue de le durcir et de l'actualiser pour les faits graves tels que le terrorisme et la participation à des activités terroristes; - de prendre des mesures spécifiques de protection à l'égard des communautés et des infrastructures potentiellement visées, en particulier à la suite de menaces explicites exprimées par des organisations terroristes. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. Het gebrekkige functioneren van JustCase JustCase Het falende JustCase-systeem en de geseinde criminelen Het gebrekkige functioneren van JustCase De impact van het falende JustCase-systeem op de politiewerking De problemen met JustCase Mevrouw de minister, op 12 november 2025 deed u een bijzonder triomfalistische aankondiging over JustCase. U zei: "Zo verbeteren we niet alleen de kwaliteit van de dagelijkse werking, maar ook de veiligheid van de juridische procedures." Niet dus. Criminelen staan geseind, maar de politie weet het niet. Stalkers krijgen een contactverbod, maar het slachtoffer wordt niet geïnformeerd. Dossiers en pv’s verdwijnen. Het is blijkbaar dagelijkse kost. Dat JustCase een puinhoop is, wordt ook bevestigd door de magistratuur. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel stelt: "De vrees dat er ongelukken gaan gebeuren is reëel. Dat iemand per vergissing vrijgelaten wordt omdat het dossier niet volledig is of omdat een termijn of procedure niet is nageleefd, de vraag is niet of het gaat gebeuren, de vraag is wanneer." Ook het College van procureurs-generaal is kritisch: “Het systeem onder de huidige vorm houdt grote risico’s in waarvoor we vooraf gewaarschuwd hebben en veroorzaakt bovendien grote moeilijkheden bij de opvolging van in vrijheid gestelde veroordeelden. Magistraten en medewerkers op het terrein die ermee moeten werken, stellen alles in het werk om hun taak correct te blijven uitvoeren, vaak met extra inspanningen en een verhoogde werklast." Mevrouw de minister, gezien de talrijke, door verschillende actoren binnen Justitie geuite, vernietigende kritiek, kan het niet anders dan dat u al geruime tijd op de hoogte bent van het niet naar behoren functioneren van het 40 miljoen euro kostende project JustCase. Ik heb daarover een aantal vragen. Eén, u stelde dat u de signalen ernstig zou nemen, maar wat hebt u in concreto reeds ondernomen om tegemoet te komen aan de talrijke kritieken die door de actoren binnen Justitie worden geformuleerd over het bijzonder gebrekkig functioneren van JustCase? Twee, welke stappen zult u met hoogdringendheid en vanaf nu ondernemen om ervoor te zorgen dat zich geen drama’s voordoen door het niet functioneren van dat computersysteem? Drie, de problemen zijn talrijk en naar alle waarschijnlijkheid niet oplosbaar op korte termijn. Zijn er alternatieve systemen of werkmethoden die de actoren binnen Justitie in de tussentijd moeten toepassen in afwachting van het herstel van het computersysteem? Zo niet, hoe kunt u garanderen dat zich geen ongevallen zullen voordoen? Vier, binnen welke termijn kan een oplossing worden gevonden? Hoe hoog schat u de kosten en werd dat al gebudgetteerd? Madame la ministre, plusieurs témoignages font état de difficultés importantes dans l’utilisation du système JustCase, mis en service en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice. De nombreux agents doivent recourir à des procédures parallèles pour sécuriser leur travail, témoignant d’un manque de confiance dans la fiabilité du système. Ces difficultés soulèvent des risques non négligeables pour la sécurité juridique et la protection des personnes, certains acteurs craignant des erreurs dans le suivi ou la libération de personnes. Ces constats interviennent alors que JustCase représente un investissement public d’environ 40 millions d’euros. Dans ce contexte, Madame la ministre, je souhaite vous poser les questions suivantes: Quels sont, à ce jour, les dysfonctionnements formellement identifiés par vos services et signalés par les utilisateurs? Quelles mesures correctrices concrètes ont été mises en œuvre ou sont en cours pour garantir la fiabilité et la sécurité du système? Disposez-vous d’un calendrier précis pour la stabilisation complète de JustCase et la suppression progressive des procédures parallèles utilisées par précaution? Tant que ces canaux parallèles restent nécessaires, quelles garanties assurent la conservation, la traçabilité et l’intégration ultérieure de toutes les pièces et décisions, afin de garantir des dossiers complets? Quels enseignements tirez-vous de ces difficultés, au regard des travaux antérieurs de la Cour des comptes, pour éviter que des problèmes similaires se reproduisent? Par ailleurs, le déploiement de JustCase soulevait des inquiétudes au sein de la magistrature, notamment en matière de souveraineté numérique, dépendance technologique et protection des données, en raison du rôle central joué par Microsoft. Vous indiquiez alors que « le risque zéro n’existe pas, mais qu’il est identifié et surveillé ». Comment ce risque est-il concrètement monitoré aujourd’hui? Ik verwijs naar mijn ingediende vraag. Uit recente mediaberichtgeving blijkt dat het digitale dossierbeheersysteem JustCase, waarvoor intussen een investering van om en bij de 40 miljoen euro werd voorzien, ernstige structurele tekortkomingen vertoont. Essentiële gerechtelijke informatie zoals voorwaarden bij vrijlating, contact- en straatverboden en vonnissen blijkt niet systematisch beschikbaar of verdwijnt zelfs volledig uit het systeem. Nochtans werd JustCase door de minister zelf voorgesteld als een instrument dat de kwaliteit van de justitiële werking moest verbeteren en vooral de veiligheid van procedures en van burgers moest versterken. Vandaag getuigen magistraten, griffiers, gevangenisdirecteurs en justitieassistenten echter dat zij noodgedwongen werken met parallelle informele communicatiekanalen, wat niet alleen inefficiënt is maar ook fundamentele vragen oproept over verantwoordelijkheid en rechtszekerheid. In dat verband heb ik volgende vragen: Hoe beoordeelt u vandaag de betrouwbaarheid van JustCase voor het beheer van kritieke gerechtelijke informatie, in het bijzonder wanneer die informatie rechtstreeks verband houdt met publieke veiligheid en slachtofferbescherming? Acht u het aanvaardbaar dat de correcte opvolging van voorwaarden, verbodsbepalingen en signaleringen momenteel in belangrijke mate afhankelijk is van manuele controles en individuele waakzaamheid van medewerkers op het terrein? Zo neen, welke structurele ingrepen zijn noodzakelijk? Kan u aangeven of er reeds concrete gevallen zijn vastgesteld waarbij JustCase-fouten hebben geleid tot een foutieve beslissing inzake vrijlating, toezicht of voorwaarden, en hoe deze gevallen zijn opgevolgd? Welke kwaliteitscontroles, risicoanalyses of audits werden uitgevoerd sinds de ingebruikname van JustCase, en welke conclusies heeft de minister daaruit getrokken? Hoe verantwoordt de minister de reeds gemaakte en geplande uitgaven voor JustCase in het licht van de huidige werking, en wordt overwogen om verdere investeringen afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in betrouwbaarheid en veiligheid? Welke concrete timing en garanties kan de minister geven dat JustCase op korte termijn effectief functioneert als een betrouwbaar en veilig kernsysteem, zonder dat medewerkers verplicht blijven te werken met parallelle noodoplossingen? Le système informatique "JustCase", lancé en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice, rencontre déjà de nombreux problèmes si l’on en croit les acteurs de terrain. Ce nouvel outil avait pour ambition de moderniser la gestion des dossiers judiciaires, de permettre de traiter les documents plus rapidement, et de rendre les procédures juridiques plus efficaces et plus fluides. Cependant, plusieurs sources, dont notamment le Collège des procureurs généraux, pointent des ratés : criminels signalés sans que la police soit informée, dossiers et procès-verbaux qui disparaissent, victimes non prévenues concernant leur dossier… Madame la ministre - Vous avez annoncé dans la presse prendre le problème au sérieux et suivre de près la situation. Pouvez-vous aujourd’hui nous éclairer sur la situation précise liée à JustCase? Quels problèmes sont rencontrés par les utilisateurs? Á quoi sont dus ces problèmes? - Que faites-vous, avec le SPF Justice, pour améliorer la situation et éviter ces ratés? Quelles mesures concrètes envisagez-vous de prendre? - Pouvez-vous par ailleurs dresser un état des priorités et des échéances dans le cadre de la numérisation de la Justice? Collega’s, uiteraard nemen we de signalen over JustCase zeer ernstig. De veiligheid van de burgers en de correcte werking van ons gerechtssysteem staan altijd voorop. Laat me eerst enkele cruciale nuances aanbrengen bij de berichtgeving. JustCase is inderdaad sinds november operationeel, omdat werd aangegeven dat het noodzakelijk was om over te gaan tot de lancering van de tool. Het systeem wordt dagelijks gebruikt door meer dan 5.000 medewerkers in strafuitvoeringsrechtbanken, parketten, justitiehuizen en gevangenissen. Het systeem vervangt tientallen verouderde applicaties die technisch end of life waren en niet langer voldeden aan moderne eisen. Het is een belangrijke stap in de digitalisering van Justitie, waaraan ook de komende maanden nog hard verder moet worden gewerkt, zoals eerder aangekondigd. De lancering kent inderdaad te veel kinderziektes en dat ondanks het feit dat de eindgebruikers van bij de aanvang betrokken werden en hun vertegenwoordigers de lancering van JustCase hebben goedgekeurd en ook ondanks mijn vragen of na herhaald uitstel alles onder controle was, conform de vooropgestelde doelstellingen. De technische moeilijkheden werden bij de aanvang van het project in 2022 klaarblijkelijk onderschat, met name de datamigratie en het notificatiesysteem, alsook de complexiteit van de overgang van papier en oude systemen naar een moderne, datagedreven werking. Het systeem werkt en duizenden dossiers worden dagelijks verwerkt, maar de technische kinderziektes zijn ernstiger dan verwacht. De nieuwe datagedreven aanpak maakt ook fouten en inconsistenties zichtbaar die vroeger mogelijk verborgen bleven. Dat is frustrerend tijdens de overgang, maar op termijn essentieel voor de betrouwbaarheid en de rechtszekerheid van de systemen. Dan kom ik tot de specifieke vraag rond de seiningen en de politie. JustCase heeft geen link met de Algemene Nationale Gegevensbank van de politie. Seiningen verlopen via I+Belgium, net zoals voor de komst van JustCase. We werken concreet aan de volgende oplossingen. Ten eerste, we volgen de dagelijkse vergaderingen met betrekking tot de veiligheidskritieke problemen op. Ten tweede worden parallelle communicatiekanalen voor kritieke informatie, zoals mandateringen en slachtofferinformatie, voorzien tot het systeem volledig stabiel is. Ten derde is er intensieve onsitehulp en zijn er dagelijks technische updates. Ten vierde zijn er multidisciplinaire werkgroepen rond datakwaliteit, gebruiksvriendelijkheid en businessanalyse. Ten slotte is intussen ook een crisismanager op het project gezet om de verschillende problemen en de communicatie nog beter te stroomlijnen en te prioriteren, in samenspraak met de voorzitters van de colleges en de FOD Justitie, die allemaal nauw betrokken zijn. La semaine dernière, j'ai à nouveau convoqué le SPF Justice, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public pour une réunion d'urgence afin de convenir de mesures concrètes, de clarifier les responsabilités et de formaliser les solutions alternatives internes en matière de sécurité. Monsieur Ribaudo, concernant la question sur les risques Microsoft, je renvoie à ma réponse antérieure à ce sujet. En ce qui concerne le calendrier et les coûts, nous travaillons dans le cadre d'un prix contractuel fixé pour le résultat, une obligation de résultat financée par des fonds européens FRR. Il n'y a pas de coût supplémentaire, la stabilisation se fait par phase et nous prévoyons d'autres améliorations significatives dans les semaines à venir. Tot slot wil ik zeker de magistraten, griffiers, justitieassistenten, gevangenispersoneel en onze centrale diensten bedanken voor hun harde werk en inzet om fouten te voorkomen en het systeem verder te verbeteren. Hun inzet is cruciaal en wordt gewaardeerd. De digitalisering van Justitie is geen luxe, maar een noodzaak. Terugkeren naar oude systemen is geen optie. Die zijn technisch op het einde van hun levensduur gekomen en de data zijn gemigreerd. Er zijn bepaalde keuzes gemaakt in het verleden met instemming van de rechterlijke orde. We moeten nu doorgaan, maar met volledige aandacht voor de veiligheid en voor de mensen die ermee werken. Monsieur Jadoul, en ce qui concerne votre dernière question, je vous renvoie à ma réponse à la question écrite n° 613 de Mme Van Vaerenbergh Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. We weten allemaal dat dit systeem het verouderde systeem vervangt en dat er kinderziektes zijn. Ik wil een zeker begrip opbrengen voor het feit dat er kleine kinderziektes zijn, maar het gaat hier over zeer ernstige problemen, zoals blijkt uit de waarschuwingen van onder meer het College van procureurs-generaal en de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel. Het is bijzonder verontrustend dat men zegt dat de vrees voor ongelukken reëel is. De vraag is niet of het zal gebeuren, maar wanneer. We mogen daarop toch niet wachten. Ik dring er dan ook op aan, mevrouw de minister, dat met hoogdringendheid de nodige inspanningen worden geleverd om het systeem volledig foutvrij te maken. U zegt dat het systeem werkt, maar het systeem werkt niet, mevrouw de minister. De risico’s zijn veel te groot. Ik hoop dan ook dat er nooit iets zal mislopen als gevolg van de slechte werking van dat digitale systeem. Merci, madame la ministre, pour votre réponse. On ne remet pas en cause l’idée de moderniser les infrastructures numériques de la justice, mais, comme on le lit dans la presse, la question n’est pas de savoir s’il y aura des accidents, mais quand. On parle de criminels signalés sans que la police soit informée ou d’interdictions de contact non communiquées aux victimes. C’est la réalité de terrain avec JustCase. Nous comprenons qu'un projet d’une telle ampleur puisse connaître des ratés à son lancement mais, en l’occurrence, les conséquences dépassent la technique. Ce sont les travailleurs de la justice qui doivent compenser. Ce sont les justiciables qui risquent de subir des erreurs, et c’est l’État de droit qui est fragilisé. Vous indiquez dans la presse qu’il faudra mieux impliquer les acteurs sur le terrain – vous le soulignez encore aujourd’hui dans votre réponse –, mais c’est effectivement le strict minimum. Nous avons pu lire dans la presse que les acteurs avaient déjà formulé des remarques avant même le lancement de JustCase, qu’elles n’avaient pas été prises en considération et que rien n’avait changé. JustCase n’est malheureusement pas un accident isolé. D’autres projets de numérisation ont déjà échoué, avec des dizaines, voire des centaines de millions d’euros qui ont été dépensés et des citoyens qui ont dû payer la facture. Il y a un an jour pour jour, nous faisions l’audition, en cette même commission, sur le rapport de la Cour des comptes sur les grands projets de numérisation de la justice. Alors oui, l’outil peut être encore amélioré, mais aujourd’hui nous craignons vraiment qu’il ne soit pas correctement pris en main et qu’il ne réponde jamais aux besoins du terrain, comme on le voit dans d’autres dossiers tels que I-Police ou JustSign. Madame la ministre, ce gouvernement ne peut pas continuer à dire qu’il n’y a pas d’argent et que tout le monde doit faire diète et se serrer la ceinture, et en même temps jeter des millions d’euros par la fenêtre pour des projets qui sont mal pilotés. Nous demandons une transparence totale, un suivi rigoureux et des garanties pour que la justice ait enfin des outils fiables. Nous reviendrons sur ce dossier. Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. De digitalisering van Justitie verloopt inderdaad moeilijk. Dat blijkt opnieuw uit de problemen die bij dit project opduiken. De technische kinderziekten waren groter dan aanvankelijk voorzien. Ik hoop in ieder geval dat dit snel en op een structurele manier kan worden opgelost, want het gaat om een bijzonder belangrijk project. Het houdt ook veel gevaren in. Ik hoop dat het parallelle systeem dat intussen is ontwikkeld om een extra controle uit te voeren, goed functioneert en dat er geen ongelukken zullen gebeuren. We volgen het verder op. Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je suis assez satisfait que vous ayez pris certaines initiatives et je vous en remercie. L'ampleur de la difficulté me semble avoir été prise en considération. Il est toujours facile de dire "il n'y a qu'à", comme certains qui se sont exprimés en ce sens. Nous savons que les gros projets informatiques sont difficiles à piloter. Au sein de la justice, ce n'est pas le premier à présenter des difficultés. Cela dit, je n'avais personnellement pas été entièrement convaincu par le rapport qui nous avait été présenté par la Cour des comptes voici un an. C'est toutefois un point d'attention majeur. Il est clair que l'évolution vers la numérisation de la justice doit se poursuivre efficacement. Espérons que les ratés dans la mise en œuvre seront les moins nombreux et préjudiciables possible. En tout cas, dans votre réponse, j'ai entendu que les difficultés apparues étaient prises en charge et je vous en remercie. De agressie tegen cipiers en personeelsleden in de Brugse gevangenis De gewelddadige incidenten in de gevangenis van Brugge Mevrouw de minister, de directeur-generaal van het gevangeniswezen, mevrouw Steenbergen, bracht onlangs naar aanleiding van een incident een bezoek aan de Brugse gevangenis om met de cipiers te praten. De topvrouw trekt aan de alarmbel na het zoveelste incident in de overbevolkte Brugse gevangenis. De concrete aanleiding was een incident op de woensdag voorafgaand aan haar bezoek, waarbij vier cipiers naar het ziekenhuis moesten na extreem agressief gedrag van een gedetineerde. Het gaat onder andere om een gekneusde oogkas, om een whiplash en nog veel meer. De directeur-generaal begreep hun verzuchtingen, maar wees erop dat het probleem niet bij de plaatselijke directie ligt, maar wel bij de federale overheid. De directeur-generaal benadrukte dat de nationale politiek een grote verantwoordelijkheid draagt vanwege de overbevolking, die heel wat agressie met zich meebrengt. Ze stelde ook dat ze dat reeds heeft aangekaart in een open brief. De directeur-generaal sprak met de directie en het personeel en loofde opnieuw de inzet van het personeel onder die omstandigheden. Ze zei ook dat ze vreest dat daar eens een dode zal vallen. Mevrouw de minister, zijn er problemen met de interne communicatie ten aanzien van u? Is het agressieprobleem ten aanzien van cipiers of personeel een algemeen probleem, of speelt dat enkel in de gevangenis van Brugge? Kreeg u in het verleden al meldingen over agressie tegen cipiers en personeel in de gevangenis van Brugge of in andere gevangenissen? Welke aandacht besteedt u aan de agressie tegen het personeel en aan het algemeen welzijn van het personeel in de gevangenissen? Mevrouw de minister, in de gevangenis van Brugge heeft een bijzonder ernstig incident plaatsgevonden door een agressieve gedetineerde tijdens zijn overbrenging naar de strafcel. Verschillende cipiers werden ernstig verwond en moesten naar het ziekenhuis worden gebracht. Eén van hen heeft meerdere verwondingen opgelopen, onder meer een hersenschudding, een whiplash, een gekneusde oogkas, gekneusde armen en een ontsteking in de oogkas, met werkonbekwaamheid tot gevolg. Die incidenten zijn absoluut onaanvaardbaar. Cipiers moeten door de gedetineerden met respect worden behandeld. Iedere vorm van fysieke en/of verbale agressie moet heel streng worden gesanctioneerd. Dergelijke feiten hebben immers een blijvende impact en mogen niet worden geminimaliseerd. Helaas blijkt dat de directie niet kordaat handelt en niet resoluut de kant van de cipiers kiest. Zo werd bijvoorbeeld beslist om alle maatregelen uit te stellen tot na de bezoekmomenten en de educatieve activiteiten. Pas de volgende dag werd een nachtregime ingevoerd. Dat is geen duidelijk signaal aan de gedetineerden om te stellen dat iedere vorm van agressie onaanvaardbaar is. Mevrouw de minister, kunt u wat meer toelichting over die schandalige feiten geven? Hoe is het inmiddels gesteld met de gezondheidstoestand van de betrokken cipiers? Volgens berichten blijkt dat dat zoveelste geval van zware agressie door de directie werd geminimaliseerd. Aanvankelijk werd blijkbaar zelfs betwijfeld of dat als een kritiek incident kon worden beschouwd. Het werk neerleggen was niet toegestaan. Waarom werd er niet onmiddellijk kordaat opgetreden, als blijk van respect voor de cipiers, die iedere dag opnieuw moeten werken in zeer moeilijke omstandigheden? Welk gevolg werd aan dat incident gegeven tegenover de betrokken, agressieve gedetineerde? Het personeel in de gevangenis van Brugge staat onder permanente spanning, niet alleen door de agressie en incidenten of door de overbevolking, maar ook door het gevoel dat ze niet worden gesteund. Zult u een initiatief nemen om daarin verandering te brengen? De vakbonden vragen om andere maatregelen, die wel een impact hebben. Ze zeggen dat ze al jaren voorstellen doen om de zaken anders aan te pakken. Zij vragen bijvoorbeeld om de vervroegde invrijheidstelling te laten wegvallen voor wie niet met de handen van het personeel kan blijven. Dat zal de gedetineerden misschien twee keer laten nadenken voor ze tot geweld overgaan, waarmee ik de vakbonden citeer. Bent u bereid om initiatieven te nemen om strengere maatregelen uit te werken voor gedetineerden die zich schuldig maken aan agressie tegenover cipiers? Mevrouw Lambrecht, mevrouw Dillen, sinds mijn aantreden, bijna een jaar geleden, onderhouden mijn kabinet en ikzelf een intensief en open contact met zowel de gevangenisdirecteurs en de vakbonden als met de directeur-generaal over de problemen die zich voordoen binnen het gevangeniswezen en over mogelijke pistes om die aan te pakken. Het incident in Brugge werd absoluut niet geminimaliseerd. De toepasselijke richtlijnen en bepalingen moeten daarbij altijd worden gevolgd, zowel op het vlak van tuchtrechtelijke inbreuken, zoals agressie, als op het vlak van werkonderbrekingen in het geval van ernstige gebeurtenissen op de werkplek. De standaardprocedure na een kritiek incident werd in elk geval gevolgd in Brugge. Die procedure heeft tot doel de ernst van het incident in te schatten, de situatie te bevriezen en ook de slachtoffers de nodige opvang te geven. Het personeel van de betrokken afdeling werd dezelfde avond gezien voor een debriefing en de volledige personeelsgroep werd via mail geïnformeerd. Daarnaast is het de bedoeling dat nadat het incident de avond zelf met de nodige zorg werd afgesloten, het werk wordt hervat. Dat gebeurde de volgende ochtend. Op die manier kan voor de overige niet-betrokken gedetineerden het regime worden hervat, ook in het belang van de dynamische veiligheid, zodat de spanning niet oploopt. Voor de betrokken gedetineerden geldt dan de weg van de interne tucht- en/of veiligheidsmaatregelen en het neerleggen van een klacht bij een misdrijf. Wat betreft de gezondheidstoestand van de betrokken personeelsleden, kan ik u meedelen dat vier personeelsleden arbeidsongeschikt waren, twee tot en met 8 februari, één tot en met 28 februari en één personeelslid heeft het werk al hervat op 26 januari. De vaststelling dat er agressie plaatsvindt ten aanzien van gevangenispersoneel is helaas niet nieuw en beperkt zich ook niet tot de gevangenis in Brugge. Niet elk incident is echter toe te schrijven aan de overbevolking. Net zoals in de vrije samenleving vertoont een belangrijk aandeel van de gedetineerden symptomen van psychisch disfunctioneren en vertaalt zich dat soms ook in agressie-incidenten, al valt uiteraard niet te ontkennen dat de overbevolking ook frequent een rol speelt bij agressie. Het beleid inzake agressiemanagement is sedert enige tijd gebaseerd op twee pijlers, meer bepaald in het kader van een project rond geweldloze cultuur. De doelstelling van dat project is te komen tot een veiliger werk- en leefomgeving door enerzijds in te zetten op het institutionele niveau en anderzijds door het aanbieden van agressiebeheersing en begeleiding voor gedetineerden. In het kader van het globaal psychosociaal preventieplan is ten aanzien van het personeel onder meer voorzien in psychologische hulp aan medewerkers die te maken hadden met incidenten op het werk. Verder werkt de Directie Integrale Veiligheid aan een project inzake de beheersbaarheid van de meest agressieve gedetineerden. We beogen gedetineerden met een potentieel risico tot het stellen van gewelddadig gedrag te identificeren en hen een specifiek detentietraject aan te bieden dat in het teken staat van het beheersbaar maken van de gestelde agressie, door begeleiding op maat. Er zal tevens worden voorzien in enkele aangepaste beveiligde cellen als ultimum remedium voor het waarborgen van de veiligheid van zowel het personeel als de gedetineerden. In dat kader wordt ook opgeleid personeel voorzien, waaronder penitentiair bewakingsassistenten en zorgpersoneel, alsook psychiatrische bijstand voor de inrichtingen waar het project zal worden uitgerold. Mevrouw de minister, u gaf een zeer formeel antwoord met een overzicht van de bestaande procedures, maar het blijft een feit dat de omstandigheden in de Brugse gevangenis een broeihard zijn en geweld uitlokken. Men komt vaak slechter uit de gevangenis dan men erin gaat. Men wordt agressief door de overbevolking. De cipiers staan onder druk, want men vindt niet genoeg cipiers. Degenen die er zijn, moeten veel meer werk doen dan wat voor hen mogelijk is. Overigens worden de cipiers zeer laag gewaardeerd. Ik vraag me af hoe daaraan kan worden gewerkt. Zeer veel personeel stroomt uit. Dan zijn er nog de verhalen over ernstige agressie. U spreekt betrokkenen, want de directeur-generaal is bij u geweest, maar hij loopt zelfs naar de pers. Men ziet het helemaal niet meer zitten. Als ik nu aan de personeelsleden moet zeggen dat er procedures bestaan om snel op te treden als iets gebeurt en dat van de vier aangevallen cipiers er één toch al terug aan het werk is, denk ik niet dat zij daarmee gediend zullen zijn. Het grote kader – dat weet u zelf ook en ik beweer niet dat er geen inspanningen gebeuren – moet een verbetering van de leef- en werkomstandigheden in die Brugse gevangenis zijn, niet alleen voor degenen die er zogezegd wonen, de gevangenen, maar zeker ook voor degenen die er werken. Die agressie ten aanzien van cipiers, die zo’n moeilijke taak op zich nemen, is immers onaanvaardbaar. Dat mag echt niet meer gebeuren. Mensen voelen zich niet meer veilig op de werkplaats, en dat kan niet de bedoeling zijn. Het feit dat men naar de pers loopt en zich richt tot parlementsleden met de vraag om bij u nog eens de urgentie aan te kaarten om personeelsleden te beschermen tegen agressie van gevangenen, zegt alles. Ik reken erop dat u een tand bij zult zetten om de mensen zich veilig te laten voelen in de Brugse gevangenis. Mevrouw de minister, u zegt dat de feiten niet zijn geminimaliseerd, maar dat komt niet overeen met het gevoel dat de cipiers op dat ogenblik hadden. U zegt ook dat er een procedure bestaat om de ernst in te schatten. In dat zeer specifieke geval moesten vier cipiers naar het ziekenhuis worden overgebracht, van wie er drie tot op heden nog steeds arbeidsongeschikt zijn. Dat is dus zonder enige twijfel een heel ernstig incident. Agressie tegen het personeel is inderdaad niet nieuw. Er zijn echter dringend maatregelen nodig. Ik besef dat agressiegevallen niet volledig kunnen worden uitgesloten, want dat kan in de gewone samenleving ook niet, maar er moet minstens een poging worden ondernomen om agressiegevallen te verminderen. Ik heb u geen antwoord horen geven op mijn voorstel om de vervroegde invrijheidsstelling onmogelijk te maken voor wie zich schuldig heeft gemaakt aan agressie, van welke aard dan ook en ongeacht de ernst, tegen cipiers en gevangenispersoneel. Er moeten veel strengere maatregelen komen. Ik heb ook geen antwoord gekregen op de vraag welk gevolg is gegeven ten aanzien van de agressieve gedetineerde. Ik hoop en neem aan dat in elk geval een klacht is ingediend. Ik ga ervan uit dat het parket daaraan gevolg zal geven en dat die man zeer zwaar zal worden aangepakt, want die feiten zijn absoluut onaanvaardbaar. Cipiers verdienen respect. Dat hebben wij in de commissie voor Justitie al herhaaldelijk gesteld. Naar aanleiding van de beleidsnota zullen we daar nog op terugkomen, maar ik denk dat u ook prioritair werk moet maken van de verbetering van hun statuut in meest ruime betekenis van het woord. De evolutie van de veiligheidssituatie in Syrië en de impact ervan op de FTF's De ontsnapping van IS-gevangenen in Syrië Madame la ministre, comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire en séance plénière voici deux semaines, la situation au Nord-Est de la Syrie est extrêmement inquiétante. Pour citer un seul exemple, le drapeau de Daech flotte à nouveau sur la ville très symbolique de Kobané, laquelle avait été reprise par les forces kurdes à Daech voici dix ans. Des affrontements armés d'ampleur ont eu lieu, des exactions inacceptables se sont déroulées, entraînant, sinon un retrait, du moins l'affaiblissement de forces démocratiques syriennes jusqu'à présent chargées de la gestion de centres de détention d'anciens membres de l'organisation terroriste Daech. Des informations font désormais état d'évasions ou de fuites de certains détenus, sans que des chiffres définitifs puissent être fournis. Ces faits ravivent des inquiétudes majeures quant au sort des combattants terroristes étrangers qui y sont détenus, au nombre de 10 000 et en provenance de 40 pays différents. Parmi eux figurent des individus issus de Belgique, sans nécessairement en avoir la nationalité, mais qui sont venus de notre pays et dont la prise en charge et le suivi constituent un enjeu direct de sécurité nationale, mais aussi de justice et de respect de l' É tat de droit. Dans ce contexte particulièrement préoccupant, madame la ministre, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Disposez-vous, à ce stade, d'informations confirmées ou actualisées concernant le nombre de ressortissants venus de Belgique susceptibles d'être encore détenus en Syrie? L'OCAM parle de douze hommes et de neuf femmes – huit dans le camp de Al-Roj, une dans celui Al-Hol qui a été ouvert par les forces syriennes. Quelles sont les voies de coopération judiciaire et sécuritaire internationale actuellement mobilisées par la Belgique afin d'obtenir des informations fiables sur la localisation et le contrôle effectif de ces personnes? Comment la Belgique entend-elle garantir que la lutte contre l'impunité des crimes terroristes demeure pleinement effective, y compris dans l'hypothèse d'une dispersion, d'une fuite ou d'une remise en circulation de combattants précédemment détenus dans cette région? Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag. Volgens de Syrische regering zijn bij gevechten in het noordoosten van Syrië ongeveer 120 leden van de terreurgroep Islamitische Staat ontsnapt uit een gevangenis. Regeringstroepen hebben in de stad Al-Shaddadah, in de provincie Al-Hasakah, gezocht naar de voortvluchtigen en intussen 80 personen gearresteerd, zegt het Syrische ministerie van Binnenlandse Zaken. Ook het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten meldde dat een “groot aantal" IS-leden was ontsnapt. Volgens de Koerdische militiegroep de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) gaat het om veel meer, namelijk ongeveer 1.500 IS-strijders die uit de gevangenis zijn ontsnapt. Volgens SDF hebben bondgenoten van de regering in Damascus meerdere gevangenissen in het noordoosten aangevallen waar IS-leden zijn ondergebracht, ondanks een staakt-het-vuren dat zondag was afgekondigd. De SDF-troepen hebben daardoor geen controle meer. De Koerdische milities controleerden tot nu toe de gevangenissen, maar volgens het akkoord van zondag moest de SDF de gevangenen overdragen aan de Syrische regering. De vrees bestaat dat IS van de chaotische situatie gebruik zal maken om aan terrein te winnen. Dergelijke ontsnappingen vormen een bijzonder groot risico, niet alleen voor Europa, maar ook voor België. Kan de minister toelichting geven in welke mate de veiligheidsdiensten deze dreiging opvolgen? Heeft de minister kennis van Belgische IS-strijders die zouden ontsnapt zijn? Hoeveel Belgische IS-strijders bevinden zich in deze kampen? Op welke manier worden deze opgevolgd? Bestaat er een protocol dat in werking treedt wanneer er Belgische IS-strijders zouden zijn ontsnapt? Hoe ziet dit protocol eruit? Hoe wordt onze samenleving tegen deze potentiële dreiging beschermd door onze veiligheidsdiensten? Vrijdag komt in Brussel nog een zaak voor van Besime Car, die met haar kinderen vastzit in al-Roj. Wat is de positie van het OM en kan de minister verzekeren dat deze regering nooit zal toestaan dat personen die naar het buitenland trokken om zich aan te sluiten bij IS of een andere terroristische organisatie kunnen terugkeren? Dans le cadre de leurs compétences légales, la Sûreté de l’ É tat (VSSE) et l’Organe de coordination pour l’analyse de la menace (OCAM) assurent un suivi de la situation des combattants terroristes étrangers de nationalité belge, y compris ceux qui se trouvent dans les centres de détention, les prisons et les camps dans le Nord-Est de la Syrie. De VSSE werkt daarvoor nauw samen met de Belgische partners, evenals met internationale partners. In het kader van de strategie TER zijn meerderjarige, aan België gelinkte FTF’ers opgenomen in de GGB TER en worden ze opgevolgd door de local task forces die bevoegd zijn voor hun voormalige woonplaats. Minderjarigen die betrokken zijn, worden eveneens meegenomen in het kader van de opvolging van hun ouders. Het OCAD werkt de dreigingsevaluatie van die personen bij op basis van de beschikbare en bevestigde informatie van de partnerdiensten in de strategie TER. Volgens de informatie waarover de VSSE op 27 januari 2026 beschikte, zouden elf aan België gelinkte mannelijke FTF’ers in een gevangenis in het noordoosten van Syrië hebben verbleven. Dat cijfer is sinds vorige week gewijzigd, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat een mannelijke Belgische FTF’er zeer recent werd overgebracht naar een gevangenis in Irak. Dat kadert in de bredere overbrenging van IS-gedetineerden uit gevangenissen in het noordoosten van Syrië naar gevangenissen in Irak, zoals ook aangekondigd door de Amerikaanse autoriteiten. In kampen in dezelfde regio zouden nog acht aan België gelinkte vrouwelijke FTF’ers en negen kinderen verblijven. Selon les informations dont nous disposons actuellement, aucun combattant terroriste étranger lié à la Belgique ne s'est évadé de prison. Les services de renseignements et de sécurité continuent de suivre le développement de cette situation et cela en concertation avec leurs partenaires nationaux et internationaux. Pour conclure, il ne m'appartient pas d'entrer dans les détails des dossiers individuels. Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Je vois que les chiffres ont été actualisés depuis la semaine dernière, puisqu'on parle maintenant d'un transfert masculin vers l'Irak et de huit femmes, alors que jusqu'à présent, c'étaient neuf femmes venues de Belgique: huit au camp de Al-Roj et une au camp d' Al-Hol, qui a été ouvert. Donc, c'est important, évidemment, de garder la vigilance et de savoir ce que cette femme qui était dans le camp d'Al-hol, la neuvième, est devenue. Ce qui se joue aujourd'hui en Syrie est une tragédie humaine sans nom. Cela constitue aussi un enjeu direct de sécurité pour nos concitoyens en Belgique. Là-bas, des civils paient une nouvelle fois le prix fort: exactions, massacres, déplacements forcés, insécurité permanente. Cette dégradation dramatique a donc aussi des conséquences préoccupantes chez nous. Des terroristes aguerris sont désormais susceptibles de se retrouver en liberté, sans contrôle clair, sans suivi, sans cadre judiciaire. La lutte contre le terrorisme ne s'arrête donc pas aux frontières. La justice non plus. Il est impératif de savoir où se trouvent ces individus, quel est leur statut, comment empêcher qu'ils disparaissent dans la nature. Je rappelle le chiffre global de 10 000 combattants de Daech qui seraient venus de 40 pays différents et qui seraient actuellement emprisonnés dans la région. Protéger les civils syriens et protéger les Belges vont de pair. L'OCAM l'a affirmé il y a encore quelques jours à peine. Je vous remercie donc pour votre extrême vigilance dans ce dossier. Ik dank u, mevrouw de minister, voor de update. U hebt niet geantwoord op mijn vraag over Besime Car, die met haar vier kinderen vastzit in al-Roj. Zij moest als politieagente voor IS toezicht houden op de naleving van de zeden en maakte zich daarbij schuldig aan verschillende mensenrechtenschendingen. De zaak van die vrouw kwam afgelopen vrijdag voor in Brussel. Ik had gevraagd wat de positie van het openbaar ministerie was en of u nogmaals kon verzekeren dat de regering nooit zal toestaan dat personen die naar het buitenland trokken om zich aan te sluiten bij IS of een andere terroristische organisatie, terug kunnen keren. In het regeerakkoord houdt men daar een slag om de arm. Daarom had ik die garantie graag van u gekregen. Eigenlijk zouden we ons allemaal geen zorgen meer mogen maken over IS-terroristen. We zouden er toch van mogen uitgaan dat terroristen die onze samenleving op de meest letterlijke manier de oorlog verklaarden, nooit meer kunnen terugkeren. Ik was dan ook enigszins verbaasd over het feit dat sommigen in het debat van vorige week volhielden om dergelijke individuen terug te halen. Ik begrijp dat oprecht niet; ik kan er echt niet bij dat er geen consensus over bestaat, over de partijgrenzen heen, dat iemand die naar Syrië of Irak is getrokken om zich daar schuldig te maken aan de meest gruwelijke en walgelijke mensenrechtenschendingen ooit, en die letterlijk afstand neemt van onze samenleving en onze samenleving de oorlog verklaart, nooit nog terug mag keren. Ik zal mijn laatste vraag opnieuw schriftelijk indienen en ik zal het antwoord dat u hebt gegeven, nader analyseren. La question n° 56012750C de M. Van Rooy est reportée à sa demande. La question n° 56012762C de M. Dufrane est transformée en question écrite. De verwijlinteresten op de facturen van beëdigd vertalers en tolken De door Justitie verschuldigde verwijlinteresten Vanaf 1 februari zullen verwijlinteresten die door Justitie verschuldigd zijn, automatisch worden berekend en uitbetaald. Wanneer de betalingstermijn voor een factuur wordt overschreden, zullen die verwijlinteresten automatisch worden ingehouden van het werkingsbudget van de betrokken directie-generaal. De budgettaire impact daarvan valt niet te onderschatten. We weten allemaal hoeveel onbetaalde en achterstallige facturen Justitie heeft. Ten eerste, wat met de verwijlinteresten die tot op heden, vandaag nog, verschuldigd zijn maar nog niet zijn uitbetaald? Vallen die ook onder dat systeem? Ten tweede, is er een raming gemaakt van de verwachte budgettaire impact per directie-generaal? Ten derde, wat gaat u ondernemen om de verwijlinteresten die door Justitie moeten worden uitbetaald tot een absoluut minimum te herleiden? We weten allemaal dat Justitie met enorme financiële problemen kampt en dat er een groot gebrek aan budget is. Als die verwijlinteresten automatisch worden ingehouden, dreigt de put alleen maar groter en dramatischer te worden. Dank u wel, collega. In tegenstelling tot wat door een beroepsvereniging van vertalers-tolken werd gecommuniceerd, gaat de automatische berekening van de verwijlinteresten pas in vanaf 1 februari. De verwijlinteresten tellen alleen voor btw-plichtige ondernemingen, zowel onderworpen aan de Belgische als aan de buitenlandse btw, en voor zelfstandigen. Wat de exacte datum van de berekening betreft, geldt dat het startpunt van de betalingstermijn de datum is van het elektronisch indienen van de factuur in Peppol. Volgens de geldende wetgeving op de gerechtskosten mag de factuur pas worden ingediend vanaf het moment dat het dossier de goedkeuring kreeg van het taxatiebureau. De betalingstermijn bedraagt 30 dagen voor btw-plichtige ondernemingen en zelfstandigen. Momenteel worden de verwijlinteresten alleen betaald op vraag van de leveranciers. Er zijn al verwijlinteresten uitbetaald en sommige zijn nog in behandeling. De automatische uitbetaling vindt plaats vanaf 1 februari. De verwachte impact op het budget van de gerechtskosten bedraagt 4.300.000 euro. Voor het deel gerechtskosten dat betrekking heeft op de gerechtsexperten en tolken-vertalers gaat het om ongeveer 4 %. Die raming is voorzichtig en nogal hoog, in die mate dat ook gecontesteerde facturen erin zijn meegenomen, zoals bijvoorbeeld een grote betwisting met bpost. Voor gerechtskosten gelinkt aan overheidsopdrachten, zoals de aankoop van speekseltesten, de vernietiging van drugslaboratoria en lachgascontainers, worden de verwijlinteresten geraamd op 300.000 euro. Er is een raming gemaakt op basis van de betalingen van 2024, waarbij de verwijlinteresten, zoals de forfaitaire vergoeding van 40 euro, zijn toegepast. Elke directie is via het directiecomité geïnformeerd over de wijze van afhandeling en betaling van facturen. Toch moeten we vaststellen dat er vertragingen zijn opgetreden in het proces. Daarom zijn verbeteringen onderzocht om de termijnen te respecteren en vertragingen te vermijden. Om deze kracht bij te zetten, worden de verwijlinteresten geïmputeerd op de werkingsmiddelen van elke administratie, in verhouding tot de betrokken facturen. Mijnheer Van Hoecke, met betrekking tot het cijfermatige aspect van uw vragen, zou ik u willen verzoeken een schriftelijke vraag in te dienen. Ik zal zeker een schriftelijke vraag indienen over het cijfermatige, want zoals ik eerder aangaf, weten we allemaal dat Justitie veel facturen niet betaald krijgt. Vorig jaar heb ik die cijfers opgevraagd en ik heb ondertussen ook een vervolgvraag ingediend, waarop ik nog geen antwoord heb ontvangen. Begin 2025 ging het om 28,5 miljoen euro, bijna 30 miljoen euro aan facturen die nog openstonden en al lang betaald hadden moeten zijn. U spreekt hier nu over 4,3 miljoen euro als voorzichtige raming van de budgettaire impact. Dat lijkt me een enorm probleem. Ik weet niet of die raming voor het hele jaar geldt en of dat bedrag meteen automatisch zal worden uitbetaald. Dat is absoluut geen klein detail. Het is nieuws dat niet echt wijdverspreid is, maar het vormt wel een echt probleem. Veel DG’s hebben vandaag al een zeer krap budget, en als daar dan ook nog automatisch verwijlinteresten op worden ingehouden, wordt het probleem alleen maar groter. Ik ben heel benieuwd naar de cijfers, want dit kan een aanzienlijke impact hebben. Ook wil ik weten of het aantal onbetaalde facturen dit jaar nog is toegenomen. We moeten de financiële impact hiervan absoluut weten. U komt binnenkort met uw beleidsnota. Beleidsplannen die worden gepresenteerd zonder financiële impactanalyse en zonder te weten hoeveel geld er over is, zijn moeilijk uitvoerbaar. We zullen dit van dichtbij blijven opvolgen en ik zal de overige cijfers nog schriftelijk opvragen. De nasleep van de incidenten tijdens een pro-Koerdische manifestatie in Antwerpen Madame la ministre, cette question est la conséquence plus ou moins directe des faits que je dénonçais tout à l'heure dans une autre question: la situation extrêmement complexe en Syrie. Jeudi dernier, à l'occasion d'une manifestation pacifique en soutien au peuple kurde à Anvers, des faits d'une gravité extrême se sont produits. Des individus se sont délibérément mêlés à la foule avant de s'en prendre violemment aux participants à l'aide d'armes blanches. Six personnes ont été blessées par couteau, dont deux très grièvement. Nous avons depuis appris que leur vie était sauve. C'est déjà un élément humainement rassurant. En démocratie, ces actes sont évidemment inacceptables. Ils le sont d'autant plus dans un contexte international déjà marqué par de fortes tensions. Une fois encore, des conflits extérieurs sont importés sur notre territoire, au cœur de nos villes, mettant en danger des citoyens qui exerçaient simplement un droit fondamental dans notre démocratie: celui de manifester pacifiquement. Cela ne peut à aucun prix devenir une fatalité. Au-delà de l'émotion et de l'indignation légitime, ces événements posent des questions essentielles de sécurité, de justice, de respect de l'État de droit. J'aimerais donc vous poser quelques questions, madame la ministre. Tout d'abord, les quatre suspects interpellés ont-ils été présentés à un juge d'instruction? Quelles mesures judiciaires concrètes ont-elles été prises à leur encontre à ce stade de la procédure? Quelles sont les infractions exactes actuellement retenues par le parquet dans ce dossier, notamment au regard de la gravité des blessures infligées, de l'usage d'armes blanches et des motivations de leurs auteurs? Pouvez-vous nous confirmer que l'ensemble des moyens nécessaires sont mis à la disposition de la justice afin que ce dossier soit traité avec toute la rigueur requise, à la hauteur de la gravité et de l'impact sur l'ordre public et de la cohésion de notre société? Merci à vous. Monsieur De Maegd, au départ, quatre personnes ont été privées de liberté pour les faits survenus à Anvers sur l'Operaplein. L'enquête qui a suivi a révélé que l'une d'entre elles n'avait rien à voir avec l'agression à l'arme blanche. Elle a donc été remise en liberté. Les trois autres personnes ont été déférées devant le juge d'instruction. La qualification retenue est celle de tentative d'assassinat. Deux d'entre elles ont été placées en détention par le juge d'instruction le 24 janvier. La troisième a été remise en liberté par le juge. Après les faits survenus sur l'Operaplein, une autre agression à l'arme blanche a eu lieu dans un bus De Lijn. Une enquête judiciaire distincte a été ouverte pour ce fait, également pour tentative d'assassinat. Un suspect est actuellement en cause mais cette piste doit encore faire l'objet d'une enquête plus approfondie. Ces deux enquêtes sont bien sûr en cours. Il a été décidé de ne pas retenir la qualification de terrorisme pour l'instant. Il est évident que le motif précis des faits fera l'objet de deux enquêtes judiciaires ouvertes. Les qualifications pourront être modifiées au cours de l'enquête si nécessaire. Merci, madame la ministre pour ce point circonstancié et complet sur l'enquête en cours suite aux événements de l'Operaplein à Anvers. Ce qui s'est produit dans cette ville lors d'une manifestation en soutien au peuple kurde est en réalité d'une gravité extrême. Des citoyens sont venus pacifiquement avec des enfants et des femmes exprimer leur solidarité et leur humanité. Ils ont trouvé sur leur chemin des couteaux, de la violence et de la peur. Cela est absolument inacceptable dans un pays comme le nôtre, dans notre démocratie. La Belgique, comme je l'ai dit, ne peut devenir le terrain d'affrontements qui n'y ont pas leur place. L'expression d'une solidarité avec des peuples opprimés ne doit jamais exposer à la violence. Manifester pacifiquement est un droit fondamental. Attaquer au couteau, je le rappelle, est un crime. La réponse doit donc être claire, rapide et ferme, pour les victimes d'abord, pour l'ordre public ensuite et pour rappeler que l'État de droit ne recule pas face à l'intimidation ou à la haine. Je serai bien entendu attentif, madame la ministre, à un éventuel changement de qualification des faits qui pourrait survenir à l'avenir. Merci en tout cas pour votre vigilance sur cette question en tant que ministre. Les questions n° 56012822C et 56012823C de M. Metsu sont reportées à sa demande. Het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake het Wetboek van de Belgische nationaliteit Mevrouw de minister, op donderdag 22 januari oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het Wetboek van de Belgische Nationaliteit op bepaalde vlakken in strijd is met de Grondwet. Concreet ging het om een zaak van twee in Marokko geboren ouders met drie kinderen. Het Marokkaanse koppel vroeg de Belgische nationaliteit aan voor hun kinderen, maar dat werd geweigerd omdat de vader al jaren illegaal in het land verbleef. Die zaak is tot bij het Grondwettelijk Hof geraakt, dat nu heeft geoordeeld dat het graten ziet in de bepaling dat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan krijgen als beide ouders al minstens 10 jaar in ons land verblijven. Er is op die bepaling namelijk een uitzondering: als maar één ouder aan die voorwaarde voldoet en de andere ouder niet meer in het land woont, kan de Belgische nationaliteit alsnog worden toegekend aan de kinderen, op voorwaarde dat beide ouders daarmee instemmen. Die uitzondering geldt niet wanneer een ouder nooit in België heeft gewoond of illegaal in het land is, wat hier het geval is. Het feit dat die uitzondering niet geldt, is volgens het Grondwettelijk Hof in strijd met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. De zaak roept ernstige vragen op, zeker gezien het feit dat een illegaal verblijf nooit en op geen enkele wijze op gelijke voet behandeld zou mogen worden als een legaal verblijf. Daarvan ben ik 100 % overtuigd. Mevrouw de minister, kunt u een algemene reactie geven? Hoe kijkt u naar die uitspraak van het Grondwettelijk Hof? Beschikt u over informatie met betrekking tot de reikwijdte van de uitspraak? Hoeveel personen die tot nu toe niet de Belgische nationaliteit konden verkrijgen, zouden dat na deze uitspraak wel kunnen? Welke impact kan dat arrest hebben op de verblijfstatus van personen die illegaal in het land zijn en kinderen hebben die nu wel als Belg erkend zouden kunnen worden? Zult u zelf met een initiatief komen om de nationaliteitswetgeving aan te passen? Zo ja, welke pistes liggen er daarvoor op tafel? Zal dat een initiatief zijn, waarbij de uitzondering die vandaag bestaat, wordt uitgebreid naar koppels van wie één ouder nooit in België heeft gewoond of zelfs illegaal in het land verblijft? Of kijkt u naar een andere piste om de wetgeving in overeenstemming te brengen met het arrest van het Grondwettelijk Hof? Ik kan u allereerst bevestigen dat mijn diensten onmiddellijk kennis hebben genomen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 januari 2026. De exacte draagwijdte van het arrest en de impact ervan op de bestaande regelgeving worden momenteel aan een grondige juridische analyse onderworpen. Het zou dan ook voorbarig zijn om al een definitieve houding aan te nemen ten aanzien van dat zeer recente arrest en om nu al uitspraken te doen over eventuele wetgevende initiatieven. Ik wijs er bovendien op dat het arrest werd uitgesproken in het kader van een prejudiciële vraag. Het feit dat het om een prejudiciële beslissing gaat, heeft tot gevolg dat de betrokken bepaling niet wordt vernietigd. De beslissing heeft echter wel gevolgen voor de rechtscolleges. Het rechtscollege dat de vraag heeft gesteld, moet zich voor de oplossing van het hangende geschil in elk geval voegen naar het antwoord dat het Grondwettelijk Hof op de vraag heeft gegeven. Andere rechtscolleges die niet betrokken zijn bij de prejudiciële vraag en zich over een identieke vraag moeten uitspreken, moeten daarover in beginsel eveneens een vraag stellen. Zij zijn daarvan vrijgesteld op voorwaarde dat zij de oplossing toepassen die het Hof in zijn arrest heeft gegeven. Tot slot beschikt de FOD Justitie niet over cijfers met betrekking tot het aantal personen dat in aanmerking zou kunnen komen voor de toepassing van dit artikel van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Bovendien wijs ik erop dat de bevoegdheid met betrekking tot de verblijfsstatus van vreemdelingen toebehoort aan de minister van Asiel en Migratie. We zullen dat verder opvolgen. Ik ben alleszins benieuwd of u, wanneer u uw grondige analyse hebt afgerond, zult beslissen om met een initiatief te komen of niet. U geeft aan dat het om een prejudiciële vraag gaat, maar een prejudiciële vraag heeft wel degelijk impact. Het is niet zo dat dit enkel van toepassing zal zijn op die ene zaak. Ik denk dat heel wat advocaten die uitspraak intussen al hebben bestudeerd en daarmee aan de slag zullen gaan. Er zal dus wel degelijk een reparatie nodig zijn en er zal initiatief nodig zijn. Ik zal dat blijven opvolgen en ik zal u binnen enkele weken opnieuw de vraag stellen, in de hoop dat u dan een grondige analyse hebt kunnen maken van het arrest en iets meer kunt vertellen over mogelijke initiatieven. La question n° 56012878C de Mme Vandeberg est reportée à sa demande. De overeenkomst met Cambodja over de overplaatsing van gevangenen Ik verwijs naar mijn schriftelijke voorbereiding. Een heel aantal landgenoten belanden elk jaar in een gevangenis in het buitenland. Ze moeten dan vaak de steun van familie en vrienden ontberen en krijgen niet de noodzakelijke begeleiding voor een succesvolle herintegratie in de samenleving zodra hun straf is uitgezeten. Met dit doel voor ogen levert de FOD Buitenlandse Zaken uitgebreide diplomatieke inspanningen om te komen tot bilaterale overeenkomsten over de overplaatsing van gevangenen. Hierbij wordt er nauw samengewerkt met FOD Justitie. Recent werd er een verdrag ondertekend met Cambodja over de overplaatsing van veroordeelden. Belgische gevangenen in Cambodja en Cambodjaanse gevangenen in dit land zullen zo met instemming van de twee betrokken staten hun straf kunnen uitzitten in hun land van herkomst. Kan de minister meer toelichting geven betreffende dit verdrag met Cambodja? Hoeveel landgenoten verblijven er momenteel in een gevangenis in Cambodja en hoeveel Cambodjanen hier in een gevangenis in dit land? Wanneer zal dit verdrag ook effectief operationeel worden? Er is voorzien dat gevangenen hun straf kunnen uitzitten in het land van herkomst “met instemming van de twee betrokken staten". Zijn er uitzonderingsmodaliteiten voorzien waarbij één van beide staten de toestemming kan weigeren? Graag toelichting. Zijn er nog onderhandelingen lopende met andere landen waarbij Justitie betrokken wordt? Graag een gedetailleerde toelichting. Dank u wel, mevrouw Dillen. Op 23 januari werd in Phnom Penh een verdrag inzake de overbrenging van veroordeelde personen tussen Cambodja en België ondertekend. Dat verdrag maakt het mogelijk dat Belgen die in Cambodja in detentie verblijven hun veroordeling in België kunnen uitzitten en dat Cambodjanen die in België gedetineerd zijn hun veroordeling in Cambodja kunnen uitzitten. Ik heb persoonlijke contacten gelegd tot op het niveau van de premier van Cambodja om dat akkoord te realiseren. Het lot van onze onderdanen die in het buitenland in detentie verblijven, laat ons niet onberoerd. Momenteel is er één Belg in Cambodja gedetineerd. Daarnaast is er één Cambodjaan in België gedetineerd. Het verdrag moet eerst door beide landen worden geratificeerd. In België moet daarvoor de parlementaire instemmingsprocedure worden doorlopen, zodat het verdrag deel uitmaakt van de Belgische rechtsorde. Het verdrag treedt internationaal in werking 30 dagen na de uitwisseling van de instrumenten van ratificatie. We proberen dat uiteraard met maximale spoed te doen om onze landgenoot in de Cambodjaanse cel zo snel mogelijk te kunnen overbrengen naar ons land. De instemming van beide landen is een voorwaarde voor de overbrenging van een veroordeelde persoon. Elke partij kan vrij beslissen of zij instemt met de overbrenging of niet. Er is geen verplichting om een weigering te motiveren of om bepaalde weigeringsgronden in te roepen. Indien niet wordt ingestemd met de overbrenging, moet de andere partij daarvan op de hoogte worden gebracht. Momenteel zijn er contacten met Egypte en Tunesië met het oog op het opstarten van onderhandelingen met die landen over een verdrag inzake de overbrenging van veroordeelde personen. Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het aangekondigde plan om 300 extra plaatsen in gevangenissen te creëren via modulaire units Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag. Het voorbije weekend kondigde de minister samen met de minister bevoegd voor de Regie der gebouwen opnieuw in de media een plan aan om 300 extra plaatsen te creëren in de gevangenissen door het plaatsen van modulaire units. Zo zouden er in de gevangenis van Paifve (Luik) 150 plaatsen komen en in die van Hasselt, Brugge en Leuven telkens 50. Ook worden er in het FPC van Antwerpen 90 plaatsen en van Gent 30 extra plaatsen gecreëerd. Dit is geen nieuw plan. De vorige regering had al een raamcontract goedgekeurd voor de aankoop van modulaire units, goed voor 1100 extra plaatsen waarvan 600 specifiek in de detentiehuizen en niet zoals ten onrechte het voorbije weekend in de media werd gesuggereerd allemaal bestemd voor de detentiehuizen. Nu wordt aangekondigd om naast de gevangenissen ook in de FPC's bijkomende capaciteit te creëren via deze modulaire units. Aankondigingen in de media lijken mooi. Maar er dienen eindelijk concrete realisaties te komen teneinde de druk op de gevangenissen door de overbevolking eindelijk te verlichten. Kan de minister toelichting geven wanneer deze modulaire units worden geleverd en in de hogervermelde gevangenissen en FPC's effectief zullen worden geplaatst? Graag een gedetailleerd en (eindelijk !) realistisch plan waaruit de concrete realisatie blijkt. Welke initiatieven zijn er genomen om ervoor te zorgen dat er ook voldoende ondersteunend personeel zal worden aangeworven en andere ondersteunende maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat na de plaatsing de modulaire units ook daadwerkelijk in gebruik kunnen worden genomen? Graag een gedetailleerd overzicht. Het door de vorige regering goedgekeurde raamcontract voorzag 1100 extra plaatsen via de aankoop van modulaire units. Nu wordt er aangekondigd dat er 300 extra plaatsen zullen komen dankzij deze units. Wanneer zullen de andere 800 extra plaatsen dankzij de aankoop van modulaire units worden gerealiseerd en in welke gevangenissen, detentiehuizen en FPC's? Mevrouw Dillen, het komt mij voor dat u in uw vraag een en ander door elkaar haalt. Het plan dat voorligt, is er een dat ik al heel snel na mijn aantreden samen met collega-minister Matz op de regeringstafel heb gelegd en dat ook de goedkeuring van de regering heeft verkregen. Het betreft daarbij de inrichting van bijkomende plaatsen op de sites van bestaande gevangenissen en FPC’s. Het klopt dat voor de uitvoering van het plan een beroep wordt gedaan op een bestaand raamcontract dat de optie tot modulaire unitbouw biedt voor de hele federale overheid. Van dat contract was en is ook nog altijd een deel voorbestemd voor de inrichting van nieuwe detentiehuizen over het hele land. Die opdracht wordt onverminderd voortgezet. Uw derde vraag is dus zonder voorwerp. Overigens kan een dergelijke unitbouw niet zomaar om het even waar worden gerealiseerd. Er werd een eerste analyse van onze sites uitgevoerd door de Regie der Gebouwen en de betrokken aannemer. Vervolgens worden haalbaarheidsstudies uitgevoerd om de concrete en haalbare inplanting van de units per site vast te leggen en de nutsvoorzieningen en eventuele aanpassingswerken te identificeren die nodig zijn om over te gaan tot de plaatsing. Desgevallend zijn ook aanpassingen nodig aan de units om tegemoet te komen aan het doel waarvoor ze nu zullen worden ingezet. Daarbij wordt tegemoetgekomen aan de vereisten volgens het behoefteprogramma verbonden aan de bijkomende plaatsen op die sites. De diensten gaan niet halfslachtig te werk, maar met de ernst en de spoed die de acute situatie van de overbevolking van ons allemaal vereist. Daar lichtzinnig mee omspringen, zou niet wijs zijn en mogelijk nefaste gevolgen hebben voor de dagelijkse werking van de instellingen waar de units worden geplaatst. Ook over uw tweede vraag kan ik duidelijk zijn. Uit de behoefteprogramma’s blijken telkens de concrete operationele vereisten en personeelsbehoeften. De plaatsing van bijkomende infrastructuur heeft uiteraard enkel zin, als dat gepaard gaat met voldoende personeel en werkingsmiddelen. De regering heeft op mijn vraag bijkomende middelen vrijgemaakt voor de aanwerving van personeel en de operationalisering van bijkomende detentiecapaciteit. Met het oog op de snelle indiensttreding van extra personeel zullen we, opnieuw in samenwerking met collega Matz de beschikbare federale rekruteringscapaciteit zo veel mogelijk prioritair voor het penitentiair ambt inzetten. Ook wordt gewerkt aan de verruiming van de toegang tot de aanwervingsprocedures. Parallel daaraan wordt samen met de FOD BOSA ingezet op de optimalisering van de selectie- en aanwervingsprocedures voor het penitentiair ambt. Kortom, we doen er alles aan om op korte termijn snel extra kwaliteitsvol personeel aan te werven. U vraagt een gedetailleerd plan. Uit een plan blijkt natuurlijk nog niet of en hoe een en ander wordt gerealiseerd; zo werkt dat ook niet. Een plan is namelijk een doordachte aanpak om een bepaald doel te bereiken en wij hebben dat doel heel duidelijk voor ogen. Wij werken sinds mijn aantreden met mijn diensten dag en nacht aan dat plan, mocht u daaraan twijfelen. Ik ben hen ook bijzonder dankbaar en doe hier graag nogmaals een oproep aan alle betrokkenen om mee de schouders te zetten onder de uitvoering van het plan in het belang van justitie en van de veiligheid van onze hele samenleving. Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord op mijn vraag, die gebaseerd was op het grote dubbelinterview van uzelf en van uw collega Matz. Ik het gedetailleerd en grondig onderzoeken. Aan de orde is vraag nr. 56012919C van mevrouw Dillen. Mijnheer de voorzitter, aangezien mediaberichten de inhoud van mijn vraag tegenspreken, vraag ik om ze uit te stellen tot een volgende vergadering. Uw fractie heeft een vraag over het onderwerp voor de plenaire vergadering van morgen ingediend. Dat kan. Dat staat mijn onderzoek naar het verschil in informatie die publiek bekend was ten tijde van de indiening van mijn vraag, en de informatie in de mediaberichten van vandaag, niet in de weg. Dat snap ik, maar ik begrijp niet goed dat er morgen een vraag in plenum zal worden gesteld, terwijl er hier een vraag over dat onderwerp aan de orde is. Ik ga daar niet op in, want ik heb die vraag ook nog niet gelezen. Die vraag zal dan waarschijnlijk over iets anders gaan dan het plan waarover ik het heb. Vraag nr. 56012919C van mevrouw Dillen wordt dus op haar verzoek uitgesteld. Digitale stalking bij partnergeweld Mevrouw de minister, recent werd duidelijk dat ook in ons land de sadistische groep 764 online aanwezig is en dat er sprake is van zware onderrapportering. Een gelijkaardig patroon zien we vandaag ook bij digitaal partnergeweld. In België werden in 2024 bijna 30.000 feiten van stalking geregistreerd, maar onderzoek toont aan dat de werkelijke omvang veel groter is. Bijna één op de vier vrouwen geeft aan ooit gestalkt te zijn. Ook daaromtrent wijzen de beschikbare cijfers erop dat wat zichtbaar is waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg vormt. Stalking en intimidatie verlopen vandaag vaker via digitale middelen en blijven daardoor onzichtbaar of onherkenbaar. Vandaag lazen we in de krant ook het schrijnende verhaal van Wendy, een vrouw van 42 jaar, die vier jaar lang door haar eigen partner werd gestalkt. De dader ging bijzonder berekenend te werk en was moeilijk te identificeren, maar kon uiteindelijk dankzij de speurders toch worden opgespoord en veroordeeld. Het verhaal illustreert vooral dat digitale stalking zich vaak binnen relaties afspeelt en jarenlang onder de radar kan blijven. Digitale stalking laat weinig klassieke sporen na en wordt niet automatisch in dossiers inzake partnergeweld opgenomen. Mevrouw de minister, waarom wordt bij klachten over partnergeweld niet systematisch onderzocht of er sprake is van digitale stalking? Slachtoffers geven aan dat stalking vaak voortduurt of zelfs escaleert na een eerste melding bij politie of justitie. Welke concrete maatregelen neemt u om digitale stalking binnen partnerrelaties sneller te stoppen en slachtoffers te beschermen, zodra justitie op de hoogte is? Mevrouw Oru, het College van procureurs-generaal heeft onlangs rondzendbrief COL13/2025, betreffende de bestrijding van alle vormen van geweld tegen personen, verspreid. Die rondzendbrief is bedoeld als hulpmiddel en sensibiliseert de leden van de politiediensten en de magistraten van het openbaar ministerie over de problematiek van cybergeweld tegen personen. Er staan ook richtlijnen en een aantal praktische tools in die kunnen bijdragen tot de correcte afhandeling van alle dossiers op dat vlak. De rondzendbrief beoogt ook een uniforme registratie van die feiten te waarborgen en een adequate opvang en begeleiding van slachtoffers te garanderen. Er wordt bijzondere aandacht besteed aan het offline halen van problematische inhoud en aan de vrijwaring van bewijselementen, wat een zeer snelle reactie vergt om de door het slachtoffer geleden schade in te dijken en te vermijden dat de inhoud verder wordt verspreid. De rondzendbrief bevat daartoe precieze richtlijnen voor zowel de magistratuur als de politie. Een hoofdstuk van die rondzendbrief is specifiek gewijd aan cybercriminaliteit in een context van partnergeweld. De nadruk wordt met name gelegd op belaging, ofwel het zonder toestemming observeren van een persoon of van een van zijn elektronische apparaten, al dan niet met behulp van spyware. Voor het overige wordt verwezen naar COL13/2025 en naar andere rondzendbrieven inzake partnergeweld die het College van procureurs-generaal heeft verspreid. Mevrouw de minister, bedankt om dat thema ter harte te nemen. Ik ben zelf ook benieuwd naar die rondzendbrief. Het is heel goed dat de feiten geregistreerd worden en dat er begeleiding is voor de slachtoffers. In het geval van Wendy is het dankzij de speurders die de klachten en de meldingen van de voorbije jaren ernstig hadden genomen, dat de dader werd opgespoord. Dat verdient zeker erkenning. Ik ben dus heel blij dat daarop concreet wordt ingezet via een rondzendbrief om iedereen te sensibiliseren dat daar werk van wordt gemaakt. Het sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel Mevrouw de minister, op 7 januari stelde ik u een vraag en u verklaarde toen dat het overleg met de sociale partners over het sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel op vrijdag 9 januari zou worden voortgezet en mogelijk zou worden afgesloten. U zei toen ook dat er al een concreet sociaal plan was voorgelegd aan de vakbonden, dat was afgetoetst met de achterban en dat focust op vijf pijlers: werving en selectie, opleiding, veiligheid, welzijn en het weddepakket. De datum van 9 januari is inmiddels verstreken, mevrouw de minister. Vandaag vraag ik u graag naar de stand van zaken. Werd het sociaal akkoord op 9 januari effectief gesloten? Werd er een formeel akkoord bereikt met de sociale partners? Zo ja, welke maatregelen zijn per pijler definitief vastgelegd en welke budgettaire middelen zijn er voorzien? Vanaf wanneer worden de maatregelen concreet uitgerold? Indien het akkoord nog niet of slechts gedeeltelijk werd afgesloten, welke elementen liggen dan vandaag nog open en welke timing hanteert u voor een definitieve aanvulling? Ik dank u. Collega De Wit, ik kan u inderdaad met genoegen meedelen dat het sociaal overleg met de sociale partners op 9 januari heeft geleid tot een akkoord over het sociaal plan voor het gevangenispersoneel. Het sociaal plan bevat een reeks concrete actiepunten waarvoor de overheid zich engageert om deze binnen het afgesproken tijdskader uit te voeren. De uitvoering van deze acties wordt gefinancierd met IDP-middelen die aan Justitie ter beschikking zijn gesteld. In dit actieplan zijn maatregelen opgenomen om de functie van penitentiair bewakingsassistent financieel aantrekkelijker te maken. Daarnaast is het plan aangevuld met bijkomende acties om de selectie en rekrutering te bevorderen, de opleiding van het personeel te garanderen en de veiligheid en het welzijn van het personeel te waarborgen. Ook deze maatregelen fungeren als belangrijke hefbomen om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen en de werkomstandigheden van het gevangenispersoneel duurzaam te verbeteren. De focus van het plan ligt op het aanpakken van vijf centrale uitdagingen. Ten eerste werving en selectie: de uitwerking van snellere en efficiëntere procedures om kandidaten aan te trekken op een bijzonder krappe arbeidsmarkt. Ten tweede opleiding: de versterking van vorming en bijscholing met het oog op personeelsbehoud en doorgroeimogelijkheden. Ten derde veiligheid: bijkomende maatregelen om het personeel beter te beschermen tegen agressie en geweld in de werkomgeving. Ten vierde welzijn: initiatieven die medewerkers ondersteunen die geconfronteerd worden met zware of belastende werkomstandigheden. Ten vijfde verloning: de uitbouw van een competitief weddepakket dat aansluit bij dat van andere veiligheidsberoepen. De acties binnen deze vijf pijlers – werving en selectie, opleiding, veiligheid, welzijn en verloning – zullen gefaseerd worden uitgerold tussen eind 2026 en 2029. De administratie is inmiddels gestart met de uitvoering van de eerste dossiers, waaronder de nodige reglementaire aanpassingen in het kader van het luik verloning. Daarnaast wordt voorzien in een structurele monitoring van de uitvoering en opvolging van het actieplan. Ik ben blij dat er een akkoord is en dank u voor uw antwoord. Het arrest van het Grondwettelijk Hof m.b.t. het taalgebruik inzake processen-verbaal Mevrouw de minister, op 27 november 2025 heeft het Grondwettelijk Hof een arrest geveld inzake het taalgebruik bij het opstellen van processen-verbaal. In juridische kringen doet dat kennelijk nogal wat stof opwaaien, zo ook in De Juristenkrant . Tot nog toe werd aangenomen dat een proces-verbaal kon en moest worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar het proces-verbaal ondertekend wordt. Dat leidde in het verleden, en misschien nu nog altijd, tot toestanden waarbij Vlamingen die in het Nederlandse taalgebied wonen en geverbaliseerd worden in dat taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad processen-verbaal toegestuurd kregen in het Frans omdat die werden ondertekend in het Franse taalgebied. Daar heeft het Grondwettelijk Hof nu dus komaf mee gemaakt, want het Grondwettelijk Hof stelt dat een proces-verbaal moet worden opgemaakt in de taal van het taalgebied waar de feiten zich hebben voorgedaan. Dat heeft verstrekkende gevolgen. Elk proces-verbaal dat daarmee in strijd wordt opgesteld, is voortaan nietig, aangezien een schending van artikel 11 van de taalwet in gerechtszaken in zo'n geval de absolute nietigheid voorschrijft, wat de rechter ambtshalve moet opwerpen. Andere mogelijk verregaande gevolgen betreffen de organisatie van diensten en het inzetten van Franstalige onderzoeksbeambten in het Nederlandse taalgebied als zij onvoldoende kennis hebben van het Nederlands om op een fatsoenlijke wijze een proces-verbaal in die taal op te stellen en uiteraard vice versa. Mevrouw de minister, op welke wijze gaan uw diensten om met dat arrest? Weet of u er sindsdien nog processen-verbaal zijn opgesteld die niet aan het arrest van het Grondwettelijk Hof voldoen? Wat doet Justitie daar desgevallend mee? Zijn er al gevallen bekend van ambtshalve vernietiging door de rechter? Welke gevolgen heeft dat arrest voor de organisatie van de diensten die onder uw bevoegdheid vallen, meer bepaald wat betreft de inzet van anderstalige onderzoeksbeambten, waarnaar ik daarnet verwees? Ten slotte, wat zijn de beleidsmatige gevolgen en reacties op dat arrest? Mevrouw Pas, de diensten hebben inderdaad kennisgenomen van het arrest. In de eerste plaats is op te merken dat het arrest is geveld naar aanleiding van een prejudiciële vraag en geen wetsbepalingen vernietigt, maar zich uitspreekt over de interpretatie van een bepaling en zoekt naar de interpretatie die aansluiting vindt bij de Grondwet. De interpretatie waarvan het Hof heeft aangegeven dat ze niet grondwetconform is, leidt niet zomaar tot de conclusie dat dat gesanctioneerd zou moeten worden met de nietigheid die in de taalwet is voorzien. Het item werd opgenomen op de agenda van de vergadering van het expertisenetwerk van de politie en van het College van procureurs-generaal, dat morgen, op 29 januari, vergadert. Daar zullen de praktische gevolgen worden besproken die aan dat arrest worden gegeven. Het openbaar ministerie zal bij de verdere behandeling van de zaak, onder meer door het hof van beroep te Luik, ter zake conclusies nemen. De verdere procedure dient te worden afgewacht, inclusief, in voorkomend geval, een cassatievoorziening om het werkelijke gevolg van het arrest te kunnen bepalen. Conform het Wetboek van strafvordering waken de procureur des Konings en desgevallend de onderzoeksrechter over de wettigheid van de bewijsmiddelen en over de loyaliteit waarmee ze worden verzameld. De diensten hebben geen weet van gevallen van ambtshalve vernietiging van processen-verbaal door de rechter en dus ook niet van wat de omvang daarvan zou kunnen zijn. Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Zoals vaak is het Vlaams Belang net iets te snel, aangezien men morgen pas samenkomt om over de gevolgen te spreken. U mag zeker nog een vervolgvraag verwachten om te weten wat het concrete resultaat daarvan is. Het verbaast mij niet dat er bij zo’n recent arrest nog geen ambtshalve vernietigingen door de rechter zijn gevolgd. Ik ben zeer benieuwd naar die gevolgen, omdat het Grondwettelijk Hof toch wel zeer duidelijk is over die interpretatie en omdat ook de taalwet in gerechtszaken zeer duidelijk is. U mag na de vergadering van morgen, 29 januari, een vervolgvraag verwachten naar de concrete resultaten daarvan. Ik ben zeer benieuwd naar de gevolgen, ook voor uw diensten en voor de beleidsmatige consequenties. C'était la dernière question de notre série pour cet après-midi. Je remercie les services, madame la ministre et les collègues qui sont encore présents. Je lève la séance. Bonne fin de journée. La réunion publique de commission est levée à 17 h 51. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.51 uur.

Commissievergadering op 28 januari 2026

⚖️ Commissie Justitie

Van 16h28 tot 17h51 (1 uur en 23 minuten)

12 vragen

Voorgezeten door

Les Engagés Ismaël Nuino

Volledig verslag op dekamer.be

Vragen

De volgende vragen werden gesteld tijdens deze commissievergadering.

Het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat
Het Intelligence Report van de Veiligheid van de Staat
Veiligheidsrapporten en intelligenceverslagen van de Staat

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De VSSE-rapporten 2024/2025 signaleren een escalerende dreigingsdriehoek: (1) jihadistisch terrorisme (met 1/3 minderjarige verdachten, jongste 12 jaar, en IS-oproepen tot aanslagen op joden/christenen), (2) hybride dreigingen (Russische "wegwerpagenten", spionage, desinformatie) en (3) extreemlinks geweld (vandalisme via legitieme betogingen, doxing van agenten). Minister Verlinden benadrukt versterkte samenwerking (VSSE, OCAD, parketten), technologische investeringen en sensibilisering, maar bevestigt geen concrete grote sabotagegevallen yet; Van Hoecke (N-VA) bekritiseert het ontbreken van structurele afstemming met Vlaanderen over jeugddelinquentie en eist verstrenging van het jeugdrecht en betere opvolging van radicaliserende minderjarigen. Een motie van aanbeveling vraagt om meer middelen, betere informatie-uitwisseling en bescherming van doelwitten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, de Veiligheid van de Staat (VSSE) waarschuwt in haar jaarrapport opnieuw voor een aantal bedreigingen. De eerste, gekende dreiging uit Rusland is al sinds de start van de oorlog in Oekraïne toegenomen. In dat verband duikt in het rapport het begrip 'wegwerpagenten' op, zijnde individuen die voor buitenlandse mogendheden werken en worden betaald om specifieke sabotageopdrachten uit te voeren, een soort van freelance sabotage. De VSSE wijst erop dat ons land toe nu toe van grote sabotageacties gespaard is gebleven, maar waarschuwt dat de opdrachten voor wegwerpagenten mogelijk in escalerende lijn gaan.

Het tweede onderdeel is weinig verrassend. De VSSE wijst erop dat het links-extremisme in 2025 is toegenomen. Dat mag niemand verbazen wetende hoe vorig jaar verschillende betogingen werden aangewend door extreemlinkse organisaties zoals Secours Rouge en Antifa om vandalisme en geweld te organiseren. De betogingen waren meestal zeer legitiem, maar extreemlinkse organisaties wendden ze aan om zoveel mogelijk schade aan te richten. Op Telegramkanalen wisselen die organisaties tips uit om onder de radar te blijven en suggesties om wat te doen als men wordt gearresteerd. Wat vooral heel gevaarlijk is en wat ik in de plenaire vergadering ook al heb gezegd, is dat locaties worden gedeeld van politieagenten. Rekening houdend met het standpunt van die organisaties over iedereen die een functie uitoefent om de openbare orde te garanderen, is dat levensgevaarlijk.

Het derde onderdeel is het belangrijkste, ook volgens de VSSE. Het betreft de jihadistische dreiging, die bijzonder verontrustend blijft. De VSSE benadrukt dat die terreurdreiging allesbehalve verdwenen is. Dat zou iedereen ten volle moeten beseffen. Net zoals vorig jaar waarschuwt ze in het bijzonder voor lone actors en kleine terreurcellen. Terreurverdachten worden alsmaar jonger, wat zeer verontrustend is. Maar liefst een derde van de dossiers betreft minderjarigen. De jongste verdachten zijn amper 12 jaar oud. Het conflict in Gaza en onlinepropaganda daarover voeden dat fenomeen. Dat is duidelijk te zien in de cijfers.

Ook niet onbelangrijk, en hier in het land wat onderbelicht gebleven: in december heeft IS nog een oproep in haar magazine gelanceerd om in België aanslagen tegen joden en christenen te plegen.

Mevrouw de minister, ik heb hierover de volgende vragen.

Ten eerste, wat is uw visie op het verontrustende rapport van de Veiligheid van de Staat?

Ten tweede, volgens de Veiligheid van de Staat is België tot nu toe van grote sabotageacties gespaard gebleven. Zijn er beperktere sabotageacties bij de Veiligheid van de Staat gekend? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het en kunt u daarbij wat meer context geven? Ik begrijp uiteraard dat u geen details kunt geven, maar het is wel belangrijk om te weten hoe groot het probleem is.

Ten derde, werden er personen in verdenking gesteld naar aanleiding van zulke sabotageacties in opdracht van een buitenlandse mogendheid? Zo ja, hoeveel en omwille van welke feiten?

Ten vierde, wat onderneemt u in samenspraak met uw collega’s in de regering om de opmars van extreemlinks geweld tegen te gaan?

Ten vijfde, zijn er naar aanleiding van de oproep van IS in december specifieke dreigingen naar voren gekomen? Kunt u dat toelichten?

Ten zesde, hoe verloopt de uitwisseling van gegevens tussen het federaal parket en de lokale parketten in dossiers met minderjarige terreurverdachten? Zijn er bepaalde knelpunten die moeten worden weggewerkt? Hoe zult u daaraan tegemoetkomen?

Ten zevende, gelet op het feit dat een derde van de terreurverdachten minderjarig is, lijkt het aangewezen – zelfs noodzakelijk – dat u overleg met uw Vlaamse collega Zuhal Demir pleegt. Er dringt zich ook een verstrenging van het jeugddelinquentierecht op. Hebt u sinds uw aantreden al overleg met uw collega in de Vlaamse regering gepleegd? Zo ja, wanneer? Wat werd er toen besproken of beslist? Zo neen, zult u nog een overleg inplannen?

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

Naar aanleiding van mijn mondelinge vraag in deze commissie vorig jaar over het Intelligence Rapport van de Veiligheid van de Staat (VSSE) voor het jaar 2024 waarbij u inging op hybride dreigingen, radicalisering bij minderjarigen, buitenlandse inmenging, de beschikbare capaciteit en internationale samenwerking, wens ik vandaag voort te bouwen op uw toenmalige antwoorden in het licht van het recentste Intelligence Report van de VSSE voor het jaar 2025.

Het Intelligence Report 2025 van de VSSE, dat recent bekend werd gemaakt, schetst opnieuw een bijzonder zorgwekkend en complex dreigingsbeeld voor België. Het rapport wijst op een verdere toename van hybride dreigingen door buitenlandse staten, waaronder spionage, inmenging, cyberaanvallen en desinformatiecampagnes, maar ook op aanhoudende risico’s inzake terrorisme, radicalisering bij minderjarigen, extremisme en de staatsondermijnende impact van georganiseerde criminaliteit.

Ik heb volgende vragen:

Wat is uw reactie op het nieuwe zorgwekkende rapport van de VSSE?

Welke concrete justitiële maatregelen zijn sinds uw antwoorden van vorig jaar, gebaseerd op het toenmalige Intelligence Report, effectief genomen om hybride dreigingen beter te detecteren en op te volgen en welke bijkomende aanpassingen acht u noodzakelijk in het licht van het recentste rapport?

Welke concrete stappen zijn sinds uw antwoorden van vorig jaar, gebaseerd op het toenmalige Intelligence Report, binnen Justitie reeds genomen om de ketenaanpak inzake radicalisering bij minderjarigen te versterken?

Welke opvolging is binnen Justitie sinds het Intelligence Rapport 2024 gegeven aan de vaststellingen over buitenlandse inmenging en op welke punten verschilt de aanpak vandaag van die ten tijde van het vorige Intelligence Report?

Welke bijkomende aanwervingen of capaciteitsversterkingen binnen de Veiligheid van de Staat werden in de loop van 2025 gerealiseerd?

Annelies Verlinden:

Collega’s, sta mij toe eerst te verwijzen naar mijn tussenkomst in de plenaire zitting van 15 januari, waarbij ik ook al antwoordde op gelijkaardige vragen. Ik licht graag aansluitend nog het volgende toe. In het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat wordt teruggeblikt op de dreigingen van het afgelopen jaar 2025 en worden ook de uitdagingen voor de toekomst belicht. De geopolitieke context vertaalt zich in hybride dreigingen, gaande van spionage tot cyberoperaties. Onze diensten volgen die dreigingen op de voet en delen informatie waar nodig en waar mogelijk, om zo te kunnen anticiperen op potentiële incidenten. Zoals geduid in het verslag, is de terroristische dreiging niet verdwenen, zoals helaas ook nog bleek uit de recente aanslag in Bondi Beach in Australië. De conflicten in het Midden-Oosten blijven daarbij een voedingsbodem voor radicalisering. Waakzaamheid blijft dus geboden en onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten spelen kort op de bal. De strijd tegen extremisme in al zijn vormen is een prioriteit, waarbij de diensten ook actie ondernemen om elke aantasting van de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat te voorkomen. Ik geloof er wel degelijk in dat die strijd een taak is van de hele samenleving, waarbij iedereen waakzaam en weerbaar moet zijn, omdat we allemaal deel uitmaken van de veiligheidsketen.

Verder blijkt uit het verslag dat de polarisatie van de samenleving extremistische bewegingen, zowel linkse als rechtse, versterkt. Ten slotte vormt de georganiseerde misdaad een steeds grotere veiligheidsuitdaging. Criminele organisaties zetten steeds vaker minderjarigen in en proberen de samenleving te destabiliseren door corruptie, intimidatie van ambtenaren of door in legale structuren te infiltreren. De Veiligheid van de Staat zet extra in op partnerschappen, aangezien dreigingen in kaart kunnen worden gebracht en beheerst dankzij informatie-uitwisseling en gezamenlijke analyse. Voor onze veiligheid is het cruciaal dat we onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijven versterken. Zoals ik vorige week tijdens de plenaire zitting onderstreepte, heb ik geïnvesteerd in de technologische capaciteit van de VSSE en zal ik binnenkort een wetsontwerp indienen om ook haar juridische arsenaal uit te breiden. We moeten immers alles inzetten om dreigingen voor te zijn.

Wat betreft maatregelen om hybride dreigingen te detecteren, kan ik enerzijds melden dat we beschikken over het coördinatieplatform van het Coördinatiecomité voor Inlichtingen en Veiligheid om de bewustmaking inzake hybride dreigingen te vergroten en de algemene weerbaarheid te versterken. Dat platform wordt voorgezeten door het Nationaal Crisiscentrum (NCCN). Anderzijds is het belangrijk te weten dat hybride dreigingen erg divers zijn. Voor elk relevant domein bestaan er al meerdere operationele, thematische en interdepartementale structuren, of zijn die verder in uitbouw.

Zo zijn er initiatieven rond onder meer desinformatie, maritieme veiligheid, spionage, inmenging, sabotage en andere fenomenen. Wat sabotage betreft, heeft de VSSE tot heden geen grote sabotageacties op Belgisch grondgebied vastgesteld, zoals vermeld in het jaarverslag. Er zijn dan ook geen dossiers bij het federaal parket waarin personen in verdenking zijn gesteld met betrekking tot sabotageacties uitgevoerd door buitenlandse mogendheden.

Wat uw vragen over extreemlinks geweld betreft, geldt dat het gemeenschappelijk platform van de ADIV en de VSSE voor de strijd tegen extremisme en terrorisme gebruikmaakt van de term linksextremisme om het fenomeen extreemlinks geweld te beschrijven. In het kader van hun bevoegdheden informeert dat platform over de activiteiten van personen of groeperingen die een mogelijke dreiging vormen. Deze personen en groeperingen vormen ook het onderwerp van regelmatig overleg binnen de bestaande structuren van de Strategie T.E.R. en zijn hernomen in de Gemeenschappelijke Gegevensbank (GGB) T.E.R., indien ze aan de criteria van de wet beantwoorden.

Het radicaliseringsproces, zeker bij jongeren, speelt zich voor een groot deel online af. Sensibilisering is daarom een belangrijk aandachtspunt. Zo heeft het OCAD onder meer inzake gewelddadig nihilisme sensibiliseringsinitiatieven opgestart bij de partners, met het oog op het waarschuwen en informeren over deze ideologie. Daarnaast heeft het OCAD ingezet op het sensibiliseren van partners uit de jeugdsector, onder meer door deel te nemen aan een nieuwe omzendbrief van de Franse Gemeenschap over polarisatie en radicalisering in het schoolmilieu.

Het Agentschap Opgroeien is ook een partner van de GGB T.E.R. en wisselt daarom informatie uit met betrekking tot de minderjarigen die daarin zijn opgenomen. In dit kader heeft het OCAD een protocol afgesloten met het Vlaams Agentschap om zijn dreigingsevaluaties te kunnen voeden voor de minderjarigen die in de GGB T.E.R. zijn opgenomen. De uitwisseling van gegevens tussen het federaal parket en de lokale parketten in dossiers met minderjarige terreurverdachten verloopt via de JIC-JDC-procedure (Joint Intelligence Centre-Joint Decision Centre).

Die procedure verplicht alle partnerdiensten om bijeen te komen op basis van alle nieuwe informatie over terrorisme, ongeacht of die betrekking heeft op een meerderjarige of een minderjarige. De uitwisseling van informatie tussen de lokale parketten en het federaal parket verloopt volledig en snel. Naast de veiligheidsopvolging is het, wanneer het om minderjarigen gaat, essentieel om ook in te zetten op preventie en om partners zoals zorgverleners in de geestelijke gezondheidszorg te betrekken bij de aanpak, zoals beschreven in de Strategie T.E.R., waaronder hun deelname aan de LIVC-R.

Overigens kan worden vastgesteld dat er sprake is van een zekere stabilisatie, zowel wat betreft het aantal dreigingsmeldingen afkomstig van minderjarigen als het aantal minderjarigen opgenomen in de GGB T.E.R.

De dreiging van IS, die in het nummer 526 van Al-Naba van 18 december expliciet tegen België werd geuit, werd later door andere kanalen van IS overgenomen. Dat heeft uiteraard geleid tot een verhoogde waakzaamheid van het platform ten aanzien van mogelijke acties van IS-sympathisanten tegen ons land. Tot heden zijn geen specifieke dreigingen in verband met deze publicatie vastgesteld.

Tot slot, wat betreft de laatste twee vragen van mevrouw De Wit, in 2025 bleef het personeelskader van de VSSE stabiel net onder de 1.000 personeelsleden, na de grote aanwervingsgolf die in 2021 werd ingezet. Er werden in 2025 uiteraard wel nieuwe aanwervingen gedaan, onder meer heel gespecialiseerde profielen voor de Nationale Veiligheidsoverheid.

De nieuwe strafbaarstellingen rond spionage en inmenging hebben de manier van samenwerking met politie en parket meer operationeel en gericht gemaakt. Naast de strafbaarstellingen zet de VSSE ook blijvend in op bewustwordingscampagnes bij potentiële doelgroepen van spionage en inmenging, zowel bij het Belgisch doelpubliek, als ook bij de Europese instellingen in ons land. De VSSE doet dus alles wat kan en mogelijk is om dreigingen zo goed mogelijk op te volgen en informatie te delen met de relevante partnerdiensten.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, ik denk dat het voor iedereen duidelijk moet zijn dat het niet één zwaard van Damocles is dat boven ons hoofd hangt, maar wel meerdere. We hebben de jihadistische dreiging en een steeds agressiever wordende dreiging van buitenlandse mogendheden.

Wat mij nog het meest blijft verontrusten, is die jihadistische dreiging, vooral omdat we daar een verontrustende evolutie zien met die minderjarigen. Er is bijvoorbeeld een jonge verdachte van amper 12 jaar en een derde van de terrorismedossiers gaat over minderjarigen. Dat is echt een heel groot probleem.

Ik heb in uw antwoord niets gehoord over de verdere opvolging met de Vlaamse regering, met de deelstaten, maar u mag mij gerust verbeteren als ik mij vergis. Dat is immers een heel belangrijke bevoegdheid. Als een op drie terrorismedossiers betrekking heeft op minderjarigen, dan moet daar echt op worden gefocust, want dat zijn geen uitzonderingen. Wat doen we in de praktijk met een twaalfjarige terreurverdachte? Hoe wordt die opgevolgd?

Ik wil erop aandringen dat u met de Vlaamse regering en met uw collega's in gesprek gaat en zoekt naar een aanpak die zo overkoepelend mogelijk is. Ik wil u ook vragen om waakzaam te blijven, want we kunnen wel doen alsof die jihadistische dreiging verdwenen is, maar dat is absoluut niet het geval. De Veiligheid van de Staat blijft jaar na jaar op diezelfde nagel kloppen. Dat is terecht, want dat is een enorme bedreiging.

Ik hoop dat u die bedreiging ook steeds in het achterhoofd houdt en dat u, samen met andere collega’s in de regering en de deelstaten, bekijkt wat we kunnen ondernemen om het jeugddelinquentierecht eventueel aan te passen, zodat we ons kunnen wapenen tegen het feit dat vandaag al een op de drie terreurdossiers minderjarigen betreft. Als we bovendien zien welke propaganda er allemaal online wordt verspreid en hoe die propaganda minderjarigen viseert, denk ik dat dat cijfer in de toekomst nog zou kunnen stijgen.

Sophie De Wit:

Ik bedank de minister voor haar antwoord.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van heer Alexander Van Hoecke en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - gelet op het recentste jaarrapport van de Veiligheid van de Staat, waarin wordt gewezen op een toegenomen dreiging door buitenlandse inmenging, extremistisch geweld en jihadistisch terrorisme; - gelet op de vaststelling dat België tot op heden gespaard bleef van grootschalige sabotage, maar dat de Veiligheid van de Staat expliciet waarschuwt voor een escalatie van opdrachten aan zogeheten "wegwerpagenten"; - gelet op de vaststelling dat links-extremistische organisaties manifestaties en protestacties aanwenden voor het organiseren van vandalisme en geweld, en daarbij gebruikmaken van digitale kanalen om politiediensten te omzeilen; - gelet op de aanhoudend ernstige jihadistische dreiging, met een zorgwekkende toename van minderjarige terreurverdachten en een groeiend fenomeen van lone actors ; - gelet op de expliciete oproepen van lslamitische Staat om in België aanslagen te plegen tegen joodse en christelijke doelwitten; - overwegende dat de bescherming van de nationale veiligheid en de openbare orde tot de kerntaken van de federale overheid behoort; - overwegende dat buitenlandse inmenging, sabotage en spionage een directe bedreiging vormen voor de soevereiniteit, infrastructuur en veiligheid van ons land; - overwegende dat elke vorm van extremistisch geweld, ongeacht de ideologische oorsprong, met dezelfde vastberadenheid moet worden bestreden; - overwegende dat de aanwezigheid van minderjarigen in terreurdossiers wijst op ernstige structurele problemen inzake radicalisering, opvolging en repressie; - overwegende dat een efficiënte aanpak van terrorisme en extremisme een nauwe samenwerking vereist tussen federale en deelstatelijke overheden, Justitie, veiligheidsdiensten en parketten; vraagt de regering - om de opsporing, opvolging en vervolging van sabotage in opdracht van buitenlandse mogendheden te intensiveren en daarbij de beschikbare middelen voor de veiligheidsdiensten structureel te versterken; - om, in overleg met Justitie en het federaal parket, de informatie-uitwisseling met lokale parketten in terreurdossiers met minderjarigen te evalueren en te verbeteren, en eventuele knelpunten structureel weg te werken; - om dringend overleg te plegen met de Vlaamse regering over het jeugddelinquentierecht, met het oog op een verstrenging en actualisering ervan voor zware feiten zoals terrorisme en deelname aan terroristische activiteiten; - om specifieke beschermingsmaatregelen te nemen voor potentieel geviseerde gemeenschappen en infrastructuur, in het bijzonder naar aanleiding van expliciete dreigingsoproepen door terroristische organisaties. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - compte tenu du dernier rapport de la Sûreté de l'État, dans lequel celle-ci fait état d'une menace accrue en matière d'ingérence étrangère, de violences extrémistes et de terrorisme djihadiste; - compte tenu de la constatation que la Belgique a été jusqu'à présent épargnée par des actes de sabotage de grande ampleur, mais que la Sûreté de l'État met explicitement en garde contre une escalade dans les missions confiées à des agents "jetables"; - compte tenu de la constatation que des organisations d'extrême gauche profitent de manifestations et d'actions de protestation pour se livrer à des actes de vandalisme et de violence, en utilisant pour ce faire des canaux numériques visant à contourner les dispositifs policiers; - compte tenu de la menace djihadiste grave et persistante qui s'accompagne d'une augmentation inquiétante du nombre d'individus mineurs suspectés de terrorisme et d'une croissance de l'importance du phénomène des acteurs isolés; - compte tenu des appels explicites de l'État islamique à commettre des attentats contre des cibles juives et chrétiennes en Belgique; - considérant que la protection de la sécurité nationale et de l'ordre public font partie des missions de base de l'État fédéral; - considérant que les actes d'ingérence étrangère, de sabotage et d'espionnage constituent une menace directe de la souveraineté, des infrastructures et de la sécurité de notre pays; - considérant que toute forme de violence extrémiste, quelle que soit son origine idéologique, doit être combattue avec une même détermination; - considérant que la présence de mineurs dans des dossiers de terrorisme est un indice de problèmes structurels graves en matière de radicalisation, de suivi et de répression; - considérant qu'une lutte efficace contre le terrorisme et l'extrémisme requiert une collaboration étroite entre les autorités fédérales et les entités fédérées, la justice, les services de sécurité et les parquets; demande au gouvernement - d'intensifier la recherche et le suivi des actes de sabotage réalisés pour le compte de puissances étrangères ainsi que les poursuites engagées dans ce cadre, tout en renforçant structurellement les moyens mis à la disposition des services de sécurité; - d'évaluer et d'améliorer l'échange d'informations avec les parquets locaux dans les dossiers de terrorisme impliquant des mineurs, en concertation avec la Justice et le parquet fédéral, et d'éliminer structurellement les obstacles éventuels; - de se concerter d'urgence avec le gouvernement flamand au sujet du droit applicable en matière de délinquance juvénile, en vue de le durcir et de l'actualiser pour les faits graves tels que le terrorisme et la participation à des activités terroristes; - de prendre des mesures spécifiques de protection à l'égard des communautés et des infrastructures potentiellement visées, en particulier à la suite de menaces explicites exprimées par des organisations terroristes. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï. Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

Het gebrekkige functioneren van JustCase
JustCase
Het falende JustCase-systeem en de geseinde criminelen
Het gebrekkige functioneren van JustCase
De impact van het falende JustCase-systeem op de politiewerking
De problemen met JustCase
De tekortkomingen en impact van het JustCase-systeem

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie), MR Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren unaniem het 40 miljoen euro kostende JustCase-systeem, dat sinds november 2025 kritieke fouten vertoont: verdwenen dossiers, niet-doorgegeven contactverboden aan slachtoffers, en miscommunicatie met politie over geseinde criminelen. Magistratuur (o.a. College van procureurs-generaal) en rechtbankvoorzitters waarschuwen voor "reële risico's op ongelukken" (bv. foutieve vrijlating door onvolledige dossiers) en noemen het systeem "gevaarlijk voor rechtszekerheid en publieke veiligheid", ondanks minister Annelies Verlindens verzekering dat "dagelijks duizenden dossiers wel verwerkt worden" en kinderziektes "ernstig maar beheersbaar" zijn. Verlinden erkent structurele tekortkomingen (o.a. datamigratie, notificaties) en kondigt noodmaatregelen aan: parallelle communicatiekanalen voor kritieke info, crisismanagers, dagelijkse updates en multidisciplinaire werkgroepen, maar ontkent extra kosten (EU-financiering dekt stabilisatie). Kritici (Dillen, Ribaudo, Van Vaerenbergh) eisen transparantie, concrete timing en garanties, wijzen op eerdere waarschuwingen van justitieactoren (genegeerd voor lancering) en vergelijken JustCase met mislukte digitaliseringsprojecten (bv. I-Police). Dillen: "Het systeem werkt niet – de vraag is niet of er iets misgaat, maar wanneer."

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op 12 november 2025 deed u een bijzonder triomfalistische aankondiging over JustCase. U zei: "Zo verbeteren we niet alleen de kwaliteit van de dagelijkse werking, maar ook de veiligheid van de juridische procedures." Niet dus. Criminelen staan geseind, maar de politie weet het niet. Stalkers krijgen een contactverbod, maar het slachtoffer wordt niet geïnformeerd. Dossiers en pv’s verdwijnen. Het is blijkbaar dagelijkse kost.

Dat JustCase een puinhoop is, wordt ook bevestigd door de magistratuur. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel stelt: "De vrees dat er ongelukken gaan gebeuren is reëel. Dat iemand per vergissing vrijgelaten wordt omdat het dossier niet volledig is of omdat een termijn of procedure niet is nageleefd, de vraag is niet of het gaat gebeuren, de vraag is wanneer."

Ook het College van procureurs-generaal is kritisch: “Het systeem onder de huidige vorm houdt grote risico’s in waarvoor we vooraf gewaarschuwd hebben en veroorzaakt bovendien grote moeilijkheden bij de opvolging van in vrijheid gestelde veroordeelden. Magistraten en medewerkers op het terrein die ermee moeten werken, stellen alles in het werk om hun taak correct te blijven uitvoeren, vaak met extra inspanningen en een verhoogde werklast."

Mevrouw de minister, gezien de talrijke, door verschillende actoren binnen Justitie geuite, vernietigende kritiek, kan het niet anders dan dat u al geruime tijd op de hoogte bent van het niet naar behoren functioneren van het 40 miljoen euro kostende project JustCase.

Ik heb daarover een aantal vragen. Eén, u stelde dat u de signalen ernstig zou nemen, maar wat hebt u in concreto reeds ondernomen om tegemoet te komen aan de talrijke kritieken die door de actoren binnen Justitie worden geformuleerd over het bijzonder gebrekkig functioneren van JustCase?

Twee, welke stappen zult u met hoogdringendheid en vanaf nu ondernemen om ervoor te zorgen dat zich geen drama’s voordoen door het niet functioneren van dat computersysteem?

Drie, de problemen zijn talrijk en naar alle waarschijnlijkheid niet oplosbaar op korte termijn. Zijn er alternatieve systemen of werkmethoden die de actoren binnen Justitie in de tussentijd moeten toepassen in afwachting van het herstel van het computersysteem? Zo niet, hoe kunt u garanderen dat zich geen ongevallen zullen voordoen?

Vier, binnen welke termijn kan een oplossing worden gevonden? Hoe hoog schat u de kosten en werd dat al gebudgetteerd?

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, plusieurs témoignages font état de difficultés importantes dans l’utilisation du système JustCase, mis en service en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice.

De nombreux agents doivent recourir à des procédures parallèles pour sécuriser leur travail, témoignant d’un manque de confiance dans la fiabilité du système. Ces difficultés soulèvent des risques non négligeables pour la sécurité juridique et la protection des personnes, certains acteurs craignant des erreurs dans le suivi ou la libération de personnes.

Ces constats interviennent alors que JustCase représente un investissement public d’environ 40 millions d’euros.

Dans ce contexte, Madame la ministre, je souhaite vous poser les questions suivantes:

Quels sont, à ce jour, les dysfonctionnements formellement identifiés par vos services et signalés par les utilisateurs?

Quelles mesures correctrices concrètes ont été mises en œuvre ou sont en cours pour garantir la fiabilité et la sécurité du système?

Disposez-vous d’un calendrier précis pour la stabilisation complète de JustCase et la suppression progressive des procédures parallèles utilisées par précaution?

Tant que ces canaux parallèles restent nécessaires, quelles garanties assurent la conservation, la traçabilité et l’intégration ultérieure de toutes les pièces et décisions, afin de garantir des dossiers complets?

Quels enseignements tirez-vous de ces difficultés, au regard des travaux antérieurs de la Cour des comptes, pour éviter que des problèmes similaires se reproduisent?

Par ailleurs, le déploiement de JustCase soulevait des inquiétudes au sein de la magistrature, notamment en matière de souveraineté numérique, dépendance technologique et protection des données, en raison du rôle central joué par Microsoft. Vous indiquiez alors que « le risque zéro n’existe pas, mais qu’il est identifié et surveillé ». Comment ce risque est-il concrètement monitoré aujourd’hui?

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik verwijs naar mijn ingediende vraag.

Uit recente mediaberichtgeving blijkt dat het digitale dossierbeheersysteem JustCase, waarvoor intussen een investering van om en bij de 40 miljoen euro werd voorzien, ernstige structurele tekortkomingen vertoont. Essentiële gerechtelijke informatie zoals voorwaarden bij vrijlating, contact- en straatverboden en vonnissen blijkt niet systematisch beschikbaar of verdwijnt zelfs volledig uit het systeem.

Nochtans werd JustCase door de minister zelf voorgesteld als een instrument dat de kwaliteit van de justitiële werking moest verbeteren en vooral de veiligheid van procedures en van burgers moest versterken. Vandaag getuigen magistraten, griffiers, gevangenisdirecteurs en justitieassistenten echter dat zij noodgedwongen werken met parallelle informele communicatiekanalen, wat niet alleen inefficiënt is maar ook fundamentele vragen oproept over verantwoordelijkheid en rechtszekerheid.

In dat verband heb ik volgende vragen:

Hoe beoordeelt u vandaag de betrouwbaarheid van JustCase voor het beheer van kritieke gerechtelijke informatie, in het bijzonder wanneer die informatie rechtstreeks verband houdt met publieke veiligheid en slachtofferbescherming?

Acht u het aanvaardbaar dat de correcte opvolging van voorwaarden, verbodsbepalingen en signaleringen momenteel in belangrijke mate afhankelijk is van manuele controles en individuele waakzaamheid van medewerkers op het terrein? Zo neen, welke structurele ingrepen zijn noodzakelijk?

Kan u aangeven of er reeds concrete gevallen zijn vastgesteld waarbij JustCase-fouten hebben geleid tot een foutieve beslissing inzake vrijlating, toezicht of voorwaarden, en hoe deze gevallen zijn opgevolgd?

Welke kwaliteitscontroles, risicoanalyses of audits werden uitgevoerd sinds de ingebruikname van JustCase, en welke conclusies heeft de minister daaruit getrokken?

Hoe verantwoordt de minister de reeds gemaakte en geplande uitgaven voor JustCase in het licht van de huidige werking, en wordt overwogen om verdere investeringen afhankelijk te maken van aantoonbare verbeteringen in betrouwbaarheid en veiligheid?

Welke concrete timing en garanties kan de minister geven dat JustCase op korte termijn effectief functioneert als een betrouwbaar en veilig kernsysteem, zonder dat medewerkers verplicht blijven te werken met parallelle noodoplossingen?

Pierre Jadoul:

Le système informatique "JustCase", lancé en novembre dernier dans le cadre de la numérisation de la Justice, rencontre déjà de nombreux problèmes si l’on en croit les acteurs de terrain.

Ce nouvel outil avait pour ambition de moderniser la gestion des dossiers judiciaires, de permettre de traiter les documents plus rapidement, et de rendre les procédures juridiques plus efficaces et plus fluides.

Cependant, plusieurs sources, dont notamment le Collège des procureurs généraux, pointent des ratés : criminels signalés sans que la police soit informée, dossiers et procès-verbaux qui disparaissent, victimes non prévenues concernant leur dossier…

Madame la ministre

- Vous avez annoncé dans la presse prendre le problème au sérieux et suivre de près la situation. Pouvez-vous aujourd’hui nous éclairer sur la situation précise liée à JustCase? Quels problèmes sont rencontrés par les utilisateurs? Á quoi sont dus ces problèmes?

- Que faites-vous, avec le SPF Justice, pour améliorer la situation et éviter ces ratés? Quelles mesures concrètes envisagez-vous de prendre?

- Pouvez-vous par ailleurs dresser un état des priorités et des échéances dans le cadre de la numérisation de la Justice?

Annelies Verlinden:

Collega’s, uiteraard nemen we de signalen over JustCase zeer ernstig. De veiligheid van de burgers en de correcte werking van ons gerechtssysteem staan altijd voorop.

Laat me eerst enkele cruciale nuances aanbrengen bij de berichtgeving. JustCase is inderdaad sinds november operationeel, omdat werd aangegeven dat het noodzakelijk was om over te gaan tot de lancering van de tool. Het systeem wordt dagelijks gebruikt door meer dan 5.000 medewerkers in strafuitvoeringsrechtbanken, parketten, justitiehuizen en gevangenissen. Het systeem vervangt tientallen verouderde applicaties die technisch end of life waren en niet langer voldeden aan moderne eisen. Het is een belangrijke stap in de digitalisering van Justitie, waaraan ook de komende maanden nog hard verder moet worden gewerkt, zoals eerder aangekondigd.

De lancering kent inderdaad te veel kinderziektes en dat ondanks het feit dat de eindgebruikers van bij de aanvang betrokken werden en hun vertegenwoordigers de lancering van JustCase hebben goedgekeurd en ook ondanks mijn vragen of na herhaald uitstel alles onder controle was, conform de vooropgestelde doelstellingen.

De technische moeilijkheden werden bij de aanvang van het project in 2022 klaarblijkelijk onderschat, met name de datamigratie en het notificatiesysteem, alsook de complexiteit van de overgang van papier en oude systemen naar een moderne, datagedreven werking.

Het systeem werkt en duizenden dossiers worden dagelijks verwerkt, maar de technische kinderziektes zijn ernstiger dan verwacht. De nieuwe datagedreven aanpak maakt ook fouten en inconsistenties zichtbaar die vroeger mogelijk verborgen bleven. Dat is frustrerend tijdens de overgang, maar op termijn essentieel voor de betrouwbaarheid en de rechtszekerheid van de systemen.

Dan kom ik tot de specifieke vraag rond de seiningen en de politie. JustCase heeft geen link met de Algemene Nationale Gegevensbank van de politie. Seiningen verlopen via I+Belgium, net zoals voor de komst van JustCase.

We werken concreet aan de volgende oplossingen.

Ten eerste, we volgen de dagelijkse vergaderingen met betrekking tot de veiligheidskritieke problemen op.

Ten tweede worden parallelle communicatiekanalen voor kritieke informatie, zoals mandateringen en slachtofferinformatie, voorzien tot het systeem volledig stabiel is.

Ten derde is er intensieve onsitehulp en zijn er dagelijks technische updates.

Ten vierde zijn er multidisciplinaire werkgroepen rond datakwaliteit, gebruiksvriendelijkheid en businessanalyse.

Ten slotte is intussen ook een crisismanager op het project gezet om de verschillende problemen en de communicatie nog beter te stroomlijnen en te prioriteren, in samenspraak met de voorzitters van de colleges en de FOD Justitie, die allemaal nauw betrokken zijn.

La semaine dernière, j'ai à nouveau convoqué le SPF Justice, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public pour une réunion d'urgence afin de convenir de mesures concrètes, de clarifier les responsabilités et de formaliser les solutions alternatives internes en matière de sécurité.

Monsieur Ribaudo, concernant la question sur les risques Microsoft, je renvoie à ma réponse antérieure à ce sujet.

En ce qui concerne le calendrier et les coûts, nous travaillons dans le cadre d'un prix contractuel fixé pour le résultat, une obligation de résultat financée par des fonds européens FRR. Il n'y a pas de coût supplémentaire, la stabilisation se fait par phase et nous prévoyons d'autres améliorations significatives dans les semaines à venir.

Tot slot wil ik zeker de magistraten, griffiers, justitieassistenten, gevangenispersoneel en onze centrale diensten bedanken voor hun harde werk en inzet om fouten te voorkomen en het systeem verder te verbeteren. Hun inzet is cruciaal en wordt gewaardeerd. De digitalisering van Justitie is geen luxe, maar een noodzaak. Terugkeren naar oude systemen is geen optie. Die zijn technisch op het einde van hun levensduur gekomen en de data zijn gemigreerd. Er zijn bepaalde keuzes gemaakt in het verleden met instemming van de rechterlijke orde. We moeten nu doorgaan, maar met volledige aandacht voor de veiligheid en voor de mensen die ermee werken.

Monsieur Jadoul, en ce qui concerne votre dernière question, je vous renvoie à ma réponse à la question écrite n° 613 de Mme Van Vaerenbergh

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. We weten allemaal dat dit systeem het verouderde systeem vervangt en dat er kinderziektes zijn. Ik wil een zeker begrip opbrengen voor het feit dat er kleine kinderziektes zijn, maar het gaat hier over zeer ernstige problemen, zoals blijkt uit de waarschuwingen van onder meer het College van procureurs-generaal en de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel. Het is bijzonder verontrustend dat men zegt dat de vrees voor ongelukken reëel is. De vraag is niet of het zal gebeuren, maar wanneer. We mogen daarop toch niet wachten.

Ik dring er dan ook op aan, mevrouw de minister, dat met hoogdringendheid de nodige inspanningen worden geleverd om het systeem volledig foutvrij te maken. U zegt dat het systeem werkt, maar het systeem werkt niet, mevrouw de minister. De risico’s zijn veel te groot. Ik hoop dan ook dat er nooit iets zal mislopen als gevolg van de slechte werking van dat digitale systeem.

Julien Ribaudo:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse.

On ne remet pas en cause l’idée de moderniser les infrastructures numériques de la justice, mais, comme on le lit dans la presse, la question n’est pas de savoir s’il y aura des accidents, mais quand. On parle de criminels signalés sans que la police soit informée ou d’interdictions de contact non communiquées aux victimes. C’est la réalité de terrain avec JustCase.

Nous comprenons qu'un projet d’une telle ampleur puisse connaître des ratés à son lancement mais, en l’occurrence, les conséquences dépassent la technique. Ce sont les travailleurs de la justice qui doivent compenser. Ce sont les justiciables qui risquent de subir des erreurs, et c’est l’État de droit qui est fragilisé.

Vous indiquez dans la presse qu’il faudra mieux impliquer les acteurs sur le terrain – vous le soulignez encore aujourd’hui dans votre réponse –, mais c’est effectivement le strict minimum. Nous avons pu lire dans la presse que les acteurs avaient déjà formulé des remarques avant même le lancement de JustCase, qu’elles n’avaient pas été prises en considération et que rien n’avait changé.

JustCase n’est malheureusement pas un accident isolé. D’autres projets de numérisation ont déjà échoué, avec des dizaines, voire des centaines de millions d’euros qui ont été dépensés et des citoyens qui ont dû payer la facture. Il y a un an jour pour jour, nous faisions l’audition, en cette même commission, sur le rapport de la Cour des comptes sur les grands projets de numérisation de la justice. Alors oui, l’outil peut être encore amélioré, mais aujourd’hui nous craignons vraiment qu’il ne soit pas correctement pris en main et qu’il ne réponde jamais aux besoins du terrain, comme on le voit dans d’autres dossiers tels que I-Police ou JustSign.

Madame la ministre, ce gouvernement ne peut pas continuer à dire qu’il n’y a pas d’argent et que tout le monde doit faire diète et se serrer la ceinture, et en même temps jeter des millions d’euros par la fenêtre pour des projets qui sont mal pilotés. Nous demandons une transparence totale, un suivi rigoureux et des garanties pour que la justice ait enfin des outils fiables. Nous reviendrons sur ce dossier.

Kristien Van Vaerenbergh:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. De digitalisering van Justitie verloopt inderdaad moeilijk. Dat blijkt opnieuw uit de problemen die bij dit project opduiken.

De technische kinderziekten waren groter dan aanvankelijk voorzien. Ik hoop in ieder geval dat dit snel en op een structurele manier kan worden opgelost, want het gaat om een bijzonder belangrijk project. Het houdt ook veel gevaren in. Ik hoop dat het parallelle systeem dat intussen is ontwikkeld om een extra controle uit te voeren, goed functioneert en dat er geen ongelukken zullen gebeuren. We volgen het verder op.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je suis assez satisfait que vous ayez pris certaines initiatives et je vous en remercie. L'ampleur de la difficulté me semble avoir été prise en considération. Il est toujours facile de dire "il n'y a qu'à", comme certains qui se sont exprimés en ce sens. Nous savons que les gros projets informatiques sont difficiles à piloter. Au sein de la justice, ce n'est pas le premier à présenter des difficultés. Cela dit, je n'avais personnellement pas été entièrement convaincu par le rapport qui nous avait été présenté par la Cour des comptes voici un an. C'est toutefois un point d'attention majeur. Il est clair que l'évolution vers la numérisation de la justice doit se poursuivre efficacement. Espérons que les ratés dans la mise en œuvre seront les moins nombreux et préjudiciables possible. En tout cas, dans votre réponse, j'ai entendu que les difficultés apparues étaient prises en charge et je vous en remercie.

De agressie tegen cipiers en personeelsleden in de Brugse gevangenis
De gewelddadige incidenten in de gevangenis van Brugge
Gewelddadige incidenten en agressie in de Brugse gevangenis

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat het ernstige agressie-incident in de overbevolkte Brugse gevangenis (waarbij vier cipiers zwaar gewond raakten) volgens protocol werd afgehandeld, met directe opvang en tuchtmaatregelen tegen de dader, maar benadrukt dat agressie een structureel probleem is—verergerd door overbevolking en psychische problemen bij gedetineerden—dat ze aanpakt via een "geweldloze cultuur"-project (inclusief agressiebeheersing, gespecialiseerde cellen en psychologische ondersteuning). Annick Lambrecht en Marijke Dillen (parlementsleden) bekritiseren scherp dat de maatregelen ontoereikend zijn: ze wijzen op systeemfalend leiderschap (traag optreden, minimalisering van incidenten), gebrek aan steun voor cipiers (uitstroom, lage waardering) en eisen concrete verharding, zoals het schrappen van vervroegde invrijheidstelling voor agressieve gedetineerden en strengere sancties. Dillen stelt dat de minister geen antwoord gaf op haar voorstellen, terwijl Lambrecht dringend betere werkomstandigheden eist om veiligheid te herstellen.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, de directeur-generaal van het gevangeniswezen, mevrouw Steenbergen, bracht onlangs naar aanleiding van een incident een bezoek aan de Brugse gevangenis om met de cipiers te praten. De topvrouw trekt aan de alarmbel na het zoveelste incident in de overbevolkte Brugse gevangenis.

De concrete aanleiding was een incident op de woensdag voorafgaand aan haar bezoek, waarbij vier cipiers naar het ziekenhuis moesten na extreem agressief gedrag van een gedetineerde. Het gaat onder andere om een gekneusde oogkas, om een whiplash en nog veel meer.

De directeur-generaal begreep hun verzuchtingen, maar wees erop dat het probleem niet bij de plaatselijke directie ligt, maar wel bij de federale overheid. De directeur-generaal benadrukte dat de nationale politiek een grote verantwoordelijkheid draagt vanwege de overbevolking, die heel wat agressie met zich meebrengt. Ze stelde ook dat ze dat reeds heeft aangekaart in een open brief.

De directeur-generaal sprak met de directie en het personeel en loofde opnieuw de inzet van het personeel onder die omstandigheden. Ze zei ook dat ze vreest dat daar eens een dode zal vallen.

Mevrouw de minister, zijn er problemen met de interne communicatie ten aanzien van u?

Is het agressieprobleem ten aanzien van cipiers of personeel een algemeen probleem, of speelt dat enkel in de gevangenis van Brugge?

Kreeg u in het verleden al meldingen over agressie tegen cipiers en personeel in de gevangenis van Brugge of in andere gevangenissen?

Welke aandacht besteedt u aan de agressie tegen het personeel en aan het algemeen welzijn van het personeel in de gevangenissen?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in de gevangenis van Brugge heeft een bijzonder ernstig incident plaatsgevonden door een agressieve gedetineerde tijdens zijn overbrenging naar de strafcel. Verschillende cipiers werden ernstig verwond en moesten naar het ziekenhuis worden gebracht. Eén van hen heeft meerdere verwondingen opgelopen, onder meer een hersenschudding, een whiplash, een gekneusde oogkas, gekneusde armen en een ontsteking in de oogkas, met werkonbekwaamheid tot gevolg.

Die incidenten zijn absoluut onaanvaardbaar. Cipiers moeten door de gedetineerden met respect worden behandeld. Iedere vorm van fysieke en/of verbale agressie moet heel streng worden gesanctioneerd. Dergelijke feiten hebben immers een blijvende impact en mogen niet worden geminimaliseerd.

Helaas blijkt dat de directie niet kordaat handelt en niet resoluut de kant van de cipiers kiest. Zo werd bijvoorbeeld beslist om alle maatregelen uit te stellen tot na de bezoekmomenten en de educatieve activiteiten. Pas de volgende dag werd een nachtregime ingevoerd. Dat is geen duidelijk signaal aan de gedetineerden om te stellen dat iedere vorm van agressie onaanvaardbaar is.

Mevrouw de minister, kunt u wat meer toelichting over die schandalige feiten geven? Hoe is het inmiddels gesteld met de gezondheidstoestand van de betrokken cipiers? Volgens berichten blijkt dat dat zoveelste geval van zware agressie door de directie werd geminimaliseerd. Aanvankelijk werd blijkbaar zelfs betwijfeld of dat als een kritiek incident kon worden beschouwd. Het werk neerleggen was niet toegestaan. Waarom werd er niet onmiddellijk kordaat opgetreden, als blijk van respect voor de cipiers, die iedere dag opnieuw moeten werken in zeer moeilijke omstandigheden?

Welk gevolg werd aan dat incident gegeven tegenover de betrokken, agressieve gedetineerde?

Het personeel in de gevangenis van Brugge staat onder permanente spanning, niet alleen door de agressie en incidenten of door de overbevolking, maar ook door het gevoel dat ze niet worden gesteund. Zult u een initiatief nemen om daarin verandering te brengen? De vakbonden vragen om andere maatregelen, die wel een impact hebben. Ze zeggen dat ze al jaren voorstellen doen om de zaken anders aan te pakken. Zij vragen bijvoorbeeld om de vervroegde invrijheidstelling te laten wegvallen voor wie niet met de handen van het personeel kan blijven. Dat zal de gedetineerden misschien twee keer laten nadenken voor ze tot geweld overgaan, waarmee ik de vakbonden citeer. Bent u bereid om initiatieven te nemen om strengere maatregelen uit te werken voor gedetineerden die zich schuldig maken aan agressie tegenover cipiers?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Lambrecht, mevrouw Dillen, sinds mijn aantreden, bijna een jaar geleden, onderhouden mijn kabinet en ikzelf een intensief en open contact met zowel de gevangenisdirecteurs en de vakbonden als met de directeur-generaal over de problemen die zich voordoen binnen het gevangeniswezen en over mogelijke pistes om die aan te pakken.

Het incident in Brugge werd absoluut niet geminimaliseerd. De toepasselijke richtlijnen en bepalingen moeten daarbij altijd worden gevolgd, zowel op het vlak van tuchtrechtelijke inbreuken, zoals agressie, als op het vlak van werkonderbrekingen in het geval van ernstige gebeurtenissen op de werkplek.

De standaardprocedure na een kritiek incident werd in elk geval gevolgd in Brugge. Die procedure heeft tot doel de ernst van het incident in te schatten, de situatie te bevriezen en ook de slachtoffers de nodige opvang te geven. Het personeel van de betrokken afdeling werd dezelfde avond gezien voor een debriefing en de volledige personeelsgroep werd via mail geïnformeerd.

Daarnaast is het de bedoeling dat nadat het incident de avond zelf met de nodige zorg werd afgesloten, het werk wordt hervat. Dat gebeurde de volgende ochtend. Op die manier kan voor de overige niet-betrokken gedetineerden het regime worden hervat, ook in het belang van de dynamische veiligheid, zodat de spanning niet oploopt. Voor de betrokken gedetineerden geldt dan de weg van de interne tucht- en/of veiligheidsmaatregelen en het neerleggen van een klacht bij een misdrijf.

Wat betreft de gezondheidstoestand van de betrokken personeelsleden, kan ik u meedelen dat vier personeelsleden arbeidsongeschikt waren, twee tot en met 8 februari, één tot en met 28 februari en één personeelslid heeft het werk al hervat op 26 januari.

De vaststelling dat er agressie plaatsvindt ten aanzien van gevangenispersoneel is helaas niet nieuw en beperkt zich ook niet tot de gevangenis in Brugge. Niet elk incident is echter toe te schrijven aan de overbevolking. Net zoals in de vrije samenleving vertoont een belangrijk aandeel van de gedetineerden symptomen van psychisch disfunctioneren en vertaalt zich dat soms ook in agressie-incidenten, al valt uiteraard niet te ontkennen dat de overbevolking ook frequent een rol speelt bij agressie.

Het beleid inzake agressiemanagement is sedert enige tijd gebaseerd op twee pijlers, meer bepaald in het kader van een project rond geweldloze cultuur. De doelstelling van dat project is te komen tot een veiliger werk- en leefomgeving door enerzijds in te zetten op het institutionele niveau en anderzijds door het aanbieden van agressiebeheersing en begeleiding voor gedetineerden.

In het kader van het globaal psychosociaal preventieplan is ten aanzien van het personeel onder meer voorzien in psychologische hulp aan medewerkers die te maken hadden met incidenten op het werk. Verder werkt de Directie Integrale Veiligheid aan een project inzake de beheersbaarheid van de meest agressieve gedetineerden. We beogen gedetineerden met een potentieel risico tot het stellen van gewelddadig gedrag te identificeren en hen een specifiek detentietraject aan te bieden dat in het teken staat van het beheersbaar maken van de gestelde agressie, door begeleiding op maat.

Er zal tevens worden voorzien in enkele aangepaste beveiligde cellen als ultimum remedium voor het waarborgen van de veiligheid van zowel het personeel als de gedetineerden. In dat kader wordt ook opgeleid personeel voorzien, waaronder penitentiair bewakingsassistenten en zorgpersoneel, alsook psychiatrische bijstand voor de inrichtingen waar het project zal worden uitgerold.

Annick Lambrecht:

Mevrouw de minister, u gaf een zeer formeel antwoord met een overzicht van de bestaande procedures, maar het blijft een feit dat de omstandigheden in de Brugse gevangenis een broeihard zijn en geweld uitlokken. Men komt vaak slechter uit de gevangenis dan men erin gaat. Men wordt agressief door de overbevolking. De cipiers staan onder druk, want men vindt niet genoeg cipiers. Degenen die er zijn, moeten veel meer werk doen dan wat voor hen mogelijk is. Overigens worden de cipiers zeer laag gewaardeerd. Ik vraag me af hoe daaraan kan worden gewerkt. Zeer veel personeel stroomt uit. Dan zijn er nog de verhalen over ernstige agressie. U spreekt betrokkenen, want de directeur-generaal is bij u geweest, maar hij loopt zelfs naar de pers. Men ziet het helemaal niet meer zitten.

Als ik nu aan de personeelsleden moet zeggen dat er procedures bestaan om snel op te treden als iets gebeurt en dat van de vier aangevallen cipiers er één toch al terug aan het werk is, denk ik niet dat zij daarmee gediend zullen zijn.

Het grote kader – dat weet u zelf ook en ik beweer niet dat er geen inspanningen gebeuren – moet een verbetering van de leef- en werkomstandigheden in die Brugse gevangenis zijn, niet alleen voor degenen die er zogezegd wonen, de gevangenen, maar zeker ook voor degenen die er werken. Die agressie ten aanzien van cipiers, die zo’n moeilijke taak op zich nemen, is immers onaanvaardbaar. Dat mag echt niet meer gebeuren. Mensen voelen zich niet meer veilig op de werkplaats, en dat kan niet de bedoeling zijn. Het feit dat men naar de pers loopt en zich richt tot parlementsleden met de vraag om bij u nog eens de urgentie aan te kaarten om personeelsleden te beschermen tegen agressie van gevangenen, zegt alles.

Ik reken erop dat u een tand bij zult zetten om de mensen zich veilig te laten voelen in de Brugse gevangenis.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, u zegt dat de feiten niet zijn geminimaliseerd, maar dat komt niet overeen met het gevoel dat de cipiers op dat ogenblik hadden. U zegt ook dat er een procedure bestaat om de ernst in te schatten. In dat zeer specifieke geval moesten vier cipiers naar het ziekenhuis worden overgebracht, van wie er drie tot op heden nog steeds arbeidsongeschikt zijn. Dat is dus zonder enige twijfel een heel ernstig incident. Agressie tegen het personeel is inderdaad niet nieuw. Er zijn echter dringend maatregelen nodig. Ik besef dat agressiegevallen niet volledig kunnen worden uitgesloten, want dat kan in de gewone samenleving ook niet, maar er moet minstens een poging worden ondernomen om agressiegevallen te verminderen. Ik heb u geen antwoord horen geven op mijn voorstel om de vervroegde invrijheidsstelling onmogelijk te maken voor wie zich schuldig heeft gemaakt aan agressie, van welke aard dan ook en ongeacht de ernst, tegen cipiers en gevangenispersoneel. Er moeten veel strengere maatregelen komen. Ik heb ook geen antwoord gekregen op de vraag welk gevolg is gegeven ten aanzien van de agressieve gedetineerde. Ik hoop en neem aan dat in elk geval een klacht is ingediend. Ik ga ervan uit dat het parket daaraan gevolg zal geven en dat die man zeer zwaar zal worden aangepakt, want die feiten zijn absoluut onaanvaardbaar. Cipiers verdienen respect. Dat hebben wij in de commissie voor Justitie al herhaaldelijk gesteld. Naar aanleiding van de beleidsnota zullen we daar nog op terugkomen, maar ik denk dat u ook prioritair werk moet maken van de verbetering van hun statuut in meest ruime betekenis van het woord.

De evolutie van de veiligheidssituatie in Syrië en de impact ervan op de FTF's
De ontsnapping van IS-gevangenen in Syrië
De veiligheidsontwikkelingen in Syrië en gevolgen voor FTF's en IS-ontsnappingen

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de veiligheidsrisico’s van ontsnapte IS-strijders uit Syrië, met name de 11 Belgische gedetineerden (10 mannen, 8 vrouwen + 9 kinderen) en hun opvolging door de Veiligheid van de Staat (VSSE) en OCAM. Minister Verlinden bevestigt dat geen Belgische IS’ers ontsnapt zijn, maar waarschuwt voor de chaotische situatie na Koerdische machtsverlies en mogelijke overdrachten naar Irak; ze benadrukt internationale samenwerking en dreigingsmonitoring via de TER-strategie. De Maegd (kritisch) wijst op het humanitaire en veiligheidsrisico door 10.000 gedetineerde IS’ers uit 40 landen en eist transparantie over de verdwenen negende Belgische vrouw uit kamp Al-Hol. Van Hoecke (beschuldigend) eist een absoluut terugkeerverbod voor IS-sympathisanten zoals Besime Car (ex-IS-politieagente) en bekritiseert dat het regeerakkoord hierin te vaag is; hij noemt terugkeer "onaanvaardbaar" en hekelt gebrek aan politieke consensus hierover.

Michel De Maegd:

Madame la ministre, comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire en séance plénière voici deux semaines, la situation au Nord-Est de la Syrie est extrêmement inquiétante. Pour citer un seul exemple, le drapeau de Daech flotte à nouveau sur la ville très symbolique de Kobané, laquelle avait été reprise par les forces kurdes à Daech voici dix ans. Des affrontements armés d'ampleur ont eu lieu, des exactions inacceptables se sont déroulées, entraînant, sinon un retrait, du moins l'affaiblissement de forces démocratiques syriennes jusqu'à présent chargées de la gestion de centres de détention d'anciens membres de l'organisation terroriste Daech. Des informations font désormais état d'évasions ou de fuites de certains détenus, sans que des chiffres définitifs puissent être fournis.

Ces faits ravivent des inquiétudes majeures quant au sort des combattants terroristes étrangers qui y sont détenus, au nombre de 10 000 et en provenance de 40 pays différents. Parmi eux figurent des individus issus de Belgique, sans nécessairement en avoir la nationalité, mais qui sont venus de notre pays et dont la prise en charge et le suivi constituent un enjeu direct de sécurité nationale, mais aussi de justice et de respect de l' É tat de droit.

Dans ce contexte particulièrement préoccupant, madame la ministre, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Disposez-vous, à ce stade, d'informations confirmées ou actualisées concernant le nombre de ressortissants venus de Belgique susceptibles d'être encore détenus en Syrie? L'OCAM parle de douze hommes et de neuf femmes – huit dans le camp de Al-Roj, une dans celui Al-Hol qui a été ouvert par les forces syriennes. Quelles sont les voies de coopération judiciaire et sécuritaire internationale actuellement mobilisées par la Belgique afin d'obtenir des informations fiables sur la localisation et le contrôle effectif de ces personnes? Comment la Belgique entend-elle garantir que la lutte contre l'impunité des crimes terroristes demeure pleinement effective, y compris dans l'hypothèse d'une dispersion, d'une fuite ou d'une remise en circulation de combattants précédemment détenus dans cette région?

Alexander Van Hoecke:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Volgens de Syrische regering zijn bij gevechten in het noordoosten van Syrië ongeveer 120 leden van de terreurgroep Islamitische Staat ontsnapt uit een gevangenis. Regeringstroepen hebben in de stad Al-Shaddadah, in de provincie Al-Hasakah, gezocht naar de voortvluchtigen en intussen 80 personen gearresteerd, zegt het Syrische ministerie van Binnenlandse Zaken.

Ook het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten meldde dat een “groot aantal" IS-leden was ontsnapt. Volgens de Koerdische militiegroep de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) gaat het om veel meer, namelijk ongeveer 1.500 IS-strijders die uit de gevangenis zijn ontsnapt.

Volgens SDF hebben bondgenoten van de regering in Damascus meerdere gevangenissen in het noordoosten aangevallen waar IS-leden zijn ondergebracht, ondanks een staakt-het-vuren dat zondag was afgekondigd. De SDF-troepen hebben daardoor geen controle meer.

De Koerdische milities controleerden tot nu toe de gevangenissen, maar volgens het akkoord van zondag moest de SDF de gevangenen overdragen aan de Syrische regering. De vrees bestaat dat IS van de chaotische situatie gebruik zal maken om aan terrein te winnen.

Dergelijke ontsnappingen vormen een bijzonder groot risico, niet alleen voor Europa, maar ook voor België.

Kan de minister toelichting geven in welke mate de veiligheidsdiensten deze dreiging opvolgen?

Heeft de minister kennis van Belgische IS-strijders die zouden ontsnapt zijn? Hoeveel Belgische IS-strijders bevinden zich in deze kampen? Op welke manier worden deze opgevolgd?

Bestaat er een protocol dat in werking treedt wanneer er Belgische IS-strijders zouden zijn ontsnapt? Hoe ziet dit protocol eruit? Hoe wordt onze samenleving tegen deze potentiële dreiging beschermd door onze veiligheidsdiensten?

Vrijdag komt in Brussel nog een zaak voor van Besime Car, die met haar kinderen vastzit in al-Roj. Wat is de positie van het OM en kan de minister verzekeren dat deze regering nooit zal toestaan dat personen die naar het buitenland trokken om zich aan te sluiten bij IS of een andere terroristische organisatie kunnen terugkeren?

Annelies Verlinden:

Dans le cadre de leurs compétences légales, la Sûreté de l’ É tat (VSSE) et l’Organe de coordination pour l’analyse de la menace (OCAM) assurent un suivi de la situation des combattants terroristes étrangers de nationalité belge, y compris ceux qui se trouvent dans les centres de détention, les prisons et les camps dans le Nord-Est de la Syrie.

De VSSE werkt daarvoor nauw samen met de Belgische partners, evenals met internationale partners. In het kader van de strategie TER zijn meerderjarige, aan België gelinkte FTF’ers opgenomen in de GGB TER en worden ze opgevolgd door de local task forces die bevoegd zijn voor hun voormalige woonplaats. Minderjarigen die betrokken zijn, worden eveneens meegenomen in het kader van de opvolging van hun ouders. Het OCAD werkt de dreigingsevaluatie van die personen bij op basis van de beschikbare en bevestigde informatie van de partnerdiensten in de strategie TER.

Volgens de informatie waarover de VSSE op 27 januari 2026 beschikte, zouden elf aan België gelinkte mannelijke FTF’ers in een gevangenis in het noordoosten van Syrië hebben verbleven. Dat cijfer is sinds vorige week gewijzigd, omdat er sterke aanwijzingen zijn dat een mannelijke Belgische FTF’er zeer recent werd overgebracht naar een gevangenis in Irak. Dat kadert in de bredere overbrenging van IS-gedetineerden uit gevangenissen in het noordoosten van Syrië naar gevangenissen in Irak, zoals ook aangekondigd door de Amerikaanse autoriteiten.

In kampen in dezelfde regio zouden nog acht aan België gelinkte vrouwelijke FTF’ers en negen kinderen verblijven.

Selon les informations dont nous disposons actuellement, aucun combattant terroriste étranger lié à la Belgique ne s'est évadé de prison. Les services de renseignements et de sécurité continuent de suivre le développement de cette situation et cela en concertation avec leurs partenaires nationaux et internationaux. Pour conclure, il ne m'appartient pas d'entrer dans les détails des dossiers individuels.

Michel De Maegd:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. Je vois que les chiffres ont été actualisés depuis la semaine dernière, puisqu'on parle maintenant d'un transfert masculin vers l'Irak et de huit femmes, alors que jusqu'à présent, c'étaient neuf femmes venues de Belgique: huit au camp de Al-Roj et une au camp d' Al-Hol, qui a été ouvert. Donc, c'est important, évidemment, de garder la vigilance et de savoir ce que cette femme qui était dans le camp d'Al-hol, la neuvième, est devenue. Ce qui se joue aujourd'hui en Syrie est une tragédie humaine sans nom. Cela constitue aussi un enjeu direct de sécurité pour nos concitoyens en Belgique.

Là-bas, des civils paient une nouvelle fois le prix fort: exactions, massacres, déplacements forcés, insécurité permanente. Cette dégradation dramatique a donc aussi des conséquences préoccupantes chez nous. Des terroristes aguerris sont désormais susceptibles de se retrouver en liberté, sans contrôle clair, sans suivi, sans cadre judiciaire. La lutte contre le terrorisme ne s'arrête donc pas aux frontières. La justice non plus.

Il est impératif de savoir où se trouvent ces individus, quel est leur statut, comment empêcher qu'ils disparaissent dans la nature. Je rappelle le chiffre global de 10 000 combattants de Daech qui seraient venus de 40 pays différents et qui seraient actuellement emprisonnés dans la région.

Protéger les civils syriens et protéger les Belges vont de pair. L'OCAM l'a affirmé il y a encore quelques jours à peine. Je vous remercie donc pour votre extrême vigilance dans ce dossier.

Alexander Van Hoecke:

Ik dank u, mevrouw de minister, voor de update.

U hebt niet geantwoord op mijn vraag over Besime Car, die met haar vier kinderen vastzit in al-Roj. Zij moest als politieagente voor IS toezicht houden op de naleving van de zeden en maakte zich daarbij schuldig aan verschillende mensenrechtenschendingen. De zaak van die vrouw kwam afgelopen vrijdag voor in Brussel. Ik had gevraagd wat de positie van het openbaar ministerie was en of u nogmaals kon verzekeren dat de regering nooit zal toestaan dat personen die naar het buitenland trokken om zich aan te sluiten bij IS of een andere terroristische organisatie, terug kunnen keren. In het regeerakkoord houdt men daar een slag om de arm. Daarom had ik die garantie graag van u gekregen.

Eigenlijk zouden we ons allemaal geen zorgen meer mogen maken over IS-terroristen. We zouden er toch van mogen uitgaan dat terroristen die onze samenleving op de meest letterlijke manier de oorlog verklaarden, nooit meer kunnen terugkeren. Ik was dan ook enigszins verbaasd over het feit dat sommigen in het debat van vorige week volhielden om dergelijke individuen terug te halen. Ik begrijp dat oprecht niet; ik kan er echt niet bij dat er geen consensus over bestaat, over de partijgrenzen heen, dat iemand die naar Syrië of Irak is getrokken om zich daar schuldig te maken aan de meest gruwelijke en walgelijke mensenrechtenschendingen ooit, en die letterlijk afstand neemt van onze samenleving en onze samenleving de oorlog verklaart, nooit nog terug mag keren.

Ik zal mijn laatste vraag opnieuw schriftelijk indienen en ik zal het antwoord dat u hebt gegeven, nader analyseren.

Voorzitter:

La question n° 56012750C de M. Van Rooy est reportée à sa demande. La question n° 56012762C de M. Dufrane est transformée en question écrite.

De verwijlinteresten op de facturen van beëdigd vertalers en tolken
De door Justitie verschuldigde verwijlinteresten
Verwijlintresten bij facturen van beëdigde vertalers, tolken en Justitie

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke bekritiseert dat Justitie vanaf 1 februari automatisch verwijlinteresten zal inhouden op het budget van DG’s bij laattijdige betalingen, wat de financiële crisis binnen Justitie (28,5 miljoen aan openstaande facturen in 2025) verder verergert en vraagt om opheldering over achterstallige interessen, budgettaire impact per DG en maatregelen om vertragingen tegen te gaan. Annelies Verlinden bevestigt dat het systeem enkel geldt voor btw-plichtigen, start op 1 februari (tegen eerdere berichten in), en schat de jaarlijkse kost op €4,3 miljoen (waarvan 4% voor tolken/vertalers), maar benadrukt dat gecontesteerde facturen (o.a. bpost) meegenomen zijn en dat DG’s financieel verantwoordelijk worden voor eigen vertragingen via budgetinhoudingen. Van Hoecke betwijfelt de realiteit van de raming (te laag vs. openstaande schuldenberg), vraagt om actuele cijfers over onbetaalde facturen en waarschuwt dat beleid zonder financiële analyse onuitvoerbaar is, terwijl Verlinden verwijst naar schriftelijke opvolging voor gedetailleerde data.

Alexander Van Hoecke:

Vanaf 1 februari zullen verwijlinteresten die door Justitie verschuldigd zijn, automatisch worden berekend en uitbetaald. Wanneer de betalingstermijn voor een factuur wordt overschreden, zullen die verwijlinteresten automatisch worden ingehouden van het werkingsbudget van de betrokken directie-generaal. De budgettaire impact daarvan valt niet te onderschatten. We weten allemaal hoeveel onbetaalde en achterstallige facturen Justitie heeft.

Ten eerste, wat met de verwijlinteresten die tot op heden, vandaag nog, verschuldigd zijn maar nog niet zijn uitbetaald? Vallen die ook onder dat systeem? Ten tweede, is er een raming gemaakt van de verwachte budgettaire impact per directie-generaal? Ten derde, wat gaat u ondernemen om de verwijlinteresten die door Justitie moeten worden uitbetaald tot een absoluut minimum te herleiden? We weten allemaal dat Justitie met enorme financiële problemen kampt en dat er een groot gebrek aan budget is. Als die verwijlinteresten automatisch worden ingehouden, dreigt de put alleen maar groter en dramatischer te worden.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, collega. In tegenstelling tot wat door een beroepsvereniging van vertalers-tolken werd gecommuniceerd, gaat de automatische berekening van de verwijlinteresten pas in vanaf 1 februari.

De verwijlinteresten tellen alleen voor btw-plichtige ondernemingen, zowel onderworpen aan de Belgische als aan de buitenlandse btw, en voor zelfstandigen. Wat de exacte datum van de berekening betreft, geldt dat het startpunt van de betalingstermijn de datum is van het elektronisch indienen van de factuur in Peppol. Volgens de geldende wetgeving op de gerechtskosten mag de factuur pas worden ingediend vanaf het moment dat het dossier de goedkeuring kreeg van het taxatiebureau.

De betalingstermijn bedraagt 30 dagen voor btw-plichtige ondernemingen en zelfstandigen. Momenteel worden de verwijlinteresten alleen betaald op vraag van de leveranciers. Er zijn al verwijlinteresten uitbetaald en sommige zijn nog in behandeling. De automatische uitbetaling vindt plaats vanaf 1 februari.

De verwachte impact op het budget van de gerechtskosten bedraagt 4.300.000 euro. Voor het deel gerechtskosten dat betrekking heeft op de gerechtsexperten en tolken-vertalers gaat het om ongeveer 4 %. Die raming is voorzichtig en nogal hoog, in die mate dat ook gecontesteerde facturen erin zijn meegenomen, zoals bijvoorbeeld een grote betwisting met bpost. Voor gerechtskosten gelinkt aan overheidsopdrachten, zoals de aankoop van speekseltesten, de vernietiging van drugslaboratoria en lachgascontainers, worden de verwijlinteresten geraamd op 300.000 euro.

Er is een raming gemaakt op basis van de betalingen van 2024, waarbij de verwijlinteresten, zoals de forfaitaire vergoeding van 40 euro, zijn toegepast.

Elke directie is via het directiecomité geïnformeerd over de wijze van afhandeling en betaling van facturen. Toch moeten we vaststellen dat er vertragingen zijn opgetreden in het proces. Daarom zijn verbeteringen onderzocht om de termijnen te respecteren en vertragingen te vermijden. Om deze kracht bij te zetten, worden de verwijlinteresten geïmputeerd op de werkingsmiddelen van elke administratie, in verhouding tot de betrokken facturen.

Mijnheer Van Hoecke, met betrekking tot het cijfermatige aspect van uw vragen, zou ik u willen verzoeken een schriftelijke vraag in te dienen.

Alexander Van Hoecke:

Ik zal zeker een schriftelijke vraag indienen over het cijfermatige, want zoals ik eerder aangaf, weten we allemaal dat Justitie veel facturen niet betaald krijgt. Vorig jaar heb ik die cijfers opgevraagd en ik heb ondertussen ook een vervolgvraag ingediend, waarop ik nog geen antwoord heb ontvangen. Begin 2025 ging het om 28,5 miljoen euro, bijna 30 miljoen euro aan facturen die nog openstonden en al lang betaald hadden moeten zijn. U spreekt hier nu over 4,3 miljoen euro als voorzichtige raming van de budgettaire impact. Dat lijkt me een enorm probleem. Ik weet niet of die raming voor het hele jaar geldt en of dat bedrag meteen automatisch zal worden uitbetaald. Dat is absoluut geen klein detail. Het is nieuws dat niet echt wijdverspreid is, maar het vormt wel een echt probleem. Veel DG’s hebben vandaag al een zeer krap budget, en als daar dan ook nog automatisch verwijlinteresten op worden ingehouden, wordt het probleem alleen maar groter. Ik ben heel benieuwd naar de cijfers, want dit kan een aanzienlijke impact hebben. Ook wil ik weten of het aantal onbetaalde facturen dit jaar nog is toegenomen. We moeten de financiële impact hiervan absoluut weten. U komt binnenkort met uw beleidsnota. Beleidsplannen die worden gepresenteerd zonder financiële impactanalyse en zonder te weten hoeveel geld er over is, zijn moeilijk uitvoerbaar. We zullen dit van dichtbij blijven opvolgen en ik zal de overige cijfers nog schriftelijk opvragen.

De nasleep van de incidenten tijdens een pro-Koerdische manifestatie in Antwerpen

Gesteld door

MR Michel De Maegd

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Michel De Maegd bekritiseert de brutale mesaanvallen met wapens op een vreedzame Koerdische solidariteitsbetoging in Antwerpen, waarbij zes mensen (twee zwaargewond) door couteauslagen in het ziekenhuis belandden, en noemt dit "onaanvaardbaar in een democratie" en een gevaar voor de openbare orde en samenlevingsvrede. Hij vraagt om strenge juridische vervolging en bevestiging dat alle middelen worden ingezet. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat drie van de vier aangehoudenen (eén onschuldig bevonden) zijn voorgeleid voor poging tot moord; twee zitten vast, één is vrijgelaten. Een aparte zaak loopt voor een soortgelijke aanval in een bus, ook gekwalificeerd als poging tot moord—terrorisme is (voorlopig) uitgesloten, maar motieven worden nog onderzocht. De Maegd benadrukt dat vreedzaam betogen een fundamenteel recht is en eist een "duidelijke, snelle en harde" reactie van justitie om de staat van recht te handhaven, terwijl hij waarschuwt dat België geen strijdtoneel voor buitenlandse conflicten mag worden. Verlinden belooft lopende, grondige onderzoeken, met ruimte voor aanpassing van kwalificaties naarmate nieuwe inzichten komen.

Michel De Maegd:

Madame la ministre, cette question est la conséquence plus ou moins directe des faits que je dénonçais tout à l'heure dans une autre question: la situation extrêmement complexe en Syrie.

Jeudi dernier, à l'occasion d'une manifestation pacifique en soutien au peuple kurde à Anvers, des faits d'une gravité extrême se sont produits. Des individus se sont délibérément mêlés à la foule avant de s'en prendre violemment aux participants à l'aide d'armes blanches. Six personnes ont été blessées par couteau, dont deux très grièvement. Nous avons depuis appris que leur vie était sauve. C'est déjà un élément humainement rassurant.

En démocratie, ces actes sont évidemment inacceptables. Ils le sont d'autant plus dans un contexte international déjà marqué par de fortes tensions. Une fois encore, des conflits extérieurs sont importés sur notre territoire, au cœur de nos villes, mettant en danger des citoyens qui exerçaient simplement un droit fondamental dans notre démocratie: celui de manifester pacifiquement.

Cela ne peut à aucun prix devenir une fatalité. Au-delà de l'émotion et de l'indignation légitime, ces événements posent des questions essentielles de sécurité, de justice, de respect de l'État de droit. J'aimerais donc vous poser quelques questions, madame la ministre.

Tout d'abord, les quatre suspects interpellés ont-ils été présentés à un juge d'instruction? Quelles mesures judiciaires concrètes ont-elles été prises à leur encontre à ce stade de la procédure? Quelles sont les infractions exactes actuellement retenues par le parquet dans ce dossier, notamment au regard de la gravité des blessures infligées, de l'usage d'armes blanches et des motivations de leurs auteurs?

Pouvez-vous nous confirmer que l'ensemble des moyens nécessaires sont mis à la disposition de la justice afin que ce dossier soit traité avec toute la rigueur requise, à la hauteur de la gravité et de l'impact sur l'ordre public et de la cohésion de notre société? Merci à vous.

Annelies Verlinden:

Monsieur De Maegd, au départ, quatre personnes ont été privées de liberté pour les faits survenus à Anvers sur l'Operaplein. L'enquête qui a suivi a révélé que l'une d'entre elles n'avait rien à voir avec l'agression à l'arme blanche. Elle a donc été remise en liberté.

Les trois autres personnes ont été déférées devant le juge d'instruction. La qualification retenue est celle de tentative d'assassinat. Deux d'entre elles ont été placées en détention par le juge d'instruction le 24 janvier. La troisième a été remise en liberté par le juge.

Après les faits survenus sur l'Operaplein, une autre agression à l'arme blanche a eu lieu dans un bus De Lijn. Une enquête judiciaire distincte a été ouverte pour ce fait, également pour tentative d'assassinat. Un suspect est actuellement en cause mais cette piste doit encore faire l'objet d'une enquête plus approfondie.

Ces deux enquêtes sont bien sûr en cours. Il a été décidé de ne pas retenir la qualification de terrorisme pour l'instant. Il est évident que le motif précis des faits fera l'objet de deux enquêtes judiciaires ouvertes. Les qualifications pourront être modifiées au cours de l'enquête si nécessaire.

Michel De Maegd:

Merci, madame la ministre pour ce point circonstancié et complet sur l'enquête en cours suite aux événements de l'Operaplein à Anvers.

Ce qui s'est produit dans cette ville lors d'une manifestation en soutien au peuple kurde est en réalité d'une gravité extrême. Des citoyens sont venus pacifiquement avec des enfants et des femmes exprimer leur solidarité et leur humanité. Ils ont trouvé sur leur chemin des couteaux, de la violence et de la peur. Cela est absolument inacceptable dans un pays comme le nôtre, dans notre démocratie. La Belgique, comme je l'ai dit, ne peut devenir le terrain d'affrontements qui n'y ont pas leur place.

L'expression d'une solidarité avec des peuples opprimés ne doit jamais exposer à la violence. Manifester pacifiquement est un droit fondamental. Attaquer au couteau, je le rappelle, est un crime. La réponse doit donc être claire, rapide et ferme, pour les victimes d'abord, pour l'ordre public ensuite et pour rappeler que l'État de droit ne recule pas face à l'intimidation ou à la haine.

Je serai bien entendu attentif, madame la ministre, à un éventuel changement de qualification des faits qui pourrait survenir à l'avenir. Merci en tout cas pour votre vigilance sur cette question en tant que ministre.

Voorzitter:

Les questions n° 56012822C et 56012823C de M. Metsu sont reportées à sa demande.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof inzake het Wetboek van de Belgische nationaliteit

Gesteld door

VB Alexander Van Hoecke

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexander Van Hoecke wijst op een arrest van het Grondwettelijk Hof (22/01) dat de huidige nationaliteitswet discriminerend acht omdat kinderen van koppels met één illegaal verblijvende ouder geen Belgische nationaliteit kunnen verkrijgen – een uitzondering die wel geldt bij legale vertrokken ouders; hij bekritiseert dat illegaal verblijf "nooit gelijk behandeld mag worden" en vraagt om concrete aanpassingen. Minister Verlinden bevestigt dat haar diensten het arrest analyseren, maar stelt dat een definitieve houding of wetgevend initiatief nog niet mogelijk is, benadrukkend dat de prejudiciële beslissing geen directe vernietiging inhoudt maar wel rechtscolleges bindt; zij ontkent cijfers te hebben over mogelijke gevallen en verwijst voor verblijfsstatus naar de bevoegde minister. Van Hoecke dringt aan op spoedige actie, verwachtend dat advocaten de uitspraak massaal zullen inroepen, en kondigt een vervolgvraag aan. Verlinden belooft geen concrete oplossing, enkel verdere analyse.

Alexander Van Hoecke:

Mevrouw de minister, op donderdag 22 januari oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het Wetboek van de Belgische Nationaliteit op bepaalde vlakken in strijd is met de Grondwet. Concreet ging het om een zaak van twee in Marokko geboren ouders met drie kinderen. Het Marokkaanse koppel vroeg de Belgische nationaliteit aan voor hun kinderen, maar dat werd geweigerd omdat de vader al jaren illegaal in het land verbleef.

Die zaak is tot bij het Grondwettelijk Hof geraakt, dat nu heeft geoordeeld dat het graten ziet in de bepaling dat een in België geboren kind de Belgische nationaliteit kan krijgen als beide ouders al minstens 10 jaar in ons land verblijven. Er is op die bepaling namelijk een uitzondering: als maar één ouder aan die voorwaarde voldoet en de andere ouder niet meer in het land woont, kan de Belgische nationaliteit alsnog worden toegekend aan de kinderen, op voorwaarde dat beide ouders daarmee instemmen. Die uitzondering geldt niet wanneer een ouder nooit in België heeft gewoond of illegaal in het land is, wat hier het geval is.

Het feit dat die uitzondering niet geldt, is volgens het Grondwettelijk Hof in strijd met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel. De zaak roept ernstige vragen op, zeker gezien het feit dat een illegaal verblijf nooit en op geen enkele wijze op gelijke voet behandeld zou mogen worden als een legaal verblijf. Daarvan ben ik 100 % overtuigd.

Mevrouw de minister, kunt u een algemene reactie geven? Hoe kijkt u naar die uitspraak van het Grondwettelijk Hof? Beschikt u over informatie met betrekking tot de reikwijdte van de uitspraak? Hoeveel personen die tot nu toe niet de Belgische nationaliteit konden verkrijgen, zouden dat na deze uitspraak wel kunnen? Welke impact kan dat arrest hebben op de verblijfstatus van personen die illegaal in het land zijn en kinderen hebben die nu wel als Belg erkend zouden kunnen worden?

Zult u zelf met een initiatief komen om de nationaliteitswetgeving aan te passen? Zo ja, welke pistes liggen er daarvoor op tafel? Zal dat een initiatief zijn, waarbij de uitzondering die vandaag bestaat, wordt uitgebreid naar koppels van wie één ouder nooit in België heeft gewoond of zelfs illegaal in het land verblijft? Of kijkt u naar een andere piste om de wetgeving in overeenstemming te brengen met het arrest van het Grondwettelijk Hof?

Annelies Verlinden:

Ik kan u allereerst bevestigen dat mijn diensten onmiddellijk kennis hebben genomen van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22 januari 2026. De exacte draagwijdte van het arrest en de impact ervan op de bestaande regelgeving worden momenteel aan een grondige juridische analyse onderworpen.

Het zou dan ook voorbarig zijn om al een definitieve houding aan te nemen ten aanzien van dat zeer recente arrest en om nu al uitspraken te doen over eventuele wetgevende initiatieven. Ik wijs er bovendien op dat het arrest werd uitgesproken in het kader van een prejudiciële vraag. Het feit dat het om een prejudiciële beslissing gaat, heeft tot gevolg dat de betrokken bepaling niet wordt vernietigd.

De beslissing heeft echter wel gevolgen voor de rechtscolleges. Het rechtscollege dat de vraag heeft gesteld, moet zich voor de oplossing van het hangende geschil in elk geval voegen naar het antwoord dat het Grondwettelijk Hof op de vraag heeft gegeven. Andere rechtscolleges die niet betrokken zijn bij de prejudiciële vraag en zich over een identieke vraag moeten uitspreken, moeten daarover in beginsel eveneens een vraag stellen. Zij zijn daarvan vrijgesteld op voorwaarde dat zij de oplossing toepassen die het Hof in zijn arrest heeft gegeven.

Tot slot beschikt de FOD Justitie niet over cijfers met betrekking tot het aantal personen dat in aanmerking zou kunnen komen voor de toepassing van dit artikel van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Bovendien wijs ik erop dat de bevoegdheid met betrekking tot de verblijfsstatus van vreemdelingen toebehoort aan de minister van Asiel en Migratie.

Alexander Van Hoecke:

We zullen dat verder opvolgen. Ik ben alleszins benieuwd of u, wanneer u uw grondige analyse hebt afgerond, zult beslissen om met een initiatief te komen of niet. U geeft aan dat het om een prejudiciële vraag gaat, maar een prejudiciële vraag heeft wel degelijk impact. Het is niet zo dat dit enkel van toepassing zal zijn op die ene zaak.

Ik denk dat heel wat advocaten die uitspraak intussen al hebben bestudeerd en daarmee aan de slag zullen gaan. Er zal dus wel degelijk een reparatie nodig zijn en er zal initiatief nodig zijn.

Ik zal dat blijven opvolgen en ik zal u binnen enkele weken opnieuw de vraag stellen, in de hoop dat u dan een grondige analyse hebt kunnen maken van het arrest en iets meer kunt vertellen over mogelijke initiatieven.

Voorzitter:

La question n° 56012878C de Mme Vandeberg est reportée à sa demande.

De overeenkomst met Cambodja over de overplaatsing van gevangenen

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt de ondertekening (23/01) van een bilateraal gevangenenoverplaatsingsverdrag met Cambodja, waarmee één Belg in Cambodja en één Cambodjaan in België hun straf in hun herkomstland kunnen uitzitten na ratificatie (parlementaire instemming vereist) en 30 dagen na uitwisseling van ratificatiedocumenten. Beide landen behouden volledige discretie om overplaatsingen te weigeren, zonder motivatieplicht. Volgens Verlinden loopt er onderhandelingsvoorbereiding met Egypte en Tunesië, terwijl Marijke Dillen (parlementslid) vraagt om versnelling en transparantie over weigeringscriteria. Verlinden benadrukt diplomatieke urgentie om de Belgische gedetineerde in Cambodja snel te repatriëren.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Een heel aantal landgenoten belanden elk jaar in een gevangenis in het buitenland. Ze moeten dan vaak de steun van familie en vrienden ontberen en krijgen niet de noodzakelijke begeleiding voor een succesvolle herintegratie in de samenleving zodra hun straf is uitgezeten. Met dit doel voor ogen levert de FOD Buitenlandse Zaken uitgebreide diplomatieke inspanningen om te komen tot bilaterale overeenkomsten over de overplaatsing van gevangenen. Hierbij wordt er nauw samengewerkt met FOD Justitie. Recent werd er een verdrag ondertekend met Cambodja over de overplaatsing van veroordeelden. Belgische gevangenen in Cambodja en Cambodjaanse gevangenen in dit land zullen zo met instemming van de twee betrokken staten hun straf kunnen uitzitten in hun land van herkomst.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende dit verdrag met Cambodja?

Hoeveel landgenoten verblijven er momenteel in een gevangenis in Cambodja en hoeveel Cambodjanen hier in een gevangenis in dit land?

Wanneer zal dit verdrag ook effectief operationeel worden?

Er is voorzien dat gevangenen hun straf kunnen uitzitten in het land van herkomst “met instemming van de twee betrokken staten". Zijn er uitzonderingsmodaliteiten voorzien waarbij één van beide staten de toestemming kan weigeren? Graag toelichting.

Zijn er nog onderhandelingen lopende met andere landen waarbij Justitie betrokken wordt? Graag een gedetailleerde toelichting.

Annelies Verlinden:

Dank u wel, mevrouw Dillen. Op 23 januari werd in Phnom Penh een verdrag inzake de overbrenging van veroordeelde personen tussen Cambodja en België ondertekend. Dat verdrag maakt het mogelijk dat Belgen die in Cambodja in detentie verblijven hun veroordeling in België kunnen uitzitten en dat Cambodjanen die in België gedetineerd zijn hun veroordeling in Cambodja kunnen uitzitten. Ik heb persoonlijke contacten gelegd tot op het niveau van de premier van Cambodja om dat akkoord te realiseren.

Het lot van onze onderdanen die in het buitenland in detentie verblijven, laat ons niet onberoerd. Momenteel is er één Belg in Cambodja gedetineerd. Daarnaast is er één Cambodjaan in België gedetineerd.

Het verdrag moet eerst door beide landen worden geratificeerd. In België moet daarvoor de parlementaire instemmingsprocedure worden doorlopen, zodat het verdrag deel uitmaakt van de Belgische rechtsorde. Het verdrag treedt internationaal in werking 30 dagen na de uitwisseling van de instrumenten van ratificatie.

We proberen dat uiteraard met maximale spoed te doen om onze landgenoot in de Cambodjaanse cel zo snel mogelijk te kunnen overbrengen naar ons land. De instemming van beide landen is een voorwaarde voor de overbrenging van een veroordeelde persoon. Elke partij kan vrij beslissen of zij instemt met de overbrenging of niet.

Er is geen verplichting om een weigering te motiveren of om bepaalde weigeringsgronden in te roepen. Indien niet wordt ingestemd met de overbrenging, moet de andere partij daarvan op de hoogte worden gebracht.

Momenteel zijn er contacten met Egypte en Tunesië met het oog op het opstarten van onderhandelingen met die landen over een verdrag inzake de overbrenging van veroordeelde personen.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Het aangekondigde plan om 300 extra plaatsen in gevangenissen te creëren via modulaire units

Gesteld door

VB Marijke Dillen

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen bekritiseert dat minister Verlinden herhaaldelijk 300 modulaire gevangenisplaatsen aankondigt (in Paifve, Hasselt, Brugge, Leuven en FPC’s Antwerpen/Gent) zonder concrete planning, terwijl een vorig raamcontract voor 1100 plaatsen (waarvan 600 voor detentie) nog steeds niet volledig is uitgevoerd – ze eist leverdata, een realistisch uitvoeringsplan en garanties voor voldoende personeel. Verlinden ontkent vertraging en stelt dat haar nieuwe plan (goedgekeurd na haar aantreden) prioriteit geeft aan haalbaarheidsstudies en nutsaanpassingen voordat units worden geplaatst, om operationele risico’s te vermijden; ze benadrukt dat extra middelen voor personeel zijn vrijgemaakt en versnelde aanwervingsprocedures lopen, maar weigert een "gedetailleerd plan" omdat "een plan nog geen realisatie is". Dillen twijfelt aan de consistentie van de ministeriële communicatie (naar aanleiding van tegenstrijdige mediaberichten) en stelt haar vraag uit voor nader onderzoek, terwijl Verlinden verwijt dat haar fractie het onderwerp dubbel agendeert. De kernkwestie blijft onopgelost: wanneer en hoe de belofte van 1100 extra plaatsen (waarvan nu slechts 300 concreet zijn) daadwerkelijk wordt gerealiseerd, inclusief personeels- en infrastructuurvoorwaarden.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Het voorbije weekend kondigde de minister samen met de minister bevoegd voor de Regie der gebouwen opnieuw in de media een plan aan om 300 extra plaatsen te creëren in de gevangenissen door het plaatsen van modulaire units. Zo zouden er in de gevangenis van Paifve (Luik) 150 plaatsen komen en in die van Hasselt, Brugge en Leuven telkens 50. Ook worden er in het FPC van Antwerpen 90 plaatsen en van Gent 30 extra plaatsen gecreëerd.

Dit is geen nieuw plan. De vorige regering had al een raamcontract goedgekeurd voor de aankoop van modulaire units, goed voor 1100 extra plaatsen waarvan 600 specifiek in de detentiehuizen en niet zoals ten onrechte het voorbije weekend in de media werd gesuggereerd allemaal bestemd voor de detentiehuizen. Nu wordt aangekondigd om naast de gevangenissen ook in de FPC's bijkomende capaciteit te creëren via deze modulaire units.

Aankondigingen in de media lijken mooi. Maar er dienen eindelijk concrete realisaties te komen teneinde de druk op de gevangenissen door de overbevolking eindelijk te verlichten.

Kan de minister toelichting geven wanneer deze modulaire units worden geleverd en in de hogervermelde gevangenissen en FPC's effectief zullen worden geplaatst? Graag een gedetailleerd en (eindelijk !) realistisch plan waaruit de concrete realisatie blijkt.

Welke initiatieven zijn er genomen om ervoor te zorgen dat er ook voldoende ondersteunend personeel zal worden aangeworven en andere ondersteunende maatregelen zijn genomen om ervoor te zorgen dat na de plaatsing de modulaire units ook daadwerkelijk in gebruik kunnen worden genomen? Graag een gedetailleerd overzicht.

Het door de vorige regering goedgekeurde raamcontract voorzag 1100 extra plaatsen via de aankoop van modulaire units. Nu wordt er aangekondigd dat er 300 extra plaatsen zullen komen dankzij deze units. Wanneer zullen de andere 800 extra plaatsen dankzij de aankoop van modulaire units worden gerealiseerd en in welke gevangenissen, detentiehuizen en FPC's?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, het komt mij voor dat u in uw vraag een en ander door elkaar haalt. Het plan dat voorligt, is er een dat ik al heel snel na mijn aantreden samen met collega-minister Matz op de regeringstafel heb gelegd en dat ook de goedkeuring van de regering heeft verkregen. Het betreft daarbij de inrichting van bijkomende plaatsen op de sites van bestaande gevangenissen en FPC’s.

Het klopt dat voor de uitvoering van het plan een beroep wordt gedaan op een bestaand raamcontract dat de optie tot modulaire unitbouw biedt voor de hele federale overheid. Van dat contract was en is ook nog altijd een deel voorbestemd voor de inrichting van nieuwe detentiehuizen over het hele land. Die opdracht wordt onverminderd voortgezet. Uw derde vraag is dus zonder voorwerp.

Overigens kan een dergelijke unitbouw niet zomaar om het even waar worden gerealiseerd. Er werd een eerste analyse van onze sites uitgevoerd door de Regie der Gebouwen en de betrokken aannemer. Vervolgens worden haalbaarheidsstudies uitgevoerd om de concrete en haalbare inplanting van de units per site vast te leggen en de nutsvoorzieningen en eventuele aanpassingswerken te identificeren die nodig zijn om over te gaan tot de plaatsing. Desgevallend zijn ook aanpassingen nodig aan de units om tegemoet te komen aan het doel waarvoor ze nu zullen worden ingezet. Daarbij wordt tegemoetgekomen aan de vereisten volgens het behoefteprogramma verbonden aan de bijkomende plaatsen op die sites.

De diensten gaan niet halfslachtig te werk, maar met de ernst en de spoed die de acute situatie van de overbevolking van ons allemaal vereist. Daar lichtzinnig mee omspringen, zou niet wijs zijn en mogelijk nefaste gevolgen hebben voor de dagelijkse werking van de instellingen waar de units worden geplaatst.

Ook over uw tweede vraag kan ik duidelijk zijn. Uit de behoefteprogramma’s blijken telkens de concrete operationele vereisten en personeelsbehoeften. De plaatsing van bijkomende infrastructuur heeft uiteraard enkel zin, als dat gepaard gaat met voldoende personeel en werkingsmiddelen. De regering heeft op mijn vraag bijkomende middelen vrijgemaakt voor de aanwerving van personeel en de operationalisering van bijkomende detentiecapaciteit.

Met het oog op de snelle indiensttreding van extra personeel zullen we, opnieuw in samenwerking met collega Matz de beschikbare federale rekruteringscapaciteit zo veel mogelijk prioritair voor het penitentiair ambt inzetten. Ook wordt gewerkt aan de verruiming van de toegang tot de aanwervingsprocedures. Parallel daaraan wordt samen met de FOD BOSA ingezet op de optimalisering van de selectie- en aanwervingsprocedures voor het penitentiair ambt. Kortom, we doen er alles aan om op korte termijn snel extra kwaliteitsvol personeel aan te werven.

U vraagt een gedetailleerd plan. Uit een plan blijkt natuurlijk nog niet of en hoe een en ander wordt gerealiseerd; zo werkt dat ook niet. Een plan is namelijk een doordachte aanpak om een bepaald doel te bereiken en wij hebben dat doel heel duidelijk voor ogen. Wij werken sinds mijn aantreden met mijn diensten dag en nacht aan dat plan, mocht u daaraan twijfelen. Ik ben hen ook bijzonder dankbaar en doe hier graag nogmaals een oproep aan alle betrokkenen om mee de schouders te zetten onder de uitvoering van het plan in het belang van justitie en van de veiligheid van onze hele samenleving.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord op mijn vraag, die gebaseerd was op het grote dubbelinterview van uzelf en van uw collega Matz. Ik het gedetailleerd en grondig onderzoeken.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56012919C van mevrouw Dillen.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, aangezien mediaberichten de inhoud van mijn vraag tegenspreken, vraag ik om ze uit te stellen tot een volgende vergadering.

Annelies Verlinden:

Uw fractie heeft een vraag over het onderwerp voor de plenaire vergadering van morgen ingediend.

Marijke Dillen:

Dat kan. Dat staat mijn onderzoek naar het verschil in informatie die publiek bekend was ten tijde van de indiening van mijn vraag, en de informatie in de mediaberichten van vandaag, niet in de weg.

Annelies Verlinden:

Dat snap ik, maar ik begrijp niet goed dat er morgen een vraag in plenum zal worden gesteld, terwijl er hier een vraag over dat onderwerp aan de orde is.

Marijke Dillen:

Ik ga daar niet op in, want ik heb die vraag ook nog niet gelezen. Die vraag zal dan waarschijnlijk over iets anders gaan dan het plan waarover ik het heb.

Voorzitter:

Vraag nr. 56012919C van mevrouw Dillen wordt dus op haar verzoek uitgesteld.

Digitale stalking bij partnergeweld

Gesteld door

Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Funda Oru wijst op structurele onderrapportering van digitale stalking en partnergeweld, met cijfers die slechts het "topje van de ijsberg" tonen, en bekritiseert dat systematisch onderzoek naar digitale stalking bij partnergeweldklachten ontbreekt, terwijl slachtoffers melden dat stalking vaak escaleert na een eerste melding. Minister Annelies Verlinden antwoordt dat het College van procureurs-generaal met rondzendbrief COL13/2025 nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd voor uniforme registratie, snelle bewijsveiligstelling en specifieke aandacht voor digitale belaging (inclusief spyware) in partnergeweldcontexten, gericht op betere afhandeling en slachtofferbegeleiding. Oru erkent de inspanningen en prijst de rol van speurders in concrete zaken zoals die van "Wendy", maar benadrukt dat sensibilisering en implementatie cruciaal zijn om de maatregelen effectief te maken.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, recent werd duidelijk dat ook in ons land de sadistische groep 764 online aanwezig is en dat er sprake is van zware onderrapportering. Een gelijkaardig patroon zien we vandaag ook bij digitaal partnergeweld. In België werden in 2024 bijna 30.000 feiten van stalking geregistreerd, maar onderzoek toont aan dat de werkelijke omvang veel groter is. Bijna één op de vier vrouwen geeft aan ooit gestalkt te zijn. Ook daaromtrent wijzen de beschikbare cijfers erop dat wat zichtbaar is waarschijnlijk slechts het topje van de ijsberg vormt.

Stalking en intimidatie verlopen vandaag vaker via digitale middelen en blijven daardoor onzichtbaar of onherkenbaar. Vandaag lazen we in de krant ook het schrijnende verhaal van Wendy, een vrouw van 42 jaar, die vier jaar lang door haar eigen partner werd gestalkt. De dader ging bijzonder berekenend te werk en was moeilijk te identificeren, maar kon uiteindelijk dankzij de speurders toch worden opgespoord en veroordeeld. Het verhaal illustreert vooral dat digitale stalking zich vaak binnen relaties afspeelt en jarenlang onder de radar kan blijven.

Digitale stalking laat weinig klassieke sporen na en wordt niet automatisch in dossiers inzake partnergeweld opgenomen.

Mevrouw de minister, waarom wordt bij klachten over partnergeweld niet systematisch onderzocht of er sprake is van digitale stalking?

Slachtoffers geven aan dat stalking vaak voortduurt of zelfs escaleert na een eerste melding bij politie of justitie. Welke concrete maatregelen neemt u om digitale stalking binnen partnerrelaties sneller te stoppen en slachtoffers te beschermen, zodra justitie op de hoogte is?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Oru, het College van procureurs-generaal heeft onlangs rondzendbrief COL13/2025, betreffende de bestrijding van alle vormen van geweld tegen personen, verspreid. Die rondzendbrief is bedoeld als hulpmiddel en sensibiliseert de leden van de politiediensten en de magistraten van het openbaar ministerie over de problematiek van cybergeweld tegen personen. Er staan ook richtlijnen en een aantal praktische tools in die kunnen bijdragen tot de correcte afhandeling van alle dossiers op dat vlak. De rondzendbrief beoogt ook een uniforme registratie van die feiten te waarborgen en een adequate opvang en begeleiding van slachtoffers te garanderen.

Er wordt bijzondere aandacht besteed aan het offline halen van problematische inhoud en aan de vrijwaring van bewijselementen, wat een zeer snelle reactie vergt om de door het slachtoffer geleden schade in te dijken en te vermijden dat de inhoud verder wordt verspreid.

De rondzendbrief bevat daartoe precieze richtlijnen voor zowel de magistratuur als de politie. Een hoofdstuk van die rondzendbrief is specifiek gewijd aan cybercriminaliteit in een context van partnergeweld. De nadruk wordt met name gelegd op belaging, ofwel het zonder toestemming observeren van een persoon of van een van zijn elektronische apparaten, al dan niet met behulp van spyware.

Voor het overige wordt verwezen naar COL13/2025 en naar andere rondzendbrieven inzake partnergeweld die het College van procureurs-generaal heeft verspreid.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, bedankt om dat thema ter harte te nemen. Ik ben zelf ook benieuwd naar die rondzendbrief. Het is heel goed dat de feiten geregistreerd worden en dat er begeleiding is voor de slachtoffers. In het geval van Wendy is het dankzij de speurders die de klachten en de meldingen van de voorbije jaren ernstig hadden genomen, dat de dader werd opgespoord. Dat verdient zeker erkenning. Ik ben dus heel blij dat daarop concreet wordt ingezet via een rondzendbrief om iedereen te sensibiliseren dat daar werk van wordt gemaakt.

Het sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel

Gesteld door

N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigde dat op 9 januari een sociaal akkoord werd bereikt met de vakbonden over het gevangenispersoneel, gebaseerd op vijf pijlers: werving, opleiding, veiligheid, welzijn en verloning – gefinancierd via IDP-middelen en uit te rollen tussen 2026 en 2029. Concreet omvat het versnelde aanwervingsprocedures, betere bescherming tegen agressie, versterkte opleidingen, welzijnssteun en een competitief loonpakket om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen, met eerste stappen (zoals loonregels) al in uitvoering. Sophie De Wit toonde zich tevreden met het bereikte akkoord.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, op 7 januari stelde ik u een vraag en u verklaarde toen dat het overleg met de sociale partners over het sociaal akkoord voor het gevangenispersoneel op vrijdag 9 januari zou worden voortgezet en mogelijk zou worden afgesloten. U zei toen ook dat er al een concreet sociaal plan was voorgelegd aan de vakbonden, dat was afgetoetst met de achterban en dat focust op vijf pijlers: werving en selectie, opleiding, veiligheid, welzijn en het weddepakket.

De datum van 9 januari is inmiddels verstreken, mevrouw de minister. Vandaag vraag ik u graag naar de stand van zaken.

Werd het sociaal akkoord op 9 januari effectief gesloten? Werd er een formeel akkoord bereikt met de sociale partners? Zo ja, welke maatregelen zijn per pijler definitief vastgelegd en welke budgettaire middelen zijn er voorzien? Vanaf wanneer worden de maatregelen concreet uitgerold?

Indien het akkoord nog niet of slechts gedeeltelijk werd afgesloten, welke elementen liggen dan vandaag nog open en welke timing hanteert u voor een definitieve aanvulling? Ik dank u.

Annelies Verlinden:

Collega De Wit, ik kan u inderdaad met genoegen meedelen dat het sociaal overleg met de sociale partners op 9 januari heeft geleid tot een akkoord over het sociaal plan voor het gevangenispersoneel.

Het sociaal plan bevat een reeks concrete actiepunten waarvoor de overheid zich engageert om deze binnen het afgesproken tijdskader uit te voeren. De uitvoering van deze acties wordt gefinancierd met IDP-middelen die aan Justitie ter beschikking zijn gesteld.

In dit actieplan zijn maatregelen opgenomen om de functie van penitentiair bewakingsassistent financieel aantrekkelijker te maken. Daarnaast is het plan aangevuld met bijkomende acties om de selectie en rekrutering te bevorderen, de opleiding van het personeel te garanderen en de veiligheid en het welzijn van het personeel te waarborgen. Ook deze maatregelen fungeren als belangrijke hefbomen om de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen en de werkomstandigheden van het gevangenispersoneel duurzaam te verbeteren.

De focus van het plan ligt op het aanpakken van vijf centrale uitdagingen. Ten eerste werving en selectie: de uitwerking van snellere en efficiëntere procedures om kandidaten aan te trekken op een bijzonder krappe arbeidsmarkt.

Ten tweede opleiding: de versterking van vorming en bijscholing met het oog op personeelsbehoud en doorgroeimogelijkheden.

Ten derde veiligheid: bijkomende maatregelen om het personeel beter te beschermen tegen agressie en geweld in de werkomgeving.

Ten vierde welzijn: initiatieven die medewerkers ondersteunen die geconfronteerd worden met zware of belastende werkomstandigheden.

Ten vijfde verloning: de uitbouw van een competitief weddepakket dat aansluit bij dat van andere veiligheidsberoepen.

De acties binnen deze vijf pijlers – werving en selectie, opleiding, veiligheid, welzijn en verloning – zullen gefaseerd worden uitgerold tussen eind 2026 en 2029.

De administratie is inmiddels gestart met de uitvoering van de eerste dossiers, waaronder de nodige reglementaire aanpassingen in het kader van het luik verloning. Daarnaast wordt voorzien in een structurele monitoring van de uitvoering en opvolging van het actieplan.

Sophie De Wit:

Ik ben blij dat er een akkoord is en dank u voor uw antwoord.

Het arrest van het Grondwettelijk Hof m.b.t. het taalgebruik inzake processen-verbaal

Gesteld door

VB Barbara Pas

Gesteld aan

CD&V Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde op 27 november 2025 dat processen-verbaal moeten worden opgesteld in de taal van het gebied waar de feiten plaatsvonden (niet waar ze worden ondertekend), wat volgens Barbara Pas (VB) verstrekkende gevolgen heeft: niet-naleving leidt tot absolute nietigheid, met risico’s voor de inzet van anderstalige beambten. Minister Verlinden benadrukt dat het arrest geen wet vernietigt maar enkel interpreteert, en dat de praktische impact (o.a. sancties) nog moet worden besproken door het College van procureurs-generaal (29/01); ze meldt geen bekende gevallen van ambtshalve vernietiging. Pas bekritiseert dat Justitie nog geen concrete stappen heeft gezet en kondigt een vervolgvraag aan over de beleidsmatige en organisatorische gevolgen.

Barbara Pas:

Mevrouw de minister, op 27 november 2025 heeft het Grondwettelijk Hof een arrest geveld inzake het taalgebruik bij het opstellen van processen-verbaal. In juridische kringen doet dat kennelijk nogal wat stof opwaaien, zo ook in De Juristenkrant .

Tot nog toe werd aangenomen dat een proces-verbaal kon en moest worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar het proces-verbaal ondertekend wordt. Dat leidde in het verleden, en misschien nu nog altijd, tot toestanden waarbij Vlamingen die in het Nederlandse taalgebied wonen en geverbaliseerd worden in dat taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad processen-verbaal toegestuurd kregen in het Frans omdat die werden ondertekend in het Franse taalgebied.

Daar heeft het Grondwettelijk Hof nu dus komaf mee gemaakt, want het Grondwettelijk Hof stelt dat een proces-verbaal moet worden opgemaakt in de taal van het taalgebied waar de feiten zich hebben voorgedaan.

Dat heeft verstrekkende gevolgen. Elk proces-verbaal dat daarmee in strijd wordt opgesteld, is voortaan nietig, aangezien een schending van artikel 11 van de taalwet in gerechtszaken in zo'n geval de absolute nietigheid voorschrijft, wat de rechter ambtshalve moet opwerpen. Andere mogelijk verregaande gevolgen betreffen de organisatie van diensten en het inzetten van Franstalige onderzoeksbeambten in het Nederlandse taalgebied als zij onvoldoende kennis hebben van het Nederlands om op een fatsoenlijke wijze een proces-verbaal in die taal op te stellen en uiteraard vice versa.

Mevrouw de minister, op welke wijze gaan uw diensten om met dat arrest? Weet of u er sindsdien nog processen-verbaal zijn opgesteld die niet aan het arrest van het Grondwettelijk Hof voldoen? Wat doet Justitie daar desgevallend mee? Zijn er al gevallen bekend van ambtshalve vernietiging door de rechter?

Welke gevolgen heeft dat arrest voor de organisatie van de diensten die onder uw bevoegdheid vallen, meer bepaald wat betreft de inzet van anderstalige onderzoeksbeambten, waarnaar ik daarnet verwees?

Ten slotte, wat zijn de beleidsmatige gevolgen en reacties op dat arrest?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Pas, de diensten hebben inderdaad kennisgenomen van het arrest. In de eerste plaats is op te merken dat het arrest is geveld naar aanleiding van een prejudiciële vraag en geen wetsbepalingen vernietigt, maar zich uitspreekt over de interpretatie van een bepaling en zoekt naar de interpretatie die aansluiting vindt bij de Grondwet. De interpretatie waarvan het Hof heeft aangegeven dat ze niet grondwetconform is, leidt niet zomaar tot de conclusie dat dat gesanctioneerd zou moeten worden met de nietigheid die in de taalwet is voorzien.

Het item werd opgenomen op de agenda van de vergadering van het expertisenetwerk van de politie en van het College van procureurs-generaal, dat morgen, op 29 januari, vergadert. Daar zullen de praktische gevolgen worden besproken die aan dat arrest worden gegeven.

Het openbaar ministerie zal bij de verdere behandeling van de zaak, onder meer door het hof van beroep te Luik, ter zake conclusies nemen. De verdere procedure dient te worden afgewacht, inclusief, in voorkomend geval, een cassatievoorziening om het werkelijke gevolg van het arrest te kunnen bepalen.

Conform het Wetboek van strafvordering waken de procureur des Konings en desgevallend de onderzoeksrechter over de wettigheid van de bewijsmiddelen en over de loyaliteit waarmee ze worden verzameld.

De diensten hebben geen weet van gevallen van ambtshalve vernietiging van processen-verbaal door de rechter en dus ook niet van wat de omvang daarvan zou kunnen zijn.

Barbara Pas:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Zoals vaak is het Vlaams Belang net iets te snel, aangezien men morgen pas samenkomt om over de gevolgen te spreken. U mag zeker nog een vervolgvraag verwachten om te weten wat het concrete resultaat daarvan is.

Het verbaast mij niet dat er bij zo’n recent arrest nog geen ambtshalve vernietigingen door de rechter zijn gevolgd. Ik ben zeer benieuwd naar die gevolgen, omdat het Grondwettelijk Hof toch wel zeer duidelijk is over die interpretatie en omdat ook de taalwet in gerechtszaken zeer duidelijk is.

U mag na de vergadering van morgen, 29 januari, een vervolgvraag verwachten naar de concrete resultaten daarvan. Ik ben zeer benieuwd naar de gevolgen, ook voor uw diensten en voor de beleidsmatige consequenties.

Voorzitter:

C'était la dernière question de notre série pour cet après-midi. Je remercie les services, madame la ministre et les collègues qui sont encore présents. Je lève la séance. Bonne fin de journée. La réunion publique de commission est levée à 17 h 51. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.51 uur.

Popover content