Over handel
165
plenaire vragen
0
voorstellen
meeste contributies
De economische relaties in de illegale nederzettingen
De importban op producten uit illegale Israëlische nederzettingen
Handel en beleid rond illegale Israëlische nederzettingen
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Achraf El Yakhloufi (PVDA) en Els Van Hoof (Groen) bekritiseren dat België ondanks een akkoord van september 2025 nog steeds geen importverbod op producten uit illegale Israëlische nederzettingen uitvoert, terwijl de bezetting en nederzettingsuitbreiding doorgaan. Ze beschuldigen de regering van dubbelspel (humanitaire hulp vs. economische steun aan bezetting) en eisen concrete timing voor het verbod, verwijzend naar het Internationaal Gerechtshof dat de bezetting illegaal noemde. Minister Clarinval (MR) bevestigt dat een ontwerp-KB in voorbereiding is, maar benadrukt juridische complexiteit door EU-handelsregels, zonder duidelijke deadline te geven. Beide parlementsleden betwijfelen zijn urgentie en dringen aan op onmiddellijke uitvoering van het akkoord.
Achraf El Yakhloufi:
Mijnheer de voorzitter, de rollen zijn omgekeerd in vergelijking met in Turnhout; dat is ook eens fijn.
Mijnheer de minister, laat ons stoppen met rond de pot te draaien. We kijken nu al maanden naar een bloedbad in Palestina, in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever, die meter voor meter wordt ingepikt.
U geeft aan dat de regering op Europa wacht. U weet wat dat betekent; dat is wachten op de laatste dwarsligger, op mensen die de beslissing bewust tegenhouden, niet wegens de inhoud maar puur wegens de symboliek, terwijl er elke dag onschuldige mensen sterven. Mijn geduld en dat van mijn partij is op.
Het is niet uit te leggen dat wij met de ene hand eten en dokters naar Palestina sturen, maar met de andere hand bedrijven geld laten verdienen aan de diefstal van grond. Is een dik handelscontract dan echt meer waard dan al die mensenlevens en het internationaal recht?
Toon dat België een ruggengraat heeft. Stop met praten over vrede terwijl wij de bezetting meefinancieren. Trek die rode lijn nu. Wij kunnen niet blijven beweren dat wij voor vrede zijn wanneer wij de oorlog meefinancieren. Toon dat België een ruggengraat heeft. Toon dat wij niet alleen praten over waarden maar ook handelen. Stop de business as usual want die business is besmeurd met bloed. Het is tijd om die rode lijn nu te trekken.
Mijnheer de minister, ik verwijs zo dadelijk naar mijn schriftelijke voorbereiding. Ik wil u alleen meegeven dat er begin september 2025 een akkoord is gesloten. Een van de punten uit dat akkoord is het importverbod. Mijn vraag is heel concreet wanneer dat verbod er zal zijn?
Voorzitter:
Mijnheer El Yakhloufi, voor alle duidelijkheid: ofwel verwijst u naar de schriftelijke versie van uw mondelinge vraag, ofwel stelt u uw mondelinge vraag. Ik geef het maar even mee.
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, ik sluit mij aan bij de laatste woorden van de heer El Yakhloufi. Op 2 september 2025 werd inderdaad een akkoord gesloten om een reeks maatregelen te nemen tegen de aanhoudende Israëlische schendingen van het internationaal recht. De problematiek komt minder aan bod in de media en de bouw van nederzettingen loopt gewoon verder. Deze maand werden er nog 3.000 extra aangekondigd. Volgens de VN is er steeds meer bewijs van een apartheidsregime op de Westelijke Jordaanoever.
De regering heeft een importban voor producten uit de Israëlische nederzettingen ingevoerd, maar meer dan vier maanden na deze beslissing blijft deze maatregel dode letter. Ik heb uw collega-ministers van Buitenlandse Zaken en Financiën hierover ook al vragen gesteld. Zowel minister Prévot als minister Jambon hebben verklaard dat zij het voorbereidend werk hebben gedaan en dit aan uw diensten hebben overgemaakt. Het is dringend tijd om dit koninklijk besluit naar de regeringstafel te brengen.
Kunt u ons daar duidelijkheid over verschaffen? Welke concrete problemen of moeilijkheden verhinderen dit? Welke maatregelen moeten worden uitgevoerd om dit proces te bespoedigen?
David Clarinval:
Geachte Kamerleden, ik heb mijn administratie, de FOD Economie, de opdracht gegeven om een ontwerp van koninklijk besluit uit te werken. Dit is momenteel het voorwerp van grondig technisch overleg tussen de FOD Economie en de FOD Financiën.
Het handelsbeleid valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Europese Unie, wat de uitwerking van een nationale basis bijzonder complex maakt. Verordening 2015/478 voorziet evenwel in een uitzondering. Artikel 24, § 2, staat de lidstaten toe om verbodsbepalingen of controlemaatregelen vast te stellen om redenen van openbare orde, op voorwaarde dat de Commissie daarvan in kennis wordt gesteld. Dit artikel maakt het mogelijk om te handelen met eerbied voor het Europese kader, terwijl een nationale controlelaag wordt toegevoegd wanneer een aangelegenheid van openbare orde wordt vastgesteld.
Zodra het ontwerp van het koninklijk besluit is goedgekeurd door de bevoegde minister, kan het zijn wetgevend traject voortzetten.
Voorzitter: Roberto D'Amico.
Président: Roberto D'Amico.
Achraf El Yakhloufi:
Mijnheer de minister, ik heb twee zaken gehoord.
Het eerste betreft het Europese verhaal. Mijnheer de minister, het Europese verhaal in dit dossier is een synoniem voor verlamming, terwijl wij wachten op landen die de bezetting openlijk steunen. Dat Europese verhaal is daarvoor niet nodig.
Ten tweede, wanneer u spreekt over complexiteit, wil ik u verwijzen naar het Internationaal Gerechtshof. Dat heeft in juli 2025 een zeer duidelijke uitspraak gedaan. De bezetting is illegaal en de lidstaten hebben de plicht om die niet te steunen. De plicht om die niet te steunen. Dat is de hoogste juridische instantie ter wereld.
Het enige wat ik u vraag, en daarover hebben we ook afspraken gemaakt in september, is wanneer die voorwaarden worden bekendgemaakt en uitgerold. Concreet, wanneer ligt dat importverbod op tafel en wanneer gaat het in uitvoering? Dat zijn mijn concrete vragen.
Ik heb daar jammer genoeg geen antwoord op gehoord en ik hoop dat alsnog te krijgen. Als dat niet nu is, dan zal ik daar opnieuw een vraag over stellen, maar ik hoop dat dat niet de manier van werken wordt. We hebben daarover immers een akkoord gesloten dus ik verwacht dus dat dat zo snel mogelijk worden uitgevoerd.
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, u hebt op het einde van uw antwoord nogal cryptisch gezegd dat zodra het ontwerp van koninklijk besluit goedgekeurd is door de bevoegde minister, het zijn wetgevend traject kan voortzetten. U bent de bevoegde minister, dus ik hoop dat dat zo snel mogelijk zal gebeuren.
Ik weet van de andere ministers dat het voorbereidend werk is geleverd. Er zijn inderdaad nog bepaalde puntjes die moeten worden afgetoetst, maar wij verwachten dat dit koninklijk besluit snel op de regeringstafel komt om goedgekeurd te worden en op die manier uitvoering te geven aan het akkoord van 2 september; een heel gevoelig akkoord, overigens.
Voorzitter:
La question n° 56012008C de M. De Smet est sans objet puisqu'il est absent. La question n° 56012101C de M. Bayet est transformée en question écrite.
De brandstofcontroles door de douane
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anthony Dufrane vraagt aan minister Jan Jambon om cijfers over douanecontroles op illegaal gebruik van "diesel rouge" (gedetaxeerde diesel), wijzend op fraude, oneerlijke concurrentie en milieuschade. Jambon meldt dat tussen 2020-2024 jaarlijks 18.450-28.000 controles plaatsvonden, met 838-1.958 overtredingen per jaar, vooral in Wallonië (47-56%) en Vlaanderen (43-48%), en met name bij landbouwvoertuigen (30% overtredingskans) en personenwagens (6,5%). Dufrane prijsde de transparantie maar benadrukte de nood aan versterkte controles, gezien de hoge fraudepercentages in bepaalde sectoren.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, les contrôles effectués par les douanes jouent un rôle essentiel dans la lutte contre la fraude fiscale et environnementale liée à l'usage illégal de carburants détaxés, communément appelés “diesel rouge". Ce carburant, réservé à des usages agricoles ou spécifiques, continue malheureusement d'être utilisé par certains automobilistes ou entreprises dans des véhicules non autorisés. Au-delà de la fraude fiscale qu'elle représente, cette pratique engendre une concurrence déloyale à l'égard des transporteurs et professionnels respectueux de la législation, tout en nuisant à l'image du secteur.
Les opérations de contrôle menées par les douanes permettent de détecter ces infractions, mais il importe d'en mesurer l'ampleur et d'évaluer si les moyens déployés sont adaptés à l'évolution du phénomène. De plus, une ventilation régionale et sectorielle de ces infractions offrirait une vision plus claire des tendances et des publics concernés.
Monsieur le ministre, combien de véhicules ont-ils été contrôlés par les services des douanes pour suspicion d'utilisation de diesel rouge au cours des cinq dernières années? Combien de ces contrôles se sont-ils révélés positifs et comment ces chiffres ont-ils évolué au cours de la même période? Quelle est la ventilation régionale de ces infractions? Quels types de véhicules ou de publics sont-ils le plus fréquemment concernés (particuliers, transporteurs, entreprises, agriculteurs, etc.)? Quelles mesures de prévention ou de dissuasion le SPF Finances envisage-t-il pour réduire encore ce type de fraude?
Jan Jambon:
Monsieur Dufrane, en 2020, l'année du Covid-19, la douane a effectué 22 900 contrôles de véhicules pour suspicion d'utilisation de diesel rouge. En 2021 et en 2022, il y en a eu environ 28 000. En 2023, 26 600 et, en 2024, 18 450. En 2020, 838 contrôles ont révélé une infraction. En 2021, ce chiffre est monté à 1 816, puis à 1 958 en 2022. En 2023, il y en a eu 1 435 et, en 2024, encore 850.
Si nous examinons la répartition des infractions entre les trois régions, nous constatons que la Flandre représente, selon l'année, environ 43 à 48 % du total national. Pour la Wallonie, ces parts se situent entre 47 et 56%. Quant à la Région de Bruxelles-Capitale, elle représente généralement environ 1 % des infractions, mais peut-être le chiffre n’est-il pas connu en raison de l’absence de gouvernement.
Si nous examinons le type de véhicules les plus concernés, nous constatons que les véhicules utilitaires – c'est-à-dire ceux dont la masse maximale autorisée est inférieure à 3,5 tonnes – sont les plus contrôlés, avec un taux moyen d'infraction d'environ 5,16 %. Viennent ensuite les voitures particulières, avec un taux de 6,5 %. Les camions de plus de 3,5 tonnes occupent la troisième place, avec 5,88 %. Quant aux véhicules agricoles, ils se situent en quatrième position en nombre de contrôles, mais leur taux d'infraction est nettement plus élevé et avoisine les 30 %.
L'Administration générale des Douanes et Accises attire chaque année l'attention du public sur la problématique de cette fraude, en communiquant les résultats de ces contrôles à la presse écrite et en acceptant que la presse télévisée filme les opérations de contrôle sur le terrain. Les sanctions auxquelles s'exposent les contrevenants sont également communiquées à la presse. Les sanctions varient entre 500 euros et, en cas de récidive, 5 000 euros si l'affaire est portée au tribunal. Une confiscation du véhicule est également possible.
Président: Frédéric Daerden.
Voorzitter: Frédéric Daerden.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse détaillée et complète, ainsi que pour ces chiffres très intéressants qui permettent de mieux évaluer et de mieux situer la problématique. Comme je le rappelais, l'utilisation du diesel rouge demeure une solution pour certains face aux prix des carburants. Il est toutefois important de poursuivre les contrôles en vue de limiter ces abus qui, comme vous le disiez, sont importants – jusqu'à 30 % de véhicules hors-la-loi en fonction des catégories. Au vu de ces chiffres, je ne doute pas que le SPF Finances continuera ses contrôles et les accentuera, je l'espère du moins, pour mener à bien sa mission.
De douanecontroles op Liege Airport
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Jan Jambon bevestigt dat de luchthaven van Luik een cruciale drugsroute is geworden, met in 2024-2025 recordbeslagen: 1,5 ton cannabis (vooral uit de VS, Thailand en Qatar), 30 kg cocaïne (Ecuador/Dominicaanse Republiek) en 3,2 ton precursoren (China/Hongkong), terwijl slechts 24 douaneonderzoekers actief zijn. Hij kondigt versterkte controles aan via extra speurhonden, nieuwe scanners (2026) en 3,5 miljoen euro extra investeringen, maar personeelsuitbreiding hangt af van budtaire onderhandelingen. Dufrane (parlementslid) prijsde de internationale samenwerking (o.a. douane-attachés in de VS, Panama en China) en toekomstige technologieën, maar benadrukte de urgentie gezien de snel evoluerende smokkelroutes via legale cannabislanden (Canada, Thailand). Kritiek op middelen bleef onuitgesproken, maar de tevrede toon suggereert erkenning van Jambons plannen.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, la saisie d'environ une tonne de cannabis en provenance du Qatar, interceptée à l'aéroport de Liège, souligne l'ampleur croissante des trafics de stupéfiants transitant par notre territoire. Selon les données les plus récentes, l'aéroport de Liège est devenu un point d'entrée majeur pour divers types de drogues: en 2024, près de 30 kg de cocaïne, plus de 600 kg de cannabis et plus de 3 tonnes de précurseurs chimiques (destinés à la fabrication de drogues de synthèse) y ont été saisis.
Les pays d'origine identifiés incluent principalement l'Amérique latine pour la cocaïne, la Chine pour les précurseurs chimiques, et désormais le Moyen-Orient pour le cannabis. Ces chiffres, en constante évolution, révèlent une diversification des routes et des méthodes utilisées par les organisations criminelles pour infiltrer le marché européen.
La saisie d'une tonne de cannabis en une seule fois est exceptionnelle, même si des quantités importantes de cocaïne et de précurseurs chimiques ont déjà été interceptées ces dernières années. Ces trafics profitent de l'augmentation exponentielle du fret aérien à Liège, où seulement 5 ETP sont actuellement affectés à la détection quotidienne des drogues. Cette situation pose la question de l'adéquation des moyens humains et technologiques déployés pour contrer ces flux illicites, d'autant que les trafiquants adaptent sans cesse leurs stratégies pour contourner les contrôles.
Mes questions monsieur le ministre, sont:
Quelles sont les quantités exactes de drogues saisies à l'aéroport de Liège depuis 2024, ventilées par type (cannabis, cocaïne, précurseurs chimiques, etc.) et par pays d'origine?
Comment évaluez-vous la rareté ou la fréquence des saisies massives de cannabis, comme celle d'une tonne interceptée, et quelles sont les tendances observées ces dernières années?
Quelles mesures concrètes votre SPF envisage-t-il pour renforcer les contrôles douaniers à Liège, notamment en termes de personnel, de technologies de détection et de coopération internationale avec les pays d'origine et de transit?
Une collaboration accrue avec les autorités européennes et les pays voisins (Pays-Bas, France, Allemagne) est-elle prévue pour lutter plus efficacement contre ces trafics, notamment en partageant des informations en temps réel et en ciblant les organisations criminelles transnationales?
Quels sont les résultats des investissements déjà réalisés pour moderniser les infrastructures de contrôle à Liège, et quels budgets supplémentaires sont prévus pour 2025 afin de faire face à cette menace grandissante?
Jan Jambon:
Monsieur Dufrane, en 2024, la douane a saisi à l'aéroport de Liège les quantités de drogue suivantes:
- 626,44 kg de cannabis, surtout de la marijuana;
- 29,54 kg de cocaïne;
- 4,87 kg d'opioïdes;
- 6 kg de drogues synthétiques (MDMA et amphétamines);
- 66,57 kg de nouvelles substances psychoactives (NPS);
- et 3 171,06 kg de précurseurs de drogue.
En 2025, entre le 1 er janvier et le 30 septembre, la douane a saisi à l'aéroport de Liège les quantités de drogue suivantes:
- 1 488,02 kg de cannabis, surtout de la marijuana;
- 10 g d'opioïdes;
- et 698,73 kg de précurseurs de drogue.
La marijuana saisie provenait surtout des États-Unis. La saisie d'une tonne de marijuana à l'aéroport de Liège, dont vous parlez, date d'octobre 2025 et provenait de Thaïlande, avec un transit via le Qatar. La cocaïne saisie provenait de l'Équateur et de la République dominicaine. Les opioïdes venaient de Hong Kong. Pour les NPS, il s'agissait de la Belgique et de Hong Kong. Les drogues synthétiques provenaient des États-Unis et d'Europe. Enfin, les précurseurs de drogue venaient de Hong Kong et de Chine.
Depuis deux ans, la Belgique et plusieurs autres pays européens sont confrontés à l'importation illégale de grandes quantités de marijuana en provenance du Canada, des États-Unis et de Thaïlande. Ces trois pays ont légalisé totalement ou partiellement la production de marijuana il y a quelques années. Ces envois de marijuana entrent via le port d'Anvers et les aéroports de Zaventem et de Liège.
L'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) dispose à l'aéroport de Bierset de différents moyens de contrôle. Il s'agit notamment d'un scanner à bagages, d'un ScanVan, d'un Backscatter portable, d'un spectromètre Raman. Récemment, un scanner mobile pour le fret a été mis en service.
Par ailleurs, des équipes cynophiles peuvent être mobilisées pour la détection de drogue et d'argent liquide. À court terme, l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) prévoit également d'augmenter le nombre d'équipes cynophiles à l'aéroport de Bierset. Plusieurs projets sont en préparation concernant les technologies de contrôle intégrées aux flux logistiques à nos points de passage frontaliers. Par ailleurs, un projet portant sur des outils innovants dans la lutte contre le trafic de drogue sera déployé au cours de l'année 2026.
En termes de personnel, Bierset compte 205 douaniers, dont 24 au sein de l'administration recherche. Une place de niveau B, en shift , est actuellement ouverte, tandis que les autres postes vacants sont gelés dans l'attente des résultats des exercices budgétaires en cours. La douane belge intensifie la coopération internationale avec les pays d'origine en concluant des Memorandum of Understanding avec ceux-ci et en déployant des attachés douaniers dans les pays sources de drogue.
Outre ces attachés douaniers en poste au Brésil, en Chine et en Indonésie, la douane belge a déployé un attaché douanier au Panama en 2025 et est en train de signer un accord avec les États-Unis afin de placer un attaché douanier à Washington cette année-ci. Ces attachés douaniers sont accrédités pour un ou plusieurs pays. La douane belge entretient également des contacts avec les officiers de liaison des douanes étrangères stationnées en Belgique ou à Europol via son officier de liaison auprès d'Europol.
La douane belge entretient quotidiennement des contacts avec les douanes des pays voisins ainsi qu'avec d'autres pays afin d'échanger des informations et d'organiser des actions opérationnelles. Elle participe également à plusieurs opérations internationales organisées dans le cadre de European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT), ou du Groupe "Application de la loi" (Douane), une instance préparatoire du Conseil de l'UE, et participe notamment à une opération visant spécifiquement le cannabis en provenance du Canada, des États-Unis et de Thaïlande. Finalement, pour 2025 et 2026, un montant d'investissement de 3,5 millions d'euros sera consacré à des moyens de contrôle supplémentaires.
Les investissements réalisés à Liège ont déjà permis de moderniser les infrastructures de contrôle. Les améliorations apportées ont déjà renforcé notre capacité à faire face aux menaces. Des budgets supplémentaires sont prévus afin de poursuivre ces efforts, mais leur montant exact dépendra des arbitrages budgétaires qui sont en cours.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse plus que détaillée. Vous avez devant vous un député ravi d'entendre tous les moyens qui sont déjà déployés, notamment les détachements dans les pays considérés comme des plaques tournantes et également tous ces futurs investissements que vous annoncez pour endiguer ce trafic de drogue dans notre pays. Je vous remercie encore du temps que vous avez consacré à répondre à ma question.
De overbelasting van de douane en de kosten-batenverhouding
De afschaffing van de pakjestaks en de vervanging ervan door een Europese taks
Douane-overbelasting, kosten-batenanalyse en Europese pakkettaks
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexia Bertrand bekritiseert dat de geplande 83 miljoen euro aan handhavingskosten voor de pakjestaks in 2026 mogelijk hoger uitvallen dan de netto-opbrengst, nu de nationale taks is uitgesteld (Europese variant start pas juli 2026) en de bruto-opbrengst van 223 miljoen euro onzeker is door vertraging en afhankelijkheid van Duitsland. Minister Jan Jambon ontkent dat de nationale handling fee is afgeschaft, maar stelt dat deze alleen wordt ingevoerd als buurlanden (inclusief Duitsland) meedoen via een Europees initiatief; hij verwacht 75 cent per pakje (via 3 euro EU-heffing) op een groter volume dan voorzien. Hij erkent onzekerheid door lopende EU-onderhandelingen en belooft een bijgestelde raming bij de begrotingscontrole in maart. Bertrand concludeert dat Jambon geen zekerheid biedt over de opbrengsten en geen antwoord geeft op de risico’s van dure handhaving zonder garantie op inkomsten, terwijl hij de kritiek op de optimistische cijfers niet weerspreekt.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, ik heb de notificaties bekeken en verwijs specifiek naar notificatie 48. Daarin erkent u dat de douane de toevloed aan pakjes nu al niet aankan. U trekt daarom 83 miljoen euro uit voor extra scanners, IT en personeel om die taks te kunnen innen. De kosten staan vast, maar de inkomsten zijn onzeker geworden. De nationale taks is geschrapt en de Europese variant start pas in de tweede jaarhelft.
Mijn eerste vraag is of de kostprijs van de handhaving, dus 83 miljoen euro, in 2026 niet hoger dreigt uit te vallen dan de effectieve netto-opbrengst die België mag overhouden.
Ik heb een tweede vraag. In notificatie 48 schrijft u voor 2026 een bruto-opbrengst van 223 miljoen euro in, een bedrag berekend op basis van een nationale taks die zou ingaan op 1 januari 2026. Intussen is, zoals ik net zei, bevestigd dat die nationale taks er niet komt en dat de Europese taks pas start in juli 2026, dus zes maanden later. Mislopen we hierdoor niet de inkomsten van de pakjestaks van minstens de eerste zes maanden van 2026 onherroepelijk? Wat met de bedragen van de komende jaren? Hebt u dat verlies reeds verrekend in uw tabellen of is uw saldo momenteel te optimistisch voorgesteld?
Jan Jambon:
Mevrouw Bertrand, u had mijn antwoord kunnen weten, want die vraag is al gesteld. Ik heb die kwestie al omstandig toegelicht, maar ik doe het nogmaals, geen enkel probleem.
Ik kan u bevestigen dat tussen de budgettaire tabel die we destijds hebben opgesteld, de begrotingsnotificaties en de actuele stand van zaken vandaag, al heel wat gebeurd is. We volgen die situatie op en zullen bij de begrotingscontrole een herraming maken van de verwachte opbrengst.
Zoals u weet, heeft de Ecofin-Raad recent, in november, beslist om de bestaande vrijstellingsregel voor invoer van goederen met een waarde tot 150 euro af te schaffen en een soort importheffing in te voeren. Oorspronkelijk was het voorstel 10 %, dat is omgezet in diezelfde Ecofin-Raad naar 3 euro; dus geen percentage, maar 3 euro per pakje. In onze oorspronkelijke raming, waarin wij zelf een handling fee zouden invoeren, hebben we rekening gehouden met een verplaatsing van de stroom. Als heel Europa dat doet, zal die verplaatsing er niet zijn. Wat in Luik binnenkomt, bijvoorbeeld, is voor een derde voor de Duitse markt. Als natuurlijk Duitsland mee in dat systeem zit, is er geen enkele reden voor (…) en gaan we dus op een zeer hoog aantal pakjes die momenteel in Luik en Antwerpen binnenkomen, een Europese heffing van 3 % hebben. U weet dat wij daarvoor op 0,25 % rekenen, dus 75 cent, maar op een veel groter volume dan ingeschat.
De nationale handling fee is niet afgeschaft. Dat moet ik tegenspreken. In de pers is dat anders vermeld, maar dat klopt niet. Wat we wel hebben gezegd, is dat we enkel een pakjestaks willen invoeren boven op de Europese heffing, als we dat kunnen doen in samenwerking met al onze buurlanden. Nederland, Frankrijk, Luxemburg en België zijn daartoe bereid. Duitsland heeft recent aangegeven dat het dat niet zelfstandig zal doen, tenzij het in heel Europa wordt ingevoerd. Duitsland is wel bereid om het eerder in te voeren, maar het moet een Europees initiatief zijn. Daarom zal er een brief worden geschreven door deze vijf landen aan Europa om, boven op de importheffing, ook de handling fee in te voeren. Dat zijn immers twee verschillende zaken.
Er zijn dus nog enkele variabelen, maar we zullen dat tegen de begrotingscontrole beter kunnen inschatten. De raming die we hebben gemaakt met een handling fee van 2 % houdt rekening met een substantiële verplaatsing van het transport. Nu zijn we zeker dat de handling fee van 3 euro, waarvan 75 cent in België blijft, op een veel grotere basis zal worden geheven. De finetuning van dat bedrag zal tegen de begrotingscontrole zijn afgerond.
Europa plant echter ook een handling fee te doen – het is een beetje complex –, en die we naar voren willen trekken en de onderhandelingen daarover zijn lopende in trilogen tussen het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie. De uiteindelijke wetgevende tekst en de budgettaire raming kunnen dus nog wijzigen. Onze bedoeling blijft echter om, zo snel mogelijk en liefst in Europees verband, de handling fee boven op de importheffing te heffen.
Alexia Bertrand:
Dank u wel, mijnheer de minister. Ik begrijp dus dat de bruto-opbrengst van 223 miljoen euro totaal onzeker is en dat u het nog niet weet. Het zal afhangen van de beslissing van Duitsland. Drie buurlanden zijn al mee met het verhaal, maar het is nog onzeker of Duitsland zal meedoen. Dat zal afhangen van de vraag of er een Europees initiatief komt. Dat betekent wel degelijk dat er 223 miljoen euro in het gedrang komt. Dat moest op 1 januari ingaan, maar dat zal niet het geval zijn. U denkt dat het misschien nog op een andere manier kan lukken, maar dat weten we nog niet. We zullen dat pas zien op het moment van de begrotingscontrole. Zekerheid hebt u vandaag in ieder geval niet. Dat hoor ik ook niet van u. U hebt ook geen antwoord gegeven op mijn vraag over de handhaving. Daar zijn de kosten wel zeker: 83 miljoen euro. Voor 2026 weten we het nog niet. We zullen het samen bekijken in maart, op het moment van de begrotingscontrole. Ik zal die vraag op dat moment opnieuw stellen. Dan zullen we de waarheid van de cijfers samen kunnen bekijken.
De zondagsopening en de modernisering van de handelssector zonder de zelfstandigen te benadelen
Gesteld door
Gesteld aan
Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)
op 27 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson vraagt kritisch hoe de gedwongen aanpassing aan zondagsopenstelling door grote ketens (Carrefour, Colruyt) kleine zelfstandigen niet verder verzwakt, gezien hun krappe marges (1%) en gebrek aan flexibiliteit, terwijl hun unieke concurrentievoordeel (persoonlijke service, nisproducten) onder druk komt. Minister Simonet verdedigt de hervorming als vrijwillige optie (geen verplichting), gesteund door internationale studies (OCDE, EU) en sociaal overleg (CCE, CNT), die dynamiek en eerlijke concurrentie met e-commerce moet bevorderen, maar wijst regio’s en lokale overheden aan voor gerichte steun. Pirson bekritiseert dat de modernisering riskeert eenzijdig te zijn en pleit voor strikte waakzaamheid om loyale concurrentie te garanderen, zonder zelfstandigen te overbelasten met een de facto-verplichting om bij te blijven. Simonet benadrukt dat differentiëring (kwaliteit, klantrelaties) zelfstandigen moet beschermen, maar Pirson twijfelt aan de haalbaarheid in kwetsbare centra zoals in Wallonië.
Anne Pirson:
Madame la ministre, l’ouverture dominicale des 83 magasins intégrés de Carrefour, dès janvier, marque une étape clé dans la recomposition du commerce belge.
Cette évolution, amorcée après la franchisation des magasins Delhaize et renforcée par la décision récente de Colruyt pour ses enseignes Okay, confirme une tendance sectorielle que le gouvernement Arizona avait identifiée: un réalignement progressif des horaires pour répondre aux habitudes de consommation contemporaines.
Je souhaite rappeler que, conformément aux accords de majorité, l’extension du travail dominical n’est pas une fin en soi. Elle s’inscrit vraiment dans une approche équilibrée: moderniser l’organisation du commerce pour préserver sa compétitivité, tout en garantissant le respect des droits des travailleurs et en veillant à ce que les indépendants ne soient pas pénalisés par des standards difficiles à suivre.
Si cette adaptation semble inéluctable pour les grandes chaînes, les indépendants, qu’ils soient franchisés ou propriétaires de commerces de proximité, sont inquiets face à une concurrence qui évolue plus vite qu’eux, sans disposer évidemment des mêmes marges de manœuvre en matière de flexibilité du personnel, de coûts salariaux ou d’organisation du travail, les équipes étant souvent plus petites.
Pour certains, l’ouverture dominicale constituait jusqu’ici un avantage distinctif. Demain, elle risque de devenir un standard difficilement soutenable, surtout dans un marché où les marges du secteur tournent parfois autour de seulement 1 %.
Madame la ministre, votre administration a-t-elle analysé l’impact potentiel de la généralisation progressive de l’ouverture dominicale sur les indépendants, tant en termes de viabilité économique que de capacité à adapter leurs horaires sans alourdir leurs charges de manière insoutenable?
Dans le cadre de la volonté de notre majorité de renforcer une concurrence loyale et de soutenir le commerce local, quelles initiatives pourriez-vous envisager pour accompagner les indépendants face à cette transition sectorielle accélérée, afin que l’adaptation des grandes chaînes ne se traduise pas au final par une fragilisation accrue des plus petits acteurs?
Eléonore Simonet:
Madame Pirson, l’évolution que vous décrivez s’inscrit effectivement dans un mouvement plus large de transformation du commerce, lié à l’évolution des habitudes de consommation mais aussi à la concurrence croissante du commerce en ligne. Le gouvernement en est pleinement conscient. C’est précisément dans cet esprit d’équilibre que la question de l’ouverture dominicale a été abordée.
S’agissant de votre première question, la réforme s’appuie sur de nombreuses études internationales qui démontrent qu’une plus grande liberté en matière d’horaires d’ouverture a des effets positifs sur l’emploi, le chiffre d’affaires et le dynamisme économique local. Comme annoncé précédemment, j’ai consulté les partenaires sociaux, à savoir le Conseil Central de l’Économie (CCE), le Conseil Supérieur des Indépendants et des PME (CSIPME) ainsi que le Conseil National du Travail (CNT).
Dans son avis du 6 octobre 2025, le CCE confirme d’ailleurs que ce type de mesure contribue au dynamisme des centres ‑ villes et est bénéfique à l ’ activit é é conomique locale. Par ailleurs, le projet de loi r é pond é galement aux recommandations de la Commission europ é enne et de l ’ OCDE, qui consid è rent que le cadre belge é tait jusqu ’ ici trop restrictif pour le secteur de la distribution.
Concernant votre seconde question, l’objectif du gouvernement n’est en aucun cas de fragiliser les indépendants, mais bien de moderniser le cadre réglementaire afin de corriger des distorsions de concurrence, notamment vis ‑ à ‑ vis du e ‑ commerce, qui n ’ est soumis à aucune contrainte comparable en mati è re d ’ horaires. Le projet de loi vise à offrir davantage de flexibilit é à l ’ ensemble du secteur, tout en laissant aux commerces la libert é d ’ organiser leur activit é selon leur propre r é alit é é conomique. Si des effets négatifs devaient être constatés après l’entrée en vigueur de la réforme, les indépendants pourront se tourner vers le CSIPME, qui constitue le canal de concertation privilégié.
Je rappelle enfin que le soutien direct au commerce local relève des compétences des régions et des autorités locales, qui peuvent mettre en place des politiques ciblées pour accompagner les indépendants dans cette transition. Il est également important de souligner que les commerces de proximité disposent d’atouts spécifiques leur permettant de se différencier durablement des grandes enseignes: la qualité et la diversité de leur offre, une meilleure connaissance de leur clientèle locale, la vente de produits de niche, ainsi qu’un service personnalisé et une relation de proximité avec le consommateur. Ces éléments demeurent essentiels pour attirer et fidéliser la clientèle, y compris dans un contexte de concurrence accrue.
En résumé, l'ouverture dominicale ne constitue pas une obligation, mais une possibilité supplémentaire destinée à moderniser le secteur et à rétablir des conditions de concurrence plus équitables, tout en laissant aux indépendants la liberté de faire des choix adaptés à leur modèle économique. Je reste à votre disposition.
Anne Pirson:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Elles montrent que l'évolution des horaires commerciaux s'inscrit évidemment dans une dynamique de modernisation que nous devons accompagner avec discernement tel que préconisé par l'avis du Conseil Central de l'Économie, comme vous l'avez rappelé. Mais cette modernisation ne peut être aveugle aux réalités économiques du terrain. Nous connaissons la situation de nombreux centres-villes en Wallonie. Dans un secteur où les marges sont vraiment extrêmement faibles, l'ouverture dominicale généralisée peut devenir une contrainte plutôt qu'une opportunité – souhaitable – pour les indépendants et les commerces de proximité. L'enjeu pour nous, n'est pas d'autoriser mais d'équilibrer pour qu'existe une concurrence loyale entre les grandes chaînes et les petits acteurs. Ceci, afin de préserver l'attractivité du commerce local qui se trouve en difficulté et ainsi veiller à ce que la flexibilisation ne se traduise pas par une fragilisation supplémentaire des indépendants. En tout cas, nous serons attentifs à ce que cette transition se fasse de manière progressive, encadrée et soutenable pour l'ensemble du tissu commercial.
De controles op de voedselveiligheid in het kader van het Mercosur-vrijhandelsakkoord
Het Mercosur-vrijhandelsakkoord en het FAVV
Het EU-Mercosur-akkoord
Voedselveiligheidscontroles en het EU-Mercosur-vrijhandelsakkoord
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 27 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Katleen Bury bekritiseert dat het Mercosur-akkoord – ondanks beloftes over strikte Europese normen – extra controlekosten voor landbouwers en invoerders met zich meebrengt, terwijl het FAVV-budget met 24% krimpt tegen 2029, wat de haalbaarheid van strengere importcontroles ondermijnt. Minister Clarinval bevestigt dat retributies (betaald door invoeroperators) en EU-audits in Mercosur-landen de kosten moeten dekken, maar ontwijkt concrete garanties dat Belgische landbouwers niet indirect opdraaien voor de controles; hij belooft wel meer focus op importcontroles ten koste van binnenlandse checks. Bury blijft ontevreden: ze betwijfelt of de financiering en capaciteit voldoende zijn en eist duidelijke waarborgen dat de sector niet extra belast wordt, maar krijgt geen helder antwoord op de kernvraag wie de rekening betaalt.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, in een overleg tussen uw kabinet, het FAVV en Agrofront werd opnieuw benadrukt dat het Mercosur-vrijhandelsakkoord absoluut geen afbreuk zal doen aan de voedselveiligheid. U verwees daarbij naar strikte Europese normen, intensieve controles en de bereidheid van het FAVV om zijn inspectiecapaciteit aan te passen bij toenemende invoer.
Dat klinkt allemaal geruststellend op papier, maar de landbouwers en de voedseloperatoren weten maar al te goed dat de controles van het FAVV niet gratis zijn. Integendeel, zij betalen deze controles grotendeels zelf via retributies en bijdragen, boven op een al zware administratieve en financiële last. Bovendien, zoals u zojuist stelde, worden die geruststellende verklaringen in een ander daglicht geplaatst omdat het FAVV tegen 2029 maar liefst 24 % van zijn budget zal inleveren.
Ik heb daarover een aantal vragen.
Wie zal concreet instaan voor de financiering van de bijkomende controles die nodig zijn bij een mogelijke toename van de invoer uit Mercosur-landen? Worden deze kosten gedragen door de Europese Unie, door de federale overheid of doorgerekend aan de invoerende operatoren?
Hoe rijmt u de belofte van strengere en intensievere importcontroles in het kader van Mercosur met een budgettaire afbouw van bijna een kwart bij het FAVV? Concreet, waar zal het agentschap de middelen en het personeel vandaan halen?
Kunt u bevestigen wie de bijkomende kosten van verhoogde importcontroles zal dragen?
Hoe garandeert u dat er op het vlak van controlekosten en handhaving geen structurele ongelijkheid ontstaat tussen onze binnenlandse producenten, die streng en betalend gecontroleerd worden, en de buitenlandse producenten die toegang krijgen tot onze markt? Kunt u bevestigen dat Belgische en Europese landbouwers niet indirect zullen opdraaien voor de controlekosten van ingevoerde producten die voortvloeien uit dit handelsakkoord?
Deelt u de bezorgdheid dat indien de schaarse middelen van het FAVV verschuiven naar importcontroles, dit onvermijdelijk zal gebeuren ten koste van andere controles?
Tot slot, mijnheer de minister, hoe garandeert u dat dit beleid niet leidt tot een dubbele ongelijkheid, waarbij onze landbouwers enerzijds streng en betalend gecontroleerd worden, terwijl anderzijds de controlecapaciteit structureel wordt uitgehold juist op het moment dat de invoer uit derde landen toeneemt?
Dank voor uw antwoorden.
Voorzitter:
U hebt uw twee vragen samen gesteld. Dat is goed.
De heer Prévot is vertrokken, dus we luisteren naar de minister voor het antwoord.
David Clarinval:
Mevrouw Bury, naar aanleiding van de vragen en legitieme bezorgdheden van de landbouworganisaties over het Mercosur-akkoord heb ik inderdaad, in samenwerking met het FAVV, alle partners van Agrofront uitgenodigd voor een vergadering op vrijdag 16 januari 2026.
Tijdens deze open en transparante gesprekken kwamen verschillende essentiële aspecten aan bod, waaronder de controles op de producten, de mechanismen die in derde landen stroomopwaarts zijn ingevoerd en de impact voor onze landbouwers. Net als voor alle andere federale overheidsdiensten zijn er zoals u weet vanaf 2026 budgettaire beperkingen voorzien bij het FAVV. Ik heb daar meerdere vragen over gekregen, waarop ik dadelijk zal antwoorden.
In deze context zal een toename van de import bijzondere waakzaamheid vergen van alle lidstaten.
Het FAVV hanteert, zoals altijd, een risicogebaseerde benadering in zijn controles, zoals de Europese regelgeving dat oplegt. Het vrije verkeer van goederen binnen de Unie impliceert een geharmoniseerde aanpak. Het FAVV blijft al zijn opdrachten volop uitvoeren om een hoog niveau van voedselveiligheid te garanderen op basis van risicoanalyse, zowel voor Belgische als voor geïmporteerde producten. Deze benadering maakt ook een gerichte optimalisering van de inzet van arbeidskrachten mogelijk.
De financiering van het FAVV steunt op verschillende pijlers, waarvan de belangrijkste de heffingen, de retributies en de dotaties van de federale Staat zijn. In tegenstelling tot de jaarlijkse forfaitaire heffingen die onze landbouwers betalen, worden retributies geïnd voor specifieke prestaties die het FAVV levert op aanvraag van een operator. Dat omvat met name controles op producten die via onze havens en luchthavens worden geïmporteerd. Zo dekken de retributies de kosten die inherent zijn aan de prestaties die het FAVV uitvoert voor opdrachten op aanvraag en waarborgen ze zo zijn essentiële opdracht van controle op de voedselketen.
Tot slot, zoals aan de vertegenwoordiger van de landbouwsector herinnerd werd, voert de Europese Commissie audits uit, of financiert die, in derde landen, waaronder uiteraard de Mercosur-landen die producten naar de EU exporteren of wensen te exporteren.
Europees Commissaris Várhelyi heeft bovendien zijn voornemen kenbaar gemaakt om in een versterking te voorzien van enerzijds het aantal audits in derde landen en van anderzijds het communautaire controlesysteem voor geïmporteerde producten op de plaatsen van import in de Unie.
België zal deze visie actief ondersteunen.
Ik wil hieraan toevoegen dat we gisteren tijdens Agrifish een vergadering hebben gehad met de heer Várhelyi, waarin hij zei dat Europa meer controle wil organiseren tegen andere landen van buiten Europa. Ik heb gezegd dat ik binnen mijn bevoegdheid ook meer controle wil tegen andere landen van buiten Europa en minder tegen de primaire sector.
Katleen Bury:
U geeft eigenlijk aan wat onze bezorgdheden zijn. U had het ook over de aankomende budgettaire beperkingen voor het FAVV en de extra waakzaamheid bij import die nodig is. Over hoe dat concreet allemaal zal worden waargemaakt, krijg ik echter niet echt een antwoord. Met betrekking tot de financiering spreekt u over de retributies. Er is al een groot deel dat van de deelstaten en van de federale staat komt. Slechts een klein deeltje komt van de landbouwers. Over de retributies zegt u dat de operatoren indirect de factuur krijgen, dat stelt u wel. Wie nu waarvoor zal moeten opdraaien bij al die controles, dat blijft echter zeer onduidelijk. Mijn hoofdvraag was hoe u kunt garanderen dat de Belgische landbouwers niet opnieuw gaan betalen voor controles die voortvloeien uit internationale handelsakkoorden. Daarop krijg ik gewoon geen antwoord. Dat is echter de hamvraag waarmee iedereen zit, in een sector die het nu al zeer zwaar heeft. Ik blijf daar dus op mijn honger.
De betrekkingen met de VS, het standpunt van de premier en de bijeenkomst van de Europese Raad
De trans-Atlantische relaties en het Mercosur-handelsakkoord
Het Forum in Davos en het rapport van Oxfam over de concentratie van rijkdom in de wereld
Het Forum in Davos en de Groenlandkwestie
De industriecrisis en de Antwerpse haven
De trans-Atlantische relaties
Het Forum in Davos en de Groenlandkwestie
De trans-Atlantische relaties
De stand van zaken met betrekking tot de trans-Atlantische relaties
Groenland en de trans-Atlantische relaties
Het Forum in Davos en het standpunt van Trump over Groenland
De geopolitieke situatie rond Groenland
Internationale betrekkingen, handel en geopolitieke ontwikkelingen
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 22 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Europa’s reactie op de agressieve Amerikaanse houding onder Trump, met name de dreiging rond Groenland, handelsoorlogen en de ondermijning van Europese soevereiniteit. Kritiek komt van links (PTB, Ecolo-Groen) en rechts (N-VA, MR): Dermagne (PS) noemt de regering hypocriet door harde woorden in Davos niet om te zetten in daden (bv. annuleren F-35-aankoop), Hedebouw (PTB) bekritiseert het "twee maten, twee gewichten"-beleid (Groenland vs. Congo/Palestina), terwijl De Smet (Les Engagés) en Bouchez (MR) juist strategische Europese autonomie eisen via defensie-investeringen en handelsakkoorden (bv. Mercosur). De premier (Bart De Wever) benadrukt dat Europa’s waardigheid "niet te koop" is, maar stelt concrete stappen (bv. Europese kapitaalmarkt, defensie-samenwerking) voorop, zonder de F-35-deal of NAVO-band te breken. Sceptici (bv. Mertens, Almaci) wijzen op gebrek aan mandaat voor deals zoals die met Rutte-Trump en eisen onmiddellijke symbolische actie (F-35-schrapping).
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le premier ministre, monsieur le vice-premier ministre: "Reculez, nous irons jusqu'au bout!", "Nous frôlons le point de rupture!", "Un contre tous, tous contre un!". Monsieur le premier ministre, ces mots ne sont pas les miens, de même qu'ils n'ont pas été générés par l'intelligence artificielle. Ces mots, ce sont les vôtres. Ces dernières heures, ils témoignent d'un changement de ton manifeste à l'égard du président américain Donald Trump et de son administration. Vous semblez, monsieur le premier ministre, avoir soudainement trouvé les mots que nous attendions ici depuis des semaines. En tout cas, nous étions nombreux à attendre une expression telle que celle-là. Ce sont des mots forts, presque courageux s'ils avaient été prononcés plus tôt, comme si, enfin, la menace de Trump et de son administration vous sautaient aux yeux après des décennies d'atlantisme béat. Ces mots, nous ne les avions jamais entendus de la part de votre gouvernement au sein de ce Parlement. Pourtant, cela fait longtemps que les lignes rouges ont été franchies par Trump et son administration: Venezuela, Ukraine, Groenland, et j'en passe.
Cependant, monsieur le premier ministre, ces mots vont-ils résonner jusque dans ces murs ou bien vous êtes-vous laissé griser par l'air des Alpes suisses? Surtout, monsieur le premier ministre, vont-ils enfin se traduire en actes gouvernementaux? Vont-ils être partagés par l'ensemble de l'Arizona? Prenons votre parti: le ministre de la Défense, atlantiste béat et meilleur ambassadeur de l'industrie de la défense américaine, va-t-il enfin accepter de remettre en cause l'achat de nouveaux F-35? Quid de votre groupe au Parlement européen, qui a voté contre la suspension de l'accord commercial extorqué par les É tats-Unis à la faiblesse des dirigeants européens? En quelques mots, allez-vous passer de la parole aux actes? Quelle sera la position de votre gouvernement?
Alexia Bertrand:
Mijnheer de eerste minister, in Davos was er deze week veel volk, veel contacten, veel speeches, goede, minder goede en slechte. Denk aan die spreker die met drie uur vertraging is aangekomen, maar nog net op tijd om 72 minuten over zichzelf te spreken en Groenland met IJsland te verwarren. Er was ook een spreker die zeer sterk sprak over de nieuwe internationale orde en over interne hervormingen. Het had u kunnen zijn, mijnheer de premier, maar ik heb het nu over Mark Carney, de Canadese premier, die intussen thuis de meerwaardebelasting heeft afgeschaft en de taksen heeft verlaagd om investeringen aan te trekken.
Dan was er uw speech. Sterk, ik meen het. " We have to wake up ,” zei u terecht. " If you back down now, you lose your dignity ." Wie zich als een vod laat behandelen, zal ook als een vod behandeld worden. U hebt gelijk. “ We need new alliances ." Net daarom, mijnheer de premier, is Mercosur zo belangrijk. En ja, " maybe Europe at different speeds ". Ik wil er één zin aan toevoegen: " The proof of the pudding is in the eating ."
Mijnheer de premier, internationaal klinkt u sterk en duidelijk, maar thuis lijkt het soms moeilijker om iedereen mee te krijgen. Dat hebben we gisteren nog gezien. Drie van uw coalitiepartners hebben in het Europees Parlement Mercosur doorgestuurd naar het Europees Hof. Het resultaat is twee jaar vertraging. Ze hebben export, jobs en nieuwe partners geblokkeerd. Uw Duitse collega, bondskanselier Merz, heeft deze ochtend zeer klare taal gesproken. Het is genoeg geweest. Duitsland past Mercosur voorlopig toe.
Mijn vraag is heel eenvoudig, mijnheer de premier. Zal België doen zoals Duitsland? Zult u Mercosur voorlopig toepassen, ja of nee?
Sarah Schlitz:
Monsieur le premier ministre, j’espère que votre déplacement à Davos s’est bien passé et que vous avez pu profiter du voyage en avion pour examiner en profondeur le rapport d’Oxfam sur les inégalités. Les conclusions sont vertigineuses et, chaque année, elles dépassent l’entendement. Que découvre-t-on cette année? Une accumulation de richesses jamais vue auparavant. Entre 2020 et 2025, la richesse des milliardaires a doublé alors que la moitié de l’humanité vit aujourd’hui dans la pauvreté.
Le rapport contient également des éléments concernant la Belgique, qui devraient vous intéresser. On y découvre notamment l’apparition de six nouveaux milliardaires dans notre pays. Nous comptons aujourd’hui dix-sept milliardaires qui possèdent à eux seuls une richesse équivalente à celle de l’ensemble des Wallons réunis.
Ces grandes fortunes ne se contentent pas d’accumuler des produits de luxe ou de s’adonner à des loisirs dispendieux qui détruisent la planète. Aujourd’hui, elles ne se cachent même plus d’essayer de déstabiliser des régimes et des États qui ne les intéressent pas ou qui les dérangent.
S’agit-il de tous les milliardaires? Non, "not all milliardaires", il est vrai. Cette année, une surprise est venue de Davos. Je ne parle pas des lunettes du président Macron, mais bien de la tribune de 400 milliardaires et millionnaires qui appellent les chefs d’État réunis à Davos à faire davantage contribuer leurs semblables et à instaurer un système de taxation plus juste.
Monsieur le premier ministre, allez-vous, comme vous l’avez fait dans d’autres dossiers, tenir tête à ces milliardaires, prendre la tête d’un front pour aller jusqu’au bout, comme vous l’avez déclaré, afin que chacun contribue à l’effort que vous demandez à l’ensemble des Belges, ou allez-vous céder au lobby des multinationales américaines et les exonérer de l’impôt minimum?
Raoul Hedebouw:
Monsieur le premier ministre de Belgique, enfin, l'élite européenne, les partis traditionnels belges sont en train de lever le voile de naïveté profonde qu'il y avait par rapport à l'impérialisme américain depuis des années.
Depuis des années, le PTB dit que l'impérialisme américain est le principal danger au niveau de la planète sur le plan des guerres et de l’économie. De nombreuses polémiques sont intervenues: "Non, au PTB, vous êtes naïfs, vous êtes campés, etc." Regardez ce qui se passe! Regardez ce qui se passe devant nos yeux! L'impérialisme américain est effectivement un danger.
Et je vais vous dire pourquoi nous avons une bonne boussole pour analyser la géopolitique? Pour deux raisons.
D'une part, en tant que parti marxiste, nous analysons clairement les contradictions économiques. D'ailleurs, hier, vous avez cité Gramsci; vous avez même cité Lénine. C'est la bonne direction, monsieur le premier ministre! Ce sont les bonnes clés d'analyse. Nous analysons qu'aujourd'hui, une puissance impérialiste, menacée dans son déclin économique, va essayer de compenser son retard économique sur la Chine et d'autres pays par la puissance militaire. Voilà le danger de l'impérialisme américain aujourd'hui.
D'autre part, le PTB a raison parce qu'il met les lunettes des pays du Sud. Vous avez raison d'appeler aujourd'hui à la défense de la souveraineté nationale du Groenland. Vous avez raison! Mais, si nous appelons l'Europe à défendre la souveraineté nationale du Groenland, pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple congolais? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple cubain? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple vénézuélien? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour les peuples africains, d'Amérique latine et d'Asie? Pourquoi ne le faisons-nous pas pour le peuple iranien? Pourquoi, collègues, ne le faisons-nous pas pour le peuple palestinien? Pourquoi ce deux poids deux mesures? Telle est la question qui nous est posée!
Au PTB, nous écoutons évidemment tous ces pays du Sud qui vivent déjà sous la dictature et le joug de l'impérialisme américain depuis des dizaines d'années et qui en ont marre de cet ordre mondial. J'espère, collègues, que l'Europe va se réveiller! (…)
Voorzitter:
Dat brengt ons naadloos bij collega Mertens.
Peter Mertens:
Mijnheer de premier, ik heb maar één vraag: met welk mandaat heeft Mark Rutte onderhandeld over Groenland?
De NAVO is uiteraard geen vastgoedbedrijf dat hier en daar stukken land kan verkopen. Het komt uiteindelijk de mensen in Groenland zelf toe om te beslissen over de toekomst van Groenland. De NAVO heeft geen enkele bevoegdheid, hoe dan ook, om maar iets te onderhandelen over Groenland.
Ik lees dat er gezegd wordt dat Rutte en Trump niet hebben gesproken over kwesties inzake soevereiniteit. Nochtans, alles wat naar buiten komt, zegt het tegendeel.
Ten eerste, de VS zouden militaire basissen krijgen als autonoom grondgebied van de Verenigde Staten, naar het model van de Britse basissen op Cyprus. Vanaf die basissen vertrekken trouwens dagelijks vliegtuigen naar Gaza. Amerikaans grondgebied!
Ten tweede, de VS zouden ook inspraakrecht krijgen bij alle investeringen in Groenland, en zelfs een vetorecht om bepaalde investeringen tegen te gaan.
Ten derde, het zou ook om mineralen gaan. Trump zei zelf na de deal dat hij er niet veel over wilde zeggen, maar het ging in ieder geval over veiligheid en over mineralen, en hij noemde het "een fantastische deal voor ons". Trump geeft dus zelf toe dat het ook over de toegang tot mineralen gaat.
Kortom, militaire basissen, investeringsveto’s en toegang tot mineralen. Trump hoeft maar een klein beetje te blaffen, een beetje te dreigen met economische tarieven en sancties tegen de Europese Unie, en de Europese Unie gaat plat op de buik.
U hebt gisteren terecht gesproken over de waardigheid van de Europese Unie, maar waar in die deal, waarover Mark Rutte onderhandelde met Donald Trump, zit de waardigheid van de Europese Unie?
Daarom heb ik maar één vraag: met welk mandaat is Mark Rutte daar eigenlijk gaan onderhandelen met Trump? Was dat een mandaat van de Europese Unie? Zo ja, waar staat dat mandaat op papier? Waar zijn de grenzen van dat mandaat? (…)
Oskar Seuntjens:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, moeten wij nu opgelucht zijn? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat hij geen geweld wil gebruiken tegen Groenland? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat hij geen extra tarieven meer wil toepassen? Moeten wij opgelucht zijn, nu Trump verklaart dat België geen doelwit is? Het antwoord is natuurlijk neen.
Er was ooit een minister van Buitenlandse Zaken die opmerkte dat diplomatie met Trump hetzelfde is als de film 50 First Dates . Dat is het verhaal van een man die verliefd wordt op een vrouw met kortetermijngeheugenverlies. Elke dag opnieuw moet hij zijn best doen om haar te overtuigen dat hij de juiste is. Met Trump is dat net hetzelfde. Wij weten nooit waar wij de volgende dag staan.
Dat zorgt ervoor dat de Verenigde Staten geen betrouwbare bondgenoot zijn en dat Trump een gevaar is voor onze economie en voor onze koopkracht. Dat gevaar is na gisteren niet verdwenen. De onzekerheid waarin hij ons meesleept, heeft immers gevolgen voor onze economie door minder investeringen, minder consumptie en hogere tarieven. Dat mogen en kunnen Europa en België niet aanvaarden. Onze welvaart mag niet afhangen van het humeur van Donald Trump.
Net daarom is het heel belangrijk dat Europa met één stem spreekt, dat wij samenwerken en dat wij werken aan onze veiligheid, onze economie en onze democratie. Daarom is die top vanavond zo belangrijk.
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, er werd gisteren gesproken met Trump. Wat nog belangrijker is, is de hiernavolgende vraag. Wat zal er vanavond worden aangegeven op de Europese top?
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, je vous dis très sincèrement bravo. Enfin, une prise de parole claire et forte de rupture avec Donald Trump et l’intimidation insupportable qu’il impose aux Européens! Franchement, il était temps. Entre votre ministre des Affaires étrangères et son chèvrechoutisme plus ou moins engagé, entre votre ministre de la Défense qui fait le groupie sur les réseaux sociaux avec des drapeaux américains, et votre président du MR, qui a des étoiles dans les yeux lorsqu’il lit le plan de sécurité nationale de M. Trump, qu’il aurait pu écrire lui-même, je vous le rappelle, il était grand temps que l’Arizona se dote d’un cap clair. Ce cap clair, c’est qu’en 1949, nous avons décidé de rejoindre une alliance de pays libres et non un pacte de Varsovie dominé par une superpuissance. Ce cap, je vous invite vraiment à le tenir.
Il ne faut pas être naïf une minute sur la soi-disant volte-face de M. Trump sur le Groenland, hier. C’est le problème quand on est dans une relation toxique avec un pervers narcissique: dès qu’il arrête de frapper, dès qu’il arrête de menacer, on croit qu’il faut être soulagé. Non, pas du tout. Le rapport de force ne fait que commencer. J’ai une question importante à ce sujet.
Vous êtes le chef d’un gouvernement, vous êtes le chef de la diplomatie d’un État membre de l’OTAN. Le secrétaire général de l’OTAN nous annonce un accord-cadre. Avez-vous été consulté? Avez-vous donné un mandat? Par hasard, savez-vous ce qu’il y a dans cet accord-cadre? Sinon, cela pose problème.
J’ai également une demande. Je crois que nous serons tous d’accord sur ce point. Le fond du problème est l’indépendance de l’Europe, son indépendance en matière de défense, d’industrie et d’énergie. Ma demande est toujours la même depuis un an, depuis l’arrivée de votre gouvernement. Renoncez au contrat visant à acheter 11 F-35 supplémentaires. Vous devez le faire, il n’y a pas d’autre solution. Même un vassal heureux ne peut pas payer un milliard d’euros pour entretenir sa cage. Vous devez renoncer à cette commande.
Els Van Hoof:
Mijnheer de premier, velen van ons hebben gisteren naar de toespraak van president Trump in Davos geluisterd. Wij hebben allen gevoeld hoe de vrieskou in Groenland of Davos in het niets verdwijnt bij Trumps kille dreigementen. De oude wereldorde is dood en begraven. Nostalgie is geen strategie meer, of we dat nu willen of niet. De Canadese premier verwoordde dat ook zeer duidelijk in zijn schitterende toespraak. Voor cd&v zijn er drie lessen te trekken.
Ten eerste zijn de VS geen betrouwbare bondgenoot meer. Europa mag zich niet langer overleveren aan de grillen van een pestkop of monster. Internationaal recht en soevereiniteit moeten primeren op het recht van de sterkste.
Ten tweede moet Europa zijn tanden laten zien. Door de Europese eensgezindheid van de lidstaten, maar ook door het feit dat heel wat tegenmaatregelen werden geopperd, hebben de VS eindelijk begrepen dat Europa belangrijk is voor hun economie.
Ten derde staat Europa misschien alleen, maar totaal niet geïsoleerd. We moeten werken aan onze Europese defensiesamenwerking. We moeten minder afhankelijk worden van onbetrouwbare partners. Tegelijkertijd moeten we ook allianties uitbouwen met andere democratieën, zoals Canada, Australië en Japan. Er zijn veel mogelijkheden en daar moeten we gebruik van maken om te evolueren naar een nieuwe wereldorde.
Ik heb vandaag nog een belangrijke vraag over de Europese top. Het blijft belangrijk dat we Europese tegenmaatregelen voorbereiden, want een voorbereide Europese Unie is er twee waard. Die maatregelen kunnen dan worden ingezet wanneer dat noodzakelijk is.
Georges-Louis Bouchez:
Monsieur le premier ministre, monsieur le ministre des Affaires étrangères, nous pouvons réellement constater que lorsque l’émotion gouverne, c’est la bêtise qui règne. Nous avons vu le débat public passer d’une naïveté en puissance à une agressivité sans puissance.
Aujourd’hui, l’heure n’est certainement pas à la lâcheté, mais elle n’est pas davantage à la bravade. Nous devons apporter une réponse intelligente face à la situation mondiale. Cette réponse intelligente passe uniquement par la souveraineté européenne.
Certains vous ont parlé de mettre les lunettes du Sud. Pour ma part, je vais simplement mettre les lunettes de l’Europe, de l’Occident, des démocraties libérales. Si aujourd’hui nous achetons des F ‑ 35, c ’ est parce qu ’ il n ’ existe aucun avion europ é en aussi performant. Nous devons le construire.
Si aujourd’hui nous achetons autant à la Chine, c’est parce que des logiques "bobo" nous ont conduits à détruire notre industrie. Si aujourd’hui nous devons commercer avec des pays arabes ou avec la Russie, c’est parce que nous avons fait croire aux gens que des moulins à vent allaient nous garantir notre sécurité énergétique.
Aujourd’hui, il ne sert à rien de parler de Trump car ce n’est pas lui qui a porté atteinte à la souveraineté européenne. Ce sont les choix d’une série de partis politiques de cette Assemblée, au cours des 30 dernières années, qui nous ont affaiblis.
Nous devons retrouver de la force. Nous devons retrouver de la puissance. Pour cela, nous devons également savoir où se situent nos intérêts. Et oui, monsieur Hedebouw, nos intérêts sont au sein de l’OTAN. En 2029, M. Trump ne sera plus là mais vos amis chinois et russes continueront à constituer des menaces durables pour l’Union européenne, pour les démocraties libérales et pour l’Occident. Nous devons donc nous mettre clairement en marche!
Benoît Lutgen:
Monsieur le premier ministre, j'entends que vous dites "Résiste et mords!" C'est ce que vous avez fait, et je vous en félicite, avec le ministre des Affaires étrangères à vos côtés.
Cela ne date pas d'hier, puisque depuis plusieurs mois, vous avez fait preuve de fermeté et vous avez mis en avant la puissance du droit international. La crédibilité, la force internationale de notre pays s'est renforcée, que ce soit lorsqu'il a fallu résister dans le dossier des avoirs russes gelés ou lors des prises de position concernant Gaza.
Cette fermeté, vous l'avez à nouveau exprimée dès l'annonce des premières menaces douanières et du chantage de Donald Trump concernant sa volonté d'annexer le Groenland.
Nous ne pouvons, mesdames, messieurs, accepter que la loi du plus fort l'emporte sur le droit des plus faibles. Les alliances ne peuvent se limiter à un tas de transactions. Nos libérateurs d'hier, alliés de l'Europe depuis des décennies, seraient-ils devenus nos adversaires? Pire, en voulant annexer un territoire européen – eh oui, on touche à la souveraineté européenne, monsieur Bouchez – veulent-ils devenir nos ennemis? Voilà la question que nous devons nous poser.
Le recul de Donald Trump face à la riposte de l'Europe ne peut que nous réjouir. Croire qu'il en restera là serait faire preuve de grande naïveté. Résister et mordre, comme vous l'avez dit, nous pouvons le faire, mais de façon structurée. Nous devons préparer, au travers d'actions fortes, comme cela a été dit par ma collègue, dans le cadre de transactions structurées entre les États-Unis et l'Europe, toute une série d'éléments pour pouvoir riposter le cas échéant.
Monsieur le premier ministre, est-il vrai que le Danemark a accepté de céder quelques petites parties du territoire de l'Alaska aux USA, comme l'a rapporté le New York Times ? Quel était le mandat donné à M. Rutte?
La Maison-Blanche, par ailleurs, annonçait que la Belgique avait rejoint le Conseil de la paix. Pouvez-vous nous confirmer que c'est simplement une fake news de plus? Je vous remercie.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de eerste minister, de oude wereldorde is dood. Zelfs na de bocht van Trump gisteren in Davos is die oude wereldorde dood. Het is lelijk zaken doen met hem en zijn vazallen. Al lijkt de militaire dreiging voor Groenland vandaag verdwenen, wie weet wat zijn driftbui van morgen zal brengen.
De naïviteit van veel westerse leiders, inclusief in deze regering, is nu hopelijk echt weg. Hopelijk heeft Theo begrepen dat hij niet zo aan het handje van daddy moet lopen en hebben sommige regeringsleiders begrepen dat plezierreisjes naar Qatar misschien toch niet het beste idee zijn.
Onze bondgenoten bevinden zich elders. In Canada, dat een heldere tussenweg heeft getoond, en bij de Amerikaanse burgers die zich vandaag verzetten tegen ICE, tegen de dreigementen, tegen Powell en tegen de kortzichtige economische en buitenlandse politiek van Trump. Nog nooit vond een president in de VS zo weinig steun bij de eigen bevolking. De Californische gouverneur heeft nagels met koppen geslagen toen hij de westerse leiders pathetisch noemde.
Naar aanleiding van de handelsheffingen vroeg ik u op 3 april 2025 in het halfrond om de antidwangmaatregelen op de Europese tafel te leggen. U hebt dat weggewuifd.
De vraag is nu hoe ons land en hoe u zich vanavond zult opstellen, verder in de feiten. Zult u maximaal tegengewicht bieden, met zo weinig mogelijk nadelen voor onze bevolking en onze bedrijven?. Wanneer zult u de internationale orde ondubbelzinnig verdedigen, of het nu gaat om Netanyahu die in ons land landt, om het veroordelen van de inval in Venezuela of om de Vredesraad?
We hebben meer hefbomen dan we denken en er is er een die we op korte termijn kunnen inzetten, met name die extra F-35's. Annuleer die aankoop. Die aankoop is waanzin. De annulering daarvan is een quick win die Trump en de zijnen raakt waar het pijn doet. Dat is een taal die hij begrijpt. Na een jaar van vergoelijken en sussen (…)
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, deze week bracht een geopolitieke rollercoaster. Op maandag wilde hij een land binnenvallen. Op dinsdag wilde hij het kopen. Op woensdag wilde hij het terugpakken, omdat het ooit van hen was. Woensdagavond sprak u met de Amerikaanse president en hopla er is hoop, er is een oplossing in de maak. Chapeau, niemand doet het u na.
Alle gekheid op een stokje. De bezorgdheid van de Groenlanders en de Denen moet bijzonder groot geweest zijn. De bezorgdheid van ons allen was ook zeer groot. U hebt terecht een rode lijn getrokken, want een volk is niet te koop. De Denen zijn niet te koop, de Groenlanders niet en Europa al zeker niet.
Europa mag op het internationale toneel absoluut meer smoel krijgen. Daarover zijn we het helemaal eens. We moeten het internationale recht en de internationale verdragen respecteren en er vooral voor pleiten dat die gerespecteerd worden en blijven.
Maar, even belangrijk is de NAVO-alliantie, die ons al decennialang stabiliteit in de regio biedt. Ook daar moeten we een loyale partner zijn. Ook daar moeten we samen opkomen voor de rechten, de soevereiniteit en de territorialiteit van de volkeren en van onze Europese regio. Dat moeten we overal doen en met alle middelen die we hebben.
Mijnheer de premier, mijnheer de vicepremier, wat is onze rol? Hoe ziet u de optimale rol voor ons land in die allianties, binnen Europa en binnen de NAVO, om nu samen met de Denen en de Amerikanen het traject naar nieuwe stabiliteit uit te stippelen?
Bart De Wever:
Même en quinze minutes, on peut dire beaucoup, monsieur le président! Je dispose de la moitié du temps que Trump m'a accordé, chers collègues. Je pense que cela sera suffisant pour vous.
Merci pour vos questions. Je vais y répondre conjointement avec le ministre des Affaires étrangères, car certaines d'entre elles relèvent spécifiquement de ses compétences.
Ces derniers jours en Suisse, j'ai eu de nombreux contacts avec plusieurs dirigeants d'entreprise de premier plan, issus de grandes sociétés internationales, ainsi qu'avec des responsables politiques du monde entier. Cela ne vous surprendra pas: une certaine tension flottait dans l'air en Suisse. La menace renouvelée d'une guerre commerciale et la crainte d'une rupture au sein de l'Alliance atlantique suscitaient une grande inquiétude.
Het is volstrekt onaanvaardbaar dat het staatshoofd van een bondgenoot de soevereiniteit van een andere bondgenoot bedreigt. Denemarken en het Groenlandse volk hebben het onvervreemdbare recht op hun territoriale soevereiniteit. Zij en alleen zij hebben daarover finaal een mandaat te geven.
De boodschap die ik in Davos heb gegeven, was dan ook duidelijk. De Verenigde Staten zijn veruit de allersterksten in de NAVO, maar onze waardigheid is niet te koop. Wij zijn geen slaven.
De Arctische veiligheid belangt ons allemaal aan, maar de voorgestelde oplossing zal binnen de NAVO worden beoordeeld en binnen de NAVO worden uitgevoerd.
Heureusement, hier et aujourd'hui, il est apparu clairement que, pour l’instant, tant la menace militaire que les restrictions commerciales envisagées ont finalement été écartées. Cela constitue un point positif. Personne n’a à gagner d’une nouvelle guerre commerciale, ni l’Europe, ni les États-Unis. Les droits de douane conduisent toujours au même résultat: la destruction de la prospérité pour toutes les parties concernées. Nous avons donc pour l’instant échappé à une véritable catastrophe. Il est impératif de tirer des leçons de ce qu’il s’est produit.
Dans un monde idéal, les liens entre l’Europe et les États-Unis resteront étroits à l’avenir et nous continuerons, ensemble, dans un esprit de bonne entente, à bâtir la prospérité et la paix pour nos peuples liés par l’histoire. C’est en tout cas ce que je veux. Mais nous ne vivons pas dans le monde tel que nous le souhaitons, nous vivons dans le monde tel qu’il est réellement. La leçon est que nous, les Européens, devons être prêts à affronter des épisodes de tempête. Nous devons réapprendre à nous débrouiller seuls. Redresser la tête. Nous devons avoir une réponse prête lorsque nous sommes soumis à des pressions de la part de grandes puissances, d’où qu’elles viennent.
Canada’s eerste minister en intussen goede vriend Mark Carney gaf daarover inderdaad een zeer treffende toespraak. Het viel mij op dat hij daarin verwees naar de Melische dialoog van Thucydides, net zoals ik dat in New York deed: de sterken doen wat ze kunnen, de zwakken ondergaan wat ze moeten. Dat is niet de wereld die wij willen. De lidstaten van Europa zijn vandaag op zichzelf echter niet opgewassen tegen de druk van grootmachten die wel in die richting willen gaan. We staan echter niet alleen. Daarover wil ik het vanavond in de Europese Raad hebben. Niet over Trump, maar daarover. Over het feit dat we samen een te duchten handelsblok zijn en dat we die troef moeten durven uitspelen.
We hebben een eengemaakte markt, maar het is hoog tijd om die eengemaakte markt nu eindelijk af te werken. Het is tijd voor een eengemaakte kapitaalmarkt, zodat grotere volumes aan investeringen kunnen worden gegenereerd en bedrijven op ons continent kunnen blijven groeien, in plaats van noodgedwongen te verhuizen naar de andere kant van de Atlantische Oceaan. We weten dat de Europese Unie op dat vlak traag en complex is. Daarom moet functionele integratie mogelijk zijn. Landen met dezelfde strategische economische belangen moeten sneller en dieper kunnen integreren.
Het is hoog tijd dat we militair opnieuw ferm op eigen benen gaan staan, leunend op een efficiënte en Europese defensie-industrie. Dat zal echter niet van vandaag op morgen gebeuren. Daar moeten we realistisch in zijn. We moeten er wel zo snel mogelijk naartoe evolueren.
Het is tijd om werk te maken van een gediversifieerde waaier aan strategische partnerschappen, gebaseerd op wederzijds respect en gestuurd op maximale vrijhandel. Dat kan inderdaad met middle powers zoals Canada, het Verenigd Koninkrijk en Australië. Wat mij betreft zeer graag ook met Zuid-Amerika en met India, zoals commissievoorzitter von der Leyen dat in Davos aankondigde. Europa heeft het potentieel om een baken van stabiliteit, respect en welvaart te zijn. Onze honorering van gemaakte afspraken en onze voorspelbaarheid zouden van ons de meest aantrekkelijke partner ter wereld moeten maken. Onze buren willen graag lid worden van de Europese Unie. Dan moeten we echter wel dringend ons huiswerk maken, niet louter voor acute problemen op korte termijn, crisis na crisis na crisis. We moeten structureel werken. Innovatie, productiviteit en competitiviteit moeten centraal staan in alles wat we doen. Daarom maken we met onze regering in ons land alvast werk van lagere brutoloonkosten, een verlaging van de energiekosten voor de industrie, een stevig pakket aan maatregelen voor administratieve vereenvoudiging en structureel overleg met bedrijven en stakeholders onder de vlag van MAKE 2030. We proberen ook Europa in diezelfde richting te duwen.
In die geest ben ik volgende week maandag in Hamburg voor de North Sea Summit. Op 11 februari vindt daarom ook voor de derde keer de European Industry Summit plaats in de Antwerpse handelsbeurs. Op 12 februari komt op mijn vraag een informele Europese Raad in Alden Biesen bij elkaar met slechts één agendapunt: de Europese competitiviteit. Wij moeten dit momentum grijpen om welvaartcreatie opnieuw centraal te stellen en om weerbaar te worden. Dat is de hoofdboodschap die ik heb meegenomen uit al mijn contacten in Davos en dat is ook de boodschap die ik straks zal meegeven aan mijn Europese collega's.
De nood aan Europese daadkracht was de voorbije decennia nooit zo groot als vandaag. Het is nu aan ons om op het appel te zijn. Ik dank u.
Maxime Prévot:
Beste Kamerleden, de top van Davos bleek niet zonder verrassingen. De premier heeft het al gezegd, terwijl we oorspronkelijk dachten dat de oorlog in Oekraïne de gesprekken zou domineren, waren het uiteindelijk de verbale escalatie en de dreigementen van president Trump over Groenland die de aandacht trokken.
We waren aangekomen met een gevoel van urgentie. We vertrekken met de indruk dat er mogelijk een akkoord in de maak is en dat de druk, althans tijdelijk, afneemt, zowel op militair als op handelsvlak. Het is nog te vroeg om in detail te reageren op een akkoord waarvan de contouren nog niet bekend zijn. De Denen en de Groenlanders zullen het als eersten moeten bestuderen, gevolgd door alle NAVO-bondgenoten en de lidstaten van de EU.
Mais une chose est déjà certaine, cette séquence nous enseigne beaucoup.
Première leçon face à la brutalité – parfois – et à l’imprévisibilité – souvent – du président américain, notre ligne doit être immuable: garder la tête froide et resserrer les rangs. Sur la forme de nos messages, contrairement à ce que certains ont envie de croire ou de fantasmer, répondre sur le même ton ne mène nulle part. Monter dans l’invective, frôler l’insulte, c’est alimenter l’escalade. Les Européens doivent rester unis, cohérents et fermes. Être ferme ne signifie pas devoir crier fort. Nous devons opposer l’ordre au chaos de manière inlassable.
Deuxième leçon: garder son sang-froid ne signifie ni faiblesse ni concession. Sur le fond, les messages doivent être très clairs. Ils le sont, et ils ont été répétés à Davos et bien avant, y compris dans cette enceinte et dans la presse internationale, par mes soins. Le Groenland n’est ni à prendre, ni à vendre. C’est une ligne rouge et cela a été répété. Notre solidarité est totale à l’égard du Danemark, comme le sera aussi notre prise de responsabilité en matière d’accroissement de la sécurité de la région arctique. Le ministre de la défense s’y emploie.
De boodschap inzake Groenland moeten de Europeanen met één stem uitdragen: als u volhardt, zullen wij reageren; als u een handelsoorlog wilt, zullen wij u op gelijke voet behandelen.
Het bijeenroepen van een vergadering van de Europese Raad vanavond heeft reeds een duidelijk signaal gegeven van onze gedeelde bezorgdheden en van het urgentiegevoel dat ons drijft.
Die boodschap lijkt president Trump te hebben begrepen, aangezien hij gisteren aankondigde af te zien van zijn dreiging met tariefverhogingen voor bepaalde bondgenoten.
Ik herhaal nogmaals dat wij eensgezindheid en vastberadenheid moeten tonen.
Troisième leçon: ne nous laissons pas bercer par l'apparente accalmie. La pression retombe aujourd'hui, sans qu'il soit exclu que ce soit pour mieux revenir demain sur le Groenland, sur l'Ukraine ou sur un autre sujet. L'imprévisibilité va demeurer. Les tensions et menaces entre alliés ont atteint un tel sommet qu'il en restera des traces durables dans notre façon de penser et d'agir.
Plus fondamentalement, cette parenthèse de calme ne résout en rien nos propres vulnérabilités. Dans le fond, l'enjeu n'est pas de réagir à chaque soubresaut en provenance de Washington, de Moscou ou d'ailleurs, même si nous y sommes bien contraints, mais de regarder en face nos propres responsabilités et, comme l'a souligné le premier ministre, de préparer davantage notre palette d'outils de réaction pour ne pas entreprendre, quelque peu groggys, un processus quand nous nous situons au pic des tensions.
Je vous le disais ici la semaine dernière, chers collègues: l'Union européenne est forte quand elle est unie, et seulement quand elle est unie. Sans cette unité, elle ne pourra pas être un acteur géopolitique majeur. C'est aussi l'un des principaux défis pour l'Union européenne, un défi qui risque de devenir existentiel si nous ne prenons pas davantage la mesure de la nécessité de notre cohésion et que nous succombions aux tentations de relations plus bilatérales et hors du droit. La superpuissance américaine ne peut pas avoir comme pendant la superdépendance européenne.
Onze absolute prioriteit moet het versterken van de Unie zijn, niet de vluchtige verontwaardiging.
De premier en ikzelf zijn ervan overtuigd dat we moeten investeren in onze strategische autonomie, in de sleutelsectoren die onze veiligheid en onze welvaart bepalen. We moeten investeren in onze afschrikkingscapaciteiten. We moeten investeren in onze veerkracht. Alleen zo zullen we ophouden kwetsbaar te zijn voor de onvoorspelbaarheid van de wereld en voor de chantage, die sommigen niet schuwen.
De schijnbare ontspanning van de voorbije uren mag onze vastberadenheid op dat vlak geenszins ondermijnen. We kunnen het ons niet langer permitteren om die boodschap te negeren.
Quant à votre question connexe, madame Schlitz, sans en diminuer l'importance, le rapport d'Oxfam, publié voici quelques jours, rappelle l'importance de rester attentif aux difficultés vécues par une partie de la population.
Qu'un fossé se creuse dans la plupart des pays du monde entre les plus riches et les moins riches, c'est une réalité. Que des disparités subsistent aussi en Belgique, c'est aussi une réalité. Nous devons y accorder une réelle attention et ce gouvernement continue à œuvrer pour que ces inégalités ne se creusent pas davantage.
Quant à la question de la participation prétendue de la Belgique au Board of Peace, monsieur Lutgen, tel qu'erronément annoncé par la Maison-Blanche, nous confondant peut-être avec le Belarus, je confirme officiellement que les modalités de gouvernance et de statut ainsi que la tentation de substitution à l'ordre international multilatéral régi par les Nations Unies s'éloignent effectivement de nos standards et ne nous permettraient pas de souscrire à l'initiative en l'état actuel des choses, encore moins en ayant convié à ce Board of Peace des personnalités comme M. Poutine.
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le premier ministre, ce que je craignais est malheureusement arrivé. Après vos propos virils, engagés, presque courageux, tenus il y a quelques heures à Davos, nous entendons ici les manifestations d’un double discours, d’une divergence de vues, de la part de ceux qui pensent que l’incident est clos et que, s’il ne l’est pas immédiatement après le départ de M. Trump de la présidence en 2029 – du moins s’il daigne quitter la Maison ‑ Blanche –, il y aura, selon eux, un retour au business as usual .
Je n’y crois pas. Nous sommes ici face à un changement majeur de doctrine internationale des États ‑ Unis, à un changement majeur dans la relation entre les É tats ‑ Unis et le reste du monde, et singuli è rement vis ‑ à ‑ vis des pays de l ’ Union europ é enne.
À ceux qui pensent que ce n’est qu’un mauvais moment à passer, à ceux qui pensent qu’il fera à nouveau beau demain, je dis que c’est de la candeur, une candeur qui confine à la connerie. Ce serait vraiment de la connerie de s’inscrire dans cette voie ‑ l à .
À ceux qui disent aussi que la faiblesse des Européens est due à la lubie de quelques "écolos bobos", à certains penseurs divers et variés, à des rêveurs, je rappelle qu'elle est avant due aux chantres de l'ultralibéralisme, à ceux qui affirmaient qu’il fallait aller produire à bas coût, dans des conditions inacceptables, pour vendre ici au même prix et engranger des marges importantes.
Il faut joindre les actes à la parole, et notamment soutenir l’industrie européenne, soutenir la réindustrialisation, et donc faire un (…)
Alexia Bertrand:
Mijnheer de premier, Davos is belangrijk en ik denk dat sommige partijen dat voor de eerste keer beseffen. Internationale woorden zijn ook belangrijk, maar wat uiteindelijk telt, is wat we híer doen. U hebt een unieke kans om uw woorden in daden om te zetten. U hebt gezegd: " We need new alliances. That is what Mercosur is all about ." Dat betekent nieuwe partnerschappen. Dat is heel belangrijk voor onze bedrijven. Dat is geen detail, het gaat over exports en jobs, maar uw coalitiepartners saboteren en blokkeren dat.
U hebt leiderschap nodig om hen te overtuigen en u krijgt daarvoor vanavond een unieke kans op de Europese Top. Volg Duitsland. Ik hoop dat u deze avond aan uw Europese partners zult aankondigen dat wij, net zoals Duitsland, Mercosur voorlopig zullen toepassen. Dat is de boodschap.
Inzake de eengemaakte kapitaalmarkt hebt u helemaal gelijk wanneer u zegt dat wij die echt nodig hebben, maar volg dan Mark Carney. Stop met de belastingen, stop met al die taksen. Mark Carney heeft de meerwaardebelasting net afgeschaft, maar wat doet deze regering? U verdubbelt de effectentaks voor de beleggers, u voert een bankentaks in, u verhoogt de roerende voorheffing met 20 % en u voert een meerwaardetaks in. Stop met al die taksen en stimuleer investeringen.
Sarah Schlitz:
Merci pour vos réponses.
Ce rapport n’est en effet pas anodin. Ce débat est tentaculaire, mais ce rapport, qui est publié chaque année à dessein juste avant le sommet de Davos, est essentiel en termes de lecture de l’état du monde et des rapports de force, mais également des dangers en termes de déstabilisation de nos démocraties et de l’État de droit. Aujourd'hui, on ne peut pas continuer à laisser ces grandes fortunes tenter de déstabiliser nos démocraties et ici en particulier les démocraties européennes. Ils ne se cachent même plus, ils le disent: ils vont continuer à essayer d’influencer les élections démocratiques en Europe, à travers le rachat de médias et de réseaux sociaux. Eh bien, oui, il est temps de les arrêter.
La semaine dernière, nous avons eu des auditions au sujet de votre taxation des plus-values. Les experts ont émis des critiques très fortes sur cette taxation, qui passerait à côté de ses objectifs. Prenez les choses en main, intégrez les recommandations des experts et faites en sorte que cette taxation touche réellement sa cible. Ne restons plus l’exception européenne qui refuse d’aller chercher cet argent là où il est. Faites en sorte de renforcer cette taxe en adoptant par exemple l’amendement que nous avons déposé, qui permettrait d’aller chercher 1,5 milliard chaque année pour le budget de l’État.
Raoul Hedebouw:
Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.
Y a-t-il effectivement eu une étude approfondie de ce document de sécurité stratégique américain? Avez-vous lu ce document que M. Boucher aurait pu écrire lui-même?
Que dit-il? D’une part, il y est confirmé, noir sur blanc, le rétablissement de la doctrine Monroe, c’est-à-dire un projet néocolonial pour l’ensemble du continent latino-américain. D’autre part, il y est écrit, noir sur blanc, que l’objectif est la destruction de l’Union européenne.
Pourtant, ici, certains ministres continuent de dire que tout ira bien, que cela va passer, qu’il était simplement moins fâché aujourd’hui. Voyez-vous l’enjeu stratégique qui se joue actuellement? L’impérialisme américain l’affirme explicitement. Son objectif est la destruction de l’ordre existant, et nous continuons à regarder comme si de rien n’était.
Ce que Trump et l’impérialisme américain font aujourd’hui avec le Groenland, ils le font depuis des décennies avec les pays du Sud. Sept cents bases militaires à travers le monde, des interventions militaires répétées, le dollar comme monnaie dominante qui conditionne les économies mondiales, une banque centrale américaine dotée d’un pouvoir antidémocratique considérable. C’est cet ordre mondial qui est en train de s’effondrer sous nos yeux.
La question, monsieur le premier ministre, est donc de savoir quelle Union européenne nous voulons construire. Une autonomie européenne n’a de sens que si elle ne consiste pas à suivre aveuglément les États-Unis dans leurs interventions et dans cet ordre mondial néo-impérialiste. Cette voie n’est pas tenable.
Il faut au contraire tendre la main aux pays du Sud et construire une véritable Union européenne en symbiose avec les peuples du monde, mais pas (…).
Peter Mertens:
Oké, over Groenland zijn er twee lezingen. De ene lezing zegt dat we content zijn omdat de Verenigde Staten van geweld hebben afgezien. Dat zou komen omdat de Europese Unie wakker is geworden en heel sterk is. Dat is een lezing die ik absoluut niet begrijp en ook niet zie.
De andere lezing is dat het niet aan Ursula von der Leyen ligt dat er geen geweld is gebruikt. Het ligt ook niet aan koning Filip en dat gesprek van een kwartier dat er geen geweld zal worden gebruikt. Het ligt zelfs niet aan de Europese Raad. Het ligt aan de deal die Mark Rutte heeft gesloten met Trump.
Men zegt hier dat Groenland niet wordt uitverkocht. Die deal verkoopt Groenland echter onder onze ogen uit aan de Verenigde Staten. Het gaat over grondgebied dat aan Trump wordt gegeven. Het gaat over mineralen die aan Trump worden gegeven. Het gaat over controle die aan Trump wordt gegeven. Zelfs investeringsveto’s worden in die deal toegekend.
Mijn vraag was eenvoudig, maar u hebt er niet op geantwoord. Welk mandaat heeft Mark Rutte gekregen van de Europese Unie? Mark Rutte is nergens verkozen. Integendeel, hij is gebuisd in Nederland. Hij heeft Nederland achtergelaten in een chaos. Vervolgens heeft hij een job gekregen bij de NAVO. Nergens is hij verkozen. Welk mandaat heeft hij van de Europese Unie gekregen om stukken Groenland te verpatsen? Hij heeft geen mandaat gekregen. Voor onze ogen verkopen we stukken Europa uit. We spreken hier grote taal, maar terzelfder tijd zijn we Europa aan het uitverkopen aan de Verenigde Staten.
Oskar Seuntjens:
Premier, u zei dat onze waardigheid niet te koop is. Ik meen dat het goed is dat u dat zegt. In een wereld die op zijn kop lijkt te staan, snakken mensen naar een duidelijk signaal, naar een Europa dat een vuist maakt en niet achteruit deinst. Een vuist maakt tegen mensen die het niet echt menen met democratie, die het niet echt menen met mensenrechten.
Daar moeten we vooral niet hypocriet over zijn. Vandaag staan wij 1.000 % achter de Groenlanders. En tegelijkertijd verzetten we ons ook tegen andere autocraten. Tegen Poetin, die Oekraïne is binnengevallen, zoals u terecht zei, mijnheer de minister. Dat mogen we niet vergeten. Tegen Netanyahu die de Palestijnen onderdrukt. Tegen de Chinezen, die de Oeigoeren in opvoedingskampen steken.
Consequent moeten we, keer op keer, onze normen en waarden uitdragen. Consequent. Dat is onze sterkte. Dat is hoe we het verschil kunnen maken.
François De Smet:
Messieurs les ministres, merci pour vos réponses.
Premier, vous parlez encore d’un monde idéal, avec une pointe de regret que je comprends. Moi aussi, je suis une forme d’atlantiste frustré. Mais le premier Trump aussi, nous pensions que ce serait une parenthèse. Vous l’avez vous-même dit à Davos: le retournement des États-Unis ne date pas des présidences Trump. Il est structurel. Il est stratégique.
Dans ce monde rempli d’imprévisible – monsieur le ministre, j’ai beaucoup aimé que vous ameniez cette notion, parce qu’elle est très vraie – il y a une seule certitude: c’est que nous sommes dans un monde d’empires en résurgence, et que nous sommes trop faibles pour l’instant.
Nous, politiques, faisons en général de bons programmes. Nous nous disons que tout est prévisible et, en fait, nous passons une grande partie de notre temps à combattre la force de l’imprévisible.
La seule manière de combattre ici l’imprévisible, c’est de devenir plus forts – en effet, premier, vous avez raison –, de multiplier des partenariats avec d’autres pays: avec le Canada, avec l’Australie, avec l’Inde, etc.
Cela laisse aussi penser que, entre nous, le nationalisme comme force politique en Europe n’a pas beaucoup d’avenir, paraît daté. Il n’est pas exclu, premier, que d’ici 2029, vous soyez devenu complètement fédéraliste. C’est tout le mal que je vous souhaite.
Els Van Hoof:
Ik ben blij met uw sterke antwoorden want een voorbereide Europese Unie is er twee waard.
Het is een goede zaak dat werd afgezien van een handelsoorlog of militair geweld. Niettemin is waakzaamheid geboden want er zijn diepe wonden geslagen in de trans-Atlantische relaties. Dat moeten wij onder ogen durven zien. Ze helen niet in één nacht.
Ik ben blij dat zowel de premier als de minister zich hebben aangesloten bij de punten die voor cd&v belangrijk zijn. Europa moet zijn tanden laten zien voor het behoud van zijn waarden. Wij moeten steunen op betrouwbare bondgenoten, onze strategische autonomie uitwerken en allianties aangaan met nieuwe democratieën.
Als wij de voorbije week één zaak duidelijk hebben kunnen merken, dan is het wel dat, als wij een internationale wereldorde willen die niet gebaseerd is op dreigementen maar op internationaal recht, wij daar zelf aan moeten werken. Wij mogen ons niet uit elkaar laten spelen want dat is de strategie waarop Poetin speelt, waarop Xi speelt en waaraan Trump op zijn manier ook meewerkt. Wij moeten vooruitgaan met eensgezindheid, vastberadenheid en daadkracht.
Dat begint vanavond op de Europese top. Ik hoop dan ook dat op die top Europese tegenmaatregelen worden voorbereid die kunnen worden ingezet wanneer nodig.
Georges-Louis Bouchez:
Henry Kissinger, dans les années 1970, disait déjà: "Les États-Unis n’ont ni alliés, ni ennemis, juste des intérêts." Certains viennent de découvrir aujourd'hui comment fonctionnait la politique internationale. En fait, aujourd'hui, c'est un peu plus rapide. C'est certainement beaucoup plus brutal. Cela a certainement des conséquences beaucoup plus fortes, mais il n'y a rien de neuf. Il faut arrêter de regarder le monde tel qu'on voudrait qu'il soit. On doit le regarder tel qu'il est. D'ailleurs, le premier ministre parle d'élargir nos alliés. C'est la raison pour laquelle nous devons signer des accords de libre-échange. C'est la raison pour laquelle nous devrions d'ailleurs signer un accord de libre-échange avec l'Afrique, parce qu'il y a là un enjeu essentiel pour les générations futures.
Mais je voudrais aussi prendre l'opposition à témoin. Vous effectuez presque aujourd'hui des danses de la pluie en espérant l'autonomie et la force de l'Europe. Mais pourquoi ne soutenez-vous pas alors nos réinvestissements dans la défense? C'est un passage obligé pour l'autonomie européenne. Pourquoi nous avez-vous bloqués quand nous avons voulu prolonger le nucléaire sous le précédent gouvernement? C'était essentiel pour l'autonomie énergétique. Allez-vous nous suivre si nous voulons supprimer des réglementations afin de permettre à l'industrie de s'installer? Allez-vous nous suivre pour baisser les impôts pour relancer la compétitivité? Allez-vous nous suivre dans des choix politiques courageux qui permettront enfin d'atteindre ce que nous aurions dû atteindre depuis longtemps: la souveraineté européenne?
Benoît Lutgen:
Monsieur le premier ministre, monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie.
Je suis heureux d'apprendre que la Maison-Blanche a confondu la Biélorussie avec la Belgique et je suis désolé d'avoir confondu l'Alaska et le Groenland dans mon intervention.
Je ne sais pas lequel de vous deux résiste et mord le plus. Toujours est-il que personne ne pourra contester ici que la voix de la Belgique est plus forte sur le plan européen et international qu'elle ne l'était voici un, deux ou trois ans, ou même plus loin dans le temps. Pour ma part, c'est une bonne surprise.
Au travers des deux interventions, oui, il est possible d'exprimer fermement et sans s'agiter les intérêts économiques de la Belgique et de l'Union européenne, en rappelant que le droit international constitue une boussole absolue – comme vous l'avez démontré dans de nombreux dossiers et à l'occasion de plusieurs enjeux.
De même, vous rappelez que notre autonomie stratégique est essentielle et qu'il convient d'y travailler à l'échelle européenne. Vous avez, du reste, engagé le gouvernement sur cette voie: autonomie de la défense, autonomie énergétique, autonomie au plan de la santé et de l'alimentation. À ce dernier titre, la production agricole européenne doit être soutenue pour que nous ne soyons pas dépendants demain. Nous sommes déjà suffisamment dépendants pour ne pas le devenir encore davantage.
C'est sur cette voie de la fermeté, en suivant la stratégie qu'applique votre gouvernement, que la Belgique, aujourd'hui plus forte, se renforcera encore et que l'Union européenne, dans son unité, fera résonner la voix de celles et ceux qui se tiennent du côté du droit international.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de premier, u zegt dat onze waardigheid niet te koop is. Hoe geloofwaardig is dat als u 1,5 miljard euro uitgeeft aan elf extra F-35’s? Met mooie woorden en retoriek gaan we het niet halen. Alleen uw daden tellen. Annuleer die aankoop van die extra F-35’s. Put your money where your mouth is . Dat is ook wat Trump doet. Hij onderneemt actie. Er zit methode in zijn waanzin. Die waanzin is te lezen in zijn nationale veiligheidsstrategie, waarin hij zegt dat hij het verzet tegen Europa zal leiden. Die waanzin wordt gedreven door het eigenbelang van een klein clubje superrijken dat de democratie wil vervangen door dwang en daar nog lof voor eist ook. Hij is daar zelf een voorbeeld van, of het nu gaat om olie, mineralen, vaarroutes, schimmige crypto- of techplatformen, ook in Europa. In die waanzin moeten we met een koel hoofd alternatieven uitwerken en vastberaden neen durven zeggen. Het enige instrument dat u vandaag op korte termijn zo concreet kunt inzetten, gebruikt u niet. Als u ongebonden, autonoom en met rechte rug uw waardigheid wilt behouden, dan doet u ook po dat vlak wat mogelijk is. Het is ongelooflijk dat u zelfs op dat vlak vandaag niet thuis geeft.
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de eerste minister, mijnheer de minister, zelfs in dergelijke crisissen schuwt men de grote en ook heel vaak loze woorden niet. Ik heb de woorden respect, loyauteit en waardigheid vaak gehoord, maar dat zijn geen losse zinnetjes of vage begrippen. Het is een engagement, een attitude.
Een sterk Europa heeft inderdaad respect voor internationaal recht en soevereiniteit. Een sterk Europa heeft loyauteit voor nieuwe en oude allianties en voor elkaar. Een sterk Europa heeft een smoel en zal aan de onderhandelingstafel aanwezig zijn wanneer het gaat om vrede voor Oekraïne. Een sterk Europa geeft ons de identiteit die we nodig hebben om er te staan in de wereld, om aan handel te doen en om onze volgende generaties te beschermen.
Dat is wat sterk leiderschap met zich meebrengt en daar kan ik absoluut op u tweeën en op de arizonaregering rekenen, waarvoor dank.
Voorzitter:
Dank u, mevrouw Depoorter, en alle sprekers en de twee ministers. Mijnheer Hedebouw , de heer Bouchez heeft uw naam genoemd, maar niet op een wijze die aanleiding geeft tot een persoonlijk feit.
De budgettaire impact van de VS-handelstarieven en de mogelijke EU-vergelding
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 21 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Vermeersch waarschuwt dat de plannen van Trump voor nieuwe handelstarieven (10% vanaf 1 feb 2026) en EU-vergelding (€93 mld) de Belgische begroting – die volgens hem een "kaartenhuisje" is zonder buffers – zwaar kunnen treffen, met risico’s voor groei, tekort en schuld, gesteund door kritiek van NBB-gouverneur Wunsch. Vincent Van Peteghem erkent dat tarieven de groei kunnen beïnvloeden, maar stelt dat EU-prognoses tot nu toe beperkte impact tonen en dat aanpassingen pas volgen bij concrete signalen, gegeven Trumps onvoorspelbaar beleid. Vermeersch bekritiseert dat de regering geen robuuste risico-inschatting maakt en dringt aan op snelle impactanalyses, wijzend op de "dramatische financiële kwetsbaarheid" van België.
Wouter Vermeersch:
Met een half oog volgen we de toespraak van de president van de Verenigde Staten, Donald Trump ( op het World Economic Forum in Davos ). Ik wil daar inderdaad een vraag over stellen, omdat dit een budgettaire impact kan hebben.
De Verenigde Staten kondigden zeer recent een aantal nieuwe handelstarieven aan voor een achttal Europese lidstaten. Die zouden initieel 10 % bedragen en op 1 februari in werking treden. Als reactie daarop ligt binnen de schoot van de Europese Unie een pakket aan vergeldingsmaatregelen op tafel, de zogenaamde bazooka, ter waarde van maar liefst 93 miljard euro, die reeds op 6 februari 2026 zou moeten ingaan.
Trump merkte trouwens op dat men in Europa niet eens weet wat een bazooka is of hoe men ermee moet werken. In een interview met De Tijd stipte de hoofdeconoom van het IMF aan dat de zopas door het IMF gepubliceerde groeiprognoses eigenlijk al achterhaald zijn, omdat ze ervan uitgaan dat de invoertarieven stabiel blijven op het niveau van 2025. Aanvullend stelde hij dat invoertarieven en vergeldingsmaatregelen een negatieve impact hebben op de economische activiteit. U doet dat trouwens ook in uw begroting. Ook het Monitoringcomité zal wellicht in dezelfde richting geen rekening hebben gehouden met deze nieuwe gegevens.
Bent u het eens met de hoofdeconoom van het IMF wat betreft de impact van die invoertarieven en vergeldingsmaatregelen? Beschikt de regering over indicaties dat België niet gespaard zou blijven van die Groenlandtarieven door de Verenigde Staten? Beschikt u over cijfers die de economische impact van de eerste tarievenslag met de Verenigde Staten op dit land meten? Welke impact kunnen de nieuwe handelstarieven en vergeldingsmaatregelen hebben op het ontwerpbegrotingsplan en op de cijfers uit de initiële begrotingstabel die wij ondertussen hebben ontvangen?
Vincent Van Peteghem:
Als ik het voorbije jaar één zaak heb geleerd, dan is het natuurlijk dat het beleid van president Trump niet zeker is en nog sneller kan wijzigen dan wij soms menen.
Het is in dat opzicht mogelijk dat de invoertarieven niet stabiel zullen blijven ten opzichte van 2025. Dat kan gaan over een verhoging, gelet op de dreigingen en aankondigingen die president Trump de voorbije dagen heeft gedaan, maar evenzeer over een bijsturing naar beneden wanneer het Amerikaanse Hooggerechtshof de tarieven al dan niet als wettelijk zou bestempelen.
De handelstarieven zullen uiteraard een impact hebben op onze groei en op onze cijfers. Ik moet wel opmerken dat de voorspellingen die daaromtrent door de Europese Commissie zijn gemaakt over de groei van de eurozone in het algemeen, eigenlijk weinig impact zagen op de groeicijfers, ook al waren of zijn die tarieven toegepast. De zekerheid biedt op dat ogenblik soms ook een stimulans voor het behouden of constant houden van de groei.
Uiteraard volgen mijn diensten de ontwikkelingen van heel nabij op en zullen wij, wanneer dat nodig is, onze ramingen bijstellen op de momenten dat wij daarvoor indicaties hebben.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, onze vaststelling is dat uw begroting, de begroting van de regering-De Wever, alleen klopt als de wereld perfect draait. Dat is echter niet de realiteit. Het is ook geen robuuste begroting, maar een kaartenhuisje. Dit land zit al op het financiële randje. Dat moeten wij durven te benoemen, zeker hier in de commissie, waarin wij met kennis van zaken en met de juiste cijfers in debat gaan. Dit land kan zich dus geen nieuwe schokken permitteren. Dat heeft de gouverneur van de Nationale Bank van België, de heer Wunsch, al heel vaak benadrukt op allerlei fora en bij verschillende mogelijkheden die hij heeft om die boodschap te brengen. Als invoertarieven en vergeldingsmaatregelen de groei afremmen, wat de verwachting is, raakt dat automatisch aan de ontvangsten, aan het tekort en uiteindelijk aan de dramatische schuld van dit land. Dat is geen ideologische vaststelling, maar boekhoudkundige realiteit. Wij maken ons dus ernstige zorgen, omdat dit land geen enkele buffer meer heeft. Wij weten ook dat, als er een stresstest komt voor dit land, duidelijk is wie de rekening zal betalen. U antwoordt dat u de cijfers en risico’s vandaag niet kunt becijferen, maar wij roepen u wel op om de zaken op de voet te volgen, zeker gezien de precaire financiële toestand van dit land. Daarom roepen wij u op om snel berekeningen te maken en de impact heel snel te kunnen inschatten, zodat wij kunnen bijsturen wanneer dat nodig is.
De aanpak van mensenhandel en economische uitbuiting en de versterkte ondersteuning van steden
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 20 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Achraf El Yakhloufi wijst op een Antwerpse bakkerijcasus met sterke signalen van mensenhandel en economische uitbuiting (lange werkdagen, geen contracten, slechte huisvesting) en bekritiseert dat kwetsbare migranten met precair verblijfsstatuut extra risico lopen, terwijl inspectiediensten moeite hebben met detectie. Minister Van Bossuyt erkent de ernst, verwijst voor operationele samenwerking en bescherming naar Justitie en andere bevoegde ministers, maar benadrukt versterkte controles, sensibilisering en een bestaande regelgeving die slachtoffers (ook irregulieren) beschermt via een specifieke procedure, met aandacht voor opvangcapaciteit en interfederale afstemming. El Yakhloufi bekritiseert het "vingerwijzen" tussen ministers (Asiel/Migratie vs. Justitie) en eist betere bescherming voor klokkenluiders (geen angst voor sancties/verblijfsonzekerheid) plus concrete steun voor steden, die als eerste misstanden signaleren maar onvoldoende middelen krijgen, en stelt dat terreinwerk net zo cruciaal is als wetgeving.
Achraf El Yakhloufi:
Mevrouw de minister, ik verwijs naar mijn schriftelijke vraag.
Mevrouw de minister,
Recent werd in Antwerpen een bakkerij tijdelijk gesloten na ernstige aanwijzingen van mensenhandel. Tijdens een onaangekondigde controle werden vijf werknemers aangetroffen zonder contract, zonder duidelijk werkschema en in bijzonder slechte woon- en werkomstandigheden. De combinatie van extreem lange werkdagen, onofficiële verloning, ontoereikende huisvesting, het ontwijken van sociale bijdragen en een onzeker verblijfsstatuut wijst volgens de lokale diensten op economische uitbuiting en mensenhandel.
Deze casus staat niet op zichzelf. Ze toont opnieuw hoe kwetsbare mensen, vaak met een tijdelijk verblijfsdocument, bijzonder vatbaar blijven voor misbruik, én hoe uitdagend het is voor inspectiediensten om dergelijke situaties tijdig op te sporen.
In dat licht heb ik vijf vragen:
Hoe beoordeelt u deze casus en de vaststellingen die door de stedelijke en federale inspectiediensten zijn gedaan? Ziet u hierin signalen of patronen die structurele aandacht vergen?
Hoe verloopt de samenwerking tussen de verschillende inspectie- en politiediensten bij de opsporing van economische uitbuiting? Zijn er knelpunten die volgens u aangepakt moeten worden?
Een groot deel van de slachtoffers lijkt mensen met een precair verblijfsstatuut te betreffen. Hoe garandeert de regering dat slachtoffers gepast worden beschermd en niet ontmoedigd worden om misstanden te melden?
Ziet u nood aan bijkomende maatregelen, preventief of repressief om economische uitbuiting sneller te detecteren, bijvoorbeeld in sectoren waar veel kwetsbare arbeidskrachten werken?
Tot slot: steden spelen een cruciale rol in de eerste detectie van mensenhandel Hoe zal u steden en gemeenten ondersteunen voor zowel financieel, organisatorisch als via informatie-uitwisseling zodat zij sterker staan in de aanpak van economische uitbuiting en effectieve nazorg voor slachtoffers?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer El Yakhloufi, de inspectiediensten voor de opsporing van arbeidsfraude leveren duidelijk goed werk. Zo konden al handelszaken en bedrijven worden gesloten naar aanleiding van mensenhandel en zwartwerk. Mijn diensten leveren waar nodig de gevraagde ondersteuning.
Met betrekking tot uw vragen inzake economische uitbuiting en de samenwerking tussen politie- en inspectiediensten dien ik u door te verwijzen naar de daartoe bevoegde ministers. Zij zullen u ook kunnen meedelen welke rol de lokale besturen hierbij spelen. Het betreft namelijk niet steeds acties in het kader van mensenhandel of mensensmokkel of illegaliteit.
Zoals in het regeerakkoord werd overeengekomen, worden in de strijd tegen mensenhandel en uitbuiting sociale inspecties, politie en Justitie versterkt en worden controles opgedreven. Er wordt ook ingezet op doelgerichte, grootschalige sensibiliseringscampagnes, die verwijzen naar het centrale aanmeldpunt voor slachtoffers van mensenhandel. Ik wens er wederom op te wijzen dat dit voornamelijk de bevoegdheid van de minister van Justitie is.
In België kunnen slachtoffers, zowel in irregulier verblijf als met een precair verblijf, potentiële slachtoffers van economische uitbuiting of die te werk gesteld zijn in omstandigheden strijdig met de menselijke waardigheid, beroep doen op de specifieke procedure, zoals voorzien in de artikelen 61.2 tot 61.5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
De financiering van de gespecialiseerde centra voor de opvang en begeleiding van slachtoffers van mensenhandel wordt in samenwerking met de deelstaten herbekeken en waar nodig geoptimaliseerd, ook wat betreft het aantal opvangplaatsen. We hebben hierbij bijzondere aandacht voor de complexe interfederale bevoegdheidsverdeling en verduidelijken de respectievelijke verantwoordelijkheden voor zowel meerderjarige als minderjarige slachtoffers, inclusief een geval van noodsituatie die zorgt voor een plotse toename van het aantal slachtoffers, zoals zich de afgelopen jaren meermaals heeft voorgedaan.
Achraf El Yakhloufi:
Mevrouw de minister, ik ben blij dat u bevestigt hoe ernstig de feiten zijn, maar zolang de slachtoffers bang zijn om te spreken, blijven de daders vaak buiten schot. Ik ben blijer dan ik verwachtte door uw antwoord. Ik stel mijn vraag bewust in verschillende commissies, omdat in het regeerakkoord staat dat mensenhandel onder Asiel en Migratie hoort. Oké, daar zijn argumenten voor, al meen ik dat het niet alleen onder Asiel en Migratie hoort, maar ook onder Justitie. Ik stoor me wel aan het vingerwijzen. De minister van Justitie zegt dat ik daarvoor bij de minister van Asiel en Migratie moet zijn en de minister van Economie zegt dat ik daarvoor bij de minister van Justitie moet zijn. Ik vind dat heel lastig. Het is daarom dat ik mijn vraag bewust in de drie commissies stel en op jullie antwoorden wacht. Wat voor mij eigenlijk cruciaal is, is dat wie het slachtoffer is van mensenhandel zich beschermd moet voelen. Die mag geen angst voor sancties of voor verblijfsonzekerheid voelen. Anders blijft alles onder de radar. Tegelijk wil ik onderstrepen hoe belangrijk het is dat we de steden ondersteunen. Zij zien wat fout loopt. Zij zien hoe men de dingen ernstig moet aanpakken. We moeten ze dan ook ernstig ondersteunen. Mensenhandel bestrijdt men niet alleen met wetten, maar ook met aanwezigheid op het terrein. Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister.
De hervorming van het btw-stelsel
De verhoging van de btw op gas
De btw-verhoging
De economische impact van de btw-verhoging op de sectoren en de consumenten
De btw-verhoging in de cultuursector
De btw-verhoging in de categorie sport
De btw-verhoging in de categorie ontspanning
De btw-verhoging voor takeawaymaaltijden
De btw-verhoging voor cultuurorganisaties
De mogelijke btw-verhoging voor de levering van schoolmaaltijden en maaltijden voor wzc's
De btw-verhoging en het specifieke geval van Pairi Daiza
De verhoging van de btw op door autonome gemeentebedrijven (AGB's) beheerde sportactiviteiten
De bezorgdheden van de bioscoop Plaza Arthouse Cinema te Bergen
De bezorgdheden van de hotelsector in Bergen
Het voornemen om het gebruik van gas te ontmoedigen
De willekeur in het kader van de btw-verhoging
De btw-tarieven voor sport en cultuur
De btw op afhaalmaaltijden: definitieslag, uitvoerbaarheid en opbrengstraming
De toepassing van de btw-verhoging in de vrijetijdssector
De gevolgen voor de gemeenten van de verhoging van de btw op sportactiviteiten
De btw-behandeling van koffie- en chocoladedranken
De impact van het uitstel van de btw-aanpassingen op de overheidsinkomsten
De logiessector
De btw voor schoolkantines
Het kerstakkoord over de btw
Btw-hervormingen en hun impact op sectoren, consumenten en overheidsinkomsten
Gesteld door
VB
Lode Vereeck
PTB
Roberto D'Amico
PVDA
Kemal Bilmez
PS
Frédéric Daerden
PS
Frédéric Daerden
PS
Frédéric Daerden
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Marie Meunier
PS
Marie Meunier
PS
Marie Meunier
Open Vld
Alexia Bertrand
Open Vld
Alexia Bertrand
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
PS
Hugues Bayet
MR
Hervé Cornillie
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
PTB
Sofie Merckx
DéFI
François De Smet
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het actualiteitsdebat over de btw-hervorming draait om kritiek op de complexe, onduidelijke en volgens oppositie asociale maatregelen in het begrotingsakkoord 2026, met name de verhoging van btw-tarieven op sport, cultuur, takeaway, horeca en energiekosten, terwijl de regering claimt dat dit budgettair noodzakelijk is en neutraliteitsregels van de EU moet respecteren. Hoofdpunten kritiek/bezorgdheden: - Asociale impact: Oppositie (o.a. Van Quickenborne, Bilmez, Daerden) bekritiseert dat de maatregelen koopkracht aantasten (bv. schoolmaaltijden +€100/jaar, fitness 6%→12%) en armen onevenredig raken, terwijl de regering stelt dat inkomensbelastingverlaging dit compenseert. - Absurde complexiteit: De 48-uursregel voor takeaway (6% vs. 12% btw afhankelijk van houdbaarheid) en willekeurige onderscheiden (bv. opera 6%, popconcert 12%; ontbijtcroissant 6%, middagcroissant 12%) worden als onuitvoerbaar en willekeurig bestempeld, zelfs door meerderheidspartijen (o.a. Vereeck, Bertrand). - Gezondheid vs. belasting: Fitness, sportclubs en gezonde maaltijden worden duurder, terwijl ultrabewerkt voedsel (lange houdbaarheid) fiscale voordelen behoudt – tegenstrijdig met volksgezondheidsbeleid (kritiek van Bilmez, Schlitz). - Sectorklachten: Cultuur (festivals, cinema), horeca en toerisme vrezen klantverlies en concurrentienadeel t.o.v. buurlanden (bv. Daerden, Schlitz wijzen op risico’s voor evenementen als Tomorrowland). Regeringsstandpunt (Jambon): - EU-neutraliteit dwingt tot gelijke behandeling van vergelijkbare producten (bv. warme maaltijd ter plaatse vs. afhaal). - VAT gap (€4,5 mjd misgelopen btw) moet worden gedicht via betere inning (o.a. elektronische facturatie) en tariefaanpassingen. - Uitzonderingen voor non-profitorganisaties (bv. sportclubs onder €30.000 omzet) en cultuur (theater, klassieke muziek blijven 6%), maar geen ruimte voor aanpassingen aan scholen/woonzorgcentra (“slippery slope”). - FAQ beloofd na advies Raad van State (januari 2026), maar geen concrete oplossingen voor urgente knelpunten (bv. lopende abonnementen, schoolkantines). Conclusie: Het debat toont een diepe kloof tussen regeringslogica (budgettaire noodzaak, EU-regels) en praktische/maatschappelijke weerstand (complexiteit, rechtvaardigheid, gezondheid). Oplossingen blijven vaag; oppositie eist herziening, regering houdt vast aan het plan.
Voorzitter:
Collega’s, we starten vandaag met een actualiteitsdebat over de hervorming van de btw en de afspraken die daarrond zijn gemaakt in het begrotingsakkoord.
Om problemen te vermijden, zal ik iedereen met een ingediende vraag het woord geven indien gewenst. Conform het Kamerreglement zullen ook de fracties die geen vragen hebben ingediend eenmaal het woord mogen nemen, ofwel nadat de ingediende vragen zijn gesteld, ofwel tijdens de replieken.
Ik stel ook voor dat de collega’s die vragen hebben ingediend zich beperken tot de spreektijd die normaal gezien toegekend werd aan hun vragen. Iemand die één vraag heeft ingediend, krijgt twee minuten spreektijd. Mijnheer Vereeck, u hebt drie vragen ingediend en krijgt dus zes minuten spreektijd. Collega’s, u hoeft zich echter niet verplicht te voelen om die gekregen tijd volledig te vullen. Na de vragen geef ik het woord aan de minister en kunt u repliceren.
Ik hanteer de volgorde van de indiening van de vragen, als dat voor u goed is. Geen bezwaar? (Nee)
Leden die meerdere vragen hebben ingediend, komen eenmaal aan het woord voor al hun vragen en dienen hun vragen dus te bundelen.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, ik had een eerste vraag ingediend op 10 oktober om een actualisering te krijgen van de effecten van de verlaging en verhoging van de percentages van de btw-stelsels.
Tien jaar geleden heb ik daarrond gewerkt en kende ik dat uit het hoofd. Ik vroeg mij namelijk af wat het geraamde effect zou zijn op de inkomsten van de overheid, indien op alle producten die momenteel onder het tarief van 6 % en 12 % vallen, het tarief van 9 % van toepassing wordt, terwijl het tarief van 21 % op bepaalde producten naar 22 % wordt verhoogd. Daarnaast vroeg ik wat het geraamde effect zou zijn van een harmonisering van de btw-tarieven van 6 en 12 % op de koopkracht. Intussen heb ik geleerd dat dat zeer punctuele vragen zijn. Mijnheer de minister, tenzij u hierover nieuwe informatie hebt, zou ik die vragen dan ook willen omzetten in een schriftelijke vraag. Dat hebt u mij gisteren meegedeeld, waarna ik die zo meteen zal afhalen.
Mijn tweede vraag, die dateert van 14 november 2025, kwam er naar aanleiding van een door ITA, de beroepsfederatie van accountants en bedrijfsrevisoren georganiseerde debat met enkele collega’s op de Heizel in Brussel over de invoering van de elektronische facturatie. Daarin leerden we dat de Belgische schatkist bijna 4,5 miljard euro door onvoldoende naleving van de btw-regels misloopt en daarmee is de kloof wat de naleving van btw-regels betreft, hier een van de diepste van de Europese Unie, zeker wanneer men het bedrag procentueel afzet tegenover de totale btw-inkomsten. We laten daar dus bijzonder veel middelen liggen. Als de btw volledig correct werd geïnd, zou dat meteen een bijkomende opbrengst van 4,5 miljard euro betekenen. Aangezien de regering volgens de geruchtenmolen begin november zou mikken op 3,5 à 4 miljard euro aan nieuwe btw-inkomsten via een verhoging van de tarieven, rijst vanzelfsprekend de vraag of er in plaats daarvan niet aangewezen is om sterker in te zetten op een betere inning. Vandaar volgende vragen.
Mijnheer de minister, ten eerste, welke maatregelen neemt de regering om de btw-kloof te dichten?
Ten tweede, tot welk niveau en binnen welke termijn wil de regering de kloof verkleinen? Dat is een typische vraag vanuit het perspectief van reguleringsimpactanalyse, aangezien het, net zoals bij verkeersongevallen, niet realistisch is om te streven naar een absoluut nulpunt. Dat zou immers zeer drastische maatregelen vergen. Het doel moet zijn om alle vermijdbare gevallen te voorkomen.
Ten derde – dit is mijn kernvraag –, wat is volgens de regering de impact van de elektronische facturatie, dus van Peppol op de btw-kloof?
Mijn vierde vraag luidde welke bijkomende maatregelen de regering neemt in het kader van de btw-verhoging of -hervorming. Mijn vijfde vraag, die punctueel is, zal ik schriftelijk stellen.
Ondertussen is er uiteraard veel gebeurd. Er hebben begrotingsbesprekingen plaatsgevonden en er zijn beslissingen bekendgemaakt. De begrotingsnotificaties en de begrotingstabel die ons na afloop van de bespreking in de plenaire vergadering werden bezorgd, zijn evenwel niet heel erg duidelijk; daar zit als het ware wat ruis op.
Mijn oorspronkelijke vraag, die intussen grotendeels is uitgeklaard, betrof de budgettaire impact van de btw-hervorming met de verschillende btw-aanpassingen. Meer specifiek, gelet op de tijdskloof tussen het begrotingsakkoord en de begrotingsnotificaties, rijst de vraag hoe realistisch de raming is van 158 miljoen euro die in 2026 wordt verwacht uit de btw-verhoging op hotels en campings. Hoe schat de regering die opbrengsten vandaag in?
Hetzelfde geldt voor de 253 miljoen euro die in 2026 wordt verwacht uit de btw-verhoging op sport en ontspanning. Blijft die raming overeind en op welke manier is die berekend?
Ten slotte is er de wellicht belangrijkste vraag, namelijk die over de budgettaire impact ten belope van 222 miljoen euro die in 2026 wordt verwacht door de btw-verhoging op takeaway, gecombineerd met de btw-verlaging op niet-alcoholhoudende dranken. Intussen is daarover veel onduidelijkheid weggenomen. We weten nu dat de verhoging enkel geldt voor bereide voeding met een houdbaarheidsdatum van meer dan twee dagen. De vraag blijft echter of die raming van 222 miljoen euro overeind blijft. Daarnaast wens ik verduidelijking over een concreet geval: wanneer een diepvriespizza in een pizzeria wordt opgewarmd, valt die dan onder het lagere btw-tarief?
Roberto D'Amico:
Monsieur le ministre, le gouvernement envisage d'augmenter les accises sur le gaz. Il indique dans son tableau budgétaire vouloir récupérer 365 millions d'euros pour le budget fédéral. Le premier ministre a déclaré au Parlement que cette hausse d'accises correspondait à une croissance équivalant à 12 % de TVA d'ici 2030. Aujourd'hui, plusieurs chiffres circulent concernant l'impact pour un ménage belge qui se chauffe principalement au gaz.
Monsieur le ministre, confirmez-vous que ces 365 millions d'euros correspondent à 12 % de TVA sur le gaz? Quel sera le coût additionnel de cette hausse d'accises sur la facture de gaz pour un ménage moyen? Par ailleurs, j'ai introduit une question écrite sur le surcoût pour les différents types d'entreprises. J'attends vos réponses avec impatience.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik wil beginnen met een open brief die ik gekregen heb. Ik meen dat u die ook gekregen hebt. Hij was afkomstig van een zekere Eric Vandenabeele, ondervoorzitter van fitness.be. Ik hoop dat u die brief goed gelezen hebt. Ik zal er toch een stukje uit citeren.
Hij schrijft het volgende: “Elk nieuw jaar wensen politici ons hetzelfde toe: een goede gezondheid. Dat klinkt warm, menselijk en geruststellend, maar de woorden alleen volstaan niet. Wie gezondheid echt belangrijk vindt, moet dat ook durven tonen in het beleid. Voor wie vandaag wil investeren in zijn fysiek en mentaal welzijn maakt u dat concreet duurder. U verwijst vaak naar gezondheid als argument om keuzes te maken. Preventie wordt bejubeld in speeches, maar ontmoedigd in de praktijk. Onze samenleving besteedt jaarlijks miljarden aan zorg, behandeling en ziekte. Dat is noodzakelijk. Maar het is niet logisch dat preventie, nochtans bewezen effectief, systematisch achteraan in de rij staat. Bewegen, fitness en sporten zorgen voor een grote sociaaleconomische return. Fittere mensen zijn gezonder, gelukkiger, productiever en langer zelfstandig.” Maar wat doet uw regering met deze btw-verhoging? U verdubbelt de belasting op sport en fitness, misschien wel de belangrijkste preventiefactor voor de volksgezondheid.
Mijn eerste vraag is, hoe rechtvaardigt u dat?
Een tweede aspect van uw btw-verhoging betreft de jongeren. In al uw asociale maatregelen gebruiken u en uw meerderheid telkens het argument dat u het doet voor de jongeren. U breekt de pensioenen af zodat jongeren in de toekomst een fatsoenlijk pensioen kunnen hebben.
Maar wat doet u, opnieuw, met deze btw-verhoging en voor de jongeren nu? U verdubbelt de belasting op sport, op fitness, op films, op festivals, op concerten. Eigenlijk op alles wat de jeugd doet om zichzelf beter te voelen en om plezier te maken. Daar heb ik eigenlijk dezelfde vraag. Hoe rechtvaardigt u deze verdubbeling van de belasting op de dingen die de jeugd elke dag gebruikt?
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, puisque cette commission organise un débat d'actualité – et j'en suis heureux – je reviendrai sur l'ensemble des augmentations de TVA prévues dans votre accord budgétaire 2026.
Vous avez annoncé une augmentation des taxes sur la consommation à hauteur de 1,6 milliard. Vous avez délibérément décidé d'augmenter la facture de toute une série de produits et de services en allant chercher dans la poche des travailleurs et de la classe moyenne: augmentation de la facture de gaz, du prix du mazout, du prix du plein d'essence et de diesel, etc. Vous vous attaquez également aux secteurs du tourisme, de l'horeca, du sport, de la culture et du loisir. L'augmentation de la TVA sur ces secteurs pèsera à la fois sur le pouvoir d'achat des citoyens et sur les secteurs concernés. En outre, ce relèvement de la TVA, qui s'ajoute à l'austérité imposée dans les régions et communautés, aura des répercussions en cascade sur bon nombre d'activités économiques et sur l'ensemble de la société.
Monsieur le ministre, avez-vous une idée de l'impact que l'augmentation de ces taxes pourrait avoir sur les activités économiques dans les secteurs touchés? Pourriez-vous me communiquer une analyse d'impact secteur par secteur? Avez-vous également chiffré l'impact de toutes ces augmentations de taxes sur les différents budgets des ménages? De plus, pourriez-vous me préciser à quel moment ces augmentations de TVA seront effectives? J'entends parler du mois de mars, mais pourriez-vous confirmer cet élément afin de ne pas laisser tous ces secteurs et consommateurs dans l'incertitude?
De manière plus spécifique, j'aimerais revenir sur les plats à emporter. Monsieur le ministre, la manière dont vous avez décidé de gérer l'augmentation de la TVA sur les plats à emporter relève de l'absurde. Je pense que je ne suis pas le seul à le penser. Si un plat a une date de conservation de 48 heures ou moins, ce sera 12 %. Si ce plat a une date de conservation supérieure, cela reste 6 %. Vous pénalisez le frais et vous favorisez les produits ultra-transformés. Non seulement c'est incompréhensible, mais cela semble n'avoir aucune logique, ni en termes de santé publique, ni en termes de soutien à l'économie locale.
Mais ce n'est pas tout. Vous avez confirmé en plénière que le doublement de la TVA toucherait des services de restauration collective de prise en charge de publics vulnérables. Vous taxez les cantines scolaires, mais aussi les repas livrés dans les homes ou à domicile.
Concernant ce point, j'ai une question très précise. On sait que le curseur est la date de conservation du plat à emporter. Un plat livré par un CPAS – par la Centrale de services à domicile (CSD) pour parler d'un fournisseur local à Liège – peut se conserver en moyenne pendant cinq jours. Le consommateur peut dès lors décider de le mettre au frigo et de le consommer trois jours après la livraison. Quel taux est alors applicable?
Même raisonnement pour ce qui est des écoles. Toujours selon le critère du nombre de jours de conservation du plat et non de la date de consommation, si je livre un plat fraîchement préparé, il se garde plusieurs jours. Quand bien même les enfants le mangeraient le jour-même, la TVA applicable ne devrait-elle pas être de 6 %, puisqu'il peut se conserver plusieurs jours?
J'en viens à présent à la culture, le sport et les loisirs. Dans votre tableau budgétaire, on peut lire que l'augmentation de la TVA sur les sports et loisirs rapporterait 253 millions d'euros à partir de 2026. Vous taxez donc la culture, les établissements sportifs et de loisir: l'abonnement à la salle de sports, l'entrée au jardin des plantes, au parc d'aventure, au bowling… Tout cela sera plus cher. Le moins que l'on puisse dire, c'est que votre gouvernement n'aime ni la culture ni les artistes. J'en veux pour preuve la multiplication des attaques contre les travailleurs des arts et de la culture, notamment lorsque vous avez tenté de détruire leur statut en le limitant dans le temps, ou quand vous attaquez leurs pensions en voulant leur faire perdre des centaines d'euros par mois, en ne valorisant pas plus de neuf années de statut. Ici, vous décidez d'augmenter le prix d'une représentation de théâtre, d'une place de cinéma, de concert, de festival. Pour revenir quelques instants sur le cas particulier des festivals, ceux-ci subiront de plein fouet vos augmentations de taxes sur les billets d'entrée mais aussi sur les food trucks , sur les hôtels avoisinants… Bref, vous décidez de plomber tout un pan de l'activité économique.
Dans les notifications budgétaires, je lis que "pourraient être exclues les 15 premières représentations théâtrales, musicales (hors festival), lyriques, chorégraphiques ou de cirque" ou que, deuxième piste, "une exonération pourrait être prévue pour les chorégraphies, les spectacles et le théâtre". Monsieur le ministre, avez-vous reçu ces avis juridiques?
Augmenter le prix des places de concert, de festival, de cinéma, mais aussi des matchs de basket, de foot, crée un casse-tête immédiat chez les opérateurs. Quid de la répercussion sur les prix? Doivent-ils augmenter les prix de 1 ou 2 euros par ticket? Quid de l'absorption des pertes sur les billets prévendus? Quid du risque que les spectacles soient plutôt organisés à Lille, au Luxembourg?
Monsieur le ministre, les secteurs culturels et touristiques, fragilisés à la suite de la pandémie du covid, dont la fréquentation est en hausse, mais incertaine, anticipent une baisse de public, des marges rognées et des délocalisations. Quel sera l'impact économique de vos augmentations de taxes sur l'ensemble de ces secteurs?
Concernant le sport, j'aimerais connaître précisément le champ d'application de la hausse de TVA à 12 % sur les activités sportives gérées par les régies communales autonomes. Cette augmentation englobe-t-elle la totalité des prestations relatives aux infrastructures sportives municipales telles que la location d'installations, l'organisation d'activités et de courses sportives, ainsi que les services accessoires?
Des exemptions ou taux réduits restent-ils applicables, notamment dans le cas d'activités exercées par des ASBL poursuivant des buts non lucratifs et proposant exclusivement des prestations pour favoriser l'exercice du sport chez les résidents?
Comment le gouvernement justifie-t-il l'augmentation du prix de la pratique du sport à la lumière de l'enjeu de santé publique que représente la pratique du sport?
Voilà, monsieur le ministre, les nouvelles questions que je voulais vous poser concernant les augmentations de la TVA. Le moins que l'on puisse dire, c'est que le flou règne toujours, ce qui accroît encore l'injustice de vos mesures!
Voorzitter:
M. Daerden sera le seul intervenant du groupe PS sur ce sujet. Les questions de M. Bayet (n° 56011178C, n° 56011180C, n° 56011181C, n° 56011182C, n° 56011183C, n° 56011212C, n° 56012097C) et de Mme Meunier (n° 56011260C, n° 56011261C, n° 56011317C) sont considérées comme reprises dans les questions de M. Daerden.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik focus op de nieuwe btw-tarieven voor sport en cultuur. Om budgettaire zuurstof te geven, hebt u een post 'sport en ontspanning' gevonden. Op die post verhoogt u de btw van 6 % naar 12 %. Dat is een maatregel die goed is voor maar liefst 253 miljoen euro extra belastingen.
Het probleem dat ik vooral heb, is dat de grens die u trekt tussen wat volgens u cultuur is en dus op 6 % blijft en wat ontspanning zou zijn en dus naar 12 % gaat, van fiscale willekeur getuigt. Ik durf zelfs te opperen dat die lijn aan elitarisme grenst. U stelt dat cultuur gevrijwaard blijft van de btw-verhoging, maar dat sport en ontspanning duurder worden. Dat klinkt mooi in theorie, maar ik begrijp nog steeds niet waar u in de praktijk de grens legt.
De pers meldde dat bioscoopvoorstellingen naar 12 % gaan. Betekent dat concreet dat een avondje opera of theater, de zogenoemde hoge cultuur, wel op 6 % blijft? Indien het antwoord 'ja' is, kunt u mij dan uitleggen waarom opera cultuur is en een kwaliteitsfilm plots louter ontspanning zou zijn? Waarom wordt het gezinsuitje in de cinema fiscaal gestraft terwijl de gesubsidieerde cultuur de dans ontspringt? Is dat de definitie van fiscale rechtvaardigheid?
Nog zorgwekkender is de mogelijke impact op onze lokale sportclubs. Voor een match in eerste klasse is de btw-verhoging misschien nog verteerbaar. Geldt dat echter ook voor de kleine lokale club die toegangsgeld vraagt voor een jeugdtoernooi om de kas te spijzen of voor de kantine van de tennisclub? Zult u de duizenden vrijwilligers die Vlaanderen draaiende houden, opzadelen met een complexe btw-administratie en een verplichte prijsverhoging of zult u een expliciete uitzondering maken voor de amateursporter? Indien ja, waar legt u dan precies de grens?
Mijn laatste vraag gaat opnieuw over contractbreuk, die stilaan een gewoonte lijkt te worden van Arizona. U houdt de lopende contracten immers waarschijnlijk niet buiten scope . Als dat anders is, weet ik dat heel graag van u. Waarom geef ik dat aan? Als iemand een abonnement tekent voor twaalf maanden, bijvoorbeeld eind 2025, maar maandelijks betaalt via domiciliëring, dan zullen alle sportclubs of sportactoren in 2026 meer btw betalen voor een bestaand contract. Er ontstaat dus een verschil tussen mensen die voor twaalf maanden hebben getekend, maar maandelijks betalen en mensen die alles vooraf betalen en dus wel buiten scope zouden vallen. Hebt u daarover iets concreets beslist of gaat het opnieuw om een contractbreuk voor de lopende contracten en voor de mensen die aan sport doen? De impact zou ter zake niet zozeer bij de abonnees of leden liggen, maar bij de sportclubs die hun contracten ondertussen hebben verkocht tegen een lager btw-tarief.
Ik dank u voor uw antwoorden.
Vincent Van Quickenborne:
Ik heb twee vragen met betrekking tot de btw. Eerst wil ik het hebben over de maaltijden in scholen, woon-zorgcentra en crèches. U hebt daarover vorige week in de plenaire vergadering, na die zes interpellaties, gezegd dat het btw-tarief op die maaltijden van 6 % naar 12 % gaat. Dat was voor heel veel scholen en woon-zorgcentra een koude douche.
Stel dat u drie kinderen hebt. Er zijn 150 schoolmaaltijden per jaar per kind, samen goed voor 450 maaltijden. De btw-verhoging op een maaltijd van 4 euro, van 6 % naar 12 %, is een verhoging van 0,24 euro. Ik weet dat dat voor een minister misschien weinig betekent, maar voor gewone mensen betekent dat een verhoging van de schoolfactuur met meer dan 100 euro. Meer dan 100 euro, voor gewone mensen.
Intussen is er een partij die in uw regering zit, Vooruit, die allerlei beloftes doet over gratis maaltijden en gezonde maaltijden, maar daar komt niets van terecht. We hebben het voortdurend over lege brooddozen en over kinderen die met een zak chips naar school worden gestuurd. Wat u doet, is de belangrijkste maaltijd voor kinderen en ouders, de middagmaaltijd, de belangrijkste maaltijd, gewoon duurder maken.
Ik dacht dat de minister tot inzicht zou komen. Wat lees ik echter opnieuw? Uw kabinet, dus u, reageert enkele dagen geleden in De Standaard met het volgende citaat: "Er zijn daar eindeloze discussies over gevoerd. Als er dan een uitzondering wordt toegestaan, wat is dan de volgende? Het gaat maar over beperkte bedragen, we gaan daar niets aan veranderen." Einde citaat. Ik heb maar één vraag. Blijft u bij dat standpunt, of bent u vandaag bereid hier, in deze commissie, in dit Parlement, te zeggen dat u dat toch gaat veranderen en dat u dat tarief toch niet zult aanpassen? Dat is mijn eerste vraag.
Mijn tweede vraag gaat over iets totaal anders, namelijk over de btw op koffie. In uw koninklijk besluit staat dat aan het btw-tarief van 12 % zijn onderworpen: geserveerde koffies – warm of koud van het type frappuccino –, thee en warme chocolademelk die warm worden geserveerd, smoothies en verse sappen, bereid en klaar voor consumptie. Kunt u bevestigen dat alle frappuccino’s effectief onder het btw-tarief van 12 % vallen, ongeacht de samenstelling, de temperatuur en de presentatie? Hoe zit het met cappuccino’s en americano’s? Vallen die ook onder 12 % of onder 6 %? Vervolgens een vraag die veel Vlamingen en Belgen zich stellen. Hoe zit het met gewone koffie? Bedraagt het btw-tarief daarvoor 6 % of 12 %?
Ik drink gemberthee. De eerste minister heeft onlangs gezegd dat er meer gemberthee moet worden gedronken in de regering omdat ze nog voor budgettaire uitdagingen staat. Geldt die 12 % voor alle soorten thee of enkel voor bepaalde soorten? Indien ja, welke precies? Ik heb deze vragen ingediend en reken op een duidelijk antwoord. Mijn Julia's koffie- en theebar heeft dat ook gevraagd.
Ten slotte, wat betreft chocolademelk, in uw tekst staat dat chocolademelk die warm wordt geserveerd onder 12 % valt. Wat doet u met chocolademelk die koud wordt geserveerd? Wordt dat ook 12 % of blijft dat 6 %?
Dit zijn heel duidelijke vragen over koffie, thee en chocolademelk en wij rekenen, zoals altijd, op een heel duidelijk antwoord. Waar zijn ze toch mee bezig?
Sofie Merckx:
Monsieur le ministre, je pense que beaucoup de questions ont déjà été posées. Il est vrai que la séquence en devient terriblement gênante pour le gouvernement, non seulement dans le dossier de la TVA mais aussi de manière générale. À chaque fois, vous dites qu’un accord existe et, dès que l’on pose la moindre question, tout semble ficelé n’importe comment. C’est le cas pour l’indexation des salaires, dont on parlera dans d’autres commissions, mais aussi ici.
Votre volonté d’aller chercher l’argent chez les gens et non chez les riches vous amène à une créativité sans nom. Même ChatGPT en est incapable, j’ai fait le test. Ce que l’on constate également, c’est un véritable danger pour la santé publique, notamment en lien avec les dates de péremption. De nombreuses questions sont posées à ce sujet, parce que c’est la solution que vous avez trouvée à toutes les questions relatives aux plats à emporter. Mais il existe effectivement un risque réel.
Ma question va dans le même sens que celle de M. Van Quickenborne. Nous avons constaté que non seulement la mesure est absurde et dangereuse pour la santé publique mais qu’elle est aussi asociale. En effet, les cantines scolaires, les cantines en maison de repos et les crèches vont être touchées. Cela a été confirmé lors du débat de la semaine passée et Mme Glatigny a déclaré dans La Libre de ce week-end qu’elle vous avait envoyé – ou qu’elle allait vous envoyer – un courrier afin de demander une exemption.
C’est tout de même le comble! Alors que l’on parle de nourriture saine pour les enfants, que l’on sait qu’il existe un grand problème de pauvreté infantile et qu’un projet avait été mis en place pour offrir à certains enfants des repas gratuits, le gouvernement Arizona réduit déjà ce projet. Ici, tous les parents risquent d’être touchés par une hausse de la facture des cantines scolaires, mais aussi en maison de repos et en crèche.
Monsieur le ministre, avez-vous reçu le courrier de Mme Glatigny? Allez-vous prévoir une exemption pour les cantines scolaires?
Voorzitter:
M. De Smet n'est pas présent. La parole est à Mme Schlitz pour quatre minutes.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le président, pour la souplesse, étant donné qu'il y a eu un petit couac avec certaines de mes questions. Tout est bien qui finit bien, du moins nous l'espérons.
Monsieur le ministre, après plusieurs kerns infructueux, la réunion du Conseil des ministres restreint du 23 décembre a enfin pu affiner sa réforme et prendre plusieurs décisions sur la façon dont l'application du changement du taux de TVA allait se décliner.
Nous avons pu constater dans la foulée que de nombreuses incohérences en découlaient, suscitant des interrogations légitimes de la part des différents acteurs qui vont être concernés par ces changements qui entrent en vigueur le 1 er mars 2026. Le temps presse pour éclaircir les différents aspects de cette réforme et permettre aux acteurs de se projeter dans le futur, étant donné que ce sont quand même leurs recettes qui vont être directement concernées.
Ma première question concerne le secteur de la culture, où la TVA passe de 6 à 12 % pour ce qui est considéré comme du divertissement et de la culture lucrative. Les festivals, les musées, les matchs de sport, les concerts, et j'en passe, subiront donc une augmentation de TVA. Cette décision va avoir un impact direct sur l'accessibilité des loisirs pour la population. Certains acteurs culturels ont déjà annoncé une hausse des prix, comme le Spirou de Charleroi ou encore le Forum de Liège.
Les festivals se trouvent vraiment au cœur de la réforme, puisque en plus de la hausse de la TVA sur leurs billets, le prix des nuits de camping va augmenter, la nourriture vendue dans les food trucks va également être soumise à une augmentation de la TVA. Bref, il ne manquerait plus qu'une augmentation de la TVA sur les boules Quies pour que le tableau soit complet.
Monsieur le ministre, je n'ai pas besoin de vous expliquer que le taux de TVA, qu'on le veuille ou non, est un outil de transformation sociétale puissant. Je ne peux que constater que vous avez joué à l'apprenti sorcier. Il y a des conséquences que vous n'aviez visiblement pas prévues – c'est quand même très inquiétant – et qui aujourd'hui vont avoir des impacts sur les comportements des consommateurs et sur la capacité même de survie de certains acteurs.
Pouvez-vous m'expliquer quelles logiques ont sous-tendu ces augmentations? Avez-vous eu des contacts avec les festivals et autres acteurs culturels qui sont soumis à un prix fixé par une autorité? Comment ces acteurs vont-ils absorber cette hausse de la TVA?
Pouvez-vous nous confirmer que lorsque l'organisateur a déjà vendu des billets en 2025 pour un spectacle qui aura lieu en 2026, le taux de TVA à 6 % sera bien maintenu et qu'il n'y aura pas une répercussion ultérieure?
Comment allez-vous vous assurer que cette hausse de la TVA, qui est bien plus grande en Belgique qu'en France, au Luxembourg ou en Allemagne, ne fera pas fuir les organisateurs de festivals, de concerts ou autres acteurs culturels?
Ensuite, en ce qui concerne les plats à emporter, les produits frais mis en vente rapide avec une date limite de consommation de deux jours verront leur taux augmenté à 12 %, tandis que les produits avec une date limite de consommation de trois jours, conserveront un taux à 6 %. À cet égard, une série de questions spécifiques se posent quant à la façon dont cela pourra s'appliquer.
Comment déterminer le taux de TVA? À quel moment de la mise en vente du produit la TVA est-elle fixée? Ce prix est-il évolutif? Par exemple, si une gaufre est mise en vente le lundi avec une date limite de consommation au mercredi, le vendeur va-t-il devoir changer l'étiquette 48 heures avant la date limite de consommation? Confirmez-vous qu'un même produit, selon qu'il soit vendu dans un emballage classique ou sous vide, se verra appliquer un taux de TVA de 6 ou 12 %? Ou encore, y a-t-il une période de transition pour permettre aux grandes surfaces et aux commerçants de s'adapter à ces nouveaux taux de TVA? Si oui, de combien de temps? Je pense notamment aux bouchers et boulangers qui vont devoir jongler entre différents taux de TVA.
Enfin, votre réforme va engendrer une augmentation de la TVA sur les repas scolaires. Comptez-vous prévoir une exception pour ce secteur? On a vu la ministre MR concernée en Fédération Wallonie-Bruxelles se lamenter de cette répercussion. On est quand même un peu désolé pour elle, mais ce sont ses partenaires du même parti qui ont négocié cela au sein du gouvernement fédéral. On rit jaune en ce qui nous concerne. Comptez-vous revenir sur cette décision? Ou ne s'agit-il en fait que d'une posture, de manière à ce que la ministre en question puisse dire qu'elle aura essayé? Ensuite, cela passera comme ça et les écoles, les crèches, les maisons de repos seront finalement impactées par cette augmentation de la TVA.
Jan Jambon:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijn antwoord gaat over alle gestelde vragen inzake de wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 20, dat de verschillende tarieven regelt inzake btw.
Voorafgaandelijk deel ik u mee dat de ontwerptekst van het KB op dit moment voor advies is verzonden naar de Raad van State. Naar aanleiding van dat advies zijn er nog aanpassingen mogelijk. Ik zal dus antwoorden geven op basis van de tekst zoals die naar de Raad van State is verzonden. De regering moet zich echter nog in tweede lezing over de tekst buigen. Met dat uitdrukkelijk voorbehoud zal ik niettemin het Parlement zo goed en uitgebreid mogelijk proberen te antwoorden op alle vragen, zoals ik altijd tracht te doen.
Tout d'abord, en ce qui concerne les questions relative au budget, j'ai déjà expliqué à plusieurs reprises les estimations budgétaires en séance plénière. Il n'y a toutefois aucun problème, je les partagerai à nouveau, une par une, en toute transparence. Estimer les recettes TVA est une tâche difficile. L'administration se base par exemple sur les chiffres du budget des ménages de Statbel afin d'établir l'estimation la plus précise possible.
De volgende bedragen zijn opgenomen in de begrotingsnotificaties. Voor hotels en campings is er een raming van de FOD Financiën, die een opbrengst voorziet van 158 miljoen euro, voor sport, cultuur en ontspanning 253 miljoen euro en voor de btw-verhoging voor takeaway 361 miljoen euro. De btw-verlaging in de horeca voor non-alcoholische dranken werd geraamd op 139 miljoen euro. Dat verschil stond in de tabel tussen die twee tarieven. De btw op pesticiden moet volgens een raming van de FOD Financiën 53 miljoen euro opleveren.
Wat de vragen over de impactanalyses betreft, heb ik begrepen dat de premier een analyse heeft gevraagd van het Planbureau van de verschillende maatregelen uit het begrotingsakkoord. Zoals altijd gebruiken we een raming bij een begrotingsopmaak. De monitoring zal plaatsvinden bij de volgende begrotingscontrole. Als de ministerraad maatregelen aanpast of bijstuurt, zal bij de volgende controle een correctie gebeuren. Die werkwijze is niet nieuw. Dat was onder alle vorige regeringen ook het geval.
Ik kom nu tot de inwerkingtreding.
L'entrée en vigueur des mesures est prévue au 1 er mars 2026. Nous voulons ainsi donner aux entreprises le temps nécessaire pour effectuer les adaptations requises. Il a déjà été tenu compte de ce report jusqu'au 1 er mars, comme M. Vereeck l'a déjà mentionné.
Cela représente un coût estimé à environ 105 millions d'euros. Dès lors, les réservations effectuées en 2025 pour des séjours qui auront lieu après le 1 er mars 2026 restent soumises au taux de 6 %, pour autant que la TVA due sur ces opérations soit devenue exigible avant le 1 er mars 2026, ce qui est le cas à concurrence du montant payé par le client.
Les règles en vigueur en matière d'exigibilité de la TVA continuent donc à s'appliquer. Lorsqu'un paiement a eu lieu avant le 1 er mars 2026, le taux de TVA de 6 % est donc en principe applicable, même si le séjour n'a lieu qu'après le 1 er mars 2026.
Mijnheer Vereeck, u vroeg verschillende berekeningen op, maar de door u gevraagde ramingen worden niet voorgesteld door de regering. Daarom heb ik niet aan de FOD Financiën gevraagd om de budgettaire impact van uw voorstellen te berekenen.
Mijn antwoord is hetzelfde voor de vragen van de heer Bilmez, de heer D'Amico, mevrouw Meunier en de heer Daerden. Er is geen btw-verhoging op aardgas. De regering heeft die maatregel niet in aanmerking genomen. Het heeft dan ook weinig zin om ze hier te bespreken.
De andere antwoorden heb ik per thema proberen te structureren.
Met betrekking tot het btw-tarief voor sport, cultuur en vermaak kan ik in het algemeen het volgende stellen. Het btw-tarief voor de toekenning van het recht op toegang tot een inrichting voor cultuur, sport en vermaak wordt van 6 % op 12 % gebracht.
Sont visées les prestations de services consistant en l'octroi du droit d'accéder à certaines installations de divertissement actuellement taxées au taux de 6 % en vertu de la rubrique XXVIII du Tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20.
Het betreft dus enkel de activiteiten die vandaag geen btw-vrijstelling genieten krachtens artikel 44, § 2, 7de of 9de, van het btw-wetboek.
La présente mesure ne modifie en rien le champ d'application de la taxation pour ces opérations, seul le taux applicable varie.
In de huidige tekst van het ontwerp van koninklijk besluit, die voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State, zal die tariefverhoging daarentegen niet van toepassing zijn op theater, straattheater, choreografieën, opera, klassieke muziekvoorstellingen en circus. Derhalve worden, wanneer zij momenteel reeds aan belasting zijn onderworpen, bedoeld de toegang tot sportinrichtingen als beoefenaar of als toeschouwer, zoals fitness- of danszalen, of de toegang tot sportmanifestaties die tegen betaling toegankelijk zijn, zoals voetbal, basketbal, enzovoort, de toegang tot musea, monumenten, sites, aangelegde parken, avonturenparken, sauna's, bowling, karting, escaperooms, botanische en zoölogische tuinen, muziek- en/of zangconcerten, met uitzondering van opera en klassieke muziek, ongeacht of zij in openlucht of in een zaal plaatsvinden, in het kader van een bijzonder evenement of een festival, filmvoorstellingen, goochelvoorstellingen, stand-upvoorstellingen enzovoort, de toegang tot tentoonstellingen of conferenties.
Nu kom ik tot de specifieke vragen van mevrouw Bertrand. De verhoging van het btw-tarief naar 12 % heeft enkel betrekking op de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor sport, zoals toegangsgeld voor sportwedstrijden, en niet op het verschaffen van dranken in de kantines. In dat laatste geval zal er een verlaging van het btw-tarief van toepassing zijn van 21 % naar 12 %, met betrekking tot het verschaffen van niet-alcoholische dranken. In het licht daarvan moet de impact van de tariefhervorming voor sportclubs dus worden genuanceerd.
Voor de kleine amateurclubs zal bovendien de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van toepassing kunnen zijn. In dat verband wijs ik erop dat de intentie van de regering is om de vrijstellingsdrempel voor die kleineondernemingsregeling gradueel te verhogen van 25.000 euro naar 30.000 euro. Dat is maatregel nr. 65 van het kmo-plan van de regering.
Nu kom ik bij de specifieke vraag van de heer Bayet, al is hij niet aanwezig.
M. Bayet est absent mais, par politesse, je vais malgré tout répondre à ses questions.
Ik heb het daarnet in het Nederlands gezegd, maar voor de heer Bayet en consorten antwoord ik nu in het Frans.
Pour M. Bayet et consorts, je vais donc vous le dire en français.
Si les activités, notamment proposées par des parcs animaliers ou zoologiques, sont sans but de lucre, elles demeureront exemptées de TVA si les recettes réalisées couvrent les frais engagés par ces organismes. Les parcs animaliers ou zoologiques gérés par des autorités publiques ne sont pas non plus concernés, dans la mesure où leurs opérations sortent du champ de la TVA.
Dès lors que les tickets d’entrée du parc Pairi Daiza sont actuellement soumis au taux de TVA de 6 %, ceux-ci seront à l’avenir soumis au taux de TVA de 12 %, comme ce sera le cas pour les parcs similaires qui ne bénéficient pas de l’exemption de TVA. Aucune exemption n’est prévue spécifiquement pour ce parc ou pour tout autre opérateur visé par cette mesure, conformément aux principes de neutralité fiscale tels que développés par la Cour de justice de l’Union européenne.
La vente de nourriture et de boissons doit être analysée selon les circonstances de fait et peut relever soit du taux de TVA de 6 %, soit du taux de TVA de 12 %, soit, le cas échéant, du taux de TVA de 21 % pour la fourniture de boissons, en fonction de la possibilité de manger et de boire sur place ou non, ce qui détermine s’il s’agit d’une livraison de biens ou d’une prestation de services de restaurant.
En ce qui concerne la question de Mme Schlitz, aujourd’hui encore, la législation actuelle en matière de TVA prévoit que certaines activités sont taxées, tandis que d’autres sont exonérées, sous les conditions de l’article 44 du Code de la TVA. Si cela donne lieu à une distorsion de concurrence injustifiée, l’administration fiscale interviendra.
Pour la question de M. Cornillie, j'applique la même politesse. En matière de taux de TVA, nous devons respecter le principe de neutralité. La Cour de justice de l’Union européenne l’a confirmé dans de nombreux arrêts. C’est tout simplement le cadre juridique dans lequel nous devons travailler. Ce principe prévoit que des biens et services présentant des caractéristiques similaires pour le consommateur moyen doivent bénéficier du même traitement fiscal.
Sont visées certaines activités qui ne bénéficient pas d’une exemption de TVA en vertu de l’article 44, § 2, 3°, 7° ou 9° du Code de la TVA. Ainsi, notamment, les activités proposées par des organismes sans but de lucre dans le domaine de la pratique sportive ou du divertissement ou dans le domaine culturel demeureront exemptées de TVA si les recettes réalisées couvrent les frais engagés par ces organismes. La présente mesure ne modifie en rien le champ d’application de la taxation pour ces opérations, seul le taux applicable varie.
Met betrekking tot het btw-tarief voor takeaway heb ik u tijdens de plenaire vergadering vorige week, naar aanleiding van de verschillende interpellaties, al uitgelegd dat ons huidig btw-stelsel al een complex gegeven is. Ik herhaal dat nog eens. Voor frieten die worden afgehaald, geldt het btw-tarief van 6 %. Voor frieten die men opeet in de frituur, geldt het btw-tarief van 12 %. Voor een maaltijd op een terras bedraagt het btw-tarief 12 %. Als men echter op datzelfde terras een frisdrank drinkt, geldt het btw-tarief van 21 %. Voor een broodje dat men in een broodjeszaak opeet, is het btw-tarief 12 %. Als men datzelfde broodje meeneemt, geldt het btw-tarief van 6 %. Als men een blikje frisdrank koopt, is het btw-tarief 6 %, maar voor een blikje frisdrank dat ter plaatse in een horecazaak wordt opgedrongen, geldt dan weer het btw-tarief van 21 %. Dat zijn geen nieuwe regels. Die complexiteit bestaat al jaren.
De regering neemt nu de volgende maatregelen. Het btw-tarief voor non-alcoholische drank in de horeca daalt van 21 % naar 12 %. Voor heel wat restaurants zal die daling een goede zaak zijn.
Mijnheer Van Quickenborne, dat is wat restaurantuitbaters Diederik en Francis mij vertellen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik heb hen nog niet gehoord en lees daarover niets in de pers.
Jan Jambon:
Mijnheer Van Quickenborne, u moet eens op restaurant gaan en, vooral, een niet-alcoholische drank bestellen.
Vincent Van Quickenborne:
Ik haal bij de Panos een broodje.
Jan Jambon:
Le taux de TVA de 12 % applicable à la vente à emporter ne s'applique qu'à la livraison de repas et denrées alimentaires préparés qui sont généralement destinés à être consommés par le client sans préparation supplémentaire, dans le cadre d'un repas, et qui ont une durée de conservation limitée à maximum deux jours. Un repas se compose généralement de plusieurs éléments.
Waarom hebben we voor die aanpak gekozen? Bij btw-tarieven moet men het neutraliteitsbeginsel respecteren. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat in talrijke arresten. De btw-wetgeving is vooral een Europese belasting. Europa heeft een kader vastgelegd waarvan alleen onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken.
Het neutraliteitsbeginsel stelt dat goederen en diensten die qua aard vergelijkbare kenmerken vertonen, voor de gemiddelde klant aan dezelfde fiscale behandeling moeten worden onderworpen. Een maaltijd moet dus, ongeacht of die wordt bereid door of voor de verkoper, aan hetzelfde btw-tarief worden onderworpen, ongeacht de hoedanigheid van de leverancier. Het Europese recht laat volgens mijn administratie geen uitzonderingen ter zake toe.
Il n'est pas possible de soumettre un repas à emporter, par exemple un plateau de sushis provenant d'un établissement horeca local, au taux de 12 %, tout en le taxant à 6 % lorsqu'il est acheté en supermarché. Le droit européen ne nous le permet tout simplement pas.
D'autres pays appliquent également un régime spécifique pour la vente à emporter. Au Royaume-Uni, par exemple, on se base sur la température du plat. Un repas froid à emporter est soumis à un taux de 0 %, tandis qu'un repas chaud à emporter est taxé à 20 % de TVA. Cela engendre également une certaine complexité.
Nous avons tenté d'éviter cette complexité et cette différenciation fondée sur la température. Nous avons opté pour une limite de 48 heures. Il s'agit de préparations qui se conservent encore pendant deux jours après leur préparation, c'est-à-dire jusqu'à la fin du deuxième jour suivant celle-ci. Soyons clairs, il s'agit donc de pizzas à emporter, de frites de friterie, de café à emporter, de plats chinois à emporter, etc.
De bedoeling daarvan is om maaltijden of voedingsmiddelen die ter plaatse worden geconsumeerd, op dezelfde manier te behandelen als soortgelijke maaltijden die worden meegenomen om ze elders onmiddellijk, zonder enige verdere bereiding en in principe zonder enige bewaring, te consumeren. Dat criterium komt tegemoet aan de wens van de regering om maaltijden die ter plaatse worden geconsumeerd op dezelfde manier te behandelen als soortgelijke maaltijden die, ook al zijn ze van die aard dat ze geschikt zouden zijn voor consumptie ter plaatse, door de klant worden meegenomen om ze elders onmiddellijk en zonder enige verdere bereiding te consumeren.
Daaruit volgt dat een pizza die aldus als meeneemmaaltijd wordt verstrekt, zich voortaan tarifair spiegelt aan een ter plaatse geconsumeerde pizza en dus aan een ander btw-tarief wordt onderworpen dan een diepvriespizza, die niet als dusdanig bestemd is voor onmiddellijke consumptie, aangezien die voorafgaandelijk door de koper nog moet worden bereid.
Sommige vraagstellers suggereerden dat de definities ruimte laten voor interpretatie door bepaalde terminologie. In de eerste plaats wil ik stellen dat bij elke fiscale wetgeving definities moeten worden gevonden. Dat is ook niet nieuw. Daarnaast wil ik benadrukken dat de btw-wetgeving zich baseert op het concept van de gemiddelde consument. Dergelijke manier van werken is in de btw niet nieuw, die bestaat vandaag ook. Ook vandaag wordt een kreeft aan 21 % belast en een bereide kreeftensalade aan 6 %. We hebben dus gekozen voor een terminologie die vandaag al wordt toegepast in de btw.
Il est totalement populiste d'affirmer qu'un croissant serait soumis à un taux de 6 % de TVA le matin et à 12 % le soir. Cela n'a absolument aucun fondement. Le gouvernement souhaite exclure autant que possible les produits du petit-déjeuner. Nous pensons pouvoir y parvenir dans le cadre des possibilités de différenciation dont disposent les États membres.
Une précision technique supplémentaire de la délimitation actuelle relative au petit-déjeuner et à ses composants peut, le cas échéant, être envisagée afin de se conformer pleinement à la jurisprudence constante de la Cour de justice. Une fois encore, nous attendons l'avis du Conseil d'État afin d'apporter d'éventuels ajustements, après quoi le texte sera soumis à une deuxième lecture au sein du gouvernement.
Lorsqu'une personne prend un petit-déjeuner dans un établissement horeca, celui-ci est déjà aujourd'hui soumis à une TVA de 12 %. Cela ne change pas. Au contraire, le café ou le thé, notamment au gingembre, qui est consommé bénéficiera d'une baisse de TVA, passant de 21 % à 12 %.
Ten slotte kom ik aan de meer specifieke vragen van mevrouw Bertrand. De loutere aankoop van een blikje cola in een frituur of andere horecazaak, in een tankstation en in een supermarkt blijft nog altijd onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6 %.
Belegde broodjes die bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie en dienovereenkomstig een houdbaarheidstermijn hebben die niet langer is dan twee dagen, zullen worden onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 12 %. Belegde broodjes die zodanig werden geconditioneerd dat hun houdbaarheidstermijn langer is dan twee dagen, blijven onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6 %.
Ingevolge het neutraliteitsbeginsel, dat lidstaten overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in acht moeten nemen bij btw-tariefdifferentiëringen, is alleen de aard van het verschafte voedingsmiddel en niet de hoedanigheid van degene die het voedingsmiddel verschaft doorslaggevend voor de toepassing van het btw-tarief. Op die manier wordt voor een identiek voedingsmiddel geen verschillend btw-tarief gehanteerd en is er dus ook geen concurrentieverstoring. Onder de momenteel vigerende btw-regels bestaat er al een tarifair onderscheid dat zich met name in de horeca sterk doet voelen.
Soit des denrées alimentaires sont fournies sans service supplémentaire en vue d'une consommation sur place. Dans ce cas, il s'agit d'une livraison de biens soumise au taux réduit de TVA de 6 %, sauf pour un certain nombre d'exceptions concernant des produits de luxe tels que le homard. Soit ces denrées alimentaires sont fournies dans le cadre d'un ensemble de services supplémentaires en vue d'une consommation sur place. Il s'agit alors de ce que l'on appelle des services de restauration auxquels s'applique le taux réduit de TVA de 12 %, à l'exception toutefois des boissons qui restent soumises au taux normal de 21 %.
La réforme envisagée a pour objectif, en particulier dans le secteur de l'horeca, de franchir une étape essentielle vers une extension du taux de TVA de 12 % et donc vers une plus grande harmonisation. Cela se fait notamment en ramenant le taux de TVA applicable aux boissons non alcoolisées dans les restaurants de 21 % à 12 %, tout en portant parallèlement le taux de TVA pour la vente à emporter de 6 % à 12 %.
Ook bereide dranken vallen onder het toepassingsgebied. Daarover had de heer Van Quickenborne een heel aantal specifieke vragen. In essentie is het de bedoeling om bereide dranken die ter plaatse of in de onmiddellijke nabijheid van de verschaffer worden geconsumeerd, op dezelfde manier te behandelen als soortgelijke bereide dranken die, ook al zijn ze van die aard dat ze geschikt zouden zijn voor daadwerkelijke consumptie ter plaatse in daartoe door de verschaffer aangeboden faciliteiten of in faciliteiten die daartoe zouden kunnen worden aangeboden, door de klant worden meegenomen om elders, maar in de onmiddellijke nabijheid, zonder enige verdere bereiding te consumeren. Er is dus geen onderscheid tussen een koude of warme chocolademelk. Er zal geen btw-chaos zijn aan de koffietoog. Integendeel, de meeste koffiezaken evolueren van de huidige twee btw-tarieven naar één btw-tarief. Dat zijn de feiten.
Deze hervorming moet aldus worden gezien tegen de achtergrond dat er momenteel al een onderscheid wordt gemaakt tussen het verschaffen van voeding, met inbegrip van drank, in faciliteiten voor verbruik ter plaatse, waarvoor momenteel een btw-tarief van 12 % geldt, met uitzondering van dranken die aan het standaard btw-tarief zijn onderworpen, en het verschaffen van vaak naar aard sterk vergelijkbare of identieke voedingsmiddelen, met inbegrip van drank, zonder bijkomende diensten voor verbruik ter plaatse, die als levering worden beschouwd, en dat momenteel aan het tarief van 6 % onderworpen is, met uitzondering van bepaalde als luxeproduct beschouwde voedingsmiddelen en alcoholische dranken, die aan het standaard btw-tarief zijn onderworpen.
Cette dualité tarifaire masque le fait qu'en réalité, la deuxième catégorie comprend elle-même deux catégories. D'une part, des denrées alimentaires, y compris des boissons, destinées à une consommation immédiate sans aucune préparation supplémentaire par le client, et pouvant donc être consommées dans l'état dans lequel elles sont livrées, exactement de la même manière que si elles avaient été servies pour être consommées sur place et non pour être emportées. D'autre part, des denrées alimentaires, y compris des boissons, qui ne sont pas destinées à une consommation immédiate sans préparation supplémentaire par le client, mais à un usage différé et donc à la conservation, et qui, après cette conservation, seront effectivement préparées par le client.
Il s'agit de deux sous-catégories qui présentent intrinsèquement des caractéristiques objectivement différentes, et répondent dès lors à des besoins objectivement distincts du consommateur moyen. Une différenciation tarifaire entre ces deux catégories est donc possible, conformément à la jurisprudence constante de la Cour de justice de l'Union européenne relative au respect du principe de neutralité en matière de différenciation des taux.
Tot op heden is er dus tussen die tweede categorie geen tariefdifferentiatie, maar enkel tussen de voormelde categorie van restaurantdiensten en de twee categorieën van leveringen.
Wanneer de kenmerken van de verschillende categorieën met elkaar worden vergeleken, is het evenwel duidelijk dat de categorie van takeaway evenzeer aanleunt bij de restaurantdiensten als bij de levering van voedingsmiddelen, met inbegrip van dranken die niet bestemd zijn voor onmiddellijk verbruik, zonder enige verdere bereiding door de klant.
Vincent Van Quickenborne:
(…)
Voorzitter:
Mijnheer Van Quickenborne, de minister heeft het woord. U krijgt na het antwoord van de minister de kans om te repliceren.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, niemand begrijpt wat u voorleest. Waar bent u mee bezig? Niemand verstaat dat!
Voorzitter:
De minister heeft het woord.
Jan Jambon:
Ik leg hier alle souplesse aan de dag om iedere keer opnieuw aan de commissie voor Financiën tegemoet te komen. Men heeft gisteren om een actualiteitsdebat gevraagd en er werden een resem vragen ingediend. Die moeten op een juridisch correcte manier worden beantwoord en ik doe die inspanning. Mijnheer Van Quickenborne, mocht u het niet verstaan, de tekst zal na mijn antwoord te uwer beschikking staan om na te lezen en ik acht u intellectueel genoeg om een tekst te kunnen lezen. Ik vind het ongehoord dat ik in deze commissie op een dergelijke manier wordt behandeld, na alle goodwill die ik aan de dag leg om de commissie maximaal tegemoet te komen.
Mijnheer de voorzitter, ik ga verder met mijn antwoord.
Voorzitter:
Alstublieft, u hebt het woord, mijnheer de minister.
Jan Jambon:
De voorliggende hervorming strekt er dus in het bijzonder toe om die specifieke categorie van leveringen voortaan tarifair niet meer te laten aanleunen bij de andere categorie van leveringen, maar wel bij de categorie van restaurantdiensten.
Wat betreft de mogelijkheid van een speciale verpakking, het spreekt voor zich dat ondernemingen die bereidingen verschaffen niet het commercieel en gezondheidsrisico zullen willen nemen om de gezondheid van de klant in het gedrang te brengen door voor te wenden dat hun bereidingen langer dan twee dagen houdbaar zijn als dat niet het geval is. Een pakje frieten zal na twee dagen niet meer smaken en hetzelfde geldt voor een belegd broodje preparé.
La durée de conservation des préparations peut effectivement être prolongée grâce à de nombreuses techniques (conditionnement sous vide, congélation, etc.) qui constituent déjà aujourd'hui des pratiques courantes dans le secteur. De telles pratiques ne seront donc pas soudainement considérées, du fait de cette réforme tarifaire, comme une forme illicite d'évitement fiscal.
Aujourd'hui, la consommation d'une gaufre chaude dans un salon de thé est soumise à une TVA de 12 %, tandis que l'achat d'une gaufre surgelée dans un supermarché est soumis à un taux de 6 %. Les différentes techniques de conservation sont déjà des pratiques standards dans les différents secteurs.
Dans le but d'assurer une transition aussi fluide que possible, mes services dialoguent d'ores et déjà avec les secteurs concernés afin d'identifier les problèmes d'application et de fournir les clarifications appropriées. Mon administration et mon cabinet travaillent actuellement de manière intensive à l'élaboration d'une liste de questions fréquemment posées qui sera publiée dans les meilleurs délais.
Wat betreft de btw op pesticiden, de btw-richtlijn voorziet dat lidstaten een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op de leveringen van goederen en diensten die zijn opgenomen in de bijlage 3 van de btw-richtlijn. Aangezien het om een optie gaat, zijn de lidstaten er niet toe gehouden om van die mogelijkheid gebruik te maken. Wanneer ze wel van die optie gebruikmaken, zijn ze er evenmin toe gehouden om het verlaagd btw-tarief toe te passen op alle handelingen van een bepaald punt of op de volledige draagwijde van een onderdeel van dat punt, op voorwaarde dat ze rekening houden met het neutraliteitsbeginsel dat zich op dwingende wijze aan hen opdringt.
Wat betreft de bestrijdingsmiddelen, ongeacht de aard ervan, gold tot voor de hervorming van de bijlage 3 van de btw-richtlijn bij Richtlijn EU 2022/542 van de Raad van 5 april 2022 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2020/285 wat het btw-tarief betreft, dat de levering ervan aan een verlaagd btw-tarief kon worden onderworpen op grond van punt 11 van de bijlage 3 van de btw-richtlijn.
À la suite de la réforme européenne précitée des taux de TVA, le législateur européen a décidé que cette possibilité ne serait plus ouverte pour les produits phytosanitaires chimiques à partir du 1 er janvier 2032. La possibilité d'introduire ou, le cas échéant, de maintenir un taux de TVA pour des produits de lutte autres que chimiques après cette date a donc été maintenue a contrario .
De btw-richtlijn verplicht lidstaten derhalve enkel om een verlaagd btw-tarief af te schaffen voor chemische bestrijdingsmiddelen vanaf 1 januari 2032. Lidstaten die voor die datum al een verlaagd btw-tarief toepassen op bestrijdingsmiddelen, worden in die context dus de volgende beleidsopties gelaten: anticiperen op die uitsluiting door voor 1 januari 2032 al in de toepassing van het standaard btw-tarief te voorzien, louter voor chemische bestrijdingsmiddelen of voor alle bestrijdingsmiddelen, of wachten tot 1 januari 2032 om in de toepassing van het standaard btw-tarief te voorzien, louter voor chemische bestrijdingsmiddelen of voor alle bestrijdingsmiddelen, en als het over louter chemische bestrijdingsmiddelen gaat, desgevallend op een later tijdstip het standaard btw-tarief uit te breiden tot alle bestrijdingsmiddelen.
Dans le cadre de ces options politiques possibles, le gouvernement choisit, compte tenu de l'obligation d'appliquer le taux normal de TVA aux produits phytosanitaires chimiques à partir du 1 er janvier 2032, d'anticiper dès à présent cette obligation et, parallèlement, de renoncer à la possibilité de continuer à appliquer un taux de TVA réduit aux produits de lutte autres que chimiques, pour autant qu'ils puissent actuellement être considérés comme des produits phytopharmaceutiques reconnus. De cette manière, les produits de lutte, quelle que soit leur nature spécifique, seront désormais soumis à une tarification de la TVA uniforme, ce qui constitue juridiquement un exercice correct des options actuellement offertes par la directive TVA et rend en outre inutile toute intervention tarifaire supplémentaire dans ce domaine au 1 er janvier 2032.
Die benadering houdt aldus in dat er geen bijkomende uitzondering wordt voorzien op de normale btw-regels, met belastingheffing tegen het standaardtarief, maar dat wel wordt voorzien in het herstel van de normaal toepasselijke btw-regels door een bestaande categorie, waarvoor ooit in een uitzondering werd voorzien met met een verlaagd btw-tarief van 6 %, voortaan globaal opnieuw te onderwerpen aan belastingheffing tegen het standaard btw-tarief.
Afsluitend wil ik benadrukken dat deze maatregelen kaderen binnen een bredere hervorming, met name de vermindering van de zogenaamde VAT gap , zowel door maatregelen te nemen om de zogenaamde VAT compliance gap terug te dringen als door de VAT policy gap terug te dringen door geleidelijk aan, waar de nationale regelgever daartoe de juridische mogelijkheden heeft, afwijkingen op de normale regels van belastingheffing tegen het standaard btw-tarief terug te schroeven.
L'idée d'une transition progressive d'une fiscalité portant sur les revenus vers une fiscalité portant sur la consommation ressort de plusieurs recommandations internationales et européennes adressées à notre pays.
Je tiens également à réfuter l'idée selon laquelle cette réforme serait asociale ou anti-redistributive. Le meilleur instrument pour réduire la pression fiscale sur les revenus les plus faibles reste l'impôt des personnes physiques, et c'est précisément ce que nous mettons en œuvre cette année. Toutes les questions sur ce sujet seront discutées en commission. Le fait qu'une augmentation de la TVA n'entraîne pas nécessairement une diminution du pouvoir d'achat est démontré par l'exemple des Pays-Bas, où le pouvoir d'achat a continué à augmenter malgré une hausse de la TVA de 6 à 9 % en 2019. Grâce à ce glissement fiscal des impôts directs vers les impôts indirects, on y a observé une croissance solide du revenu disponible des ménages. Je renvoie, à cet égard, à une analyse du Centraal Planbureau néerlandais
Concluderend, ik begrijp dat er nog vragen zijn uit de praktijk. Het is geen geheim dat ik voorstander was van een eenvoudigere regeling. Mijn beleidscel heeft reeds tal van vragen van het middenveld ontvangen. Mijn administratie en mijn beleidscel werken zeer intensief samen om alle vragen te inventariseren en te beantwoorden.
Alle technische vragen worden momenteel behandeld door mijn diensten, in afwachting van het advies van de Raad van State. Ik hoop dat advies spoedig te ontvangen, nog in de loop van deze maand. Vervolgens zal ik mijn diensten de opdracht geven om zo snel mogelijk een FAQ of circulaire te publiceren, zodat we de belastingplichtigen maximale duidelijkheid kunnen verschaffen.
Ziedaar mijn uitgebreid antwoord, mijnheer de voorzitter.
Lode Vereeck:
Dank u wel, mijnheer de minister. Ik denk dat we in deze commissie goed samenwerken en ik hoop dat we dat kunnen blijven doen. Ik was blij met de tussenkomst van collega Van Quickenborne, want ik begon echt te twijfelen aan mijn eigen intellectuele capaciteiten. Ik dacht: ben ik hier nu de enige die dit niet begrijpt? Ik was niet aan het volgen. Het was misschien in het verleden complex, mijnheer de minister, maar het is nog complexer geworden. Ik blijf dus toch met een aantal vragen zitten en ik maak die meteen concreet.
U zegt dat de duur van de houdbaarheid loopt tot het einde van de tweede dag. Dat betekent dus in concreto drie dagen, namelijk van maandag 0 uur 01 tot woensdag 23 uur 59. Ik hoop dat u zich dat realiseert.
Het croissantje blijft aan 6 %, maar niet, als ik het goed heb begrepen, omdat het onderdeel is van het ontbijt, maar om een andere reden. Ik neem de trein vaak in de buurt van een station waar ook een broodjeszaak is en die hebben ook heel kleine pizzaatjes. Als ik dat pizzaatje om acht uur eet, is dat dan ook aan 6 %? En wat als die mensen een diepgevroren pizza – dus 12 % – plots in hun oven steken? Zakt dat dan van 12 % naar 6 %?
Hetzelfde geldt voor de wafels. U hebt dat voorbeeld gegeven. Als ik een diepgevroren wafel opwarm, is dat dan ook 6 %? Ik geef toch nog even mee dat een broodje dat in papier wordt ingepakt aan 12 % is en in een bakje aan 6 %. Ik geef u op een blaadje dat die in een bakje na twee dagen verser zijn.
In de supermarkt is de drank aan 6 %. Gaat u dan de suikertaks afschaffen? U geeft daarmee een gemengd signaal. U verlaagt aan de ene kant van 21 % naar 12 %, dus zegt u: consumeer meer cola. Tegelijk blijft die suikertaks bestaan.
Ik hoop ook, mijnheer de minister, dat u mij enkele fouten te goeder trouw kunt vergeven. Voor de rest zullen we die vrijstelling van de btw van 25.000 naar 30.000 euro natuurlijk steunen. Het was het allereerste voorstel dat ik in deze commissie heb gedaan. Toen was het nog te duur, want het kostte 40 miljoen euro. Ik ben blij dat dat ondertussen wel financierbaar is.
Roberto D'Amico:
Monsieur le ministre, je vous ai écouté attentivement, plus de 20 minutes. Ma question portait sur l'évaluation du coût de la hausse des accises sur la facture de gaz, mais vous ne m'avez pas répondu. J'ai posé plusieurs fois cette même question au ministre MR de l'Énergie, M. Bihet, mais celui-ci me renvoie systématiquement vers vous. Il ne veut pas répondre, ce que je comprends parce que, pendant la campagne électorale, le MR se vantait qu'il n'y aurait pas de nouvelles taxes.
Or, que constate-t-on aujourd'hui? Que la facture de gaz augmente vachement! Alors que l'énergie reste un produit de base et est très chère aujourd'hui, on augmente encore les accises sur le gaz.
Pour vous avoir écouté, c'est 1,3 milliard d'euros que vous allez chercher chez les travailleurs et non pas dans les poches des millionnaires. Et c'est bien ce qu'on vous reproche. C'est la classe travailleuse qui va passer à la caisse.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uiteenzetting. Uw antwoord heeft een half uur geduurd. Ik weet eigenlijk niet goed wat ik moet repliceren want de zaak is in mijn hoofd nog complexer dan daarvoor.
U stelt dat de btw-regeling al complex was. In de horeca is het 12 % voor wie ter plaatse eet. Wie afhaalt of elders eten koopt, betaalt 6 %. Volgens u is dat complex. Wat nu wordt voorgesteld, zou minder complex zijn. Het huidige systeem is nochtans in één zin uit te leggen. U hebt nu een half uur nodig gehad om het verschil uit te leggen.
Neem bijvoorbeeld die croissants. U noemt ons populistisch, omdat wij opmerken dat een croissant ’s ochtends aan 6 % wordt belast en ’s middags aan 12 %. Wij zouden dat volgens u populistisch voorstellen maar dat is uw maatregel. Ik snap er nog altijd niets van. Is een croissant nu 6 % of is het 12 % omdat het om ontbijt gaat? De verantwoording is dat aan een ontbijt niets meer moet worden gedaan en het onmiddellijk kan worden geconsumeerd. Dus is het 12 %. Een croissant is toch hetzelfde geval? Dat is ontbijt maar is wel 6 %. Dat is een uitzondering.
Voorzitter:
Mijnheer Van Quickenborne, u krijgt zo dadelijk het woord. Het woord is nu aan de heer Bilmez.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik snap dat u gefrustreerd geraakt en dat u wordt uitgelachen. Dat hoeft u niet persoonlijk te nemen. Dat is niet naar u gericht. Het is met de arizonaregering dat wij lachen. Wat is dat immers voor een maatregel?
Ik ontbijt bijvoorbeeld bijna nooit. Ik eet altijd ’s middags en ik eet een croissant of een worstenbroodje. Wat is daar de logica van? Wat gaan ze bij Panos denken? Hoe gaan zij die maatregel toepassen? Ik snap er echt niets van.
U werpt op dat een en ander nu al complex is en dat wij ons dus geen zorgen hoeven te maken. Dat is een complete leugen. U maakt de zaak een miljoen keer complexer.
Ik kom nu bij uw laatste leugen. U eindigde met de stelling dat de regering een taxshift doet van inkomen naar consumptie en dat dat het meest sociale is wat kan worden gedaan. Dat hebt u beweerd.
Waar haalt u dat vandaan? Taksen op consumptie zijn het meest asociale wat een overheid kan doen. Die 6 % btw die ik betaal op een croissant, betekent 10 cent en voor een miljonair is dat niks. Voor iemand die moet leven van een werkloosheidsuitkering van 1.000 euro, weegt diezelfde 10 cent echter veel zwaarder door. Daarom is een belasting op consumptie, dus een vlaktaks, altijd asocialer.
Ik kijk alleszins heel hard uit naar uw frequently asked questions . Dat zal bijna een encyclopedie moeten zijn om eruit te geraken. Als u het echt simpel wilt maken, schaf de maatregel dan gewoon af. Doe dat niet. Haal het geld waar het zit.
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, merci pour tous vos éléments de réponse. Pour être sincère avec vous, comme d'autres ici dans la salle, j'ai le sentiment de comprendre de moins en moins. Mais je me dis que cela viendra un jour, et que j'arriverai à comprendre.
Au-delà de cela, je regrette qu'il n'y ait aucune ouverture, aucune compréhension de nos arguments. Je n'ai rien entendu sur les cantines scolaires auxquelles je suis fort attaché. Peut-être n’ai-je pas tout bien entendu, parce que vos éléments de réponse étaient nombreux.
J'ai vraiment le sentiment, en vous écoutant, que vous banalisez l'impact, en disant que ce sont des mesures techniques, des mesures budgétaires et que finalement, cela va presque rapporter aux gens. Le cumul des augmentations de TVA et des accises combiné à l'austérité des régions et des communautés – là, vous n'en pouvez rien – impactera lourdement les ménages, les travailleurs et les secteurs évoqués. Cela me fait peur.
Je suis certain que nous aurons l'occasion d'en discuter encore. J'espère que les interprétations iront dans notre sens.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, ik heb toch nog een vraag over sport en cultuur. U hebt gezegd dat de verhoging niet van toepassing is voor theater, circus, klassieke muziek, de opera, maar wel voor een museum, karting, Kinepolis, een tentoonstelling, behalve als het van een vzw is, of – dat verneem ik nu – als de overheid het organiseert, wat niet in de notificatie staat. Wat is de logica? Valt jazz bijvoorbeeld onder klassieke muziek? Wat geldt er voor een concert met een beetje jazz en een beetje klassieke muziek?
Maakt Matthias De Jaeger klassieke muziek? U kent hem wel. Hij maakt hedendaagse, klassieke muziek, neoklassieke pianomuziek. Valt dat eronder of niet? Geldt de regeling bijvoorbeeld ook voor het Cirque du Soleil? Dat kent u wellicht ook. Dat is meer een voorstelling dan een circus. Wat gebeurt er als een theatergebouw voor een improvisatiewedstrijd wordt verhuurd? Is dat theater of is dat improvisatie en een ander systeem?
U zegt dat klassieke muziek niet door de btw-verhoging wordt getroffen, maar in de notificatie staat dat muzikale voorstellingen onder het nieuwe regime vallen, zonder uitzondering voor klassieke muziek. Voor wie dat leest, is het wel verwarrend.
Wat we hier vandaag horen, staat niet letterlijk in uw tekst. Mijn vraag is eenvoudig. Is klassieke muziek echt uitgesloten of alleen in de praktijk, omdat het vaak onder een ander btw-regime valt? Geldt dat altijd of alleen in bepaalde gevallen?
Ik snap niks van uw onderscheid tussen ontspanning en cultuur. Circus is cultuur, maar een tentoonstelling niet. Ik begrijp ook dat kleine sportclubs veelal onder de nieuwe btw-verhoging zullen vallen.
Mijnheer de minister, ik zou toch graag een duidelijk antwoord krijgen voor degenen die vorig jaar een abonnement voor een fitnessclub hebben gekocht, maar dat maandelijks betalen. U heeft dat wel duidelijk geschetst voor de hotels, voor degenen die vorig jaar of voor de maand maart een reservatie hebben gedaan, maar u hebt niks gezegd over de sportclubs. Zullen de fitnesszalen en de sportclubs meer moeten betalen? Ja of neen? Ik denk dat u daar vandaag toch een duidelijk antwoord op kunt geven.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik ben daarnet tussengekomen omdat ik het echt niet begreep. Ik denk overigens dat niemand in de zaal het begrepen heeft. U hebt uw antwoord voorgelezen en dat is uw goed recht. De kunst van de politiek bestaat er echter in op een bepaald moment de zaken eenvoudig uit te leggen. Als u 17 minuten nodig hebt om iets uit te leggen, zult u dan uw administratie naar elke winkel sturen om dat daar in 17 minuten tijd uit te leggen? Mijnheer de minister, dit is onuitlegbaar. U verliest zichzelf. Het is een btw-moeras en uw antwoord is daar de perfecte illustratie van. Dit is het meest complexe wat we ooit hebben gehoord, terwijl er nochtans één eenvoudige vraag was: hoe zit het met de scholen? Hoe zit het met de woon-zorgcentra? Hoe zit het met de crèches? Hoe zit het met de ouders? Hoe zit het met de kinderen? Alle fracties hebben die vragen nu gesteld, zelfs de meerderheidsfracties. De N-VA vraagt dat, cd&v vraagt dat. Ik hoop dat Vooruit dat ook vraagt.
Er is maar één vraag, namelijk ervoor zorgen dat de factuur voor die kinderen en voor hun ouders niet stijgt. Collega Tas van Vooruit heeft ze gehoord. U bent 17 minuten aan het woord geweest en toch hebt u die vraag niet beantwoord. U kunt zich nog bedenken en alsnog antwoorden. Ik mag er dus van uitgaan dat u foert zegt tegen al die ouders, tegen al die scholen en tegen al die woon-zorgcentra. De btw-verhoging komt er en zij zullen die extra factuur moeten betalen. Collega's van Vooruit, goed gewerkt, goed bezig! Mijnheer Tas, in het debat spreekt u altijd over koopkracht. Waar is de regering mee bezig? Waar is Vooruit mee bezig? Ze verhogen de schoolfactuur, terwijl ze op sociale media net het tegenovergestelde beweren. Waar zijn de socialisten mee bezig?
Voor de rest is er toch één positief geluid, mijnheer de minister. De verpakkingsindustrie mag zeer creatief zijn. Zij zullen de grote winnaars zijn. Iedereen die creatief is met verpakking zal de komende maanden echt een boost meemaken. Dat wordt de creatiefste verpakkingsindustrie ooit. Dat is toch een positief punt, dat moet ik eerlijk toegeven. Maar voor de rest: waar zijn ze mee bezig?
Sofie Merckx:
Je crois que beaucoup de choses ont déjà été dites. Le seul élément sur lequel vous avez été clair est le fait que le taux qui concerne Pairi Daiza passe à 12 %. C’est la seule chose que j’ai plus ou moins retenue. J’adore aller là-bas, pour information, donc cela va être plus cher pour les familles.
Nous avons posé des questions précises, surtout en ce qui concerne les cantines scolaires. C’est un sujet essentiel qui concerne de nombreux enfants et qui devrait nous préoccuper tous. À cela, vous n’avez même pas pris la peine de répondre.
Madame Glatigny vous a-t-elle écrit? Une exception sera-t-elle prévue ou pas? Apparemment, nous ne méritons pas de réponse là-dessus et cela alors que vous venez de parler pendant 30 minutes. Soit vous n’assumez pas, soit vous êtes gêné, soit c’est encore en discussion mais, normalement, vous devriez répondre. Cela reste très absurde. Vous persistez avec vos 48 heures, mais vous faites n'importe quoi, selon moi.
Comme l'a souligné Mme Bertrand, l’opéra est à 6 %, mais les concerts de rock sont à 12 %, le cirque est à 6 %, mais le cinéma à 12 %. Franchement, si l'on peut dire une chose, c’est que cette idée de la TVA que vous avez inventée est vraiment un cirque. Vous prétendez qu'il s'agit d'une mesure sociale, mais ce que vous faites aujourd'hui est asocial, et je pense que la cantine scolaire en est l’exemple. Un supplément de 25 centimes pour un repas, cela fait une différence pour une famille qui a un petit salaire. Pour un gros salaire, bien sûr, que ce soit 25 centimes en plus ou pas ne change rien du tout. Mais pour ces enfants issus de familles moins aisées, cela fera une différence. Cela, monsieur le ministre, c’est grave, et vous devriez au moins faire une exception sur ce point.
Sarah Schlitz:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre, même si je n'ai pas obtenu de réponses à toutes mes questions. Comme je le disais tout à l'heure, toute cette discussion rappelle à quel point la neutralité de la TVA n'existe pas. Aujourd'hui, même si vous vouliez avoir une réforme qui ne soit pas orientante, sans impact sociétal, en fait, c'est impossible. Nous voyons aujourd'hui à quel point cette réflexion sociétale a été absente des discussions. Elle a, du coup, des impacts aléatoires, et donc complètement incalculés et non prévisibles, sur de nombreux secteurs en cascade. Des effets étaient-ils souhaités et non avouables? Peut-être. Des effets n'ont-ils pas été anticipés? Très certainement. D'ailleurs, nous n’avons pas obtenu de réponses sur nos questions par rapport aux plats en crèche, dans les cantines scolaires, dans les maisons de repos, qui sont livrés, donc quand il ne s'agit pas de cantines intramuros , dans ces établissements. Aujourd'hui, nous allons donc continuer de comprendre, comme ces acteurs, qu'il y a bel et bien une TVA de 12 % qui s'appliquera, avec une augmentation qui a été calculée, par personne, par enfant, de 5 euros par mois. Nous constatons par conséquent qu'il y a un choix politique, ou en tout cas un impact politique – on ne sait pas si c'est vraiment un choix ou un dérapage – de taxer tout ce qui concerne également les loisirs. Tout ce qui n'est pas travail est sanctionné. Tout ce qui donne du plaisir à côté du boulot sera demain plus cher. Le sport, faire du camping, sont aujourd'hui frappés d'une augmentation. C'est aussi pour cela que nous, en tant que parti, avons toujours proposé, par exemple, une diminution de la TVA sur certains produits locaux, de saison, des produits sains. Ce serait à la fois un cercle vertueux pour les consommateurs, dont on améliore la santé, mais également pour les petits producteurs locaux, qui vont avoir un commerce davantage florissant, et des commerçants locaux qui font vivre les quartiers et nos cœurs de village. Concernant l'accès à la culture et au divertissement, il est incompréhensible qu'il y ait une culture élitiste, qui soit exonérée de la TVA, comme l'opéra, la musique savante – personnellement, je n'aime pas l'opéra –, et qu'en revanche, un concert de Rosalía passe à 12 %! Pourtant, de nombreux critiques estiment qu'il s'agit d'une création musicale qui s'approche de l'opéra. Où est la limite? Le ciblage me paraît vraiment surprenant, et nous nous demandons à nouveau quel en est l'objectif politique. Vous l'avez confirmé, une pizza surgelée, par exemple de la marque Dr. Oetker, aura une TVA inférieure à celle de la pizza de la pizzeria du coin. Quel est le sens de cette mesure? C'est moins bon pour la santé, pour la planète, cela alimente des multinationales qui se battent par ailleurs pour payer le moins d'impôts possibles et écraser leurs travailleurs. Malgré cela, vous les soutenez contre les autres, qui vont passer à la caisse pour boucher le trou du budget fédéral. Nous sommes face à une gouvernance chaotique et alambiquée. Avec l'Arizona, cela n'arrête pas! Quand vous revenez sur des législations qui avaient été comprises et déjà mises en œuvre par certains acteurs des secteurs, comme le Federal Learning Account, le report du phasing out des voitures de société hybrides; ici, de nouveau, la puissance publique passe pour ridicule. On dirait presque que c'est fait exprès, monsieur le ministre. Je sais que ce gouvernement n'aime pas beaucoup les services publics, mais, là, vous donnez toute une série d'arguments à ceux qui voudraient affaiblir l'État et en particulier le fédéral. Vous leur donnez raison. J'en viens aux produits de petit-déjeuner. On nous dit que ce n'est pas l'heure qui change, mais la nature du produit. Tout d'abord, ce n'est pas bon de manger des croissants tous les matins. Aucun nutritionniste ne soutient cette alimentation. En revanche, manger du riz le matin est une bonne habitude, mais ce n'est pas considéré comme un produit de petit-déjeuner. Cette immixtion dans les habitudes alimentaires des citoyens est très spéciale, et par ailleurs absolument pas guidée par la santé publique. Je termine en réitérant une demande de réponse sur les cantines scolaires et ce qui va arriver par la suite. De behandeling van de vragen eindigt om 15.40 uur. Le développement des questions se termine à 15 h 40.
De bestrijding van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt, zoals ook gelaakt door Unia
Leeftijdsdiscriminatie
Leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt aanpakken
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson en Nahima Lanjri wijzen op structurele leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt: jongeren worden afgewezen omwille van gebrek aan (erkende) ervaring, 55-plussers door vermeende hoge kosten, digitale achterstand of slechte inzetbaarheid—wat volgens hen de hervorming van werkloosheidsuitkeringen risico’s op armoede doet inhouden. Minister Clarinval bevestigt dat discriminatie illegaal is en belooft versterkte controles (o.a. via mystery calls door sociale inspectie), samenwerking met Beenders (Gelijke Kansen) en Verlinden, en overleg met werkgevers, maar concrete maatregelen blijven vaag; hij verwijst naar bestaande CAO’s (bv. nr. 104 voor oudere werknemers) en een stijgende tewerkstelling bij 55-64-jarigen (al blijft die onder het gemiddelde). Pirson en Lanjri kritiseren dat wettelijke verboden onvoldoende werken en dringen aan op preventie (bewustmakingscampagnes, sectorconvenanten) én strenge handhaving (meer praktijktesten, ook door derden—waarvoor nog steeds een ontbrekend KB nodig is), met sancties als ultimatum.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, une nouvelle étude d'Unia met en évidence une réalité particulièrement préoccupante: la discrimination fondée sur l'âge. Elle reste profondément enracinée sur notre marché du travail. Elle frappe tant les jeunes que les travailleurs plus âgés.
Un jeune sur trois dit avoir été recalé parce que jugé trop jeune, pas assez fiable ou insuffisamment expérimenté, alors même que leurs emplois étudiants, souvent indispensables, ne sont pas reconnus comme une expérience pertinente.
À l’autre extrémité de la vie active, on retrouve les travailleurs plus âgés. Plus d’un travailleur sur cinq entre 51 et 60 ans se dit aussi discriminé en raison d’un coût salarial supposé trop élevé, d’un prétendu retard numérique ou encore d’une capacité d’intégration mise en doute. Ces témoignages montrent que des coaches emploi déconseillent parfois de poursuivre les démarches, tant les refus fondés sur l’âge se multiplient. Nous nous trouvons dans un contexte où notre majorité entend renforcer la participation au marché du travail, notamment via la limitation des allocations de chômage. Ces discriminations constituent un obstacle structurel majeur. Lorsqu’une personne licenciée à 50 ou 58 ans se retrouve d’emblée considérée comme trop âgée, la réforme risque de se transformer en trappe à pauvreté, ce qui n’est évidemment pas l’objectif poursuivi.
Nous avons le même cas de figure pour les jeunes.
Monsieur le ministre, au regard de ces constats, j’ai deux questions. Premièrement, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour lutter contre l’âgisme à l’embauche, qu’il s’agisse d’offres d’emploi illégales, de biais dans les recrutements ou encore de la non-valorisation de certaines expériences jugées non pertinentes?
Cette problématique étant interministérielle, travaillez-vous de concert avec votre homologue, le ministre Beenders, afin d’assurer une approche cohérente entre l’emploi, l’égalité des chances et la lutte contre les discriminations liées à l’âge?
Nahima Lanjri:
Mijnheer de minister, uit een rapport van Unia leren we dat ruim een op vijf bevraagden in de leeftijdscategorie 51 tot 60 jaar in het afgelopen jaar geconfronteerd werd met discriminatie op basis van leeftijd. Dat stelt niet alleen Unia vast, maar ook de Universiteit Gent in een eerder onderzoek. Ook Acerta moest concluderen dat die groep enorm vaak gediscrimineerd wordt.
Als een bedrijf werknemers ontslaat wegens herstructurering, zijn dat vaak de werknemers die het meest kosten en dat zijn meestal degenen met de meeste anciënniteit. Bovendien geraken zij moeilijker weer aan de slag door de vele vooroordelen ten opzichte van oudere werknemers. Men noemt die leeftijdscategorie – ik behoor daar ook toe, want ik ben ook al een 55-plusser – niet flexibel en te duur en meent dat ze niet meer mee met de tijd kunnen. Dat betekent een verlies voor henzelf, want ze zijn niet aan de slag en worden aan de kant gezet, ook al schuilt daar veel talent. Het betekent ook een verlies voor de maatschappij, want hun talent wordt niet ten volle benut. Bovendien brengt het extra kosten met zich mee, want men betaalt hen een werkloosheidsuitkering, terwijl ze eigenlijk winst zouden kunnen opbrengen en bijdragen betalen als ze kansen op tewerkstelling kregen. Leeftijdsdiscriminatie is niet nieuw en wij moeten dat probleem echt aanpakken.
Ten eerste, in het regeerakkoord is de aanpak van leeftijdsdiscriminatie een belangrijk punt, maar wat zult u concreet doen om discriminatie op basis van leeftijd aan te pakken en 55-plussers eerlijkere kansen te geven op de arbeidsmarkt?
Ten tweede, hebt u als minister van Werk daarover ook overleg met uw collega bevoegd voor gelijke kansen, minister Rob Beenders? Zo ja, wat is daaruit gekomen?
Hebt u eventueel ook al overleg gepleegd met werkgeversorganisaties over een plan van aanpak? Heeft de NAR daarover al adviezen geformuleerd? Hoe staat u daartegenover? Welke daarover wilt u realiseren?
Tot slot, we moeten ook werk maken van een mentaliteitswijziging bij de werkgevers. Misschien kunnen daarrond good practices worden gedeeld? Ziet u mogelijkheden om via positieve voorbeelden mee te werken aan de sensibilisering van werkgevers?
David Clarinval:
Mesdames les députées, la discrimination fondée sur l'âge est interdite et punie par la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination. Cette législation relève toutefois de la compétence du ministre de la Justice.
La lutte contre les discriminations constitue un axe important d'une politique de plein emploi. Garantir l'égalité des chances est à la fois une exigence de justice sociale et une condition pour mobiliser les compétences nécessaires à notre économie. En collaboration avec la direction Contrôle des lois sociales du SPF Emploi, sur la base de l'article 42/1 du Code pénal social, et dans le cadre plus large du plan d'action contre la fraude, nous examinons comment agir de manière plus efficace et plus performante dans la lutte contre la discrimination, y compris en matière d'âge.
En vue de la recherche et de la constatation d'infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, les inspecteurs sociaux ont le pouvoir – en présence d'indications objectives de discrimination, à la suite d'une plainte étayée ou d'un signalement, ou sur la base de résultats d'exploration de données (data mining et data searching) – de se présenter comme des clients, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels pour vérifier si une discrimination fondée sur un critère protégé légalement, notamment l'âge, a été ou est commise.
Par ailleurs, au-delà du volet répressif, nous suivons étroitement la dynamique internationale. La création d'un groupe de travail intergouvernemental de l'ONU, chargé de préparer une future convention relative aux droits des personnes âgées, confirme l'importance croissante de la lutte contre l'âgisme. Le gouvernement soutient ces travaux en cohérence avec notre accord de coalition.
Pour ce qui est de la discrimination sur le lieu de travail, nous collaborerons avec les cabinets et administrations des ministres Beenders et Verlinden. Nous évaluerons ensemble comment renforcer la cohérence des politiques de prévention et de lutte contre la discrimination fondée sur l'âge, afin de garantir une approche intégrée entre emploi, égalité des chances et respect des droits fondamentaux.
Het sociaal overleg vormt in die zin een essentiële hefboom. Ik zal dan ook bekijken of er op korte termijn overleg kan worden gepleegd met de werkgeversorganisaties over de problematiek.
Daarnaast hebben de NAR en de sociale partners al aanzienlijke bijdragen geleverd, met name via meerdere collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals cao nr. 104 over de tewerkstelling van oudere werknemers, cao nr. 95 betreffende de gelijke behandeling en cao nr. 38 betreffende aanwerving en selectie.
Tot slot moet de vraag in een bredere context worden geplaatst. De werkzaamheidsgraad van 55- tot 64-jarigen is de afgelopen jaren voortdurend gestegen, vooral bij vrouwen, door langere loopbanen en een hoger opleidingsniveau. Die evolutie is positief, maar de werkzaamheidsgraad van de leeftijdsgroep blijft lager dan het algemeen gemiddelde. Dat toont aan dat er nog extra inspanningen nodig zijn om een duurzame inclusie van oudere werknemers te garanderen.
Wat daarentegen de min-25-jarigen betreft, kan de daling van de werkzaamheidsgraad in de afgelopen jaren grotendeels worden verklaard door de verlenging van de studieduur. De strijd tegen discriminatie op grond van leeftijd moet dus passen in een globaal werkgelegenheidsbeleid met aandacht voor de verschillende fases in het beroepsleven, beleid dat steunt op controle, preventie en overleg.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.
Lutter contre l'âgisme à l'embauche revient à faire respecter la loi, comme vous l'avez bien rappelé, puisque la discrimination est interdite. Toutefois, nous savons que cette interdiction n'empêche pas les employeurs d'éviter les "trop jeunes" ou les "trop âgés".
Nous nous réjouissons de la tripartite constituée avec vos deux collègues Beenders et Verlinden pour essayer de réduire ces discriminations. Nous serons attentifs aux suites réservées à cet enjeu qui est plus essentiel que jamais à la suite de la réforme du chômage.
Nahima Lanjri:
Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ondanks dat discriminatie op basis van leeftijd wettelijk verboden is, blijft dat een probleem. Het wordt zelfs prangender, omdat de groep alleen maar groter wordt, zeker in het licht van onze hervorming van de werkloosheidsuitkering. We weten dat een vijfde van degenen die hun werkloosheidsuitkering tussen nu en eind juni 2026 zullen verliezen, 55-plusser is. Aangezien die groep nu al zo hard geconfronteerd wordt met discriminatie, moeten we ons zeker zorgen over leeftijdsdiscriminatie maken. We moeten daarom tijdig bijsturen en ervoor zorgen dat er niet meer gediscrimineerd wordt. Cd&v is ervan overtuigd dat we vooral moeten vermijden dat er gediscrimineerd wordt. Sancties, zoals gerechtelijke maatregelen of praktijktesten, zoals we er in het verleden mogelijk hebben gemaakt, dienen een stok achter de deur te zijn. Die stok moeten we ook gebruiken als dat nodig is, maar we moeten eerst en vooral inzetten op preventie. Daarom ben ik blij dat u de zaak verder zult bespreken en nagaan er extra sectorconvenanten kunnen worden gesloten. Er moet nog meer ingezet worden op bewustmakingscampagnes en positieve actieplannen. Die maatregelen kunnen ook samen met de werkgeversorganisaties nader worden uitgewerkt. Wie niet horen wil, moet voelen en daarom blijven praktijktesten door de Sociale Inspectie belangrijk. U moet ervoor zorgen dat die daadwerkelijk plaats kunnen vinden. Vandaag zien we dat dat instrument nauwelijks wordt gebruikt en dat er problemen zijn bij het inzetten van derden. Behalve de Sociale Inspectie mogen volgens de wet namelijk ook derden praktijktesten uitvoeren, maar daarvoor is nog steeds een koninklijk besluit nodig, dat momenteel ontbreekt. Ik roep u daarom op, mijnheer de minister, om werk te maken van de wettelijke mogelijkheid om derden in te schakelen wanneer de Sociale Inspectie niet kan ingrijpen. Voor ons blijft het belangrijk om op twee pijlers te werken: preventie en zo nodig sancties als laatste redmiddel. Wij willen uiteindelijk vooral dat er niet gediscrimineerd wordt.
Het Belgische standpunt inzake de nieuwe EU-talentenpool
De gewaarborgde gelijke behandeling van werknemers via de EU-talentenpool
EU-arbeidsmobiliteit en gelijke behandeling van werknemers
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson vraagt hoe België zich opstelt bij het EU-talentenreservoir (een digitale platform voor werving van hooggekwalificeerde werknemers uit derdelanden in knelpuntsectoren), met name over administratieve haalbaarheid, coherentie met migratiebeleid en garanties tegen uitbuiting. Ze benadrukt de nood aan gelijke behandeling (loon, arbeidsvoorwaarden) en strikte controles op transparante jobaanbiedingen, en stelt voor om sanctionerende voorwaarden voor werkgevers in te voeren. Minister Clarinval bevestigt dat België het initiatief steunt maar nog geen deelname beslist (bevoegdheid ligt bij migratie- en regionale ministers) en wijst op de EU-waarborgen tegen misbruik (uitsluiting niet-conforme werkgevers, transparantieplicht). Hij acht extra Belgische eisen overbodig gezien de strenge EU-kaders en verwacht een operationele start in 2028 na een ontwikkelingsfase (2026–2027).
Anne Pirson:
Monsieur le Ministre,
Le Parlement européen et le Conseil viennent de conclure un accord sur la création du "Réservoir européen de talents", une plateforme numérique destinée à faciliter le recrutement international de travailleurs qualifiés provenant de pays tiers, exclusivement dans les secteurs en pénurie identifiés par les États membres. Cette initiative répond aux tensions croissantes du marché du travail européen, en particulier dans la santé, l’ingénierie, le numérique ou encore la construction.
Dans ce dispositif, les États membres peuvent participer volontairement et encadrer eux-mêmes les conditions d’accès, la procédure de sélection, ainsi que les garanties offertes aux travailleurs et aux employeurs. Or, en Belgique, les conditions d’accès au marché du travail, les permis de travail et de séjour, les règles applicables au recrutement international, la protection contre l’exploitation ainsi que la compétence générale en matière de politique fédérale de l’emploi relèvent de votre autorité ou de celle du gouvernement fédéral dans son ensemble.
La plateforme devra garantir une transparence totale des offres, la conformité stricte au droit social national, et pourra exclure immédiatement les employeurs qui ne respecteraient pas les règles. Il s’agit donc d’un outil qui ne peut fonctionner qu’avec un pilotage clair au niveau fédéral.
Dans ce contexte, Monsieur le Ministre, j’aimerais vous interroger sur la manière dont le gouvernement fédéral envisage de positionner la Belgique face à ce nouvel instrument européen:
comment votre administration analyse-t-elle l’opportunité de participer au Réservoir européen de talents, notamment en termes de besoins prioritaires, de cohérence avec notre politique d’immigration économique et de capacité administrative pour gérer les procédures accélérées que l’UE encourage?
Quelles adaptations ou clarifications législatives ou réglementaires pourraient être nécessaires pour garantir une participation belge conforme, sécurisée et compatible avec les règles actuellement en vigueur pour les permis de travail et de séjour?
Je vous remercie pour vos réponses, Monsieur le Ministre.
Monsieur le Ministre,
Le Réservoir européen de talents impose une transparence totale des offres d’emploi publiées : coordonnées complètes de l’employeur, description précise du poste, lieu de travail, conditions, et le cas échéant, rémunération. L’objectif affiché par l’Union européenne est d’éviter les situations d’opacité qui peuvent favoriser les abus, la désinformation ou des formes d’exploitation de travailleurs étrangers. Les candidats devront également créer un profil complet, validé dans certains cas par des partenariats de l’UE pour les talents.
Dans un contexte où la Belgique défend le principe "à travail égal, salaire égal" et où les risques de discrimination ou de différentiel salarial existent toujours dans certains secteurs, la question de l’égalité de traitement des travailleurs recrutés via ce mécanisme est centrale.
J’aimerais donc vous interroger sur plusieurs points importants:
Quelles garanties concrètes le gouvernement fédéral entend-il apporter pour s’assurer que les travailleurs recrutés via cette plateforme bénéficieront pleinement des mêmes conditions de travail que les travailleurs belges, notamment en matière de salaire, horaires, protection sociale, logement éventuel ou accompagnement administratif?
Est-il envisagé d’imposer aux employeurs belges utilisant cette plateforme un engagement préalable à l’égalité de traitement, contrôlable et sanctionnable?
Le gouvernement prévoit-il une collaboration renforcée avec la Commission afin de vérifier que les offres belges publiées sur la plateforme respectent pleinement notre législation sociale et nos règles en matière de transparence?
Je vous remercie pour vos réponses, Monsieur le Ministre.
David Clarinval:
Le Réservoir européen de talents impose une transparence totale des offres d'emploi publiées: coordonnées complètes de l'employeur, description précise du poste, lieu de travail, conditions et, le cas échéant, rémunération. L'objectif affiché par l'Union européenne est d'éviter les situations d'opacité qui peuvent favoriser les abus, la désinformation ou des formes d'exploitation de travailleurs étrangers. Les candidats devront également créer un profil complet, validé dans certains cas par des partenariats de l'Union européenne pour les talents.
Dans un contexte où la Belgique défend le principe "à travail égal, salaire égal" et où les risques de discrimination ou de différentiel salarial existent toujours dans certains secteurs, la question de l'égalité de traitement des travailleurs recrutés via ce mécanisme est centrale.
Le 18 novembre 2025, le Conseil et le Parlement européens sont effectivement parvenus à un accord politique provisoire sur la proposition visant à créer un Réservoir européen de talents. L'accord doit encore être confirmé par les deux institutions avant d'être officiellement adopté. Toutefois, cette question relève de la compétence de ma collègue, la ministre de l'Asile et de la Migration, ainsi que des régions. La Belgique soutient l'initiative, mais ne s'est pas encore prononcée sur une éventuelle participation au Réservoir de talents.
Celui-ci a pour objectif de rendre le marché du travail de l'Union plus compétitif et de lutter contre les pénuries sur le marché du travail. Il convient de veiller à éviter des charges administratives disproportionnées pour les pouvoirs publics et les employeurs et de mettre en place un cadre solide afin d'empêcher les employeurs participant à ce réservoir de ne pas respecter la législation et les pratiques en vigueur. Le Conseil et le Parlement souhaitent garantir que seuls les employeurs qui respectent les règles puissent publier des annonces sur la plateforme EU Talent Pool.
Les colégislateurs ont accordé une grande priorité à la mise en place du cadre le plus solide possible afin de prévenir l'exploitation par le travail des ressortissants de pays tiers. Grâce à ces garanties renforcées, le Réservoir européen de talents facilitera non seulement le recrutement de travailleurs internationaux, mais garantira également un niveau élevé de transparence concernant les employeurs qui utilisent la plateforme afin d'empêcher les employeurs qui ne respectent pas la législation applicable de recruter via la plateforme.
Il semble donc inutile d'imposer des conditions supplémentaires aux employeurs belges dans le cas où la Belgique adhèrerait à l'initiative et dans la mesure où cela serait possible. Par ailleurs, si l'accord politique est approuvé, la phase de développement est prévue entre 2026 et 2027. En effet, le développement de la plateforme informatique et la mise en place de la structure de gouvernance au niveau européen et national devraient prendre environ deux ans. Le réservoir européen de talents devrait être pleinement opérationnel en 2028.
Anne Pirson:
Merci monsieur le ministre.
De re-integratie van vrouwelijke slachtoffers van geweld op de arbeidsmarkt
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz bekritiseert dat het beloofde "pack nouveau départ" – een integrale steunmaatregel (financieel, juridisch, psychologisch en arbeidsgerelateerd) voor slachtoffers van partnergeweld – ondanks politiek akkoord in april 2024 nog steeds niet operationeel is, en dringt aan op concrete uitvoering en timing. Minister Clarinval wijst zijn beperkte bevoegdheid (werkgelegenheid is regionaal) en verwijst naar collega Beenders voor het nationale actieplan, zonder eigen maatregelen te beloven. Schlitz waarschuwt dat de tijdsbeperking op werkloosheidsuitkeringen kwetsbare samenwonenden verder in economische afhankelijkheid drijft, wat hun vlucht uit geweldsituaties bemoeilijkt, en eist dringende oplossingen in plaats van "sancties".
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, lorsqu’une femme est victime de violences conjugales, les obstacles à son départ et à sa reconstruction sont souvent multiples et profondément imbriqués. Outre la violence elle ‑ m ê me, la d é pendance financi è re, l ’ emprise exerc é e par le conjoint ou encore les entraves directes ou indirectes à l ’ acc è s à un emploi constituent des freins majeurs à l ’ autonomie et à la s é curit é de ces femmes.
Aujourd’hui, le "pack nouveau départ" a précisément été conçu pour lever ces différents freins. Ce dispositif public vise à offrir un soutien global aux victimes: aide financière d’urgence, accompagnement socio ‑ juridique gratuit, vingt s é ances psychologiques, dispositifs d ’ adresses prot é g é es, ainsi que des mesures de protection sp é cifiques sur le lieu de travail ou dans la recherche d ’ emploi.
Un accord avait été conclu en avril 2024 au sein de la Conférence interministérielle (CIM) Droits des femmes et avait reçu l’appui public de plusieurs partis et membres des différents gouvernements de l’époque. Pourtant, ce dispositif n’a toujours pas été opérationnalisé.
Monsieur le ministre, au regard de l’urgence de la situation et des engagements pris, pouvez ‑ vous pr é ciser quelles mesures votre gouvernement entend mettre en œ uvre afin de soutenir concr è tement les femmes victimes de violences conjugales dans leur d é marche d ’é mancipation é conomique? Par ailleurs, pouvez ‑ vous indiquer selon quel calendrier et quelles modalit é s le pack nouveau départ sera rendu pleinement op é rationnel, afin que les engagements politiques se traduisent enfin en mesures effectives pour protéger les victimes et leur offrir une autonomie financière? Je vous remercie pour vos réponses.
David Clarinval:
Monsieur le président, il est essentiel que les femmes victimes de violences puissent se reconstruire et retrouver leur pleine autonomie. L’emploi constitue un levier important dans le processus d’émancipation des femmes victimes de violences, notamment de violences conjugales. En effet, la dépendance économique est souvent un outil de contrôle utilisé par l’auteur des violences.
Mes compétences ministérielles sont cependant très limitées sur cette question. De fait, l’accompagnement et la formation des demandeurs d’emploi, ainsi que la politique relative à des groupes cibles spécifiques sur le marché du travail, relèvent de la compétence des régions et des communautés.
Je me permets également de vous renvoyer à mon collègue, le ministre Beenders, qui travaille sur un nouveau plan d’action national de lutte contre les violences basées sur le genre. Il sera le mieux placé pour répondre sur cette matière, notamment quant au pack que vous avez évoqué, qui relève de sa compétence.
Sarah Schlitz:
Merci pour votre réponse. Ce qui est intéressant dans la démarche des associations ayant soumis aux différents gouvernements le projet de pack nouveau départ, c'est qu'il part de situations concrètes vécues sur le terrain, notamment observées dans les refuges pour femmes victimes de violences ou auprès des associations qui les soutiennent. Il s'agit d'un outil clé sur porte, peu coûteux, mais susceptible de produire des résultats très concrets et de dénouer des situations de violences parfois inextricables. Aujourd'hui, ce qui m'inquiète fortement, c'est que la limitation des allocations de chômage dans le temps va également pénaliser des cohabitantes qui ne percevront plus d'allocation et qui n'auront pas droit à un revenu au niveau du CPAS. Nous savons qu'elles ne rempliront pas les conditions pour accéder à un revenu et qu'elles se retrouveront dès lors dans une situation de dépendance encore plus forte vis-à-vis d'un conjoint. Or nous savons à quel point l'accès, ou non, à des ressources économiques détermine l'ampleur et le développement des violences au sein du couple, ainsi que l'incapacité de la victime à pouvoir s'en extirper. J'attire donc réellement votre attention sur ces situations spécifiques. Aujourd'hui, ces personnes ont besoin que l'on leur tende la main. Elles n'ont pas besoin de sanctions.
Het Mercosur-akkoord
De goedkeuring van het verdrag tussen de EU en de Mercosur-landen
De onthouding van België bij de stemming over het EU-Mercosur-handelsakkoord
EU-Mercosur-handelsverdrag en Belgische stemonthouding
Gesteld door
N-VA
Kathleen Depoorter
PS
Christophe Lacroix
Open Vld
Sandro Di Nunzio
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking), Bart De Wever (Eerste minister)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om het omstreden EU-Mercosur-handelsakkoord, waar België zich als enige onthield bij de stemming, ondanks economische voordelen zoals tariefverlagingen (bv. 35% op chemie, 20% op hightech) en toegang tot 265 miljoen consumenten. Sandro Di Nunzio (MR) bekritiseert de Belgische "onmacht" en interne verdeeldheid—federale regering, Vlaanderen (geen standpunt) en Wallonië (tegen)—en noemt de onthouding "dramatisch" voor jobs en geopolitieke positie, terwijl Maxime Prévot (Les Engagés) benadrukt dat geen consensus bestond over landbouwbezorgdheden (quota, beschermingsclausules), ondanks extra EU-garanties zoals strengere controles en budgetverhogingen. Kathleen Depoorter (N-VA) verdedigt het akkoord als strategische winst voor industrie en export (bv. farma: 18%→0% tarief), met voldoende landbouwbescherming, maar Di Nunzio wijst op de paradox dat Prévots partij (Les Engagés) het akkoord juridisch wil aanvechten bij het EU-Hof, wat hij een "signaal van wantrouwen" noemt. Critici (Di Nunzio) beweren dat politieke blokkades (o.a. cd&v in Vlaanderen) economische kansen torpederen, terwijl Prévot de afweging tussen industriële voordelen en landbouwrisico’s neutraal voorstelt als een "keuze met winnaars en verliezers".
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, mijn vraag dateert van voor het kerstreces en toen was men nog volop aan het onderhandelen over het Mercosur-akkoord. Ondertussen heeft men een aantal aanpassingen gedaan, waardoor het akkoord op 17 januari in Paraguay door Europees Commissievoorzitter Von der Leyen zal kunnen worden ondertekend en het grootste handelsblok ter wereld van start kan gaan.
Het Mercosur-akkoord is een heel belangrijk handelsakkoord waardoor heel wat invoertaksen vermeden zullen kunnen worden. Er is rekening gehouden met een aantal bezorgdheden van de landbouwsector, die op straat gekomen is en die gisteren bijvoorbeeld in Catalonië na overleg en na kennisname van het akkoord, zelfs gestopt is met de blokkering. Er zijn dus echt wel stappen vooruit gedaan. Het akkoord creëert ook openingen voor onze Vlaamse industrie. Zo worden de invoertaksen tot nu gereduceerd. Kortom, het akkoord is significant voor onze economie, innovatie en vooruitgang.
Mijnheer de minister, ook al zijn mijn vragen al wat achterhaald, ik verneem graag van u wat de stand van zaken is. Hoe evalueert u het akkoord? In hoeverre is er tegemoetgekomen aan alle bezorgdheden?
Sandro Di Nunzio:
Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, collega’s, mijn vraag was oorspronkelijk gericht aan de premier en dat was niet toevallig. Het was niet toevallige dat ik die vraag aan de premier richtte, omdat Mercosur een strategische keuze is voor onze welvaart en voor de economische koers van ons land.
Dat deze vraag nu aan u is doorgeschoven, kan twee zaken betekenen. Het kan betekenen dat onze premier niet wil spreken over een beslissing die onze jobs en economie raakt. Het kan ook zijn dat de regering met betrekking tot dit dossier zo verdeeld is dat men er liever niet over spreekt en de hete aardappel graag naar u doorschuift.
België leeft van handel. En toch heeft ons land ervoor gekozen om niet te kiezen voor Mercosur. Dat is wat ons betreft onbegrijpelijk. België is groot in export, in industrie, logistiek en ondernemerschap. U weet beter dan wie ook, zeker wanneer u naar het buitenland gaat en onderhandelt, onze welvaart draait op open markten. Daarvan zijn wij ongelooflijk afhankelijk. Onze welvaart draait op kmo’s die exportcontracten binnenhalen, op havens die de motor van Europa zijn en op industriële clusters die moeten concurreren met de Verenigde Staten en China.
Net daarom was het zo ongelooflijk om te moeten vaststellen dat België zich vorige week heeft onthouden bij de goedkeuring van dat handelsakkoord. België stemde niet tegen, België stemde niet voor, maar onthield zich. Een meerderheid van de lidstaten ging voluit voor Mercosur, maar België onthield zich.
Mijnheer de minister, een land dat leeft van handel, maar zich onthoudt als het over handel gaat, toont pure onmacht. Het is pure onmacht van ons land en van deze regering. U weet dat beter dan wie ook, Mercosur is cruciaal voor onze welvaart. Het vrijhandelsakkoord bouwt immers 91 % van de invoertarieven af en opent deuren voor sectoren die vandaag onder enorme internationale druk staan
Ik ga er even op in. Voor de chemische producten gaat het om tarieven tot 35 % die verdwijnen, voor farmaceutische producten om tarieven tot 14 % en voor machinebouw en hightech om tarieven tot 20 %. Mercosur is bovendien een akkoord dat de markt opent voor 265 miljoen consumenten. Meer dan 1.600 Belgische bedrijven zijn er actief. Volgens de Europese Commissie ondersteunt onze export richting Mercosur bijna 800.000 jobs in ons land. Mijnheer de minister, daarover gaat het. Het gaat over de kern van onze welvaart.
Die onthouding is dramatisch, en de timing is dat ook. U weet het – u hebt het er al over gehad, ook hier in deze commissie – onder andere de Verenigde Staten worden steeds protectionistischer. De handelstarieven gaan de lucht in. Het is dus net vandaag dat wij als Europese Unie die kans hadden moeten grijpen. We doen dat wel, maar België had een voortrekker moeten zijn om dat grote handelsblok te willen vormen, zodat we ons geopolitiek kunnen positioneren ten opzichte van die landen die als het ware tariefcorridors optrekken.
Dit legt duidelijk bloot dat het niet gaat over het economisch belang. Het legt de paradox binnen de regering bloot, waar u deel van uitmaakt. Ik heb de premier uiteraard ook daarover bevraagd en ik hoorde hem in de commissie voor Binnenlandse Zaken een pleidooi houden voor het Mercosur-akkoord. Hij erkende de voordelen, maar stelde tegelijk dat zijn ambt de goedkeuring niet kon geven.
Dan stel ik de fundamentele vraag aan u, mijnheer de minister, hoe rijmt zijn overtuiging met het feit dat België zich uiteindelijk aan de zijlijn zet? Hoe kan hij als premier van dit land – ik mag hopen dat u als vicepremier zijn standpunt zult vertolken – dat rijmen met het feit dat België zich onthoudt? De conclusie is toch onvermijdelijk dat de premier de economische noodzaak ziet, maar zijn regering niet mee krijgt. Dat is helaas geen beleid, dat is vaststellen dat er niet beslist kan worden.
Die onthouding komt trouwens niet alleen van het federale niveau, er is een bredere politieke blokkering. Het is niet alleen de federale regering die aarzelt en niet mee wil, ook op regionaal niveau is men verlamd. De Vlaamse regering van Matthias Diependaele besliste om geen standpunt in te nemen. Geen standpunt, alstublieft. Dat is onaanvaardbaar. Vlaanderen roept graag dat het ondernemersvriendelijk is, maar op het moment dat het telt, neemt men geen verantwoordelijkheid.
We moeten ook naar de andere kant van het land kijken. Ook de Waalse Gewestregering draagt haar verantwoordelijkheid. Wallonië profileert zich immers graag als investeringsregio en als exportgebied en heeft bedrijven die baat hebben bij marktoegang, bij de afbouw van tarieven en bij duidelijkheid. Toch heeft Wallonië beslist om nog een stap verder te gaan en het Mercosur-akkoord te verwerpen. Dat bewijst dat er interne politieke verdeeldheid is, niet alleen binnen de federale regering, maar ook bij de deelstaten. Ik heb de eerste minister gezegd dat het jammer is dat, nu de politieke formaties in Wallonië en Vlaanderen dezelfde samenstelling hebben, geen leiderschap wordt opgenomen en geen eensgezindheid kan worden gevonden.
Het Mercosur-akkoord betreft ook de landbouw, want het biedt bescherming en kansen voor de landbouw. We weten dat landbouw het heikele punt is. Er is 25 jaar onderhandeld en landbouw was daarbij zeker meer dan een aandachtspunt. Het akkoord bevat gerichte, juridisch bindende en meteen afdwingbare maatregelen om onze landbouwers te beschermen, maar dat wordt vaak genegeerd in het debat. Politieke partijen en organisaties zoals de Boerenbond lijken dat vaak te negeren.
Er is in strikte quota voorzien voor gevoelige agrovoedingsproducten waarvoor lage invoertarieven gelden. Ik geef één voorbeeld. Er mag 99.000 ton rundsvlees worden ingevoerd. De hoeveelheid is geplafonneerd en komt overeen met slechts 1,5 % van de totale EU-productie. Er zijn dus duidelijke plafonds, ook voor varkensvlees en gevogelte. Er is duidelijk geen ongelimiteerde of onbeperkte instroom.
Ten tweede bevat het akkoord ook een beschermingsclausule die Europa toelaat om onmiddellijk in te grijpen bij marktschade of bij een plotse toename van de invoer. Dat zijn elementen die aantonen dat bij de onderhandelingen in belangrijke mate rekening is gehouden met de bescherming van die sectoren.
Tegelijk is het belangrijk te benadrukken dat dit akkoord ook opportuniteiten biedt. Voor verwerkte landbouwproducten is de impact bijzonder tastbaar. Voor chocolade bijvoorbeeld verdwijnt een invoertarief van 20 % volledig. Voor kaas en melkpoeder daalt het invoertarief van 28 % naar 0 %, wat onze zuivelproducten meteen competitiever maakt. Het is dus geen eenzijdig verhaal. Er zijn wel degelijk ook veel opportuniteiten voor onze landbouw. Sectoren die bescherming nodig hebben, waaronder suiker, vallen onder strikte quota die overeenkomen met ongeveer 1,2 % van de jaarlijkse EU-productie. Dat is de limiet, dus ook daar is geen sprake van een ongecontroleerde stroom.
Vandaag heb ik echter een nieuw potentieel obstakel gezien. Op X las ik immers dat Les Engagés blijkbaar naar het Europees Hof van Justitie zou willen stappen. Mijnheer de minister, u bent tot nader order nog steeds lid van Les Engagés, dat het akkoord niet alleen politiek betwist, maar zelfs juridisch wil laten ondermijnen. Dat is een fundamenteel signaal van wantrouwen in een akkoord dat de eerste minister mee heeft verdedigd.
Steunt u de stap van Les Engagés naar het Europees Hof van Justitie, ja of nee? Daar wil ik graag duidelijkheid over. Hoe kan de eerste minister in Europa pleiten voor Mercosur, terwijl uw partij een juridische blokkering ervan ambieert? Wat houdt dit in voor onze ondernemers? België onthoudt zich, Vlaanderen neemt geen standpunt in, Wallonië werkt tegen en de partij van de minister van Buitenlandse Zaken kondigt aan dat zij naar het Hof van Justitie zou willen stappen om het akkoord juridisch te laten onderzoeken. Is dat het signaal dat we aan onze bedrijven willen geven?
Waarom werd deze vraag van de eerste minister naar u doorgeschoven? Wie neemt finaal de politieke verantwoordelijkheid in deze regering? Zullen de Vlaamse regering en de Waalse regering worden aangesproken op hun houding? Het belangrijkste punt is echter of u bereid bent om in het verdere Europese traject kleur te bekennen en België actief te positioneren bij de implementatie van het akkoord, zodat uw overtuiging ook effectief beleid wordt. Ik hoop dat dit uw overtuiging is en die van deze regering.
Maxime Prévot:
Mevrouw de voorzitster, collega's, op vrijdag 9 januari 2026 keurde COREPER de ondertekeningsbesluiten en de besluiten betreffende het sluiten van die overeenkomsten goed voor de partnerschapsovereenkomst en de interimovereenkomst inzake handel. Het dossier wordt nu ter goedkeuring naar het Europees Parlement gestuurd. In de komende dagen zal voorzitster Ursula von der Leyen naar Paraguay reizen om de overeenkomst te ondertekenen. De overeenkomsten kunnen daarna voorlopig van toepassing worden wanneer ten minste één Mercosur-land en de Europese Unie de kennisgeving hebben gedaan.
De Europese Commissie heeft zich in haar interinstitutionele overeenkomst met het Europees Parlement ertoe verbonden die kennisgeving voor de Europese Unie pas te doen na ontvangst van de instemming van het Europees Parlement. Het Europees Parlement zou volgende week tijdens de plenaire vergadering stemmen over het al dan niet verwijzen van Mercosur naar het Hof van Justitie voor een juridisch advies. Indien dat het geval is, kan het Europees Parlement pas stemmen zodra het advies is ingewonnen.
Comme vous le savez, la Belgique s'est abstenue lors du vote de l'accord. La position finale belge est prise en coordination avec l'ensemble des autorités politiques qui ont été impliquées. Conformément à notre système institutionnel, les décisions se prennent sur la base du consensus. Sans consensus, la Belgique doit s'abstenir.
Il n'y avait pas de consensus en Belgique pour voter en faveur de l'accord, compte tenu des sensibilités exprimées concernant certains secteurs agricoles. Mais il n'y avait pas non plus de consensus contre l'accord. Les développements récents n'ont pas modifié les positions. Même si je regrette que la position belge n'ait pas pu exprimer un consensus fort, dans un sens ou dans un autre, la position belge est le fruit de notre processus de coordination interne qu'il convient également de respecter. Par ailleurs, permettez-moi de souligner qu'une abstention ne constitue pas une approbation tacite de l'accord.
J'aimerais encore répondre à vos deux questions concernant les garanties pour les agriculteurs. Je souhaite d'abord dire à nos agriculteurs que nous sommes bien conscients de leurs difficultés et que nous poursuivrons, en collaboration avec les ministres de l'Agriculture, nos efforts pour améliorer leurs conditions de travail et la soutenabilité de leurs exploitations au sein des différentes filières du Conseil.
Tijdens de bijeenkomst van de landbouwministers op 7 januari kondigde de Commissie aan dat twee derde van het budget voor de tussentijdse herziening van het Meerjarig Financieel Kader vervroegd wordt vrijgemaakt, wat neerkomt op een verhoging van 45 miljard euro. In de verordening betreffende het vrijwaringsmechanisme zijn de drempels voor onderzoeken naar gevoelige producten van 10 % naar 5 % gedaald.
Voorts heeft de Commissie voor dezelfde verordening een verklaring aangenomen over de versterking van de controles op normen in de EU en in derde landen, een bevestiging van de toezeggingen in de communicatie over de visie voor de toekomst van de landbouw, met name op het gebied van pesticiden- en dierenwelzijn en de mogelijkheid om 10-cijferige douanecodes te creëren om bepaalde specifieke gevoelige bijproducten te volgen, zoals specifieke stukken rundsvlees.
C'est dans cette même démarche que nous avons voulu influencer l'accord pour le rendre le plus équilibré possible. Nous importons déjà des produits agricoles du Mercosur et nous continuerons à le faire, avec ou sans cet accord. Donc, en lui-même, celui-ci ne crée pas les problèmes. En revanche, il convient de nous assurer qu'il ne les aggravera pas. À ce titre, l'accord ne réduit pas les tarifs à 0 % pour l'ensemble des produits agricoles. Pour les produits sensibles tels que le bœuf, la volaille, le sucre, il prévoit des quotas progressifs et des sauvegardes bilatérales pouvant suspendre la libéralisation. Une nouvelle sauvegarde peut être ensuite réimposée sur le même produit après une période minimale correspondant à la moitié de la durée totale de la sauvegarde appliquée. Un règlement européen devra permettre de clarifier l'opérationnalisation de ces sauvegardes dans l'Union européenne.
Enfin, les normes SPS restent inchangées. La Commission s'engage à renforcer les contrôles. L'accord devra également protéger des indications géographiques européennes et belges et représenter des opportunités pour certaines filières agroalimentaires belges telles que la bière, les produits chocolatés, les pommes de terre surgelées ou les fromages et produits laitiers.
Encore une fois, j'entends les difficultés énormes auxquelles se heurtent les agriculteurs. Je ne prétends pas que les mesures de sauvegarde que je viens de vous énumérer et qui ne sont, du reste, pas exhaustives apporteront des solutions miracles à tous leurs problèmes. Toutefois, j'ose espérer qu'elles pourront au moins témoigner du travail accompli pour rendre cet accord le plus équilibré possible et tenter d'apaiser quelque peu leurs inquiétudes. Bien évidemment, chacun en jugera.
Mijnheer Di Nunzio, wat de politieke verdeeldheid en het algemeen economisch belang betreft, herhaal ik nogmaals dat het Belgische standpunt moet worden geformaliseerd door een besluit, gevalideerd tijdens een vergadering met alle bevoegde kabinetten van de federale en gefedereerde entiteiten. Indien er geen consensus wordt bereikt, onthoudt België zich bij de stemming. Die procedure wordt ook gevolgd bij de volgende stappen van het Mercosurakkoord. De afgelopen maanden vonden meerdere overlegmomenten plaats over het akkoord, zowel met sectororganisaties als met de Europese Commissie.
Een handelsakkoord brengt onvermijdelijk zowel winnaars als verliezers met zich mee. Ik erken de economische voordelen die het Mercosur-akkoord zal brengen, met name een verbeterde marktoegang voor de Belgische industrie en een tariefliberalisering. Daar staat tegenover dat de landbouwsector het grootste deel van de lasten draagt. Ondanks bijkomende garanties die onlangs zijn toegekend, blijven die onvoldoende om de huidige druk op de landbouwsector wezenlijk te verlichten.
Het komt mij niet toe om een oordeel te vellen over het al dan niet innemen van een standpunt door een gewest. Wat uiteindelijk telt, is de finale conclusie die wij vaststellen op het DGE-overleg.
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, zoals u weet zijn we het over dit punt niet helemaal eens. Ik vind dat er wel goed onderhandeld is met de landbouwers. Er zijn extra schotten inzake de quota ingevoerd. Er zijn budgetten naar voren geschoven. Er zijn bijkomende garanties inzake voedselveiligheid afgesproken. In Europa zie ik dat een aantal landbouwers de blokkades daadwerkelijk heeft opgegeven. Ze erkennen dat er goede stappen vooruit zijn gezet.
We moeten onder ogen zien dat de geopolitieke situatie een impact heeft op onze economie. We hebben het daarnet uitgebreid gehad over economische strategische autonomie en over het sterke Europa dat we willen zijn, ook op economisch vlak. Daartoe hebben we partners en afzetmarkten nodig. U erkent dat zelf ook. Economisch gezien zal dat akkoord een stap vooruit betekenen voor onze bedrijven, die echt wel een beetje zuurstof nodig hebben.
Ik ben dus verheugd dat er een akkoord is gesloten op 9 januari. Ik heb er vertrouwen in dat de rechtsgeldigheid zal worden onderzocht en op een correcte manier zal worden beoordeeld, zodat we vooruit kunnen met de discussie, een debat dat al twintig tot vijfentwintig jaar worden gevoerd.
Gaan we effectief naar dat grote handelsblok dat we zo broodnodig hebben? Ik herhaal het nog eens: voor de farma-industrie gaat het van 18 % naar 0 %, en dat op een moment waarop we voor grote uitdagingen staan wegens de heffingen die de Verenigde Staten hebben opgelegd. We kunnen daar dus erg sterk uit komen.
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kan me inhoudelijk uiteraard in belangrijke mate aansluiten bij de opmerkingen van de collega van N-VA. Ik was in het begin hoopvol, want het viel me op dat u redelijk uitvoerig de garanties voor de landbouw hebt opgesomd die ingebouwd zijn in het akkoord, zowel wat de toegang tot onze markten als wat de kwaliteitscontroles betreft. Ik meende dat u, minstens op persoonlijke titel, aan het shiften was ten opzichte van uw eigen partij. Op het einde hebt u letterlijk gesteld dat u de garanties voor de landbouw eigenlijk onvoldoende vindt, wat toch een ander standpunt is dan dat van onze premier en van een aantal andere partners binnen uw regering. Ik ben op zich niet de grootste tafelspringer of wil niet met zware aanvallen aan politique politicienne doen, maar ik moet zeggen dat ik het ongelooflijk betreur dat de arizonaregering, die zichzelf in de markt heeft gezet als pro hervormingen, pro ondernemen, en pro bedrijfsleven, er niet in slaagt om eensgezindheid te vinden en elkaar ervan te overtuigen dat de garanties afdoende zijn. Ik betreur dat zeer erg, temeer omdat u als minister van Buitenlandse Zaken ons in het buitenland als exportland in de markt moet zetten. U moet verdedigen dat we staan voor een open economie en voor sterke handelsakkoorden. Ik vind het ongelooflijk jammer, een doodzonde, dat u en uw partij dat niet mee kunnen verdedigen, net zoals ik dat een doodzonde vind op Vlaams niveau, waar één partij, met name cd&v, ervoor gezorgd heeft dat zelfs Vlaanderen er niet in slaagt om voorstander te zijn, terwijl dat een no-brainer zou moeten zijn. Waar in het verleden andere eerste ministers wellicht de volle laag gekregen zouden hebben omdat het goedkeuren van een zo gunstig akkoord voor onze regio niet lukt, blijkt dat nu niet het geval te zijn. Maar goed, passons . We stellen vast dat er geen eensgezindheid is en we gaan over tot het volgende dossier. Het feit dat de eerste minister de interpellatie morgen niet zal beantwoorden maar ze naar u doorschuift in deze commissievergadering, en dat hij niet wil assumeren dat hij als leider van de ploeg er niet in slaagt om duidelijk voor onze welvaart te kiezen, zegt mij meer dan genoeg. U hebt ook geantwoord – op persoonlijke titel, neem ik aan, want het is duidelijk geen standpunt van de regering – dat er winnaars en verliezers zijn bij akkoorden. U gaf aan dat er in dit akkoord voldoende grendels zijn ingebouwd. In zo’n debat bestaat steeds het risico, zoals ik al ben tegengekomen, dat wie voor het akkoord pleit, ongenuanceerd wordt weggezet als tegenstander van de landbouw. Natuurlijk is niets minder waar. U hebt zelf ook aangestipt dat veel sectoren van het akkoord zullen profiteren en naar die landen zullen kunnen exporteren, niet het minst onze fruittelers, die geen toegang meer hebben tot de Russische markt, maar die nu wel naar de Mercosur-landen kunnen exporteren. Als het feit dat er potentieel enkele verliezers zouden kunnen zijn, men weet het nooit, als een aantal bedrijven in moeilijkheden zou komen, wat ik betwijfel, als dat een reden is om geen handelsakkoorden af te sluiten, dan wordt het mijns inziens zeer moeilijk. Immers, zoals ik eerder al in de commissie voor Buitenlandse Zaken zei, mochten wij vandaag van nul moeten beginnen en een nieuwe Europese Unie moeten vormen, dan zouden we met de reflexen die nu naar voren worden geschoven en met de verklaringen dat de inhoud van zo’n akkoord onvoldoende is, geen Europese Unie kunnen vormen. Ook in het verleden, bij de uitbreiding van de Unie met landen zoals Polen en bij de vorming van de Unie, is de macht steeds enigszins verschoven en moest opgevolgd worden hoe dat zich voltrok, zodat er geen drama’s gebeurden. Als wij niets doen, niet bewegen en geen akkoorden sluiten, uit vrees dat bepaalde sectoren meer onder druk zouden kunnen komen, dan kan iedereen beter op zijn eiland blijven, binnen zijn eigen land, en moet er niet meer samengewerkt worden. Ik ben het daar persoonlijk niet mee eens en ik ben er ook grondig tegen. Ik betreur in die zin dat er geen eensgezindheid is. Laten wij echter op Europees vlak niet verder blokkeren, maar laten wij het akkoord gebruiken en goed uitvoeren, zodat er van die quota en van die kwaliteitscontroles effectief werk wordt gemaakt, zodat onze landbouwers die het wel nodig hebben, goed worden beschermd. Moties Motions De voorzitster : Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Sandro Di Nunzio en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Sandro Di Nunzio en het antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, vraagt de regering - om zich actief te positioneren bij de implementatie van dit akkoord, zodat het wegvallen van tarieven en openstellen van de Mercosur-markt meteen impact heeft voor onze bedrijven en havens; - om bij de Vlaamse regering de gevolgen van het ontbreken van een duidelijk standpunt over Mercosur aan te kaarten; - om, gezien de blamage voor België dat zich als enige land heeft onthouden bij de stemming, in de toekomst voor jobs en investeringen te kiezen en onvoorwaardelijk volgende vrijhandelsakkoorden tussen de EU en derde landen goed te keuren (cf. de lopende onderhandelingen met lndia). " Une motion de recommandation a été déposée par M. Sandro Di Nunzio et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Sandro Di Nunzio et la réponse du ministre des Affaires étrangères, des Affaires européennes et de la Coopération au développement, demande au gouvernement - de se positionner activement lors de la mise en œuvre de cet accord pour que l'abandon des droits de douane et l'ouverture du marché du Mercosur aient un effet immédiat pour nos entreprises et nos ports; - d'évoquer les conséquences de l'absence de position claire sur le Mercosur avec le gouvernement flamand; - compte tenu de la honte subie par la Belgique, qui a été le seul pays à s'abstenir lors du vote, d'opter à l'avenir pour l'emploi et les investissements et d'approuver inconditionnellement les prochains accords de libre-échange entre l'UE et des pays tiers (cf. les négociations en cours avec l'Inde). " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Michel De Maegd. Une motion pure et simple a été déposée par M. Michel De Maegd . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
Het rapport van Myria over mensenhandel
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Victoria Vandeberg (PV) wijst op 346 gedetecteerde mensenhandelzaken in 2024 (twee derde prostitutie), met kritiek op systeemfalen: slachtoffers worden dubbel gevictimiseerd door te hoge eisen in strafprocedures en onvoldoende bescherming, terwijl Myria pleit voor aanpassing van procedures en betere begeleiding. Minister Verlinden bevestigt dat Myria’s aanbevelingen (o.a. circulaireherziening, betere samenwerking justitie/hulpverlening) worden geïntegreerd, maar concrete maatregelen (bv. verbeterde verblijfsstatus) blijven in studie. Marijke Dillen (N-VA) bekritiseert de overbelaste Brussel-NL rechtbank: door verdubbelde werklast (strikte parketbeleid Moinil) ontbreken 14 rechters/griffiers, leidend tot vertragingen (bv. fiscale zaken van 1 → 2 jaar, risico’s in familiezaken). Verlinden kondigt 3 extra rechters (2026) en 3 onderzoekskabinetten aan via flexibele kaders en 12 miljoen euro hefboomplan, maar Dillen betwist de volstaatheid en eist structurele kaderuitbreiding om rechtsvertraging te voorkomen.
Victoria Vandeberg:
Madame la Ministre,
En 2024, les services de police belges ont détecté 346 infractions liées à la traite des êtres humains. Près des deux tiers de ces dossiers, soit 213 affaires, concernaient la prostitution forcée, principalement dans les grandes villes du pays.
Derrière ces chiffres, il y a des victimes. Pour ne citer qu’un exemple parmi tant d’autres, une récente affaire fait état d’une jeune femme venue du Nigéria, recrutée avec la promesse d’un emploi de vendeuse en Europe, qui a finalement atterri à Anvers, où elle a été contrainte à la prostitution dans un bar, dans des hôtels et en rue.
Myria rappelle par ailleurs que les chiffres disponibles ne reflètent en aucun cas l’ampleur réelle du phénomène, puisqu’ils ne concernent que les faits et les victimes identifiés par les autorités.
Dans son rapport annuel 2025, le Centre fédéral Migration attire l’attention sur les attentes parfois excessives qui pèsent sur les victimes de traite dans le cadre des procédures judiciaires. Il souligne le risque que, parfois malgré lui, le système judiciaire repose trop fortement sur la capacité des victimes à témoigner rapidement et à porter une partie du poids des enquêtes et des poursuites, alors même que ces personnes ont subi des violences graves et se trouvent dans une situation de grande vulnérabilité. Myria insiste dès lors sur la nécessité d’adapter les procédures judiciaires à la réalité des victimes de traite, afin que la justice constitue avant tout un appui et une protection, et non une source de pression supplémentaire susceptible de conduire à une forme de double victimisation. Le Centre fédéral formule à cet égard plusieurs recommandations visant à renforcer leur protection et leur accompagnement.
Madame la Ministre,
Comment le gouvernement entend-il tenir compte de l’ensemble des constats et recommandations formulés par Myria afin d’améliorer la protection des victimes de traite des êtres humains et d’adapter le cadre actuel à leur réalité, tant dans le déroulement des procédures que dans l’accompagnement qui leur est proposé ?
Par ailleurs, au-delà de la prise en charge après les faits, qu’en est-il des mesures de prévention et de lutte en amont contre la traite des êtres humains ? L’accord de gouvernement fédéral fait de cette lutte une priorité, notamment en matière de démantèlement des réseaux, de protection renforcée des mineurs et de coopération entre la justice, la police et les services d’inspection. Pouvez-vous faire le point sur l’état d’avancement de ces engagements et sur les actions concrètes mises en œuvre ?
Je vous remercie.
Annelies Verlinden:
Je partage le constat de Myria selon lequel les données disponibles ne reflètent que partiellement le phénomène, puisqu'elles se limitent aux faits et victimes identifiés. La lutte contre la traite constitue une priorité affirmée de l'accord de gouvernement. Myria est représentée au sein du bureau de la Cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains. Ses constats et recommandations sont intégrés de manière transversale dans l'évolution du cadre législatif, procédural et opérationnel, afin de mieux répondre à la réalité vécue par les victimes.
Une révision approfondie de la circulaire multidisciplinaire relative à l'identification, à l'orientation et à la protection des victimes est en cours. Elle vise à renforcer la coordination entre la justice, la police, les centres d'accueil spécialisés et les entités fédérées – en particulier pour les mineurs – ainsi qu'à garantir un mécanisme d'orientation plus clair et plus protecteur, en tenant compte des constats de Myria concernant les attentes parfois excessives à l'égard des victimes en début de procédure.
Je suis par ailleurs attentive aux risques de forte pression et de double victimisation soulignés par Myria. Les recommandations relatives au titre de séjour, également reprises par la commission parlementaire spéciale, seront examinées en concertation avec la ministre chargée de la Migration dans le cadre du prochain plan d'action contre la traite des êtres humains.
Victoria Vandeberg:
Je vous remercie pour vos réponses et j'espère évidemment que toutes ces évolutions permettront une meilleure protection des victimes.
Marijke Dillen:
Mevrouw de minister, op 1 januari van dit jaar opende de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel een zesde onderzoekskabinet. Deze beslissing werd genomen ten gevolge van de uitzonderlijke verhoging van de werklast op strafrechtelijk vlak sinds de aantreding van de heer Julien Moinil aan het hoofd van het parket van Brussel in januari 2025.
Het strenge strafbeleid dat sindsdien gevoerd wordt, heeft geleid tot meer dan een verdubbeling van het aantal dossiers waarin het parket de tussenkomst van een onderzoeksrechter vordert. De druk op het onderzoek brengt het welzijn van magistraten, griffiers en medewerkers en de goede werking van het onderzoek dermate in gevaar dat een versterking van het onderzoek, dat gepaard gaat met andere structurele maatregelen, zoals verbetering van communicatie, werkprocessen en leiding, onontbeerlijk is. Deze noodzakelijke versterking gebeurde binnen het bestaande wettelijk kader van 41 magistraten en heeft de rechtbank gedwongen beleidskeuzes te maken.
Deze keuze heeft echter een negatieve impact op andere secties van de rechtbank. De correctionele sectie, die evenzeer onder zware druk staat door het – terechte - vervolgingsbeleid van het parket van Brussel en ook door het parket van Halle-Vilvoorde en het federaal parket, kan niet versterkt worden zoals het zou moeten.
De vaststellingstermijnen in de correctionele kamer die de zaken van het parket van Brussel behandelt worden langer, met een toevloed aan verzoeken tot voorwaardelijke invrijheidstelling tot gevolg. Zaken zonder gedetineerde, waaronder financiële zaken, worden minder snel behandeld. De burgerlijke sectie probeert de tijd die nodig is om een zaak te behandelen te beperken tot één jaar en slaagt daar vandaag meestal in. Met de interne verschuivingen zal dat niet meer mogelijk zijn. Heel concreet zullen er in bouwzaken en fiscale zaken doorlooptijden van twee jaar komen. De burger zal dus langer moeten wachten op een vonnis. Het onderzoek krijgt een rechter meer, maar dat is onvoldoende gelet op de verdubbeling van de werklast.
Ook op de jeugdrechtbank is de druk vanuit het parket van Brussel stevig toegenomen sinds januari vorig jaar. In januari 2024 werd een vierde jeugdkabinet geopend, waardoor de verhoogde werkdruk momenteel enigszins onder controle is, maar de vraag is tot wanneer.
Mevrouw de minister, deze boodschap op de website van de rechtbank zelf is bijzonder duidelijk maar tegelijkertijd zeer verontrustend wat de goede en snelle rechtsbedeling in het belang van de burger betreft.
De rechtbank juicht toe dat het parket een visie heeft voor de veiligheid van de samenleving in Brussel en de Rand, maar zonder versterking van de volledige strafketen, waaronder de rechtbank, blijft deze visie echter zonder effect.
Het wettelijk kader van de rechtbank is niet aangepast aan de zeer hoge werklast. Dat is al jaren het geval. Volgens de werklastmeting die in 2024 werd uitgevoerd door het College van de hoven en rechtbanken heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel 14 bijkomende rechters en het bijhorende griffiepersoneel nodig. Dat was dus nog vóór het nieuwe beleid van het parket van Brussel. Vandaag liggen die noden met andere woorden nog hoger.
Welke initiatieven gaat u nemen om eindelijk het wettelijk kader uit te breiden en daarvoor de nodige middelen vrij te maken, alles in het kader van een goede en tijdige rechtsbedeling?
Ten tweede leiden de interne verschuivingen, waarbij de strafketen binnen zeer beperkte mogelijkheden een beetje wordt versterkt, ertoe dat andere rechtszaken op de lange baan worden geschoven. Dat is vandaag al het geval in correctionele en burgerlijke zaken, morgen misschien ook, mevrouw de minister, zo wordt gewaarschuwd, in familiezaken.
Zonder een uitbreiding van het kader, zowel wat magistraten als griffiers en medewerkers betreft, kan de rechtbank de goede dienstverlening die zij hoog in het vaandel draagt niet langer waarborgen en zal de burger nog langer moeten wachten op de behandeling van zijn zaak. Dat moet absoluut worden vermeden.
Wat gaat u doen om onmiddellijk een antwoord te bieden op de ontwrichtende flessenhals die zich in de strafketen voordoet op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, dat uiteraard opnieuw gekoppeld aan de nodige budgetten, in het belang van een goede en snelle rechtsbedeling?
Annelies Verlinden:
In het kader van het hefboomplan werd alvast een bedrag van 12 miljoen euro toegekend aan de hoven en rechtbanken, onder meer voor bijkomende personeelswerving. Het hefboomplan heeft de structurele versterking van de rechterlijke orde tot doel, onder andere door extra ondersteuning en investeringen die moeten bijdragen aan een evenwichtigere werklast en, vooral, een betere werking van justitie in het algemeen. Het komt het College van de hoven en rechtbanken toe om binnen de beschikbare middelen de gepaste verdelingen en toewijzingen te doen. Daarover hebben we het al meerdere keren gehad.
Het wettelijk kader bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg voorziet in 41 magistraten en die plaatsen zijn vandaag volledig ingevuld. De magistratenplaatsen zijn derhalve alle bezet, conform het geldende personeelskader.
De verdeling van de zaken over de magistraten, alsook de interne organisatie van de werkzaamheden over de verschillende onderdelen van de rechtbank, behoren tot de bevoegdheid van de korpschef. Die autonomie is een essentieel onderdeel van het onafhankelijk functioneren van de rechterlijke macht en laat toe om binnen het bestaande kader zo efficiënt mogelijk in te spelen op de verwerking van de te behandelen zaken. Uiteraard volgen wij dit vanuit ons perspectief verder op.
Voorts heeft het College van de hoven en rechtbanken op mijn vraag een voorstel opgesteld om, volgens de toepassing van de flexibele kaders zoals bepaald in artikel 186, §1/1, van het Gerechtelijk Wetboek, de vacante plaatsen voor de magistraten toe te wijzen aan die entiteiten waar de werkdruk het hoogst is. In 2026 wordt een eerste stap gezet in een flexibelere toepassing van de wettelijke kaders naargelang de werklast. In het ontwerp van KB dat momenteel in voorbereiding is, staat een versterking met drie bijkomende rechters voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel.
Daarnaast zal de regering op mijn vraag bijkomend investeren in justitie, onder meer met drie bijkomende onderzoekskabinetten, specifiek bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel. De middelen daarvoor werden toegekend in het kader van het begrotingsakkoord van eind november 2025.
Net als u ben ik ervan overtuigd dat de werkdruk binnen de rechterlijke orde doorgaans hoog is en dat een coherente versterking van alle niveaus en van de verschillende schakels in de keten noodzakelijk is. De noden kunnen enkel worden ondervangen door gerichte versterkingen, een flexibel personeelskader, goed beheer en een efficiëntere inzet van de personeelsmiddelen. Het is u bekend dat de regering bijkomende middelen investeert in justitie en daarnaast voornemens is om op termijn de wettelijke personeelskaders te vervangen door een wettelijk geregeld allocatiemodel, waarbij de middelen worden verdeeld volgens objectieve parameters, waaronder werklastmetingen. Dank u.
Marijke Dillen:
Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik heb eerst een vraag om verduidelijking. U hebt gezegd dat er middelen zullen worden vrijgemaakt voor drie extra onderzoekskabinetten. Komen die boven op de zes bestaande onderzoekskabinetten? Sinds 1 januari is er immers een zesde bijgekomen.
In het kader van het hefboomplan hebt u 12 miljoen euro vrijgemaakt voor alle rechtbanken. Volgens u is het wettelijk kader voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel volledig ingevuld. Uit de werklastmeting van het College van hoven en rechtbanken uit 2024 blijkt echter duidelijk dat 14 extra magistraten, met daaraan gekoppeld griffiers en medewerkers, absoluut noodzakelijk zijn voor een goede werking van de Nederlandstalige rechtbank in Brussel.
De vraag blijft dan ook hoe het bedrag van 12 miljoen euro zal worden verdeeld. Niet alleen in Brussel zijn er problemen, maar ook in verschillende andere gerechtelijke arrondissementen.
De aanpak van de nieuwe procureur in Brussel kunnen we alleen toejuichen. Het is hoog tijd dat de criminaliteit, die in Brussel helaas zeer groot is, kordaat wordt aangepakt. Wij kunnen de aanpak van procureur Moinil dan ook alleen steunen. Er moet echter voor worden gezorgd, mevrouw de minister - en dat is niet uitsluitend maar wel mede uw verantwoordelijkheid - dat daardoor andere dossiers niet op de lange baan worden geschoven. Ik heb u daarnet een aantal voorbeelden gegeven. Deze boodschap komt niet uit mijn mond, ze komt letterlijk van de website van de rechtbank van Brussel.
Daar worden een aantal voorbeelden gegeven van secties die dreigen dossiers op lange termijn te moeten uitstellen. Dat moet worden vermeden in het algemeen en zeker in de familierechtbank. Mevrouw de minister, ik hoop daarvoor in u een bondgenoot te vinden. In de familierechtbank probeert men het binnen een jaar op te lossen. Het gaat daar over kinderen en vaak over bijzonder schrijnende situaties. Daar moet absoluut worden gegarandeerd dat dossiers niet op de lange baan worden geschoven.
Tot slot, mijnheer de voorzitter, heb ik een motie ingediend.
[NL]Moties
[FR]Motions
Voorzitter:
[MNF01/] [NL]Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. [FR]En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. [NL]Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat sinds het aantreding van de nieuwe procureur te Brussel, het streng strafbeleid dat sindsdien gevoerd wordt heeft geleid tot meer dan een verdubbeling van het aantal dossiers waarin het parket de tussenkomst van een onderzoeksrechter vordert; - overwegende dat de correctionele sectie, die evenzeer onder zware druk staat door het vervolgingsbeleid van het parket Brussel, maar ook van het parket Halle-Vilvoorde en van het federaal parket, kan niet versterkt worden zoals het zou moeten; - overwegende dat met de geplande interne verschuivingen de doorlooptijd in bouw- en fiscale zaken dreigt te verdubbelen van één naar twee jaar; - overwegende dat er dringende maatregelen moeten genomen worden om aan voormelde problematieken tegemoet te komen; vraagt de regering - de nodige initiatieven te nemen om eindelijk het wettelijk kader uit te breiden en hiervoor de nodige middelen vrij te maken, dit allemaal in het belang van een goede en tijdige rechtsbedeling; - per kerende de nodige maatregelen te nemen om een antwoord te kunnen bieden aan de ontwrichtende flessenhals die zich in de strafketen op het niveau van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel voordoet, dit uiteraard gekoppeld aan het vrijmaken van de nodige budgetten. " [FR]Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que depuis l'entrée en fonction du nouveau procureur de Bruxelles, le nombre de dossiers dans lesquels le parquet requiert l'intervention d'un juge d'instruction a plus que doublé à la suite de la politique pénale stricte qui est poursuivie depuis lors; - considérant qu'il est impossible de renforcer comme il se devrait la section correctionnelle, qui subit également une forte pression en raison de la politique des poursuites menée par le parquet de Bruxelles, mais aussi par le parquet de Hal-Vilvorde et le parquet fédéral; - considérant que les réorientations internes prévues menacent le délai de traitement des dossiers immobiliers et fiscaux, qui risque de doubler et de passer d'un à deux ans; - considérant qu'il convient de prendre des mesures urgentes afin de remédier aux problèmes précités; demande au gouvernement - de prendre les initiatives nécessaires pour élargir enfin le cadre légal et dégager les moyens qui s'imposent pour ce faire, et ce dans l'intérêt de l'efficacité et de la promptitude de la justice; - d'entreprendre sans retard les démarches nécessaires afin de pouvoir apporter une réponse au goulet d'étranglement qui perturbe la chaîne pénale au niveau du tribunal de première instance de Bruxelles, en y associant bien entendu la libération des budgets nécessaires. " [NL]Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Tine Gielis. [FR]Une motion pure et simple a été déposée par Mme Tine Gielis. [NL]Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. [FR]Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
De fiscale behandeling van ploegenarbeid
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 13 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Lode Vereeck kritiseert dat de versoepelde fiscale regeling voor ploegenarbeid (met 10%-tolerantie en strenge administratie) te complex is, waardoor bedrijven massaal afhaken en kiezen voor het alternatief met lagere korting, en vraagt of minister Jambon bereid is de regeling bij te sturen op basis van praktische knelpunten. Jambon verdedigt de huidige regeling als een noodzakelijke verduidelijking na het arrest van het Grondwettelijk Hof, benadrukt dat de tolerantie reëel is en belooft een definitieve regeling tegen eind 2024, met mogelijke herevaluatie indien nodig—zonder concreet in te gaan op de signalen over afhakers. Vereeck stelt teleurgesteld dat Jambon geen cijfermatig of kwalitatief inzicht geeft in de impact op bedrijven en dringt aan op nadere informatie, mogelijk via een schriftelijke vraag.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, u versoepelde met respect voor de uitspraak van het Grondwettelijk Hof.eind juli vorig jaar via een omzendbrief het tijdelijke fiscale gunstregime voor ploegenarbeid, wat een korting op de bedrijfsvoorheffing is. De korting geldt alleen als ploegen dezelfde omvang hebben, met een tolerantie van 10 %. Als het verschil zelfs maar één dag in de maand meer dan 10 % bedraagt, verliezen bedrijven een deel van de korting, tenzij er sprake is van overmacht.
U begrijpt natuurlijk dat dat in geval van een ploegensysteem met heel veel werknemers niet zo eenvoudig te managen is. Bovendien is de administratie om de bezetting van de ploegen te documenteren, tijdsintensief en complex. Daarom haken heel wat bedrijven af. Zij vallen liever terug op het alternatieve stelsel met verminderde korting dat er kwam na het arrest van het Grondwettelijk Hof.
Mijnheer de minister, hoe evalueert u de nieuwe regeling? Welke signalen hebt u al ontvangen uit bedrijven die met ploegenstelsels werken? Mijn vraag is immers gebaseerd op anekdotische informatie. Ik heb daar geen totaalbeeld op, maar misschien hebt u wel een aantal signalen gekregen en beschikt u wel over die totaalvisie.
Ten tweede, bent u bereid de nieuwe regeling bij te sturen, als blijkt dat slechts heel weinig bedrijven nog gebruik kunnen maken van de volledige korting op de ploegenarbeid, hetzij omdat de administratieve rompslomp te groot is, hetzij omdat de tolerantiegrens van 10 % misschien toch net iets te strikt is?
Wanneer wordt een nieuwe, definitieve regeling verwacht?
Jan Jambon:
Mijnheer Vereeck, in zijn arrest van 8 februari 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het grondwettig is dat de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegenarbeid alleen geldt wanneer de ploegen zowel qua inhoud als qua omvang hetzelfde werk doen. In navolging van dat arrest werd, bij wijze van de wet van 12 mei 2024, een ploegenarbeidsbisregeling geïntroduceerd, die naast de klassieke variant blijft bestaan.
De circulaire introduceert dus geen nieuwe regeling, maar interpreteert een bestaande regeling. Een administratieve omzendbrief of circulaire beoogt immers een specifieke bepaling uit te leggen. In de nasleep van de introductie van de ploegenarbeidsbisregeling werden ondernemingen immers geconfronteerd met toepassings- en interpretatievragen, in het bijzonder met betrekking tot het snijvlak tussen de klassieke variant en de ploegenarbeidsbisregeling.
De circulaire beëindigde de onzekerheid voor ondernemingen door de voorwaarde dat de ploegen hetzelfde werk qua inhoud en omvang moeten verrichten, te verduidelijken. De algemene tolerantie houdt rekening met de realiteit op de werkvloer. Dat is volgens ons dan ook een positieve evolutie.
Op uw tweede en derde vraag, als er nog bijsturingen nodig zijn, zullen wij herevalueren, net zoals wij dat bij elke maatregel doen. Het einde van de ploegenarbeidbisregeling is gepland voor 31 december van dit jaar. In lijn met het regeerakkoord moet dus in een definitieve regeling worden voorzien, die de fundamenten van het voordeel garandeert. Dat werk zal in de loop van dit jaar worden gedaan.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, u legt de regeling nog eens uit en dat is natuurlijk goed, maar mijn vraag luidde toch enigszins anders. Ondanks de rondzendbrief krijgen wij immers signalen dat het al bij al wat te complex is en dat men massaal afhaakt. Mijn vraag was of u een wat ruimer en vooral een vollediger zicht hebt op wat zich op dit moment in het bedrijfsleven met betrekking tot de ploegenarbeid afspeelt. Ik heb daarop niet direct een antwoord gekregen, maar ik zal hierover misschien nog eens een schriftelijke vraag indienen.
De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen
De dringende invoering van een importverbod
De importban voor goederen uit door Israël bezette gebieden
Importverbod op producten uit Israëlische bezettingsgebieden
Gesteld door
PS
Christophe Lacroix
Vooruit
Achraf El Yakhloufi
CD&V
Els Van Hoof
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 13 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Els Van Hoof bekritiseert dat de regering-De Wever het Gaza-akkoord van 2 september 2023 (importban op goederen uit Israëlisch bezette gebieden) nog niet uitvoert, ondanks toezeggingen en urgente mensenrechtenschendingen, waaronder 120 nieuwe kolonistenboerderijen waarvan producten op de Belgische markt komen. Jan Jambon bevestigt dat zijn administratie de nodige juridische en douanetechnische elementen (oorsprongscontroles via EU-regels en postcodelijsten) heeft doorgegeven aan FOD Economie (bevoegd voor het KB), maar benadrukt dat EU-wetgeving nationale invoerbeperkingen verbiedt en samenwerking met Israël vereist is; Nederland heeft volgens hem eveneens vertraging. Van Hoof eist versnelling en herhaalt haar kritiek op Israëlisch geweld (o.a. huisvernielingen door kolonisten), verwijzend naar documentaires zoals No Other Land, maar schort haar eigen wetsvoorstel op nu het KB in voorbereiding is. Jambon wijst FOD Economie (Clarinval) aan als verantwoordelijke voor de verdere uitvoering.
Els Van Hoof:
Ik heb mijn vraag voor de kerstvakantie ingediend, maar ze blijft zeer actueel. De Standaard kopte deze week nog dat de regering-De Wever het Gaza-akkoord vergeet. Op 2 september vorig jaar heeft de regering een akkoord bereikt over een aantal belangrijke maatregelen met betrekking tot de oorlog in Gaza, waarvan men weet dat er in de door Israël bezette gebieden nog steeds wordt gesloopt. Volgens een van die maatregelen kregen de federale ministers van Economie en van Financiën de opdracht om samen met de minister van Buitenlandse Zaken een koninklijk besluit op te stellen dat voorziet in een nationale importban voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt zijn in de door Israël bezette gebieden door de bezettende macht. Tevens diende de nodige controle van de naleving van de importban te worden voorzien.
Er werden al enkele vragen over gesteld, ook aan u, mijnheer de minister, en u verwees inderdaad naar de complexiteit van de materie. Belangrijk is te weten dat ook andere landen, zoals Spanje, Ierland en Slovenië, met soortgelijke maatregelen bezig zijn. Minister Prévot zal morgen van mij ook een vraag krijgen, evenals minister Clarinval. Het is duidelijk dat de minister van Buitenlandse Zaken volgens het artikel in De Standaard zijn werk reeds heeft uitgevoerd.
Mijn vraag aan u is of u de nodige elementen hebt aangeleverd opdat minister Clarinval verder zou kunnen werken aan het koninklijk besluit? Kunt u een stand van zaken geven over de voorbereiding van de maatregel? Minister Prévot vermeldt dat de toepassing ervan niet eenvoudig is. Welke deelaspecten behoren daartoe? Is er voldoende wettelijke basis om de situatie te regelen? Staat u in contact met uw collega’s uit Ierland, Slovenië en Spanje, die eveneens een gelijkaardig voorstel uitwerken?
Voorzitter:
Op dit moment is er geen andere vraagsteller aanwezig. Mijnheer de minister, u hebt het woord.
Jan Jambon:
Het is een belangrijke materie. Daarom zal ik de vragen van de andere collega’s in hun geheel beantwoorden. Dat is een kwestie van beleefdheid, omdat zij de moeite hebben gedaan om deze vraag te stellen, maar niet de moeite hebben gedaan om aanwezig te zijn.
Conformément aux traités sur l'Union européenne, aucune législation nationale ne peut imposer d'interdiction en matière douanière. Par conséquent, il sera fait appel à la législation économique du SPF Économie.
Pour l'identification des marchandises, les contrôles se concentreront sur l'origine et l'expéditeur. L'Administration générale des Douanes et Accises, donc l'AGD&A, n'est pas compétente pour effectuer des contrôles sur le marché belge. Une fois que les marchandises ont été libérées dans un État membre faisant partie du territoire douanier de l'Union, elles sont considérées comme des marchandises de l'Union et peuvent circuler librement sur le plan douanier.
La réglementation contenue dans le Code des douanes de l'Union et dans l'accord d'association entre l'Union européenne et Israël donnent à la douane la possibilité d'effectuer les contrôles nécessaires respectivement en matière d'origine non préférentielle et préférentielle, notamment sur la base de la liste des codes postaux publiée par la Commission européenne. En cas de doute fondé quant à l'origine préférentielle, une procédure de coopération administrative avec Israël peut être engagée. Le cas échéant, la douane peut soumettre l'affaire au SPF Économie afin de déterminer l'applicabilité de l'origine non préférentielle.
De regelgeving vervat in het douanewetboek van de Unie en in de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël, geeft de administratie van de douane de mogelijkheid om de nodige controles uit te voeren, respectievelijk inzake niet-preferentiële en preferentiële oorsprong, met name op basis van de door de Europese Commissie gepubliceerde lijst van postcodes.
In geval van gegronde twijfel over de preferentiële oorsprong kan een procedure van administratieve samenwerking met Israël worden opgestart. In voorkomend geval kan de douane de zaak voorleggen aan de FOD Economie om de toepasselijkheid van de niet-preferentiële oorsprong te bepalen.
Les modalités spécifiques font l'objet de consultations, qui sont en cours avec le SPF Économie. La disposition relative aux sanctions sera déterminée par la base légale sur laquelle s'appuie l'arrêté royal. Comme indiqué, la douane collabore avec le SPF Économie, y compris en ce qui concerne la mise en œuvre. Le SPF Économie prépare actuellement le projet d'arrêté royal. Le processus d'adoption sera mené à bien dans les plus brefs délais.
Mijn administratie heeft ook de Nederlandse collega’s bevraagd. Uit hun antwoord blijkt dat het verbod daar nog niet is geïmplementeerd, aangezien de wetgeving zich nog in de opmaakfase bevindt bij de respectieve bevoegde autoriteiten. Het dossier geniet de vereiste aandacht en de regering zal hierover op het gepaste tijdstip communiceren.
Mevrouw Van Hoof, het is dus de FOD Economie die in dit dossier de pen vasthoudt, met dien verstande dat zij alle relevante informatie van ons heeft ontvangen.
Els Van Hoof:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Het is duidelijk dat u uw werkzaamheden ter zake hebt afgerond, zoals ook de minister van Buitenlandse Zaken heeft meegedeeld. We vragen dan ook aan de minister van Economie om snel werk te maken van het koninklijk besluit. We zullen hem daarover opnieuw bevragen, zodat er geen enkele twijfel bestaat dat het akkoord van 2 september zal worden uitgevoerd door de Belgische regering.
De reden daarvoor is duidelijk: het geweld van de Israëlische kolonisten blijft aanhouden. De situatie is nog nooit zo ernstig geweest als sinds 7 oktober en ook sinds het staakt-het-vuren. Het is belangrijk te onderstrepen dat er zelfs economisch meer gebeurt dan voorheen. Er zijn 120 nieuwe boerderijen opgericht waarvan de producten effectief op onze markt terechtkomen.
Wie de documentaire No Other Land heeft gezien – naast andere interessante documentaires die op de VRT worden uitgezonden – kan vaststellen dat de werkelijkheid de verbeelding tart. Ze toont hoe men daar te werk gaat en hoe woningen met bulldozers worden vernield: men komt zich eenvoudigweg aanmelden met zwaar materieel en maakt de huizen met de grond gelijk.
Het is dan ook goed dat hier snel werk van wordt gemaakt. Ik zal de regering en ook uw collega’s hierover blijven bevragen, aangezien mijn wetsvoorstel nog steeds hangende is. Ik zal het evenwel niet agenderen, aangezien u bezig bent met het koninklijk besluit, waarvoor dank.
Voorzitter:
La question n° 56008773C de M. François De Smet tombe.
De invoerheffing voor e-commerce
De pakjestaks
Het ontwijken van de pakjestaks
De Europese vaste douanerechten op kleine e-commercepakjes en de Belgische pakjestaks
De vestiging van SHEIN in Polen
De pakjestaks
Douanerechten en heffingen op internationale e-commercepakketten
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 13 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België schrapt zijn geplande nationale handling fee van 2 euro op pakjes uit niet-EU-landen, maar onderhandelt met buurlanden (inclusief Duitsland) over een gecoördineerde invoering (mogelijk 5 euro totaal, naast de Europese importtaks van 3 euro vanaf 1 juli 2026). 25% (0,75 euro) van die EU-taks gaat naar België, maar de verdeling kan verschuiven naar 10% als de EU haar claim verhoogt – wat volgens kritiek van Van Quickenborne (Open Vld) de budgettaire baten sterk zou reduceren. Kemal Bilmez (PTB) bekritiseert de maatregel als een regressive vlaktaks die lage inkomens onevenredig treft en stelt dat het beoogde doel (beperken goedkope import) niet zal slagen, terwijl Jambon (N-VA) benadrukt dat de opbrengst deels zal dienen voor douane-investeringen. De EU overweegt bovendien een eigen handling fee vanaf november 2024, wat nationale regels overbodig zou maken.
Voorzitter:
De heer Keuten is niet aanwezig.
Lode Vereeck:
Oorspronkelijk wou ik naar aanleiding van het bericht van begin november dat de Europese Unie, net zoals de Belgische regering, een importtaks op alle pakjes van buiten de Europese Unie, ook op de kleine pakjes onder de 150 euro, wou heffen, vernemen of de Europese en de Belgische pakjestaks naast elkaar konden bestaan, dan wel of ze mekaar zouden uitsluiten volgens het principe van non bis in idem . De situatie is ondertussen gewijzigd. De Belgische regering heeft haar pakjestaks van 2 euro ingetrokken en er komt nu een Europese taks van 3 euro.
Heeft de Europese Unie eigenlijk wel de bevoegdheid om die bijkomende belasting zomaar te kunnen invoeren? Gaat die opbrengst ook volledig naar de schatkist van de Europese Unie?
Ik zag in de begrotingsnotificatie ook dat er een handling fee komt. Is dat hetzelfde als de pakjestaks? Of is dat nog iets anders? Is dat dan een dubbele belasting? Komt er op pakjes uit het buitenland dan een handling fee en een Europese pakjestaks? Dient de handling fee dan eigenlijk om uw verlies aan inkomsten, dat u voorzien had met uw Belgische pakjestaks, te compenseren? Kunt u dat eens toelichten?
Voorzitter:
Mevrouw Bertrand trekt haar vraag nr. 56011432C terug.
Vincent Van Quickenborne:
Het nadeel van relatief laat een antwoord te krijgen, is dat intussen de zaken veranderen. U zult begrijpen dat ik mijn vragen dan ook wat verander, want van de zeven vragen die ik indiende, zijn er inmiddels zes achterhaald. Ik heb begrepen dat u de Belgische pakjestaks niet zal invoeren. Die komt er niet. Wel zal de Europese pakjestaks van 3 euro vanaf 1 juli 2026 van kracht zijn.
Mijnheer de minister, hoe zit het dan met uw budgettaire opbrengsten? U had voor 2026 140 miljoen ingeschreven, voor 2027 200 miljoen, voor 2028 250 miljoen en voor 2029 300 miljoen. Als ik goed ben geïnformeerd, zal de opbrengst van de 3 euro Europese pakjestaks niet volledig België toekomen, maar slechts een deel, terwijl het andere deel aan Europa wordt gegeven. Hoe worden de opbrengsten verdeeld?
U was ook van plan bijkomende investeringen te doen omwille van meer controleurs en controlemechanismen. Hoeveel bedragen die investeringen?
Wat is uiteindelijk het budgettaire effect? Wat zal er nog overblijven van de geraamde opbrengsten?
Zal dat gebeuren via een Europese richtlijn, een Europees reglement, een verordening of moet de Belgische wetgeving worden aangepast in die zin?
Kemal Bilmez:
Monsieur le ministre, fin novembre, dans le cadre de l’accord budgétaire, vous avez décidé d’introduire une taxe de deux euros sur les colis provenant de pays hors Europe. Cette mesure vise à répondre à l’afflux massif de produits bon marché.
Le 11 décembre, les ministres des Finances de l’Union européenne ont décidé, eux aussi, d’introduire, au niveau européen, une taxe de trois euros par colis à partir de juillet 2026.
Selon la presse du 24 décembre dernier, vous avez donc décidé de ne pas introduire de taxe belge distincte et il ne sera donc pas nécessaire d’élaborer une loi belge pour quelques mois, pour ensuite passer au système européen en juillet.
Pourtant, dans les notifications budgétaires, les montants ont déjà été inscrits: 223 millions d’euros en 2026, 283 millions d’euros en 2027, 333 millions d’euros en 2028 et 383 millions d’euros en 2029.
Monsieur le ministre, quel sera l’impact budgétaire de cette modification? Les notifications budgétaires actuelles intègrent-elles déjà ces derniers éléments? Comme dans le cas de la TVA, une partie de ces recettes sera-t-elle reversée à l’Union européenne?
Jan Jambon:
Het is een complex dossier. Enerzijds is er de handling fee en anderzijds zijn er de Europese invoerrechten. Onder andere op Belgisch niveau hadden we het steeds over een handling fee van 2 euro per pakje. We hebben dat besproken met Frankrijk, Luxemburg en Nederland, maar niet met Duitsland. In de budgettaire raming, die altijd gebaseerd was op een fee van 2 euro, hielden we rekening met een mogelijke verschuiving van het goederenverkeer om de handling fee te ontwijken, indien alleen die vier landen die zouden invoeren. De budgettaire raming is dus niet gebaseerd op een fee van 2 euro vermenigvuldigd met het dagelijkse ingevoerde aantal pakjes. Dat heeft de luchthaven van Luik de wenkbrauwen doen fronsen, om het zacht uit te drukken. Het Europees Parlement besliste vervolgens invoerrechten te heffen op pakjes met een waarde van minder dan 150 euro. Lange tijd bestond de hypothese van 10 % invoerrechten, maar op de recentste bijeenkomst van Ecofin, eind november, kwam Frankrijk met een voorstel om die vast te leggen op 3 euro.
Mijnheer Van Quickenborne, u hebt gelijk: van de 3 euro gaat 25 %, dus 0,75 euro naar de lidstaten waar de heffing gebeurt, en 2,25 euro naar de Europese schatkist. De heffing van 3 euro per pakje wordt echter over heel Europa ingevoerd, vanaf 1 juli. We denken dat daardoor geen verschuiving van verkeer van goederen zal plaatsvinden. Op die manier is er dus een veel grotere belastbare basis dan met de handling fee van 2 euro per pakje, die we met slechts vier landen zouden invoeren.
Wat hebben we nu op regeringsniveau over de fee van 2 euro beslist? De pers heeft gemeld dat de maatregel is afgeschaft, maar dat is niet volledig correct. Men heeft mij gevraagd om twee zaken te doen: ten eerste overleg te plegen met de sector, vooral met de luchthaven van Luik, en ten tweede te bekijken of we Duitsland kunnen betrekken bij het systeem van de 2 euro. Hypothetisch, als we dat akkoord met Duitsland kunnen sluiten, komt dat boven op de 3 euro, waardoor het totaal 5 euro zou bedragen. In Frankrijk is het wetgevingsproces aan de gang om alsnog, naast de 3 euro, een handling fee in te voeren. De Senaat heeft beslist dat die minstens 5 euro moet bedragen, boven op de 3 euro importheffing. In Roemenië, als ik mij niet vergis, is dat bedrag ook al op 5 euro vastgesteld. Ik ben nu dus gevraagd om onderhandelingen met Duitsland te voeren. Ik heb opnieuw contact gehad met de vier landen die de handling fee wilden invoeren en wij zullen daarover in de marge van de eerstvolgende Ecofin-vergadering met onze Duitse collega overleggen.
Budgettair is het onze inschatting dat de heffing van 0,75 euro, vermenigvuldigd met de volledige hoeveelheid inkomende pakjes, minstens even veel zal opleveren als een fee van 2 euro die unilateriaal door vier van de vijf landen wordt opgelegd. Daarom is de budgettaire tabel niet aangepast. Het is zelfs mogelijk dat de heffing meer zal opleveren.
Europa overweegt tevens om vanaf november dit jaar een handling fee in te voeren. Op dat moment zullen wij de nationale handling fee laten vallen en zal de regeling voor heel Europa gelden. Het is enigszins complex, omdat de twee initiatieven elkaar deels doorkruisen.
De juridische basis van de invoering zal afhangen van de Europese onderhandelingen. Als er enkel een handling fee komt met verschillende buurlanden, zal die via een nationale wet worden ingevoerd. Als er een Europese handling fee komt met alle EU-lidstaten, zal dat via Europese wetgeving verlopen, die al dan niet in nationaal recht moet worden omgezet.
Het is dus niet de bedoeling dat een Europese en een Belgische handling fee naast elkaar bestaan, maar de importheffing kan wel naast een handling fee bestaan. Het is misschien een beetje complex, maar ik denk dat ik daarmee wel de actuele situatie heb geschetst.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, ik zou de uitwerking van de budgettaire raming wel eens willen zien. Als de 75 cent die we krijgen van de Europese pakjestaks en die niet tot een verschuiving van de handelsstromen leidt, meer opbrengt dan de 2 euro fee waarbij er wel een verschuiving is, dan kan men niet anders dan concluderen dat door de fee van 2 euro de distributie van pakjes meer dan gehalveerd moest zijn. Ik kan me voorstellen dat ze dan in Luik wel eventjes in hun haar krabben.
Dat zijn toch wel interessante cijfers. Ik dank u voor de uitleg. De impact is dus niet te onderschatten. De hele handel stuikt in elkaar, tot minder dan de helft. Het is dus een goede zaak dat u dat voorlopig niet unilateraal, met vier, invoert.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Wat ik onthoud, is dat er ofwel een Belgische handling fee komt, gecoördineerd met een aantal landen, waaronder Duitsland, ofwel komt er een Europese handling fee vanaf 1 november.
Jan Jambon:
Mijn inschatting is dat de Europese handling fee er zal komen vanaf 1 november. De vraag is of we al eerder samen met de buurlanden een Belgische handling fee zouden invoeren. Daar komt het op neer, maar daarvoor is die onderhandeling met Duitsland cruciaal belangrijk.
Vincent Van Quickenborne:
Samengevat, er kan eerst nog een handling fee komen met vier of vijf landen afhankelijk van het resultaat van de onderhandelingen. Dat is één zaak.
Een tweede zaak zijn de invoerrechten. Europa heeft beslist om vanaf 1 juli dit jaar een invoertaks van 3 euro in te voeren, ook voor pakjes onder de 150 euro. U zegt dat van de opbrengst 75 % naar Europa en 25 % naar België gaat. Dat is juist, maar ik heb mij laten vertellen dat Europa in haar meerjarig financieel kader (MFK), de nieuwe meerjarenbegroting, vraagt om de opbrengst van 75 % naar 90 % op te trekken. De opbrengst voor België is dus maar 10 %. U zegt dat de budgettaire tabel beter zal zijn dan we verwacht hadden, maar ik denk dat u met die 10 % niet zult behalen wat u hebt vooropgesteld.
Dank u voor de volledigheid en het actuele antwoord dat u hebt gegeven, mijnheer de minister.
Ik heb nog één laatste vraag. Eigenlijk heeft de pers het niet juist omschreven. Dat kan gebeuren. Het is duidelijk dat de invoerrechten worden verdeeld, maar gaat de opbrengst van de handling fee naar de lidstaten of is dat voor Europa?
Jan Jambon:
Dat gaat naar de lidstaten, in afwachting van de onderhandeling van het MFK. U gaat er al van uit dat het 90% en 10 % zal zijn. De meeste landen aanvaarden dat niet. Daarvoor volgt er nog een onderhandelingsproces, waar wij duidelijk standpunten zullen innemen. De opbrengst van de handling fee is voor de lidstaten.
Vincent Van Quickenborne:
Is dat een netto-opbrengst? Of moet men dat gebruiken om personeel aan te stellen, om te handlen?
Jan Jambon:
U hebt gewezen op een aantal investeringen die in de douane moeten gebeuren, voor meer controleurs en ook voor het informaticasysteem MASP-T, dat Europa ons oplegt, een project dat al een tijdje loopt. Wij moeten daarin nieuwe stappen doen en een deel van de inkomsten zullen wij aanwenden voor de automatisering van de inning.
Kemal Bilmez:
Ik dank u, mijnheer de minister, want het is inderdaad een bijzonder complexe situatie. Er lijkt sprake van een race om de pakjes zo snel mogelijk te taxeren.
Ik vind ook de cijfers die u aanhaalde over de opbrengst opmerkelijk. U gaf aan dat het transferverkeer in Luik zou halveren en dat een aanzienlijk deel van de pakjes via Duitsland zou verlopen indien we die handling fee in België en drie andere landen zouden invoeren. Dat zijn bijzonder opvallende cijfers. Het lijkt mij dan ook aangewezen om dat op Europees niveau aan te pakken en niet alleen op het niveau van België, waardoor alles via Duitsland zou passeren.
Tegelijk merk ik op dat dit betekent dat we na het einde van het jaar 5 euro per pakje zouden moeten betalen, terwijl dat nu nul euro is, als ik het goed begrijp. Dat komt neer op een aanzienlijke belastingverhoging. Het gaat hier om een vorm van consumptietaks, aangezien het een heffing is op consumptiegoederen. Zoals bij andere consumptietaksen, zoals de btw, veranderen mensen hun gedrag doorgaans niet meteen. Mogelijk gebeurt dat wel bij een bedrag van 5 euro. Bij een bedrag van 2 of 3 euro blijven niet-Europese producten echter meestal goedkoper dan Europese. In dat geval zal het consumentengedrag niet wezenlijk veranderen en wordt het beoogde doel niet bereikt.
Bovendien gaat het om een vlaktaks: iedereen betaalt hetzelfde bedrag. Dat maakt die belasting per definitie regressief. Mensen met een lager inkomen betalen proportioneel meer van hun inkomen aan dergelijke belastingen. We moeten daar eerlijk over zijn: het zijn niet de sterkste schouders die hun aankopen via AliExpress doen, maar veeleer gewone mensen met een beperkt inkomen.
We stellen dus vast, zowel in Europa als met uw beslissing, dat er opnieuw voor wordt gekozen om het geld niet te halen bij de superrijken of via het afbouwen van bedrijfssubsidies, maar wel via een platte consumptietaks die de werkende mensen treft. Dat betreuren wij ten zeerste.
Jan Jambon:
Het gaat hier duidelijk om pakjes die van buiten de EER komen.
Vrijspraak wegens het niet overbrengen van een beklaagde die vervolgd werd voor mensenhandel
Het structurele probleem van de overbrenging van gedetineerden
De onontvankelijkheid van de strafvordering wegens de niet-overbrenging van een beklaagde
Problemen rond overbrenging van gedetineerden en gevolgen voor strafvordering
Gesteld door
MR
Victoria Vandeberg
Groen
Stefaan Van Hecke
VB
Alexander Van Hoecke
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 7 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Parlementsleden bekritiseren structurele tekortkomingen in het gevangenistransport door de Direction de sécurisation (DAB), wat leidt tot procesverval, vrijspraken (o.a. mensenhandel, diefstal) en schending van het recht op een eerlijk proces voor zowel verdachten als slachtoffers. Concrete gevallen (Bruges, Gent, Brussel) tonen herhaalde mislukte overbrengingen (tot 5x), vooral vanuit gevangenis Haren, door capaciteitstekort, logistieke falen en communicatieproblemen—volgens minister Verlinden verergerd door overbevolking en prioriteringsfouten in de DAB-matrix. Verlinden belooft structurele oplossingen (240 nieuwe agenten/jaar, digitale processen, videohoorzittingen, extra celwagens) en noodmaatregelen zoals betere afstemming met rechtbanken, maar parlementsleden betwijfelen de urgentie: Van Hecke stelt voor verdachten een dag vooraf over te plaatsen, Van Hoecke eist onmiddellijke interventie in Haren en cijfers over mislukte transporten, die ontbreken. Kritiek blijft dat kortetermijnactie uitblijft, terwijl langetermijnplannen (minder detentie, transitiehuizen) de acute crisis niet oplossen.
Victoria Vandeberg:
Madame la ministre, il y a quelques semaines, la presse a rapporté une décision judiciaire particulièrement préoccupante. À Bruges, un prévenu poursuivi pour trafic d'êtres humains a été acquitté après trois absences consécutives à son procès, faute d'avoir pu être transféré depuis la prison de Haren.
En approfondissant mes recherches, j'ai constaté que cette situation n'était pas isolée. Parmi d'autres cas documentés, on peut citer celui du 31 octobre 2024, où le tribunal de première instance francophone de Bruxelles a déclaré des poursuites irrecevables à l'encontre d'un détenu, jamais extrait malgré les demandes répétées du ministère public; son avocat ayant plaidé l'atteinte au procès équitable. Un avocat pénaliste consulté m'a également confirmé que ces situations se produisent régulièrement: absence de traducteur, extraction manquée, documents arrivant trop tard, autant de défaillances logistiques qui sont souvent liées à un manque de moyens, qui créent des failles exploitables par la défense et qui peuvent mener à des acquittements purement procéduraux et techniques.
Ces cas montrent qu'il ne s'agit plus d'exceptions, mais de problèmes récurrents dans la chaîne pénale. Même si les transferts relèvent formellement de la Direction de sécurisation de la police fédérale, ce sont bien les juridictions, et donc votre département, qui en subissent les conséquences: audiences impossibles à tenir, procès reportés, décisions annulées, voire acquittements dans des dossiers graves.
Au-delà du prévenu, ce sont évidemment des victimes qui voient leurs droits bafoués également. Un procès qui ne peut se tenir porte atteinte à leur droit à la vérité et à une justice effective, mais c'est également une atteinte au droit fondamental du prévenu à un procès équitable.
Madame la ministre, quelle évaluation avez-vous menée quant à l'impact de ces manquements répétés sur le fonctionnement de la justice ainsi que sur le respect du droit des victimes et du droit au procès équitable des prévenus? Quelles mesures concrètes et structurelles seront prises pour garantir durablement la comparution effective des détenus et éviter que d'autres dossiers pénaux ne s'effondrent pour des raisons logistiques et organisationnelles? Je vous remercie d'avance pour votre réponse, que je n'aurai peut-être pas la chance de suivre en direct, mais que je regarderai par la suite.
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, enkele weken geleden hebben we de problematiek inderdaad al besproken naar aanleiding van de vrijlating van een verdachte, omdat hij tot drie keer toe vanuit de gevangenis niet werd overgebracht naar de rechtbank om zijn rechtszaak bij te wonen. De inkt van het commissieverslag was nog niet droog of er verscheen opnieuw een persbericht, dit keer van de rechtbank in Gent. Een man die van diefstal werd verdacht, moest worden vrijgelaten omdat hij vijf keer niet kon worden overgebracht van de gevangenis naar de rechtbank.
De rechtbank spreekt van een structureel probleem dat voor veel vertragingen zorgt en waarvoor geen oplossing in het vooruitzicht is. Er moet snel een oplossing worden gezocht, want dit draagt bij tot een groot aantal mensen in voorhechtenis in onze overvolle gevangenissen. Bovendien zorgt dit voor vertragingen bij de rechtbanken, waar de achterstand ook al oploopt. Ook het recht op een eerlijk proces komt in het gedrang. Met andere woorden, heel wat problemen gaan gepaard met deze problematiek.
Ik heb een aantal zeer concrete vragen. Ten eerste, hoe verklaart u dat verdachten tot wel vijf keer toe niet naar de rechtbank worden overgebracht? Is er een structureel personeelstekort bij de Directie beveiliging (DAB)?
Ten tweede, hoeveel rechtszaken werden het afgelopen jaar verstoord, verlaat of uitgesteld door het niet uitvoeren van gevangenistransporten? Kunt u cijfers bezorgen per maand en per arrondissement en hoe groot is het probleem in cijfers?
Ten derde, welke concrete maatregelen zijn in voorbereiding of al genomen om de structurele personeelstekorten bij de DAB aan te pakken? In welke budgetten en rekruteringsinspanningen is daarvoor voorzien?
Ten vierde, welke noodmaatregelen kunnen vandaag worden genomen om deze problematiek te stoppen?
Ten vijfde, tegen wanneer verwacht u dat er geen rechtszaken meer worden uitgesteld omwille van het niet overbrengen van een verdachte uit de gevangenis?
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, een maand geleden bespraken we in deze commissie inderdaad al een soortgelijk geval. Er is opnieuw een strafzaak onontvankelijk verklaard omdat een beklaagde maar liefst vijf keer werd opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen, maar dat telkens niet lukte doordat hij niet vanuit de gevangenis kon worden overgebracht.
De eerste keer dat die beklaagde voor de correctionele rechtbank in Gent had moeten verschijnen, kreeg de rechtbank te horen dat hij niet kon worden overgebracht vanuit de gevangenis van Haren wegens een capaciteitstekort. De tweede keer werd zelfs helemaal geen reden opgegeven. De derde, vierde en vijfde keer werd opnieuw verwezen naar een capaciteitstekort. Vervolgens verklaarde de Gentse rechtbank de zaak onontvankelijk, omdat het niet lukte de overbrenging ordentelijk te laten verlopen.
Het is de tweede keer in zeer korte tijd dat dit zich voordoet. Eind november werd een verdachte van mensensmokkel vrijgesproken, omdat hij tot drie keer toe niet kon worden overgebracht van de gevangenis naar de rechtbank. Dit keer kon de beklaagde vijf keer niet worden overgebracht. Ook in dit geval gaat het om een beklaagde die in voorhechtenis zat in de gevangenis van Haren.
Daarom heb ik de hiernavolgende vragen.
Ten eerste, heeft het parket ondertussen beroep aangetekend tegen het vonnis?
Ten tweede, in de Commissie voor Justitie van 2 december 2025 gaf u aan dat u in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken gerichte initiatieven zou nemen, zodat de DAB haar opdrachten inzake transfers kan blijven vervullen. Kunt u een overzicht geven van de concrete initiatieven die reeds werden getroffen en van de initiatieven die nog zijn gepland?
Ten derde, u verklaarde ook dat u regelmatig overlegt met de bevoegde autoriteiten van de DAB. Hebt u naar aanleiding van de voorvallen in Brugge en Gent samengezeten met de DAB? Indien ja, wat was de reactie van de DAB zelf? Welke concrete problemen schuift zij zelf naar voren? Welke oplossingen kunt u haar aanreiken?
Ten vierde, het gaat in twee gevallen om een overbrenging vanuit de gevangenis van Haren. Doen die problemen zich specifiek voor bij transporten vanuit de gevangenis van Haren of rijst het probleem ook in andere gevangenissen?
Ten slotte, beschikt u over cijfers over het aantal keer dat een overbrenging vanuit een gevangenis in 2025 niet heeft kunnen plaatsvinden?
Annelies Verlinden:
Chers collègues, je vous remercie.
Pour la collègue Vandeberg, qui n'est plus parmi nous, je tiens à souligner que ces questions ont déjà été abordées en commission le 2 décembre et ont fait l'objet d'une réponse. Je renvoie dès lors, pour la totalité des questions, au compte rendu de la commission de la Justice du 2 décembre 2025.
Voor de collega’s Van Hecke en Van Hoecke herhaal ik dat de DAB prioriteiten voor overdrachten vastlegt aan de hand van een beslissingsmatrix. In het huidige geval werd de overdracht van de verdachte als prioritair aangemerkt, maar door de huidige bezettingsgraad in de Belgische detentie-inrichtingen werden andere overdrachtsopdrachten als nog meer prioritair beoordeeld. Daardoor kon de overdracht wegens beperkte capaciteit niet worden uitgevoerd.
Het is juist dat het expliciete verzoek van de rechtbank beter had kunnen worden meegewogen, hetgeen had kunnen leiden tot het toekennen van absolute noodzaak aan de overdracht. Ik denk dat er zich een probleem van communicatie- en informatiebeheer heeft voorgedaan. Er worden in overleg met de minister van Binnenlandse Zaken maatregelen genomen om dergelijke incidenten in de toekomst te voorkomen. Eind december is er nog een overleg geweest tussen vertegenwoordigers van de hoven en rechtbanken en de verantwoordelijken van de DAB binnen de fedpol, om de problematiek te bespreken en samen tot oplossingen te komen.
Collega Van Hoecke, er zijn al verschillende initiatieven genomen of ze lopen nog om het personeelstekort bij de DAB aan te pakken en om de uitvoering van overplaatsingen van gedetineerden te optimaliseren. Het gaat, bijvoorbeeld, om de herplaatsing van personeel van de nucleaire sites naar de eenheden van hoven en rechtbanken, de voortzetting van het actieplan dat de jaarlijkse aanwerving van 240 nieuwe veiligheidsagenten mogelijk maakt, de harmonisatie en optimalisatie van operationele processen, de aanschaf van nieuwe celwagens met grotere capaciteit en de operationalisering van de MFO-1 door de invoering van een versterkingssysteem binnen de fedpol ter ondersteuning van de DAB. De optimale en efficiënte uitvoering van de aan de DAB toevertrouwde opdrachten vereist ook een goede samenwerking en een sterk partnerschap met de belangrijkste stakeholders en belanghebbenden, met name de gerechtelijke autoriteiten, de gevangenisadministratie en de bevoegde autoriteiten.
De informatiestroom tussen de verschillende belanghebbenden wordt permanent verbeterd om de snelheid en efficiëntie van verwerking en uitvoering te verhogen. In dat verband worden initiatieven genomen om processen te digitaliseren en het risico van opeenvolgende niet-uitgevoerde overbrengingen tot een minimum te beperken. Er lopen verschillende opdrachten op dat vlak, zoals de ontwikkeling van een systeem voor videoconferenties voor verhoren of medische consultatie op afstand, naast de ambities van de regering om de overbevolking in gevangenissen te verminderen, detentiecentra en transitiehuizen op te richten en de uitzetting van gedetineerden die illegaal in het land verblijven.
De gevangenis van Haren levert vrij specifieke problemen op voor de DAB-agenten. Aangezien het om een penitentiair complex gaat en niet om een traditionele gevangenis, kunnen gedetineerden zich gemakkelijker verplaatsen. Daardoor is het bijna onmogelijk om een gedetineerde op te halen als hij zich niet op de afgesproken plaats en tijd voor zijn overbrenging meldt. Bovendien zijn veel overbrengingen vanuit Haren bestemd voor gerechtsgebouwen buiten het gerechtelijk arrondissement Brussel, wat meer politiecapaciteit vereist. We moeten dus absoluut inzetten op videohoorzittingen, zodat het aantal noodzakelijke verplaatsingen kan worden verminderd.
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.
U geeft een overzicht van de initiatieven die de laatste weken zijn genomen. Ik kan begrijpen dat de personeelsproblemen niet van vandaag op morgen opgelost zullen zijn, maar als een gedetineerde tot vijf keer toe niet kan verschijnen op een rechtbank, dan is dat een groot probleem. Als de rechtbank het dan nog uitdrukkelijk vraagt en men geraakt niet hoger op de prioriteitenlijst, dan krijgt men zo'n uitspraken. Ik betreur dat. Dat toont aan dat er heel grote problemen zijn.
Ik begrijp dat de problemen zich misschien eerder voordoen bij overbrengingen vanuit Haren. Dat was ook de vorige keer het geval. Dat moet dan toch bekeken worden. U verwijst naar het feit dat gedetineerden zich gemakkelijker kunnen verplaatsen op het grote domein, dat we destijds hebben bezocht. Dat valt toch ook te regelen? Men haalt gedetineerden meestal heel vroeg 's ochtends op en niet op een moment dat deze gaan wandelen zijn. Er moet toch eens samen met de directie van Haren worden bekeken hoe dat beter kan worden georganiseerd.
Zoals ik de vorige keer al suggereerde, waarom kan de overbrenging van een gedetineerde vanuit Haren naar een zitting in Brugge of Gent niet op een ander tijdstip gebeuren, bijvoorbeeld de ochtend ervoor? De overbevolking is heel groot, ook in Gent, Brugge en andere gevangenissen, maar als dat maar voor een nacht is, dan kan dat misschien een oplossing zijn, zodat de rechtszaak kan doorgaan. Dat zal waarschijnlijk ook wel voor andere problemen zorgen, maar zo kan het in elk geval niet verder.
Alexander Van Hoecke:
Op korte tijd werd twee keer een crimineel vrijgesproken omdat hij niet van zijn cel naar de rechtbank kan worden gebracht om zijn eigen rechtszaak bij te wonen. Dat zou absolute prioriteit moeten krijgen. Ik begrijp dat u niet alles op vijf minuten kunt oplossen. De zaken waarnaar u verwijst, zijn echter alleen zaken op de lange termijn. Er is overleg gepleegd, er zullen 240 nieuwe agenten worden aangeworven en er komen nieuwe stelwagens. Dit is echter een probleem dat onmiddellijk in de kiem gesmoord moet worden. Dit zou nooit mogen gebeuren, ongeacht de omstandigheden. Als het probleem zich inderdaad voordoet in de gevangenis van Haren en voornamelijk daar – de twee gevallen hadden immers allebei betrekking op een overbrenging vanuit die gevangenis – dan lijkt het me belangrijk dat u naar daar gaat om te horen wat de problemen zijn om daarna op korte termijn in te grijpen, opdat dit absoluut nooit meer gebeurt. U hebt op een aantal vragen niet geantwoord. Kunt u bevestigen dat het parket wel degelijk in beroep is gegaan tegen die beslissing? Het kan zijn dat ik dat gemist heb, maar volgens mij hebt u niet op mijn vraag daarover geantwoord. Mijn vraag met betrekking tot de incidentie van het aantal mislukte overbrengingen hebt u volgens mij ook niet beantwoord. Die cijfers zal ik dan nog schriftelijk opvragen.
De behandeling van Palestijnse vluchtelingen in het centrum Caricole
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 7 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Parlementslid Greet Daems bekritiseert de behandeling van twee zwaar getraumatiseerde Palestijnse zussen—waarvan Ahed (17) haar been verloor door een Israëlisch bombardement—die na hun asielaanvraag in Caricole werden opgesloten, gescheiden van hun vader, en zonder adequate medische zorg (o.a. afgenomen antibiotica). Minister Van Bossuyt verdedigt de procedure: de zussen gooiden hun documenten weg, kregen een standaard medische intake (geen acute nood vastgesteld) en een afspraak in UZ Leuven, maar bevestigt niet de beschuldigingen over verwaarlozing. Daems blijft kritisch en noemt de detentie "onnodig en pijnlijk", benadrukkend dat slachtoffers van genocide begeleiding en familie nodig hebben, niet opsluiting. De kern: conflict over menselijkheid vs. procedurele striktheid in asielbeleid.
Greet Daems:
Mevrouw de minister, ik wil u eerst en vooral een gelukkig nieuwjaar wensen. Mijn allerbeste wensen ook aan de andere collega’s in de zaal, want dat had ik nog niet gedaan.
Ik wil het vandaag hebben over Ahed, een Palestijns meisje uit Gaza. Ze was 17 jaar oud toen haar leven werd verwoest. Ze verloor haar tante door Israëlische bombardementen. Ze verloor haar huis en op 19 december 2023 verloor ze ook haar been. Die ochtend ging ze, zoals elke dag, naar het dak van haar woning om te bellen met haar vader. Haar vader was zeven jaar eerder naar België gevlucht, nadat zijn restaurant in Gaza al drie keer was gebombardeerd. Tijdens dat telefoongesprek vuurde een Israëlische tank op het huis. Het been van Ahed werd volledig verbrijzeld. Haar voet hing nog amper vast. Haar oom, een arts, heeft haar leven kunnen redden door haar been te amputeren, op de keukentafel en zonder verdoving.
Na twee maanden werd Ahed geëvacueerd naar de Verenigde Staten. Daar onderging ze vier operaties. Ze kreeg een prothese en een op maat gemaakte antibioticabehandeling voor een zware botinfectie, die ondertussen ook al haar been aan het aantasten was. Ahed en haar zus konden echter niet in de Verenigde Staten blijven. Ze besloten daarom naar hun vader in België te komen. In juni 2024 zijn ze hier aangekomen. Ze hebben asiel aangevraagd. Aan de grens werd hun gevraagd waarom ze naar België kwamen en waarom ze niet in de Verenigde Staten bleven, want daar zou het veilig zijn. Ze werden opgesloten in het gesloten centrum Caricole.
Twee zwaar getraumatiseerde meisjes, van wie er één dringende medische zorg nodig had, werden vastgehouden zonder contact met hun vader en zonder aangepaste medische begeleiding. De levensnoodzakelijke antibiotica van Ahed werden afgenomen. Daardoor kreeg ze hoge koorts, die twee weken heeft aangehouden. Ze kreeg daarvoor enkel ibuprofen toegediend.
Mevrouw de minister, hoe is het mogelijk dat slachtoffers van genocide zo worden behandeld in ons land? Hoe is het überhaupt mogelijk dat iemand zo wordt behandeld? Waarom werd er niet gekeken naar andere opties? Hun vader woont legaal in België. Ze hadden toch ook gewoon bij hem kunnen verblijven? Tot slot, waarom zaten Ahed en haar zus opgesloten in Caricole?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Daems, ik had iedereen daarnet collectief al mijn beste wensen aangeboden, maar aangezien u het nu individueel doet, doe ik dat graag ook nog eens individueel voor u.
Ik heb dit al vaker in deze commissie gezegd: het is niet wenselijk om informatie uit een individueel dossier openbaar mee te delen. U hebt de situatie van de betrokkenen in uw vraag echter al in detail besproken. De Dienst Vreemdelingenzaken deelt mij mee dat het om twee zussen gaat die uit Newark kwamen en in Brussel zouden transiteren naar Caïro. Op het vliegtuig hebben ze hun documenten weggegooid en vervolgens hebben ze aan de grens in Brussel een verzoek om internationale bescherming ingediend.
Ze toonden aan de medewerkers van de Dienst Vreemdelingenzaken op hun gsm een foto van de ID-pagina van hun Palestijnse paspoorten. Ze hebben hun documenten doelbewust weggegooid, waardoor ze niet langer in het bezit waren van grensoverschrijdende documenten.
Op uw specifieke vragen kan ik het volgende antwoorden. De betrokkenen boden zich, zoals u aangeeft, aan de grens aan en dienden een verzoek om internationale bescherming in. Ze werden in het gesloten centrum Caricole geplaatst en kregen, zoals gebruikelijk, binnen de 24 uur een medische intake. Dat is een standaardprocedure. Bij een dergelijke medische intake wordt informatie verzameld over de medische antecedenten en de huidige problematiek. Op basis van die informatie werd het medicatieschema opgesteld en voortgezet. Het is niet opportuun om hier verdere medische informatie te delen.
Ik kan u enkel meedelen dat er geen voorschrift was voor een aangepast dieet en dat er ook geen melding was van de nood daaraan. Het standaardvoedingsplan van het centrum voorziet in een gevarieerd voedingspatroon, inclusief eiwitbronnen. Bij haar aankomst in België werd de betrokkene medisch stabiel bevonden, zonder tekenen van medische urgentie. Ze werd geschikt bevonden om tijdelijk in het centrum te verblijven.
Op 12 juni werd telefonisch contact opgenomen met de dienst traumatologie van het UZ Leuven om gespecialiseerd advies in te winnen en de verdere zorgbehoeften te evalueren. Er werd op korte termijn een afspraak ingepland, in samenspraak met een specialist.
Bij het verlaten van het centrum kreeg ze de nodige informatie over die afspraak met de specialist in het UZ Leuven.
Greet Daems:
Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het blijft uw taak om vluchtelingen te beschermen. Ik vind dat de detentie van die twee meisjes onnodig en enorm pijnlijk was. Ik denk dat u dat ook zou moeten kunnen toegeven. Ahed en haar zus hebben de hel doorstaan. Daar bestaat geen ander woord voor. Trauma boven op trauma boven op trauma. Tegen die twee meisjes werd gezegd dat ze in de Verenigde Staten hadden moeten blijven. Dat is een land waarvan de president al meermaals heeft getoond hoe onwelkom vluchtelingen daar zijn. Er moet iets veranderen aan de manier waarop de Staat omgaat met slachtoffers van genocide. Ze hebben nood aan begeleiding, aan steun en aan familie, en zeker niet aan kilheid, opsluiting en het afpakken van hun medicatie.
De koppeling van gunstige handelstarieven aan de bereidheid tot terugname van illegalen
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 7 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Volgens Francesca Van Belleghem (N-VA) moet de EU gunstige handelstarieven koppelen aan de terugname van uitgewezen migranten, maar bekritiseert ze dat de nieuwe regels vanaf 2027 de facto nauwelijks effect zullen hebben: handelssancties kunnen alleen tegen landen met actieve visumsancties (nu enkel Gambia en Ethiopië, pas vanaf 2029), waardoor het systeem symbolisch en tandeloos blijft. Minister Anneleen Van Bossuyt (N-VA) bevestigt dat de re-admissiehefboom vanaf 2027 juridisch verankerd wordt, maar betreurt dat de koppeling aan visumsancties (art. 25a Visumcode) het toepassingsgebied beperkt—België zal zich dan ook onthouden bij de stemming. Voor 46 minst ontwikkelde landen geldt een uitstel tot 2029, als compromis met het EP, dat conditionaliteit afwijst. Van Belleghem stelt vast dat de maatregel praktisch waardeloos is: door de strikte voorwaarden en beperkte lijst (slechts 2 landen in 2029) blijft het leeg retorisch beleid, ondanks mediagenieke aankondigingen. De minister erkent ruimte voor verbetering in het visumsanctiemechanisme, maar benadrukt dat de EU strategischer wil werken—zonder concrete garanties op daadwerkelijke handhaving.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, het aspect van deze vraag heb ik bij mijn vorige vraag opzettelijk nog niet vermeld. Gunstige handelstarieven dienen gekoppeld te worden aan de terugname van illegalen. Dat is voornamelijk ook weer een Europees gegeven.
Om de commissievergadering wat sneller te laten verlopen, verwijs ik naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
Als we de berichtgeving mogen geloven, zal “nieuwe wetgeving de Europese Commissie meer slagkracht geven om lande te dwingen uitgewezen migranten terug te nemen" en zouden “voordelige handelstarieven waarvan heel wat landen genieten vanaf 2027 ingetrokken kunnen worden."
Meer dan vier jaar geleden was er al eens een poging om die gunstige handelstarieven te koppelen aan de bereidheid van derde landen om hun onderdanen terug te nemen: in het toenmalige voorstel van de Commissie om de gunstige voordelen voor een nieuwe periode van tien jaar te verlengen, was destijds ook een hefboom opgenomen om deze landen aan te zetten tot samenwerking op het vlak van terugkeer van hun onderdanen, wat zou (kunnen) betekenen voornoemde handelsvoordelen zouden kunnen worden opgeschort als een land zijn terugnameverplichting niet nakomt. Zoals eerder bleek uit het antwoord van uw voorganger, konden de onderhandelingen met de Raad en het Europees Parlement niet tijdig worden afgerond, waardoor de van kracht zijnde voorwaarden dan maar gewoon werden verlengd…
Graag een antwoord op volgende vragen:
Gelet op voorgaande ervaring(en): welke garanties heeft u dat de strengere regels vanaf 2027 effectief van kracht zullen zijn?
Welke garanties zijn er dat ze ook effectief zullen toegepast worden?
Werden op dat vlak lessen getrokken uit (gebrekkige) werking van het Europese visumsanctiemechanisme?
De strengere regels zouden vanaf 2027 gelden voor een groot deel van de landen, maar voor de minst ontwikkelde landen zouden ze twee jaar worden uitgesteld. Wat is daarvan de bedoeling? Over welke landen gaat het concreet?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Van Belleghem, op uw eerste vraag, de Europese Commissie heeft in september 2021 een wetgevend voorstel voor het Algemeen Preferentiestelsel, GSP in het Engels, voor de periode 2024-2034 gedaan. Ze stelde toen onder andere voor om de zogenaamde re-admissiehefboom op te nemen in het licht van de verschillende conclusies van de Europese Raad, die opriepen tot het aanwenden van verschillende hefbomen, waaronder handel.
Aangezien er geen tijdig akkoord tussen de Raad en het Europees Parlement tegen het aflopen van het reeds bestaande stelsel kon worden gevonden, werd in november 2023 besloten tussen de Raad en het Europees Parlement om het bestaande stelsel te verlengen tot 2027, om zo in voldoende tijd te voorzien om over het nieuwe stelsel tot een akkoord te komen.
In december 2025, dus vorige maand, werd een voorlopig akkoord gevonden over de hele tekst tussen de Raad en het Europees Parlement, dat binnenkort officieel wordt bekrachtigd.
De nieuwe GSP treedt in werking op 1 januari 2027. Voor de zogenaamde least developed countries wordt er voor de re-admissiecomponent in een transitieperiode van twee jaar voorzien. Voor hen gaat het dus in op 1 januari 2029.
Op uw tweede vraag, de re-admissiehefboom wordt nu voor het eerst juridisch verankerd en maakt dus binnenkort deel uit van de EU-wetgeving. Dat kan worden toegejuicht, want het is een belangrijk signaal ten aanzien van derde landen die op het vlak van re-admissie gebrekkig samenwerken.
Zelf betreur ik evenwel dat de taal rond re-admissie aan ambitie heeft ingeboet ten aanzien van het aanvankelijk voorstel van de Europese Commissie, door de toepassing van die re-admissiehefboom rechtstreeks te koppelen aan de visumhefboom, voorzien in artikel 25a van de Visumcode, waarover we het bij uw vorige vraag hadden. Ik vind het heel jammer dat die koppeling is ingesteld. Dat zorgt ervoor dat het toepassingsgebied wordt beperkt. Om die reden zal België zich bij de stemming over dat dossier dan ook onthouden.
Op uw derde vraag, er werden tot op heden goede resultaten geboekt onder het visumsanctiemechanisme, maar er is inderdaad ruimte voor verbetering. België ijvert binnen de Raad voor een versterkte en ook een meer strategische visumhefboom, ook met het oog op de nakende nieuwe visumstrategie van de Europese Commissie, die in de komende weken wordt verwacht.
Op uw vierder vraag, zoals ik eerder vermeldde, treedt de re-admissiecomponent voor de zogenaamde least developed countries twee jaar later in werking, dus pas in januari 2029 in de plaats van in januari 2027. Dat was het compromis dat werd gevonden met het Europees Parlement, dat zich heel lang in het algemeen heeft verzet tegen ook maar enige vorm van conditionaliteit op het vlak van re-admissie.
Over welke landen gaat het dan, als we spreken over de least developed countries ? Het betreft Afghanistan, Angola, Bangladesh, Benin, Bhutan, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, de Comoren, Congo, Djibouti, Eritrea, Ethiopië, Gambia, Guinee, Guinee-Bissau, Haïti, Kiribati, Laos, Lesotho, Liberia, Madagaskar, Malawi, Mali, Mauritanië, Mozambique, Myanmar, Nepal, Niger, Rwanda, Sao Tomé en Principe – waarvan ik eerlijk gezegd niet weet waar het ligt –, Senegal, Sierra Leone, de Salomonseilanden, Somalië, Soedan, Zuid-Soedan, Tanzania, Oost-Timor, Togo, Tuvalu, Oeganda, Jemen en Zambia.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, u hebt bijna een derde van de landen in de wereld opgesomd, maar ik wil het nogmaals eenvoudig stellen. Als ik het juist heb begrepen, kunnen die handelssancties enkel worden genomen tegen landen waartegen visumsancties zijn ingesteld. Van de landen op uw lijst gaat het dus eigenlijk om Gambia en Ethiopië, en dat zal pas in 2029 zijn. Als er geen akkoord over de visumsancties wordt bereikt om de lijst uit te breiden, kunnen in 2029 enkel handelssancties worden uitgevaardigd tegen Gambia en Ethiopië. Dat is dus eigenlijk opnieuw een maat voor niets. Het is natuurlijk aantrekkelijk om in de krantenkoppen te stellen dat Europa gunstige handelstarieven koppelt aan de terugname van illegale onderdanen, maar bij nadere bestudering blijkt dat in feite niemand onder die regeling valt. Het is eigenlijk weer huilen met de pet op.
De impact van het CBAM op de import van elektriciteit vanuit het VK naar België
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 6 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Kurt Ravyts wijst op de risico’s van EU-CBAM voor Britse stroomimport (mogelijke dubbele CO₂-kosten, onnauwkeurige CO₂-berekeningen door historische gemiddelden, en dreigende afname van import), wat offshore-projecten zoals Nautilus en de Prinses Elisabethzone zou kunnen schaden, vooral gezien België’s groeiende importafhankelijkheid. Minister Crucke bevestigt dat de EU een oplossing voorbereidt (verrekening Britse CO₂-prijs, retroactieve aanpassing CO₂-mixberekening, en mogelijke koppeling UK-EU ETS), maar erkent aanhoudende onduidelijkheid en belooft druk te zetten op snellere verduidelijking. Hij ontkent een significante negatieve impact op toekomstige infrastructuur, mits tijdige EU-maatregelen. Ravyts noemt het antwoord "enigszins geruststellend" maar benadrukt nood aan opvolging.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, 1 januari is voorbij en bijgevolg is CBAM operationeel. De import van elektriciteit uit het Verenigd Koninkrijk valt onder die EU-CBAM-regeling, wat betekent dat importeurs certificaten moeten kopen voor de ingebedde CO 2 -emissies. Voor elektriciteit geldt er geen vrijstelling onder de nieuwe EU-CBAM-drempel van 50 ton per jaar. U weet dat het CBAM is aangepast. De administratieve lasten blijven voor die sector bestaan. Dat is echter niet het belangrijkste punt. Het Verenigd Koninkrijk heeft een eigen CO 2 -prijs, die niet is gekoppeld aan het ETS-systeem van de EU. Dat leidt tot mogelijke dubbele kosten voor EU-importeurs, tenzij de EU een manier vindt om de Britse CO 2 -prijs effectief te verrekenen. In elk geval wordt Britse stroom duurder en dat kan de import beïnvloeden.
Aangezien dat gegeven al langer bekend is, werd in de voorbije jaren erop gewezen dat die situatie de ontwikkeling van offshore netwerken en grensoverschrijdende infrastructuur die nodig is voor de energietransitie kan beïnvloeden. We weten dat het Verenigd Koninkrijk een netto-exporteur van elektriciteit wil worden, vaak ook hernieuwbaar opgewekte elektriciteit.
De toezichthouders hebben beslist om de CBAM-aanpassingen te baseren op de gemiddelde historische CO 2 -intensiteit in het Verenigd Koninkrijk. De keuze om slechts éé n enkele co ë ffici ë nt te gebruiken, in combinatie met de snelle decarbonisatie van de Britse energieproductie in de voorbije jaren, betekent dat de berekening van de CBAM-aanpassing mogelijk geen nauwkeurig beeld geeft van de huidige, lagere koolstofintensiteit van Groot-Brittanni ë . Een mogelijk negatief gevolg van de invoering van het CBAM is dus dat de elektriciteitsstromen van het Verenigd Koninkrijk naar de EU zouden kunnen afnemen.
Werd op Europees niveau nog aan een oplossing gewerkt? Werd België daarbij betrokken, gelet op het bestaan van Nemo Link? Nautilus is misschien een droom en wordt misschien nooit werkelijkheid; in de volgende tien jaar zullen we dat zien. Nemo Link bestaat reeds.
Meent u dat dit ook een negatieve impact kan hebben op de toekomstige offshore ontwikkelingen in de Prinses Elisabethzone, met name op de plannen voor de onderzeese, hybride interconnectie Nautilus, en dus eigenlijk op de toekomstige versterking van de verbinding tussen het Belgisch en het Brits elektriciteitsnet?
We mogen immers niet vergeten, u volgt die cijfers ook, evenals minister Bihet, dat wij een importland van elektriciteit zijn geworden. De recentste cijfers, door Elia eind december gepubliceerd, spreken boekdelen. Die interconnectie wordt dus steeds belangrijker. Wij hebben steeds minder eigen productie. Onze hernieuwbare energie stijgt, bijvoorbeeld met zonnepanelen, maar onze nucleaire energie daalt. We gaan nu geen discussie over de bevoorradingszekerheid voeren, maar op de offshore energie uit de nieuwe zone zit ook al vertraging. Denkt u dat dat ook een negatieve rol in het toekomstige Nautilusverhaal kan spelen?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer Ravyts, er werd en wordt met de Europese Commissie nog steeds aan een oplossing voor die problematiek gewerkt. Zo zal de Europese Commissie binnenkort, naar verwachting nog in de loop van deze maand, een wetsvoorstel uitbrengen voor de verrekening van de koolstofprijs, betaald in derde landen.
Voor de import van elektriciteit uit het Verenigd Koninkrijk zal dat voorstel ervoor zorgen dat de koolstofprijs die reeds voor de elektriciteit in het VK werd betaald, van de CBAM-kosten kan worden afgetrokken, waardoor er in de praktijk vermoedelijk weinig tot geen financiële impact te verwachten valt.
Voorts werd midden december een voorstel door de Europese Commissie uitgebracht, om als standaardwaarde voor de CO 2 -uitstoot van geïmporteerde elektriciteit voortaan het gemiddelde van de volledige elektriciteitsmix van het exportland, dus inclusief hernieuwbare energie, te nemen en om dus niet alleen naar fossiele opwekking te kijken. Gezien de decarbonisatie van de energieproductie in het VK, zal ook die aanpassing de financiële impact voor de import van elektriciteit uit het VK verminderen.
Er wordt in dit voorstel van de Europese Commissie trouwens ook expliciet aangegeven dat men dit onderdeel van het voorstel retroactief wil toepassen, zodat dat ook al vanaf begin van dit jaar zou gelden.
Ten slotte zitten de gesprekken over een koppeling van beide emissiehandelssystemen, mede door de invoering van CBAM, momenteel in een stroomversnelling. Een volledige koppeling van het UK ETS met het EU ETS zou er immers, overeenkomstig de huidige CBAM-verordeningen, toe leiden dat de volledige CBAM-verplichting wegvalt.
Niettemin blijft er momenteel nog heel wat onduidelijkheid en onzekerheid bestaan over de toepassing van CBAM in de elektriciteitssector. Nochtans heeft mijn administratie daarover het afgelopen jaar meermaals overleg gehad met de Europese Commissie. Daarnaast heeft ze ook overlegd met Nemo Link, Elia en de CREG om hun bezorgdheden en technische vragen mee te nemen. Desondanks blijft het noodzakelijk dat de Europese Commissie snel met meer verduidelijking komt. Ik zal daar dan ook op blijven aandringen.
Gelet op het voorgaande meen ik echter dat er, op voorwaarde dat er dus snel meer duidelijkheid komt van de Europese Commissie over de implementatie van CBAM voor de elektriciteitssector, nauwelijks een negatieve impact te verwachten zal zijn voor de toekomstige offshore ontwikkelingen in de Prinses Elisabethzone. Ik nodig u uit om contact op te nemen met mijn collega-minister Bihet voor meer informatie over de offshore ontwikkelingen.
Kurt Ravyts:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw enigszins geruststellend antwoord dat er een oplossing in het verschiet ligt, zoals men zegt in goed Nederlands, voor de import vanuit het Verenigd Koninkrijk. Ik stel vast dat u zich ook meer in het algemeen bewust bent van het feit dat CBAM en elektriciteit enkele uitdagingen stellen en dat u daaromtrent ook de nodige initiatieven hebt genomen en nog zult nemen ten aanzien van de Europese Commissie. We volgen dat verder op.
De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen
De dringende invoering van een importverbod
De importban voor goederen uit door Israël bezette gebieden
Importverbod op producten uit Israëlische bezettingsgebieden
Gesteld door
PS
Christophe Lacroix
Vooruit
Achraf El Yakhloufi
CD&V
Els Van Hoof
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Christophe Lacroix bekritiseert dat België, ondanks de belofte van 2 september om importverbod op goederen uit illegale Israëlische nederzettingen in te voeren, geen concrete stappen heeft gezet, en vraagt om juridische basis, timing en handhavingsmechanismen. Minister David Clarinval bevestigt dat er gewerkt wordt aan uitvoering (samen met Financiën en Douane), maar geeft geen details, wat Lacroix als traagheid bestempelt. Lacroix bekritiseert Israël scherp voor "genocide in Gaza" en geweld in Cisjordanie, en dringt aan op Europese druk om Netanyahu’s beleid te keren. De rest van de discussie gaat over procedurele afhandeling van parlementsvragen, zonder verdere inhoudelijke toevoeging.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre,
Nous avons récemment interrogé le ministre des Affaires étrangères sur la mise en œuvre de l'interdiction d'importation de biens produits, extraits ou transformés dans les territoires occupés par Israël, telle que décidée par le gouvernement fédéral dans son accord du 2 septembre sur Gaza. Celui-ci nous a renvoyés vers vous et votre collègue des Finances pour les aspects liés à la mise en œuvre concrète de cette mesure.
Cette interdiction, conforme à l'avis consultatif de la Cour internationale de Justice et inspirée par des initiatives similaires en Irlande ou en Slovénie, doit se traduire par un arrêté royal. Or, depuis cette annonce, aucune avancée concrète n'a été communiquée.
Dans ce cadre, nous souhaitons obtenir des éclaircissements sur les points suivants:
Quelle base juridique envisagez-vous pour fonder cet arrêté royal? Quel est le calendrier prévu pour sa finalisation? Peut-on espérer une adoption avant la fin de l'année? L'arrêté devra-t-il repasser en Conseil des ministres?
Comment votre administration définit-elle les produits «extraits, produits ou transformés par la puissance occupante»? Cela inclut-il les entreprises privées israéliennes installées dans les colonies?
Comment comptez-vous traiter les produits qui entrent en Belgique via d'autres États membres de l'Union européenne?
Pourquoi limiter l'interdiction aux biens matériels, et non aux services qui participent également à la colonisation?
Quel mécanisme de contrôle sera mis en place? Les importateurs devront-ils prouver que l'origine des produits n'est pas liée aux territoires occupés?
David Clarinval:
Mon administration travaille actuellement en collaboration avec le SPF Finances et les Affaires étrangères, et plus précisément la douane, sur les options pouvant traduire la décision prise par le Conseil ministériel restreint d'interdire au niveau national l'importation de marchandises produites, exploitées ou transformées sur les territoires occupés illégalement par Israël. S'agissant des aspects précis que vous avez soulevés, je ne peux pour l'instant vous donner aucune information concrète, je peux seulement vous assurer que ces points et ces travaux retiennent toute mon attention et que le gouvernement fournira prochainement de plus amples informations à ce sujet.
Christophe Lacroix:
Monsieur le président, ma question était très brève, la réponse du ministre l'est tout autant. Je vais me permettre de la commenter.
Monsieur le ministre, j'ai bien compris que vous mettiez en œuvre la décision du gouvernement, puisque c'était l'une des rares sanctions que nous adoptions à l'égard d'Israël, à savoir l'interdiction d'importation de produits issus de colonies israéliennes, occupées illégalement selon le droit international et selon l'ONU. J'avais beau dire que le gouvernement avait été un peu léger concernant la reconnaissance de l'État palestinien, force est de constater que des sanctions ont été décidées, dont celle-là qui est très importante.
J'entends bien qu'il faut réfléchir au mécanisme pour qu'il soit correctement établi sur le plan légal, sur le plan fonctionnel et que les marchandises produites dans les colonies israéliennes ne traversent pas les mailles du filet. Mais si vous pouviez être de ceux et de celles qui dynamisent le processus de décision, je vous remercierai parce qu'on en parle un peu moins aujourd'hui, et on se focalise sur l'Ukraine. En politique internationale, on passe souvent d'un sujet de préoccupation à un autre, mais ces sujets sont de plus en plus abominables.
À Gaza et en Cisjordanie, ce qui se passe reste abominable. À Gaza, le génocide continue, plusieurs centaines de personnes ont été tuées par l'armée israélienne. On voit à nouveau les incursions d'Israël dans le Sud du Liban, et on voit que les colons sont de plus en plus violents, parfois – ou même très souvent – avec la complicité de l'armée israélienne. Tout cela ne concourt pas à l'émergence d'une solution à deux États, une solution de paix durable. La guerre continue, il faut bien le savoir. Il est vraiment important que le souffle de l'Europe et le souffle de la Belgique soient présents sur la nuque de Benyamin Netanyahou et de son gouvernement d'extrême droite, car je pense que seul le rapport de forces pourra faire changer les choses là-bas.
Voorzitter:
M. Patrick Prévot nous a prévenus de son retard.
Les questions n° 56008990C, n° 56008993C et n° 56009001C de M. Jeroen Soete ayant déjà été reportées une première fois sont transformées en questions écrites, tout comme la question n° 56009048C de Mme Meyrem Almaci. La question n° 56009865C de Mme Britt Huybrechts est reportée. Comme la question n° 56009943C de Mme Kathleen Depoorter avait déjà été reportée, elle est transformée en question écrite. Monsieur le ministre, vous pouvez lui répondre par mail, si vous voulez.
David Clarinval:
Monsieur le président, je le fais quand les députés sont présents. Je suis désolé, mais personne n'est là. Donc, je ne vais pas commencer à envoyer mes réponses par mail, alors que je suis le seul à être ici.
Voorzitter:
Moi aussi.
David Clarinval:
Quand elles sont écrites, on va suivre la procédure habituelle, mais quand une question tombe, elle tombe.
Voorzitter:
Très bien. Quand un membre avait déjà reporté une question et qu'il est absent, normalement, sa question devient sans objet. C'est le Règlement.
David Clarinval:
En revanche, monsieur le président, pour les questions que vous transformez en écrites, nous enverrons les réponses au secrétariat pour qu'elles soient aussi transformées en écrites.
Voorzitter:
Oui, pas de souci, monsieur le ministre. Je poursuis. Les questions n° 56010145C et n° 56010146C de M. Reccino Van Lommel sont reportées. M. Dieter Keuten ne nous ayant pas prévenus, sa question n° 56010193C est sans objet et est donc retirée. La question n° 56010213C de Mme Marie Meunier a été transformée en question écrite. La question n° 56010339C de M. Reccino Van Lommel est reportée, tout comme la question n° 56010831C de M. Kjell Vander Elst. La question n° 56011150C de M. Alain Yzermans est transformée en question écrite.
De concurrentie van Amazon en de toekomst van de lokale handelszaken
De impact van de vestiging van Amazon in België op de kmo's
De invloed van Amazon op lokale handel en kmo's in België
Gesteld door
Gesteld aan
Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Patrick Prévot bekritiseert het geplande miljardeninvestering van Amazon in België (2025–2027), dat volgens hem een schijnbaar gunstig aanbod aan PME’s maskert: hij vreest monopolievorming, oneerlijke concurrentie (bv. voor onafhankelijke boekhandels zoals Molière) en politieke druk via afhankelijkheid. Minister Simonet benadrukt dat Amazon gebonden is aan EU-wetgeving (DSA, DMA, B2B-regels) en wijst op een interdepartementale taskforce en digitale steuntools voor PME’s om de concurrentiepositie te versterken, maar erkent beperkte bevoegdheden (bv. boekprijzen vallen onder gemeenschappen). Prévot blijft sceptisch, noemt Amazons "visibiliteitsbelofte" cynische seductie en vreest vererging van de druk op lokale boekhandels, terwijl Simonet juridische waarborgen en economische voordelen (bv. lokale werkgelegenheid) naar voren schuift—zonder concrete garanties tegen marktdominantie.
Patrick Prévot:
Madame la ministre, dans le cadre de votre mission économique en Californie, Amazon a annoncé vouloir investir plus d'un milliard d'euros en Belgique entre 2025 et 2027. Avec cette somme colossale, Amazon, qui est l'un des acteurs clés de l'oligopole des GAFAM, entend également soutenir les PME.
Si j'ai bien lu, l'idée sous-jacente est que cette aide envers les PME se ferait à travers le développement de leur activité sur Amazon.be. Le géant californien offrirait donc aux petites et moyennes entreprises une visibilité par leur présence sur le site de l'entreprise, un site sur lequel un produit est vendu toutes les trois secondes rien que dans notre pays.
Madame la ministre, au sortir d'une réunion, vous avez dit que vous vous réjouissiez de cet investissement qui permettra, selon vous, "aux entrepreneurs locaux de consolider leur présence sur le marché belge et de s'étendre au-delà de nos frontières". J'ai compris votre enthousiasme. Cependant, je pense qu'il faut un peu relativiser cette euphorie, puisque cette main tendue envers nos PME soulève certaines interrogations, que je me permets de vous soumettre.
Si Amazon respecte bien son engagement de faire profiter les PME de son site, les autorités auront-elles un droit de regard sur les risques potentiels de discrimination, de concurrence déloyale ou d'effet de monopole?
La concentration des activités des PME serait transférée de l'espace physique à l'espace numérique, ce qui n'est pas sans avoir des dommages collatéraux pour le reste de l'économie, ainsi que sur le monopole que détiendrait Amazon. Il faut anticiper tous les scénarios. Une clause claire et nette sera-t-elle inscrite pour qu'Amazon ne vienne en aucun cas faire pression sur le législateur en brandissant la possibilité d'un arrêt de son aide envers les PME de notre pays? On sait que ce genre de choses est arrivé par le passé.
Lorsque Amazon sera bel et bien implantée en Belgique, les consommateurs pourront recevoir leurs colis le jour même de la commande. Les PME qui auront du mal avec cette implantation sont les librairies indépendantes – je pense notamment à Molière à Charleroi – pour lesquelles je suis déjà intervenu à de nombreuses reprises. Il y aura une concurrence entre le géant et les PME. Comment protéger également nos librairies indépendantes qui sont inquiètes depuis cette annonce de l'arrivée d'Amazon sur notre territoire?
Eléonore Simonet:
Monsieur Prévot, je suis pleinement consciente que les petits commerçants et les indépendants ne disposent pas des mêmes moyens ni de la même capacité d'action que les grandes plateformes internationales. C'est pourquoi je veille à garantir des conditions de concurrence équitables entre tous les acteurs du marché, qu'ils soient locaux ou internationaux.
Amazon, comme toute entreprise active sur notre territoire, est bien entendu soumise à la législation belge et européenne en vigueur. Elle doit notamment respecter la réglementation B2B ( business to business ) du 4 avril 2019, ainsi que les instruments européens que sont le règlement P2B ( platform to business ), le Digital Services Act (DSA) et le Digital Markets Act (DMA).
Ces textes structurent le cadre réglementaire du numérique. Le DSA impose des obligations de transparence et de responsabilité aux plateformes, notamment en matière de contenu illicite et de protection des utilisateurs. Quant au DMA, il encadre, pour sa part, les pratiques de plateformes dites contrôleurs d'accès, afin de prévenir les abus de position dominante et d'assurer une concurrence loyale. Ensemble, ces instruments contribuent à établir un équilibre entre les grands acteurs du numérique et les entreprises locales.
Par ailleurs, en collaboration avec mes collègues des Finances, du Numérique, de la Protection des consommateurs et de l' é conomie, une task force dédiée à l'e-commerce a été mise en place. Cette instance, qui réunit les autorités de contrôle et les parties concernées, a pour mission d'élaborer une réponse coordonnée face aux enjeux de concurrence déloyale dans le commerce en ligne. Un plan d'action est actuellement en préparation dans ce cadre. Ce plan vise notamment à renforcer la compétitivité de nos entreprises locales et à réduire les obstacles auxquels elles sont confrontées. Un groupe de travail interministériel a ainsi été constitué pour élaborer des mesures concrètes garantissant l'équité entre plateformes multinationales et PME belges.
Pour répondre à une question qui avait été posée par Mme Meunier concernant le soutien à la digitalisation des commerces de proximité, le SPF Économie met déjà à disposition un outil en ligne dédié au développement des projets d'e-commerce. Cet outil aide les entrepreneurs à lancer leur activité en ligne, à identifier les différentes possibilités et à gérer les aspects pratiques, tels que les paiements ou la livraison. J'ai demandé à mon administration d'en assurer la mise à jour régulière afin qu'il reste en phase avec l'évolution rapide du secteur qu'on connaît.
Dès la fin de ce mois, il contiendra également des informations sur l’intégration de l’intelligence artificielle – un autre grand enjeu de notre temps – dans les projets de commerce électronique, afin de permettre aux entreprises d’exploiter pleinement les opportunités offertes par ces nouvelles technologies. En somme, il s’agit de permettre à nos commerçants de saisir les opportunités du numérique tout en veillant à ce que la concurrence reste saine et équitable.
Pour ce qui est de la concurrence générée par la livraison en un jour, je tiens à préciser que cette possibilité est déjà proposée, notamment par des plateformes étrangères depuis des centres logistiques situés hors de nos frontières. Les investissements dans des infrastructures implantées en Belgique devraient, à mon sens, être plus favorables à notre emploi et à notre économie.
Enfin, en ce qui concerne la situation des libraires et de la vente de livres, je vous rappelle que les communautés ont compétence pour légiférer en matière de prix unique.
Patrick Prévot:
Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses. Lorsque Amazon affirme vouloir donner de la visibilité aux PME, il s’agit évidemment d’une campagne de séduction. Je ne doute pas que vous en êtes consciente et que vous n'êtes pas dupe de ces avances, en tout cas pas aveuglément. J’ai entendu que vous souhaitiez garantir des conditions de concurrence équitable entre tous les acteurs. Ce serait, bien sûr, le minimum syndical. Mais il est vrai que, même si je ne sais pas si je suis davantage ingénieur que poète, j’aime la littérature, j’aime les livres, j’aime les lettres, j’aime aussi le papier, et je suis très inquiet pour le secteur des librairies. Vous avez raison, des plateformes étrangères permettent déjà une livraison dans les 24 heures, et celles-ci exercent une pression très forte sur nos librairies et nos petits commerçants. J’ai donc l’impression qu’en faisant entrer le loup dans la bergerie – qui prétend donner une visibilité aux PME –, nous renforcerons cette concurrence avec un géant ayant désormais pignon sur rue. Comme je l'ai dit, il réalise des ventes toutes les trois secondes rien que dans notre pays, et impose une pression disproportionnée sur nos petites librairies. C’est à elles que je pense aujourd’hui en posant ma question. Je ne manquerai pas de rester très attentif au respect des règles, même si je sais que vous êtes une légaliste et je n’ai aucun doute à ce sujet. C’est surtout cette soi-disant visibilité offerte aux PME qui me laisse très dubitatif. Nous jugerons sur pièces, et nous verrons ce qu’il adviendra de nos petits libraires, car j’ai malheureusement l’impression que ce sera, une nouvelle fois, un coup dur pour eux.
India als handelspartner van Rusland in defensieaankopen
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Prévot bevestigt dat EU-sancties tegen Rusland enkel Europese actoren binden, maar benadrukt dat de EU derde landen zoals India – een strategische partner – actief aanspoort om Russische wapeninkopen (zoals het S-400-systeem) te vermijden, aangezien die indirect de Oekraïne-oorlog financieren. Volgens hem ondermijnen dergelijke aankopen de effectiviteit van westerse sancties, al ziet hij geen directe dreiging voor de stabiliteit in de Indo-Pacific. Van Riet erkent dat India niet juridisch gebonden is, maar wijst op Amerikaanse druk om sancties alsnog te steunen, zonder verdere kritiek op België’s houding.
Katrijn van Riet:
Aziatische media berichten dat India, ondanks waarschuwingen vanuit Washington, opnieuw overweegt om S-400-batterijen aan te kopen bij Rusland. Dat illustreert hoe sommige landen zich blijven wenden tot Russische defensieleveranciers, ook wanneer dat ingaat tegen de huidige westerse sanctiekaders. Gelet op de oorlog in Oekraïne, de sancties tegen Rusland en de geopolitieke spanningen wil ik uw visie daarover vragen, mijnheer de minister. Hoe beoordeelt u de vaststelling dat landen als India, ondanks druk en sanctiedreiging van de Verenigde Staten, blijven kiezen voor Russische defensieleveranciers en bijvoorbeeld het S-400-systeem?
Wat is volgens u de impact van dergelijke aankopen op de geloofwaardigheid en de samenhang van de westerse sanctie-inspanningen tegen Rusland? Zou België binnen het kader van de EU en de NAVO een duidelijk signaal moeten geven inzake de levering van wapensystemen door Rusland? Hoe zou dat signaal eruit kunnen zien? In hoeverre houdt u er rekening mee dat zulke wapenleveringen aan landen buiten het conflictgebied de spanningen in andere regio’s, zoals de Indo-Pacific, kunnen doen escaleren en indirect onze strategische belangen beïnvloeden?
Maxime Prévot:
Dank u voor uw vraag, mevrouw van Riet.
De Europese restrictieve maatregelen zijn in de eerste plaats van toepassing op Europese bedrijven en actoren. Met andere woorden, aan Europese actoren worden beperkingen of een verbod opgelegd om transacties aan te gaan met entiteiten in Rusland of in andere landen waarvan bewezen is dat ze Rusland ondersteunen in zijn agressieoorlog tegen Oekraïne. Derde landen, waaronder India, zijn niet gebonden aan de Europese sancties. De EU staat wel in nauw overleg met die landen wat sanctieomzeiling betreft. Wanneer sanctieomzeiling wordt vastgesteld, kunnen aan de betrokken entiteiten sancties worden opgelegd. Zoals u weet, is dat ook al gebeurd.
In het algemeen worden sancties het best gecoördineerd tussen gelijkgezinde landen, om een maximaal effect te bereiken. De aankoop van goederen uit Rusland – bijvoorbeeld wapensystemen, maar ook energie – ondersteunt indirect de mogelijkheid van het land om de oorlog voort te zetten. Die boodschap wordt dan ook consequent overgebracht, zowel in een bilateraal als Europees kader, aan andere landen.
India is een belangrijke partner voor België, ook op het vlak van samenwerking in de defensie-industrie. Hoewel we de invoer van Russische systemen betreuren, zien we geen negatieve impact van de Indiase wapeninkopen op de veiligheidssituatie in de Indo-Pacifische regio.
Voorzitster: Els Van Hoof
Présidente: Els Van Hoof
Katrijn van Riet:
Dat is duidelijk. Landen als India zijn als derde landen niet gebonden door onze sancties, maar ze worden toch ook, mede door de Verenigde Staten, onder druk gezet om mee de sancties te ondersteunen. Ik begrijp dat India een belangrijke partner is voor België en dat we die relatie ook zo moeten behouden. In ieder geval dank ik u voor uw verduidelijking, mijnheer de minister.
Mohanad al-Khatib, die gespot werd op de Antwerpse kerstmarkt
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 16 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy eist de onmiddellijke uitzetting van Mohanad al-Khatib, een volgens hem Hamas-gerelateerde jihadist die betrokken zou zijn bij de aanslagen van 7 oktober 2023 en terreur verheerlijkt, en bekritiseert scherp dat hij vrij in Antwerpen rondloopt – zelfs op de kerstmarkt. Minister Anneleen Van Bossuyt stelt dat een hangend beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitzetting voorlopig blokkeert en verwijst voor het lopende onderzoek naar Binnenlandse Zaken. Van Rooy beschuldigt de N-VA, de burgemeester en de premier van hypocrisie: terwijl ze soliditeit tonen met Joodse gemeenschappen (o.a. na Sydney), tolereren ze volgens hem radicale moskeeën, intifada-oproepen en al-Khatibs aanwezigheid, wat hij als veiligheidsrisico en politiek falen afschildert.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, ik ga u hiermee blijven achtervolgen tot dat jihadistische tuig niet alleen België maar ook Europa uit is en terug is waar hij thuishoort, namelijk in Gaza.
Mohanad al-Khatib is een Hamasvriend die betrokken was bij de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël. Hij verheerlijkt dodelijke, jihadistische terreur en juicht nu allicht ook voor de twee moslimterroristen die op een Chanoekaviering in Sydney minstens 15 mensen hebben vermoord, waaronder een kind en een holocaustoverlever.
Dat moordzuchtige, jihadistische tuig heeft geen plaats in onze samenleving. Toch werd hij recent gespot op de kerstmarkt in Antwerpen, waar ik woon. Steeds meer mensen vinden het, terecht, totaal onbegrijpelijk dat zo iemand hier vrij rondloopt en vrolijk Instagramfilmpjes op onze kerstmarkt maakt.
Voor joden is dat natuurlijk extra pijnlijk en angstwekkend. Ik hoop dat u dat zeer goed begrijpt.
Mevrouw de minister, wat is de stand van zaken van zijn uitzetting naar Griekenland? Dat geldt uiteraard voor zover dat iets waard is, want zodra hij in Griekenland is, kan hij natuurlijk gewoon terug naar hier reizen.
Ik heb ook de minister van Binnenlandse Zaken Quintin hierover ondervraagd. Hij antwoordde mij dat er een onderzoek naar al-Khatib loopt. Wordt u daarvan op de hoogte gehouden? Wat is de stand van zaken? Wanneer wordt het resultaat van dat onderzoek verwacht? Wat onderneemt u om ervoor te zorgen dat al-Khatib nadien nooit nog een voet op ons grondgebied kan zetten?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Rooy, het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, het CGVS, is nog altijd hangende. Ondertussen kunnen er geen stappen gezet worden voor de verwijdering, aangezien zoals u weet een dergelijk beroep een schorsende werking heeft.
Voor het onderzoek dat naar de betrokkene zou lopen, verwijs ik u, zoals u zelf al aangeeft, naar de minister van Binnenlandse Zaken.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, ik ben die hypocrisie zo moe. In Antwerpen stonden de N-VA, de burgemeester, de schepenen en ook de premier, eergisteren op de eerste rij voor Chanoeka om te benadrukken hoe ernstig het incident in Sydney is. Tegelijkertijd laten ze nauwelijks 100 meter verderop een radicale moskee toe, waar joden en andere niet-moslims worden gebrandmerkt. Eveneens laten ze toe dat 800 meter verderop pro-Palestijnse demonstranten oproepen tot een intifada. Bovendien laten ze toe dat twee kilometer verder jihadist Mohanad al-Khatib vrolijk filmpjes maakt op de kerstmarkt. Als het straks misloopt – daar zijn we zeker van –, zullen ze opnieuw op de eerste rij staan om krokodillentranen te wenen. Dat vind ik werkelijk om te kotsen.
De verkoop van gegevens door supermarkten via de klantenkaarten
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Anthony Dufrane vraagt kritisch hoe supermarkten (Colruyt, Delhaize, Lidl) consumentengegevens gebruiken voor gepersonaliseerde kortingen via loyaliteitsprogramma’s, en wijst op risico’s zoals datamonetisering, privacy (RGPD), cybersecurity, discriminatie (toegang tot kortingen) en oneerlijke concurrentie voor kleine winkels. Minister Rob Beenders stelt dat de praktijk juridisch toelaatbaar is mits transparantie, maar erkent RGPD-risico’s en potentiële indirecte discriminatie (bv. op inkomen) – hij raadpleegt Unia voor een oordeel; concurrentieproblemen ziet hij als structureel, niet specifiek aan deze kortingen. Dufrane bekritiseert dat kortingen gekoppeld zijn aan dataverkoop en dringt aan op strikt toezicht.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, l'utilisation des données (data) par les supermarchés peut avoir de nombreux avantages pour les consommateurs. En effet, depuis quelques temps, les magasins Colruyt, Delhaize, Lidl tendent à axer leurs avantages clients autour de nouveaux programmes de fidélité. L'enseigne Colruyt offre désormais le choix entre plusieurs profils pour les utilisateurs de la carte X-TRA.
Les profils "minimal, basic, connected ou advanced", selon le niveau choisi, l'entreprise partagera certaines données avec des partenaires pour mieux cibler les besoins spécifiques du client et faire des promotions personnalisées en conséquence. Les autres firmes suivent un process assez similaire, l'objectif concurrentiel étant l'offre ciblée sur base des habitudes de consommation. Le risque de créer un écosystème piégeant (ou incitant grandement) le consommateur à rester fidèle à la firme est présent.
Certes, l'utilisateur doit accepter que ses données soient utilisées, le RGPD est donc respecté. Néanmoins, la crainte de voir les données personnelles monnayées auprès des géants de l'agroalimentaires reste présent. De plus, quid de la sécurité informatique des data en cas de piratage? Enfin, la question de la concurrence doit aussi être posée.
Monsieur le ministre, qu'est-il prévu en termes de protection des données, du consommateur, par les entreprises ayant recours à ce type de promotion? Comment peut-on s'assurer que les données liées aux habitudes de consommation ne soient pas revendues à des entreprises de l'agroalimentaires? Est-ce que la mise en place de promotions ciblées, pour chaque consommateur en fonction de ses habitudes, peut être considérée comme une discrimination commerciale, en particulier pour ceux ne pouvant s'offrir certains produits donnant accès auxdites réductions? Ne craignez-vous pas une concurrence déloyale envers les producteurs locaux / petits magasins ne pouvant se permettre de telles réductions? Certaines réductions ne seront plus accessibles pour ceux n'ayant pas recours aux cartes de fidélité, considérez-vous cela comme une discrimination commerciale?
Rob Beenders:
Monsieur Dufrane, s'agissant du respect de la législation en matière de protection des droits des consommateurs, la pratique décrite ne pose pas de problème apparent. En effet, les entreprises sont libres de déterminer les modalités et conditions d'organisation de leurs promotions. Elles peuvent, par exemple, stipuler que seuls les clients disposant d'une carte de fidélité spécifique peuvent bénéficier des promotions. Légalement, les annonces de réduction des prix sont possibles tout au long de l'année, sauf exception, mais les entreprises doivent communiquer clairement les réductions proposées et les conditions pour en bénéficier.
Toutefois, ce n'est pas parce que cette pratique ne pose a priori pas de problème du point de vue de la législation protectrice des droits des consommateurs qu'elle est pour autant irréprochable.
Comme vous le soulevez dans vos deux premières questions, conditionner l'obtention de réductions à la transmission et à la possible analyse de données à caractère personnel est questionnable sous l'angle du respect du RGPD.
Par ailleurs, en tant que ministre de l'Égalité des chances, l'existence d'une potentielle discrimination indirecte me préoccupe au plus haut point. On parle de discrimination indirecte lorsqu'une pratique apparemment neutre risque de désavantager particulièrement des personnes présentant une ou plusieurs caractéristiques protégées par rapport à d'autres personnes. Or l'origine ou la condition sociale, mais également la fortune, sont des caractéristiques protégées. Mais déterminer l'existence d'une discrimination indirecte est une question complexe. Bien que seul un tribunal soit compétent pour se prononcer sur celle-ci, je vais prendre contact avec Unia afin d'obtenir l'évaluation de cette pratique.
Enfin, je ne peux me prononcer quant à l'existence d'une concurrence déloyale envers les producteurs locaux et petits magasins. Toutefois, les différences d'ampleur des réductions praticables entre petits commerces et grandes surfaces sont inhérentes à la dimension de l'entreprise. La pratique décrite n'est qu'une forme de réduction supplémentaire dans le cadre d'une question plus large.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie. Je visais ici principalement la question des données personnelles des utilisateurs. Certes, les offres existent mais elles ne doivent pas être conditionnées à la commercialisation des données des consommateurs. Je vous remercie de prendre contact avec Unia et je compte sur vous et votre administration pour veiller au respect de la législation.
De algemene invoering van flexi-jobs en de toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sophie Thémont bekritiseert dat de Belgische werkgelegenheidsbeleid precariteit normaliseert: flexi-jobs en studentenarbeid verdringen stabiele banen (met name voor laaggeschoolden, vrouwen en jongeren), terwijl 265.000 werklozen in Wallonië (stijging 12,3% op jaarbasis) geen perspectief krijgen door de geplande uitsluiting van 85.000 uitkeringstrekkers in 2026. Ze noemt flexi-jobs "gedwongen oplossingen" die de tweedeling op de arbeidsmarkt verergeren en wijst op misbruik in sectoren zoals detailhandel, waar studenten goedkope vervangers worden voor voltijdse jobs. Minister Clarinval verdedigt flexi-jobs als tijdelijke aanvulling (met sociale bijdragen en pensioenopbouw) en studentenarbeid als ervaringsopbouw, benadrukkend dat ze geen vaste banen vervangen maar tekorten lenigen; hij belooft een impactevaluatie vanaf 2027 en wijst op investeringen in omscholing en stabiel werk. Thémont ontkent dit relativerend effect: volgens haar verzwakken deze maatregelen collectieve rechten, subsidiëren ze onderbetaalde arbeid (bv. defiscaliseerde studentenuren in plaats van voltijdse contracten) en verergeren ze de concurrentie voor kwetsbare groepen, zonder het structurele gebrek aan laaggeschoolde vacatures op te lossen.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, les dernières nouvelles du marché du travail n'annoncent rien d'autre que l'incertitude et la précarité pour de nombreux demandeurs d'emploi. Les créations d'emplois salariés stagnent, à peine + 0,1 % sur un an, selon l'Office national de sécurité sociale (ONSS), et les offres accessibles aux travailleurs peu qualifiés s'effondrent. Dans le même temps, les flexi-jobs et le travail étudiant explosent: 44 millions d'heures prestées en 2024, soit 2,4 % du volume total de travail salarié en Wallonie. C'est donc cela votre politique de l'emploi! Des emplois fragmentés, mal rémunérés, sans protection, où la flexibilité prime sur la dignité du travail.
Ces dispositifs censés compléter un revenu deviennent aujourd'hui un modèle économique parallèle au détriment de l'emploi stable. Les entreprises y gagnent en souplesse, mais les travailleurs et travailleuses y perdent leurs droits. Ce sont surtout les moins qualifiés, les femmes et les jeunes qui subissent cette précarisation généralisée dans des secteurs comme l'horeca ou encore la logistique où les contrats à durée déterminée se font de plus en plus rares.
Pendant ce temps, votre gouvernement s'apprête à exclure des milliers de personnes du chômage sans leur offrir la moindre perspective concrète. Ce choix ne créera rien de durable. Il ne fera qu'alimenter la précarité en poussant des personnes déjà fragilisées vers des statuts flexibles, mal payés et sans sécurité.
Monsieur le ministre, quand comptez-vous enfin mettre un coup d'arrêt à cette fuite en avant vers la flexibilité à tout prix au détriment des droits, de la stabilité et du respect des travailleurs? Comment comptez-vous garantir que les politiques d'emploi favorisent la création d'emplois durables et de qualité plutôt que d'alimenter un modèle économique fondé sur le sous-emploi et une précarité déguisée? Une évaluation d'impact est-elle prévue pour mesurer concrètement les effets de la généralisation de ces flexi-jobs et du travail d'étudiants sur l'accès à l'emploi des personnes peu qualifiées, en particulier en Wallonie?
Président: Denis Ducarme.
Voorzitter: Denis Ducarme.
David Clarinval:
Madame la députée, la volonté du gouvernement n’est pas de généraliser la flexibilité à tout prix, mais bien d’offrir des solutions adaptées aux réalités du marché du travail, notamment dans les secteurs confrontés à des pénuries structurelles de main-d’œuvre.
Les flexi-jobs ne remplacent pas l’emploi durable. Ils constituent un complément qui permet aux entreprises de répondre à des pics d’activité et aux travailleurs d’arrondir leurs revenus dans un cadre légal et sécurisé. Le dispositif est strictement encadré par la législation sociale: un flexi-job ne peut être exercé que par un travailleur occupé à au moins 4/5 temps auprès d’un autre employeur et qui contribue donc déjà pleinement à la sécurité sociale. L’employeur verse en outre une cotisation sociale de 28 % sur le salaire des flexi-jobs, ce qui permet aux travailleurs de constituer des droits à la pension et au pécule de vacances.
Les étudiants jobistes ne remplacent pas non plus les travailleurs permanents. Ils apportent une aide précieuse en période de forte activité et constituent une réponse à la pénurie de main-d’œuvre. Inversement, ces jeunes acquièrent une expérience professionnelle utile tout en gagnant un revenu complémentaire.
Le gouvernement reste pleinement attaché à la promotion d’emplois de qualité et durables. Les politiques menées visent à renforcer la formation, l’accompagnement des demandeurs d’emploi et la transition vers des emplois stables. Par la modernisation du marché du travail, la Belgique renforce également son attractivité pour les investissements étrangers, générant ainsi croissance et création d’emplois supplémentaires.
Enfin, une évaluation d’impact pour les flexi-jobs est effectivement prévue. Elle sera menée par l’ONSS, le SPF Finances et le Bureau fédéral du Plan à partir de 2027, afin de mesurer concrètement les effets du dispositif sur le marché du travail.
J’ajoute que le texte en première lecture a été validé ces derniers jours et sera prochainement présenté au Parlement, au début de l’année prochaine, dans le cadre de la procédure.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, je vous remercie. En Wallonie, on compte 265 000 demandeurs d'emploi, soit 12,3 % de plus en un an. Nous savons que les offres d'emploi ne sont pas suffisantes: environ 37 690, dont la moitié vient de l'intérim. Autrement dit, il y une offre d'emploi pour sept personnes. Pendant que 85 000 personnes seront exclues du chômage, vous présentez les flexi-jobs comme une solution. Or je pense que c'est de la contrainte plutôt qu'une solution. Tous ces flexi-jobs vont créer de la concurrence avec les chômeurs qui seront exclus en janvier 2026, notamment les moins qualifiés d'entre eux. Or le nombre d'emplois peu qualifiés est insuffisant sur le marché du travail. Dans ces conditions, ce ne sont pas des opportunités, mais plutôt le symptôme d'un marché du travail à deux vitesses qui va enfermer les femmes, les jeunes et, encore une fois, les moins qualifiés dans des statuts précaires. C'est ce que vous appelez, par ailleurs, la flexibilité. Surtout, cela témoigne de la disparition progressive d'emplois stables et de l'affaiblissement des droits collectifs. Je ne pense pas qu'on résoudra le problème du chômage en généralisant la précarité. Vous parlez des étudiants. Est-il normal qu'ils doivent travailler pour payer leurs études? D'autres solutions existent. Oui, vous avez augmenté leurs heures. Oui, il est normal qu'un étudiant travaille durant les vacances scolaires. En revanche, il est anormal qu'il travaille autant d'heures représentant trois ans de travail. Pour l'employeur, ces heures sont défiscalisées. De plus, il est connu que, dans le milieu de la grande distribution, où les femmes sont encore pénalisées, elles n'ont pas de temps plein (3/5 ou 4/5, parfois). Ce secteur recrute les étudiants pour remplir les heures qui leur coûtent le plus cher, qu'il s'agisse du week-end ou de la soirée. C'est certainement encore plus vrai à présent avec vos ouvertures le dimanche qui, je le rappelle, entrent directement en concurrence avec nos petits indépendants.
De hoge drempel tot de arbeidsmarkt voor vrouwen van niet-Europese origine
De toegang tot werk voor vrouwen van niet-Europese origine
Toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen van niet-Europese origine
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz bekritiseert dat België slecht scoort in arbeidsinclusie van vrouwen met niet-Europese roots (slechts 50% werkt vs. 75% autochtone vrouwen), vooral door structurele barrières (taalcursussen ontoegankelijk, niet-erkenning buitenlandse diploma’s, gebrek aan kinderopvang, discriminatie) en systematische onderwaardering (35% is overgekwalificeerd in schoonmaaksector). Ze beschuldigt minister Clarinval van leegtaal en gebrek aan concrete maatregelen: zijn hervorming dwingt kwetsbare groepen (ook 55-plussers) in werk zonder passende ondersteuning of discriminatiebestrijding, terwijl bekende oplossingen (diploma-erkenning, sancties voor discriminerende werkgevers) politieke moed vereisen. Clarinval benadrukt dat de hervorming werk moet stimuleren via een "activatie"-model (hogere uitkeringen in beginfase, strengere degressiviteit) en samenwerking met regio’s voor opleidingen en begeleiding, maar concrete acties ontbreken—Schlitz noemt dit "cynisch" en stelt dat zijn beleid competenties verspilt (bv. verpleegsters als schoonmaakster) en discriminatie structureel in stand houdt.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, une étude récente de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes (IEFH) met en lumière une réalité qui est inquiétante mais qui ne m'étonne absolument pas. Seule une femme d'origine non-européenne sur deux travaille en Belgique contre trois sur quatre chez les femmes dites d'origine belge. Ce constat place notre pays parmi les moins performants d'Europe en matière d'inclusion sur le marché du travail.
Plus de deux tiers de cet écart s'expliquent par des obstacles structurels et systémiques comme des barrières linguistiques, le fait que les formations en langue sont devenues payantes, trop rares ou organisées à des horaires incompatibles avec la vie familiale. La non-reconnaissance des diplômes étrangers constitue en outre un énorme frein à la valorisation des compétences dont nous avons pourtant besoin, mais cela relève des entités fédérées. Des procédures administratives kafkaïennes complexifient l'accès à l'emploi et aux dispositifs d'aide à l'emploi. Par ailleurs, un manque criant de solutions de garde d'enfants empêche de nombreuses femmes de suivre une formation ou d'accepter un emploi; cela ne s'arrangera évidemment pas avec les mesures qui viennent d'être prises en Fédération Wallonie-Bruxelles où de nouvelles économies seront réalisées dans le secteur de la petite enfance avec pour conséquence la fermeture de toute une série de structures d'accueil.
À cela s'ajoute un autre constat préoccupant, à savoir que 35 % des femmes d'origine non européenne sont surqualifiées pour le poste qu'elles occupent, notamment dans le secteur du nettoyage ou des aides ménagères. Cette double discrimination de genre et d'origine traduit un échec collectif de nos politiques d'inclusion sur le marché du travail.
Dans un contexte où on envisage de réformer en profondeur les règles d'accès et de maintien des allocations de chômage, il apparaît d'autant plus important de garantir à chaque chercheuse et chercheur d'emploi une réelle égalité des chances car on ne peut exiger l'emploi sans offrir l'accès.
Monsieur le ministre, quelles mesures concrètes allez-vous mettre en œuvre pour lever ces obstacles identifiés? Dans le cas de la réforme du chômage, quelles dispositions prévoyez-vous de mettre en œuvre pour faire en sorte que ces femmes aient réellement accès aux opportunités qu'elles méritent à la hauteur des diplômes qu'elles ont empochés en se formant et en travaillant pour les obtenir?
David Clarinval:
Madame la députée, le gouvernement a la volonté d'inscrire le plus grand nombre possible de personnes, femmes comme hommes, dans le cercle vertueux du travail. L'emploi apporte des revenus, un épanouissement personnel, une intégration sociale, mais il contribue aussi, via des cotisations sociales, à la solidité de notre sécurité sociale. L'accord de gouvernement fixe clairement l'ambition et la méthode. Pour rappel, l'activation vers l'emploi est une mesure centrale et il est essentiel que le travail reste toujours plus avantageux financièrement que l'inactivité. Mon exposé d'orientation politique et ma note de politique générale Emploi mettent l'accent sur un marché du travail inclusif et sur une meilleure adéquation entre les compétences et les besoins des entreprises.
S'agissant de votre question à propos de l'emploi des femmes d'origine non européenne, les données officielles confirment l'enjeu d'inclusion et d'accompagnement. Ces chiffres issus d'institutions reconnues objectivent la nécessité d'agir sur des obstacles structurels, sans stigmatisation et avec des solutions adaptées.
Premièrement, concernant l'analyse des écarts évoqués pour les femmes d'origine non européenne, les documents de référence soulignent les leviers structurels à activer: améliorer l'adéquation entre compétences et emplois, soutenir les transitions vers l'emploi et renforcer la coordination avec les régions et les partenaires sociaux. Ce sont ces actions concrètes qui permettent de réduire les inégalités, y compris celles qui touchent plus fortement certains publics féminins.
Deuxièmement, en ce qui concerne les mesures fédérales, notre trajectoire est double. La réforme du chômage transforme le système actuel en un système assurantiel avec un soutien initial revalorisé et une dégressivité plus marquée par la suite. Parallèlement, nous modernisons le marché du travail pour adapter les durées et formes du travail tout en préservant la protection des travailleurs.
Troisièmement, dans le cadre de la réforme du chômage, l'équilibre entre solidarité et responsabilité est essentiel. L'accord de gouvernement prévoit que l'activation soit organisée au plus près des réalités régionales et que les critères d'emploi, de disponibilité ou d'exemption s'inscrivent dans un cadre clair. Portés par les services régionaux, l'accompagnement et la formation constituent la passerelle centrale vers l'emploi.
Quatrièmement, pour lutter contre la surqualification et renforcer l'adéquation compétences/emploi, notre priorité est d'adapter davantage l'offre de formation aux besoins du marché et de promouvoir des trajectoires de réorientation vers des métiers en demande, en collaboration avec les services régionaux d'activation et de formation ainsi que les entreprises. C'est ainsi que l'on valorise pleinement les compétences, que l'on évite les déclassements et que l'on réussit les transitions.
Comme vous pouvez le constater, le cap de ce gouvernement est cohérent et profondément inclusif. Nous voulons faire du travail un moteur d'émancipation et soutenir les transitions grâce à la formation et à l'accompagnement.
La réforme du chômage s'ancre dans une logique d'activation juste coordonnée avec les régions. L'accord du gouvernement trace ce chemin et les statistiques officielles en montrent toute la pertinence. Notre action repose sur la responsabilité, la concertation et l'attention portée à chaque personne, afin que chacune et chacun puisse accéder durablement à l'emploi.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, à toutes les questions que nous vous posons, vous répondez toujours par le même blabla. Nous connaissons bien vos slogans, "tant les femmes que les hommes", "plus avantageux de travailler que de ne pas travailler", "équilibre entre solidarité et responsabilité", mais où sont les mesures concrètes? Les chiffres sont sur la table! Vous le saviez dès le premier jour de la mise en place de cette réforme: aujourd'hui, des publics sont éloignés du marché de l'emploi, non pas parce qu'ils s'en sont éloignés, mais parce que le marché de l'emploi ne les inclut pas! Et qu'avez-vous fait? Vous avez poursuivi votre réforme, sans proposer de mesures d'accompagnement ou de lutte contre les discriminations. La situation est la même pour les travailleurs âgés et les plus de 55 ans, qui vont se retrouver exclus du chômage, sans aucune mesure d'accompagnement et de lutte contre les discriminations de ces publics extrêmement discriminés. Mais vous n'en avez rien à faire! Là, vous venez de me sortir tout un laïus mais vous ne prévoyez aucune mesure concrète, aucune solution, alors que les éléments sont là, les chiffres sont là, les données sont là, et qu'on sait quelles solutions il faut mettre en place, mais cela requiert un peu de courage politique. Il faut confronter les entreprises qui discriminent, il faut identifier ceux qui ne font pas le job. Il faut l'équivalence des diplômes, parce qu'aujourd'hui, ce sont des infirmières qui travaillent comme femmes de ménage, alors qu'on a besoin d'infirmières dans nos hôpitaux pour soigner les gens. Votre politique revient à cracher sur des possibilités pour la société, mais aussi à bousiller des compétences et des parcours pour ces personnes et pour la société tout entière. Aujourd'hui, il faut que vous mettiez en place le deuxième volet de cette réforme, c'est-à-dire faire en sorte que personne ne soit oublié. Aujourd'hui, vous êtes en train d'abandonner des publics, et qu'allez-vous faire? Vous allez les contraindre à exercer des métiers pour lesquels ils sont surdiplômés, c'est cela que vous voulez faire! Nous connaissons l'envers de votre réforme, et nous allons continuer à la dénoncer. Président: Denis Ducarme. Voorzitter: Denis Ducarme.
De moeilijke arbeidsmarktintrede van pas afgestudeerde jongeren
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sophie Thémont bekritiseert de moeilijke arbeidsmarkttoegang voor jongeren in Wallonië en Brussel, met 25.000 jongeren in insertiestages en 11.500 werkloze starters, ondanks hun diploma’s, door precair werk, onbetaalde stages en ervaringseisen—wat leidt tot onderbenutting en ontmoediging. Ze eist concrete federale-regionale maatregelen: betaalde, begeleide stages en een ambitieus insertieplan met duurzame jobs in plaats van precariteit. Minister Clarinval erkent het probleem en benadrukt federale-regionale samenwerking (bv. afstemming werkloosheidsregels en activatiebeleid), betere match tussen opleiding en vacatures, en individuele begeleiding, maar wijst primair naar regionale bevoegdheden (stages, vorming). Hij belooft geen structurele conflicten, maar wel een gemeenschappelijk programma met sociale partners om jongeren sneller in stabiel werk te krijgen. Thémont illustreert met haar zoons succesverhaal—via vroegtijdige werving en begeleiding tijdens zijn studies—dat bedrijven jongeren kansen moeten geven in plaats van ervaring te eisen, en pleit voor fiscale/federale stimulansen om dergelijke praktijken te verspreiden, vooral voor wie geen familiaal vangnet heeft. Clarinval bevestigt de nood aan bedrijfsinitiatieven maar herhaalt dat regio’s de uitvoering moeten dragen, met federale kadersteun (bv. definities "geschikte job").
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, chaque année, des milliers de jeunes quittent l'université ou la haute école avec l'espoir de trouver rapidement un emploi. Pourtant, pour beaucoup, la désillusion est totale. En Wallonie, près de 25 000 jeunes entre 18 et 24 ans sont actuellement en stage d'insertion professionnelle, et plus de 11 500 à Bruxelles cherchent encore un premier emploi.
Ces chiffres traduisent une réalité préoccupante: l'entrée sur le marché du travail n'a jamais été aussi difficile. Manque d'opportunités, exigence d'expérience dès le premier emploi, stages non rémunérés ou mal encadrés, ou encore des contrats précaires. Tout cela alimente le découragement d'une génération pourtant qualifiée, motivée et souvent surdiplômée.
Prenons l'exemple de Théo, 25 ans, diplômé en relations internationales. Après six années d'études et un stage ministériel, il pensait avoir mis toutes les chances de son côté. Un an plus tard, il en est à plus de 300 candidatures envoyées, 20 réponses et aucune offre. Derrière les statistiques, il y a des visages comme le sien: des jeunes qui croyaient à l'effort et à la valeur du diplôme et qui se heurtent à un mur d'indifférence et de précarité. Résultat: leurs ambitions se réduisent et beaucoup finissent par accepter n'importe quel emploi, parfois sans rapport avec leur formation et n'ayant pas le salaire correspondant à leur diplôme.
Monsieur le ministre, il est temps de regarder cette réalité en face. Le chômage des jeunes est le symptôme d'un marché du travail à bout de souffle, où les politiques d'austérité et de flexibilité ont remplacé la solidarité et l'investissement dans la jeunesse.
Dans ce contexte, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour faciliter la transition entre études et emploi, notamment via des stages de qualité, rémunérés et encadrés?
Plus largement, votre gouvernement prévoit-il, en concertation avec les régions, un plan ambitieux d'insertion des jeunes, fondé sur l'accompagnement, la formation et la création d'emplois durables, plutôt que sur la multiplication des statuts précaires?
David Clarinval:
Madame Thémont, je tiens d'abord à rappeler que je comprends pleinement la préoccupation exprimée. Derrière les chiffres du chômage des jeunes, il y a des parcours réels, parfois marqués par des efforts considérables et une grande frustration. L'exemple de Théo que vous avez soulevé, avec plus de 300 candidatures et aucune issue positive, illustre une situation que je refuse de considérer comme normale, surtout dans un pays où des milliers de postes restent vacants et où certaines professions peinent à recruter. Nous ne pouvons pas accepter que des jeunes diplômés restent durablement sur le côté.
Dans ce contexte, ma responsabilité au niveau fédéral est claire. D'une part, je dois garantir une assurance chômage et un régime d'allocations d'insertion qui protègent les jeunes sans les enfermer dans une attente interminable. Et, d'autre part, je dois travailler en cohérence avec les régions qui sont compétentes pour l'accompagnement, les stages, la formation et l'insertion quotidienne.
Mon objectif n'est pas d'entretenir des conflits de compétences, mais de veiller à une chaîne fluide entre la fin des études, l'activation et l'accès à un emploi de qualité. C'est précisément l'esprit de l'accord de gouvernement, qui prévoit une coopération interfédérale renforcée afin d'aligner les politiques fédérales et régionales dans le respect strict des compétences de chacun. Nous misons sur des politiques d'activation plus fortes, une meilleure adéquation entre l'offre de formation et les besoins réels des entreprises, une attention accrue à la qualité de l'emploi et un accompagnement individualisé pour les personnes qui en ont le plus besoin, notamment les jeunes.
Je reconnais que les stages et les premières expériences professionnelles relèvent largement des régions. Le gouvernement fédéral ne conteste pas cela. Au contraire, nous créons de l'espace pour que les entités fédérées renforcent leurs propres politiques d'activation. Dans ce cadre, je mets en place une réglementation fédérale du chômage qui offre un cadre clair et cohérent pour les différents marchés du travail régionaux, notamment en ce qui concerne les critères d'un emploi convenable, la disponibilité ou les exemptions pour la formation. Cela permet aux services régionaux (Forem, Actiris, VDAB et Arbeitsamt) d'élaborer des parcours adaptés aux réalités locales et aux besoins des jeunes.
Par ailleurs, l'accord de coalition nous engage à développer un programme commun avec les régions et les partenaires sociaux pour mobiliser le plus grand nombre possible de personnes vers l'emploi. Les jeunes sortant de l'enseignement supérieur font évidemment partie des publics prioritaires de cette démarche. Je suis conscient du découragement que peut ressentir une génération pourtant qualifiée, motivée, parfois surdiplômée.
Ma réponse n'est pas de renoncer aux réformes, mais de les orienter vers davantage d'inclusion, de responsabilisation et de justice sociale active. Je rappelle que le travail est plus qu'une source de revenus, c'est un vecteur d'émancipation, un facteur d'intégration sociale et un pilier essentiel de notre vivre ensemble. L'accès à un emploi stable est aussi la meilleure garantie d'une autonomie financière durable et la première protection contre la pauvreté.
Je peux donc, madame la députée, vous assurer que, dans le cadre des compétences fédérales et dans le respect des répartitions des compétences, je mets en œuvre avec les entités fédérées et les partenaires sociaux les réformes que nous avons inscrites dans l'accord. Mon objectif est clair: permettre à chaque jeune en Belgique de trouver plus rapidement sa place sur le marché du travail et de construire un parcours professionnel solide et porteur de sens.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.
Comme vous l'avez dit, il est vrai que les jeunes diplômés, ceux qui ont suivi des études supérieures ou universitaires, se retrouvent face à un marché de l’emploi qui, finalement, refuse de les engager. Alors que ce marché se contracte, ces jeunes enchaînent des stages non rémunérés, des CDD et de l’intérim. Ce n’est pas un tremplin qui leur permet de voir l’avenir d’un bon œil. Vous allez me dire que, lorsqu’une personne commence à travailler, elle n’a pas toujours directement un contrat à durée indéterminée, mais je peux vous assurer que cela arrive, lorsque des entreprises ou des acteurs, parfois publics, décident d’engager.
Je prendrai l’exemple de mon fils. Il a vécu une expérience extraordinaire. Après un master en sciences sociales, il a eu la chance d’être recruté par un organisme auprès duquel il avait postulé pendant ses études. Je lui ai dit: "Mais gamin, tu vas savoir ce que c’est. Tu vas essayer de passer des examens pour savoir demain, quand tu entreras sur le marché du travail, ce que ça donne." Il a passé les examens. Plusieurs candidats étaient sur le liste et il a réussi. À l’issue de la dernière étape, l’oral, il a été engagé.
Il m’a dit: "Maman, j’ai mon mémoire, je ne veux pas y aller". Je lui a dit d'y aller. Ce qui a été très positif, c'est que la société en question l’a engagé comme étudiant pendant les jours où il n’était pas à l’école. La personne qui partait à la pension a ainsi pu le former. Au 1 er juillet, il a eu cette chance inouïe de pouvoir être engagé. Il disposait déjà d’une petite expérience, puisqu’il avait eu l’opportunité d’être formé quelques mois au sein de l’entreprise. Il a d’abord bénéficié d’un contrat à durée déterminée de six mois et le voilà aujourd’hui en contrat à durée indéterminée, directement en sortant de l’école.
Le message que je souhaite faire passer est qu’il faut encourager les entreprises à donner leur chance à ces jeunes, plutôt que d'être systématiquement réfractaires en évoquant le manque d’expérience. Ayant discuté avec plusieurs amis de mes enfants, je peux témoigner que c’est vraiment un frein et une difficulté.
Lorsque vous dites que vous allez voir avec les entités régionales, je pense qu’il faut rappeler que la région ne va pas sans le fédéral. Il y a là un véritable moyen de motiver les entreprises à agir comme dans le cas que je viens de citer. Cela a permis à mon fils de s’épanouir personnellement en ayant été formé en amont, dès le dernier trimestre de ses études.
David Clarinval:
Le fait d’avoir organisé cette transition relevait-il bien de l’initiative de l’entreprise?
Sophie Thémont:
Oui, parce qu'il y avait un recrutement. Il a réussi l'examen écrit, puis il s'est présenté à l'oral. On l'a recontacté. Je lui ai dit qu'ils savaient bien qu'il poursuivait ses études, comme l'indiquait son CV et que, si cela l'intéressait, des profils tels que le sien étaient recherchés, parce qu'on en avait besoin. J'ai précisé: "On veut bien t'engager. Réfléchis. Il faut voir si c'est compatible." Il a la chance d'avoir des parents qui le poussent en lui disant: "Tu passes tes examens et tu termines ton mémoire. Nous serons derrière toi, nous allons t'aider." Tout le monde n'a pas le chance d'avoir un encadrement familial. En tout cas, le message est passé. Cela signifie que c'est possible.
Ensuite, des jeunes peuvent retourner sur le marché de l'emploi, au lieu d'être pénalisés en trouvant un intérim sans rapport avec leurs cinq ans d'étude en se disant: "Je vais devoir cumuler des petits boulots dans l'horeca, à gauche et à droite". C'est connu: des gens qui ont entrepris des études supérieures restent ensuite un certain temps dans de tels métiers, alors que ce n'est pas là qu'on peut atteindre l'expérience suffisante pour postuler dans ces matières.
Voorzitter:
C'était très intéressant. Merci, madame Thémont.
Voorzitter:
La question n° 56010453C de Mme Sophie Thémont est transformée en question écrite.
Mercosur
Het Belgische standpunt met betrekking tot het EU-Mercosur-handelsakkoord
Het EU-Mercosur-handelsakkoord
Het Mercosur-handelsakkoord
Het EU-Mercosur-akkoord
EU-Mercosur-handelsakkoord en Belgische positie
Gesteld door
VB
Dieter Keuten
PS
Patrick Prévot
Ecolo
Rajae Maouane
Open Vld
Sandro Di Nunzio
PTB
Sofie Merckx
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Mercosur-handelsovereenkomst zorgt voor diepe verdeeldheid: voorstanders (o.a. Bart De Wever, Sandro Di Nunzio) benadrukken de economische voordelen (91% tariefverlaging, toegang tot 273 miljoen consumenten, banenbehoud in exportsectoren zoals chemie en auto-industrie) en wijzen op beperkte importquota (bv. 300g rundvlees/persoon/jaar) en EU-normen die blijven gelden, maar bekritiseren België’s onthouding als “capitulatie” die de welvaart schaadt. Tegenstanders (o.a. Dieter Keuten, Rajae Maouane, Sofie Merckx) vrezen oneerlijke concurrentie voor Vlaamse landbouwers (rundvee, pluimvee, suikerbieten), gebrek aan bindende milieusociale clausules, en democratisch tekort door de opsplitsing van het akkoord (omzeilen parlementaire controle); zij eisen een duidelijk ‘nee’ of juridisch advies van het EU-Hof over de rechtmatigheid, gesteund door 400 Belgische organisaties en Franse parlementsresoluties. De Belgische onthouding – gedwongen door gebrek aan consensus tussen gewesten – wordt door critici afgedaan als zwak leiderschap (Di Nunzio) en wegkijken (Keuten), terwijl De Wever het institutioneel onvermijdelijk noemt, maar het persoonlijk een “no-brainer” vindt, vergelijkbaar met het succesvolle CETA-akkoord (zonder negatieve landbouwseffecten). Kernpunt: de spanning tussen economische kansen (export, diversificatie) en bescherming van landbouw, milieu en democratie, met Belgisch federalisme als blokkade.
Dieter Keuten:
Mijnheer de eerste minister, ik ben blij dat ik u deze vraag, die al in september werd ingediend, eindelijk kan stellen. Bedankt om daar tijd voor vrij te maken.
De vraag gaat over de Mercosur-handelsovereenkomst. Dit onderwerp is nog steeds actueel, want die handelsovereenkomst zou binnenkort wel eens door uw regering moeten worden ondertekend. Daarover gaan natuurlijk mijn vragen. Hoe rijmt u deze handelsovereenkomst met het regeerakkoord? Daarin belooft u immers heel specifiek de landbouwsector te zullen aanduiden als een strategische sector die voedselzekerheid moet waarborgen. Wordt die voedselzekerheid volgens u voldoende gewaarborgd in dit Mercosur-handelsovereenkomst?
Kunt u toelichten welke beschermingsmaatregelen in werking zullen treden als de invoer van sommige landbouwproducten bepaalde drempels overschrijdt? Op welke compensatie zullen onze boeren kunnen rekenen? In elke handelsovereenkomst zijn er winnaars en verliezers. Mogelijke winnaars van deze handelsovereenkomst zijn de agro-industrie, die meer zal kunnen exporteren, en de producenten van pesticiden, die meer zullen kunnen exporteren naar de Mercosurlanden. Er zijn echter ook potentiële verliezers in dit handelsakkoord en dat zijn volgens ons de Vlaamse landbouwers. Zij zijn heel sterk gespecialiseerd in rund- en pluimveehouderij en in suikerbieten en dat zijn net de sectoren waar een zware negatieve impact wordt verwacht.
Ten slotte, de Vlaamse landbouw heeft geweldig te lijden onder regeldrift, ze heeft geen toekomst en die toekomst wordt ook sterk in twijfel getrokken door de koolstofmaatregelen. Door al deze zwaarden van Damocles die hen boven het hoofd hangen zijn zij heel gevoelig voor prijsdruk en prijsschommelingen. Deelt u de mening dat de Vlaamse boeren wel eens de verliezers kunnen worden van dit handelsakkoord?
Voorzitter:
De heer Prévot is verontschuldigd.
Rajae Maouane:
Monsieur le premier ministre, début septembre, la Commission européenne a donné son feu vert au projet d'accord de libre-échange entre l'Union européenne et les pays du Mercosur. Cet accord doit encore obtenir l'aval des 27 É tats membres, mais de nombreuses réserves ont déjà été émises par plusieurs pays européens, dont la Belgique.
Il y a quelques jours, votre gouvernement a confirmé l'abstention de la Belgique lors du vote dans les différentes instances européennes. Cette abstention est, je ne vous le cache pas, assez décevante à nos yeux, compte tenu de la gronde sociale et environnementale sur le sujet. En effet, de nombreux acteurs – qu'il s'agisse de syndicats, d'associations environnementales ou encore de représentants du monde agricole – nous ont alertés sur les répercussions potentielles de ce traité sur l'environnement. Nous avons eu à de multiples reprises l'occasion de débattre de la santé publique, des normes sociales, des normes environnementales ainsi que de l'avenir de l'agriculture locale.
Monsieur le premier ministre, quelles sont les raisons de l'abstention de la Belgique lors du vote de cet accord?
Envisagez-vous de solliciter, sur la base de l'article 212, § 11 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, un avis de la Cour de justice de l'Union européenne sur la compatibilité de la scission de cet accord en deux volets – un partenaire global et un accord commercial intérimaire – avec les traités et la jurisprudence européenne?
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de eerste minister, ik was enkele weken geleden bijzonder onaangenaam verrast toen ik in de commissie voor Buitenlandse Zaken van minister Prévot te horen kreeg dat ons land zich zal onthouden bij de stemming over het Mercosur-handelsakkoord. Daarmee isoleert uw regering ons land opnieuw in Europa, op een moment waarop meer dan 1.600 Belgische bedrijven actief handel drijven met Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay. Wij vinden het ongelooflijk dat België dat als land blijkbaar niet kan steunen.
Collega’s, volgens de Europese Commissie ondersteunt onze export naar Mercosur-landen net geen 800.000 jobs in ons land. Net geen 800.000, dat is 1 op de 6 jobs in België. Vergis u niet, voor een open economie als België is Mercosur een levenslijn. Het handelsverdrag zal namelijk 91 % van alle tarieven schrappen en onze bedrijven ook toegang geven tot nieuwe overheidsopdrachten.
Mijnheer de premier, dit is een moment van de waarheid, een moment waarop ons land een keuze moet maken. Wat doet u? Wat doet deze regering? U zult niet kiezen, u zult zich moeten onthouden. Een onthouding, mijnheer de eerste minister, is een capitulatie. Dat is onaanvaardbaar! Met deze onthouding maakt u duidelijk dat uw regering niet opkomt voor de bedrijven en voor onze jobs.
Laat er geen twijfel over bestaan, collega's, dit akkoord geeft zuurstof aan sectoren die vandaag onder enorme druk staan. De chemiecluster in de haven van Antwerpen bijvoorbeeld, met onder meer BASF, waar veel ontslagen zijn gevallen. Tarieven tot 35 % op chemische producten verdwijnen met Mercosur: van 35 % naar 0 %. Voor farmaceutische producten verdwijnen tarieven tot 14 %: van 14 % naar 0 %. Daarnaast dalen voor onze machinebouw- en hightechbedrijven de tarieven, die tot 20 % bedragen, tot 0 %.
Voor producten zoals chocolade, bier of de Gentse azalea voorziet het Mercosur-akkoord bovendien bescherming tegen imitatie, op een markt van 265 miljoen consumenten. Ik kan nog uitgebreid doorgaan met het opsommen van de voordelen van dat akkoord. Dat zal ik niet doen, maar één zaak is duidelijk: dit akkoord is essentieel voor onze economie en onze welvaart.
Daarom, mijnheer de eerste minister, stel ik u graag enkele vragen.
Ten eerste, hoe rechtvaardigt uw regering een onthouding over dat akkoord? Hoe legt u uit aan de werknemers in onze havens, aan VOKA en aan het VBO dat België zich afkeert van een akkoord dat jobs ondersteunt en exportkosten verlaagt?
Ten tweede, waarom staat België opnieuw op de rem in plaats van te kiezen voor onze welvaart?
Sofie Merckx:
Monsieur le premier ministre, en septembre, la Commission européenne a approuvé le projet d'accord de libre-échange entre l'Union européenne et les pays du Mercosur. Il nous semble que le manque de contreparties contraignantes ainsi que d'autres éléments de flou concernant les détails dans de nombreux domaines rendent cet accord particulièrement problématique.
Nous avons appris que la position de la Belgique serait une abstention sur cet accord. Cette position a-t-elle éventuellement évolué? Les réserves des nombreux acteurs, dont les syndicats et la société civile, ont-elles été entendues dans les domaines de la santé, de l'agriculture ou encore des standards environnementaux?
Bart De Wever:
Mijnheer de voorzitter, collega's, ik pleit er al tien jaar passioneel voor en het is dus geen geheim dat ik persoonlijk een sterke voorstander ben van Mercosur. Het zou vreemd zijn iets anders te zeggen. Ook mijn voorganger in de Wetstraat 16 was een uitgesproken voorstander van Mercosur.
Zoals voor mijn voorganger is het mij evenwel niet gelukt daarover een consensus te vinden bij alle partijen die in dit federale land nodig zijn om een ja-stem te kunnen geven. Ik betreur dat persoonlijk. U weet hoe dit land in elkaar zit. Entiteit I en de gefedereerde entiteiten moeten in dergelijke gevallen allemaal hun akkoord geven vooraleer een vrijhandelsakkoord kan worden gesloten. Wij bevinden ons niet in die situatie.
Ik betreur dat persoonlijk want de voordelen zijn geschetst. Wij zouden via dat vrijhandelsakkoord toegang krijgen tot een markt van 273 miljoen mensen. Hopelijk zullen wij die toegang alsnog krijgen, want ik meen dat het er toch nog zal doorkomen. Het wegvallen van tarieven op 91 % van de producten maakt het voor heel veel sectoren aantrekkelijk om te exporteren naar de Mercosur-landen. Ik denk daarbij aan Europese auto’s, wat bijzonder goed nieuws zou zijn. Ook de toeleveringsketen van die industrie zal daarvan positieve effecten ondervinden. Hetzelfde geldt voor de chemische sector en voor de farmasector. De diversifiëring van onze handelsketens en onze value chains is vandaag aan de orde van de dag in de wereld waarin wij wakker worden.
Ik kan enkel in persoonlijke naam spreken maar voor mij persoonlijk is dat een no-brainer. Wanneer zullen wij er ooit toe in staat zijn akkoorden te sluiten als Europa vandaag nog niet in staat is vrijhandelsakkoorden te sluiten met delen van de wereld die nog steeds van het multilateralisme houden en die niet graag wakker willen worden in een wereld waarin twee grote economieën hun wil aan de rest opleggen?
Het verzet dat hier door sommige fracties is geuit, is voor mij dan ook intellectueel moeilijk te plaatsen in de huidige wereldcontext. Dat was voor mij gisteren al moeilijk, hoewel ik daarvoor nog enig begrip kon opbrengen, maar in de wereld van vandaag is dat voor mij echt moeilijk. Ook voor de Europese consument gaat het immers om een interessant akkoord, omdat wij producten tegen lagere prijzen kunnen inkopen die vanuit die landen kunnen worden geleverd.
Alle tegenargumenten die ik vandaag hoor, heb ik destijds ook gehoord bij CETA, het vrijhandelsakkoord met Canada. Er werd hel en verdoemenis gepredikt voor onze landbouwsector op het moment waarop onze zuidelijke deelstaat van de Belgische federatie als enige in Europa een soort Asterix-houding aannam en weigerde het akkoord te ratificeren, wat ze trouwens nog altijd niet heeft gedaan, hoewel het akkoord wel in voege is gegaan. Achteraf moet u mij eens uitleggen welke negatieve effecten u daadwerkelijk hebt gezien. Ik zal het u zeggen, geen enkel. Wij hebben wel onze handel met Canada aanzienlijk zien stijgen. Het is een volledige win-winsituatie gebleken, zoals door de voorstanders altijd was voorspeld.
Anekdotisch kan ik u trouwens vertellen dat ik, op het moment waarop in Wallonië wat dat betreft de trom werd geroerd, toevallig in Canada was op promoreis voor de Antwerpse haven. Ik meende toen immers intelligent, wat ik af en toe meen te zijn, dat ik er best al proactief als eerste naartoe kon gaan om als eerste de vruchten te plukken. Ik heb daar echter een bijzonder moeilijke week beleefd waarin ik aan iedereen moest uitleggen dat ik niet uit een land kwam waar iedereen knettergek was geworden door het akkoord als laatste nog te willen tegenhouden. Dat zal ik niet licht vergeten. Ik was dus pro CETA. Het is goed dat dat akkoord in voege is gegaan. Ik ben ook pro Mercosur.
L'accord commercial couvre de nombreux produits, principalement issus de l'agriculture et de l'élevage. Jusqu'à présent, les droits d'importation de l'Union européenne sur les produits agricoles latino-américains se situent entre 40 et 50 %; ceux-ci seront progressivement supprimés grâce à l'accord commercial. Lorsque l'accord entrera en vigueur, les steaks et la viande hachée en provenance d'Amérique latine seront moins chers dans nos assiettes. C'est une bonne chose! Il en ira de même pour la volaille, la dinde, le sucre, le miel, le riz, le maïs et bien d'autres produits encore.
Mais il importe de noter que des quotas seront appliqués, ce qui signifie que l'Union européenne n'autorisera que de faibles pourcentages de viande bovine, de volaille, de sucre, etc., au taux réduit actuellement convenu. Si les importations dépassent les quotas, les anciens droits d'importation s'appliqueront. L'impact de l'accord commercial se traduira par 300 grammes de steak argentin, deux hamburgers et deux filets de poulet par habitant de l'Union européenne et par an. Il ne s'agira donc pas d'un afflux massif. Loin de là!
Je souligne par ailleurs que nos normes en matière de sécurité et de santé alimentaire continueront de s'appliquer à tous les produits sur le marché de l'Union européenne, qu'ils soient produits ici ou importés.
Enfin, la proposition relative à la politique agricole commune (PAC) après 2027 prévoit un budget protégé d'au moins 300 milliards d'euros pour l'aide au revenu. La Commission introduit également le nouveau Unity Safety Net pour les mesures de crise, d'une capacité totale de 6,3 milliards d'euros. Celui-ci vise à protéger les agriculteurs contre les perturbations du marché et l'instabilité géopolitique.
Niet iedereen is het eens met de weldaden die ik zojuist heb opgesomd. Niet iedereen schat de bepalingen die de risico’s sterk verzachten, om niet te zeggen tenietdoen, naar waarde. Dat is gewoon niet zo. Derhalve is gisteren gebleken dat niet alle gefedereerde entiteiten hun akkoord kunnen geven en dat er dus geen consensus bestaat om het Mercosur-akkoord te ondersteunen. In zo’n geval weet u dat dit land verplicht is zich te onthouden. Dat is de toestand.
Dieter Keuten:
Ik dank u voor het antwoord, premier. Die bepalingen die de pijn zouden moeten verzachten zijn onduidelijk. De spiegelclausules zijn met name onduidelijk uitgewerkt, net als de voorwaarden waaronder het compensatiefonds moet tussenkomen om onze kwetsbare sectoren te vergoeden. Er bestaan zeer veel onduidelijkheden. Dat zeggen niet alleen wij, dat zeggen ook de Vlaamse en de Waalse boerenorganisaties. U hebt hen niet kunnen overtuigen.
De grote Europese naties, denk aan Frankrijk en Italië, zijn erin geslaagd om uitzonderingen te bekomen voor sectoren die voor hen van groot belang zijn. Welke uitzonderingen heeft België kunnen bekomen aan deze internationale tafel? Geen, bij mijn weten.
Het begint intussen een gewoonte te worden dat België zich op het internationale toneel onthoudt. Onlangs hadden we nog de discussie over Chat Control, opnieuw met een onthouding. Blijkbaar is het voor België niet belangrijk - of we mogen het niet weten - om daarover een duidelijk standpunt te nemen. Nochtans gaat het over de vrijheid van onze burgers en een ontspoord Europees project.
In dit Mercosur-dossier zal België zich opnieuw onthouden. Een onthouding beschermt niemand. Een onthouding betekent wegkijken, terwijl Vlaamse landbouwers kapot worden geconcurreerd. Wij vragen u om te kiezen voor de Vlaamse landbouwers, zonder excuses, zonder onthouding, maar met een duidelijk neen.
Rajae Maouane:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses.
Je ne vous cache pas qu'elles ne nous surprennent pas tant que cela mais qu'elles nous déçoivent quand même. On aurait pu se ranger du côté des agriculteurs et agricultrices. Du reste, c'est ce que le MR n'a pas arrêté de claironner pendant toute la campagne avec Les Engagés. Or on tourne le dos aux agriculteurs et agricultrices et à pas moins de 400 organisations belges qui dénoncent ce traité. On tourne le dos aussi à nos travailleurs et travailleuses. Et, ce faisant, on instaure une espèce de concurrence déloyale avec nos produits ici en Europe.
Pour le coup, si nous nous positionnons contre le traité, c'est surtout parce que les clauses rajoutées – et on entend votre prudence – ne sont pas suffisantes. Elles ne sont pas bonnes et ne vont pas aider nos agriculteurs et nos agricultrices. Par ailleurs, la scission du traité en deux est dangereuse. On est face à un problème démocratique puisque les parlements nationaux ne pourront pas se prononcer, ce qui est vraisemblablement contraire aux règles. Sur ce point précis, on se retrouve face à un problème de démocratie important et de contrôle parlementaire. C'est pourquoi nous demandons la saisine de la Cour de justice de l'Union européenne.
Mon groupe a déposé une proposition de résolution qui est débattue au niveau de la commission des Affaires étrangères et qui s'inspire en partie de celle déposée en France qui a été ratifiée et votée à l'unanimité par l'Assemblée nationale. Or, en France, ce n'est à mon avis pas une assemblée de gauchistes. Il est dès lors important aussi de souligner ici les problèmes, non pas par un positionnement idéologique, mais parce qu'on se retrouve face à de vrais soucis de concurrence déloyale, de normes environnementales, de normes sociales, et face à des problèmes démocratiques.
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de eerste minister, u bepleit de inhoud van het akkoord dat gesloten zou moeten worden. Dat is op zich goed. In die zin wil ik mij ook richten tot de collega’s die, al dan niet elders, meevolgen en benadrukken dat we een realitycheck moeten doen. We leven in een wereld waarin de Verenigde Staten zich steeds meer op zichzelf terugplooien en handelsbarrières opwerpen, door het invoeren van tarieven. De Amerikaanse president beschuldigt Europa van besluiteloosheid en zwak leiderschap. Dat is de context waarin we vandaag leven.
Wij dreigen een historische kans te missen. Met een Mercosur-akkoord kunnen wij het grootste handelsblok ter wereld vormen en tonen dat Europa er staat. Zo laten wij zien dat we niet bij de pakken blijven zitten en doen wat noodzakelijk is voor onze welvaart. De realiteit is echter dat we zelfs nog niet zeker zijn of het goedgekeurd zal worden. In een aantal landen bestaat daarover nog geen zekerheid. De onthouding van ons land kan dus cruciaal zijn voor de goedkeuring van het akkoord.
Mijnheer de eerste minister, dit heeft ook een belangrijke politieke dimensie. U hebt op zich de touwtjes in handen. U hebt een federale regering gevormd met een afspiegeling zowel in Wallonië als in Vlaanderen, zoals u wenste. U hebt dus alle partners binnen de meerderheden aan uw zijde om ervoor te zorgen, als leider van dit land, dat iedereen op één lijn komt en dit belangrijke akkoord, dat u ook bepleit, gesteund wordt.
Zowel u, als leider van deze regering, als Vlaams minister-president Diependaele komt machteloos over. Uw partij is de grootste Vlaamse partij en geeft leiding aan de federale en de Vlaamse regering, maar slaagt er niet in dit belangrijke akkoord te sluiten. U hebt hierin een belangrijke verantwoordelijkheid. Als dit mislukt, is dat een verantwoordelijkheid die u meedraagt, samen met de Vlaamse regering. Als dit handelsakkoord er niet komt, door het feit dat ons land dit niet steunt, laten u en uw partij onze bedrijven in de steek en zegt u neen tegen onze welvaart, ook tegen de Vlaamse welvaart.
Sofie Merckx:
Merci, monsieur le premier ministre. Nous comprenons bien que vous approuvez cet accord, et que vous regrettez l'abstention. Pourtant, il n'est pas question de refuser de commercer ou de conclure des accords avec d'autres pays ni de s'opposer au multilatéralisme. La question qui se pose est celle du contenu de ces accords. Plusieurs associations qui défendent l'environnement, ainsi que le droit des travailleurs et des travailleuses ont exprimé énormément de craintes. Y a-t-on répondu? Non, parce que, jusqu'à présent, le processus des négociations – auxquelles ces associations d'agriculteurs, de travailleurs ou qui ont une visée environnementale ne participent pas – reste quand même fort opaque. Vous avez annoncé l'application de quotas, mais seront-ils contraignants et contrôlés? En tout cas, pour l'instant, je constate que les associations d'agriculteurs ne sont pas du tout rassurées, contrairement à vous. Dans ces conditions, nous estimons que la Belgique ne doit pas approuver cet accord.
De herziening van het Diabolocontract
Het Diaboloticket
Nieuwe onderhandelingen over het Diaboloticket
Hervormingen en onderhandelingen rond het Diabolocontract en -ticket
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Crucke bevestigt dat de Diabolotoeslag (6,90€) contractueel vastligt tot 2047 en slechts onder strikte voorwaarden kan worden aangepast, maar overweegt heronderhandelingen om de treincapaciteit en reizigersgroei beter af te stemmen, zonder concrete gesprekken met private partner Northern Diabolo tot nu toe. Hij verdedigt het PPP-model als destijds strategisch (snelle aanleg, stijgend treingebruik), maar erkent dat confidentialiteitsclausules en boetes bij opzegging de speelruimte beperken. Farah Jacquet bekritiseert het PPP als "privatisering van winsten, socialisering van verliezen": de private partij draagt geen risico (garandeerde winsten via stijgende toeslagen), terwijl burgers en luchthavenwerkers – die zelfs voor hun woon-werkverkeer moeten betalen – onevenredig worden belast. Zij dringt aan op snelle afschaffing van de "onrechtvaardige toeslag" en fundamentele contractherziening.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, comme vous le savez, tout voyageur qui souhaite se rendre en train à l'aéroport national doit s'acquitter d'une surtaxe de 6,90 euros, soit près de trois euros de plus qu'il y a dix ans. Ce coût découle du contrat de financement conclu entre l'État fédéral et la société privée Northern Diabolo qui avait investi à l'époque près de 290 millions d'euros dans la construction du tunnel. Ce contrat court jusqu'en 2047, les voyageurs devront donc encore attendre 22 ans avant de pouvoir se rendre à l'aéroport de façon durable et sans contribuer davantage à l'engorgement du ring de Bruxelles.
Vous avez récemment annoncé vouloir renégocier ce contrat. Quels contacts avez-vous déjà pris avec la société concernée? Quels aspects précis souhaitez-vous renégocier?
Selon la presse, le contenu du contrat Diabolo reste très opaque, protégé par des clauses de confidentialité strictes. Votre prédécesseur, M. Gilkinet, avait d'ailleurs indiqué ne pas y avoir accès. Disposez-vous, pour votre part, d'un accès complet à ce document? Comment justifiez-vous une telle opacité?
Plus de dix ans après sa mise en service, estimez-vous qu'un partenariat public-privé pour la construction de cette liaison était un choix judicieux? Selon vous, qui sont les gagnants? Qui sont les perdants de cette formule? Quelles leçons tirez-vous pour l'avenir de votre législature?
Jean-Luc Crucke:
Beste collega, sinds de inwerkingtreding van de wet 30 april 2007 wordt een specifieke heffing toegepast op reizigers die gebruikmaken van de spoorweginfrastructuur voor de luchthaven Brussel-Nationaal. De heffing, de Diabolotoeslag, is onderworpen aan de wettelijke bepalingen en aan de contractuele bepalingen die zijn overeengekomen tussen Infrabel en Northern Diabolo. Het doel daarvan is de financiering, het onderhoud en de exploitatie van de infrastructuur ten voordele van alle gebruikers van het openbaar vervoer.
Voorts heeft Northern Diabolo, mits voldaan wordt aan bepaalde contractuele voorwaarden, het recht om een aanpassing van de reizigerstoeslagen te vragen. Sinds 2007 vond een dergelijke aanpassing twee keer plaats: een eerste keer op 1 februari 2014 en een tweede keer op 1 februari 2023. Het goedkeuringsmechanisme voor een toeslagverhoging is beschreven in artikel 12, paragraaf 2 van de Diabolowet. Ik citeer: “Het initieel bedrag van de passagiersvergoeding en elke latere wijziging van dit bedrag worden vastgesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, op voorstel van de spoorweginfrastructuurbeheerder.” In de huidige situatie is er dus geen speelruimte voor de toepassing van dat mechanisme voor de verhoging van de vergoeding.
Concernant le nombre de suppléments Diabolo vendus, il s'agit là d'une information commercialement sensible qui, effectivement, ne peut être communiquée pour des raisons de confidentialité.
Plus de dix ans après la mise en service de la liaison Diabolo, il convient de rappeler que le recours à un partenariat public-privé pour la construction de cette infrastructure s'inscrivait dans une dynamique largement encouragée à l'époque, aux niveaux tant national qu'européen, pour accélérer la réalisation de projets d'envergure. Il serait dès lors réducteur de porter aujourd'hui un jugement sur le choix gouvernemental opéré à l'époque sans tenir compte du contexte et des attentes de l'époque.
Ce partenariat a permis la construction rapide – reconnaissons-le – d'une infrastructure moderne et performante, qui assure aujourd'hui une desserte efficace de l'aéroport national et contribue à renforcer son attractivité. Cette liaison fonctionne de manière fiable et répond à un besoin stratégique pour le pays. Le nombre de voyageurs et la part modale du train vers l'aéroport ont d'ailleurs considérablement augmenté: plus de 10 000 voyageurs se rendent chaque jour en train à l'aéroport, que ce soit pour y prendre l'avion ou pour y travailler.
Northern Diabolo et Infrabel sont toutes deux tenues de respecter les dispositions contractuelles, y compris les clauses de confidentialité tel que définies dans la convention conclue entre les parties dans le cadre du projet Diabolo. L'accord de concession prévoit une procédure de modification permettant à chacune des parties d'introduire une modification, mais uniquement dans des cas très exceptionnels et sous conditions strictes. Toute autre modification n'est possible que moyennant un accord exprès et écrit des deux parties. Pas plus que mes prédécesseurs, je ne dispose donc du dossier complet. En cas de résignation unilatérale anticipée du contrat par Infrabel, celle-ci serait contractuellement tenue de verser une indemnité substantielle à Northern Diabolo.
Zoals ik op 22 oktober heb gezegd, overweeg ik de herziening van het contract dat werd ondertekend met Northern Diabolo, om de evolutie van bepaalde factoren sinds de ondertekening in aanmerking te nemen. Het contract voorziet immers in een berekeningsmodel voor de Diabolotoeslag dat gebaseerd is op een toename van het aantal reizigers. De delicate onderhandeling van het Diabolocontract vergt een zorgvuldige voorbereiding. Het zou daarom onverstandig zijn mij op een datum vast te pinnen. Mijn kabinet pleegt overleg met Infrabel en de FOD Mobiliteit en doet een beroep op een gespecialiseerd advocatenkantoor en een auditinstantie. Ik sluit niet uit dat het Rekenhof daarbij wordt betrokken. Dat zal wellicht nodig zijn. Op dit moment zijn er met de private partner nog geen gesprekken geweest.
Het element dat volgens mij grondig moet worden heronderhandeld, betreft het treinverkeer. De door het Diabolocontract opgelegde verplichtingen bemoeilijken een optimale benutting van de bestaande capaciteit van en naar de luchthaven. De toeslag is daarbij problematisch, in zoverre die een ontradend effect op het treingebruik zou hebben. Wijzigingen zullen uiteraard enkel mogelijk zijn in een evenwichtig globaal akkoord tussen de partijen. Het spreekt vanzelf dat in het post-2032-tijdperk alle spooroperatoren van en naar de luchthaven onder dezelfde regelingen zullen vallen. Van problemen inzake ongeoorloofde staatssteun ten voordele of ten nadele van bepaalde partijen, hetzij infrastructuurbeheerders hetzij spooroperatoren, zal ook in de toekomst geen sprake zijn. Indien er ooit een probleem met staatssteun was gerezen, dan was er trouwens al lang een zaak aangespannen.
Tot slot heb ik geen indicaties dat de Diabolotoeslag een noemenswaardige verschuiving van het luchtverkeer naar regionale luchthavens zou hebben veroorzaakt.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je vous soutiens évidemment dans votre volonté de revoir les termes du contrat Diabolo. Toutefois, pour nous, ce contrat est l'exemple parfait de ce qui ne va pas dans les partenariats public-privé. On privatise les profits, on socialise les pertes et, au bout du compte, ce sont toujours les mêmes qui paient, les citoyens. Dans ce contrat, ce n'est pas l'opérateur privé qui assume le risque qu'il n'y ait pas assez de voyageurs, puisque le ticket de train augmente. Et, alors que l'opérateur privé voit ses profits garantis, ce sont, à chaque fois, les usagers, les voyageurs qui doivent payer. Les travailleurs de l'aéroport aussi doivent payer une surtaxe pour aller travailler, ce que je trouve assez indécent car personne ne devrait payer pour se rendre au travail. Nous vous demandons donc, monsieur le ministre, d'agir assez rapidement et de renégocier ce contrat qui met le public à genoux, en mettant fin à cette surtaxe injuste.
De gelijke behandeling bij terugbetalingen door de NMBS
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Carmen Ramlot bekritiseert dat de SNCB discrimineert in remboursementsvoorwaarden tussen fysieke (guichet/automaat) en digitale tickets (niet terugbetaalbaar), wat volgens haar de gelijkheidsbeginsel ondermijnt – vooral voor plattelandsgebruikers die al kampen met slechtere treindienstverlening. Minister Crucke bevestigt het verschil, maar wijt dit aan technische frauderisico’s (bv. hergebruik QR-codes) en belooft harmonisatie tegen 2026 via een nieuw antifraudesysteem; hij ontkent verschillen in vergoedingen bij vertraging, alleen in annuleringsvoorwaarden. Ramlot noemt dit "cynisch" en stelt dat de SNCB meervoudige ongelijkheid (toegang, service, financieel) verergert, met name voor kwetsbare groepen zoals pendelaars in rurale gebieden. Crucke erkent het probleem als "relevant" maar blijft bij de technische beperkingen als tijdelijke rechtvaardiging.
Carmen Ramlot:
Monsieur le ministre, un récent article de presse souligne une inégalité de traitement entre voyageurs de la SNCB lors du remboursement de titres de transport en cas de retard, d'annulation ou de correspondance manquée.
Confirmez-vous que les règles d'indemnisation diffèrent selon le type de billet? Quelles mesures la SNCB met-elle en place pour garantir une égalité de traitement entre les voyageurs, quelle que soit la modalité d'achat ou bien la nature de leurs titres de transport?
Un mécanisme de contrôle ou de recours uniforme existe-t-il pour les usagers estimant avoir été discriminés dans le traitement de leur demande de remboursement?
Comment la Belgique veille-t-elle à ce que le règlement européen sur les droits et obligations des voyageurs ferroviaires soit pleinement d'application?
Enfin, dans une perspective d'égalité des chances, envisagez-vous d'harmoniser les conditions d'indemnisation afin de renforcer la confiance dans le service public ferroviaire, notamment pour les usagers dépendants quotidiennement du train pour se rendre au travail?
Jean-Luc Crucke:
Chère collègue, j'avoue que, dans un premier temps, j'ai eu la même réaction que vous. Cette discrimination paraît d'autant moins compréhensible que l'on veut encourager les ventes en ligne.
Cependant, ce ne sont pas les règles d'indemnisation pour retard ou annulation de trains qui sont différentes selon le type de billet. Il convient de ne pas les confondre avec les règles de remboursement qui, quant à elles, diffèrent selon le format du billet. Ainsi, un voyageur qui a acheté son ticket à un automate de vente ou à un guichet peut demander le remboursement de son ticket jusqu'à la veille de la date de début de validité ou dans les 30 minutes après l'achat. À noter que le ticket n'est pas remboursable en cas de vol ou de perte ou s'il a été obtenu via un bon de compensation, un bon d'échange ou un chèque vert.
Pour obtenir ce remboursement, le voyageur peut s'adresser au service clientèle de la SNCB ou au guichet. Par contre, les tickets achetés en ligne ou via l'application de la SNCB ne sont ni échangeables ni remboursables. Cette différence de conditions de remboursement s'explique par des raisons purement techniques, afin de limiter les risques de fraude. La SNCB analyse actuellement les possibilités techniques pour mettre en place un système pouvant contrecarrer ces risques. Dans le courant de l'année 2026, un code barres lu par l'appareil de l'accompagnateur ne pourra plus être utilisé frauduleusement.
Après la mise en place du nouveau système, les conditions de remboursement entre les différents canaux seront parfaitement alignées et votre question est, en cela, parfaitement pertinente.
Carmen Ramlot:
Merci, monsieur le ministre.
Si je comprends bien, actuellement, l'égalité des Belges devant la SNCB est un peu comme l'égalité des Belges devant la loi: tout le monde l'affirme comme un principe inviolable mais dans les faits, chacun sait que c'est, au mieux, un vœu pieux, au pire, un mensonge ou souvent un leurre.
Les exemples d'inégalité des Belges devant le rail sont hélas légion. Ils constituent une sorte de florilège des discriminations de la mobilité embarquée. Je n'en citerai pas ici par peur d'être injuste ou d'en oublier. Mais dire à un Aubangeois qu'il est l'égal d'un Anversois, ou à un Bastognard qu'il est l'égal d'un Gantois, ou à un Couvinois qu'il est l'égal d'un Liégeois devant le rail... je pense qu'ils me et vous riront au nez.
J'en profite d'être à la tribune pour rappeler que l'égalité de service et d'accès pour de nombreux Belges, en particulier pour de très nombreux Belges ruraux, sont un peu comme le paradis céleste aux mille délices promis aux croyants soumis pour qu'ils acceptent en silence, et sans broncher, leurs souffrances et sacrifices dans l'enfer sur terre. Mais si à l'inégalité d'accès et de service, on ajoute la discrimination financière, on perfectionne. C'est là que je voulais en venir aujourd'hui: on confine à du raffinement. Non bis in idem dit aussi la loi; ne pas payer deux fois pour la même chose. Il est hélas des Belges à qui la facture de l'inégalité devant le rail est présentée deux fois, si pas trois.
Je vous remercie toutefois sincèrement pour votre réponse, et j'espère que le problème sera rapidement résolu. Merci de m'avoir permis de profiter de cette tribune pour, encore une fois, prouver qu'il y a de grandes inégalités devant le rail. Je sais que le conseil d'administration de la SNCB a grand pouvoir.
Voorzitter:
De vragen nrs. 56010152C en 56010153C van mevrouw Gielis zijn omgezet in schriftelijke vragen.
De veiligheid in het station Luik-Guillemins en de bezorgdheid van de reizigers en handelaars
De veiligheid in het station Luik-Guillemins
Veiligheid en zorgen in station Luik-Guillemins
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Frank Troosters wijst op groeiend onveiligheidsgevoel in Luik-Guillemins door illegaliteit, drugshandel en geweld en vraagt om concrete maatregelen, zoals meer Securail-personeel en politieoverleg. Minister Jean-Luc Crucke bevestigt de problemen en somt lopende acties op: verhoogde Securail-patrouilles, technologische bewaking (24/7-camera’s), een multidisciplinaire werkgroep (met politie en lokale overheden) en structurele verbeteringen (verlichting, reiniging, samenwerking). Hij benadrukt een "geïntegreerde, menselijke aanpak" die zowel veiligheid als kwetsbare groepen combineert. Troosters relativiseert het antwoord door te stellen dat onveiligheid in stations wijdverspreid is, met Brussel-Zuid als extreem voorbeeld.
Frank Troosters:
Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.
In en rond het station van Luik-Guillemins blijken treinreizigers steeds meer een gevoel van onveiligheid te ervaren. Men kan er de aanwezigheid van illegalen en druggebruikers vaststellen waarbij crimineel geweld en drughandel welig tiert.
Welke maatregelen gaat de minister nemen om de veiligheid in het station van Luik-Guillemins te garanderen?
Zal de minister aandringen op een verhoogde aanwezigheid van het Securail veiligheidspersoneel in het station van Luik?
Zal hij in overleg treden met zijn collega-minister van Binnenlandse Zaken en het lokaal stadsbestuur inzake een verhoogde aanwezigheid van politiediensten in het station?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer de voorzitter, ik antwoord ook op de vraag van de heer Foret.
La SNCB me dit être pleinement consciente des préoccupations exprimées par les voyageurs, les commerçants et les riverains concernant ce sentiment d'insécurité dans et autour de la gare de Liège-Guillemins. Pour l'avoir personnellement également vécu, cela me semble être une réalité dont il faut tenir compte.
La sécurité des voyageurs et du personnel ainsi que le maintien d'un environnement accueillant sont des priorités qui doivent être absolues pour l'entreprise. Afin de garantir la sécurité, le Corporate Security Service de la SNCB met en œuvre une politique intégrale reposant sur trois piliers: présence de personnel de la sécurité sur le terrain, utilisation de moyens technologiques, gare équipée d'un système de vidéosurveillance piloté par le Security Operation Center, accessible 24 h/24, 7 j/7. Ce centre coordonne les interventions et coopérations avec les partenaires locaux.
Considérant la complexité des facteurs en jeu, la SNCB a initié en juin dernier un groupe de travail multidisciplinaire réunissant Securail, la police locale et les autorités compétentes. Ce groupe vise une approche intégrée et humaine conciliant la prise en charge des personnes vulnérables avec la nécessité de garantir la sécurité des voyageurs.
Plusieurs opérations coordonnées ont été menées à Liège-Guillemins et se poursuivent. Elles permettent de contrôler un grand nombre de personnes, de dissuader les comportements perturbateurs et de rassurer les usagers par une présence visible.
Naast de onmiddellijke interventies voert de NMBS structurele maatregelen uit om het veiligheidsgevoel op duurzame wijze te versterken. Het betreft dan de modernisering en onderhoud van de openbare ruimte, versterkte verlichting, regelmatige reiniging van de omgeving, informatie en sensibilisering van reizigers, verhoging van het aantal patrouilles en controles, versterkte samenwerking met de lokale en federale overheden met het oog op een geïntegreerde aanpak van de sociale problemen.
Die inspanningen passen in een strategie die tot doel heeft de rol van Luik Guillemins als veilige, gezellige en symbolische ruimte te vrijwaren.
U kon al vaststellen dat Securail, CSS en de SPC, die ressorteert onder de minister van Binnenlandse Zaken, nauw samenwerken om de veiligheid op en rond het spoorwegdomein te waarborgen. Er wordt momenteel gewerkt aan een medetoezicht van Mobiliteit en Binnenlandse Zaken. Dat heeft reeds geleid tot de oprichting van werkgroepen die tot doel hebben de goede praktijken te verbeteren en te coördineren, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de locaties en met de algemene en bijzondere problematiek.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. We spreken vaak over veiligheidsproblemen in stations en Luik-Guillemins is in dat opzicht niet anders, net zoals ook kleine stations en stations in centrumsteden, ook al is Brussel Zuid wat dat betreft haast een symboolstation, waar onveiligheid troef is.
De fraudegevallen binnen de tandheelkunde
De fraudecontroles bij het RIZIV
Fraude in de thuisverpleging
Een plafond op het aantal patiënten tegen fraude en de garanties voor bonafide thuisverpleegkundigen
Fraude in de thuisverpleging en maatregelen om misbruiken sneller te detecteren
De rol van de ziekenfondsen bij de controle van zorgverstrekkers
Het uittesten van een nieuwe financieringswijze voor verpleegkundige zorg
Bedrieglijke handelingen in de ziekteverzekering
Bedrieglijke handelingen in de ziekteverzekering (terugvorderingen door VI’s)
De fraude in de gezondheidszorg en het vrijwaren van de middelen van de ziekteverzekering
De verjaringstermijn in geval van fraude door apothekers
Fraude en controles in de gezondheidszorg en ziekteverzekering
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om grootschalige fraude in de gezondheidszector (thuisverpleging, tandartsen, apothekers) en de tekortkomingen in opsporing, preventie en sancties, met kritiek op het RIZIV, ziekenfondsen en de trage justitiële afhandeling. Hoofdpunten: - Fraudegevallen (bv. thuisverpleegkundige met 90 gefactureerde bezoeken/dag, tandarts met €627.000 fraude) tonen structurele lekken in controlesystemen, ondanks herhaalde signalen (soms sinds 2017). Volgens kritici (o.a. Depoorter, De Knop) faalt het RIZIV in snelle doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat en ontbreken duidelijke procedures voor verjaringstermijnen (bv. 3 vs. 5 jaar bij apothekers). - Minister Vandenbroucke verdedigt het RIZIV: inspecties volgden wettelijke termijnen, maar fraudeurs omzeilden sancties (bv. via valse patiëntgetuigenissen). Hij kondigt versterkte maatregelen aan: plafonds (€229.000/jaar voor zelfstandige verpleegkundigen), automatische patiëntinformatie (vanaf 15/01/2025), en een antifraudeplan 2026–2030 met opschortingsbevoegdheid van RIZIV-nummers. Dataflow 2.0 (2027) moet gegevensuitwisseling versnellen. - Sector en oppositie vrezen stigmatisering van zorgverleners (99% werkt correct) en vragen slimmere controles (bv. risicoanalyses op outliers, realtime datadeling tussen actoren). Eggermont pleit voor systeemwijziging (uurloon i.p.v. prestatiefinanciering) om fraude te ontmoedigen, terwijl Hansez benadrukt dat plafonds rekening moeten houden met complexe zorg (platteland, palliatieve patiënten). - Openstaande knelpunten: wie beslist over fraude (DGEC/DAC), gebrek aan transparantie (anonieme dossiers, ontbrekende jaarlijkse parlementaire rapportage), en vertraagde implementatie (bv. BelRAI-controles, nomenclatuurherziening).
Frieda Gijbels:
Mijnheer de minister, onlangs kreeg de fraude door een thuisverpleegkundige ruime aandacht in de media. Daarna bleek dat er ook grootschalige fraude bij een arts en een tandarts zou zijn vastgesteld. Die dossiers zouden ook door de pers zijn ingekeken.
Ik zou graag meer informatie ontvangen over het dossier van de betrokken tandarts. Over welke soort fraude gaat het precies? Kunt u toelichten om welke handelingen of behandelingen het ging? Kunt u meer vertellen over het verloop van dat fraudedossier? Op welke manier werd die fraude opgespoord? Wanneer werden er vaststellingen gedaan en welke waren dat? Welke sancties zijn opgelegd?
In het artikel wordt een bedrag van 627.000 euro vermeld. In het laatste jaarverslag van de DGEC worden eveneens fraudegevallen bij tandartsen gemeld, maar daar gaat het op het eerste gezicht om lagere bedragen per tandarts. Zijn er eerder ook al dergelijke grote fraudedossiers bij tandartsen geweest? Kunt u daar meer toelichting over geven?
Hoeveel andere fraudedossiers met betrekking tot tandartsen zijn bekend en over welke bedragen gaat het? Welke stappen worden er momenteel in verband met die dossiers ondernomen?
In welke mate hangt het gebruik van de derde-betalersregeling samen met de kans op fraude? Wordt er dan vaker fraude vastgesteld? Is het mogelijk om de dossiers die door de pers werden ingekeken ook aan het Parlement te bezorgen?
Opsporen en bestraffen is één zaak, maar fraude voorkomen lijkt mij nog belangrijker. Op welke manier kan daarop volgens u verder worden ingezet? Het lijkt mij zinvol dat de DGEC dergelijke fraudezaken jaarlijks in het Parlement komt toelichten, zodat ze zowel de return als een plan van aanpak voor het daaropvolgende jaar kunnen presenteren. Bent u dat idee genegen?
Mijn volgende vraag gaat over de controle van ons zorgfacturatiesysteem, naar aanleiding van de fraude door de thuisverpleegkundige. Enerzijds is er de controle door de DGEC van het RIZIV. Anderzijds spelen ook de ziekenfondsen hierin een rol.
Via de pers verneem ik dat het RIZIV blijkbaar geen informatie van ziekenfondsen over mogelijke fraudegevallen of misstanden bij zorgverstrekkers ontvangt. Dat roept toch wel vragen op.
Wat is de rol van de ziekenfondsen bij de controle van de juistheid van zorgfacturaties? Wie voert die controles uit en op welke manier gebeurt dat precies? Welke rol spelen de adviserende artsen? Bestaan er rapporten van die controles en wat gebeurt daarmee? Kunt u aangeven welke en hoeveel meldingen over mogelijke foute facturatie of fraude door ziekenfondsen zijn doorgegeven, opgesplitst per verzekeringsinstelling en per provincie?
Voorlopig is het RIZIV blijkbaar nog afhankelijk van gegevens die door de ziekenfondsen worden aangeleverd, maar er zou wel worden gewerkt aan een rechtstreeks toegang door het RIZIV via het Data Flow 2.0-systeem. Wanneer is dat systeem operationeel?
Waar wordt de informatie over zorgverstrekkers verzameld, over verzekeringsinstellingen heen? Klopt het dat dit in het Nationaal college van adviserend artsen is, dat ressorteert onder de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV? Klopt het dat zij over gegevens beschikken waarover de DGEC niet beschikt?
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, l’auditorat du travail de Gand a confirmé une nouvelle perquisition dans le dossier très médiatisé d’une infirmière indépendante – également élue d'extrême droite –, soupçonnée d’avoir facturé jusqu’à 90 visites par jour aux mutuelles, alors qu’un soignant à domicile particulièrement actif atteint en moyenne une vingtaine de visites quotidiennes. Les premières constatations laissent penser à une fraude massive, avec notamment la saisie de plusieurs véhicules de luxe.
Au-delà de ce cas individuel, cette affaire révèle des failles structurelles dans le modèle de facturation et les contrôles des prestations infirmières. Vous avez annoncé qu’à partir de l’an prochain, un plafond serait instauré sur le nombre de patients qu’un infirmier peut comptabiliser par jour. Cette mesure suscite un large intérêt, tant pour prévenir les abus que pour protéger les soignants honnêtes, qui travaillent souvent dans des conditions difficiles.
Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelle forme exacte prendra ce plafond: un nombre maximum de visites, un plafond horaire ou un modèle tenant compte du type de soins et des déplacements?
Ce plafond sera-t-il intégré dans un système automatisé de contrôle via les mutuelles, afin de détecter immédiatement les anomalies plutôt que d’intervenir a posteriori ? Ê tes-vous en communication étroite avec votre collègue le ministre Beenders?
Quelles garanties seront-elles prévues pour éviter d’alourdir la charge administrative ou d’entraver l’activité des infirmières et infirmiers respectueux des règles, notamment en zones rurales et lors de soins complexes?
Ces derniers jours, plusieurs affaires de fraude sociale dans les soins infirmiers à domicile ont été révélées, mettant en lumière des pratiques manifestement incompatibles avec la réalité du terrain.
J'en viens à ma seconde série de questions.
Les cas de fraude sociale se sont multipliés dans le secteur des soins à domicile. Ces dossiers, bien que distincts, révèlent une même réalité: certains acteurs isolés parviennent encore à contourner les mécanismes de contrôle au détriment de la sécurité sociale et de la grande majorité des soignants honnêtes. Ils montrent aussi la nécessité d’un renforcement de la détection automatique, d’une meilleure coopération entre inspections, mutuelles, INAMI et auditorats du travail, ainsi que d’un traitement plus rapide des signaux faibles.
Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelles mesures spécifiques entendez-vous prendre pour détecter plus rapidement les schémas manifestement irréalistes, comme un nombre de visites quotidiennes impossible, avant que les dossiers ne prennent une plus grande ampleur?
La coopération entre les acteurs chargés de la lutte contre la fraude – mutuelles, INAMI, auditorats du travail, inspections sociales – sera-t-elle renforcée grâce à un échange automatisé de données ou à des mécanismes d’alerte précoce?
Enfin, envisagez-vous un plan d’action sectoriel ciblé sur les soins de santé à domicile, afin d’éviter que quelques fraudeurs isolés ne nuisent à la crédibilité d’un secteur, où la très grande majorité des infirmières et infirmiers travaillent de manière honnête et professionnelle?
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, ik denk dat we de context voldoende hebben geschetst. Het is uiteraard niet aanvaardbaar wanneer er voor dergelijke bedragen wordt gefraudeerd. Dit is een falen in de opvolging door het RIZIV. Daardoor dreigt nu het beeld te ontstaan dat zelfstandige zorgverleners massaal frauderen. Ik ben ervan overtuigd, mijnheer de minister, dat dat niet het beeld is dat u wenst te schetsen.
Dergelijke excessen zijn volgens het veld de absolute uitzondering. Ik denk bovendien dat deze perceptie het beroep kan schaden en het is net een beroep waar we in deze maatschappij bijzonder veel nood aan hebben. Die perceptie kan de aantrekkelijkheid van deze cruciale sector schaden, terwijl we in de toekomst net veel meer zorgverleners nodig zullen hebben.
Daarom heb ik enkele vragen, mijnheer de minister.
Hoe kan het dat deze verpleegkundige, nadat zij reeds in 2017 en opnieuw in 2020 werd gesignaleerd, toch niet strenger werd opgevolgd door het RIZIV? Monitort het RIZIV systematisch de overschrijdingen van het plafond aan prestaties? Hoe kan dan worden verklaard dat deze fraude jarenlang onder de radar bleef? Worden er binnen uw inspectiediensten ook prioriteiten gesteld, zodat zorgverleners die extreem veel prestaties factureren sneller en prioritair worden gecontroleerd? Hoe wilt u vermijden dat individuele fraudedossiers een volledige beroepsgroep in een slecht daglicht plaatsen? Hoe wilt u de aantrekkelijkheid van het beroep vrijwaren?
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, we hebben het al gehad over de thuisverpleegkundige die gedurende jaren het RIZIV oplichtte, een dossier dat pas na jaren krachtdadig wordt aangepakt en doorgestuurd naar het arbeidsauditoraat. Het kan niet dat een aantal nestbevuilers een hele sector met zich meeslepen, een sector die bestaat uit zorgverstrekkers die dag en nacht ter beschikking staan van hun patiënten, dat correct doen en dat ook correct tariferen.
De vraag die we ons dan ook onmiddellijk moeten stellen, is of de procedures voldoende gevolgd zijn. Zijn ze op tijd gevolgd? Is er gecontroleerd of ze gevolgd zijn? Zijn de definities fijn genoeg gedefinieerd? Wanneer gaat men over tot een doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat? Is daarvoor een procedure voorzien, wordt die gehanteerd en wordt ze ook geëvalueerd? Dat is ook wat we in het regeerakkoord hebben opgenomen, namelijk de evaluatie van de werking en de procedures van de DGEC.
Veel belangrijker dan snel tot actie over te gaan, is het uitvoeren van die evaluatie en na te gaan waar de fouten liggen. Waar schort het aan in de procedure, in de aanpak? Hoe is dit kunnen gebeuren? Hetzelfde geldt voor de apotheker, waarvan gezegd wordt dat er via een achterpoortje gewerkt kan worden.
Ik zie u al het hoofd schudden. Ik ben het volledig met u eens: die uitknop bestaat niet. De unieke barcodes vormen de regel die we hanteren en dat is ook wat de DGEC controleert. Ik heb het in een jaarverslag gelezen, maar wat is daar dan fout gelopen? Is die persoon door de mazen van het net geglipt en zijn de controlemechanismen niet tijdig in gang geschoten? Dat zijn de vragen die we ons sowieso moeten stellen.
Daarnaast heb ik een aantal concrete, vrij technische vragen voor u. Artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 vermeldt de notie bedrieglijke handeling . Genoemd artikel is bepalend voor de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties.
Kunt u toelichten wie binnen de DGEC uiteindelijk de beslissing neemt of een bepaalde casus beschouwd moet worden als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van de wet? Kunt u ook toelichten wie binnen de DAC de uiteindelijke beslissing neemt of een bepaalde casus beschouwd moet worden als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van de wet?
Hetzelfde artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 vermeldt de notie bedrieglijke handelingen . Dat is bepaald voor de terugvordering van uitbetaalde prestaties.
Kunt u toelichten of de verzekeringsinstellingen bij de vaststelling van ten onrechte gedane betalingen zelf de afweging maken of een bepaalde casus moet worden beschouwd als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van die wet? Indien dat zo is, wie maakt die afweging dan en wie is daarvoor bevoegd? Bestaan er richtlijnen voor de verzekeringsinstellingen over de toepassing van de notie bedrieglijke handelingen ? Wordt bovendien nagegaan of de verzekeringsinstellingen deze regel inzake verjaring, en meer bepaald de toepassing van bedrieglijke handelingen, op een gelijkvormige wijze benaderen?
Wanneer de inspectiediensten van het RIZIV een onderzoek voeren waaruit mogelijks een terugvordering van ten onrechte betaalde prestaties volgt, wordt als bewarende maatregel systematisch de verjaring gestuit ten aanzien van de potentiële debiteur. Kunt u voor zowel de DGEC als de DAC bevestigen of er instructies in die zin bestaan en of die worden nageleefd?
De verzekeringsinstellingen worden in toenemende mate geresponsabiliseerd voor een beter beheer van de middelen van de ziekteverzekering. Dat is een goede zaak en dat hebben we in het regeerakkoord ingeschreven. Zijn er instructies voor de ziektefondsen over het stuiten van de verjaring met het oog op een potentiële - dus al dan niet vastgestelde - terugvordering?
Wat betreft de casus van de apotheker, mijnheer de minister, die op 6 december in de pers kwam, blijkt dat een verjaringstermijn van drie jaar werd toegepast voor de frauderende apotheker, die zelf in de krant getuigde.
Graag verneem ik van u waarom, hoewel artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 een termijn van vijf jaar voorziet om terug te vorderen in geval van bedrieglijke handelingen, in dit dossier slechts een verjaringstermijn van drie jaar is gehanteerd. Dank u.
Voorzitter:
Wensen er nog collega’s aan te sluiten bij het actualiteitsdebat? Ladies first , heren De Smet en Prévot.
Natalie Eggermont:
Mijnheer de minister, ik heb heel veel respect voor alle zorgverleners, ook voor de thuisverpleegkundigen. Iedereen hier heeft dat, meen ik. Het zijn zij die elke dag klaarstaan om mensen na een operatie weer op de been te krijgen of om ervoor te zorgen dat oudere mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.
Het is heel jammer te zien hoe de schandalige wanpraktijken van enkelen nu een slecht licht werpen op al die zorgverleners die dag in, dag uit het beste van zichzelf geven in vaak moeilijke omstandigheden. Er is nu een terecht debat over hoe de fraude bestreden moet worden. Ik meen dat dit nieuws ons toch aan het denken moet zetten over de prestatiegeneeskunde in het algemeen. Zorgverleners worden nu voornamelijk gefinancierd op basis van het aantal prestaties dat ze aanrekenen. Wij vinden dat we weg van dat systeem moeten gaan.
Mensen kiezen voor de zorg omdat de zorg betekenisvol mensenwerk is. Het prestatiesysteem dwingt zorgverleners voortdurend hun centen te tellen en het biedt openingen voor dergelijke wanpraktijken. In die zin kijken wij nu uit naar de resultaten van het pilootproject om thuisverpleegkundigen via een uurloon te verlonen
Ik heb ter zake wel enkele vragen.
Is er nu eigenlijk zicht op hoeveel van de actieve thuisverpleegkundigen op het terrein binnen zo’n systeem werken? Is dat er nog niet? Hoe evalueren andere organisaties en stakeholders als de mutualiteiten de sector thuisverpleging? Heeft zo’n project vroeger al op de plank gelegen? Is er is vraag naar vanuit de sector? Is het een geheel nieuw initiatief dat van u uitgaat? Wie komt specifiek in aanmerking om deel te nemen aan het project?
François De Smet:
Monsieur le ministre, on se retrouve avec des révélations qui se succèdent sur des fraudes majeures au sein de notre système de soins, qu'il s'agisse de l'affaire bien connue de l'infirmière à domicile ou de ce pharmacien ayant facturé pendant des décennies des médicaments jamais délivrés, ce qui soulève de vraies interrogations quant à l'efficacité et la réactivité des mécanismes de contrôle de l'INAMI.
Ce qui est frappant dans ces deux affaires, c'est que les pratiques frauduleuses ont perduré pendant des années, malgré des signaux, des analyses de données et même des procédures déjà engagées. Ces dossiers révèlent donc des failles structurelles, juridiques et opérationnelles qui doivent être pleinement examinées, parce qu'elles mettent en danger non seulement les finances publiques mais aussi la confiance des citoyens dans la solidarité qui fonde notre système de santé.
Concernant ce fameux pharmacien condamné, celui-ci aurait exploité pendant près de 30 ans une faille technique liée à l'encodage manuel en cas de panne informatique, un système censé assurer la continuité du service mais manifestement vulnérable à des détournements massifs. L'INAMI rappelle être juridiquement contraint par des procédures strictes et ne pas disposer des moyens nécessaires pour suspendre un numéro INAMI, même en cas de récidive avérée. Les sanctions appliquées (amendes, récupérations, etc.) se sont révélées insuffisantes pour mettre fin aux fraudes.
Monsieur le ministre, comment expliquer que, malgré des signaux répétés, des anomalies manifestes et des enquêtes en cours, ces pratiques aient pu perdurer durant de si longues périodes? Confirmez-vous que les services de contrôle ne disposent toujours pas, à ce jour, de la possibilité d'empêcher un prestataire récidiviste de continuer à exercer?
Enfin, vous avez annoncé une réforme permettant aux juridictions administratives de suspendre le numéro INAMI d'un dispensateur en cas de prestations non effectuées. Ce sera un outil effectivement attendu depuis longtemps par les services de contrôle. Quand cette réforme sera-t-elle concrètement mise en œuvre?
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, à mon tour, je souhaite revenir sur ces problèmes de fraude sociale qui impactent la société, et singulièrement le cas particulier qui a déjà été évoqué par certains collègues et qui a beaucoup fait parler la semaine dernière. Il s'agit de cette infirmière, conseillère communale Vlaams Belang, qui aurait transmis à l'INAMI de fausses prestations. On apprend en effet qu'elle pouvait déclarer jusqu'à 90 visites par jour, quand des professionnels du secteur nous disent qu'on tourne plutôt autour de 20 visites par jour pour une soignante ou un soignant qui réalise son travail de manière digne et humaine. Ces fausses déclarations dans le chef de cette infirmière lui permettaient visiblement d'avoir un rythme de vie plus que confortable, puisque plusieurs voitures de luxe notamment ont été saisies à son domicile.
Par ailleurs, voici deux jours, comme évoqué par mon collègue de DéFI, on découvrait dans la presse qu'un pharmacien avait détourné 250 000 euros grâce à une faille du système de l'INAMI. Ces cas particuliers illustrent en tout cas une problématique réelle qui mérite une réponse appropriée.
Avant tout, et j'aurais dû commencer par là, il faut évidemment préciser qu'une écrasante majorité d'infirmières et d'infirmiers réalisent un travail remarquable avec probité, tout comme les pharmaciennes et les pharmaciens. Malheureusement, ces tristes épisodes jettent un peu l'opprobre sur ces professions éminemment essentielles.
Il y a quelques jours, monsieur le ministre, à la suite du cas particulier de l'infirmière, vous avez annoncé un plafonnement du nombre de visites par jour. Compte tenu de cette récente déclaration, pourriez-vous nous expliquer les contours de la réforme que vous comptez mener? Pouvez-vous nous confirmer que cette réforme, certainement salutaire, n'alourdira pas les démarches administratives du personnel soignant?
Frank Vandenbroucke:
Collega's, ik wil in de eerste plaats nog eens terugkomen op de essentie. Het verhaal van de thuisverpleegkundige uit Houthulst is hallucinant. Het is gewoon gangsterisme. De betreffende dame was er blijkbaar van overtuigd dat ze de samenleving en haar patiënten kon blijven uitbuiten en oplichten. Ze begon telkens opnieuw, na sancties, na terugvorderingen en na boetes. Ze was zeer inventief en zo is ze ook lange tijd bezig geweest.
Tegelijkertijd mogen we echt niet alles op één hoop gooien. Er zijn talloze thuisverpleegkundigen, die hard en correct werken en het beste doen voor hun patiënten, net zoals talloze apothekers hard en correct werken en het beste voorhebben met de patiënten die in hun zaak komen.
Collega’s, ik sta hier voor een dilemma en ik denk dat u die idee met mij deelt. Wij willen namelijk niet het beeld laten ontstaan dat een grote groep zorgverstrekkers er de kantjes vanaf loopt. Wij willen niet het beeld laten ontstaan dat thuisverpleegkundigen of apothekers gemakkelijk frauderen. Dat willen we niet, want dat is niet het geval. Het is een belediging voor de vele mensen, die hun best doen in die sector.
Tegelijkertijd moeten de enkele rotte appels eruit gehaald worden. Hiervoor hebben we sterkere wapens nodig. Op het moment dat men aan die wapens werkt om ze te versterken, kan de indruk ontstaan dat men iedereen verdenkt. Dat is niet het geval. Dat wil ik zeer uitdrukkelijk zeggen ten aanzien van alle apothekers, thuisverpleegkundigen, artsen en kinesitherapeuten. Dat is niet hoe wij denken over de inzet van die mensen. We moeten echter voldoende sterke wapens hebben om rotte appels, zelfs al gaat het om enkele te midden van tienduizenden anderen, te voorkomen.
Overigens neem ik de gelegenheid te baat om het volgende op te merken over de berichtgeving in de media. Over het algemeen geef ik daar geen commentaar op, maar we moeten toch enige behoedzaamheid aan de dag leggen voor wat er zoal in de media komt. Ik zeg dat met voorzichtigheid. Ik neem het voorbeeld van de apotheker die in een krant twee pagina’s kreeg om anoniem uit te leggen dat wat hij doet, volgens hem door elke apotheker gedaan kan worden. Moeten we ons als lezer niet afvragen of dat wel waar is? Is het een hypothese? Misschien probeert iemand zijn eigen misstappen te minimaliseren door te beweren dat iedereen hetzelfde kan doen. Misschien was dat voor die anonieme getuige in de krant het geval.
Wij moeten dergelijke berichtgeving dus enigszins kritisch benaderen.
Ook heb ik het moeilijk met controleurs van ziekenfondsen die anoniem met een kap over het hoofd getuigen over hun werk. Ik verwijt de media niet dat ze die getuigenissen brengen. Het is echter problematisch dat personen met een officiële taak in een organisatie zoals een ziekenfonds anoniem met een kap over het hoofd in de meest dramatische bewoordingen getuigen in plaats van ervoor te zorgen dat wij een transparant en ondertekend officieel verslag van die instanties ontvangen.
En laat ik dan nog maar zwijgen over het dossier van de dame in Houthulst. Ik heb dat dossier en twee andere anonieme dossiers, een over een tandarts en een over een arts, hier in het Parlement toegelicht. Niemand heeft toen verontwaardigd gereageerd – niemand, niet u, niet de beroepsorganisaties en niet de pers, die alle informatie van mij hebben gekregen. Het volstaat echter dat er een foto van de dame wordt gepubliceerd en dat in de krant enkele bijkomende details worden vermeld of het kot was hier te klein, zoals dat in Vlaanderen wordt genoemd. Ik had dat verhaal hier echter al lang verteld. Wij reageren dus soms eigenaardig.
Ik herhaal dat het ging om een structureel probleem van repetitieve fraude. Dat probleem moesten wij aanpakken met sterkere wapens. Dat heb ik hier maanden geleden al uitgelegd. Iedereen ondervroeg mij toen of ik niet te streng was. Niemand vroeg zich af wat dat specifieke geval precies inhield, totdat er een foto met een naam in de krant verscheen. Wij moeten op dat vlak allemaal enige zelfkritiek betrachten.
Dat helpt natuurlijk niet voor het gevoel van de medewerkers in de sector. Zij zijn het er ongetwijfeld over eens dat problemen structureel moeten worden aangepakt en dat de wapens om echte fraudeurs aan te pakken, moeten worden versterkt. Tegelijk moeten wij absoluut vermijden dat een sfeer ontstaat waarin iedereen in die sector zich verdacht gemaakt voelt of als verdacht wordt beschouwd.
Ik ben al een jaar bezig met de verfijning van een actieplan handhaving. Dat spoort trouwens heel goed met het regeerakkoord. Met dat actieplan versterken wij de noodzakelijke wapens.
Ik voeg hier nog wat het dossier met betrekking tot de thuisverpleegkundige in Houthulst betreft, het volgende aan toe. Mevrouw Depoorter vraagt opnieuw of het RIZIV niet heeft gefaald. Ik heb de gedetailleerde tijdlijn op papier hier in het Parlement uitgedeeld. Ik herhaal ze niet volledig wegens tijdsgebrek.
U kunt vaststellen dat er in juli 2017 een vaststelling werd gedaan, dat tien dagen later het onderzoek werd opgestart en dat enkele maanden later de vaststellingen en conclusies volgden. Daarna worden er terugvorderingen en boetes opgelegd en gebeuren er terugbetalingen. Vervolgens wordt er een tweede controleonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een derde controleonderzoek op eigen initiatief van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. In de tijdslijn zie ik dus niet als zou het RIZIV in snelheid van handelen tekort zijn geschoten en ik wil dat evenmin beweren. Ik dring er dus ook op aan om dergelijke beweringen achterwege te laten, want dat is niet correct tegenover de inspecteurs van het RIZIV. Die hebben niet te traag gehandeld. Ze waren alleen niet gewapend tegen iemand die telkens opnieuw begon en uiteindelijk een zeer hardnekkige fraudeurster bleek te zijn, tegen dat soort van gangsterisme. Wie bewijs van falen van de inspectie moet mij eens uitleggen waar dat falen dan precies zit, des te meer gelet op de wapens die zij ter beschikking had. Ik zie dat eerlijk gezegd niet. Daarmee wil ik niet gezegd hebben da mijn administraties altijd perfect functioneren, dat is niet het geval. Hier vind ik echter dat die kritiek nogal gemakkelijk wordt geuit.
Ik ga graag ook even in op de bijzondere vraag met betrekking tot het arbeidsauditoraat. De Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle van het RIZIV hanteert een aantal criteria voor het in overleg doorsturen van controledossiers naar het arbeidsauditoraat. Enerzijds gebeurt dat wanneer de eigen onderzoeksbevoegdheden worden overschreden, anderzijds wanneer de sancties die de gerechtelijke instanties in het RIZIV, zoals de kamer van eerste aanleg en de kamer van beroep, kunnen opleggen, ontoereikend zijn. Op basis van een proces-verbaal van vaststelling van sociale inspecteurs van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle kan de kamer van eerste aanleg of de kamer van beroep, naast de terugvordering van de ten laste gelegde bedragen, bijkomend een sanctie opleggen tot 150% van het ten laste gelegde bedrag voor niet-conforme inbreuken of zelfs tot 200% voor niet-uitgevoerde prestaties. Wanneer men oordeelt dat de eigen bevoegdheden worden overschreden of dat de mogelijke sancties ontoereikend zijn, kan men op basis van die criteria het arbeidsauditoraat vatten.
Sommige dossiers zoals dat van de thuisverpleegkundige, zijn technisch zeer complex. De inbreuken beperken zich niet tot het aanrekenen van niet-uitgevoerde prestaties. Ze hebben in belangrijke mate ook betrekking op het aanrekenen van duurdere prestaties door overscoring van de afhankelijkheidsgraad van de patiënt. Daarvoor is een medische beoordeling vereist. Dergelijke onderzoeken door het arbeidsauditoraat gebeuren daarom in nauwe samenwerking met onze Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle.
Het arbeidsauditoraat is om die reden niet gemakkelijk bereid om dat zomaar te doen, omdat het die competenties niet per se heeft.
Wat de thuisverpleegkundige betreft, is een eerste controleonderzoek opgestart in 2017 met een proces-verbaal van vaststelling door de gerechtelijke instantie Kamer van beroep, waarbij de Kamer van beroep een definitieve uitspraak deed op 23 augustus 2023. Dat heeft dus geruime tijd geduurd, omdat de mevrouw in kwestie haar rechtsmiddelen heeft uitgeput. We leven natuurlijk in een rechtsstaat.
Op 23 augustus 2023 werd in dat eerste controleonderzoek dus een definitieve uitspraak gedaan. Al in februari 2023, dus vóór de eindbeslissing van de gerechtelijke instantie in het RIZIV, had de dienst in het kader van het inmiddels derde controleonderzoek – ik verwijs naar de tijdslijn die ik aan het Parlement heb bezorgd – een eerste contact met het arbeidsauditoraat over het dossier. Door de complexiteit en de problematiek van het medisch beroepsgeheim werd toen beslist dat niet het arbeidsauditoraat, maar de dienst dat verder zou uitwerken. Dat gebeurde na onderling overleg. De dienst stelde echter vast dat het dossier zo niet oplosbaar was. Een jaar later werd het dossier formeel doorgegeven aan het arbeidsauditoraat vanwege de aanhoudend hoge aanrekeningen.
Heeft men te traag gewerkt, dat durf ik niet te zeggen, omdat er verschillende procedures tegelijk liepen. Ik ben ook niet zelf betrokken bij de concrete controleonderzoeken en wens dat ook niet te zijn. Wel heb ik gevraagd om een nieuw en krachtig actieplan handhaving, een echt antifraudeplan voor de jaren 2026 tot 2030, met structurele maatregelen die de inspectiediensten de nodige instrumenten geven om gevallen zoals dat van de thuisverpleegkundige uit Houthulst daadwerkelijk te kunnen stoppen. In het kader van de hervormingswet met een voorstel voor de opschorting van het RIZIV-nummer als alternatieve sanctie, heb ik in augustus van dit jaar drie anonieme gevallen in het Parlement voorgesteld.
Naast de opschorting van het RIZIV-nummers, wat we met het Parlement nog moeten bespreken en beslissen, werden er twee maatregelen reeds genomen. Ik hoop dat ze weldra hun vruchten afwerpen. Ten eerste is er het aanrekeningsplafond op jaarbasis voor thuisverpleegkundigen. Mevrouw Hansez, dat heeft dus niet betrekking op het aantal patiënten.
Madame Hansez, vous avez parlé du nombre de patients. Or ce n'est pas de cela qu'il s'agit. Je le répète. De grâce, dites-le aux infirmiers à domicile! Ce n'est pas le nombre de patients; c'est un montant en euros qui, pour des infirmiers indépendants, s'élève à 229 000 euros bruts de facturation sur une base annuelle. De mémoire, pour un salarié, le montant atteint 126 000 euros sur une base annuelle, parce qu'il y a évidemment une pondération des prestations. Voilà le plafond.
Dat is een instrument naast andere; het is uiteraard niet het enige. Als men boven het plafond gaat, moet de betrokken thuisverpleegkundige verantwoorden waarom dat het geval is. Dat betekent dus een omkering van de bewijslast en ik denk dat dat nodig is.
Een voorgangster van mij, mevrouw De Block, wou al een dergelijke regeling in een koninklijk besluit vastleggen. Dat koninklijk besluit werd echter vernietigd door de Raad van State, vermoedelijk wellicht omdat de regering toen in lopende zaken was. Daarom zijn we opnieuw begonnen en het koninklijk besluit werd in 2024 van kracht. Aangezien het echter op jaarbasis werkt, kan de eerste praktische toepassing vanaf begin 2026 plaatsvinden. We zullen dat ook doen. We hebben wel al een sensibiliserende oefening gedaan op basis van de aanrekeningsplafonds.
Voorts is er nog een maatregel van kracht, die ik persoonlijk erg belangrijk vind, hoewel die nog niet volledig dekkend is. Vanaf 15 januari van volgend jaar krijgen patiënten zicht op de prestaties die op hun naam worden aangerekend, waaronder de meeste prestaties die via derde-betaler worden aangerekend. Een zorgverlener zal dus voor de meeste prestaties niet langer in staat zijn om een niet-uitgevoerde prestatie toch aan te rekenen via derde-betaler, zonder dat de patiënt daarvan op de hoogte wordt gesteld. Dat is zeer essentieel. Bijvoorbeeld voor alle forfaitaire prestaties B in de thuisverpleging, een grote groep, wordt de informatie vanaf 15 januari door alle ziekenfondsen aan alle patiënten doorgestuurd voor wie een forfait B wordt aangerekend. Dat is een belangrijk onderdeel van de controle.
Er was een vraag over de 193 dossiers. Dat zijn alle controledossiers van de DGC waarbij de zorgverlener het ten laste gelegde bedrag en of de boete niet wenst terug te betalen. Die dossiers werden overgezonden naar de niet-fiscale invordering van de FOD Financiën, die voor de verdere opvolging zorgt.
Kortom, de fameuze thuisverpleegkundige uit Houthulst werd opgevolgd. Ik denk niet dat dat op een gebrekkige manier gebeurde. Ze kreeg immers tot tweemaal toe twaalf maanden opschorting van de uitbetaling indien aangerekend via derde-betaler. Ze slaagde erin om dat zeer handig te omzeilen door zelf getuigschriften in te dienen bij het ziekenfonds, zogezegd namens haar patiënten.
Het betrokken ziekenfonds stortte het geld naar die patiënten, in de veronderstelling dat zij de bedragen rechtstreeks hadden betaald. Op die manier kon ze haar carrousel weer een tijdje laten draaien. Dat is de story .
De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle ontvangt jaarlijks ongeveer 1.500 meldingen, dat wil zeggen aangiftes van mogelijke fraude, vragen en klachten afkomstig van buiten de dienst. Daarnaast voert de dienst zelf risicoanalyses uit. Een outlier is inderdaad een van de indicatoren om het risico te bepalen. Niet alle outliers zijn fraudeurs. Sommige zorgverleners die gespecialiseerd zijn in specifieke medische handelingen, factureren correct het grootste aandeel van welbepaalde verstrekkingen.
Nogmaals, wij staan voor een dilemma wat onze communicatie aan de sector en het brede publiek betreft. We onderstrepen enerzijds dat we de fraude krachtiger moeten aanpakken en de dienst meer wapens geven en dat ik een actieplan inzake handhaving zal voorstellen, en anderzijds dat het gaat om een zeer kleine minderheid en de regeling ter bescherming van de grote meerderheid van correcte en hardwerkende zorgverleners dient, zorgverleners waarvan ik niet wil dat ze zich hierdoor onterecht verdacht gemaakt voelen.
Mevrouw Gijbels stelt enkele belangrijke vragen over de verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen. Die instellingen hebben inderdaad een ruime verantwoordelijkheid in de controle van de juistheid van de zorgfacturaties. Zij voeren zowel administratieve primocontroles uit, zoals het opsporen van verboden cumuls of prestaties door onbevoegden, als inhoudelijke controles die niet rechtstreeks uit de facturatie kunnen worden afgeleid. Voor de thuisverpleegkundigen omvat dat onder meer de controle bij de patiënt bij 10 % van de nieuw gemelde Katzschalen, deels op eigen initiatief van een verzekeringsinstelling en deels intermutualistisch, in opdracht van het Nationaal college van adviserend artsen.
De controles worden uitgevoerd door de adviserend artsen van de verzekeringsinstellingen, die daarbij bepaalde taken kunnen delegeren aan adviserend verpleegkundigen. Elke controle van Katzschalen leidt tot een verslag. Bij intermutualistische controles worden daarnaast resultaatfiches opgesteld, die regelmatig in het Nationaal college van adviserend artsen worden besproken. Afhankelijk van de bevindingen kan dat leiden tot een waarschuwing, een nacontrole of een melding aan de dienst, die de documenten ook kan opvragen tijdens eigen onderzoeken.
Tussen 1 januari en 30 november van dit jaar ontving de dienst 108 meldingen van verzekeringsinstellingen en adviserend artsen. Een gedetailleerde uitsplitsing per instelling en provincie is beschikbaar en kan ik u schriftelijk bezorgen.
Omdat elke verzekeringsinstelling slechts zicht heeft op de prestaties van haar eigen verzekerden, worden alle facturatiegegevens maandelijks gecentraliseerd bij het Intermutualistisch Agentschap, waarvan de dienst in het kader van concrete onderzoeken gegevens kan opvragen.
Om die gegevensstromen te verbeteren en frequenter, vollediger en sneller aan te leveren, wordt momenteel gewerkt aan project Dataflow 2.0. Het doel van dat project is een rechtstreekse en geautomatiseerde toegang van het RIZIV tot het centrale dataplatform, zodat de afhankelijkheid van de afzonderlijke verzekeringsinstellingen vermindert en gegevens sneller kunnen worden gekoppeld aan onder meer fraudedetectie. Voor Dataflow 2.0 is wel een aanpassing van het wettelijke kader nodig. De nieuwe regelgeving wordt in 2026 verwacht, waarna de operationele ingebruikname van Dataflow 2.0 voorzien is, ten vroegste in 2027.
Tot slot wordt informatie over zorgverstrekkers intermutualistisch samengebracht binnen het Nationaal College, dat sinds mei 2022 onder de dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle ressorteert. Via het secretariaat van het Nationaal College van Adviserend Artsen beschikt de dienst sinds mei 2022 over alle resultaten van de intermutualistische Katz-controles, gegevens die voor 2022 niet rechtstreeks toegankelijk waren.
Er werd ook beslist dat de ziekenfondsen, voor een bedrag dat in 2029 zal oplopen tot 100 miljoen euro, fraude uit het systeem moeten halen. Zij moeten met hun eigen administratie borg staan voor het bereiken van dat resultaat. Dat is essentieel. Die afspraak is gemaakt en de beslissing is genomen door de ministerraad.
Mevrouw Gijbels, u hebt een vraag over de tandheelkunde. Ik heb hier een paar maanden geleden één anoniem dossier aangehaald. Over specifieke controles geeft de dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle geen verdere uitleg, ook niet aan mij. In zekere zin staat er een muur, wat correct is, tussen de inspecteurs, de leiding van het RIZIV en mezelf.
Wel kan ik een toelichting geven over fraudedossiers bij tandheelkundigen in het algemeen. Het betreft, net zoals bij andere zorgverleners, zowel de aanrekening van niet-uitgevoerde prestaties als prestaties waarbij de vergoedingsvoorwaarden niet worden nageleefd. Een controledossier bij de dienst wordt opgestart op basis van een externe melding of een eigen risicoanalyse van de dienst. Indien tijdens een onderzoek onterechte aanrekeningen blijken, wordt een proces-verbaal van vaststelling opgesteld.
Het onterecht aangerekende bedrag kan door de zorgverlener worden terugbetaald. Bijkomend kan de dienst het dossier aanhangig maken bij de administratieve rechtscolleges, om onder andere een boete op te leggen.
Op dit ogenblik lopen er verschillende grote fraudeonderzoeken bij tandheelkundigen. Enkele worden uitgevoerd samen met het arbeidsauditoraat. In het kader van het geheim van het onderzoek kan de dienst mij daarover niet verder inlichten.
Laten we dan kijken naar het activiteitenrapport van de dienst met betrekking tot 2023. In 2023 werden er 93 individuele controleonderzoeken bij tandartsen afgesloten. Er werd voor een totaalbedrag van 2.167.780,27 euro ten laste gelegd. Bij 13 van die tandartsen werd een administratieve procedure opgestart voor een bijkomende boete. Bij die 13 ging het om een ten laste legging van 826.988 euro voor niet-conform geattesteerde prestaties en 69.929 euro voor niet-uitgevoerde prestaties.
Die informatie is terug te vinden in publieke verslagen. In die zin kijk ik soms met grote ogen naar dingen die nu in de pers komen, aangezien die activiteitenverslagen allemaal publiek beschikbaar zijn. Dat wil niet zeggen dat de pers daarover niet mag berichten, integendeel, die berichtgeving is zeer welkom, maar het betreft geen nieuwe gegevens, alles is reeds gepubliceerd.
Fraude komt evenzeer voor buiten de derde-betalersregeling, zoals in het geval van de thuisverpleegkundige waarnaar u verwees, die meermaals het recht om via de derdebetalersregeling te factureren ontnomen werd.
Voor tandartsen is de regeling die op 15 januari van kracht wordt, waarbij patiënten altijd geïnformeerd worden over aanrekeningen, heel belangrijk. Bijkomend zullen mutualiteiten vanaf 2026 onderling via een teller opvolgen hoeveel tandartsen aanrekenen, zodat zij bij overschrijding van de P-waarden proactief aanrekeningen kunnen blokkeren. Bij thuisverpleegkundigen zal worden gewerkt met de W-waarden. Bij tandartsen werken we al enige tijd ook met een aanrekeningsplafond, met de P-waarden.
Er bestaat een Comité van de DGEC, waarin onder andere de vertegenwoordigers van de beroepsgroepen en de verzekeringsinstellingen zetelen. Daar worden plannen van de dienst voorgelegd en alle proceduredossiers per type zorgverlener op anonieme wijze toegelicht. Alle eindbeslissingen van de kamer van eerste aanleg en de kamer van beroep zijn op geanonimiseerde wijze toegankelijk voor iedereen via de website van het RIZIV. Dat staat daar allemaal.
Mevrouw Depoorter, u had heel precieze vragen over die termijnen bij die apotheker. Die ene apotheker legde uit dat iedereen kon doen wat hij deed, maar dat laat ik even in het midden. Dat is zijn uitleg. In de berichtgeving daarover had men het over een verjaringstermijn van drie jaar, terwijl artikel 174 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 in geval van bedrieglijke handelingen een termijn van vijf jaar voorziet voor terugvordering.
Het is belangrijk om dat juridisch juist te kaderen. Eerst ga ik in op de Dienst voor Administratieve Controle. Wat de DAC betreft, is er geen termijn van drie jaar voorzien in artikel 174 van de gecoördineerde wet. De verjaringstermijn voor het terugvorderen van onrechtmatige betalingen veroorzaakt door frauduleuze handelingen is vijf jaar, of twee jaar bij afwezigheid van frauduleuze handelingen, maar artikel 174 van de gecoördineerde wet is niet van toepassing in de zaak waarnaar u verwijst.
Vervolgens kom ik tot de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle, de DGEC. De verjaringstermijnen bepaald in artikel 174 van de ziekteverzekeringswet zijn niet van toepassing op de administratieve terugvorderings- en/of sanctieprocedures van de DGEC. Dat blijkt overigens ook uit het tekst van artikel 174, 2de lid, van de ziekteverzekeringswet. Die verjaringstermijnen zijn wel van toepassing op de recuperaties door de verzekeringsinstellingen.
Wat de DGEC betreft, geldt een ander regime. Overeenkomstig artikel 142, § 2, van de ziekteverzekeringswet moeten de vaststellingen door de sociaal inspecteur op straffe van nietigheid worden verricht in een proces-verbaal van vaststelling binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de verzekeringsinstellingen de documenten betreffende de betwiste verstrekkingen hebben ontvangen, of waarop de door de profielencommissie of door het Nationaal college van adviserend artsen overgezonden vaststellingen worden ontvangen door de DGEC.
De inbreuken op artikel 73 bis, 1ste lid, van de ziekteverzekeringswet die de sociale inspecteurs van de DGEC vaststellen, vergen daarbij niet het bewijs van fraude.
Dat geldt eveneens voor de termijnen waarbinnen de vaststellingen moeten worden verricht door de sociale inspecteurs van de dienst, volgens artikel 142, § 2, of waarbinnen een zaak aanhangig moet worden gemaakt bij het orgaan van het actief bestuur of bij de kamer van eerste aanleg, volgens artikel 142, § 3. De driejarige termijn werd destijds ingevoerd naar analogie met de onderzoekstermijn waarover de administratie in het kader van het Wetboek van de inkomstenbelastingen beschikt, zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 14 november 2016 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.
Naar mijn inschatting behoren apothekers in ons systeem tot de meest intensief gecontroleerde zorgverstrekkers. Ik wil benadrukken dat het, op basis van wat we weten, om uitzonderlijke gevallen gaat en dat de grote meerderheid van de apothekers correct werkt.
Mevrouw Eggermont, u stelde een vraag over het pilootproject voor een nieuw financieringssysteem. Daar is langdurig overleg over geweest met de sector. Het initiatief komt daadwerkelijk vanuit de sector en mede gelet op het langdurig overleg durf ik te zeggen dat het wordt gedragen door de sector zelf. Het is dus geen plotselinge nieuwe bevlieging, maar een onderwerp dat al lang ter discussie voorligt. Ik ben blij dat het er eindelijk zal komen.
Mijnheer de voorzitter, ik denk dat ik daarmee het belangrijkste heb gezegd.
Voorzitter:
Mijnheer de minister, we hebben u ruimschoots de tijd gegeven om uw antwoord te formuleren.
Frank Vandenbroucke:
Voor enkele van de vragen kan ik tabellen en cijfers aanreiken, zoals de vragen van mevrouw Gijbels over het aantal meldingen per VI. Ik kan die gegevens allemaal schriftelijk bezorgen, ze zijn gewoon niet voorleesbaar.
Voorzitter:
U kunt ze doorgeven aan het commissiesecretariaat.
De replieken komen aan bod in de volgorde van de vraagstellers, zoals bepaald voor een actuadebat.
Frieda Gijbels:
Mijnheer de minister, ik wil graag iets rechtzetten. U zei dat wij nooit hebben gereageerd op eerdere fraudegevallen, maar ik heb al verschillende parlementaire vragen over fraudegevallen gesteld. Ik heb ook al regelmatig vragen over DGEC-krapporten gesteld. Het klopt dus niet dat wij alleen door de pers zijn gealarmeerd.
Ik wil op een aantal zaken repliceren of meer verduidelijking vragen. U zegt dat er 108 meldingen vanuit de verzekeringsinstellingen zijn geweest, maar dat geldt alleen voor de thuisverpleegkundigen. U had het over de Katz-controles. Ik zal een schriftelijke vraag indienen voor de andere zorgberoepen.
Ik verwacht nog de schriftelijke antwoorden, die ik zeker zal nakijken.
Het is me niet helemaal duidelijk of de meldingen vanuit de verzekeringsinstellingen ook daadwerkelijk bij de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle terechtkomen. In de pers stond dat zij daar geen meldingen van ontvangen en geen toegang toe hebben. Dat moet wellicht ook worden verduidelijkt.
U zei: naast de derde-betaler zijn er ook fraudegevallen. Dat geloof ik zeker, maar ik vraag mij af wat de verhouding is. Zijn er al dan niet meer fraudegevallen wanneer de derde-betalerrichtlijn wordt gebruikt dan wanneer die niet wordt toegepast?
In het algemeen denk ik dat er op een aantal vlakken echt moet worden gewerkt. Er is aandacht nodig voor een betere nomenclatuur. Ik zeg niet dat dat een excuus is voor misbruik, maar niet alleen de gedeconventioneerde zorgverstrekkers frauderen, vaak zijn degenen die misbruik maken van de nomenclatuur de fraudeurs. Gelukkig is dat een heel kleine minderheid, zoals verschillende collega's al hebben aangegeven, maar wel moet de nomenclatuur eerst goed op punt staan. Vervolgens moet fraude opgespoord en streng bestraft worden. Iedereen moet daarin zijn rol spelen, ook de ziekenfondsen. Of zij dat ten volle doen, is mij niet helemaal duidelijk. Daarop zullen we later verder ingaan.
Daarnaast is het ook belangrijk dat de patiënten duidelijkere facturen krijgen, zodat zij in begrijpelijke taal kunnen lezen wat er is aangerekend.
Tot slot moeten we ook snel werk maken van een beter klachtrecht, zodat patiënten weten waar ze terechtkunnen om meldingen te doen. In dit dossier, in soortgelijke dossiers, is dat nog een manco. Niet iedereen weet waar men terechtkan als men een vermoeden heeft dat er iets niet correct is.
Isabelle Hansez:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Quelle que soit la mani è re dont ces affaires ont été révélées, elles mettent en évidence un syst è me qui réagit trop tard. Quand une infirmi è re peut facturer 80 ou 90 prestations quotidiennes sans que cela déclenche la moindre alerte, cela signifie que le problème n'est pas individuel mais structurel.
Dans ce contexte, nous saluons votre volonté et vos éclaircissements par rapport au renforcement des contrôles. Cependant, une chose est sûre: nous ne pouvons plus nous contenter d'intervenir a posteriori , il faut détecter l'anomalie d è s qu'elle apparaît. C'est pour cela que le futur plafond d'activité ne pourra être efficace qu' à la condition expresse d'être intelligent. J'ai compris qu'on parlait de montants, d'un plafond de montants et pas du nombre de patients.
Quand on élabore un système de plafond, il importe que ce système soit intelligent, c'est-à-dire qu'il prenne en considération un certain nombre de critères (le type de soins, la charge réelle de travail, le temps de déplacement) davantage qu'un chiffre brut; en effet, il ne faudrait pas pénaliser ceux qui travaillent honnêtement, en particulier dans les zones rurales et en soins complexes. Il faudrait aussi un système intégré dans un contrôle automatisé via les mutuelles et l'INAMI, permettant de détecter immédiatement ce qui est matériellement impossible, plutôt que de laisser prospérer des dérives massives.
Au-delà du plafond, nous insistons également sur l'urgence d'un véritable échange de données en temps réel entre mutuelles, INAMI, Inspection sociale et auditorat du travail. Chacun doit jouer son rôle. Sans ce volet, nous continuerons à découvrir trop tard des schémas frauduleux qui auraient pu être repérés dès les premiers signaux faibles.
Je veux le redire avec force, 99 % des infirmiers et des infirmières travaillent avec intégrité. Ils ne doivent pas subir des lourdeurs administratives supplémentaires parce que quelques fraudeurs isolés détournent le système et ternissent l'image d'un secteur qui est profondément dévoué. C'est en distinguant clairement les abus manifestes du travail honnête et en modernisant nos mécanismes de détection que nous protégerons à la fois nos finances publiques et le professionnalisme des soignants.
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, dank u voor uw uitgebreid antwoord.
Ondanks uw uitgebreid antwoord heb ik het gevoel dat we weinig echt concrete antwoorden hebben gekregen waarmee we verder aan de slag kunnen. U hebt een paar keer gezegd dat u die flow al voldoende heeft toegelicht, maar het zou misschien wel handig zijn dat we eens op een A4'tje kunnen zien wat exact de flow is binnen het RIZIV.
Frank Vandenbroucke:
Maar u hebt die A4 gekregen! In godsnaam. U hebt die gekregen. Ik heb die bezorgd aan het Parlement. Het was zelfs meer dan een A4.
Irina De Knop:
Goed, dan heeft mij dat niet bereikt. Mijn verontschuldigingen daarvoor. Ik zal daarnaar kijken.
In ieder geval, uit uw antwoord blijkt die flow niet volledig duidelijk te zijn. Ik wil graag herhalen, en dat hebt u gelukkig in uw antwoord ook benadrukt, dat het totaal geen zin heeft een volledige beroepsgroep door de mangel te halen omdat er een of meerdere fraudegevallen zijn. Dat is altijd te veroordelen. Als er fraude is moet dat altijd worden aangepakt. Maar de manier waarop wij daarop reageren, en ook u als bevoegd minister, is daarin heel relevant.
Ik vind dat u de eerste uren en dagen na dat voorval het vuurtje niet hebt geblust maar eerder aangewakkerd, door te zeggen dat u bijkomende wetgeving nodig hebt om dit soort fraudegevallen te kunnen aanpakken. Quod non. Het is duidelijk dat er heel wat regelgeving bestaat binnen het RIZIV, maar die wordt blijkbaar niet altijd even accuraat toegepast.
In antwoord op een vraag van ander parlementslid zei u dat u het goed vindt dat er duidelijke facturatie zou komen naar de patiënten. Inderdaad, ik denk dat het niet slecht zou zijn dat mensen inzage krijgen in wat de werkelijke factuur is, ook wanneer er sprake is van een derde-betalerssysteem. Niet alleen omdat op die manier fraude sneller zou kunnen worden aangepakt, maar ook en vooral omdat mensen zouden zien wat de eigenlijke kostprijs is van de zorgverlening die ze ontvangen.
Tot slot denken wij niet, maar we zullen die discussie voeren op het moment dat het voorstel voorligt in de Kamer, dat het schorsen of afnemen van een RIZIV-nummer per se de beste en enige maatregel is die we kunnen nemen om fraude te bestrijden. Dat zou absoluut een eindpunt moeten zijn en geen beginpunt.
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, op vandaag loopt er een actie van de thuisverpleegkundigen. Ze dragen drie lintjes: een wit, een groen en een zwart. Dat zijn toevallig de kleuren die ik aan heb. Wit voor hoop op een beleid met goede dialoog, groen als teken van trots op een beroep van zorgverstrekker en zwart voor de verontwaardiging over de fraude. Deze drie lintjes zijn echt een teken van het gevoel dat in de sector leeft en dat u deelt, namelijk dat wat er gebeurt, niet kan.
Het kan niet dat de verpleegkundigen, die vol goede wil werken, door die carrousel van fraude in een verkeerd daglicht worden geplaatst. Ik ben het met u eens dat men ook bij het lezen van de berichtgeving in de pers enige voorzichtigheid aan de dag moet leggen, want het is niet altijd een correcte weergave van de feiten. Ik ben het niet eens met u dat de wapens sterker moeten of onvoldoende gebruikt zijn. Als men een geweer of een pistool gebruikt, moet de loop ervan gekuist zijn en misschien gebeurt dat nog niet altijd.
U hebt inderdaad alarm geslagen, net zoals ook het RIZIV dat deed, in verschillende gremia. Dat is nu net de reden waarom wij in de discussies rond het nieuwe regeerakkoord het zinnetje rond de evaluatie van de procedures binnen de DGEC hebben ingeschreven. We hebben er samen over gediscussieerd en u bent ermee akkoord gegaan. We zijn daar overeengekomen dat die procedures moeten gecontroleerd worden, want men neigt soms wat in de richting van willekeur. Dat is althans het gevoel dat sommige zorgverstrekkers krijgen.
Als ik zeg dat niet alle wapens zijn gebruikt, dan bedoel ik vooral het feit dat er niet meteen werd doorgeschakeld naar het Arbeidsauditoraat. We hebben die discussie al gevoerd en u zegt dat er wel voldoende en snel genoeg is gehandeld. Ik verwijs opnieuw naar het vonnis van 19 oktober 2020 van de kamer van eerste aanleg, waarin de interpretatie rond artikel 77secties van de GVU-wet wordt gehanteerd. Men had mijns inziens dus al eerder kunnen handelen.
Ook vandaag nog lopen er procedures waarbij we ons vragen kunnen stellen, zoals de procedure van november 2023 over een klacht die in diezelfde maand aan de DGEC werd gemeld met betrekking tot twee partners die werken onder eenzelfde RIZIV-nummer, waarvan één niet-verpleegkundige. Het is gekend bij de DGEC en er werden klachten ingediend, maar toch werkt men verder en verzorgt men zonder diploma patiënten. Dat zou moeten leiden tot een schorsing van de derde betaler. Er zijn er in 2023 maar negen geweest, vier personen en vijf verenigingen. Men kan hier krachtdadiger ingrijpen.
Wanneer er echt sprake is van fraude moeten we kunnen ingrijpen.
Risicoanalyses, daar ben ik het volledig mee eens, moeten worden uitgevoerd en dat is in het geval van die apotheker ook noodzakelijk gebleken. Wanneer een apotheker afwijkt qua unieke barcodes, kan men zeker het risico bepalen en controleren hoe men hiermee omgaat.
Wat moet er nu echter echt gebeuren in die sector van de thuisverpleegkundigen, mijnheer de minister? De controle van die procedures moet inderdaad absoluut gebeuren. Die subsidies en forfaits die worden toegekend, moeten ook eens gecontroleerd worden, want ook daar komen veel klachten uit. Sinds het publiceren van het KB is dat namelijk nog niet gebeurd. De middelen die daardoor vrijkomen, zouden we kunnen gebruiken om de nomenclatuur te herzien. Die controle is echter nog niet uitgevoerd, mijnheer de minister.
De vertegenwoordiging van de zelfstandige thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie is ook iets waarover we het echt nog eens moeten hebben. Die vertegenwoordiging is essentieel voor de nomenclatuur en het beleid.
Tot slot, mijnheer de minister, wil ik het hebben over de zorgnoden. Wat betreft die Katzschalen, misschien is het ook eens tijd om daarnaar te kijken. BelRAI is erg moeilijk en wordt internationaal niet gebruikt. De BelRAI Screener zou mogelijk een antwoord kunnen zijn om samen met de Katzschalen te gebruiken.
Waarop u niet hebt geantwoord, is op de vraag wie de beslissing neemt wanneer het om fraude gaat of niet, om door te verwijzen of niet, binnen de DGEC en binnen de DAC. Ik zal die vraag opnieuw schriftelijk indienen. Dank u wel.
Voorzitter:
Zijn er fracties die het woord nog niet genomen hebben en dat wensen? (Nee)
Jan Bertels:
Dan zou ik kort iets willen zeggen, namens de Vooruitfractie. Ik denk dat er drie belangrijke zaken zijn. Ten eerste, en daar zijn we het allemaal over eens, de overgrote meerderheid van de zorgverstrekkers – en ik noem ze bewust zorgverstrekkers – doet haar beroep met passie en correct en biedt goede zorg aan haar patiënt. Ten tweede, de rotte appels moeten eruit en daar zijn we het ook allemaal over eens. De verschillende actoren hebben dus mechanismen nodig om die rotte appels te verwijderen. We kijken, mijnheer de minister, allemaal uit naar uw actieplan 'handhaving', want een aantal zaken – en daarover zullen we een discussie moeten voeren – moeten worden versterkt. Het gaat daarbij over verschillende maatregelen. Er zijn ook verschillende zaken die al lopen en die moeten worden versterkt. Ten derde, en daar zijn we het ook allemaal over eens, geldt dat zowel preventieve acties als, waar nodig, repressieve acties moeten worden genomen om fraude te bestrijden. We zijn het er ook over eens dat dat alle actoren betreft, gaande van de VI’s, DG Evaluatie en Controle, DG Administratie en Controle, tot het auditoraat en zelfs de rechtbanken. Mijnheer de minister, u moet al die actoren betrekken bij uw actieplan houdende handhaving. Dan kunnen we hopelijk snel een stap vooruit zetten, ter bescherming van de overgrote meerderheid van de zorgverstrekkers die hun beroep met passie en correct uitoefenen.
De stijging van het aantal hiv-besmettingen bij heteroseksuele mannen
Het kostenplaatje van de terugbetalingen door het RIZIV inzake soa's en hiv- en aidsbehandelingen
De hiv-diagnoses
Wereldaidsdag en de toename van het aantal hiv-besmettingen bij Belgische jongeren
Hiv en soa's: besmettingen, diagnoses, kosten en bewustzijn in België
Gesteld door
Open Vld
Irina De Knop
MR
Anthony Dufrane
PS
Caroline Désir
Ecolo
Sarah Schlitz
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Caroline Désir wijst op een stijging van 33% nieuwe hiv-diagnoses bij heteroseksuele Belgische mannen en 15% bij MSM (2024), met Brussel als zwaartepunt (drie keer hoger dan nationaal gemiddelde), en vraagt om concrete preventie-, test- en PrEP-maatregelen, inclusief roluitbreiding voor huisartsen. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt dat het huidige nationale hiv-plan (2020–2026) herzien wordt met extra focus op preventie, testen en PrEP-toegang, maar stelt dat decentralisatie naar huisartsen nog onderzocht wordt – het huidige centraal model (via hiv-referentiecentra) wordt door sommigen als verouderd beschouwd. Hij kondigt een opvolgend IST-plan (vanaf 2027) aan, zonder directe extra maatregelen voor PrEP-toegankelijkheid, en verwijst voor lokale acties (bv. systematisch testen in Brussel) naar de gewesten. Désir bekritiseert impliciet de traagheid (geen acute oplossingen voor PrEP-belemmeringen zoals onbekendheid, stigma en ongelijkheid), terwijl Vandenbroucke coördinatie en evaluatie benadrukt maar geen directe budgettaire of structurele wijzigingen aankondigt. Kernpunt: Stijgende hiv-cijfers eisen dringendere actie, maar bevoegdheidsversnippering (federaal vs. gewesten) en beperkte PrEP-toegang blijven knelpunten.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, le dernier rapport Sciensano sur le VIH en Belgique révèle que, si le nombre total de nouveaux diagnostics est resté stable en 2024 avec 662 cas, on voit une augmentation significative chez les hommes belges, notamment une hausse de 33 % parmi les hétérosexuels et de 15 % parmi les hommes ayant des relations sexuelles avec des hommes. On voit également que la Région de Bruxelles-Capitale est disproportionnellement touchée, avec un taux de diagnostic presque trois fois supérieur à la moyenne nationale.
Monsieur le ministre, dans ce contexte et en concertation avec vos collègues des entités fédérées, quelles mesures comptez-vous mettre en place en matière de prévention et de dépistage?
Selon l’Institut de médecine tropicale, les principaux freins à l’utilisation de la PrEP (prophylaxie pré-exposition) sont un manque de connaissance, la stigmatisation et les inégalités. Quelles initiatives envisagez-vous pour améliorer l’accessibilité à la PrEP et à la PEP (prophylaxie post-exposition) ? Des mesures sont-elles envisagées en matière de formation et de sensibilisation de la première ligne? Des discussions sont-elles toujours en cours pour permettre la prescription et le suivi de la PrEP par les généralistes?
Frank Vandenbroucke:
Le plan national VIH élaboré en concertation avec les entités fédérées qui couvre la période 2020-2026 comprend des actions axées sur la prévention, le dépistage, la prise en charge et la qualité de vie.
Ces dernières années, des progrès significatifs ont été réalisés dans l’objectif d’atteindre un continuum de soins VIH de qualité, mais l’augmentation du nombre de nouveaux diagnostics VIH après des années de baisse régulière exige une révision des priorités. Il est important de mettre davantage l’accent sur la prévention, le dépistage et la PrEP.
Un grand défi réside dans la diversité des publics concernés par le VIH ou à risque, ainsi que dans la manière de les atteindre. Il est, par exemple, nécessaire de renforcer les actions de proximité dans les zones géographiques où le nombre de diagnostics par habitant est élevé, comme certains arrondissements de la région bruxelloise, afin d’y organiser un dépistage systématique.
Les réponses doivent être coordonnées, car elles relèvent de différentes compétences. C’est pourquoi le GTI Prévention met le monitoring du plan national à son ordre du jour une fois par an. Cette année, cette réunion a eu lieu le 9 juillet. L’évaluation intermédiaire de notre plan VIH actuel, qui couvre donc la période 2020-2026, a en effet montré que notre politique devait être réorientée et que les efforts en matière de prévention, de PrEP et de dépistage devaient être renforcés. Chaque entité fédérée a ses spécificités, mais tout le monde s’est montré impliqué pour travailler à son niveau en ce sens.
Il a aussi été décidé qu'un nouveau plan IST serait élaboré pour succéder au plan actuel, à partir du 1 er janvier 2027. Les travaux préparatoires à cette fin sont menés par Sciensano. Comme le travail est en cours, je ne suis pas encore en mesure de vous en communiquer les détails.
Sur le plan fédéral, l'amélioration de l'accès à la PrEP est en effet une question à l'étude, comme indiqué dans l'accord de gouvernement. Pour le moment, la PrEP remboursée ne peut être prescrite que par les médecins de centres de référence VIH. Les médecins généralistes ne jouent qu'un rôle limité dans le suivi. Ce modèle centralisé a démontré sa valeur lors de la phase initiale de déploiement. Cependant, après plus de sept ans de PrEP en Belgique, il n'est plus considéré comme adapté par tout le monde.
Nous sommes en train d'examiner, à l'échelle fédérale, si et comment la PrEP pourrait également être prescrite par les médecins généralistes et comment ces derniers pourraient mieux assurer le suivi de ses utilisateurs. Cette analyse de l'utilisation, en parallèle aux réflexions sur le nouveau plan plus large sur les IST, doit être coordonnée avec celui-ci pour aller dans le même sens, par exemple pour les questions de formation des professionnels et d'information du grand public. Aucune mesure supplémentaire n'est actuellement prévue pour améliorer l'accessibilité de la PrEP. Celle-ci est disponible dans les hôpitaux dotés d'un centre de référence VIH ou dans les centres de soins après violence sexuelle.
Le dépistage et la prévention incombent aux entités fédérées. Si vous souhaitez obtenir de plus amples détails sur ce qui est fait en ce moment, je vous invite à les contacter directement. Comme je le disais, le Comité de monitoring a indiqué que les efforts de dépistage et de prévention seraient renforcés et mis en priorité dans le plan en cours jusqu'à la fin 2026.
L'INAMI ne peut pas ventiler précisément les remboursements par IST, mais on se sert des classes des médicaments les plus spécifiques pour estimer les dépenses. Les traitements de VIH représentent la part la plus importante: plus de 90 % du budget. Pour les autres IST – notamment syphilis, Chlamydia, gonorrhée, HSV et HPV –, les dépenses sont nettement plus limitées et représentent une fraction relativement stable du total, mais avec une légère augmentation pour la syphilis et la Chlamydia.
Au total, les remboursements pour le VIH et ses principales IST sont passés d'environ 169 millions d'euros en 2019 à environ 190 millions en 2024. Ce sont des estimations, car certains remboursements peuvent couvrir d'autres indications et certaines dépenses ne sont pas comptabilisées.
Pour plus de détails, vous pouvez soumettre une question écrite qui permettra une représentation plus précise des données.
Caroline Désir:
Merci, monsieur le ministre.
Voorzitter:
Bedankt, collega’s. Ik sluit hierbij de vergadering. Tot morgen! De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.52 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 52.
De golf aan faillissementen en de toestand van onze economie
De sluiting van Carrefourvestigingen en het toenemend aantal faillissementen
De mogelijke sluiting van Carrefourvestigingen
Het belang van het sociaal overleg in het kader van de crisis in de hypermarktsector
Economische crisis, faillissementen en sociaal overleg in de detailhandel
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 4 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Parlementsleden kritiseren minister Clarinval scherp omdat zijn regering volgens hen te traag en onvoldoende concreet reageert op de golf aan faillissementen (recordniveau), massale ontslagen (o.a. Agfa, Carrefour, Leen Bakker) en de-industrialisering, terwijl bedrijven en kmo’s verzanden in hoge kosten, Europese regeldrift en energiekosten. De minister verdedigt zich met beloften over toekomstige maatregelen (1 miljard euro lagere sociale lasten, 300 miljoen euro energiekorting, loonkostverlaging via geïndexeerd plafond) en benadrukt lopende studies en overleg met sociale partners, maar critici zoals Coenegrachts en Van Lommel noemen dit "leeg gepraat" en eisen onmiddellijke, tastbare actie in plaats van rapporten voor 2026. Sophie Thémont (PTB) en Anne Pirson (Les Engagés) hameren op de precarisering in de grootdistributie (franchising, ontslagen, zondagswerk) en dringen aan op strengere bescherming van werknemers via sociale concertatie, terwijl Thémont de regering beschuldigt van "exploitatiebevorderend beleid". Clarinval houdt vol dat structurele oplossingen tijd nodig hebben, maar de oppositie gelooft hem niet meer en ziet een regering die speelt met economische levens (vgl. "vogelpik"-metafoor) terwijl bedrijven ten onder gaan.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, ik weet niet goed hoe ik in het Carrefour-rijtje terecht ben gekomen, al zal ik mijn best doen creatief te zijn en eveneens een vraag over Carrefour te stellen. Mijn vraag gaat echter over vogelpik.
Vogelpik is een zeer populair spel. Het is altijd goed dat politici voeling houden met de samenleving. Nu hebben we echter vernomen, mijnheer de minister, dat u ook in het kernkabinet vogelpik speelt.
Gaat de meerwaardebelasting in op 1 januari of niet? Jan Jambon gooit een pijltje. Gaat het ticket van Pairi Daiza van 6 naar 12 %? De heer Clarinval gooit een pijltje. Blijft het ticket van de Zoo van Antwerpen op 0 %? De heer De Wever mag gooien. Naar een alternatieve film tegen 6 %, naar een Disneyfilm met de kinderen tegen 12 %: het dartsbord zal beslissen.
Mijnheer de minister, terwijl u vogelpik speelt, gaan er jobs verloren. Mensen verliezen hun inkomen. Vandaag werden bij Agfa-Gevaert 145 ontslagen aangekondigd. Bedrijven gaan dicht en andere hebben het moeilijk, terwijl u over mekaar rolt over de prijs van filmtickets. Shame on you .
Mijnheer de minister, wanneer zult u actie ondernemen om de jobs van mensen te beschermen? Wanneer gaat de energiefactuur voor bedrijven eindelijk omlaag? Wanneer zult u zich daadwerkelijk bekommeren om de economie?
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, er zijn in dit Parlement mensen die alles wat jullie doen ongelooflijk fantastisch vinden en zichzelf heel graag bezig horen. Dat kenmerkt de Wetstraat. Politiek personeel dat de voeling met de buitenwereld volledig kwijt is en van zichzelf vindt dat het ongelooflijk goed bezig is.
Maar niets is minder waar, minister. Kijk hoe het gesteld is met de ondernemingen in ons land. Soms gaat het over geruchten, zoals in het geval van Carrefour. In andere gevallen spreken we over concreet jobverlies of nog erger.
Het gaat trouwens allang niet meer over de kroonjuwelen die hun activiteiten afbouwen of die verdwijnen, het gaat ook over kmo’s die elke dag opnieuw getroffen worden. Dat wordt vertaald in recordaantallen faillissementen. Ik heb u daar al over ondervraagd, maar u blijft altijd naast de kwestie antwoorden.
Het aantal faillissementen is in de jongste tien jaar nog nooit zo hoog geweest als nu. Los daarvan daalt de industriële activiteit in ons land jaar na jaar. U en uw premier blijven zich echter scharen achter de Europese Unie, die met haar regeldrift en waanzinnigheid onze bedrijven kapotmaakt. Denk aan de verwoede pogingen van de Europese Unie onze bedrijven op te zadelen met allerhande rapporteringsverplichtingen, waarvoor ze een leger medewerkers in dienst moeten nemen. Denk maar aan Peppol, dat u door de strot van al die bedrijven wil blijven duwen om na Money Control straks ook aan invoice control te doen. De afleveringen over het leven in het Big Brotherhuis zijn er haast niks tegen.
Mijnheer de minister, mijn vraag is heel duidelijk. Wat zult u doen om het tij van deze leegloop en deze golf van faillissementen te keren?
Sophie Thémont:
Monsieur le vice-premier ministre, on commence déjà à voir les publicités des grandes enseignes avec les guirlandes de Noël, les cageots d'huîtres, les bouteilles de mousseux. En face, il y a les annonces inquiétantes de Carrefour: les boules de Noël, mais surtout la boule au ventre. C'est la dixième saison d'une série noire: Makro, Delhaize, Cora, maintenant Carrefour. À chaque fois, c'est le même scénario. Des patrons qui engrangent des bénéfices d'un côté et des milliers de travailleurs plongés dans l'angoisse de l'autre côté.
À la veille de Saint-Nicolas et de Noël et au milieu de vos réformes sociales violentes – augmentation de la TVA, saut d'index –, toutes ces familles se demandent si elles vont devoir encore être plus flexibles, si elles vont devoir perdre leur job, si elles retrouveront du boulot, mais surtout assez vite pour échapper au couperet. Tout cela dans un secteur où les licenciements collectifs, les restructurations, les franchises mettent de plus en plus de travailleurs dans d'énormes difficultés. Tout cela dans un secteur qui veut généraliser les ouvertures le dimanche et tard le soir, D'ailleurs, je voulais vous remercier parce que je trouve cela super sympa pour les femmes. Encore une fois, que vont-elles faire de leurs enfants le dimanche? Tout cela dans un secteur où on engage de plus en plus d'étudiants, de personnes en intérim ou avec des contrats précaires. La grande distribution traite les travailleurs comme de la lessive en promotion, et cela me met en colère.
Les travailleurs ce ne sont pas des produits qu'on brade ou qu'on jette quand ils sont gênants. Et vous, que faites-vous? Vous faites des réformes qui encouragent toujours plus ces grandes enseignes à mépriser celles et ceux grâce à qui elles s'enrichissent.
Monsieur le ministre, vous voulez valoriser le travail. Dès lors, quelles mesures prenez-vous pour corriger le tir et protéger les travailleurs?
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, on dit toujours qu'une information en chasse une autre. Hier, on apprenait la faillite de Leen Bakker, avec la perte de 250 emplois. Je ne vais pas dire que cette mauvaise nouvelle est passée inaperçue, mais c'est vrai que l'annonce d'une vente possible des activités de Carrefour en Belgique a vite pris le dessus sur l'actualité. Ce n'est pas une simple rumeur, c'est vraiment un séisme potentiel dans un secteur qui a déjà été ébranlé par les restructurations successives: Delhaize avant-hier, Mestdagh hier, Cora en début d'année et maintenant Carrefour.
Hier, en quelques heures, en quelques minutes même, des milliers de familles ont été plongées dans l'incertitude alors qu'elles sortent de plusieurs années de tensions sociales. Il faut se rendre à l'évidence, la grande distribution est en train de changer de visage: effritement du modèle des hypermarchés, concurrence salariale exacerbée depuis les franchisations, automatisation accélérée, pression logistique et marges en chute libre. Ces transformations interrogent la capacité de notre marché du travail à absorber ces chocs et ces changements.
Dans ce contexte, Les Engagés veulent rappeler une chose simple, à savoir que la concertation sociale n'est pas un décor, c'est un garde-fou, un amortisseur, un pilier. Sans ce dialogue, ce secteur court à la casse sociale et c'est inacceptable, monsieur le ministre. Ce pays a besoin de clarté, de prévisibilité et de fermeté.
Monsieur le ministre, quelles actions structurantes le gouvernement entend-il mener pour accompagner la transformation du marché de l'emploi dans la grande distribution? Surtout, des contacts ont-ils déjà été pris avec les partenaires sociaux et avec la direction de Carrefour Belgique pour garantir transparence, stabilité et dialogue?
David Clarinval:
Mijnheer de voorzitter, geachte Kamerleden, net zoals u heb ik kennisgenomen van de berichten in de pers over een mogelijk vertrek van Carrefour uit de Belgische markt, wat de werknemers begrijpelijkerwijs ongerust heeft gemaakt.
Ik merk evenwel op dat de directie van Carrefour België die informatie snel heeft tegengesproken. Zij bevestigde dat de groep niet van plan is om het land te verlaten. Men herhaalde dat Carrefour al enige tijd opnieuw rendabel is.
Ik volg de situatie al meerdere jaren van zeer nabij op, reeds van in de vorige legislatuur, samen met mijn regeringscollega's. Ik zal waakzaam blijven en tot actie overgaan wanneer dat nodig is.
De handels- en distributiesector wordt geconfronteerd met grote structurele uitdagingen: marges die onder druk staan, toegenomen concurrentie, hoge operationele kosten en de snelle opkomst van de e-commerce. Daarbij komen de reeds lang lopende gesprekken tussen de sociale partners over de structuur van de paritaire comités. Die onderhandelingen boeken weinig vooruitgang.
J'ai donc récemment demandé une étude auprès du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale ainsi qu'auprès du Conseil Central de l'Économie (CCE), en vue d'objectiver la situation actuelle du commerce, des impacts que cela a sur leur compétitivité. Je les ai également invités à proposer des pistes de solutions. Le but est que le tout soit présenté et discuté avec les acteurs du secteur au milieu de l'année 2026. Il est essentiel que la concertation sectorielle apporte rapidement des solutions.
J'ajoute que nous entretenons des contacts réguliers avec l'ensemble des acteurs du secteur de la distribution afin d'entendre leurs préoccupations et d'identifier avec eux les leviers d'action les plus efficaces. J'ai d'ailleurs encore moi-même rencontré, voici une dizaine de jours à peine, le patron de Carrefour Belgique.
En ce qui concerne vos questions plus générales concernant les faillites en Belgique, messieurs Coenegrachts et Van Lommel, la Belgique est en effet confrontée à un contexte économique difficile. Nous avons atteint un pic de faillites ces derniers mois, particulièrement en novembre, un mois qui concentre traditionnellement davantage de décisions judiciaires. On ne peut nier cette situation économique difficile et c'est précisément pour y répondre que le gouvernement a pris des mesures.
Et ce sont des mesures fortes. La première consiste en un milliard d'euros de réduction de cotisations sociales qui vont s'étaler dans le courant des années à venir. La seconde, c'est une réforme de la norme énergétique qui sera mise en œuvre l'année prochaine et une diminution de 300 millions d'euros des coûts électriques pour l'ensemble des acteurs. Mais ce sont aussi plus de 800 millions d'euros d'ajustement grâce à l'indexation plafonnée pour alléger le coût salarial au sein des entreprises. Permettez-moi par ailleurs de rappeler que je mène aussi des réformes nombreuses et importantes du marché du travail qui permettront d'apporter de véritables améliorations en termes de compétitivité.
Ces mesures sont en train d'être exécutées. Cela prend effectivement du temps. Toutes ne sont pas encore implémentées, certaines sont implémentées en phases. Mais je suis certain que toutes ces mesures porteront leurs fruits dans le courant de l'année prochaine et permettront de diminuer drastiquement le nombre de faillites en Belgique dans les années futures.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, ik dank u voor de eervolle vermelding in uw antwoord, maar ik heb geen antwoord gekregen op mijn vraag.
Wat is er nu aan van dat zogenaamd akkoord? U zegt dat het wat tijd in beslag neemt, maar wij hebben er vorige week heel wat tijd aan besteed. We hebben twee dagen lang gediscussieerd over uw akkoord!
Vandaag werd het duidelijk. ceci n’est pas un accord . Het is een vals akkoord! Gezien het tempo waarmee uw regering zaken verduidelijkt, valt aan te nemen dat we pas tegen het carnavalsakkoord zullen weten wat u nu eigenlijk beslist hebt.
Ondertussen verliezen we tijd. Ondertussen verliezen mensen hun job en hun inkomen. U zegt dat u een studie zult laten uitvoeren, maar dat zal niet genoeg zijn.
Wij verwachten concrete maatregelen. Concrete maatregelen die zuurstof geven aan onze industrie, onze bedrijven, onze kmo’s en de zelfstandigen, maak daar alstublieft werk van.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, u hebt vandaag opnieuw geen krachtig signaal de wereld ingestuurd. Uw regering zit ondertussen bijna een jaar in het zadel. Wat hebt u concreet gerealiseerd om echt iets te doen aan de toestroom van faillissementen of om de de-industrialisering van Vlaanderen aan te pakken? U overlegt wel met de gewesten, maar resultaten zien we niet. Waar blijft uw fameuze kmo-plan, waar we al bijna een jaar op wachten en dat werd beloofd? We hebben er niets van gezien.
Mijnheer de minister, uw geloofwaardigheid begint een probleem te worden. U blijft de Vlamingen behandelen als uitgeperste citroenen die u vervolgens op de grond gooit om het laatste sap uit de zeste te stampen. Het begrotingscircus van vorige week toonde nogmaals aan dat deze regering een aanslag pleegt op iedereen die in dit land werkt, spaart en onderneemt. Dat is wat Arizona kenmerkt.
Sophie Thémont:
Monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie.
Permettez-moi de douter fortement des propos de Carrefour puisque, depuis la franchisation des magasins Delhaize, excusez-moi, mais tout est possible en Belgique. En réfléchissant un tout petit peu, je me dis qu'il n'y a jamais de fumée sans feu.
Si vous avez lu la presse, vous aurez vu que Brico comptait franchiser 10 magasins pour alléger ses finances. Là encore, cela se soldera par des pertes d'emplois. Dans la grande distribution, on voit bien que la franchise devient la norme.
Monsieur le ministre, je vous invite plutôt à dire à Carrefour et à toutes les grandes multinationales qu'elles doivent arrêter de jouer au Monopoly avec la vie de leurs salariés. Elles ne peuvent ériger leur recherche de profit en modèle de société. Le monde ne leur appartient pas, monsieur le ministre. Votre rôle consiste à valoriser le travail. Or, en l'occurrence, vous valorisez l'exploitation.
Anne Pirson:
Monsieur le vice-premier ministre, je vous remercie de vos réponses. Vous vous êtes montré rassurant au sujet de la position de Carrefour. Pour ma part, je suis un peu moins rassurée au regard de l'histoire et de la situation générale de la grande distribution. Nous nous permettons d'insister sur la nécessité d'anticiper les mutations du secteur: l'automatisation, la concurrence salariale, etc. Les Engagés apprécient grandement votre engagement en faveur de la concertation sociale. Donc, nous ne pouvons que vous encourager à poursuivre le contact régulier avec les partenaires sociaux pour garantir que la voix des travailleurs soit pleinement entendue. À la mi-2026, nous serons attentifs aux solutions qui devraient être exposées. Pour nous, c'est bien à présent que se joue la capacité de notre marché du travail à absorber ces chocs sans produire de nouvelle casse sociale. Merci encore, monsieur le ministre.
De gelijke behandeling van gepensioneerde zelfstandigen en flexi-jobbers
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 3 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Isabelle Hansez (Les Engagés) bekritiseert de ongelijke fiscale behandeling van gepensioneerden die als zelfstandige (met volle sociale bijdragen en belastingen) versus flexi-jobber (zonder heffingen) actief blijven, ondanks gelijkaardige economische bijdragen, en vraagt om herziening voor meer equiteit. Minister Jan Jambon benadrukt dat het verschil voortvloeit uit het statutaire onderscheid (loontrekkende vs. zelfstandige) en wijst op de bestaande 28% werkgeversbijdrage voor flexi-jobs, terwijl fiscale aanpassingen voor zelfstandigen onder de bevoegdheid van minister Simonet vallen. Hansez herhaalt haar pleidooi voor stimulering van werk na pensioen en coherentie tussen statuten, zonder concrete toezeggingen. Jambon toont geen directe plannen maar signaleert openheid voor verdere reflectie.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, notre gouvernement est aujourd’hui en pleine réforme des pensions; une réforme certes nécessaire et courageuse. Les Engagés soutiennent pleinement cette réforme car elle vise à garantir la finançabilité de notre système et la solidarité entre générations.
Nous savons que, pour préserver la soutenabilité de notre modèle, il faut aussi encourager celles et ceux qui souhaitent poursuivre une activité professionnelle après la retraite, tout en ayant des règles claires et équitables. Or une inégalité de traitement persiste entre les pensionnés selon le statut sous lequel ils poursuivent une activité.
D'une part, un pensionné qui choisit de travailler comme indépendant reste soumis aux cotisations sociales d’indépendant et à l’impôt sur le revenu et, d'autre part, un pensionné qui exerce une activité via un flexi-job n’est soumis ni à l’un ni à l’autre.
En d’autres termes, un pensionné actif dans un flexi-job peut cumuler intégralement ses revenus sans prélèvements, là où un pensionné indépendant, pourtant lui aussi actif, se voit imposer une contribution significative. Cette situation interroge d’autant plus que les deux profils participent activement à la dynamique économique et au financement de la sécurité sociale, simplement sous des formes différentes.
Monsieur le ministre, le gouvernement envisage-t-il de revoir cette asymétrie de traitement entre les pensionnés actifs selon leur statut, afin d’assurer peut-être une plus grande équité fiscale et sociale? Des ajustements spécifiques sont-ils à l’étude pour alléger les charges sociales des pensionnés indépendants, au moins dans une certaine limite de revenus, comme c’est déjà le cas pour les flexi-jobs?
Jan Jambon:
Madame Hansez, les revenus provenant d'un flexi-job ne sont effectivement pas imposables, mais l'employeur est bien soumis à une cotisation sociale de 28 %. Un pensionné qui fait un flexi-job en tant que salarié bénéficie donc effectivement d'un régime fiscal avantageux. Un pensionné qui continue à travailler en tant qu'indépendant ne bénéficie pas du même régime fiscal en raison de la différence de statut. Il existe d'autres différences entre les salariés et les indépendants qui peuvent toutes être ramenées à la même essence, à savoir la différence de statut entre un salarié lié par un contrat de travail et un indépendant qui ne l'est pas.
Sur le plan fiscal également, il existe d'autres différences entre les salariés et les indépendants qui résultent également de leurs statuts différents. Ainsi, l'accord de gouvernement prévoit, par exemple, l'introduction d'une déduction pour entrepreneur qui s'appliquera uniquement aux indépendants et non aux salariés.
En ce qui concerne les modifications au système de cotisations sociales pour les indépendants, je vous renvoie à ma collègue, la ministre Simonet, compétente pour les classes moyennes.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je pense que vous faites preuve d’une ouverture pour poursuivre la réflexion. Vous rappelez certaines principes de comparaison entre salariés et indépendants. Du côté des Engagés, nous continuerons à soutenir une approche qui vise une stimulation positive de l’activité après la pension, une cohérence entre statuts, et surtout une reconnaissance juste de ceux qui souhaitent rester actifs, quel que soit le cadre dans lequel ils le font.
De verstoring van de openbare orde op de Brusselse kerstmarkt
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 3 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Jeroen Bergers bekritiseert dat een agressieve, extremistische betoging bij de Brusselse kerstmarkt ("Winterpret") bezoekers intimideerde en vraagt zich af waar de lokale politie was, terwijl hij een mogelijk verband met Samidoun (een volgens hem terreurverheerlijkende organisatie) suggereert. Minister Bernard Quintin bevestigt dat de betoging spontaan en niet toegestaan was, maar wel gedoogd, en dat er links met extremistische groepen worden onderzocht, zonder specifieke namen te noemen. Hij benadrukt het recht op betogen, maar stelt dat de openbare orde vooropstaat en dat een wetsontwerp in voorbereiding is om dergelijke incidenten aan te pakken. Bergers toont steun voor dat wetsvoorstel.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, ik heb de indruk dat het kerstreces voor sommigen al is begonnen, terwijl wij, ook al is de kerstmarkt te Brussel – of moet ik het veeleer over winterpret hebben, want dat is de politiek correctere term – al gestart.
Mijnheer de minister, de start van het evenement Winterpret of de kerstmarkt, als ik dat woord nog mag gebruiken, gaf aanleiding tot een zeer agressieve en extremistische betoging, zo getuigen de filmpjes, die daarover circuleren. Een betoging beoogt meestal om constructief dingen te veranderen, maar dat hoort volgens mij niet bij een kerstmarkt. Hier wou men bezoekers die van de kerstsfeer in Brussel willen genieten, intimideren en we mogen zo'n zeer kwalijk initiatief niet accepteren.
Waar was de lokale politie? Die valt inderdaad niet direct onder uw bevoegdheid, maar onder die van de burgemeester, en ik snap dat u misschien geen contact had tijdens het incident. Hoe dan ook, hebt u achteraf gehoord hoe het zat, of die betoging was aangevraagd, of men de toestemming had gekregen van de burgemeester om bij de kerstmarkt te betogen, en of er links zijn tussen de organisatoren van de betoging en Samidoun of andere extremistische, terreurverheerlijkende verenigingen, waarover we al vaak gesproken hebben? De gebeurtenissen waren – dit standpunt delen we – niet normaal en we mogen zoiets in onze samenleving niet tolereren.
Voorzitter:
Absoluut.
Bernard Quintin:
Mijnheer Bergers, de betoging die op vrijdag 28 november op het Beursplein werd gehouden, was een spontane betoging, niet toegestaan door de administratieve autoriteit, maar wel gedoogd.
Tijdens de betoging was de lokale politie aanwezig in het kader van de beveiliging van de kerstmarkt. Conform de voorziene inzet bestond de normale dienst uit 16 personeelsleden, inclusief kaderleden. Daarnaast waren GNEP-troepen (genegotieerd beheer van de openbare ruimte) discreet opgesteld in de nabijheid van het evenement, met het oog op een snelle interventie, indien de situatie daartoe aanleiding gaf.
De lokale politie geeft aan dat er inderdaad een verband is tussen de organisatoren en extremistische organisaties. Het onderzoek loopt nog en om veiligheidsredenen kan ik op dit moment niet meer vertellen. De lokale politie blijft alert en zet in op een geïntegreerde aanpak om de openbare orde te handhaven en escalatie te voorkomen.
Ik onderstreep nogmaals dat het recht om te betogen, een principieel recht is in onze democratie, maar dat we anderzijds onze samenleving moeten beschermen. Ik hoop dat iedereen die evenwichtsoefening badend in kerstsfeer doet.
Jeroen Bergers:
Dank u wel voor uw beschikbaarheid hier en uw antwoord, mijnheer de minister. Kunt u punctueel nog de vraag beantwoorden of het om een link met Samidoun of met andere organisaties gaat?
Bernard Quintin:
We zijn dat aan het onderzoeken. Ik heb in dat verband trouwens ook een wetsontwerp in de pipeline.
Jeroen Bergers:
Dat weet ik. U weet dat u daarvoor op onze steun kunt rekenen.
Voorzitter:
Zo zijn we aan het einde van onze werkzaamheden gekomen. Ik dank u voor uw aanwezigheid en voor het beantwoorden van de vele vragen, mijnheer de minister. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.03 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 03.
De handelsspanningen tussen de VS en China
De ontmoeting tussen Trump en Xi Jinping in Zuid-Korea
De uitspraken van Japan en van de VS i.v.m. het statuut van Taiwan
De spanningen rond Taiwan
Internationale handelsconflicten en Aziatische geopolitieke spanningen
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Prévot bevestigt dat België en de EU het één-Chinabeleid handhaven (erkenning van de Volksrepubliek, geen diplomatieke banden met Taiwan), maar benadrukt dat eenzijdige gewelddadige verandering van de status quo in de Straat van Taiwan "onacceptabel" is en pleit voor dialoog en vreedzame oplossingen in lijn met internationaal recht. Hij uit bezorgdheid over de escalatie tussen China, Japan en de VS, waar zowel Tokio (met duidelijke "rode lijnen") als Washington (afwijzing van Taiwanese onafhankelijkheid, maar verdediging van eigen belangen) hun strategische vaagheid lijken los te laten, terwijl China met harde retoriek reageert. Lambrecht en Lutgen (cdH) prijzen Prévots focus op dialoog en zijn duidelijke standpunt, waarbij Lutgen aanvult dat de EU expliciet geweldsgebruik moet afwijzen en solidair moet staan met bondgenoten zoals Japan. Prévot wijst ook op EU-afhankelijkheid van Chinese zeldzame aardmetalen en de nood aan strategische autonomie, zonder partijen te kiezen in de handelsoorlog VS-China.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, de defensieministers van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties hadden in Maleisië een bijeenkomst met de Amerikaanse minister van Defensie, Pete Hegseth. Hij sprak daar de Chinese minister van Defensie Dong, onder meer over de kwestie Taiwan. Minister Dong stelde tijdens die ontmoeting met minister Hegseth dat de hereniging van Taiwan en China een niet te stoppen evolutie van de geschiedenis is. Voorts zei hij ook dat de Amerikanen zich tegen de onafhankelijkheid van Taiwan moeten verzetten. Hegseth noemde het een constructieve bijeenkomst, maar benadrukte dat de VS geen conflict zoeken en dat zij hun eigen belangen krachtig zullen blijven verdedigen.
Bijna gelijktijdig leidde een opmerking van de nieuwe Japanse premier Sanae Takaichi in het parlement tot een ernstige diplomatieke rel tussen China en Japan. Zij zei immers dat een Chinese aanval op Taiwan, een maritieme blokkade of een aanval op Amerikaanse bases in Japan tot een levensbedreigende situatie zou kunnen leiden. Volgens de Japanse wetten mag Tokio dan zijn strijdkrachten inzetten, ook al wordt Japan niet direct zelf aangevallen. Waar vorige premiers zorgvuldig vaag bleven over Taiwan, trok Takaichi duidelijke rode lijnen.
Uiteraard liet de Chinese reactie niet lang op zich wachten. De Chinese staatsmedia voerden sindsdien een ongewoon harde campagne tegen de Japanse premier. Het decennialang diplomatiek evenwicht lijkt nu verbroken. Zowel Japan als de VS hanteerden tot op heden altijd een beleid van strategische vaagheid over Taiwan, maar dat lijkt nu verdwenen.
Mijnheer de minister, wat denkt u over de escalatie tussen China, Japan en de VS? Wat is het Belgisch standpunt over Taiwan?
Zult u die veranderde houding ten opzichte van Taiwan ter sprake brengen bij uw Europese collega's?
Benoît Lutgen:
Merci à ma collègue, qui a dit l'essentiel au travers de différents constats: l'augmentation des tensions autour de Taïwan ces derniers jours et les propos tenus par des diplomates chinois à l'égard de la première ministre japonaise.
Je voudrais simplement savoir, pour aller directement à l'essentiel, monsieur le ministre, quels sont les contacts que vous avez pu avoir à ce sujet?
N'est-il pas temps également pour la Belgique et l'Union européenne de réaffirmer fortement leur refus de toute utilisation de la force pour résoudre ce conflit entre Taïwan et la Chine?
Ne devons-nous pas réaffirmer par ailleurs notre solidarité pleine et entière avec le Japon et avec d'autres pays de la région qui subissent ces menaces chinoises?
Maxime Prévot:
Chers collègues, je vous remercie, y compris pour la concision des questions.
Over de handelsspanningen tussen de Verenigde Staten en China vond recent een belangrijke ontmoeting plaats tussen de Amerikaanse president Trump en de Chinese president Xi. De omzetting van het akkoord blijft voorlopig echter nog onduidelijk op verschillende belangrijke punten. De communicatie vanuit Washington wordt niet altijd bevestigd door Beijing.
Wat betreft de aangekondigde versoepeling van Chinese exportcontroles voor de EU is er sprake van een opschorting en niet van een definitieve beslissing. Er moet worden gewaakt over een eerlijke behandeling van Europese bedrijven in het kader van een mogelijk akkoord tussen de Verenigde Staten en China. De Europese Commissie is bezorgd dat Amerikaanse bedrijven zouden worden bevoordeeld. De Verenigde Staten claimen de belangen van alle handelspartners ten aanzien van China te verdedigen, al klinkt dat momenteel niet helemaal overtuigend.
Het is duidelijk dat de Chinese exportcontroles een nefaste impact hebben op de toegang tot zeldzame aardmetalen en andere belangrijke grondstoffen voor onze Belgische bedrijven en bijgevolg de industrie. Onze afhankelijkheid van China wat betreft zeldzame aardmetalen is nog steeds veel te groot. De EU blijft daarom inzetten op diversificatie, recyclage en strategische autonomie. Het RESourceEU-plan is daarin een belangrijke stap.
De Commissie moet ook samen met China verder blijven werken aan de ontwikkeling van een eenvoudiger exportcontrolesysteem. De strategie van de Europese Commissie, die ook door België wordt gesteund, berust op vijf pijlers: beperking van exportcontroles, mitigatie van negatieve effecten, vermijden van escalatie, dialoog zonder legitimatie van unilaterale acties en versterken van de samenwerking met internationale partners, zoals de VS en Japan.
De recente spanningen tussen China en Japan of China en de Verenigde Staten worden met bezorgdheid gevolgd. Ons land blijft vasthouden aan het geijkte standpunt dat vrede en stabiliteit in de regio essentieel zijn en dat geschillen op vreedzame wijze en via dialoog moeten worden opgelost, met respect voor het internationaal recht.
En même temps, nous plaidons également en faveur d'un approfondissement de la coopération avec des partenaires démocratiques de la région tels que, bien entendu, le Japon, la Corée du Sud et l'Australie, notamment par le biais du Security and Defense Partnership , qui existe avec le Japon depuis novembre 2024.
Wat Taiwan betreft, onderschrijft België net zoals alle EU-lidstaten het één-Chinabeleid. We erkennen de Volksrepubliek China als enige vertegenwoordiger van China, in lijn met resolutie 2758 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en hebben dus geen diplomatieke banden met Taiwan.
Aussi, compte tenu du rôle crucial que joue Taiwan dans le tissu économique mondial, la Belgique attache une grande importance à la stabilité et au statu quo dans le détroit de Taiwan. Toute modification unilatérale de ce statu quo, a fortiori par la force, serait inacceptable. Nous allons continuer à souligner cette position de principe dans nos échanges avec les autorités chinoises.
Binnen de Europese Unie wordt de situatie in de Straat van Taiwan op regelmatige wijze aangekaart in diverse werkgroepen. De recente uitspraken en diplomatieke spanningen waarnaar u verwijst, zullen op het gepaste niveau worden besproken.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, uw antwoord was heel duidelijk. Het is bijzonder goed dat u als minister steeds de dialoog vooropstelt in tijden waarin voortdurend wordt gesproken over defensie, wapens en oorlog. Die benadering is uitermate belangrijk en ik stel het op prijs dat u dat telkens benadrukt.
U hebt bovendien nog eens duidelijk aangegeven wat het standpunt van België is. Dat is duidelijk. Wij kunnen daarmee verder.
Benoît Lutgen:
Je tiens seulement à remercier M. le ministre pour sa réponse claire et complète, comme c'est souvent le cas. Je ne dirai pas "toujours", afin de ne pas toucher à son humilité.
De onderhandelingen tussen de Belgische regering en de taliban
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
François De Smet bekritiseert dat België via de EU onderhandelingen voert met het talibanregime om afgewezen Afghaanse asielzoekers (inclusief kwetsbare groepen zoals vrouwen) terug te sturen, wat hij noemt "moreel onaanvaardbaar" en in strijd met mensenrechten (o.a. art. 3 EVRM en non-refoulement). Hij betwijfelt of dit past bij België’s VN-standpunt en waarschuwt voor legitimering van de taliban. Maxime Prévot bevestigt dat België enkel de mogelijkheid van terugkeer onderzoekt in EU-verband, benadrukt dat er geen diplomatieke banden met de taliban zijn, en stelt dat elk besluit binnen het internationaal recht moet blijven – zonder concrete stappen te bevestigen. De Smet reageert dat het niet enkel om gedetineerden gaat maar om alle afgewezen asielzoekers, en eist dat België de "rode lijn" van non-refoulement en taliban-normalisatie niet overschrijdt.
François De Smet:
Monsieur le ministre, ces dernières semaines, la Belgique s'est distinguée par une initiative pour le moins audacieuse sur la scène européenne, celle d'encourager un dialogue avec les autorités de fait en Afghanistan, c'est-à-dire le régime taliban, afin de permettre le retour, volontaire ou forcé, de ressortissants afghans déboutés du droit d'asile. Une vingtaine d' É tats membres de l'Union européenne aurait, selon la presse, soutenu ces démarches qui supposeraient des contacts directs ou indirects avec les talibans. La Commission européenne elle-même reconnaît avoir entamé des échanges exploratoires au niveau technique.
Je précise d'emblée avoir déjà posé la question à la ministre de l'Asile et de la Migration. Sa réponse ne me satisfaisant pas, je me permets de vous interroger, vous qui représentez dans ce gouvernement une certaine conscience. Vous réaffirmez régulièrement votre attachement aux droits humains, à l' É tat de droit, à l'égalité entre hommes et femmes. Vous représentez un gouvernement qui, si j'en crois la ministre de l'Asile et de la Migration, est désormais disposé à négocier avec un régime dont la nature terroriste, théocratique et profondément répressive ne fait aucun doute.
Monsieur le ministre, le gouvernement belge négocie-t-il actuellement directement ou indirectement par le biais de partenaires européens avec les talibans? Si oui, quelle est la nature précise de ces contacts (techniques, diplomatiques, politiques)? Qui en assure la conduite? Trouvez-vous normal, moralement et politiquement, qu'un gouvernement démocratique négocie avec un régime qui exécute, persécute et réduit au silence ses opposants et nie les droits les plus élémentaires des femmes et des filles? Ce sujet a-t-il été concerté au sein du gouvernement fédéral? Comment peut-on concilier cette initiative avec les engagements internationaux de notre pays, notamment l'article 3 de la Convention européenne des droits de l'homme et le principe de non-refoulement? Ces négociations ne risquent-elles pas d'offrir une certaine légitimité politique internationale au régime taliban, en contradiction totale avec la position que la Belgique défend au Conseil de sécurité des Nations Unies depuis 2021?
Maxime Prévot:
Monsieur De Smet, l'accord de gouvernement prévoit des mesures pour encourager le retour rapide des détenus étrangers dans leur pays d'origine, et l'Afghanistan est l'un de ces pays.
Mes services se coordonnent à ce sujet avec les différents services concernés, y compris ceux de l'Asile et de la Migration. Il faut distinguer, d'une part, l'analyse de la possibilité de retours forcés, leur impact et les questions de droit international et, d'autre part, la mise en œuvre de tels retours, le cas échéant. Nous analysons cette possibilité de retours vers l'Afghanistan dans le cadre d'une coordination européenne, mais, à ce stade, nous n'avons pas encore suffisamment de précisions quant à ses différentes dimensions.
La Belgique reconnaît l'Afghanistan en tant qu'État, mais nous n'avons pas de relations diplomatiques avec le régime des talibans. Toute solution devra donc, au minimum, prendre en compte cette dimension diplomatique et le respect strict par la Belgique de ses obligations découlant du droit international.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui a le mérite d'exister, qui ferme quelques portes, qui en ouvre d'autres et qui a même un petit parfum jésuite sur certains aspects. Je relèverai deux choses. Vous parlez de détenus. Dans sa première communication presse, qui était aussi la communication de la ministre de l'Asile en commission, celle-ci a quand même très clairement laissé entendre qu'il ne s'agissait pas juste de renvoyer des personnes détenues en prison. On parle aussi de personnes, hommes comme femmes d'ailleurs. On sait tous que la situation des femmes est encore plus critique en Afghanistan que celle des hommes, même s'il ne fait pas nécessairement bon d'être un homme persécuté pour ses opinions politiques. Donc, la position d'une partie du gouvernement semble concerner les Afghans en fin de droit de procédure d'asile et pas simplement des criminels qui seraient renvoyés au pays. Quand bien même, l'article 3 et le principe de non-refoulement s'appliqueraient, même pour les personnes qui ont commis des crimes et des délits. Mais, au-delà de cela, il s'agit bien du renvoi de personnes déboutées du droit d'asile. Ce serait vraiment une ligne rouge, si jamais le sujet est encore un sujet de flottement au sein du gouvernement, que je vous encourage à ne pas franchir dans l'intérêt des personnes concernées et parce que la normalisation du régime taliban ne doit pas, à mon sens, être un chemin que nous devons suivre.
Het van de Koning gekregen uitstel van 50 dagen en het wantrouwen binnen de regering
De begroting
De begroting
Het uitstel van de begroting 2026
De begrotingsonderhandelingen
Politieke spanningen, koninklijk uitstel en vertraagde begrotingsonderhandelingen 2026
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 20 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De oppositie valt premier Bart De Wever hard aan voor stilstand in de begrotingsonderhandelingen, ondanks zijn belofte om met "50 dagen" het roer radicaal om te gooien: geen concreet akkoord, verloren miljarden door vertraging (minstens €1 miljard extra tekort), en gebrek aan transparantie, terwijl het begrotingstekort het grootste van de eurozone dreigt te worden. Kritiek spitst zich toe op oneerlijke lastenverzwaring (BTW-verhoging, indexsprong, pensioenhervorming) die koopkracht en middenklasse raakt, terwijl alternatieven zoals belasting op grootvermogens, fraudebestrijding (€16 miljard potentieel) en eindigen fiscale uitzonderingen voor lucht- en zeetransport (€4 miljard) genegeerd worden. De Wever ontwijkt concrete antwoorden, benadrukt discretie tijdens onderhandelingen en belooft een akkoord voor Kerstmis, maar wekt weinig vertrouwen door herhaalde uitstelretoriek en gebrek aan zichtbare vooruitgang, terwijl sociale onrust groeit (aankomende stakingen) en de oppositie constructieve voorstellen (minder migratiekosten, afbouw fossiele subsidies) inbrengt die onbenut blijven. De credibiliteitscrisis diept zich uit door tegenstrijdigheden (bv. asielbudget stijgt ondanks "streng beleid") en interne coalitietwisten die de stilstand verergeren.
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de eerste minister, u bent gestart als nieuwkomer, als nieuwe premier met veel ambitie. U zou het rotten stoppen en de stilstand doorbreken. U hebt daarmee de lat heel hoog gelegd. Ik kan dat waarderen, want de ambitie voor ons land móet hoog liggen.
Ik ben zelf ook een nieuwkomer in het Parlement en als nieuw parlementslid heb ik ook veel ambitie, maar wat ik vandaag zie, is een complete stilstand. Dat kunt u helaas niet ontkennen. U vroeg de Koning om 50 dagen en ik dacht, net als iedereen, dat we meteen het grote werk zouden zien. Maar wat zien we op vandaag? Geen piloot in de cockpit, alleen kapers op uw vliegtuig. Geen kapitein, maar enkel een schaduwpremier die in uw nek staat te hijgen.
U zegt dat u in stilte werkt, maar over de begroting horen we niets. Er is zelfs nog geen kernkabinet bijeengeroepen. Uw regering spreekt over historische beslissingen die in de maak zijn en over historische oefeningen, maar we zien geen resultaten. U legt de lat hoog, maar u kijkt ernaar en gaat er zelfs niet onder. U blijft stilstaan. En dan heb ik het nog niet over uw eigen ploeg: partijvoorzitters die u moeten komen redden, schoonvaders waarvan u niet weet of ze zullen meehelpen en collega’s van wie ik mij afvraag of ze nog wel met u meewillen.
Mijnheer de premier, u bent anderhalf jaar aan zet en we zitten aan dag 15 van de 50 dagen. Doorbreek de stilstand. Ik heb een heel simpele vraag voor u. Waar staat u nu en wat hebt u tot nog toe concreet gedaan?
Paul Magnette:
Monsieur le premier ministre, vous avez du mal. Vous cherchez 10 milliards et vous ne trouvez pas. Vous ne trouvez pas pour une raison simple, c’est que vous ne regardez pas au bon endroit.
Vous ne regardez que dans les poches des travailleurs et des pensionnés. Mais il n’y a plus rien dans les poches des travailleurs et des pensionnés. Vous avez déjà tout pris. Trois Belges sur quatre nous disent que depuis que vous êtes premier ministre, leur pouvoir d'achat a diminué.
Il y a d'autres possibilités, monsieur le premier ministre. Nous vous avons fait des propositions. Demandez une contribution aux grandes fortunes; cela rapporte 6 milliards. Luttez efficacement contre la fraude fiscale; cela rapporte 3 milliards. Augmentez les salaires; cela rapporte 4 milliards. Demandez qu'on regarde un peu dans les aides aux entreprises. Nous dépensons 10 milliards de plus que les pays voisins. On trouvera bien 1,5 milliard. Demandez une contribution aux banques et au secteur de l’énergie, qui font des grands bénéfices; cela rapportera aussi 1,5 milliard.
Vous voyez, en quelques secondes, je vous ai trouvé 16 milliards. C'est donc possible.
Comme je veux vraiment vous aider, je vais encore vous donner une autre piste. Il y a en ce moment une discussion au niveau européen sur une directive portant sur les avantages fiscaux dont profitent le transport aérien et le transport maritime. Ces secteurs ne payent aucune taxe sur le carburant. C'est une perte de plus de 4 milliards pour la Belgique. Vous avez le pouvoir de dire non, monsieur le premier ministre. Vous connaissez ces compagnies de transport maritime. Pour la plupart, elles sont basées à Anvers.
Eh bien, dites non au Conseil européen. Dites qu'il n'est pas normal que quand le Belge fait son plein, la moitié de ce qu'il paie va dans les caisses de l'État; mais quand ces compagnies maritimes ou aériennes prennent du kérosène, elles ne paient absolument rien. Cela rapportera 4 milliards et vous serez tout près de votre objectif.
Voorzitter:
Merci monsieur Magnette. Il est dommage que vous n'ayez que deux minutes.
Sofie Merckx:
Monsieur le premier ministre, à part de votre chat Maximus, qui est très actif sur les réseaux sociaux et très sympathique, on n'a pas beaucoup de nouvelles de ce qui se passe au gouvernement.
Nous avons récemment appris que vous invitiez les présidents de partis, ce qui veut dire que vous renégociez tout. Ce sera ma première question. Renégociez-vous aussi, par exemple, la réforme des pensions et la réforme du marché du travail?
Pendant que le gouvernement patauge et n'a pas l'air d'avancer, les gens, eux, ne restent pas les bras croisés. Après la grande manifestation où on était 140 000 dans les rues, quatre jours d'action se préparent. On commence le dimanche, consacré aux droits des femmes; après, les services publics et les enseignants enchaînent; le mercredi, il y aura une grève générale.
Une grève générale, cela vous embête, mais les gens, quand ils sont en grève, ils veulent vous envoyer deux messages. Le premier message, monsieur le premier ministre, c'est que sans eux, sans tous les gens qui, tous les jours, travaillent dans nos hôpitaux, qui vont sur les chantiers, qui travaillent dans nos services publics, qui vont dans les usines, ce pays ne fonctionne pas. Ce sont eux qui créent la richesse. Et le deuxième message, c'est qu'ils ne sont pas d'accord avec que tout ce que vous avez proposé jusqu'ici, les nouveaux plans, augmenter la TVA, chipoter à l'indexation des salaires, la réforme des pensions et la réforme du marché du travail avec les primes de nuit. Ils ne sont pas d'accord avec ça.
Monsieur le premier ministre, au lieu de rester entre vous, de discuter entre vous au 16 rue de la Loi, avec votre chat, peut-être devriez-vous sortir. Allez-vous enfin écouter les gens qui se mobilisent dans la rue?
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de premier, uit de jongste vooruitzichten van de Europese Commissie blijkt dat België volgend jaar het grootste tekort van de ganse Eurozone zal kennen. In 2027 zal het tekort op dat van Polen na zelfs het grootste van gans Europa worden. De cijfers worden dus nog slechter dan de eerdere ramingen van het Monitoringcomité of de Nationale Bank.
Bovendien kunnen we vaststellen dat de regering-De Wever ondanks de aanhoudende verslechtering van die cijfers geen vooruitgang boekt in de onderhandelingen. De aangekondigde zoektocht naar 10 miljard euro lijkt muurvast te zitten, besprekingen stokken, deadlines werden overschreden en van de eerder gevraagde 50 dagen blijven nog slechts 35 dagen over.
Aan de voordeur van de Wetstraat 16 gebeurt dus niets, maar aan de achterdeur is er meer activiteit. Vrijdag, collega’s, verscheen op de aftandse website van deze Kamer in alle stilte een aanpassing van de uitgavenbegroting. Uw ministers willen nog snel wat budgetten aanpassen voor de komst van de voorlopige twaalfden.
Hoewel uw regering het strengste asielbeleid ooit zou voeren, blijkt uit de aangepaste begroting dat het asielbudget nogmaals wordt verhoogd. Zo stijgt de dotatie aan Fedasil nog verder, terwijl we al aan een recordbedrag zaten. Ook in de provisies zien we extra uitgaven voor asielzoekers, minder geld voor politie en justitie en, hoe kan het ook anders, opnieuw meer geld voor de Europese Unie.
Mijnheer de premier, hoe zit het nu met die onderhandelingen? Twee weken geleden zei u hier: "Onze situatie verdraagt geen uitstel meer. We mogen ons niet laten verlammen. We moeten doorpakken, zo niet dreigen we in een spiraal terecht te komen van oplopende rente en stijgende rente." Het is echter net dat wat nu gebeurt. Hoe ziet u uw verpletterende verantwoordelijkheid?
Dieter Vanbesien:
Mijnheer de premier, op 6 november, nota bene op dezelfde dag waarop u 50 dagen uitstel vroeg aan de Koning, zei u in dit halfrond: "De budgettaire situatie is zeer ernstig. We kunnen ons geen uitstelgedrag veroorloven." Vorige week voegde u daar het volgende aan toe: "Het is vaak wanneer u niets ziet dat het meeste gebeurt. Als u iets ziet, is het meestal iets wat we liever niet laten zien. Veel kan ik daarover niet zeggen, want elk woord is er een te veel."
Welnu, mijnheer de premier, uw coalitiepartners zijn het daar niet mee eens. Vorige week werd de helft van de Villa Politica -uitzending gekaapt door de voorzitter van de MR. Uw andere coalitiepartners schuimen eveneens de studio’s af. Op die manier geven zij eigenlijk toe dat er weinig gebeurt. We naderen eind november en van uw 50 dagen zijn er 14 verstreken. Er blijven er nog 36 over, vandaag inbegrepen. Ondertussen horen we geen enkel idee van uw meerderheid dat richting een oplossing gaat. Wat we wel horen van uw meerderheid, is hoe het probleem groter wordt gemaakt. De fractieleider van uw eigen partij heeft hier vorige week gezegd dat de vertraging van de begroting een kost heeft van minstens 1 miljard euro, boven op de oefening die u reeds aan het maken bent.
Mijnheer de premier, u gaat het rotten van de begroting stoppen. Om dat te doen, laat u de zaken nog meer rotten. Ik moet zeggen dat ik blij ben dat u mijn huisarts niet bent, want uw behandelingen zijn een beetje speciaal.
Kunt u bevestigen dat het uitstel van de begroting minstens 1 miljard euro zal kosten? Draagt u de politieke verantwoordelijkheid voor dit oplopend begrotingstekort?
Bart De Wever:
Chers collègues, merci pour ces questions.
Monsieur Magnette, en quelques secondes, vous avez décrit toutes les solutions aux problèmes que nous avons. Il est fort dommage que vous ne les ayez pas appliquées pendant que vous étiez au pouvoir dans le gouvernement Vivaldi! Quand on regarde le budget que vous nous avez laissé, c'est vraiment dommage, car vous aviez toutes ces solutions.
Mijnheer Di Nunzio, u bent welkom in het huis hier. Ik apprecieer het echt dat u, als Open Vld'er, onderstreept dat het na een Open Vld-premier echt wel tijd is om het rotten nu te stoppen. Ik apprecieer die eerlijkheid. Dat is de eerlijkheid van een nieuwkomer.
U hebt het vorige week niet gehoord en dus herhaal ik het: politiek is heel vaak een slecht toneelstuk en als men geluk heeft, wordt het goed geacteerd. Afgelopen week zien we meer acteurs dan vorige week om hetzelfde stuk op te voeren, terwijl het stuk er niet beter op is geworden.
Het is u ongetwijfeld bekend dat ik op dit moment onderhandelingen voer. Ik moet daarover discreet zijn en moet de discretie trachten te handhaven. Dat is al moeilijk genoeg. Voor wie eraan zou twijfelen, ik ben er elke dag intens mee bezig. Ik ben eigenlijk blij dat de werkzaamheden grotendeels onder de waterlijn blijven; naar de huidige normen inzake politieke discretie kan ik me daar alleen al over verheugen.
Het zou natuurlijk – die opinie deel ik met u, vandaar het toneelstuk – beter zijn om ook het resultaat te kunnen voorstellen aan het huis hier, wat dat ook moge worden. Sowieso zal dat voor Kerstmis gebeuren.
Dès qu'un accord aura été conclu, je me présenterai devant vous à la Chambre afin de répondre, en toute transparence, à l'ensemble de vos questions.
Tot dan zult u daar toch nog op moeten wachten.
Sandro Di Nunzio:
Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de eerste minister, maar net als vorige week krijgen we geen antwoorden. We zien zogezegd niets, omdat u in stilte zou werken, maar volgens mij is het, omdat er niets gebeurt. Er gebeurt niets. Er is stilstand. Het dramatische is – en we hebben dit ook gehoord van collega Vanbesien – dat, zelfs als u een akkoord bewerkstelligt, er meer dan 1 miljard euro verloren is gegaan. Dat is doodzonde.
Onze fractie – ik herhaal het – reikt u de hand, als u goede voorstellen hebt waarover u geen akkoord kunt bereiken in uw regering. Kom ermee naar het Parlement. We zijn bereid u te helpen en die voorstellen te steunen.
We hebben zelf ook voorstellen ingediend, onder andere inzake de energiekorting voor de bedrijven, flexibele nachtarbeid, flexibele overuren, flexi-jobs in alle sectoren. We doen dat ten behoeve van onze economie en voor de mensen in ons land. Doorbreek de stilstand en maak er werk van.
Voorzitter:
Dank u wel, collega. U hebt hiermee uw eerste parlementaire vraag gesteld van een ongetwijfeld lange reeks. ( Applaus )
Paul Magnette:
Monsieur le premier ministre, je pense que vous vous êtes trompé de réponse. Vous avez lu celle de la semaine dernière, ou bien celle de la semaine d'avant, ou de la semaine encore avant. Chaque semaine, c'est le même cinéma. Vous ne répondez à aucune question et vous faites des petites blagues, des petites blagues comme vous en faites sur les réseaux sociaux. Mais, vos petites blagues, monsieur le premier ministre, elles ne font plus rire personne. Et elles ne font pas rire les Belges, parce qu'on voit bien quel jeu il y a derrière.
La semaine dernière, votre ministre des Finances est venu ici en disant "On va augmenter la TVA sur le gaz, parce que c'est une mesure pour le climat." Mais le climat, il a bon dos. Quand c'est pour faire payer les familles et augmenter les factures de gaz, c'est la faute du climat. Mais, quand on vous dit ici "Faites payer les grands pollueurs, faites payer les transporteurs maritimes basés à Anvers", là non, tout d'un coup on ne les fait plus payer.
Monsieur le premier ministre, votre cirque, tout le monde l'a compris et personne n'est dupe.
Sofie Merckx:
Monsieur le premier ministre, c'est vraiment incroyable! Je vous ai demandé si vous alliez tenir compte des quatre jours d'action et de grève qui s'annoncent ainsi que des travailleurs et travailleuses de ce pays qui vous disent qu'ils ne sont pas d'accord. Et vous ne pipez pas un mot là-dessus, c'est juste scandaleux!
Mais bon, on savait déjà, les gens le savaient, que ce gouvernement est contre les travailleurs et les travailleuses, et pas du tout pour les travailleurs et les travailleuses. Or des solutions par rapport à ce que vous proposez, il en existe effectivement: arrêtez de donner des cadeaux aux entreprises sans compter, allez chercher l'argent chez les plus riches et arrêtez l'armement!
De toute façon, monsieur le premier ministre, même si vous ne voulez pas les écouter, les gens seront dans la rue la semaine prochaine et ils se feront entendre. Sachez-le!
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de premier, begin november vroeg u 50 dagen aan uw goede vriend, de Koning van België. Ondertussen zijn we twee weken later en u hebt opnieuw tijd verloren zonder enige vooruitgang, zonder akkoord. Het wordt alleen maar erger. Afgelopen week werd duidelijk dat Brussel afstevent op een shutdown en België op het grootste tekort van de hele eurozone, zelfs van heel Europa. U hebt het vaak over een col buiten categorie, maar onder u en uw regering zitten we in de afdaling. We rijden zonder remmen de afgrond in.
Wat zien we? Uw regering vraagt via begrotingsaanpassingen dit jaar nog meer geld voor asielzoekers en met haar voorstellen voor nieuwe belastingen, btw-verhoging en indexsprongen ondergraaft zij verder de koopkracht van de Vlamingen. U doet exact hetzelfde als de regering-De Croo. Het Vlaams Belang wil net het omgekeerde: minder migratie, zodat er meer geld is voor meer koopkracht.
Dieter Vanbesien:
Premier, ik zou mezelf niet zijn, als ik niet met constructieve oplossingen kwam. Ik heb ze al eerder voorgesteld, maar u hebt het belang van herhaling zonet aangegeven. Ik zal daarom mijn oplossingen herhalen, zodat u ze niet vergeet. Misschien bent u er in alle luwte reeds mee aan de slag gegaan, wie weet. Laat uw klavertjevier los. Laat de btw-verhoging, de indexsprong, de besparingen in de gezondheidszorg en de harde aanpak van langdurig zieken los. Die mayonaise pakt niet. Onderzoek daarentegen alternatieven. Sluit de achterpoortjes waarlangs de inkomsten wegvloeien. Bouw de fossiele subsidies af. Houd de bedrijfssubsidies tegen het licht en zorg er voor dat ook de hoogste inkomens op eenzelfde manier bijdragen als de middenklasse. Ziedaar mijn constructieve bijdrage aan de moeilijke opdracht. Gratis en voor niets.
De bevroren Russische tegoeden en de vredesonderhandelingen over Oekraïne tussen de VS en Rusland
De Europese plannen voor een confiscatie van Russische tegoeden en de Belgische positie
Bevroren en geconfisqueerde Russische tegoeden, vredesonderhandelingen Oekraïne, EU- en Belgische rol
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 20 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België blokkeert een EU-plan om 140 miljard euro aan bevroren Russische activa (voornamelijk via Euroclear) als garantie te gebruiken voor een lening aan Oekraïne, vanwege juridische risico’s en gebrek aan waterdichte garanties van andere lidstaten. Premier De Wever eist volledige, contractuele risicodekking (*joint and several guarantees*) voor België om schadeclaims en financiële instabiliteit te voorkomen, maar de EU-lidstaten moeten die garanties nog leveren. Ondertussen versnelt het conflict met Russische aanvallen en mogelijke VS-Ruslandonderhandelingen *zonder EU-inbreng*, wat de druk vergroot om snel te handelen. Steun aan Oekraïne blijft prioriteit, maar België wil geen eenzijdig financieel of juridisch avontuur aangaan.
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, pendant que votre coalition, de manière assez irresponsable, se déchire sur le budget, le reste du monde continue à tourner, et n'attend pas l'Arizona. Ces derniers, jours, des attaques russes d'une ampleur sans précédent ont frappé l'ouest du pays, faisant vingt-six morts, dont trois enfants. On apprend aussi que des négociations de moins en moins secrètes sont en cours entre les États-Unis et la Russie. Elles comporteraient des concessions majeures de la part de l'Ukraine. Tout cela se fait évidemment, comme d'habitude, dans le dos des Européens. Nous vivons donc peut-être un momentum important de ce conflit, et nous devons soutenir l'Ukraine plus que jamais.
On le sait, les Européens, voudraient bien faire un prêt de 140 milliards à l'Ukraine. La garantie de ce prêt serait constituée par les quelque 210 milliards d'avoirs russes gelés qui se trouvent sur notre territoire. Mais le mécanisme qui pourrait nous permettre de le faire est pour l'instant bloqué, car la Belgique, c'est-à-dire vous – c'est bizarre, mais c'est comme ça –, bloque le dossier, parce que vous n'avez pas de garanties juridiques suffisantes.
Je pense, monsieur le premier ministre, que vous êtes un partisan assez fervent du soutien à l'Ukraine. Je crois aussi que vos réserves sur les garanties juridiques, et vos doutes, sont légitimes et fondés. Mais je pense qu'il faut pouvoir atterrir, vu la manière dont les événements s'accélèrent.
Vous avez rencontré récemment la présidente de la Commission européenne. Elle aurait, paraît-il, apporté à votre attention des garanties des États membres. Qu'en est-il? Pouvez-vous nous en parler? Quelles solutions voyez-vous pour que demain, l'Europe et la Belgique puissent aider davantage l'Ukraine? Que ce soit sur le terrain ou autour de la table des négociations, ce pays va avoir besoin de notre soutien plus que jamais. Il faut donc absolument lever les doutes et obtenir les garanties nécessaires. Que pouvez-vous nous apprendre à ce sujet?
Axel Weydts:
Mijnheer de eerste minister, België bevindt zich in een uitzonderlijke positie. Via Euroclear ligt een enorm deel van de bevroren Russische staatsmiddelen bij ons, meer dan 140 miljard euro. Geen enkel ander Europees land draagt een dergelijke verantwoordelijkheid. Die situatie brengt een enorme druk met zich mee, maar ook enorme risico's.
Europa wil terecht Oekraïne blijven steunen; dat is duidelijk. De rente op die middelen wordt daar vandaag voor gebruikt.
De voorbije weken zien we op Europees vlak voorstellen opduiken om nog verder te gaan, zoals het gebruik van die tegoeden zelf als een garantie voor leningen. Dat zou kunnen leiden tot rechtszaken en immense schadeclaims tegen ons land. Ons land staat dus in het midden van een financieel en geopolitiek spanningsveld.
De vraag is niet of we Oekraïne moeten blijven steunen, want daarover bestaat een brede eensgezindheid, maar wel hoe we dat doen zonder België in juridische of financiële avonturen te storten en zonder de stabiliteit van onze financiële instellingen te ondergraven.
Mijnheer de eerste minister, ik heb maar één cruciale vraag. Welke concrete garanties heeft de Europese Commissie aan België gegeven om ons land te beschermen tegen mogelijke claims en rechtszaken of grote financiële gevolgen die kunnen voortvloeien uit het gebruik van die bevroren Russische tegoeden?
Bart De Wever:
Chers collègues, merci de vos questions.
Le soutien à l'Ukraine reste une priorité absolue. L'Union européenne doit assumer sa juste part, et la Belgique s'engage pleinement en ce sens. Vous savez que je suis fortement préoccupé par le concept des réparations. J'ai exprimé mes préoccupations dès le Conseil informel du 1 er octobre à Copenhague. Je les ai à nouveau clairement soulignées lors du Conseil européen du 23 octobre.
Op die jongste vergadering van de Raad werd, na mijn lang pleidooi en op mijn uitdrukkelijke vraag, de kwestie gereduceerd tot een vraag aan de Europese Commissie om verschillende opties – meervoud – voor te stellen om het Europese aandeel te dekken in het financieel overeind houden van Oekraïne. De beste garantie voor onze eigen vrijheid en veiligheid is immers een Oekraïne dat de Russische agressie kan weerstaan. Ik hoop dat we die opinie allemaal koesteren, namelijk de opinie dat een sterk, vrij en weerbaar Oekraïne essentieel is voor onze eigen vrijheid en veiligheid. Ik ben er niet zeker van, maar ik hoop dat we die opinie allen delen. In dat geval moeten we onze verantwoordelijkheid opnemen.
De Commissie heeft voorbije maandag als respons een option paper voorgesteld aan alle lidstaten. Het is geen geheim document, u kunt het vinden op Politico. Dat document stelt drie mogelijke pistes voor om Oekraïne vanaf 2026 te ondersteunen.
De eerste optie is de rechtstreekse financiering door de Europese lidstaten. Ik vertel u geen grote indiscretie wanneer ik zeg dat het enthousiasme om het op die manier te doen eerder beperkt is, gezien de budgettaire realiteit, niet alleen in dit land maar in veel Europese landen op dit moment.
Een tweede optie is financiering vanuit Europa, met verschillende subopties. Dat zijn er te veel om binnen de tijdspanne van mondelinge vraag en antwoord allemaal aan u uit te leggen. Daar zitten zeker interessante pistes bij. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het gebruik van de headroom om een eventuele lening te garanderen. Dat is een interessante piste.
Optie drie is het verhaal dat we al kenden, namelijk de reparatieleningen, gekoppeld aan de cashbelangen van de geïmmobiliseerde Russische activa bij financiële instellingen – meervoud. We weten echter allemaal dat het dan in het bijzonder gaat om Euroclear, waar 90 % van de geïmmobiliseerde, niet de bevroren, maar de geïmmobiliseerde, sovereign assets in Europa geparkeerd staan. Er zijn er uiteraard nog buiten Europa, in verschillende andere landen die eveneens tot de coalition of the willing behoren en die Oekraïne ondersteunen. Het is belangrijk dat men een participatie in zo’n operatie heeft binnen de eurozone en eventueel ook daarbuiten, niet alleen voor de stabiliteit van de financiële instellingen, zoals de heer Weydts heeft onderstreept, maar eventueel ook voor het vertrouwen in de euro als reservemunt. Dat komt er allemaal bij kijken.
Zoals ik meermaals publiek heb verklaard, kan voor dit land nooit een akkoord worden gegeven voor de derde optie zonder stevige juridische garanties en een afdoende, contractueel vastgelegde risicodekking door de andere lidstaten en eventueel derde landen.
Het gaat hier over joint and several guarantees . Dat een belangrijke aangelegenheid en er komt behoorlijk wat bij kijken, meer dan ik in dit tijdsbestek aan u kan uitleggen. Het is essentieel dat die betrekking hebben op het volledige bedrag én op het volledige risico én op de volledige periode waarin we dat risico zouden lopen.
Ik hoop uw volle steun te krijgen voor die positie. Van wie het dossier begrijpt, wat niet voor iedereen op alle banken geldt, zoals ik al kon vaststellen, denk ik dat die mij daarin unaniem zou steunen. Ik zal aan de Europese tafel niet afwijken van die positie en daar ligt het kalf gebonden. Dat zijn natuurlijk garanties die de lidstaten soeverein zullen moeten geven en waartoe de Commissie hen kan uitnodigen. Dat heeft de Commissie in de option paper gedaan en dat apprecieer ik zeer, maar de Commissie kan die garanties uiteraard niet aanleveren. Dat zal van de lidstaten afhangen.
Monsieur De Smet, s'agissant de vos propos sur les négociations de paix, j'ai déjà déclaré à plusieurs reprises qu'un accord sans la participation active de l'Ukraine et de l'Europe n'est pas une option acceptable et ne pourra jamais conduire à un résultat souhaitable.
Nous continuons évidemment à suivre la situation en étroite collaboration avec nos partenaires afin que la (…)
Voorzitter:
Mijnheer de premier, u hebt nog een halve minuut spreektijd.
Bart De Wever:
Het is mijn laatste zin. Ik zie dat collega Van Quickenborne pleit voor een tijdsbeperking. Ik begrijp dat. (Gelach)
Ik ga door met mijn laatste zin.
En étroite collaboration avec nos partenaires, afin que la liberté et la souveraineté de l'Ukraine soient préservées.
François De Smet:
Merci, monsieur le premier ministre, pour votre réponse complète.
Je crois que nous savons tous que, quand la présidente de la Commission européenne présente ces trois options, elle sait que les deux premières – vous l'avez vous-même énoncé – ne sont pas praticables. On tourne donc sur la troisième et sur les garanties que vous essayez d'obtenir. Je crois que vous avez raison: sans partage des risques, il est impossible de s'avancer plus loin.
J'espère donc que la raison, parmi les États membres qui décideront, l'emportera, si possible même avant le prochain Conseil européen qui se déroulera en décembre. Vu l'évolution de la situation, on ne peut pas attendre.
Deuxièmement, c'est le genre de dossiers qui doit nous ramener sur terre. Vous avez parlé, en réponse à une autre question, du théâtre politique. Quand on voit l'état du monde qui s'invite chez nous, que nous sommes survolés par des drones hostiles capables de faire fermer des aéroports civils pendant plusieurs heures, ou tous les soirs de la semaine si cela leur chante; quand on voit que nous sommes attaqués par le narcotrafic, et les difficultés que nous avons, il est plus que temps que l'Arizona se retrouve une cohérence, un budget pour l'intérieur, mais aussi pour notre stature internationale.
Axel Weydts:
Mijnheer de premier, bedankt voor uw antwoord. Ik wil het hier nog een keer herhalen zodat het zeker duidelijk is: we moeten Oekraïne blijven steunen. Ik ben er echt van overtuigd dat elke euro steun die we nu aan Oekraïne geven de beste investering is in defensie die we ons kunnen inbeelden.
De manier waarop we dat doen, is echter heel belangrijk. Uw antwoord stelt mij dan ook gerust. Het stelt mij gerust dat de regering volhardt in de boosheid en spijkerharde garanties blijft eisen. Premier, u hebt zelf al de metafoor van de gouden kip gebruikt. Als we vandaag echter de kip met de gouden eieren zouden slachten, dan zou het wel eens kunnen dat wij daarna een bijzonder zure vol-au-vent voorgeschoteld krijgen.
Vincent Van Quickenborne:
(…)
Voorzitter:
Er is geen aanleiding voor een persoonlijk feit, mijnheer Van Quickenborne. Ik nodig mevrouw De Knop uit voor de volgende vraag. Ik wil de keren niet tellen dat ik de heer Bouchez het woord niet heb gegeven toen hij dat vroeg. Mevrouw De Knop, ik nodig u uit om uw vraag te komen stellen.
De begrotingsonderhandelingen
Het ontwerpbegrotingsplan 2026 en de aanpassing van het meerjarenplan
De begroting en de Europese Commissie
De actualisering van het MTFSP
Financieel beleid en begrotingsplanning op Europees en meerjarig niveau
Gesteld door
VB
Wouter Vermeersch
VB
Wouter Vermeersch
Open Vld
Alexia Bertrand
VB
Wouter Vermeersch
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België kampt met acute begrotingscrisissen door gemiste deadlines (ontwerpbegroting 2026 niet ingediend, voorlopige twaalfden vanaf januari) en onrealistische meerjarenplannen (tekortdoelstellingen van 3% in 2029 en 2% in 2031 zijn onhaalbaar volgens kritici, terwijl de schuld blijft oplopen tot bijna 40 miljard euro in 2029). De regering overweegt pijnlijke maatregelen (indexsprong, btw-verhoging, besparingen op gezondheidszorg en ziekte-uitkeringen) die vooral werkenden en gepensioneerden raken, terwijl structurele inefficiënties en het Brusselse tekort onbesproken blijven. Europa dringt aan op duidelijkheid, maar minister Van Peteghem blijft vaag (geen concrete deadlines, geen bijgesteld plan) en ontkent de ernst van de situatie, terwijl oppositie en markten (Moody’s, stijgende rentes) gebrek aan geloofwaardigheid aanklagen en België vergelijken met Frankrijk – maar dan slechter.
Wouter Vermeersch:
Mevrouw de voorzitster, de premier verklaarde eerder in de Kamer dat de lopende begrotingsonderhandelingen “cruciaal zijn om België uit het vizier van de internationale markten te houden”. Die ratings houden daar trouwens verband mee. Hij wees op een mogelijk rentesneeuwbaleffect en benadrukte dat geen actie gelijkstaat aan schuldig verzuim. Dat waren zijn woorden.
Tegelijk worden de inhoud en de voortgang van de onderhandelingen zorgvuldig afgeschermd. Toch lekken via de pers concrete pistes uit: een indexsprong die vooral de uitkeringen en de hogere lonen zou treffen, een verstrenging van het beleid tegenover langdurig zieken, een verlaging van de groeinorm in de gezondheidszorg en een forse btw-verhoging. Aangezien een volledig uitgewerkt saneringsplan tegen 14 oktober niet haalbaar bleek te zijn - de deadlines zijn ondertussen al verplaatst - circuleert in de Wetstraat het idee om voorlopig te werken met een hoofdlijnenakkoord.
Intussen stijgt de federale rentevoet en blijft de begrotingssituatie zorgwekkend. Moody’s heeft zijn rapport gepubliceerd en de financiële markten lijken België steeds meer met Frankrijk te vergelijken, terwijl landen als Spanje en Portugal intussen goedkoper lenen.
De premier stelde dat zijn hervormingen structureel effect zullen hebben, maar volgens het Monitoringcomité, de Nationale Bank en diverse onafhankelijke instellingen blijven de tekorten ontsporen, tot bijna 40 miljard euro in 2029.
Mijnheer de minister van Begroting, hoe beoordeelt u de houdbaarheid van de pistes die momenteel binnen de regering circuleren, in het bijzonder met betrekking tot hun impact op de koopkracht van de werkende middenklasse, denk bijvoorbeeld maar aan die btw-verhoging?
Waarom lijkt de regering opnieuw te kiezen voor maatregelen die voornamelijk werkenden en gepensioneerden treffen, in plaats van te besparen op het politieke apparaat en inefficiënties binnen de federale overheid?
Hoe verklaart u dat landen die wel grondig hebben gesaneerd, zoals Ierland en Portugal, vandaag aanzienlijk goedkoper kunnen lenen dan België, ondanks hun vergelijkbare uitgangsposities enkele jaren geleden?
Dan ga ik naadloos over naar mijn tweede vraag, mevrouw de voorzitster. Op 15 oktober 2025 diende de regering haar ontwerpbegrotingsplan of draft budgetary plan voor 2026 over te maken aan de Europese Commissie. Dat is uiteraard niet gebeurd.
Dat plan moest dienen als basis voor de verdere beoordeling van het zevenjarig traject dat België aan de Europese Commissie had voorgelegd om de netto-uitgavennorm te behalen en de buitensporigtekortprocedure te vermijden. Voor die laatste doelstelling moet tegen het einde van het traject de overheidsschuld een aannemelijke neerwaartse trend volgen en moet het vorderingensaldo, zoals beloofd in het regeerakkoord, onder 3 % van het bbp worden gebracht en gehouden.
Wanneer beoogt de regering het ontwerpbegrotingsplan voor 2026 aan de Europese Commissie te bezorgen? Zal dat na Kerstmis gebeuren?
Heeft de regering met de Europese Commissie gecommuniceerd over die laattijdige indiening en wat was de reactie van de Commissie? Welke sancties kan de regering oplopen voor het laattijdig indienen van het ontwerp van begrotingsplan?
Zal de regering een aanpassing van het Belgisch budgettair structureel plan voor de middellange termijn voorstellen, om dat af te stemmen op een eventueel aangepaste federale meerjarenbegroting?
Wanneer zullen er begrotingsmaatregelen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het budgettair structureel plan worden opgenomen?
Dat brengt mij bij mijn laatste vraag, over de actualisering van het meerjarenplan. In dat plan, het budgettair structureel plan voor de middellange termijn, werd een zevenjarig kader geschetst waarbinnen de verschillende overheden zouden werken om de netto-uitgavengroei, het vorderingensaldo en de schuldgraad op middellange termijn onder controle te houden. Zo werd onder meer vooropgesteld, zoals ik al vermeldde, dat het vorderingensaldo tegen 2029 zou dalen tot 3 %, om vervolgens zelfs verder te dalen tot 2,5 % in 2030 en tot 2 % in 2031.
Daarbij heb ik enkele vragen, mijnheer de minister. Acht u de veronderstellingen en de doelstellingen in dat meerjarenplan op dit moment nog realistisch en geloofwaardig? Ons lijkt dat alvast niet het geval.
In hoeverre acht u het noodzakelijk om dat meerjarenplan bij te werken? Verwacht de Europese Commissie een actualisering? Indien dat zo is, wat is dan de uiterste datum om die te realiseren?
Op welke wijze zullen de ontbrekende engagementen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden ingevuld of aangevuld? Hebt u daarover al contact gehad met de bevoegde minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Heeft de Europese Commissie de federale regering daarover al aangesproken?
Was er sinds 15 oktober enig contact tussen de federale regering en de Europese Commissie over dat meerjarenplan, dan wel over het ontwerp van begrotingsplan? Klopt het dat er uitstel werd verkregen voor de indiening van het ontwerp van begrotingsplan, maar dat de deadline toch werd gemist?
Hoe beoogt de regering dit te verhelpen?
Tot slot, werden er met betrekking tot de budgettaire cyclus en de eerder genoemde documenten concrete afspraken gemaakt met de Europese Commissie?
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, in principe moest u tegen 15 oktober 2025 de federale begroting aan de Europese Commissie bezorgen. U hebt ons laten weten dat u een uitstel van enkele weken had aangevraagd. Intussen weten we allemaal dat deze regering zal werken met voorlopige twaalfden vanaf begin januari.
Ik heb twee korte vragen voor u. Kunt u toelichten wat de reactie van de Europese Commissie was op deze aankondiging, met name op het uitstel en het werken met twaalfden? Hebt u een meer nauwkeurige tijdlijn gegeven aan de Commissie?
Kunt u daarnaast de documenten en de schriftelijke uitwisseling tussen u en de Commissie over het uitstel en de toepassing van de twaalfden aan het Parlement bezorgen?
Vincent Van Peteghem:
Collega’s, we weten al langer dat er moeilijke keuzes moeten worden gemaakt om ons land op een duurzaam budgettair pad te zetten, keuzes in het belang van deze en de volgende generaties. Het is jammer dat de aandacht vandaag te vaak verschuift naar politieke profilering.
We hebben vandaag een gedragen en geloofwaardig plan nodig. Saneren is geen doel op zich, al is een gezonde begroting natuurlijk wel de basis om te blijven investeren in welvaart, veiligheid en een sterke economie. Ik hoop dan ook dat we in de komende dagen en weken het verantwoordelijkheidsgevoel laten primeren en samen tot een ambitieus meerjarenplan kunnen komen dat ons land vooruit helpt en onze welvaart beschermt voor de volgende generaties.
Het ontwerp van begrotingsplan 2026 voor de gezamenlijke overheid zal kunnen worden ingediend zodra de federale regering een akkoord heeft gevonden over de federale meerjarenbegroting. Die boodschap hebben we ook zo doorgegeven aan de Europese Commissie. Intussen werd er een verslag over de maatregelen ter correctie van het buitensporig tekort ingediend bij de Europese Commissie. Dat verslag staat los van ons ontwerp van begrotingsplan. Het is beschikbaar op de website van de Europese Commissie, maar indien noodzakelijk kan ik dat uiteraard ook altijd aan het Parlement overmaken.
Aanpassingen aan ons budgettair structureel plan voor de middellange termijn staan niet op de agenda. België engageert zich om het in het goedgekeurde plan opgenomen uitgaventraject te volgen en de opgenomen hervormingen ook uit te voeren.
Er zijn niet zozeer ontbrekende engagementen voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het plan. Het ingediende plan geldt voor de gezamenlijke overheid en werd aldus ook op Europees niveau goedgekeurd.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, u had in De Zevende Dag aangekondigd geen stand-upcomedy meer te doen, maar dit is toch een sterk staaltje.
We hollen van uitstel naar uitstel en mogelijk zelfs naar een totaal afstel van die plannen met Europa. U blijft zeer vaag en zegt dat zodra de regering een akkoord heeft, ze alles zal indienen. Uiteraard zal dat zo zijn, zo ver waren we ook al, maar er is geen akkoord. Uw antwoorden blijven vaag, ontwijkend en vooral totaal niet in verhouding met de budgettaire ravage die op ons afkomt en die u en uw regering momenteel aanrichten. De Europese Commissie vraagt duidelijkheid, de burgers vragen duidelijkheid en het Parlement vraagt duidelijkheid, maar deze regering levert vandaag opnieuw alleen maar uitvluchten.
U zegt dat u zich zult houden aan het meerjarenplan dat aan Europa werd bezorgd. Weet u wat daarin staat? Er staat dat de gezamenlijke overheid – dus niet enkel entiteit I zoals in uw regeerakkoord, maar alle entiteiten samen – het tekort in 2029 zal doen dalen tot 3 %, zelfs verder tot 2,5 % in 2030 en 2 % in 2031. Dat zijn de cijfers die daarin staan, waarde collega’s. U zegt hier dat België zich zal engageren om zich daaraan te houden. Mijnheer de minister, dat is echt stand-upcomedy. U kent de cijfers, u weet hoe dramatisch die zijn en toch blijft u hier het zonlicht ontkennen.
Op Brussel gaat u zelfs niet meer in, dus dat meerjarenplan was al een luchtkasteel bij de indiening. Vandaag, als we de nieuwe rapporten bekijken, is dat luchtkasteel een ingestort kaartenhuis geworden. De Brusselse gaten, waar ik het net over had, zullen opnieuw moeten worden gedicht met Vlaams geld. En u kijkt gewoon weg. U beantwoordt zelfs de vragen daarover niet in het Parlement. Dat is, mijnheer de minister, schuldig verzuim.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt het over politieke profilering, maar ik weet niet waarover u het hebt. U zou misschien best zelf wat aan politieke profilering doen. U hoopt een ambitieus meerjarenplan te kunnen indienen. Het gaat echter niet over wat u zult indienen, want dat hebt u al gedaan, het gaat over wat u zult uitvoeren. Tot nog toe hebt u nog niets uitgevoerd. Alle deadlines hebt u gemist, uw paasakkoord, uw zomerakkoord, uw herfstakkoord. Nu hopen wij op een kerstakkoord en misschien komt er volgend jaar een nieuw paasakkoord met de begroting. We gaan naar voorlopige twaalfden. Voor hoe lang, dat weet niemand. Dat weten wij niet en dat weet de Europese Commissie blijkbaar ook niet. Ik kan alleen vaststellen dat er absoluut geen respect is voor de Europese regels. Zelfs voor de deadlines is er geen respect. Dat is jammer, want u had die Europese regels zelf onderhandeld. Het is le flou total . We weten niets, we zijn geen stap verder. Ik ga ervan uit dat de Europese Commissie in dezelfde situatie verkeert als wij. Het is gewoon afwachten en intussen stevent België af op het grootste begrotingstekort van alle EU-landen. Zelfs Frankrijk doet het beter dan wij, wat echt ongezien is.
De forecast van de Europese Commissie over de Belgische begroting
Het Belgische begrotingstekort, dat het grootst is van alle landen uit de eurozone
België slechtste begroting van de eurozone en het stokken van de begrotingsonderhandelingen
Belgisch begrotingstekort, eurozone-vooruitzichten en onderhandelingsimpasse
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België kampt met het hoogste begrotingstekort van de eurozone (5,9% BBP in 2027), grotendeels veroorzaakt door ongefinancierde defensie-uitgaven (0,5% BBP extra tekort) en dalende inkomsten (-0,3% BBP in 2027), terwijl de regering geen concreet plan voorlegt om dit te keren. Minister Van Peteghem erkent het probleem maar mijdt duidelijke antwoorden, wijst op langetermijnplannen (2030) en belooft "spoedig" een akkoord—terwijl oppositie en coalitiepartners stilstand, gebrek aan fiscale hervormingen (bv. aanpak fraude of managementvennootschappen) en ontwijkend beleid aanklagen. Kritiek richt zich op blinde NAVO-uitgaven, gemiste deadlines (10 miljard besparing blijft onbereikt) en ontbrekende structurele snedes in overheidsuitgaven, met als gevolg verder afglijden naar recordtekorten zonder draagvlak.
Sofie Merckx:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Geachte minister Van Peteghem,
Uit de laatste macro-economische forecast van de Europese commissie blijkt dat ons begrotingstekort oploopt tot 5,9% van het BBP in 2027. De Commissie stelt vast dat hervormingen inzake de sociale zekerheid teniet gedaan worden door hogere defensie-uitgaven:
- Impact toenemende defensie-uitgaven op het begrotingstekort in 2026: +0,3% van het BBP
- Impact toenemende defensie-uitgaven op het begrotingstekort in 2027: +0,2% van het BBP
Daarnaast maakt de forecast ook gewag van een daling van inkomsten in 2027 (-0,3% van het BBP). Deze verwachte daling van inkomsten werd ook eerder door het Monitoringcomité aangehaald.
Deze cijfers bevestigen dat deze regering de begrotingsputten van morgen graaft via ongefinancierde defensie-uitgaven.
Ik heb de volgende vragen:
- Bent u het eens met de forecast van de Europese Commissie?
- Hoe gaat u, als minister van begroting, erop toezien dat deze ontsporing van de begroting omwille van defensie-uitgaven een halt wordt toegeroepen?
- Wat zal u ondernemen om de daling van de inkomsten vanaf 2027 tegen te gaan?
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, la Commission européenne distribue en ce moment les bulletins et le résultat de votre gouvernement est très mauvais. La Belgique recevra en effet le bonnet d'âne dans la matière "déficit budgétaire", puisque notre pays affiche désormais le plus gros déficit de la zone euro: 5,3 % en 2025, 5,5 % en 2026, 5,9 % en 2029. Pas vraiment de surprise ici puisque ces chiffres sont dans la droite ligne de ce qui a été annoncé il y a quelques mois par le Bureau du Plan et le Comité de monitoring.
Cette situation peu enviable s'ajoute à la procédure pour déficit excessif déjà ouverte contre notre pays. Pendant ce temps, que fait votre gouvernement? Rien, ou en tout cas beaucoup trop peu! Vous auriez pourtant dû demander la confiance de cette Chambre et y déposer un budget voici plus d'un mois maintenant.
Alors que l'horloge tourne vers la deadline de Noël – qui, on l'aura compris, n'est en réalité pas vraiment une deadline, même si on ne sait pas comment cela va tourner –, le premier ministre fait plutôt parler de lui pour ses performances artistiques sur les réseaux sociaux.
Monsieur le ministre du Budget, comment justifiez-vous l'inaction ou plutôt l'incapacité de votre gouvernement à adopter un plan budgétaire cohérent, ambitieux et faisant réellement contribuer les épaules les plus larges? Vous avez évoqué les fuites budgétaires énormes provoquées par les sociétés de management et la presse a fait état de la possibilité de limiter les distributions de dividendes exonérés de cotisations sociales et faiblement taxés à 200 000 euros. Ces pistes vous semblent-elles cohérentes? Combien pourraient-elles rapporter?
Wouter Vermeersch:
Collega’s, uit de jongste vooruitzichten van de Europese Commissie blijkt dat België volgend jaar het grootste begrotingstekort van de volledige eurozone zal kennen. In 2027 zou het tekort, op dat van Polen na, zelfs het grootste van de hele Europese Unie worden. Het tekort zou dit jaar al oplopen tot 5,3 % van het bbp, goed voor ongeveer 35 miljard euro, en richting 5,9 % evolueren tegen 2027. Dat laatste is aanzienlijk slechter dan eerdere ramingen van het Monitoringcomité of de Nationale Bank.
Bovendien kunnen we vaststellen dat deze federale regering, de regering-De Wever, ondanks de aanhoudende verslechtering van de cijfers, geen vooruitgang boekt in de begrotingsonderhandelingen. De aangekondigde zoektocht naar 10 miljard euro om een eerste kentering te realiseren lijkt muurvast te zitten. De besprekingen liggen stil, deadlines worden overschreden en van de eerder gevraagde 50 dagen blijven slechts 35 dagen over, zonder dat er een concreet ontwerpakkoord op tafel ligt. Tegelijkertijd worden bijkomende uitgaven, onder andere extra middelen voor Justitie, vooruitgeschoven, terwijl er binnen de coalitie grote onenigheid bestaat over de mogelijke inkomstenmaatregelen, zoals de koopkracht, beperkende maatregelen als btw-verhogingen of nieuwe belastingen.
Mijnheer de minister, hoe reageert u op de cijfers van de Europese Commissie? Kunt u bevestigen dat de cijfers van de Europese Commissie, 5,3 % dit jaar en 5,9 % tegen 2027, momenteel als uitgangspunt worden genomen in de begrotingsvoorbereiding? Hoe verhouden die cijfers zich tot de interne ramingen van uw administratie? Eigenlijk betekenen ze immers dat uw 10 miljard al zeker niet zal volstaan, maar net iets hoger moet zijn.
Hoe beoordeelt u de huidige stilstand in de begrotingsonderhandelingen?
Welke tijdlijn hanteert u als minister met betrekking tot het afronden van die begrotingsonderhandelingen, gelet op de herhaaldelijke overschrijding van eerdere deadlines? Welke tijdlijn acht u realistisch voor het verder verloop van de begrotingsopmaak en de begrotingscyclus van 2026?
Vincent Van Peteghem:
Mevrouw Merckx, mevrouw Schlitz, de economic forecast die de Europese Commissie maandag heeft aangehaald, bevestigt inderdaad dat ons land voor belangrijke begrotingsuitdagingen staat, die we moeten aanpakken.
Un déficit pour l’ensemble des pouvoirs publics de 5,9 % du PIB en 2027 est trop élevé. Nous devons absolument parvenir à le réduire à long terme.
Ik wil er wel op wijzen dat de beperkte focus in de tijd in de economic forecast tot 2027 ons er niet toe mag brengen om onze begrotingshorizon niet op een langere periode te houden. Eerder dan op een kortetermijnfocus moeten we ons richten op een gezonde, houdbare begroting tegen 2029-2030.
Zo maakt het rapport ook gewag van een stijging van de verwachte werkloosheidsgraad in België, terwijl volgens de geharmoniseerde werkloosheidsgraad van Eurostat de werkloosheid inderdaad toeneemt van 5,7 % in 2024 tot 6,5 % in 2026, maar vervolgens aanhoudend zal dalen tot 5,4 % in 2030.
Inzake Defensie hebben we in het kader van het paasakkoord belangrijke afspraken gemaakt voor de financiering van de bijkomende uitgaven. Voor de structurele financiering zal de regering jaarlijks, bij de opmaak van de begroting, bekijken welke bijkomende maatregelen nodig zijn om naast de doelstellingen inzake normering in voldoende structurele financiering te voorzien. Die financiering maakt dus ook deel uit van de begrotingsoefening die we momenteel maken.
Nous discutons de la réalisation de cet exercice budgétaire à la table du gouvernement. J'espère pouvoir rapidement venir en expliquer les détails devant cette commission, dès qu'un accord aura été trouvé.
Sofie Merckx:
Mijnheer de minister, de vragen lijken allemaal op elkaar en uw antwoorden lijken ook heel sterk op elkaar vanmiddag. Mijn vraag betrof de defensie-uitgaven. Het blijkt duidelijk dat deze voor een deel verantwoordelijk zijn voor het begrotingstekort. Dan is er ook het probleem dat deze defensie-uitgaven niet gefinancierd zijn. U herhaalt dat dit bij elke begroting bekeken wordt, maar er is geen begroting voor dit jaar, waardoor het probleem alleen maar groter wordt.
Ik wil ook herinneren dat de NAVO-norm, waarin België zich blindelings heeft ingeschreven, helemaal geen verplichting is. België is een soevereine staat. Andere staten, zoals Spanje, hebben andere keuzes gemaakt. Dit is dan ook een van de zaken die wij nodig achten. Stop met die blinde bewapeningswedloop, die het gat in de begroting alleen vergroot.
Op mijn laatste vraag kreeg ik ook geen antwoord. Wij zijn hier nochtans om antwoord te krijgen op vragen. Hoe komt het dat er een daling is van de inkomsten? Daarop bent u ook niet ingegaan. Ik blijf daar op mijn honger.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, vous nous avez à nouveau apporté des réponses vagues quant au déroulement des négociations budgétaires. Bien évidemment, vous n'êtes pas le seul responsable de l'échec dans lequel votre gouvernement s'enlise. Néanmoins, je reste abasourdie par le fait que les membres de ce gouvernement ne se tournent pas vers les solutions qui sont pourtant à portée de main afin d'atteindre les objectifs qu'ils se sont assignés, à savoir trouver 10 milliards d'ici 2029. La lutte contre la fraude fiscale représente un enjeu qui peut vous permettre d'atteindre cet objectif. On peut aller chercher jusqu'à 30 milliards par an en luttant efficacement contre ce phénomène.
Votre parti a également mis sur la table la question d'une véritable réforme fiscale visant les sociétés de management en vue de réduire les niches fiscales et l'ingénierie fiscale, qui plombent le budget de l' É tat. Nous en avons besoin pour boucler le budget, mais également au nom d'une question de justice sociale et fiscale. Aujourd'hui, les gens ne sont plus d'accord de toujours fournir des efforts, tandis que d'autres qui ont véritablement les moyens ne veulent jamais contribuer à la hauteur des efforts qui sont demandés.
Monsieur le ministre, votre budget ne sera pas soutenu par la population et les grèves continueront de se multiplier si vous n'allez pas chercher l'argent là où il se trouve.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, u bent er werkelijk in geslaagd om geen enkele van mijn vragen te beantwoorden. Ik heb u gevraagd of de Europese cijfers als basis worden genomen bij de onderhandelingen. Die vraag werd niet beantwoord. Ik heb u gevraagd hoe u de huidige stilstand evalueert en beoordeelt. Die vraag werd evenmin beantwoord. Ik heb u ten derde gevraagd wat de tijdlijn is voor de begroting voor 2026. Ook die vraag werd helemaal niet beantwoord. Geen enkele van mijn vragen werd beantwoord. Ik betreur dat, mijnheer de minister. De begroting ontspoort volledig. De onderhandelingen binnen uw regering zitten muurvast. Ondertussen ruziet uw coalitie verder over nieuwe belastingen, veeleer dan keuzes te maken en te snijden in de veel te grote uitgaven van dit land. Uw regering en uw premier, de heer De Wever, vroegen 50 dagen om 10 miljard euro te vinden. U verloor ondertussen al 15 dagen zonder één concrete lijn op papier te zetten. De regering-De Wever beloofde een budgettaire kentering. De enige kentering die we momenteel zien, is een kentering in de min: het verdere aftakelen van de begroting en de financiën van dit land, met steeds meer nieuwe uitgaven. Er zijn discussies over btw-verhogingen en nieuwe belastingen, maar geen enkel plan om de Belgische staat uiteindelijk zelf slanker en efficiënter te maken. Mijnheer de minister, dit land is kampioen in belastingen betalen. Het is ondertussen ook kampioen in het creëren van begrotingstekorten en schulden. Dat is geen pro-Vlaams beleid; dat is Belgisch wanbeheer.
De strijd tegen de drugshandel
Het Lemmensplein in Anderlecht, de drugsbendes en het straatgeweld
De bedreiging van magistraten en hun bescherming tegen het drugsmilieu
De war on drugs
De federale reserve en het drugsgeweld in Brussel
De war on drugs in de Antwerpse haven
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld
De strijd tegen de door drugshandel veroorzaakte onveiligheid
De crisis bij de versterkingsreserve van de federale politie in Brussel-Zuid
Drugsgerelateerd geweld en criminaliteit in België
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de escalerende dreiging van georganiseerde drugscriminaliteit en narcoterrorisme in België, met name in Brussel en Antwerpen, waar sprake is van corruptie, geweld en een dreigende "narco-staat". Parlementsleden kritiseren het gebrek aan middelen, coördinatie en concrete actie ondanks beloftes zoals het *Plan Grandes Villes*, een *taskforce* en een drugsfonds (nog in opbouw), terwijl magistraten en politieagenten bedreigd, onderbemand en gedemotiveerd zijn door onvoldoende operationele steun (bv. gebrek aan toegang tot FOCUS, slechte patrouille-afspraken). Minister Quintin benadrukt versterkte politie-inzet (gemengde patrouilles met defensie tegen eind 2025), technologische investeringen (cameranetwerk, ANPR, MonFin) en internationale samenwerking (MAOC, Panama), maar erkent dat structurele oplossingen (zoals conteneurscans in Antwerpen, waar 96% van de cocaïne binnenkomt) vertraging oplopen door budgettaire en logistieke knelpunten. Kritiek blijft op de traagheid, gebrek aan transparantie en de nood aan een integrale aanpak (preventie, repressie, gezondheidszorg) om het vertrouwen in de overheid te herstellen.
Éric Thiébaut:
Monsieur le ministre, à de très nombreuses reprises, je vous ai interrogés, vous et votre prédécesseuse, face à un mal qui ronge tout notre pays: le narcotrafic et ses conséquences sur notre État de droit et notre société. Je vous ai notamment interpellés sur les besoins de renforts urgents à la police judiciaire de Charleroi et, plus globalement, à la police fédérale, où l'on compte par milliers le manque d'enquêteurs.
"Nous sommes confrontés à une menace organisée qui sape nos institutions" a dernièrement écrit une juge d'instruction anversoise, dans une lettre publiée, anonymement, sur le site des cours et tribunaux de Belgique. Elle dénonce la montée en puissance des narcotrafiquants, en particulier à Anvers. La magistrate a, elle-même, déjà dû vivre quatre mois sous surveillance après avoir reçu des menaces de trafiquants de drogue. Pour cette juge d'instruction anversoise, les caractéristiques d'un narco-État sont désormais présentes chez nous: économie illégale, corruption et violence.
À l'heure où certains aimeraient pointer uniquement la capitale du doigt, l'État doit s'attaquer à cette évolution inquiétante de la criminalité organisée à l'échelle nationale, en renforçant réellement la police fédérale et la justice, mais aussi la santé publique. Le budget de l'Arizona ne le permet cependant pas. Pas encore, en tout cas.
Monsieur le ministre, avec votre collègue chargée de la Justice, comment réagissez-vous à cette lettre ouverte? Quelles actions concrètes comptez-vous prendre pour renforcer les appareils policiers et judiciaires dans notre pays? Que prévoyez-vous face aux risques liés à la corruption?
Le budget 2026 de l'Arizona patine. Qu'avez-vous demandé comme budget pour renforcer votre SPF dans ce cadre? Qu'en est-il d'un fonds "CrimOrg", proposé via une proposition de loi par mon groupe depuis des années?
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, wij moeten niet enkel in Brussel, maar ook op andere plaatsen strijd tegen drugs voeren. Vandaar mijn drie vragen.
Ten eerste, drugsbendes zijn de baas op het Alphonse Lemmensplein in Anderlecht, een plein dat u wellicht niet onbekend is, met straatgeweld tot gevolg. Controles door bijvoorbeeld Parking.Brussels blijven achterwege wegens intimidatie en agressie. Er is sprake van structurele drugshandel, vernieling van infrastructuur en gerichte sabotage van de verlichting. Kortom, het is een place not to be . Daarom moeten wij daar iets tegenover durven te stellen. Het mag geen zone worden zonder wetten of regels. Dat wordt ook bevestigd door uw partijgenote en schepen in Anderlecht. Hebt u kennis kunnen nemen van de schrijnende onveiligheidsproblematiek?
Welke bijkomende maatregelen kunt u nemen om het Alphonse Lemmensplein en de rest van de gemeente te stabiliseren? Kan een hotspotplan worden opgelegd in samenwerking met andere diensten en overheden? Werden er reeds afspraken gemaakt met de politie en het parket met het oog op een lik-op-stukbeleid?
Er zou sprake zijn van een structurele onderbezetting bij interventie en recherche ter plaatse. Kan ter zake soelaas worden geboden door detacheringen of bijkomende budgetten? Hoelang duurt het nog – dit is een politieke vraag – vooraleer er een eengemaakte politiezone in Brussel komt? Ik weet dat u daarmee bezig bent, maar het is mij niet altijd duidelijk hoe snel we die eengemaakte zone mogen verwachten.
Ten tweede – deze vragen sluiten daarop aan –, magistraten worden alsmaar vaker door georganiseerde criminelen bedreigd; zij moeten onderduiken, krijgen politiebescherming en moeten soms vanuit safehouses hun werk doen. De Antwerpse magistratuur trok reeds in een open brief aan de alarmbel en vroeg om snel uitvoerbare maatregelen.
Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn dat magistraten in angst hun werk moeten doen of daar zelfs niet toe komen. Kunt u een vast operationeel aanspreekpunt bij de FOD Binnenlandse Zaken of de federale politie voor bedreigingen van magistraten oprichten?
Hoe verloopt een en ander, indien een magistraat zich bedreigd voelt? Bij wie moet hij aankloppen? Kan hij daar op een adequate en snelle manier geholpen worden?
Het is wellicht ook nuttig om te weten of het een wijdverbreid fenomeen is. Met andere woorden, waren de voorbije jaren wel meer magistraten het slachtoffer dan wel of het een recent verschijnsel is? Mijn buikgevoel zegt dat de bedreigingen alleen maar toenemen, maar ik beschik niet over concrete cijfers.
Hoe wordt informatie bij het OCAD, de politie en het parket gedeeld om de georganiseerde drugscriminaliteit en het narcoterrorisme gezamenlijk aan te pakken?
Ik heb, ten slotte, nog een politiek geïnspireerde vraag. Hoe staat het nu met het plan om het leger in te zetten in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit? Minister Francken kondigde aan dat hij tegen april 2026 een wettelijke regeling zou uitwerken om militairen in de straten van Brussel en op andere hotspots in ons land in te zetten. Volgens de heer Vandemaele zou minister Francken naar eigen zeggen vandaag dat al voor het einde van het jaar in orde willen brengen. Hoe moeten we die inzet van militairen zien? Worden er gemengde patrouilles ingezet? Of blijft het bij afzonderlijke bevoegdheden waarbij de militairen statische bewakingsopdrachten krijgen, zodat er meer capaciteit vrijkomt voor politieagenten? Voor mij is dat allemaal niet meer duidelijk.
Als het politiek voor de parlementsleden al niet duidelijk is, hoe kan het dan duidelijk zijn op het terrein, voor onze politieagenten en onze burgers? Het is van het grootste belang dat wij als beleidsmakers, mijnheer de minister, duidelijkheid scheppen. Ik verwacht dan ook een helder antwoord daarop vandaag.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, depuis quelques mois, nous sommes plusieurs à vous interroger sur la question du trafic de drogue, ce cancer qui se propage dans nos quartiers, dans les grandes villes de Belgique. Depuis des mois, nous vous posons des questions quant aux moyens nécessaires à allouer aux services de police pour démanteler les réseaux. Si je vous interroge aujourd'hui, c'est parce que, jour après jour, les étapes sont franchies. On va encore un peu plus loin.
J'ai rédigé ma question lorsque j'ai vu – comme moi, vous l'avez vu –ce qui s'est passé à Anderlecht et lorsque j'ai vu, ce qui fait froid dans le dos, un enfant de 11 ans blessé par des tirs. Imaginons un seul instant que cet enfant ait été le nôtre! Je sais que, comme à moi, cette problématique vous tient à cœur, mais je sais aussi que, pour pouvoir résoudre le problème et trouver une solution, il faut des moyens. Il faut donner des capacités à nos services de police pour qu'ils puissent réagir.
Vous savez, comme moi, ce qui se passe aujourd'hui en Europe et en France car vous suivez l'actualité, et notamment à Marseille, où ces trafiquants et criminels sont maintenant arrivés à des méthodes d'intimidation où ils tuent les proches de militants qui combattent le trafic de drogue dans les quartiers. Vous avez suivi, comme moi, la mort de Mehdi, un innocent, dont le frère était un militant contre les trafiquants de drogue et qui cherchait une solution. Eh bien pour l'intimider, on a tué son frère.
Monsieur le ministre, en février dernier, j'avais interpellé le premier ministre avec deux questions: premièrement, qu'en est-il d'une task force pour réunir l'ensemble des forces vives de notre pays et trouver une solution pour éradiquer ce problème? Et deuxièmement, quand un Conseil des ministres européens se réunira-t-il sur la question pour s'exprimer d'une seule voix contre ces criminels et ne plus leur laisser de place dans nos quartiers?
Matti Vandemaele:
Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Op 12/11/2025 verscheen opnieuw een opmerkelijk artikel in de krant met getuigenissen van de agenten van de federale reserve die nu ingezet worden rond Brussel Zuid om mee te helpen met de bestrijding van de drugscriminaliteit. De kritieken die zij uiten zijn bijzonder stevig. Daarom volgende vragen:
Net zoals de kritiek die er is gekomen vanuit de agenten die het waterkanon bedienen nemen ook deze agenten hun toevlucht tot de pers. We horen dat deze agenten hun grieven altijd eerst herhaaldelijk intern hebben geuit maar niet gehoord worden. De vraag is dan ook: wat loopt er mank in de interne organisaties dat de betrokken agenten niet gehoord worden en geen andere uitweg zien dan verklaringen afleggen in de pers?
Klopt het dat er binnen de federale reserve zeer veel afwezigheid door ziekte is en dat er bij momenten tot 40 agenten in deze groep ziek zijn door afwezigheid? Wat is er gebeurd met deze vaststellingen?
De agenten geven aan dat ze de opdracht krijgen maar dat ze geen controles mogen/moeten uitvoeren, enkel patrouilleren. Ze worden uitgelachen door de dealers ter plekke, geven ze aan. Welke orders hebben deze agenten gekregen? Klopt het dat ze gevraagd werden om geen actie te nemen want dat men nu al niet meer kan volgen met PV's en verdere afhandeling?
De betrokken agenten geven ook aan dat de lokale politie sinds hun aanwezigheid verdwenen is en 'rustig zit te wachten op hun bureau tot er een incident is'. Klopt dat? Zijn er nu meer agenten of zijn de lokale agenten gewoon elders aan het werk?
De agenten verklaren dat ze zonder duidelijke briefing de straat worden opgestuurd en dat ze vanuit de zone Brussel Zuid ook geen toegang krijgen tot FOCUS, waar ze alle relevante informatie zouden kunnen vinden. Kloppen deze beweringen? En als de agenten geen toegang hebben tot FOCUS, waar halen ze de zelfde informatie dan wel?
De agenten van de Federale reserve stellen voor om met gemengde teams te werken. De agenten van de Federale reserve kunnen dan de lokale agenten beschermen tijdens hun interventies. Hoe kijkt u naar dat idee?
François De Smet:
Monsieur le ministre, en ce qui concerne le narcotrafic, je ne vous cache pas que je suis, comme certains de mes collègues, de plus en plus inquiet. En effet, pendant que les fusillades se succèdent, que notre procureur du Roi est menacé de mort, ou que la France a, en plus de son parquet national financier, décidé de se doter prochainement d'un parquet national anticriminalité organisée pour faire face à cette menace, j'ai parfois l'impression qu'une partie de nos politiques sous-estiment cette menace et tentent de cantonner cette question à des quartiers – tels que le Peterbos, Clemenceau, ou ailleurs – ou à des sujets comme la fusion des zones de police, et qu'ils ne perçoivent pas toujours la gravité de la menace.
J'avais envie de vous interroger sur un aspect précis, que je voulais vous soumettre déjà la semaine dernière, et auquel votre collègue Clarinval a répondu en séance plénière, à savoir cette déclaration du procureur général Frédéric Van Leeuw: "Lutter contre la criminalité organisée, c'est aussi toucher à la liberté d'entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d'Anvers, il n'y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés, et on nous dit clairement que si on contrôle 15 % des conteneurs, Anvers va perdre des parts de marché. Si on veut vraiment lutter contre la criminalité organisée, il faudra aussi accepter de perdre des points de PIB".
J'avais pourtant espéré que le ministre Clarinval m'apporte une réponse liée à ses compétences en É conomie, mais il s'est contenté d'une réponse assez classique sur ce qui est déjà fait. Toutefois, je voudrais bien de votre part des engagements et des chiffres sur le scanning que nous pouvons attendre au port d'Anvers et le scanning réel aujourd'hui. Je voudrais dire et répéter que tant que la drogue passera dans les ports, nous aurons des tirs de kalachnikov à Bruxelles et ailleurs, avec, le cas échéant, des vies d'enfants qui seront menacées.
Quels sont les détails du Plan Grandes Villes? Où en est la task force ? Allez-vous vous concerter avec le ministre des Finances sur l'historique de scanning des conteneurs?
Enfin, ne pourrions-nous pas nous inspirer de la France, qui investit dans un nouveau parquet consacré à la lutte contre la grande criminalité? Je vous remercie.
Xavier Dubois:
Monsieur le ministre, je ne vais pas refaire l'inventaire des nombreux faits de violence qu'on a connus cet été, depuis plusieurs mois maintenant, à Bruxelles et ailleurs également. Les risques se multiplient, les incidents se multiplient encore. Mon collègue a évoqué un cas malheureux. Récemment, une école a été touchée par un impact de balle.
Monsieur le ministre, étant donné la situation, pourriez-vous faire un état des lieux de l'ensemble des mesures que vous avez déjà évoquées et annoncées à de nombreuses reprises lorsqu'on vous a interpellé, notamment en séance plénière également.
Et, de manière plus précise, mes questions portent sur la task force que vous avez décidé de mettre en place avec les compétences Justice, Finance, Santé et Intérieur, bien entendu. Quelle est la fréquence des réunions de cette task force ? Quels sont les objectifs, les moyens? Et surtout, quelles sont les actions concrètes qui en ressortent?
Quant au fonds drogue, des travaux budgétaires sont en cours. D'ici 35 jours au plus tard, nous aurons un budget pour notre pays et j'espère que, dans ce budget, il y aura les réponses à nos questions concernant le fonds drogue. Quelles seront les recettes qui y seront affectées? Comment seront-elles utilisées? Il est temps de pouvoir répondre à ces questions précises. Monsieur le ministre, que pouvez-vous nous dire actuellement des travaux budgétaires concernant ce fonds de manière spécifique?
Enfin, comme mes collègues l'ont évoqué, il faut clarifier la question des équipes mixtes avec l'armée. Cette idée se mettra-t-elle en œuvre? À partir de quand?
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé les témoignages de policiers fédéraux de la FERES, réserve fédérale d'intervention, envoyés en renfort depuis plus d’un an dans la zone Bruxelles Midi. Ils décrivent une situation alarmante et révélatrice d’un grave dysfonctionnement. Ces policiers expliquent qu’ils patrouillent la nuit à Anderlecht, Saint-Gilles et Forest sans briefing, sans consignes opérationnelles, sans accès à l’application FOCUS, pourtant indispensable pour évaluer la dangerosité des situations, et pratiquement sans communication avec les équipes locales, qui n’interviendraient qu’en cas d’incident majeur.
Ils affirment que leur présence est devenue "de la figuration", que la zone locale leur demande de limiter les contrôles faute de capacité de suivi, et que les trafiquants le savent parfaitement.
Aussi, la FERES est trop souvent en sous-effectif pour des shifts de nuit, car un peloton entier serait en maladie. Ils expliquent ne pas comprendre pourquoi aucune patrouille mixte locale-fédérale n’est mise en place.
Enfin, la FERES formule deux propositions : Interdire l’usage des trottinettes dans certains quartiers et à certaines heures, car elles seraient utilisées par les trafiquants pour fuir, ce qui empêche toute poursuite sécurisée ; et investir dans des caméras de surveillance réellement performantes, alors que la dernière fusillade sur la place Bethléem, avec 28 coups de feu tirés, n’a fourni que des images floues.
Monsieur le ministre, au regard de l’ensemble de ces éléments rapportés par les policiers de terrain, comment justifiez-vous que des renforts fédéraux soient maintenus dans un dispositif qui semble dépourvu d’efficacité et de coordination? Avez-vous connaissance du refus de la zone Bruxelles Midi d’organiser des patrouilles mixtes avec la FERES? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir que les policiers fédéraux disposent d’un cadre de travail coordonné avec les équipes locales? Comment expliquez-vous que la police fédérale ne dispose pas d’un accès à l’application FOCUS alors qu’elle est engagée dans des missions de terrain critiques? Envisagez-vous d’examiner les propositions formulées par la FERES? Le gouvernement pourrait-il envisager de conditionner les renforts fédéraux à une obligation pour la zone locale de mener une action cohérente et transparente, afin d’éviter que l’État fédéral ne serve de façade alors que le travail opérationnel ne suit pas? Le gouvernement a-t-il évalué l’impact de cette situation sur la sécurité des citoyens?
Bernard Quintin:
Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions concernant la lutte contre le trafic de drogue et la criminalité organisée.
Ces questions récurrentes – comme il se doit – touchent au cœur des défis sécuritaires auxquels notre pays est confronté et méritent une réponse approfondie et détaillée, ce qui revient à dire que je serai un peu long dans ma réponse.
La lutte contre le phénomène complexe que constitue la criminalité organisée liée à la drogue nécessite une approche holistique globale et innovante, avec l'implication de tous les acteurs de la prévention, du répressif, de l'accompagnement et des soins. C'est dans cette optique globale que les moyens supplémentaires octroyés en 2024 et 2025 pour la lutte contre la drogue ont permis de financer non seulement des projets visant à améliorer l'approche répressive, mais également des projets portés par la santé publique tels que, notamment, la mise en place d'équipes de crise mobiles réunissant les acteurs policiers et le monde médical.
Mes collègues des départements de la Justice, de la Santé publique et des Finances et moi-même continuons à travailler ensemble dans ce cadre. Le Commissariat national drogue compte d'ailleurs parmi ses membres des représentants des départements de l'Intérieur, de la Justice et des Finances. Un représentant du département de la Santé publique les rejoindra également très bientôt.
Comme prévu dans l'accord de gouvernement et dans ma note de politique générale 2025, j'ai lancé le plan Grandes Villes, qui constitue l'évolution du plan Canal. Ce plan fédéral, renforcé, doit garantir une lutte active contre la criminalité organisée, plus particulièrement à Bruxelles et Anvers, les deux villes les plus affectées, mais aussi dans les autres grandes villes du pays dans lesquelles la situation tend à se dégrader.
En raison de l'augmentation des incidents liés à la drogue à Bruxelles et à Anvers, un groupe de pilotage avec une task force sur la criminalité organisée a été créé par le premier ministre début avril 2025, sur ma proposition et dans le cadre d'une approche globale.
L'exécution du plan Grandes Villes est en cours. Vous comprendrez qu'il est encore un peu tôt pour en tirer un bilan exhaustif. Néanmoins, de nombreuses opérations ont déjà été organisées avec l'objectif d'accroître la présence policière sur le terrain.
Le plan Grandes Villes s'appuie sur la méthode Clear, Hold, Build , qui comprend trois phases menées en parallèle. Clear : occuper le terrain et reprendre le contrôle des rues, des places et des parcs. Une présence forte et visible des services de sécurité est au cœur de cette approche. Hold : les services de police renforcés sont complétés par d'autres partenaires de sécurité tels que les gardiens de la paix et les travailleurs sociaux. L'objectif est de permettre à la vie sociale et économique normale de reprendre son cours. Build : la police reprend ses activités normales et des efforts sont déployés pour renforcer la résilience afin de prévenir de nouveaux actes de violence et phénomènes criminels.
Il s'agit d'une politique visant à normaliser la vie dans le quartier par l'aménagement de l'espace public, la rénovation urbaine, le soutien aux initiatives citoyennes, etc.
We kunnen slechts succes boeken via een integrale en geïntegreerde aanpak. In het plan ligt, zoals meermaals aangegeven, de nadruk op onder meer preventie, partnerschap en samenwerking, bestuurlijke handhaving, gerechtelijke aanpak, de aanwending van technologische middelen, zichtbaarheid en verschillende soorten politieacties. Kortom, het betreft een heel scala aan maatregelen. De zichtbaarste zijn uiteraard repetitieve politieacties, groot en kleinere, waarbij de federale en lokale politie samenwerken. Het Lemmensplein is een zogenaamde hotspot en is het onderwerp van de geïntegreerde en methodologische aanpak.
In verband met de aanpak van de hotspots kan ik bevestigen drie soorten repetitieve acties zijn uitgevoerd sinds september en dat die ook volgend jaar plaats zullen blijven vinden. Het betreft repetitieve full integrated police actions , FIPA. Die acties hebben een grote omvang en werken volgens het klassieke FIPA-concept, wat de inzet van de volledige lokale en federale politie betekent.
Daarnaast zijn er repetitieve kleinere acties, volgens het concept van very irritating police , zowel op het eigen terrein van de federale politie, de verbindingswegen, als in samenwerking met de lokale politie op hun actieterrein. Zo blijven we druk opvoeren op het criminele milieu.
Bovendien zijn er geïntegreerde controleacties en acties van de arrondissementele inspectiecellen gericht op het aanpakken van de illegale economie, fraude en het malafide gebruik van vennootschappen in de grote steden, acties van onder andere het type flex of BELFI, gelet op de scharnierrol van de federale politie in de strijd tegen criminele organisaties en ondermijnende criminaliteit.
Ces actions sur le terrain sont également soutenues par des investissements technologiques majeurs qui permettent une meilleure efficacité opérationnelle.
À Bruxelles, la connexion de plus de 500 caméras ANPR à la plateforme nationale sera assurée avant la fin de cette année. Depuis cet été, les quelque 10 000 caméras de la SNCB sont accessibles aux forces de l'ordre, locales comme fédérales, permettant d'intervenir dans les gares avec une meilleure connaissance de la situation.
D'ici la fin de cette année 2025, tous les systèmes de traitement de la police locale (Police Search) seront interconnectés, permettant un échange d'informations en temps réel, ce qui n'est pas encore possible aujourd'hui. L'outil MonFin, développé par la PJF du Limbourg, offrira à l'ensemble de la police intégrée une capacité centralisée et proactive de détection des entreprises potentiellement frauduleuses.
Conformément à l'accord de gouvernement, la PJF de Bruxelles a été significativement renforcée ces derniers mois. Concrètement, entre janvier et septembre 2025, les effectifs opérationnels ont été augmentés de 46 collaborateurs. Il subsiste un déficit de 46 équivalents temps plein pour atteindre la norme fixée à 762 collaborateurs, mais 56 engagements supplémentaires sont déjà réalisés ou programmés entre octobre 2025 et début 2026. Une trentaine de détachements temporaires d'enquêteurs expérimentés provenant d'autres unités déconcentrées de la police judiciaire fédérale ont également été mis en place. Il faut évidemment tenir compte du départ naturel de certains membres du personnel, mais la tendance générale est clairement positive.
Parallèlement, la capacité de la PJF d'Anvers est également en cours de renforcement. Je n'en oublie pas pour autant les autres PJF, que ce soit Charleroi ou les autres arrondissements. Toutes les polices judiciaires doivent trouver à être renforcées dans un métier qui est particulier au sein de la police.
Nous devons attaquer les organisations criminelles au niveau de leur centre de gravité, à savoir l'argent, et réinvestir une partie de l'argent criminel dans la lutte contre la narco-criminalité et plus généralement le fléau de la drogue. Ce principe est une évidence pour l'ensemble des partenaires et autorités concernées.
À cette fin, comme je vous l'avais déjà annoncé, nous allons mettre en place un fonds drogue. Un projet de cadre juridique à cette fin est déjà en cours d'élaboration par le Commissariat national drogue. Ce fonds constitue un pilier essentiel du renforcement de la lutte contre les organisations criminelles.
Afin d'assurer son efficacité, il faut tout d'abord renforcer les points critiques de la chaine, de la détection à la saisie et confiscation. Ce travail est mené par mes collègues ministres des Finances et de la Justice sous la coordination de la Commissaire nationale aux drogues.
S'agissant de la question relative à la réserve fédérale d'intervention (FERES), ses renforts nocturnes vers la zone de police Bruxelles-Midi ont été décidés au moment où des incidents par armes à feu se produisaient quasiment chaque jour sur le territoire de la zone. Ils répondent donc à un besoin sécuritaire objectif.
Premièrement, loin d'être laissée en roue libre, cette mission fait l'objet d'une évaluation mensuelle structurée, présidée par le directeur-coordinateur de la police fédérale, en présence de tous les services concernés. Les difficultés soulevées par les membres de la FERES y sont systématiquement examinées. Lorsque c'est possible, des solutions sont apportées avec un feed-back à destination desdites équipes. J'admets toutefois que certains problèmes n'ont pas encore trouvé de solution définitive; ce qui justifie de poursuivre ce travail d'ajustement.
Deuxièmement, concernant les patrouilles mixtes et le refus allégué de la zone, il n'existe aucune interdiction d'organiser des patrouilles mixtes entre la FERES et les équipes locales. Au contraire, les équipes mixtes sont expressément mentionnées comme une option opérationnelle possible, à condition qu'elles restent compatibles avec la mission de base de la FERES: notamment, la capacité d'être redéployée pour des interventions urgentes. La manière concrète de déployer les équipes FERES relève de la responsabilité de la zone de police bénéficiaire. Si des réticences locales existent quant à certains modes opératoires, elles doivent être discutées et arbitrées lors des réunions d'évaluation et des contacts entre le directeur-coordinateur et le chef de corps concerné.
S'agissant du cadre de travail coordonné avec les équipes locales, je puis vous communiquer les informations suivantes. Afin de garantir un cadre de travail coordonné, les équipes FERES reçoivent systématiquement un briefing par l'officier responsable sur place. Elles disposent à présent d'appareils Focus qui leur donnent accès à l'application de briefing de la zone. Les modalités de contrôle et de verbalisation sont définies par le bénéficiaire du soutien, conformément à la pratique, afin d'assurer notamment un équilibre entre le travail de contrôle accompli par la FERES et la charge de travail générée pour la zone. Pour l'accès aux applications Focus ou Incident, contrairement à ce qui a été suggéré, les équipes FERES disposent bien des terminaux Focus et ont accès, via ceux-ci, à l'application de briefing de la zone. En revanche, ce qui n'était pas encore le cas jusqu'à présent, c'est l'accès à l'application Incident de la zone par les équipes FERES. La zone de police Midi s'était abstenue de livrer cet accès, mais il a été convenu que ce point serait réglé à court terme.
Quant à la prise en compte des propositions émises par la FERES, celles-ci sont chaque fois discutées dans le cadre de la réunion mensuelle d'évaluation que j'ai déjà mentionnée. Certaines ont déjà conduit à des adaptations concrètes, d'autres restent soumises à la discussion.
Par ailleurs, la direction a décidé de participer activement au projet "absentéisme" de la police fédérale, s'inscrivant ainsi dans une démarche de prévention des risques psychosociaux et d'amélioration du bien-être des équipes, notamment pour une unité fortement sollicitée comme la FERES.
Le rôle de la police fédérale n'est pas d'assurer à la place des communes la détection précoce de la criminalité locale ni de compenser des lacunes structurelles dans l'organisation du travail d'information. Le rôle de la police fédérale est d'apporter un soutien ciblé et proportionné lorsque la situation l'exige, pas de se substituer aux missions de base des zones. La dimension internationale de la lutte contre le narcotrafic est essentielle à ce titre. Plusieurs initiatives concrètes ont été mises en œuvre.
Concernant le MAOC, Maritime Analysis and Operations Centre, l'agent de liaison de la police fédérale est entré en fonction en son sein le 1 er octobre 2025, ce qui implique bien entendu une période d'adaptation. Je peux vous dire, pour avoir été au Portugal pour une mission il y a quelques jours, que cette période d'adaptation aura été très courte. Il est déjà très bien intégré et le MAOC est une structure qui fonctionne assez bien. C'est vraiment très intéressant.
La mission du MAOC porte sur l'ensemble des navires, à l'exception des porte-conteneurs, et, à la différence de notre carrefour d'informations maritimes (MIC), il intègre également une surveillance des mouvements de l'aviation légère. L'objectif est de pouvoir détecter, entre l'Amérique du Sud, l'Afrique et l'Europe, les navires ou avions à risque et de transmettre l'information à nos partenaires en Belgique et, le cas échéant, à des pays tiers. Ces informations permettent notamment à des navires de marines partenaires d'intervenir en haute mer et de prévenir le déplacement des flux vers l'Afrique de l'Ouest. Cet investissement représente un bon exemple de renforcement de la coopération internationale qui est nécessaire face à ce fléau.
Comme annoncé précédemment, j'ai également ouvert des postes d'officier de liaison de la police fédérale aux Émirats arabes unis et au Panama, qui est un point de départ connu du trafic de drogue venant d'Amérique latine.
La question de la protection des magistrats menacés est une priorité absolue. En Belgique, un protocole établi existe pour assurer la protection des magistrats qui font l'objet de menaces dans l'exercice de leurs fonctions.
Ik zal niet te veel in details treden.
Lorsqu'une menace est signalée, elle est analysée par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) et la police fédérale. Sur la base de cette évaluation, le Centre de crise national détermine les mesures de protection spécifiques adaptées à chaque situation.
De coördinatie in dat soort dossiers loopt goed. Samen met de minister van Justitie zal ik het kader over bedreigingen tegen ambtenaren, magistraten, journalisten of politici actualiseren en de mogelijke beschermingsmaatregelen aanscherpen.
Quant au recours à la Défense, la situation sécuritaire nécessite la prise de mesures supplémentaires en matière de surveillance et d'occupation du terrain. Comme prévu dans l'accord de gouvernement, le déploiement de la Défense se fait déjà par étapes pour la sécurisation des sites nucléaires et sera étendu à court terme aux sites sensibles tels que les ambassades.
En outre, le travail se poursuit à un rythme soutenu pour déployer les militaires en appui de la police à Bruxelles. Il s'agira dans un premier temps de patrouilles mixtes, qui permettront d'en doubler le nombre par un effet mathématique évident, tout en atteignant un autre objectif qui est celui du message politique clair. L'État est prêt à mettre en œuvre toute sa puissance contre le crime organisé et à assurer ainsi la sécurité de nos concitoyens. Mon objectif reste un premier déploiement avant la fin de l'année.
En pré-conclusion, la lutte contre la criminalité organisée et le narcotrafic demeure ma priorité absolue. Le plan stratégique de la police fédérale que j'ai récemment validé fait d'ailleurs de ces thèmes une priorité.
Le plan grandes villes que j'ai lancé représente une réponse globale, coordonnée et ambitieuse face à ce défi. Il s'appuie sur une approche multidisciplinaire impliquant tous les acteurs concernés. Je suis conscient que cette lutte nécessite de la persévérance, des moyens importants et une coordination sans faille. C'est précisément ce que nous mettons en œuvre au quotidien.
De taskforce is samengesteld uit drie ministers: de eerste minister, de minister van Justitie en ikzelf, als core . Andere ministers kunnen ook deelnemen.
Nous sommes occupés à peaufiner non seulement la méthode de travail, mais aussi tous les tableaux nécessaires pour avoir une bonne coordination entre les différents ministres du fédéral pour que toute la chaîne impliquée dans la lutte contre le crime organisé lié au trafic de drogue puisse trouver à se déployer convenablement et que chacun prenne ses responsabilités dans cette approche en chaîne.
J'ai coutume de dire que mon maillon est celui de l'ordre et de la tranquillité publique, tel que défini par la Constitution. Les maillons précédents sont ceux de l'organisation de la société: logement, emploi, santé publique, etc. Ensuite viennent les maillons de la justice qui doivent aussi trouver à être renforcés.
Concernant les conteneurs à Anvers, je serais le ministre de l'Intérieur le plus heureux si le seul point d'entrée de la drogue était cette ville. Je ne néglige pas ce point, car il est le point d'entrée principal, mais il me paraît limité de dire que c'est le seul. Il y a d'autres portes d'entrée, des aéroports, des routes. Nous sommes un pays qui a l'avantage d'être au cœur d'un continent, sans être au centre, un pays de passage.
On parle souvent du scanning des conteneurs. Je vous invite à poser la question au ministre des Finances, puisque le scanning dépend des douanes. Faut-il augmenter le scanning? Certainement. Je laisserai au procureur général la détermination du pourcentage, mais il faut toujours trouver, ici comme ailleurs, l'équilibre entre les différents intérêts. Vous pensez bien qu'en tant que ministre de la Sécurité de l'Intérieur, mon intérêt principal, c'est la sécurité et donc de faire en sorte qu'il n'y ait plus de drogue – dans un monde idéal – et certainement que le moins de drogues possible entrent via Anvers ou autres points d'entrée.
J'en profite pour dire, sur base d'expériences antérieures, que le scanning est une chose, mais qu'il est aussi très important de continuer à investir dans le screening, c'est-à-dire l'analyse, avant même que les conteneurs arrivent, afin de mieux cibler les contrôles.
Je terminerai par un feedback sur l'image que M. Chahid a utilisée, celle du cancer. C'est la bonne image. Pour combattre le cancer, surtout celui-là qui est déjà en phase de métastases, il faut s'attaquer bien sûr au cancer primaire mais aussi aux métastases. Il faut être prêt à utiliser toutes les méthodes thérapeutiques qui existent, comme on le fait dans la lutte contre le cancer, de la chirurgie à la chimiothérapie, à l'immunothérapie, etc. C'est pour cela que la task force est importante. Tout le monde doit être impliqué dans la lutte contre ce cancer.
Il faut vraiment que tout le monde se retrousse les manches, tant au fédéral que dans les entités fédérées, et tant les autorités publiques que le monde associatif. Croyez bien que je partage votre crainte qu'un jour une victime innocente soit touchée par ces fusillades, et je n'épargne pas une seconde de mon temps pour prendre toutes les mesures pour lutter de manière résolue dans ce qui est un combat difficile, que nous devons mener et dont nous devons accepter qu'il prenne encore du temps.
Éric Thiébaut:
Merci monsieur le ministre pour ces réponses très détaillées. Je me réjouis de l'annonce de la création d'un fonds drogue, que nous portions aussi depuis un certain temps. J'espère qu'il sera alimenté par les prises que l'on fait grâce aux résultats des enquêtes depuis des années, prises qui constituent des millions d'euros d'après ce que les magistrats nous avaient expliqué lors des auditions en commission Justice-Intérieur il y a quelques années.
Pour le reste, il est nécessaire d'avoir davantage de moyens pour faire face à cette crise et à ce risque de narco-État, dénoncé par une série de magistrats.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, dank voor uw omstandig antwoord. De strijd tegen drugs moet op alle fronten worden gevoerd. Ik zal uw antwoord nog eens nalezen.
Laat ik er wel enkele elementen uithalen, die mij zorgen baren. U stelt terecht dat de veiligheidsdiensten zichtbaarder moeten zijn in het straatbeeld en ik sta daar volledig achter. Tegelijkertijd verwijst u ook naar een cameranetwerk dat men over het hele land wil uitrollen. Daar ben ik dan weer een koele minnaar van. Ik pleit veel meer voor een doortastende, maar menselijke aanpak van onze veiligheidsdiensten en dat ontbreekt momenteel. Ik hoor u graag zeggen dat veiligheidsdiensten zichtbaar moeten zijn. Waarom worden die inspanningen niet volgehouden? Ik verwijs naar de razzia's van afgelopen zomer. Dergelijke acties moeten consistent worden uitgevoerd, anders is het slechts een doekje tegen het bloeden. De problematiek verschuift dan naar andere hotspots in onze hoofdstad. Het is nodig om wekelijks dergelijke razzia's te houden.
U sprak ook over de oprichting van een drugsfonds, waar ik volledig achter sta. Ook de nationale drugscommissaris vraagt daar al sinds de vorige legislatuur om en het duurt te lang, voor daar schot in de zaak komt. We hadden allang werk moeten maken van zo'n drugsfonds om het systeem van follow the money in de praktijk te brengen.
Op mijn vraag over de bedreiging van magistraten hebt u niet uitgebreid geantwoord. Dat hangt waarschijnlijk samen met de beveiligingstoestand en de opgelegde vertrouwelijkheid van politie- en beveiligingsdiensten daaromtrent. Uit uw antwoord leid ik wel af dat de beschermingsmaatregelen zullen worden aangescherpt, omdat het fenomeen aan kracht wint. Ik hoop vooral dat er geen slachtoffers vallen, vooraleer men hier de urgentie van inziet. Niet alleen magistraten verdienen bescherming, maar ook personen die andere openbare functies vervullen, zoals journalisten en advocaten.
Wat de inzet van het leger betreft, u maakt zich sterk dat het gaat om gemengde patrouilles. Heb ik dat correct begrepen, mijnheer de minister? Ik betwijfel, samen met heel wat politiemensen, of dat in de praktijk wel goed zal werken. Militairen genieten een andere opleiding dan onze politiemensen. Politiemensen staan in voor de openbare orde. Ik vind het wel een goede zaak, onze partij heeft dat ook altijd gesteund, dat militairen in het straatbeeld aanwezig zijn. Wij moeten inderdaad dat politiek signaal geven, om aan te geven dat het ons menens is. Naar aanleiding van de terrorismeaanslagen, jaren geleden, hebben we ook militairen door de straten laten patrouilleren. Dat had inderdaad een effect, want de criminaliteitscijfers zakten zienderogen. Ik hoop dat dat ook nu het effect zal zijn.
Om nu onmiddellijk dezelfde bevoegdheden van politieagenten ook aan militairen te geven, of omgekeerd, lijkt mij echter een moeilijke, praktische zaak, zeker om zo'n strategie op het terrein uit te rollen. Ik hoor nogal wat vragen rijzen over de coördinatie. Wie stuurt aan? Wie is leidinggevend? Is er een commandocentrum? Is het de lokale korpschef, die bepaalt hoe de gemengde patrouilles worden ingezet? Zo ja, waar worden die ingezet? Wat zijn de opdrachten van die gemengde patrouilles?
Terwijl we nog aan het wachten zijn op de eengemaakte politiezone in Brussel, zijn we precies al aan het lopen met de gemengde patrouilles. Ik heb daar misschien niet zoveel vertrouwen in als u. Ik hoor ook op het terrein, zeker in politiekringen, nog veel vragen daarrond. Ik hoop dat u daarin alleszins duidelijkheid kunt brengen.
Tot slot, ik hoor het u graag zeggen dat de taskforce duidelijk zijn, dat iedereen de mouwen moet opstropen en dat de strijd tegen drugs er eens is van iedereen. Dat is allemaal waar, mijnheer de minister, maar ik zie de taskforce in de praktijk niet. Ik zie geen concrete maatregelen. Het blijft wachten op resultaten. De drugsstrijd is terug van nooit weg geweest. Het wordt alleen maar erger in onze straten. Ik had gehoopt op een sense of urgency bij de taskforce. Ik had gehoopt dat de premier en u en andere ministers daar wel concretere maatregelen tegenover zouden zetten. Ik zie dat momenteel niet gebeuren. Ik hoop dat daarin alleszins verbetering komt.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Elles sont beaucoup plus précises et concrètes que ce que j'ai pu avoir jeudi dernier en séance plénière. Je vous en remercie.
Je tiens aussi à saluer les réponses en matière de renforts pour la police judiciaire fédérale, et ce qui va arriver. On sent bien que vous êtes bien impliqué dans votre fonction et que ce combat vous tient à cœur tout comme à nous.
Puisque j'ai enfin la réponse sur la task force – sur la mise en place de laquelle je n'avais pas encore reçu d'éléments nouveaux – j'ose espérer que l'ensemble du gouvernement est maintenant sur la même longueur d'onde que vous, et que vos collègues vous appuieront dans vos demandes budgétaires pour ce combat, qui doit être le nôtre.
Comme j'ai déjà pu le dire dans cette commission, je pense vraiment que dans le combat contre les trafiquants de drogues, contre le narcotrafic, il n'y a pas de majorité ni d'opposition. C'est un combat commun que nous devons mener, quel que soit le niveau de pouvoir ou la place qu'on occupe, pour défendre notre démocratie, défendre la place de l'État en Belgique; un État fort, face à ces voyous qui sont avant tout là pour tuer nos enfants, point à la ligne. Il ne faut pas chercher midi à 14 heures. Je pense vraiment qu'il faut y mettre les moyens.
Je vous remercie pour les réponses apportées. Nous continuerons évidemment à suivre avec un grand intérêt l'évolution de la mise en œuvre des différentes mesures qui seront prises. J’espère des moyens importants dans le budget 2026. Merci.
François De Smet:
Merci, monsieur le ministre. Nous ne doutons pas de vos engagements, et je vous sais sincère. Merci pour vos réponses sur le renforcement des effectifs sur le terrain. Je n'ai pas d'inquiétudes avec ce gouvernement sur l'aspect "rue". Je sens votre ambition.
Je reste inquiet sur la recherche de l'argent. Vous avez décrit ce qui a été fait. Nous allons voir. Je suivrai cela avec attention.
Tout de même, vous avez parfois un certain discours de relativisation sur le port d'Anvers. Vous m'avez repris en disant: "Attention, toute la cocaïne n'entre pas à Anvers." Je voudrais relever juste un chiffre: en 2023, la douane belge a saisi 121 tonnes de cocaïne dans l'ensemble du pays. Sur ces 121 tonnes, 116 ont été saisies au port d'Anvers. Ce n'est "que" 96 %. C’est quand même… Je ne fais pas de fixette sur Anvers par plaisir, mais il n'y a pas photo, entre cette voie d'entrée – malheureusement – et le reste.
Alors, oui, on saisit de la drogue ailleurs. Par exemple, en 2024, on a saisi 120 kilos de drogue à l'aéroport de Zaventem dans des colis postaux.
On saisit quelques kilos d'un côté, des tonnes de l'autre. Voilà pourquoi j'interrogerai également M. Jambon, jusqu'à ce qu'un membre du gouvernement veuille bien me répondre sur le scan actuel, le pourcentage, le résultat que vous voulez atteindre et avec quels moyens. Néanmoins, je crains quelque peu que ce renvoi de balles ne soit pas toujours à la hauteur du combat, pour lequel nous avons en effet besoin d'une union non seulement de la majorité et de l'opposition, mais surtout de tous les départements régaliens en même temps.
Je vous le répète, et ce n'est pas moi qui avais pointé le problème mais bien le procureur général, Frédéric Van Leeuw: tant que le taux de détection restera aussi faible dans cette principale voie d'entrée, nous n'arrêterons pas les tirs et les fusillades à Bruxelles. Là est le nœud du problème.
Xavier Dubois:
Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse très détaillée. J'entends que beaucoup de choses bougent, et c'est une bonne chose, même s'il reste énormément de travail à réaliser. Pour répondre à l'interpellation du collègue De Smet concernant la nécessité de garantir une coordination et une implication de tous les membres, je citerai cet objectif de task force , et je pense qu'il est vraiment primordial que tous les départements concernés s'inscrivent dans cette dynamique. J'entends ici que la méthodologie a été définie et finalisée, de sorte qu'il faut à présent se mettre au travail et garantir cette vision, cette coordination sur l'ensemble des thématiques concernées.
Sur le fonds Drogues, je me réjouis qu'un cadre légal ait été préparé. Il me semble assez urgent de le rendre opérationnel le plus rapidement possible, d'abord en raison des besoins, mais aussi en raison des enjeux budgétaires actuels. Je pense que le moment est idéal pour proposer ce texte dès que possible, afin que nous sachions quelles sont les recettes affectées, comment seront utilisés ces moyens et comment ils seront répartis. Fixer des règles peut paraître simple, mais en l'occurrence, il s'agit de règles complexes, qui doivent faire en sorte que le département soit le mieux alimenté possible.
Concernant les patrouilles mixtes avec la Défense, j'entends votre objectif de disposer d'une première patrouille d'ici la fin de l'année, et je m'en réjouis. Cela dit, que pourra-t-elle faire? C'est une autre question. Quelles seront ses compétences? Il y aura bien entendu des effets en matière de visibilité des uniformes dans la rue, c'est une chose, mais au-delà de cela, que feront ces patrouilles?
Enfin, j'ai une suggestion à vous faire, pour éviter que la même question soit posée à de multiples reprises. Il serait peut-être intéressant de disposer d'une sorte de tableau de bord de l'ensemble des actions et projets qui figurent dans l'accord du gouvernement, et que ce tableau puisse nous être transmis régulièrement. Cela nous permettrait d'assurer un suivi régulier et concret de l'ensemble des actions.
Pour le reste, je vous remercie et je vous souhaite une excellente soirée à Saint-Gilles.
Rajae Maouane:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Comme vous l'avez dit, le rôle de la police fédérale n'est pas de se substituer aux communes, mais justement de répondre aux lacunes qui sont parfois structurelles, et d'apporter un renforcement là où c'est nécessaire.
Malheureusement, on voit souvent l'inverse aujourd'hui. On voit que l'on déploie des forces fédérales pour combler des manques sans cadre stratégique réellement réfléchi, sans stratégie commune, sans cohérence opérationnelle et sans que cela ne change réellement la situation sur le terrain. C'est ce que nous rapportent les acteurs de terrain, les habitants et habitantes, ainsi que les associations présentes sur le terrain. C'est une approche qui a un impact direct sur la sécurité des citoyens.
Je crains que l'on n'entretienne l'illusion d'une action tout en laissant les habitants continuer à en subir les conséquences. Ce que veulent les habitants et habitantes – et c'est légitime – c'est être en sécurité chez eux.
On voit aussi que des dysfonctionnements de cette nature minent la crédibilité de l'action publique. J'attends des forces de l'ordre qu'elles soient exemplaires mais il faut aussi que les autorités le soient. Il faut une action coordonnée et réfléchie, sous peine d'accumuler les frustrations tant chez les habitants que chez les policiers, ce dont rien de bon ne pourrait ressortir.
J'insiste vraiment sur le fait que, pour nous en tant qu'écologistes c'est précisément cela le plus important: garantir la sécurité des habitants et des citoyens et citoyennes et garantir aussi l'efficacité et la cohérence de l'action publique. C'est là une condition indispensable à nos yeux: restaurer la confiance entre les citoyens et les forces de l'ordre, agir dans le respect des droits et protéger la population à ce niveau-là.
Bernard Quintin:
Je vous remercie, parce qu'il s'agit d'un débat important. Je voudrais apporter quelques précisions. Je ne reviendrai pas sur Anvers – les chiffres sont là et l'on contrôle peut-être moins ailleurs. Je ne peux pas vous dire que, demain, l'aéroport de Liège concurrencera le port d'Anvers dans ce triste palmarès. Je ne me débine pas, je veux bien répondre pour la douane mais la douane n'est pas encore sous mon autorité. J'espère du reste qu'elle ne le sera pas parce que mes nuits sont déjà suffisamment courtes.
Permettez-moi un clin d'œil: j'avais noté "TF" au bout de mon papier, et j'ai repris sur la task force mais en fait je voulais parler du "tribunal financier". Je sais que c'était l'idée d'un de vos coreligionnaires, qui a de nombreuses idées qu'il n'a pas mises en œuvre quand il était à la manœuvre. Le tribunal financier français a été mis en œuvre parce qu'il n'avait pas, justement, toutes ces capacités d'enquête financière que nous avons déjà dans notre propre système.
C'est toujours une bonne chose de s'inspirer de ce qui se fait ailleurs. Je rappelle que j'ai été diplomate pendant 25 ans. Mais il faut aussi porter notre modèle quand il fonctionne bien. Nous devons renforcer ce que nous avons, plutôt que de venir chaque fois avec de nouvelles choses. Je suis bien d'accord avec vous, monsieur De Smet, quant au fait qu'il faut renforcer nos capacités. C'est l'intérêt du Commissariat national drogue, de Follow the value et de tout ce que nous mettons en œuvre.
Concernant les patrouilles mixtes – dommage que M. Dubois soit parti –, si l'on revenait sur l'économie budgétaire de 30 % sur les cabinets, je pourrais engager trois ou quatre personnes pour faire tous les tableaux qu'on me demande chaque jour, comme si j'avais besoin de tableaux pour accomplir mon travail.
Il y a beaucoup de choses à faire et, je suis d'accord avec vous, madame Maouane, c'est une question d'efficacité. Je n'habite pas à Anderlecht ou à Molenbeek, mais je n'habite pas loin et j'y vais souvent. Je n'ai qu'un seul intérêt, avec les collègues de mon cabinet et du gouvernement et la police tant locale que fédérale, c'est d'assurer la sécurité de nos concitoyens. Je pense que personne n'a de doute à ce sujet.
Il faut trouver les bonnes méthodes. Je suis de ceux qui pensent que, pour que ça marche, il faut qu'on prenne le temps de construire un système qui soit le plus structuré et le plus efficace possible. C'est la combinaison du temps très court, qui est celui de la sécurité, et du temps plutôt long d'une expérience que j'ai accumulée dans les relations internationales. J'essaie de combiner ces deux éléments, de répondre à des choses très concrètes aujourd'hui, mais, si on ne prend que des mesures de court terme, on finira par tourner en rond et on aura exactement l'effet contraire.
Quand on fait des choses qui ne fonctionnent pas et puis qu'on en essaie d'autres, si rien ne fonctionne, on ajoute finalement de la misère à la misère. C'est extrêmement dur.
Vous savez que vous pouvez compter sur moi, et je compte aussi tant sur la majorité que sur l'opposition pour que chacun joue son rôle et qu'on puisse vraiment y arriver. Je sais que ce n'est pas un message politiquement facile à porter, c'est un combat de longue durée, qui va demander des moyens. J'ai déjà reçu des moyens supplémentaires et je n'hésiterai pas à en redemander au fur et à mesure du développement des différents plans que j'ai mis sur la table, pour être certain qu'ils puissent avoir des résultats à tous les niveaux de la chaîne et dans tout le pays.
J'ai parlé du plan Grandes Villes, qui est évidemment important pour Bruxelles et Anvers, ainsi que pour les autres grandes villes. C'est aussi une manière de mettre en place un maillage pour le reste du pays. Nous ne pouvons pas négliger le fait que la Belgique est non seulement le réceptacle, à Anvers et ailleurs, de beaucoup de drogues, mais qu'elle est aussi devenue, par le biais des drogues de synthèse, singulièrement, un pays producteur et exportateur de drogue. Il convient donc d'en tenir compte. Je vous remercie de votre attention.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vais brièvement répondre à votre clin d'œil. Vous n'allez quand même pas reprocher à mon ancien collègue Michel Claise, puisque c'est à lui que vous faites allusion, de ne pas avoir créé tout seul, de ses blanches mains, lorsqu'il était juge d'instruction, un parquet national financier alors qu'à l'évidence, il incombait à l'exécutif ou au législateur de le faire. Si nous l'avons proposé avec lui, c'est par le fruit de son expérience. Encore une fois, il ne s'agit pas d'installer un nouveau bidule; mais de rassembler des compétences que l'on trouve dans les parquets Ecofin et dans d'autres instances et qui mériteraient simplement d'être réunis et de jouir d'une indépendance qui n'est pas toujours présente au sein des structures qui, pour l'instant, poursuivent le crime organisé. Voilà la simple précision que je tenais à apporter.
De behandeling van personen met sikkelcelziekte
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De drépanocytose, de meest voorkomende genetische aandoening in België (50.000 patiënten), kampt met onbekendheid bij zorgverleners, late diagnoses en onvoldoende behandelopties, ondanks vooruitgang zoals neonataal screening in Wallonië en een gespecialiseerd centrum in Erasme. Minister Vandenbroucke bevestigt dat de innovatieve gentherapie *Casgevy* (Vertex) voor kinderen werd geweigerd voor terugbetaling door mislukte onderhandelingen, maar een tweede aanvraag is in voorbereiding—andere therapieën zitten nog in preklinische fase. Geen federale of interministeriële actieplannen zijn momenteel voorzien, aangezien medicijnterugbetaling federaal is en de CIM Santé publique het dossier nog niet behandelde. De financiële en structurele uitdagingen (zoals automatisering van voordelen zoals derdenbetaler) blijven onopgelost, ondanks een Senaatsresolutie van december 2023.
François De Smet:
Monsieur le ministre, la drépanocytose est une maladie dont on ne parle pas souvent, alors que plus de 50 000 personnes en sont atteintes dans notre pays. Elle est toujours perçue comme une maladie honteuse mais je crois que c'est la maladie génétique la plus courante dans notre pays.
La Fédération Wallonie-Bruxelles a systématisé en 2023 le dépistage de la drépanocytose à tous les nouveau-nés grâce au test de Guthrie, ce qui constitue un grand progrès – même si cela ne relève pas de vos compétences.
Bien qu'il s'agisse de la première maladie génétique en Belgique, la drépanocytose demeure largement méconnue de nombreux professionnels de la santé, ce qui a des conséquences lourdes sur la prise en charge des patients qui se heurtent trop souvent à des diagnostics tardifs, des traitements inadaptés et un manque de considération de leur souffrance.
En juin 2024, l'hôpital Erasme a inauguré une unité d'hospitalisation dédiée exclusivement aux adolescents et aux adultes atteints de drépanocytose, qui demeure à ma connaissance le seul centre de référence en Belgique.
Le 22 décembre 2023, le Sénat a adopté une résolution pour que le gouvernement fédéral mène des politiques cohérentes et intégrées en vue de mettre en place des mesures visant à contrer les difficultés de prise en charge, de faciliter l'accès aux soins et aux compensations sociales pour les drépanocytaires, de réfléchir avec les mutualités à la façon d'automatiser l'octroi d'avantages tels que le tiers payant et de développer également des centres médicaux.
Monsieur le ministre, des mesures d'amélioration de la prise en charge financière de certains traitements de la drépanocytose sont-elles envisagées par l'INAMI ou par vous-même en dépit du contexte budgétaire difficile que nous connaissons? La Conférence interministérielle Santé publique entend-elle par ailleurs mettre prochainement ce dossier à son agenda en vue d'une collaboration plus étroite?
Frank Vandenbroucke:
La firme pharmaceutique Vertex a introduit en 2024 une demande de remboursement pour la spécialité Casgevy destinée aux enfants atteints de drépanocytose auprès de la Commission de remboursement des médicaments (CRM).
Ce dossier s'est malheureusement soldé par une décision négative suite à l'absence d'accord dans le cadre de la négociation qui s'est déroulée en vue de la conclusion d'une convention.
La firme a récemment participé à une réunion de pré-soumission au sein du bureau de la CRM, au cours de laquelle elle s'est montrée disposée à soumettre une deuxième demande de remboursement pour la spécialité Casgevy.
Nous ignorons à ce jour si une deuxième procédure de remboursement permettra d'obtenir une admission au remboursement de cette spécialité en Belgique.
En dehors de la spécialité Casgevy, l'arrivée d'aucune autre spécialité n'est actuellement prévue dans le cadre du traitement de la drépanocytose. Selon les informations dont je dispose, la thérapie génique est encore à un stade de développement précoce et nécessite encore du temps avant d'être une option thérapeutique dans cette pathologie.
S'agissant de votre deuxième question, étant donné que le remboursement des médicaments relève de la compétence fédérale, ce dossier n'a pas encore été examiné par la Conférence interministérielle Santé publique.
François De Smet:
Je remercie le ministre pour sa réponse. La présidente : La question n° 56009362C de Mme Muylle est reportée. Les questions jointes n° 56009363C de Mme Muylle et n° 56010499C de M. Piedboeuf sont reportées. La question n° 56009386C de M. Van Lommel est transformée en question écrite. M. Dufrane n'étant plus là, ses questions n° 56009402C et n° 56009405C sont transformées en questions écrites. La question n° 56009417C de Mme Depoorter est transformée en question écrite. La question n° 56009594C de Mme Maouane est transformée en question écrite. La question n° 56009600C de M. Gatelier est reportée. La question n° 56009698C de Mme De Knop est transformée en question écrite. La question n° 56009713C de Mme Depoorter est transformée en question écrite. Les questions jointes n° 56009714C de Mme Depoorter et n° 56010574C de Mme Van Hoof sont transformées en questions écrites.
De bescherming van de consument tegen de verboden waterbehandelingspraktijken van Nestlé
De bewezen fraude door mineraalwaterproducenten in Frankrijk
Fraude en misleidende praktijken in de mineraalwaterindustrie
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een Franse Senaatscommissie onthulde dat Nestlé (Perrier/Vittel) jarenlang illegale behandelingen (microfiltratie, bestraling) gebruikte om verontreinigingen (pesticiden, PFAS) in mineraalwater te verdoezelen, met actieve medeplichtigheid van de Franse overheid. België bevestigt dat dergelijke methodes hier verboden zijn en dat de AFSCA geen afwijkingen vond bij Nestlé België (Etalle), hoewel een gerechtelijk onderzoek loopt en de 0,2-micrometerfilters in 2024 werden verwijderd na een waarschuwing van het SPF Volksgezondheid. Geen direct gezondheidsrisico voor Belgische consumenten, maar verhoogde controles en waakzaamheid zijn nodig, vooral voor grensoverschrijdende aankopen van mogelijk gefraudeerd Frans water.
Sarah Schlitz:
Madame le présidente, ma question date également du mois de mai. Depuis lors, si je peux me permettre, pas mal d'eau a coulé sous les ponts.
Monsieur le ministre, le 20 mai dernier, une commission d’enquête du Sénat français a rendu un rapport accablant concernant les pratiques de Nestlé Waters dans la production et la commercialisation de certaines eaux minérales, en particulier la marque Perrier. Selon ce rapport, la multinationale aurait utilisé pendant plusieurs années des systèmes de traitement interdits, tels que la microfiltration à 0,2 micron et le rayonnement, pour masquer la présence de contaminants chimiques, dont des pesticides interdits, des nitrates et des PFAS.
La commission dénonce une dissimulation systématique de ces infractions par plusieurs échelons de l’État français, jusqu’à l’Élysée. Des rapports de l’Agence régionale de santé ont été modifiés, sur demande explicite de Nestlé, pour supprimer toute référence aux contaminations. Le préfet du Gard, en lien avec le cabinet ministériel de la Santé, a lui-même été impliqué dans cette manœuvre. Bref, je vous parle ici d'un scandale d'État.
Malgré ces révélations, aucune mesure de retrait ni de suspension de la commercialisation de l’eau Perrier n’a été prise à ce jour, y compris dans d’autres pays européens, dont la Belgique.
La législation belge, alignée sur les normes européennes, interdit les traitements chimiques ou par rayonnement pour les eaux minérales naturelles. Seuls certains traitements physiques, tels que l'élimination du fer ou du gaz, sont autorisés sous conditions strictes. L’AFSCA réalise des échantillonnages annuels pour détecter d'éventuels contaminants.
Monsieur le ministre, au vu de ce scandale des traitements interdits tels que le rayonnement et la microfiltration qui ont été utilisés en France, comment allez-vous nous assurer que ceux-ci n’ont pas été utilisés en Belgique?
L’AFSCA, le SPF Santé publique ou le SPF Économie ont-ils été informés, par les autorités françaises ou par la Commission européenne des résultats de cette enquête ou des mesures sanitaires prises en France? Sinon, avez-vous initié un contact officiel pour demander des explications ou des analyses complémentaires?
Enfin, Nestlé possède également une usine à Étalle, en province de Luxembourg, qui a fait l’objet d’une perquisition judiciaire en mars 2025. Pouvez-vous nous informer du motif précis de cette perquisition, de l’état de la procédure en cours et des suites que votre administration a données aux éléments éventuellement relevés à cette occasion?
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, c'est un véritable scandale qui a été révélé après le travail d'une commission d'enquête sénatoriale en France. Plusieurs minéraliers, dont Nestlé Waters, ont utilisé des systèmes de purification interdits pour décontaminer leur eau de source.
La commission d'enquête va même jusqu'à blâmer l'État qui aurait délibérément dissimulé ces fraudes à grande échelle face au lobbying du géant de l'agroalimentaire. Au total, au moins 30 % des marques françaises auraient eu recours à des traitements non conformes, dont le point de départ vient d'un lanceur d'alerte. Des bouteilles de Vittel, Contrex, Hépar ou encore Perrier ont été vendues comme naturelles, alors que l'eau était passée par des processus de désinfection chimique.
Selon Nestlé Waters, il n'y a aucun risque pour les consommateurs, sans en apporter toutefois la preuve.
Dans les supermarchés, notamment proches de la frontière, les Français reconnaissent souvent les Belges à leurs caddies remplis de packs d'eau. Je lis d'ailleurs que cet Eldorado reste d'actualité pour les Belges. Bien que la France ait récemment augmenté la TVA de 5,5 % à 20 %, le pack de six bouteilles coûte 1,30 euro, soit 50 centimes de moins qu'en Belgique où le prix moyen d'un tel pack est de 1,80 euro.
Cette fraude attestée des minéraliers en France réclame, selon moi, une attention particulière, notamment par rapport au nombre de Belges qui traversent la frontière pour aller faire leurs courses en France.
Monsieur le ministre, quel est votre retour sur cette fraude attestée des minéraliers en France? Quel impact a-t-elle pu entraîner sur la sécurité alimentaire et la santé des consommateurs belges? Y a-t-il eu des risques? Nestlé Waters a-t-elle apporté des preuves concrètes à ce sujet? Enfin, quel suivi allez-vous ou avez-vous donné à ce scandale?
David Clarinval:
La directive européenne relative à l'exploitation et à la mise dans le commerce des eaux minérales naturelles a été transposée en droit national par l'arrêté royal du 8 février 1999 concernant les eaux minérales naturelles et les eaux de source. Cette législation établit le principe général d'interdiction des traitements de ces deux types d'eau. Seul un nombre limité de traitements sont autorisés.
La cellule anti-fraude de l'AFSCA mène, en collaboration avec le SPF Économie, des contrôles ciblés auprès des producteurs belges d'eau minérale naturelle. Ces contrôles visent à examiner les méthodes de traitement appliquées à l'eau, notamment l'éventuel recours illégal à des systèmes de filtration. Les traitements tels que le filtrage sur charbon actif, le traitement avec le rayonnement UV ou l'usage de sulfate de fer sont strictement interdits.
La microfiltration est permise à condition qu'elle n'ait pas d'effet désinfectant sur la flore microbienne présente dans l'eau captée à l'émergence et/ou qu'elle ne la modifie pas de manière significative. La dénomination "eau minérale naturelle" ou encore "eau de source" est effectivement interdite si des traitements autres que ceux prévus dans la législation en vigueur sont appliqués. En cas d'infraction constatée officiellement, le SPF Santé publique peut retirer l'autorisation de commercialisation aux opérateurs belges incriminés.
La législation prévoit également que les eaux traitées illégalement sont déclarées nuisibles, ce qui peut impliquer un retrait du commerce par l'autorité chargée du contrôle officiel. Mes administrations n'ont pas été officiellement informées par les autorités françaises. Néanmoins, un contact a été établi via le système européen d'alerte rapide sans qu'aucune réponse n'ait été reçue à ce jour, selon les informations actuellement disponibles.
La fraude constatée en France ne constitue pas un risque pour la sécurité alimentaire. Il convient toutefois de rappeler que toute méthode de traitement altérant la composition originelle de l'eau minérale naturelle ou de l'eau de source est interdite, même si elle vise à renforcer la sécurité de l'eau. Bien évidemment, l'eau, même filtrée, reste toujours potable.
Le producteur belge concerné a bien été inspecté dans le cadre des contrôles susmentionnés. Une enquête judiciaire est en cours à l'encontre de cet opérateur.
Par conséquent, aucune information complémentaire ne peut être communiquée à ce stade, de façon à préserver l'intégrité de la procédure judiciaire.
Enfin, à la suite d'analyses scientifiques, le SPF Santé publique a rendu des conclusions négatives sur le principe de la filtration à 0,2 microgrammes mis en place par Nestlé, qui considérait cela comme autorisé.
Dans un courrier daté du 21 mai 2024, le SPF a imposé au fabricant de retirer les filtres en question et de se mettre en conformité avec la législation. Dès le 21 mai 2024, ces filtres ont donc été retirés. Les résultats d'un contrôle mené par l'AFSCA en février 2025 montrent que Nestlé a pris les mesures nécessaires en retirant effectivement les filtres, et que les nouvelles actions – nettoyage et désinfection des drains – sont efficaces.
Sarah Schlitz:
Merci pour ces réponses, monsieur le ministre. Nous analyserons tout cela au regard des législations actuelles.
Je m'étonne néanmoins du peu d'émoi suscité par ces infractions conscientes de Nestlé. Nous connaissons tous les méthodes utilisées par ce type de multinationales, notamment dans les pays du Sud. Il s'agit aujourd'hui d'un scandale sanitaire ici et en France.
Je pense donc qu'aujourd'hui, un véritable rappel à la règle doit être fait vis-à-vis de ces multinationales et que les contrôles doivent être multipliés sur l'ensemble des entreprises qui seraient susceptibles d'effectuer le même type d'actes totalement illégaux et dangereux pour la santé de nos consommateurs. Je compte sur votre vigilance, monsieur le ministre.
Patrick Prévot:
Merci monsieur le ministre de nous avoir livré un instantané de la situation.
J'habite Soignies, non loin de la frontière, et je connais de nombreuses personnes qui, malheureusement, vont faire leurs courses à Louvroil, du côté de Valenciennes. Quand un scandale sanitaire éclate en France et qu'il affecte la grande distribution, nous devons avoir le réflexe de nous dire que certaine Belges pourraient être directement concernés parce qu'ils vont faire leurs courses en France, étant donné que plusieurs produits – dont l'eau – sont moins chers là-bas. C'est, du reste, le sujet qui nous occupe ce matin.
J'ai bien écouté vos réponses. Manifestement, tout est sous contrôle. En tout cas, restons vigilants. Lorsqu'un scandale sanitaire éclate en France et qu'il touche la grande distribution, nous devons rester attentifs puisque les Belges frontaliers traversent facilement la frontière pour faire leurs courses dans les supermarchés français.
David Clarinval:
Madame la présidente, permettez-moi une précision pour le compte rendu. Il s'agit de 0,2 micromètre. Je me suis trompé tout à l'heure. La présidente : Oui, monsieur le ministre, il me semblait en effet que c'était trop volumineux.
De diplomatieke bescherming van de Belgische staatsburgers aan boord van de vloot naar Gaza
Het naar de Palestijnse gebieden versluisde Belgische geld
De dringende invoering van een importverbod
De deadline in het Amerikaanse stappenplan en de reactie van Hamas
De repatriëring van de Global Sumud Flotilla
Het staakt-het-vurenplan in het Midden-Oosten
De afwikkeling van de repatriëring van de Thousand Madleens Flotilla
Het staakt-het-vuren in Gaza
De heropstanding van Hamas in Gaza
De EU-Raad van 23 oktober
De budgetten voor ontwikkelingssamenwerking en Belgische humanitaire hulp voor Gaza
De vernieling door Israël van door België gefinancierde infrastructuur op de Westbank
De schending van het staakt-het-vuren en de hervatting van de genocide in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
De Belgische medeplichtigheid aan de Israëlische bezetting
De vernieling van humanitaire bouwwerken op de Westelijke Jordaanoever
Het politieke akkoord in Gaza
De hulpvloten voor Gaza en de werking van de consulaire diensten
Het staakt-het-vuren in Gaza
De gevangenhouding van Marwan Barghouti door Israël
Fase 2 van het staakt-het-vuren in Gaza
Het recordaantal kolonistenaanvallen in oktober
De genocide in Gaza
Gaza
De naleving van de akkoorden over het staakt-het-vuren in Gaza
Het vredesakkoord van Sharm el-Sheikh en de uitvoering ervan
Belgische betrokkenheid, Gaza-conflict en humanitaire crisis in het Midden-Oosten
Gesteld door
PS
Lydia Mutyebele Ngoi
VB
Sam Van Rooy
Vooruit
Achraf El Yakhloufi
N-VA
Kathleen Depoorter
N-VA
Kathleen Depoorter
N-VA
Kathleen Depoorter
N-VA
Kathleen Depoorter
PTB-PVDA
Nabil Boukili
N-VA
Kathleen Depoorter
N-VA
Kathleen Depoorter
Ecolo
Rajae Maouane
Ecolo
Rajae Maouane
Ecolo
Rajae Maouane
PS
Khalil Aouasti
PTB
Ayse Yigit
PTB
Ayse Yigit
CD&V
Els Van Hoof
Les Engagés
Pierre Kompany
Les Engagés
Pierre Kompany
VB
Britt Huybrechts
PS
Christophe Lacroix
Vooruit
Achraf El Yakhloufi
Vooruit
Achraf El Yakhloufi
PTB-PVDA
Nabil Boukili
CD&V
Els Van Hoof
Les Engagés
Pierre Kompany
PS
Christophe Lacroix
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de fragiele wapenstilstand tussen Israël en Hamas en de Belgische/Europese rol in het conflict, met focus op vier kernthema’s: 1. Kritiek op het "Trump-plan" en de VN-resolutie: deze worden gezien als koloniaal, eenzijdig (pro-Israël) en negeren kernkwesties zoals bezetting van de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem, en de tweestatenoplossing, terwijl Hamas’ ontwapening en Israëlische terugtrekking onzeker blijven. 2. Belgische maatregelen onder vuur: ondanks beloftes (importverbod nederzettingsproducten, sancties, erkenning Palestina) ontbreekt concrete uitvoering—Belgische banken en bedrijven blijven betrokken bij Israëlische bezettingseconomie, en consulaire steun aan kolonisten werd pas recent stopgezet; het importverbod vertraagt door bureaucratie. 3. Humanitaire crisis en mensenrechtenschendingen: marteling van Palestijnse gevangenen (inclusief verkrachtingen), blokkade hulp Gaza (slechts 150/600 nodige vrachtwagens per dag), en kolonistengeweld in Cisjordanie (recordaantal aanvallen in oktober) blijven ongestraft, terwijl Israëlische schendingen van de wapenstilstand (240+ incidenten) worden gedoogd. 4. Toekomstperspectief somber: zonder politieke oplossing (tweestaten, Palestijnse zelfbeschikking) en effective druk op Israël (embargo’s, sancties) dreigt het conflict chronisch te blijven, met Hamas’ heropstanding in Gaza en versnippering Palestijns gebied als risico—terwijl de EU weifelt en België economische banden met Israël handhaaft.
Lydia Mutyebele Ngoi:
Monsieur le ministre, dans le cadre du débat d'actualité, j'ai souhaité aborder un sujet autre que celui initialement prévu, car l'actualité est dominée quotidiennement par un nouvel évènement. Le contexte dans cette partie du monde nous confronte à une actualité mouvante qui nous demande d'être flexibles. En Israël, l'actualité s'est concentrée récemment sur les conditions de la fuite dans les médias d'une vidéo figurant cinq soldats israéliens violant un détenu. Or les débats ont étrangement omis de dénoncer le fait lui-même, alors qu'il est symptomatique d'un phénomène dénoncé par les ONG ainsi que par les témoignages des détenus.
Plusieurs rapports témoignent en effet des conditions épouvantables dans lesquelles les Palestiniens vivent dans ces prisons: simulations de noyade, brûlures de cigarettes, privation d'eau et de nourriture, électrocutions, attaques de chiens, viols etc. La liste est bien trop longue. Les prisons israéliennes sont de plus en plus des zones de non-droit. L'usage de la torture et de traitements dégradants à l'encontre des Palestiniens y sont régulièrement décrits comme systématiques. Plus de 11 000 Palestiniens sont détenus et plus de la moitié d'entre eux sans aucune charge. Plus d'un millier d'enfants en font partie, sans aucun respect pour leurs droits, tandis que 500 femmes sont actuellement détenues, subissant quotidiennement tortures, humiliations, violences et viols, spécifiquement conçus pour humilier les femmes.
Une chose est sûre: le traitement inhumain des détenus palestiniens est symptomatique de la politique d'apartheid israélienne. Cette dernière s'applique à détruire la dignité palestinienne et est largement restée impunie. L'ONG israélienne B'Tselem parle d'une politique institutionnelle axée sur la maltraitance et la torture.
Quel dialogue entretenez-vous avec Israël sur ces rapports témoignant de traitements dégradants et inhumains infligés aux détenus palestiniens? La Belgique soutient-elle l'envoi d'observateurs internationaux pour examiner les conditions de détention dans les prisons? Pourriez-vous nous communiquer une évaluation du suivi des mesures prises par le kern ce 2 septembre notamment sur les sanctions et la reconnaissance conditionnelle de la Palestine, au vu de l'accord de paix de Trump et de la résolution du Conseil de sécurité?
Achraf El Yakhloufi:
Mijnheer de minister, ik start met mijn vraag over het importverbod. Verschillende Europese landen hebben de afgelopen maanden maatregelen genomen om de import van goederen uit Israëlische nederzettingen in bezet Palestijns gebied te verbieden. Slovenië heeft al een importverbod opgelegd en Ierland werkt aan een wet om een ban te implementeren. As we speak, worden Israëlische nederzettingen agressief uitgebreid ten koste van het Palestijnse landbezit en van Palestijnse levens, met voortdurende mensenrechtenschendingen. Het Internationaal Hof van Justitie bevestigde op 19 juli 2024 dat die nederzettingen illegaal zijn en dat landen passende maatregelen moeten nemen om daar niet aan mee te werken.
Het kernkabinet heeft op 2 september na een woelige zomer beslist om het voorbeeld van Ierland en Slovenië te volgen. De ministers van Economie, Financiën en Buitenlandse Zaken werden gelast een koninklijk besluit op stellen met het oog op een nationale importban van goederen die worden geproduceerd, ontgonnen of verwerkt in de door Israël bezette gebieden, inclusief de nodige controle op de naleving.
Kunt u een stand van zaken van dat beoogd koninklijk besluit geven? Wanneer zal het worden uitgewerkt en wanneer zal het van kracht worden? Heeft België contact opgenomen met Ierland en Slovenië om ervaringen uit te wisselen over de implementatie van de maatregelen? Indien ja, welke inzichten kwamen daaruit voort? Acht de regering het niet dringend dat KB zo snel mogelijk uit te vaardigen, gelet op de ernst van de situatie in de bezette gebieden?
Ik kom tot mijn vraag over het staakt-het-vuren. Een maand geleden werd het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas van kracht, na uitwisseling van gevangenen en gijzelaars en het na het opnieuw toelaten van humanitaire hulp.
Er zijn nu gesprekken opgestart voor fase 2 van het Amerikaanse staakt-het-vurenplan, die voor duurzame vrede moeten zorgen.
Na de initiële blijdschap van de Palestijnen en Israëli blijven nu heel veel belangrijke vragen open, ondanks Trumps grote woorden, niet het minst over de vredesmacht en het Palestijns bestuur. Terwijl Israël zich volledig moet terugtrekken langs de yellow line , vinden er bombardementen plaats. Bovendien weigert Israël elke betrokkenheid van de Palestijnse Autoriteit. Het legt de vinger op de wonde: dit is een plan gemaakt door Amerikanen, met minimale participatie van de Palestijnen en bovendien is het eerder een ultimatum dan een onderhandeld vredesakkoord. Het zwijgt ook volledig over de steeds sneller groeiende en voortdurende illegale kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever door Israël.
Mijnheer de minister, ik heb de volgende vragen. Gelet op de grote obstakels, zoals de Israëlische afwijzing van de Palestijnse Autoriteit en de Israëlische bombardementen langs de ye llow line , deelt u de analyse dat de tweede fase, bij gebrek aan duidelijke mechanismen en druk op de partijen, een zeer hoge kans op mislukken heeft?
Er bestaat diepe twijfel over de haalbaarheid van de multinationale veiligheidsmacht. Welke informatie hebt u daarover ontvangen van onze partners? Wat is de Belgische analyse van de levensvatbaarheid van dat VS-plan? Werd België of de EU reeds benaderd om hierin een rol te spelen? Er wordt gewaarschuwd voor een de facto opdeling van Gaza, waarbij Israël 53 % van het gebied controleert en Hamas de rest. Hoe evalueert u dat risico op een permanente versnippering? Welke concrete druk zet België, bilateraal en binnen de EU, op de Israëlische regering om de uitbreiding van de kolonisatie op de Westelijke Jordaanoever, die ook tijdens het staakt-het-vuren doorgaat, onmiddellijk te stoppen, en de afspraken van het staakt-het-vurenakkoord na te leven?
Mijnheer de minister, ik heb ook nog een vraag over de kolonistenaanvallen in oktober. Hoe beoordeelt u die nieuwe escalatie, met name de aanval op de moskee en het recordaantal geregistreerde kolonistenaanvallen in oktober?
Welke dringende stappen onderneemt België, zowel bilateraal als binnen de EU, om druk uit te oefenen op Israël om het geweld en de straffeloosheid op de Westelijke Jordaanoever daadwerkelijk aan te pakken?
Hoe ziet u nog perspectief voor een politiek proces richting vrede, zolang de Westelijke Jordaanoever geteisterd wordt door steeds intensiever kolonistengeweld en een verdere versnippering door illegale nederzettingen, die een Palestijnse Staat fysiek onmogelijk maken?
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, ik verwijs naar mijn schriftelijk ingediende vragen. Ik heb er heel veel ingediend. Ik hoor graag uw antwoorden, en ik ben ervan overtuigd dat u de huidige inzichten inzake het VN-plan dat is goed gekeurd, ook zult meegeven.
Voorzitter:
Dank u wel, dat is efficiënt.
Kathleen Depoorter:
Op 3 oktober verklaarde de Amerikaanse president Trump dat hij de terreurorganisatie Hamas tot zondag middernacht geeft om een antwoord te geven op het plan dat hij eerder die week lanceerde. Zoniet voorziet de Amerikaanse president in een aanzienlijke escalatie. In dit 20-puntenplan wordt voorzien in de ontwapening van de organisatie en dat deze geen rol meer kan spelen in het verdere proces. Er zou ook een regering van technocraten aangesteld worden die de heropbouw van Gaza moet overzien.
Alle gijzelaars moeten volgens het plan vrijgelaten worden. De gehele Gazastrook zou niet geannexeerd worden door Israël – net zoals de Westelijke Jordaanoever – maar wel militair geneutraliseerd worden.
Enkele kleinere Palestijnse gewapende groeperingen wezen het voorstel af. Hamas zegt dat het de clausules aangaande de ontwapening van de terreurgroep wil heronderhandelen en vraagt ook “internationale garanties” betreffende het statuut van Gaza. Ondertussen spraken meerdere landen hun steun uit voor het plan.
Mijn vragen voor de minister:
1. Welke conclusies trekt u uit de reactie van Hamas die Hamas uitstuurde nog voor de deadline van 3 oktober?
2. Welke conclusies trekt u uit de reactie van Hamas na de deadline van 3 oktober – als die er is?
3. Hoe ziet u de vervolgstappen?
In de nacht van 1 op 2 oktober werd de Global Sumud Flotilla dat bestond uit een groep van een kleine veertig schepen door de Israëlische marine aangehouden. Israëlische regering benadrukt dat alle van de ongeveer 200 arrestanten van de vloot in goede gezondheid verkeren en heeft naar eigen zeggen de uitzettingsprocedure opgestart.
U verklaarde dat de rechten van de aangehouden Belgen gevrijwaard moeten worden en dat er zo snel mogelijk werk wordt gemaakt van een repatriëring. Daarnaast verklaarde u dat u uw diensten mobiliseert om consulaire bijstand te verlenen. De Zweedse regering verklaarde bij een eerdere poging dat zij die willen afvaren naar het gebied ten volle de risico’s kennen en dus niet op consulaire bijstand moesten rekenen.
Daarnaast riep Thunberg in juli op om de Zweedse regering onder druk te zetten door de nooddiensten te bellen en te berichten. Dit leidde tot de overbelasting van de nooddiensten waardoor andere Zweedse burgers geen toegang konden krijgen tot urgente consulaire bijstand.
1. Hoeveel personen werden uiteindelijk naar België gerepatrieerd? Over hoeveel personen met de Belgische nationaliteit gaat het? Zijn er personen met een andere nationaliteit die ook naar België zijn teruggestuurd?
2. Hoeveel bedragen de totale kosten die werden gemaakt bij het repatriëren en de ondersteuning van Belgen die deel uitmaakten van de Global Sumud Flotilla?
3. Door wie worden deze kosten gedragen? Worden deze kosten nadien verhaald?
4. Speelt het feit dat deelnemers zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn van de risico’s mee in het verhalen van gemaakte kosten?
5. Speelt het feit dat voor het afreizen naar de betrokken conflictzone een negatief advies geldt mee in het verhalen van gemaakte kosten?
6. Spelen bovenstaande elementen mee bij terugbetalingen vanuit een verzekering?
7. Werd de werking van de consulaire diensten en/of de noodnummers door dit incident geïmpacteerd?
8. Hebt een indicatie wat er zal gebeuren met de noodhulp die de Global Sumud Flotilla mee had? Over hoeveel ton gaat het en over welke hulpmiddelen ging het?
Na twee jaar van conflict werd er recent een eerste akkoord bereikt tussen Israël en Hamas. Onder bemiddeling van de Verenigde Staten, Turkije, Egypte en Qatar werd een staakt-het-vurenplan overeengekomen dat voorziet in de vrijlating van de laatste gijzelaars, de terugtrekking van Israëlische troepen tot een afgesproken punt, en de vrijlating van Palestijnse gevangenen. Dit akkoord wekt voorzichtige hoop op een doorbraak in een lang aanslepend conflict. Tegelijk wijzen experts erop dat grote uitdagingen blijven bestaan: de ontwapening van Hamas, de humanitaire situatie in Gaza, en de vraag naar toekomstig bestuur en veiligheid in de regio.
Graag verneem ik het volgende van u
1. Welke recente informatie heeft de minister over de uitvoering van dit akkoord, in het bijzonder over de tijdslijn voor de vrijlatingen en de Israëlische terugtrekking?
2. Hoe zal België, binnen het Europese kader, bijdragen aan de humanitaire hulpverlening die nu mogelijk weer op gang kan komen in Gaza?
3. En hoe beoordeelt de minister de internationale samenwerking rond dit akkoord? Welke rol kan de Europese Unie opnemen om bij te dragen aan stabiliteit, naleving van afspraken en het vooruitzicht op een duurzame politieke oplossing?
Op 10 oktober verklaarde u dat 6 van 8 deelnemers aan de Thousand Madleens flotilla onderweg zouden zijn naar België. Op 7 oktober werd ook deze vloot door de Israëlische marine onderschept. Vijf dagen eerder de gebeurde dat ook met de Global Sumud Flotilla.
Net zoals dat het geval was bij de Global Sumud Flotilla dienden de rechten van de aangehouden Belgen gevrijwaard te worden. Nog andere twee Belgen zouden op een later tijdstip terugkeren maar ook hier zou ik willen ingaan op de kosten die gemaakt werden om de ondersteuning te verlenen.
Mijn vragen voor de minister:
1. Hoeveel personen die deel uitmaakten van de Thousand Madleens flotilla werden uiteindelijk naar België gerepatrieerd? Over hoeveel personen met de Belgische nationaliteit gaat het? Zijn er personen met een andere nationaliteit die ook naar België zijn teruggestuurd?
2. Hoeveel bedragen de totale kosten die werden gemaakt bij het repatriëren en de ondersteuning van Belgen die deel uitmaakten van de Thousand Madleens flotilla?
3. Door wie worden deze kosten gedragen? Worden deze kosten nadien verhaald?
4. Speelt het feit dat deelnemers zich redelijkerwijs bewust hadden moeten zijn van de risico’s – alsook het gegeven dat de Global Sumud Flotilla werd aangehouden en redelijkerwijs ook dit het scenario was voor de Thousand Madleens flotilla - mee in het verhalen van gemaakte kosten?
5. Speelt het feit dat voor het afreizen naar de betrokken conflictzone een negatief advies geldt mee in het verhalen van gemaakte kosten?
6. Spelen bovenstaande elementen mee bij terugbetalingen vanuit een (persoonlijke) verzekering?
7. Werd de werking van de consulaire diensten en/of de noodnummers door dit incident geïmpacteerd?
8. Hebt u een indicatie wat er zal gebeuren met de noodhulp die de Thousand Madleens flotilla mee had? Over hoeveel ton gaat het en over welke hulpmiddelen ging het?
Na meer dan twee jaar is er in Gaza sprake van een staakt-het-vuren tussen de Israëlische regering, diens strijdkrachten en Hamas na het initiatief van de Amerikaanse president Trump. Dit geeft de kans om humanitaire hulp te sturen en medische zorgen te bieden aan wie dat nodig heeft. Ondertussen is er een werkgroep opgestart om de heropbouw van Gaza te faciliteren. Er werd internationaal veel druk gezet om dit staakt-het-vuren te bekomen en we stellen vast dat Hamas – dat eigenlijk geen rol meer kan spelen in de toekomst van Gaza – nu met bijzonder harde methodes de eigen bevolking terroriseert en andere politieke facties uitschakelt. In Gaza-stad werden deze week breed uitgesmeerd op socale media net na het staakt-het-vuren, acht mannen geëxecuteerd die werden beschuldigd van samenwerking met Israël. Ze kregen een blinddoek om, moesten knielen en werden van dichtbij neergeschoten, de omstaanders konden hun goedkeuring niet wegsteken.
Mijn vragen voor de minister:
1. Wat is uw inschatting van de huidige situatie in Gaza? Welke conclusies trekt u op basis van de berichten over executies door Hamas over de politieke ontwikkelingen aan Palestijnse zijde?
2. Kan u verklaren hoe het kan dat een bijna 7000-tellende macht van Hamas-strijders na de confrontatie met het IDF in staat is om dergelijke acties uit te voeren?
3. Wat berichten de hulporganisaties ter plaatse over de situatie? Welke inschatting maken zij van de “heropstanding" van Hamas?
4. Hoe beoordeelt u - gegeven dat u vasthoudt aan het feit dat Hamas geen politieke rol meer kan spelen – de aanduiding door deze organisatie van 5 nieuwe gouverneurs?
5. Als een ontwapening van Hamas volgens het 20-puntenplan niet mogelijk is, wat zal er volgens u dan gebeuren?
Volgens recente berichtgeving in POLITICO is het plan van de Europese Unie om sancties in te voeren tegen bepaalde Israëlische regeringsleden en om handelsrelaties te beperken, voorlopig on hold gezet. Een aantal lidstaten acht deze maatregelen niet langer noodzakelijk in het licht van de door president Donald Trump bemiddelde vredesovereenkomst tussen Israël en Hamas, die de eerste fase van een staakt-het-vuren moet inluiden. Maar ondertussen lijkt Hamas de controle over Gaza opnieuw te verwerven.
Mijn vragen voor de minister:
1. Hoe beoordeelt u het uitstel van de voorgestelde EU-sancties tegen Israëlische ministers en kolonisten?
2. Hoe positioneert u zich ten opzichte van de uitvoering van deze maatregelen?
3. Wat verwacht u van de komende Raad Buitenlandse Zaken op 20 oktober en de Europese Raad van 23 oktober, waar dit dossier opnieuw op de agenda staat? Wat is het standpunt van de Belgische Regering?
4. U gaf aan dat het gebrek aan actie “de geloofwaardigheid van de EU ernstig heeft ondermijnd" – kan u dit toelichten?
5. En hoe wordt onze humanitaire steun aan de Palestijnse bevolking afgestemd op de nieuwe geopolitieke context?
6. Er zijn sterke indicaties dat Hamas de controle over Gaza wil heroveren na het wegtrekken van het IDF: in hoeverre belemmert dit de vereiste ontwapening van Hamas?
Nabil Boukili:
Bonjour, monsieur le ministre. Pour la énième fois, nous vous interpellons sur la question de Gaza et le génocide en cours. Il est vrai qu'un cessez-le-feu est intervenu depuis le 10 octobre mais c'est surtout un trompe-l'œil. Car depuis son entrée en vigueur, Israël a violé ce cessez-le-feu plus de 240 fois. À l'heure actuelle, Israël continue d'assassiner les Gazaouis; continue son génocide; continue de bloquer l'acheminement de l'aide humanitaire et d'affamer les enfants; continue d'empêcher les Gazaouis de se soigner; continue, enfin, sa politique coloniale et génocidaire. Elle n'a toujours pas cessé.
La seule chose qui a changé depuis le plan colonial Trump, c'est l'intensité. Nous sommes passés à un génocide de moindre intensité mais il est toujours en cours. Cet É tat colonial génocidaire torture – on a vu les révélations faites en Israël sur le comportement des soldats citées par ma collègue tout à l'heure – et la réaction du gouvernement israélien est de s'attaquer davantage à ceux qui dénoncent ces comportements qu'aux perpétrateurs. Cela nous rappelle la dénonciation des crimes de guerre américains en Irak et en Afghanistan où on s'est davantage attaqué aux lanceurs d'alerte qu'aux criminels de guerre. Force est de constater que c'est un peu la coutume dans la politique occidentale, parce que ce qui se passe aujourd'hui à Gaza contre le peuple palestinien et en Cisjordanie où les Palestiniens sont quotidiennement harcelés en violation de toutes les dispositions internationales qui défendent les droits humains, se fait avec la complicité de l'Union européenne et de la Belgique.
Si tel n'était pas le cas, Israël ne pourrait pas se comporter de la sorte. S'il continue à le faire, c'est parce que la Belgique et l'Union européenne sont derrière le gouvernement israélien en dépit de toutes ses violations du droit international et des droits humains. Et c'est pour cela que, malgré la pluie, le froid et la diminution de la couverture médiatique ces derniers temps de la situation à Gaza et malgré le fait que l'on tente de faire accroire que la situation s'améliore avec ce cessez-le-feu, des milliers de personnes sont descendues dans la rue dimanche passé pour dénoncer cette complicité, ce soutien de l'Union européenne et de la Belgique à la politique coloniale et génocidaire israélienne.
Cela reste des faits, monsieur le ministre. Il convient de distinguer faits et déclarations. Vous avez déclaré que vous prendriez des sanctions à l'encontre de l' É tat d'Israël mais rien n'a été fait. Les produits issus des colonies viennent toujours en Belgique. Aucune loi pour les interdire n'a été promulguée. Dans les faits, rien n'a changé.
La Belgique reste le septième partenaire économique d'Israël au sein de l'Europe. On continue par exemple le contrat avec l'entreprise CAF, des institutions financières publiques et des entreprises contrôlées par l' É tat belge comme Belfius, KBC, BNP Paribas, TKH Security dans laquelle la Banque nationale de Belgique a investi trois millions d'euros. C'est une entreprise qui fournit des équipements pour espionner les civils palestiniens. eDreams ODIGEO est une entreprise qui propose des logements à la location dans les colonies israéliennes illégales. Nos banques publiques investissent dans de telles entreprises. Notre complicité est totale.
Donc, monsieur le ministre, à quand de vrais actes? Parce que depuis la déclaration faite et l'accord du gouvernement pour sanctionner Israël, nous n'avons rien vu. La complicité continue.
Et où en sommes-nous par rapport à l'embargo militaire? Qu'est-ce qui a changé, concrètement, sur le terrain? Ma question est claire: ces derniers temps, quels changements concrets sont intervenus sur le terrain? Nous demeurons le septième partenaire économique de l' É tat d'Israël en dépit des accusations de génocide.
La présidente : M. Aouasti n’est pas présent.
Mevrouw Yigit is ook niet aanwezig.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je suis contente de vous voir, ainsi que les collègues, sains et saufs, malgré vos péripéties de voyage. C'est une bonne nouvelle.
J'avais envie de vous interroger sur plusieurs éléments, mais je vais me concentrer sur le cessez-le-feu ou plutôt le supposé cessez-le-feu, ce faux cessez-le-feu qui est en cours actuellement à Gaza, puisqu'il a été conclu voici quelques semaines. Ce "cessez-le-feu" devait permettre d'avoir enfin un répit pour les populations civiles palestiniennes. Cela devait ouvrir la voie à la reconstruction, au retour de l'aide humanitaire, des vivres, de l'eau, de l'électricité et surtout à l'arrêt des bombardements et à la fin du blocus. Mais, à peine les otages libérés, à peine les familles endeuillées avaient-elles pu souffler, que les bombardements ont repris de manière très intense. Des frappes touchent des zones civiles. Des enfants meurent. L'aide humanitaire n'entre pas toujours. Et l’ONU nous alerte: nous assistons clairement à une rupture du cessez-le-feu, en violation directe du droit international humanitaire – une fois de plus de la part d'Israël.
Pendant des mois, il nous a été répété qu'une fois que les otages seraient libérés, la paix reviendrait. Les otages ont été libérés, heureusement. Et pourtant, le cessez-le-feu, lui, n'a pas été respecté et les bombardements continuent. À travers cet ersatz de cessez-le-feu, on voit l'hypocrisie du gouvernement israélien.
Monsieur le ministre, y a-t-il de votre part une condamnation ferme et claire de cette rupture du cessez-le-feu par Israël? Quand la Belgique appellera-t-elle clairement à un embargo sur les armes et à la suspension de tout accord de coopération avec un État génocidaire? Comptez-vous soutenir l’adoption d'autres sanctions ciblées contre les responsables de cette violation? On sait qu'un train de petites sanctions ont été prises par la Belgique mais, comme les collègues l'ont dit, ne sont pas encore réellement effectives. D'autres sanctions peuvent-elles être prises?
Ma seconde question porte sur la destruction par Israël des infrastructures humanitaires financées par l’Union européenne et par plusieurs États membres, dont la Belgique. C’est ce que révèle une enquête de la VRT.
Ces infrastructures, ce sont des écoles, des réseaux d’eau et d’électricité, des projets destinés à garantir un minimum de dignité à des familles palestiniennes vivant sous occupation. Dans vos déclarations à la VRT, vous disiez, monsieur le ministre, "qu'il est absurde que ces infrastructures soient détruites, mais il n’est pas absurde que nous continuions à les construire". Je partage cette conviction mais cela n'est pas suffisant. Il faut vraiment construire encore et encore ce qu’Israël continue à détruire en toute impunité. Ce n'est plus vraiment une politique mais un constat d’échec. C'est une stratégie de destruction massive et assumée.
Quelles mesures supplémentaires avez-vous évoquées avec le ministre israélien des Affaires étrangères? Y a-t-il des actions concrètes au-delà des lettres ou appels de la Belgique et de l'Union européenne?
Concernant les budgets de la Coopération et de l'aide humanitaire à Gaza, lors du dernier débat d'actualité consacré à cette question, vous aviez annoncé qu'une enveloppe de 12,5 millions d'euros d'aide humanitaire s'ajoutant aux 7 millions d'euros déjà promis – annonce importante soulignée et applaudie – se répartissait de la sorte: 4,5 millions pour l'Office de secours et de travaux des Nations Unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA), 2 millions pour la Croix-Rouge et 6 millions pour le Bureau de la coordination des affaires humanitaires (OCHA) sous forme de financements flexibles.
On observe une zone d'ombre sur un point essentiel. D'où proviennent ces fonds? La décision du kern et du Conseil des ministres est explicite: ces 12,5 millions doivent provenir des crédits courants, c'est-à-dire du budget déjà existant de votre département. Or, on sait que les marges financières sont extrêmement limitées. On comprend que chaque euro dégagé pour Gaza doit être pris ailleurs. Dès lors, sur quel postes budgétaires précisément prendrez-vous ces redéploiements afin de financer cette somme? Quel sera l'impact concret des réaffectations? Quelles initiatives ou quels programmes verront leur budget réduit et dans quelle proportion?
Els Van Hoof:
De situatie blijft fragiel. Sinds het ingaan van het staakt-het-vuren werden heel wat nieuwe aanvallen uitgevoerd en gebouwen vernield. In totaal werden zo'n 1.500 gebouwen die onder Israëlische controle bleven, vernield. Er zouden zelfs volledige buurten met de grond gelijk zijn gemaakt. Ook is er nog steeds een voedselcrisis. Er is nood aan meer dan 600 vrachtwagens per dag, maar er komen er slechts 150 binnen.
De toekomst van de Gazastrook is onduidelijk. De resolutie hierover werd vannacht aangenomen. We hadden graag uw reactie daarop gehoord, want we horen uiteenlopende reacties. De Board of Peace werd opgericht en er zou een internationale stabilisatiemacht komen. Dat is overigens geen formele VN-vredesmacht. De Palestijnse Autoriteit reageert voorzichtig positief en beschouwt dat als een eerste stap op de lange weg naar vrede. Hamas verwerpt de resolutie, omdat op die manier internationale voogdij over Gaza zou worden uitgeoefend. In welke richting reageren België en de Europese Unie? Dertien leden stemden voor, terwijl China en Rusland zich hebben onthouden. Ik zou graag weten welke reactie wij daar vandaag op geven.
Sinds 2015 hebben kolonisten minstens 127 van de 473 humanitaire bouwwerken vernield, om nog maar te zwijgen van de systematische vernielingen van humanitaire bouwwerken door de Israëlische autoriteiten. Ik heb daar destijds al vragen aan minister Reynders over gesteld. Hoe reageert België daarop? Worden er juridische procedures aangespannen? Wordt dat probleem op het niveau van de Europese Unie aangekaart of worden hier formele brieven over verstuurd?
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, nous parlons à nouveau de Gaza. Mais, pour une fois, nous avons un espoir. Un cessez-le-feu est entré en vigueur. L’aide humanitaire est revenue. Et cette nuit, une résolution du Conseil de sécurité a entériné le plan de paix des États-Unis. Ce sont des réels progrès, même si beaucoup de doutes persistent encore. J’y reviendrai.
Les questions que j’avais déposées portaient sur deux thèmes: d’abord, sur le fonctionnement de nos services consulaires dans le cadre de la participation des citoyens et citoyennes belges aux flottilles qui entendaient se rendre à Gaza. Ces initiatives citoyennes, bien que portées par des motivations humanitaires, peuvent exposer nos ressortissants à des risques importants, notamment d’interception ou de détention.
Dans ce contexte, pouvez-vous dès lors préciser comment nos services consulaires interviennent lorsqu’un citoyen belge participe à une flottille en direction de Gaza, notamment en cas d’arrestation, d’incident maritime ou de restriction de mouvement?
Quels contacts ont été établis avec les autorités israéliennes et avec nos partenaires européens durant la détention et l’expulsion des participants? Comment le SPF Affaires étrangères informe-t-il les Belges des risques liés à de telles initiatives et des limites de la protection consulaire dans une zone sous embargo et/ou en conflit?
Quelles leçons tirer de cette opération pour améliorer la réactivité, la transparence et la communication consulaires lors des futures crises impliquant des ressortissants belges?
Mes autres questions portent sur le cessez-le-feu du 9 octobre dernier et sa mise en œuvre. Grâce à lui, enfin, le retour mutuel des otages et prisonniers dans leurs familles; enfin, l'arrivée de l'aide humanitaire à Gaza. L'accord entre Israël et le Hamas permet un retour de l'espoir dans cette région ravagée. Cependant, la mise en œuvre de l'accord soulève certains doutes. On peut se demander si chacune des parties a la réelle volonté de mettre en œuvre les accords de bonne foi.
Du côté du Hamas, on peut se féliciter qu'il ait enfin libéré les otages encore vivants et qu'il ait rendu la plupart des corps de ceux qui étaient décédés. Néanmoins, on ne détecte aucune volonté d'abandonner la gouvernance de Gaza ou de désarmer. Le message du Hamas est: "J'ai survécu à la guerre, je continue à contrôler le territoire et je me prépare au prochain round de combats". Du côté d'Israël, on peut se féliciter du retrait partiel d'une partie du territoire et de l'arrêt des opérations majeures de combat. De même, l'aide humanitaire peut enfin entrer. Néanmoins, on ne détecte aucune volonté de la part d'Israël de passer à la deuxième phase des négociations, puisque des bombardements continuent à tuer régulièrement des civils palestiniens, y compris des enfants. Si le risque de famine a fortement diminué, l'aide humanitaire n'atteint pas encore les objectifs fixés de 600 camions par jour. Le message d'Israël est: "J'ai gagné la guerre, je continuerai pour longtemps à contrôler une partie du territoire et je me prépare au prochain round de combats".
Monsieur le ministre, le Conseil de sécurité des Nations Unies a adopté la nuit dernière une résolution endossant le plan américain. Elle est déjà rejetée en tout ou en partie, tant par Israël que par le Hamas. Comment faire la paix avec des protagonistes qui n'en veulent pas réellement? Croyez-vous qu'une force internationale de stabilisation pourra être déployée comme prévu? Où en est la formation de l'autorité de transition du territoire de Gaza?
Voorzitster: Kathleen Depoorter.
Présidente: Kathleen Depoorter.
Quelles mesures la Belgique compte-t-elle prendre pour renforcer ce cessez-le-feu? Comment affermir le Mémorandum pour garantir des progrès vers la deuxième phase du cessez-le-feu? Surtout, comment s'assurer que les populations palestiniennes aient un accès suffisant à l'aide humanitaire, particulièrement à l'approche de l'hiver? Bref, concrètement, quelles sont les actions de la Belgique pour renforcer le cessez-le-feu et le soutien aux populations?
De voorzitster : Mevrouw Huybrechts is niet aanwezig.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, depuis 2002 – donc il y a maintenant 23 ans – une grande figure de la cause palestinienne, Marwan Barghouti, est emprisonné par Israël pour résistance lors de la seconde Intifada.
Vingt-trois ans de prison, dans un silence presque assourdissant, pour une figure emblématique de la cause palestinienne qui demeure, aujourd’hui encore, une référence morale et politique pour l’ensemble des Palestiniens. On pourrait même dire: une figure fédératrice, ce qui est très important actuellement, lorsque l’on voit l’évolution rapide de la situation.
Alors que de nombreux prisonniers palestiniens ont été relâchés dans le cadre de l’accord obtenu au Proche-Orient, une campagne internationale s’est donc constituée en ce sens pour demander la libération de Marwan Barghouti. Mais les dernières informations dont nous disposons alertent sur son état de santé après que des soldats israéliens l’ont violemment agressé lors de son transfert à la prison de Megiddo. Et l’Union Interparlementaire, dont je fais partie, a ainsi constaté de nombreuses violations du droit international dans son cas, puisqu’il est effectivement membre du Conseil national législatif palestinien.
Monsieur le ministre, soutenir la libération de Marwan Barghouti, c’est défendre la reconstruction politique et démocratique de la Palestine, une condition sine qua non à la construction d’une paix juste et durable au Proche-Orient. Aussi, vos services possèdent-ils plus d’informations quant à l’état de santé de Marwan Barghouti? A défaut, le SPF Affaires étrangères est-il en mesure d’intervenir auprès des autorités israéliennes afin d’obtenir des précisions à ce sujet?
Par ailleurs, aujourd’hui, quelle est la position de la Belgique sur son emprisonnement et les traitements dégradants, contraires au droit international, dont il est la victime? Allons-nous œuvrer activement à sa libération et, le cas échéant, envisagez-vous de plaider auprès de vos homologues européens pour qu’une prise de position commune à l’échelle de l’Union européenne soit adoptée?
C’est d’autant plus urgent pour nous que, comme vous le savez, une loi a été votée par le parlement d’Israël pour punir de mort – je reprends le texte, le narratif de la loi – "quiconque cause intentionnellement ou par indifférence la mort d’un citoyen israélien pour des motifs de racisme ou d’hostilité envers une communauté, et dans le but de nuire à l’ é tat d’Israël et à la renaissance du peuple juif dans son pays, sera passible de la peine de mort". C’est donc automatiquement la peine de mort. Il se pourrait donc que Marwan Barghouti soit considéré comme étant un terroriste qui doit être condamné à la peine de mort. Raison de plus de s’alarmer.
Ma seconde question porte sur l'accord de paix de Charm el-Cheikh et ses suites; elle est quelque peu dépassée par la résolution du Conseil de sécurité des Nations Unies sur la Palestine et Gaza votée cette nuit. Cette résolution n'est sans doute pas parfaite et n'émane pas d'un président que j'affectionne particulièrement. Elle n'envisage malheureusement pas non plus le sort de la Cisjordanie et de Jérusalem. Mais, elle a le mérite d'exister et fait consensus au sein de l'ONU, ce qui est aujourd'hui assez remarquable.
Monsieur le ministre, quel rôle la Belgique entend-elle jouer pour veiller à la prise en compte de la voix palestinienne dans le processus de paix, et ainsi assurer que les droits fondamentaux du peuple palestinien seront pleinement garantis dans le cadre et à l'issue de cette résolution et de l'accord de paix intervenu auparavant?
Tout cela ne traite pas de la Cisjordanie et de Jérusalem, alors que la colonisation se poursuit. Quelle est la position de la Belgique à ce sujet? Comptez-vous maintenir l'interdiction d'importation de biens provenant des colonies israéliennes dans les territoires palestiniens?
De nombreuses communes belges travaillent d'ores et déjà à la création d'un réseau permettant de soutenir les communes palestiniennes sur les plans humanitaire, financier et culturel, afin de reconstruire ce qui peut être reconstruit à Gaza.
Dans la résolution du Conseil de sécurité de l'ONU, il est question de la reconnaissance de l'État palestinien. À travers cette résolution, votre gouvernement est-il prêt à donner un coup d'accélérateur à la reconnaissance, par la Belgique, de l'État de Palestine? Celle-ci était soumise à deux conditions. La première était le cessez-le-feu, qui est aujourd'hui obtenu. La seconde condition était la démilitarisation du Hamas, qui est en voie d'être mise en œuvre grâce à la résolution de l'ONU. Quelle est votre position et celle du gouvernement sur ce sujet?
De voorzitster : Wensen er nog collega’s zich aan te sluiten bij dit actuadebat?
Sandro Di Nunzio:
Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, sta me toe dat ik me even voorstel. Ik ben Sandro Di Nunzio en ik ben nieuw in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen voor Open Vld. Het is mij een genoegen u hier voor het eerst te mogen ontmoeten.
Ik ben ook blij om meteen te kunnen deelnemen aan dit interessant actualiteitsdebat. Er zijn al veel vragen gesteld. De situatie ter plaatse verandert dagelijks. Daarover kan ik geen nieuwe vragen meer stellen. Wel wil ik enkele punten te berde brengen die wij zeer belangrijk vinden.
Gisteren werd de resolutie aangenomen die gebaseerd is op het 20-puntenplan van president Trump. Mijnheer de minister, vooral wens ik te vernemen wat het standpunt van de regering over die resolutie is. Ik weet dat wij niet in de Veiligheidsraad zetelen, maar zijn er voorafgaandelijk contacten geweest met landen die daar wel actief zijn? Hebben wij daaraan op de een of andere manier bijgedragen? Zijn wij het volledig eens met die resolutie, of zijn er bepaalde aspecten waarmee wij moeite hebben?
Mij werd verteld dat volgens dat plan Israël minstens een vijfde van Gaza voor onbepaalde tijd zou mogen blijven bezetten. Klopt die informatie, is dat effectief het geval? Zo ja, wat is onze positie daaromtrent? Valt die bepaling te rijmen met het advies van het Internationaal Gerechtshof van juli 2024, waarin duidelijk staat dat Israël verplicht is om de bezetting binnen twaalf maanden te beëindigen?
Gisteren liet Israël nog weten dat een Palestijnse staat niet zal worden aanvaard. Zowel premier Netanyahu als de extreemrechtse minister van Nationale Veiligheid hebben dat duidelijk gemaakt. Daarom sluit ik mij aan bij de vragen hoe het gesteld is met de erkenning van Palestina als staat door ons land. Kunt u aangeven of de gestelde voorwaarden al dan niet vervuld zijn? U weet dat mijn fractie van oordeel is dat men een staat wel of niet erkent op zich, en dat voorwaarden bij een dergelijke kwestie eigenlijk niet aan de orde zouden mogen zijn.
Tot slot heb ik een vraag over de stand van zaken betreffende het importverbod. Ik heb begrepen dat mevrouw Van Hoof daaromtrent een wetsvoorstel heeft ingediend en dat de regering dat naar zich heeft toegetrokken. Wat is de stand van zaken over het importverbod vanuit die gebieden?
De voorzitster : Het woord is aan de minister voor zijn antwoord.
Maxime Prévot:
Madame la présidente, mesdames et messieurs les députés, 29 questions avaient été déposées originellement. J'y ajoute celle qu'a posée spontanément M. Di Nunzio, auquel je souhaite la bienvenue dans cette Assemblée de manière générale et dans cette commission en particulier. Cette trentaine de questions reflètent, à juste titre, toute l'importance que, dans la diversité de nos formations politiques, nous réservons à cet enjeu. Cette attention est méritée, vu les considérations humaines, d'abord, de droit, ensuite, qui sont intimement liées à ce dossier. Je vais donc tenter d'y répondre, tout en sachant que certaines des questions originellement déposées n'ont pas été développées à l'instant. Malgré tout, quelques éléments de réponse figureront dans mon intervention. À l'inverse, d'autres aspects ont été partagés par les parlementaires. Ces considérations n'avaient pas été initialement envisagées, mais témoignent justement de l'intérêt d'un débat d'actualité riche, puisque nous pouvons, de la sorte, étendre le champ des considérations que nous allons partager ensemble.
Bien évidemment, si nous regardons dans le rétroviseur, nous pouvons – et nous l'avons fait – nous réjouir de l'accord sur le plan proposé par le président Trump, annoncé voici quelques semaines à Charm el-Cheikh, en É gypte. Nous nous en sommes surtout réjouis en raison de la perspective, tant attendue, de paix, en tout cas, plus immédiatement, de cessez-le-feu que cet accord a pu offrir. Pour autant, ceux et celles qui m'avaient interrogé en séance plénière se souviendront que j'avais exprimé des réserves, soulignant certains manquements dans cet accord de paix. Nous avions le devoir d'y croire et de concentrer notre énergie à nous assurer que ce plan soit mis en œuvre rapidement, dans l'intérêt de la fin des hostilités.
Zelfs als het plan tekortkomingen kent, wordt er niet gesproken over de West Bank, over Oost-Jeruzalem, over de rol van de Palestijnse Autoriteit of de tweestatenoplossing. Er is ook geen tijdslijn of kalender.
Dit zijn zaken die zeer belangrijk zijn, en waarvan we onze aandacht niet mogen laten afwijken.
Le fonctionnement du Board of Peace, envisagé par le président Trump, doit encore être précisé. L'Union européenne doit pouvoir y jouer un rôle, à défaut d'avoir pu faire œuvre de courage et de crédibilité avant que ce plan de cessez-le-feu ne soit obtenu sous l'égide du président Trump, avec le concours d'autres pays arabes. Il faut au moins que l'Union européenne tente de se racheter une crédibilité a posteriori . C'est une chose pour laquelle j'ai personnellement plaidé, encore pas plus tard qu'hier, au sein du Conseil de l'UE des Affaires générales, pour souligner que la situation sur le terrain nécessitait un engagement constant de l'Union européenne et faire en sorte que cette dernière puisse aussi être une accompagnatrice de solutions concrètes. Il n'est donc pas question d'uniquement payer pour la reconstruction de Gaza, sans pouvoir s'assurer d'une solution politique qui soit durable, y compris et avant tout pour les Palestiniens.
On sait qu'il n'y aura de solution durable que si les intérêts des deux parties sont pris en compte et s'il est porté attention pour y répondre, mais il y a, malgré tout, dans le plan esquissé, un manquement majeur concernant le rôle de l'autorité palestinienne elle-même. L'espoir reste de mise même si vous avez, et à raison, rappelé que nombre de coups de canif ont eu lieu ces dernières semaines dans le plan de cessez-le-feu intégral qui avait été esquissé.
L'exécution de la première phase du Comprehensive Plan to End the Gaza Conflict n'en est cependant qu'à ses prémices. Depuis le 10 octobre, on enregistre des incidents tous les jours, malgré le cessez-le-feu. On ne peut donc pas encore parler d'une situation stabilisée. Il est très clair, monsieur Boukili, madame Maouane, – vous l'avez évoqué, parmi d'autres –, que la situation sur place reste problématique. Le cessez-le-feu est une bonne chose, mais il ne doit pas nous aveugler jusqu'à nous faire perdre la lucidité sur la situation sur le terrain, qui, actuellement, n'est pas totalement satisfaisante.
Jusqu'à présent, le cessez-le-feu n'a pas offert ce qu'il était en devoir de procurer aux Palestiniens, à savoir du répit – tout comme pour les Israéliens. S'il n'y a guère eu de répit, il nous appartient aussi d'éviter le repli, et même le déni.
C'est la raison pour laquelle la Belgique – contrairement aux propos de monsieur Boukili selon lesquels "la Belgique est derrière le gouvernement israélien" – n'a jamais, au cours de ces derniers mois, cautionné en aucune façon la manière dont l'autorité gouvernementale israélienne se comporte dans le cadre de ce conflit. Nous continuons à dénoncer les manquements au cessez-le-feu et à déplorer toute violation de celui-ci et toute violence, d'où qu'elle vienne. Nous déplorons également que l'aide humanitaire ne soit toujours pas délivrée de manière massive et satisfaisante. En dépit des améliorations, que nous saluons, nous sommes bien loin de l'engagement formulé originellement.
Madame Maouane, vous me demandez si d'autres sanctions sont envisagées. Permettez-moi de vous rappeler qu'à la pire des périodes, l'Union européenne n'a pas été en capacité de faire un consensus minimum pour arrêter des sanctions à l'égard du gouvernement israélien. J'ai dès lors peine à croire que mes collègues auront une attitude plus volontariste après l'obtention de cet accord de cessez-le-feu à Charm el-Cheikh et le vote de la résolution auprès des Nations Unies. En effet, ceux qui étaient déjà réticents auparavant ne manqueront pas de trouver dans ces deux étapes prétexte à considérer qu'une nouvelle mesure serait de nature à perturber les équilibres et à créer du chaos plus que toute autre chose.
Soyons lucides en la matière. S'agissant de la Belgique, il nous appartient bien sûr de continuer à mettre en œuvre avec autant de célérité que possible les différentes décisions que nous avons pu prendre.
Grenzen en grensovergangen blijven gesloten. De beschietingen op burgers gaan door. De humanitaire hulp komt ook nog niet aan volgens de afgesproken doelstellingen.
Cette situation humanitaire reste catastrophique et les attaques incessantes d'Israël contre Gaza depuis deux ans ont conduit à une situation de chaos où différents groupes se disputent maintenant le contrôle du territoire. Israël est accusé de soutenir certains de ces groupes tandis que le Hamas a cherché à reprendre le contrôle dans certaines zones de Gaza, y compris en exécutant sommairement des dizaines de personnes.
Vous connaissez notre position. Elle est claire, elle est constante, elle est ferme: nous condamnons indistinctement toute violation du droit international par quelque partie que ce soit. C'est le cas aussi, madame Mutyebele, pour le cas que vous évoquiez de cette personne violée, torturée par des geôliers. Quelle que soit la maison de détention, toute pratique de torture, sous quelque forme que ce soit; est inadmissible et est évidemment condamnable et condamnée par la Belgique. Nous ne pouvons en aucune façon cautionner ces actes de violation non seulement du droit mais également de la dignité de chacun.
Une fois de plus, la situation sur le terrain montre que la force militaire – même excessive et même au bout de deux ans – ne résout pas le problème. Je le répète une fois de plus: il faut une solution diplomatique, il faut des négociations. Le Hamas doit disparaître et laisser la place à une autorité palestinienne forte.
Le Hamas a déclaré qu'il ne souhaitait pas participer à la gouvernance de Gaza, ce qui est une de nos exigences. Je précise, monsieur Lacroix, que c'est bien cela la deuxième condition. Ce n'est pas la démilitarisation du Hamas mais le fait que le Hamas ne participe en aucune manière à la gouvernance de la Palestine. C'est ce qu'ils ont annoncé mais ce n'est pas encore actuellement constatable de manière sûre et certaine. Le jour où ce sera le cas, dès lors que la condition de la remise des otages aura pu être complètement remplie, je ferai le nécessaire pour présenter l'arrêté royal de reconnaissance de l' É tat de Palestine auprès du Conseil des ministres.
La question de la démilitarisation fait partie des étapes ultérieures, comme préalable à la normalisation de nos relations diplomatiques – si on devait envisager d'y ouvrir une ambassade par exemple. Je ne vous tiens pas rigueur de la confusion entre les deux conditions parce que celle-ci a été régulièrement faite. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle je souhaitais les repréciser.
Il doit être clair aussi qu’il n’y a aucune place pour le Hamas dans le maintien de l’ordre à Gaza. La question du désarmement de ce groupe terroriste est donc essentielle.
Cette situation nous impose des efforts pour passer rapidement à l’exécution de la deuxième phase du plan du président Trump – comme M. Kompany l’évoquait. Le Hamas doit encore rendre les dépouilles de trois otages. Il s’agit évidemment de procéder à son désarmement, de garantir le retrait total de l’armée israélienne de Gaza, ainsi que de sécuriser les populations civiles, de leur fournir une aide humanitaire en quantité et en qualité – une aide humanitaire, je le rappelle, qui doit être dépolitisée et désarmée – et de démarrer alors les énormes travaux de reconstruction.
En ce qui concerne l’aide humanitaire belge, vous soulevez, madame Maouane, la question de la provenance des fonds que j’ai annoncé allouer pour les populations de Gaza de manière complémentaire, dans un contexte budgétaire, vous l’avez rappelé, qui est contraint. Conformément à la décision du Conseil des ministres, ces moyens seront dégagés au sein des crédits courants, qui sont en fait dédiés à l’aide humanitaire, et pour lesquels des réserves ont été constituées en début d’année pour pouvoir faire face à une série d’urgences qui peuvent survenir aux quatre coins du globe en cours d’exercice budgétaire. Il est évident que la situation palestinienne comptait parmi ces urgences. Ce ne sont donc pas des crédits en plus qui proviennent d’arbitrages qui vont imposer des crédits en moins ailleurs.
Je tiens également à rappeler mon insistance à ne pas couper dans l’aide humanitaire qui permet aujourd’hui de préserver les interventions essentielles en faveur des populations les plus vulnérables. Ma politique humanitaire repose sur une gestion dynamique et réactive des crédits. Nous ne figeons pas l’ensemble des allocations en début d’année. C’est donc là l’explication de la capacité de débloquer ce budget additionnel. Nous conservons des réserves qui nous permettent d’intervenir rapidement en cas d’urgence, comme cela a été le cas aussi il y a quelques temps, lorsque je me suis rendu sur place, en soutien aux réfugiés issus du Soudan.
Les déploiements nécessaires seront opérés principalement au sein des lignes budgétaires – donc consacrées aux contributions volontaires, aux organisations multilatérales et des fonds flexibles. Aucun de nos programmes essentiels ne sera abandonné.
Madame Maouane, mevrouw Van Hoof, les destructions par Israël en Cisjordanie et à Jérusalem-Est des infrastructures humanitaires qui sont financées par la Belgique – telles que des réseaux électriques, des écoles, des installations d'eau – ont été catégorisées comme des violations du droit international humanitaire. De plus, j'ai convoqué l'ambassadrice israélienne à plusieurs reprises et exigé des compensations pour les dégâts et des démarches épistolaires officielles ont été effectuées, mais l'honnêteté m'impose de dire que pour le moment, on ne peut pas dire que l'autorité israélienne y consacre une attention soutenue, ni d'ailleurs à celles d'autres pays partenaires qui sont confrontés aux mêmes destructions de leurs propres investissements.
Je ne peux qu'une nouvelle fois condamner fermement les démolitions en zone C, qui sont contraires au droit international humanitaire, et nous allons continuer à mordre le mollet pour obtenir réparation.
Het is echter moeilijk om een volledige lijst te publiceren, mevrouw Van Hoof, omdat de meeste gebouwen eigendom zijn van particuliere Palestijnen en doordat de ngo’s niet systematisch communiceren, om hun partners te beschermen.
We werken samen met het West Bank Protection Consortium. Dat kreeg 1,8 miljoen euro aan hulp van België sinds 2015. We werken ook samen met het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs om gevallen te identificeren die verband houden met Belgische financiering.
In 2025 ging het in om ongeveer 5 % van de vernielingen om door donoren gefinancierde structuren.
Wat de juridische procedures betreft, eisen België en zijn Europese partners sinds 2017 systematisch compensatie via diplomatieke stappen en officiële brieven aan de Coordinator of Government Activities in the Territories. Tot op heden is geen enkele aanvraag gehonoreerd. We blijven de mogelijkheden binnen het kader van het internationaal recht onderzoeken.
En ce qui concerne la sécurité de Gaza, vous savez que notre gouvernement plaide pour la constitution d’une force d’interposition placée sous le mandat des Nations Unies. Comme vous l’avez indiqué, le Conseil de sécurité des Nations Unies s’est prononcé, notamment, à ce sujet hier soir. En résumé, il formalise le plan Trump conclu à Charm el ‑ Cheikh.
Nous souhaitons aussi savoir comment cette étape est évaluée, question que m'a posée notamment M. Di Nunzio. Nous continuons à regretter que certaines zones territoriales aient été laissées dans l’ombre et que l’implication de l’Autorité palestinienne ne soit toujours pas clairement définie, en tout cas, pas de manière satisfaisante.
Pour en revenir à la question de la force d’interposition, une fois le mandat de cette force clarifié, mes collègues en charge de la Défense et de l’Intérieur et moi-même examinerons, dans quelle mesure la Belgique pourrait y contribuer.
Entre-temps, un centre de coordination civile et militaire a été mis en place en Israël par les États-Unis fin octobre. Je peux vous annoncer qu'en ma qualité de ministre des Affaires étrangères j’ai déjà pris la décision d’y détacher, à très court terme, du personnel des Affaires étrangères sur le volet humanitaire. En ce qui concerne le volet militaire, j’attends évidemment les arbitrages qui seront réalisés par mon collègue de la Défense. En tout cas, sur le volet humanitaire, du personnel des Affaires étrangères sera détaché, notamment pour veiller au retour de la sécurité à Gaza et pour relancer de manière intensive l’aide humanitaire.
Ce centre de coordination a également la vocation de s’assurer du désarmement du Hamas, de son exclusion de la gouvernance à Gaza et de sa reprise progressive par une Autorité palestinienne qui est en cours de réforme. Cela ne sera évidemment pas facile, mais nous nous employons à créer les conditions pour que l’Autorité palestinienne puisse remplacer le Hamas à Gaza, as soon as possible .
La mission civile de l’Union européenne, EUPOL COPPS, que la Belgique a toujours soutenue, pourrait d'ailleurs former et même équiper plusieurs milliers de policiers palestiniens appelés à être déployés à Gaza. Nous en discutons actuellement au niveau européen ainsi qu’avec nos partenaires internationaux.
Par ailleurs, la Commission européenne continue d’accompagner l’Autorité palestinienne dans ses réformes, notamment en ce qui concerne l’organisation, à terme, d’élections.
De Palestijnse Autoriteit moet zo snel mogelijk effectief aanwezig zijn in Gaza. De EU en België moeten haar daarin ondersteunen, mede in het licht van de tweestatenoplossing. De legitimiteit van de Palestijnse Autoriteit zal komen uit hervormingen en uit verkiezingen, maar ook uit haar capaciteit om diensten te bieden aan de bevolking, zoals veiligheid, elektriciteit of gezondheid.
Aan de heer Van Rooy laat ik opmerken dat hervormingen met betrekking tot het martelarenfonds al deel uitmaken van de voorwaarden voor Europese financiering. DG MENA heeft technische teams ter beschikking gesteld van de Palestijnse Autoriteit. Wetgeving rond het martelarenfonds werd reeds in februari afgeschaft en vervangen door een nieuwe wet die een sociaalzekerheidsfonds opricht, gebaseerd op armoede-indicatoren. Er vond ook een audit plaats. Die concludeerde dat, hoewel de overgrote meerderheid van de betalingen onder het oude systeem was stopgezet toen het nieuwe systeem van kracht werd, een klein deel van de families van gevangenen erin slaagde recente toelagen te ontvangen via het oude betalingsmechanisme. Dat leidde tot ontslagen bij het Palestijnse ministerie van Financiën en tot corrigerende maatregelen. Ik zeg u nogmaals dat onze ontwikkelingshulp aan de Palestijnse bevolking zeer streng wordt gecontroleerd en op geen enkele manier wordt gebruikt om terroristen te belonen.
Wat de vraag van mevrouw Huybrechts betreft, een deel van de overeenkomst over het Trumpplan was de vrijlating van Palestijnse gevangenen. Meer dan 1 700 Palestijnse gevangenen werden tot nu toe vrijgelaten. Israël gaf de lichamen van ongeveer 250 overleden Palestijnse gevangenen terug; velen vertoonden tekenen van foltering en executie.
Daar waren inderdaad ook 154 Palestijnen bij die verbannen werden naar Egypte. Zij werden niet opgevangen in luxehotels, maar werden in hotels geplaatst onder Egyptische supervisie, waarbij zij hun hotel niet konden verlaten. Egypte benadrukt dat het slechts een tijdelijk verblijf zal toestaan. Mogelijk zullen enkelen onder hen in Egypte blijven, terwijl anderen verbannen zullen worden naar landen als Turkije, Qatar of Algerije. Als die personen naar de Schengenzone willen reizen, moeten zij een visum aanvragen, zodat de veiligheidsdiensten een screening kunnen uitvoeren.
Monsieur Lacroix, il n'est pas exclu que M. Marwan Barghouti soit libéré, car certains y seraient favorables, même si, à l'heure où l'on se parle, cela ne reste qu'une hypothèse. On peut du moins l'espérer, notamment pour des raisons humanitaires. Cet homme de 66 ans, détenu depuis 23 ans, a été déplacé de prison en prison et les rapports sur ses conditions de détention font état de mauvais traitements, de torture et d'autres formes de violence.
La Belgique plaide systématiquement pour le respect des droits des prisonniers, y compris ceux de M. Barghouti, et ce, tant directement auprès des autorités israéliennes que dans les fora multilatéraux. Les autorités israéliennes ne délivrent malheureusement que très peu d'informations, y compris quant à son état de santé, et limitent l'accès à M. Marwan Barghouti. Nous restons néanmoins très actifs et attentifs au sort de celui-ci, y compris dans nos contacts avec d'autres é tats. Sa libération serait aussi, me semble-t-il, un geste d'apaisement susceptible d'avoir un effet positif en Palestine et dans les relations entre la Palestine et Israël.
Pour pouvoir vous revenir avec plus d'informations, je solliciterai aussi de nos diplomates et, en particulier, de notre ambassadeur à Tel Aviv qu'ils contactent les autorités israéliennes pour obtenir des nouvelles sur son état de santé, ce qui sera une manière complémentaire de leur rappeler que nous restons attentifs à la situation et au sort de M. Barghouti, dont, de fait, nous souhaitons plaider la relaxe.
L'accord sur la première phase du plan de paix pour Gaza permet un optimisme prudent, mais beaucoup reste à faire. De plus, il ne règle pas la situation en Cisjordanie, où la colonisation et les violences se poursuivent à un rythme effréné, touchant autant les communautés musulmanes que chrétiennes de Palestine.
De druk op Israël moet dus aanhouden, net zoals ten aanzien van Hamas. Daarom worden de Belgische maatregelen, zoals beslist op de ministerraad in september, verder uitgerold. De consulaire diensten ten aanzien van Belgen die in de illegale nederzettingen in de West Bank wonen, is intussen gestopt.
Un accord nouvel accord interfédéral a été conclu le 8 octobre afin d'étendre notre embargo de manière totale sur l'exportation des armes, qui s'applique également à tout type de transit et aux objets à double usage. Cela a donc été fait, monsieur Boukili. Sur ce sujet, j'ai également préparé, avec mon collègue chargé de la Mobilité, le ministre Crucke, un arrêté royal, qui est actuellement soumis pour consultation aux régions.
Voorzitster: Els Van Hoof.
Présidente: Els Van Hoof.
Zoals ik recent al zei, is de importban van goederen uit de nederzettingen het meest complexe. Mevrouw Van Hoof, mijnheer El Yakhloufi, die maatregel moet doorgevoerd worden door de FOD Economie en de FOD Financiën.
De leur côté, mes services ont déjà pris contact avec d'autres pays européens intéressés, et ont fourni à leurs collègues du SPF Économie et du SPF Finances des éléments pour les aider à avancer au plus vite sur une interdiction d'importer les produits des colonies.
We merken wel dat veel importeurs zelf al minder uit Israël invoeren wanneer er geen duidelijkheid is over de oorsprong van de goederen. Dat toont dat het werk van landen zoals België omtrent een importverbod al een effect heeft.
Je me réjouis qu'aucune entreprise belge ne figure dans la base de données publiée fin septembre par le Haut-Commissariat des Nations Unies aux droits de l’homme (HCDH) sur les entreprises actives dans les colonies illégales israéliennes. Aucune entreprise belge.
Op het Europees niveau pleit ik er eveneens voor om de druk op Israël en Hamas aan te houden. Daarom moet het pakket zoals voorgesteld door Commissievoorzitter Von der Leyen volledig worden uitgevoerd, met inbegrip van verdere sancties tegen Hamas en tegen gewelddadige kolonisten.
Mevrouw Depoorter, mevrouw Mutyebele Ngoi en mijnheer Kompany, in totaal namen negen Belgen deel aan de Thousand Madleens Flotilla. Een Belgische vrouw reisde op 9 oktober terug naar België, gevolgd door zes andere Belgen die op vrijdag 10 oktober in België aankwamen. Op maandag 13 oktober keerden de twee overige landgenoten terug naar hun verblijfplaats.
De landgenoten werden bijgestaan door de betrokken consulaire posten. Het Consulair Wetboek voorziet enkel in het verlenen van consulaire bijstand aan Belgen. De FOD Buitenlandse Zaken beschikt om die reden niet over cijfers betreffende andere nationaliteiten.
Zoals beschreven in het Consulair Wetboek, wordt consulaire bijstand steeds verleend op basis van terugvorderbare voorschotten. In deze zaak was dat echter niet het geval, aangezien de kosten voor de terugkeer naar België gedragen werden door de families van de betrokken Belgen en door de organisatie waarvan ze deel uitmaken. Dezelfde redenering is van toepassing op de Global Summit Flotilla.
Voilà, chers collègues, en espérant avoir été le plus complet possible, les éléments qui permettent de faire un point d'actualité sur ce dossier. J'emploie ce mot même s'il est impropre, s'agissant d'une situation humaine et conflictuelle qui reste encore dramatique à l'heure d'aujourd'hui, nonobstant les efforts qui ont été réalisés par plusieurs diplomaties afin de permettre un cessez-le-feu aussi efficace et constant que possible.
La présidente : Chers collègues, la parole est à nouveau à vous pour deux minutes.
Lydia Mutyebele Ngoi:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui sont complètes. Malheureusement, je ne partage pas nécessairement votre optimisme, que je comprends. Pour moi, il s'agit d'une paix qui est imposée au bénéfice d'Israël. On voit que Trump impose son idée de paix, avec des promesses où il promet l'enfer aux Palestiniens s'ils ne se plient pas à ses exigences. Il peut chanter sur tous les toits qu'il est un faiseur de paix, mais vous ne trouverez, ni à Gaza ni dans le reste de la Palestine d'ailleurs, la paix. Israël continuera ses exactions, le blocage de l'entrée libre de l'aide humanitaire, la menace et la reprise du génocide. En Cisjordanie ou à Jérusalem, la colonisation s'accélère et l'apartheid continue de semer sa haine et ses crimes dans le quotidien des Palestiniens. Le gouvernement de M. Netanyahu ne cache pas ses désirs d'extension et de colonisation qui se répandent jusqu'en Syrie et au Liban, où Israël continue son occupation illégale.
Quant à la résolution du Conseil de sécurité de cette nuit, c'est tout simplement un déni de droit. C'est une résolution qui est indigne de l'ONU, qui ignore même les décisions de la Cour internationale de Justice (CIJ) qui impose de mettre fin à l'occupation illégale. Cette résolution refuse d'adresser les racines du problème qui sont la colonisation, l'occupation et l'apartheid. En refusant d'accorder des droits et l'autodétermination au peuple palestinien, en accordant l'impunité face aux crimes, on ne résout rien. On se soumet simplement à la formule de Trump, mais on ne répare sûrement pas la paix. Nous continuerons donc à réclamer la paix.
Achraf El Yakhloufi:
Mijnheer de minister, dank u voor uw duidelijke antwoorden. Ik heb op een aantal vragen geen antwoord gekregen. Ik zal die straks opnieuw stellen.
Ik ben blij dat u mij volgt in het verhaal dat het Trumpplan helemaal niet duidelijk is. Het roept meer vragen op dan dat het oplossingen biedt.
Ik ben ook blij te horen dat u in de Europese Raad gisteren een positief pleidooi hebt gehouden. Mijn vraag is welke druk onze regering op Europa zal blijven leggen. U zegt zelf dat het heel onduidelijk is wat Europa zal doen. Zult u als minister, samen met de regering, druk zetten om ervoor te zorgen dat Europa het nodig zal doen en opdat wij een impact op de Veiligheidsraad hebben en een en ander mee kunnen sturen? Wat nu voorligt, is immers duidelijk een Amerikaans plan, gestoeld op Amerikaanse participatie. We zien hoe dat momenteel in de Verenigde Staten van toepassing is. Daarom hoop ik dat u daar de nodige druk zet.
Over de voorwaarden van onze regering in het compromis, zegt u dat Hamas duidelijk aangeeft dat het niet mee wil besturen. Wij vragen om een ontwapening, ik steun die vraag ook. Elke dag zien we echter, ondanks het staakt-het-vuren, dat Hamas en Palestina nog steeds worden aangevallen. Een ontwapening zou leiden tot een zelfmoord van die mensen. Voor alle duidelijkheid, ik wil dat er een ontwapening komt, maar ik vraag me af hoe dat gerealiseerd kan worden.
Ik ben blij dat u aan uw diensten hebt gevraagd om verder te gaan met het importverbod, samen met de FOD Financiën en de FOD Economie. Dat is een goede stap. Op mijn vraag of u contact hebt gehad met Ierland of Slovenië en hoe die landen dat toepassen, heb ik geen antwoord gekregen.
Gezien de ernst van de situatie zou de regering toch wat verder mogen gaan dan alleen aan de ministers van Financiën en Economie te vragen om het koninklijk besluit mee te bekijken. Het staakt-het-vuren is nog maar een maand van kracht, maar we zien dat het niet werkt.
U hebt ook geen antwoord gegeven op mijn vraag over het recordaantal kolonistenaanvallen op de moskee in oktober. Kunt u daarop ook nog een antwoord geven, mijnheer de minister?
Kathleen Depoorter:
Er gebeurt wat we gevreesd hadden, mijnheer de minister. De resolutie is goedgekeurd en er zijn zeer goede plannen. We maken enige vooruitgang, maar humanitair en menselijk blijft de situatie nog altijd ontzettend moeilijk.
Ik wil dan ook benadrukken dat stabiliteit echt noodzakelijk is: stabiliteit voor beide volkeren, stabiliteit voor de mensen aan beide zijden van de grens. Ook de ontwapening aan beide zijden van de grens is echt belangrijk. Er gebeuren nog altijd vreselijke dingen en het feit dat Hamas het compromis en de resolutie niet aanvaardt, blijft ons zorgen baren. Wat zal de toekomst brengen?
Het is zeer hoopgevend dat de Palestijnse Autoriteit volledig meegaat in het verhaal en zich volledig engageert om ervoor te zorgen dat er een democratisch zelfbeschikkingsrecht voor de Palestijnen kan komen. Zolang de wapens spreken, ook aan de kant van Hamas, maak ik mij echter grote zorgen.
Ik ben ook bezorgd over de international stabilisation force . Wie zal daarvan deel uitmaken? Zullen de Arabische staten deel uitmaken van die belangrijke troepenmacht, die ervoor moet zorgen dat mensen in Gaza veilig kunnen leven?
Hoe zullen we de humanitaire hulp kunnen versterken? Er is een duidelijk signaal gegeven dat de Wereldbank een belangrijke rol in de heropbouw van Gaza zal moeten opnemen, maar daarvoor is het eerst en vooral nodig dat er stabiliteit komt en dat de humanitaire toestand verbetert.
U hebt ook aangegeven dat de rol van Europa belangrijk blijft. Laten wij die stem zijn, de neutrale stem die duurzame vrede en stabiliteit in de toekomst, voor een tweestatenoplossing, betracht.
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Beaucoup de choses ont été dites. En deux minutes, il me sera difficile de répliquer à tout. Je me limiterai à la question du plan Trump. Il faut arrêter de le qualifier de "plan de paix", car ce n'en est pas un; il s'agit d'un plan colonial. En effet, il permet à Israël de poursuivre sa politique de colonisation et de destruction du peuple palestinien. C'est ce que les Israéliens sont en train de faire à Gaza et en Cisjordanie. La politique israélienne, son plan de remplacer les Palestiniens et de voler leur territoire, se poursuit toujours dans le cadre de ce plan colonial. Donc, arrêtons de travestir la réalité et de le considérer comme un plan de paix. C'est une insulte à l'intelligence humaine!
Surtout, monsieur le ministre, vous affirmez que l'Union européenne doit jouer un rôle dans la direction du comité de gouvernance. C'est génial! Voilà bien une preuve de mentalité coloniale: ce sont les Occidentaux qui vont diriger Gaza à la place des Palestiniens. Où est alors le droit à l'autodétermination du peuple palestinien, qui consisterait à jouir de sa liberté sans que des forces occidentales viennent lui dicter comment il doit gouverner son pays? Ce peuple ne reçoit aucun respect de leur part. C'est vraiment insultant pour les Palestiniens.
Quand je dis que la Belgique se tient derrière le gouvernement israélien, je parle des faits, monsieur le ministre. Vous pouvez évoquer les déclarations, les condamnations et ainsi de suite. Il reste que notre pays est le septième partenaire économique d'Israël. Le 6 octobre, le ministre-président wallon Adrien Dolimont était interrogé sur la participation d'une entreprise wallonne dans la production des F-15 fournis à Israël en parlant, je le cite, d'une "véritable réussite: synergies positives entre les industries civiles et militaires, retombées industrielles locales". Où est donc l'embargo militaire puisque nos entreprises sont impliquées dans la fabrication d'armes qui tuent les Palestiniens? Oui, la Belgique se tient derrière quand nos banques publiques, dans lesquelles l' É tat détient des actions, investissent dans les colonies et que le ministère de la Mobilité investit dans un projet avec CAF, qui produit les trams qui se déplacent d'une colonie à une autre.
Oui, la Belgique, dans sa stratégie économique, soutient le gouvernement israélien par sa politique économique et son implication dans l'économie coloniale. Donc arrêtons de nous voiler la face, soyons honnêtes et soyons à la hauteur de l'histoire.
Aujourd'hui, notre complicité devient de plus en plus insupportable.
Rajae Maouane:
Merci, monsieur le ministre pour vos réponses. Je ne partage pas totalement votre optimisme, même s'il est prudent, au sujet de l'avenir. Quand on voit la résolution qui a été votée cette nuit à l'ONU, je rejoins les collègues, on ne peut pas dire que c'est un plan de paix ni que c'est une bonne chose.
C'est un plan colonial qui consacre une tutelle coloniale sur Gaza. C'est une honte parce que ce plan continue à soutenir le génocide, l'apartheid et la colonisation. On ne parle pas des territoires occupés en Cisjordanie, on ne parle pas de Jérusalem, on ne parle pas de la fin du génocide. Et ce faisant, vous serez d'accord avec moi, ce plan rend l'avènement d'un É tat palestinien quasiment impossible. Ç a, c'est extrêmement grave et extrêmement décevant. Vous dites que l'Union européenne ne voudra pas sanctionner davantage Israël, même quand c'était au climax du génocide, l'Union européenne n'a pas fait plus d'efforts.
Mais la Belgique a du talent diplomatique. La Belgique, en tant qu' É tat membre qui compte en Europe, pourrait, d'une part, faire du lobbying à cet égard et d'autre part, être totalement irréprochable, tant au sujet des sanctions que d'un embargo – ce qui est loin d'être le cas.
La situation aujourd'hui à Gaza est catastrophique. Les bombardements continuent à Gaza – au Liban aussi, même si nous n'en avons pas parlé – et Israël continue à violer le droit international et le droit humanitaire avec une impunité totalement ahurissante. On voit que les colons sont extrêmement violents en Cisjordanie, ils deviennent de plus en plus violents. Ils bénéficient d'une espèce de totem d'impunité qui est absolument rageant. Personnellement, je suis très, très, très pessimiste pour la suite.
Malheureusement, les médias parlent de moins en moins de Gaza, comme si cet accord de cessez-le-feu avait endormi un peu les consciences. Or la situation est tout aussi dramatique aujourd'hui qu'hier et il faut poursuivre nos efforts, tant diplomatiques que médiatiques et de mobilisation sur le terrain.
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et surtout pour la franchise de vos réponses.
La résolution d'hier à l'ONU est un espoir. Nous n’en espérions pas tant, même si ce n'est pas l'idéal. Vu qu'elle a été adoptée, c'est le cadre pour les prochains mois.
On peut refuser d'y participer, mais alors pas d'influence. Alors la question est: soutenir la procédure, le processus sans perdre son âme. Et ça je crois, monsieur le ministre, que vous en êtes capable.
Aussi, vous avez dit vouloir une aide humanitaire en quantité et en qualité. Et ça, c'est très important. L'espoir d'une paix durable dans cette partie du monde ravagée quasi à jamais doit demeurer en nous. Et vous êtes notre représentant pour le défendre.
Britt Huybrechts:
Mijnheer de minister, voorafgaand wil ik mij excuseren voor mijn laattijdigheid. Ik was belet wegens een vraag in een andere commissie aan minister Matz, uw partijgenoot.
Nu kom ik tot mijn vraag. De terroristen verblijven misschien niet in een luxehotel, maar zij zitten wel op hotel. Mogelijk kunnen ze nergens heen, maar waar zouden ze naartoe moeten als ze op hotel kunnen verblijven?
Het is ongezien dat terroristen, mensen die anderen hebben vermoord of willen vermoorden, worden vrijgelaten. Ik heb er alle begrip voor dat onschuldige Palestijnen en onschuldige Israëli’s worden vrijgelaten, maar dat terroristen worden vrijgelaten, blijft naar mijn oordeel een schande en een absurditeit.
U stelt dat wanneer die terroristen naar het Schengengebied zouden reizen, een visum moeten aanvragen en dat zij zullen worden gescreend. Dienaangaande zie ik twee problemen. Ten eerste, niets weerhoudt hen ervan om hier illegaal naartoe te komen. Ze beschikken over voldoende netwerken om onder te duiken. Ten tweede, gelooft u werkelijk dat een visumaanvraag hen zou tegenhouden? Het heeft de terrorist Trabelsi ook niet tegengehouden om naar België te komen. Dat is dus absoluut geen geruststelling, integendeel.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, merci pour toutes vos réponses. Elles montrent, même si nous ne sommes pas d'accord sur tout, qu'il y a un engagement plus que résolu de votre part. Mais, comme ma collègue Mutyebele l'a dit, la résolution de l'ONU et la force de stabilisation sont contraires à l'avis de la Cour internationale de Justice du 19 juillet 2024 ordonnant le retrait des forces israéliennes des territoires palestiniens illégaux occupés sur la base des frontières d'avant 1967. Cette résolution de l'ONU contredit une décision de la CIJ, ce qui ne peut être qu'une solution précaire, une forme de sparadrap le temps de...
Et c'est là que je vous rejoins sur une forme de méthode qu'il conviendrait d'appliquer en la circonstance. Il faut que la Belgique continue à être l'un des porte-voix pour que justice se fasse. C'est-à-dire que toutes celles et tous ceux qui ont été inculpés par la Cour pénale internationale (CPI) soient traités et déférés devant les tribunaux pour faire cesser l'occupation illégale et l'apartheid. Il convient de repartir de toutes les résolutions de l'ONU pour construire un État palestinien qui cohabitera avec l'État d'Israël. Il faut absolument éviter que le statu quo actuel et la mise en route de cette force de stabilisation et d'un régime spécial sur les territoires de Gaza ne prolongent une logique d'annexion et d'apartheid; il faut éviter que ce statu quo, à l'instar de ce que l'on a vécu en Libye ou en Irak, n'aboutisse à une situation qui soit encore pire après qu'avant.
Pour l'instant, en Palestine et à Gaza en particulier, la société civile gazaouie est complètement effondrée. Il faut donc la reconstruire et la renourrir démocratiquement. D'où mon insistance pour que Marwan Barghouti soit libéré. Je sais qu'Israël, évidemment, est contre. Je sais aussi que des Palestiniens eux-mêmes sont contre, parce que si ce personnage plus intègre que d'autres revient sur la scène nationale palestinienne, il sera certainement l'homme qui réunira les conditions d'une pacification et un interlocuteur valable. Certains n'y ont pas intérêt, surtout pas Israël, mais certains Palestiniens non plus.
Monsieur le ministre, je vous demanderai, ainsi qu'aux parlementaires de la majorité, d'être conformes et logiques avec vos engagements. Il nous faut un calendrier précis, en ce compris sur l'établissement des sanctions et cette loi qui interdit l'importation des produits des colonies; je crois qu'il est temps de le mettre à l'agenda de notre commission.
Michel De Maegd:
Monsieur le ministre, je voudrais d'abord dire mon soulagement et surtout mon espoir de voir que, même si c'est lent, imparfait et compliqué, le cadre multilatéral avance malgré tout. Il y a urgence puisque, comme vous l'avez rappelé, la situation sur le terrain est encore très instable et éminemment complexe. Néanmoins, le vote intervenu hier au Conseil de sécurité montre qu'après des mois de blocage, la communauté internationale parvient enfin à se mettre d'accord sur un horizon, une architecture de sortie de crise à Gaza, avec l'espoir, bien sûr encore éminemment fragile, d'un pas vers la sécurité sur place. Mais ce texte onusien ne sera crédible que s'il se traduit concrètement dans la vie quotidienne des familles palestiniennes et israéliennes: plus de bombardements, plus de roquettes, plus d'attaques, plus de peur, mais davantage de garanties, de protection et un respect strict du cessez-le-feu. La future force de stabilisation, les mécanismes de gouvernance transitoires et j'en passe, tout cela n'a de sens que si cela permet réellement aux enfants de Gaza de dormir sans craindre la prochaine frappe et de commencer à envisager autre chose que la survie au jour le jour. Dans ce contexte, l'angle humanitaire doit rester absolument central. Les résolutions précédentes sur Gaza rappelaient déjà l'urgence de l'accès sans entrave à l'aide, de la protection des travailleurs humanitaires et de la remise en état des infrastructures vitales. Le vote d'hier ne peut pas juste être un chapitre purement diplomatique de plus. Il doit apporter une solution politique et mener à des conséquences concrètes avec plus de convois, plus de carburants pour les hôpitaux, plus d'eau potable, plus de soutien psychologique et médical pour une population traumatisée, avec des garanties de sécurité, et aussi l'élimination du Hamas de toute gouvernance de la Palestine et sa démilitarisation. Des réformes importantes, des élections doivent remettre en selle l'Autorité palestinienne. Comme vous l'avez dit, l'Union européenne devra, bien plus que par le passé, jouer un rôle constant dans cette mise en œuvre et dans les précisions qui doivent encore intervenir, notamment sur le rôle de l'Autorité palestinienne, raison pour laquelle la pression des sanctions européennes contre le Hamas, contre les colons violents, doit être maintenue. Je vous remercie, monsieur le ministre, de maintenir ce message à la table du Conseil européen des Affaires générales. Nous serons à vos côtés chaque fois que la Belgique plaidera pour que la mise en œuvre de ce nouveau dispositif garde deux boussoles claires: la sécurité de toutes les populations et la priorité absolue donnée à l'humanitaire. Nous resterons vigilants pour que derrière les mécanismes et les textes, ce soit bien entendu des vies humaines que nous protégions.
De weigering van Iran om de onderhandelingen met Europa over zijn kernprogramma te hervatten
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Iran weigert nucleaire onderhandelingen met Europa te hervatten na de herinvoering van VN- en EU-sancties (waaronder olie-embargo’s en bevriezing van tegoeden) via het *snapback*-mechanisme, wat de regionale destabilisatie en kerndreiging verergert. België/EU blijven vasthouden aan diplomatie als enige duurzame oplossing, maar combineren dit met strenge sanctiehandhaving en druk op Iran om te voldoen aan IAEA-verplichtingen en het non-proliferatieverdrag, met bilaterale acties tegen Iraanse entiteiten als optie. Samyn betwijfelt de effectiviteit van diplomatie gezien Irans gijzeldiplomatie en systematische schendingen van afspraken, maar Prévot benadrukt dat sancties en onderhandelingsbereidheid hand in hand moeten gaan—zonder militaire opties.
Ellen Samyn:
Iran heeft aangekondigd dat het niet langer bereid is de gesprekken met de Europese landen over zijn nucleaire programma te hervatten. Volgens Teheran worden enkel de “implicaties" van de herinvoering van de internationale sancties onderzocht.
Sinds 28 september zijn de VN-sancties tegen Iran opnieuw van kracht, nadat Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk het mechanisme activeerden dat dit mogelijk maakte. De sancties treffen bedrijven, organisaties en personen die betrokken zijn bij het kernprogramma of bij de productie van ballistische raketten. Ook de Europese Unie heeft bijkomende maatregelen genomen, waaronder inreisverboden en de bevriezing van Iraanse tegoeden.
De weigering van Iran om opnieuw aan tafel te gaan, versterkt de bezorgdheid over de nucleaire dreiging en de rol van het Iraanse regime in regionale destabilisatie via milities in Syrië, Libanon en Jemen.
Graag verneem ik van de minister:
Hoe beoordeelt u de beslissing van Iran om de onderhandelingen met de Europese landen stop te zetten, en wat betekent dit voor de bredere stabiliteit in de regio?
Hoe zal België, binnen de EU en de VN, bijdragen aan de naleving en versterking van de heringevoerde sancties tegen Iran? Zal België ook bilateraal optreden tegen entiteiten met banden met Iraanse staatsbedrijven of de Revolutionaire Garde?
Bent u van oordeel dat de diplomatieke inspanningen van de Europese Unie nog geloofwaardig zijn zolang Iran zich openlijk onttrekt aan internationale afspraken en mensenrechten systematisch schendt?
Acht u bijkomende maatregelen of een verstrenging van de bestaande sancties noodzakelijk, gelet op de voortdurende ontwikkeling van het kernprogramma en de rol van Iran in regionale destabilisatie en terreur?
Blijft België pleiten voor dialoog met Iran, of acht u dat, gezien de huidige context van gijzeldiplomatie, repressie en internationale agressie, niet langer realistisch of wenselijk?
Maxime Prévot:
Mevrouw Samyn, de restricties van de Verenigde Naties die de voorbije 20 jaar door de VN Veiligheidsraad werden goedgekeurd, middels 6 resoluties, werden met ingang van 28 september heringevoerd. Deze sancties verbieden de handel in goederen die van nut zijn voor nucleaire en raketprogramma’s, stellen een wapenembargo in en leggen reisbeperkingen en bevriezing van tegoeden van bepaalde personen en entiteiten op.
De EU heeft deze sancties overgenomen en er eigen sancties aan toegevoegd, in het bijzonder een olie- en gasembargo, sancties tegen de centrale bank en andere banken en restricties op cargovluchten. De activering van de snapback is een duidelijk besluit van de VN Veiligheidsraad. Alle VN-lidstaten moeten nu de nodige nationale maatregelen treffen om de volledige uitvoering van de VN-sancties te waarborgen.
De reactivering van een reeks beperkende maatregelen door de activering van de snapback , vormt een instrument van druk in de richting van een duidelijk doel. Iran moet opnieuw voldoen aan zijn bindende safeguards obligations en een levensvatbare en vreedzame diplomatieke oplossing voor het nucleaire dossier garanderen.
Het terug opleggen van sancties mag niet het einde zijn van de diplomatie met Iran over de nucleaire kwestie. De positie van de EU en België is duidelijk. Wij staan klaar om bij te dragen aan een onderhandelde oplossing. Een duurzame oplossing voor de Iraanse nucleaire kwestie zal niet met militaire middelen worden bereikt, maar moet gebaseerd zijn op een onderhandelde overeenkomst, die nauwlettend toezicht door het Internationaal Atoomenergieagentschap op het nucleaire programma van Iran omvat.
De weg vooruit is duidelijk: Iran moet zinvolle diplomatieke onderhandelingen aangaan, zijn samenwerking met het Internationaal Atoomenergieagentschap onverwijld hervatten en voldoen aan zijn wettelijke verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en de bindende comprehensive safeguards agreement . Het moet ook opheldering verschaffen over al het nucleair materiaal dat momenteel niet wordt verantwoord.
Ik blijf ervan overtuigd dat diplomatie de voorkeur moet krijgen, maar dat weerhoudt er ons niet van om andere kaarten in de hand te houden om geloofwaardig te zijn, zoals geïllustreerd door de reactivering van de snapback . Het aannemen van sancties is in dat opzicht uiteraard nuttig. België blijft actief op dat vlak, conform het regeerakkoord.
Ellen Samyn:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijk antwoord. U zegt dat diplomatie de voorkeur moet krijgen. Ik begrijp wat u daarmee bedoelt, maar u weet zelf hoe Iran met diplomatie omgaat. We weten allemaal dat dat land er een gijzeldiplomatie op nahoudt. Ik twijfel niet aan uw goede bedoelingen, maar ik betwijfel of Iran zich zal houden aan allerlei akkoorden en overeenkomsten.
De Mercosur-handelsovereenkomst
Het standpunt van België inzake het partnerschap met Mercosur
België en de Mercosur-handelsovereenkomst
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België heeft nog geen definitief standpunt over het EU-Mercosur-akkoord, maar een onthouding (door landbouwgevoeligheden en gebrek aan interne consensus) lijkt waarschijnlijk, ondanks het strategisch en economisch belang voor Europa. De Raad stemt mogelijk half december, met het Deense voorzitterschap dat een ongewijzigde goedkeuring van de vrijwaringsmaatregelen voorstaat, terwijl België gesprekken met deelstaten voert maar nog geen akkoord bereikte. Di Nunzio betuigt spijt over de terughoudendheid en benadrukt het geopolitieke belang van snelle ratificatie.
Voorzitter:
De heer Keuten is niet aanwezig.
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de minister. Ik heb vernomen – ik was toen nog geen lid van deze commissie – dat u begin oktober uitgebreid bent ingegaan op het partnerschapsakkoord tussen de EU en Mercosur.
U gaf toen aan dat uw diensten de verschillende aspecten van het akkoord aan het analyseren waren, maar dat er op dat moment nog geen definitief standpunt was ingenomen en dat het tijdschema nog niet bekend was. Intussen vernemen we dat de Europese Commissie hoopt het akkoord tegen het einde van dit jaar goedgekeurd te krijgen. Eindelijk, zou ik zeggen, want u weet dat het Mercosur-akkoord bijzonder belangrijk is voor ons land en voor de Europese Unie.
Het akkoord niet goedkeuren, zou een bijzonder ernstige en strategische fout zijn. Het is dus tijd dat België een duidelijk standpunt inneemt en dat akkoord effectief bewerkstelligt en goedkeurt. Ik heb daarover de volgende vragen, mijnheer de minister:
Ten eerste, heeft de federale regering intussen al een duidelijk standpunt ingenomen? Zo ja, kunt u dat toelichten? Zo nee, welke elementen staan een definitief standpunt in de weg?
Ten tweede, zijn er reeds gesprekken met de deelstaten in verband met een standpuntbepaling? Zo ja, hoe verlopen die? Zo nee, wanneer zult u daarmee starten?
Ten derde, wanneer staat het handelsakkoord op de agenda van de Raad? Hebt u daarop al zicht? Is het effectief de bedoeling dat het voor het einde van het jaar wordt goedgekeurd?
Ten slotte, bent u bereid bij de andere lidstaten te pleiten voor een snelle goedkeuring van het akkoord, gezien de economische en geopolitieke meerwaarde voor ons land? Ik dank u.
Maxime Prévot:
Mijnheer Di Nunzio, het standpunt van de federale regering en van België is nog niet definitief. De gevoeligheden met betrekking tot de landbouwsector zullen waarschijnlijk leiden tot een onthouding, wat het gevolg zou zijn van het ontbreken van interne consensus. Het definitieve Belgisch standpunt moet worden geformaliseerd door een besluit dat wordt gevalideerd tijdens een vergadering binnen ons DGE-coördinatiemechanisme, beheerd door Buitenlandse Zaken.
Op 8 oktober heeft de Europese Commissie een voorstel van verordening goedgekeurd met het oog op de operationalisering van de vrijwaringsmaatregelen in het kader van de overeenkomst met Mercosur.
De zaak is nu ter goedkeuring voorgelegd aan zowel de Raad als het Parlement. In de Raad stelt het Deense voorzitterschap voor om het voorstel van de Commissie ongewijzigd over te nemen, zonder amendementen. Bij gebrek aan een intra-Belgische consensus zal België zich in de besprekingen over de vrijwaringsmaatregelen onthouden.
We volgen ook de ontwikkelingen in de acties die zijn aangekondigd in het kader van de visie op de toekomst van de landbouw, met name met betrekking tot de mogelijke afstemming van de productienormen op pesticiden en dierenwelzijn die van toepassing zijn op geïmporteerde producten, en de aankondiging van het voornemen van de Commissie om het aantal audits en controles in derde landen te verhogen.
We houden ook nauwlettend toezicht op het nieuwe Unity Safety Net, dat het mogelijk moet maken om boeren in het geval van een markverstoring financieel te ondersteunen.
Die dossiers houden niet rechtstreeks verband met Mercosur en zullen niet volgens dezelfde timing verlopen, maar ze zijn ook belangrijk voor de algemene beoordeling van de situatie.
Dat brengt mij bij de tijdslijn die onder de verantwoordelijkheid van het Deense voorzitterschap valt en altijd aan mogelijke veranderingen onderhevig is. Op basis van de informatie die op dit moment beschikbaar is, lijkt het erop dat de stemming in de Raad van de Europese Unie rond half december zal plaatsvinden. Het staat elke autoriteit vrij om haar standpunt tussen nu en de definitieve beslissing te wijzigen.
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de minister, het is jammer om hier te vernemen dat we naar een onthouding zullen gaan. U weet dat mijn fractie pleit voor een goedkeuring van dat akkoord. Zeker in de wereld waarin we leven, is dat strategisch enorm belangrijk, zowel voor ons als voor Europa. We zijn daarin toch wel ontgoocheld.
De zondagsopening van supermarkten
De harmonisering van de paritaire comités voor de supermarkten
De vermindering van het aantal paritaire comités
De harmonisering van de paritaire comités
De hervorming van de openingsuren en de verplichte wekelijkse sluitingsdag in de retail
Regelgeving rond openingsuren en paritaire comités in de retailsector
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de harmonisatie van paritaire comités in de handelssector, waar oneerlijke concurrentie (o.a. door franchising en verschillende loonvoorwaarden) en sociale dumping (flexi-jobs, zondagopeningen, nachtarbeid) de arbeidsomstandigheden ondermijnen. Minister Clarinval benadrukt dat sociale partners (NAR) de hervorming moeten leiden, maar onderhandelingen zijn vastgelopen, terwijl hij wel de zondagsrust afschaft en nachtarbeid wil flexibiliseren—maatregelen die volgens kritiekers (o.a. vakbonden en CCÉ) kleine winkels en werknemers verder verzwakken ten voordele van multinationals. Kernpunt: Er is geen gelijk speelveld, en zonder strenge kaders dreigt de hervorming neer te komen op nivellering naar beneden, met precair werk, lagere lonen en verdere achteruitgang voor lokale handel en personeel. De oproep is om dwingende afspraken te maken die dumping voorkomen en fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden garanderen.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, vanmorgen kwam de brandend actuele problematiek van de harmonisering van de paritaire comités opnieuw aan bod in de krant. Lidl trekt aan de alarmbel en stelt dat het de concurrentie niet meer aankan. Lidl is niet de eerste supermarkt die dat aanvoert, want ook Colruyt ging het bedrijf al voor. De problematiek sleept al jarenlang aan – herinner u hoe de franchisering van Delhaize de werknemers aldaar in onzekerheid stortten - en vakbonden in de handel proberen via dialoog het probleem van de harmonisering van de paritaire comités op te lossen.
Mijnheer de minister, hoe ver staat het met de hervorming van de paritaire comités, die in het regeerakkoord was afgesproken? De uitdagingen in die sector zijn bovendien bijzonder groot. We zien de opmars van e-commerce, het grenswinkelen en er zijn ook juridische constructies om in een ander paritair comité terecht te komen om zo de moordende concurrentie te kunnen aangaan.
Hoe zult u de impasse rond de harmonisering van de paritaire comités in de handel doorbreken? Welke maatregelen zult u nemen om franchisering of andere constructies die tot sociale dumping leiden, te vermijden? Hoe zult u garanderen dat de werknemers, die zorgen dat wij eten op tafel hebben, fatsoenlijke loon- en arbeidsvoorwaarden behouden en een degelijke loopbaan in die sector kunnen uitbouwen?
Eva Demesmaeker:
Mijnheer de minister, de grootste Belgische privéwerkgever, de Colruyt Group, maakte een tijd geleden zijn jaarresultaten bekend. De retailer, die in tegenstelling tot zijn concurrenten nog volledig in Belgische handen is, behoudt stabiele vooruitzichten, maar moet wel marktaandeel inleveren. Volgens Colruyt is de reden daarvoor dat zondagopeningen bij de concurrenten een stuk gemakkelijker liggen dan bij winkelketen Colruyt. Op zondag openen is zeer moeilijk.
De regels voor de winkelketen en haar concurrenten zijn niet gelijk. Colruyt kent hogere personeelskosten dan de concurrentie, omdat het onder een ander paritair comité valt dan de andere spelers in die branche. Zeker op zondag is de concurrentie daardoor absoluut ongelijk.
Colruyt is, zoals mevrouw Vanrobaeys al heeft gezegd, een grote werkgever en nog volledig in Belgische handen. Niet alleen de winkels, maar ook de volledige logistieke keten, de administratieve ondersteuning en onderzoek en ontwikkeling vinden allemaal in België plaats.
De regering vraagt aan de sociale partners – dat staat in het regeerakkoord – om tegen 1 januari 2027 het aantal paritaire comités te verminderen, zodat het sociaal overleg moderniseert. Ik heb er echter mijn twijfels over dat die harmonisering er meteen zal komen. Erkent u de problematiek? Hoe kijkt u zelf naar de veelheid aan paritaire comités in de distributiesector? Hoe zult u ervoor zorgen dat de verschillende spelers volgens dezelfde spelregels kunnen opereren?
Ik weet niet of het overleg tussen de sociale partners gegarandeerd succes zal hebben. Indien er niet meteen iets zit aan te komen, zal de regering dan desgevallend zelf het initiatief nemen om het aantal paritaire comités te verminderen?
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit que d'ici au 1 er janvier 2027, les partenaires sociaux devront réduire le nombre de commissions paritaires, dans un objectif affiché de modernisation de la concertation sociale.
À ce stade, ce sont les interlocuteurs sociaux qui ont la main, mais sur le terrain, les inquiétudes sont fortes. Dans le secteur du commerce par exemple, les organisations syndicales rappellent que la question des commissions paritaires n'est pas qu'un enjeu technique ou administratif. L'affaire Delhaize a montré combien il était aisé pour une entreprise bénéficiaire de recourir à la franchisation pour changer de commission paritaire et contourner des droits acquis.
Depuis lors, c'est l'ensemble des conditions de travail qui s'est fragilisé: plus de flexibilité imposée, plus de précarité, extension du travail dominical, etc. Aujourd'hui encore, le SETCa souligne que des groupes spécialisés dans les montages juridiques ou la franchise utilisent ces failles pour accentuer le dumping social.
Il est donc nécessaire qu'un véritable débat s'ouvre au sein des secteurs afin que la simplification annoncée ne se traduise pas par un nivellement par le bas, mais au contraire par une clarification et un renforcement des protections collectives de tous les travailleurs et de toutes les travailleuses.
Dans ce contexte, mes questions sont les suivantes. Premièrement, quel est l'état des lieux des discussions entre partenaires sociaux sur ce chantier?
Deuxièmement, quelles balises le gouvernement entend-il poser pour garantir que la réforme n'aboutisse pas à une simplification au seul avantage des employeurs, mais bien à une sécurisation accrue des droits des travailleurs et des travailleuses?
Troisièmement, comment vous assurerez-vous que la réduction du nombre de commissions paritaires ne soit pas instrumentalisée par certains acteurs pour poursuivre des stratégies d'évitement et de dumping social, comme on l'a vu dans le dossier Delhaize?
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, dans le cadre de la réforme visant à assouplir les heures d'ouverture des commerces et à supprimer le jour de repos hebdomadaire, de nombreuses inquiétudes ont été exprimées, notamment par le Conseil Central de l'Économie. Ce dernier souligne que les coûts supplémentaires en personnel et en énergie ne seront pas compensés par une augmentation réelle du chiffre d'affaires et que cette réforme pourrait accentuer la pression commerciale sur les indépendants et les travailleurs.
Par ailleurs, sous la législature précédente, vous aviez émis un avis défavorable sur des propositions de loi similaires, en soulignant que "les assouplissements en matière d'heures d'ouverture et de repos hebdomadaire risquent d'être préjudiciables aux indépendants et aux petites entreprises. En effet, les grandes enseignes peuvent plus facilement s'organiser et disposent de plus de moyens pour assurer une ouverture sans repos hebdomadaire et pendant des plages horaires élargies. Je remets donc un avis défavorable."
Monsieur le ministre, comment justifiez-vous aujourd'hui ce changement de position au regard des inquiétudes mises en avant par le Conseil Central de l'Économie? Selon vous, comment cette réforme peut-elle garantir que les petits commerces et leurs employés ne subiront pas une pression commerciale et des coûts supplémentaires disproportionnés face aux grandes enseignes?
David Clarinval:
Met uitvoering van het regeerakkoord heb ik aan de NAR, waarin de sociale partners verenigd zijn, gevraagd om de nodige initiatieven te nemen ter voorbereiding van de vermindering van het aantal paritaire comités en mij om de vier maanden een verslag van de werkzaamheden te bezorgen. Een eerste vergadering vond plaats op 15 oktober en de volgende is gepland eind november.
De kwestie van de verschillende paritaire comités in de kleinhandel, met verschillende arbeidsvoorwaarden, is in het kader van de zaak-Delhaize en de recente mediaoproepen van Colruyt opnieuw volop onder de aandacht. Het gaat voornamelijk om de verschillen tussen PC 201, voor de zelfstandige kleinhandel, PC 202, voor de kleinhandel in voedingswaren, PC 202.01, voor middelgrote levensmiddelenbedrijven, PC 311, voor de grote kleinhandelszaken, en PC 312, voor de warenhuizen. Naar gelang van de hoofdactiviteit, de grootte en het aantal vestigingen komt men in het ene of het andere paritair comité terecht.
Hoewel reeds sinds enige tijd sectorale cao-onderhandelingen worden gecoördineerd, blijft er een aantal traditionele verschillen bestaan. In die verschillende paritaire comités sloten werkgevers en vakbonden collectieve arbeidsovereenkomsten om de arbeidsvoorwaarden te kaderen op basis van de bijzondere noden en mogelijkheden van iedere sector. Gelet op de verschillende economische en sociale realiteiten leidde dat tot verschillende resultaten op het terrein.
Hoewel er een verband kan worden gelegd met de gevraagde algemene oefening, moet de lopende discussie in de distributiesector volgens mij apart worden bekeken. Mijn voorganger heeft de sociale partners van de sector reeds uitgenodigd om met een voorstel ter zake te komen.
Ook in ons federaal regeerakkoord in en de beleidsverklaring wordt de nadruk gelegd op de fundamentele rol van het sociaal overleg in de hervormingsagenda van de regering. De sociale partners in de vijf paritaire comités voor de handel voeren het debat onafhankelijk van de oefening die in de NAR zal plaatsvinden. Hoewel de gesprekken momenteel voor onbepaalde duur zijn opgeschort, hoop ik dat de sociale partners spoedig weer rond de tafel zullen gaan zitten.
En ce qui concerne un certain nombre de questions spécifiques que vous avez soulevées, tout d'abord, les flexi-jobs sont accessibles à tous dans le secteur de la distribution. Il ne peut donc être question de concurrence déloyale.
Affirmer que les flexi-jobs viennent remplacer les contrats de durée indéterminée n'est pas correct non plus. Les flexi-jobistes sont justement des travailleurs qui peuvent venir en renfort pendant les périodes de pic d'activité ou en cas de manque aigu de personnel. Ils permettent également d'offrir un certain répit au personnel permanent en prenant le relais durant les week-ends.
Ensuite, il est bien entendu important, lorsqu'on parle de conditions de concurrence équitables dans le commerce de détail, d'également se pencher sur les règles relatives à la franchise. Mais les grandes chaînes ont aussi, en raison de leur taille, des avantages qui leur permettent par exemple de conclure de meilleurs contrats avec leurs fournisseurs. Il convient d'identifier les différents paramètres. Je suis convaincu que les discussions au sein du secteur permettront d'identifier les points sensibles et de trouver des solutions.
En ce qui concerne la sous-question relative à l'ouverture des magasins le dimanche, le gouvernement a décidé de supprimer le jour de fermeture obligatoire prévu par la loi. Un projet de loi a été rédigé en ce sens par ma collègue Simonet.
En ce qui concerne l'emploi de travailleurs le dimanche, je vous renvoie aux possibilités qu'offre déjà le droit du travail pour employer des travailleurs le dimanche. Si le cadre actuel s'avère insuffisant, je suis disposé à poursuivre la concertation à ce sujet.
Par ailleurs, au niveau du gouvernement, nous prenons les mesures nécessaires pour protéger et promouvoir la compétitivité et l'emploi. La volonté de mettre en œuvre ces mesures est également motivée par la problématique de la distribution. Il convient de voir également à ce sujet la mesure sur laquelle je travaille actuellement, qui vise à supprimer l'interdiction du travail de nuit et à assouplir les procédures relatives à son introduction, en particulier dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce. Dans cette discussion, nous nous heurtons d'ailleurs à la question du commerce, qui se retrouve dans bon nombre de commissions paritaires.
Pour conclure, je continue à inciter chacun à œuvrer à la mise en place d'un cadre moderne et viable pour les employeurs et les travailleurs du secteur, car c'est la seule façon de stimuler la croissance économique et de soutenir l'emploi.
Anja Vanrobaeys:
Voor mij is alles begonnen bij Delhaize. Dat kon vrij eenvoudig door franchisering een achteruitgang in de loon- en arbeidsvoorwaarden organiseren; ik vind het trouwens nog altijd jammer dat we die strategie wettelijk niet beter hebben kunnen tegenhouden. Natuurlijk hebben grotere winkels voordelen, want ze kunnen rekenen op goedkopere leveranciers. Dan gaat het niet over de zelfstandige buurtwinkel, maar over zelfstandigen die soms vier of vijf winkels hebben. Daar zat echt een strategie achter. Men moet vaststellen dat de arbeidsvoorwaarden in de sector er sindsdien alleen maar op achteruit gegaan zijn.
Er worden heel veel vestigingen gesloten. In de onderhandelingen wordt steeds meer flexibiliteit gevraagd. Er komen meer supermarkten bij tankstations, winkels die 24 uur op 24 open zijn en waar de arbeidsvoorwaarden vrij precair zijn. Dat is het nieuwe concept.
Men verwacht niet veel van het sociaal overleg, maar ik meen dat we de onderhandelaars onder druk moeten zetten opdat ze een eerlijk speelveld organiseren. Dat is goed voor zowel de werkgevers die zo’n supermarkt uitbaten, als voor het personeel, dat daar werkt, degenen die de rekken vullen en ervoor zorgen dat ons eten op tafel komt. Zij verdienen respect en de beste arbeidsvoorwaarden.
Eva Demesmaeker:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het stemt mij tevreden dat er op 15 oktober gesprekken werden aangevat. We moeten de timeline strak houden en ik hoop dat we af en toe een verslag zullen krijgen over het verloop van de onderhandelingen. Als daar niets uitkomt, dan hoop ik wel dat de regering zelf met voorstellen zal komen, want er is momenteel geen gelijk speelveld en we moeten voorkomen dat grote Belgische bedrijven wegtrekken.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Monsieur le ministre, je suis fondamentalement en désaccord avec vous sur la question des flexi-jobs qui ne sont ni plus ni moins que des boulots assurés par des gens qui ont déjà un travail. Cela correspond à un allongement collectif du temps de travail parce que l'emploi principal ne garantit pas des revenus suffisants pour pouvoir subvenir à leurs besoins. En tout cas, c'est dans cette optique-là que les personnes s'inscrivent.
Et donc, aujourd'hui, on place les employeurs au pied du mur, en leur disant soit d'engager ces personnes en flexi-job – car ça coûte quatre fois moins cher que d'engager un employé en CDI –, soit d'engager quelqu'un qui aura un job dans lequel il peut se projeter, s'épanouir et avoir un équilibre vie privée-vie professionnelle. Le dénominateur commun de vos politiques, c'est qu'à aucun moment, on ne voit quand vous créez des emplois convenables, stables, de qualité, qui permettent de remplir les conditions mises en place par votre collègue des Pensions pour bénéficier d'une pension complète qui permet de vieillir dans la dignité.
C'est là que réside toute l'incohérence du projet de l'Arizona. Aujourd'hui, ce que je voudrais vous rappeler, c'est que votre rôle en tant que ministre est de garantir l'intérêt général et de vous efforcer d'améliorer les conditions de vie des travailleurs. Aujourd'hui, votre réforme ne doit pas niveler par le bas les conditions de travail au nom de certaines demandes de multinationales.
Parce que ceux qui payeront le prix de l'ouverture dominicale ou de l'extension du travail jusqu'à 21 h, ce sont les petits commerces, les petites structures qui ne peuvent pas aligner des travailleurs H24 sept jours sur sept. Les petites structures vont subir une concurrence de la part des multinationales qui, elles, peuvent se permettre de rester ouvertes pendant toutes ces plages horaires. Cela accentuera la désertification de nos villes qui subissent déjà ce phénomène des devantures qui sont vides. Allez-vous promener en ville, vous le verrez, monsieur le ministre.
Je vous en conjure, faites en sorte d'améliorer la situation plutôt que de la dégrader.
Sophie Thémont:
Merci monsieur le ministre, pour vos réponses. Vous dites tout et son contraire puisqu’avant vous étiez contre, et maintenant vous êtes pour ces heures d'ouverture. Je trouve que ce projet est vraiment une menace directe pour les petits commerces et pour les indépendants, et surtout pour les salariés du secteur. Alors, derrière l'argument de la liberté d'ouverture, c'est aussi une nouvelle précarité qui s'installe. Des horaires impossibles, des journées sans repos, des vies de famille sacrifiées aussi. On sait que la vie d'indépendant, ce n'est quand même pas facile, et que la concurrence directe qu'il y aura entre des grandes enseignes et des petits commerçants sera réelle sur le terrain. D’ailleurs, le Conseil Central de l’Économie vous a lui-même alerté sur le sujet. Ce que demandent aujourd'hui les travailleurs, c'est tout simplement du respect, du temps de repos, de la prévisibilité. Vous parlez toujours de promouvoir la compétitivité et à aucun moment vous n'avez parlé des travailleurs ni des indépendants sur la qualité de leur travail. Je pense donc qu’aujourd’hui, on doit tenir compte de ces petits commerçants qui, chaque jour, font vivre nos communes – la mienne notamment, la vôtre certainement – et qui tiennent ça parfois à bout de bras, face à des géants qui arrivent, s'installent et ont les moyens financiers de pouvoir ouvrir sept jours sur sept, parce qu'ils ont du personnel à outrance et parce qu'ils ont d'autres moyens financiers aussi. Et je suis très étonnée que vous ne preniez pas ça à cœur, monsieur le ministre, vous qui défendez soi-disant les petits indépendants.
De uitspraken van de procureur-generaal van Brussel over de war on drugs in de haven van Antwerpen
De haven van Antwerpen en de strijd tegen de drugshandel
De rol van de haven van Antwerpen en het OM Brussel in de bestrijding van internationale drugshandel
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 13 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De oppositie (De Smet, Chahid) hekelt dat slechts 0,5-1% van de Anverse conteneurs wordt gecontroleerd omwille van economische belangen, terwijl de cocaïne-instroom fusillades en onveiligheid in Brussel en elders verergert, en spreekt van dubbele agenda’s (veiligheid vs. portconcurrentie). Minister Clarinval (namens Binnenlandse Zaken) bevestigt prioriteit voor georganiseerde criminaliteit, wijst op internationale samenwerking (MAOC-N, liaison-officieren in Panama/Emiraten) en een “Stedenplan”, maar ontwijkt concrete scanpercentages en schuift verantwoordelijkheid door naar Financiën (Jambon). Critici noemen de maatregelen ontoereikend ("*window dressing*"), vragen federale overname van de havencontroles en betichten de regering van laxisme ten koste van burgerveiligheid. De spanning economie (havenbelangen) vs. veiligheid blijft onopgelost, met geen duidelijke doelstellingen voor strengere controles.
François De Smet:
Monsieur le ministre, ce mercredi, le procureur général Frédéric Van Leeuw s'est exprimé dans la presse, en indiquant notamment ceci: "Lutter contre la criminalité organisée, c'est aussi toucher à la liberté d'entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d'Anvers: il n'y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés. Et on nous dit clairement que, si l'on en contrôle 15 %, Anvers va perdre des parts de marché." Voilà une déclaration étonnante parce que, pendant ce temps, votre gouvernement nous assure qu'il investit dans des procédés et dans le scanning des conteneurs à Anvers. Alors, qui dit vrai?
D'abord, est-il exact que votre gouvernement Arizona ne contrôle que 0,5 % des conteneurs dans le port d'Anvers? Oui ou non. Ensuite, que ce chiffre soit exact ou non, quel est votre objectif? Voulez-vous parvenir jusqu'à 2 %, 5 % ou 15 %? Et puis, reconnaissez qu'avec cette déclaration du procureur et à cause d'un tel flou, le doute est permis. Le gouvernement Arizona entend-il vraiment tout entreprendre, quel qu'en soit le prix, pour arrêter la cocaïne dans le port d'Anvers ou bien alors, comme le laisse entendre une telle déclaration, va-t-on faire du window dressing en investissant dans quelques scanners, tandis que tout ne sera pas entrepris pour faire cesser ce trafic parce qu'on ne veut pas entraver l'économie du port d'Anvers?
Cela permet également de dire à tous les donneurs de leçon en matière de sécurité à Bruxelles qui s'expriment régulièrement que, tant que nous laisserons passer la cocaïne par le port d'Anvers, nous aurons des fusillades à Bruxelles, avec des conséquences de plus en plus graves, telle cette balle perdue qui a fracassé la vitre de la chambre d'un enfant à Anderlecht. Il est donc temps de choisir. On ne peut pas décider de faire primer l'économie à tout prix sur la sécurité des citoyens parce qu'on va finir par mettre leur vie en danger, que ce soit à Bruxelles, à Anvers ou partout ailleurs.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, désormais, la Belgique n'est plus seulement connue pour ses gaufres ou son chocolat, elle l'est aussi pour la cocaïne, l'héroïne, les drogues de synthèse. C'est à se demander si l'on ne verra pas bientôt sur les pilules qui traversent l'Europe "Bons baisers d'Anvers".
Anvers est la porte d'entrée de la drogue, vous le savez. Le port d'Anvers est une passoire. J'ai obtenu des chiffres hallucinants de votre collègue Jan Jambon, hier. Pire, mercredi, le procureur fédéral Van Leeuw disait explicitement à l'occasion d'une interview dans Le Soir que moins de 1 % des conteneurs sont contrôlés à Anvers! Pour quelle raison? Pour ne pas mettre en difficulté l'activité économique anversoise, pour ne pas perdre des parts de marché. Voilà, monsieur le ministre, la ligne directrice de votre gouvernement: privilégier le business et l'argent sale au détriment de la sécurité nationale.
Monsieur le ministre, que faites-vous en attendant? Rien! Vous privilégiez le business florissant pendant que le pays paye le prix de votre laxisme. Le monde entier nous pointe du doigt. La ville de notre premier ministre est au centre d'un laisser-aller scandaleux.
Monsieur le ministre, combien de temps faudra-t-il avant que vous ne réagissiez? Combien de fois faudra-t-il que les services de police et de justice tirent la sonnette d'alarme pour que vous sortiez de votre inaction? Prendrez-vous les mesures qui s'imposent pour contrôler tous les conteneurs qui ne sont pas contrôlés de manière efficace? Mettrez-vous le port d'Anvers sous le contrôle des autorités fédérales pour mettre fin à ces trafics?
David Clarinval:
Messieurs les députés, je réponds à la place de mon collègue M. Bernard Quintin, lequel est excusé pour la présente séance. Il m'a demandé de vous communiquer la réponse suivante.
M. le ministre de l'Intérieur a bien pris note des propos du procureur général de Bruxelles quant à la nécessité de lutter efficacement contre la menace du narcotrafic. Tant l'accord de gouvernement que la task force sous l'autorité du premier ministre prévoient de renforcer l'ensemble des services de sécurité, en ce compris les douanes, afin que l'ensemble des compétences, qu'elles soient de l'autorité fédérale ou des entités fédérées, puissent contribuer à une réponse coordonnée face au trafic de drogue et aux trafics qui en découlent, à savoir les trafics d'armes et des êtres humains.
Les mesures ont déjà été largement débattues ici. Il est évidemment indispensable d'améliorer le screening des conteneurs, que cela soit au port d'Anvers ou dans tout autre moteur économique essentiel pour notre pays. Il est évident qu'au plus la drogue est interceptée aux points d'entrée, au moins elle se répand ensuite sur le territoire.
Concernant le screening des conteneurs que vous évoquez spécifiquement, cela relève de la compétence de notre collègue des Finances, M. Jan Jambon. Si vous voulez approfondir le sujet, je vous invite donc naturellement à vous tourner vers lui.
Cependant, je peux vous affirmer – et c'est toujours ici le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur qui vous parle – qu'un plan Grandes villes, destiné à lutter contre le crime organisé et le trafic de drogue, a été présenté en septembre dernier.
En plus des nombreuses mesures concrètes déjà évoquées dans cette Assemblée, je vous rappelle que j'ai mis en place un représentant de la police fédérale au sein du Centre opérationnel d’analyse du renseignement maritime pour les stupéfiants (MAOC (N)), l'organe qui coordonne les opérations internationales de lutte contre le trafic de drogue par voie maritime.
Le ministre de l'Intérieur a également décidé d'ouvrir des postes d'officiers de liaison de la police fédérale aux Émirats arabes unis et surtout au Panama, qui est, comme vous le savez, un point de départ connu du trafic de drogue venant d'Amérique latine.
Messieurs les députés, je parle ici toujours au nom du ministre de l'Intérieur, mais aussi en mon nom. La lutte contre la criminalité organisée est une priorité de notre gouvernement et une préoccupation partagée par l'ensemble de tous ses membres, et elle le restera tout au long de la législature.
Je vous remercie pour votre attention.
François De Smet:
Merci monsieur le ministre pour cette lecture.
Je sais très bien que M. Quintin n'est pas là mais je me dis que le ministre de l' É conomie a bien un avis sur la question puisque la question est aussi économique. Faut-il faire primer l'économie sur la sécurité? Je sais que vous êtes un peu occupé ces temps-ci mais je n'arrive pas à croire que vous n'ayez pas d'avis sur cette question. Doit-on faire primer l'économie à tout prix sur la sécurité de nos concitoyens? Je vous offrais l'occasion de nous le prouver, c'est dommage.
Monsieur le ministre, de votre réponse, je retiens bien sûr une certaine obligation de moyens, pas d'obligation de résultats, pas d'obligation que le gouvernement se donne une proportion de conteneurs à scanner à Anvers et des tentatives de montrer que la lutte contre le narcotrafic n'est pas un échec. Pourtant c'est le cas. Quoi que vous fassiez pour l'instant, ces moyens sont insuffisants, les fusillades continuent en 2025 au même niveau qu'en 2024. Les solutions Arizona pour l'instant ne fonctionnent pas et vous auriez pu vous exprimer là-dessus de la part de tout le gouvernement.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, votre réponse m'inquiète, elle ne me rassure pas, d'autant que vous avez lu votre texte avec autant d'énergie qu'un mollusque au meilleur de sa forme.
Georges-Louis Bouchez:
(…)
Ridouane Chahid:
En tant que vice-premier ministre, vous siégez au Conseil national de sécurité, vous avez une responsabilité dans la sécurité de ce pays.
Face aux trafiquants, face à la criminalité, que faites-vous? Rien! Le laxisme de votre gouvernement vis-à-vis du port d'Anvers est injustifiable. Il nous faut une approche globale vis-à-vis de cette problématique avec l'ensemble des services de sécurité. Cela fait des mois que j'interroge le premier ministre sur la task force qu'il nous avait vendue ici-même. On ne voit rien venir. Rien, si ce n'est qu'on ferme les yeux lorsqu'il s'agit d'Anvers.
Pour l'Arizona, le business d'Anvers est plus important que la sécurité et la santé des (…)
(Protest van de heren Ducarme en Bouchez)
Voorzitter:
Goede collega's, elk parlementslid is vrij in zijn of haar woordkeuze. Ongeacht of ik het er al dan niet eens ben, ben ik zeer terughoudend om in te grijpen. In dit geval is dat misschien in het voordeel van de heer Chahid. Andere keren zal het in het voordeel van andere collega's zijn. Iedereen moet verantwoordelijkheid nemen voor de terminologie waarmee en de manier waarop hij of zij zich uitdrukt.
De KCE-studie over de behandeling van minderjarigen met genderdysforie
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het KCE start in juli 2026 een studie naar hormoonremmers bij jongeren met genderdysforie, met publicatie gepland in oktober 2027, maar de scope blijft vaag. Critici vrezen een beperkte literatuuranalyse zonder diepgaand onderzoek naar hersenontwikkeling, spijtcijfers, zelfmoordrisico’s of het *lock-in effect*, terwijl internationale studies al afraden van hormoonbehandelingen bij minderjarigen. De discussie benadrukt dat België achterloopt op landen die dergelijke behandelingen al stopzetten, met onvoldoende aandacht voor langetermijneffecten en alternatieve zorg. De studie dreigt geen fundamentele herziening van het huidige beleid te triggeren.
Dominiek Sneppe:
Tijdens de bespreking van uw beleidsnota zei u dat u aan het KCE hebt gevraagd om een studie te laten uitvoeren naar het gebruik van hormoonremmers bij jongeren in het kader van genderdysforie. Dat stond ook zo in het regeerakkoord. We weten ondertussen dat het KCE bekijkt wanneer deze studie in het jaarprogramma kan worden opgenomen.
Mijnheer de minister, heeft het KCE dit onderwerp al in zijn jaarprogramma kunnen opnemen? Wanneer mogen we de resultaten verwachten? Wat is precies de scope van die studie?
Frank Vandenbroucke:
Het KCE heeft dit onderwerp dit jaar opgenomen in zijn studieprogramma en zal in juli 2026 met het onderzoek kunnen starten. Het KCE plant de resultaten van deze studie in oktober 2027 te publiceren.
Dominiek Sneppe:
Mijnheer de minister, kunt u nog verduidelijken wat u precies aan het KCE hebt gevraagd? Wat is de scope van de studie die zij moeten uitvoeren?
Frank Vandenbroucke:
Ik heb dat al zo vaak gezegd hier.
Dominiek Sneppe:
U hebt het al zo vaak gezegd, maar blijkbaar is het nog altijd niet helemaal duidelijk. Wat ik daaruit kan afleiden, is dat u eigenlijk ook niet goed weet wat de scope van de studie is. Mijn vrees is dat het om een zeer beperkte studie zal gaan. Het zal eerder een opsomming van internationale en andere studies zijn, waaruit al dan niet zal blijken dat hormoonremmers bij jongeren met genderdysforie goed is. Wat we daarin zeker niet zullen terugvinden, is een uitgebreid klinisch onderzoek naar de effecten van puberteitsremmers op de hersenontwikkeling. Men zal waarschijnlijk ook geen gegevens verzamelen over het aantal en de leeftijd van de kinderen die een medische transitie ondergaan of starten of over het aantal mensen in transitie dat zelfmoord pleegt of een poging tot zelfmoord onderneemt. De gegevens over het aantal mensen dat spijt heeft van een transitie of vroegtijdig stopt met de transitie zullen vermoedelijk ook ontbreken. Het gaat nochtans om zeer pertinente vragen en gegevens als we dit thema in zijn geheel willen bekijken. Ook kan er bijvoorbeeld onderzoek worden gevoerd naar de mogelijkheid van een zogenaamd lock-in effect ten gevolge van puberteitsremmers. Ook dat zullen we echter niet te horen krijgen. Het echte thematische debat over de vraag of het nu al dan niet goed is, zal hier niet aangezwengeld worden. We zullen gewoon verdergaan met wat we al jaren doen. We zullen jongeren met genderdysforie blijven behandelen met hormonen, terwijl internationale studies reeds aantonen dat dat geen goed idee is. Heel wat landen hebben reeds de beslissing genomen om dat niet meer te doen bij minderjarigen. Ik zie dat die studie hier weinig zoden aan de dijk zal zetten, wat jammer is voor onze jongeren die zich in die situatie bevinden. Ik denk dat ook zij recht hebben op de beste zorg en dat dat absoluut zeer grondig moet worden bekeken.
De impact van de arbeidsmarkthervorming op de uitval en de langdurig zieken
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vandenbroucke bevestigt dat de regering nog onderhandelt over uitbreiding van nachtarbeid, waarbij gezondheidsrisico’s (kanker, hartziekten, mentale problemen) en fiscale voordelen (€2,5 mjd) centraal staan, maar stelt dat nachtarbeid economisch onvermijdelijk blijft. Hij wijst op een bonus-malussysteem om werkgevers financieel verantwoordelijk te maken voor gezondheidsschade, maar Van Lysebettens dringt aan op preventieve beperking (alleen essentiële sectoren) en kritiseert het curatieve karakter van het systeem. Sociale partners en sectoren moeten betrokken worden, maar concrete maatregelen of extra budgetten ontbreken nog. De spanning blijft tussen economische noodzaak en volksgezondheid, zonder duidelijke oplossing.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, het zomerakkoord breidt in ieder geval de nachtarbeid uit. Het is mij niet meer helemaal duidelijk in welke mate en ik heb begrepen dat het ook de regering niet langer duidelijk is. In elk geval heeft nachtarbeid een negatieve impact op de volksgezondheid. Uit talloze wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er een direct verband bestaat tussen deze vorm van arbeid en geestelijke gezondheid, slaapstoornissen, spijsverteringsproblemen, cardiovasculaire aandoeningen, diabetes en verschillende vormen van kanker.
Bovendien blijkt uit een omzendbrief van uw collega-minister Jambon van deze zomer dat hij het fiscaal voordeel voor ploegen- en nachtarbeid wil blijven garanderen, hoewel dat mogelijk 2,5 miljard euro kan opbrengen, dit terwijl er tegelijkertijd wordt bespaard op de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en er aan de andere kant dus extra lasten worden gecreëerd.
Hoe evalueert u als minister van Gezondheid de link tussen nachtarbeid en langdurige ziekte?
Verwacht u dat de versoepeling van nachtarbeid en het gunstige fiscale regime ertoe zullen leiden dat er meer nachtarbeid wordt verricht en dat daardoor het aantal langdurig zieken zal toenemen?
Werkt u aan een preventief actieplan om de impact op de gezondheid van extra nachtwerk te beperken? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Welke rol ziet u voor de bedrijven en sociale partners en hoe zal de regering hen daarin ondersteunen?
Gezien de toename van nachtwerk en de daaruit voortvloeiende gezondheidsproblemen zal ook het budget van de sociale zekerheid onder druk komen. Overweegt u bij de huidige begrotingsbesprekingen daar extra middelen voor te vragen, bijvoorbeeld door ze te financieren via een verminderd fiscaal voordeel voor de bedrijven of via het bonus-malussysteem dat u in een van de vorige debatten noemde?
Frank Vandenbroucke:
Mijnheer Van Lysebettens, we zijn binnen de regering eigenlijk nog in overleg over de hervorming van de arbeidsmarkt inzake nachtarbeid. Het is immers een gevoelige kwestie, omdat het zowel gaat over het recht op bijkomende premies voor wie nachtarbeid verricht, als over de garantie dat mensen die daar vandaag recht op hebben dat recht ook behouden. Dat vind ik zeer belangrijk. Het gaat om een correcte vergoeding voor een meer penibele arbeidsomstandigheid, namelijk ’s nachts werken. Daarnaast betreft het de procedures van sociaal overleg die bepalen of nachtwerk al dan niet wordt georganiseerd en dus de invloed die de vakbonden daarop hebben. We zullen daarin hervormen, maar er moet een goed evenwicht behouden blijven. Het debat gaat ook over de notie van nachtarbeid zelf en over de sectoren waarin dit al dan niet mogelijk is.
Het blijft een gevoelige kwestie, omdat het eveneens een gezondheidsaspect heeft. Ik kan niet vooruitlopen op wat de regering daarover uiteindelijk zal beslissen. Dat kan en mag ik niet, aangezien het ook onder de bevoegdheid van een collega-minister valt.
Ik ben het wel met u eens dat gezondheid hier een onderdeel van de overwegingen moet zijn. Anderzijds kan ons economisch systeem niet zonder een zekere mate van nachtarbeid. U slaat de nagel op de kop wanneer u zegt dat het bonus-malussysteem, zoals ik dat voor ogen heb voor werkgevers, ook een deel van het antwoord kan vormen. Als sectoren en bedrijven waarin veel nachtarbeid voorkomt ook die zijn waar veel werknemers uitvallen en langdurig afwezig blijven, dan zullen zij dat met zo’n bonus-malussysteem natuurlijk voelen. Dat lijkt mij ook correct. Dat maakt inderdaad deel uit van het debat.
Jeroen Van Lysebettens:
Dank u wel, minister, voor uw antwoord.
Ik begrijp uiteraard dat u niet wilt vooruitlopen op de lopende discussies binnen de regering. Ik wil graag meegeven – en u kunt dat meenemen in die gesprekken – dat de integratie van dit thema in het bonus-malussysteem op zich geen slecht idee is. Toch is dat systeem vooral curatief, want men grijpt pas in wanneer men vaststelt dat vele werknemers gezondheidsproblemen ondervinden als gevolg van een nachtwerkregime. Er moeten uiteraard ook preventieve maatregelen worden genomen, zodat de malus zich hopelijk niet voordoet. Ik wil u vragen om daar zeker aandacht aan te besteden.
Als u het mij vraagt, moeten we nachtarbeid beperken tot de hoogstnodige sectoren in ons economische systeem en het regime niet uitbreiden. Dat is de beste preventieve maatregel die we kunnen nemen.
Voorzitter:
La question n° 56008524C de M. Vincent Van Quickenborne est transformée en question écrite.
De prijzen in de supermarkten
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Testaankoop toont aan dat voedselprijzen (met name chocolade, vlees, koffie) sinds 2022 met tot 87% stegen, terwijl lonen niet volgen, wat gezinnen jaarlijks 300+ euro extra kost—Annik Van den Bosch eist transparantie over winstmarges en prijsvorming, plus maatregelen zoals margeplafonds om machtsmisbruik door supermarkten en producenten aan te pakken. Minister Clarinval wijst op lopend onderzoek door het Prijsobservatorium en de Mededingingsautoriteit, benadrukt structurele kosten (accijnzen, logistiek, lage concurrentie) als oorzaak, en sluit directe prijsregulering uit omwille van EU-regels en risico’s voor beschikbaarheid. Van den Bosch ontkracht zijn argumenten: dalende grondstofprijzen slaan niet door in de winkel, en de "concurrentiële markt" faalt—consumenten betalen recordbedragen zonder zicht op verlichting. Clarinval belooft Europees lobbyen tegen prijsdiscriminatie en wacht op aanbevelingen in 2026, maar concrete actie blijft uit.
Annik Van den Bosch:
Mijnheer de minister, Testaankoop volgt al drie jaar de prijzen in onze supermarkten op. In september 2025 betaalt een gezin gemiddeld 6 euro meer per winkelkar dan een jaar eerder.
Dat lijkt misschien weinig, maar op maandbasis betekent dat 24 euro extra en op jaarbasis zelfs meer dan 300 euro, zonder dat er één extra product in dat karretje ligt. Dat is geen nuance, dat is een bikkelharde realiteit.
Als we inzoomen op de producten die het sterkst stijgen, dan gaat het om basisproducten zoals koffie, rundvlees en chocolade. Dat laatste is extra pijnlijk met de feestdagen in het vooruitzicht. Sinterklaas komt eraan, maar volgens Testaankoop is de sinterklaaschocolade fors duurder geworden. Een pakje melkchocolade dat vorig jaar nog 2 euro kostte, kost nu 2,76 euro. Pure chocolade steeg van 2,50 euro naar 3,20 euro en chocoladekoekjes stegen van 3 euro naar 3,72 euro. Bekeken over een langere periode, sinds 2022, dan spreken we over stijgingen tot wel 87 %. Een product dat toen 2 euro kostte, kost nu bijna 3,70 euro. Dat is geen inflatie meer, dat is uitmelken.
Een gemiddeld gezin dat wekelijks voor 150 euro boodschappen doet, geeft op jaarbasis 7.800 euro uit. Door de prijsstijging van 3,99 % komt daar 311 euro bij. Dat is gemiddeld een halve maand huur, mijnheer de minister, terwijl de lonen niet meestijgen.
In antwoord op eerdere vragen, op 16 juli, zei u dat we moesten nuanceren, dat de marges onder druk staan en dat de inflatie in België lager ligt dan in Nederland, maar met dat antwoord kunnen de mensen hun boterham niet smeren. Ze willen weten wie er verdient aan die prijsstijgingen.
Net op dat moment barst een nieuw debat los. In een interview zegt de heer Conner Rousseau van Vooruit dat de meest sociale manier om de btw te verhogen is om het tarief van 21 % naar 22 % te brengen. Welnu, er is niets sociaal aan een btw-verhoging. Zo’n maatregel raakt mensen rechtstreeks in hun dagelijks leven. Dat betekent dat we nog meer zullen betalen voor onze winkelkar. Het is gewoon een platte belastingverhoging.
Tegelijk horen we dat de regering ook wil raken aan de indexering van de lonen, het enige mechanisme dat onze koopkracht nog enigszins beschermt.
Dat is toch hallucinant. Eerst stijgen de prijzen en dan zegt men de btw te zullen verhogen en te zullen sleutelen aan de index, terwijl dat net de twee zaken zijn die de mensen nog overeind houden.
De mensen hebben geen boodschap aan politieke spelletjes of vage beloftes. Ze willen dat er iets gedaan wordt aan die torenhoge prijzen.
Mijnheer de minister, bent u bereid om een onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de prijsvorming in de hele voedselketen, niet alleen de cijfers van Eurostat, maar een echte doorlichting van wie verdient en wie verliest? Zolang we dat niet weten, blijft het immers echt mistig.
Waarom weigert u om maximumprijzen of margeplafonds te onderzoeken, terwijl andere landen dat wel doen? U zegt dat dat risico's inhoudt, maar voor wie: voor de supermarkten, of voor de gezinnen die nu al in de risicozone zitten?
Wat zult u doen om de macht van de grote spelers in de voedingsindustrie te breken? Zolang zij de prijzen bepalen en de winsten opstrijken, blijft de consument immers de speelbal.
Mijnheer de minister, de mensen hebben geen nood aan nuance, ze hebben nood aan actie.
David Clarinval:
Mevrouw Van den Bosch, ik heb een heel lang antwoord, negen pagina's, maar in de toegemeten spreektijd van twee minuten is het voor mij onmogelijk om u een goed antwoord te geven. Ik zal u het volledig antwoord op papier overhandigen.
Het Prijsobservatorium van de FOD Economie, een onafhankelijke en deskundige overheidsinstelling, voert al een studie uit naar de prijsvorming in de hele voedselketen. Uit de publicatie van 2025 bleek dat voor de landbouw de rendabiliteit in 2023 gemiddeld verder verbeterde. In de industriële schakel van de keten boekte de vervaardiging van voedingsmiddelen de hoogste marge van de hele periode 2018-2023, met 4,25 %, terwijl de vervaardiging van dranken een nieuwe daling vertoonde van 5,15 %. De rendabiliteit verbeterde in de meeste sectoren van de voedingsindustrie, ook al blijven de marges in bepaalde sectoren, zoals de vleessector, relatief laag.
In de voedingsdistributie verbeterden de nettomarges van de grote bedrijven in 2023 in vergelijking met 2022, behalve de slechte prestaties van één speler. We stellen bovendien een gedeeltelijke en sectorale daling van de grondstoffen- en energieprijzen vast. Over het algemeen blijft de prijs van de winkelkar eind 2025 hoger dan eind 2024.
Bepaalde producten stuwen de prijzen in het bijzonder omhoog, zoals vlees, koffie en chocolade. Daaraan moeten ook de hogere prijzen voor tabak, alcohol en niet-alcoholische dranken, in vergelijking met de buurlanden, worden toegevoegd.
De daling van de landbouw- en energiekosten heeft zich niet vertaald in een daling van de prijzen in de winkelrekken. Volgens het Prijsobservatorium houdt die starheid verband met de verhoging van de accijnzen, de uitgestelde industriële kosten voor verwerkte producten en het tempo waarmee prijs- en kostenwijzigingen in de agrovoedingsketen worden doorgegeven.
Ten tweede, een rechtstreekse ingreep van de overheid in de consumentenprijzen zou geen bevredigende of structurele oplossing bieden. Het Europees kader laat de lidstaten trouwens niet toe om op die manier in te grijpen, behalve voor gerichte en in de tijd beperkte uitzonderingen. Dergelijke maatregelen kunnen bovendien negatieve gevolgen hebben op de beschikbaarheid van producten, de prijzen van andere producten door een terugwineffect en op onze ondernemingen.
Ten derde, er moet structureel worden gehandeld om een gezonde concurrentie en de koopkracht van de consumenten te bevorderen. De Belgische markt voor voedingsdistributie is klein van omvang en complex vanwege haar beperkingen. De loonkosten, de vaste kosten en de indirecte fiscaliteit zoals btw, accijnzen, energie, zijn hoog, evenals de logistieke kosten. Er moet worden ingegrepen om die kosten waar mogelijk te verlagen. Dat kan bijvoorbeeld door het niveau van de accijnzen te verlagen en contraproductieve belastingen af te schaffen om grensoverschrijdende aankopen te beperken. De regering werkt daaraan.
We moeten ook vaststellen dat de concurrentie in de Belgische voedingsdetailhandel geconcentreerd is, met een sterke verticale integratie van de grote spelers in de distributie, wat een negatief effect op de prijzen kan hebben. Om ervoor te zorgen dat de consument voordeel haalt uit een daling van de lasten voor de bedrijven en de verhoging van hun marges, moeten die transfers worden gestimuleerd door een effectieve en eerlijke concurrentie op de consumentenprijzen.
In dat opzicht kijk ik met belangstelling uit naar de aanbevelingen die in de loop van het eerste kwartaal van 2026 worden verwacht, voortvloeiend uit het algemene onderzoek dat door de Belgische Mededingingsautoriteit werd opgestart wegens aanwijzingen van marktdisfuncties.
Sommige sectoren bleven immers hoge prijzen aanhouden zonder duidelijke economische rechtvaardiging, wat kan wijzen op anticoncurrentieel gedrag of een lage concurrentiedruk.
Het onderzoek heeft betrekking op de sectorale mechanismen en praktijken inzake prijsherziening en indexering. Het is erop gericht hun rol te onderzoeken in de huidige inflatiecontext. De voedingsindustrie behoort tot de betrokken sectoren. Nog steeds met het oog op betere verkoopprijzen voor de consument pleit ik op Europees niveau samen met mijn Benelux-collega’s ervoor dat de Commissie optreedt tegen illegale territoriale beperkingen van het aanbod. Het gaat om ongerechtvaardigde praktijken die prijsverschillen tussen de nationale markten kunstmatig in stand kunnen houden, zonder verband met de gebruikelijke factoren die de prijzen beïnvloeden, zoals het belastingniveau, de grondstofprijzen, de arbeidskosten of de productie. Tegen eind 2026 worden voorstellen van de Commissie verwacht.
Ik verontschuldig me voor de lengte van het antwoord. Ik overhandig u het gehele antwoord op papier.
Annik Van den Bosch:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord en voor het overhandigen van de negen pagina’s. Ik hoorde u zeggen dat de grondstofprijzen en de energieprijzen zijn gedaald, maar dat de consument daar niets van merkt. Dat komt overeen met wat ik zeg. Alles wordt duurder. Die zogenaamd concurrentiële markt werkt gewoon niet, dat is hier wel heel duidelijk. Er wordt altijd gezegd dat een concurrentiële markt goed is omdat ze de prijzen drukt, maar voor wie? Alleszins niet voor de consument. Nog nooit is alles zo duur geweest. De energiedistributiekosten zijn gedaald, maar we betalen nog altijd evenveel of zelfs meer voor elektriciteit en gas. Ook in de winkels dalen de prijzen niet, integendeel. Ik hoop dus echt dat daar grondig naar wordt gekeken. Ik zal met veel plezier het negen pagina’s tellend antwoord lezen. Dank u wel.
De toevloed van Chinese elektrische voertuigen op de Belgische markt
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De massale instroom van goedkopere Chinese EV-merken (20-30% onder Europese prijzen) bedreigt de competitieve positie van Europese autofabrikanten in België, met name in het segment van kleine wagens en compacte SUV’s, en zet banen bij toeleveranciers (met name thermische motoren en laagtechnologische productie) onder druk. De EU reageert met importheffingen (17-35%) op Chinese EV’s en een industriële actieplan om de ketens te versterken, terwijl België via MAKE 2025-2030 herindustrialisatie en competitiviteit wil stimuleren, met concrete maatregelen tegen 2026. Risico’s zoals een speculatieve bubbel (door Chinese overproductie en prijsdumping) en marktverstoring door staatsubsidies worden bewaakt, maar vereisen Europese afstemming om oneerlijke concurrentie tegen te gaan. België zet in op samenwerking met EU-partners voor gelijke speelregels, terwijl lokale sectoren (o.a. autoclusters) ondersteund worden via innovatie en productiviteitsverhoging.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, l'arrivée massive de marques chinoises de véhicules électriques sur le marché belge, avec déjà 26 marques commercialisées et une vingtaine supplémentaires annoncées, représente un défi majeur pour l'industrie automobile européenne. Ces constructeurs, qui couvrent tous les segments de l'entrée de gamme au luxe, se distinguent par des prix compétitifs et une offre diversifiée, incluant des motorisations hybrides, électriques et à autonomie étendue.
Cette stratégie menace directement les constructeurs européens, en particulier dans les segments des petites voitures et des SUV compacts, où la concurrence par les prix est la plus féroce. En Belgique, où le marché des flottes d'entreprises et des particuliers est particulièrement sensible aux coûts, cette concurrence pourrait accélérer la perte de parts de marché des marques européennes, déjà fragilisées par la hausse des prix des véhicules neufs et la popularisation de l'électrique.
Cette situation soulève des questions cruciales sur l'avenir du secteur automobile belge et européen, notamment en termes d'emploi et de compétitivité. Les constructeurs européens pourraient être contraints de réduire leurs effectifs ou de réorienter leur production, ce qui aurait un impact direct sur les milliers d'emplois liés à l'industrie automobile. Par ailleurs, lz question d'une bulle spéculative pourrait se former autour des véhicules chinois, avec des risques de surproduction, de dépréciation rapide des stocks et, in fine, de perturbations majeures sur le marché.
Monsieur le Ministre, quel est l'impact de l'arrivée des véhicules électriques chinois sur la compétitivité des constructeurs européens en Belgique? Quels sont les risques identifiés pour l'emploi dans le secteur automobile belge, et quelles actions sont prévues pour accompagner les travailleurs et les entreprises affectés par cette transition? Comment évaluez-vous le risque de formation d'une bulle spéculative autour des véhicules chinois, notamment en raison de la guerre des prix et des subventions publiques en Chine, et quelles précautions sont envisagées pour protéger le marché belge? Quelles collaborations sont mises en place avec les acteurs européens pour harmoniser les règles de concurrence et éviter que les subventions chinoises ne faussent le marché belge et européen?
David Clarinval:
Monsieur le député, l'arrivée massive des véhicules électriques chinois bouleverse en effet le marché européen, y compris en Belgique. En proposant des modèles technologiquement avancés à des prix souvent inférieurs de 20 à 30 % à ceux des marques européennes, les constructeurs chinois comme BYD, MG ou Chery accroissent la pression concurrentielle sur les constructeurs et la chaîne de valeur européenne.
Les retombées sur la compétitivité se manifestent dès lors par une pression sur les prix et un risque de délocalisation. La concurrence chinoise accrue engendre des risques pour l'emploi en Belgique, notamment auprès des sous-traitants et fournisseurs de pièces pour moteurs thermiques et dans les activités à faible contenu technologique.
Le marché chinois des véhicules électriques est actuellement soutenu par des subventions publiques massives et est caractérisé par une guerre des prix particulièrement agressive entre constructeurs. Cette dynamique alimente les craintes d'une bulle spéculative liée aux surcapacités du secteur, qui pousse les constructeurs à intensifier leur exportation vers l'Europe et d'autres marchés.
Afin de contrer ce phénomène, l'Union européenne prend des mesures et a imposé des droits compensateurs compris entre 17 et 35,3 % sur les véhicules électriques importés depuis la Chine.
Par ailleurs, en vue de renforcer la résilience du secteur automobile européen, la Commission a présenté en mars un plan d'action industriel visant à répondre aux défis liés au contexte géopolitique instable, aux risques pesant sur la chaîne d'approvisionnement et aux coûts élevés de l'énergie.
Au niveau fédéral, le plan interfédéral MAKE 2025-2030 vise à réindustrialiser l'économie belge en renforçant la compétitivité et la productivité des entreprises. Il mobilise divers leviers fédéraux, en collaboration avec les Régions. Des groupes de travail formuleront d'ici 2026 des recommandations concrètes pour soutenir les secteurs et renforcer la compétitivité. Le secteur de l'automobile figure bien évidemment parmi les préoccupations de ce groupe de travail.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
De impact van de Amerikaanse handelstarieven op de Belgische economie
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Amerikaanse invoerheffingen (o.a. 15% op farmacie, 50% op metalen) bedreigen 4 miljard euro Belgische export, met zware klappen voor farmacie, auto’s, metaal en landbouw, terwijl het IMF waarschuwt voor latere groeivertraging. Minister Clarinval benadrukt dat het EU-VS-akkoord escalatie voorkomt en stabiliteit biedt, maar blijft diversificatie van handelspartners en strategische autonomie nastreven via nieuwe EU-akkoorden en het MAKE 2025-2030-industrieplan. Coenegrachts dringt aan op scherp toezicht op de farmasector (risico op clusterontwrichting door VS-verhuizingen) en actieve Belgische invloed in EU-onderhandelingen om verdere schade af te wenden.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, de invoerheffingen van president Trump hebben aangetoond hoe kwetsbaar onze open economieën zijn en bij uitbreiding die van de hele westerse wereld. Volgens een studie van de FOD Economie, die we intussen ook van u mochten ontvangen, waarvoor dank, dreigt de Belgische export naar de Verenigde Staten tot 4 miljard euro duurder te worden. Vooral de farmaceutische industrie, maar ook sectoren zoals dranken, voertuigen en metaal worden zwaar getroffen. De farmaceutische industrie wordt trouwens tweemaal getroffen: enerzijds door de tarieven zelf, anderzijds doordat de heer Trump heeft ingevoerd dat de prijzen van farmaceutische producten in de Verenigde Staten zullen worden gebaseerd op het principe van most-favored nation . Men vergelijkt die prijzen met een korf van landen en neemt vervolgens de laagste prijs. Dat maakt dat veel bedrijven in de farmaceutische sector vandaag onderzoeken of het niet interessanter is om naar de Verenigde Staten te verhuizen.
Het IMF wijdde in een recent World Economic Outlook ook een luik aan deze handelstarievenoorlog. Het IMF stelt dat de wereldwijde groeivertraging voorlopig nog meevalt, maar dat de negatieve effecten pas later zichtbaar zullen worden. U hebt eerder verklaard dat u de studie van de FOD meeneemt in de lopende begrotingsbesprekingen. Daarover durf ik al helemaal niets meer te vragen, mijnheer de minister, maar ik heb toch enkele vragen.
Hoe wordt die studie momenteel bijgewerkt? Is dat een analyse die regelmatig wordt uitgevoerd? Welke sectoren worden het zwaarst getroffen? Overweegt u concrete maatregelen? Worden de resultaten bijvoorbeeld ook gedeeld met de Europese Commissie? Hoe beoordeelt u de conclusie van het IMF, zoals ik die heb geschetst? Hoe past dit in de Belgische en Europese strategische autonomie? Welke investeringsstrategie voorziet u voor ons land en hoe ziet u dit in het kader van het competitiviteitsvraagstuk?
Voorzitter: Anthony Dufrane.
Président: Anthony Dufrane.
David Clarinval:
Op basis van de exportcijfers van 2024 van de Nationale Bank werd een projectie gemaakt van wat de tariefimpact zou zijn bij ongewijzigde exportstromen naar de Verenigde Staten. Die oefening is een continu proces. De gesprekken tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten, met het oog op de uitbreiding van het EU-VS-kaderakkoord, worden voortgezet. Daarnaast lopen nog meerdere Amerikaanse onderzoeken naar de import van specifieke productcategorieën.
In 2024 waren farmaceutische producten goed voor 55 % van onze export naar de Verenigde Staten, waarop bijna geen MFN-invoerrechten van toepassing waren. Een hogere belasting, inclusief een tarief van 15 % en een heffing van 50 % op metalen verpakkingen, is dus bijzonder nadelig. Het beoogde percentage voor de sector zou behouden blijven op 15 %, terwijl president Trump op een bepaald moment een torenhoog tarief van 200 % aankondigde. Met een marginaal tarief van 50 % wordt de staalindustrie bijzonder hard getroffen door de invoerrechten. Binnen de zware industrie worden ook de automobielsector en de productie van transportmaterieel zwaar getroffen. Daarnaast ondergaat ook de landbouwsector een aanzienlijke tariefverhoging.
Deze studie en andere analyses die de FOD Economie over het thema uitvoert, worden gedeeld binnen de DGE met de andere federale en gefedereerde partners. De resultaten van de analyses van de FOD Economie worden gebruikt om de Belgische positie te bepalen, die vervolgens wordt meegedeeld aan de Europese Commissie. Het EU-VS-kaderakkoord van deze zomer wordt door de bedrijfswereld beschouwd als een akkoord dat in grote mate stabiliteit en voorspelbaarheid waarborgt. Dit onderhandelde resultaat voorkomt een verdere schadelijke tariefescalatie aan beide zijden van de Atlantische Oceaan en zorgt voor continuïteit in de toegang tot de Amerikaanse markt.
De onderhandelingen tussen de EU en de VS worden voortgezet, met name om de lijst van uitzonderingen waarop het Amerikaanse MFN-invoerrecht van toepassing blijft verder uit te breiden. Wij volgen de evolutie op de voet, maar het is nog te vroeg om de precieze impact op de bestellingen en ingevoerde volumes te meten. In het kader van de ontwikkeling van onze open strategische autonomie blijft de diversificatie van onze toeleveringsketens en van onze klanten van cruciaal belang. Dit is afhankelijk van effectieve partnerschappen.
Voorzitter: Roberto D'Amico.
Président: Roberto D'Amico.
Het EU-netwerk van vrijhandelsovereenkomsten omvat momenteel 76 landen en is goed voor bijna de helft van de EU-handel. Om onze exportmarkten verder te diversifiëren en onze toeleveringsketens te versterken, stelt de Europese Commissie een nieuwe reeks partnerschappen voor en onderhandelt ze momenteel over nieuwe handelsakkoorden. Wij steunen deze aanpak op Belgisch niveau.
Het Amerikaanse handelsbeleid zorgt inderdaad voor bijkomende uitdagingen voor het Europese en Belgische economische weefsel. Samen met de eerste minister en mijn federale en regionale collega's en in samenwerking met de bedrijfswereld hebben wij MAKE 2025-2030 opgezet, een initiatief om de Belgische industrie nieuw leven in te blazen.
Voorzitter:
Je rappelle que M. le ministre sera présent jusqu’à 16 h 30.
Steven Coenegrachts:
Ik probeer kort te zijn, want er zijn nog erg veel vragen te stellen. Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Het is inderdaad zo dat we een escalatie hebben vermeden. Het is altijd beter om 15 % te betalen dan 200 %; dat trek ik niet in twijfel. Het is ook zeer positief dat de Europese Unie andere markten opzoekt en nieuwe handelsakkoorden probeert af te sluiten. Ik zou wel willen vragen om de situatie met de Verenigde Staten, ook door België, goed op te volgen en om te proberen wegen op de Europese onderhandelingen. Daarnaast is het van belang dat we vooral de farmaceutische sector goed in de gaten houden, omdat die heel sterk staat in ons land en een motor van innovatie vormt. De sector kent bovendien een duidelijke clusterwerking. Wanneer een of twee bedrijven beslissen om voortaan verder in de VS te investeren, dan kan dat de hele cluster destabiliseren. Een voorbeeld daarvan is de chemiecluster, waar we overigens ook met veel aandacht naar moeten kijken. Het is essentieel dat een dergelijk scenario niet gebeurt met de farmasector. Ik vraag u dan ook om daar met bijzondere aandacht naar te kijken aan de Europese onderhandelingstafel. Dank u wel.
De behandeling van het dossier van Oekraïense studenten door de DVZ en het parket
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt bevestigt dat Oekraïense studenten met tijdelijke bescherming recht hebben op sociale voordelen zoals leefloon, mits ze aan de voorwaarden voldoen, en dat fraude door het parket wordt onderzocht. Ze benadrukt dat haar kabinet werkt aan strengere regels voor leeflonen aan ontheemden, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Het OCMW Kortrijk onderzoekt 33 dossiers (waarvan 18 minderjarigen) samen met de Dienst Vreemdelingenzaken voor duidelijkheid over toekenning en controles.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, 33 Oekraïense studenten, waarvan 18 minderjarig, krijgen op dit moment een leefloon in Kortrijk. Intussen zou het OCMW het dossier van de Oekraïense studenten aan het parket en de dienst Vreemdelingenzaken hebben bezorgd, om volledige duidelijkheid te krijgen over het aantal studenten, de toekenningsvoorwaarden en de controlemechanismen.
Wat zijn de bevindingen van de Dienst Vreemdelingenzaken in dit dossier? Ik krijg graag meer verduidelijking, mevrouw de minister.
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Van Belleghem, ik zal u de door u gevraagde bevindingen die de Dienst Vreemdelingenzaken mij bezorgde over dit dossier meedelen. Ik citeer:" Oekraïners die aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming voldoen, hebben recht op dit statuut en op de sociale voordelen die daaraan vasthangen. Het spreekt voor zich dat zij hier ook kunnen studeren. Als er fraude in het spel is, zal het parket zijn werk doen."
Intussen werkt mijn kabinet verder aan de inperking van het leefloon voor tijdelijk ontheemden, conform het regeerakkoord.
Francesca Van Belleghem:
Dank u wel voor uw antwoord en een fijne avond, mevrouw de minister.
Voorzitter:
Mevrouw de minister, dank u voor uw aanwezigheid. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.08 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 08.
De misleidende handelspraktijken van het onlinereisbureau Reizendeals
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om misleidende praktijken in de online reissector, zoals verborgen kosten, ondoorzichtige contracten en agressieve incassoprocedures (bv. bij *Reizendeals*), met 146 klachten in 5 jaar. Beenders benadrukt dat bestaande EU-regels (o.a. verbod op oneerlijke handelspraktijken en precontractuele informatieplicht) gelden, maar dat handhaving via controles, grensoverschrijdende samenwerking (bv. tegen *Shein*) en consumentenwaarschuwingen centraal staan. Thémont stelt dat deze maatregelen onvoldoende werken, gezien het stijgend aantal klachten, en pleit voor strengere politieke prioriteit in plaats van louter administratieve afhandeling. Ze belooft het dossier nauw te volgen.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, ces derniers mois, le SPF Économie a été interpellé à de nombreuses reprises au sujet de pratiques commerciales trompeuses dans le secteur du voyage en ligne. Le cas du site néerlandais Reizendeals illustre bien cette problématique, puisqu'il engage les consommateurs dans un contrat sans qu'ils en aient pleinement conscience, confrontés ensuite à des frais d'annulation disproportionnés ou à des procédures de recouvrement. Rien que ces cinq dernières années, 146 signalements ont été recensés, dont 87 au cours des six derniers mois.
Cet exemple révèle une difficulté plus large: de nombreux sites de réservation en ligne recourent encore à des méthodes qui manquent de transparence et fragilisent les consommateurs. L'absence de récapitulatif clair avant paiement, la présentation lacunaire des informations contractuelles et la facturation séparée d'options supplémentaires constituent des pratiques dérogatoires aux standards habituels, qui compromettent la transparence et entravent la capacité des consommateurs à exercer un choix pleinement éclairé.
Monsieur le ministre, quelles sont les mesures existantes permettant d'encadrer juridiquement ce type de pratiques commerciales trompeuses dans le secteur du voyage en ligne?
Le gouvernement envisage-t-il de renforcer la régulation et les contrôles, notamment pour prévenir les pratiques opaques qui continuent d'émerger dans le commerce en ligne transfrontalier?
Enfin, quelles actions concrètes le SPF Économie compte-t-il mettre en œuvre pour sensibiliser et protéger les consommateurs belges face à ces pièges numériques qui se multiplient?
Rob Beenders:
Madame Thémont, il n'existe pas de disposition spécifique aux pratiques commerciales trompeuses dans le secteur des voyages en ligne. En effet, le droit européen de la protection des consommateurs s'applique indépendamment du secteur d'activité des entreprises. Ces dispositions sont notamment transposées dans le livre VI du Code de droit économique relatif aux pratiques du marché et protection du consommateur. Les entreprises sont donc non seulement soumises au respect de l'interdiction des pratiques commerciales déloyales, mais également aux autres dispositions protectrices des consommateurs, comme l'obligation d'information précontractuelle. Cette obligation est d'ailleurs renforcée pour les contrats conclus en ligne.
Les services d'inspection du SPF Économie restent vigilants et effectueront des contrôles réguliers du respect du droit de la protection des consommateurs. Ils coopèrent également avec les services d'inspection étrangers pour une plus grande efficacité. Ensuite, le SPF Économie ne manque pas de mettre en garde les consommateurs vis-à-vis d'entreprises peu regardantes de la législation, comme cela a été le cas pour Reizendeals il y a quelques semaines. Ils prodiguent alors des conseils concrets aux consommateurs sur la bonne attitude à adopter face à une pratique problématique.
Enfin, lorsque cela s'avère nécessaire, l'Inspection économique rappelle à l'ordre les entreprises étrangères afin qu'elles se conforment au droit européen et les enjoint à mettre fin à certaines pratiques commerciales, comme elle l'a fait vis-à-vis de la plateforme Shein via les réseaux de coopération pour la protection des consommateurs.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. La protection des consommateurs doit redevenir aussi une priorité politique et pas simplement une procédure administrative. J'entends que des choses sont mises en place, mais il n'y a pas spécialement de mesures spécifiques. Les services d'inspection effectuent des contrôles réguliers et coopèrent avec les services d'inspection étrangers; de plus, le SPF é conomie essaie de mettre en garde les consommateurs vis-à-vis d’entreprises peu regardantes. Cependant, force est de constater, au vu des chiffres que j'ai énoncés, que quelque chose ne fonctionne pas bien. Des outils existent, faut-il encore que les gens les appliquent avec fermeté. Je resterai donc attentive et ne manquerai évidemment pas de revenir vers vous.
Handelspraktijken in verband met betalende softwareopties in voertuigen
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie gaat over voertuigen met betaalde software-activatie voor reeds geïnstalleerde hardwarefuncties (bv. verwarming, LED’s), waarbij constructeurs deze als abonnementen aanbieden. Rob Beenders (minister) bevestigt dat dit legaal is zolang transparante prijsinformatie en consumentenrechten (zoals 2-jarige garantie op defecten) gerespecteerd worden, maar dat er geen specifieke regelgeving bestaat; toezicht en geschillen beslist de Inspectie Economie of rechtbanken. Milieu-impact (overproductie, e-waste) en doorverkooprisico’s (heractiveren voor nieuwe eigenaren) worden niet structureel aangepakt, hoewel richtlijnen (2024) en meldpunten (ConsumerConnect) bestaan. Geen overleg met sector of consumentenorganisaties is gepland, maar Dufrane dringt aan op toekomstige aandacht voor duurzaamheid en transparantie.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, l'émergence de voitures connectées, où des fonctionnalités matérielles déjà intégrées (climatisation, LED, sièges chauffants, etc.) sont verrouillées par logiciel et proposées en option payante après l'achat, pose des questions majeures en matière de protection des consommateurs. Ces pratiques, qui transforment l'achat d'un véhicule en un abonnement continu à des services, soulèvent des interrogations sur la transparence des prix, la propriété réelle du véhicule et le risque de gaspillage de ressources. En effet, des composants déjà installés dans ces voitures dès leur fabrication restent inutilisés si le consommateur ne paie pas pour les activer. Cela interroge sur l'impact environnemental de cette surproduction de composants ainsi que sur la durabilité et la réutilisation des véhicules.
Par ailleurs, la réinitialisation des options logicielles lors de la revente d'un véhicule pourrait permettre aux constructeurs de facturer plusieurs fois les mêmes fonctionnalités à différents propriétaires. Enfin, en cas de problème électronique ou de défaillance logicielle, la responsabilité du constructeur et les droits des consommateurs doivent être clairement définis, notamment pour garantir que les fonctionnalités payées restent accessibles et opérationnelles tout au long de la durée de vie du véhicule.
Monsieur le ministre, est-il légal de proposer des options logicielles payantes pour des fonctionnalités matérielles déjà présentes dans le véhicule?
Quelle analyse faites-vous du gaspillage de composants électroniques et mécaniques lié à cette pratique et quelles actions pourraient-elles être mises en place pour limiter cet impact environnemental?
Quelles règles s'appliquent-elles concernant la réinitialisation des options logicielles lors de la revente d'un véhicule?
En cas de problème électronique ou de défaillance logicielle affectant une fonctionnalité payante, quels sont les droits des consommateurs et les obligations des constructeurs pour garantir la réparation ou le remplacement?
Une concertation avec les constructeurs automobiles et les associations de consommateurs est-elle prévue pour établir des bonnes pratiques en matière de transparence, de durabilité et de respect des droits des consommateurs dans le cadre de ces nouvelles pratiques commerciales?
Rob Beenders:
Monsieur Dufrane, je tiens tout d’abord à souligner que les entreprises sont libres de déterminer de manière autonome leurs politiques tarifaires et peuvent proposer des options logicielles payantes pour des fonctionnalités matérielles déjà présentes dans les véhicules. À ce jour, il n'existe aucune réglementation spécifique encadrant cette pratique. Lors de la revente d’un véhicule, il est donc possible de proposer certaines options au nouveau propriétaire du véhicule moyennant paiement.
Je rappelle que les vendeurs professionnels de véhicules sont tenus de respecter les règles reprises dans le livre VI, "Pratiques du marché et protection du consommateur", du Code de droit économique, notamment en matière d’information précontractuelle, d’indication des prix, d’interdiction des pratiques commerciales déloyales et des clauses abusives. Avant que le consommateur ne soit lié par un contrat, chaque entreprise doit lui fournir, de manière claire et compréhensible, des informations sur les principales caractéristiques du véhicule, le prix total du produit toutes taxes comprises, ainsi que sur tous les services à payer obligatoirement en supplément. Parmi ceux-ci figurent notamment la marque, le modèle, mais aussi les options pouvant être activées via un abonnement.
En outre, chaque entreprise doit respecter l’interdiction des pratiques commerciales déloyales. Ces règles impliquent que des informations claires doivent être fournies au consommateur concernant les fonctionnalités du véhicule, le fait que certains services peuvent être soumis à des paiements supplémentaires pour que le consommateur puisse en bénéficier, ainsi que les modalités de cette obligation de paiement.
Afin de clarifier les différentes obligations des professionnels du secteur automobile, des lignes directrices concernant la vente de véhicules automoteurs aux consommateurs ont été établies en 2024 et sont disponibles sur le site du SPF Économie. Par ailleurs, la plateforme ConsumerConnect fournit des informations pratiques sur les droits des consommateurs et permet de signaler d’éventuelles infractions à l’Inspection économique.
Il me semble que la conformité de la pratique commerciale évoquée pourrait être analysée au regard de ces différentes obligations. Toutefois, en tant que ministre, il ne m’appartient pas de trancher la légalité d’une telle pratique.
L'Inspection économique est habilitée à se pencher sur celle-ci et pourrait, le cas échéant, ouvrir une enquête à ce sujet. In fine , en cas de litige, il appartient aux cours et tribunaux de trancher ceux-ci.
En ce qui concerne votre question qui porte sur l'impact des voitures connectées sur l'environnement, je renvoie à mon collègue Jean-Luc Crucke.
Chaque vendeur professionnel d'un bien est tenu de respecter la garantie légale de deux ans. Il ne peut pas transférer cette obligation au fabricant. En cas de problème électronique ou de défaillance logicielle, la garantie légale s'appliquera. Pendant la période de garantie, il est présumé que les défauts existaient au moment de la délivrance du bien. Même si l'option ne fait pas partie d'un contrat d'achat du véhicule mais est achetée sous la forme d'un service distinct, par exemple via un abonnement dans le cadre duquel le consommateur paie un montant mensuel pour pouvoir utiliser l'option, la garantie légale s'appliquera.
Enfin, jusqu'à présent, je n 'ai pas encore eu de concertation à ce sujet avec les secteurs.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je prends bonne note que la législation autorise ces nouvelles pratiques mais qu'en même temps, des discussions avec le secteur, notamment, de l'automobile d'occasion, peuvent être envisagées. Je ne manquerai pas de rester attentif à ces nouvelles pratiques et, le cas échéant, de sensibiliser vos collègues sur le volet environnemental entre autres.
De terugkeer naar Afghanistan
De terugkeer van Afghanen
Onderhandelingen met de taliban over ons asielbeleid
De gedwongen terugkeer naar Afghanistan
De oplossingen voor Afghanen zonder verblijfsvergunning
De onderhandelingen met de taliban
Afghaanse terugkeer, asielbeleid en onderhandelingen met de taliban
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt (N-VA) wil Europese onderhandelingen met het talibanregime opstarten om afgewezen Afghaanse asielzoekers – zowel criminelen als illegalen – gedwongen terug te sturen, ondanks het wijdverspreide geweld, systematische mensenrechtenschendingen (vooral tegen vrouwen, LGBTQ+, ex-militairen) en het non-refoulementprincipe. Twintig EU-landen steunen dit initiatief, maar critici (UNHCR, oppositie) wijzen op het risico van foltering/executie en de morele paradox van samenwerking met een niet-erkend terroristisch regime. België keert momenteel niemand gedwongen terug (0/1.311 bevelen in 2024), terwijl 48% van de Afghaanse asielaanvragen wordt afgewezen – veel lager dan in Nederland (88%) of Duitsland (93%). Alternatieven zoals tijdelijk verblijf of gedoogbeleid (zoals in Duitsland) worden verworpen; de minister zet in op Europese druk en verscherpte terugkeermaatregelen, maar concrete resultaten (bv. illegalendatabank) blijven uit. Kernpunt: Veiligheidsargumenten (criminaliteit, terrorisme) botsen met juridische en humanitaire bezorgdheden, terwijl de praktische haalbaarheid (geen consulair contact, taliban-weigering) onopgelost blijft.
Greet Daems:
Mevrouw de minister, u zegt dat u met het Afghaanse talibanregime wilt praten om de terugkeer van Afghanen mogelijk te maken. Aldus zou u onderhandelen met een terroristische organisatie. U wilt onderhandelen met een regime dat de deugdzaamheidswet heeft ingevoerd. Ter verduidelijking, die wet legt op dat vrouwen niet mogen studeren, werken of in het openbaar spreken, en dat zij niet alleen hun huis mogen verlaten. Vrouwen worden zodoende volledig onderdrukt en van hun vrijheid en identiteit beroofd. Voor mannen gelden eveneens strengere regels, onder meer over de lengte van de baard en het bijwonen van verplichte gebedsmomenten. Wie niet luistert, wordt opgepakt.
Hoe oordeelt u zelf over het leven onder het talibanregime? Voor ons is het duidelijk dat het een bestaan is met constante angst voor willekeurige arrestaties, zware lijfstraffen en openbare executies. Iedereen die buitenlandse troepen of de vorige regering steunde, wordt door de taliban als verrader beschouwd.
Ik sprak met verschillende Afghaanse mannen in België, mannen die in het leger zaten, bij de politie werkten of een kantoorfunctie bij de Amerikanen hadden. Uit angst voor wat de taliban hen zou aandoen, zijn zij naar Europa gevlucht. Ik zie hen nog voor mij, met foto’s in leger- of politie-uniform. Toch kregen veel van hen een negatieve beslissing op hun asielaanvraag, omdat er te weinig bewijs zou zijn. Het waren doodsbange mannen.
Mevrouw de minister, wat verwacht u dat er met hen zal gebeuren als zij worden teruggestuurd? Wordt er vooraf beoordeeld of zij bij terugkeer moeten vrezen voor hun leven? Is hun terugkeer in overeenstemming met het principe van non-refoulement?
Hebt u intussen alternatieven onderzocht?
Wat is er gebeurd met diegenen die vrijwillig naar Afghanistan terugkeerden?
De voorzitster : Collega’s, met uw goedvinden zal ik vandaag mijn vragen stellen vanop de voorzittersstoel.
Maaike De Vreese:
Mevrouw de minister, de pers berichtte dat u bezig bent met de vorming van een Europees front om met het Afghaanse talibanregime te onderhandelen over de terugkeer van illegale en criminele Afghanen. Onlangs vond een EU-overleg plaats tussen de migratieministers van verschillende Europese landen en de Europese Commissaris voor Migratie, Magnus Brunner. Het doel van dat overleg was een strenger migratiebeleid binnen de Europese Unie tot stand te brengen.
Een van de belangrijkste thema’s was de terugkeer van illegale en criminele asielzoekers naar landen als Afghanistan. In ons land krijgt 48 % van de Afghaanse asielzoekers effectief bescherming. Dat betekent dat meer dan de helft moet terugkeren. Een gedwongen terugkeer is momenteel echter onmogelijk. We hebben vernomen dat intussen 20 lidstaten hun handtekening hebben gezet onder een gezamenlijke brief aan de Eurocommissaris. Het draagvlak om deze problematiek kordaat aan te pakken is dus zeer groot. We moeten een oplossing vinden voor de struikelblokken waar wij en andere EU-landen tegenaan lopen. We merken ook op dat veel Afghanen, zowel binnen als buiten de asielcentra, als daders betrokken waren bij geweldsincidenten. In dit land is er geen plaats voor personen die een gevaar vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Minister, enkel en alleen al in Brugge werden verschillende vrouwen lastiggevallen in het station door een Afghaanse onderdaan, die vervolgens in een gesloten centrum werd opgesloten. Een andere Afghaan pleegde in Roeselare een drievoudige moord. Daarover gaat het, collega Daems. Het gaat over mensen die geen enkel respect tonen voor degenen die hier op een vreedzame manier willen samenleven, onze onderdanen, de Vlamingen, in al hun verscheidenheid, en die dus zware criminele feiten plegen, gaande van slagen en verwondingen tot prostitutie en moord.
Minister, kunt u toelichting geven over het overleg met de Europese ministers en de Eurocommissaris? Welke landen nemen deel aan dat overleg? Wat waren de conclusies ervan? Welke Europese of nationale initiatieven zullen er worden genomen om de terugkeer te realiseren?
François De Smet:
Madame la ministre, il semble effectivement que, grâce au gouvernement Arizona, la Belgique soit désormais à la pointe du dialogue avec les Talibans puisque vous avez évoqué dans la presse la possibilité d’un dialogue avec les autorités de fait en Afghanistan, afin de permettre la reprise de ressortissants afghans déboutés du droit d’asile. Vous le rappellerez sans doute mais, en moyenne, un Afghan sur deux est débouté et un Afghan sur deux est reconnu. C’est une position qui a suscité de nombreuses réactions, tant sur le plan moral que sur le plan diplomatique, au vu du caractère répressif du régime taliban et des risques évidents encourus par les personnes concernées en cas de retour forcé.
Rappelons que les Talibans sont à la fois une organisation terroriste et une théocratie, qui dénie notamment une série de droits élémentaires aux femmes – cela est bien connu, ce n’est pas pour autant que les hommes y sont excessivement bien traités. On ne compte plus les exécutions publiques de soldats, de policiers, de fonctionnaires ou de personnes soupçonnées de collaborer avec le gouvernement précédent: des journalistes, des intellectuels, des enseignants, des chefs tribaux ou religieux considérés comme opposants sont régulièrement assassinés ou enlevés.
Pouvez-vous donc préciser la nature exacte des contacts envisagés avec les Talibans? On a vu que vous aviez aussi pris le lead au niveau européen. S’agira-t-il de discussions directes ou via des intermédiaires? De qui parle-t-on? Et je rebondis ici sur le petit débat qui a eu lieu entre les collègues De Vreese et Daems. Il est vrai que, dans un article, vous parlez de « criminels ». De mon côté, j’ai vu d’autres sources où l’on parle de toute personne déboutée du droit d’asile.
Pourriez-vous clarifier ce point : de qui parle-t-on exactement? Qui souhaitez-vous réellement renvoyer aux Talibans? Confirmez-vous qu’il s’agit de tout ressortissant afghan débouté du droit d’asile, sans exception? Cela pourrait-il donc également concerner des femmes? En effet, même si le taux de reconnaissance est beaucoup plus élevé pour les femmes – environ 96 % – il y a des femmes afghanes qui sont déboutées du droit d’asile et que donc, théoriquement, vous pourriez renvoyer aux Talibans. Comment, par ailleurs, conciliez-vous cela, qu’il s’agisse de criminels ou non, avec les obligations internationales de notre pays, concernant notamment le non-refoulement?
Francesca Van Belleghem:
Minister, op 1 oktober heb ik u ondervraagd over de terugkeer naar Afghanistan. U stelde toen: de pistes worden verder onderzocht; we doen het nodige achter de schermen, in alle discretie.
Op 2 oktober pakte u in alle nieuwskoppen uit met het nieuws dat u de Europese Commissie zou vragen werk te maken van de terugkeer van illegale Afghanen. De discretie die de dag daarvoor nog nodig was, was die dag blijkbaar helemaal niet meer nodig, waarschijnlijk omdat u de krantenkoppen wilde halen. Wat houdt u tegen het voorbeeld van Duitsland te volgen, dat zelf werk maakt van de terugkeer van illegale Afghanen? Tijdens de vorige commissievergadering wees ik u er al op dat Duitsland al 81 criminele Afghanen op een vlucht naar hun land van herkomst terugstuurde. Bovendien kondigde de Duitse regering aan dat het daarbij niet zal blijven. Ze liet ondertussen twee nieuwe Afghaanse consulaire beambten inreizen om de terugkeerreizen verder te ondersteunen.
Bent u van plan om naast de toepassing van het Europese plan, waarvan we weten dat het iets voor de lange termijn is, op korte termijn van de terugkeer van illegale Afghanen werk te maken? Tien jaar geleden al berichtte men in Het Nieuwsblad dat men aan het Europese front aan het werken was aan een plan om illegale Afghanen terug te sturen, maar we weten allemaal dat, als de Europese Commissie initiatieven aankondigt, daar nooit iets van komt of dat het minstens veel te lang duurt. Waarop wacht u om er zelf werk van te maken?
Matti Vandemaele:
Mevrouw de minister, begin oktober kondigde u aan dat u in gesprek wou gaan met de taliban met betrekking tot de terugkeer van Afghanen in onwettig verblijf en overlegde u daarover met de Europese migratieministers en de eurocommissaris in München. Daar kwam meteen vrij forse kritiek van UNHCR op wegens het risico van schending van het non-refoulementprincipe en van de mensenrechten en naar verluidt zouden 20 Europese collega’s schriftelijk uiting hebben gegeven aan dezelfde bekommering.
Ik stel vast dat de beschermingsgraad van Afghanen in ons land bijzonder laag is, namelijk 34,3 %, tegenover 88 % in Nederland en 93 % in Duitsland. Veel Afghanen bevinden zich in een uitzichtloze positie en vrijwillige terugkeer is vaak niet mogelijk, aangezien ze geen reisdocumenten of een laissez-passer verkrijgen. Er is nood aan terugkeerakkoorden met verschillende landen, al is Afghanistan misschien wel een van de moeilijkste landen om dat mee te doen, toch als we onze principes over onder meer gendergelijkheid aan boord willen houden.
Er werd al verwezen naar Duitsland, maar dat is natuurlijk slechts een halve vergelijking. In Duitsland bestaat immers een systeem van gedoogsteun, waarbij Afghanen worden geduld op het grondgebied en tijdelijk toelating krijgen om er te wonen en te werken.
Kunt u bevestigen of uw initiatief alleen gaat over criminelen? Ik hoor collega’s zeggen dat het over criminelen gaat, maar ik lees soms dat het over Afghanen in het algemeen gaat. Is er daarbij sprake van een gradatie in criminaliteit? Komt iemand die een appel heeft gestolen – en ik zeg niet dat dat mag – of de openbare orde heeft geschonden tijdens een betoging, dan ook in aanmerking of is een bepaald niveau van criminaliteit vereist?
Hoe verliep uw overleg?
Hoe kunt u garanderen dat we de Afghanen die we terugsturen, niet rechtstreeks de folterkamers insturen? Dat kan volgens mij immers niet de bedoeling zijn.
Hoe kijkt u naar het Duitse gedoogsysteem?
Welke oplossingen ziet u voor Afghanen die zich hier in onwettig verblijf bevinden en buiten hun wil om niet kunnen terugkeren?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, vous avez récemment évoqué dans les médias la possibilité d'organiser l'expulsion forcée de ressortissants afghans. Or l'Afghanistan est dirigé par un régime totalitaire, islamiste et fondamentaliste, depuis la prise du pouvoir par les talibans en août 2021. Aucun É tat membre de l'Union européenne, y compris la Belgique, ne reconnaît ce régime. Celui-ci est tellement odieux et infréquentable que toute coopération consulaire est exclue, notamment la collaboration en vue de l'identification et du retour forcé des personnes qui ont fui ce régime.
La situation sur place est dramatique, en particulier – mais pas seulement – pour les femmes. Selon Afghan Witness, 332 femmes et filles ont été tuées entre janvier 2022 et juin 2024. Plus de 800 cas de violences fondées sur le genre ont également été recensés. Le rapporteur spécial des Nations Unies signale des violences sexuelles, des tortures, des détentions arbitraires visant celles qui ne respectent pas le port du voile. À ce jour, 1 500 femmes ont été emprisonnées par le régime des talibans. Par ailleurs, les personnes LGBT ainsi que les minorités ethniques et religieuses continuent d'être persécutées.
Dans ce contexte, envisager des retours forcés soulève des questions de respect des droits fondamentaux, en particulier celui de l'article 3 de la CEDH qui interdit l'expulsion d'une personne vers un lieu où elle risque d'être soumise à la torture ou à des traitements inhumains ou dégradants. Le HCR recommande, du reste, la suspension de tout retour forcé vers l'Afghanistan.
Pour justifier ces mesures, vous parlez dans la presse de l'expulsion de personnes ayant commis des crimes particulièrement graves. L'interdiction de la torture et des mauvais traitements s'applique à tout le monde, sans distinction, par exemple aux exilés qui ont sombré dans la délinquance en consommant des stupéfiants, parfois après de longs mois passés à la rue parce que la Belgique ne leur a pas garanti l'accueil pendant la demande d'asile. N'oublions pas non plus que les personnes en séjour précaire telles que les demandeurs d'asile vont déjà écoper statistiquement de peines plus lourdes, échappant aux sursis et aux aménagements de peine en raison de l'instabilité de leur séjour en Belgique.
Madame la ministre, votre prédécesseur Theo Francken s'était tristement illustré en 2017 en annonçant l'arrivée en Belgique d'une mission d'identification soudanaise qui allait permettre au régime soudanais d'identifier des exilés présents en Belgique en vue de leur rapatriement forcé par les autorités belges. On se souvient de cette photo sur laquelle M. Francken posait tout sourire aux côtés du chef des services secrets de l'ex-président soudanais Omar el-Bechir, qui est aujourd'hui incarcéré pour crime de guerre.
On vous sent enthousiaste de marcher dans les pas de votre prédécesseur mais vous avez un désavantage par rapport à lui, madame la ministre. Cela risque d'être compliqué de trouver un haut gradé taliban qui acceptera de poser en photo en serrant la main d'une femme. Voilà, coup dans l'eau!
L'affaire Francken avait donné lieu à une enquête du CGRA qui avait conclu, sans surprise, que ces missions d'identification n'offraient absolument pas les garanties suffisantes du respect de l'article 3 de la CEDH.
Madame la ministre, la Belgique ne devrait-elle pas plutôt accueillir les personnes qui ont fui le régime de terreur des talibans, plutôt que de les livrer à ces autorités sans scrupules? Sur quelle base juridique la Belgique pourrait-elle organiser des retours vers un régime qu'elle ne reconnaît pas et avec lequel elle n'a aucun lien consulaire officiel? Si c'est votre intention d'expulser uniquement des personnes ayant commis certains crimes, quels critères seront suivis par votre administration pour déterminer la gravité des faits commis? Et, pour éviter qu'une personne ne soit expulsée vers les talibans à la suite de faits mineurs, une évaluation individuelle des risques sera-t-elle systématiquement mise en œuvre pour chaque personne concernée? Avec quelles garanties et quels recours légaux? Enfin, quelles garanties concrètes pourraient selon vous être obtenues quant à la sécurité et au traitement des personnes expulsées dans un tel contexte de violation massive des droits humains?
De voorzitster : Bedankt, collega Schlitz. Ik zou wel willen vragen om de spreektijd te respecteren. Ik denk dat andere collega’s ook wel 2 minuten extra zouden willen hebben. Ik ben nu zeer tolerant geweest, maar ten opzichte van de andere collega’s is het correct om te proberen zich aan de timing te houden. Ik stel me flexibel op als het een paar seconden meer is, maar hier ging het om bijna 2 minuten.
Mevrouw de minister, aan u het woord om te antwoorden op de vele vragen.
Anneleen Van Bossuyt:
Dank u wel, mevrouw de voorzitster. Beste leden, de vele vragen die u gesteld hebt, tonen aan dat het debat dat ik op Europees niveau op gang heb getrokken, leeft.
Dat is natuurlijk niet onlogisch. Verschillende parlementsleden hebben er al naar verwezen dat minder dan de helft van de Afghanen die in België een verzoek om internationale bescherming indienen, ook effectief die bescherming krijgt.
Cela signifie que le CGRA, une instance indépendante, estime que ces personnes ne craignent pas de persécutions au sens de la Convention de Genève relative au statut des réfugiés et ne remplissent pas non plus les conditions pour bénéficier de la protection subsidiaire. Le CGRA considère donc lui-même qu'il n'existe aucun risque de violation du principe de non-refoulement. Ces décisions sont d'ailleurs confirmées en appel par le Conseil du Contentieux des Étrangers.
Ik wil er ook op wijzen dat de Dienst Vreemdelingenzaken aan uitgeprocedeerde asielzoekers een bevel tot het verlaten van het grondgebied aflevert. Ook dat bevel is gemotiveerd op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, waarnaar sommigen onder u verwijzen. Deze beoordeling gaat bovendien ruimer dan degene die reeds door het CGVS werd uitgevoerd, aangezien die beperkt is tot de nood aan internationale bescherming. Ook deze beslissingen van de Dienst Vreemdelingenzaken doorstaan systematisch de rechterlijke toets van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Zoals u weet, kan tegen de terugkeerbeslissing zowel een annulatie- als een schorsingsverzoek worden ingediend. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij de burgerlijke rechter dringende en voorlopige maatregelen te vragen via een procedure in kort geding. Nadien is de conclusie heel duidelijk, deze mensen hebben geen nood aan bescherming en hun terugkeer vormt geen schending van het non-refoulementbeginsel, noch van artikel 3 van het EVRM.
Ik lees uiteraard ook de reacties en de stemmingmakerijen – wat hier daarnet trouwens opnieuw gebeurde – alsof wij vrouwen en kinderen in de armen van de taliban zouden duwen. Dat is uiteraard niet het geval, want het zijn net meestal zij die behoren tot de helft van de verzoekers die wél een beschermingsstatuut krijgen.
Wanneer we vaststellen dat afgewezen Afghanen, die illegaal op het grondgebied verblijven en een terugkeerverplichting hebben, moeilijk kunnen worden teruggestuurd naar Afghanistan sinds de regimewissel en we de afgelopen tijd verschillende gewelddadige incidenten hebben gezien – waarnaar mevrouw De Vreese verwees – acht ik het mijn plicht als minister van Asiel en Migratie om een oplossing te zoeken in het belang van onze samenleving en de veiligheid ervan. In die optiek is een gedoogbeleid, zoals sommigen suggereren, geen optie. Wanneer terugkeer moeilijk is, moeten we daarvoor oplossingen zoeken en ons niet zomaar neerleggen bij de situatie of een vorm van regularisatie of gedoogbeleid voeren.
Ik heb de discussie over de terugkeer naar Afghanistan daarom op Europees niveau opgestart. Ik heb daarover inderdaad overleg gehad met Europees commissaris Brunner en ik heb de problematiek ook op tafel gelegd tijdens de Munich Migration Summit, waarnaar de heer Vandemaele verwees, die werd georganiseerd door de Duitse minister Dobrindt. Dat was dus geen algemene ministerraad van de ministers van Binnenlandse Zaken of van Asiel en Migratie, maar een overleg in beperkte kring. In München waren Duitsland, Zwitserland, Zweden, Polen, Nederland, Oostenrijk, Denemarken en Luxemburg aanwezig, evenals wij als Belgische delegatie en commissaris Brunner.
Ik heb daar vastgesteld dat er heel veel steun was voor mijn voorstel. Ik heb dat vervolgens breder opengetrokken op Europees niveau via een brief aan commissaris Brunner. De brief werd door twintig landen ondertekend. Mijnheer Vandemaele, u hebt het over ‘een twintigtal’, maar het gaat effectief om twintig landen. Dat betreft dus een heel ruime meerderheid.
Collega’s, jullie vroegen over welke landen het gaat. In alfabetische volgorde gaat het om België, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Estland, Finland, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Slowakije, Tsjechië en Zweden. Ook Duitsland, dat al resultaten heeft geboekt, verleent dus zijn volledige steun. Zoals mevrouw Van Belleghem reeds heeft vermeld, heeft Duitsland inderdaad al resultaten geboekt. Het feit dat Duitsland de vraag ondersteunt, toont echter aan dat dat land het belang inziet van het gebruik van de Europese hefboom.
Ik kies inderdaad bewust voor Europese samenwerking. Dat is volgens mij de meest logische en ook de oplossing met de grootste kans op succes. Het gaat immers om een gezamenlijke strategie waarmee wij meer diplomatiek gewicht in de schaal kunnen leggen. Dat zal meer opleveren dan een versnipperde aanpak.
Greet Daems:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.
In uw communicatie in de pers de laatste weken was u niet duidelijk. U sprak niet alleen over Afghanen die voor criminele feiten waren veroordeeld, maar u had het ook over illegale óf criminele Afghanen. Ik denk dat het nu duidelijk is dat u beiden bedoelt, dus ook Afghanen zonder een wettelijk verblijf die geen criminele feiten hebben gepleegd. Dat vind ik echt heel problematisch, mevrouw de minister. Doelbewust mensen terugsturen naar een leven onder de taliban is op alle vlakken gewoon fout. De VN zegt daarover heel duidelijk dat de schendingen van mensenrechten er zo wijdverbreid en systematisch zijn, dat ze kunnen neerkomen op misdaden tegen de menselijkheid. Met zo'n regime gaat u samenwerken. Dat is verwerpelijk beleid.
Al jaren verkeerden Afghanen hier in een juridisch limbo, een vacuüm tussen erkenning en terugkeer. Er zijn wel degelijk alternatieven. U kunt mensen uit Afghanistan een tijdelijk verblijf geven. U kunt hen de optie geven om hier een leven op te starten. In de plaats daarvan laat u hen gewoon in de steek en stuurt u hen in de handen van de taliban, zolang u er maar geen last van hebt. Nogmaals, dat is verwerpelijk beleid.
Maaike De Vreese:
Mevrouw Daems, u noemt dat verwerpelijk beleid. Dat mag u eens gaan uitleggen aan de slachtoffers en hun familie in Roeselare.
Mevrouw de minister, ik ben heel blij dat u uw taak ernstig neemt. Een minister van Asiel en Migratie moet inderdaad ook aan de component veiligheid denken, maar het gaat ruimer dan dat. Het is moeilijk om hier in de illegaliteit te overleven en mensen die dat doen, komen vaak in de criminaliteit terecht. Een goed migratiebeleid heeft als sluitstuk een terugkeerbeleid. Als twintig ministers, en niet de minste, dat initiatief ondersteunen vanuit de Europese Unie, dan toont dat weldegelijk aan dat de wil bestaat om tot een oplossing te komen, niet alleen voor illegale Afghanen, maar ook, en als absolute prioriteit, voor Afghanen die hier criminele feiten hebben gepleegd.
Collega’s, daarnaast, de toetsing van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gebeurt voor elke nationaliteit, dus ook voor de Afghanen. De diensten nemen dat heel ernstig. De minister heeft daarnet de volledige procedure uitgelegd, maar daar wordt, volgens wat ik in de repliek hoor, niet naar geluisterd. Het is blijkbaar niet zo leuk om hier te horen zeggen dat er in dit land zodanig veel grendels zijn om te verzekeren dat artikel 3 van dat Verdrag wordt gerespecteerd dat het op den duur bijna onmogelijk wordt om aan terugkeer te werken.
Mevrouw de minister, het is noodzakelijk dat u werkt aan een efficiënt en krachtig terugkeerbeleid en u geniet daarvoor ten volle onze steun.
François De Smet:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. On y voit un peu plus clair. Comme souvent avec vous, il faut aller chercher vos réponses dans ce que vous dites, mais aussi dans ce que vous ne dites pas.
Vous n’avez pas réitéré vos propos sur les criminels. Vous avez parlé du taux de reconnaissance. Nous devons en déduire que nous sommes bien d’accord: vous ne visez pas seulement les criminels. Vous visez tous les ressortissants afghans déboutés du droit d'asile, a priori , hommes ou femmes, d'ailleurs.
Admettons avec vous que d'après le CGRA, ces personnes ne courent pas de danger, que l'article 3 ne serait pas enfreint et qu'il n'y aurait pas de problème, mais nous le vérifierons quand même. Il reste la question de principe, du fait que notre pays, avec ou sans autres pays européens, ne trouve pas que négocier avec les talibans soit problématique. Est-ce que vraiment, tout l'Arizona est raccord avec cela? Je cherche un député, MR ou Les Engagés, mais il n'y en a jamais sur ces questions, malheureusement. C'est une vraie question. Notre ministre des Affaires étrangères est-il d'accord avec le fait que la Belgique se mette à négocier, demain, avec les talibans?
Quant à la question de savoir s’il est scandaleux de renvoyer des criminels vers des criminels – puisqu'au fond, tout le monde est d'accord pour dire que le régime taliban est criminel –, on sent bien la petite musique de l’époque consiste à dire que ce ne serait pas si grave. Or, oui, en toute hypothèse, ça le serait quand même. Mais peu importe, puisque vous avez vous-même reconnu que ce n'est pas le fond du sujet. Il s'agit de tout ressortissant afghan débouté du droit d'asile, quels que soient les faits qu'il ait pu commettre ou non, et quel que soit éventuellement son genre.
Cette pétition de principe, même si on sent qu’il y a aussi une opération de communication vis-à-vis de l'opinion publique là-derrière et que la réalisation n'est pas pour demain, est tout de même préoccupante. Nous interrogerons donc aussi le ministre des Affaires étrangères.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, ik vraag u al acht maanden om werk te maken van de terugkeer van illegale Afghanen. U was voortdurend aan het onderzoeken hoe de piste via Istanboel kon worden verwezenlijkt, maar u kon daar nooit iets over zeggen. In plaats van de eigen piste te verwezenlijken, zegt u nu dat de Europese Commissie er werk van moet maken, maar het Europese front waarvan u spreekt, bestaat al tien jaar, zonder enig resultaat. Duitsland doet het zelf. Het wacht niet op de Europese Commissie en kan wel terugkeer organiseren.
Intussen stopt de toestroom naar ons land niet. In 2025 werden al 3.121 Afghaanse asielaanvragen ingediend, wat de grootste groep vormt. Ook de groep illegalen groeit dagelijks. Dit jaar werden al 1.311 bevelen om het grondgebied te verlaten uitgereikt aan Afghanen, maar er heeft geen enkele gedwongen terugkeer plaatsgevonden.
De oplossing ligt niet bij de Europese Unie, maar bij uzelf. U hoeft er niet langer over te discussiëren op Europees niveau. Dat is al gebeurd. U moet zelf handelen, zoals Duitsland dat doet. Bovendien heeft Duitsland aangeboden om ook onze illegale Afghanen terug te sturen. Wij konden mee op die vlucht. Duitsland heeft dat voorstel gedaan aan andere lidstaten, om illegale Afghanen terug te sturen. Het is dus bijzonder vreemd dat u daar nog geen gebruik van hebt gemaakt. Het heeft geen zin om er telkens opnieuw over te praten, het is tijd dat u er effectief werk van maakt.
Matti Vandemaele:
Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord, maar u blijft hangen in stoerdoenerij. U kunt u wel zeggen dat Afghanen het grondgebied moeten verlaten, maar als ze, zoals mevrouw De Vreese zegt, in de illegaliteit blijven rondhangen, dan zorgt dat natuurlijk voor problemen. Daarop hebt u eigenlijk niet geantwoord. U hebt enkel gezegd dat u tussentijds geen oplossing zult zoeken. Daarmee zegt u in feite: blijf maar rondhangen aan Brussel-Zuid, doe maar wat u wilt. U schuift enkel een oplossing op lange termijn naar voren.
Mevrouw de minister, u hebt niet gezegd dat het alleen over criminelen gaat, ondanks wat mevrouw De Vreese verklaarde, die voortdurend herhaalt dat het over criminelen gaat. Het gaat over iedereen zonder geldige verblijfstitel.
De taliban vormen een regime dat wij niet erkennen. Er geldt een negatief reisadvies voor landgenoten die naar dat land willen reizen en er is geen consulaire bijstand mogelijk.
Sta mij toe om uw collega Kanko te citeren: “Ik druk mijn diepste bezorgdheid uit over de mensenrechten in dat land en in het bijzonder over de rechten van vrouwen, meisjes en religieuze of etnische minderheden. Het is een regime van geweld en intimidatie tegen vrouwen, journalisten en iedereen die anders denkt.”
Als men met zo’n regime moet onderhandelen om een terugkeerbeleid vorm te geven, dan is er volgens mij een ernstig probleem.
Wij zijn als partij niet tegen een terugkeerbeleid. Een terugkeerbeleid zal altijd het sluitstuk vormen van een rechtvaardig migratiebeleid, absoluut. Als uw eerste gesprekspartner evenwel de taliban is, dan hebben we echt een probleem en hebt u de bodem volledig uit het vat geslagen wat morele principes betreft.
De voorzitster : Collega Vandemaele, omdat u mij vermeld hebt, wil ik toch iets rechtzetten. Ik heb daarnet ook verwezen naar criminele Afghanen en illegale Afghanen die zich in dit land bevinden. U verwijst naar verschillende minderheidsgroepen die etnische minderheden zijn en duidelijk onder de Conventie van Genève vallen, en dus onder die erkenningsgraad.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de voorzitster, ik vind dat u nu uw boekje te buiten gaat. U bent nu voorzitter van de commissie en u moet gewoon de debatten faciliteren. U moet mijn antwoord of repliek niet corrigeren. Beperk u tot het modereren van het debat als voorzitter, punt.
De voorzitster : Ik heb net aan de diensten gevraagd of er in de commissie iets bestaat als een ‘persoonlijk feit’. U hebt mijn naam genoemd en mij verkeerd weergegeven. Ik had gevraagd of ik daarover mocht tussenkomen. Als dat niet blijkt te bestaan, zal ik dat in het vervolg niet meer doen.
Matti Vandemaele:
Op basis van welk artikel in het Reglement zou dat zijn? Zoiets als een persoonlijk feit bestaat niet in de commissie.
De voorzitster : Ik zal het even nakijken, maar u had mij vermeld, en ik geef enkel correct weer wat ik daarnet heb gezegd. U had mij niet correct geciteerd.
Sarah Schlitz:
La façon dont se déroule cette commission est un peu surprenante pour quelqu'un qui n'y siège pas chaque semaine. La présidente pose des questions depuis le banc de la présidence et interrompt ensuite les députés. Ce n'est pas tout à fait orthodoxe comme manière de présider, madame la présidente.
Bref, revenons-en au sujet qui nous occupe aujourd'hui. Nous avons pu comprendre dans vos réponses, madame la ministre, que vous visez tous les ressortissants afghans qui sont déboutés du droit d'asile. Cela signifie que n'importe quel réfugié qui n'a pas reçu la protection internationale pourrait être renvoyé. Nous sommes déjà dans un système complètement absurde qui déboute des personnes du droit d'asile alors qu'elles ne sont pas renvoyables. Or, aujourd'hui, on sait à quel point il est ultra nécessaire de faire en sorte que ces profils-là soient acceptés le plus vite possible dans le circuit pour pouvoir se former, trouver un emploi et reconstruire leur vie après les violences extrêmes et la traversée extrêmement difficile qu'ils ont dû effectuer pour arriver dans notre pays. Pour moi, la place d'un réfugié afghan est dans une classe de français ou de néerlandais, pas dans un centre fermé, pas dans un avion pour retourner vers un régime complètement autoritaire qui a de très fortes de chances de lui ôter la vie.
Vous vous vantez, madame la ministre, de vous ranger aux côtés de la Hongrie, de l'Italie de Mme Meloni, mais tout cela, vous le faites avec le mandat de votre majorité. Je vois que Les Engagés nous ont rejoints dans cette commission. Madame Pirson, donnez-vous mandat à Mme la ministre pour être le moteur au niveau européen afin d'engager des discussions avec le régime des talibans? Agit-elle bien dans le cadre du mandat que vous lui accordez? C'est la question que nous nous posons tous. Que fait le MR et que font Les Engagés dans ce dossier? Comment est-ce possible? Comment pouvez-vous amener la Belgique sur ce terrain-là? Franchement, je ne comprends pas. Nous continuerons à interroger aussi M. Prévot sur ce sujet. Je vous remercie.
De voorzitster : Mevrouw Schlitz, uw verwijten pik ik niet.
Ik heb aan het begin van de vergadering aan de leden van de commissie gevraagd of het voor hen goed was om mijn vragen hier vooraan op de voorzittersstoel te stellen. Ik vervang de heer Depoortere, die hier vandaag niet aanwezig kon zijn. Daarover is geen enkele opmerking gekomen. Trouwens, ook de heer Depoortere vraagt dat stelselmatig. Wij werken steeds op die manier hier in de commissie.
U was zelf te laat. Het is dan ook compleet ongepast, wanneer u zelf volledig over uw spreektijd bent gegaan, dat u hier dergelijke opmerkingen maakt.
Mijnheer Vandemaele, ik heb de vraag gesteld aan de diensten of een en ander kon. Zij zoeken dat nu uit. Indien blijkt dat het niet kan om te reageren op een antwoord wegens een persoonlijk feit, zullen wij dat absoluut niet meer doen.
Wij gaan nu over naar interpellatie nr. 56000149i van mevrouw Van Belleghem over de verijdelde terroristische aanslag.
Mevrouw Schlitz, de discussie is afgerond.
Sarah Schlitz:
Si Mme la présidente veut faire un incident, je vais répondre. Elle a surenchéri alors qu’elle pouvait choisir de clore l’incident. Je suis donc obligée, pour le rapport, de corriger ce qui est dit.
J’étais en commission des Affaires sociales parce qu’énormément de commissions se déroulent simultanément. Je suis arrivée à temps pour ma question (…)
De voorzitster : Collega Schlitz…
Sarah Schlitz:
Pouvez-vous me laisser terminer ma phrase?
De voorzitster : Mevrouw Schlitz, ik wil de vergadering graag voortzetten. De agenda van de commissie staat vast. Wat uw agenda is, is uw zaak. Ik kan alleen maar zeggen dat er in het begin van de commissie afspraken worden gemaakt. Ik heb alle begrip.
Sarah Schlitz:
Madame la présidente, vous avez fait la même chose avec mon collègue Vandemaele. Vous avez interrompu sa prise de parole en ouvrant votre micro. Ce n'est pas tout à fait correct. Vous pouvez simplement laisser terminer une phrase et permettre à la commission de se poursuivre.
Francesca Van Belleghem:
Op 9 oktober werden we opnieuw geconfronteerd met een verontrustende realiteit. Een jihadistisch geïnspireerde aanslag op premier De Wever en mogelijk ook op andere politici werd verijdeld. Bij huiszoekingen in Antwerpen werden drie jongvolwassenen opgepakt. Volgens informatie van VRT Nieuws gaat het om drie Belgen. De 18-jarige en de 24-jarige zouden van Marokkaanse herkomst zijn en de 23-jarige van Tsjetsjeense afkomst. Dit bewijst dat onze nationaliteitswetgeving veel te laks is.
De verijdelde aanslag is bovendien geen geïsoleerd incident, maar past in een zorgwekkend patroon. Het dreigingsniveau in ons land is, sinds de aanslag twee jaar geleden op de Zweedse voetbalsupporters door de illegaal Lassoued, verhoogd van niveau drie naar niveau vier. Dat betekent dat een terroristische aanslag mogelijk en waarschijnlijk is en dat de dreiging bovendien ernstig is. De verijdelde aanslag, maar ook veel andere criminele gebeurtenissen, leren ons twee zaken.
Ten eerste zijn vreemdelingen oververtegenwoordigd in de criminaliteitscijfers. De laatste cijfers waarover ik beschik, dateren van 2021. Het is overigens een schande dat daar niet beter over gepubliceerd en gerapporteerd wordt. In 2021 was 13,4 % van de bevolking niet-Belg, maar die groep was wel goed voor 36 % van de verdachten van criminele feiten en 28 % van de veroordeelden. Marokkanen, Turken, Congolezen, Algerijnen en Albanezen worden bij de niet-EU-burgers in absolute cijfers het vaakst veroordeeld, op de voet gevolgd door Afghanen. We zien dat ook aan de samenstelling van de gevangenisbevolking. Een op de drie gevangenen is illegaal en bijna de helft, zo’n 45 %, heeft niet de Belgische nationaliteit. Deze cijfers geven bovendien een onvolledig beeld, want ze spreken alleen over de nationaliteit en niet over de herkomst of de dubbele nationaliteit van individuen.
Dat is een tweede groot manco in ons beleid. Zodra vreemdelingen onze nationaliteit hebben gekregen, dit jaar zullen dat er wellicht 75.000 of meer zijn, verdwijnen ze uit de statistieken, ze worden dan gerekend als Belg, hoewel ze een vreemde herkomst hebben. In dit land mogen daarover geen statistieken worden bijgehouden of, erger nog, gebeurt dat gewoon niet. Mijn collega’s van het Vlaams Belang hebben of zullen andere bevoegde ministers hierover ondervragen via interpellaties, maar een aantal aspecten met betrekking tot de verijdelde aanlag hebben betrekking op asiel en migratie.
Kunt u bevestigen dat de drie verdachten de Belgische nationaliteit hebben, maar van buitenlandse herkomst zijn? Hebben zij onze nationaliteit verworven? Wat is de herkomst van deze individuen? Hoe verklaart u dat zij de Belgische nationaliteit hebben gekregen, maar zich alsnog hebben gekeerd tegen de samenleving die hen heeft opgenomen?
Betreft het personen van de eerste, tweede of derde generatie? Zijn het personen die naar hier zijn gekomen via asiel, gezinshereniging of reguliere migratie, of gaat het om in België geboren kinderen van migranten? Welke conclusies trekt u daaruit met betrekking tot het migratie- en integratiebeleid? In dit land, met gescheiden bevoegdheden, raakt men immers steeds aan de bevoegdheid van iemand anders, hetzij federaal, hetzij op het niveau van de deelstaten.
Welke maatregelen hebt u genomen om de vorming van parallelle samenlevingen tegen te gaan, die als voedingsbodem dienen voor extremisme en islamitisch extremisme? Welke concrete maatregelen hebt u genomen om de gebrekkige informatie-uitwisseling tussen de dienst Vreemdelingenzaken, politie, Justitie en inlichtingendiensten te verbeteren sinds uw aantreden? Waarom zijn er nog steeds hiaten in de opvolging van geradicaliseerde personen?
Mijn belangrijkste vraag is wellicht de volgende. Hoe ver staat het met de beloofde illegalendatabank? Het is inmiddels twee jaar geleden dat een aanslag werd gepleegd op Zweedse voetbalsupporters door een illegaal die al verschillende bevelen had gekregen om het grondgebied te verlaten. Ik heb u al schriftelijke vragen gesteld over die illegalendatabank. U antwoordde dat u ermee bezig bent. Wat is de stand van zaken met betrekking tot die illegalendatabank, die toentertijd door premier De Croo werd beloofd?
Hoeveel radicale of extremistische personen hebt u sinds uw aantreden daadwerkelijk uit het land verwijderd? Graag kreeg ik concrete cijfers en percentages.
Welke specifieke maatregelen neemt u tegen extremisme in asielcentra? Bestaat er een systematische screening en monitoring?
Meer algemeen, erkent u dat vreemdelingen in de criminaliteitscijfers oververtegenwoordigd zijn? Wat zult u daaraan doen? Zult u in de toekomst cijfers over de herkomst van mensen blijven bijhouden?
In Nederland bestaat er een uitstekende rapportage van dergelijke cijfers, waarmee men perfect de herkomst van bepaalde personen kan nagaan. Uiteraard gebeurt dit alles met respect voor de privacy van de betrokkenen. Daar weet men bovendien via welk migratiemotief men naar het land is gekomen. Wij zouden ook een dergelijk systeem moeten ontwikkelen. Bent u daarvan een voorstander of niet?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Van Belleghem, er zijn veel vragen gesteld, dus ik heb ook een lang antwoord.
Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik ook geschokt was door het nieuws over de plannen voor een terreurdaad tegen onze eerste minister, Bart De Wever, en andere politici, waaronder de burgemeester van Antwerpen, Els van Doesburg. Ik leef met hen mee en met hun familie, die daarbij ook wordt betrokken.
Hulde ook aan de betrokken veiligheidsdiensten voor het werk dat zij hebben geleverd om die terreurdaad te verijdelen. Dit bewijst de noodzaak om de veiligheid van alle burgers in ons land te verbeteren. Dat is een doelstelling die deze federale regering ten volle onderschrijft en waaraan ik, samen met mijn collega’s van Binnenlandse Zaken en Justitie, dagelijks werk.
Op uw eerste en tweede vraag kan ik u meedelen dat, in het belang van het onderzoek, persoonlijke en individuele informatie niet kan worden gedeeld. Het gaat wel om personen met de Belgische nationaliteit. Dit zijn dus vragen voor de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.
Wat uw vragen over radicalisering betreft, kan ik u meedelen dat wij met de federale regering tal van maatregelen nemen om radicalisering tegen te gaan en om geradicaliseerde personen of terroristen van ons grondgebied te verwijderen of hen bij binnenkomst te onderscheppen.
Specifiek binnen mijn bevoegdheden neem ik de volgende maatregelen. We voeren een levenslang inreisverbod in voor terroristen en geradicaliseerden die op de OCAD-lijst als entiteit A worden gekwalificeerd, wat nu neerkomt op de geregistreerde gevalideerde personen in de Gemeenschappelijke Gegevensdatabank Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces.
De duur van een inreisverbod voor zware criminelen wordt zoveel mogelijk opgetrokken. Sinds mijn aantreden is al aan een persoon een inreisverbod van 30 jaar opgelegd, wat neerkomt op levenslang. Dat was de eerste keer dat dit gebeurde.
Geestelijke beoefenaars van erkende erediensten moeten slagen voor een inburgerings- en taaltest om de gecombineerde vergunning te bekomen. Houden zij zich niet aan de taalvereisten, geven zij blijk van radicalisering en respecteren zij onze verlichte waarden en normen niet, zoals de gelijkwaardigheid van eenieder en de scheiding van kerk en staat, dan wordt hun verblijfsrecht ingetrokken en worden zij onmiddellijk en gedwongen het land uitgezet.
Daarnaast worden ook reeds verregaande stappen gezet om de woonstbetreding mogelijk te maken in het kader van de gedwongen terugkeer. Deze maatregel zal uitgevoerd worden ten opzichte van vreemdelingen die een bevel om het grondgebied te verlaten hebben gekregen en een gevaar vormen voor de openbare orde of voor de nationale veiligheid wegens feiten van extremisme, radicalisering of terrorisme of die veroordeeld werden voor ernstige misdrijven.
De gronden van weigering, beëindiging en intrekking van het verblijf op basis van het gevaar dat uitgaat van de persoon en/of een veroordeling tot een gevangenisstraf worden waar mogelijk uitgebreid, zo ook de mogelijkheden voor de Dienst Vreemdelingenzaken om het onbeperkt verblijf na een intrekking van de status te beëindigen. De toepassing hiervan en de effectieve uitwijzing vormen een absolute topprioriteit van deze regering.
Vluchtelingen met subsidiaire bescherming en ook verzoekers om internationale bescherming die een gevaar vormen voor onze openbare orde of nationale veiligheid verliezen hun status of de mogelijkheid op een beschermingsstatuut.
Ook wanneer vreemdelingen ons grondgebied betreden, worden op verschillende manieren preventieve onderzoeken uitgevoerd naar signalen van terrorisme of radicalisering.
Bij de registratie van een verzoek om internationale bescherming worden bijvoorbeeld meerdere controles uitgevoerd. De verzoekers beschikken echter niet noodzakelijk over identiteitsdocumenten, waardoor de controles die de Dienst Vreemdelingenzaken kan uitvoeren eerder beperkt zijn en meestal gebeuren op basis van een verklaarde identiteit. Het SIS wordt ook geraadpleegd om na te gaan of de persoon niet geseind staat als niet-toelaatbaar op het grondgebied. In het geval van een meervoudige aanvraag wordt eveneens de Algemene Nationale Gegevensbank geconsulteerd.
De Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid screenen sinds september 2015 systematisch verzoekers afkomstig uit Syrië en Irak in het kader van de islamitische dreiging. Op 30 november 2015 heeft de DVZ gevraagd om de screening uit te breiden naar alle nationaliteiten. De DVZ bezorgt bovendien dagelijks lijsten met verzoekers om internationale bescherming aan de inlichtingendiensten ter controle in hun bestanden. De DVZ wordt op de hoogte gebracht wanneer er een hit is.
De screenings vormen geen definitief antwoord. De DVZ kan gedurende de hele procedure contact opnemen om een problematisch profiel te signaleren. Sinds 1 december 2015 ontvangt de federale politie namenlijsten van verzoekers voor screening en sinds 16 december 2015 controleert de politie ook de vingerafdrukken in haar databank.
Geradicaliseerde personen die illegaal in het land verblijven, worden zoveel mogelijk in een gesloten centrum geplaatst met het oog op hun onmiddellijke terugkeer naar hun land van herkomst. Ik verdubbel daarvoor het aantal plaatsen in de gesloten centra, wat ik al een aantal keer heb onderstreept. Sinds mijn aantreden zijn 18 personen, die werden opgevolgd door de cel radicalisme, verwijderd van het grondgebied. Het betrof 3 EU-onderdanen en 15 onderdanen van derde landen. 6 van hen werden overgedragen aan een andere lidstaat in het kader van de Dublinverordening, 4 werden bilateraal overgedragen en 8 keerden terug naar hun land van herkomst. Voor uw overige vragen met betrekking tot radicalisering verwijs ik u naar mijn collega-ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie.
Wat de illegalendatabank betreft, kan ik meedelen dat momenteel de laatste administratieve drempels worden weggewerkt. Alle informatie over de woon- en verblijfplaats van vreemdelingen in illegaal verblijf moet worden gecentraliseerd en toegankelijk gemaakt voor alle betrokkenen, zodat notificatie van beslissingen, intercepties, vrijwillige en gedwongen terugkeer kunnen worden verzekerd.
De gegevensuitwisseling tussen de DVZ en de politiediensten wordt geoptimaliseerd. Een goed voorbeeld van de samenwerking tussen de DVZ en de politie op het terrein zien we bij de binnenkomstcontroles.
Integratie is essentieel om een sterke basis te leggen en een toekomst op te bouwen binnen de nieuwe gemeenschap. Daarom worden de rechten en plichten, waarden en normen die in onze samenleving gelden toegelicht in een bindende nieuwkomersverklaring, die elke binnenkomer ondertekent bij de visum- of verblijfsaanvraag. Daardoor stemmen ze onder andere in met de strikte neutraliteit van de staat en ook met de gendergelijkheid. Met deze federale regering sluiten we daarover een samenwerkingsakkoord af met de deelstaten.
Wie de verklaring weigert te ondertekenen of de bepalingen in de nieuwkomersverklaring niet respecteert en zich overeenkomstig artikel 1/2, paragraaf 3 van de Vreemdelingenwet onvoldoende integreert in onze samenleving, wordt de toegang tot het land ontzegd, of verliest desgevallend zijn verblijfsrecht.
Wat uw vraag uw vraag over de strijd tegen radicalisering in de asielcentra betreft, sinds maart 2016, onder voormalig staatssecretaris Theo Francken, bestaat er een procedure voor het melden van mogelijke gevallen van radicalisering binnen de opvangstructuren. Sinds augustus 2017 wordt die procedure beheerd door een expert radicalisme, die verantwoordelijk is voor het analyseren van de melding, het doorsturen ervan naar de cel Radicalisme bij de Dienst Vreemdelingenzaken en het opvolgen van de meldingen door samen met de verbindingsofficier van de federale politie de verbinding te verzorgen tussen de betrokken opvangstructuren en de bevoegde instanties.
De expert radicalisme neemt deel aan de werkgroep Asiel en Migratie, die wordt voorgezeten door de Dienst Vreemdelingenzaken, en waar maandelijks individuele zaken kunnen worden besproken in aanwezigheid van de politie- en veiligheidsdiensten. De expert radicalisme organiseert regelmatig sessies voor het personeel van Fedasil met als doel het verbeteren van de opsporing van tekenen van radicalisering bij asielzoekers via contextualisering, dus via een combinatie van indicatoren en inzicht in de culturele achtergrond.
Zoals ik al heb opgemerkt, blijf ik vanuit mijn bevoegdheden en in samenwerking met mijn collega-ministers voortwerken aan een veiligere samenleving voor alle burgers van dit land.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord.
Op de illegalendatabank wachten we al twee jaar. U stelt intussen al weken dat u de laatste hand daaraan legt. Wat u nu hebt voorgelezen, is exact hetzelfde als uw antwoord op een schriftelijke vraag die ik heb ontvangen.
Wat is echter de concrete datum waarop de illegalendatabank effectief in werking zal treden? Niemand die het weet. Kunt u ons dat nu nog meegeven?
Hetzelfde geldt voor de nieuwkomersverklaring. Er wordt al tien jaar overleg gepleegd met de deelstaten, maar die verklaring is ook al tien jaar de facto dode letter zolang de deelstaten daar niet mee instemmen. Wanneer zal de nieuwkomersverklaring er komen?
Hoe zit het trouwens ook met het inburgeringsexamen en het overleg met de deelstaten? Wanneer zal dat plaatsvinden? Ook dat dreigt dode letter te worden.
Ten slotte wil ik nogmaals het belang van cijferrapportage benadrukken. Ik weet dat de website migratie.be er niet komt, maar er is wel degelijk een verband tussen massa-immigratie en criminaliteit.
De laatste cijfers waarover ik beschik, dateren van 2021. Ze tonen aan dat vreemdelingen oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers. Het is echter bijzonder moeilijk om in dit land cijfers te pakken te krijgen. De laatste cijfers waarover ik beschik, dateren van 2021. Toen ik in 2022 de cijfers voor Barbara Pas probeerde op te vragen, kreeg ik te horen dat ze niet konden worden bezorgd wegens technische problemen. Dat is verschrikkelijk.
Wanneer we over de grenzen kijken, bijvoorbeeld naar Duitsland, vinden we die cijfers gewoon objectief terug en wordt op de officiële overheidswebsite objectief erkend dat vreemdelingen oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitscijfers. Hier zijn zulke gegevens nooit terug te vinden. Wie het probleem wil oplossen, moet het uiteraard eerst erkennen.
De voorzitster : Ik wil even terugkomen op de vraag of er in commissie kan worden ingegaan op een persoonlijk feit. De diensten verwijzen daaromtrent naar artikel 55 van het Reglement waarin staat dat het altijd is toegestaan dat men het woord vraagt voor de beantwoording van een persoonlijk feit. In dat artikel wordt niet gespecificeerd of dat in commissie of in de plenaire vergadering gebeurt.
Mijnheer Vandemaele, indien u daarover nog vragen hebt, kan daar zeker in de Conferentie van voorzitters over worden gesproken, eventueel ook over een mogelijke wijziging. Artikel 55 is het artikel waarnaar werd verwezen om aan te geven dat ik wel degelijk mocht tussenkomen.
Vlaams Belang dient overigens geen motie in.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de voorzitter, het was geen persoonlijk feit. Ik zal de vraag inderdaad voorleggen aan de Conferentie van voorzitters, want het is absoluut ongebruikelijk om een persoonlijk feit in te roepen in een commissievergadering.
De opschorting van de behandeling van asieldossiers van Syriërs
De terugkeer van Syriërs
Beleid rond asiel en terugkeer van Syrische vluchtelingen
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België schort de behandeling van Syrische asielaanvragen nog steeds op (einddatum onduidelijk, CGVS heroverweegt dit na oktober), terwijl Duitsland en Nederland dossiers wel hervatten en gedwongen terugkeer actief opstarten. Vrijwillige terugkeer stijgt (172 in België, 2.905 in de EU in 2025), maar gedwongen terugkeer (met focus op criminelen) blijft in voorbereiding via preliminaire gesprekken met Syrië, zonder concrete resultaten. EU-lidstaten pleiten voor meer dialoog met Damascus en duurzame terugkeer, maar België hinkt achterop door gebrek aan directe afspraken of uitzettingsmechanismen. Duitse rechtbanken oordelen dat terugkeer naar *veilige Syrische regio’s* mogelijk is, wat de druk op België verhoogt om asielbeleid en terugkeermogelijkheden te herzien.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, eind juni maakte het CGVS bekend dat de opschorting van de behandeling van dossiers van asielzoekers uit Syrië werd verlengd tot eind oktober, in tegenstelling tot Nederland en Duitsland, waar men heeft beslist om de behandeling van dergelijke te hervatten.
Het is intussen eind oktober. Hebt u er zicht op wanneer de behandeling van Syrische asielaanvragen kan worden hervat? Hoe staat het met de gedwongen terugkeer naar Syrië? We zien immers dat Duitsland zijn inspanningen fors heeft opgevoerd.
Maaike De Vreese:
Mevrouw de minister, in de vorige commissievergadering gaf u toelichting bij de stand van zaken met betrekking tot de terugkeer van Syriërs. We zagen toen een positieve, stijgende trend van het aantal Syriërs dat vrijwillig terugkeert naar het land van herkomst. Medio september waren er reeds 171 Syriërs vrijwillig teruggekeerd.
Daarnaast onderzoeken uw diensten de mogelijkheid voor identificatie en gedwongen terugkeer naar Syrië en zijn er ook contacten tussen dit land, Nederland en Duitsland om best practices te delen en te bekijken hoe er op Europees niveau kan worden samengewerkt. Ten slotte schortte het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de behandeling van verzoeken om internationale bescherming van Syriërs op vanaf 9 december 2024.
Kunt u toelichting geven bij de vrijwillige terugkeer van Syriërs? Hoeveel Syriërs zijn er sinds 1 januari teruggekeerd? Kunt u toelichting geven bij de jongste federale en Europese ontwikkelingen inzake identificatie en gedwongen terugkeer van Syriërs? In hoeverre werd het thema besproken in de voorbije JBZ-raad? Welke stappen hebt u reeds gedaan om een systeem van gedwongen terugkeer te bespoedigen? Wat met de opschorting van de behandeling van verzoeken om internationale bescherming van Syriërs? Wanneer zal de opschorting worden stopgezet?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Van Belleghem, mevrouw De Vreese, de situatie in Syrië is in de afgelopen maanden sterk veranderd.
U ondervroeg me eerder al over de vrijwillige terugkeer van Syriërs: de cijfers gaan dit jaar in stijgende lijn. In de Europese Unie verblijven op dit ogenblik zo’n 1,2 miljoen Syriërs. Sinds 2025 ligt de effectieve terugkeer heel wat hoger dan voordien: op Europees niveau gaat het om 3.135 personen in de eerste helft van 2025, het drievoudige van de voorgaande periodes. Er is een duidelijke toename van vrijwillige terugkeer: van 240 naar 2.905 in dezelfde periode.
Vanuit België keerden in 2025 al 172 Syriërs vrijwillig terug. Er zijn 25 dossiers hangend. Mijn administratie voert gesprekken met de Syrische permanente vertegenwoordiging, waarbij de mogelijkheden worden besproken inzake praktische samenwerking voor identificatie en terugkeer van Syriërs met een strafblad. Die besprekingen bevinden zich nog in een preliminaire fase. Er vond nog geen dergelijke terugkeer plaats.
De intentie is kleinschalig te beginnen, met de focus op personen met een strafblad, voor de reikwijdte uit te breiden. Op die manier zorgen we ervoor dat Syrië voldoende capaciteit heeft om de betrokkenen opnieuw op te nemen, en zorgen we ervoor dat de terugkeer werkbaar en duurzaam is.
De kwestie kwam aan bod tijdens een lunchdiscussie van de JBZ-Raad op 14 oktober, dus vorige week. Tijdens die discussie waren alle lidstaten het erover eens dat stabiliteit en wederopbouw van Syrië essentieel zijn voor een waardige en duurzame terugkeer. Er was een sterke oproep voor het behoud van de dialoog met de Syrische autoriteiten. Vele lidstaten benadrukten dat vrijwillige terugkeer meer moet worden aangemoedigd ten aanzien van Syrische onderdanen met een terugkeerbesluit. Er was eveneens een sterke wens om mogelijkheden te verkennen inzake de gedwongen terugkeer van Syrische onderdanen, vooral van degenen die een veiligheidsgevaar vormen.
Sommige lidstaten gaven aan al contact te hebben met de Syrische autoriteiten hierover en beschikken op dat vlak over expertise. Terugkeer naar Syrië blijft op de agenda staan van het Deense voorzitterschap en zal de komende maanden verder op Europees niveau worden besproken.
Het moratorium op de behandeling van dossiers van verzoekers om internationale bescherming uit Syrië bij het CGVS loopt in principe eind oktober af. Op basis van de beschikbare informatie zal het CGVS het heropstarten van de dossieroverweging opnieuw in overweging nemen.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, 1.211 Syriërs hebben dit jaar al asiel aangevraagd. 656 hebben een bevel gekregen om het grondgebied te verlaten, amper 172 zijn vrijwillig teruggekeerd. De instroom blijft dus veel groter dan de uitstroom.
U zegt dat sommige lidstaten in contact staan met Syrië, maar waarom staat u niet in contact met Syrië? Duitsland zet zijn inspanningen voort om illegale Syriërs gedwongen terug te sturen. Achter de schermen wordt intensief gewerkt aan een overeenkomst met Damascus. Sinds kort neemt het BAMF, het Duitse equivalent van het CGVS, opnieuw beslissingen over asielaanvragen van Syriërs, meer bepaald alleenstaande mannelijke soennieten.
Bovendien kregen de diensten al maanden geleden de opdracht om bestaande verblijfstitels en asielstatussen van Syrische criminelen opnieuw te evalueren, een eerste voorwaarde om tot uitzetting te kunnen overgaan. In juni besliste een rechtbank in Hamburg dat in bepaalde delen van Syrië geen sprake meer is van een onzekere toestand. In juli bevestigde een rechtbank in Bremen dat standpunt. Er zijn dus wel degelijk mogelijkheden tot gedwongen terugkeer. Die terugkeer mag niet alleen vrijwillig zijn, de mogelijkheid van gedwongen terugkeer moet u als stok achter de deur houden.
Maaike De Vreese:
Minister, u hebt er in uw antwoord op gewezen dat er contacten zijn met de Syrische permanente vertegenwoordiging. Het is belangrijk dat die diplomatieke contacten behouden blijven. We zien een stijgende trend in de vrijwillige terugkeer. Dat is dus een vooruitgang. Voor de rest heb ik er alle vertrouwen in dat u de zaak van nabij opvolgt.
Het openstellen van markten
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De PVDA wijt de energiecrisis en hoge prijzen voor gezinnen en industrie aan de liberalisering van de energiemarkt, pleit voor publieke controle via een staatsbedrijf dat energie aan kostprijs levert, en vraagt om prijsverlagende maatregelen. Minister Bihet verdedigt de geliberaliseerde markt (toezicht door CREG), belooft steun voor industriecompetitiviteit via een energienorm (vertraagd door EU-feedback) en benadrukt koopkrachtbehoud, maar blijft binnen Europese regels zonder structurele systeemwijziging. Hij linkt energieautonomie aan lagere prijzen, zonder concrete prijsdalingen toe te zeggen. Van den Bosch houdt vast aan hernationalisering maar erkent beperkte stappen van de minister.
Voorzitter:
Aangezien ik even naar de commissie voor Justitie moet, laat ik me graag even vervangen.
Voorzitster: Annik Van den Bosch.
Présidente: Annik Van den Bosch.
Annik Van den Bosch:
Mijnheer de minister, de voorbije weken hebben we in de commissie voor Economie – waar ik normaal zit, maar deze vraag werd naar u doorgestuurd – verschillende hoorzittingen over onze industrie gehad. Overal hoorden we terug dat de energiecrisis een van de grote oorzaken van de moeilijkheden is waarmee onze industrie vandaag kampt. Bedrijven snakken naar zuurstof, maar de hoge energieprijzen blijven hun adem afsnijden.
Deze crisis is niet uit de lucht komen vallen. Het is het gevolg van een politieke keuze, namelijk de liberalisering van de energiemarkt. Sinds de liberalisering hebben we de controle over onze energieprijzen helemaal aan de markt uit handen gegeven. Toen die markt begon te ontsporen, zijn de prijzen gewoon ontploft. Vandaag betalen gezinnen en bedrijven daarvoor nog altijd de prijs. Terwijl onze bedrijven kreunen onder de hoge energiekosten, zien we dat energieproducenten recordwinsten blijven boeken. Dat klopt gewoon niet.
Wij van de PVDA vinden dat het tijd is om het roer om te gooien. We moeten opnieuw publieke controle krijgen over onze energie, via een publieke speler die energie aan kostprijs levert. Dat zou niet alleen de gezinnen helpen, maar ook onze bedrijven opnieuw zuurstof geven, zodat ze kunnen blijven investeren in jobs en deze behouden.
Mijnheer de minister, erkent u dat de liberalisering van de energiemarkt voor onze gezinnen en bedrijven niet heeft gewerkt? Welke maatregelen zult u nemen om de prijs van energie voor onze industrie en de gezinnen te laten dalen?
Mathieu Bihet:
Mevrouw Van den Bosch, in de geliberaliseerde markt van vandaag is het toezicht op de werking van de markt toevertrouwd aan een onafhankelijke regulator, de CREG. Ik laat het dan ook aan de CREG om zich uit te spreken over de werking van de markt. Aarzel niet om de CREG daarover te bevragen, met name tijdens hoorzittingen georganiseerd in de commissie voor Energie.
De regering wil nog steeds onze industrie en de competitiviteit ervan steunen. Het economisch herstel en de strategische autonomie van ons land zijn ondenkbaar zonder de zorgen op het vlak van competitiviteit aan te pakken. In dit opzicht wil de regering een ambitieuze energienorm aannemen om onze energie-intensieve industrie te steunen.
We willen zo snel mogelijk tot een resultaat komen en hadden het nodige voorbereidende werk tijdig afgerond om deze kalender te respecteren, maar de feedback van de Europese Commissie over punten die niet eerder waren voorgelegd door de vorige regering inzake de wettelijke grondslag, heeft dat verhinderd. We laten onze bedrijven echter niet vallen en maken werk van de ondersteuning van onze competitiviteit met inachtneming van de Europese regels.
Tegelijkertijd heb ik al gezegd dat de koopkracht van de gezinnen behouden zal blijven. Mijn optreden zal altijd worden gestuurd door een evenwicht tussen competitiviteit en de koopkracht van onze medeburgers. De betaalbaarheid van onze energie is een fundamenteel punt van ons regeerakkoord en we werken in die richting. Hoe meer onze energieautonomie gegarandeerd is, hoe beter de koopkracht beschermd zal worden. Ik dank u.
Annik Van den Bosch:
Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. Ik geloof nog altijd dat de prijzen beter gereguleerd zullen zijn als energie uit de markt wordt gehaald, maar ik zie dat u toch bepaalde stappen zet en ik kijk uit naar de resultaten daarvan. Dank u wel.
De overname van Pukkelpop door Live Nation en de hoge marktconcentratie in de festivalsector
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 9 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Jeroen Soete kaart aan dat stijgende festivalprijzen (tickets, eten, drank) en de monopolievorming van Live Nation (dominante positie in festivals, ticketverkoop en boekingen) de betaalbaarheid en keuzevrijheid voor consumenten en artiesten bedreigen, met een oproep tot onderzoek door de Mededingingsautoriteit. Minister Clarinval bevestigt dat de BMA een onderzoek zal starten *zodra Live Nation de overname officieel aanmeldt*, en belooft in te grijpen als dat niet gebeurt, om gezonde concurrentie te waarborgen. Soete breidt de kritiek uit naar algemene prijsstijgingen (bv. dierenartsenketens) en benadrukt dat marktcontrole en indexering essentieel zijn om koopkracht te beschermen. De kern: monopoliebestrijding en prijsdruk moeten prioriteit krijgen om betaalbare toegang tot cultuur en diensten te garanderen.
Jeroen Soete:
Ni dieu ni maître, ni Chokri.
Mijnheer de minister, ons land kent een enorm rijke en diverse festivalcultuur die we moeten koesteren. Nous Belges, nous aimons faire la fête. Dat is goed, maar meer en meer krijgt het een zuur smaakje. We kunnen er niet omheen, het wordt alleen maar duurder en duurder. De tickets worden duurder. De braadworsten worden zeker ook duurder. De pintjes worden duurder. In de afgelopen tien jaar zijn de ticketprijzen dubbel zo hard gestegen als de lonen. Ik stel me de vraag: wie zal die nog kunnen betalen in de toekomst?
Weet u wat het probleem zeker niet zal verbeteren? Dat één grote speler stap voor stap alle macht naar zich toe trekt. De aangekondigde overname van Pukkelpop door Live Nation moet ons dus zorgen baren. Live Nation heeft stilaan de hele markt in handen. Ik som het even op: vier van de vijf grootste festivals in België hangen af van Live Nation. Drie van de vier grootste congreszalen: Live Nation. De ticketverkoop door Ticketmaster: Live Nation. Het boekingskantoor: Live Nation.
Wie dreigt daar de dupe van te worden? De artiesten, die stilaan moeilijker en moeilijker kunnen onderhandelen over hun prijzen, omdat ze geen andere keuze meer hebben. Uiteraard geldt dat ook voor de muziekliefhebbers, die nergens anders meer naartoe kunnen en die alleen nog hogere prijzen zullen moeten betalen.
Mijnheer de minister, we mogen trots zijn op onze festivalsector. We moeten het rijke aanbod koesteren.
In andere landen wordt er opgetreden. In Amerika bijvoorbeeld is Live Nation aangeklaagd wegens monopolievorming. Dan is de vraag: wat zal België doen? Wanneer is trop te veel?
Zult u, mijnheer de minister, vanuit uw bevoegdheid de concurrentiewaakhond, de Belgische Mededingingsautoriteit, opdragen een onderzoek op te starten naar de toenemende machtspositie van Live Nation?
David Clarinval:
Mijnheer Soete, ik ben een voorstander van gezonde concurrentie, ook in de festivalsector. Een levendige markt zorgt ervoor dat festivalgangers kunnen blijven genieten van een gevarieerd, concurrentieel en betaalbaar aanbod. Dat is in het belang van iedereen, van de artiesten tot het publiek. Als minister van Economie zal ik erop toezien dat de regels inzake mededinging worden nageleefd en dat Live Nation, net als elk ander bedrijf, een dergelijke aanmelding doet indien het binnen de in de concentratieregelgeving vastgelegde criteria valt.
De BMA zal het nodige onderzoek uitvoeren om ervoor te zorgen dat het dossier in overeenstemming is met het mededingingsrecht. Op dit moment heeft Live Nation, voor zover mij bekend, deze concentratie nog niet aangemeld bij de BMA. Als Live Nation deze aanmelding niet uitvoert, voor zover het binnen de criteria valt voorzien in de regelgeving, zal ik de BMA persoonlijk inschakelen in dit dossier.
Jeroen Soete:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het gaat uiteraard over veel meer dan alleen de sector van de festivals. Het kan evengoed gaan over de sector van de dierenartsen, waar steeds meer ketens alle praktijken opkopen, wat mogelijks ook nefaste gevolgen voor de consumenten kan hebben. Ik wil het nog even hebben over de index. Iedereen kent Team Vooruit. Wij vinden dat de index de beste garantie is voor de koopkracht van de mensen. Als het leven duurder wordt, moeten de lonen ook stijgen, simple comme bonjour . Weet u wat een nog eenvoudiger oplossing is? Zorg ervoor dat het leven niet duurder wordt. Daarvoor kijken wij naar u, mijnheer de minister. Ik weet dat wij op u zullen kunnen rekenen, want u hebt in het regeerakkoord de sleutels gekregen om die markt goed te controleren, om ervoor te zorgen dat de concurrentiewaakhond grote tanden heeft en kan optreden tegen spelers die veel te groot worden en veel te hoge facturen uitschrijven aan de consument en die er vooral voor zorgt (…)
De investeringen van Amazon en Google en de aantrekkelijkheid van België voor ondernemingen
De investering van Amazon en de zelfstandige handelszaken
De competitiviteit van België
De impact van buitenlandse techinvesteringen en de Belgische ondernemingsaantrekkelijkheid, concurrentievermogen
Gesteld door
MR
Florence Reuter
Les Engagés
Aurore Tourneur
N-VA
Lieve Truyman
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)
op 9 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Amazon (1 miljard euro) en Google (5 miljard euro) investeren massaal in België, wat 6 miljard aan directe investeringen, duizenden (in)directe jobs (waaronder 800 hooggekwalificeerde) en 1,5 miljard jaarlijkse PIB-groei oplevert, dankzij arbeidsmarkthervormingen (flexibiliteit, nachtarbeid) en vereenvoudigde regelgeving. Minister Clarinval benadrukt dat deze investeringen lokaal ondernemerschap stimuleren (32% van Belgische PME’s verkoopt online, boven EU-gemiddelde) en kleine handelaren beschermen via een *e-commerce taskforce* (o.a. heffing op niet-EU-colis), maar waarschuwt dat verdere innovatie (AI, digitalisering) en concurrentiekracht cruciaal blijven. Kernpunt: *België positioneert zich als Europese digitale hub, maar moet balans vinden tussen grote investeerders en behoud van lokaal MKB.*
Florence Reuter:
Monsieur le ministre, les premiers résultats de la mission économique belge en Californie sont déjà positifs. Je ne sais pas si ce sont les petits pas de danse de la princesse Astrid sur Stromae qui ont fait mouche, mais, en tout cas, deux géants américains annoncent investir en Belgique: Amazon pour un milliard d'euros – donc plus que sur les dix dernières années – et Google pour cinq milliards d'euros pour les deux années à venir.
C’est évidemment une bonne nouvelle. La Belgique renforce ainsi son économie et se positionne en leader européen du numérique. De plus, autre bonne nouvelle, ces investissements créeront de l'emploi. Nous parlons déjà de 400 emplois directs pour l’un, et de 300 pour l’autre, auxquels devraient s’ajouter des milliers d'emplois indirects. C’est tout bénéfice pour notre pays.
Monsieur le ministre, en savez-vous plus sur ces accords? Pouvez-vous déjà nous détailler le contenu de ces investissements et de ces accords? Quelles sont vos estimations en termes d'emplois indirects? S’agissant de notre économie, on évoque plus d'un milliard et demi d'euros par an de retombées sur le PIB ces deux prochaines années. Pouvez-vous nous confirmer ces chiffres-là? Ces géants américains parlent aussi, et notamment Amazon, de collaborations étroites avec les entreprises belges en termes de partenariats locaux, mais aussi de soutien aux commerces locaux et aux entreprises locales. Je vous remercie de nous donner des précisions sur ces excellentes nouvelles.
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, la mission économique en Californie nous annonce qu’Amazon va investir un milliard d’euros sur trois ans en Belgique. Pourquoi? Pour livrer des colis en moins de 24 heures ou même les livrer dans la journée. C’est ce que veulent les consommateurs. À eux de voir si c’est bien ou moins bien pour le bien commun; à eux de juger.
À première vue, c’est tout de même une super bonne nouvelle. J’espère que cette bonne nouvelle en sera une pour les trois Régions du pays.
C’est une bonne nouvelle, mais j’ai pensé à mon dimanche matin. Savez-vous pourquoi, monsieur le ministre? D’abord, j’ai pensé à mes collègues socialistes qui, la semaine dernière, ont dit que les députés de la majorité étaient totalement déconnectés de la réalité. Savez-vous ce que je fais, monsieur le ministre, le dimanche matin? Après avoir été dans la pluie et le vent cueillir les légumes, je les vends à la ferme, au comptoir. J'y vends des produits de terroir, puisque mon compagnon est agriculteur. J’ai donc pensé à tous ces petits agriculteurs et à ces petits commerçants et j'ai entendu qu’Amazon voulait un partenariat avec les petits commerçants.
Monsieur le ministre, les questions que je voulais vous poser étaient adressées à la ministre Simonet. Quelles mesures d'accompagnement prévoyez-vous pour les petits commerçants, pour qu’ils puissent tirer profit d’un partenariat avec Amazon? Comment vous assurez-vous qu’il s’agira bien d’emplois de qualité?
Lieve Truyman:
Mijnheer de minister, in het Draghirapport over de competitiviteit van Europa, dat vorig jaar werd gepubliceerd, wordt vastgesteld dat Europa sinds het begin van de 21 e eeuw met een vertraagde economische groei kampt ten opzichte van de Verenigde Staten en China. Ook ons land kreeg in het rapport een slechte beoordeling. Hoge energieprijzen en energieonzekerheid, zware loonlasten, te veel regelgeving en de recente Amerikaanse heffingen belemmeren onze bedrijven om te groeien en te innoveren. Ook op het vlak van de digitale revolutie staat Europa nog in de kinderschoenen. Indien wij niets ondernemen, dreigen wij onze industrie te verliezen.
Niets doen is echter niet het handelsmerk van de arizonaregering. Intussen hebben wij ervoor gezorgd dat de administratieve regels worden vereenvoudigd en maakt de regering daar werk van. De arbeidsmarkt wordt flexibeler, wat vertrouwen inboezemt bij investeerders. Dat vertrouwen wordt beloond, want Amazon en Google investeren samen 6 miljard euro in ons beleid. Die investering is een teken van vertrouwen in het arizonabeleid. Ze creëert veel werkgelegenheid en geeft zuurstof aan onze economie en welvaart. Niettemin mogen wij niet achteroverleunen en denken dat wij er al zijn. Wij moeten er alles aan doen om het ondernemersklimaat opnieuw te laten bloeien.
Mijnheer de minister, hoe schat u de impact van die investeringen op onze economie in?
Hoe kunnen wij andere vergelijkbare investeringen aantrekken, zodat innovatie nog meer wordt gestimuleerd?
David Clarinval:
Mijnheer de voorzitter, beste collega’s, ik verheug mij over de grote investeringen die Amazon, goed voor 1 miljard, en Google, goed voor 5 miljard, hebben aangekondigd. Dat is uitstekend nieuws voor onze economie. Dankzij de investering van Google alleen al komen er 300 directe, hooggekwalificeerde en voltijdse jobs en ongeveer 15.000 indirecte jobs bij.
Donc, madame Reuter, je réponds directement à votre question en vous confirmant les chiffres que vous y avez évoqués: ils sont tous exacts.
Die investeringen komen er niet bij toeval. Enerzijds zetten zowel de gewestelijke als federale entiteiten van ons land zich al lang in om die resultaten te behalen.
D'autre part, nos réformes, notamment celle du marché du travail de nuit, produisent des résultats concrets et créent des conditions favorables pour attirer dans notre pays des investissements qui, auparavant, auraient été tout simplement réalisés à l'étranger. Il est évidemment préférable d'accueillir dans notre pays des entreprises qui, sinon, se seraient installées à nos portes.
Madame Tourneur, vous avez raison: ce n'est pas pour autant que nous devons oublier nos commerçants dans les magasins physiques et, en particulier, les petits artisans. Ces derniers se servent, du reste, de plus en plus du commerce numérique. Près d'un tiers des entreprises belges vendent en ligne, et même 32 % des PME. Ce taux est largement supérieur à la moyenne européenne, qui atteint 23 %.
En tant que ministre de l' É conomie, j'encourage donc ce type d'initiative. Tout récemment, j'ai encore pu échanger avec l'entreprise Amazon qui propose, d’ailleurs, sans cesse plus de solutions à nos PME.
Par ailleurs, nous continuons à soutenir les PME et les indépendants dans la croissance de leurs points de vente physiques et en ligne. Au sein de la task force e-commerce que nous avons récemment instituée, nous défendons les petits commerçants contre la concurrence déloyale des colis en provenance de l'étranger. Nous proposons plusieurs initiatives qui vont dans ce sens et, notamment, une taxe de deux euros sur les petits colis en provenance des pays non européens. La croissance et l'innovation progressent ensemble avec une économie locale robuste.
Mesdames et messieurs les députés, ces investissements confirment que les réformes que nous entreprenons à l'échelle fédérale débouchent sur des résultats concrets et permettent de contribuer à nos objectifs de compétitivité, de croissance et de création d'emplois, sans pour autant pénaliser nos commerçants que nous soutenons, par ailleurs, sans relâche. Je vous remercie de votre attention.
Florence Reuter:
Monsieur le ministre, je suis heureuse de vous entendre évoquer la task force e-commerce que vous avez mise en place, qui a pour objectif de soutenir le commerce de proximité et nos artisans locaux qui sont les acteurs locaux les plus importants. Je viens d'une commune où le commerce est phare et occupe une place extrêmement importante et il est donc primordial de les défendre.
Vous l'avez dit aussi, les réformes et les investissements qui sont annoncés ici montrent qu'il faut travailler ensemble. Ces partenariats sont fondamentaux pour redresser notre économie et créer de l'emploi. Ils profiteront au final à nos entreprises, à nos PME, à nos commerçants et à nos entreprises locales, qui se verront prospérer davantage et permettront évidemment de créer de l'emploi.
Aurore Tourneur:
Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Le nombre d'emplois est déjà très prometteur. Je pense qu'il est vraiment important d'assurer le bien-être au travail parce que pour les Engagés, l'économie doit toujours être accompagnée d'humanisme et de justice sociale. Les commerces, ce n'est pas que les colis, c'est aussi le contact humain.
Quant à mes amis socialistes, je les invite dimanche matin. Inutile de venir en costume, prenez directement vos bottes!
Lieve Truyman:
Mijnheer de minister, we moeten er inderdaad verder op inzetten om ons land op de kaart te zetten als digitale speler en zo onze bedrijven te ondersteunen bij innovatie, ontwikkeling en productie. AI is de technologie van de toekomst, dus het is des te belangrijker dat ons land mee op die trein zit. Ik heb het volste vertrouwen in u als minister van Economie en in deze regering, die opnieuw het ondernemerschap omarmt. Onze ondernemingen zijn de motor van onze samenleving. Inderdaad, deze regering omarmt het ondernemerschap.
De schietpartijen in Sint-Gillis en de drugshandel
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 9 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de vertraging in de uitvoering van 20 anti-narcotraficmaatregelen uit het regeerakkoord, met name in Brussel, waar fusillades (zoals in Saint-Gilles) en onderfinanciering van lokale politiezones de veiligheid ondermijnen. Minister Quintin benadrukt lopende acties zoals politiële versterking (31 extra eenheden, 40 vanaf 2025), anti-witwasoperaties (Belfi), camera’s (€20M) en militaire steun, maar erkent dat de fusie van politiezones en "Grandes Villes"-plannen weerstand oproepen. Nuino dringt aan op snel refinancieren van onderbetaalde lokale zones (cruciaal voor eerste lijnsbestrijding) en transparantie via een dashboard om de voortgang van de maatregelen te monitoren, met als kernboodschap: veiligheid als fundamenteel recht mag in Brussel niet langer wachten.
Ismaël Nuino:
Monsieur le ministre, je sais que vous avez beaucoup de dossiers à traiter pour le moment. La semaine dernière, mon très estimé collègue Lutgen vous posait encore une question sur l'un d'eux. En tout cas, nous serons absolument d'accord pour reconnaître que la priorité doit être réservée au narcotrafic. En effet, celui-ci entraîne des conséquences dramatiques sur la sécurité des Belges et plus particulièrement des Bruxellois.
Je souhaitais vous poser une question sur la fusillade qui a encore eu lieu cette semaine à Saint-Gilles. Au regard des trop nombreuses fusillades qui l'ont précédée, je me suis rendu compte que je vous avais posé la même question en séance plénière voici six mois. Par conséquent, ma question est une sorte de clause de rendez-vous pour savoir où vous en êtes dans l'application de l'accord de gouvernement et dans l'exécution de ses mesures. Je sais que, le 1 er octobre, vous avez eu l'occasion de pouvoir faire le point et de parler de la task force.
Cela dit, je souhaiterais savoir où l'on en est dans l'application de la vingtaine de mesures figurant dans l'accord de gouvernement et qui sont pratiquement les meilleures dont nous puissions disposer, puisque nous avions à table le bourgmestre d'Anvers. En effet, il est le premier à avoir eu à affronter le narcotrafic en Belgique et à avoir connu les fusillades – bien avant Bruxelles. Il sait donc de quoi il parle. Il n'est pas nécessaire de parler de ces initiatives dans une task force, car elles nécessitent d'être prises le plus rapidement possible. Parmi elles, on trouve la création d'un Fonds drogues, la technique du " Follow the value " – qui consiste à s'attaquer au portefeuille des narcotrafiquants, à leur faire mal à travers leurs moyens financiers –, peut-être encore la surveillance de la criminalité organisée afin d'en mieux connaître le fonctionnement et de voir comment, à Bruxelles en particulier, certains commerces servent à blanchir de l'argent. Toutes ces mesures existent.
Monsieur le ministre, selon quel calendrier allez-vous appliquer ces dispositions? Quelles sont les mesures que vous avez déjà prises? Je sais que vous avez fait beaucoup, mais il reste encore beaucoup de choses à accomplir. J'aimerais en savoir plus.
Bernard Quintin:
Monsieur le député, j'ai en effet beaucoup de choses à faire, ce qui est normal. Nous sommes payés pour cela.
Je n'ai pas attendu l'incident à Saint-Gilles pour être interpellé sur le sujet. Je suis sur le terrain plus que régulièrement, à la rencontre des habitants et aussi des forces de l'ordre. À la fin de l'été, j'étais avec les habitants de la place Bethléem, où la fusillade – avec des balles qui se sont fichées dans une école – a eu lieu. Je suis aussi allé à Molenbeek, à Anderlecht ainsi qu'à d'autres endroits.
Je tiens quand même à rappeler ici que ce sont les zones de police locale qui s'organisent pour la première ligne. Dans le cas de la zone Midi – puisque vous parliez de Saint-Gilles –, c'est une zone avec trois communes. Il y a un président de zone, le bourgmestre d'Anderlecht, un chef de corps, et plus de 1 000 policiers, dont je salue le travail au quotidien. La police fédérale, elle, vient en soutien. C'est le principe même de la police intégrée à deux niveaux. Ce soutien fédéral est constant – c'est en tout cas ainsi depuis le début de mon mandat – avec des dizaines de policiers fédéraux qui sont tous les jours sur le terrain, un renforcement de la PJF de Bruxelles comme cela a été demandé: 31 unités, et 40 qui seront engagées de manière pérenne à partir du 1 er novembre 2025.
Les actions sont claires. Je les ai déjà listées et je les mets en place. Elles sont en effet dans l'accord de gouvernement. Premièrement, nous avons la fusion des zones de police à Bruxelles, dont je rappelle que l'objectif est une meilleure sécurité pour toutes les Bruxelloises et tous les Bruxellois, par une meilleure allocation des moyens, y compris les actions d'intervention et la police de proximité. Deuxièmement, nous avons le plan "Grandes Villes" que j'ai annoncé à la fin de l'été, avec des mesures FIPA (Full Integrated Police Actions), des mesures coup de poing – nous en avons déjà eu deux organisées à Bruxelles, mais elles peuvent l'être dans d'autres villes – avec le plan "Caméras" de 20 millions que j'ai mis sur la table, les militaires en rue pour renforcer la sécurité et des actions anti-blanchiment appelées Belfi à Bruxelles, et portant d'autres noms ailleurs.
Comme ces actions sont dans l'accord de gouvernement, je sais que j'aurai le soutien de tous les partis de la majorité, et peut-être même de l'opposition, pour mettre en œuvre toutes ces mesures pour la sécurité de tous nos concitoyens.
Ismaël Nuino:
Merci monsieur le ministre. Vous avez listé les mesures que vous mettez en place. Vous savez que la fusion des zones de police génère des réticences importantes au niveau local. Mais vous savez aussi qu’une des demandes, et une des autres choses qui se trouvent dans l’accord de gouvernement, c’est le refinancement des zones de police locale, qui sont la première ligne pour faire face au crime. Et ce refinancement, il doit arriver le plus rapidement possible parce qu’aujourd’hui, on sait que Bruxelles, structurellement, est sous-financée par rapport à son nombre d’habitants. Et donc, ce à quoi je vous encourage, c’est à pouvoir agir le plus rapidement possible pour donner des moyens financiers à la zone de police locale qu’il y aura à Bruxelles, pour qu’elle puisse réellement agir. Un autre élément, peut-être, c’est de faire en sorte d’avoir une meilleure visibilité et un dashboard sur ces 20 mesures. Vous avez également parlé de mesures qui ne se trouvent pas dans l’accord de gouvernement. Les militaires dans les rues, ça n'est pas dans l’accord de gouvernement de cette manière. Mais ce qu’on doit faire, c’est pouvoir avoir un dashboard sur les mesures et la manière dont elles évoluent. Vous serez d’accord avec moi, la sécurité est un droit fondamental. Les Bruxellois y ont droit aussi.
De veroordeling van Ronse i.v.m. de toepassing van de faciliteiten voor Franstaligen
De vraag aan Dilbeekse handelaars om in het Nederlands te communiceren met hun klanten
Het Nederlands in Dilbeek
De faciliteiten in Ronse
De problematiek van de faciliteitengemeenten
Het gebruik der talen en de taalfaciliteiten
De taalfaciliteiten in Ronse
Taalproblematiek en faciliteiten in Nederlandstalige gemeenten
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 8 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om taalconflicten in Vlaamse rand- en faciliteitengemeenten, met name Dilbeek (waarin de N-VA-burgemeester commercianten "verplicht" Nederlands te spreken, wat ingaat tegen art. 30 Grondwet over vrije taalkeuze in privécontext) en Ronse (waar dwangsommen werden opgelegd voor niet-naleving van taalfaciliteiten). Hoofdstandpunten: De Smet (DéFI) en Aouasti (PS) benadrukken dat taalvrijheid in handel constitutioneel is en dat faciliteiten geen privileges maar rechten zijn, terwijl N-VA (Bergers, Pas) pleit voor afschaffing van het "verouderde" faciliteitenstatuut, dat gemeenten financieel en administratief belast. Minister Quintin (MR) herhaalt enkel dat de wet gerespecteerd moet worden, zonder concrete oplossingen voor compensatie of handhaving. Kern: Politieke polarisatie tussen behoud van taalfaciliteiten (francofonen) en hun afschaffing (Vlaams-nationalisten), met Ronse als symbool van de juridische en financiële gevolgen.
Voorzitter:
M. Somers étant absent, la parole est à M. De Smet.
François De Smet:
Monsieur le ministre, moi, je voulais simplement vous parler de Dilbeek, charmante commune de la périphérie "waar iedereen thuis is". Et je me permets de vous interpeller sur cette idée qu'a eue le bourgmestre N-VA à propos de l'imposition du néerlandais dans les rapports entre les commerçants établis dans cette commune et leur clientèle, puisque le bourgmestre fait le tour des commerces et des entreprises pour leur remettre un courrier en main propre et leur expliquer que, désormais, ils doivent parler néerlandais avec leurs clients.
Alors, qu'il n'y ait pas de malentendu: bien sûr que les commerçants en Flandre puissent s'exprimer en néerlandais envers leur clientèle, c'est très bien et c'est la moindre des choses. Mais, pour rappel, un mandataire public ne peut imposer l'usage exclusif du néerlandais pour des commerçants quand ils veulent servir une clientèle francophone, anglophone ou autre. Dans ce pays, l'emploi des langues dans les commerces est libre.
Je me doute que vous allez peut-être vous déclarer incompétent pour vous prononcer sur cette affaire, parce que cela relève matériellement de la compétence de votre homologue flamande chargée des pouvoirs locaux. Néanmoins, sur le plan institutionnel, vous disposez d'une compétence générale de surveillance de l'application des lois linguistiques et de respect de la liberté d'emploi des langues, consacrée par l'article 30 de notre Constitution.
En effet, pareille mesure, formalisée ou non, est anticonstitutionnelle. Les commerçants sont libres d'utiliser la langue qu'ils souhaitent quand ils s'adressent à leurs clients, et ce, en conformité avec l'article 30 de la Constitution qui consacre la liberté du choix des langues, sauf pour les actes de l'autorité publique et pour les affaires judiciaires, qui ne peuvent être réglées que par la loi.
Monsieur le ministre, que pensez-vous de cette situation? Entendez-vous, à titre conservatoire, vous adresser à votre homologue du gouvernement flamand afin qu'il rappelle à cet élu le respect de la Constitution et de la liberté linguistique en matière commerciale? Et pourriez-vous, au passage, informer le nouveau parti frère du MR, la N-VA, qu'en Belgique en matière commerciale et privée l'emploi des langues est libre?
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, ik wil eerst iets aanstippen, waarover ik u ook persoonlijk al heb aangesproken en waarop u hebt geantwoord dat u er niets aan kunt doen. Ik vind het namelijk een blamage voor dit Parlement dat een debat over een situatie in Dilbeek wordt ondergebracht in een debat over taalfaciliteiten. In Dilbeek zijn er geen taalfaciliteiten. Dilbeek ligt op eentalig Nederlandstalig grondgebied. Een discussie over Dilbeek is terecht, maar hoort niet thuis in dit actuadebat.
Dat gezegd zijnde, is onze partijgenoot Stijn Quaghebeur recent burgemeester geworden van Dilbeek, waar Vlamingen thuis zijn. Hij bewijst meteen dat hij uit het juiste hout gesneden is, want hij staat met de voeten in het veld en gaat langs bij handelaars om persoonlijk een brief af te geven en om in gesprek te gaan. Hij wijst hen erop dat Dilbeek een Nederlandstalig karakter heeft en dat de bevolking verwacht dat er in de gemeente Nederlands wordt gesproken.
Het hoeft natuurlijk niet te verbazen dat zo'n politiek van dialoog een zure oprisping veroorzaakt bij de heer François De Smet van DéFI. Zijn uitlatingen zijn echter onwaar. Er is totaal geen inbreuk op de taalwetgeving in Dilbeek. Het enige wat Stijn Quaghebeur, de uitstekende burgemeester van Dilbeek, doet, is erop wijzen dat de bevolking in zijn gemeente verwacht dat er Nederlands wordt gesproken. Dat is goed beleid, waarvoor burgemeesters zoals Kurt Ryon, die in Steenokkerzeel exact hetzelfde doet, beloond worden met absolute meerderheden. Het is dus zeer goed dat dat beleid ook in Dilbeek wordt gevoerd.
Ik heb één vraag voor u, mijnheer de minister. Wordt volgens u in Dilbeek de taalwetgeving overtreden?
Mijn volgende vraag gaat over Ronse, dat wél een faciliteitengemeente is. Er is dramatisch nieuws voor de rechtszekerheid in dit land: de rechtbank in Oudenaarde heeft Ronse dwangsommen opgelegd, omdat het zich niet zou houden aan de taalregels die door de taalfaciliteiten worden vastgelegd.
Mijnheer de minister, mijnheer de voorzitter, collega’s, als er in Ronse overtredingen van de taalwetgeving worden vastgesteld waarvoor dwangsommen moeten worden opgelegd, dan zullen snel heel wat dwangsommen worden opgelegd in Brussel. Ik ben gaan kijken in Franstalige faciliteitengemeenten, waar de overtredingen veel flagranter en omvangrijker zijn. We evolueren naar een situatie waarin elke faciliteitengemeente dwangsommen worden opgelegd, omdat ze zich niet houdt aan een taalwetgeving die compleet onlogisch is en die een gigantische administratieve en financiële last met zich brengt.
De taalfaciliteitenregeling is overigens verouderd. Ze was immers bedoeld om mensen de mogelijkheid te geven zich te integreren in het nieuwe taalgebied: het Duitstalige, het Franstalige of het Nederlandstalige taalgebied. Als ze dat in 62 jaar tijd nog niet gedaan hebben, dan denk ik dat het nu ook niet meer zal gebeuren.
Ik ben ook schepen van Financiën in een gemeente die gelukkig geen faciliteitengemeente is. Ik zie wat er vandaag op gemeenten afkomt en het wordt nu al zeer moeilijk, bijna ondraaglijk. Als men daar dan nog eens de complexe, rechtsonzekere en enorm dure maatregelen voor faciliteitengemeenten aan toevoegt en daarbovenop nog dwangsommen oplegt, dan maakt men eigenlijk alle faciliteitengemeenten in ons land gewoon failliet. Ronse maakt dat nu mee, maar alle andere gemeenten zullen dat ook nog meemaken.
Daarom doe ik een warme oproep om samen de loopgraven van het verleden te verlaten en eindelijk, zowel in Franstalig België als in Nederlandstalig België, de faciliteitengemeenten gewoon af te schaffen. Laten we ervoor zorgen dat die gemeenten niet failliet gaan door achterhaalde regels uit het verleden, die we in het Parlement gewoon moeten afschaffen.
Barbara Pas:
Mijnheer de minister, diverse faciliteitengemeenten hebben de voorbije weken aan de alarmbel getrokken, omdat het faciliteitenstatuut, dat hun eigenlijk door de federale overheid is opgedrongen, het hen heel wat moeilijker maakt en hen met tal van problemen opzadelt. Ze hebben daardoor extra financiële uitgaven en beperkingen. Zo kunnen ze bijvoorbeeld niet fuseren om een grotere bestuurskracht te verkrijgen. Ze hebben ook moeilijkheden om geschikt tweetalig personeel te vinden. Noem maar op.
Die klachten komen vanuit de Vlaamse taalgrensgemeenten, maar ik kan mij inbeelden dat ook de Waalse en de Duitstalige taalgrensgemeenten daar de gevolgen van ondervinden.
In dat kader hebben zes Vlaamse faciliteitengemeenten onlangs een brief gestuurd, om die situatie aan te klagen. In dat verband heeft de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, mevrouw Crevits, onlangs met u een gesprek gevoerd. Daarover stelde zij in het Vlaams Parlement dat u zich bereid hebt verklaard om dat te bekijken. Zij suggereert een federaal gecoördineerd initiatief met het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap om dit probleem te bekijken.
Ik heb hierover onlangs ook de premier ondervraagd, over de dwangsommen die aan Ronse worden opgelegd en meer bepaald over het feit dat het de federale overheid is die het faciliteitenstatuut oplegt, terwijl het de gemeenten en in bijkomende orde de gewesten zijn die de lasten, onder meer de financiële lasten, moeten dragen. De premier erkent die incongruentie, volgens hem moet dat allemaal worden opgelost, maar uit zijn antwoord bleek duidelijk dat hij daaraan zelf geen fluit zal doen. Daarom heb ik mijn hoop op u gesteld.
Hoe reageert u op de brief van de zes burgemeesters? Welk gevolg hebt u gegeven aan het gesprek met minister Crevits? Wat mogen we daarvan verwachten?
Komt er overleg met het Waalse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap over dit probleem?
Gaat u voor de enige logische oplossing, namelijk de afschaffing van de faciliteiten? Of mogen we in afwachting verwachten dat u een inspanning zult leveren met betrekking tot de extra kosten voor die gemeenten, aangezien het de federale overheid is die hen met die bijkomende lasten opzadelt?
Khalil Aouasti:
Monsieur le ministre, je pense qu'il ne faut pas se tromper de débat. Ce n'est pas une atteinte aux lois linguistiques mais une atteinte à la Constitution qui est portée par le bourgmestre de Dilbeek, parce que l'article 30 de la Constitution garantit l'usage libre des langues, sauf dans les affaires judiciaires et dans ses relations à l'autorité publique. Dès lors, tout le reste est régi par un régime strict de liberté par la Constitution. En conséquence, dire le contraire, c'est faire en sorte qu'un bourgmestre est hors-la-loi et hors champ de la Constitution.
Pour réglementer l'usage des langues, je rappelle qu'il y a eu la loi sur les frontières linguistiques de 1962, qui a donné naissance au concept de communes dites "à facilités" en Flandre et en Wallonie. Je passe la question de Bruxelles, dont nous sommes fiers du bilinguisme et où nous sommes fiers de pouvoir accueillir tous nos concitoyens en français, en néerlandais – mais pas seulement, puisque nous ne faisons pas de barrière d'usage des langues. D'ailleurs, toutes celles et tous ceux qui contestent la possibilité de s'exprimer dans une autre langue que le néerlandais dans un commerce de Flandre, je les invite, lorsqu'ils seront en visite à Marrakech, à parler en arabe avec les commerçants afin d'être cohérents dans leur attitude.
Monsieur le ministre, force est de constater que dans les communes flamandes à facilités, de nombreuses pressions sont exercées sur les francophones. La situation devient invivable, que ce soit pour l'obtention de documents dans leur langue ou l'affichage bilingue dans l'espace public. Certes, ce débat n'est pas neuf, mais il tend à s'intensifier.
En juin dernier, le tribunal de première instance d'Audenarde – qui, je le rappelle, n'est pas francophone – a suivi l'arrêt de la Cour constitutionnelle et a condamné la ville de Renaix à rétablir le bilinguisme dans ses communications officielles. À Dilbeek, je vous le disais, contrairement à la Constitution, on essaye même d'atteindre à la liberté linguistique dans le champ particulier.
Monsieur le ministre, étant donné que vous êtes à la tête du SPF Intérieur, quelles initiatives allez-vous prendre pour faire respecter partout dans ce pays la liberté linguistique garantie par la Constitution et les dispositions de la loi sur la frontière linguistique? Une communication vis-à-vis des bourgmestres concernés est-elle prévue?
Enfin, votre collègue chargé de la Défense ambitionne d'envoyer un courrier officiel à tous les jeunes pour les inciter à rejoindre la Défense. Dans quelle langue ledit courrier sera-t-il envoyé aux jeunes résidant dans nos communes à facilités?
Robin Tonniau:
Mijnheer de minister, ik kom uit Ronse en het is aangenaam voor mij om eens iets te kunnen vertellen over mijn stad. Ronse is een diep in de Vlaamse Ardennen verscholen stadje, pal op de taalgrens. Het is een kleine stad, maar ze is groot in diversiteit, want iedereen is er welkom. Ik woon er heel graag. Er leven sterke lokale tradities, er zijn gezellige cafés, een mooie basiliek, de bossen van de Hotond, goede bakkers en vooral supergoede frituren.
In die frituren, winkels en cafés hoort men twee talen. Bonjour is in Ronse evenveel waard als goeiedag. Frans of Vlaams, dat maakt voor ons eigenlijk niet uit. Men woont, werkt en leeft samen. Het sociale leven speelt zich samen af: op, boven en onder die taalgrens. Op sommige dagen steek ik wel vijf keer de taalgrens over om boodschappen te doen, familie te bezoeken of te gaan fietsen. Het lokale dialect, het Ronsisch, bevat heel wat Franse woorden. Dat is altijd zo geweest. Er was een tijd dat Ronse Franstalig was. Vandaag is het een Vlaamse stad met faciliteiten voor Franstalige Vlamingen. Die rechten zijn wettelijk vastgelegd.
Het is echter ook de plicht van het stadsbestuur die wetten te doen respecteren en toe te passen. Dat is vandaag perfect haalbaar, zeker met vertaalsoftware, artificiële intelligentie en digitale dienstverlening. Het is dus eenvoudiger dan ooit om de taalfaciliteiten correct toe te passen. Eén ding verandert niet en zal ook nooit veranderen, namelijk de kostprijs. Het naleven van de taalfaciliteiten brengt voor onze lokale overheid bijkomende kosten met zich mee. Er bestaat een compensatie van de Vlaamse overheid voor faciliteitengemeenten in Vlaanderen, maar die geldt alleen voor gemeenten met minder dan 3.000 inwoners, waardoor Ronse opnieuw uit de boot valt. Zo kreeg Spiere-Helkijn 351.000 euro extra – dat is 171 euro per inwoner – om de taalfaciliteiten te kunnen toepassen.
Als Ronse dezelfde steun zou krijgen van de Vlaamse overheid, dan zouden we elk jaar 4,6 miljoen euro extra krijgen om die wettelijk verplichting te vervullen. Vandaag krijgen wij echter niets van de Vlaamse regering, niets voor een stad die tot de armste van Vlaanderen behoort.
Ondertussen blijven de federale en Vlaamse regeringen facturen doorschuiven naar ons lokaal bestuur. Daarbovenop komen de extra besparingen in de zorg, de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en de stijgende pensioenlasten waarvoor we zelf moeten opdraaien.
Voorzitter:
Mijnheer Tonniau, wilt u tot uw vraag komen? U hebt uw spreektijd al met meer dan een minuut overschreden.
Robin Tonniau:
Ja, dat komt misschien omdat u mij onderbrak, maar goed.
Daarbovenop moeten we dus opdraaien voor die kosten. Mijnheer de minister, wat is uw reactie op de uitspraken van de cd&v-burgemeester van Ronse, die zegt dat u uw boerenverstand moet gebruiken? Zal deze regering eindelijk een financiële compensatie voorzien voor faciliteitengemeenten in België, zoals Ronse, zodat we de rechten van Franstalige Vlamingen en Nederlandstalige Walen kunnen garanderen?
Voorzitter:
Ik wil u de suggestie meegeven om volgende keer een interpellatie in te dienen. Dan hebt u wat meer spreektijd.
Zijn er nog fracties die willen aansluiten? (Nee)
Bernard Quintin:
Monsieur le président, je voudrais rattraper le petit retard.
Beste Kamerleden, mesdames et messieurs les députés, ik dank u voor deze samengevoegde vragen.
Comme j’ai déjà eu l’occasion de le dire et de l’expliquer dans mes réponses à des questions précédentes concernant la législation relative à l’emploi des langues dans les affaires administratives, je me permets de souligner une fois encore que j’attache une grande importance au strict respect de la législation par tous les services publics auxquels elle s’applique.
Ik geef geen commentaar en zeker niet mijn mening over rechterlijk beslissingen. De Grondwet is bindend voor iedereen. De wet is de wet, zoals ik vorige week al, weliswaar in een andere contex, heb aangegeven. Dat geldt voor iedereen, inclusief alle burgemeesters.
Je ne vais pas envoyer de lettre, monsieur Aouasti. La lettre de la loi et de la Constitution est suffisante: "Nul n'est censé ignorer la loi." Cela doit s'appliquer à nos édiles; en tout cas, je me l'applique à moi-même.
En revanche, s'agissant de votre question pertinente relativement à l'emploi des langues dans les lettres qui seront envoyées, je vous propose de la poser au ministre compétent. Je vous remercie de votre attention.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie.
Nous vous avons connu plus engagé dans vos réponses… Je crois que vous n'allez satisfaire personne, sauf quant au rappel de la loi. Qui peut vous donner tort? Le seul problème, et vous le voyez bien, est que tout le monde n'en a pas la même interprétation.
Je vais rebondir sur votre conclusion. Oui, la loi et la Constitution doivent être respectées: à Dilbeek, à Renaix et partout sur le territoire. La loi énonce que l'emploi des langues dans les commerces est libre et qu'un bourgmestre qui intimide les commerçants en faisant croire le contraire sort de son rôle. La loi édicte que les facilités doivent être respectées en Flandre, en Wallonie, en Communauté germanophone – partout! –, non pas parce qu'elles seraient temporaires (argumentaire que l'on entend souvent, mais qui ne résiste pas à l'analyse du droit et du passé, parce que l'on ne coule pas des dispositions temporaires dans une loi spéciale). Les facilités existent parce que c'est le prix d'un équilibre servant à assurer une paix communautaire entre francophones et néerlandophones. Vouloir rediscuter des facilités, comme certains essaient d'en instiller la petite musique, revient à vouloir rediscuter de tout ce qui compose cet équilibre, à commencer par les frontières linguistiques. Donc, je pense que les uns et les autres doivent faire attention.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, ik hoor hier veel onzin. Als ik collega’s hoor zou zeggen dat de taalwetgeving in Dilbeek wordt overtreden, dan stel ik voor dat die collega's de taalwetgeving een keer lezen. Dat kan nuttig zijn. Ik stel voor dat zij wijzen op de bepaling in onze wetten die een burgemeester verbiedt om in dialoog met zijn inwoners te gaan. Ik ken die bepaling niet. Ik heb redelijk uitgebreid onderzoek naar de taalwetgeving gedaan tijdens mijn universitaire studies, maar ik ken die regel in ieder geval niet. Het is een praktijk die in zowat elke gemeente in de Vlaamse Rand wordt toegepast. In Vilvoorde zijn we trouwens heel trots dat we in ons bestuursakkoord hebben geschreven dat we daar ook mee gaan beginnen.
Als het dan over Ronse gaat, wordt er heel veel op flessen getrokken. De PVDA is bezig met frituren. Ik ben bezig met de betaalbaarheid en ervoor zorgen dat in Ronse goed bestuur mogelijk is. Voor faciliteitengemeenten is het een realiteit dat de inwoners ervan meer belastingen betalen voor minder dienstverlening. Dat probleem zou iedereen moeten aanbelangen.
Het punt dat ik probeer te maken, is dat de rechtbank van Oudenaarde een precedent heeft geschapen in Ronse, gebaseerd op een advies van het Grondwettelijk Hof, waardoor het wel degelijk een redelijk grote precedentwaarde heeft. Als we dat precedent in de andere faciliteitengemeenten of in Brussel toepassen, waar ook redelijk wat taalwetgeving bestaat, dan worden de problemen in die gemeenten nog veel groter.
Mijnheer de minister, ik begrijp dat u geen uitspraak over rechterlijke beslissingen wilt doen, maar ik hoop dat u de rechterlijke beslissingen wel grondig zult analyseren en dat u na die analyse gaat spreken met uw MR-burgemeester in Vloesberg of met uw burgemeesters in Brussel, die met veel grotere dwangsommen zullen worden geconfronteerd als die rechtspraak zich doorzet.
Ik denk dat het belangrijk is dat er een grondige analyse gebeurt en dat we de loopgraven van het verleden dan echt verlaten, dat we ervoor zorgen dat in faciliteitengemeenten, ook in Brussel, een goed bestuur mogelijk is en dat we die faciliteitengemeenten afschaffen die het aangaan van intergemeentelijke samenwerkingen met het oog op een kwalitatieve dienstverlening verhinderen.
Barbara Pas:
Collega Bergers, ik wil u niet ontgoochelen, ik ben het volledig met u eens dat het hoog tijd is om dat verderfelijk faciliteitenstatuut af te schaffen. Als uw eigen premier echter al zegt dat hij dat niet zal doen omdat het niet in het regeerakkoord staat, en aangezien ik evenmin heb gehoord dat onze minister van Binnenlandse Zaken daar werk van zal maken, dan vrees ik dat dat niet het geval zal zijn.
Mijnheer de minister, het is het ene of het andere. Als u het statuut niet afschaft, moet u er consequent voor zorgen dat het in elke faciliteitengemeente correct wordt toegepast. Dat gebeurt niet in elke Waalse gemeente. Het is geen eerlijke situatie dat men alleen in Ronse te maken krijgt met dwangsommen en niet in faciliteitengemeenten waar men de wetgeving niet toepast. Dus ofwel schaft u die slechte wetgeving af, ofwel zorgt u ervoor dat die overal wordt toegepast, want wetgeving is wetgeving.
Collega Tonniau, ik ben blij met uw goede bakker en met uw goede frituur in Ronse, maar dat doet natuurlijk helemaal niets ter zake. Feit is dat die faciliteitenregeling enorme nadelen meebrengt voor de stad. Daarmee doel ik niet alleen op de kosten, in het algemeen is de werking moeilijk, vooral voor de OCMW’s, die tweetalige personeelsleden dienen te vinden. Daarnaast kunnen faciliteitengemeenten niet fusioneren. Er zijn heel veel negatieve gevolgen aan verbonden, die u helaas niet oplost met extra centen van het federaal niveau, want die middelen zijn misschien een doekje voor het bloeden voor de extra kosten die het federaal niveau met dat faciliteitenstatuut oplegt, maar het biedt geen duurzame oplossing.
De faciliteiten moeten worden afgeschaft. Daarover zijn meerdere collega’s het eens. Helaas toont deze regering daartoe geen enkele daadkracht.
Khalil Aouasti:
Monsieur le ministre, en réalité, ce qui est assez fabuleux, c’est qu’on se retrouve face à une administration communale à Renaix qui méconnaît les lois linguistiques et la Constitution. On se retrouve face à un bourgmestre à Dilbeek qui méconnaît et qui viole même la Constitution. Mais le procès que l'on fait, c'est le procès des lois linguistiques et des facilités linguistiques.
Quand des personnes qui représentent l'autorité publique, qui sont censées l'incarner, avoir un devoir d'exemplarité vis-à-vis de leur population et indiquer quelles sont les normes à suivre, sont les premières – à savoir les bourgmestres de Renaix et de Dilbeek – à ne pas respecter cela, comment voulez-vous qu'elles soient crédibles dans cette autorité-là?
Les facilités linguistiques ne sont pas temporaires. Il s'agit finalement d'une réalité et d'un droit pour les populations francophones qui s’y trouvent, comme pour les populations néerlandophones qui résident dans des communes francophones avec facilités linguistiques. Je vois rarement les communes wallonnes qui ont des facilités linguistiques se plaindre. Je pense qu'il y a un autre ressort que la question finalement du simple coût ou de la simple nécessité de devoir engager du personnel supplémentaire.
Vous savez, contrairement à vous, …
Jeroen Bergers:
(…)
Khalil Aouasti:
Je ne vous ai pas interrompu! Contrairement à vous, j'ai été échevin dans une commune bruxelloise. Et c'était un honneur pour nous d'accueillir tout le monde à tous les guichets en néerlandais, en français et parfois dans d'autres langues lorsque cela s'avérait nécessaire. Et on n'a pas considéré que c'était un coût. C'était un service qu'on rendait à notre population, parce que chaque concitoyen, chacun qui paie ses impôts, construit en réalité la maison communale qui est la sienne par ses impôts et par sa contribution.
Ces facilités linguistiques, ce n'est pas un privilège; c’est un droit! Vous souhaitez les supprimer, nous serons là face à vous et j'ose espérer que nous aurons aussi le ministre face à vous dans le gouvernement pour indiquer qu'il y a suffisamment d'iniquité que pour commencer par autre chose que par les facilités linguistiques qui est un symbole nationaliste.
Monsieur le ministre, je vous remercie simplement d'assurer le respect de l'article 30 de la Constitution depuis votre fonction et je poserai la question à votre collègue de la Défense, même si vous n'êtes pas totalement exempt de ce dossier, puisque à travers le Registre national et à travers la manière dont le Registre national interviendra, vous aurez, vous aussi, à apprécier finalement la langue de destination et de rédaction.
Robin Tonniau:
Mijnheer de minister, uw antwoord was heel kort. U hebt gezegd dat de wet gerespecteerd moet worden, ook door burgemeesters. Dat is evident. U hebt echter niets gezegd over een mogelijkheid tot compensatie. Onze stad Ronse verdient beter en wil boter bij de vis. Het is een fout van de wetgever dat als een stad verplicht wordt om faciliteiten toe te passen voor Franstaligen, daarvoor niets extra wordt voorzien.
Die uitspraak is er. Onze stad is veroordeeld voor het niet toepassen van de faciliteiten. Die burgers zijn niet van de ene dag op de andere naar de rechtbank getrokken. Zij vragen al jaren om inspraak en kloppen al jaren op de deur van onze burgemeester met de vraag om naar hen te luisteren. Zij zeggen dat het stadsbestuur in fout is en vragen om aanpassingen
Sinds de N-VA deelneemt aan het bestuur, is het bestuur de Franstaligen beginnen te pesten. We hadden een N-VA-schepen, de heer Vandevelde, die op het naambord de letters CPAS boven OCMW afkrabde. De Franstalige communicatie verdwijnt. Gisteren was er een ernstig gaslek in onze stad, waarna men de bewoners waarschuwde welke huizen moesten worden ontruimd. Die communicatie verliep enkel in het Nederlands. Mensen vinden dat lastig. De Franstaligen hebben eveneens het recht om te worden geïnformeerd, zeker als het gaat over veiligheidskwesties.
Ook het fuseren is ter sprake gekomen. Een fusie kan perfect. Faciliteitengemeenten in België kunnen fuseren. Onze stad was bezig met een politiefusie, maar heeft dat proces stopgezet. Een van de redenen is dat de politieagenten hun taalpremie willen behouden. Dat is een interne kwestie. Het is moeilijker om personeel te vinden, dus de personeelsleden krijgen een extra taalpremie. Die personeelsleden hebben zich verzet, waarop de burgemeester de stekker uit de politiefusie trekt. Men kan perfect fuseren, maar Kluisbergen en Maarkedal willen niet. Met wie moeten we dan fuseren? Met een gemeente van over de taalgrens, een gemeente uit Henegouwen?
Voorzitter:
Zijn er collega’s die zich bij dit actualiteitsdebat willen aansluiten? ( Neen )
Het vervolg van het EU-Mercosur-handelsakkoord
Mercosur
Het EU-Mercosur-handelsakkoord
EU-Mercosur-handelsakkoord en vervolgonderhandelingen
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 8 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het EU-Mercosur-akkoord baart zorgen bij Belgische landbouwers door oneerlijke concurrentie met lagere productienormen in Mercosurlanden, ondanks EU-beloftes over exportkansen en "clauses miroirs" (gelijkgetrokken normen voor pesticiden/dierenwelzijn), die nog onzeker zijn. België zal waarschijnlijk zich onthouden bij de stemming door uiteenlopende regionale standpunten (Wallonië tegen, Vlaanderen voor), tenzij er extra waarborgen komen voor gevoelige sectoren zoals aardappelen, melk en peren. De EU voorziet beschermingsmaatregelen (vrijwaringsclausules, €1 miljard compensatiefonds) en benadrukt diversificatie van handelspartners, maar kritiek blijft op gebrek aan klimaat- en arbeidsnormen. Minister Clarinval bevestigt de nood aan wederkerigheid maar wacht op verdere analyse en regionale coördinatie voor een definitieve positie.
François De Smet:
Monsieur le ministre, neuf mois après la conclusion des négociations à Montevideo entre l’Union européenne et les pays du Mercosur, la Commission a tout récemment présenté l’accord EU-Mercosur Partnership Agreement (EMPA) aux législateurs européens, en vue de sa conclusion et de sa signature. Elle a également soumis un accord intérimaire destiné à permettre de faire appliquer les parties de l'accord relevant de la compétence exclusive de l’Union européenne.
Nous savons toutes et tous que cet accord suscite de nombreuses craintes parmi nos agriculteurs. La Commission se veut rassurante. Elle souligne, d’une part, que l’accord devrait augmenter de 50 % les exportations agroalimentaires européennes vers cette région et, d’autre part, que l’accord conclu avec le Mexique devrait notamment lever les barrières aux exportations européennes de produits agroalimentaires vers ce pays, importateur net de nourriture.
La Commission évoque la possibilité d’instaurer des clauses miroirs, via un alignement potentiel des standards de production sur les pesticides et le bien-être animal, applicables aux produits importés.
Pour que le volet commercial puisse entrer en vigueur, l'accord devra recueillir une majorité pondérée des votes des États membres.
En ce qui concerne notre pays, le niveau fédéral se prononcera en fonction de la position des gouvernements régionaux. La ministre wallonne de l’Agriculture a annoncé publiquement une abstention pour la Belgique, en raison d’un vote négatif de la part de la Wallonie. Par contre, nous pouvons supposer que la Flandre y serait favorable.
Monsieur le ministre, confirmez-vous le principe des clauses miroirs dans ce dossier Mercosur? Quel est le calendrier au niveau des prises de décision des entités fédérées et fédérales dans le cadre de cet accord? Nos agriculteurs peuvent-ils être rassurés par cette vision de la Commission? L'êtes-vous vous-même? Dans le contexte géopolitique actuel, considérez-vous que la Belgique doit accentuer la dimension géostratégique depuis les accords douaniers et participer au sein de l’Union Européenne à des partenariats alternatifs? Je songe notamment au Canada, à l’Australie, à l’Inde, à l’Asie du Sud-Est mais aussi à l’Amérique latine.
Dieter Keuten:
Mijnheer de minister, in de handelsovereenkomst tussen de EU en de Mercosurlanden, die nog dit jaar zou kunnen worden geratificeerd, worden wederzijdse invoertarieven geleidelijk aan afgeschaft en voor sommige producten gelden er quota. Met die deal dreigt er oneerlijke concurrentie te ontstaan tussen enerzijds Belgische boeren die werken volgens zeer strikte Europese normen op het gebied van voedselveiligheid, dierenwelzijn en milieu, en anderzijds de boeren uit de Mercosurlanden, die goedkoper kunnen produceren omdat in de Mercosurlanden veel minder strenge normen gelden.
De Europese Commissie stelt dat de producten uit de Mercosurlanden zullen moeten voldoen aan dezelfde Europese eisen voor voedingsproducten, maar het is nog onduidelijk hoe die voorwaarden zullen worden gehandhaafd.
Mijnheer de minister, hoe rijmt u dat akkoord met het regeerakkoord, waarin de landbouwsector wordt aangeduid als een strategische sector die de voedselzekerheid moet waarborgen?
Kunt u toelichten welke beschermingsmaatregelen in werking treden als de invoer van sommige landbouwproducten bepaalde drempels overschrijdt?
Op welke compensaties zullen onze boeren kunnen rekenen?
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre,
Le 3 septembre dernier, la Commission européenne a validé le projet d'accord de libre-échange entre l'Union européenne et les pays du Mercosur. Ce texte, qui suscite de vives inquiétudes dans plusieurs États membres, sera prochainement soumis à l'approbation des 27 gouvernements nationaux.
En Belgique, la société civile, les syndicats, les organisations environnementales mais aussi une large partie du monde agricole ont exprimé leur opposition à cet accord, dénonçant ses conséquences potentielles sur l'environnement, la santé publique, les droits sociaux et l'agriculture locale.
Le Parti Socialiste a toujours affirmé son opposition à cet accord en l'état, en raison notamment : de l'absence de garanties contraignantes en matière de respect des Accords de Paris sur le climat ; du non-respect des normes fondamentales de l'Organisation Internationale du Travail ; du risque d'importation de produits agricoles cultivés avec des substances interdites dans l'UE ; de la menace que représente cet accord pour les exploitations agricoles belges, en particulier wallonnes, soumises à une concurrence déloyale.
Nous nous opposons également à toute tentative de scission du volet commercial de l'accord d'association initial, qui aurait pour effet de contourner l'exigence d'unanimité au Conseil européen et d'écarter les parlements nationaux et régionaux du processus de ratification.
Dans ce contexte, pouvez-vous nous préciser :
-Quelle est la position officielle du gouvernement belge concernant l'accord UE-Mercosur?
-La Belgique compte-t-elle maintenir une abstention ou s'opposer formellement à cet accord lors du vote au Conseil?
-Quelles garanties le gouvernement belge exige-t-il pour protéger le secteur agricole, la santé publique et les normes environnementales?
-Le gouvernement s'engage-t-il à respecter le droit des parlements régionaux, notamment celui de Wallonie, à se prononcer sur cet accord?
David Clarinval:
Mijnheer de voorzitter, zoals aangegeven in de mededeling van de Europese Commissie, getiteld 'Een visie voor landbouw en voeding', streeft de Europese Unie naar eerlijkere concurrentievoorwaarden op mondiaal niveau op het gebied van landbouw.
Om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de landbouwsector over zijn concurrentiepositie, heeft de Europese Commissie aangegeven dat zij zich in overeenstemming met de internationale regels zal inspannen om de productienormen voor geïmporteerde producten beter op elkaar af te stemmen.
De kalender voor de besluitvorming op Belgisch niveau hangt af van het tijdschema dat op Europees niveau en in het bijzonder door het Deens Voorzitterschap van de Europese Raad zal worden gevolgd.
Op basis van de analyse van mijn administratie kan die overeenkomst risico’s inhouden voor de concurrentiepositie van bepaalde takken van onze Belgische landbouwsector. Dat risico zou echter moeten worden getemperd door de lage invoerquota die gelden voor landbouwproducten uit de Mercosurlanden op de Europese markt.
Bovendien werkt de Europese Commissie momenteel aan de operationalisering van maatregelen om gevoelige landbouwsectoren snel en doeltreffend te beschermen tegen buitensporige druk vanuit de markten van de Mercosurlanden. Er wordt bijvoorbeeld voorzien in een vrijwaringsclausule om de landbouwers in de Europese Unie te beschermen in geval van een plotse toename van de invoer of een marktverstoring. Die vrijwaringsclausule is zelfs van toepassing op producten waarvoor contingenten gelden. Bovendien gelden strikte duurzaamheidsverplichtingen in gelijke mate voor producenten aan beide zijden.
J'ajoute que j'ai lu tout à l'heure un communiqué de presse de la Commission européenne qui annonçait les "clausules". Je n'ai donc évidemment pas encore eu le temps d'en prendre connaissance.
En outre, la proposition de la Commission européenne prévoit un fonds de compensation d'un milliard d'euros pour les secteurs les plus sensibles, mais cet accord offre également des possibilités, notamment pour les produits à base de pommes de terre, les produits laitiers et les poires. Dès lors, il est clair que l'accord avec le Mercosur offre indubitablement des possibilités, mais nous ne devons pas oublier les préoccupations d'une partie du secteur agricole.
Le respect des normes sanitaires, phytosanitaires et de production est essentiel, et nous ne pouvons en aucun cas accepter une concurrence déloyale qui affaiblirait notre secteur agricole belge. Il importe, dès lors, de prendre des mesures de réciprocité et de les respecter. Dans le cas contraire, l'autonomie stratégique de notre secteur agricole serait compromise, de sorte que vous comprenez que je vais analyser avec beaucoup d'intérêt ces toutes nouvelles mesures.
Par ailleurs, dans le contexte commercial international complexe actuel, la diversification de nos chaînes d'approvisionnement et de notre clientèle est essentielle. Cette diversification dépend de partenariats efficaces qui ont pour vocation de soutenir la croissance économique et de stimuler la compétitivité. Le réseau d'accords de libre-échange de l'Union comprend actuellement 76 pays et représente près de la moitié du commerce de l'Union européenne. Afin de diversifier davantage nos marchés d'exportation et de renforcer nos chaînes d'approvisionnement, la Commission européenne propose une nouvelle série de partenariats et négocie actuellement de nouveaux accords commerciaux.
Pour répondre à la question plus précise de M. Prévot, l'évolution géopolitique actuelle a rendu nécessaires une diversification de nos relations commerciales et un renforcement des échanges avec de nouveaux partenaires. L'accord conclu entre Mme von der Leyen et le Mercosur à Montevideo en décembre 2024 s'inscrit dans cette optique d'ouverture à d'autres économies. À ce stade, la position belge n'est pas encore définie. Comme pour chaque accord commercial, la position finale belge sur l'accord entre l'Union européenne et le Mercosur sera prise à l'issue de ce processus d'évaluation et en coordination avec l'ensemble des autorités politiques impliquées, conformément à notre système institutionnel.
J'en viens à l'autre question de M. Prévot. Comme indiqué précédemment, la position officielle belge n'est pas encore définie étant donné les vues a priori divergentes sur les sujets par les différentes Régions du pays. La Belgique pourrait donc s'abstenir lors du vote au Conseil vu ces positions divergentes des Régions.
"Quelles garanties le gouvernement belge exige-t-il?", me demande M. Prévot. L’accord avec le Mercosur offre certes des opportunités mais il y a les préoccupations d'une partie du secteur agricole qu'on ne peut pas oublier. Le respect des normes sanitaires, phytosanitaires et des normes de production est essentiel. On ne peut en aucun cas accepter une concurrence déloyale qui fragiliserait notre secteur agricole belge. Il est donc important de mettre en place des mesures miroirs.
À la dernière question qui m'est posée, je répondrai que la position belge sera arrêtée lors d'une réunion de la DGE, à laquelle l'ensemble des niveaux de pouvoir participera. Si aucune position commune ne peut être dégagée, la Belgique devra donc mécaniquement s'abstenir.
François De Smet:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. J'en retiens deux choses.
D'abord, vous êtes personnellement très favorable aux clauses miroirs et vous allez regarder ce qu’il est encore possible de faire pour pouvoir les obtenir. Mais elles sont quand même très incertaines à ce stade.
Ensuite, je pense qu'on s'achemine vers une abstention de la Belgique, comme c'est souvent le cas dès qu'au moins deux Régions sont en désaccord. Une abstention est parfois malheureusement aussi commode. À mon avis, elle décevra une partie des personnes concernées, en ce compris nos agriculteurs, même si je comprends que le système institutionnel ne vous autorise pas à faire autre chose.
Dieter Keuten:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden en voor de duidelijkheid over uw standpunt.
U bevestigt dat er momenteel geen consensus is en dat u zich dus plant te onthouden. Wij vragen u als Vlaams Belang echter om u te verzetten tegen dat handelsakkoord, dus om tegen te stemmen. Dat vragen niet alleen wij, maar ook Vlaamse en Waalse ministers en minister-presidenten.
Dat gezegd zijnde, ben ik tevreden dat ik u hoor erkennen dat dat akkoord risico’s kan inhouden voor onze boeren. Die erkenning is alvast belangrijk.
Ik wil u eveneens vragen om de precaire situatie waarin onze boeren zich al vele jaar bevinden in het achterhoofd te houden. Iets meer dan een jaar geleden kwamen duizenden tractoren naar Brussel om te protesteren tegen het gebrek aan toekomstperspectief voor onze landbouwers, die geen uitzicht meer hebben op een leefbare toekomst. Maak het alstublieft niet nog erger met dat handelsakkoord.
Frankrijk, Polen en Italië zijn erin geslaagd om extra waarborgen te verkrijgen wat betreft de import van landbouwproducten die voor hen belangrijk zijn. Ik vraag u om aan de onderhandelingstafel eveneens met de vuist op tafel te slaan, zoals die grote landen hebben gedaan, om bijkomende waarborgen te verkrijgen voor producten die voor ons belangrijk zijn, zoals aardappelen, melk en peren. Ik reken op uw daadkracht en onderhandelingsvermogen.
Voorzitter:
La question n° 56007631C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite.
De importban
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 8 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België plant een nationaal importverbod op goederen uit door Israël bezette gebieden, gebaseerd op het ICJ-advies van juli 2024, maar concrete wetgeving, timing en controlemechanismen ontbreken nog—minister Clarinval belooft enkel "volle aandacht" zonder deadlines of juridische details. Almaci kritiseert de vage communicatie en het ontbreken van transparantie over reikwijdte (privébedrijven, diensten, transit via EU) en bewijsplicht, terwijl de regering weigert een tijdpad te geven. Het koninklijk besluit zal zonder parlementaire inbreng verschijnen, ondanks vragen om voorafgaande uitleg. Kernpunt: politiek draaiboek mist, uitvoering blijft onduidelijk.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de voorzitter, mijn vraag is dezelfde als de vragen van de heer Achraf El Yakhloufi en de heer Christophe Lacroix onder agendapunt 34. Hun vragen betreffen een importverbod en mijn vraag gaat over een importban, maar dat is eigenlijk hetzelfde. Het is vreemd dat die twee andere vragen samengevoegd zijn, maar mijn vraag niet. Ik richt me ook even tot de minister. Ik kan mijn vraag wel alleen stellen, maar ik ben bereid te wachten tot de collega's aanwezig zijn.
Voorzitter:
Votre question n'étant pas couplée, je suppose que la réponse du ministre ne le sera pas non plus.
David Clarinval:
Non, nous avons une réponse à cette question.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de minister, de federale regering heeft op 2 september beslist, conform het advies van het Internationaal Gerechtshof van 19 juli 2024, om naar het voorbeeld van Ierland en Slovenië de opdracht te geven om samen met de minister van Buitenlandse Zaken u als minister te belasten met het opstellen van een koninklijk besluit dat voorziet in een nationaal importverbod voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt zijn in door Israël bezette gebieden door de bezettende macht. Daarbij moet ook de nodige controle op de naleving van die importban worden voorzien.
Mijnheer de minister, op welke wet of wetten zal dat koninklijk besluit zich baseren? Is er een deadline waarbinnen u dat koninklijk besluit zult afwerken? Is dat een besluit dat moet worden vastgesteld na overleg in de ministerraad?
Betekent de term 'door de bezettende macht' dat enkel producten vervaardigd door Israëlische staatsbedrijven daaronder vallen, maar privéfirma's niet, of gaat het om alle firma's van Israëli's die in de bezette gebieden actief zijn?
Zullen producten uit de bezette gebieden die via andere EU-landen België binnenkomen ook onder het importverbod vallen?
Betekent het feit dat alleen sprake is van goederen, dat de diensten niet onder het verbod vallen?
Hoe zult u de controle organiseren? Wordt de bewijsplicht dat de oorsprong niet in de bezette gebieden ligt bij de invoerders uit Israël gelegd, of op een andere manier?
Voorzitter: Reccino Van Lommel.
Président: Reccino Van Lommel.
David Clarinval:
Mevrouw Almaci, mijn administratie werkt momenteel samen met de FOD Financiën, meer bepaald met de douane, alsook met de FOD Buitenlandse Zaken, aan de opties om uitvoering te geven aan de beslissing van de kern om op nationaal niveau de invoer te verbieden van goederen die zijn geproduceerd, ontgonnen of verwerkt in de door Israël illegaal bezette gebieden.
Over de specifieke aspecten die u hebt aangekaart, kan ik op dit moment geen concrete informatie geven. Ik kan u echter verzekeren dat die punten en werkzaamheden mijn volle aandacht krijgen en dat de regering daarover binnenkort nadere informatie zal verstrekken.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de minister, kunt u mij op zijn minst een timing geven? Het is immers een klassiek voorbeeld van het paard achter de wagen spannen. Onder grote aandacht van de bevolking is er immers een communicatie de wereld ingestuurd, waarvan elke regeringspartij iets anders heeft gemaakt. Eigenlijk is dat nog niet eens uitgewerkt. Het is goed dat het uw volle aandacht heeft, maar ik zou graag weten welke insteek u hanteert.
Vooral zou ik willen weten welke timing het Parlement in acht moet nemen. Wat is deze regering, na alle perceptieverhalen in de pers, nu effectief van plan met die duidelijk gecommuniceerde beslissing? Wanneer kunnen wij iets verwachten? Of zullen we een koninklijk besluit zien verschijnen zonder uitleg?
Krijg ik geen antwoord met betrekking tot de timing, mijnheer de minister?
David Clarinval:
Neen.
Meyrem Almaci:
Oké, dat is een vaststelling. Ik hoop in elk geval dat ik niet naar de Conferentie van voorzitters moet gaan omdat er een koninklijk besluit verschijnt, terwijl het Parlement duidelijkheid heeft gevraagd over de inhoud ervan voordat het wordt gepubliceerd.
Voorzitter:
"Neen," zegt de minister. Daarmee kunnen we besluiten.
De ratingverlaging voor België
De Belgische begrotingspositie en de reactie van de financiële markten
De impact van de ratingverlagingen op de financiële markten en de uitspraken van de minister
De Belgische kredietrating, begroting en marktreacties
Gesteld door
PS
Frédéric Daerden
VB
Wouter Vermeersch
VB
Wouter Vermeersch
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 7 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België loopt – net als Frankrijk – risico op marktafstraffing door een zwakke begroting (hoog tekort, oplopende schuld) en politieke ongeloofwaardigheid, terwijl Nederland ondanks instabiliteit vertrouwen behoudt dankzij solide cijfers. Minister Van Peteghem erkent dat ratingagentschappen (o.a. Fitch) niet de plannen maar de uitvoeringskracht van de regering wantrouwen, en belooft herstelmaatregelen volgens het regeerakkoord, maar Vermeersch wijst op het gebrek aan concrete daden, verslechterende cijfers en het dreigende rentesneeubaleffect dat drastische besparingen kan afdwingen. De blootstelling via BNP Paribas (aandeelhouder België) aan Franse schulden en dalende ratings bij gewesten verergeren de kwetsbaarheid. Kernpunt: zonder snelle, geloofwaardige sanering dreigt België – zoals Frankrijk – in een spiraal van stijgende rente en vertrouwensverlies terecht te komen.
Voorzitter:
De heer Daerden is niet aanwezig.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, de financiële markten reageerden recent verschillend op de politieke crisissen in Frankrijk en Nederland. Terwijl de Franse rente fors opliep door een torenhoog begrotingstekort en hoge schuldgraad, bleven beleggers relatief gerust over Nederland, dat ondanks de heersende politieke instabiliteit een beperkt tekort en een lage schuldgraad kan voorleggen. Mijn vraag is trouwens brandend actueel, aangezien er gisteren toch wat politieke onzekerheid is uitgebroken in Frankrijk, met de nodige gevolgen op de financiële markten.
België bevindt zich financieel gezien veel dichter bij Frankrijk dan bij Nederland. We kampen immers met een structureel hoog tekort, een oplopende schuldgraad en een beperkt hervormingsvermogen. Toch lijken de financiële markten ons voorlopig nog niet te viseren, hoewel we gisteren toch een van de grootste slachtoffers waren van die Franse dip. Dat vertrouwen is trouwens allerminst gegarandeerd, zeker omdat kredietagentschappen eerder al waarschuwden voor een mogelijke ratingverlaging. Bovendien is België aandeelhouder van BNP Paribas, dat sterk blootgesteld is aan Franse staatsobligaties. Gisteren is dat aandeel overigens serieus gezakt.
Mijnheer de minister, hoe evalueert u het risico dat België, net zoals Frankrijk, in de nabije toekomst door de financiële markten en kredietagentschappen wordt afgestraft wegens zijn zwakke begrotingspositie? Hoe zult u een voor de kredietagentschappen geloofwaardig traject voorleggen?
Heeft de regering de mogelijke impact op de Belgische staat en de publieke financiën van de blootstelling aan Franse staatsobligaties via BNP Paribas, waarvan ons land aandeelhouder is, in kaart gebracht?
In welke mate houdt het beleid van deze regering rekening met het Nederlands voorbeeld, waar een solide begroting de markten kalmeert, ondanks politieke instabiliteit?
In een interview bij Ter zake vorige week , dat ik met veel aandacht heb bekeken, stelde u dat ratingverlagingen een impact hebben op de rente die dit land betaalt op zijn staatsschuld. U verwees daarbij naar een downgrade van de Belgische rating door Fitch in juni, wat volgens u een impact zou hebben op de rente. Tevens stelde u dat een toegenomen rente op termijn een probleem zou kunnen worden. Dat lijkt mij nog een understatement.
Mijnheer de minister, welke impact schrijft u concreet toe aan die ratingverlaging door Fitch?
Schrijft u een rente-impact toe aan de ratingverlaging van de gewesten, zoals in juli voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en ten gevolge daarvan ook in Vlaanderen?
Wanneer worden de rentelasten volgens u precies problematisch?
Wanneer kan er worden gesproken van een rentesneeuwbal? Welke berekening maakt u daarover momenteel?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer de voorzitter, uiteraard neem ik ook even de antwoorden mee op de vragen van de heer Daerden, die niet aanwezig is.
Mijnheer Vermeersch, ik laat het aan de analisten over om uit te maken wat in het geval van Frankrijk het zwaarst zal doorwegen, de cijfers inzake de overheidsschuld en het tekort op zich, of het feit dat de politiek er op dit ogenblik in moeilijkheden verkeert en het moeilijk heeft om een geloofwaardig antwoord te geven op de uitdagingen, dan wel of het een gecumuleerd en elkaar versterkend effect is.
Wel moet worden opgemerkt dat Fitch onze kredietrating verlaagde uit scepsis over de Belgische implementatiekracht, niet wegens het plan zelf. Fitch stelt dat de hervormingen geloofwaardig zijn op voorwaarde dat ze ook volledig worden uitgevoerd. Het is dus niet zozeer dat we geen geloofwaardig traject voorleggen, maar wel dat er een vrees bestaat over de uitvoering ervan.
Ik denk dat de acties van de regering de afgelopen, maar hopelijk ook de komende maanden, daar het beste antwoord op zullen bieden. Het antwoord dat wij niet enkel aan de ratingagentschappen, maar ook aan de bevolking moeten geven, is dat de regering het ernstig meent met de sanering van de overheidsfinanciën en dat de noodzakelijke bijkomende maatregelen worden genomen met respect voor de evenwichten en de ambitie die voorzien zijn in het regeerakkoord.
Pour la confection du budget, le gouvernement se fonde sur l'estimation de l’Agence Fédérale de la Dette contenue dans le rapport du Comité de monitoring du 22 septembre. Cette estimation est notamment basée sur les taux d'intérêt OLO forward à long terme, du 29 août 2025, auxquels une marge de sécurité a été ajoutée, et sur les taux d'intérêt ESTER forward à court terme. De ce fait, les évolutions des taux d'intérêt connues et escomptées sur le marché ont été prises en compte dans les calculs de financement.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, u vraagt mij of de financiële markten in Frankrijk onrustig worden door de politiek of door de begrotingssituatie. Ik denk dat het een combinatie is van beide. De politieke problemen zetten in Frankrijk plots een spotlicht op de begrotingssituatie van dat land, maar ook op die van andere Europese landen die eveneens in moeilijke papieren zitten, waaronder België. Wat de rating betreft, ga ik niet volledig akkoord met uw analyse. Fitch zegt eigenlijk dat er veel praatjes en mooie woorden in de regeerakkoorden staan, maar twijfelt aan de daden. Ik vraag mij af wat erger is. De ratingagentschappen twijfelen eigenlijk aan de geloofwaardigheid van de regering. Dat doen wij ook. Wie gelooft de regering nog? Daarover gaat trouwens ook een nieuwe campagne van een bepaalde partij. Wij trekken eveneens de geloofwaardigheid van de regering-De Wever openlijk in twijfel. Samen met ons doen de ratingagentschappen dat ook. We mogen de financiële markten niet uit het oog verliezen. Het is een reëel risico dat zij onrustig worden, dat de rente op Belgisch staatspapier verder toeneemt en dat de begrotingssituatie aanzienlijk verslechtert. Dat is een scenario dat we te allen prijze moeten vermijden, want dan zal er zeer drastisch en radicaal moeten worden ingegrepen en dan vrees ik dat de bevolking echt onder die besparingen zal lijden. Zo’n scenario moeten we dus vermijden. Dat kan alleen door daadkracht te tonen en door effectief maatregelen te nemen. Tot nu toe zien we dat niet. We moeten, net zoals de ratingagentschappen, vaststellen dat er tot op heden van uw regering veel praatjes in de pers komen – ook met het zomerakkoord –, veel mooie woorden, maar zonder cijfers en zonder concrete daden die daaruit volgen. De cijfers die we zien, verslechteren alleen maar. Ik verwijs daarvoor opnieuw naar het Monitoringcomité.
De begrotingsimpact van het handelstekort
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 7 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Peteghem relativeert het handelstekort (€3,5 mjd), ziet beperkte directe begrotingsimpact maar waarschuwt voor groeirem via lagere belastinginkomsten, en wijt het tekort aan energieprijzen, sterke binnenlandse vraag en wisselkoersen—zonder structurele koerswijziging te eisen, maar met focus op innovatie en competitiviteit. Vermeersch bestookt het beleid, koppelt het tekort aan dure energie, loonlasten en globalisme, en eist strategische zelfvoorziening in plaats van "importafhankelijkheid", met kritiek op de passiviteit van de regering die volgens hem jobs en begroting riskeert. De Amerikaanse heffingen en sterke euro verergeren de spanning, maar de minister blijft vasthouden aan open handel en Europese afstemming.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, in zijn economische begroting berichtte het Federaal Planbureau dat er 3,5 miljard meer goederen en diensten worden ingevoerd dan er worden uitgevoerd, wat een negatieve handelsbalans oplevert. Bovendien zou de invoer volgend jaar sneller groeien dan de uitvoer.
Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de negatieve handelsbalans? Wat is de impact van de negatieve handelsbalans op de begroting?
Acht u een positieve handelsbalans wenselijk? Zo ja, hoe zal de regering die trachten te bereiken?
Aan wat is het handelstekort volgens u toe te schrijven?
Wat is de impact van de Amerikaanse invoerheffingen op de begroting en op de handelsbalans? Welke sectoren worden in dit land het hardst getroffen?
Wat is de impact van de appreciatie van de euro ten opzichte van de dollar?
Acht u een koerswijziging nodig op Europees niveau?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Vermeersch, ik volg de analyse van het Federaal Planbureau natuurlijk nauwgezet op. Een negatieve handelsbalans betekent dat de waarde van de ingevoerde goederen en diensten hoger ligt dan die van de uitvoer. Dat is op zich geen abnormale of problematische situatie, zeker niet in een open economie als de onze, die sterk geïntegreerd is in de internationale waardeketens.
De rechtstreekse impact op de begroting is eerder beperkt. De handelsbalans beïnvloedt vooral de groei van het bruto binnenlands product en bijgevolg ook van de belastinginkomsten op middellange termijn. Indien dat tekort zou aanhouden of toenemen, kan dat natuurlijk wel een rem zetten op de economische groei, wat indirect dan opnieuw langs de ontvangstenzijde op de begroting zou wegen.
Ook een positieve handelsbalans is niet per se een doel op zich. Wat voor mij belangrijk is, is dat de export vooral competitief blijft en dat onze invoer de productiviteit en de welvaart ondersteunt, bijvoorbeeld via de invoer van investeringsgoederen en grondstoffen die onze industrie versterken.
De regering zet in op structurele maatregelen die de concurrentiekracht van onze bedrijven bevorderen: investeringen in innovatie, digitalisering, opleiding en energie-efficiëntie. Op die manier versterken we onze exportpositie zonder te vervallen in protectionisme.
Het huidig handelstekort is grotendeels toe te schrijven aan hogere invoerprijzen voor energie en bepaalde grondstoffen, gecombineerd met een sterke binnenlandse vraag. Daarnaast spelen internationale conjunctuurschommelingen en de evolutie van de wisselkoersen een rol.
De Amerikaanse invoerheffingen hebben een beperkte maar voelbare impact op onze uitvoer. Voor de federale begroting is de rechtstreekse impact klein, maar de indirecte gevolgen via lagere exportgroei kunnen zich vertalen in lagere fiscale ontvangsten.
Op Europees niveau blijft ons land pleiten voor een gezamenlijke en evenwichtige aanpak, ook in de handelsrelaties met de Verenigde Staten. Een sterkere euro maakt onze exportproducten duurder op markten buiten de eurozone, wat de uitvoer natuurlijk kan drukken. Daartegenover verlaagt een duurdere euro de kostprijs van ingevoerde goederen, met name die van energie en grondstoffen. De globale impact daarvan is dus gemengd. Voor de begroting kan de lage inflatie als gevolg van goedkopere invoer een tijdelijk effect hebben op de btw-ontvangsten.
Ik acht een fundamentele koerswijziging op Europees niveau niet nodig. Wel is het van belang dat de Europese Unie haar handelsbeleid blijft afstemmen op de geopolitieke en de economische realiteit. De focus moet liggen op een open en eerlijke handel, en op het versterken van de interne markt. België steunt initiatieven die de strategische autonomie combineren met internationale samenwerking.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, met alle respect, ik ben opgeleid als economist met het gegeven dat België, en zeker Vlaanderen, een open exportgerichte economie is. Terwijl onze ondernemers kreunen onder de energieprijzen, de loonlasten en de regelgeving, zien u en uw regering blijkbaar geen problematische situatie in het feit dat we meer invoeren dan uitvoeren. Mijnheer de minister, een negatieve handelsbalans betekent dat geld ons land verlaat, dat jobs verdwijnen en dat onze begroting verder ontspoort. Minder export betekent immers minder inkomsten, minder tewerkstelling en meer schulden. Toch doet deze regering alsof dat een normaal fenomeen is, terwijl het vooral een gevolg is van een slecht beleid, te dure energie, overdreven belastingen en een blind geloof in een globalistisch model, dat Vlaanderen verzwakt. De Amerikaanse invoerheffingen, de dure euro en de Europese regels zijn allemaal factoren die daarop inwerken. Het is te gemakkelijk om te zeggen dat het om externe factoren gaat. Een regering die beweert de begroting op orde te zullen zetten, moet zorgen voor sterke eigen productie en voor eerlijke handel. Vlaanderen heeft dan ook nood aan strategische zelfvoorziening, niet aan nog meer import van goedkope producten en aan dure praatjes vanuit Europa.
De Global Sumud Flotilla
De bescherming van en de steun aan de vloot naar Gaza
De associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël
De Belgische investeringen in de nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Het uitblijven van concrete maatregelen van de Europese Unie tegen de humanitaire blokkade in Gaza
De voorwaarden voor de erkenning van Palestina
De situatie in Palestina
De blijvende focus op de humanitaire situatie
De financiële steun voor de heropbouw van Palestina
Het intensifiëren van de medische evacuaties van kwetsbare kinderen
Gewelddadige kolonisten, kolonistenorganisaties en leden van Hamas
Het wapenexport- en wapentransitverbod
De importban
De beperking van de consulaire diensten ten aanzien van Belgen die in de nederzettingen wonen
Overvluchten
De maatregelen op EU-niveau
De erkenning van de Staat Palestina
De aanhoudende financiering van dodelijk jihadistisch terrorisme door de Palestijnse Autoriteit
De reactie op de uitschakeling van terroristische leiders in Qatar
Belgen die meevaren met de Hamasvloot
De genocide in Gaza en de bescherming van de Gazavloot
De bescherming van en de steun voor de vloot die naar Gaza onderweg is
De sancties tegen Israël
De diplomatieke contacten in verband met Palestina en het probleem van de sancties
De vloot die naar Gaza onderweg is om de blokkade te doorbreken
Het Amerikaanse vredesplan voor Gaza
De New York Declaration en de Palestijnse Staat
De uitvoering van het akkoord over Gaza
Het Amerikaanse vredesplan voor het Midden-Oosten
De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen
EU-beleid, sancties en humanitaire steun inzake Israël, Palestina en Gaza
Gesteld door
PS
Christophe Lacroix
Ecolo
Rajae Maouane
DéFI
François De Smet
DéFI
François De Smet
PS
Christophe Lacroix
Groen
Staf Aerts
N-VA
Kathleen Depoorter
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Open Vld
Kjell Vander Elst
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
PS
Lydia Mutyebele Ngoi
PTB-PVDA
Nabil Boukili
PTB-PVDA
Nabil Boukili
Les Engagés
Pierre Kompany
PS
Pierre-Yves Dermagne
Ecolo
Rajae Maouane
PTB-PVDA
Nabil Boukili
CD&V
Els Van Hoof
CD&V
Els Van Hoof
Ecolo
Rajae Maouane
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Belgiës rol in het Israëlisch-Palestijnse conflict, met focus op de humanitaire flottille naar Gaza, het Trump-plan voor vrede, sancties tegen Israël en erkenning van Palestina. België steunt diplomatiek de flottille (via Spanje/Italië) maar wijst militaire bescherming af, uit vrees voor escalatie, en benadrukt het risico voor Belgische deelnemers. Het Trump-plan (20 punten) wordt beoordeeld als onvolmaakt maar potentieel effectief voor een staakt-het-vuren en gijzelaarsruil, hoewel kritiek bestaat op het ontbreken van Palestijnse zelfbeschikking en Europese betrokkenheid. Sancties (importverbod nederzettingsproducten, beperking EU-Israël-akkoorden) worden voorbereid, maar België wacht grotendeels op Europese consensus—wat kritiek uitlokt over traagheid en "twee maten en twee gewichten". De erkenning van Palestina (politiek, nog niet juridisch) wordt bevestigd als drukmiddel, maar concrete stappen (KB) blijven uit. Humanitaire hulp (evacuaties, UNRWA-financiering) loopt, maar de blokkade van Gaza en Israëlische schendingen van internationaal recht blijven centraal in de kritiek.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre présence.
Ces derniers jours, des citoyennes et des citoyens européens, mais aussi des Belges, ont embarqué dans la flottille pour la liberté, en route pour Gaza. À l'heure où on parle, quelques bateaux s'approchent déjà du rivage gazaoui. Parmi eux, se trouvent des médecins, des militants, des militantes, des élus – dont une élue belge, Bénédicte Linard, ancienne ministre de la Culture –, mais aussi des visages de la société civile.
Leur geste n'est pas seulement symbolique et politique, il est aussi extrêmement courageux, parce que nos gouvernements ne font rien, ou pas suffisamment, en tout cas. Ces gens prennent des risques, ils risquent leur vie. Parmi ces personnes-là, il y a aussi des gens sans parti, sans étiquette, qui disent "assez", qui en ont marre de l'inaction complice de l'Europe. Des ministres israéliens qualifient de terroristes ces militants pour la paix qui veulent casser le blocus illégal imposé par Israël à Gaza, et les chancelleries européennes, dont la nôtre, malheureusement, restent silencieuses.
J'avais déjà posé la question au premier ministre, mais je vous la repose, monsieur le ministre. Quelles mesures concrètes prenez-vous pour protéger nos ressortissants et leur garantir un soutien diplomatique immédiat? Et que mettez-vous en place pour soutenir la flottille et protéger celles et ceux qui pacifiquement défendent le droit et veulent casser le blocus israélien?
Pendant ce temps, on a vu, ce 29 septembre, Donald Trump présenter un plan pour Gaza en 20 points, 20 points qui ne sont rien d'autre qu'un ultimatum qui dit, en gros, d'accepter ce plan ou subir. Le premier ministre israélien l'affirme également sans détour: " Israël will finish the job ", autrement dit, rendez-vous, ou alors on vous tue tous et on écrasera tout ce qui reste. Je n'ai pas l'impression que ce soit un plan de paix, ni une solution. C'est vraiment une mise en scène. C'est humilier un peu plus la population palestinienne. C'est faire de la paix une monnaie de chantage. Et l'Europe, une fois encore, commente, analyse, mais n'agit pas.
Monsieur le ministre, reconnaissez-vous que cette dynamique et cette rhétorique du finish the job augmentent dramatiquement le risque d'une escalade militaire et de pertes civiles massives? Et quelle position défend à ce sujet la Belgique au Conseil de sécurité auprès de nos partenaires européens? Allez-vous exiger des garanties réelles comme des corridors humanitaires, la protection des civils, des sanctions concrètes? Et surtout, comment allez-vous nous assurer que la construction et l'aide humanitaire ne soient pas instrumentalisées par Trump et Netanyahu?
Enfin, je reviens en Belgique et sur ce que notre propre gouvernement a décidé, puisque, le 2 septembre, vous avez annoncé qu'un arrêté royal allait interdire l'importation des biens produits dans les territoires occupés. C'est une décision dans la ligne de la Cour internationale de Justice (CIJ), et de ce que font déjà notamment l'Irlande et la Slovénie. Cette mission vous a été confiée, monsieur le ministre, mais, depuis, nous nous demandons où ça en est. Pendant que le Parlement avance, ou peut avancer, que le Conseil d'État a rendu un avis constructif, on ne voit pas ce qui arrive du gouvernement.
Sur quelle base juridique allez-vous fonder cet arrêté et avec quel calendrier? D'ici la fin de l'année? Ce texte va-t-il repasser en Conseil des ministres? Que couvrent exactement les termes "par la puissance occupante"? S'agit-il uniquement des entreprises publiques ou aussi des entreprises privées installées dans les colonies? Comment allez-vous traiter les produits qui entrent par le biais d'autres pays européens? Quel mécanisme de contrôle allez-vous mettre en place?
J'ai conscience que je vous pose de nombreuses questions, mais j'ai essayé d'être aussi claire et condensée que possible.
François De Smet:
Monsieur le ministre, mes questions ont été rédigées juste après l'accord pris en kern, de sorte qu'elles portent essentiellement sur des précisions.
Je commencerai par les investissements belges dans les colonies, les territoires occupés. La Cour internationale de Justice, dans son avis de juillet 2024, avait établi sans ambiguïté les conséquences juridiques découlant de la colonisation en cours dans les territoires occupés, considérant que "la présence continue de l' É tat d'Israël dans les territoires palestiniens occupés est illicite" et qu'il est dans l'obligation de mettre fin à sa présence illicite dans les territoires palestiniens occupés.
Dans ce même avis, la CIJ a également conclu que tous les É tats sont dans l'obligation de ne pas reconnaître la situation découlant de la présence illicite d'Israël dans les territoires palestiniens occupés et de ne pas prêter aide ou assistance au maintien de la situation créée par la présence continue de l' É tat d'Israël dans ce territoire. Il peut être déduit de cet avis qu'il s'agit de ne pas financer ces deux crimes de guerre, ce qui signifie refuser d'importer des produits mais aussi des services, et cesser les exportations et les investissements belges dans les colonies.
Or, l'accord intervenu au sein du kern début septembre sur Gaza prévoit, certes, une interdiction d'importation des produits mais ne comporte pas d'éléments sur les services, les exportations et les investissements. Monsieur le ministre, quelles sont les exportations et investissements belges dans les colonies existantes? Disposez-vous d'un recensement à cet égard?
Par ailleurs, en application de la ligne politique que vous vous êtes fixée, à savoir le respect du droit international, ne pensez-vous pas qu'il faudrait étendre l'interdiction aux services, aux exportations et aux investissements belges dans les colonies?
Ma seconde question concerne l'accord d'association entre l'Union et Israël qui contient, comme nous le savons tous, une clause dite essentielle faisant dépendre tout l'accord du respect des droits humains. Ceux-ci sont constatés comme étant violés selon l'Union européenne. L'ancien vice-président de la Commission européenne, Josep Borrell, s'est récemment exprimé publiquement, considérant que le fait de suspendre l'ensemble de l'accord d'association n'est pas une option politique discrétionnaire mais également une obligation légale.
L'accord intervenu au sein du kern prévoit le soutien belge à la suspension de deux volets de l'accord, à savoir le volet commercial et le volet recherche, innovation, coopération, technologique. Mais il subsiste des zones d'ombre. Qu'en est-il du soutien de notre pays à la suspension des autres volets?
Dans la mesure où ces autres volets ne seraient pas mis à l'agenda prochainement, avez-vous un mandat pour pouvoir soutenir d'autres suspensions, voire la suspension de l'ensemble de l'accord, si les positions des autres pays européens devaient évoluer?
Enfin, j'ajoute une dernière question puisque, l'actualité étant ce qu'elle est, je peux difficilement éviter de vous demander si la Belgique a un avis sur le plan proposé par M. Trump, qui a déjà l'accord d'Israël et qui propose une fin de guerre conditionnée par des éléments qui, pour certains, paraissent assez peu réalistes. Que pensez-vous de ce plan? Que penser, surtout, de l'inexistence complète de l'implication des Palestiniens, mais aussi des Européens, dans son élaboration?
De voorzitster : Mevrouw De Poorter is niet aanwezig.
Katrijn van Riet:
Mevrouw de voorzitster, mevrouw De Poorter wil haar vragen graag stellen aan het einde van dit debat.
De voorzitster : Goed. De heer Aerts is ook niet aanwezig, de heer Van der Elst evenmin. Dan is het woord aan de heer Van Rooy voor vier minuten.
Sam Van Rooy:
Minister, ik heb drie vragen voor u. Ten eerste, Israël heeft bewijzen dat de zogenoemde Gaza Flotilla wordt aangestuurd door Hamas. Saif Abu Kishk zou namelijk een Hamasagent zijn en eigenaar van de Flotillaboten via Cyber Neptune, een schermvennootschap in Spanje. In Gaza zijn ook documenten gevonden waaruit blijkt dat Hamas rechtstreeks betrokken is bij de financiering en uitvoering van de zogenaamde Sumud Flotilla.
Ook de vorige flotilla had banden met jihadistische groeperingen, waaronder Hezbollah. Het is bovendien illegaal om te proberen de zeeblokkade te doorbreken, want die is volgens het internationaal recht en het UN Panel of Inquiry legaal. Ik verwijs in dit verband graag naar het Palmer Report van 2011.
Verschillende Belgen nemen deel aan deze Gazavloot, onder wie de zogenaamde mensenrechtenactivist Alexis Deswaef.
Minister, verifiëren onze veiligheidsdiensten deze zorgwekkende bevindingen van Israël over die Gazavloot? Hoeveel Belgen nemen deel aan deze Hamasvloot en wie zijn dat precies? Kunnen zij nog rekenen op diplomatieke hulp? Ik mag hopen van niet. Worden ze gescreend op mogelijke banden met het jihadistisch-terroristische Hamas? Zo niet, waarom niet?
Ten tweede, minister, ik heb u hier al meermaals over ondervraagd, de Palestijnse Autoriteit blijft nog altijd maandelijks salarissen uitbetalen aan Palestijnse moslimterroristen en/of hun families als beloning voor jihadistische moorden of terreuraanslagen. Ondanks de belofte om dit weerzinwekkende zogenaamde pay-to-slay -systeem te stoppen, gaat de corrupte negationist Mahmoud Abbas hier gewoon mee door.
Dat hoeft niet te verbazen, want dat soort moslims is uiteraard niet te vertrouwen. In het Engels praten ze ons, westerlingen, naar de mond als het hen uitkomt. Vervolgens gaan ze aan hun eigen publiek, in casu de Palestijnse moslims, precies het tegenovergestelde zeggen en oproepen tot jihad tegen niet-moslims. Dat is de islam ten voeten uit, dus.
Van 2019 tot 2024 heeft de Palestijnse Autoriteit zo maar liefst 1 miljard dollar uitbetaald als beloning voor dode joden.
Tot nader order, proficiat, draagt de Belgische regering daar nog altijd vrolijk aan bij.
Mijnheer de minister, mijn vraag is evident, voor de zoveelste keer. Wanneer draait deze regering eindelijk de geldkraan dicht naar deze Palestijnse terrorismesponsor in Judea en Samaria?
Ten slotte, heel veel mensen zijn terecht verbaasd dat u nu plots het Gazaplan van Trump en Netanyahu steunt. Het gaat om een toch wel slim plan, dat, indien Hamas niet akkoord gaat – wat helaas te verwachten valt – Israël terecht de toestemming geeft to finish the job .
Ik ben zeer benieuwd hoe u dat verzoent met al uw eerdere stellingnames, met uw systematische demonisering van Israël en met al uw eenzijdige, toch wel populistische oproepen tot het sanctioneren van Israël.
Lydia Mutyebele Ngoi:
Monsieur le ministre, le gouvernement Netanyahu continue de violer le droit international en toute impunité avec le soutien indéfectible des États-Unis. En effet, entre l'attaque du 9 septembre à Doha contre un bâtiment en plein centre de la capitale et les attaques répétées de drones de ces dernières semaines contre les navires de la Flotilla, la communauté internationale reste silencieuse.
Mon groupe soutient fermement la Freedom Flotilla et exige que la Belgique soit aux côtés de ses ressortissants, peu importe les différences politiques. Il s'agit d'une question d'humanité et de solidarité. Alors que la famine est en train de tuer à Gaza, certains mettent leur vie au service de l'humanité.
Quelle a été votre réponse, monsieur le ministre? Eh bien, vous avez qualifié leur action d'inutile et vous refusez même de leur accorder la protection. Je tiens à rappeler que la protection de nos ressortissants belges à l'étranger est une question régalienne qui ne saurait être négociable. Comment justifier que la Belgique reste silencieuse alors que d'autres pays européens, tels que l'Italie, l'Espagne et la Norvège, ont pris des mesures concrètes? Vous avez simplement déploré l'attaque illégale à Doha, une attaque arbitraire contre un pays souverain, et vous n'avez ni soutenu ni protégé la Flotilla. Vous n'avez même pas condamné les attaques et les menaces contre elle.
Quelle est la position officielle de la Belgique face à ces attaques contraires au droit international? Quelles démarches diplomatiques avez-vous entreprises pour exiger le rétablissement du respect du droit international et la protection de nos ressortissants? Allez-vous pousser le gouvernement pour l'envoi d'une assistance maritime et consulaire pour protéger nos compatriotes belges? Dans le cas contraire, comment allez-vous le justifier?
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, on a vu depuis hier un plan néocolonial en 20 points de Donald Trump être accueilli avec enthousiasme à la fois par Benjamin Netanyahu, le criminel de guerre, et par vous.
Monsieur le ministre, ce plan n'est pas un plan de paix, mais un ultimatum unilatéral américano-israélien. C'est une capitulation imposée, qui ne fera qu'au mieux mettre la guerre génocidaire à Gaza en pause, sans y mettre fin.
C'est une attaque frontale contre le droit international. Les arrêts de la Cour internationale de Justice exigent sans équivoque qu'Israël se retire des territoires occupés et garantisse le droit au retour des réfugiés palestiniens. Ces revendications sont jetées à la poubelle. Négation d'un état palestinien. C'est dit clairement. Division définitive des territoires palestiniens.
Vous avez salué cet accord, monsieur le ministre. Vous dites même: "c'est ce que la Belgique défend et c'est ce que la Belgique est prête à encourager".
Cela pose question. Est-ce cela que la Belgique salue? Ce genre de rejet du droit international, un plan qui ignore le droit du peuple palestinien à l'autodétermination, qui ne traite ni du colonialisme, ni de l'occupation, ni de l'apartheid, qui accueille un criminel de guerre comme Tony Blair comme responsable de l'administration de Gaza? Un plan dans lequel Netanyahu insiste pour que les troupes israéliennes ne quittent pas Gaza?
Ma première question, monsieur le ministre: comment pouvez-vous saluer un tel plan pour le peuple palestinien?
Deuxième chose, vous avez aussi salué la reconnaissance de l'État palestinien par la Belgique, ce qui est faux, monsieur le Ministre. Dans vos propres gouvernements, des messieurs comme M. Bouchez disent exactement le contraire de vous. Malheureusement pour vous, les faits lui donnent raison – parce que c'est une reconnaissance sous conditions, et ces conditions ne sont pas réunies. De facto, il n'y a pas de reconnaissance. C’est un peu une reconnaissance fastoche de communication, mais qui ne s'applique pas dans les faits.
Monsieur le ministre, c'est une deuxième promesse que vous avez faite au peuple palestinien que vous n'honorez pas ici.
Je termine par le fait que l'accord de gouvernement prévoit des sanctions contre l'État d'Israël – enfin, "'sanctions", ce sont franchement des demi-mesures. D’'ailleurs, la semaine suivant votre annonce de cet accord, 110 000 personnes sont descendues dans la rue pour dire que c'est complètement insuffisant et pas à la hauteur de la situation.
Dans cet accord, vous mentionnez les deux ministres extrémistes et le chef du gouvernement, M. Netanyahu. Les autres membres du gouvernement ne sont-ils pas des extrémistes? Deuxièmement, vous évoquez des colons violents. Connaissez-vous, monsieur le ministre, des colons non violents? Surtout, quelles sanctions ont-elles été prévues contre l'État d'Israël? Aujourd'hui, aucune sanction économique concrète n'est prise contre cet État génocidaire. Interdire l'importation des produits issus des colonies est vraiment le minimum, mais cela ne répond pas à la gravité de la situation.
La population se mobilise pour compenser les manquements et l’inefficacité des gouvernements européens. Il y a cette flottille qui, dans un contexte marqué par la honte liée à la complicité de l’Union européenne avec Israël dans ce génocide, a mobilisé des personnes déterminées à briser le blocus et à acheminer de l’aide humanitaire. Ici, le premier ministre a déclaré que cette action était inutile, qu’il n’apporterait aucune protection à cette flottille, et que les gens n’avaient qu’à éviter les zones de guerre.
Pourtant, un génocide est en cours. Il faut intervenir. Les conventions nous y obligent. En tant que gouvernement signataire de ces conventions, vous ne les respectez pas. Les populations compensent donc ce manquement et vous ne leur apportez pas la protection nécessaire.
Monsieur le ministre, la Belgique va-t-elle prendre des mesures concrètes pour protéger la flottille en cours, lui apporter l’aide nécessaire et faire en sorte qu’Israël ne l’attaque pas, sachant que des menaces ont déjà été proférées depuis hier à l’encontre de ses passagers?
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, ce 22 septembre, aux yeux du monde, la Belgique a reconnu l'État de Palestine. Le discours du premier ministre a constitué une étape importante dans la mise en œuvre de l'accord que vous avez obtenu en kern le 2 septembre dernier.
La Belgique se trouve désormais en bonne compagnie aux côtés de nombreux États. Elle figure également parmi les pays ayant adopté le plus de sanctions pour assurer le respect du droit international par Israël, mais aussi contre les terroristes du Hamas. Elle a également une position en pointe au sein de l'Union européenne pour que d'importantes sanctions soient adoptées à ce niveau. À cet égard, il est important que d'autres pays puissent suivre notre position pour que les sanctions puissent être véritablement efficaces. Tout seul, notre pays n'aura qu'un impact limité.
Plus particulièrement, nous devons tout faire pour que les propositions que la Commission a présentées le 17 septembre dernier soient adoptées rapidement. Elle a fait son job. Il revient à présent au Conseil de l'Union européenne de faire le sien. Nous devons agir pour qu'une majorité qualifiée puisse être rassemblée afin d'adopter la suspension du volet commercial de l'accord d'association.
Monsieur le ministre, votre département a-t-il élaboré une stratégie pour inciter d'autres É tats à suivre les positions de la Belgique? Vous-même, avez-vous eu des contacts bilatéraux avec d'autres États pour expliquer les positions adoptées? Avez-vous déjà eu des discussions avec certains de nos partenaires européens au sujet des propositions de la Commission du 17 septembre dernier?
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, ten eerste, de tijd zal uitwijzen of het twintigpuntenplan een vredesplan is. Het heeft in elk geval de verdienste dat het op korte termijn de genocide kan stoppen.
De bedoeling is dat er een duurzame vrede tot stand komt, waarbij ook de erkenning van de Palestijnse staat in het vooruitzicht wordt gesteld en waarin de Palestijnse Autoriteit een rol speelt. Er zijn dus positieve elementen, zoals de vrijlating van de Israëlische gijzelaars binnen de 72 uur, een onmiddellijk staakt-het-vuren, humanitaire toegang, de volledige terugtrekking van het Israëlische leger uit Gaza op termijn en het idee van een overgangsregering met een internationale stabilisatiemacht.
Er zijn echter ook nog veel onduidelijkheden in en bedenkingen bij het plan. Zo lijken er geen veiligheidsgaranties voor het Palestijnse volk te zijn opgenomen, indien Israël zich niet aan de afspraken houdt. Sinds de akkoorden van Oslo weten we bovendien dat een tijdelijke Israëlische bezetting in een permanente bezetting kan uitmonden.
Hoe staat u tegenover het twintigpuntenplan? Was de Europese Unie betrokken bij de opmaak ervan of werd ze geconsulteerd om ook deel uit te maken van de board of peace ? Oorspronkelijk bevatte het plan ook een 21ste punt, een belangrijk punt, maar dat is weggevallen. Zijn er ook garanties voor een vredesplan voor de Westelijke Jordaanoever? Daarover wordt er immers niets gezegd.
Ten tweede, wat het akkoord in de Belgische regering over de oorlog in Gaza betreft, mijn wetsvoorstel om producten uit de bezette gebieden te verbieden, dat ik in de Kamer heb ingediend, kon rekenen op enkele constructieve opmerkingen van de Raad van State, die bovendien bevestigde dat zo’n verbod tot onze bevoegdheid behoort. In het akkoord staat dat de ministers van Economie en Financiën samen met u een koninklijk besluit zullen uitwerken voor een nationale importban, enkel voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt worden in de door Israël bezette gebieden. Hoe ver staat u met de opmaak van het KB, samen met uw collega-ministers? Wat is daarvoor de deadline? Hopelijk wordt het nog dit jaar afgerond, zoals Slovenië reeds heeft gedaan en Ierland hopelijk zal doen en zoals ook Spanje en Nederland overwegen. Wordt de ban ook van toepassing op diensten uit de bezette gebieden of niet?
Kathleen Depoorter:
Mevrouw de voorzitster, vandaag lopen we heen en weer tussen commissievergaderingen.
Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen over de situatie in Gaza, die opnieuw veranderd is sinds ik mijn vraag indiende. Zo ligt er nu het twintigpuntenplan. Hebt u kennis van de exacte bewoordingen van dat plan. Ik heb het opgezocht, maar niet gevonden. Misschien beschikt u wel over duidelijke omschrijvingen. Uiteindelijk kunnen we pas de kans op slagen ervan inschatten, als we kennis kunnen nemen van alle details en van de manier waarop het plan moet worden uitgevoerd.
Ik merk ook dat de veiligheidsgaranties op het einde van het traject bij de erkenning van Gaza en bij de erkenning van Israël door de Arabische staten nogal vaag omschreven zijn. Die staten hebben, zo verneem ik toch, aangegeven te zullen meewerken. In hoeverre hebt u er zicht op dat die medewerking ook leidt tot een uiteindelijke erkenning van Israël zelf?
Een ander probleem betreft de Westelijke Jordaanoever . Hoe wordt daarrond voortgewerkt? Hoe concreet zijn de garanties zijn dat de illegale nederzettingen niet worden ingenomen? Dat wordt nog steeds door de regering van Israël verkondigd. We moeten aandachtig blijven voor die kwestie.
Wat de positie van Europa betreft, in hoeverre was Europa betrokken bij de totstandkoming van dat plan? In hoeverre is er een Europese vertegenwoordiging in de vrijheidsbestuur van Gaza? In hoeverre acht u het democratisch proces onder controle? Ik denk dat we het erover eens zijn dat de inwoners van Palestina uiteindelijk een democratisch verkozen bestuur moeten kunnen installeren om zo hun volledige zelfbeschikkingsrecht te kunnen uitoefenen. In hoeverre is dat volgens u meegenomen in het stappenplan? Kan Europa daarin een stem hebben, opdat dat inderdaad gebeurt?
Ten slotte, hoe ver staat het met de uitvoering van de beslissingen van het kernkabinet? Hoe ver staat het met de uitwerking van eventuele sancties in Europa, sancties die ons land sowieso zal onderschrijven conform de beslissing die genomen is in het kernkabinet?
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères, ce week-end, pendant que le président du gouvernement israélien, Benyamin Netanyahu, pérorait à la tribune des Nations Unies, où sa présence-même constituait une insulte à l'ordre juridique international, au droit international et même à la plus simple décence, j'ai eu l'occasion de me rendre à Catane pour soutenir les citoyens et les citoyennes courageux qui ont pris part à la flottille pour Gaza.
J'y ai vu des femmes, des hommes, des citoyens et citoyennes venus de toute l'Europe embarquer avec courage et dignité sur la flottille Thousand Madleens to Gaza . J'y ai vu des Belges, des Européens, des Européennes, des citoyens et les citoyennes engagés, solidaires et déterminés à briser le blocus illégal qui affame Gaza et sa population depuis des années, et avec une acuité et une violence décuplées depuis plusieurs mois maintenant.
J'y ai vu des militants qui refusent de rester les bras croisés devant le génocide en cours à Gaza. J'y ai vu des cœurs, et pas des armes. Des humanitaires, pas des provocateurs, et encore moins, bien entendu, des terroristes. Et, pourtant, depuis le départ de la Global Sumud Flotilla , ces embarcations civiles sont systématiquement attaquées. Des drones ont largué des grenades assourdissantes et des substances chimiques incendiaires sur le pont de différents bateaux remplis de civils. Suite à cela, des États comme l'Espagne et l'Italie ont immédiatement réagi, en envoyant des frégates pour protéger leurs ressortissants. L'Irlande a, quant à elle, accordé une protection diplomatique à ses ressortissants.
Et nous, monsieur le ministre? Quid de la Belgique? Nous avons d'abord eu droit à un silence radio de la part du gouvernement. Ensuite, des propos décalés, méprisants de la part du premier ministre à l'égard des citoyennes et citoyens courageux qui s'engagent dans cette flottille, en les présentant finalement comme des irresponsables qui prendraient des risques inconsidérés.
Et puis, monsieur le ministre, vous rendant compte qu'un total silence radio serait à la fois une faute politique, diplomatique et, plus important encore, morale, vous avez fait un petit pas. Et je tiens ici à le souligner, et le saluer d'une certaine manière, puisque vous avez pris langue avec vos homologues italien et espagnol pour que les frégates de ces deux pays puissent accorder leur protection aux citoyens belges qui naviguent sur les bateaux de la flottille.
C'est un premier pas significatif, mais insuffisant, monsieur le ministre. Face au comportement du gouvernement Netanyahu…
La présidente : Monsieur Dermagne, vous avez déjà parlé trois minutes.
Pierre-Yves Dermagne:
… Face aux attaques contre le droit international, il importe que la Belgique et son gouvernement aillent plus loin. Par conséquent, je vous demande, monsieur le ministre des Affaires étrangères, si vous entendez accorder la protection diplomatique aux ressortissants belges qui se trouvent sur la flottille. Entendez-vous demander au gouvernement et, en particulier, au ministre de la Défense d'envoyer également une frégate militaire pour protéger nos concitoyens?
La présidente : Ik geef het woord aan de minister.
Maxime Prévot:
Dank u, mevrouw de voorzitster. Merci, chers collègues. Vous avez été à nouveau nombreux à me poser des questions relatives à la situation au Moyen-Orient et à Gaza en particulier. Malgré l'absence de MM. Lacroix, Vander Elst et Aerts – lequel m'avait adressé de nombreuses questions – et comme une trentaine d'interventions étaient prévues à ce sujet, je vais tenter de répondre complètement, y compris aux questions des collègues absents, puisque nous avons pu prendre connaissance de leurs préoccupations préalables.
Qu'il n'y ait aucun doute à ce sujet: je continue de me préoccuper de ce qu'il se passe précisément, car ces événements sont extrêmement graves. Chaque jour, je travaille avec mes services, mon cabinet et mes collègues du gouvernement afin de trouver des solutions.
De militaire operaties van Israël tegen Gaza-Stad veroorzaken meer onschuldige slachtoffers, meer materiële schade en verdere massale verplaatsingen van de burgerbevolking. Samen met andere Europese landen heb ik de regering-Netanyahu opgeroepen om die plannen op te geven. Ik heb vervolgens de aanvallen veroordeeld en Israël herinnerd aan zijn verplichting om het internationaal humanitaire recht te respecteren.
Het is belangrijk dat zulke acties worden veroordeeld. Het is van essentieel belang om de aandacht te vestigen op schendingen van het internationale recht. Dat maakt deel uit van de strijd tegen straffeloosheid.
Comme nous le savons, les condamnations ne suffisent pas. La moitié des centres qui traitaient la malnutrition dans la ville de Gaza ont été détruits. Fin août, le secrétaire général de l'ONU déplorait une famine à Gaza. Le 16 septembre, la Commission d’enquête internationale indépendante de l’ONU sur le territoire palestinien occupé a estimé qu’il y avait un génocide à Gaza.
Face à la situation, il faut des mots forts, c’est évident, mais il faut aussi des actes concrets, ce qui l’est tout autant. C’est la raison pour laquelle j’ai fait de nombreuses propositions très précises que le kern a décidé d’entériner le 2 septembre dernier. Vous les connaissez, chers membres de la commission, puisque je suis venu dès le lendemain vous les présenter au sein même de cette commission.
Certaines d’entre elles avaient déjà été envisagées sous la précédente législature, mais c’est l’Arizona qui les a adoptées lors de son Conseil des ministres du 12 septembre dernier.
De heer Aerts en enkele collega's hebben mij gevraagd hoever de uitvoering van elk van die besluiten gevorderd is. Ze zijn niet allemaal van mij afhankelijk, maar na overleg met mijn collega's kan ik meedelen dat ze allemaal ofwel werden uitgevoerd ofwel in het proces van uitvoering zijn, met een tijdschema dat varieert. Zoals u zich kunt voorstellen, duurt het wijzigen van een wet langer dan het persona non grata verklaren van individuen. U hebt me ook veel vragen gesteld over de uitdagingen bij de uitvoering van die besluiten. U bent zich daar dus terdege van bewust.
Sommige van die besluiten zijn inderdaad primeurs. Ze inspireren trouwens ook andere landen, die België als voorbeeld nemen, mevrouw Depoorter. Met name Spanje kondigde enkele dagen later maatregelen aan die vergelijkbaar zijn met het Belgische pakket. We hebben verzoeken ontvangen van andere partners, die ook nationale maatregelen willen nemen. De Palestijnse missie in België heeft de Belgische regering bedankt voor haar moed en daden. Verschillende ngo's hebben me geschreven om mijn voorstellen te verwelkomen en me aan te moedigen de uitvoering ervan voort te zetten.
Monsieur Boukili, vous pensez qu'il faut agir plus vite et faire encore plus. C'est évident! C'est la raison pour laquelle je veille à ce que les décisions prises par le gouvernement soient matérialisées le plus rapidement possible. Au demeurant, j'ai écrit à mes collègues pour les sensibiliser à l'urgence d'agir. Mes services ont contacté en parallèle leurs homologues afin d'obtenir rapidement des résultats. La machine est donc en marche. En soi, c'est déjà un signal envoyé au gouvernement Netanyahu.
Depuis la dernière fois que je suis venu devant vous, nous avons pu évacuer médicalement des enfants supplémentaires, atteints de pathologies complexes qui ne pouvaient être traitées dans la région. Quelques semaines auparavant, déjà, nous avions évacué d'autres enfants ainsi que leurs accompagnateurs. La Belgique se situe ainsi en quatrième place des pays de l'Union européenne en ce domaine, même si le nombre de personnes reste en soi bien modeste au regard de l'ampleur du drame. En tout cas, peu nombreux sont les pays à agir par rapport à ce qui devrait être, mais l'essentiel de ceux qui assument cette prise en charge sont l' Égypte, les Émirats arabes unis ou la Jordanie qui, en raison de leur proximité, font plus que nous. Ces évacuations sont complexes et coûteuses, mais elles ne dépendent pas que de la Belgique. Nous ne maîtrisons pas de nombreux acteurs et de multiples facteurs. Il ne suffit pas de rêver à évacuer les gens de Gaza. Il faut se rendre compte que, dans ce contexte de guerre, arriver à identifier leur localisation, prévoir et sécuriser des couloirs d'extraction, s'assurer que ce qui avait été prévu la veille est encore valable le lendemain matin, procéder aux checks de sécurité nécessaires et assumer la prise en charge, ce sont des choses qui se disent facilement, mais qui sont applicables beaucoup plus difficilement dans un contexte de guerre. En tout cas, nous allons évidemment poursuivre ces opérations par humanisme.
De heer Aerts had meer informatie gevraagd over de 12,5 miljoen euro aan humanitaire hulp die ik heb aangekondigd, bovenop de 7 miljoen euro die dit jaar al is toegezegd. De aangekondigde 12,5 miljoen euro omvat een bijkomende 4,5 miljoen euro voor UNRWA, 2 miljoen euro voor de activiteiten van het ICRC, met name de bescherming en bijstand aan de meest kwetsbare mensen in Gaza en nog eens 6 miljoen euro voor OCHA als flexibele financiering om onder coördinatie van de Verenigde Naties de actoren te ondersteunen die het best geplaatst zijn om aan de behoeften ter plaatse te voldoen.
Daarnaast werden de voorbereidingen opgestart om het lopende programma van onze gouvernementele samenwerking met de Palestijnse Autoriteit bij te sturen. De timing en concrete invulling hangen af van de verwachte evolutie op het terrein. In ieder geval zal België zich resoluut blijven inzetten voor de ontwikkeling van een stabiele en inclusieve rechtsstaat in de Palestijnse gebieden. Tevens zal worden bekeken in welke mate België zich, in het kader van een internationale en multilaterale samenwerking, kan aansluiten bij een gezamenlijke aanpak voor herstel en heropbouw.
À ce sujet, nous nous sommes associés voici quelques jours à plusieurs autres États qui ont lancé la Emergency Coalition for the Financial Sustainability of the Palestinian Authority.
Ik wil ook duidelijk stellen dat België wel degelijk reageert op de vernieling door Israël van projecten die mede door ons land zijn gefinancierd. Sinds 2017 hebben de EU en een aantal donoren op initiatief van België een gemeenschappelijke strategie ontwikkeld voor gevallen van sloop en inbeslagname, waarbij wij financiële compensatie van de Israëlische autoriteiten eisen. De donoren en de EU hebben officiële brieven gestuurd naar de COGAT (Coordinator of Government Activities in the Territories), de civiele administratie in de Palestijnse gebieden die onder het Israëlische ministerie van Defensie valt.
De overhandiging van die brieven gaat regelmatig gepaard met stappen die de ambassades van de betrokken lidstaten zetten ten aanzien van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken.
Il va évidemment de soi qu'une reconstruction de Gaza ne pourra être effective que si elle s'inscrit dans le cadre d'une perspective politique négociée garantissant les conditions pour que les Palestiniens et Israéliens puissent vivre durablement en paix côte à côte. C'est pour cela que le 22 septembre, à New York, la Belgique s'est jointe aux pays qui ont annoncé la reconnaissance de l' É tat de Palestine.
Cette décision était fidèle à la résolution que vous avez vous-même adoptée en mai dans ce Parlement et que le gouvernement avait décidé de faire sienne. Cette reconnaissance participe à la matérialisation de la solution à deux É tats pour laquelle nous plaidons, ceci parce que nous pensons que c'est la meilleure façon de permettre aux Israéliens et aux Palestiniens de vivre les uns à côté des autres pacifiquement et en sécurité dans la durée.
Dit was de eerste fase, de politieke fase. Het koninklijk besluit is immers onderworpen aan twee voorwaarden die het mogelijk maken om te voorkomen dat Hamas een blanco cheque krijgt. Als het Trumpplan wordt aangenomen, zal trouwens aan de twee voorwaarden worden voldaan: de vrijlating van de gijzelaars en de uitsluiting van Hamas van het bestuur van Palestina.
Monsieur Boukili, ne vous en déplaise à vous ou à d'autres de vos collègues, je peux témoigner que la semaine dernière à New York, lors de la semaine de haut niveau des Nations Unies, les propos de notre premier ministre à la tribune, évoquant clairement cette reconnaissance sur la scène diplomatique, ont été largement salués, y compris par les autorités palestiniennes. Personne ne m'a en effet accosté dans les couloirs en me disant "Monsieur le ministre, quand va venir le moment de l'adoption de l'arrêté royal en Conseil des ministres?" Ce qui importait pour la communauté diplomatique internationale, c'était la posture politique de la Belgique se joignant au groupe des autres pays qui ont reconnu l'État de Palestine.
S'il est vrai que certains, vous comme d'autres, pourraient considérer que la seule reconnaissance valable est celle qui produit des effets juridiques, à savoir celle qui fera l'objet d'une validation par le Conseil des ministres, alors oui, nous n'y sommes pas encore. On peut continuer à rester dans l'entre-soi belgo-belge, pétri de ses certitudes politiques, parce que cela sert évidemment le jeu majorité-opposition, il n'en demeure pas moins que l'effet de la position belge a été bien perçu sur la scène diplomatique internationale. Du reste, d'autres pays sont d'ailleurs en train d'observer et d'étudier, en interne de leur processus décisionnel, le processus qui a été le nôtre.
Rappelons aussi, parce que le débat autour de la question de la reconnaissance a parfois tellement supplanté le reste des dimensions de ce problème à Gaza, que la reconnaissance, même décidée de manière immédiate, n'est pas ce qui permet de nourrir les bouches affamées des enfants, des femmes, des citoyens actuellement en manque d'aide humanitaire à Gaza. C'est la raison pour laquelle – même si cette reconnaissance était extrêmement importante pour pouvoir s'ériger contre les velléités israéliennes d'annexion de la Cisjordanie, d'occupation militaire totale de Gaza ou de relance de nouvelles colonies illégales, pour préserver la solution à deux États, comme son nom l'indique – elle ne doit pas nous éloigner de l'essentiel, qui reste la crise humanitaire. Le seul moyen de faire sauter le bouchon inacceptable et illégal du blocus humanitaire, constitutif de crime de guerre, est d'agir sur le volet des sanctions.
À cet égard, la Belgique est dans le peloton de tête européen des mesures qui ont pu être prises. Je l'ai déjà dit, et je le répète, je vous mets au défi de trouver cinq pays européens qui ont pris des mesures aussi volontaristes que les nôtres en termes de sanctions.
In ieder geval blijven wij sancties opleggen aan Israëlische kolonisten en aan Hamas, zowel op nationaal als Europees niveau. We roepen de EU ook op met aanvullende voorstellen te komen die de druk op hen kunnen opvoeren.
Parce qu'il est clair que, si la Belgique ne pouvait plus rester derrière le paravent de l'inertie européenne pour s'exonérer de prendre des initiatives nationales – raison pour laquelle j'ai proposé cette batterie de mesures début septembre –, nous sommes aussi conscients que c'est en prenant des sanctions à l'échelle européenne que celles-ci auront potentiellement le plus d'impact sur Israël, puisque l'ensemble du marché européen représente le premier partenaire économique d'Israël.
Donc, nonobstant les mesures prises au niveau belge, nous continuons de plaider ardemment pour que des sanctions soient également prises au niveau européen pour maximiser l'impact de ces mesures. En attendant, nous travaillons à ce que nos mesures, jointes à des décisions nationales d'autres États, puissent atteindre une masse critique significative et avoir un effet d'entraînement, un effet boule de neige.
Wat Hamas betreft, willen wij dat die terroristische beweging de gijzelaars onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrijlaat. Tegelijkertijd moedigen we Israël aan om met Hamas te onderhandelen. Tot nu toe is het immers dankzij onderhandelingen dat de meerderheid van de gijzelaars is vrijgelaten.
Daarom betreur ik, mijnheer Van Rooy, net als de Europese Unie, de schending van de soevereiniteit van Qatar door Israël, dat op 9 september aanslagen heeft gepleegd in Doha. Op grond van artikel 2, paragraaf 4, van het Handvest van de Verenigde Naties is dat een ernstige schending van de soevereiniteit van Qatar. Die aanslagen zijn des te betreurenswaardiger omdat Qatar, samen met Egypte en de Verenigde Staten, een bemiddelende rol speelt om de vrijlating van Israëlische gijzelaars en een staakt-het-vuren in Gaza mogelijk te maken. Het waren echter juist de Hamas-onderhandelaars die Israël daar heeft gedood. U mag zich verheugen dat er mannen zijn gestorven, als u dat wilt, maar het internationale recht sluit buitengerechtelijke executies uit. Bovendien is het doden van Hamas-onderhandelaars waarschijnlijk geen goed nieuws voor de Israëlische gijzelaars, omdat het de deur sluit voor verdere onderhandelingsmogelijkheden, terwijl onderhandelingen tot nu toe meer resultaat hebben opgeleverd dan militair geweld.
Même si, évidemment, personne ne pleurera le décès de leaders terroristes du Hamas.
We veroordelen trouwens ook gelijkaardige Israëlische aanvallen in Libanon en Syrië. Het is aan deze landen om terreurorganisaties op hun eigen grondgebied te bestrijden, met respect voor de rechtsorde en de mensenrechten.
De twee voorwaarden, waarvan eerder sprake, om de staat Palestina wettelijk te erkennen, hangen niet af van Israël. Het is twijfelachtig of de regering-Netanyahu al het mogelijke doet om de gijzelaars vrij te laten, maar het is Hamas dat hen vasthoudt. Het is Hamas dat hen zou moeten bevrijden.
Over de voorwaarde dat terroristische organisaties zoals Hamas van het beheer van Palestina zouden worden uitgesloten, heeft Hamas gezegd dat het hiervan voorstander zou zijn. De verklaringen van president Abbas gaan in dezelfde richting, zoals ook is besloten door alle ondertekenende staten in de Verklaring van New York en het is ook wat het Trumpplan, dat Hamas bestudeert, biedt.
Mevrouw Van Hoof, madame Maouane, monsieur Boukili, je n'ai pas accueilli "avec enthousiasme", comme vous l'avez indiqué, monsieur Boukili, le plan proposé par M. Trump, plan que vous qualifiez de néocolonial. Mais j'ai, comme d'ailleurs l'immensité de la communauté internationale, salué ce plan. Même l'Espagne, que vous identifiez souvent comme étant le pays le plus en pointe dans la défense de la cause palestinienne, a salué ce plan, tout comme moi.
Ce plan n'est pas parfait, et l'Union européenne n'a pas encore été formellement impliquée à ce stade, non. Plusieurs pays arabes ont, par contre, été consultés en amont, notamment durant la semaine à New York. J'en ai été le témoin direct, et j'ai pu en parler avec plusieurs de mes homologues des pays arabes.
Ce plan exclut l'occupation de Gaza par Israël. C’est une bonne chose, mais les conditions du retrait mériteraient d'être clarifiées et précisées selon un calendrier précis, d'autant qu'on entend le premier ministre israélien émettre des objections à cette question.
Ce plan reconnaît que les Gazaouis doivent pouvoir rester chez eux. Il prévoit un cessez-le-feu et une augmentation de l'aide humanitaire; mais il resterait des obstacles à cette aide. Le sort de la Global Humanitarian Foundation, qui est problématique, nous le savons, n'est pas clairement réglé.
Le plan reconnaît aussi le droit à l'autodétermination du peuple palestinien, ce qui est notre position également. Mais les étapes pour parvenir à la solution à deux États restent à confirmer.
Il prévoit la libération des otages et celle de prisonniers palestiniens, dont des enfants. Il exclut le Hamas de la gouvernance de Gaza, ce que nous souhaitons également. Mais il part de la mise en place d'un board of peace , dirigé par des étrangers, ce qui peut aussi poser question. L'Autorité palestinienne est mentionnée, mais son rôle n'est pas évident.
Bref, ce plan n'est pas parfait, mais il a bien le mérite d'exister dans le contexte que nous connaissons. Malgré ses imperfections, il offre une base pour reprendre les négociations de manière crédible. C'est cela qui mériterait d'être salué.
In een verklaring naar aanleiding van het plan van president Trump herhaalde de Palestijnse Autoriteit ook haar positie over de hervormingen die toegezegd zijn op de Tweestatenconferentie in New York, inclusief presidents- en parlementsverkiezingen binnen één jaar na het einde van de oorlog; scholencurricula in lijn met de Unesconormen binnen de twee jaar uitvoeren; de afschaffing van het Martelarenfonds en de oprichting van een sociaal welzijnssysteem, onderworpen aan internationale controle. Een uitdaging zal echter het organiseren van verkiezingen zijn. De Palestijnse Autoriteit heeft geen toegang tot Oost-Jeruzalem, dat geannexeerd is door Israël, en momenteel ook niet tot Gaza. Toch wordt er nagedacht over creatieve oplossingen, ook om de mogelijke weigering van Israël te overwinnen.
Mijnheer Van Rooy, de hervormingen van het Martelarenfonds en van de schoolcurricula maken al deel uit van de voorwaarden voor Europese financiering. DG MENA (Directorate-General for the Middle East, North Africa and the Gulf) heeft technische teams ter beschikking gesteld aan de Palestijnse Autoriteit. De wetgeving rond het Martelarenfonds werd reeds in februari afgeschaft en vervangen door een nieuwe wet ter oprichting van een socialezekerheidsfonds gebaseerd op armoede-indicatoren. Begin september werd de eerste betaling verricht onder dat nieuwe socialezekerheidssysteem. Voorts werd ook een audit besteld, die de komende maanden zal worden uitgevoerd.
Ik wil de heer Van Rooy ook meegeven dat de Palestijnse Autoriteit van haar kant Israël al erkend heeft in 1993. De Palestijnse Autoriteit is echter niet beloond voor haar erkenning van Israël, wat extremisme in de hand heeft gewerkt.
Ik wens te benadrukken dat de erkenning van Palestina geen anti-Israëlische beslissing is. Het is de bevestiging van het Europese en Belgische beleid sinds decennia, waarbij we ons engagement ten aanzien van de tweestatenoplossing systematisch herhalen.
Volgens de beschikbare archieven tussen 2020 en vandaag was er één verzoek aan België voor diplomatieke toestemming voor overvluchten van Israëlische militaire vluchten. De weigering van verzoeken van de Israëlische autoriteiten voor militaire overvliegvergunningen geldt voor alle aanvragen. Er is nog nooit een verzoek ingediend voor een permanente diplomatieke toelating voor Israëlische militaire vluchten. Dat is mijn antwoord op een vraag van de heer Aerts.
Wat ons wapenuitvoerbeleid betreft, kan ik het volgende meedelen. In juni organiseerde ik reeds een interfederaal overleg met de betrokken beleidscellen en administraties. Het doel van dat overleg is enerzijds om de regels aan te scherpen en anderzijds om de uitvoering te verbeteren door middel van coördinatie en informatie-uitwisseling. Daarbij spelen Douane, Mobiliteit, Buitenlandse Zaken en de gewesten een rol. Vragen die specifiek over Douane en Mobiliteit gaan, moeten aan de bevoegde minister worden gesteld. Op basis van de beslissing van de Raad van ministers van september vond nog recent overleg plaats.
We hebben een politieke consensus bereikt om het akkoord tussen de federale overheid en de gewesten van 2009 aan te passen. Ik bereid bovendien een koninklijk besluit voor, samen met mijn collega Jean-Luc Crucke, de minister van Mobiliteit. Beide worden binnen de komende dagen verwacht.
Wat individuele sancties betreft, gaat het om verschillende lijsten. De namen die op Europees niveau zijn aangenomen, zijn meteen ook op Belgisch niveau overgenomen. We pleiten echter al meer dan een jaar op Europees niveau voor een uitbreiding van deze lijsten, zowel wat betreft de leden van Hamas als gewelddadige kolonisten en twee extremistische ministers.
Tot nog toe is daarover op Europees niveau geen consensus, zoals ik ook meermaals in deze Kamer heb aangegeven, niettegenstaande de juridische sterkte van deze voorstellen. Onze voorkeur gaat uiteraard nog steeds uit naar een Europese aanpak, maar in afwachting daarvan zullen wij op nationaal niveau deze individuen sanctioneren, als uitzonderlijke maatregel. De betrokken diensten werken aan de uitvoering hiervan. Persoonlijk hoop ik dat er stilaan een momentum ontstaat, zodat de Europese leiders hierover een gemeenschappelijk signaal kunnen geven. Ik hoop het des te meer na de verklaringen van de voorzitster van de Commissie, mevrouw Von der Leyen.
Mevrouw Van Hoof, laten wij eerlijk zijn, van alle maatregelen die ik aan het kernkabinet heb voorgesteld, zal het invoeren van een importban voor producten uit de illegale nederzettingen ongetwijfeld de moeilijkste worden. Zoals u allen weet, leven wij in een eengemaakte Europese markt en is de Europese Commissie bevoegd voor de handel met landen buiten de EU. Het Internationaal Gerechtshof heeft echter al meer dan een jaar geleden beslist dat derde staten, zoals België, de verplichting hebben de handel met de nederzettingen stop te zetten. Zo niet, dragen wij onrechtstreeks bij tot het bestendigen van een oorlogsmisdaad.
Dit geldt als onze juridische basis. Vandaar dat ik al aan de Europese Commissie heb gevraagd om ons richtlijnen te geven. Samen met ongeveer 10 andere EU-lidstaten heb ik bovendien een brief gestuurd naar de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger om samen te werken aan een Europees beleid hieromtrent. In afwachting van een Europees beleid willen wij op Belgisch vlak al van start gaan, in lijn met ons engagement ten aanzien van het internationaal recht.
Slovenië voerde al een importverbod in, enkel voor producten uit de nederzettingen. Ierland werkt eveneens aan een wetsvoorstel waarin ook de diensten en investeringen zouden worden opgenomen. Ook vanuit onze buurlanden Nederland en Luxemburg bestaat er belangstelling, evenals vanuit Spanje. Mijn diensten staan bovendien in contact met onze collega’s in Ierland, die eveneens een gelijkaardig voorstel uitwerken. Met andere woorden, ons initiatief krijgt tractie.
Het behoort tot de bevoegdheden van de FOD Economie om samen met de FOD Financiën de actie concreet uit te werken. Er zijn deelaspecten die eenvoudiger toe te passen zijn dan andere. Als voorbeeld kan worden vermeld dat de lijst met postcodes van de nederzettingen gekend is, waardoor de productiesites kunnen worden getraceerd. Ook de Verenigde Naties heeft recent een geactualiseerde lijst gepubliceerd van ondernemingen die actief zijn in de illegale nederzettingen. Om uw vraag te beantwoorden, geef ik mee dat geen enkel Belgisch bedrijf daarin is vermeld.
C'est bon à savoir! Cette mise à jour faite par les É tats, par les Nations Unies, précise bien que, dans toute cette liste d'entreprises qui agissent dans les colonies illégales, ne figure aucune entreprise belge.
Pour répondre de manière plus précise encore à M. De Smet, qui m'interrogeait sur les modalités pratiques de la mise en œuvre de cette sanction décidée par le Conseil des ministres et visant à interdire l'importation de ces produits, je ne peux que vous inviter à l'avenir à interroger mes collègues de l'Économie et des Finances chargés de la mise en œuvre pratique de cette décision, et non les Affaires étrangères. Madame Maouane, la décision du Conseil des ministres vise bien à interdire non seulement les produits issus d'entreprises publiques israéliennes mais aussi ceux des entreprises privées installées dans les colonies. Pour les mécanismes de contrôle et les modalités d'importation via d'autres pays de l'Union européenne, comme je viens de le préciser, je ne peux que vous orienter vers mes collègues en charge de l' É conomie et des Finances.
Monsieur De Smet, nous prenons nos responsabilités au niveau national et aussi au niveau européen qui, je l'ai déjà dit, reste incontestablement le niveau le plus pertinent pour agir. Mais ceci ne doit pas nous dédouaner de nos propres initiatives. La Belgique soutient clairement la suspension partielle et même potentiellement totale de deux volets de l'accord: le volet commercial et le volet recherche-innovation-coopération technologique.
Je rappelle qu'à la lecture de la décision prise par le kern, entérinée ensuite par le Conseil des ministres, j'ai reçu un mandat clair et total d'appuyer toutes les sanctions qui seront mises sur la table par l'Union européenne et de pouvoir même les plaider. Vous aurez vu dans la liste que nous avons évidemment évoqué le fameux accord d'association entre l'Union européenne et Israël, tant sa suspension totale que partielle. Mais nous avons été bien au-delà, en listant toute une série d'autres accords entre l'Union européenne et Israël et pour lesquels la Belgique est demandeuse. Elle-même soutiendra donc toute sanction possible.
Monsieur Kompany, le 17 septembre la Commission européenne a finalement présenté un paquet de mesures et de sanctions aux États membres. Il y a donc quelques jours de cela, suite aux demandes que j'avais formulées à plusieurs reprises avec d'autres collègues européens. J'ai en effet eu des discussions avec certains de mes partenaires européens sur ces propositions. Pour les adopter, il faudra, selon les mesures proposées, tantôt l'unanimité, tantôt une majorité qualifiée. La Belgique adoptera quoi qu'il en soit une approche volontariste. Au-delà des accords et des programmes dont nous avons déjà décidé d'appuyer la suspension, la décision du gouvernement est très claire: la Belgique appellera la Commission et le Service européen pour l'action extérieure à présenter également d'autres mesures possibles. Nous ne nous en tiendrons pas uniquement aux déclarations faites par Mme Von der Leyen.
Monsieur Boukili, vous estimez peut-être que l'accord est largement insuffisant, bien qu'il soit largement supérieur à ce qu'un quelconque précédent gouvernement ait jamais pris comme décision, que plusieurs mesures sont des premières et que d'autres pays s'en inspirent. Là où je ne suis pas d'accord avec vous, c'est que votre logique semble être celle de sanctions aveugles permanentes, celle du blanc ou noir. Je l'ai dit, ce serait une erreur de punir aveuglément un peuple dont des centaines de milliers de personnes, tout comme en Belgique, s'insurgent contre les politiques du gouvernement Netanyahu. Notre gouvernement fait la différence entre le gouvernement d'Israël, qui viole actuellement de manière scandaleuse le droit international, et le peuple d'Israël, qui est divisé. Nous veillons aussi à ne pas faire d'amalgame entre le gouvernement d'Israël et la communauté juive à travers le monde. L'antisémitisme est en hausse, et pour lutter contre cela, nous prenons aussi des mesures.
Volgend op de beslissingen van de federale regering van 12 september en de opdracht die mij werd gegeven om de toegang tot de consulaire diensten voor Belgen die in de nederzettingen wonen te beperken tot uitsluitend de wettelijk bepaalde noodbijstand, kan ik enige toelichting geven in antwoord op uw vragen.
Er dient allereerst een duidelijk onderscheid tussen consulaire administratieve bijstand en consulaire noodbijstand te worden gemaakt. Beiden vallen onder het regelgevend kader van het Consulair Wetboek. De elementen van consulaire dienstverlening die in dat wetboek staan, die u in uw vragen hebt aangehaald, vallen onder de definitie van consulaire administratieve bijstand en zullen derhalve niet langer aan de Belgen die in de nederzettingen wonen worden verleend.
Wat de legalisaties betreft herinner ik u eraan dat Israël, net als België, lid is van het Verdrag van Den Haag van 5 oktober 1961 tot afschaffing van het vereisen van legalisatie van buitenlandse openbare akten. Voor de regeringsbeslissing van 12 september werden er dus al geen documenten meer gelegaliseerd.
Consulaire noodbijstand, inclusief de afgifte van noodreisdocumenten, zoals bepaald in hoofdstuk 13 van het Consulair Wetboek, blijft wel van toepassing, zoals voor alle Belgen in het buitenland, in uitvoering van de regeringsbeslissing van 12 september.
Collega’s, volgens de informatie waarover wij beschikken, nemen acht Belgen deel aan de Global Sumud Flotilla. Anderen maken deel uit van de Thousand Madleens Flotilla. We staan in contact met deze flottieljes en hun vertegenwoordigers in België. Mijn medewerkers ontvangen vandaag voor de tweede keer vertegenwoordigers op mijn kabinet.
De FOD Buitenlandse Zaken volgt de ontwikkelingen op de voet.
Et je suis toujours surpris quand – sauf à vouloir caricaturer la situation – on parle de mon silence sur la question de cette flotte.
D'abord parce que je me suis déjà exprimé publiquement à deux reprises. Par ailleurs, pas plus tard que dimanche dernier, j'ai encore longuement eu au téléphone le matin l'un des acteurs coordinateurs. Peut-être que ce que je dis n'est-il pas ce que la flottille a envie d'entendre. Ça, c'est autre chose. Mais pour autant, on ne peut pas parler de silence.
Pendant votre week-end à Catane, monsieur Dermagne, j'ai obtenu de mes homologues italien et espagnol – et je vous remercie d'avoir eu l'élégance de le souligner – que leurs bateaux puissent en cas de besoin porter assistance à nos compatriotes.
Il y a une grande distinction à opérer entre la protection consulaire et la protection militaire. J'entends que la flottille voudrait que la Belgique envoie un bateau militaire. Outre le fait que je ne rentrerai pas dans un long débat sur notre marine et la disponibilité relative de ses frégates – dont certaines sont d'ailleurs en maintenance –, des pays comme la Grèce, l'Italie ou l'Espagne, au vu de leur configuration géographique bercée par l'eau, ont évidemment une flottille bien plus large que la nôtre. Dès lors que l'enjeu est de porter assistance en cas de problème, il n'est nul besoin d'un bateau supplémentaire à ceux déjà aux côtés de la flottille actuelle. C'est la raison pour laquelle j'ai pris contact d'initiative avec mes homologues italien et espagnol pour s'assurer qu'en cas de nécessité, leur bateau pourrait aussi prendre en considération l'assistance à apporter à nos compatriotes, ce qui a été acquis. Et j'en remercie l'Italie et l'Espagne.
C'est différent d'une protection militaire, car même mes homologues m'ont confirmé que les bateaux militaires dépêchés sur place par l'Espagne et l'Italie s'y rendent avec la seule finalité d'une assistance humanitaire. Ils ne vont pas eux-mêmes franchir les eaux territoriales israéliennes. Il ne faut donc pas attendre une intervention militaire quelconque, susceptible de générer une escalade militaire avec plusieurs pays européens, que personne ne souhaite dans cette région.
Bien sûr, nous pourrions à l'envie discourir, faire des cartes blanches, donner des interviews en disant "oui mais ce ne sont pas des eaux territoriales israéliennes, ce sont des eaux territoriales palestiniennes". Je suis ouvert et prêt pour tout ce débat rhétorique. Il n'en demeure pas moins qu'aujourd'hui, nous avons quand même tous pu nous rendre compte, depuis des mois et des mois, que le respect du droit international n'était pas la grande priorité de l’État d’Israël. Il viole ce droit international sans vergogne depuis des mois sur terre. Qui peut imaginer que tout d'un coup, il va par miracle être pris de remords à violer ce droit international en mer? Il considère, indépendamment de la rhétorique qui peut nous animer, que les eaux territoriales sont bel et bien israéliennes. Peu importe que l'on cautionne ou pas cette analyse: c'est celle aujourd'hui d'Israël, qui est susceptible d'intervenir militairement.
C'est la raison pour laquelle, tout en saluant pour ma part la démarche extrêmement louable de ces activistes – et ce mot n'est pas péjoratif dans ma bouche – je rappelle, et c'est mon devoir, que nos compatriotes qui participent à ces flottilles sont en train de mettre leur vie en danger. C'est mon devoir de les alerter et de ne pas faire semblant de l'ignorer. C'est mon devoir de souligner que, si leur volonté d'attirer l'attention de la communauté internationale sur le blocus humanitaire honteux qui s'exerce depuis trop longtemps à Gaza est évidemment louable, il n'a pas été utile que cette démarche se fasse pour que la communauté internationale soit consciente de ce drame qui se joue.
C'est là où je dis qu'il y a une mise en danger que l'on peut juger risquée ou inutile de leur propre vie, alors même que le message a déjà été compris, mais que les capacités d'action et d'intervention pour éviter un embrasement militaire total de la région sont compliquées et doivent se résoudre par les voies diplomatiques. Il ne saurait être question d'envoyer des navires militaires et encore moins d'intervenir militairement, sous peine de générer une escalade dans la région.
Je rappelle que des propositions ont été faites à cette flottille de pouvoir livrer leur aide humanitaire sur une île grecque, se chargeant par la suite du transport jusqu'à destination, mais que cette proposition n'a ni été souhaitée ni jusqu'à présent acceptée par Israël.
Je le dis et redis très clairement: une assimilation de ces Belges par Israël à des terroristes est et serait totalement inacceptable. J'ai déjà insisté auprès d'Israël pour le respect strict du droit international, y compris celui de la mer. Mais vous savez, aujourd'hui, quel intérêt extrêmement relatif Israël porte au respect du droit international.
Mes services ont invité vendredi dernier l'ambassadrice d'Israël, une nouvelle fois, pour lui transmettre clairement nos messages et la mettre en garde: toute démarche, et a fortiori, attaque contre nos compatriotes est inacceptable. Une protection consulaire classique – celle que nous offrons à nos compatriotes quel que soit le pays du monde où ils se trouvent en difficulté – sera évidemment procurée. Mais ne confondons pas un souhait de protection consulaire avec une exigence de protection militaire qu'il n'est pas raisonnable de formuler dans le contexte que nous connaissons!
C'est la raison pour laquelle, sans remettre en cause la motivation de ces personnes et en m'associant à la volonté qui est la leur de dénoncer le blocus humanitaire, en agissant par contre par les voies diplomatiques en vue d'obtenir un résultat, je ne peux que réitérer mon appel à la plus grande prudence pour éviter à nos compatriotes une mise en danger de leur propre vie et de celle des personnes qui les accompagnent.
Les leviers sont clairement au niveau diplomatique. On peut espérer que le plan proposé par M. Trump, nonobstant les éléments d'insatisfaction qui subsistent ou les éléments de clarification attendus, procure rapidement des effets, dont notamment la libération de plus de 500 camions d'aide qui pourraient à nouveau entrer chaque jour à Gaza. Ce serait effectivement un élément utile, susceptible de procurer un résultat concret sur le terrain.
Voilà, mesdames et messieurs les parlementaires, les éléments qu'il me paraissait utile d'apporter en réponse à vos interrogations multiples et légitimes sur la situation problématique à Gaza, en Israël, et à l'égard de la flottille. Il n'y a pas de silence. Il y a une prise de conscience et une prise de responsabilité, qui doivent venir de toutes les parties. Je vous remercie.
De voorzitster : Collega’s, iedereen heeft twee minuten repliektijd. Gelieve u daaraan te houden, aangezien er nog veel vragen volgen.
Rajae Maouane:
Madame la présidente, je vais essayer d'être rapide. Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je ne vais pas vous cacher que je ne suis pas totalement satisfaite ou totalement rassurée par toutes vos questions. Merci d'abord d'avoir qualifié les propos du ministre israélien – qui menace les activistes – "d'inacceptables". C'est rassurant, je ne l'avais pas entendu avant. Je l'entends maintenant et cela me rassure.
Le plan américain est un début, en effet, mais ce n'est pas vraiment un plan de paix. Comme je l'ai dit, c'est un ultimatum. C'est un couteau sous la gorge des Palestiniens pour accepter un plan de paix qui n'en n'est pas un.
Sur le reste, je me réjouis d'interroger MM. Jambon et Clarinval sur l'interdiction des produits issus des colonies.
J'ai beaucoup de respect pour vous et votre fonction. J'ai même – j'espère que vous le savez – de l'estime à votre égard. Par contre, quand je vous entends dire qu'il y a un "problème" à Gaza, parler de "crise humanitaire", cela me choque profondément. Les mots ont un sens, monsieur le ministre. Le problème à Gaza est qu’Israël est une armée sans limite qui bombarde des enfants, qui tue des pères, qui tue des mères, qui assassine des journalistes, qui fait un nettoyage ethnique, qui fait exploser des hôpitaux, qui tue un à un des membres des services de secours, des médecins, des infirmiers, des secouristes. Ce n’est pas un problème: c'est un génocide.
Vous parlez de "crise humanitaire", mais ce n’est pas une crise humanitaire, c'est un blocage, un blocus humanitaire imposé de manière illégale par Israël à une population, qui empêche la nourriture d'entrer et qui empêche les médicaments d'entrer. Israël a des snipers qui tuent des gens qui viennent chercher à manger alors qu'ils sont déjà affamés. Donc quand je vous entends dire ces mots-là, moi ça me choque et je ne comprends pas pourquoi il y a une espèce de minimisation de ces problèmes.
Monsieur le ministre, on ne rêve pas d'une évacuation des civils de Gaza. Moi je rêve, je demande et veux que les civils soient protégés. On veut que les civils ne soient pas bombardés tous les soirs et tous les jours. On rêve que les enfants retrouvent un avenir, qu'une population arrête d'être nettoyée ethniquement, qu'elle arrête d'être privée de nourriture, qu'elle arrête de craindre pour sa vie à toute heure du jour ou de la nuit, qu'elle arrête de craindre pour son avenir. On rêve que les Gazaouis restent à Gaza en sécurité. On rêve que les colons arrêtent leur violence en Cisjordanie. C'est ça, notre rêve. Que le peuple palestinien ait réellement droit à son autodétermination et à la paix et la sécurité.
C'est ça notre rêve aujourd'hui. J'espère que vous le partagez également, même si parfois les mots, comme je l'ai dit, ne sont pas suffisamment forts au vu de la situation dramatique et du génocide qu'on est en train de vivre.
Sam Van Rooy:
Vooreerst laat ik opmerken dat de Hamas Flotilla, waaraan acht antisemitische narcisten uit België deelnemen, uiteen is gevallen, omdat moslims niet met zogeheten queeractivisten willen varen. De terreurvloot wees zelfs het voorstel van Italië en het Vaticaan af om de hulpgoederen veilig af te leveren in Gaza. Dat zegt alles.
Mijnheer de minister, ik heb vier punten genoteerd. Ten eerste, de Belgen die zich aansloten bij de illegale terreurvloot van Hamas, van moslimterroristen dus, kunnen op uw steun en die van de regering rekenen. Ze krijgen zelfs lovende woorden, Belgistan ten top.
Ten tweede, de corrupte negationist Mahmoud Abbas en diens Palestijnse Autoriteit betalen al decennia, ook de afgelopen maanden nog, minister, jihadistische Jodenmoordenaars. De regering blijft daar belastinggeld aan geven en heeft dus alsmaar meer Joods bloed aan de handen.
Ten derde, een aantal woningen in Judea en Samaria blijkt voor de Belgische politici belangrijker te zijn dan de talloze christenen die in het Midden-Oosten door moslims worden afgeslacht.
Ten vierde, als Hamas het Gazaplan van Trump en Netanyahu aanvaardt, stopt de oorlog onmiddellijk. Zo niet, gaat Israël door to finish the job , en dat voortaan met de goedkeuring van iedereen die het twintigpuntenplan aanvaardt. Het is dus een goede zaak, minister Prévot, dat u achter dat plan staat. Dat uw meent dat de jihadisten van Hamas en Qatar zonder de grote militaire macht en druk van Israël, en dus zonder de oorlogsvoering van het IDF, willen onderhandelen, illustreert uw infantiel wereldbeeld.
Tot slot richt ik me tot de pro-Palestijnse activisten in het Parlement, die al bijna twee jaar genocide en ceasefire roepen en aanhoudend lasteren, maar vandaag het ceasefire plan van president Trump verwerpen, uw masker is nu wel heel duidelijk afgevallen.
Lydia Mutyebele Ngoi:
Monsieur le ministre, je voudrais tout d’abord vous remercier pour vos propos concernant la flottille. Nous avons en effet entendu ce matin que vous vous êtes déjà adressé à Israël en affirmant qu’il ne respecte pas le droit international, notamment en ce qui concerne les eaux territoriales, qui ne relèvent pas de sa compétence mais bien de Gaza. Je vous remercie pour ces déclarations fortes. Je vous remercie également d’avoir affirmé que les membres de la flottille ne sont pas des terroristes. Vos propos, en tout cas, se distinguent de ceux du premier ministre et du gouvernement. Je tiens à le saluer.
Je vous invite, monsieur le ministre, à rester en contact avec les membres de la flottille et à continuer à interpeller solennellement Israël. Je pense que la population belge a besoin de vous entendre, de savoir que vous êtes solidaire de nos compatriotes qui accomplissent un travail remarquable.
Un génocide est en cours. Concernant les sanctions, il ne faut pas fanfaronner. Jusqu’au mois d’août, au Conseil de l’Europe, nous étions du mauvais côté de l'histoire. Ce n’est qu’en septembre que nous avons rejoint les autres pays. Il ne faut donc pas adopter un ton trop triomphant. Je vous salue pour le travail accompli, mais restons lucides car jusqu’il y a peu, la situation était complexe.
Enfin, concernant le texte visant à interdire les produits issus des colonies, je m’adresse à vous, madame la présidente, madame Van Hoof, et vous demande de bien vouloir soumettre votre texte au vote. Nous vous soutiendrons. Si nous devons attendre celui de M. Clarinval et de M. Jambon, nul ne sait quand il sera prêt.
En tout cas, nous devons avancer et aller plus loin. Nous vous soutiendrons donc. Je vous remercie.
Nabil Boukili:
C'est très difficile de répondre en deux minutes, monsieur le ministre. Vous avez dit beaucoup de choses.
Certaines choses ont retenu mon attention, notamment ce que vous dites que au sujet de la flottille. Ce qui était demandé, c'est comment garantir sa protection et éviter qu'on arrive à un drame. C'était de prendre position par rapport à Israël de manière publique et déclarée, que s'il s'attaque à cette flottille il y aura des représailles, il y aura des réponses du gouvernement belge. Ça, ça n'a pas été clarifié à ce niveau-là. Quand vous dites que cette flottille n'était pas nécessaire pour sensibiliser la communauté internationale à ce qui se passe à Gaza, je ne suis pas d'accord avec vous. Parce que vu la situation aujourd'hui à Gaza, vu le génocide à Gaza, ce n'est pas une crise humanitaire, c'est une famine organisée dans l'objectif de supprimer le peuple palestinien. C'est la politique et la stratégie de l'État d'Israël.
Non, les réponses ne sont pas à la hauteur. Je suis désolé. Vous dites qu'on est dans le peloton de tête au niveau européen concernant des sanctions. Je suis désolé, on parle de l'Europe, qui est la première complice de l'État génocidaire en étant son premier partenaire économique et commercial. C'est l'Europe de l'Allemagne qui exporte 30 % des armes importées par Israël qui tuent les Palestiniens. C'est l'Europe d'Orbán et compagnie. Être dans le peloton de cette Europe-là, ce n'est pas un exploit. Je vous rejoins sur le fait qu'il ne faut pas fanfaronner là-dessus.
Par contre, la Belgique peut prendre des sanctions toute seule sans avoir recours à l'Europe, notamment pour suspendre des accords commerciaux parce que le droit international prime sur le droit européen. Ce sont des juristes et des avocats qui le disent. Ce n'est pas Nabil Boukili qui l'invente. Vous pouvez le faire et il y a des articles dans ces traités-là qui vous permettent de le faire.
La Belgique a choisi de ne pas le faire. Et vous dites vous-même pourquoi vous ne le faites pas: il ne faut pas de sanctions aveugles parce qu'il ne faut pas sanctionner le peuple israélien. Il ne faut pas mélanger le peuple avec le gouvernement. Et c'est ça qui vous est reproché, monsieur le ministre. C'est cette hypocrisie et ce deux poids deux mesures. Parce que quand vous prenez des sanctions contre l'Iran, vous ne dites pas ça. Quand vous prenez des sanctions contre la Russie, vous ne dites pas ça. Quand vous prenez des sanctions contre d'autres pays, vous ne dites pas ça. Ici, on parle d'un État qui fait ce qu'aucun de ces pays n'a fait: un génocide. Colonisation, déportation des populations, famine. Aucun de ces États qui sont sanctionnés par la Belgique n'a fait la moitié du quart de ce que fait Israël. Pourtant, vous avez ce discours vis-à-vis d'Israël, mais pas vis-à-vis des autres pays.
Ce sont cette hypocrisie et ce deux poids deux mesures qui vous sont reprochés.
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Nous avons entendu. Vous êtes toujours dans la même ligne de conduite, à savoir la défense du droit international. Ce faisant, vous finissez par amener notre pays, la Belgique, en tête du peloton européen de ceux qui cherchent des solutions, aussi difficiles soient-elles, parce qu’en face, il y a des actes qui dépassent l’entendement.
Vous avez parlé du blocus humanitaire. Qui peut accepter qu’une telle situation devienne naturelle? Impossible. Vous êtes là pour montrer à l’Europe…Vous avez parlé aussi de l’inertie européenne, qui est visible, il ne faut pas se le cacher. Mais la Belgique en fait partie. La Belgique, avec son paquet de sanctions, entraîne de plus en plus le niveau international, et surtout européen, à la compréhension que seul prime le droit international.
Quant à la flottille, je vous ai bien entendu, monsieur le ministre. Vous avez parlé du cas diplomatique et de celui qui est militaire. Avec raison. Ce n’est pas avec une armée que nous pouvons aller bousculer ce qu’il se passe par là. Il faut de l’intelligence. Je vous le conseille. Merci.
Els Van Hoof:
Dank u, meneer de minister, voor uw uitgebreide antwoord. U onderstreept dat de verdienste van het Amerikaans plan erin bestaat dat het de genocide van vandaag onmiddellijk stopt. Maar willen we een nieuwe genocide voorkomen, dan moet het plan ook worden uitgevoerd en u hebt daar zelf toch wel enkele vraagtekens bij geplaatst.
Inderdaad, bezetting moet worden uitgesloten. Hoe zit het echter met het recht op zelfbeschikking op termijn? Wat zijn de etappes? Welke rol speelt de Palestijnse Autoriteit? U hebt erkend dat het plan niet perfect is. Daarom moet de Belgische regering zich houden aan haar akkoord van 2 september om druk te blijven zetten op de Europese Unie in verband met het associatieakkoord en de sancties.
Als het twintigpuntenplan wordt goedgekeurd door zowel Hamas als Israël, moeten we volgens mij doorpakken, want dan zijn de twee voorwaarden vervuld: Hamas verdwijnt uit het bestuur en de gijzelaars worden vrijgelaten. Dan moet het KB houdende de erkenning van Palestina er snel komen, op grond waarvan België Israël agressor kan noemen, aangezien het land een ander land binnen is gevallen. Israël moet dan inderdaad het internationaal recht naleven en stoppen met annexaties van een ander land. Dat is belangrijk, want vandaag zijn er geen garanties in verband met de Westelijke Jordaanoever. Dan kunnen we ook verdragen sluiten met de Palestijnse autoriteit, daar een ambassadeur naartoe sturen en sancties hardmaken. Dat zijn de voordelen van het plan en daar moeten we op blijven inzetten. Dat advies wil ik meegeven.
Michel De Maegd:
Pour ma part, j'aimerais saluer l'accord obtenu en kern, qui a permis à la Belgique, lors de l'Assemblée générale de l'ONU, par votre entremise, monsieur le ministre, mais également par celle du premier ministre, de tenir une voie digne en phase avec le droit international et les valeurs que notre pays a toujours défendues dans le concert des nations. Il s'agit d'une décision humanitaire importante qui, oui, je le dis comme vous, place notre pays dans le peloton de tête de l'Union européenne: train de sanctions sévères à l'encontre des ministres d'extrême droite et suprématistes du gouvernement Netanyahu, ainsi que reconnaissance politique de l' État de Palestine – certes conditionnée pour ne donner aucun blanc-seing au groupe terroriste Hamas et servir, surtout, de levier pour tenter d'obtenir enfin la libération des otages . C'est une décision forte de notre pays, qu'aucun autre gouvernement avant l'Arizona n'avait pu prendre et qui est en phase, madame la présidente, avec la résolution que nous avons adoptée ici même. Les États-Unis ont proposé un plan de paix. À charge pour le groupe terroriste Hamas de revenir enfin à la raison et de libérer les otages. C'est une lourde responsabilité qui pèse sur lui, près de deux ans après les effroyables attaques terroristes du 7 octobre qui étaient clairement revendiquées comme visant à tuer des Juifs parce qu'ils étaient juifs. Dans peu de temps, les masques tomberont. Le Hamas, qui crie au génocide en piégeant dans le même temps les Palestiniens de Gaza, veut-il sincèrement éviter un nouveau de bain de sang sur place? Je l'espère. Ce plan de paix, certes imparfait, prévoit un cessez-le-feu, une aide humanitaire, la libération des otages, ainsi que celle de nombreux prisonniers palestiniens. Ce plan exclut tout rôle pour le Hamas et prévoit le développement à Gaza d'une force de stabilisation internationale. Il faut en tenir compte. En effet, voyant d'où l'on vient, c'est un pas décisif. Pour conclure, madame la présidente, ce plan est bien plus concret que toute mission menée par une flottille internationale. Les participants à cette périlleuse entreprise ont, certes, la liberté de le faire, mais en tant que libéral, je sais que la liberté s'assortit de responsabilités. Les membres de cet équipage, quelque peu pompiers-pyromanes, par les temps qui courent, mettent sciemment leur vie en danger, comme le ministre nous l'a dit. Crisper davantage la situation, alors qu'elle est déjà si complexe, n'apportera rien à la population de Gaza ni aux Palestiniens, et rien non plus à la sécurité des Israéliens. En revanche, elle va créer beaucoup de problèmes aux membres de cette flottille.
Het standpunt van België inzake het Mercosur-handelsakkoord
Mercosur
Het EU-Mercosur-akkoord
Het door de Europese Commissie goedgekeurde Mercosur-akkoord
Het EU-Mercosur-handelsverdrag
Het EU-Mercosur-akkoord
Het EU-Mercosur-akkoord
Het EU-Mercosur-handelsakkoord en de Belgische positie
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België heeft nog geen definitief standpunt over het EU-Mercosur-handelsakkoord, dat eind 2024 door de Europese Commissie is voorgelegd en mogelijk nog dit jaar wordt gestemd, omdat consensus ontbreekt tussen federale en deelstaatregeringen (met name Wallonië tegen). Kritiekpunten zijn de dreiging voor de landbouwsector (oneerlijke concurrentie, lagere normen), zwakke handhaving van klimaat- en arbeidsrechten (ondanks opname Parijsakkoord) en gebrek aan bindende sancties bij schendingen. De federale regering analyseert nog de impactstudie en beschermingsmechanismen (quota, vrijwaringsclausules), maar Frankrijk en Oostenrijk verzetten zich al, terwijl andere lidstaten (o.a. Nederland, Polen) nog aarzelen. Snelheid en een duidelijk Belgisch front worden gevraagd om zowel economische kansen (diversificatie, export) als risico’s (voedselzekerheid, duurzaamheid) af te wegen.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, het betreft een heel ander onderwerp dan in de twee voorgaande debatten, maar daarom is het niet minder belangrijk. Op 4 september werd bekend dat de Europese Commissie een concreet voorstel voor een handelsdeal met Mercosur heeft voorgelegd. Dat zou reeds op 3 augustus jongstleden zijn gebeurd. Voor de Europese Commissie is het akkoord nu klaar om ter stemming aan de lidstaten en het Europees Parlement te worden voorgelegd.
Ik heb u daar in het verleden al een schriftelijke vraag over gesteld en u gaf toen aan dat België nog geen definitief standpunt had omdat men de finale teksten afwachtte. Dat begrijp ik, maar die finale teksten zijn er nu. De documenten liggen op tafel en de Europese Commissie hoopt tegen het einde van het jaar het akkoord goedgekeurd te krijgen. De tijd dringt dus, eindelijk zou ik zeggen, want die handelsdeal hangt al heel lang in de lucht. Het wordt tijd dat we actie ondernemen en dat er duidelijkheid komt over de positie van de Belgische regering.
Het zal u niet verbazen dat de Mercosur-handelsdeal voor mijn fractie bijzonder belangrijk is. Wij zijn niet alleen voorstander, maar het zou een ernstige en strategische fout zijn om er niet in mee te gaan. We spreken allemaal over het belang van andere afzetmarkten. Zij hebben heel goede banden met de Verenigde Staten, die ons handelstarieven opleggen. Het is daarom van groot belang, ook voor België, dat we andere afzetmarkten ontwikkelen. De deal met Mercosur kan daar een voorbeeld van zijn.
Ik heb een aantal vragen. Hebt u kennisgenomen van de Mercosur-deal die nu op tafel ligt? Heeft de federale regering inmiddels een standpunt? Zo ja, kunt u dat standpunt toelichten? Zo niet, welke elementen ontbreken volgens u nog om tot een standpunt te komen?
Zijn er al gesprekken gevoerd met de deelstaten? We weten dat de Waalse regering of meerderheid vorig jaar november al aangaf dat het voorstel destijds onvoldoende was. Is dat ondertussen gewijzigd?
Wanneer staat het handelsakkoord op de agenda van de Raad?
Er zijn bovendien bezorgdheden vanuit de landbouwsector en milieuorganisaties. Acht u die terecht? Is er sprake van een level playing field?
U gaf ook aan dat de FOD Economie werkte aan een actualisering van de impactstudie. Is deze studie reeds beschikbaar?
Dieter Keuten:
Mijnheer de minister, opnieuw wordt Mercosur hier besproken. Ik kan de vragen van collega Vander Elst alleen ondersteunen. We verschillen van mening over de finaliteit van het akkoord dat op tafel ligt, maar zijn vragen zijn heel pertinent. Hij zegt dat het akkoord nog voor het einde van dit jaar zou kunnen worden ondertekend. Ik heb vandaag gelezen dat 5 december naar voren wordt geschoven als de datum waarop er in Brazilië een ceremonie zou plaatsvinden waarbij de Europese Unie en de Zuid-Amerikaanse landen het akkoord zouden ondertekenen.
Ik heb nog een kleine aanvulling op de uiteenzetting van collega Vander Elst. Ik heb gelezen dat de Waalse minister-president zich afgelopen maand nog sterk heeft uitgesproken tegen dit akkoord. Ook Vlaams minister van Landbouw Jo Brouns verzet zich nog steeds tegen dit akkoord. Ik ben heel benieuwd naar het standpunt van de federale regering.
Hoe rijmt u dit akkoord met het regeerakkoord? Daarin wordt de landbouwsector immers aangeduid als een strategische sector die de voedselzekerheid waarborgt. Zijn er voldoende waarborgen ingebouwd in deze laatste versie van de Mercosur-tekst? Kunt u toelichten welke beschermingsmaatregelen in werking treden wanneer de invoer van sommige landbouwproducten bepaalde drempels overschrijdt? Op welke compensaties kunnen onze boeren rekenen wanneer dat het geval is?
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, recent is de definitieve tekst van het EU-Mercosur-akkoord gepubliceerd, na meer dan 20 jaar. De nieuwe versie bevat duidelijke verbeteringen ten opzichte van die van 2019, zoals het opnemen van het akkoord van Parijs als essentieel element en afspraken om ontbossing tegen te gaan.
Het zou goed zijn als Europa hierop invloed kan uitoefenen. Toch blijven er belangrijke tekortkomingen die vragen oproepen, terwijl de Belgische regering eigenlijk een standpunt moet formuleren. Zo kan het niet naleven van het klimaatakkoord in theorie leiden tot opschorting van het handelsakkoord, maar de bepalingen over duurzame ontwikkeling zijn zeer moeilijk afdwingbaar.
Daarnaast verplicht het akkoord tot het aannemen van verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie ter bescherming van sociale en arbeidsrechten, maar ook daarover blijven grote zorgen bestaan. Een belangrijk artikel maakt na drie jaar een eerste evaluatie mogelijk over ontbossing en de sociale situatie, maar het is niet duidelijk wat er gebeurt als de resultaten negatief zouden zijn.
Ik heb een paar vragen.
Ten eerst, welk standpunt zal België innemen in de Raad om te garanderen dat schending van het akkoord van Parijs daadwerkelijk invloed uitoefent op het klimaatbeleid van onze handelspartners en kan leiden tot opschorting van het akkoord?
Ten tweede, hoe zal België erop toezien dat sociale en arbeidsrechten in de Mercosur-landen worden gerespecteerd en niet verder worden uitgehold onder druk van de toegenomen handel?
Ten derde, welke garanties zal België vragen op Europees niveau zodat de evaluatie na drie jaar bindende gevolgen heeft wanneer de resultaten negatief zijn voor ontbossing of arbeidsrechten? Hoe zal de betrokkenheid van de vakbonden en de ngo’s hierbij worden verzekerd?
Pierre Kompany:
Monsieur le premier ministre, le 3 septembre 2025, la Commission européenne a validé l'accord avec le Mercosur. Toutefois, tout n'est pas encore joué tant que les 27 du Parlement européen n'ont pas encore voté cet accord. Nous l'avions déjà dénoncé en juin, mais il est temps d'agir face à la stratégie de la Commission européenne qui scinde le traité pour isoler la partie commerciale des volets politique et de coopération.
Elle va ainsi retirer toute possibilité de contrôle démocratique par les parlements de notre pays. Pourtant, la Belgique n'est pas la seule à marquer sa ferme opposition à la mise en œuvre de cet accord. La France et l'Autriche font également partie de ce groupe.
Nous ne pouvons pas laisser la Commission tenter de passer outre les parlements belges. Monsieur le ministre, je rappelle que l'accord de gouvernement impose de garantir la réciprocité commerciale tout en veillant strictement au respect des normes européennes de qualité pour les produits importés. Or l'accord de l'Union européenne Mercosur en l'état échoue sur ces trois plans.
Premièrement, il expose nos producteurs à une concurrence déloyale. Deuxièmement, il tire vers le bas nos normes sociales, environnementales et sanitaires. Troisièmement, il fragilise notre autonomie stratégique en matière alimentaire.
La position des Engagés est ferme. L'Europe est un marché de 450 millions de consommateurs. Elle doit être capable d'imposer ses propres standards sur son territoire.
Monsieur le ministre, quelles actions avez-vous ou comptez-vous rapidement mettre en place au niveau européen pour tenter d'éclairer d'autres États membres sur les dangers et risques de cet accord pour nos agriculteurs européens ainsi que pour l'alimentation et la santé de nos citoyens européens? Quel est l'état de la coalition des pays de l'Union européenne qui s'opposent au Mercosur? Face à l'imminence de l'action de la Commission, avez-vous multiplié les contacts?
Avez-vous des éléments d'information concernant la clause de sauvegarde pour protéger les agriculteurs européens – cette législation annexe décidée par la Commission à défaut d'avoir accepté de rouvrir l'accord? Quels pourront être les moyens mis en œuvre par la Belgique pour parer aux trois échecs précités de l'accord Mercosur?
Maxime Prévot:
Op woensdag 3 september presenteerde de Commissie haar voorstellen voor besluiten van de Raad betreffende de ondertekening en de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Mercosur.
Laat ik beginnen met het onderstrepen van een strategisch fundament: het belang van nieuwe handelsverdragen in onze diversificatieaanpak. Vandaag, meer dan ooit, is dat geen luxe, maar een noodzaak. U volgt het nieuws net als ik. Handel is uitgegroeid tot een dagelijks gespreksonderwerp, met de huidige tariefoorlog van de Verenigde Staten als sprekend voorbeeld. Als kleine open economie kunnen we niet toekijken vanaf de zijlijn. We hebben baat bij sterke, eerlijke en toekomstgerichte handelsakkoorden.
Permettez-moi d'être clair: mon engagement ne s'arrête pas pour autant aux seuls chiffres économiques. Je suis pleinement conscient des sensibilités liées à la durabilité et à l'agriculture, par exemple. Celles-ci méritent notre attention, notre soin et notre protection. C'est pourquoi je vise des relations commerciales mondiales stables, qui renforcent non seulement notre économie et notre prospérité, mais reflètent aussi nos valeurs: écologiquement responsables et socialement justes.
Wat het Mercosurakkoord zelf betreft, de toezending van de besluiten markeert formeel het begin van het proces van validering van de overeenkomst op Europees niveau.
In haar voorstel stelt de Commissie een structuur voor die vergelijkbaar is met de structuur die in het verleden voor het akkoord met Chili werd gebruikt, namelijk een interimhandelsovereenkomst met exclusieve bevoegdheid van de EU, aangenomen met gekwalificeerde meerderheid, en een partnerschapsovereenkomst met gemengde bevoegdheid, die met unanimiteit wordt aangenomen.
De partnerschapsovereenkomst zal de interimovereenkomst vervangen, zodra die door alle partijen bij de overeenkomst is geratificeerd. Op EU-niveau betekent het dat alle lidstaten in overeenstemming met hun institutionele procedures moeten instemmen.
La Belgique, y compris le gouvernement fédéral, a pris connaissance des propositions de la Commission. Mes services avaient commencé à analyser l'accord dès la publication des textes négociés en décembre 2024.
Le SPF Économie a préparé une analyse complémentaire à l'analyse d'impact de l'accord pour notre pays. Cette analyse complémentaire devrait être publiée prochainement, et la publication du 3 septembre dernier marque une nouvelle étape dans le processus décisionnel.
Het definitieve Belgische standpunt over het EU-Mercosurakkoord zal, zoals bij elk handelsakkoord, worden ingenomen in coördinatie met alle betrokken politieke overheden op het niveau van de federale en gefedereerde entiteiten en in consensus, in overeenstemming met ons institutionele systeem. Bij gebrek aan consensus onthoudt België zich bij de stemming. Het definitieve standpunt zal uiterlijk bij de formele goedkeuring van de voorstellen voor besluiten betreffende de ondertekening van de overeenkomst aan de Raad moeten worden voorgelegd.
Dat brengt mij bij het tijdschema voor de werkzaamheden op Europees niveau, momenteel onder het voorzitterschap van Denemarken. Het Deens voorzitterschap is verantwoordelijk voor het voeren van discussies en, belangrijker nog, het bepalen wanneer een formeel besluit wordt genomen in de Raad.
Vooralsnog is het exacte tijdschema nog niet bekend, maar het is duidelijk dat het voorzitterschap snel vooruitgang wil boeken, zodat de overeenkomst voor het einde van dit jaar kan worden ondertekend. Naast België moeten op Europees niveau ook lidstaten zoals Ierland, Nederland, Italië, Polen, Cyprus en Griekenland hun positie nog bevestigen. Frankrijk blijft, ook na de publicatie, terughoudend.
De federale regering heeft nog geen definitief standpunt ingenomen over het akkoord. Het regeerakkoord ondersteunt ambitieuze, open en eerlijke handels- en investeringsovereenkomsten en pleit het voor duurzame wereldhandel op basis van eerlijke regels en eerlijke handel. Tegelijkertijd roept het regeerakkoord er ook toe op om een evenwicht te vinden tussen maatregelen ter bescherming van de gevoeligste landbouwsectoren en de ontwikkeling van onze handelsbetrekkingen met betrekking tot landbouwproducten, in overeenstemming met de WTO-regels.
Mijn diensten analyseren of de specifieke bepalingen van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Mercosur inderdaad het juiste evenwicht vinden tussen landbouw en duurzaamheid.
Voorts kan ik meegeven dat gevoelige producten worden beschermd door quota, gedefinieerd als een cumulatief jaarlijks volume. Zolang de invoer binnen het vastgelegde contingent blijft, gelden voor die producten verlaagde tarieven, bijvoorbeeld 7,5 % voor rundvlees. Zodra de hoeveelheid wordt overschreden, is de extra invoer onderworpen aan de BEL-EU-tarieven of most varied nation . Bovendien zijn die producten onderworpen aan een vrijwaringsmechanisme, op grond waarvan preferenties voor een periode van maximaal vier jaar kunnen worden geschorst, indien de invoer de EU-markt verstoort.
Producten die op de EU-markt komen, moeten tevens voldoen aan de EU-productnormen, waaronder de sanitaire en fytosanitaire normen. De overeenkomst zal daaraan niets veranderen.
Tot slot kondigde de Europese Commissie de oprichting aan van een Unity Safety Net in het kader van het volgende meerjarig financieel kader, dat volgens hetzelfde beginsel werkt als een verzekering.
Het voorstel van de Europese Commissie voorziet in een totale begroting van 6,3 miljard euro, zijnde 950 miljoen euro per jaar, maar dat bedrag is uiteraard nog onderwerp van de lopende begrotingsonderhandelingen. Ik merk daarbij op dat het niet om een geoormerkt budget gaat. Het is nog niet duidelijk hoe het crisisfonds precies zal werken en of het voldoende garanties biedt.
Permettez-moi donc d'indiquer que j'entends que les inquiétudes de nos agriculteurs ne semblent pas suffisamment rencontrées.
Wat de duurzaamheidsaspecten betreft, is het akkoord van Parijs toegevoegd als een essentieel onderdeel van zowel de interim-handelsovereenkomst als de partnerschapsovereenkomst, wat een positief element is. De activering van de clausule kan relatief eenvoudig zijn, vooral in het geval van een terugtrekking van het land uit het akkoord van Parijs.
We blijven in contact met de Europese Commissie om het proces te verduidelijken. Het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling bevat ook een verbintenis om het akkoord van Parijs en de kernnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie effectief uit te voeren, evenals een verbintenis tot voortdurende en duurzame inspanningen om de verdragen die nog moeten worden geratificeerd door de partijen, te ratificeren.
Dit hoofdstuk is onderworpen aan een specifiek geschillenbeslechtingsmechanisme dat kan leiden tot een besluit van een panel van deskundigen. Er is echter geen mogelijkheid om, als laatste redmiddel, sancties op te leggen. Er wordt ook jaarlijks een specifiek comité opgericht om de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk te controleren en te bespreken. We zullen aandacht blijven besteden aan en pleiten voor de effectieve implementatie van de gedane toezeggingen.
Concernant l'évaluation après trois ans, celle-ci concerne l'ensemble du volet commercial, y compris le volet développement durable. En fonction des résultats, des modifications à ce volet pourraient s'avérer nécessaires.
Je plaiderai pour que ce processus soit mené de manière exhaustive et que les dispositions de l'article concernant la participation des représentants de la société civile à ce processus soient respectées.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw zeer uitgebreid en gedetailleerd antwoord. U ving uw antwoord aan met te zeggen dat u voor sterke, eerlijke en open handelsakkoorden bent. Ik ben het daarmee eens. U onderstreept ook het strategisch fundament en de strategische keuzes die we de komende jaren zullen moeten maken. Zeker met de Verenigde Staten, die met handelstarieven begint te goochelen, is het voor ons land, met de open economie die we hebben, belangrijk dat we zeer objectief en rationeel naar handelsakkoorden kijken en daarin keuzes maken.
Met betrekking tot die keuzes is er momenteel nog geen Belgisch standpunt. U zegt zeer juist dat het standpunt met consensus moet worden vastgelegd. Eigenlijk is er dan wel een Belgisch standpunt, want de Waalse regering heeft al zeer duidelijk aangegeven dat zij tegen zal zijn. België zal dus niet voorstemmen. Daarvan mogen we eigenlijk al uitgaan.
Met betrekking tot het federaal standpunt is er nog geen consensus bereikt, er is nog geen standpunt ingenomen. Ik blijf dat jammer vinden. U verwijst naar andere landen, die eveneens nog geen beslissing hebben genomen, maar wij zouden de snelheid moeten opvoeren. De eerste stap zal een gekwalificeerde meerderheid zijn. Als die gekwalificeerde meerderheid wordt bereikt, zal die Mercosur-handelsdeal ook in België van kracht zijn. Dan moeten we ervoor zorgen dat we onze bedrijven beschermen, maar ook onze landbouwsector, want niemand wil de landbouwsector pijn doen, noch in het noorden, noch in het zuiden van het land. We moeten naar een level playing field gaan, met garanties en correcties.
Gewoon afwachten, bekijken welk standpunt anderen innemen en dan positie innemen, daarvan hebben we in vorige buitenlandse conflicten gezien waar dat ons brengt, dat wachten, wachten, wachten en uiteindelijk zien waar we uitkomen. Ik vind dat jammer. Ik pleit dus voor snelheid, zodat we kunnen anticiperen, ten aanzien van zowel de sectoren die beïnvloed zullen worden als de sectoren die ervan zullen profiteren. Het gaat niet alleen over de landbouwsector. Heel veel bedrijven, ondernemingen en sectoren in België zullen voordeel halen uit CETA. Ik hoor alleen spreken over de nadelen, maar er zal ook voordeel zijn voor de Belgische economie, zeer veel zelfs. Ik kijk dan ook uit naar de nog op te leveren impactstudie.
Mijnheer de minister, ik pleit voor snelheid. Ik pleit ervoor dat de federale regering de regie behoudt, zeker in de gesprekken met de gefedereerde entiteiten. Men moet proberen tot een standpunt te komen en zich niet opnieuw onthouden zoals bij CETA.
Snelheid is nodig, zodat men met een duidelijk standpunt naar de Raad kan trekken. Dat is er momenteel nog niet, dus die vraag zal ongetwijfeld nog terugkomen.
Dieter Keuten:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Wat we vandaag hebben geleerd, is dat er nog geen consensus is en dat die wellicht niet zal worden bereikt. Daarom zult u zich onthouden. Wij vragen u echter om tegen te stemmen, net zoals Frankrijk zal doen.
U verwees ook naar de andere landen en hun standpunten. Frankrijk, Polen en Italië hebben moeite gedaan. Zij hebben met de vuist op tafel geklopt. Zij hebben bijkomende waarborgen gevraagd en gekregen voor de sectoren die voor hen belangrijk zijn, voor subsectoren zoals de kip- en rundvleessector en de rijst- en suikersector. Zelfs ondanks die waarborgen zal Frankrijk de teksten wellicht niet goedkeuren.
Mijnheer de minister, wat hebt u gedaan om extra waarborgen te verkrijgen voor de sectoren die bij ons belangrijk zijn? Ik denk aan de aardappelteelt in West-Vlaanderen of de fruitteelt die in mijn provincie zeer belangrijk is voor de landbouwsector.
De landbouwers zijn niet overtuigd van dat akkoord. De boeren lijden al vele jaren. Herinner u begin vorig jaar, toen ze hier met duizenden tractoren in Brussel stonden te wachten. Ik hoop dat de boeren niet opnieuw extra zullen moeten lijden en niet opnieuw de noodzaak voelen om met hun tractoren naar Brussel te trekken in plaats van hun erf te bewerken. Onze boeren verdienen een duurzame toekomst, zonder al te veel klimaatwaanzinnige regels die hun toekomst onduidelijk maken en hun bedrijven letterlijk de toekomst ontnemen.
Vorige maand was er in mijn dorp nog een boer die in 2030 zijn werk zal moeten neerleggen, omdat hij gewoonweg de pech heeft dat zijn landbouwbedrijf naast een zoekzone voor een natuurgebied ligt. Daarvan had ik nog nooit gehoord.
Mijnheer de minister, stem daarom tegen in plaats van u te onthouden.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uiteenzetting.
Iedereen is ervan overtuigd dat we, gezien de geopolitieke situatie en de tariefoorlog met de VS, niet in onze cocon kunnen blijven en dat nieuwe handelsverdragen meer dan nodig zijn. Ook Vooruit is die mening toegedaan. Dit mag uiteraard niet ten koste van alles gaan. Ik heb u duidelijk horen zeggen dat er geen stappen terug mogen worden gezet wat betreft klimaatbeleid, sociaal beleid en arbeidsrechtbeleid, maar dat het ook niet ten koste mag gaan van de landbouwsector. Zoals u hebt gezegd, zal er een evenwicht moeten worden gevonden, daarbij in het achterhoofd houdend dat er nieuwe handelsverdragen nodig zijn als we in de toekomst nog wat handel willen drijven los van de Verenigde Staten.
Ik kijk uit naar de analyses die u zult vrijgeven en hoop dat u deze hier kort zult komen toelichten. Ik weet niet of dat gebruikelijk is, maar dat kan wel nuttige informatie zijn voor alle parlementsleden.
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, nous vous avons entendu. Nous imaginons bien qu’aujourd’hui, les accords commerciaux sont d’une grande importance, surtout pour la taille économique des pays comme le nôtre. Il est vrai aussi que cela dépend de la décision des entités fédérées. Cependant, ces dernières devraient savoir qu’il existe tout de même un filet de sauvetage annuel – prévu par l’Union européenne – en cas de dérapage budgétaire. Encore faut-il que ces entités fédérées se mettent ensemble, afin que nous allions vers une certaine raison qui permette à la taille de notre économie de survivre. Mais là, c’est à vous de convaincre les différents partis engagés. Je vous remercie pour toutes les explications que vous avez données, qui nous permettent de voir que tout n’est pas encore fait.
De impact van de Amerikaanse invoerheffingen
Trump en Europa
De economische betrekkingen tussen Trump, Europa en Amerikaanse handelspolitiek
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het EU-VS akkoord van juli 2025 voert een 15% douanetarief in op Europese export, wat België 4,46 miljard euro per jaar kan kosten, met zware klappen voor exportgerichte sectoren, maar de concrete impact is nog onduidelijk en wordt gemonitord via een *earlywarningsysteem*. België verwerpt de eenzijdige VS-tarieven (zoals de dreiging van 100% op farmacie) en houdt tegenmaatregelen in reserve, maar mijdt escalatie, terwijl het vrijhandel en regelgebaseerde handel blijft verdedigen—met aandacht voor diversificatie (bv. Mercosur) om afhankelijkheid van de VS te verminderen. Het akkoord is geen eindpunt: de EU moet onderhandelen over blijvende asymmetrie (bv. 50% tarieven op staal/aluminium) en risico’s zoals verhoging van het 15%-plafond, terwijl de VS’ betrouwbaarheid onder Trump onvoorspelbaar blijft. De federale regering neemt nog geen officieel standpunt in, maar benadrukt dat investeringsbeloftes (750 mjd euro energie, 60 mjd AI-chips) vaag en marktgedreven zijn, zonder bindende EU-verplichtingen.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, deze vraag dateert al van even geleden. Op 28 juli 2025 bereikten de Europese Unie en de Verenigde Staten een principeakkoord over de invoering van een all-in douanetarief van 15 % op de invoer van bepaalde Europese producten. Dat betekent een zware slag voor veel Belgische bedrijven en sectoren en voor de Belgische economie. De Europese Commissie presenteert dat akkoord als een diplomatiek succes.
Toch stel ik mij ernstige vragen bij de economische assertiviteit van de EU in het licht van die compromissen. Vanuit liberaal oogpunt zijn vrijemarktprincipes, eerlijke concurrentie en wederkerigheid van cruciaal belang voor een evenwichtige trans-Atlantische relatie. De Belgische economie is sterk exportgericht en dus bijzonder gevoelig voor wijzigingen in het internationaal handelsbeleid. Voor Vlaanderen alleen al zou dat een kost van 4,46 miljard euro per jaar betekenen.
Mijnheer de minister, kunt u het akkoord toelichten? Welke investeringen vanuit de Europese Unie in de Verenigde Staten worden verwacht? Over welke bedragen gaat het en wat is de concrete impact op de Belgische economie? Wat is het officiële standpunt van de federale regering over dat akkoord met de Verenigde Staten? Wat is de potentiële economische impact op de Belgische exporterende sectoren? Welke sectoren zullen, gezien hun exportvolumes naar de Verenigde Staten, zwaar getroffen worden? Wat is daarvan de inschatting? Worden er impactanalyses uitgevoerd op federaal niveau? Wat is het Belgische standpunt over het opschorten van de tegenmaatregelen door de EU in die context? Is België bereid om druk uit te oefenen indien de asymmetrie in tarieven tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie blijft bestaan?
Voorzitter:
M Boukili est absent.
Maxime Prévot:
Mijnheer de voorzitter, ik zal natuurlijk de vraag van de heer Vander Elst beantwoorden, maar ook de verschillende vragen die oorspronkelijk door de heer Boukili werden ingediend.
Op 27 juli bereikten de Europese Commissie en de Verenigde Staten een politiek akkoord, bevestigd in de gezamenlijke verklaring van 21 augustus. Het gaat om een kaderovereenkomst die stabiliteit en voorspelbaarheid terug moet brengen ten gunste van Europese bedrijven, werknemers en consumenten. Dat akkoord is een startpunt voor verdere onderhandelingen met de VS om de huidige handelsstromen tussen de Europese Unie en de VS zoveel mogelijk te behouden, ondanks de huidige politieke wind die door Washington waait.
La Belgique, tout comme la Commission, regrette la réintroduction de droits de douane préjudiciables à la relation transatlantique de commerce et d'investissement. Les É tats-Unis et l'Europe entretiennent la relation économique la plus mutuellement bénéfique au monde, une relation indispensable que nous devons préserver malgré l'approche idéologique adoptée par l'administration américaine.
Het kaderakkoord bevat verschillende elementen, waaronder beloften om inspanningen te leveren op het vlak van investeringen in de Amerikaanse economie, zoals de aankoop van Amerikaanse energie, olie, lng en kernenergie, ter waarde van 750 miljard euro over 3 jaar, private investeringen in de Verenigde Staten ter waarde van 600 miljard euro en de aankoop van 40 miljard euro aan AI-chips. Dit zijn echter marktgedreven inspanningsverbintenissen en geen overheidsuitgaven. Er is ook eerder sprake van intenties dan van daadwerkelijke verbintenissen, aangezien het gaat om zaken die op het niveau van de lidstaten of zelfs bedrijven beslist worden.
Quant à l'impact sur l'économie et sur les secteurs exportateurs belges, il est trop tôt pour se prononcer. Ma propre administration et les collègues du SPF É conomie suivent cette situation de très près. La coopération avec les Régions, y compris les agences de commerce extérieur, sera cruciale de même que les consultations étroites et constantes avec les entreprises et le secteur privé ainsi qu'avec les douanes.
On s'attend à ce que l'impact dans certains domaines et secteurs ne se manifeste réellement que dans deux ou trois ans, notamment en ce qui concerne les investissements et les relocalisations ou délocalisations éventuelles d'entreprises.
In deze context is de monitoring van de handelsstromen cruciaal. Er wordt gewerkt aan een earlywarningsystem om snel te kunnen reageren en desnoods het akkoord bij te sturen wanneer in bepaalde sectoren grote economische schade dreigt.
Op dit moment wordt het kaderakkoord nog geanalyseerd en besproken binnen de Raad. Voor een officieel standpunt van de Belgische federale regering is het dan ook nog te vroeg, maar het is duidelijk dat ons land zich op korte termijn zal moeten positioneren. België blijft voorstander van de vrije handel en van een internationaal handelssysteem gebaseerd op regels.
België blijft er ook van overtuigd dat de handels- en investeringsrelatie tussen de EU en de VS de afgelopen decennia voor beide partijen enorm voordelig is geweest, en dat de VS hier waarschijnlijk nog het meest van heeft geprofiteerd, in tegenstelling tot wat het Witte Huis vaak propageert.
Zoals gezegd, is nu al duidelijk dat dit akkoord geen eindpunt kan zijn. De Europese Commissie zal ook na de volledige inwerkingtreding verder moeten blijven onderhandelen met de VS om oplossingen te vinden voor kwesties waarover nog geen akkoord bestaat, zoals de tarieven van 50 % op staal en aluminium, of domeinen waarbinnen verdere vooruitgang moet worden geboekt, bijvoorbeeld de uitbreiding van de exemption list .
Enfin, il faut oser se poser la question de la solution alternative en cas de rejet de l'accord-cadre avec les États-Unis. Il y a malheureusement de fortes chances que le taux de 15 % atteigne, par exemple, un régime prohibitif de 30 %, et que les taux sectoriels soient également plus élevés sur la base des études de l'article 232, avec toutes les conséquences désastreuses que cela impliquerait pour nos entreprises et notre industrie.
Notre pays devra également adopter une position quant aux mesures de rééquilibrage. Sans vouloir s'avancer, l'un n'exclut pas l'autre. Bien que la Belgique veuille éviter une nouvelle escalade, il me semble approprié de garder en réserve des contre-mesures possibles.
Met uw laatste vraag, namelijk hoe zeker men is dat de VS de maximale invoerheffing van 15 % niet eenzijdig nog kan verhogen, legt u de vinger op de wonde. Het stabiliserend succes van het huidige kaderakkoord zal de komende weken en maanden bepaald worden door de vraag of de VS gemaakte beloftes zal nakomen en of president Trump en zijn team plotseling nieuwe tarieven of andere handelsbelemmerende maatregelen zullen afkondigen.
À cet égard, vous aurez évidemment vu l'annonce du président Trump concernant l'instauration de tarifs de 100 % sur les produits pharmaceutiques. Ces tarifs ne s'appliquent heureusement pas à l'Union européenne, pour qui le plafond de 15 % n'est pas remis en cause. Ceci a été confirmé par la porte-parole de la Maison Blanche. Cela démontre cependant toute la vigilance et la fermeté dont il faudra faire preuve dans la mise en œuvre de cet accord. Je vous remercie.
Kjell Vander Elst:
Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik denk dat we op dezelfde golflengte zitten. Een vrije markt en vrijhandel zijn bijzonder belangrijk en hebben ons continent veel welvaart geschonken. In een ideale wereld stoppen die invoerheffingen en tegenmaatregelen dus onmiddellijk. Als er echter een impulsief persoon in het Witte Huis zit, kunnen de invoerheffingen vandaag 15 % bedragen, morgen 30 % en overmorgen misschien opnieuw 0 %. Daarom is het inderdaad belangrijk dat we tegenmaatregelen in ons achterhoofd houden – " garder en réserve " zoals u hebt gezegd – maar dat we niet meteen met de bazooka terugschieten. Zodra we in een opbod van invoertarieven en tegenmaatregelen terechtkomen, zullen onze economie, onze bedrijven en verschillende Belgische sectoren dat zeer hard voelen. Ik ben ook blij te vernemen dat er een earlywarningsystem bestaat. Het is van groot belang dat we heel snel kort op de bal kunnen spelen, zowel voor onze economie als voor bepaalde sectoren en bedrijven. We hebben daarstraks in een ander debat gesproken over de Mercosur-deal. Ik wil nogmaals onderstrepen hoe belangrijk het is verschillende afzetmarkten en opties te hebben voor onze Belgische bedrijven. Een natuurlijke bondgenoot op economisch vlak, zoals de Verenigde Staten van Amerika, kan van de ene dag op de andere invoertarieven heffen. Daarom is het zeker geen overbodige luxe om naar andere partners te kijken, in het bijzonder ook naar die Mercosur-deal.
Het militaire machtsvertoon in de Volksrepubliek China
De toenadering tussen Xi Jinping, Poetin en Kim Jong-un
De instabiliteit van de handelsbelangen en van de internationale orde
De grote militaire parade in Peking
De geopolitieke spanningen en machtsdynamiek tussen Oost en West
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België en de EU maken zich zorgen over China’s militaire machtsvertoon en het groeiende autoritaire bondgenootschap met Rusland en Noord-Korea, dat de internationale orde en Europese veiligheid ondermijnt. Economische afhankelijkheid van China (kritieke grondstoffen, technologie, havens) moet dringend verminderd worden via diversificatie (bv. Europese lithiumwinning), strengere sancties (tegen schaduwvloot, Russische oliehandelaars) en EU-instrumenten zoals de *Critical Raw Materials Act* en *derisking-strategie*, zonder volledige ontkoppeling. België pleit actief voor versterkte EU-autonomie—via energie-onafhankelijkheid (REPowerEU), defensie-investeringen en handelsdiversificatie—terwijl het dialoog met China behoudt voor klimaat en handel, maar hard optreedt tegen sanctieomzeiling en Chinese steun aan Rusland’s oorlog in Oekraïne. Bedrijven moeten risico’s van Chinees staatskapitalisme inschatten, met steun van nieuwe EU-wetgeving tegen dwang en oneerlijke subsidies.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, op 3 september jongstleden hield de Volksrepubliek China een indrukwekkende militaire parade, waarop buitenlandse leiders waren uitgenodigd, zoals we net hebben gehoord. Het land wilde daarmee niet alleen intern prestige opbouwen, maar zet ook duidelijk zijn geopolitieke ambities in de verf.
De boodschap was er vooral een van machtsvertoon: 12.000 troepen werden ingezet om de versnelde opbouw van de militaire capaciteit te etaleren. Er werd niets aan het toeval overgelaten.
Dat machtsvertoon baart zorgen in de huidige internationale context, omdat China daarmee toont dat het streeft naar een zogenoemde multipolaire internationale orde.
Voor de vragen verwijs ik naar de tekst zoals ingediend.
1. Hoe schat u de impact van dit Chinese machtsvertoon in op de stabiliteit van de Indo-Pacifische regio, en wat betekent dit indirect voor de Europese veiligheid?
2. Welke gevolgen ziet u specifiek voor Vlaamse en Europese bedrijven die economisch afhankelijk zijn van China, bv. in de havens en de technologieketen? Welke maatregelen ter bescherming wil u hier treffen?
3. Acht u het noodzakelijk dat Vlaanderen en België zich sterker positioneren tegen Chinese economische drukmiddelen die gekoppeld worden aan geopolitieke machtspolitiek?
4. Hoe kan de EU haar strategische autonomie versterken om niet te afhankelijk te zijn van een macht die zich zo duidelijk militair profileert?
5. In welke mate kan dit machtsvertoon de steun van Volksrepubliek China aan de Russische Federatie in de oorlog in Oekraïne versterken? Hoe moeten wij daarop anticiperen?
6. Welke rol dicht u aan de aanwezigheid van Indiase vertegenwoordiging op de militaire parade laatstleden?
Mijn tweede mondelinge vraag gaat over de toenadering tussen Xi Jinping, Poetin en Kim Jong-un. We zien steeds vaker hoe autoritaire leiders elkaar opzoeken en gezamenlijk publieke verklaringen afleggen. De recente gesprekken tussen Xi Jinping en Poetin, tussen Poetin en Kim Jong-un en ook tussen Xi Jinping en Kim Jong-un wijzen op een versterkend bondgenootschap dat regelrecht ingaat tegen voornamelijk westerse belangen. Daarmee geven zij duidelijk aan dat zij streven naar een andere wereldorde. Ook daarover heb ik verschillende vragen opgesteld, waarvoor ik verwijs naar de tekst zoals ingediend.
1. Hoe beoordeelt u de strategische implicaties van dit autoritaire blok voor de veiligheid van Europa?
2. Welke concrete dreigingen ziet u voor onze export en investeringen in deze context van geopolitieke onvoorspelbaarheid?
3. Kan u toelichten hoe de Belgische regering dit evoluerend bondgenootschap bespreekt binnen de EU? Welke positie heeft u daar ingenomen?
4. Welke extra inspanningen levert België om onze defensieve en economische weerbaarheid te vergroten tegen mogelijke repercussies van dit autoritaire blok?
Mijn derde mondelinge vraag gaat over de instabiliteit en handelsbelangen. De verstrengeling van de Volksrepubliek China, de Russische Federatie en Noord-Korea ondermijnt steeds meer de internationale orde en op termijn ook het handelssysteem. Hoewel het vaak nog lijkt te gaan om hypotheses, rijst de vraag of we ons niet zouden moeten voorbereiden op een concrete dreiging van een autoritair Aziatisch front. In sommige middens wordt gepleit voor een coherente en doortastende reactie van de westerse landen.
De Europese Unie is als handelsblok een belangrijke speler in dat geheel en is in staat om op diplomatiek vlak haar gewicht in de schaal leggen. Europa, en zeker ook ons land, is sterk afhankelijk van bepaalde grondstoffen uit de landen die nu openlijk de handen ineenslaan en hun spierballen laten rollen.
Daarom wilde ik u vragen of u een plan op tafel hebt liggen indien er een economisch blok of zware tol wordt ingesteld op grondstoffen van oosterse oorsprong.
Op welke manier kan ons land bijdragen tot het verminderen van de afhankelijkheid van Chinese en Russische grondstoffen en energie binnen de EU?
Wordt er nagedacht over sourcing op het eigen continent?
Enige tijd geleden verklaarde de Volksrepubliek China dat het conflict in Oekraïne best blijft voortduren, omdat daardoor de focus niet zou komen te liggen op onder andere Taiwan en de toenemende druk daar. Hoe ziet u de rol van België in de internationale diplomatie om Oekraïne sterker te ondersteunen en de invloed van China en Noord-Korea op Rusland te counteren?
Bent u bereid om vanuit België in EU-verband te pleiten voor zwaardere sancties of tegenmaatregelen indien die autoritaire samenwerking zich verder verdiept?
In de Verenigde Staten wordt nog steeds een initiatief warm gehouden dat secundaire sancties voorziet tegen de Russische Federatie, gericht aan de Volksrepubliek China en India, waar Russische olie wordt geïmporteerd en doorverkocht. Heeft een dergelijke piste, gezien de ontwikkelingen, in Europese middens ook aan belang gewonnen?
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, onlangs vonden er gesprekken plaats tussen Xi Jinping, Poetin en Kim Jong-un naar aanleiding van de grote militaire parade in Peking. Die gesprekken wijzen op een versterkend bondgenootschap en wellicht ook op diepgaandere samenwerking tussen die machtsblokken. Ook India was van de partij. Het Westen was er totaal niet bij betrokken, wat aangeeft dat westerse belangen ook totaal niet aan de orde zijn gekomen.
Hoe beoordeelt u die gesprekken? Hebben die gesprekken volgens u een impact op onze handels- en veiligheidsrelaties?
Maxime Prévot:
Mevrouw van Riet, mevrouw Lambrecht, tijdens de militaire parade in Peking heeft de Chinese regering duidelijk haar nauwe bondgenootschap met Rusland en Noord-Korea willen tonen. België had daarom besloten om niet het podium te delen met die regimes en niet officieel aanwezig te zijn. Wat de langetermijnimplicaties van de gesprekken tussen die drie landen zijn, valt nog af te wachten. Hun belangen, evenals die van andere aanwezige landen zoals India, zijn niet noodzakelijk gelijklopend, integendeel zelfs.
We zijn echter geen passieve toeschouwers. Zoals u weet, heeft de EU een reeks sanctiemaatregelen in verband met de Russische agressie tegen Oekraïne aangenomen en België blijft actief pleiten voor meer sancties, bijvoorbeeld tegen de schaduwvloot, en voor een sterkere inperking van de sanctieomzeiling. Recent werden door de EU doelgerichte sancties opgelegd aan een Russische olieraffinaderij in India en twee Chinese banken. België steunt het REPowerEU-initiatief om de energie-import uit Rusland naar de Europese Unie volledig af te bouwen en wij verwelkomen het wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie om de invoer van Russische energie, zowel pijpleidinggas als lng, volledig te verbieden. De EU heeft sancties opgelegd aan de Democratische Volksrepubliek Korea als reactie op haar nucleaire activiteiten, ballistische raketten en haar militaire steun aan de agressieoorlog die Rusland voert tegen Oekraïne.
Zoals de hoge vertegenwoordiger Kaja Kallas heeft gezegd, is China de belangrijkste facilitator van Rusland in zijn oorlog tegen Oekraïne. We blijven dat aankaarten, zoals recent in mijn gesprek met mijn Chinese evenknie.
We kijken ook naar de Verenigde Staten om hun inspanningen op te voeren en de druk op Rusland te vergroten, met het oog op het bevorderen van vredesbesprekingen.
Ons beleid gaat uiteraard verder dan sancties. België steunt de inspanningen van de Europese Unie om haar economische weerbaarheid te vergroten. We zien dat de geopolitieke realiteit snel verandert en dat economische afhankelijkheden strategisch moeten worden geëvalueerd en waar nodig afgebouwd. Daarom is het belangrijk dat onze bedrijfswereld de risico's van een te grote afhankelijkheid van China juist inschat. Een volledige ontkoppeling is immers niet wenselijk en ook gewoon niet haalbaar.
De derisking strategy van de Europese Commissie vraagt een whole-of-society-inspanning die ook onze bedrijven omvat. De Europese Commissie heeft reeds belangrijke stappen gezet om de economische weerbaarheid van de Unie te beschermen, zoals het instrument voor buitenlandse subsidies, de screening van buitenlandse investeringen en het antidwanginstrument. Ons land ondersteunt die initiatieven actief.
Op Belgisch niveau heb ik mijn departement het mandaat gegeven om samen met de FOD Economie in nauw overleg met de deelstaten een overlegplatform en interfederaal economisch veiligheidsbeleid te ontwikkelen. Dat zal zich baseren op het bottom-up identificeren van de belangen, kwetsbaarheden en risico's die eigen zijn aan onze economie.
België is zich ook bewust van de bredere veiligheidsimplicaties van China's internationale positie, waaronder haar toenemende militaire aanwezigheid in de Indo-Pacifische regio, de belangrijke Chinese steun aan de Russische oorlogsinspanningen in Oekraïne en haar cyberactiviteiten, ook in Europa en ons land. Onze veiligheidsdiensten volgen dat nauwgezet op in samenwerking met Europese en NAVO-partners. België blijft inzetten op strategische autonomie, cyberveiligheid en de versterking van onze defensiecapaciteit, zonder confrontatie te zoeken.
China blijft een cruciale partner voor mondiale uitdagingen, zoals klimaatverandering en milieu, maar is tegelijk een economische concurrent en een systeemrivaal. We moeten onze belangen beschermen en actief blijven verdedigen zonder de dialoog met China stop te zetten.
China is een zeer belangrijke handelspartner voor de Europese Unie en ons land. De EU-Chinese handelsrelatie is een van de belangrijkste ter wereld, goed voor 9 % van de EU-export en meer dan 20 % van de EU-import. De handel tussen de EU en China kent echter toenemende belemmeringen en structurele machtsverstoringen, die voortvloeien uit staatsgesubsidieerde overcapaciteit en beperkte wederkerigheid in markttoegang, kenmerken van het Chinees staatskapitalistisch model.
Bovendien is Europa, samen met de rest van de wereld, sterk afhankelijk geworden van China voor kritieke grondstoffen. Voor de strategische autonomie van Europa is het cruciaal om afhankelijkheden te verminderen en toegang tot kritieke grondstoffen te verzekeren. De EU Critical Raw Materials Act bevordert technologische innovatie, circulaire economie en samenwerking met gelijkgezinde partners, naast de ontwikkeling van een Europese ontginningscapaciteit.
Economische weerbaarheid vereist echter meer dan handelsbescherming. Ze vergt ook een versterking van het concurrentievermogen en innovatie. De Europese Commissie heeft daarvoor initiatieven gelanceerd, zoals de Clean Industrial Deal, het Affordable Energy Action Plan en de nieuwe Single Market Strategy, om de industrie te ondersteunen en groei te stimuleren.
België steunt daarnaast de vereenvoudiging van EU-regels om bedrijven te ontlasten.
Een andere piste die we moeten bewandelen, is diversificatie.
De uitbreiding van ons handelsnetwerk via nieuwe handelsakkoorden en -partnerschappen is daarbij cruciaal, op voorwaarde dat die akkoorden evenwichtiger en wederzijds voordelig zijn.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, u hebt echt veel tijd en moeite in uw antwoord gestoken en het is zeker leerrijk.
We moeten absoluut waakzaam blijven. Ik ben dankbaar dat België pleit voor sancties tegen de schaduwvloot en het omzeilen van de aan Rusland opgelegde sancties. We moeten de druk op China blijven opvoeren, terwijl we on speaking terms moeten blijven. U haalde ook aan dat we de afhankelijkheid van China voor kritieke grondstoffen moeten afbouwen. Onlangs berichtte de pers dat er in Duitsland een grote bron van lithium zou zijn. Misschien kunnen we die piste onderzoeken. We moeten snel werk maken van onze economische weerbaarheid, de Clean Industrial Deal, en van de vereenvoudiging van het oerwoud aan administratieve regels waaraan Europa rijk is.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, u hebt het mooi opgelijst, wat voor ons goed is om te horen. Het is een moeilijk evenwicht, want we kunnen niet stoppen met praten met China, maar we moeten wel minder afhankelijk worden. Bedankt voor uw antwoord. De voorzitster : Vraag nr. 56007635C van de heer De Smet wordt uitgesteld.
De middelen voor de politie in de strijd tegen de drugshandel in Brussel
De taalproblematiek bij de Brusselse politie in het kader van de fusie van de zes politiezones
Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De drugscriminaliteit in Antwerpen
De federale dotatie voor de politiezones
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld in de hoofdstad
De inzet van militairen op straat in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De gewelddadige moord en het escalerende geweld in Oostende
De plannen van de regering om in een aantal grote steden militairen in te zetten op straat
De fusie van de politiezones in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
Het geweld aan de kust
De inzet van militairen in Brussel (2/2)
Het drugsgeweld in Brussel
De aanstelling van verbindingsagenten in het buitenland in de strijd tegen de drugshandel
Het 'Plan Grote Steden' en de strijd tegen de drugshandel
Het drugsfonds
De Turkse maffia
De bedreigingen aan het adres van magistraten
De drugsproblematiek over de landsgrenzen heen
De whole-of-government-aanpak
Het Kanaalplan
Gemengde brigades van militairen en politieagenten
De fusie van de Brusselse politiezones
De inzet van Defensie op straat en het 'Grootstedenplan' van de minister
De herziening van het Kanaalplan
Het bezoek van de procureur van Marseille aan Brussel
De KUL-norm
Uitdagingen en maatregelen in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en geweld in Belgische steden
Gesteld door
DéFI
François De Smet
VB
Barbara Pas
PS
Ridouane Chahid
DéFI
François De Smet
DéFI
François De Smet
PS
Éric Thiébaut
VB
Ortwin Depoortere
Groen
Matti Vandemaele
Groen
Matti Vandemaele
VB
Ortwin Depoortere
Les Engagés
Xavier Dubois
Open Vld
Paul Van Tigchelt
Ecolo
Rajae Maouane
N-VA
Maaike De Vreese
N-VA
Maaike De Vreese
CD&V
Franky Demon
Les Engagés
Xavier Dubois
Les Engagés
Xavier Dubois
Les Engagés
Xavier Dubois
Vooruit
Brent Meuleman
MR
Anthony Dufrane
N-VA
Maaike De Vreese
N-VA
Jeroen Bergers
N-VA
Jeroen Bergers
Ecolo
Rajae Maouane
Les Engagés
Xavier Dubois
Vooruit
Brent Meuleman
MR
Catherine Delcourt
VB
Ortwin Depoortere
Vooruit
Brent Meuleman
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draaide voornamelijk om de aanpak van drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad in België, met focus op Brussel, Antwerpen en andere grote steden. Minister Quintin (Binnenlandse Zaken) verdedigde zijn Grootstedenplan (opvolger van het Kanaalplan), met maatregelen zoals militaire steun voor de politie, versterkte politie-inzet, fusie van de Brusselse politiezones, en een nog op te richten DrugsFonds om criminele netwerken financieel te raken. Kritiek kwam vooral op de haastige fusie van politiezones (gebrek aan draagvlak bij burgemeesters en Brulocalis), onduidelijkheid over de rol van militairen (bevoegdheden, timing, juridisch kader), en het ontbreken van structurele middelen voor justitie, politie en preventie. Oppositie en meerderheid benadrukten dat veiligheid alleen kan verbeteren met gecoördineerde actie tussen federale, regionale en lokale overheden, maar twijfelen aan de effectiviteit van de voorgestelde oplossingen.
Voorzitter:
Collega's, welkom.
Ik wil bij aanvang graag een suggestie doen, ook in naam van enkele collega's die me daarover hebben aangesproken. Het onderwerp van een actualiteitsdebat zou meer gespecifieerd moeten zijn. Nu staat er een debat over veiligheid op de agenda, met 31 toegevoegde vragen. Het zou beter zijn om in de toekomst het onderwerp van een actualiteitsdebat meer af te bakenen. Het onderwerp 'veiligheid' is veel te algemeen. U begrijpt dat dit geen gemakkelijke manier van werken is.
Ik herhaal graag dat u niet verplicht bent uw volledige spreektijd te benutten. U kunt ook verwijzen naar de schriftelijke versie van uw vraag.
François De Smet:
Monsieur le président, quasiment toutes les compétences du ministre sont liées à la sécurité, à part peut-être Beliris, et encore. Donc, effectivement, je me retrouve avec des questions qui n'ont pas de lien direct les unes avec les autres, mais soit.
La première question qui concerne le narcotrafic à Bruxelles. Pour cette question-là, je renvoie au texte écrit, d'autant que j'ai eu un échange à ce sujet avec le ministre en séance plénière.
Je tiens tout d’abord à saluer votre volontarisme en termes de lutte contre la violence grandissante générée par le narcotrafic à Bruxelles, votre bilan présenté sous le titre (flatteur) “ 6 mois d’action : Le Ministre Quintin renforce l’autorité de l’Etat et la sécurité des citoyens” sur le site de votre formation politique , met en avant : Le ministre a également intensifié la lutte contre les réseaux criminels qui gangrènent nos quartiers. Des filières ont été démantelées, grâce à un meilleur partage d’informations entre services et à une collaboration renforcée avec la justice”
Le procureur du Roi, Julien Moinil, lors de sa conférence de presse du 13 août dernier, a félicité les services de police pour l’interpellation de pas moins de 7085 suspects (dont 6211 majeurs et 874 mineurs ) interpellés par la police mis à disposition du parquet, et ce depuis janvier 2025 (ce qui représente pas moins du triple d’interpellations durant un laps de temps identique en 2024)
Il n’en demeure pas moins que le Procureur du Roi lors de cette même conférence de presse a fustigé le manque de moyens de la police, et ma question ne portera pas sur la fusion des zones de police à Bruxelles, à propos de laquelle je me suis déjà exprimé avec opposition et je m’exprimerai lors des travaux parlementaires, mais bien sur les moyens mis à disposition en Région bruxelloise pour lutter contre le narcotrafic,
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
quels résultats concrets a t-il obtenu en termes de démantèlement des filières de narcotrafic depuis janvier 2025?
quels renforcements d’effectifs sont prévus au cours du dernier quadrimestre 2025 pour permettre une densification de la lutte contre le narcotrafic?
si il a rencontré le procureur du Roi suite à cette sortie médiatique ?
En revanche, je vais poser les deux autres questions. La première concerne ce qui peut apparaître comme un marronnier, mais encore plus régulier qu'un marronnier classique, à savoir la fusion des zones de police à Bruxelles, puisque votre avant-projet est toujours en discussion au sein du gouvernement. Néanmoins, nous avons reçu plusieurs signaux entretemps, notamment un signal de la Conférence des bourgmestres et un autre de Brulocalis.
Le moins que l'on puisse dire, c'est que votre plan ne fait pas l'unanimité. En effet, il a été rejeté à l'unanimité le 27 août dernier par la Conférence des bourgmestres – donc les bourgmestres, MR et Engagés inclus, j'imagine – et qu'il a fait l'objet d'un avis particulièrement négatif de Brulocalis la veille, le 26 août. Brulocalis évoque un déficit significatif de financement structurel par l'autorité fédérale de la future zone de police unifiée, en l'absence aujourd'hui de révision de la fameuse norme KUL, qui, évidemment, est demandée par les 19 bourgmestres ainsi que par votre partenaire de majorité Les Engagés. Ce dernier vous a quand même tancé assez méchamment ces jours-ci en expliquant que cette partie du deal, pour l'instant, n'était pas remplie dans l'avant-projet puisqu'on se contente, pour l'instant, de la fusion.
Cette fusion constitue une réponse inappropriée aux enjeux de lutte contre le narcotrafic et la criminalité organisée, sans parler de l'argumentaire justifiant la fusion, qui cache mal les desseins peut-être plus pernicieux que d'aucuns ont quant à l'atteinte à l'autonomie communale de Bruxelles. Une fusion imposée alors que l'avant-projet de loi entend promouvoir la fusion volontaire, avec un traitement discriminatoire, comme chacun le sait, entre Bruxelles et les autres Régions.
La Conférence des bourgmestres tance également l'insécurité juridique profonde du texte et estime que ce projet de fusion met en péril la police de proximité et sera chronophage en matière de réorganisation – il suffit de voir combien de temps nous y avons déjà consacré ici –, alors que Bruxelles est confrontée à des défis bien plus essentiels. Je ne vais pas revenir sur toutes les critiques que nous avons déjà exprimées à plusieurs reprises et dont nous aurons encore l'occasion de discuter. Sans préjudice de l'avis du Conseil d' É tat, qui doit encore être rendu sur l'avant-projet de loi, cette première salve de critiques de ces deux organes montre que ce projet de fusion est profondément contestable sur le plan de la légalité, mais aussi sur le plan de l'opportunité politique, de sorte qu'il nécessite des réactions.
Mes questions sont simples. Estimez-vous que les craintes exprimées par les bourgmestres bruxellois et par Brulocalis sont fondées, tant pour ce qui est de l'aspect financier que pour ce qui concerne le contrôle démocratique et l'atteinte à l'autonomie communale?
Vous attendez l'avis du Conseil d' É tat, bien sûr, mais allez-vous également apporter des rectifications sur la base de ces deux avis?
L'autre question que je souhaitais vous poser concerne le narcotrafic à Anvers. On parle beaucoup, évidemment à raison, de Bruxelles, parce que c'est la plaque tournante de la distribution. C'est un débat que nous avons régulièrement.
Mais il est intéressant de noter que la presse s'est fait écho, voici quelques semaines, d'une comparaison des incidents et faits graves de violence liés au narcotrafic entre Bruxelles et Anvers, qui est, elle, organisée en zone unique. Brulocalis faisait référence par exemple à une étude du Vlaams Vredesinstituut qui évoque un nombre de fusillades liées au narcotrafic quasiment équivalent entre notre capitale et la zone de police d'Anvers.
Le Moniteur de Sécurité 2025, également cité, rapporte une diminution de la criminalité dans les trois Régions, avec d'ailleurs une diminution plus sensible en Région bruxelloise que dans les deux autres Régions.
L'antienne qui consiste à répéter que la criminalité est en hausse à Bruxelles peut donc être relativisée, car elle contribue à un Bruxelles-bashing injuste et sert les desseins de la fusion des zones imposée à Bruxelles. Elle relève donc, d'une nouvelle manière, d'une inégalité de traitement.
Monsieur le ministre, quelle est votre approche spécifique de la lutte contre le narcotrafic à Anvers et son port? Avez-vous pris connaissance de ces chiffres? Je sais que vous êtes évidemment allé sur le terrain. Il y a la question de la plus grande détection de ce qui se trouve dans les conteneurs.
Nous sommes tous d'accord. Je crois qu'il faudra endiguer le phénomène, à la fois à l'arrivée du narcotrafic à Anvers et dans sa plaque de distribution à Bruxelles. Il nous faudra réussir sur l'un et sur l'autre, sans mettre en compétition, avec ou sans idée préconçue, ces deux territoires.
Voorzitter:
De vraag nr. 56007310C van mevrouw Barbara Pas wordt ingetrokken.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, ma question porte plus particulièrement sur ce que l'on vit à Bruxelles ces derniers mois.
Le procureur du Roi de Bruxelles a exposé les mesures prises par le parquet bruxellois face à une nouvelle série de fusillades qui touchent notre capitale depuis plusieurs semaines. On le sait, les acteurs, tant la justice que la police, sont sur le terrain. Ils travaillent d'arrache-pied, et ils engrangent des résultats. On a encore vu récemment se dérouler une action policière sur plusieurs communes bruxelloises. Mais les moyens humains et budgétaires restent insuffisants, et ces acteurs demandent toujours un soutien important de la part du fédéral pour pouvoir mener à bien les missions qui sont les leurs. Ils le disent eux-mêmes, et ils l'ont encore dit en début de semaine lors de cette intervention: arrêter des délinquants, des criminels, c'est une chose, mais il faut pouvoir faire du travail de fond et il faut donner les moyens à la justice pour pouvoir les mettre en prison.
Vous nous avez effectivement informé qu'il y aurait un plan à cet égard, avec un certain nombre de mesures. Quid de ce plan? Comment allez-vous financer ce plan et sur combien de temps allez-vous le mettre en œuvre?
Vous avez également évoqué la question du financement de la police et des zones de police. On sent qu'il y a une sorte de flottement entre vous et différents partenaires de la majorité, puisqu'on sait qu'il manque environ 800 policiers, et plus ou moins 100 policiers à la police judiciaire. On sait donc qu'il faut plus ou moins 300 à 500 millions d'euros qui pourraient, pour l'ensemble des zones de police, aider à répondre à un certain nombre de défis en la matière.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire un état des lieux des moyens qui seront débloqués en Région bruxelloise pour la lutte contre le trafic de drogue? Quels moyens allez-vous mettre en place avec votre collègue de la Justice pour soutenir le procureur du Roi dans ses initiatives? Quels seront les moyens consacrés à la question de la santé publique dans le contexte du trafic de drogue?
Enfin, monsieur le ministre, en février dernier, le premier ministre nous avait clairement dit en séance plénière qu'on allait mettre une task force sur pied. Celle-ci réunirait les différents acteurs pour pouvoir trouver des réponses à ces problèmes. Quand allez-vous mettre en œuvre cette task force?
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, ik heb drie vragen ingediend, allen met een verschillende inhoud.
Ten eerste, op 6 september jongstleden werd een vrouw op klaarlichte dag in Oostende neergeschoten, het trieste slot van een hele reeks gewelddaden. Het gaat om het vijfde ernstige incident in die stad op amper twee weken tijd. Dat sterkt mij in mijn overtuiging dat drugsgeweld niet meer beperkt blijft tot Antwerpen, Brussel en andere grootsteden, maar dat ook middelgrote en kleinere steden alsmaar vaker geconfronteerd worden met dergelijke gewelddaden. Welke concrete maatregelen en federale steun plant u op korte en middellange termijn om de escalatie van drugs- en geweldsproblemen in die steden aan te pakken? Kunt u specifiek wat Oostende betreft een stand van zaken geven met betrekking tot het onderzoek en aangeven welke gevolgen u hieraan wenst te verbinden?
Ten tweede, de heer Moinil, de procureur de Konings van Brussel, die procureur van Marseille Bessone voor een bezoek aan Brussel heeft uitgenodigd, vraagt expliciet aan de regering om voor de Belgische wetgeving het Franse model te volgen. Ik begrijp zijn standpunt, zeker gezien de vaststelling dat Marseillaanse gewelddaden alsmaar vaker in onze hoofdstad worden geïmporteerd, denk maar aan de vele executies en de alsmaar gewelddadigere acties van drugsbendes in onze hoofdstad.
Sinds begin dit jaar werden al 1.250 dealers opgepakt en voorgeleid bij het parket. Het aantal illegalen in onze hoofdstad, dat alsmaar vaker door drugsbendes als gewillig of ongewillig slachtoffer wordt gebruikt, loopt ook de spuigaten uit. Het is natuurlijk een schatting, want het gaat om mensen zonder papieren, maar men spreekt toch van meer dan 100.000 personen alleen al in Brussel. Dit jaar waren er al 57 schietpartijen in Brussel, waarvan 20 tijdens de zomervakantie alleen. Vorig jaar stond de teller op meer dan 90 schietpartijen. Bovendien ziet het ernaar uit dat het er dit jaar, met de cijfers die we tot nu toe hebben kunnen noteren, niet op verbetert.
“Ik begrijp dat sommige agenten moedeloos worden wanneer ze dezelfde persoon drie, vier of zelfs tien keer arresteren en hij telkens weer vrijkomt”, aldus procureur des Konings Moinil. Wij moeten zijn woorden allemaal ter harte nemen. Ook al valt een en ander niet onder uw bevoegdheid, mijnheer de minister – de regering is een en ondeelbaar -, vernam ik graag hoe ver het staat met de beloofde grote taskforce. Hoe kunnen wij de huidige malaise en de blijvende demotivatie van onze politieagenten tegengaan? Dat kan onder meer door strenger toe te zien op de uitvoering van de straffen die dergelijke criminelen in dit land moeten krijgen.
Ik wil, ten derde, nog ingaan op het ideetje dat vooral u de MR bij monde van u, mijnheer de minister, in de media heeft gelanceerd. Ik doel op de inzet van het leger op het grondgebied van Brussel. U voegde eraan toe dat dat later eventueel ook in andere steden zou kunnen gebeuren, indien dat nodig blijkt. In eerste instantie wees de minister van Defensie, de heer Francken, het voorstel af, hoewel hij daar in de vorige legislatuur samen met de heer De Wever, toen ze nog geen minister waren, een heel groot voorstander van was. Mevrouw De Vreese kan dat zeker beamen. Vooral de heer Francken ziet dat niet iets voor de korte termijn. Volgens hem zou daartoe pas een eerste aanzet kunnen worden gedaan vanaf 8 april 2026. Ook qua visie moet nog een en ander worden afgestemd, want de heer Francken ziet eigenlijk een totaal ander takenpakket voor de militairen dan waarvoor u hen wilt inzetten. Ik wil daarom nagaan wat nu precies de bedoeling is.
Zullen militairen politietaken overnemen of worden er gemengde patrouilles opgericht waarbij militairen een ander takenpakket krijgen dan de politie?
Ik wil ook meer duidelijkheid over de timing van het voorstel. Blijft het bij woorden in de media of worden daar ook concrete daden aan gekoppeld?
Matti Vandemaele:
Mijn twee vragen hangen inhoudelijk niet samen en het verwondert mij dus dat die in hetzelfde debat aan de orde komen. Ik stel voor om inhoudelijk verschillende items een volgende keer apart te behandelen.
Ten eerste, wat de inzet van militairen op straat in Brussel of elders betreft, volgens sommigen zouden militairen statische bewakingsopdrachten moeten overnemen; anderen zien heil in gemengde patrouilles en nog anderen vinden dat militairen politionele taken moeten uitvoeren. Welke van de drie systemen overweegt de regering? Heeft de regering daarover een definitieve beslissing genomen? In de media is er alvast ruis op de uitspraken van ministers en partijvoorzitters ter zake.
Militairen zijn niet opgeleid of uitgerust voor bepaalde taken in de publieke ruimte. Is het wel aangewezen om militairen met politiebevoegdheden en -wapens de straat op te sturen? Wie zal het commando voeren bij gemengde patrouilles? Op mijn schriftelijke vraag hierover kreeg ik een bizar antwoord: enerzijds stelde u dat militairen te allen tijde onder de controle en het gezag van de hoogste militair blijven, en anderzijds merkte u op dat de leider van de opdracht op dat moment de politieagent is. Wat gebeurt er echter als de twee elkaar tegenspreken? Zijn er duidelijke afspraken over wie dan het gezag voert?
U voelt wel aan dat ik hier geen voorstander van ben. Ik denk dat militairen slechts zeer uitzonderlijk op straat kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld in het kader van de strijd tegen terrorisme, zoals in het verleden is gebeurd. Dat mag evenwel niet de norm worden. Mijn grote zorg en die van veel militairen is dat een uitzonderlijke situatie wellicht langer kan duren dan verwacht. Op die manier maken we geen werk van echte oplossingen. Het blijft steeds een lapmiddel.
Ten tweede, wat de fusie van de Brusselse politieraden betreft, het advies van Brulocalis en het Bureau van de Conferentie van Burgemeesters was niet echt positief. Ik begrijp dat u als positief ingestelde persoon er positieve elementen in hebt gezien, maar ik heb toch veel kritiek gelezen. Ik ben benieuwd hoe u tegen die kritiek aankijkt.
Vindt u de kritiek ongegrond is en kunt u ze weerleggen? Of bent u bereid om het voorstel dat op tafel ligt, bij te sturen?
U zegt zelf dat u altijd de dialoog gaat met de mensen op het terrein. Bent u ook bereid om met de vrienden in Brussel werkelijk in dialoog te treden, zodat de fusie ook breed gedragen wordt? Ik denk dat een fusie alleen kan werken, als die breed wordt ondersteund. Ik ben dan ook benieuwd of u het pad van de dialoog wilt bewandelen, dan wel of u de forcing zult voeren en gewoon uw beslissing zonder meer in de praktijk zult omzetten.
Xavier Dubois:
Monsieur le président, je vais essayer de synthétiser mes six questions, en tout cas de les présenter dans un ordre qui a du sens. Je vais prendre comme point de départ la conférence de presse du procureur du Roi cet été, qui m'a fortement interpellé, un véritable cri d'alarme.
Cette conférence de presse a eu lieu dans un endroit gardé secret, des mesures de sécurité ayant été prises tout autour. Le procureur du Roi a lui-même été menacé de mort par des narcotrafiquants. Et donc ses mots étaient particulièrement interpellants, notamment quand il a dit que chaque Bruxellois pouvait prendre une balle perdue, évoquant aussi les montants en jeu au niveau des points de deal. Je pense qu'il est nécessaire d'entendre cet appel.
Nous avons d'ailleurs sollicité une audition du procureur du Roi en commission de l'Intérieur, et je remercie les membres de la commission d'avoir accepté cette proposition. Le procureur du Roi évoque un besoin supplémentaire de 10 millions d'euros. Il évoque également le fait que la police judiciaire fédérale devrait reprendre en main des enquêtes sur la criminalité organisée et sur les mafias. Qu'en pensez-vous? Quels sont les moyens que vous allez pouvoir débloquer pour répondre à cet appel important?
Il a aussi évoqué la problématique du cadre. Je pense qu'il faut remplir les cadres au plus vite. Quel est votre plan d'action pour atteindre cet objectif?
Comme d'autres collègues l'ont évoqué, le procureur du Roi a rencontré son homologue, le procureur de la République de Marseille. Cela a permis de faire ressortir toute une série de pistes intéressantes. Avez-vous pu le rencontrer également et, si ce n'est pas le cas, qu'avez-vous retiré de cette rencontre importante?
Ensuite, je voudrais vous interroger sur le plan "Grandes Villes".
Je ne vais pas le détailler, vous l'avez déjà bien présenté. Pour rappel, il s'agit de 20 millions d'euros pour des caméras, ou encore de la piste d'amener des militaires en rue avec des équipes mixtes. C'est aussi renforcer les objectifs policiers. Beaucoup de choses sont imaginées pour les grandes villes, mais, pour rappel, la problématique se vit aussi en zone rurale et dans les petites villes. Que prévoit votre plan pour ces zones? Il faut aussi avoir des réponses très claires et concrètes en la matière. Le combat se mène partout, sur l'ensemble du territoire de la Belgique. J'attends des mesures concrètes et précises pour répondre aux besoins des villes et communes, aux besoins des zones de police en zone rurale.
Autre question, n'estimez-vous pas qu'il serait important, et opportun surtout, de convoquer le Conseil national de sécurité pour qu'on puisse travailler tous ensemble à tous les niveaux pour pouvoir rendre plus efficace et opérationnelle cette lutte contre ce crime organisé?
Je voudrais aussi vous interroger sur des mesures qui sont prévues dans l'accord du gouvernement. Il y a ce premier plan et une vingtaine d'autres mesures. L'une d'elles consiste en la création du Fonds drogue. Je m'étonne du fait qu'il n'y ait pas encore eu de projet concret présenté au Conseil des ministres pour la création de ce Fonds drogue. Pouvez-vous nous dire où vous en êtes par rapport à cette mesure très importante, qui permettra de s'attaquer au portefeuille des trafiquants et surtout de réutiliser ces moyens, de les affecter à une lutte efficace contre cette problématique? Il paraît que des freins auraient été remarqués, notamment au niveau de l'administration des finances. Pouvez-vous confirmer ou infirmer le fait que des freins seraient observés dans certains services?
Mes collègues ont évoqué les zones de police. Je ne vais donc pas revenir sur l'avis concernant la fusion à Bruxelles, mais sur le financement des zones de police. Il est clair que – vous l'avez dit vous-même, et cela fait d'ailleurs partie de l'accord de gouvernement –, la fusion des zones de police de Bruxelles s'accompagne nécessairement d'une révision de la norme KUL et d'un refinancement qui soit le plus correct, efficace et juste de l'ensemble des zones de police. On a entendu que des réunions s'organisent pour présenter certains projets en la matière.
J'aimerais bien que vous puissiez aussi nous dire où on en est exactement, quels sont les acteurs qui ont déjà été informés du projet de réforme de cette norme KUL? Je pense qu'il est important que le Parlement soit informé aussi si certains acteurs le sont. On attend les éléments précis en la matière au plus vite.
Enfin, je reviendrai sur une mesure qui est peut-être moins stratégique, mais tout aussi importante, puisqu'elle concerne la collaboration et la coopération avec les autres É tats membres et hors de l'Union européenne. C'est la mesure concernant les officiers de liaison étrangers qui viendraient chez nous et, à l'inverse, nos officiers qui partiraient à l'étranger. Cela fait partie de l'accord de gouvernement.
Pouvez-vous définir de manière beaucoup plus claire ce qui est attendu de ces officiers agents de liaison? Comment vont-ils fonctionner? Quels sont les rapports qu'ils devront émettre? Surtout, quels moyens avez-vous à disposition pour mettre en œuvre de manière efficace cette mesure importante dans cette thématique qui nous rassemble tous aujourd'hui?
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, ik kan het kort houden, omdat ik niet te veel in herhaling wil vallen. De voorbije maanden hebben we dit soort debatten met u meermaals kunnen voeren. Nog maar twee weken geleden waren de Kamerdiensten zo vriendelijk om mijn vraag toe te voegen aan de vraag in de plenaire vergadering, die toen ook in een actualiteitsdebat is gesteld.
Voor mij zijn twee punten relevant.
Ten eerste bestaat er een contradictie tussen uw verklaringen en die van minister Francken over de inzet van militairen. Daarover heb ik geen vraag gesteld, want anderen doen dat.
Mijn vraag gaat heel specifiek over de fusie van de Brusselse politiezones. Afgelopen zomer is daarop veel kritiek geuit. Dat is niet onverwacht, want er is veel koudwatervrees. Ik herhaal mijn steun, mijnheer de minister, voor uw initiatief. U hebt de moed gehad om met uw neus in de wind te gaan staan, een eigenschap die in de politiek niet aan iedereen gegeven is. Ik hoop dat u doorzet en wens u dat toe.
Ik verwijs voor mijn concrete vragen naar de schriftelijke voorbereiding.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, comme mes collègues sont déjà intervenus, je vais essayer d'être aussi brève que possible.
J'imagine que vous partagez le même objectif que moi, à savoir que la sécurité, l'une des priorités de nos concitoyens, mérite des mesures structurelles et véritablement efficaces, au lieu d'effets d'annonce contraires aux demandes des experts et que ne cautionnent pas les acteurs de terrain. Je pense ainsi à l'annonce selon laquelle vous alliez rétablir une présence militaire dans nos rues, notamment à Bruxelles.
Monsieur le ministre, quel est le cadre légal dans lequel l'armée opèrera? Quelles seraient les missions confiées aux militaires? Auront-ils le droit d'être en rue ou ailleurs, en brigade mixte avec la police ou seuls?
Je voudrais revenir également en bref sur la fusion des zones de police à Bruxelles. Vous la présentez souvent comme l'une des solutions qui permettraient de résorber le sentiment d'insécurité dans la capitale. Pour être complètement honnête, je ne suis pas philosophiquement fermée à cette option. Toutefois, fin août, les 19 bourgmestres bruxellois se sont exprimés à l’unanimité contre ce projet. Ils réclament plutôt un financement structurel supplémentaire pour la police bruxelloise et s’inquiètent, par ailleurs, de la suppression annoncée des conseils de police, qui jouent un rôle essentiel dans le contrôle démocratique.
Leur avis, très négatif, rejoint celui de Brulocalis et du bureau de la Conférence des bourgmestres, qui soulignent également les risques pour la proximité avec le citoyen, l’autonomie communale, ainsi que les incertitudes juridiques et budgétaires entourant ce projet.
Monsieur le ministre, comment prenez-vous en compte cette position unanime des bourgmestres, qui demandent avant tout un refinancement structurel de la police plutôt qu’une fusion des zones?
Comment comptez-vous répondre à leurs préoccupations concernant la suppression des conseils de police et les conséquences pour la démocratie locale et la proximité avec les citoyens?
Enfin, êtes-vous disposé à adapter vos projets afin de tenir compte des arguments et de l’expertise exprimés par les autorités locales? Je m'arrête ici pour pouvoir vous entendre. Merci, monsieur le ministre.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de minister, het is een soort hutsepot geworden van vragen die door elkaar gemixt zijn en ik lust niet zo graag hutsepot. Ik heb liever dat sommige zaken van elkaar gescheiden worden. Ik vind dat dit lekkerder smaakt. Hier zijn er net iets te veel vragen samengevoegd om het behapbaar te maken. Ik heb nu bijvoorbeeld een aantal vragen over het geweld aan de kust, wat toch tot een andere discussie leidt dan die over de drugscriminaliteit in onze hoofdstad.
Minister, de voorbije weken werden we in Oostende geconfronteerd met bijzonder hard drugsgeweld, met de tragische moord op een 43-jarige vrouw als dieptepunt. Lokale besturen uiten hun grote bekommernis over de stijgende druk op de veiligheid in de kustregio. Tijdens weekends en de vakantieperiodes, standaard zeer drukke periodes, neemt de bevolking er enorm toe, waardoor de politiecapaciteit structureel onder druk komt te staan.
In Oostende specifiek verdrievoudigt tijdens de zomermaanden het bevolkingsaantal. Daarbovenop wordt regelmatig gevraagd dat agenten van de kustzones bijstand verlenen in andere regio's, terwijl net aan de kust de noden hoog zijn. We kunnen stellen dat doorheen de zomer onze kustlijn eigenlijk één groot evenemententerrein vormt.
Hoe evolueert de drugsproblematiek in Oostende en zijn er linken met de drugscriminaliteit in de rest van het land?
Hoe beoordeelt u de huidige veiligheidsdruk in Oostende en in de bredere kustregio in het licht van recente incidenten en de sterk toenemende bevolkingsaantallen tijdens piekperiodes?
Welke maatregelen plant u om te vermijden dat lokale politiezones aan de kust capaciteit verliezen door systematische bijstandsoproepen naar andere regio's, terwijl de lokale noden zeer hoog zijn?
Bent u bereid in overleg met de gouverneur en met de burgemeesters van de kuststeden een specifiek plan uit te werken om de structurele uitdagingen door het geweld, gekoppeld aan de toeristische drukte en de evenementen, aan te pakken?
Hoe zult u ervoor zorgen dat kustgemeenten voldoende operationele ondersteuning krijgen, zonder afhankelijk te worden van noodinterventies of ad-hocversterkingen?
Jullie zien, collega's, dat dit heel andere vragen zijn dan de andere die op de agenda staan.
Wat het drugsgeweld in de hoofdstad betreft, wil ik mij aansluiten bij de collega's. Dat is een zaak waar we al heel wat debatten over gevoerd hebben. Ook ik heb een aantal vragen over de inzet van militairen in Brussel.
Het drugsgeweld duurt voort. Er zullen militairen ingezet worden op straat. Maar wij hebben er op gehamerd dat daarvoor een kader voorhanden moet zijn, minister, zodat de militairen geen sitting duck zijn en voldoende kunnen ingrijpen op momenten dat het nodig is.
Ik wil verwijzen naar de vragen die ik heb opgesteld, want er zijn nog een aantal zaken die moeten of inmiddels misschien al zijn uitgeklaard tussen u en de minister van Defensie. Ondertussen gaf bijvoorbeeld ook de burgemeester van Charleroi aan dat hij dergelijke ondersteuning wenst.
Hoever gaan wij daarin? Hoe worden de steden geselecteerd? Wat wilt u daar precies mee doen?
De gemengde patrouilles, het overleg met de minister van Defensie en het wettelijke kader zijn voor ons belangrijk. Wanneer worden ze wel ingezet en wanneer niet?
U weet dat in het regeerakkoord wordt gesproken over dreigingsniveau 4. Blijven wij bij die piste of voorziet u in cumulatieve voorwaarden om die mensen in te zetten?
Ik weet dat zelfs bepaalde militairen vragende partij zijn om ook bepaalde bevoegdheden te krijgen. Wij moeten daar goed over nadenken. Dat is immers niet iets wat zomaar wordt gedaan. Een en ander moet weloverwogen gebeuren en in goed overleg tussen beide ministers in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, waarin wij u zeker steunen. Dat moet heel duidelijk zijn.
Wij hebben inderdaad vastgesteld dat de drugsproblematiek, wat wij overigens al wisten, niet enkel hier of in onze grote steden bestaat, maar dat het om een Europees probleem gaat dat zelfs internationaal moet worden aangepakt.
Wij zagen bijvoorbeeld de Franse procureur Nicolas Bessone communiceren dat de voorbije maanden ongeveer vijftig Belgen, onder wie een twintigtal Brusselaars, werden gearresteerd in Zuid-Frankrijk, voornamelijk in Marseille en de grensregio. Onder hen bevonden zich ook twee landgenoten die zwaar bewapend een opdracht zouden uitvoeren.
Dat is toch niet niets. Tijdens zijn bezoek aan Brussel wees de Franse procureur op de connecties tussen bendes in Brussel en Marseille. Bovendien legde hij een link met de rol van de haven van Antwerpen in de internationale drugshandel. Hij bracht daarbij enkele praktijken uit Marseille aan en riep de Belgische autoriteiten op om de wetgeving aan te scherpen. Wij moeten met de Franse autoriteiten de krachten bundelen in één gezamenlijke strijd tegen de georganiseerde misdaad.
Op welke manier werken onze politiediensten vandaag concreet samen met de Franse autoriteiten in de gezamenlijke strijd tegen drugscriminaliteit? Kunnen wij die samenwerking nog uitbreiden? Hoe verloopt de informatie-uitwisseling met Frankrijk in dossiers waarin Belgische drugsnetwerken betrokken zijn? Waar ziet u nog verbeterpunten?
Hoe zit het met de informatie-uitwisseling over die vijftig Belgen die daar zijn aangetroffen? Krijgen wij de noodzakelijke gegevens, zodat wij weten wie zij zijn en hoe wij hen verder kunnen opvolgen? Hebt u daarover recent overleg gehad met uw Franse collega-minister of zult u dat nog doen? Voor mij is dat noodzakelijk. Wat zijn de voornaamste afspraken die u met hem wilt maken of welke vooruitzichten ziet u?
Wordt onderzocht of bepaalde praktijken uit Marseille, zoals het groeperen van drugshandelaars in zwaarbeveiligde gevangenissen, ook in België toepasbaar kunnen zijn? Dat is misschien ook een vraag voor uw collega-minister Verlinden.
Hoe reageert u op de oproep van procureur Bessone om de Belgische wetgeving aan te scherpen in het licht van de toenemende internationale dreiging?
Dat waren mijn specifieke vragen. Ik verontschuldig mij voor het overschrijden van mijn spreektijd.
Franky Demon:
Mijnheer de minister, in het Bonneviepark vinden op klaarlichte dag drugsdeals plaats. Mensen verstoppen zelfs drugs in speeltoestellen waarop kinderen veilig zouden moeten kunnen spelen. Ouders durven hun kinderen niet meer te laten spelen uit angst voor verdwaalde kogels of confrontaties met bendes. Een plek die een veilige groene speelruimte zou moeten zijn, wordt gedomineerd door angst en criminele baldadigheden.
Brussel is een stad waar honderdduizenden mensen wonen en waar pendelaars elke dag komen werken. Deze stad zou de Belgische vitrine naar de wereld moeten zijn. Wanneer geweld en drugsbendes echter het straatbeeld gaan bepalen, wordt Brussel een stad waar mensen niet meer durven te komen. Ik heb enorm veel respect voor onze politiemensen, die met een nijpend personeelskader hard moeten werken in Brussel en andere steden waar drugsgeweld de kop opsteekt.
We wensen in te zetten op militairen op straat. De vakbonden hebben in verband hiermee enkele terechte bezorgdheden geuit. Hoe gaat u daarmee om?
Het regeerakkoord stelde duidelijk dat er één wijkagent per 2.000 inwoners moet zijn. Welke inspanning zult u hiervoor treffen? In sommige gemeenten en steden kunnen zij als een soort vrederechter een eerste oplossing zijn.
Vooral nu in Brussel, maar ook in andere steden moet er een tandje worden bijgestoken. Wat zult u nog extra ondernemen om ervoor te zorgen dat Brussel de Belgische vitrine naar de wereld kan zijn?
Éric Thiébaut:
Monsieur le ministre, je voudrais revenir sur ce sujet ô combien important pour les communes qu'est le montant des dotations fédérales aux zones de police, avec un problème que j'ai déjà évoqué très souvent dans cette commission, à savoir le décalage entre la fixation du montant des dotations aux zones de police par le fédéral et l'adaptation à l'inflation, soit à l'indexation des salaires.
Aujourd'hui, on demande aux zones de police de prévoir dans leur budget le même montant de dotation fédérale que dans le budget de l'année précédente, sans tenir compte des potentielles indexations de salaire qui sont prévues par le Bureau du Plan. Or il faut savoir que le budget d'une zone de police, c'est pratiquement à 90 % des charges de personnel. Il est donc très sensible à l'indexation des salaires.
Alors, d'une part, on est obligé de prendre une dotation qui n'est pas indexée, mais, d'autre part, la tutelle fédérale sur l'établissement des budgets impose aux communes et aux zones de prévoir dans le budget les dépenses qui correspondent à l'augmentation du coût de la vie. Il y a donc là un réel décalage entre les prévisions de dépenses et les prévisions de recettes.
Dès lors, monsieur la ministre, comme je l'ai sollicité auprès de Mme Verlinden lors de la législature précédente, j'aimerais que vous permettiez aux zones de police de déjà prévoir l'indexation des dotations qui est prévue en fin d'année, de pouvoir le faire bien avant, par exemple, au mois de septembre ou d'octobre.
Par ailleurs, pourriez-vous nous dire où vous en êtes dans la réflexion sur la réforme de la norme KUL? Vous en parlerez certainement dans une heure ou deux au Conseil des bourgmestres, dont je fais partie. Comme je suis aussi député fédéral, je vous pose également la question ici.
Brent Meuleman:
Mijnheer de minister, ik zal u drie vragen stellen; voor alle duidelijkheid niet in volgorde van belangrijkheid, maar in de volgorde zoals ze geagendeerd staan.
Mijn eerste vraag gaat over een nieuw fenomeen uit de onderwereld dat aan de oppervlakte is gekomen in Wallonië. Nieuwe criminele bendes worden zichtbaar in de publieke ruimte, met name de Daltons en de Caspers, zo berichtte Het Laatste Nieuws op 25 september. Dat zijn groepen die betrokken zouden zijn bij geweld, intimidatie en schietpartijen. Bendeleiders en hun leden gedragen zich opvallend aanwezig in het straatbeeld, waardoor hun macht en invloed zichtbaar worden voor de bevolking.
De recente moordaanslag op de leider van de Daltons maakt duidelijk dat er sprake is van gewelddadige afrekeningen tussen rivaliserende groepen. Dat fenomeen wijst op een verplaatsing van de georganiseerde misdaad naar een openlijke strijd in de publieke ruimte. Helaas hebben we dat de laatste maanden al te vaak gezien in ons land. Dat heeft uiteraard een grote impact op de veiligheid en het onveiligheidsgevoel bij burgers.
Beschikt u over recente cijfers over dit fenomeen? Ik denk dan aan het aantal leden, het leeftijdsprofiel en de verspreiding in België. Hoe ernstig schat u de dreiging die uitgaat van deze bendes? Welke concrete acties onderneemt u of de federale politie om hun activiteit te monitoren en in te perken? Zijn er aanwijzingen dat deze groepen banden onderhouden met bredere criminele netwerken?
Wordt er op dit moment een gecoördineerde aanpak ontwikkeld, zoals dat ook gebeurt tegen motorbendes en drugsclans, specifiek gericht op deze opkomende bendes? Heel belangrijk, wordt er een samenwerking met burgemeesters en lokale besturen georganiseerd, gezien de zichtbaarheid van die bendes in de publieke ruimte?
Mijn tweede vraag gaat over Defensie op straat in het kader van het grotestedenplan, een thema dat hier al uitgebreid aan bod is gekomen. De publieke discussie en de berichtgeving in de media daarover hebben tot enige onduidelijkheid geleid, met geruchten over de uitbreiding van de bevoegdheden van militairen en de organisatie van gemengde patrouilles.
Kunt u duidelijkheid verschaffen over die geruchten omtrent de inzet van Defensie op straat, dus de plannen voor gemengde patrouilles en de vermeende uitbreiding van de bevoegdheden van militairen, mogelijk zelfs tot het gebruik van vuurwapens?
Bevestigt u dat het uitgangspunt van het inzetten van Defensie uitsluitend is – en dat staat ook zo in het regeerakkoord – om politiecapaciteit vrij te maken die gericht kan worden ingezet in de strijd tegen drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad?
Wat is de stand van zaken van het juridisch en operationeel kader voor het inzetten van militairen? Zijn de contacten tussen het kabinet van de minister van Defensie en dat van u al afgerond? Kunt u verzekeren dat dat kader zich beperkt tot de overname van statische opdrachten en geen nieuwe bevoegdheden voor militairen omvat? Kunt u concreet aangeven wat de politie zelf vraagt om de strijd tegen de drugscriminaliteit op een effectievere manier te voeren?
Mijn derde vraag in dit actualiteitsdebat gaat over de KUL-norm. Onder burgemeesters wordt daar wel eens naar verwezen als de “flauwekulnorm”, wat meteen ook het probleem aantoont. Het regeerakkoord voorziet in de invoering van een nieuw en eenvoudig financieringsmodel voor de lokale politiezones ter vervanging van de huidige KUL-norm. Het doel is om elke zone – met inachtneming van de eigen specificiteit – voldoende flexibele en transparante middelen toe te kennen om de basispolitiezorg, die zo belangrijk is, te garanderen.
Dat is een noodzaak gezien de toenemende uitdagingen waarmee onze politiediensten geconfronteerd worden. Ik mag hier ook tegen de collega’s zeggen dat ze woord hebben gehouden. U hebt mij een aantal maanden geleden beloofd om naar Zelzate te komen. De minister heeft dat gedaan en u hebt daar een en ander op het terrein kunnen zien en ervaren. U hebt van mijn korpschef gehoord waar de uitdagingen liggen. Financiering – het zal u niet verbazen, het heeft u toen ook niet verbaasd – komt daarbij prominent aan bod.
De lokale politiezones dragen een zware verantwoordelijkheid terwijl de financiële druk op die lokale besturen, die reeds een aanzienlijk deel van de politiebudgetfinanciering dragen, enorm toeneemt. Ik had graag van u een aantal zaken concreet vernomen.
Ten eerste, welke initiatieven hebt u tot heden genomen om het nieuwe, vereenvoudigde en transparante financieringsmodel voor de lokale politiezones op basis van kwalitatieve en wetenschappelijk onderbouwde parameters in te voeren?
Ten tweede, wat is de timing voor de implementatie van dat nieuwe model en zal hierbij gegarandeerd worden – en dat is toch niet onbelangrijk, mijnheer de minister – dat de financiering de zones in staat zal stellen om effectief een kwaliteitsvolle basispolitiezorg te leveren, los van de financiële draagkracht van de individuele lokale besturen?
Ik dank u alvast voor uw antwoorden.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, comme l'ont évoqué la presse et les collègues, le procureur du Roi de Bruxelles, M. Julien Moinil, a dû être placé sous protection rapprochée. Cette situation nous interpelle.
J'en viens donc directement à mes questions, monsieur le ministre. Combien de magistrats ou hauts responsables judiciaires bénéficient-ils actuellement en Belgique d'une protection rapprochée organisée par le service de la protection (DAP) de la police fédérale?
Ensuite, quels sont les critères précis retenus pour activer une telle mesure? Quels sont les moyens humains et logistiques actuellement mobilisés dans ce type de protection rapprochée?
L'usage de technologies intrusives – valises blindées, drones, brouilleurs, etc. – fait-il l'objet d'un encadrement spécifique?
Enfin, quelles mesures sont-elles envisagées ou ont-elles été prises pour renforcer la prévention et la détection précoce des menaces contre les acteurs de la justice, en particulier dans les dossiers liés au trafic de stupéfiants? Merci à vous.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, ik snap dat het misschien een beetje vreemd is dat mijn vragen in dit debat aan bod komen, maar ik begrijp dat er heel veel op de agenda staat.
Mijn eerste vraag gaat over whole of government -aanpak, die in verschillende belangrijke dossiers, zoals de Nationale Veiligheidsstrategie en het nationaal weerbaarheidsplan, door het regeerakkoord naar voren geschoven wordt. Die aanpak is erop gericht efficiëntie en gedragen samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus te realiseren. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat in crisissituaties beslissingen doeltreffend genomen kunnen worden en dat elke speler in dit land weet wat er van hem verwacht wordt. Een gedragen samenwerking versterkt het beleid en maakt een constructieve whole of government -aanpak noodzakelijk.
Vanuit zowel de Vlaamse als de Waalse overheid vang ik signalen op dat de uitvoering in de praktijk soms stroef verloopt, bijvoorbeeld bij het nationaal weerbaarheidsplan. Het is echter juist belangrijk dat deze plannen breed gedragen worden om efficiënt te zijn. Dat betwist niemand, denk ik. Het is daarom noodzakelijk om te zorgen voor een structurele en volwaardige participatie van de deelstaten in elke fase van deze trajecten, zowel politiek als administratief. Dit kan bijvoorbeeld worden gegarandeerd door de opmaak vanuit het Overlegcomité te coördineren, maar dat is slechts een suggestie.
Voor een optimale whole of government -aanpak is het bovendien cruciaal dat er vanaf het begin van elk proces sterke informatiedeling plaatsvindt, bijvoorbeeld via een centraal platform. Zo kan elke actor met kennis van zaken aan de tafel zitten en is de input niet beperkt tot ad-hocgedachten.
De huidige overlegstructuur loopt naar mijn aanvoelen minstens stroef en kan worden bijgestuurd door een paritaire samenstelling. Vergaderingen waarbij slechts één vertegenwoordiger per deelstaat aanwezig is, maar waarbij talrijke vertegenwoordigers van de federale overheid aan tafel zitten, leiden zowel politiek als administratief tot onevenwichtige beslissingen. Daarbij is het belangrijk dat voor elke entiteit een duidelijke coördinator wordt afgesproken en gerespecteerd.
Ik heb hierover enkele vragen. Hoe definieert u een whole of government -aanpak om de aanpak en de opmaak van deze cruciale plannen zo sterk mogelijk te maken en de beveiliging van onze burgers te garanderen? Hoe definieert u een whole-of-government -aanpak? Hoe loopt de opmaak van het nationaal weerbaarheidsplan en de Nationale Veiligheidsstrategie? Engageert u zich om de deelstaten hier op een correcte manier bij te betrekken, volgens de principes die ik net heb uiteengezet?
Mijn volgende vraag gaat over het Kanaalplan. In de zomer hebben we immers jammer genoeg wederom gezien waarom dit zo broodnodig is in Brussel. Het is echter niet beperkt tot Brussel. Ook in de Vlaamse Rand, in mijn eigen stad Vilvoorde, waren er bijvoorbeeld rellen in het station na de arrestatie van een drugsbaas. Het gaat ook breder dan dat.
Het lijkt erop dat u met het plan grote steden een nieuwe naam voor dit Kanaalplan hebt gekozen. Schuift u inderdaad een nieuwe naam naar voren? Kunt u een stand van zaken geven rond de invoering van dit nieuwe plan? Welk werkingsgebied ziet u voor dit plan? Zijn er naast de reeds aangekondigde maatregelen in het plan grote steden, zoals militairen op straat en het budget voor extra camera's, nog andere maatregelen die u vooruit wilt schuiven?
Ik wil trouwens ook mijn appreciatie uitspreken voor de ronde die u hebt gedaan, ook in de Vlaamse Rand, om met de mensen op het veld te spreken.
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, vous avez récemment présenté un plan "Grandes Villes" – j'imagine que c'est le nouveau nom pour le plan Canal – qui vise à renforcer la sécurité dans les zones urbaines, qui sont confrontées à des défis multiples. Si le plan "Grandes Villes" est bien le plan Canal, je m'en réjouis parce qu'évidemment ça veut dire qu'on cesse de se focaliser uniquement sur la ville de Bruxelles et que vous allez vous attaquer à travers ce plan à la criminalité dans les grandes villes du pays, ce qui est très important.
Selon vos déclarations publiques, ce plan prévoit, on l'a dit à plusieurs reprises, le déploiement de militaires dans l'espace public, mais aussi la modernisation et la généralisation de caméras de surveillance, ainsi que l'organisation d'opérations policières de grande ampleur, dites opérations coup de poing. Vous avez participé à l'une d'entre elles très récemment. Vous avez également souligné que la priorité était de lutter contre le crime organisé, le trafic de stupéfiants et la criminalité violente qui en découle.
La refonte du plan Canal répond à une attente de fermeté, elle traduit une volonté de restaurer l'autorité de l' É tat dans les quartiers où l'insécurité s'est aggravée. Néanmoins, la lutte contre le crime organisé ne saurait se limiter à une approche strictement policière voire militaire, elle touche à des domaines transversaux comme la justice, les finances, les douanes, la politique sociale et la santé publique. De plus, la mise en œuvre concrète de ce plan repose sur une coordination étroite entre polices locale et fédérale, ainsi que sur une articulation claire des rôles entre le ministère de l'Intérieur et d'autres départements ministériels.
Dans ce contexte, je voudrais vous poser trois questions: vous indiquez que la priorité est la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue, le crime organisé sera-t-il explicitement intégré dans un axe central du plan? Le plan "Grandes Villes" intégrera-t-il une cartographie claire des compétences qui relèvent d'autres ministères qui ont un rôle à jouer dans la lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé? Quels budgets sont spécifiquement alloués à ce plan par poste, surveillance, présence militaire, renfort policier, etc.?
Bernard Quintin:
Monsieur le président et mesdames et messieurs les députés, d'abord, je ferai une petite note liminaire. Je suis en effet le premier désolé que l'on doive grouper les choses. Je pense avoir déjà prouvé que j'étais le plus disponible possible pour la Chambre et pour cette commission, mais il est vrai que l'agenda de rentrée était difficile et un peu mouvementé.
Ook al is het wat hectisch, ik ben hier en nu te uwer beschikking.
Je vous remercie pour les nombreuses questions qui témoignent, pour autant que de besoin, de l'intérêt que nous partageons pour le fait de garantir et même de renforcer l'ordre et la sécurité dans notre pays. La majorité d'entre elles partent d'un constat: la recrudescence des fusillades dans les villes, particulièrement dans notre capitale mais seulement, la montée en puissance de la criminalité organisée et du narcotrafic, et un sentiment d'insécurité croissant au sein de la population, qu'il nous faut combattre.
Sinds mijn aantreden, acht maanden geleden, zet ik mij, niet behept met naïviteit of fatalisme samen met de hele regering in om met respect voor het regeerakkoord structurele, samenhangende en gecoördineerde oplossingen te bieden voor de uitdagingen waarmee ons land wordt geconfronteerd.
Cette réponse coordonnée qui constitue une boussole de mon action politique privilégie des mesures qui se renforcent mutuellement. Cela implique également d'avoir conscience des responsabilités partagées dans la chaîne sécuritaire, de l'Intérieur en passant par la Justice, les Douanes, la Défense, l'Asile et la Migration, la Santé au niveau fédéral sans oublier le rôle des autres niveaux de pouvoir. Je pense ici notamment aux communes, avec les bourgmestres, mais aussi aux Régions et Communautés dans le cadre de leurs politiques propres telles que la prévention, la santé et plus globalement l'approche administrative. Tout le monde doit unir ses forces et assumer ses responsabilités
Ik neem mijn verantwoordelijkheid. Waar ik kan handelen, doe ik dat.
Dès les premières semaines de mon entrée en fonction, j'ai obtenu le déploiement de 31 unités supplémentaires pour la police judiciaire fédérale à Bruxelles. En novembre, 40 agents viendront encore s'y ajouter, soit plus de 70 agents en 7 mois. J'ai demandé au commissaire général d'accélérer au maximum les recrutements, mais il s'agit d'un chantier à long terme que je conduis déjà.
Kort na de start van mijn ambtstermijn heb ik de eerste minister gevraagd om een taskforce op te richten waarin Justitie, Binnenlandse Zaken en andere departementen zoals Financiën en Volksgezondheid elkaar ontmoeten. Er zijn al twee ministeriële vergaderingen gehouden. Een coördinatietabel bepaalt de stappen.
Het is opnieuw een langdurige klus. Op het gebied van georganiseerde misdaad worden resultaten immers in jaren gemeten, niet in maanden.
Ik ben er mij van bewust dat er grote inspanningen moeten worden geleverd. Ik heb de wil, in alle nederigheid, om de structuur van de binnenlandse veiligheid grondig te herzien, zowel op lokaal als op federaal niveau. De geïntegreerde politie op twee niveaus, waaraan ik veel waarde hecht, omdat het een zeer efficiënt model is, en de duizenden politiemensen, die elke dag voor onze veiligheid zorgen, verdienen efficiëntere structuren om hun opdrachten goed te kunnen uitvoeren.
Om dat te verwezenlijken, heb ik gelijktijdig zowel het strategisch plan voor de federale politie als het ontwerp betreffende de fusie van lokale politici in eerste lezing voor de zomer laten goedkeuren. Ik heb besloten om over dat initiatief brede consultatierondes te organiseren, veel verregaander dan wat gewoonlijk wordt vereist in het administratief en juridisch proces.
S'agissant donc de la fusion, j'attends près de 20 avis d'ici le milieu de ce mois d'octobre. D'ores et déjà, je puis vous indiquer – et cela ne vous étonnera pas – que certains se montrent bien plus positifs que celui rendu par Brulocalis. J'insiste sur le fait que son avis est identique à celui de la Conférence des bourgmestres. Bien évidemment, on peut se livrer à un petit jeu d'optique mathématique en cumulant les deux. Simplement, celui de Brulocalis a été avalisé par la Conférence des bourgmestres. Néanmoins, il reconnaît que certaines préoccupations ont déjà été prises en considération. Ces différents avis sont en cours d'analyse ligne par ligne. J'ai demandé à mon cabinet d'y réserver une attention particulière et d'intégrer les remarques pertinentes. Cela interviendra dans les semaines à venir.
Pour répondre à vos questions, madame Maouane, messieurs De Smet, Dubois, Chahid et Vandemaele, oui, des amendements seront évidemment apportés – et ils ne seront pas cosmétiques. Oui, j'ai entendu les craintes, parfois légitimes, des bourgmestres bruxellois auxquelles je souhaite, lorsque c'est possible, apporter une réponse. Cette réforme ne sera jamais punitive à l'égard de Bruxelles. Elle est conçue au bénéfice des Bruxelloises et des Bruxellois – dont je fais partie, tout comme certains d'entre vous, au demeurant –, de leur sécurité, ainsi que des centaines de milliers de travailleurs et de voyageurs qui font vivre notre capitale.
Tijdens mijn carrière heb ik altijd de tijd genomen om te consulteren. Dat is essentieel. De rol van een beslisser houdt evenwel in dat die na consultatie effectief moet beslissen zonder aarzeling of zenuwachtigheid. De koers die ik en de regering volgen, is duidelijk: de fusie van de Brusselse politiezones zal plaatsvinden.
La fusion des polices à Bruxelles aura lieu. Je constate qu'il y a quelques ouvertures, j'ai entendu Mme Maouane, j'ai écouté très attentivement le bourgmestre de Saint-Gilles, M. Spinette, ce matin sur BX1, qui finalement, à part le mot fusion, a parlé exactement de mon projet de fusion. Coordination, mise en commun des services centraux, mutualisation des forces d'intervention, what's in a name…
Franchement, je vous le dis, s'il faut utiliser un autre terme que le mot "fusion" pour que cela mette tout le monde à l'aise, j'ouvre le concours aux meilleurs mots pour faire ce qui finalement est un projet politique majeur pour l'architecture de sécurité de notre pays. Dès lors, cette fusion aura lieu, non pas comme certains voudraient le faire croire, parce que ce serait une volonté flamande, mais bel et bien car c'est une nécessité, et la réalité de terrain le prouve. Je crois qu'il faut avoir vécu ailleurs que sur notre planète pour ne pas avoir vu la situation cet été.
Je crois qu'il ne faut pas aller à la rencontre des habitants, ce que j'ai fait au mois d'août, ce que je fais régulièrement, pour ne pas penser qu'il y a quelque chose à faire pour la sécurité. Et je n'ai évidemment jamais dit, je n'ai jamais écrit, que la fusion des zones de police était "la" solution. Je n'ai jamais dit, je n'ai jamais écrit, que les militaires en rue étaient "la" solution. Il n'y a pas une seule solution.
Dé oplossing bestaat niet; ik heb ze in ieder geval niet gevonden. Als iemand de oplossing heeft, mag die mij komen opzoeken, zelfs in alle discretie.
Si l'un d'entre vous a "la" solution, venez me voir, même discrètement, et si vous ne voulez pas l'assumer, je le ferai moi-même, mais franchement, travaillons ensemble, je pense que la question demande ce sérieux-là.
Je vous confirme également ma volonté de supprimer les conseils de police, qui dépossèdent trop souvent les conseillers communaux de leurs droits constitutionnels de contrôle démocratique. Là aussi, je sais à qui je m'adresse: les conseillers communaux, les bourgmestres, la démocratie locale, c'est le conseil communal. Or les conseillers communaux sont des élus directs, les conseillers des conseils de police sont des élus indirects et, dans la plupart de nos communes, vous avez des majorités, souvent à 80 % de l'assemblée du conseil communal.
Toutefois, dans les grandes zones, eh bien ces conseillers communaux peuvent envoyer deux conseillers de police, un de la majorité, un de l'opposition, ce qui veut dire que ces communes sont représentées dans les conseils de police à parts égales entre la majorité et l'opposition. Cela me semble être, en mathématiques électorales, un dévoiement de la démocratie. En outre, les très nombreux chefs de corps et bourgmestres que j'ai rencontrés m'ont fait part du manque d'utilité de cet organe, ce qui me conforte dans ma décision.
À côté de la réforme de la norme de financement sur laquelle je reviendrai, je vous confirme que des moyens sont consacrés spécifiquement aux fusions des zones de police, avec un plafond de 40 millions d'euros par an jusqu'en 2029. C'est en tout cas ce qu'il y a dans l'avant-projet de loi, parce que j'aurais peut-être dû préciser qu'il s'agit d'un avant-projet de loi. Des avis sont donnés, il y aura encore des discussions et la loi police intégrée devra être adaptée. Dès lors, ce que je dis aujourd'hui, c'est qu'il ne faut pas m'en tenir comptable plus que ce que je peux dire aujourd'hui par rapport aux décisions qui seront prises à l'issue des différentes discussions, en ce compris ce beau mot que j'utilise de moins en moins, de "consubstantialité".
Ces incitants, par définition limités dans le temps, visent à accélérer le nombre de fusions sur le territoire. Ils sont basés sur un montant par membre du personnel du cadre réel des zones à fusionner, auquel s'ajoutent plusieurs multiplicateurs pertinents retenus par le gouvernement. Nous en débattrons lors de l'examen du projet de loi.
Het bedrag voor de hoofdstad dat door de heer Van Tigchelt werd genoemd – de 55 miljoen euro die voor Brussel werd verkregen en die, tot ongenoegen van sommigen, werd goedgekeurd door alle partners van de regering – houdt geen herziening in van de financieringsnorm, in tegenstelling tot wat sommigen hebben laten doorschemeren op een min of meer subtiele manier, maar altijd met het doel om te desinformeren en te manipuleren. Dat zijn straffe woorden, ik weet het.
Mais à un moment, il faut dire les choses comme elles sont. J'ai toujours parlé d'un incitant fusion qui doit justement permettre de répondre aux défis qu'est la fusion.
Ce n'est pas moi, comme ministre de l'Intérieur, qui va vous dire que la fusion des zones de police est chose facile. Et certainement pas à Bruxelles, où nous devons passer de six à une zone qui comptera plus de 7 000 équivalents temps plein. C'est pour cette raison qu'il y a 55 millions d'appui à la fusion.
Donc celles et ceux qui continuent à dire que ce n'est pas un refinancement suffisant pour Bruxelles et les autres Régions, je m'excuse mais on peut dire et faire beaucoup de choses, mais moi j'ai appris dans ma vie que mentir, ça n'était jamais bien. Par conséquent, si je n'avais pas modifié les incitants existants dans le cadre des fusions, les six zones de police bruxelloises auraient obtenu moins d'un million d'euros. Elles auront donc au moins 55 fois plus.
Si après cela on ose encore me dire que Bruxelles est délaissée, j'aurais du mal à l'entendre mais j'ai déjà entendu bien d'autres choses.
Dames en heren parlementsleden, politiek actief zijn, is één ding, maar een betoog dat geen enkele realiteit weerspiegelt, is iets heel anders.
Ik heb de vragen van de heren Thiébaut, Depoortere, Meuleman en de heer Chahid gehoord over de herziening van de zogenaamde flauwekulnorm. Dat zijn mijn woorden niet, maar het is toch grappig. Ter zake heeft de multidisciplinaire commissie begin juli haar voorbereidende werkgroep afgesloten, waarbij een aantal parameters werd gehanteerd die gebaseerd zijn op de werkelijke werklast van de politiezone. Ik herinner eraan dat de vergadering, voorgezeten door een van mijn collega’s van het kabinet, vijftig keer is samengekomen. Dat is toch aanzienlijk meer dan de drie vergaderingen die de commissie in voorgaande jaren hield.
De relevante en toegankelijke criteria die werden geselecteerd, worden voorgelegd aan de VCLP. Voor raadpleging worden ze ook gepresenteerd aan de recent geïnstalleerde Raad van Burgemeesters, die een advies zal uitbrengen.
Par ailleurs, je peux vous annoncer que l'Université libre de Bruxelles a remporté en consortium le marché visant à concrétiser la méthode retenue et surtout à modéliser l'impact financier pour chaque zone de police du pays.
À cet égard, l'accord de gouvernement est clair. Il s'agit d'un financement supplémentaire, puisque nous travaillerons en enveloppe ouverte. Les premières conclusions de cette démarche académique que j'ai initiée sont attendues pour le premier trimestre 2026.
Il ne s'agit pas d'une énième étude, mais bien de la volonté d'aboutir à une nouvelle norme de financement que je mettrai sur la table du gouvernement l'année prochaine. Concernant spécifiquement ce shade , je ne peux pas encore vous indiquer à ce stade l'ampleur du refinancement, puisque le travail est en cours à l'ULB. J'ai néanmoins bien conscience qu'on ne modifie pas une structure, quelle qu'elle soit, sans aborder son financement ni la manière de la pourvoir.
Notre police a besoin d'hommes et de femmes qui viennent renforcer ses effectifs. Ce n'est pas nouveau, mais je me retrousse les manches. Sur ce point, je tiendrai donc un conclave à la fin du mois de novembre, avec différents acteurs, afin de définir les mesures concrètes pour améliorer au mieux l'attractivité de la fonction et faciliter les procédures de recrutement.
Vous noterez la petite différence sémantique entre table ronde et conclave. Il ne s'agit pas de se réunir pour disserter sur le pourquoi du manque. Les constats et les chiffres sont connus. Il s'agit vraiment de sortir d'un conclave qui durera le nombre de jours nécessaire à dégager des pistes concrètes à mettre en œuvre.
Beste Kamerleden, een aantal van u heeft vragen gesteld over de inzet van defensie ter ondersteuning van de politie. Ik wens op dat vlak heel duidelijk te zijn. Ik ben voorstander van de inzet van militairen voor specifieke binnenlandse opdrachten, maar evenwel zonder hun dezelfde bevoegdheden en opdrachten als de politie te geven. Dat is niet noodzakelijk en ook niet wenselijk.
De huidige veiligheidssituatie in onze hoofdstad moet ons allen zorgen baren. Het is voor mij duidelijk dat vanuit de overheid moet worden aangetoond dat we alle beschikbare middelen inzetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen. Het gaat hier ook niet om het falen van de politie. Onze politiemensen doen hun werk goed, maar we moeten schakelen en bekijken hoe we de dispositieven kunnen versterken.
U zult het ongetwijfeld met mij eens zijn dat politieopdrachten door politiemensen moeten blijven worden uitgevoerd. De inzet van defensie in deze specifieke aangelegenheid is met andere woorden subsidiair, aanvullend en dus niet ter vervanging van politiecapaciteit. Deze visie van gezamenlijke ontplooiing van macht ben ik genegen.
Nous avons un accord politique entre nous, c'est-à-dire le premier ministre, la Défense et l'Intérieur. Comme vous, j'ai pris connaissance des derniers sondages en la matière et j'ai constaté que 64 % des Belges sondés sur cette thématique étaient favorables au déploiement des policiers en rue. Comme je l'ai déjà annoncé, ma ferme intention est de voir cette mesure concrétisée avant la fin de l'année.
Er zijn intussen ook reeds bilaterale overlegmomenten geweest om het juridische kader uit te klaren, om inzetscenario's te bespreken enzovoort. Dat zou mogelijk zijn op basis van het protocol van 2003, dat nog geldig is. Concreet willen we komen tot een nieuw protocol tussen de politie en defensie, in afwachting van de nieuwe codex voor defensie.
Comme je l'ai indiqué en préambule, cette mesure, comme les autres, n'est pas isolée. Elle s'inscrit dans le plan "Grandes Villes", pour lequel j'ai consulté différents acteurs.
Ce plan "Grandes Villes" produira ses effets en premier lieu dans la capitale et est déjà en cours. Ce plan "Grandes Villes", qui succède partiellement au Plan canal, vise à renforcer la lutte contre la criminalité organisée et la violence liée à la drogue dans nos principales villes: Bruxelles, Antwerpen, Liège, Charleroi, Mons, Gent et Namur. Il repose sur l'approche intégrée All of Government , associant police, Justice, Douanes, Régions, Communautés et communes, avec une coordination renforcée des gouverneurs là où cela est pertinent.
Concrètement, il combine une meilleure cartographie criminelle et un renseignement accru, des opérations récurrentes de grande ampleur – comme les opérations FIPA, telle celle qui s'est déroulée ce lundi – et ciblées – les VIP, Very Irritating Police –, une approche administrative renforcée et le déploiement d'outils technologiques innovants, tels que Police Search, Monfin, ANPR et BSC. La méthode Clear, Hold, Build guide l'action: occuper le terrain, stabiliser les quartiers et reconstruire le tissu social.
Un budget, actuellement estimé à 65,37 millions d'euros, est mobilisé jusqu'à la fin de la législature, notamment pour les caméras – 20 millions d'euros – du matériel spécialisé, des licences judiciaires, afin d'accroître la visibilité policière, rassurer la population et neutraliser durablement les réseaux criminels.
C'est le bon moment pour évoquer les réponses à vos questions sur le Fonds drogues. Le projet de loi Fonds drogues s'inscrit dans l'amélioration de toute la chaîne Follow the Value , qui comprend quatre étapes principales, à savoir la détection, la confiscation, la gestion et la redistribution des valeurs confisquées. Ce dispositif représente une opportunité majeure pour doter nos services de moyens concrets et durables dans la lutte contre la criminalité organisée. Mais son apport dépasse la seule dimension budgétaire. Il introduit un principe essentiel, celui du retour fondé sur les résultats. Plus l'action est efficace, plus les moyens récupérés sont importants et plus il est possible de réinvestir dans la lutte.
Si le Conseil des ministres ne s'est pas encore prononcé sur un avant-projet de loi, c'est parce qu'un tel dispositif implique des choix structurants qui relèvent de plusieurs départements, au premier rang desquels l'Intérieur et la Justice. Avant de soumettre un texte, il est indispensable de parvenir à un accord sur les modalités de gouvernance, de gestion et de redistribution des avoirs criminels, afin de garantir un cadre juridique et opérationnel robuste.
Je tiens à rassurer, mes services travaillent activement à la création de ce fonds. Le Commissariat national drogue a d'ores et déjà été chargé d'affiner différents scénarios.
Vous me demandez pourquoi les initiatives de la législature passée n'ont pas abouti. Eh bien, c’est notamment en raison des remarques du Conseil d’État qui, très justement, s’interrogeait sur le lien à clarifier entre la raison d’être du Fonds – à savoir la lutte contre la criminalité organisée – et le processus de répartition des moyens, lequel, s’il y a Fonds, doit spécifiquement s’attaquer à cette lutte. C’est pourquoi j’ai demandé au Commissariat national drogue de me proposer une solution qui tienne compte de cet avis et qui permette de justifier pleinement la raison d’être du Fonds, à savoir l’exécution d’une politique dont les actions sont formellement identifiées et suivies.
De même, il est essentiel d’éviter qu’un lien direct soit créé entre percepteurs et bénéficiaires, au risque d’influencer le choix des dossiers en fonction de leur potentiel rendement financier.
Enfin, quant à la position des Finances, il est normal que l’administration s’interroge sur la nécessité de prévoir une exception au principe d’universalité du budget. C’est bien pour cette raison que nous travaillons à l’élaboration d’un texte qui n’implique pas une simple injection supplémentaire dans le budget régulier des bénéficiaires, ce qui annulerait la raison d’être d’un fonds. Il est donc primordial que ce mécanisme profite directement aux services de première ligne qui, grâce à des méthodes innovantes, favoriseront un fonctionnement plus coordonné et donc plus efficace de la lutte contre le crime organisé lié à la drogue.
Nous pourrions d’ailleurs parler d’un fonds d’impulsion pour la lutte contre le crime organisé, tant il est nécessaire d’appuyer de nouvelles méthodes pour s’attaquer autrement à cette menace grandissante. La crédibilité et la force de l’État de droit, c’est aussi sa capacité à protéger ses autorités, notamment judiciaires.
Je souhaite ici répondre aux questions de MM. Anthony Dufrane et Brent Meuleman concernant les personnes qui bénéficient actuellement en Belgique d’une protection rapprochée organisée par le service Direction de la protection (DAP), ainsi que sur les questions relatives aux services de renseignement.
S’agissant des critères de protection, le Centre de crise national (NCCN) est informé lorsqu’une nouvelle menace vise une personne et demande, à cet effet, des analyses de menace aux services compétents. La police fédérale, via la Direction des opérations de police judiciaire (DJO), est chargée de l’analyse des menaces provenant du milieu criminel, tandis que l'OCAM se charge de celles provenant du milieu extrémiste ou terroriste. Outre ces évaluations, le NCCN tient compte du risque et des éléments propres à la situation pour déterminer les mesures de protection.
L’analyse repose sur plusieurs critères: la nature et le niveau de la menace en cours, le type de menace pesant sur la victime elle-même, sa famille et ses proches, les caractéristiques de l’auteur présumé de la menace, les informations disponibles en ligne sur la personne menacée, ainsi que les caractéristiques propres à la victime. Le budget de fonctionnement de l’unité DAP s’élève à 3,565 millions d’euros par an.
À côté des mesures visant à protéger l’intérieur de notre territoire, nous devons également lutter contre les menaces extérieures qui contribuent fortement au développement de la criminalité organisée. Vous comprendrez, bien entendu, au vu du caractère sensible de ces informations, que je ne souhaite pas communiquer davantage publiquement sur le contenu concret des mesures mises en place.
En recoupant ces chiffres avec des informations médiatiques, des criminels pourraient déduire qui bénéficie ou non d’une protection, ou même qu’ils font eux-mêmes l’objet d’une surveillance.
Mijnheer Meuleman, het antwoord op uw vraag over Turkse bendes geldt voor alle criminele netwerken. De analyse van de dreiging die uitgaat van criminele dadergroepen en bendes is het onderwerp van regelmatig overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen, met het oog op het nemen van passende maatregelen.
In het algemeen stellen onze diensten vast dat gestructureerde organisaties nu een grotere bedreiging vormen voor de integriteit van de samenleving dan in het verleden. Naast de impact op het gevoel van veiligheid door gewelddadige acties en het aanvallen van mensen in nood, maken de infiltratie van de economie, het misbruik van commerciële structuren en herhaalde pogingen tot corruptie, deze groep tot een grotere bedreiging van onze medeburgers.
Zoals hierboven vermeld, is het aan de lokale autoriteiten om op basis van politiebeelden een nuttige benadering te identificeren. Die kan uiteraard van gerechtelijke aard zijn. Op internationaal niveau kan de steun van Europol worden overwogen. Het kan ook de implementatie van een gerichte informatiepositie inhouden.
Dezelfde lokale autoriteiten kunnen administratieve politiemaatregelen nemen om de schadelijke effecten van die groepen en met name de infiltratie van de lokale economie tegen te gaan.
Daarnaast heeft de regering besloten om een plan voor grote steden uit te voeren, om de impact van de georganiseerde criminaliteit op het gevoel van veiligheid sterk aan te pakken.
Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, jullie hebben vragen ingediend over het geweld aan de kust, in het bijzonder in Oostende. De FGP West-Vlaanderen en de politiezone Oostende laten me weten dat uit de voorlopige cijfers van 2025, afkomstig van de Algemene Nationale Gegevensbank, blijkt dat de problematiek in Oostende wel een evolutie kent op het vlak van aanvoerroutes en het gebruik van geweld. Die evolutie houdt verband met druggerelateerde criminaliteit, maar blijft daartoe niet beperkt.
Er zijn gerichte maatregelen genomen om het hoofd te bieden aan het groeiende onveiligheidsgevoel in de stad Oostende, waarvan het tragisch dieptepunt ongetwijfeld het overlijden van een 43-jarige vrouw op 6 september jongsleden was. Voor het lopende onderzoek verwijs ik uiteraard naar mijn collega van Justitie.
Voor de concrete acties die in Oostende werden ondernomen en de statistieken inzake criminaliteit, zal ik uw schriftelijke vragen zoals steeds met de grootste zorg en snelheid beantwoorden.
Mijnheer Vandemaele, de link tussen illegale migratie, opvangcapaciteit en bendes verdient een nadere toelichting. Tegen de netwerken van drugshandel worden maatregelen genomen en die zullen worden versterkt. Tegelijkertijd wordt een strenge migratiepolitiek gevoerd. Er zijn twee afzonderlijke beleidslijnen en we handelen op beide fronten.
Het gaat enerzijds om multidisciplinaire acties, binnenkomstcontroles sinds juni, gerichte opdrachten van de wegpolitie samen met de lokale politiediensten in de hotspot, met name in Brussel. Anderzijds is er een nieuwe coördinatie tussen justitie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de politie om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken, met versterkingen van de DAB en de LPA voor overplaatsingen en uitzettingen van illegaal verblijvende gedetineerden.
Mijnheer Depoortere, de politie is een betrouwbare partner in de strijd tegen illegale migratie. De overbevolking in de gevangenissen weegt zwaar, maar de DAB en de LPA zijn actief betrokken bij het verwijderen van personen met een illegaal verblijf. De LPA zal worden versterkt.
We voorzien tevens in een versterking van Frontex. Sinds september zijn er acht extra begeleiders bij de LPA BruNat voor gedwongen uitzettingen bijgekomen.
Voor de cijfers van 2025 over gedetineerde criminelen met een onregelmatig verblijf en effectieve uitzettingen verwijs ik u naar de minister van Asiel en Migratie.
Permettez-moi de terminer par un petit chapitre international en évoquant en effet avec vous, et pour répondre à vos questions, la venue du procureur de la République de Marseille et le rôle des officiers de liaison dans la lutte contre le trafic de drogue.
Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, voor uw vragen over de samenwerking tussen Brussel en Marseille verwijs ik u naar de minister van Justitie. Ik juich de synergie tussen hun respectieve parketten uiteraard ten zeerste toe.
Je n'ai pas été sollicité par le procureur de la République pour une rencontre.
Wat de inspanningen tot overleg op het vlak van politie betreft, is in het verleden aangetoond dat de banden tussen Brussel en Marseille inzake drugshandel bekend en aanzienlijk zijn. Ik heb dat reeds besproken met mijn Franse collega Bruno Retailleau en zal dat blijven doen. Het zal u niet verbazen dat de diplomaat die ik altijd ben geweest, sterk gelooft in internationale samenwerking en in het wederzijds belang waarvoor buurlanden moeten instaan.
Wat de oproep betreft van procureur Bessone – overgenomen door mevrouw De Vreese – om de Belgische wetgeving te versterken, meen ik, in het licht van mijn eerdere tussenkomsten, te mogen stellen dat ik die oproep sinds het begin van mijn mandaat heb opgenomen en dat het mijn uitdrukkelijke bedoeling is de inspanningen in die richting voort te zetten.
Monsieur Dubois, vous m'avez interrogé sur les officiers de liaison et leur rôle. Je suis évidemment tout à fait disposé à vous communiquer des statistiques par écrit et en marge de ce débat. Je peux cependant déjà mentionner que la police belge est représentée auprès d'Europol, d'Interpol, du Maritime Analysis and Operations Centre à Lisbonne, et du National Targeting Center des douanes américaines en Virginie.
En concertation avec la Justice et les Affaires étrangères, nous tâchons de les placer là où l'on observe des départs de transport de drogue vers l'Europe. C'est pourquoi nous finalisons une décision pour ouvrir un poste à Panama.
Ces officiers de liaison bilatéraux de la police belge, qui sont nommés pour une période de six ans, ont trois missions principales: faciliter l'échange d'informations policières avec leur pays de travail dans tous les domaines pour lesquels la police belge est compétente; faciliter la coopération judiciaire avec leur pays de travail, notamment dans le cadre de l'exécution de demandes d'entraide judiciaire ou d'extradition et faire office de conseillers pour les postes diplomatiques belges dans leur pays de travail.
Les officiers de liaison de la police belge à l'étranger sont en contact étroit avec leurs homologues d'autres pays actifs sur place, avec lesquels ils échangent des expériences et, lorsque la situation le permet, des informations opérationnelles.
Mesdames et messieurs les députés, mon cap pour mieux sécuriser notre pays est clair: une action coordonnée, ferme et mesurée pour protéger nos citoyens, démanteler les réseaux criminels et restaurer durablement la tranquillité publique. Comme vous le constatez, nous agissons sur tous les fronts.
Le déploiement du plan "Grandes Villes" est déjà en cours. Soit dit en passant, rien n'empêche ici de faire appel à l'imagination.
Ik verwelkom alle suggesties voor een nieuwe naam voor het plan "Grandes Villes", of beter nog, een naam voor elke stad afzonderlijk.
Le déploiement du plan "Grandes Villes", déjà en cours; des renforts policiers ciblés; des protocoles actualisés police-défense pour des missions strictement définies; l'amélioration de la chaîne des éloignements avec DAB, LPA et Frontex; et réforme de l'architecture policière conduite dans la concertation, avec un financement modernisé, fondé sur des critères objectifs.
Sur le plan "Grandes Villes", je ne peux pas prendre trop de temps en plus. Je voudrais aussi signaler que l'intérêt de ce plan "Grandes Villes", et j'aurai l'occasion certainement de revenir vous en parler, est d'avoir un cadre qui soit non pas, comme je l'ai déjà dit, one-size-fits-all , mais un cadre commun pour les différentes villes du pays. L'objectif n'est pas que chaque ville ait son trophée et son plan. Cela doit répondre aux critères que nous définissons. La complétion de ces critères va nous permettre de voir où il faut mettre plus d'emphase.
J'ai entendu un certain nombre de bourgmestres dire qu'ils étaient assez preneurs pour des militaires en rue. C'est déjà une première étape. Il ne suffit pas de le demander pour l'avoir. Il faut qu'on voie en fonction des chiffres. C'est pour ça que nous avons besoin d'une image.
Het is belangrijk een goed beeld te hebben van de criminaliteit. We moeten dat samen met mijn diensten, justitie, de gouverneur en de burgemeesters in kaart brengen. Op basis daarvan kunnen we dan bepalen of we militairen moeten inzetten of niet, of er meer federale gerechtelijke politie nodig is, meer van dit, minder van dat, camera’s, enzovoort.
Nous prenons les réformes nécessaires, sans naïveté ni fatalisme – je l'ai dit –, et avec comme préoccupation le respect de l'État de droit. Je poursuivrai ce travail avec l'ensemble des niveaux de pouvoir et rendrai compte des progrès au Parlement. J'invite chacune et chacun à soutenir ces mesures pour adresser un message univoque: en Belgique, la loi s'applique partout et à tous. La sécurité des habitants est non négociable. Il n'y a pas de place chez nous pour le crime.
Je vous remercie.
Voorzitter:
Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoord dat zeer uitgebreid, deskundig en to the point was.
Ik geef het woord aan het Parlement voor de replieken.
Ridouane Chahid:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui, évidemment, ne m'ont pas convaincu, vous vous en doutiez. Je voudrais revenir sur plusieurs points.
Par rapport à la fusion, vous dites qu'il s'agit d'une question de vocabulaire, etc. Vous n'avez pas, à mon avis, compris le message de mon camarade Jean Spinette ce matin. Nous avons effectivement un problème de vocabulaire, vous et moi, puisque quand nous demandons plus de policiers sur le terrain, vous, vous envoyez des militaires. Je constate donc qu'on ne se comprend pas. La police et l'armée n'ont pas vocation à faire la même chose, dans ce pays en tout cas. Peut-être est-ce le cas dans d'autres pays comme la France mais, en Belgique, chacun a son rôle. À titre personnel, cela me désole de voir un ministre de l'Intérieur qui, en décidant l'arrivée de l'armée sur le terrain, déforce la police et n'accorde pas à ces uniformes qui nous défendent chaque jour la valeur qui leur revient.
Je ne serai pas beaucoup plus long. Au sujet de la fusion, je voudrais simplement vous dire que lorsque ce texte viendra au Parlement, il faudra prendre beaucoup de temps, monsieur le ministre. Je vais en effet vous démontrer que votre texte est antidémocratique en attirant votre attention sur deux éléments.
Le premier concerne les conseils de police parce que, en les supprimant, la première chose que vous faites c'est supprimer la possibilité à la population, à l'opposition démocratiquement élue par elle, de pouvoir s'exprimer, parce que les conseils communaux n'ont plus cette possibilité-là. Ici, vous opérez un retour en arrière par rapport à la réforme du début des années 2000, la loi sur les zones de police et la nouvelle loi intégrée. Vous constaterez vous-même que, si on a créé des conseils de police et qu'on leur a donné des missions et des tâches, c'est justement pour que les conseils communaux n'aient plus ces missions-là. Il faudra alors que vous nous expliquiez comment s'exercera ce contrôle démocratique qui ne pourra plus se faire.
Deuxième élément très important, il y a, un principe fondamental à Bruxelles qui fait que cette Région est bilingue. Comment ferez-vous en sorte que la minorité linguistique de cette Région – à savoir les néerlandophones – puissent avoir une voix dans les institutions que vous allez créer, puisque, en fonction de ce que vous déposez aujourd'hui, elles n'auront plus leur mot à dire dans le fonctionnement de la future zone de police telle que vous la souhaitez?
Pour conclure, prenez tout votre temps, parce que je pense que vous en aurez besoin pour étudier le nombre d'amendements que nous allons déposer. Nous allons pouvoir vous démontrer que votre solution n'est en tout cas pas efficace pour l'objectif que vous visez, la sécurité des Bruxellois.
Éric Thiébaut:
Monsieur le ministre, je parle tout le temps d’argent. Comme vous le savez, l'argent est le nerf de la guerre. Je vous ai posé des questions par rapport aux dotations, mais vous ne m'avez pas vraiment répondu cette fois-ci. Donc, je vais être obligé de revenir avec ces questions-là. J'ai posé des questions assez précises. On est toujours au stade des bonnes intentions, comme depuis votre note de politique générale. Et vous êtes, je le sais, plein de bonne volonté. Mais à un moment donné, il n'y a rien à faire. Il va falloir que la note soit présentée au gouvernement. Et, visiblement, personne ne veut payer la note de votre politique, clairement. Sauf peut-être les communes, mais elles ont déjà beaucoup payé. Il va donc quand même falloir qu'au niveau de ce gouvernement Arizona, on donne aux zones de police les moyens nécessaires à la sécurité des citoyens.
Il va falloir aussi que vous m'entendiez par rapport à toute une série de mesures que vous pouvez quand même prendre pour aider les zones de police à établir leur budget de manière plus juste, avec une répartition des efforts équitable entre le niveau local et le niveau fédéral.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, ik dank u nogmaals voor uw uitgebreide antwoord en zeker voor de deelaspecten waarop u hebt geantwoord. Wat ik echter in globo mis, is de urgentie van dat alles. Wij kunnen er, zoals u zelf aangaf, niet omheen. Men moet van een andere planeet komen om de realiteit niet te zien. Die realiteit is heel ernstig. Ze is niet hopeloos maar zeker heel ernstig.
In dergelijke situaties moeten wij de moed hebben, ook de politieke moed, om vlugger te ageren. Ik geef u enkele voorbeelden van maatregelen waarop mijn partij, het Vlaams Belang, al jaren hamert.
Ten eerste, wij vragen een nationaal drugsbestrijdingsagentschap, met een drugsparket dat specifiek kan worden ingezet. De huidige regering heeft enkel een taskforce opgericht waarvan de resultaten nog moeten blijken. Het is mij niet duidelijk wat die taskforce in de praktijk precies doet.
Ten tweede, wij hebben reeds vóór de vorige legislatuur het idee en het voorstel gelanceerd om een drugsfonds op te richten. U hebt vandaag een uitvoerige technische uitleg gegeven waarom dat fonds er nog altijd niet is. Dat kan er bij mij werkelijk niet in. Als het mogelijk is om in het kader van de verkeersveiligheid een verkeersveiligheidsfonds op te richten dat al jaren operationeel is, dan kan ik niet begrijpen waarom het zo moeilijk is om een drugsfonds op poten te zetten. U hebt geen timing en er is geen urgentiegevoel.
Nochtans hadden wij gisteren de commissaris-generaal, de heer Snoeck, op een hoorzitting in onze commissie. Ook de nationale drugscommissaris heeft het reeds laten weten. Zij zijn allebei heel grote voorstanders van de urgente oprichting van een dergelijk drugsfonds. Daarbij aansluitend, heeft de commissaris-generaal gisteren een strategisch plan uiteengezet. Dat betreft echter slechts het eerste deel, namelijk de taken die zij nu kunnen uitvoeren binnen het huidige kader en met de bestaande middelen.
Het belangrijkste deel moet nog komen, zoals de heer Thiébaut terecht heeft opgemerkt. Dat zijn de bijkomende middelen die kunnen worden geïnvesteerd in onze politiediensten. Ook de manier waarop de nieuwe structuren op het getouw zullen worden gezet, is cruciaal. Ook op dat vlak stel ik te weinig urgentie vast.
U hebt er zelf naar verwezen, deze week werden 500 agenten ingezet in Brussel voor een actie tegen drugshandel en georganiseerde misdaad aan het Noordstation, aan het Zuidstation en in de Peterboswijk. In wezen was dat echter een symbolische actie. Dat werd ook op die manier uitgelegd door de korpschef, de heer De Landsheer, op de openbare omroep. Misschien volgt u het niet helemaal, maar op onze openbare omroep, de VRT, verklaarde de korpschef dat de actie vooral bedoeld was om een signaal te sturen naar de burgers.
Zo staat het ook in De Standaard . Wat is dan eigenlijk het resultaat? In dezelfde uitzending zei de reporter van de VRT ter plaatse dat de drugsdealers er meteen na de actie opnieuw stonden en dat er op het terrein weinig tot niets was veranderd.
Ten tweede gaat u wat licht voorbij aan het feit dat 40 % van de gevangenen in ons land niet de Belgische nationaliteit hebben. Ik hoor geen cijfers van u, want u verwijst mij naar uw collega, de minister van Asiel en Migratie. Het blijft echter wel een feit dat 40 % van de gevangenen niet de Belgische nationaliteit heeft en dat wij kampen met overbevolking in de gevangenissen, waardoor er voor criminelen geen plaats meer is. Zo blijven onze politieagenten dweilen met de kraan open, hoewel zij hun werk zeer goed doen. U hebt dat namelijk terecht benadrukt: onze politieagenten doen hun werk goed. Als zij echter keer op keer zien dat criminelen vrijuit gaan omdat er geen plaats is in de gevangenissen, dan zitten we met een zeer groot probleem.
Ik heb u ook meerdere keren horen zeggen dat u achter de rechtsstaat staat. Het ondermijnen van de rechtsstaat betekent echter precies dat men criminelen niet de straf geeft die ze verdienen. Ik hoop, mijnheer de minister – en ik besef dat dit niet allemaal binnen uw bevoegdheden valt – dat u ook beseft dat de regering een en ondeelbaar is. Deze regering zou het anders en vooral beter doen dan de vorige regering. Ik zie de resultaten op het terrein echter nauwelijks. Voor ons is het wel duidelijk: we moeten onze politiediensten versterken, criminelen effectief opsluiten en vooral die criminele vreemdelingen ons land uitzetten.
Ook het idee om het leger in te zetten binnen de politiediensten blijft omgeven door een waas van onduidelijkheid. U herhaalt wat u in het verleden al zei, namelijk dat u mikt op gemengde patrouilles en dat het absoluut niet de bedoeling is dat militairen politietaken overnemen. Ik hoor echter een minister van Defensie die andere dingen beweert. Ik hoop dat we daarover vroeg of laat toch duidelijkheid krijgen. Het moet namelijk duidelijk zijn. De burger verwacht geen politieke discussie over militairen tegenover politie en omgekeerd, de burger verwacht dat er actie wordt ondernomen op het terrein. Ik hou niet zo van die semantische discussies over wie wat moet doen. Ik geloof wel dat onze politiediensten voldoende moeten worden versterkt en uitgerust om recht en orde in onze samenleving te herstellen.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.
U hebt een interessante uitspraak gedaan met betrekking tot mijn eerste vraag over de politiezones. U zei dat u gerust uw voorstel wilt amenderen en dat het meer dan cosmetica zal zijn. Ik denk dat dit een heel duidelijk signaal is dat u bereid bent om tot een onderhandelde oplossing te komen, een oplossing die gedragen kan worden. Dat is ook de manier waarop ik u als minister ken. Ik hoop dat u dat inderdaad zult waarmaken. The proof of the pudding is in the eating , uiteraard, maar au fond ben ik voorstander van de fusie, dus daarin kunnen we elkaar vinden.
Twee aandachtspunten voor ons zijn de nabijheid van de politie enerzijds en het democratisch gehalte anderzijds. U verwijst naar de gemeenteraad, waar alle vragen kunnen worden gesteld. Dat klinkt logisch. Vandaag kan ik als oppositieraadslid in de politieraad rechtstreeks vragen aan de korpschef stellen, maar ik kan me niet voorstellen dat de korpschef aanwezig zal zijn bij alle vergaderingen van de gemeenteraad om dergelijke vragen te beantwoorden. Er blijft dus een zekere gap tussen wat er vandaag mogelijk is in de politieraad en wat binnenkort in de gemeenteraden zal kunnen. Dat is een belangrijk aandachtspunt.
Een tweede aandachtspunt gaat over de gegarandeerde plaats van de Nederlandstaligen in de instellingen die op Brussels niveau zullen worden gecreëerd. Ik ga ervan uit dat de collega’s van N-VA u hierop zullen attenderen. Er moeten garanties zijn. Op dit moment zie of hoor ik die garanties niet.
Op het vlak van het democratisch gehalte ligt er dus nog een uitdaging om daadwerkelijk tot iets te komen wat ook goed functioneert.
Het tweede element van mijn vraag ging over de inzet van militairen op straat. Het wordt voor mij steeds onduidelijker.
Hoe meer vragen we aan ministers stellen, hoe meer verschillende variaties of antwoorden we krijgen. U zei, maar misschien is mijn Frans niet goed genoeg of ligt het aan de vertaling, dat het alleen over Brussel gaat, om het dan vervolgens over andere steden te hebben. Is het de bedoeling dat de militairen uitsluitend in Brussel worden ingezet of ook elders? Ik weet het nog niet. Dat is belangrijk om uit te klaren.
U zei dat het niet de bedoeling is dat de militairen louter statische opdrachten uitvoeren, maar ik hoor niet of ze in gemengde teams zullen werken en met welk mandaat. Ik vind dat u geen duidelijk antwoord geeft en dat de elementen van antwoord die u geeft bovendien niet altijd in lijn liggen met wat uw collega-ministers zeggen. Daardoor blijft er een zekere onduidelijkheid bestaan.
Tot slot verwijst u zelf ook naar het groeiend aantal mensen zonder papieren dat in Brussel ronddoolt. Dat is een gevolg van het beleid van uw collega, de minister van miserie, mevrouw Van Bossuyt. Het is een bewuste keuze van deze regering om steeds meer mensen de straat op te duwen.
Daar wordt altijd aan gekoppeld dat men de mensen zonder recht op verblijf gaat terugsturen. U weet echter net zo goed als ik dat dit gewoon niet gebeurt. Er vertrekken nauwelijks mensen uit onze gevangenissen terug naar het buitenland. Er vertrekken nauwelijks mensen die uitgeprocedeerd zijn in de asiel- en migratieprocedure. Er gaan nauwelijks mensen terug. Al die mensen krijgen dan misschien geen opvang meer.
Inderdaad, mevrouw Van Bossuyt kan dan haar statistieken opkuisen, maar die opgekuiste statistieken leiden ertoe dat steeds meer mensen doelloos, zonder middelen en zonder ondersteuning rondlopen in Brussel – vooral in Brussel, maar ook in andere steden. Zij vormen daar een reservoir voor criminele bendes en zijn heel gemakkelijk te rekruteren.
Ik denk dat u uw minister van Asiel en Migratie echt diep in de ogen moet kijken. U bent daar namelijk een joekel van een probleem aan het creëren, eerder dan het op te lossen.
Xavier Dubois:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Je tiens à saluer les éléments que vous avez mis en avant, comme les renforts que vous avez obtenus rapidement, les 31 agents de la police judiciaire, plus les 40 qui arriveront en novembre. Cela fait 70 agents en plus, ce qui est déjà une belle avancée, même si ce n'est pas suffisant. Il y a aussi la task force , dont vous avez précisé qu'elle était en place et qu'elle allait produire des résultats, ce que nous espérons aussi. Et puis le plan stratégique de la police fédérale, dont nous avons eu l'occasion de discuter hier. Je pense que c'est une première qu'il faut saluer.
Vous avez d'abord affirmé que l'armée n'était pas la solution, ni la fusion des communes.
Bernard Quintin:
Vous avez dit la fusion des communes.
Xavier Dubois:
Ah oui, la fusion des communes, c'est une autre phase, qui viendra plus tard.
Vous avez dit que la fusion des zones de police n'était pas la solution, et je partage bien entendu cet avis. Vous vous posez la question de quelle est la solution. C'est en fait de mettre en œuvre les mesures de l'accord de l'Arizona. Il y en a 20. J'insiste bien pour que toutes ces mesures soient mises en œuvre.
Je rappelle que ces mesures ont été décidées par les négociateurs, parmi lesquels figurait le bourgmestre d'Anvers, qui a une bonne compréhension de la réalité et de la question du trafic de drogue. Dans ce cadre-là, il y a de nouveaux plans. Il y avait aussi le Stroomplan, dont on ne parle plus, de la Vivaldi. Qu'en est-il? Est-ce qu'il existe encore? Est-ce qu'il produit encore ses effets? Quel lien peut-on faire entre cet ancien plan et d'autres actions que vous mettez en œuvre? J'ai cru comprendre dans votre réponse que le plan "Grandes villes" répondait partiellement ou était le successeur partiel du Plan Canal. Il faut aussi le prendre en considération.
Concernant le financement des zones de police, vous avez évoqué les incitants à la fusion. Mais, au-delà des incitants à la fusion, il y a le financement général, qui doit être juste et équitable. Et donc, à côté de cela, il y a la réforme de la norme KUL, dont vous avez dit que cela avançait, qu'il y avait effectivement beaucoup de travail qui avait été réalisé et qu'un marché avait été attribué à l'ULB, si j'ai bien compris. Cela veut dire que les modalités et les paramètres ont été définis.
J'espère que nous pourrons avoir très vite des informations sur ces paramètres, puisque l'université va les tester pour savoir quel en sera l'impact sur les zones et sur les types de zones. Cet après-midi, si j'ai bien compris, il y aura une présentation de cette réforme à la Conférence des bourgmestres. Je suppose qu'on aura la réponse très rapidement.
Sur le Fonds drogue, les services avancent, et la commissaire nationale aux drogues également, c'est une bonne chose. Cependant, cela fait des mois qu'on en parle et on n'a toujours pas d'idée concrète des moyens que ce fonds pourrait véritablement mobiliser. Il est vraiment nécessaire que l'on puisse avoir ces informations. Les travaux budgétaires étant en cours, il est absolument nécessaire de définir quelles seront les recettes et les sources de ce fonds et quels vont en être les moyens. Où devra-t-on mettre les effectifs pour assurer le financement le plus important possible de ce fonds, pour qu'on puisse lutter de manière très efficace contre cette problématique?
Vous m'avez répondu sur la question des agents de liaison. Il s'agit effectivement d'un outil à développer davantage et nous reviendrons, comme vous l'avez proposé, avec le détail écrit par rapport à nos questions.
Pour conclure, je n'ai pas eu beaucoup de réponses sur les actions que vous entreprenez en faveur des zones rurales. Je répète qu'il est indispensable de ne pas négliger les zones rurales parce qu'au-delà de ce que ces communes vivent au quotidien, ces zones sont choisies par certains trafiquants pour se réfugier afin de disparaître des radars. Dès lors, je pense qu'il est important que les zones de police rurales disposent des moyens pour pouvoir recenser ces risques et poursuivre ces narcotrafiquants avec davantage de moyens. Merci d'avance pour vos réponses complémentaires, monsieur le ministre.
Rajae Maouane:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Malgré votre bonne volonté, dont je ne doute pas, les solutions que propose aujourd'hui le gouvernement sont des réponses au mieux naïves, au pire autoritaires, et qui ressemblent davantage à une fausse réponse rassurante qu'à une vraie politique de sécurité, puisque l'armée n'est ni formée, ni payée, ni même demandée par les grandes villes pour remplir les missions qu'on veut lui faire remplir. Et au lieu de s'attaquer à la source du narcotrafic et aux raisons pour lesquelles des milliers de personnes se retrouvent en situation de consommation régulière, on préfère déployer des militaires dans les quartiers les plus précarisés, même si, soyons de bons comptes, vous dites que ce n'est pas la solution, et je pense aussi que cela ne fait pas partie de la solution tout court.
Du reste, je ne suis pas sûre que les Bruxelloises et les Bruxellois se sentent davantage en sécurité au milieu de militaires avec des armes lourdes et des uniformes de camouflage. Je ne suis pas sûre que poster des militaires en rue soit le meilleur moyen de rassurer la population. Les trafiquants, quant à eux, ils iront tout simplement ailleurs, nous connaissons leurs méthodes. D'ailleurs, ils n'hésitent pas à menacer nos institutions. Pendant ce temps, ce sont la Justice, les services sociaux et la Santé qui sont privés de moyens dont ils ont cruellement besoin pour démanteler ces réseaux.
Sur la fusion des zones de police, monsieur le ministre, les principales questions qui se posent portent sur l'efficacité. En effet, en tant qu'écologistes, nous sommes ouverts à tout ce qui pourrait être encore plus efficace, encore plus proche du citoyen, encore plus lisible, mais la méthode compte aussi. On ne peut pas imposer une réforme sans concertation, sans études solides qui prouvent sa nécessité et sans des garanties claires de refinancement. Les bourgmestres l'ont dit et ce sont aussi des spécialistes et il faut pouvoir les écouter.
Ce qu'il faut, c'est aussi davantage de moyens structurels, une police de proximité et une police judiciaire qui travaille sur le long terme et pas un bricolage précipité qui affaiblit le contrôle démocratique et qui éloignerait encore plus la police des citoyens et des citoyennes. Comme l'ont dit les collègues, n'hésitez pas à prendre le temps de bien construire cette réforme essentielle.
La réalité aujourd'hui, monsieur le ministre, est que le gouvernement dont vous faites partie fragilise les vrais piliers de la sécurité que sont la Justice, la police de proximité, la prévention et la cohésion sociale. On ne protège pas une société en détruisant ce qui la tient debout. Nous attendons donc la suite avec impatience.
Maaike De Vreese:
Mevrouw de minister, het risico bij een hutsepot van samengevoegde vragen is dat er op een aantal vragen geen antwoord komt. Mijn vragen over de problematiek in Oostende en aan de kust werden in één zin beantwoord. Ik zal deze nog eens schriftelijk indienen om een antwoord te krijgen. Deze problematiek leeft immers sterk in West-Vlaanderen. Deze specifieke problematiek duikt immers elke zomer weer op en is veel breder is dan louter de druggerelateerde criminaliteit. Het gaat ook over de manier waarop de politionele capaciteit wordt ingezet.
In het regeerakkoord werd met betrekking tot de aanpak van georganiseerde criminaliteit duidelijk de urgentie ingeschreven om grote hervormingen door te voeren, zowel bij Binnenlandse Zaken als bij Justitie. U bent zich er duidelijk van bewust dat er zeer veel werk op de plank ligt. U hebt met de mensen op het terrein gesproken, in de eerste plaats in Brussel. U zou ook nog ter plaatse gaan in West-Vlaanderen, hoor ik.
U hebt onmiddellijk werk gemaakt van de fusie van de politiezones door een plan op tafel te leggen en met alle burgemeesters te gaan spreken. U moet deze zeer moeilijke opdracht tot een goed einde brengen door op een bepaald moment knopen door te hakken en door te duwen. Dat geldt eveneens voor de beoogde hervorming van de federale politie. Gisteren kwam de commissaris-generaal met zijn strategisch plan. Aan het einde van deze week zal hij u ook zijn plan rond de hervormingen bezorgen. Het is belangrijk dat er politieke keuzes worden gemaakt, omdat de urgentie voor de hervorming van de federale politie ook zeer groot is.
De discussie over militairen op straat zou een semantische discussie zijn. Collega’s, dat is natuurlijk veel meer dan een semantische discussie. Men zet immers niet zomaar militairen op straat. Dat moet zeer weloverwogen gebeuren, binnen een tijdelijk kader en met een duidelijke analyse. Ik ben blij dat u dat ook zegt, minister, dat er een duidelijke analyse moet aan voorafgaan om te bepalen wie we waar en hoe zullen inzetten. Dat is volgens mij ook de correcte manier. De minister van Defensie geeft ook aan samen en weldoordacht een plan uit te werken, waaraan mogelijk een aantal discussies voorafgaan. Dat is normaal en we moeten daar gewoon uit raken. We vormen dan ook één front in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.
Tot slot wil ik nog kort iets zeggen over het Grootstedenplan, dat het Kanaalplan vervangt. Ik ben ervan overtuigd dat elke grote stad een plan moet hebben voor de aanpak van drugscriminaliteit. Elke grote stad wordt immers op de een of andere manier geconfronteerd met drugscriminaliteit en georganiseerde criminaliteit. Elke stad moet dus zo’n plan hebben.
Toch wil ik een kleine waarschuwing meegeven: het is belangrijk voldoende te focussen op de plaatsen waar de problemen het grootst zijn. Dat was precies de sterkte van het Kanaalplan: de focus leggen op de gebieden waar de problemen het meest prangend waren en die zeer gericht aanpakken.
Dat was ook de vraag in het regeerakkoord: het Kanaalplan verder uitwerken. Ik zal mijn collega Jeroen Bergers specifiek laten spreken over de Vlaamse Rand, want hij kent de situatie daar veel beter dan ik. Onze vraag blijft echter dezelfde: verlies die focus niet op de plaatsen waar de problemen het grootst en het meest prangend zijn. Leg ons een plan voor waarin duidelijk wordt aangegeven op welke manier u het Kanaalplan zult vervangen. Bedankt, mijnheer de minister.
Franky Demon:
Mijnheer de minister, ik ben vannacht uit Moldavië van de verkiezingswaarnemingen teruggekeerd. De Veiligheid van de Staat had mij verwittigd om op mijn gsm en andere zaken te letten. Ik heb daar waarnemingen en vergaderingen gedaan. Soms voelde ik mij daar veiliger dan wanneer ik in Brussel van het station naar hier kwam. Ik denk dat u echt onze steun krijgt als u zegt dat u doorgaat met één politiezone. Ik geef u ook gelijk als u zegt dat u niet dé oplossing in uw mouw hebt zitten. Het zal een en-en-en-enverhaal worden.
Ik wil ook waarschuwen voor symbolische acties. Ik heb dit zelfs tegen partijgenoten gezegd. Door 500 agenten naar Peterbos te sturen of agenten tijdelijk te verplaatsen, scoort u in de media. Dat geeft waarschijnlijk ook een goed gevoel voor de bewoners. Ik denk echter dat we vooral nood hebben aan structurele oplossingen en dat we daarop nog krachtiger moeten inzetten.
Voor het Kanaalplan en het Grootstedenplan krijgt u mijn steun, maar ik heb wel vragen over de steden. Ik begrijp dat er bepaalde namen worden genoemd, omdat er recente schietincidenten waren. Daarvoor hebt u mijn steun. Ik vraag mij echter af waar Roeselare hierin staat. U zult dat toch eens moeten bekijken. Ik geloof niet dat u dat communautair hebt bekeken, maar ik geloof wel dat er aanpassingen mogelijk zijn.
Velen hier, ook u, ook mevrouw De Vreese, hebben het over Justitie. Ik geloof dat de vraag van onze minister van Justitie om extra budget door u moet worden ondersteund. Als u samen met de minister van Justitie een goede tandem kunt vormen om extra middelen in te zetten, zullen we volgens mij vooruitgang boeken.
Brent Meuleman:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onze binnenlandse veiligheidsarchitectuur moet hervormd worden, daarover zijn we het roerend eens. Brussel wordt daarbij een van de grootste werven, dat is ook wel duidelijk geworden. Laten we echter niet vergeten dat ook op andere plaatsen in ons land en in Vlaanderen heel grote veiligheidsuitdagingen op tafel liggen. Het zijn uitdagingen waarvoor vaak uitsluitend naar de lokale besturen en de lokale politiezones wordt gekeken. Zonder een transparant en vooral toereikend financieringsmodel zullen vele goede plannen dode letter blijven.
Ik zal uw beleidsinitiatieven dan ook met grote belangstelling opvolgen, constructief waar mogelijk, maar kritisch wanneer nodig. Veiligheid is de eerste zorg van een sterke overheid en blijft daarom voor mijn partij, voor Vooruit, een topprioriteit.
Voorzitter:
Mijnheer Meuleman, u toont hoe men in weinig woorden toch een duidelijke boodschap kan brengen.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, helaas heb ik op een van mijn twee vragen geen antwoord gekregen. Ik vond zelf ook dat mijn vraag niet volledig in dit debat thuishoorde, dus ik neem het niet persoonlijk. Ik zal bekijken op welke manier ik die vraag opnieuw kan indienen. Eventueel kan ze gekoppeld worden aan een vraag van collega Chahid, die nog op de agenda staat. Ik vermoed dat we die vandaag toch niet zullen verwerken.
Over het Kanaalplan of het Grootstedenplan is al uitvoerig gesproken. Ik treed – niet geheel toevallig – mijn collega De Vreese bij. Het is belangrijk dat we vertrekken vanuit de essentie van het regeerakkoord, dat heel duidelijk stelt dat het Kanaalplan – als u er een andere naam aan wilt geven, is dat geen probleem – versterkt zal worden in Brussel en de Vlaamse Rand, waar het al in werking was, aangezien we merken dat de criminaliteit daar één geheel vormt. Voorbije zomer werd in Vilvoorde een Brusselse drugsbaas opgepakt, met rellen aan het station tot gevolg. Verschillende politieagenten werden daarbij werkonbekwaam geslagen. Het is dus echt belangrijk dat de problemen van Brussel en het wanbeleid dat daar is gevoerd, zich niet zomaar kunnen verplaatsen naar de Vlaamse Rand. In die strijd zullen wij u steunen, want het is belangrijk dat er aandacht blijft voor de gehele problematiek, zoals opgenomen in het regeerakkoord.
Ik heb u enkele steden horen noemen en vraag me af welke criteria zijn gehanteerd om die steden te selecteren. Het is echter belangrijk te beginnen met de essentie van het regeerakkoord.
Als u een andere naam voor het Kanaalplan wilt, kan ik een naam suggereren die mij geruststelt dat er genoeg aandacht zal zijn voor de Vlaamse Rand. Het is een beetje humoristisch, maar Randgevallenplan is misschien een optie, zodat er zeker aandacht is voor die regio.
Catherine Delcourt:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses et surtout pour vos actions et votre présence sur le terrain lors de l'opération coup de poing, où vous étiez aux côtés des 500 policiers. Cela démontre la volonté de l'État de reprendre pied dans nos quartiers et de rendre la rue aux citoyens. C'est une démonstration de fermeté et un signal fort pour les habitants qui voient que vous ne les abandonnez pas.
Une police de proximité, présente et visible, c'est évidemment ce qu'il nous faut. Pour cela, il faut dégager de la capacité et vous vous y employez de différentes manières: fusion des zones de police, mobilisation des militaires. Environ 70 % de la population est favorable à la présence des militaires en rue et estime que cela renforcera leur sentiment de sécurité.
Il faut donner aux policiers les moyens d'agir. Vous renforcez leurs effectifs, en soutenant leur travail de terrain, et c'est comme cela qu'on pourra restaurer durablement la confiance et la sécurité dans nos villes. Mais la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue ne s'arrête pas là, elle doit être globale, transversale. Il faut que la justice soit impliquée, les finances, la santé publique, la politique sociale.
La rencontre et les échanges entre le procureur du Roi de Bruxelles et le procureur de la République de Marseille constituent un bon signal. Cela montre que la justice est un maillon essentiel de la chaîne. Nous devons nous inspirer du modèle français pour certains aspects de lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé. Vous pourrez, monsieur le ministre, donner tous les moyens nécessaires à la police locale et à la police fédérale, si la justice ne fait pas son travail derrière, on se sentira toujours en insécurité en faisant le trajet entre la gare et le Parlement.
Je continuerai à suivre avec attention ce plan "Grandes Villes" et son implémentation, pour que vous veilliez à ce que ce soit un outil fort au service de la sécurité de tous.
Voorzitter:
Monsieur le ministre, vous souhaitez intervenir? Vous donnerez ainsi l'occasion aux parlementaires de répliquer une nouvelle fois, puisque le dernier mot revient au Parlement.
Bernard Quintin:
J'ai dit plusieurs fois que j'étais très respectueux de l' É tat de droit. Et je ne suis pas complètement fou!
Je tenais à revenir sur quelque chose d'important. En effet, il y a beaucoup d'éléments.
Ik heb het in mijn antwoord niet in detail gehad over Oostende en de kustregio, maar mijn invalshoek is het Grootstedenplan.
Ce plan "Grandes Villes" répond à une nécessité. Je peux me limiter à la lettre de l'accord de gouvernement et simplement travailler à un nouveau Plan Canal, m'arrêter, c'est très bien, j'ai une médaille, j'ai fait ce que je devais faire.
La situation à Anvers est compliquée, il y a le Stroomplan qui n'est pas dirigé de la même manière, ça aussi c'est un élément à prendre en compte. Il faut se mettre à la place du ministre de l'Intérieur! Si chaque ville commence à faire son plan avec ses propres critères et sa gestion, ça complique singulièrement le tableau. Chaque ville adressant, bien sûr, ses demandes au ministre: "J'ai besoin de la FERES, j'ai besoin du CIK, j'ai besoin..." Donc je pense qu'un peu d'ordre et de systématisme est une bonne chose.
J'ai oublié de répondre en effet sur la proximité. C'est précisément pour cela qu'on a besoin d'acquérir une vision fine de la criminalité. Ce n'est pas juste pour le plaisir de dire que chaque ville doit avoir son plan, il y a une image de la criminalité. C'est pas un plan Bruxelles, c'est un plan Bruxelles en omstreken . Ce n'est pas un plan Liège. Parler de Liège sans parler de Bierset, ça n'a aucun sens, de la même manière que ça n'a aucun sens de parler de Charleroi sans parler de l'aéroport de Charleroi. Et par maillage, cela permet également de travailler sur les villes moyennes et sur les campagnes, qui ont leurs propres spécificités. Mais je ne vais pas envoyer l'armée à Silly, pour prendre un joli village du Hainaut que je connais peut-être un peu plus que d'autres.
Je voudrais revenir sur deux points, surtout à part sur le plan grande ville. Monsieur Chahid vous l'avez dit, et franchement ça m'attriste un peu, parce que je l'ai répété, faire appel à l'armée de manière ponctuelle, limitée, dans le scope et dans le temps, je pense que c'est une nécessité. Ce n'est en aucun cas un désaveu du travail de la police. Je ne peux pas laisser dire sans réagir qu'en faisant ça, je désavoue le travail de la police. Je suis tous les jours avec la police. C'est comme si vous me disiez qu'en envoyant les renforts de la police fédérale, je désavoue la police locale. Non, on a besoin de toutes les forces vives de la nation pour tenter de résoudre ça. Est-ce que c'est une bonne idée? Je le pense. Vous pouvez évidemment penser le contraire. C'est votre droit le plus strict.
Deuxièmement, madame Maouane, vous avez dit que les villes ne le demandent pas. Moi, j'ai quand même entendu les bourgmestres de Charleroi et Liège – dont on ne peut pas soupçonner qu'ils soient sur la même longueur d'onde politique que votre serviteur – dire que pourquoi pas, que c'est peut-être une bonne idée, que ça peut servir.
We moeten alles in het werk stellen om de situatie te verbeteren.
Je pense avoir démontré que je travaille sur tous les chantiers en même temps, mais la journée n'a que vingt-quatre heures. Et je ne parle pas seulement de la journée du ministre, mais aussi de celle des administrations qui doivent traduire en textes de loi toutes nos idées politiques. Tout cela prend du temps.
Enfin, sans pouvoir répondre à toutes vos questions, je voudrais revenir sur les Full Integrated Police Actions (FIPA) comme celle que nous avons menée lundi. Il n'agit pas d'une opération de pure optique, visant à satisfaire l'égo qui serait éventuellement blessé, malade ou démesuré de Bernard Quintin, ministre de l'Intérieur. Je vous assure que j'ai passé l'âge! Je n'en ai pas besoin. Il est intéressant de le faire pour les actions en elles-mêmes. Je puis vous dire que nous avons assisté à plusieurs opérations policières qui ne se sont pas déroulées devant les caméras et qui étaient d'une grande fermeté et nécessité pour lutter contre différents trafics et autres faits criminels.
En tout cas, j'assume totalement le message politique. Enfin, nous sommes ici à la Chambre, où nous faisons de la politique! J'assume le message politique auprès de la population, qui le demande. Je suis allé place Bonnevie, place Clemenceau et place Bethléem – c'est certainement un peu plus que ce que font certains, qui auraient dû y aller aussi. Et je ne vise personne ici en particulier. C'est ce que demande la population. Nous étions du côté de la Porte de Hal. Une dame m'a fait signe de son balcon et m'a dit: "Je ne peux pas parler maintenant." Les réseaux sociaux fonctionnent, puisqu'elle a trouvé le numéro de téléphone d'un de mes collaborateurs pour nous remercier de l'action menée. Elle nous a dit: "C'est très bien. Nous en avons besoin. Depuis les dernières années, nous devons bien constater que la situation s'est dégradée." Pour être de bon compte, car je suis honnête, nous n'avons pas reçu que ce message. D'autres personnes étaient mécontentes de notre présence. Je ne parle pas de trafiquants, mais de gens qui nous ont dit: "Très bien, vous êtes là en nombre, mais quel message voulez-vous envoyer?" Donc, je fais vraiment la part des choses. En tout cas, je maintiendrai ces opérations.
J'ai parlé des FIPA. D'autres opérations doivent être menées quotidiennement telles que la Very Irritating Police. Je constate que les trois bourgmestres de la zone Midi ont supprimé les Brigades Koban, Uneus et autres qui s'en chargeaient. Désolé, ce n'est pas ma décision. Elle a été prise par les autorités locales. Pour moi, c'était une mauvaise décision. En tout cas, elle n'a pas contribué à améliorer la situation, puisque celle-ci s'est dégradée ces dernières années. Ce n'est pas moi qui le dis. Ce sont l'image et les chiffres de la criminalité.
Donc, je veux bien, rien n'est jamais bon, rien n'est jamais suffisant. Mais enfin, en attendant, moi je mets des choses sur la table et surtout je mets des choses sur le terrain plutôt que de les retirer et je pense que c'est ça qui est important à faire et je pense que c'est ça que nos concitoyens nous demandent.
Mais je vais continuer à travailler, je vais continuer à parler avec tout le monde. J'ai bien entendu un certain nombre de reproches; j'aurais dû appeler l'un ou l'autre bourgmestre. Je rappelle que les zones de police locales sont encore toujours sous l'autorité d'un président de la zone qui n'est pas le ministre de l'Intérieur, mais un bourgmestre qui peut prendre son téléphone pour prévenir ses collègues.
Donc, je pense être en général assez calme et serein et prendre les critiques, mais à un moment, il faut quand même que chacun prenne ses responsabilités aussi. Moi, je prends les miennes, j'écoute, je concerte, j'essaie de voir.
Ik ga akkoord met de heer Demon wanneer hij zegt dat we moeten samenwerken. De ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Asiel en Migratie en Volksgezondheid, de ministers van de gemeenschappen en de gewesten, de burgemeesters en de gemeentelijke overheden zijn allemaal partners wat betreft de veiligheid van onze medeburgers.
Onze medeburgers, ils s'en fichent de savoir qui est responsable à quel niveau. Ce qu'ils veulent, à l'instar des parlementaires qui veulent pouvoir venir de la gare centrale au parlement en toute tranquillité, c'est sortir de chez eux, prendre le métro à Clémenceau et ne pas devoir envoyer leurs enfants avec des taxis dans leurs écoles. Je trouve ça absolument terrible et j'y travaille.
Je ne vais pas revenir sur les conseils de police. J'aurai l'occasion d'y revenir.
Over de politieraad zullen we het hebben als we de wijziging van de LPI bespreken.
Voorzitter:
Het Parlement heeft het laatste woord.
Ridouane Chahid:
Monsieur le président, ce sera très court. J’aimerais rappeler tout d'abord que si les bourgmestres de Mons, Charleroi et Liège se sont exprimés par rapport aux militaires, ils l'ont fait de manière très claire en disant que si c'était pour garder des bâtiments publics importants, pourquoi pas? Pour le reste, pas.
Mais il y a un élément très important dans la réponse du ministre, quand il dit qu’il veut apporter une réponse concernant les militaires dans la rue, de quand parle-t-il: demain, après-demain, dans un mois? Mais le ministre de la Défense dit lui-même que ce ne sera pas avant avril 2026. Ce n'est pas moi qui le dis.
Pire, il dit que ce sera probablement les jeunes à qui on envoie des lettres aujourd'hui qu'on va mettre en uniforme et qu'on va envoyer dans la rue. Donc, il ne s’agira même pas de personnes formées. Ce sont des propos tenus par le ministre Francken. Il suffit d'aller lire le compte rendu de la commission. C'est écrit noir sur blanc.
Pour le reste, par rapport aux brigades de proximité, je vous invite, monsieur le ministre, vous et vos collaborateurs, à aller relire le compte rendu qui a été fait ici en commission puisque les trois bourgmestres sont venus. Ils ont exposé qu'il n'y avait pas de suppression, mais de réorganisation de la brigade de proximité. Cela vous apprendra peut-être quelque chose. Et enfin oui, monsieur le ministre, en appelant à la présence des militaires dans la rue, vous donnez un mauvais signal aux corps de police. Vous leur dites, en réalité, qu'ils ne sont pas en mesure de répondre à vos ambitions, aux craintes et aux sentiments qu'a la population en matière de sécurité. Le problème est là. On ne donne pas un signal à celles et à ceux qui veulent s'engager dans la police demain.
Vous avez vous-même dit ici avant les vacances que l’un de vos problèmes était de réfléchir à l'attractivité de la fonction de la police. Est-ce que vous croyez qu'en envoyant les militaires dans la rue, vous allez aboutir à cette attractivité de la fonction de la police? Je ne crois pas.
(…) : (…)
Voorzitter:
Mijnheer Bergers, ik ga het debat hier afsluiten. Het is de bedoeling dat we hier in debat gaan met de minister en niet dat we elkaar onderling verwijten naar het hoofd slingeren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 16.
De voor de douanediensten van Brussels South Charleroi Airport gealloceerde middelen
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De douane op Brussels South (Gosselies) kampt met onderbemanning ondanks sterke groei in passagiers- en vrachtverkeer: momenteel 40,2 ETP (opgekrikt van 38 naar 44 agenten), met extra wervingen en herverdelingen in uitvoering, maar vertraagd door screeningsprocedures. Minister Jambon belooft tegen 2028 uitbreiding met mobiele bagagescanners en bodyscanners, plus samenwerking met Defensie en federale politie via het *National Airspace Security Center* om criminaliteitsverschuiving (o.a. vanuit Zaventem) en privévluchten beter te controleren. Bayet benadrukt dat de middelen (personeel, technologie) de groei niet bijbenen en pleit voor versnelde investeringen, vergelijkbaar met andere kritieke knooppunten (Antwerpen, Brussel-Zuid). Jambon bevestigt concrete stappen, maar de uitvoering blijft afhankelijk van wervingscapaciteit en procedurele vertragingen.
Hugues Bayet:
Monsieur le ministre, l'aéroport de Brussels South Airport joue un rôle de plus en plus important dans le transport aérien de passagers et de marchandises dans notre pays. Face à l'accroissement continu du trafic aérien dans le second aéroport du pays, le rôle de la Douane y est essentiel. Cependant, force est de constater que les moyens humains de la douane n'ont que peu évolué au regard des chiffres de fréquentation.
Monsieur le ministre, combien d'ETP travaillent actuellement au sein de l'aéroport de Gosselies? Comptez-vous revoir le cadre organique afin que les effectifs de la douane correspondent à l'accroissement des activités de l'aéroport? Comptez-vous prendre des initiatives afin de donner des moyens supplémentaires à la douane notamment des scanners et des bodyscanners? Une réflexion avec votre collègue de l'Intérieur en charge de la police est-elle en cours pour éviter un déplacement de la criminalité organisée notamment depuis Bruxelles National?
Jan Jambon:
Monsieur Bayet, depuis 2023, les effectifs de la douane affectés à l'aéroport de Gosselies ont été renforcés, passant de 38 à 44 agents, soit un total de 40,2 ETP. Un dispositif de renfort supplémentaire est en cours de mise en œuvre, combinant des réaffectations internes et des recrutements externes. Le recrutement des fonctions restantes se poursuit avec soin, dans la mesure des possibilités offertes par les capacités de recrutement disponibles et la situation actuelle du marché de l'emploi. En plus, la mise en service effective d'une partie de ces ressources additionnelles reste subordonnée à l'issue favorable des procédures de screening, celles-ci étant indispensables pour l'entrée en fonction.
Quant au renforcement des équipements à l'aéroport de Gosselies, nous avons l'ambition pour 2028 d'équiper nos services douaniers d'un scan van (un scanner à bagages mobile) et d'un scanner corporel. Les préparatifs ont déjà commencé. Les marchés publics nécessaires sont en cours d'exécution.
Ajoutons également que des contacts ont été pris et une collaboration a été mise en place avec la défense et la police fédérale dans le cadre du projet National Airspace Security Center. Ce projet a pour objectif premier de renforcer l'efficacité des contrôles à l'égard de l'aviation générale qui pourrait être une source de criminalité dans le secteur aérien.
Nous avons affecté un douanier officier de liaison au Control and Reporting Center de la base de Beauvechain. Sa mission est de détecter les mouvements suspects d'appareils privés afin de cibler le contrôle de ceux-ci sur le territoire national et de contrer le phénomène de la relocalisation du trafic sur le territoire national, y compris bien évidemment pour l'aéroport de Gosselies et tous les aérodromes qui dépendent de son équipe de contrôle.
Hugues Bayet:
Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Je pense en effet que l'aéroport national de Charleroi a besoin de moyens pour lutter contre l’insécurité, comme toutes les autres portes d'entrée en Belgique (la gare du Midi, le port d'Anvers, etc). Ce qui me perturbe toujours un peu, c'est que la fréquentation de l'aéroport de Charleroi a une croissance exponentielle, mais le personnel, les contrôles et les moyens qui sont affectés à Charleroi ne suivent pas toujours. En plus de l'aviation civile, il y a aussi l'aviation privée. Or, si le gouvernement veut avoir de bons résultats par rapport à la lutte pour la sécurité, il faut y mettre les moyens. Je me réjouis de ces nouveaux engagements. Merci, monsieur le ministre.
De vereiste middelen voor een goede werking van de douanediensten
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Jan Jambon bevestigt dat 9 mobiele scanners en een bodyscanner in Zaventem al operationeel zijn, terwijl Gosselies pas in 2027 volgt; extra scanners voor e-commerce komen eind 2026, met plannen voor 100% fysieke scanning van pakketten op termijn. 108 nieuwe douaniers (vooral Antwerpen/Beveren) versterken de capaciteit, maar focussen niet uitsluitend op drugsbestrijding, terwijl 5 extra speurhondenteams tegen 2026 worden ingezet. Douane-attachés in Panama en Brazilië leveren waardevolle inlichtingen, met uitbreidingsplannen (onder budgettaire voorbehoud), maar concrete impactcijfers op controles en inbeslagnames ontbreken nog. Structurele oplossingen voor groeiende pakkettenvolumes zijn in ontwikkeling, maar tijdslijnen blijven onzeker.
Hugues Bayet:
Dans votre réponse à la question écrite n°298, vous avez mentionné des investissements importants dans du matériel de détection (neuf scanners mobiles, remplacement des tunnels de scan à Anvers et Zeebruges, acquisition de bodyscanners à Zaventem et Gosselies, scanner de fret à Bierset) ainsi qu'une augmentation des effectifs et des équipes cynophiles, en parallèle à une coopération renforcée avec des pays sources et transit. Toutefois, plusieurs points demeurent sans réponse précise:
Pouvez-vous indiquer la date prévue de mise en service effective de ces nouveaux équipements et préciser s'ils seront opérationnels 24 h/24?
Dispose-t-on d'une estimation chiffrée de l'augmentation du taux de contrôle et de saisies que ces moyens devraient permettre par rapport aux années précédentes?
Combien des nouvelles recrues prévues seront concrètement affectées à plein temps à la lutte contre la drogue dans les ports et aéroports et selon quel calendrier?
Quelle est l'évaluation de l'impact concret des attachés douaniers au Panama et au Brésil sur les interceptions en Belgique et envisagez-vous d'élargir ce réseau à d'autres pays sources?
Vous évoquez l'achat d'équipements spécifiques, mais le volume en forte croissance des colis postaux ne risque-t-il pas rapidement de saturer ces moyens? Des renforts structurels sont-ils prévus?
Jan Jambon:
Monsieur Bayet, les neuf scanners de fret mobiles et le scanner corporel de l'aéroport de Bruxelles-National ont déjà été livrés et sont opérationnels. Les chefs de projet concernés du département Finances, Équipement et Innovation de l'Administration générale des Douanes et Accises assurent actuellement le suivi du projet avant la transition vers une gestion routinière.
Les préparatifs du projet ont commencé pour l'installation du scanner corporel à l'aéroport de Gosselies. Compte tenu des travaux d'infrastructure nécessaires, ce scanner corporel sera opérationnel en 2027. S'agissant du commerce électronique, l'accent sera d'abord mis sur l'achat de scanners mobiles supplémentaires qui seront livrés au plus tôt fin 2026, compte tenu de l'état d'avancement du marché public concerné.
Le délai de livraison d'un scanner est de 12 mois. Une phase ultérieure portera sur un concept de contrôle intégré aux flux logistiques des marchandises. Compte tenu de la capacité de formation, cinq équipes cynophiles supplémentaires seront opérationnelles d'ici 2026.
Concernant votre deuxième question, l'Administration générale des Douanes et Accises ne dispose pas à ce stade d'estimation chiffrée concernant l'évolution des taux de contrôle ou de saisie. Ces indicateurs dépendront notamment de la mise en service complète et du fonctionnement optimal des nouveaux équipements, qui constituent une étape préalable essentielle.
Concernant votre troisième question, dans le cadre du projet "100 % scanning", un budget supplémentaire a été octroyé à l'agence des douanes. En effet, 108 nouveaux collaborateurs à Anvers et Beveren ont ainsi pu être recrutés. Des recrutements supplémentaires pour Zeebruges, Zaventem et Bierset ont été prévus dans les marges du plan de personnel de l'agence. Certains ont déjà été réalisés. Le recrutement des fonctions restantes est poursuivi dans les meilleurs délais en tenant compte des possibilités de recrutement disponibles, de la situation sur le marché de l'emploi ainsi que de la prudence budgétaire. Il convient toutefois de remarquer que ces nouveaux agents ne seront pas exclusivement affectés à la lutte contre la drogue, mais également à d'autres missions relevant du large champ de compétences de l'agence.
Les attachés douaniers au Panama et au Brésil représentent une valeur ajoutée indéniable pour le fonctionnement de l'agence. Grâce à leur contact sur place, nous obtenons plus de renseignements et pouvons demander des informations concernant des envois suspects et des envois saisis. Nous étudions actuellement la possibilité de mettre des attachés douaniers dans d'autres pays en tenant compte des contraintes budgétaires. Notre attaché douanier au Panama est également accrédité pour le Costa Rica et notre attaché douanier au Brésil pour l'Argentine, le Paraguay et l'Uruguay. D'autres accréditations sont possibles.
Concernant votre cinquième question, un concept de contrôle pour le commerce électronique est en cours de développement. L'objectif est de créer un concept de contrôle intégré aux flux logistiques des marchandises capables de scanner physiquement tous les colis à la vitesse du flux logistique.
Compte tenu de l'état d'avancement du projet, il n'est pas encore possible d'annoncer une date spécifique de mise en œuvre.
Hugues Bayet:
Monsieur le ministre, merci beaucoup pour toutes ces informations.
De importban op producten uit de bezette gebieden
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Belgische regering werkt aan een koninklijk besluit voor een importban op producten uit Israëlisch bezet gebied, gebaseerd op internationaal recht en EU-douaneregels, maar de juridische grondslagen, deadline en precieze afbakening (staats- *vs.* privébedrijven, diensten, transit via andere EU-landen) zijn nog onder uitwerking. Controle verloopt via risicoanalyses, oorsprongsdocumenten en EU-lijsten met uitgesloten postcodes, waarbij de bewijslast bij importeurs ligt, met mogelijk beroep op Israëlische autoriteiten bij twijfel. Vanbesien dringt aan op inclusie van privéfirma’s en latere uitbreiding naar diensten. Besluit vereist nog interdepartementeel overleg en ministerraad.
Dieter Vanbesien:
Mijnheer de minister, de federale regering heeft op 2 september besloten om, conform het advies van het Internationaal Gerechtshof en naar het voorbeeld van Ierland en Slovenië, u de opdracht te geven om samen met de minister van Buitenlandse Zaken een koninklijk besluit op te stellen dat voorziet in een nationale importban voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt zijn in de door Israël bezette gebieden door de bezettende macht. Daarbij dient tevens de nodige controle van de naleving van de importban te worden voorzien. Ik heb daarover een aantal specifieke vragen.
Op welke wet of wetten zal dat koninklijk besluit zijn gebaseerd?
Wat is de deadline waarbinnen u dat koninklijk besluit wilt afwerken?
Gaat het om een besluit dat moet worden vastgesteld na overleg in de ministerraad?
Betekent ‘door de bezettende macht’ dat enkel producten vervaardigd door Israëlische staatsbedrijven hieronder vallen en dus privébedrijven actief in de nederzettingen niet?
Zullen producten uit de bezette gebieden die via andere Europese landen België binnenkomen ook onder die importban vallen?
Er is enkel sprake van goederen. Betekent dat dat diensten niet onder de ban vallen?
Hoe zult u de ban controleren? Wordt de bewijsplicht dat de oorsprong van goederen niet in de bezette gebieden ligt bij de invoerders uit Israël gelegd?
Jan Jambon:
De uitwerking van het koninklijk besluit zal gebeuren binnen het bestaande juridische kader, met respect voor internationale verplichtingen en nationale wetgeving. De precieze wettelijke grondslagen worden momenteel juridisch geanalyseerd. De betrokken ministers, ikzelf en collega Prévot, werken momenteel aan de uitwerking van het besluit.
Een concrete deadline is op dit moment nog niet vastgelegd, gezien de complexiteit van de materie.
Zoals gebruikelijk bij maatregelen met een interdepartementale impact, zal het koninklijk besluit worden besproken binnen de bevoegde overlegstructuren. Er zal op korte termijn een vergadering worden belegd met de collega’s van de FOD Economie om dit besluit snel te finaliseren en de Belgische handelsstromen van en naar de regio in meer detail te bestuderen, zodat het koninklijk besluit overeenkomstig de politieke beslissingen kan worden uitgewerkt en, desgevallend, aangepast.
De precieze afbakening van de actoren die onder de ban vallen, inclusief de verhouding tussen staatsbedrijven en private ondernemingen, maakt deel uit van die verdere uitwerking.
De toepassing van de importban gebeurt in overeenstemming met de geldende Europese douanewetgeving en binnen het kader van de interne markt. De impact op goederen die via andere EU-lidstaten België binnenkomen, wordt momenteel juridisch en operationeel geëvalueerd, in overleg met de bevoegde instanties. Onder goederen worden fysieke producten verstaan die door de douane kunnen worden gecontroleerd binnen het kader van haar bevoegdheden.
In eerste instantie worden zendingen uit Israël geselecteerd op basis van een risicoanalyse. Daarbij wordt reeds rekening gehouden met de preferentiële oorsprong en met het type goederen die regelmatig vanuit Israël en uit de bezette gebieden worden ingevoerd. Als EU-importeurs gebruik willen maken van de preferentiële oorsprong, moeten zij op de aangifte eveneens aanduiden dat de goederen niet van oorsprong uit bezet gebied zijn. Indien de selecties gebeuren bij invoer, worden de geselecteerde zendingen onderworpen aan een verificatie waarbij de goederen zelf en/of de bijhorende documentatie worden gecontroleerd.
Tijdens de verificatie wordt onder meer gebruikgemaakt van de lijst met plaatsen en postcodes die niet in aanmerking komen voor de preferentiële oorsprong. Deze lijst wordt door de Commissie ter beschikking gesteld om na te gaan of de goederen van oorsprong zijn uit bezet gebied. Als op de documentatie, zoals de factuur, de pakbon of certificaten, en/of op de goederen zelf wordt vastgesteld dat deze uit bezet gebied komen, kan de invoer worden geweigerd. Bij twijfel wordt eerst aan de importeur gevraagd om verdere informatie te bezorgen over de oorsprong.
Als de importeur echter om de preferentiële tariefbehandeling heeft gevraagd, moeten de procedures uit protocol nummer 4 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Israël worden toegepast. Dat houdt onder meer in dat bij grondige twijfel omtrent de preferentiële oorsprong administratieve samenwerking wordt opgestart met de bevoegde Israëlische autoriteiten, die de oorsprong al dan niet bevestigen.
In het geval dat de importeur enkel gebruikmaakt van de economische niet-preferentiële oorsprong, kan de douane aan de importeur alle bewijzen opvragen die nuttig zijn om de oorsprong te bepalen.
Dieter Vanbesien:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor de uitgebreide antwoorden. Ik begrijp dat het nog niet beslist is of enkel staatsbedrijven of ook privéfirma's daaronder vallen. Ik zou u aanraden om de privéfirma's ook mee te nemen en om in een later stadium ook diensten te overwegen en niet alleen fysieke goederen.
De stand van zaken rond de implementatie van de ENGIE-deal
De voorwaarden voor de verlenging van de levensduur van Doel 4 en Tihange 3
De vaststelling van de voorlopige strike price in het kader van de ENGIE-deal
Het vermarkten van de stroom in het kader van de LTO D4T3
De stand van zaken m.b.t. de implementatie van de LTO (strike price & BE-WATT)
De voortgang en voorwaarden van de ENGIE-deal en levensduurverlenging Doel 4 & Tihange 3
Gesteld door
VB
Kurt Ravyts
PS
Marie Meunier
VB
Kurt Ravyts
N-VA
Bert Wollants
Ecolo
Tinne Van der Straeten
Gesteld aan
Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 30 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De ENGIE-deal en de langetermijnonderhoudsovereenkomst (LTO) voor kerncentrales Doel 4 en Tihange 3 staan centraal, met focus op drie sleutelthema’s: de strike price (gegarandeerde stroomprijs), de vermarkting van elektriciteit via een externe partij (EMSA), en de risicobeheersstrategie om blootstelling van de Staat aan marktschommelingen te beperken. De voorlopige strike price wordt geraamd op ~90 €/MWh (geïndexeerd vanaf november), maar is nog niet definitief vastgelegd door ontbrekende gegevens en lopende onderhandelingen met Electrabel; retroactieve correcties volgen in 2028. De EMSA-aanbesteding loopt vertraging op (beslissing verwacht in december), waarbij Electrabel’s GEMS tijdelijk als back-up fungeert, met strikte onafhankelijkheidswaarborgen om conflicten te vermijden. De risico-afdekkingsstrategie (via BE-WATT en een dynamische *hedging*-aanpak) is nog niet operationeel, wat de Staat blootstelt aan potentiële verliezen van miljoenen per dag bij negatieve stroomprijzen—een urgentie gegeven de heropstart van de centrales. Parlementsleden dringen aan op een aparte commissievergadering om de implementatie te versnellen en transparantie te garanderen.
Kurt Ravyts:
Voor de implementatie van de ENGIE-deal zouden we best eens een aparte commissievergadering bijeenroepen. We hebben daarover al gedebatteerd op 1 juli, mijnheer de minister, en ik ga daarop verder.
Tihange 3 is ondertussen heropgestart en Doel 4 zou uiterlijk op 1 november opnieuw worden opgestart. Daarmee komt de vraag over de vermarkte elektriciteit opnieuw aan de orde. BeNuc heeft de voorbije maanden de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht tot het aanstellen van een EMSA, een externe partij voor het commercialiseren van de door de nucleaire eenheden geproduceerde stroom, vermoedelijk afgerond. Indien het niet mogelijk zou zijn een overeenkomst met de EMSA af te sluiten voor de heropstartdatum van de nucleaire eenheden, zouden deze diensten verder door Electrabel worden verricht, met inbegrip van de onafhankelijkheidswaarborgen. De bidding and imbalance -strategie in het kader van de vermarkting maakte bovendien het voorwerp uit van een advies van de CREG.
Ik wil u ook vragen hoe het gesteld is met de risicobeheerstrategie die BE-WATT zou moeten ontwikkelen in verband met de mogelijke blootstelling van de Staat aan de financiële risico’s van het contract for difference . Hoe staat het met die risicobeheerstrategie, waarbij ook de CREG en de AD Energie betrokken zijn?
Er is uiteraard ook de strike price . Volgens uw verklaringen, begin deze zomer, zou die voorafgaand aan de eerste LTO-heropstartdatum moeten worden vastgesteld. Ik ga er echter van uit dat we die eerste LTO-heropstartdatum ondertussen al zijn gepasseerd. Of begrijp ik dat verkeerd? Kunt u daarover een stand van zaken geven, aangezien de strike price bijzonder belangrijk is?
U hebt toen gezegd dat de beslissingen van het FANC over het actieplan van Electrabel een impact zouden hebben op de budgetten die volgens de contractuele berekeningsmethode de strike price beïnvloeden. Aangezien die actieplannen sinds begin juli officieel bekend zijn, mag ik ervan uitgaan dat de nodige info intussen gekend is. Hoe zit het nu met die gegarandeerde prijs die ENGIE zal krijgen om nog tien jaar langer kernenergie op te wekken? Volgens het Monitoringcomité zal dat de Staat volgend jaar naar schatting 155 miljoen euro kosten.
Dat bedrag zou oplopen tot meer dan 600 miljoen euro in 2030. We kennen allemaal de raming van 81 euro per megawattuur. Wat is uw reactie enerzijds op het rapport van het Monitoringcomité over de budgettaire gevolgen? Wanneer wordt de strike price vastgelegd? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de implementatie van de berekeningsmethode? Kunt u nu al een stand van zaken geven over de aanduiding van de EMSA en de vermarkting?
Bert Wollants:
Mijnheer de minister, naar aanleiding van het debat in het voorjaar over het Energy Management Service Agreement, dat getenderd zou worden, is er momenteel een back-up voorzien via ENGIE-Electrabel, namelijk via GEMS. Het was echter nooit de bedoeling dat dat zo zou blijven. Mogelijk is er sprake van een te vroeg gelanceerde tender, waardoor het onmogelijk was alle getenderde partijen aan te stellen. Het lijkt ons nuttig dat u een update geeft over dat deel van de LTO-akkoorden.
Mijn eerste vraag. Wat is de stand van zaken in het EMSA-dossier? Twee, wanneer kan er getenderd worden en wat is de tijdslijn? Drie, op welke manier kan het Parlement de werkzaamheden daarover op een goede manier opvolgen?
Dank u voor uw antwoorden.
Tinne Van der Straeten:
Mijnheer de minister, mijn vragen gaan over de implementatie van de LTO van Doel 4 en Tihange 3, specifiek met betrekking tot de vaststelling van de strike price en de vermarkting van de elektriciteit. Dat zijn immers verschillende componenten die op elkaar inwerken.
Ten eerste, wat is de verwachte strike price ? Indien dit nog niet gekend is, wanneer zal dit dan gekend zijn? De LTO- restart date moet nog komen. De strike price moet gekend zijn op het moment dat de eerste nucleaire kilowatturen in het net worden geïnjecteerd. We zitten daar zeer kort tegenaan. Het investeringsprogramma is reeds goedgekeurd. We zouden de range dus ongeveer moeten kennen.
Ten tweede, welke acties heeft de Belgische Staat ondernomen om de strike price zo laag mogelijk te houden? Er zaten grendels in het akkoord, met name de controlebevoegdheden van de CREG. Ook het feit dat de CFO van BeNuc door de Belgische Staat wordt aangesteld, geeft de Belgische Staat de mogelijkheid toezicht op de financiële stromen te houden.
Ten derde, welke acties heeft de Belgische Staat ondernomen om te vermijden dat men zonder dekking de markt opgaat? Wat is dus de stand van zaken van B-Watt en ENSA? Het gaat dus niet alleen om de ENSA. B-Watt is de instelling die de dynamische hedgingstrategie zal moeten ontwikkelen.
Er is ook een rapport bij Compass Lexecon besteld om te onderzoeken hoe dat er zou kunnen uitzien. Dat werd op 31 januari opgeleverd. Daarin staan andere cijfers dan die in het rapport van het MoCo. Compass Lexecon geeft aan dat een markttoegang zonder dekking tot een exposure van miljarden zou kunnen leiden, terwijl een goede hedgingstrategie dit tot enkele honderden miljoenen kan beperken. Dit is nog altijd een belangrijke exposure. Het toont aan dat er enorme risico's zijn en ook hoe belangrijk het is om hiermee vandaag al rond te zijn.
De vraag is dan ook hoe dit is geïmplementeerd. GEMS was inderdaad een back-upoplossing. De Europese Commissie heeft aangegeven dat als deze back-up wordt gebruikt, er garanties voor onafhankelijkheid moeten worden gegeven. Welke onafhankelijkheidsgaranties zijn in dat kader opgenomen, zoals door de Europese Commissie gevraagd? Hoe worden de aanbevelingen van Compass Lexecon geïmplementeerd?
Mathieu Bihet:
Chers collègues, je vous remercie et vous préviens déjà que je vais dépasser mon temps de réponse, mais cela me semble nécessaire pour faire le point. Par ailleurs, comme Mme Meunier s'était jointe à la question, la réponse a été préparée dans les deux langues. Je me permets donc – je m'en excuse d'avance – de vous répondre dans les deux langues, bien que ce soit assez technique.
Een berekening van de voorlopige strike price overeenkomstig het remuneration agreement is op dit moment nog niet mogelijk, onder meer omdat de nodige gegevens nog door Electrabel moeten worden aangeleverd.
De akkoorden voorzien een termijn van 60 dagen nadat het FANC de global action list voor Doel 4 heeft goedgekeurd. Dat gebeurt op 12 september. Voor dit scenario voorziet het remuneration agreement echter dat er een voorlopige strike price wordt berekend.
Het original financial model maakt het voorwerp uit van het advies van de CREG van 17 juli 2025. Dat advies zal binnenkort worden gepubliceerd, rekening houdend met de commerciële gevoeligheid en vertrouwelijke gegevens.
Sur la base de l' original financial model , appliqué aux données du signing financial model , il en résulte un strike price provisoire de 84,93 euros à encore indexer. Dans l'application ultérieure du remuneration agreement , ce strike price doit être indexé en novembre. Cette indexation, ainsi que le paramètre d'indexation exact, fait l'objet de discussions mais, selon les premiers calculs, elle aboutirait à un montant proche de 90 euros.
Une fois qu'un accord aura été trouvé sur l' ISP financial model , pour lequel notamment l' initial project budget doit être également fixé, l' initial strike price qui en résultera sera appliqué rétroactivement aux volumes et aux prix depuis le 2 septembre. Il y aura donc vraisemblablement encore une correction de prix à l'avenir.
Je vous avais prévenus, chers collègues, que la réponse était technique.
Bovendien zal er op het moment van de true-up date , in principe 31 december 2028, nog eens zo'n correctie plaatsvinden op de strike price, retroactief toe te passen in het licht van een aangepast financieel model op het overeenstemmende interne rendement ( internal rate of return , IRR) van 7 % voor de LTO te garanderen.
S'agissant de la mise sur le marché, la CREG a rendu l'avis A3021 du 25 avril relatif à la Bidding and Imbalance Strategy dans le cadre de l'EMSA, qui fait actuellement l'objet d'une procédure d'attribution. Étant donné que celle-ci est toujours en cours, l'avis n'a pas encore été rendu public. Les candidats disposaient jusqu'il y a quelques jours de la possibilité de poser des questions. Cette phase de la procédure est achevée. Les offres pourront être déposées prochainement. Cette procédure d'attribution est conduite par le SPF É conomie au nom et pour le compte de Be-Nuc. La publication d'une décision d'attribution est attendue pour décembre. Pour la période intermédiaire, il est en effet envisagé de recourir à Electrabel GEMS.
Mijnheer Wollants, de timing is niet ideaal, maar verklaart zich onder meer door de complexiteit van de gunningsdocumenten en de verplicht na te leven termijn in een gunningsprocedure binnen het kader van de mededingingsprocedure met onderhandelingen.
De overheidsopdracht werd gepubliceerd in het Bulletin der Aanbestedingen op het federale platform e-Procurement en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie . Enkel de publiek beschikbaar gemaakte documenten zijn daar raadpleegbaar. Ik kan u schriftelijk de link naar de webpagina overmaken. Enkel de geselecteerde kandidaten kunnen de vertrouwelijke gunningsdocumenten inkijken. De algemene implementatie van de verlenging van de levensduur van Doel 4 en Tihange 3 loopt intussen verder.
Pour estimer le coût du CFD, il est nécessaire d'élaborer des prévisions afin d'établir le budget. Il n'est pas nécessaire de vous expliquer pourquoi il est difficile de faire des prévisions pour 2026 en ce qui concerne l'évolution du marché de l'électricité en spots et, a fortiori , pour 2030. Nous recourons aux chiffres les plus pertinents pour effectuer ces estimations, mais nous ne disposons évidemment pas d'une boule de cristal.
Mevrouw Van der Straeten, het CfD-mechanisme zoals vastgelegd in de onder de vorige legislatuur gesloten akkoorden stelt de Belgische Staat inderdaad bloot aan aanzienlijke potentiële kosten. Binnen BE-WATT zal zodra de operationalisering rond is een afdekkingsstrategie worden uitgewerkt om de budgettaire impact te minimaliseren. De werkzaamheden zijn lopende.
Compte tenu du caractère confidentiel de la procédure de passation, je ne peux vous communiquer l'identité des participants à la procédure pour la désignation du gestionnaire de l'EMSA. De manière générale, je peux vous répondre que c'est le SPF Économie, comme je le disais, et non Be-Nuc qui mène la procédure de passation pour le compte de Be-Nuc.
Ce faisant, l'État belge analyse les candidatures ainsi que les offres et prend les décisions, par exemple, la décision d'attribution dans le cadre de la procédure de passation au nom et pour le compte de Be-Nuc. L'indépendance de la procédure de passation par rapport à ENGIE et GEMS au cas où elle participerait est ainsi garantie. Outre le rôle de l'État belge dans la procédure de passation, des garanties supplémentaires ont été prévues afin de prévenir et d'éviter d'éventuels conflits d'intérêts.
Avant la procédure de passation, le request for information (RFI) a eu lieu permettant à toute partie intéressée de soumettre différentes conditions et propositions liées à l'objet de la procédure. Il a ainsi été garanti que la procédure ne comportait pas de barrière défavorisant un candidat par rapport à GEMS ou une autre société du groupe ENGIE si d'aventure elle postulait. Les documents d'appel d'offres ont été élaborés par l'État belge en tenant compte des résultats du RFI.
Du fait du rôle du SPF Économie et de l'État belge, ENGIE Electrabel et leurs représentants au sein de Be-Nuc sont exclus de toute décision ou délibération relative à la procédure de passation. Chez Electrabel, des barrières d'information et des ethical walls stricts s'appliquent entre les responsables du négoce d'électricité chez GEMS et la direction de Be-Nuc. Et même si GEMS devait être choisie comme gestionnaire de l'EMSA, ces barrières resteraient évidemment en place. Si GEMS devait être sélectionnée comme partenaire EMSA, elle serait soumise aux mêmes obligations, incitants de marché et autres conditions contractuelles que tout autre candidat. Cela comprend notamment l'obligation, dans le chef du gestionnaire, d'agir conformément à une stratégie spécifique d'enchères et d'équilibrages lors de la commercialisation de l'électricité sur le marché ainsi que le fait de l'exécution des services EMSA liés au paiement d'une rémunération à la fois fixe et variable visant à favoriser l'exécution optimale des services.
La Commission a jugé, dans sa décision du 21 février 25 relative à la prolongation de la durée de vie de Doel 4 et Tihange 3, qu'au regard des règles en matière d'aides d'État, ces mesures contribuent à rendre l'EMSA appropriée et proportionnée.
J'avais prévenu que je dépasserais mon temps de parole, mais voici une réponse complète bien que quelque peu technique.
Kurt Ravyts:
U hebt inderdaad gezegd dat u het antwoord uitgebreid zou maken. Er zat uiteraard ook veel in de vraagstelling. Ik zal uw antwoord heel aandachtig herlezen.
Ik heb enkele zaken onthouden. Ik heb begrepen dat we met de indexering naar rond de 90 euro evolueren. De EMSA-procedure is dus nog altijd lopend, evenals de afdekkings- of risicobeheersingsstrategie.
Eigenlijk zijn de begrotingsbesprekingen niet het geschikte moment, vind ik, om de implementatie van al die verschillende aspecten van de ENGIE-deal te bespreken, dus we zouden daarvoor binnen enkele weken eens een aparte vergadering moeten organiseren, mijnheer de voorzitter. Ik hoop daarvoor steun te krijgen van de andere fracties.
Voorzitter:
Dank u, collega Ravyts. U weet dat mijn mailbox altijd openstaat voor u en de andere collega's. Indien er voldoende steun is, zal dat wel gebeuren.
Mijnheer Wollants, u hebt het woord.
Bert Wollants:
Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister, maar ik herlees het best een aantal keer om te bepalen welke verdere stappen we moeten zetten. Er zitten veel elementen in en er moet met veel zaken rekening worden gehouden.
Tinne Van der Straeten:
Een verwachte strike price van rond de 90 euro lag inderdaad in de lijn der verwachtingen toen de extrapolaties tijdens de onderhandelingen werden gemaakt. Dat ligt min of meer binnen die vork. Ik heb u goed gehoord toen u opmerkte dat een en ander zeker nog niet definitief is, maar dat u de prijszetting daar wel verwacht. Laten we ons uitgaan van 90 euro, om bevattelijk te maken waarover het gaat. Als die 90 euro niet is afgedekt door de BIS, de Biedings- en Onbalansstrategie, die u hebt vernoemd, dan kost een dag met 13 negatieve uren qua elektriciteitsprijzen, zoals wij vorige week of twee weken geleden hadden, 1,17 miljoen euro aan de Staat. Het is net daarom dat het rapport werd besteld. De Belgische Staat is immers geen trader. Het is niet de kerntaak van een overheid om als trader op te treden. Daarom werd dat rapport besteld, om na te gaan hoe wij ons moeten organiseren om dat risico te vermijden. In die zin hoor ik dat men bezig is met het zoeken van een partij, maar ik heb ook gehoord dat de Biedings- en Onbalansstrategie nog moet worden opgemaakt. Daarvoor moeten wij eerst BE-WATT hebben. Over BE-WATT bestaat echter nog onduidelijkheid. Dat betekent dat het aspect waarbij de Belgische Staat het risico zoveel mogelijk beperkt, eigenlijk nog niet op poten staat. Nochtans biedt dat ook enorme kansen voor de Belgische Staat. Als dat goed wordt georganiseerd, kunnen interessante producten worden ontwikkeld, bijvoorbeeld voor onze industrie. Er ontbreken dus nog enkele bouwstenen om te vermijden dat de impact op de begroting negatiever zou zijn dan nodig.
De verlenging van de levensduur van Doel 4 en Tihange 3 met 20 jaar
De rol van EDF in het eigenaarschap en de uitbating van nucleaire productie-eenheden in België
De onderhandelingen met EDF over de kerncentrales
Duurzaam beheer en verlenging van Belgische kerncentrales met EDF
Gesteld door
Gesteld aan
Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 30 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De MR vraagt duidelijkheid over het toekomstige eigenaarschap van Belgische kerncentrales, met twijfels bij de huidige *Phoenixdeal* (met EDF/ENGIE) en de wenselijkheid van staats- of private eigendom, vooral gezien geruchten over een volledige overname door schuldenbelaste EDF. Minister Bihet bevestigt het regeerakkoord (4 GW nucleair in 2025), benadrukt Belgische verankering (kennisbehoud, werkgelegenheid, bevoorradingszekerheid) en ontwijkt concrete onderhandelingen, verwijzend naar lopende gesprekken die niet publiek worden gemaakt. Ravyts dringt aan op overheidsbetrokkenheid als eigenaar (zoals in Frankrijk), maar de minister houdt vast aan stapsgewijze besluitvorming zonder media-commentaar. De kernvraag—of de persberichten over EDF-overeenkomsten kloppen—blijft onbeantwoord.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, uw antwoord zal wellicht ook weer heel kort zijn. Dat begrijp ik wel. Als we de pers mogen geloven, zou er een package deal met EDF de maak zijn waarbij de Fransen niet alleen Tihange 1 maar ook het resterende nucleaire park in België volledig zouden overnemen. Weer anderen spreken dat in de media tegen, aangezien EDF volgens Franse instanties heel veel schulden heeft en zo’n aankoop niet aan zou kunnen.
Los van het concrete dossier, hoe ziet de MR het eigenaarschap van de kerncentrales? Is het uw mening dat de Phoenixdeal, die u van een vorige regering hebt geërfd, misschien voor u niet de ideale constellatie is? EDF is een staatsbedrijf, wat een ander verhaal is. Wilt u dat anderen dan de Belgische overheid eigenaar worden van het nucleaire park, bestaande en toekomstige centrales inbegrepen, en dat de exploitatie dus uiteraard niet voor de Belgische Staat is? Is dat al dan niet uw ideale model?
Daarover zouden wij heel graag duidelijkheid krijgen. Stel immers dat de pers gelijk heeft en dat EDF ter zake een rol zou spelen, dan zouden we ons uiteraard in een heel ander scenario bevinden dan met de vivaldiregering.
Oskar Seuntjens:
Door het feit dat u moest lachen bij het begin van de vraag, mijnheer de minister, kan ik al raden wat uw antwoord zal zijn. Ik heb eigenlijk niet veel toe te voegen aan wat de vorige spreker gevraagd heeft.
Er zijn berichten verschenen in de media dat er meerdere kerncentrales overgenomen zouden worden. Ik heb de volgende praktische vragen. Is er onderhandeld? Hoe vaak was ENGIE daarbij betrokken? Wat is de impact op de Phoenixdeal? Speelt BeNuc een rol in het verhaal?
Wat is – dit is de kernvraag - de waarachtigheid van de persberichten?
Voorzitter:
Mijnheer de minister, kunnen we de pers nog geloven of niet?
Mathieu Bihet:
U verwijst naar verklaringen in de pers, onder meer toegeschreven aan de CEO van ENGIE, betreffende een mogelijke levensduurverlenging met 20 jaar van Doel 4 en Tihange 3. U verwijst ook naar een uitspraak van de directeur van EDF waarin interesse voor Doel 4 en Tihange 3 werd vermeld.
Ik herinner er vooreerst aan dat het regeerakkoord van 3 februari 2025 een duidelijk traject vastlegt: het verzekeren van een nucleaire capaciteit van ongeveer 4 gigawatt in onze elektriciteitsmix, in overeenstemming met de wet van 17 mei 2025, die een einde maakt aan het algemeen verbod op de exploitatie van nieuwe nucleaire capaciteit of bestaande nucleaire centrales.
Mijnheer Ravyts, ik waardeer uw verwijzing naar het belang van Belgische verankering, in het bijzonder in handen van de Belgische Staat. Bij de ontwikkeling van kernenergie lijkt ons het behoud van een Belgische verankering met het oog op de compensaties noodzakelijk.
En matière de recherche et de développement, je pense, par exemple, au SCK CEN et à son projet de SMR-LFR et au consortium Eagles. Dans nos compétences en matière d'ingénierie et d'exploitation, nos talents ne sont plus à négliger. Enfin, l'énergie nucléaire, ce n'est pas que des centrales ou des réacteurs, mais cela recouvre également tout le cycle du combustible nucléaire, tant l'approvisionnement en matière en amont que la gestion du combustible usé en aval, là où nous avons aussi conservé du know-how .
De centrale elementen blijven de bevoorradingszekerheid van het land, wat een uitdaging zal vormen voor de komende 25 jaar in het licht van de jongste studie van het Planbureau, de bijdrage van kernenergie aan onze klimaatdoelstellingen, de herindustrialisatie, de werkgelegenheid en het behoud van de competitiviteit van de ondernemingen en van de koopkracht van de huishoudens. De federale regering neemt hierin haar verantwoordelijkheid volledig op. We gaan stap voor stap vooruit en zullen onze verbintenissen waarmaken.
Vous l’aurez compris, tant sur ce sujet que sur le précédent, et au regard des discussions que nous menons actuellement, nous souhaitons leur laisser toutes les chances d’aboutir. C’est pourquoi nous évitons les commentaires surabondants et parfois inutiles, d’une part, concernant les fuites parues dans la presse à propos d’entreprises cotées ou non cotées et, d'autre part, par rapport à des stratégies industrielles qu’elles pourraient développer. Il s’agit de propos qui engagent directement l’entreprise cotée ainsi que le directeur d’EDF. Nous ne les commenterons donc pas.
Comme je l’ai déjà indiqué – et comme je l’ai répété à de nombreux journalistes –, des discussions sont en cours. Nous ne commenterons pas leur contenu, mais je me suis permis de vous rappeler ces quelques éléments tout de même.
Voorzitter:
Mijnheer Ravyts, ik onthoud dat discretie de moeder van de vooruitgang is, maar misschien denkt u er anders over.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik denk daar niet anders over, maar los van wat er in de pers is verschenen, als het de arizonaregering menens is met een nucleaire renaissance en het aantrekken van nieuwe industriële projecten op het vlak van kernenergie, dan is de vraag pertinent of de overheid nog geïnteresseerd is om gedeeltelijk ook in het eigenaarschap te stappen. In sommige landen is dat het geval, kijk maar naar onze zuiderburen, om nog maar te zwijgen van bijvoorbeeld pensioenspaarfondsen. Dus zo denkbeeldig is zo’n maatregel niet. Dat is geen sciencefiction. Ik kan natuurlijk al vermoeden welke richting de regering zal uitgaan. Daarover kan in de plenaire vergadering nog worden gediscussieerd.
De Belgische positiebepalingen op de INC-5.2-onderhandelingen (VN-plasticverdrag) in Genève
De mislukte VN-top over een verdrag tegen plasticvervuiling
De top in Genève inzake plasticvervuiling
Internationale onderhandelingen en toppen over het VN-plasticverdrag
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België en de EU bleven tijdens de mislukte VN-onderhandelingen in Genève (INC-5.2) pleiten voor een ambitieus plasticverdrag met focus op productiebeperking en gezondheidsbescherming, maar olieproducerende landen (incl. VS) blokkeerden compromis door conflicten over productielimieten, chemische stoffen en besluitvorming. Geen concrete vervolgstappen werden vastgelegd; de sessie werd geschorst, met onzekerheid over hervatting (mogelijk INC-7), terwijl België via de EU actiever wil lobbyen voor een nieuwe strategie om multilateralisme te herstellen. China en India toonden opening, maar de VS en olielanden hielden vast aan minimale recyclage-maatregelen, zonder aanpak van de bron. België overweegt geen eigen gastrol voor volgende ronde, maar ziet Zwitserland als potentiële organisator.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, u was tussen 5 en 14 augustus, wellicht niet integraal maar wel enkele dagen, aanwezig op de vijfde sessie in Genève rond de onderhandelingen die moeten leiden tot een mondiaal juridisch bindend instrument om plasticvervuiling tegen te gaan, het bekende VN-plasticverdrag.
Blijkbaar is het niet gelukt om tot een overeenkomst te komen. Uiteraard spelen de belangen van de groep van olieproducerende landen, waar ook de Verenigde Staten zich bij hebben aangesloten. Dat is niet onbelangrijk. Nu blijkt dat de verschillen te groot waren om te overbruggen en om in die beperkte tijd een oplossing te vinden. De twee tekstvoorstellen die de voorzitter publiceerde, waren blijkbaar niet in balans en riepen verzet op bij de lidstaten.
België heeft steeds gepleit voor een ambitieus plan. België steunt ook het gemeenschappelijk standpunt van de EU.
Kunt u verslag uitbrengen over uw inbreng en de Belgische positiebepalingen tijdens de onderhandelingen? Hoe ziet het verdere verloop van het onderhandelingsproces eruit?
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, chers collègues, comme vous venez de le dire, les négociations de Genève – qui devaient aboutir à un traité mondial contraignant à propos de la production en plastique – se sont achevées sur un constat d'échec. Nous avons tous été assez déçus.
Cette situation est d'autant plus préoccupante que la production de plastique continue à croître à un rythme incontrôlé, ses effets nocifs sur la santé et les écosystèmes sont pourtant de mieux en mieux documentés.
Pour citer quelques chiffres, 475 millions de tonnes de plastique sont produites chaque année, engendrant un coût annuel sur la santé humaine estimé à 1 500 milliards. Selon le Parlement européen, auquel nous sommes censés accorder tout de même notre confiance, chaque année, en moyenne plus de huit millions de tonnes de plastique seraient déversées dans les océans. On parle de ce fameux septième continent qui mesure six fois la taille de la France. C’est impressionnant de voir tous ces plastiques, tous ces déchets qui se retrouvent dans nos rivières et finissent par atteindre l’océan.
Aujourd'hui, nous sommes tous d'accords qu'il ne faut pas se limiter à la seule gestion des déchets et qu'il faut s'attaquer à la source. Il est vrai que pas mal de mesures sont déjà prises pour diminuer l'utilisation de plastiques dans notre quotidien. Comme vous le dites souvent, nous savons aussi que la prévention est moins coûteuse que le traitement. Cette affirmation est aussi valable pour les déchets que pour la santé.
J'ose à peine citer les chiffres du WWF que je viens de voir. Selon eux, nous ingérons une carte de banque toutes les semaines. Je ne sais pas si tout cela est juste, mais cela représente 5 grammes de microplastiques toutes les semaines. Bref, le plastique est partout, notamment dans notre nourriture, dans l'eau et dans les bouteilles d'eau. Tout le monde est conscient qu'il faut agir et qu'il faut diminuer cette production et ces déchets de plastique.
Monsieur le ministre, comment la Belgique, en coordination avec ses partenaires européens et internationaux, peut-elle contribuer à relancer la dynamique pour maintenir la réduction de la production de plastique vierge et la protection de la santé, et éviter qu'un futur traité ne se limite à des mesures de recyclage?
Peut-on espérer que la Belgique puisse jouer un plus grand rôle dans ces négociations, en accueillant, par exemple, le prochain sommet dédié à ces matières?
Je pense que la société attend de nous qu'on fasse des efforts. J'espère que nous y arriverons et je suis convaincu que vous prendrez ce problème aussi à bras-le-corps, parce que vous êtes un convaincu de la protection de la nature.
Je vous remercie, y compris pour ce qui concerne notre santé.
Voorzitter:
Mme Sarah Schlitz étant absente pour sa question n° 56008179C, je donne la parole à monsieur le ministre.
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, ik heb deelgenomen aan de INC-5.2-conferentie en heb er namens België het woord gevoerd. Samen met ambassadeur Christophe Payot heb ik verschillende bilaterale besprekingen gevoerd, met diverse delegaties. Daarbij kwamen zowel de lopende onderhandelingen als andere milieudossiers aan bod. Het betrof delegaties van onder andere Canada, Peru, Djibouti, Gabon, Micronesië en Zwitserland.
J'ai également eu l'occasion d'échanger des vues avec Mme Inger Andersen, directrice exécutive du programme des Nations unies pour l'environnement. J'ai suivi de près les évolutions, les avancées, mais aussi les déceptions des dernières heures des négociations. J'ai participé aux réunions de coordination européenne avec plusieurs ministres et États membres de l'Union européenne et la commissaire Roswall. J'ai également assisté aux sessions plénières.
Je dois d'ailleurs reconnaître le travail remarquable effectué par les experts de notre administration et une coopération fluide et efficace entre fédéral et entités fédérées.
Voorzitster: Tinne Van der Straeten.
Présidente: Tinne Van der Straeten.
In lijn met het standpunt van de Europese Unie heeft België een pragmatischere benadering aangenomen dan tijdens eerdere sessies, terwijl het een hoog ambitieniveau handhaafde, met name wat betreft de maatregelen met betrekking tot het begin van de levenscyclus van plastics en de financiële mechanismen.
Ondanks de wil om tot een akkoord te komen, hebben verschillende factoren een goed verloop van de sessie belemmerd, waaronder een gebrek aan coördinatie tussen de voorzitter, het bureau en het secretariaat van het INC, en aanhoudende meningsverschillen over het al dan niet vermelden van productie in het verdrag, de aanpak van zorgwekkende chemische stoffen, de negatieve invloed op de menselijke gezondheid en de besluitvormingswijze in toekomstige sessies.
Vous connaissez comme moi les défis que subit le multilatéralisme dans ce contexte géopolitique compliqué, la position des États-Unis ainsi que, dans ce cas-ci, celle de nombreux pays producteurs, ont empêché toute forme de compromis. Ceci dit, nous avons vu avec certains pays, comme la Chine et l'Inde, une ouverture et une volonté de collaboration. Il pourrait être, à mon sens, utile de rebondir sur cette opportunité.
Bij de afsluiting van de vergadering INC-5.2 presenteerde de voorzitter echter geen duidelijke routekaarten voor de volgende stappen. De vergadering werd eenvoudigweg geschorst. In dit kader blijft het mogelijk dat de zittingen in de vorm van een zevende vergadering worden hervat. De volgende stappen in het proces blijven tot heden onzeker, maar ik wens dat België een actievere rol opneemt in de uitwerking van de Europese strategie om uit deze impasse te geraken.
Gelet op de omvang van het probleem van plasticvervuiling en de gevolgen daarvan voor de biodiversiteit, ons ecosysteem en onze gezondheid, is het belangrijk te blijven aantonen dat multilateralisme ons belangrijkste instrument is om mondiale uitdagingen aan te pakken. Ik heb trouwens recent tijdens het Deense voorzitterschap een brief gestuurd naar EU-commissaris Roswall, met de wens om actiever deel te nemen aan de uitwerking van een nieuwe strategie. Op die manier hopen we tijdens het volgende INC tot een succesvol en concreet resultaat te komen.
Bien sûr, nous continuerons à impliquer et à écouter la société civile dans la préparation d'un prochain INC, mais il faut reconnaître que l'échec de l'INC-5.2 ne provenait certainement pas d'un manque d'ambition européenne ou de la position belge. Il nous faut donc à présent nous atteler à une stratégie bien ficelée pour assurer la réussite du suivant et ne pas répéter le même procédé. Nous restons bien évidemment à la disposition de la Commission.
Quant à l'accueil d'une nouvelle session sur le sol belge, aucune proposition n'a été formulée. L'idée est de travailler avec l'ensemble de l'Union européenne et la Suisse, qui a accueilli cette session avec tous les moyens et facilités qu'on lui connaît en termes d'organisation. Si une nouvelle devait se tenir, il n'est pas impossible que la Suisse se porte candidate pour l'accueillir, mais nous n'en sommes pas encore là.
Er is werk aan de winkel.
Voorzitter: Jeroen Soete.
Président: Jeroen Soete.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, dank u voor uw toelichting over de positiebepalingen van België in Genève. U wees zelf op de impasse, de onzekerheid en de noodzaak van een Europese strategie om die impasse te doorbreken. Ik steun u daarin. Ook wij vinden plasticvervuiling een enorme bedreiging wereldwijd.
Marc Lejeune:
Monsieur le président, je me limiterai à répéter les mots de notre ministre. Concernant notre ambition pour le prochain sommet, je ne doute pas que vous agirez, monsieur le ministre. Merci beaucoup.
De oplopende wachttijden in slaapklinieken en mHealth-oplossingen
De diagnose en behandeling van slaapapneu
Diagnose, behandeling en digitale oplossingen voor slaapstoornissen
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De lange wachttijden (6-8 maanden) voor slaaponderzoek in België, vooral door toegenomen vraag (obesitas, vergrijzing) en personeelstekort, moeten dringend verkort worden via thuistesten voor slaapapneu—wat volgens het KCE-rapport kostenefficiënter, patiëntvriendelijker en ontlastend is voor ziekenhuizen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat een hervorming in voorbereiding is (o.a. thuistesten zonder voorafgaand ziekenhuisbezoek, beperkt ziekenhuisopvolgingsduur van 9 maanden), maar concrete timing ontbreekt nog, terwijl geen enkele mHealth-app voor slaapdiagnostiek momenteel erkend is door vertragingen in de nieuwe aanmeldingsprocedure (sinds 2023). Parlementsleden dringen aan op versnelling, wijzend op onderdiagnostiek, budgettaire besparingen (minder ziekenhuisopnames) en patiëntveiligheid, maar vrezen dat betrokkenheid van gespecialiseerde bedrijven zonder strikt zorgpad het therapietrouw-risico vergroot.
Frieda Gijbels:
Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, volgens een bericht dat ik las in Het Belang van Limburg lopen de wachttijden voor een slaaponderzoek in Limburgse ziekenhuizen momenteel op tot meer dan acht maanden. De oorzaken zijn divers: een grotere vraag naar slaaponderzoeken, onder meer door toegenomen obesitas en vergrijzing, personeelstekorten en een grotere bewustwording rond slaapstoornissen, zoals apneu. Dat probleem doet zich niet alleen voor in Limburg. Ook in andere ziekenhuizen blijken de wachttijden op te lopen. Artsen en slaapexperts erkennen het belang van thuisonderzoeken om de druk op de slaapklinieken te verlichten. Toch blijkt dat vandaag nauwelijks mogelijk, omdat een correcte diagnose wettelijk enkel via een polysomnografie in het ziekenhuis mag gebeuren. In andere gevallen is er geen terugbetaling voorzien.
Mobiele toepassingen die thuisdiagnostiek mogelijk maken, bevinden zich momenteel in de erkenningsprocedure via het mHealth-platform. Die procedure loopt al geruime tijd en blijft complex en traag. Het regeerakkoord voorziet gelukkig een versnelling en meer transparantie bij de erkenning van dergelijke mHealth-toepassingen. In de praktijk laat die vooruitgang evenwel nog op zich wachten en blijven patiënten lange tijd verstoken van een noodzakelijke diagnose. Daarom mijn vragen.
Hebt u zicht op de wachttijden voor dergelijke diagnostiek en behandeling in België? Kunt u dat toelichten?
Denkt u dat thuismetingen of mHealth-toepassingen kunnen helpen om een deel van die druk te verlichten, zeker bij vermoedens van slaapapneu?
Er lijken een aantal apps te bestaan die verband houden met slaapdiagnostiek en die opgenomen zijn in de mHealth-piramide. Klopt het dat er nog geen enkele werd erkend?
Hoelang lopen de verschillende procedures van die apps al? In welke fase bevinden ze zich? Is er zicht op een erkenning van een of meerdere van die apps op korte termijn?
In 2023 gaf u aan dat er gewerkt werd aan een nieuwe overeenkomst rond slaapapneu, waarin ook apps zoals AirView zouden worden geïntegreerd. Is die nieuwe overeenkomst er al? Op welke manier werden telemonitoringapps geïntegreerd? Indien de nieuwe overeenkomst nog niet in werking is, op welke termijn wordt die voorzien? En wat is er met betrekking tot telemonitoring gepland?
Carmen Ramlot:
Monsieur le ministre, selon une enquête récente, les patients doivent parfois attendre entre six et huit mois pour bénéficier d'une étude du sommeil dans un centre agréé. Ces délais importants retardent le diagnostic et la mise en place de traitements, notamment pour l'apnée du sommeil, qui représente un problème de santé publique majeur en raison de ses conséquences sur les maladies cardiovasculaires, le diabète ou encore la sécurité routière. L'augmentation du nombre de tests et dès lors du budget qui y sont consacrés est forte ces dernières années et cela mérite notre attention.
Monsieur le ministre, disposez-vous de données concernant les délais moyens d'attente pour une étude du sommeil en Belgique? Par ailleurs, une réforme est en cours. Pourriez-vous nous éclairer quant aux personnes qui participent à cette réflexion? Les prestataires de soins concernés et les associations de patients sont-ils impliqués? Quels sont les objectifs de cette réforme: s'agit-il d'objectifs de qualité de soins ou uniquement d'objectifs budgétaires?
Frank Vandenbroucke:
S'agissant de la première question, l'INAMI n'a pas de vue précise sur le délai d'attente pour la réalisation d'une PSG diagnostic dans chaque hôpital.
Wat de tweede vraag betreft, is de verwachting dat het verrichten van thuistesten om de diagnose te stellen van obstructieveslaapapneusyndroom (OSAS), een vaak voorkomende slaapstoornis, een positieve invloed zou uitoefenen op de wachtlijsten voor slaaponderzoek. Dit zou de ziekenhuizen ontlasten, aangezien bij sommige patiënten een thuistest als slaaponderzoek voor de diagnosestelling kan worden uitgevoerd in plaats van een PSG tijdens een ziekenhuisopname. Dat standpunt wordt ook onderschreven door een KCE-rapport waarin een grote hervorming van de diagnose en behandeling van slaapapneus wordt aanbevolen.
De diagnostische thuistest biedt bovendien andere voordelen. Zo vermeldt het KCE-rapport dat de thuistest een vereenvoudigde test is om slaapapneus vast te stellen. Ze maakt een meer patiëntgerichte aanpak mogelijk, kan worden uitgevoerd in een vertrouwde en comfortabele omgeving en gaat gepaard met een lagere kostprijs dan een PSG in een slaaplaboratorium.
L'INAMI travaille en effet à une réforme de la réglementation actuelle relative au diagnostic et au traitement du syndrome des apnées du sommeil sur la base des recommandations du KCE. Cette réforme vise à lutter contre le sous-diagnostic et la prise en charge insuffisante de ce syndrome, en facilitant l'accès à un diagnostic et à un traitement de qualité, tout en améliorant le rapport coût-efficacité des soins liés à l'apnée du sommeil.
Le projet de réforme actuellement à l'étude comprend les éléments suivants. Pour la majorité des patients, un test à domicile sera effectué en vue de former le diagnostic de syndrome d'apnée obstructive du sommeil (SAOS). Le test diagnostic à domicile pourra être réalisé sans passage préalable par un centre de sommeil. Pour la majorité des patients, le titrage de l'appareil Nasal Continuous Positive Airway Pressure (NCPAP) se fera à domicile sans qu'il soit encore nécessaire de réaliser un examen du sommeil afin de vérifier l'efficacité du traitement. Des entreprises spécialisées pourront effectuer des tests à domicile et se charger de la mise à disposition du matériel nécessaire au traitement par NCPAP. Le centre du sommeil assurera le suivi du patient pendant une période limitée. Dans le projet de réforme actuellement à l'étude, la phase de suivi par un centre du sommeil sera limitée à neuf mois, avec une possibilité de prolongation de trois mois en cas de problème d'observance thérapeutique. À l'issue de cette phase de suivi, le médecin généraliste prendra le relais.
Toutes ces mesures permettront de soulager les hôpitaux tant en ce qui concerne la réalisation de tests du sommeil diagnostiques que le suivi des patients atteints de SAOS. Le temps ainsi libéré permettra aux centres du sommeil de se concentrer sur la réalisation de tests diagnostiques du sommeil à l'hôpital sur le nombre limité de patients pour lesquels un test diagnostique à domicile est impossible, l'établissement du diagnostic en tant que tel, par l'interprétation des résultats des tests du sommeil réalisés à domicile ou à l'hôpital, le choix du traitement le plus adapté à chaque patient et le suivi des patients pendant une période limitée.
Le concept de réforme, tel qu'il est actuellement proposé, permettra donc de diagnostiquer et de traiter davantage de patients et d'apporter ainsi une réponse à la situation actuelle de sous-diagnostic et de prise en charge insuffisante de l'apnée du sommeil. La réforme n'est pas motivée par des considérations économiques.
Comme l'illustre ce qui précède, la réforme vise à diagnostiquer et à traiter le plus grand nombre possible de patients. Cet objectif sera atteint en utilisant de manière optimale les ressources existantes et disponibles au sein de tous les secteurs impliqués dans la prise en charge de l'apnée du sommeil.
Les discussions sur la réforme de la réglementation actuelle en matière de diagnostic et de traitement de l'apnée du sommeil sont toujours en cours. Toutes les parties concernées y participent, notamment les associations de patients, les associations de médecins généralistes, les spécialistes du sommeil, les médecins spécialisés ORL, les spécialistes OAM, les fédérations hospitalières et les entreprises actives dans ce domaine
Mevrouw Gijbels, sinds oktober 2023 geldt een vernieuwde procedure voor het indienen van een aanvraag voor de opname en de terugbetaling van een medische mobiele toepassing binnen een zorgproces. De mHealth-piramide, die onderdeel was van de vorige aanmeldingsprocedure, is niet langer opgenomen in de nieuwe procedure. Het mHealthBelgium-platform hanteert een voor hen aangepaste versie van de piramide. Die aangepaste versie van de validatiepiramide maakt geen deel uit van een door de overheid vastgestelde classificatie van mobiele medische toepassingen. De verwarring rond de mHealth-piramide is waarschijnlijk ontstaan omdat het mHealthBelgium-platform aanvankelijk door de overheid werd ondersteund, maar nu volledig autonoom wordt beheerd door Agoria en beMedTech. Verder worden op het mHealthBelgium-platform alleen applicaties van bedrijven die lid zijn van deze organisaties vermeld. Het RIZIV en andere overheidsinstellingen zijn betrokken bij de samenstelling van de lijst met mHealth-toepassingen die op de mHealthBelgium-website per zorgproces worden vermeld. In zowel de oude als de nieuwe procedure werd geen nieuwe aanvraag ingediend voor een applicatie die kan worden ingezet bij de diagnostiek van slaapapneu.
Op uw vraag over de looptijd van de procedures kan ik nog geen antwoord geven, aangezien er geen aanvraag is ingediend.
Met betrekking tot wat ik in 2023 heb gezegd over een nieuwe overeenkomst rond slaapapneu, kan ik zeggen dat de discussies rond de hervorming van de bestaande regelgeving inzake de diagnose en behandeling van slaapapneu nog lopende zijn. In dit stadium is het dan ook nog te vroeg om zich uit te spreken over het tijdstip waarop deze nieuwe regelgeving in werking zal treden. Wat wel reeds kan worden meegedeeld, is dat telemonitoring en de mogelijkheid van diagnostisch onderzoek bij patiënten thuis twee essentiële aspecten zijn die worden meegenomen in de reflecties rond de hervorming en haar implementatie.
Frieda Gijbels:
Mijnheer de minister, dank u wel voor de antwoorden.
We hebben al eerder besproken dat we geen zicht hebben op de wachttijden. Ik blijf dat vervelend vinden, zeker omdat men dan ook niet kan meten welke impact bepaalde nieuwe maatregelen hebben op de organisatie van ons zorgsysteem.
Het is een goede zaak dat we over het rapport van het Kenniscentrum beschikken. Ik moet het nog eens nalezen. Daarin staat inderdaad dat de thuistesten tal van positieve invloeden hebben. Ze leiden tot kortere wachtlijsten en waarschijnlijk ook tot een correctere registratie, want dat is meestal het geval in een meer vertrouwde omgeving. Bovendien is het goedkoper om thuis te onderzoeken en op te volgen.
Ik kijk uit naar de overeenkomst die in de maak is en hoop dat men daar niet meer te lang mee wacht, want de wachtlijsten die we kennen van de ziekenhuizen spreken boekdelen.
Het is niet duidelijk wanneer een beslissing zal worden genomen en wanneer die overeenkomst zal zijn opgesteld. Als de signalen positief zijn en de lichten op groen staan, dan zou ik niet meer wachten en overgaan tot implementatie.
Carmen Ramlot:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Le sommeil est en effet un trésor de vie et un irremplaçable réservoir de santé, quand il fonctionne. S’il dysfonctionne, cela peut devenir une pathologie potentiellement mortelle, comme c’est le cas de l’apnée du sommeil. La soigner a un coût. Il existe pourtant une piste d’économies incroyables et non négligeables si l’on observe ce qui se fait dans d’autres pays à ce sujet, mais vous le savez aussi bien que moi. À ce stade, la réforme est sur la table. Chaque mois qui passe est un budget qui souffre, c’est donc le moment d’aboutir. Pour rappel, le rapport du KCE date de 2020, ce qui signifie que l’INAMI a été mandatée vers 2018; les discussions de cette nouvelle convention ont lieu depuis 2022 et le trajet de soins est présent. Alors, que manque-t-il pour avancer? En entendant votre réponse, j’ai plaisir à penser que c’est notre question qui pourrait faire avancer les choses. Du moins, je l’espère. Permettez-moi d’ajouter une remarque à votre réponse. Il ne faudrait pas que le fait d’intégrer des entreprises spécialisées dans les tests implique un trajet de soins non suivi à la lettre. Il s’agit en effet souvent de techniciens. Or, il faut que le trajet de soins soit suivi, avec la compliance du patient. Un résultat au test, c’est bien, mais ce n'est qu’une première étape pour gérer le sommeil. Il faut un suivi. J’ai hâte de voir arriver cette réforme, car je suis persuadée qu’elle nous permettra de dégager d’énormes économies et, aussi, principalement, d'améliorer la santé publique.
Het in de handel brengen van het obesitasgeneesmiddel Wegovy
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België kampt met 16% obesitas bij volwassenen (kost: €2,7 miljard/jaar), waarvoor sinds juli 2025 Wegovy (obesitasmedicijn) op voorschrift verkrijgbaar is, maar nog niet vergoed—Novo Nordisk diende wel een verzoeksdossier in bij de CRM, maar procedure is opgeschort op verzoek van de firma. De kindertrajecten voor obesitas (via 24 multidisciplinaire centra) blijven behouden en worden geïntegreerd in een interfederaal stappenplan (*step care*), met focus op gezonde leefomgeving en persoonlijke begeleiding; de uitrol start na overleg met stakeholders. Voor volwassenen lopen enkel voorlopige verkennende gesprekken, zonder concrete plannen. Ozempic (diabetesmedicijn, misbruikt voor afvallen) werd al ingeperkt door Vandenbroucke, terwijl de kosten voor sémaglutide-gebaseerde medicijnen in 2024 explodeerden (+200% sinds 2021).
François De Smet:
Monsieur le ministre, notre pays est marqué par un taux important d'obésité. Selon Healthy Belgium.be, 16 % des adultes belges seraient obèses, et cela représente un coût en termes de soins de santé chiffré à 1 015 euros par an soit pas moins de 1,48 milliard d’euros au niveau national, montant auquel il faudrait ajouter 2 015 euros par an en termes d’incapacité de travail, soit 1,21 milliard d’euros supplémentaires.
Selon l'enquête de santé de Sciensano, 49,3 % des adultes belges sont en surpoids (IMC supérieur à 25) et 15,9 % sont obèses (IMC supérieur à 30).
Depuis le 1 er juillet 2025 , les pharmacies peuvent délivrer, sur prescription , le médicament contre l’obésité Wegovy; ce médicament, dont l’efficacité est avérée, est spécifiquement destiné au traitement contre l’obésité , contrairement à deux autres, l’Ozempic et le Mounjaro, destinés au traitement du diabète de type 2, le premier d’entre eux étant frappé à votre initiative depuis fin 2023 de restrictions de prescription en raison d’une forte demande de celui-ci pour traitement de régimes amaigrissants.
Il me revient que la société pharmaceutique danoise fabricante du Wegovy a déposé une demande de remboursement de ce médicament (qui coûte plus de 100 euros pour sa première dose) auprès de l’INAMI.
À cet égard, les deux autres médicaments précités (à base de sémaglutide, principe actif qui restreint l’appétit) , remboursés dans le cadre d’un traitement contre le diabète ont fait l’objet, selon la presse néerlandophone, de près de 76 millions d’euros en 2024 (trois fois plus qu’en 2021)
En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir si il confirme l’information selon laquelle une demande de remboursement a bien été introduite pour le Wegovy? Dans l’attente, et conformément à l’accord Arizona qui entend développer des programmes pour les enfants atteints d’obésité, si les trajets de soins obésité infantile sont bel et bien maintenus? Si des programmes spécifiques pour les adultes sont envisagés, sans préjudice du remboursement ou non du Wegovy?
Frank Vandenbroucke:
Monsieur De Smet, le 30 mai dernier, Novo Nordisk a introduit à la Commission de remboursement des médicaments (CRM) de l'INAMI une demande de remboursement pour Wegovy. Actuellement, cette procédure de demande est suspendue en clockstop à la demande de la firme après la présentation du rapport jour 60 à la CRM du 8 juillet dernier.
L'accord de gouvernement fédéral prévoit en effet la mise en œuvre intégrale des engagements du plan interfédéral et le protocole d'accord du 8 novembre 2023. C'est dans ce cadre que le programme destiné aux enfants obèses est actuellement élaboré. L'objectif est de mettre en place un modèle de soins step care pour le programme de soins et d'accompagnement. Le kick-off de la collaboration interfédérale sur ce sujet a eu lieu le 26 mai.
L'ambition est, d'une part, de créer un programme interfédéral offrant des soins et un accompagnement aux enfants et aux adolescents souffrant de surpoids et d'obésité et, d'autre part, un plan pour un milieu de vie sain pour les enfants et les jeunes. Les actions prioritaires sont actuellement en cours de recensement en vue de la concertation avec les parties prenantes. Il est prévu que le trajet de soins contre l'obésité actuellement mis en œuvre dans les 24 Centres pédiatriques multidisciplinaires de prise en charge de l'obésité (CPMO) et offrant des soins personnalisés aux enfants et aux jeunes souffrant d'obésité fassent partie du programme interfédéral.
Des discussions exploratoires sont actuellement en cours concernant la prise en charge de l'obésité chez les adultes, mais elles en sont encore à un stade préliminaire.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments d'information.
De controles op de Antwerpse taximarkt
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 16 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een anonieme controleactie in Antwerpen toonde aan dat bijna 50% van de taxi’s overtredingen pleegde, zoals het niet gebruiken van de meter of gsm-gebruik tijdens het rijden—wat minister Crucke onverantwoord noemt voor professionele bestuurders. Hij bevestigt dat taxiwetgeving een gewestelijke bevoegdheid is en verwijst naar Vlaams minister De Ridder, maar benadrukt wel de noodzaak van strengere controles op verkeersonveilig gedrag in alle politiezones. Gelijkaardige acties elders zijn hem niet bekend, maar hij pleit voor samenwerking tussen gewesten en federale overheid om verkeersveiligheid te versterken. Raskin sluit zich aan bij de bezorgdheid over smartphonegebruik in het verkeer en roept op tot gezamenlijke actie in deze legislatuur.
Wouter Raskin:
Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Onlangs voerde de politiezone Antwerpen een grootschalige anonieme controleactie uit op de Antwerpse taximarkt. Daarbij bleek bijna de helft van de gecontroleerde taxi's in overtreding. Zo werd in sommige gevallen de meter niet aangezet of werd de chauffeur betrapt op het vasthouden van de smartphone tijdens het rijden. Bij vijf taxi's waren de overtredingen zelfs zo ernstig dat de politie overging tot onmiddellijke inbeslagname.
Volgens de politie is de gehanteerde methode, waarbij inspecteurs zich voordoen als gewone klanten, bijzonder doeltreffend. Taxichauffeurs worden immers geobserveerd in hun natuurlijke werkomgeving, zonder dat ze zich bewust zijn van een controle.
Mijn vragen aan u:
Bent u op de hoogte van de controleactie in Antwerpen en de door de politie gehanteerde methode?
Heeft u al kennis kunnen nemen van de resultaten van de actie? Welke conclusie verbindt u aan deze resultaten?
Heeft u weet van gelijkaardige acties in andere politiezones? Zo ja, welke? En indien zo, leverden deze acties vergelijkbare resultaten op?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer Raskin, de controleactie kaderde niet in mijn bevoegdheden. De materie rond de taxiregelgeving is een gewestelijke materie. Ik werd niet op de hoogte gebracht van de actie en evenmin van de resultaten.
Ik verneem via de media dat 27 van de 51 gecontroleerde taxi’s werden geverbaliseerd voor verschillende inbreuken. Over de overtredingen van de taxiwetgeving onthoud ik mij van verdere commentaar. Daarvoor verwijs ik u naar mijn Vlaamse collega Annick De Ridder.
Wat mij wel bezorgd maakt, is dat de politie meldt dat het gebruik van het gsm-toestel tijdens het rijden met klanten aan boord een groot probleem vormt. Dat is onaanvaardbaar voor een professionele bestuurder. Hij of zij brengt er zichzelf, zijn klanten en andere weggebruikers mee in gevaar.
Ik kan alleen maar hopen dat de politie dergelijke acties blijft ondernemen en niet alleen toeziet op de taxiwetgeving, maar ook op andere gevaarlijke inbreuken.
Ik heb geen weet van andere politiezones die dergelijke controles uitvoeren. Het lijkt mij zeker interessant dat onze politiediensten hun controles focussen op thema’s zoals taxi’s, maar tegelijkertijd ook oog hebben voor laakbaar gedrag. Een en ander bewijst nogmaals dat zowel gewestelijke als federale prioriteiten de nodige aandacht moeten krijgen en dat verkeersveiligheid niet stopt bij onze eigen bevoegdheidsdomeinen.
Wouter Raskin:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ook de verwijzing naar het andere niveau is duidelijk. Ik ben het 100 % met u eens wanneer u het hebt over het grote gevaar van het gebruik van de smartphone achter het stuur. Ik hoop dan ook dat we op dat vlak samen stappen kunnen zetten tijdens de huidige legislatuur.
De Europese strategie voor de eengemaakte markt
Gesteld door
Gesteld aan
Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België onthaalt de EU-strategie voor de eengemaakte markt positief, vooral omwille van de focus op kmo-ondersteuning, strategische diensten en administratieve vereenvoudiging, maar benadrukt de complexe federale bevoegdheidsverdeling bij implementatie. Concreet loopt België al mee in werkgroepen (bv. duurzaamheidsstandaard voor kmo’s, SME Envoys-netwerk) en ontwikkelt het een automatisch instrument voor ondernemingsgrootte-berekening, terwijl de aanstelling van een sherpa nog in beraad is door structurele en Europese twijfels over de meerwaarde. De minister belooft verder overleg met stakeholders en integratie van sectorvoorstellen in een toekomstig kmo-plan. Knelpunten zitten vooral in de coördinatie tussen beleidsniveaus en de praktische uitvoering van EU-prioriteiten zoals de digitale kmo-ID.
Leentje Grillaert:
Mevrouw de minister, deze vraag gaat over het feit dat de Europese Commissie in mei een nieuwe en ambitieuze strategie voor de eengemaakte markt heeft gepresenteerd. Die strategie heeft tot doel om bestaande handels- en investeringsbelemmeringen in de Europese Unie weg te nemen. De Commissie stelde onder meer maatregelen voor ter vereenvoudiging van regelgeving, de invoering van een digitale kmo-ID, de versterking van grensoverschrijdende dienstverlening en de aanstelling van nationale sherpa’s.
Die strategie beantwoordt een expliciet verzoek van de Europese Raad en van de ministers bevoegd voor Concurrentievermogen en bouwt voort op recente rapporten.
In het licht daarvan stel ik graag de volgende vragen.
Hoe evalueert u als minister de impact en de relevantie van die nieuwe strategie voor België?
Welke voorbereidende of reeds lopende initiatieven neemt België om de voorgestelde maatregelen tijdig en doeltreffend te implementeren?
Zal België ingaan op de oproep van de Commissie om een hooggeplaatste vertegenwoordiger, de zogenaamde sherpa, aan te wijzen? Zo ja, tegen wanneer?
Hoe zal België bijdragen aan de ontwikkeling, promotie en toepassing van de digitale kmo-ID?
Ziet u bijkomende kansen of knelpunten voor België in verband met de zogenaamde verschrikkelijke tien belemmeringen die de Commissie prioritair wil aanpakken?
Eléonore Simonet:
Mevrouw Grillaert, die nieuwe strategie, die ik in principe alleen maar kan toejuichen, moet worden geanalyseerd in het licht van de verschillende entiteiten en bevoegdheden. In het algemeen is de interne markt onze belangrijkste economische troef. We moeten die beschermen, versterken en verder ontwikkelen ten behoeve van iedereen.
België staat dan ook positief tegenover die nieuwe strategie, in het bijzonder tegenover de aandacht voor strategische diensten en diensten die de hele economie ondersteunen, de aankondiging van een 28ste regeling voor ondernemingen en de bereidheid om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van kmo’s en small mid-caps .
De nieuwe single market strategy bevat talrijke elementen. Sommige daarvan worden momenteel besproken. Andere, die reeds bestonden of al waren aangekondigd en besproken, worden nauwlettend opgevolgd met het oog op hun implementatie op het terrein of om ondernemingen zo goed mogelijk te informeren. Dat geldt bijvoorbeeld voor de vrijwillige kmo-standaard voor het beheer van duurzaamheidsaanvragen die kmo’s krijgen van hun waardeketen en financiële partners. Daarvoor nemen we deel aan werkgroepen, waarover we later zullen communiceren. Ook geldt dat voor de werkzaamheden van het netwerk van SME Envoys, waaraan we actief deelnemen in overleg met de verschillende gefedereerde entiteiten of stakeholders. Zo heeft mijn administratie op verzoek van de Europese Commissie bijvoorbeeld een Europese rapportering opgesteld over de overdracht van ondernemingen die de weg vrijmaakt voor reflectie over de herziening van de aanbeveling van 1994 betreffende de overdracht van ondernemingen.
Over de sherpa zijn we nog steeds in beraad, gelet op onze complexe staatsstructuur en de noodzaak om een vertegenwoordiger aan te duiden die een overzicht heeft over alle dossiers. De kwestie wordt overigens ook op Europees niveau besproken, omdat veel lidstaten zich afvragen wat de meerwaarde is van een dergelijke sherpa ten opzichte van de bestaande structuren, zoals de Europese Raad Concurrentievermogen op politiek niveau of de SMET op technisch niveau. Aangezien België een federale staat is waar de bevoegdheden om de regels van de interne markt toe te passen, verdeeld zijn over verschillende beleidsniveaus die onafhankelijk van elkaar opereren, zal de aanstelling van een sherpa op hoog niveau met gezag over alle delen van de regering bovendien complex blijken.
Op uw vierde vraag kan ik antwoorden dat mijn administratie momenteel werkt aan de ontwikkeling van een instrument voor de automatische berekening van de omvang van ondernemingen aan de hand van bestaande databanken. Dat zal een administratieve vereenvoudiging betekenen voor verschillende administratieve processen op alle niveaus. Uiteraard zal daarover ook overleg plaatsvinden met de Europese Commissie.
Tot slot, zoals u weet, heb ik aan de HRZKMO gevraagd om mij de voorstellen tot administratieve vereenvoudiging te bezorgen die door de sectoren werden ingediend. Ik zal trachten om die voorstellen zoveel mogelijk te vertalen in concrete maatregelen, die ik samen met andere initiatieven zal bekendmaken in het kader van mijn toekomstige kmo-plan.
Leentje Grillaert:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Opnieuw, er zullen nog een aantal vervolgvragen komen, maar wij kijken alleszins uit naar uw verdere initiatieven.
De sociale onderhandelingen
Het sociaal overleg over het statuut van de militairen
Het sociaal overleg en onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden
Gesteld door
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de eenzijdige verlenging van militaire loopbanen en het gebrek aan transparantie over de onderhandelingen, waarbij Lacroix kritiseert dat defensiepersoneel onvoldoende wordt verdedigd in pensioenbesprekingen met minister Jambon (Pensioenen). Francken bevestigt bilaterale gesprekken en een nabij sociaal akkoord, maar ontwijkt concrete antwoorden over wie de militaire belangen behartigt en waarschuwt voor gevoelige onderhandelingen. Lacroix vreest dat eventuele afspraken met syndicaten – zoals eerder bij politie mislukte – zonder regeringsteun of budget leeg zullen blijken, vooral rond pensioenleeftijd.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, une nouvelle fois, je vous ai interrogé la semaine dernière quant à l'allongement des carrières des militaires, décidé unilatéralement par ce gouvernement. Force est de constater que votre réponse était particulièrement lacunaire. Vous vous montrez beaucoup plus prolixe lorsqu'il s'agit de parler d'achats militaires ou de pourcentage du PIB, que pour parler de la situation sociale dramatique au sein de la Défense et des inquiétudes légitimes qui en découlent. Je n'ai ainsi obtenu aucune réponse quant à savoir si un représentant de votre cabinet ou de la Défense était autour de la table des négociations menées par votre collègue Jambon.
Nous en apprenons davantage dans une communication interne de la Défense signée par vous-même et le Chef de la Défense (CHOD). Rien ne serait encore décidé. Cependant, le Service fédéral des Pensions œuvrerait à l'élaboration d'un cadre légal conforme à l'accord de gouvernement. L'impact serait différent pour chaque individu. C'est pourquoi la Défense travaillerait en parallèle à l'élaboration d'un accord social visant une révision du statut. Celui-ci permettrait d'introduire des mesures mettant en valeur la spécificité de la profession militaire et garantissant l'opérationnalité de la Défense. L'objectif est que les deux processus avancent en parallèle.
En conclusion de cette communication, vous parlez de votre engagement total: "Ensemble, en tant que ministre de la Défense et Chef de la Défense, nous veillerons à ce que tous les éléments essentiels de ce dossier soient dûment pris en compte dans les débats à venir."
Monsieur le ministre, je vous réitère donc mes questions. Qui participe aux réunions au cabinet du ministre des Pensions sur la pension des militaires? Quelqu'un de votre cabinet ou de la Défense est-il chargé de défendre nos militaires ou sont-ils laissés en plan? Quelles ont été les conclusions de vos rencontres avec les différents vice-premiers? Quels éléments sont-ils sur la table des négociations avec les syndicats militaires que vous aurez cette semaine?
Theo Francken:
Merci beaucoup. Il y a eu beaucoup de négociations bilatérales avec le cabinet des Pensions. J'ai parlé beaucoup avec mon collègue et cher ami Jan sur ce dossier. J'espère avoir presque un accord social. Presque. Encore quelques jours. Mais je ne donne pas de commentaires parce que, comme vous le savez, les discussions et les négociations syndicales sont très sensibles. Alors, je ne vais pas les commenter dans la presse parce que, autrement, c'est la misère totale. Et j'espère éviter ça. C'est déjà difficile avec l'augmentation de l'âge de pension.
Christophe Lacroix:
Je comprends une partie de vos raisons pour dire "je ne vais pas trop parler". Vous auriez pu me dire qu'il y a des membres de mon cabinet qui participent de manière générale aux négociations avec le ministre Jambon. Vous avez dit avoir des discussions bilatérales, mais lors des négociations qui vont avoir lieu ou qui ont lieu avec le ministre des Pensions, est-ce que vous êtes représenté? Qui prend la défense des militaires? Vous n'avez pas répondu à ma question. Vous me dites que vous allez négocier un accord social et qu'un accord social, c'est compliqué à négocier. Il faut être prudent. Il faut être prudent dans vos engagements vis-à-vis des syndicats. Mais pourquoi êtes-vous prudent? Parce qu'un accord social n'est contraignant qu'à partir du moment où l'accord social est approuvé par le gouvernement dans son entièreté.
S'il est approuvé par vous-même, cela ne contraint en rien le gouvernement. Nous avons connu des accords sociaux négociés par Mme Verlinden quand elle était ministre de l'Intérieur. Elle devait améliorer, à travers son accord social, le statut des policiers. Finalement, rien n'en est sorti et les policiers n'ont rien vu venir parce qu'elle s'est engagée sans avoir l'aval de son gouvernement, sans crédits supplémentaires et sans moyens pour permettre de mettre en œuvre concrètement son accord social. Et donc, ma grande crainte, c'est qu'effectivement, finalement, vous n'arriviez pas à faire accepter vos mesures négociées avec les syndicats dans l'accord social, car cet accord social sera bloqué par le gouvernement et je suis convaincu que dans les grands deals qui seront faits, vous n'obtiendrez pas ce que les syndicats demandent et ce que les militaires demandent, notamment en matière d'âge de la retraite.
Voorzitter:
Vraag nr. 56007077C van de heer Aerts wordt omgezet in een schriftelijke vraag.
De 25 % bijkomende douanerechten in de automobielsector
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De VS verhoogt invoerrechten op Europese auto’s van 2,5% naar 27,5%, wat zware klappen betekent voor de Belgische autosector (Volvo Gand, Opel Antwerpen) en kmo’s in de toeleveringsketen. Minister Clarinval bevestigt dat België de EU-strategie steunt: dialoog met de VS zoeken om de maatregel af te wenden, maar de financiële impact is enorm (stijging van 38 naar 471 miljoen euro aan douanekosten). Concrete beschermingsmaatregelen voor werknemers, bedrijven en consumenten ontbreken nog, hoewel de EU "interesses zal verdedigen" en België sectoranalyses uitvoert. Prévot kritiseert het gebrek aan een krachtig tegenantwoord en benadrukt de urgente nood aan proportionele actie.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, à partir de ce 2 avril est entrée en vigueur une mesure qui s'inscrit dans la guerre commerciale déclenchée par l'administration Trump, à savoir les 25 % de droits de douane supplémentaires sur les automobiles. Cela concerne toutes les voitures qui ne sont pas fabriquées aux États-Unis d'Amérique.
Le taux jusqu'ici appliquée était de 2,5 %, ce qui signifie que les voitures importées seront désormais taxées à 27,5 % de leur valeur. C'est un coup dur pour l'économie mondiale, pour l'économie européenne, avec des répercussions en cascade qui ne peuvent pas encore toutes être anticipées.
À l'échelon national, je pense à l'avenir des travailleuses et travailleurs des usines comme Volvo à Gand, Opel à Anvers, et à tous les sous-traitants et PME qui dépendent de leurs activités industrielles et commerciales.
Monsieur le ministre, quelle est votre réaction face à cette nouvelle mesure de l'administration Trump? Comment évaluez-vous cet impact sur notre économie? L'Union européenne (UE) dit regretter cette décision et continuer à chercher des solutions négociées, tout en promettant de sauvegarder ses intérêts économiques et, je cite: "protéger nos travailleurs, nos entreprises et nos consommateurs". Comment le gouvernement compte-t-il mettre en œuvre ces impératifs?
Je vous remercie pour vos réponses.
David Clarinval:
Monsieur Prévost, je vous remercie pour votre question. La Belgique partage l’avis de la Commission concernant l’imposition de droits de douane et le risque d’une guerre commerciale. En effet, cela ne profiterait ni aux États-Unis ni à l’Europe. La Belgique soutient la stratégie de la Commission visant à maintenir le dialogue avec les États-Unis à tous les niveaux, afin, d’une part, de tenter de convaincre l’administration américaine de l’impact négatif des droits de douane, et, d’autre part, de parvenir à un ensemble de mesures et de sujets sur lesquels l’Union et les États-Unis pourraient travailler ensemble de manière constructive.
Sur la base de l’analyse menée par mon administration, les droits additionnels appliqués aux voitures et aux pièces détachées entraînent une augmentation significative des droits de douane supportés par les entreprises importatrices, y compris les entreprises belges implantées aux États-Unis, qui importent leurs propres produits dans le cadre d’échanges intragroupes. D’après les données commerciales de 2024, ces droits devraient passer de 38 millions d’euros à 471 millions d’euros, soit une augmentation de plus de 10 fois le montant initial.
Mon administration mène actuellement des analyses afin d’identifier les intérêts économiques de la Belgique vis-à-vis des États-Unis. Ces analyses permettront de soutenir la prise de décision au niveau belge, une fois que la Commission présentera des propositions concrètes aux États membres.
Patrick Prévot:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je dois vous avouer que j’ai été étonné d’être le seul parlementaire à vous interroger sur une mesure qui a un impact certain. Vous l’avez dit: les droits additionnels entraîneront une augmentation significative pour les entreprises européennes et, singulièrement, pour les entreprises belges. Vous avez rappelé – à juste titre – que la Belgique partageait l’avis de la Commission. Toutefois, la question centrale demeure, et ce sera celle à laquelle vous, ainsi que les États membres, devrez répondre dans les prochaines semaines et les prochains mois: comment protéger nos travailleurs, nos entreprises, mais aussi nos consommateurs? Aujourd’hui, j’entends que, malgré le fait que vous partagez l'avis de la Commission, aucune réponse – ou en tout cas aucune réplique proportionnée – n’a été formulée face à l’attaque des États-Unis. J’en prends donc acte.
De inbreuk die Google heeft gepleegd door de reclamemarkt te monopoliseren
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Belgische minister bevestigt dat de EU al onderzoekt of Google zijn dominante positie in online advertenties misbruikt, met name via het Digital Markets Act (DMA) sinds 2023, dat transparantie afdwingt en sancties mogelijk maakt. België zelf voert geen procedure, omdat de EU exclusief bevoegd is voor grensoverschrijdende zaken zoals Google, maar nationale mededingingsautoriteiten kunnen wel signalen doorspelen. Een eventuele Belgische actie hangt af van eerst EU-beslissingen, aangezien er momenteel geen nationale zaak loopt. De minister benadrukt dat het DMA de hoofdrol speelt in het aanpakken van dergelijke praktijken.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, aux États-Unis d'Amérique, une juge fédérale a conclu que le géant du Web, Google, a enfreint la loi antitrust. Google a abusé de sa position dominante sur le marché de la publicité sur internet en ayant, je cite, "sciemment entrepris une série d'actions anticoncurrentielles" et ce, durant plusieurs années.
Cette pratique est dommageable pour les rivaux de Google bien entendu mais également pour les client(e)s. Pour rappel, en Belgique, les pratiques anticoncurrentielles sont condamnables, conformément aux articles IV.1 et IV.2 du Code de droit économique (CDE).
Monsieur le ministre, s'il est de coutume de ne pas commenter des décisions de justice, il est important que vous apportiez la réponse à cette question: l'entreprise Google peut-elle être accusée de pratiques anticoncurrentielles sur le marché de la publicité en Belgique et plus largement en Europe? Au niveau national, si une telle accusation est fondée, ce qui constituerait donc une faute selon le Code de droit économique, l'État va-t-il se constituer comme partie et attaquer Google pour les dommages causés?
Je vous remercie pour vos réponses.
David Clarinval:
Monsieur le député, les agissements de Google font déjà l'objet d'investigations au sein de l'Union européenne. En 2021, la Commission européenne a ouvert une enquête pour suspicion d'abus de position dominante sur le marché de la publicité en ligne.
Depuis le 2 mai 2023, le règlement sur les marchés numériques (DMA) est entré en vigueur. Ce texte vise à lutter contre les pratiques anticoncurrentielles des grands acteurs du numérique sur l'ensemble du territoire européen, y compris en Belgique. Le DMA entend notamment renforcer la transparence sur les marchés de la publicité en ligne, afin de limiter les pratiques anticoncurrentielles et de permettre aux autorités publiques de mieux y faire face.
La Commission européenne est la seule autorité habilitée à faire appliquer le DMA. Étant donné que les contrôleurs d'accès sont de grandes entreprises internationales opérant à l'échelle du marché intérieur, elle assure donc la surveillance du respect du DMA et peut sanctionner les cas de non-conformité. Les autorités nationales de concurrence ont un rôle de soutien dans l'application du DMA et peuvent recevoir des signalements ainsi qu'assister la Commission.
Concernant votre deuxième question sur l'attitude de l'État belge en cas de pratiques anticoncurrentielles de Google, je n'ai, à ce jour, connaissance d'aucune affaire en cours au niveau national. Par ailleurs, étant donné la nature transfrontalière des activités de Google, seule la Commission européenne est compétente pour appliquer le DMA et, le cas échéant, prendre des mesures à l'encontre de l'entreprise. Ce n'est qu'après une telle intervention qu'on pourra juger de la nécessité d'éventuelles mesures spécifiques à la Belgique.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, j'avais posé deux questions. Vous m'avez apporté deux réponses. Je vous en remercie.
De Amerikaanse invoerheffingen
De Amerikaanse invoerheffingen
De stand van zaken met betrekking tot de Amerikaanse invoerheffingen
De Amerikaanse deadline van 1 augustus voor de douanerechten
De Amerikaanse invoerheffingen en deadlines
Gesteld door
N-VA
Charlotte Verkeyn
N-VA
Charlotte Verkeyn
N-VA
Charlotte Verkeyn
PS
Patrick Prévot
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Belgische minister bevestigt dat de VS-dreiging met 30-50% invoerrechten (vanaf 1 augustus) de transatlantische handel ontwricht, ondanks lopende onderhandelingen, en dat de EU contra-maatregelen (21 mld *en* 72 mld euro aan Amerikaanse producten) klaar heeft—België steunt deze plannen en analyseert de impact. Hij benadrukt dat een genegocieerd akkoord nog steeds mogelijk is, maar ziet diversificatie (via nieuwe handelsdeals met bv. Indonesië, Australië) als noodzakelijke buffer. Trumps escalatie verhoogt kosten voor bedrijven en consumenten, terwijl de EU vasthoudt aan "ferme, evenredige" reacties om de handel te normaliseren. Prévot sluit zich aan bij de hoop op een evenwichtig compromis, mits de VS meewerkt.
Patrick Prévot:
Monsieur le président, je me réfère au texte écrit de ma question.
Monsieur le ministre, à l'heure d'écrire ces lignes, le Président américain Donald Trump fait trembler l'économie européenne en annonçant la mise en vigueur des droits de douane d'une hauteur de 30% à partir du 1er août.
L'horloge tourne et il est impossible de savoir si cette surenchère du résident de la Maison Blanche est un coup de bluff ou non.
Ursula Von der Leyen, la Présidente de la Commission européenne a rapidement réagi. Si ces droits de douane venaient à être effectifs, je cite, "cela perturberait les chaînes d'approvisionnement transatlantiques essentielles, au détriment des entreprises, des consommateurs et des patients des deux côtés de l'Atlantique" (fin de citation).
Entre poursuites des négociations et préparation de contre-mesures crédibles, ce à quoi appelle le président français Emmanuel Macron, l'Union européenne (UE) se doit d'agir pour les intérêts de tous les États membres et protégeant autant que possible notre économie, nos entreprises, nos concitoyen(ne)s.
Monsieur le ministre, pourrions-nous avoir votre retour sur cette menace brandie par le président Donald Trump?
Où en sont les négociations entre l'administration Trump et la Commission européenne? À l'heure actuelle, que devrait-il se passer le 1er août quant au commerce transatlantique?
Au début de l'année, l'UE avait préparé des droits de rétorsion sur des produits américains d'une valeur approximative de 21 milliards d'euros : ces droits de rétorsion sont-ils toujours sur la table?
Au niveau national, comment le gouvernement se prépare-t-il à tous les scénarios, ce compris le pire pour notre économie avec des droits de douane pouvant monter jusqu'à 50% comme l'avait déjà menacé le président américain?
David Clarinval:
Monsieur le président, les trois questions de Charlotte Verkeyn sont-elles jointes ou sont-elles reportées?
Voorzitter:
Elles sont jointes.
David Clarinval:
Je répondrai tout en français, malgré tout.
Monsieur Prévot, madame Verkeyn, je regrette cette nouvelle escalade. Alors même que les négociations sont toujours en cours, l'annonce du président Trump ajoute une incertitude supplémentaire à l'économie mondiale et entraîne une hausse des coûts pour les consommateurs et les entreprises des deux côtés de l'Atlantique. Cette annonce d'augmentation des droits de douane sape également les efforts actuellement déployés pour parvenir à une solution négociée.
La Belgique participe à des consultations approfondies avec la Commission européenne afin d'être prête à prendre des mesures de rétorsion à travers deux paquets de mesures. Le premier paquet, monsieur Prévot, concerne 21 milliards d'euros d'importation américaine. Il est question de maïs, de jeans, de camions, de cartes à jouets, de cuivre, d'acier, d'aluminium, de textiles et de motos, notamment.
C'est une réponse aux tarifs douaniers de 50 % sur l'acier et l'aluminium. Je confirme donc que ce paquet est toujours bien d'actualité. Le second paquet vise à corriger les déséquilibres tarifaires, notamment les 25 % apportés aux véhicules. Ce deuxième paquet concerne 72 milliards d'euros de produits divers. Mon administration analyse la liste transmise aux États membres actuellement, afin que la Belgique puisse défendre au mieux les intérêts économiques.
Nous soutenons la mise en place de mesures fermes, proportionnées et rapides, visant à désamorcer la situation à moyen et long terme et à revenir rapidement à une normalisation des relations commerciales avec les États-Unis.
Je salue la détermination de l'Union européenne à faire aboutir les négociations. Nous restons convaincus qu'un accord équilibré dans l'intérêt des consommateurs et des entreprises est possible et nous soutenons pleinement les efforts de la Commission qui vont dans ce sens.
Outre les négociations en cours avec les États-Unis, l'Union européenne cherche à diversifier ses débouchés à l'exportation. Dans cette optique, la Commission européenne explore activement de nouveaux partenariats extérieurs, notamment à travers des accords commerciaux en cours de négociations ou récemment conclus avec des pays comme l'Indonésie, la Nouvelle-Zélande, le Chili, le Mexique, l'Australie, l'Inde et d'autres encore. Ces accords visent à compenser partiellement la baisse potentielle des exportations vers les États-Unis.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Effectivement, personne n'y gagne, quel que soit le côté de l'Atlantique.
J'ai retenu de votre réponse que votre administration est en train d'analyser la situation. Vous soutenez plus que jamais un accord équilibré, et vous continuez à penser qu'il est possible de le trouver. Vous continuez aussi à soutenir les efforts de la Commission, qui multiplie également les initiatives en ce sens. À titre personnel, je suis aussi persuadé qu'il y a moyen de trouver un accord équilibré, qui serait bénéfique pour les différentes parties. Il faudrait évidemment que l'administration Trump soit du même avis et souhaite négocier.
Voorzitter:
La question n° 56005305 de M. Steven Coenegrachts a été transformée en question écrite.
De handelsoorlog met de VS van president Trump
De impact van de Big Beautiful Bill en de ommezwaai in het Amerikaanse beleid op Europa en België
De invoerrechten die de Verenigde Staten per 1 augustus 2025 willen opleggen
Amerikaanse handelsbeleid en invoerrechten, impact op Europa en België
Gesteld door
PTB-PVDA
Nabil Boukili
N-VA
Katrijn van Riet
Les Engagés
Benoît Lutgen
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de agressieve Amerikaanse handelspolitiek onder Trump (50% douanetarieven op Brazilië, 30% op Europa vanaf 1 augustus) en Europese onderdanigheid, met kritiek op blind volgen van VS-belangen (NAVO-uitgaven, Israël-steun) ten koste van eigen soevereiniteit en klimaatdoelen. Maxime Prévot (minister) benadrukt onderhandelen via de EU, weerstand tegen protectionisme, diversificatie naar BRICS/Zuidoost-Azië en versterking van de multilaterale WTO-orde, maar erkent dat de VS onvoorspelbaar blijft. Boukili beaamt de nood aan alternatieve partners (BRICS), maar wijst op concrete onderwerping (bv. defensie-uitgaven voor Trump), terwijl Van Riet vreest voor economische schade (farma, groene energie) en pleit voor strategische autonomie zonder breuk met de VS.
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, le président Trump a annoncé ce mercredi l'instauration d'un tarif douanier de 50 % à l'encontre du Brésil, qu'il accuse de persécuter l'ancien président Jair Bolsonaro, actuellement jugé pour sa tentative de coup d'État contre Lula.
L'objectif est de frapper les pays du BRICS, perçus comme une alternative à l'hégémonie américaine. Ceci montre une fois encore le caractère coercitif des tarifs douaniers et de la politique des États-Unis. L'Europe sera clairement la prochaine cible. D'ailleurs, comme cela a été annoncé il y a quelques jours, elle sera elle aussi touchée par de nouveaux droits de douane à compter du 1 er août.
Dans ce contexte, on observe une Union européenne – et une Belgique – totalement soumise aux intérêts américains. Nous nous sommes alignés en prenant le parti d'Israël, en jetant à la poubelle le respect du droit international, en justifiant même les attaques israéliennes illégales contre l'Iran au moyen d'arguments identiques. Les États-Unis exigent que nous augmentions nos dépenses de défense, et nous le faisons sans broncher au détriment de notre propre sécurité sociale.
Monsieur le ministre, que compte faire l'Europe? Et que compte faire la Belgique? Allons-nous continuer à nous soumettre aux États-Unis, à leur logique de zones d'influence et de coercition? Comment peut-on encore les considérer comme des alliés, quand on voit leur politique de sanctions économiques contre les pays européens? Quelle sera la position de la Belgique – et de l'Union européenne – face à ces nouvelles menaces formulées par M. Trump?
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, de Amerikaanse regering beloofde een ommezwaai in zowel het binnenlandse als het buitenlandse beleid. President Trump gelooft in het opleggen van invoerheffingen en voegde de daad bij het woord. Hij voert een belastingverhoging door voor buitenlandse bedrijven in hernieuwbare energie. De heffing van importtarieven lijkt een ware rollercoaster te worden, van hoog naar laag, van laag naar hoog. De huidige stand van zaken is 30 % vanaf 1 augustus 2025, maar het is niet uitgesloten dat dat nogmaals verandert.
Daarnaast is de zogenaamde One Big Beautiful Bill goedgekeurd, die een ingrijpende verschuiving in het Amerikaanse binnenlandse beleid inhoudt met grote geopolitieke gevolgen. Die heroriëntering van middelen kan de VS minder voorspelbaar maken als partner in multilaterale samenwerking zoals klimaatfinanciering, ontwikkelingssamenwerking en NAVO-afspraken. Vanmorgen tijdens ons overleg vernamen we nog dat 4 miljard dollar minder voor het klimaat wordt vrijgemaakt. Bovendien zal het protectionistische karakter van de energiemarktregels, vooral gericht tegen China, ook Europese bedrijven treffen via supply-chainbeperkingen.
Hoe evalueert u de mogelijke impact van de fiscale en sociale herschikking in de VS op de Europese samenwerking inzake klimaatfinanciering en duurzame ontwikkeling?
Welke impact zullen deze nieuwe tarieven hebben op de Europese en Belgische economie?
Welke tegenmaatregelen worden op Europees niveau overwogen, of wachten we nog af? Dat laatste vernamen we immers begin deze week via de pers.
Bekijkt u alternatieve markten om de Amerikaanse instabiliteit op te vangen?
Ziet u in de nieuwe protectionistische energievoorwaarden risico's voor Belgische of Europese bedrijven die actief zijn in hernieuwbare energieprojecten met wereldwijde toeleveringsketens?
Via welke diplomatieke strategie wilt u een gecoördineerd klimaatbeleid voeren met de Verenigde Staten?
Maxime Prévot:
Mevrouw de voorzitster, collega’s, mevrouw Van Riet, zoals u ongetwijfeld weet, beoogt de One Big Beautiful Bill de Verenigde Staten te positioneren als kerngebied voor productie, onderzoek en innovatie, terwijl ze tegelijkertijd de afhankelijkheid van buitenlandse leveranciers wil verminderen. De wet betreft een geheel van fiscale, budgettaire en economische maatregelen die tot doel hebben investeringen op Amerikaans grondgebied te stimuleren en de nationale economische prioriteiten te heroriënteren.
Een aantal van die maatregelen heeft indirecte, maar significante gevolgen voor buitenlandse bedrijven die in de Verenigde Staten actief zijn of er zaken doen. Op het vlak van klimaatbeleid bijvoorbeeld is een duidelijke terugschakeling van de Amerikaanse klimaatambities merkbaar, zoals blijkt uit de terugtrekking uit het klimaatakkoord en de hernieuwde focus op fossiele energie. Tal van federale maatregelen ter bevordering van hernieuwbare energie, schone voertuigen en industriële decarbonisatie zijn voortijdig afgeschaft of opgeschort, terwijl de fossiele industrie net wordt aangemoedigd.
Dat verzwakt onvermijdelijk de aantrekkingskracht van de Amerikaanse markt voor Belgische bedrijven die actief zijn in groene technologie. Het zou ook gezamenlijke projecten met Amerikaanse partners kunnen afremmen of de terugverdientijd van dergelijke investeringen verlengen. De situatie zet een gecoördineerde aanpak inzake klimaat onder druk en bevestigt eens te meer het belang van een voortrekkersrol voor de Europese Unie als betrouwbare partner, niet alleen inzake klimaatactie, maar bij uitbreiding ook op andere domeinen van multilaterale samenwerking.
De drastische besparingen op de budgetten van publieke onderzoeksinstellingen dreigen op termijn de wetenschappelijke fundamenten van de Verenigde Staten aan te tasten en hun concurrentievoordeel in opkomende sectoren te ondergraven. Voor Europa biedt een en ander daarentegen een kans om toptalent aan te trekken en de eigen innovatiecapaciteit te versterken.
Daarbij dient opgemerkt te worden dat bepaalde Amerikaanse staten vasthouden aan meer ambitieuze klimaatmaatregelen. Het is essentieel om de samenwerking met hen voort te zetten binnen een constructieve en toekomstgerichte context.
MM. Boukili et Lutgen – ce dernier pourra lire les réponses –, vous aurez certainement vu ma réaction à la suite de l'imposition des droits de douane de 30 % annoncée ce samedi par le Président Trump.
Cette nouvelle agression commerciale est injustifiée et d'autant plus incompréhensible que les négociations se poursuivent intensivement en vue d'atteindre un accord avant le 1 e août prochain. Elle est source, une fois de plus, d'incertitudes, ce qui n'est bon pour aucun investisseur, aucun entrepreneur, aucun consommateur, d'un côté comme de l'autre de l'Atlantique. Cette guerre commerciale n'aura aucune conséquence positive. Elle doit donc cesser!
La Commission européenne qui négocie au nom des États membres conserve toute notre confiance pour poursuivre son travail en vue d'atteindre un accord préalable, qui est la seule voie raisonnable. Il faut garder la tête froide et poursuivre le travail. Nous connaissons les méthodes parfois brutales de l'administration Trump et les revirements de position du président. À ce stade, il est essentiel qu'on préserve l'unité entre les États membres et qu'on soutienne la stratégie coordonnée de la Commission vers un accord.
Parallèlement à ces négociations, il va de soi que la Commission se prépare à tous les scénarios, y compris celui d'un échec, et travaille à l'identification de contre-mesures. Elle est également en contact avec une série de partenaires "like-minded" qui, comme nous, sont des cibles de la politique américaine actuelle. Qu'un deal soit ou pas conclu le 1 er août, je suis convaincu que l'incertitude va perdurer et nécessite de diversifier nos partenaires économiques et de poursuivre l'approfondissement du marché intérieur.
Monsieur Boukili, nous ne devons certainement pas tomber dans l'unilatéralisme ou le protectionnisme en réponse à celui des États-Unis. Au contraire, nous devons continuer à nous présenter comme le défenseur d'un système commercial multilatéral fondé sur des règles avec l'Organisation mondiale du commerce (OMC) comme fondement.
Le rôle de l'OMC est aujourd'hui plus crucial que jamais. Tous nos partenaires attendent de l'Union européenne qu'elle prenne l'initiative de réformer l'institution en modernisant ses règles et en assurant leur mise en œuvre de façon équitable.
Nous appuyons la Commission dans cette démarche ambitieuse qui nécessitera du réalisme sans pour autant brider notre ambition de coopérer avec les pays du Sud global. Les pays du groupe BRICS manifestent en effet un intérêt accru pour des relations bilatérales renforcées avec l'Union européenne. C'est un des avantages que je découvre avec le contexte que nous connaissons: les parties du monde qui parfois regardaient plus vers les États-Unis que vers l'Europe sont en train de changer leur mindset . Les discussions en cours avec l'Indonésie, les Philippines, ou dans le cadre des accords sur la facilitation des investissements durables, illustrent cette dynamique.
La ligne est claire: une réponse ferme, ciblée, mais équilibrée, aux pratiques américaines, alliée à une diversification active de nos partenariats commerciaux, tout en poursuivant un agenda de dialogue constructif avec Washington, notamment pour préserver, et même approfondir, nos partenariats dans des domaines-clefs tels que l'innovation, la recherche, la logistique et la sécurité. Certes, nous devons agir sans naïveté, mais toujours avec conviction, car les É tats-Unis sont et devront rester un partenaire. En agissant ainsi, nous affirmons notre souveraineté économique et notre attachement à une prospérité partagée dans un monde fondé sur la coopération et la stabilité.
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, je partage votre réponse. Je pense que c'est une première! ( Rires )
Sur la question du multilatéralisme, je suis entièrement d'accord avec vous, car nous ne devons pas tomber dans le protectionnisme et l'unilatéralisme, contrairement aux États-Unis aujourd'hui. Comme vous l'avez dit, l'avantage est que d'autres partenaires se tournent vers l'Union européenne. Cela dit, elle doit aussi se tourner vers eux dans un cadre multilatéral pour des intérêts partagés.
Toutefois, dans les faits, là où le bât blesse, c'est que la politique européenne et la nôtre également ne sont pas encore complètement détachées de la politique américaine. Nous continuons encore de dire amen aux injonctions de M. Trump. Au dernier sommet de l'OTAN, nous avons vu comment tout avait été agencé pour le faire revenir à de meilleures dispositions, car il ne fallait pas le froisser. Puis, on finit par voter des milliards et des milliards supplémentaires dans la Défense, sous l'égide de l'OTAN, pour faire plaisir à M. Trump et acheter des armes américaines. Donc, dans les faits, nous continuons de nous soumettre aux injonctions des États-Unis.
En revanche, et je vous rejoins entièrement à ce sujet, notre démarche doit consister à nous tourner vers le reste du monde en diversifiant nos partenariats. Il existe d'autres puissances et économies avec lesquelles nous pourrons travailler au nom d'intérêts communs, intérêts qui sont favorables à l'ensemble de la population mondiale, et non seulement à ceux des États-Unis.
Katrijn van Riet:
Ik ben het niet helemaal eens met de conclusies van de heer Boukili, maar ik begrijp, mijnheer de minister, dat we meer op onszelf moeten rekenen, dat we deze kans moeten gebruiken om onszelf te versterken en dat we handel moeten drijven waar het kan. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de farmaciesector en veel andere sectoren die veel exporteren naar Amerika. Daarover maak ik mij wel zorgen. Wij moeten diversifiëren en inzetten op andere economische partners. Daarover ben ik het met u eens. Dank u voor uw antwoord. We zijn nog niet klaar met het Amerikaanse beleid, denk ik. Dat zal een constante blijven, vrees ik.
De klimaat- en milieu-impact van behandelingen in de zorgsector
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België engageerde zich om tegen 2050 een klimaatneutrale gezondheidszorg te realiseren, met concrete stappen zoals het recent gepubliceerde *Operation Zero*-rapport (februari 2024) dat emissiebronnen in kaart brengt en maatregelen voorstelt—waarvoor in september 2024 een interministerieel akkoord moet komen over prioriteiten, financiering (o.a. via EU-emissiehandel) en acties zoals elektrificatie van ambulances en vergroening van operatiekwartieren (afvalreductie tot 50%). Een pilootproject (2026, budget €600.000) richt zich op single-use plastics in ziekenhuizen, terwijl de EU-richtlijn voor medicatierestanten in water (omzetting tegen 2027) via vervuiler-betaalt-principe wordt gefinancierd, met een lopende werkgroep voor gecoördineerde uitvoering. Vandenbroucke benadrukt samenwerking tussen beleidsniveaus (federale routekaart voor duurzame aanbestedingen, *Critical Medicines Act* met milieucriteria) en kostenbesparende maatregelen zoals afvalsorting, maar De Sutter hamert op voldoende budgettaire garanties binnen het NEHAP ondanks besparingen.
Petra De Sutter:
Mijnheer de minister, voor de Nederlandse regering viel, startte zij in mei een proefproject op waarin men met het oog op terugbetaling van zorg ook de inzet van schaarse personeelsmiddelen en de milieu-impact meeweegt. De zorgsector daar is hard bezig met duurzaamheid. Zo werden er specifieke rekenmethoden uitgewerkt om bijvoorbeeld de personeelsinzet en de milieu-impact van bepaalde behandelingen inzichtelijk te maken.
Dat gaat verder dan wat wij op het moment in ons land doen. In uw beleidsnota schrijft u dat u vooral wilt onderzoeken hoe dat kan gebeuren aan de hand van welke indicatoren van het KCE voor het meten van milieuduurzaamheid en welke prioriteiten we moeten stellen, bijvoorbeeld in verband met de uitstoot van broeikasgassen. Natuurlijk ben ik tevreden over die passage, maar moeten we niet wat meer ambitie en daadkracht aan de dag leggen? Kunnen we bijvoorbeeld de Nederlandse aanpak enigszins navolgen?
Zult u daaraan prioriteit geven en een beleid ter zake met spoed uitwerken? Wanneer kunnen we dat verwachten, bijvoorbeeld via een pilootproject?
Zult u ook specifiek iets doen rond medicatierestanten in ons oppervlakte- en grondwater? Dat is een probleem, onder andere vanwege hormoonverstorende effecten. In uw beleidsdocumenten staat daar momenteel niets over.
U stelt ook dat u de Belgische concurrentiepositie op het vlak van geneesmiddelen wilt versterken. Dat is goed – we zijn sterk in de farmasector –, maar vormt dat ook een opportuniteit om duurzaamheidsmaatregelen in die acties te integreren?
Tot slot, bij de investeringen – dit raakt aan de begroting – merken we dat er steeds minder budgetten worden vrijgemaakt voor duurzame roerende goederen en diensten. Ook in de gezondheidszorg kan vergroening gerealiseerd worden via onder andere investeringen en aanbestedingen. Wat zijn uw ideeën daarover?
Frank Vandenbroucke:
Mevrouw De Sutter, op de Klimaatconferentie in Glasgow van 2021 is België de verbintenis aangegaan om te streven naar een nuluitstoot van ons gezondheidszorgsysteem tegen 2050.
Na die verbintenis werd in het kader van het Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP) een werkgroep opgericht. In samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten hebben we een gespecialiseerd onderzoeksbureau ingeschakeld om te berekenen wat de uitstoot is van onze gezondheidszorg en waar de grootste emissiebronnen in ons zorgsysteem zitten. Het rapport Operation Zero werd eind februari gepubliceerd. Het werd 100 % gefinancierd door de FOD Volksgezondheid en bevatte ook suggesties voor mogelijke maatregelen.
Op basis van dat rapport bereiden de verschillende Belgische administraties van Volksgezondheid en Leefmilieu momenteel een nota met voorstellen van maatregelen voor, die in september zal worden voorgelegd aan hun ministers in de gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu en Gezondheid. Zo wordt de haalbaarheid van de elektrificatie van ambulances in België in kaart gebracht. Er zal dan bekeken worden welke middelen beschikbaar zijn voor welke acties en waar eventueel inkomsten uit de Europese emissiehandel kunnen worden gemobiliseerd.
De vergroening van de gezondheidszorg bevindt zich op het kruispunt van vele bevoegdheden en expertises. Het NEHAP biedt daarbij potentieel om een efficiënter middelengebruik over de administraties en beleidsdomeinen heen te realiseren. Intussen heeft de FOD Volksgezondheid met uitvoering van de federale klimaatwet een routekaart ingediend voor onder meer het vergroenen van het aankoopbeleid van de ziekenhuizen.
Een eerste stap is het maken van een analyse van het Belgisch aankoopbeleid. Inspanningen rond het aankoopbeleid moeten duurzaamheid introduceren, met aandacht voor de financiële situatie van de ziekenhuizen en de beschikbare alternatieven op de markt. We zullen ook actie ondernemen voor de vergroening van de operatiekwartieren in ziekenhuizen. De hoeveelheid afval bij een standaard chirurgische ingreep komt overeen met de hoeveelheid afval die door een gezin van vier leden gedurende één week wordt geproduceerd.
We zullen inzetten op de sensibilisering van het personeel en een beter geneesmiddelen- en materiaalmanagement, net als op een efficiënter energiegebruik. Het beter sorteren van afval kan de hoeveelheid afval in het operatiekwartier op jaarbasis met 50 % verminderen. Daarnaast zal een betere triage leiden tot een kostenbesparing, omdat de hoeveelheid afval die als gevaarlijk medisch afval wordt beschouwd, ook aanzienlijk kan verminderen.
In 2024 startte de FOD Volksgezondheid een pilootproject rond de vermindering van de plasticafvalberg in ziekenhuizen. Voor het project, met een federaal budget van 600.000 euro, wordt in het najaar een projectoproep gelanceerd gericht aan ziekenhuizen die concreet actie willen ondernemen om hun gebruik van single-use plastics te verminderen.
Het proefproject zou in 2026 in de ziekenhuizen van start gaan.
Wat specifieke acties met betrekking tot restanten van medicatie in oppervlakte- en grondwater betreft, de gewesten zijn bevoegd voor de omzetting tegen 31 juli 2027 van de nieuwe Europese richtlijn inzake stedelijk afvalwater in interne wetgeving. Nieuw daarin is de verplichting om micropolluenten uit huishoudelijk afvalwater te verwijderen, met name in farmaceutica en persoonlijke verzorgingsproducten. Dat gebeurt via zuivering met behulp van specifieke behandelingstechnieken. Om die extra zuivering te financieren, legt de Europese richtlijn een uitgebreide verantwoordelijkheid op aan de producenten, in overeenstemming met het principe van de vervuiler betaalt.
Tijdens de interministeriële conferentie Leefmilieu van 30 januari hebben we beslist om een werkgroep op te richten voor de gecoördineerde omzetting van de artikelen 9 en 10 van de richtlijn stedelijk afvalwater. Dat traject loopt.
Ik heb aan de kar getrokken voor een critical medicines act . Op mijn voorstel zijn in het voorstel van de Commissie nu ook bepalingen opgenomen die de aanbesteders opleggen om in hun openbare aanbestedingen rekening te houden met MEAT-criteria (monitoring, evaluation, assessment, treatment) , waarin onder meer milieucriteria geïntegreerd zijn. Op die manier helpen we de Europese producenten vooruit door milieuvriendelijke productie te belonen, aangezien ze vandaag al veel milieuvriendelijker produceren dan het geval is in China, India of zelfs de Verenigde Staten.
Ten slotte, minister Crucke stuurt binnenkort een uitnodiging naar onze collega-ministers van de gewesten en gemeenschappen voor de gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu-Gezondheid. Nu we dankzij het rapport Operation Zero een beter zicht hebben op de koolstofvoetafdruk van de zorg in België, is het de bedoeling om op die conferentie mogelijke acties en de daaraan verbonden kosten voor de vermindering van de broeikasuitstoot af te spreken, waarbij rekening wordt gehouden met de bevoegdheidsverdeling en met de initiatieven die de gewesten al hebben genomen. Voor projecten die een gemeenschappelijke aanpak vereisen, overleggen de ambtenaren van de verschillende beleidsniveaus nu al regelmatig.
Petra De Sutter:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw uitvoerig antwoord, dat aangeeft dat er veel acties lopen en veel maatregelen in de pijplijn zitten. Ik ben tevreden met die aandacht. Het is in ieder geval belangrijk dat er in het NEHAP, ondanks de besparingen, daar voldoende budgetten aan worden toebedeeld, opdat er op dat vlak inderdaad resultaten worden geboekt. We zullen het dossier uiteraard opvolgen.
Een nationaal RSV-register en de monitoring van immunisaties
De behandeling van RSV-luchtweginfecties
Monitoring en behandeling van RSV-infecties
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vandenbroucke bevestigt dat twee VRS-preventiemiddelen (vaccin *Abrysvo* voor zwangere vrouwen en antilichaam *Beyfortus* voor pasgeborenen) al zijn goedgekeurd en vergoed, met strikte prijsonderhandelingen en herzieningen (2026 voor *Beyfortus*). Hij benadrukt brede toegang via remboursement (gebaseerd op CSS-aanbevelingen) en gerichte communicatie om vaccinatiegraad te verhogen, maar duidt geen concrete prijsheronderhandelingen of versnelde uitrolplannen verder aan. KCE’s kostenefficiëntie-advies blijft onvermeld in actiepunten.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, deux nouveaux produits sont désormais disponibles en Belgique pour prévenir les infections respiratoires à virus respiratoire syncytial (VRS) chez les enfants de moins d'un an: un vaccin administré à la femme enceinte durant la grossesse et un anticorps monoclonal injecté directement au nourrisson. Leur efficacité et leur sécurité ont été validées scientifiquement. Mais c'est surtout leur impact en santé publique et leur viabilité économique qui ont récemment été analysés par le Centre Fédéral d’Expertise des Soins de Santé (KCE).
Le rapport du KCE est très clair: ces stratégies préventives peuvent avoir un impact clinique substantiel, en particulier l'anticorps injectable. Le rapport souligne également que, moyennant une renégociation des prix à la baisse avec les fabricants, certaines stratégies pourraient s'avérer économiquement viables, voire génératrices d'économies pour notre système de soins.
Quelles suites entendez-vous donner aux recommandations du KCE? Des discussions sont-elles déjà en cours avec les firmes concernées pour une renégociation des prix? Quelles mesures comptez-vous prendre pour assurer une mise à disposition rapide et équitable de ces produits aux groupes cibles concernés?
Frank Vandenbroucke:
Le KCE a, en effet, publié cette semaine les résultats de sa recherche sur les options de prévention des infections à VRS chez les nourrissons. Il n'appartient, toutefois, pas au KCE de déterminer les suites que je dois réserver, en tant que ministre, à ce rapport.
Concernant des discussions avec les firmes pour une renégociation des prix, Abrysvo est remboursé dans le cadre d'une inscription régulière à la liste des spécialités remboursables pour la protection passive contre la maladie des voies respiratoires inférieures causée par le VRS chez les nourrissons de la naissance jusqu'à l'âge de six mois, à la suite de l'immunisation de la mère pendant la grossesse et lorsque l'accouchement est prévu pendant la saison VRS, soit du mois de septembre au mois de mars inclus. L'intervalle de préférence pour la vaccination maternelle se situe entre 28 et 36 semaines de grossesse.
Beyfortus est également remboursé pour les nouveau-nés à terme et les prématurés pour la prévention des infections respiratoires basses graves dues au virus respiratoire syncytial (VRS) au cours de la première saison VRS.
Pour les prématurés, il s’agit d’une inscription régulière de Beyfortus dans la liste des spécialités remboursables. Une révision individuelle de Beyfortus est prévue après 36 mois, pour évaluer si le budget n’a pas été dépassé et pour déterminer si le prix doit encore être réduit. Pour les nouveau-nés à terme, le remboursement de Beyfortus est temporaire dans le cadre d’une convention. Nous ne pouvons pas communiquer les détails ni les prix nets du médicament, mais je peux vous assurer que les négociations ont été rigoureuses. La convention sera réévaluée au printemps 2026. Cela signifie que les données scientifiques ainsi que les aspects économiques seront à nouveau examinés.
S’agissant des mesures envisagées, l’objectif de la politique pharmaceutique est de garantir de manière durable l’accès le plus large possible à tous les médicaments, en s’appuyant sur des critères de remboursement soigneusement élaborés. Cela s’applique également au vaccin, dont la responsabilité est partagée entre les entités fédérées et le niveau fédéral. Actuellement, deux options de traitement contre le VRS chez les nourrissons sont disponibles et remboursés: Beyfortus (nirsevimab) et Abrysvo (glycoprotéine F). Le remboursement d’Abrysvo et de Beyfortus est conforme aux recommandations du Conseil Supérieur de la Santé. En plus de critères de remboursement aussi larges que possibles, nous misons pleinement sur une communication ciblée entre les médecins et les patients afin d’informer le grand public et de le sensibiliser aux possibilités de vaccination. Ainsi, nous visons à atteindre un maximum de personnes et à atteindre un taux de couverture vaccinale aussi élevé que possible.
Ludivine Dedonder:
Merci pour vos réponses.
De doelstelling voor 2040 en de gebruikmaking van de koolstofmarkten
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De EU streeft naar 90% CO₂-reductie in 2040 (t.o.v. 1990), met beperkte flexibiliteit via internationale koolstofcredits (max. 3% vanaf 2036) en binnenlandse CO₂-opslag, maar kritiek blijft op risico’s van credits (slechte kwaliteit, mensenrechtenschendingen) en onvolwassen opslagtechnologie. België steunt het doel voorlopig, mits strenge voorwaarden voor credits en focus op eigen emissiereductie, maar vraagt verdere discussie over kosten-efficiëntie en rechtvaardige verdeling tussen lidstaten. Meunier dringt aan op strikte EU-interne maatregelen en waarschuwt voor afhankelijkheid van externe oplossingen, terwijl de minister benadrukt dat flexibiliteit geen vervanging mag zijn voor binnenlandse actie. De Belgische positie wordt verder uitgewerkt, met aandacht voor sociale rechtvaardigheid en economische haalbaarheid.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, le 2 juillet 2025, une décision très attendue est tombée: la Commission européenne a annoncé son objectif de réduction des émissions de gaz à effet de serre pour 2040. Concernant l'objectif, il vise à réduire les émissions de 90 % d'ici 2040. On peut y souscrire, même si on aurait pu aller plus loin.
Convenons que c'est la fourchette basse pour se conformer à l'accord de Paris qui avait été retenu.
Ma question concerne surtout les moyens pour y parvenir. Jusqu'ici, l'Europe avait tablé sur des réductions domestiques des émissions de gaz à effet de serre. Or, désormais, la Commission veut permettre aux États d'atteindre ces objectifs en achetant des crédits carbone à l'étranger, ce qui démontre une rupture évidente par rapport au passé. C'est inquiétant car ces marchés internationaux du carbone fonctionnent mal. D'abord parce que ces crédits carbone sont souvent surévalués et ensuite, ils favorisent l'accaparement des terres en cas de violation des droits humains qui y sont rapportés.
D'un point de vue environnemental, une tonne de CO 2 stockée dans une forêt n'est pas aussi stable qu'une tonne de CO 2 qu'on laisse enfouie dans le sol. Les crédits carbone font l'objet de critiques auxquelles notre groupe s'associe. Il s'agit d'une méthode qui consiste à externaliser l'effort climatique européen en mettant en danger des droits et des communautés du Sud.
Monsieur le ministre, pourriez-vous présenter les grandes lignes de l'objectif 2040 qui vient d'être annoncé par l'Europe? Quelles sont les mesures de flexibilité proposées aux États? Quels sont la procédure et le timing? À quel moment les États membres pourront-ils intervenir? Quelle est la position de la Belgique à l'égard de l'objectif 2040 et des mesures de flexibilité et, en particulier, du recours au marché carbone? Pourriez-vous nous dire si la Belgique soutiendra l'objectif de -90 %? Plaidera-t-on pour aller plus loin? Peut-on espérer que vous plaiderez pour -95 %? Partagez-vous les critiques formulées à l'égard des marchés du carbone? Plaiderez-vous avec le gouvernement pour que l'objectif 2030 soit pleinement domestique, c'est-à-dire qu'il soit réalisé au travers de réductions d'émissions de gaz à effet de serre réalisées au sein de l'Union et non par le recours aux marchés internationaux de crédits carbone?
Jean-Luc Crucke:
Par rapport aux grandes lignes de l’objectif 2040 et des mesures de flexibilité, comme vous l’avez précisé, le 2 juillet dernier, la Commission a publié la proposition législative visant à intégrer l’objectif climatique européen pour 2040 dans la loi européenne sur le climat. Cette proposition fait suite à la communication et à l’évaluation d’impact concernant l’objectif 2040 publié au début de l’année dernière.
La Commission propose un objectif de réduction nette des émissions de 90 % par rapport au niveau de 1990, afin d’atteindre l’objectif 2040. La Commission propose les flexibilités suivantes:
- à partir de 2036, une contribution possible limitée à l’objectif 2040 via des crédits internationaux de haute qualité au titre de l’article 6 de l’accord de Paris, à hauteur de 3 % des émissions nettes de l’Union européenne en 1990. Les règles relatives à l’utilisation de ces crédits en matière d’origine, de qualité et autres conditions seront fixées dans la législation européenne;
- l’utilisation d’absorption carbone permanente d’origine domestique dans le cadre du système d’échange des quotas d’émission de l’Union européenne (ETS) afin de compenser les émissions résiduelles des secteurs difficiles à décarboner;
- une flexibilité accrue entre les secteurs afin de soutenir la réalisation des objectifs de manière plus efficace.
Les objectifs ou les efforts déployés par les États membres devraient refléter le rapport coût/efficacité et la solidarité et tenir compte des circonstances nationales. En outre, les incidences sociales, économiques et environnementales doivent être prises en compte, de même que les coûts de l’inaction et les avantages de l’action, la nécessite de faire en sorte que la transition soit juste pour tous, la nécessité de renforcer la compétitivité de l’économie de l’Union européenne à l’échelle mondiale et le coût abordable de l’énergie, parmi d’autres conditions.
Par rapport à la procédure et au timing, pendant le Conseil Environnement informel qui a eu lieu du 10 au 11 juillet dernier à Aalborg, les États membres sont une première fois intervenus sur le sujet. Les discussions continueront le 16 juillet pendant le Coreper. Le 18 septembre, la présidence danoise organisera une réunion extraordinaire du Conseil Environnement visant à adopter l’orientation générale du Conseil sur l’amendement pour la loi climat. Il y a eu des interventions globalement positives par rapport à l’objectif européen et par rapport à la flexibilité, dont des demandes d’avancer la date fixée en 2036. Il conviendrait en effet de bien l’analyser pour éviter de pénaliser ceux qui ont fait des efforts par rapport à ceux qui n’en auraient pas encore faits.
Vous me demandez quelle est la position de la Belgique par rapport à l'objectif de 2040 et si la Belgique va soutenir cet objectif. Les discussions sur la position belge concernant l'objectif sont en cours. Je peux quand même vous informer que la Belgique a déjà pris position sur les points suivants, tels que déterminés lors de la DGE du 8 juillet. Une contribution limitée de crédits carbone internationaux à l'objectif de 2040 devrait être possible. D'autres discussions sur sa conception et sa mise en œuvre sont nécessaires dans le contexte du futur cadre politique, afin d'assurer l'intégrité environnementale et la compétitivité.
Dans le cas des absorptions permanentes dans le cadre de l'ETS, les réductions effectives des émissions devraient constituer l'essentiel des efforts visant à atteindre les objectifs climatiques. Cependant, nous sommes préoccupés par les hypothèses entourant le déploiement des technologies d'élimination, telles que le captage direct de l'air (DAC) ou la bioénergie avec captage et stockage de dioxyde de carbone (BECSC), compte tenu de leur maturité technologique qui nous semble limitée, d'un coût élevé et d'un impact potentiel sur l'environnement qui ne nous semble pas à négliger. Une dépendance excessive à l'égard de ces technologies peut conduire à des voies irréalistes ou à des actions retardées, mais vous savez que certains pays plaident en leur faveur.
En ce qui concerne la flexibilité entre les secteurs et les objectifs des États membres, la Belgique déclare qu'une discussion devrait avoir lieu sur la future architecture climatique européenne, y compris le rôle de l'échange de quotas d'émissions et des objectifs nationaux. La Belgique souligne que le rapport coût/efficacité est un principe directeur.
Vous me demandez si je partage les critiques formulées au sujet du marché carbone. Il est vrai que les marchés internationaux du carbone ont été problématiques dans le passé – qualité douteuse des crédits, surabondance et effets pervers sur les droits humains.
La Commission propose aujourd'hui, me semble-t-il, un encadrement bien plus strict – crédits limités à 3 %, uniquement à partir de 2036, issus de pays alignés sur l'accord de Paris et respect des critères environnementaux, sociaux et de gouvernance. Il faudra certes rester vigilant et veiller à ce que ces crédits ne détournent pas l'effort domestique. L'objectif doit rester centré sur les réductions d'émissions au sein de l'Union, en particulier pour assurer une transition juste et renforcer notre économie bas carbone. Mais cela ne doit pas exclure, me semble-t-il, un certain degré de flexibilité.
Marie Meunier:
Merci monsieur le ministre. J'entends vos explications. Je suis rassurée en partie sur certaines de vos réflexions. J'espère vraiment que vous aurez le soutien nécessaire au sein du gouvernement pour mettre les choses en place. En tous cas, nous serons là, au sein de cette commission, pour systématiquement vous interroger, sans pression. En tant que ministre, c'est quand même votre travail d'imposer à un moment donné vos idées, que nous partageons, en tous cas sur ce volet-là. Nous serons attentifs. Pour l'instant, les réponses me conviennent. J'attends la suite. J'attends la mise en pratique.
Voorzitter:
Collega Meunier, we zijn blij dat u ons niet zult verlaten.
De verwerping van het voorakkoord door de spoorvakbonden
Het voorakkoord van de minister met de spoorvakbonden
De verwerping van het voorakkoord door de spoorbonden
De verwerping van het voorakkoord door het spoorpersoneel
De aanwerving onder arbeidsovereenkomst bij het spoor
De gevolgen van de hervorming van de arbeidsmarkt voor het spoorwegpersoneel
De verwerping van het voorakkoord door de spoorvakbonden
Het ontbreken van een sociaal akkoord met de spoorvakbonden
Conflict en onderhandelingen over spoorakkoorden en arbeidsvoorwaarden
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het voorakkoord over spoorhervormingen (personeelsstatuut, HR Rail-herstructurering, pensioenen) werd massaal verworpen door de vakbondsachterban (99% ACOD, 57% ACV), ondanks onderhandelingen tussen minister Crucke, vakbonden en directies. Hoofdstruikelblokken zijn de afschaffing van het statuut (garantie voor stabiliteit en rechten), versnipperd personeelsbeleid, en onduidelijkheid over pensioenen – terwijl de regering 600 miljoen euro wil besparen en de sector moet liberaliseren tegen 2032. Crucke belooft nieuw overleg eind augustus met een "open agenda", maar weigert details vrij te geven, wat tot frustratie leidt in het Parlement (gebrek aan transparantie, controle). Geen stakingen zolang onderhandeld wordt, maar bij mislukking dreigt de minister "zijn verantwoordelijkheid te nemen" – zonder concrete plannen voor een plan B of garanties voor werknemersrechten. De kloof blijft: vakbonden eisen behoud van het statuut en sociale zekerheid, terwijl de regering efficiëntie en kostenbesparing nastreeft.
Voorzitter:
Goedemiddag allemaal, bienvenue dans la Commission de la Mobilité, des Entreprises publiques et des Institutions fédérales. Nous accueillons le ministre Crucke, ministre de la Mobilité, du Climat et de la Transition environnementale.
Frank Troosters:
Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.
Na twee dagen van intensief overleg waarin een 'open en respectvol' debat plaatsvond over onder meer personeelsbeheer, juridische verantwoordelijkheden en de modernisering van het statuut van het personeel bereikten de minister en de spoorvakbonden een voorakkoord.
Intussen blijkt dat de achterban van de spoorbonden dit voorakkoord met overgrote meerderheid hebben verworpen.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met spoorvakbonden? Heeft er nog nieuw overleg plaatsgevonden? Zo ja, met welk resultaat? Zo neen, zal dit alsnog (en wanneer) plaatsvinden?
Wat waren de elementen van het voorakkoord dat de minister met de spoorvakbonden bereikte?
Wat waren de inhoudelijke struikelpunten voor de spoorvakbonden?
Welke garanties verkreeg de minister inzake het al dan niet organiseren van nieuwe stakingen?
Samengevat, het aangekondigde voorakkoord werd verworpen door de achterban van verscheidene spoorvakbonden. Wij hebben heel lang moeten wachten op de inhoud van dat voorakkoord; telkens werd ons opnieuw om geduld gevraagd.
Wat was de inhoud van het voorakkoord? Wat waren de struikelblokken voor de bonden en hun achterban? Mijnheer de minister, welke garanties hebt u gekregen dat er voorlopig niet zal worden gestaakt?
Dorien Cuylaerts:
Mijnheer de minister, uiteindelijk zal mijn toelichting grotendeels overeenkomen met die van de heer Troosters, maar ik wil toch enkele specifieke punten aanhalen.
Het voorakkoord dat op tafel lag en dat we in de pers moesten lezen, heeft uiteindelijk tot niets geleid, omdat 99 % van de ACOD-leden tegen hebben gestemd. Ik heb gisteren vastgesteld dat de ACOD-leden zich tegen veel zaken verzetten. Ook bij het ACV stemde 57 % tegen.
Hoe interpreteert u de afwijzing van het akkoord door de vakbonden? Plant u nieuwe overlegmomenten? Ik ga ervan uit van wel, want u hebt altijd aangegeven voorstander van dialoog te zijn.
Wat is de timing? Is daar al een planning voor opgesteld? Wordt het oorspronkelijke voorakkoord nu volledig verlaten, of vormt het een vertrekbasis voor verdere onderhandelingen? Blijven bepaalde elementen daaruit behouden?
Niels Tas:
Mijnheer de minister, dat 99 % van de ACOD-leden en de helft bij het ACV tegen heeft gestemd, stemt tot nadenken.
We hebben vernomen dat de gesprekken inmiddels hervat zijn, wat wij een goede zaak vinden en waarvoor wij ook blijven pleiten. Ik wil u danken voor uw constructieve houding op dat vlak, alsook de vakbonden voor het feit dat ze op het moment niet kiezen voor nieuwe stakingen.
Wij willen inhoudelijk wel dieper ingaan op enkele vragen en bedenkingen. Mijnheer de minister, kunt u, ten eerste, uitleggen waarom de stopzetting van statutaire aanwervingen vanaf 2028 en de overdracht van de taken van HR Rail naar zowel de NMBS als Infrabel belangrijk zijn voor een beter en efficiënter spoor? Hoe zal dat ervoor zorgen dat de rechten van de werknemers effectief gewaarborgd blijven, zoals u hebt beloofd?
Hoe wilt u, ten tweede, de bezorgdheid van de vakbonden aanpakken over het versnipperde personeelsbeleid? De organisatie van de NMBS en Infrabel is complex. Hoe zult u de versnippering aanpakken en gehoor geven aan de roep om een gezamenlijke leiding voor een efficiënter spoorbeheer, zonder een wirwar aan bevoegdheden tussen Infrabel en de NMBS? Wat is uw visie daarop?
Ten derde, welke stappen zult u zetten om het overleg met de vakbonden opnieuw op te starten en te zorgen voor een akkoord dat op brede steun kan rekenen bij het spoorpersoneel? Kunt u garanderen dat dat proces op een duidelijke en transparante manier verloopt, zodat iedereen zich gehoord voelt?
Hoe werkt u, ten slotte, samen met de vakbonden aan oplossingen voor het pensioen van spoormedewerkers, zeker nu daarover nog verder overleg nodig is met de minister van Pensioenen? Wij rekenen er namens Vooruit op dat u samen met de vakbonden naar concrete oplossingen voor het spoor en zijn personeel zoekt. Alleen zo kunnen we ervoor zorgen dat iedereen zich op een betaalbare manier kan blijven verplaatsen. Dankzij mensen die hun job met plezier doen en onder goede voorwaarden, kunnen we dat blijven waarmaken.
Voorzitter:
Madame Jacquet, vous pouvez regrouper vos deux questions.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, ces dernières années, et encore actuellement, nos sociétés de chemin de fer engagent de plus en plus de contractuels. Pour les cadres ordinaires, ces engagements sont exclusivement réalisés sur base de contrat de travail. Pour Infrabel, c’est le cas depuis près de 10 ans.
Mes questions sont donc les suivantes:
1/Au vu de l'article 67 §1 et §2, et au regard des quatre exceptions dérogeant à l'engagement statutaire, comment justifiez-vous/comment les chemins de fer justifient-ils ces embauches ? Que faites-vous pour veiller à ce que la loi soit correctement appliquée ? Rendre les chemins de fer attractifs sur base de contrat type Plan cafeteria n’est pas un justificatif du non-respect de la loi. D’autre part, les engagements statutaires ne sont-ils pas attractifs ?
2/ HR Rail aurait récemment mené une étude concernant la différence de "coût" entre un contractuel et un statutaire. Pouvez-vous nous révéler les conclusions de cette étude et nous la transmettre dans son intégralité?
3/ Quel est le taux de rétention des cadres engagés avec des contrats de travail ? Combien travaillent encore pour les chemins de fer après -- par exemple -- 2 ans ? Y a-t-il une différence entre les contractuels "classiques" et les contractuels NRP ? L’excès de turnover du personnel peut devenir néfaste. Il est important de capitaliser les acquis pour une société comme les chemins de fer et ses métiers techniques
Monsieur le ministre, le gouvernement est en discussion sur les réformes à mener en matière de travail. Et le moins que l’on puisse dire, c’est que les premières fuites interpellent: dérégulation du temps de travail, attaque sur le travail de nuit, contournement de la concertation sociale, affaiblissement des syndicats, ...
A ce stade, au niveau ferroviaire, les attaques contre le travail de nuit concerneraient les opérateurs marchandises.
Mes questions sont donc les suivantes:
1/ Quels seront les impacts concrets de la réforme Travail sur les cheminots?
2/ Quelles positions avez-vous défendues durant les discussions?
Je vous remercie.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, vous vous rappellerez certainement qu'il y a un mois et demi, vous étiez non pas moqueur, mais un peu rieur, lorsque je n'avais pas adapté ma question par rapport à l'évolution de la posture syndicale. Sans doute étais-je un peu devin, mais aujourd'hui, les chiffres sont effectivement clairs, avec 99 % dans un cas et plus de 50 % dans l'autre cas. Les syndicats – à l'exception du syndicat libéral – de la CGSP avaient rejeté votre préaccord. Les inquiétudes sont nombreuses, convenons-en. L'avenir de HR Rail, les économies annoncées sur le rail – à hauteur de plus de 600 millions d'euros –, la fin du statut, ou encore tout ce qui touche à la pension – même si cet aspect est du ressort de votre collègue Jan Jambon – sont autant de sujets d'inquiétude.
Avec les réformes annoncées, le dialogue social que vous avez pourtant voulu tisser n'en est nulle part, il est même plus que menacé. Quoi que vous en disiez, les droits des travailleurs sont réduits, et la poursuite vers la privatisation – ou libéralisation – du rail, demeure, en fin de compte, non pas votre stratégie, mais la stratégie du gouvernement, autrement dit celle qui vous est imposée. Les syndicats vous ont invité à de nouvelles négociations, selon mes informations. Pas plus tard qu'hier, nous avons d'ailleurs eu l'occasion d'échanger avec monsieur Lejeune.
Les syndicats se disent constructifs – et je les crois – et veulent donner toutes les chances à la concertation sociale. Leur objectif premier est d'améliorer le contenu du préaccord. À cet égard, nous souhaiterions mentionner votre déclaration, selon laquelle vous affirmez vouloir relancer les consultations, ce qui nous réjouit, bien sûr. Vous évoquez un calendrier clair préalablement à une reprise effective de la négociation, et nous sommes curieux de connaître les étapes et le contenu des négociations, parce que nous avons appris énormément de choses dans la presse, ce qui est plutôt regrettable.
Avez-vous entendu les préoccupations légitimes des travailleurs? Quelles garanties allez-vous pouvoir leur fournir?
Avez-vous associé au processus votre collègue chargé des Pensions?
Apprendrons-nous les choses autrement que dans la presse? Monsieur le ministre, merci d'avance pour vos réponses.
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, het sociaal akkoord dateert inmiddels van enige tijd geleden. Eind april pakte u uit met een voorakkoord, maar dat werd duidelijk niet goed onthaald door de vakbonden. Het is al aangehaald: 99 % van de ACOD-leden heeft het verworpen. De resterende 1 % heeft zich onthouden. Kennelijk heeft dus letterlijk geen enkele persoon voorgestemd. Ook het ACV heeft het akkoord met een meerderheid verworpen. Dat betekent dat er nog heel wat werk op de plank ligt.
Mijnheer de minister, daaruit volgen toch een aantal vragen. Wat waren volgens u de belangrijkste redenen waarom de spoorvakbonden het akkoord verworpen hebben? Zult u het voorstel dat u aan de vakbonden hebt bezorgd ook aan het Parlement bezorgen? Die vraag leeft al langer. Hoe zult u tegemoetkomen aan de bezorgdheden van de werknemers? Wat zijn de krachtlijnen van uw nieuw voorstel? Waar zitten de aanpassingen? Hebt u een timing voor ogen? Ook niet onbelangrijk, moeten de treinreizigers nieuwe stakingen verwachten?
Nog geen jaar geleden heeft de NMBS aangekondigd haar openbaredienstcontract niet te kunnen naleven wegens een tekort aan treinpersoneel. Het gevolg was dat de dienstverlening erop achteruitging. Het contract werd niet nageleefd en de uitbreidingen werden uitgesteld. Ondertussen grijpt u wel drastisch in op het personeelsstatuut, met duidelijk veel ontevredenheid tot gevolg. Maakt u het op die manier voor de NMBS niet onmogelijk om extra mensen aan te werven en zo ook voor die extra dienstverlening te zorgen?
Voorzitter:
Wensen leden van andere fracties aan te sluiten bij de vragen?
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de voorzitter, gezien de afwezigheid van collega De Knop, vraag ik het woord.
Mijnheer de minister, de voorgaande sprekers hebben in hun inleiding al uiteengezet dat de vakbonden van het spoor uw voorakkoord hebben afgekeurd. Althans, dat hebben de leden van die vakbonden gedaan. U vraagt zich wellicht af wat de vakbondsvertegenwoordigers aan de onderhandelingstafel hebben besproken als er 99 % tegenstand was bij hun leden, maar daarover kunnen we hier niet uitweiden.
Een van de belangrijkste en meest gecontesteerde maatregelen is uiteraard de statutaire benoeming. Die benoeming zou worden afgeschaft, of minstens uitdoven. Nieuwe aanwervingen zouden niet meer onder het statuut gebeuren.
Mijnheer de minister, wat is uw reactie op de verwerping door de vakbondsleden? Zult u opnieuw aan tafel gaan zitten? Maar vooral, als u dat doet, zult u dan standhouden betreffende de statutaire benoeming? Kunt u hier bevestigen dat daaraan niet geraakt zal worden? Dat is toch een van de belangrijkste hervormingen, bovendien gebetonneerd in het regeerakkoord. Hopelijk kunt u dat bevestigen.
Voorzitter:
Wensen collega's van andere fracties nog aan te sluiten? (Nee)
Dan geef ik het woord aan de minister.
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer de voorzitter, na de verwerping van het voorakkoord, niet mijn voorakkoord, maar het voorakkoord dat ik samen met de vakbonden en de directies heb onderhandeld, heb ik op 30 mei opnieuw overleg gehad met dezelfde vakbonden, ACV-CSC-Transcom, CGSP Cheminots en ACOD Spoor. Tijdens dat overleg zijn de voornaamste knelpunten in kaart gebracht. We hebben afgesproken om eerst een consultatieronde te organiseren alvorens de onderhandelingen daadwerkelijk te hervatten.
In die context wil ik mij constructief richten op de toekomst en de uitdagingen waarvoor ik bevoegd ben. Ik kies er bewust voor om niet in detail in te gaan op de afwijzing van het voorakkoord. Ik benadruk dat de regering bereid is om te luisteren naar het personeel en samen te werken aan werkbare oplossingen, zeker met het oog op de Europese liberalisering van het spoor tegen 2032.
Wat de concrete impact betreft van de hervorming van de werkzaamheden van het spoorwegpersoneel, kan ik u melden dat de bespreking van de relevante wetteksten nog steeds aan de gang is. Bijgevolg is het voorbarig om op de gestelde vraag nu reeds te antwoorden.
Daarnaast is afgesproken dat er geen nieuwe stakingen zullen plaatsvinden zolang de onderhandelingen lopen.
Ik betreur dat het voorakkoord door de drie vakbonden is verworpen, maar ik blijf openstaan voor overleg en ben vastbesloten om mij constructief te blijven inzetten voor een duurzame toekomst.
Inzake de aanwervingen zijn de voorstellen besproken met de vakbonden in het kader van het voorakkoord. Die voorstellen kaderen in het hervormings- en moderniseringsproces van de spoorwegsector. Ze hebben tot doel een solide basis te bieden die de stabiliteit en de toekomstperspectieven van de spoorwegen waarborgt en de jobs en verworven rechten van de werknemers vrijwaart. Ik ben dus bereid om de besprekingen te hervatten met die doelstelling in gedachte.
Na de verwerping van het voorakkoord heb ik, zoals gezegd, samengezeten met de vakbonden om de belangrijkste struikelblokken te identificeren. In het verlengde van die gesprekken zijn ontmoetingen georganiseerd met alle CEO’s en met de directie van HR Rail om een goed beeld te krijgen van ieders verwachtingen en om iedereen de kans te geven om de situatie afzonderlijk toe te lichten.
Vervolgens zijn we opnieuw allemaal samengekomen om een stand van zaken op te maken. Het werd duidelijk dat er meer tijd nodig was om iedereen de kans te geven om de nieuwe informatie te bestuderen. Daarom werd afgesproken om eind augustus opnieuw bijeen te komen om concrete oplossingen op tafel te leggen. Er zouden geen nieuwe stakingen moeten plaatsvinden zolang de onderhandelingen aan de gang zijn en er naar elkaar geluisterd wordt.
U weet dat ik veel waarde hecht aan het sociaal overleg en ik blijf ervan overtuigd dat een oplossing mogelijk is. Iedereen is zich ten volle bewust van de uitdagingen die de spoorwegen in de toekomst te wachten staan.
Madame Jacquet, conformément à l'article 67, § 2, de la loi du 23 juillet 1926 relative à la SNCB et au personnel des chemins de fer belges, le recrutement contractuel est autorisé depuis plusieurs années au sein des chemins de fer. Les recrutements dans des fonctions d'ingénieur, de profils universitaires et de profils IT, pour ne citer qu'eux, respectent les dispositions légales à l'article 67, § 1 et § 2, de la loi du 23 juillet 1926.
En ce qui concerne les chiffres demandés, 85,9 % des contractuels classiques engagés en 2023 sont encore présents au sein des chemins de fer belges en 2025. Pour les contractuels NRP, ce taux s'élève à plus de 80 %.
Het overleg dat momenteel plaatsvindt, heeft precies als doel een evenwichtige en duurzame oplossing te vinden om de toekomst van de spoorwegsector voor te bereiden. De bedoeling is om rekening te houden met de noodzakelijke evoluties en om de legitieme verwachtingen van de werknemers te respecteren.
Het debat over het statuut, ongeacht of iemand statutair dan wel contractueel benoemd is, kan niet worden herleid tot een tegenstelling. Elk van deze stelsels heeft immers specifieke voordelen, zowel op het vlak van flexibiliteit als op dat van zekerheid. In deze geest wordt de bespreking voortgezet, met de bedoeling te komen tot het best mogelijke compromis, in overleg met de sociale partners en met eerbiediging van de engagementen inzake kwaliteitsvolle dienstverlening en sociale stabiliteit.
Wat uw vraag over de pensioenen betreft, verwijs ik u door naar mijn collega, de minister van Pensioenen, de heer Jan Jambon.
Deux éléments supplémentaires. La difficulté du préaccord relève aussi du fait que notre ambition est d'adapter les trois entités à l'échéance de 2032.
Un certain nombre d'éléments en discussion ne se retrouvent pas forcément dans l'accord de gouvernement. Ce sont donc des éléments ouverts, supplémentaires à l'accord de gouvernement et qui nécessitent effectivement un débat approfondi et une compréhension plus complète de chacun des partenaires, que ce soient les directions, les syndicats ou nous-mêmes au sein du cabinet.
Deux, en ce qui me concerne, j'ai autant de respect et d'attention à l'égard des préoccupations des travailleurs qu'à celles des directions. Je conçois parfaitement que ces intérêts sont parfois contradictoires, mais je reste convaincu que pour la rentrée parlementaire, un accord doit pouvoir être trouvé entre l'ensemble des partenaires.
Si tel ne devait pas être le cas, j'ai clairement fait comprendre aux partenaires que je prendrais alors mes responsabilités; mais je considère que toute l'énergie doit être mise dans le fait de trouver un accord. Et comme je vous l'ai dit, je suis convaincu que nous le trouverons.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, ik ben ontzettend ontgoocheld door uw antwoord. Ik ben zelfs boos. Het lijkt me dat u de weg opgaat van uw voorganger: heel veel aankondigen en beloven, waarna er niets volgt.
Wij vragen al heel lang naar de inhoud van de onderhandelingen. We hebben moeten lezen dat u een voorakkoord bereikte met de vakbonden, maar uiteindelijk blijkt dat er gewoon niet te zijn. Er is ook beloofd in de beleidsnota dat we enkele dagen geduld moesten hebben. Die dagen zijn voorbij.
Tijdens de mondelinge vragensessie is er beloofd dat we enkele uren geduld moesten hebben. Die uren zijn ook voorbij. Maar we weten nog steeds niets. Ook vandaag wordt er niet in detail getreden. Ik betreur dat ten zeerste. U kunt beloften doen aan de vakbonden en u daaraan houden, maar de beloften die u aan de parlementsleden gedaan hebt, worden niet gehouden. Respect hebben voor het sociaal overleg is prima, maar er moet ook respect zijn voor de parlementaire werking hier.
Ik ben zeer ontgoocheld. Bovendien moeten we nu wachten tot eind augustus eer er opnieuw onderhandeld wordt. Intussen ligt het overleg gewoon stil. Eigenlijk moet men het gewoon opnieuw starten en dan kan er perfect gecommuniceerd worden.
Ik betreur uw antwoord ten zeerste.
Dorien Cuylaerts:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Voor een stukje moet mijn repliek aansluiten bij die van mijn voorganger. Wat de inhoud betreft, blijven we inderdaad een beetje op onze honger zitten. Nochtans is daar al meer meermaals een vraag naar gesteld. Maar goed, ik wil het positief houden. Ik begrijp wel dat u niet in detail kunt treden omdat u respect hebt voor uw gesprekspartners. Maar ik vind dat de vakbonden toch stilaan hun asociale houding aan de kant moeten leggen. Ze blijven zich maar verzetten.
Ik ga nu mee in het gegeven dat de geesten nog moeten rijpen en dat dan eind augustus misschien een akkoord kan worden bereikt. Maar stel dat dit niet zo is. Dan vrees ik dat we in september opnieuw sociale onrust krijgen en dat we bij de start van het nieuwe schooljaar en het werkjaar opnieuw met stakingen geconfronteerd worden. Ik hoop toch dat u er alles aan zult doen om dat te voorkomen.
Verder zullen we afwachten en hopen dat we eind augustus meer nieuws van u kunnen krijgen.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw – wat mij betreft – politiek correcte antwoord, dat echter nog geen concrete oplossingen naar voren schuift. Ik heb begrip voor het feit dat u moeilijk uit de biecht kunt klappen over de lopende onderhandelingen, maar dat betekent ook dat u als minister de volle verantwoordelijkheid draagt voor het wel of niet slagen van die onderhandelingen. Ik vraag u dan ook om nadien minstens een gedetailleerd verslag uit te brengen over de verschillende stappen en posities en de documenten die circuleren, zodat het Parlement voldoende inzicht kan verwerven.
Tot slot, wat betreft de pensioenen, ik begrijp dat u verwijst naar uw collega, maar in dit overleg met de vakbonden gaat het niet over wie waarvoor verantwoordelijk is. We zijn als overheid één ten opzichte van de vakbonden en het personeel, dus ik reken erop dat u ook op dat vlak nauw samenwerkt, het juiste evenwicht bewaakt en samen tot een goede oplossing komt voor de reizigers en het personeel. Een sterk en betrouwbaar spoor in de toekomst is geen keuze, maar wel een noodzaak, zoals u zelf ook hebt gezegd.
Ik zal dit zeker blijven opvolgen in dit Parlement en wens u veel succes de komende maanden, want u zult het nodig hebben.
Farah Jacquet:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse dont je suis assez satisfaite. En effet, je vois que vous poursuivez la voie des négociations. C’est une très bonne chose, car il ne faut pas vouloir aller trop vite.
En revanche, je relève que vous avez indiqué que les statuts de contractuel et de statutaire présentaient chacun leurs avantages respectifs. Dans les faits, j’ai eu de nombreuses discussions avec des contractuels au sein des chemins de fer, et je n’ai pas perçu autant d’avantages que ceux que vous avancez. Nous y reviendrons à un autre moment.
En ce qui concerne ce préaccord, un des éléments qui posent problème est le fait que les cheminots ne veulent pas voir leur statut disparaître. Il en va de même pour l’affaiblissement de HR Rail et les attaques aux fins de carrière. Ils vous l’ont bien montré en rejetant ce préaccord. C’est positif que vous retourniez à la table des négociations.
Il faut vraiment garder cela en tête pour vos futures négociations. Le statut leur tient profondément à cœur, car il permet de maintenir les compétences de l’entreprise en interne. Les métiers du rail ne s’apprennent pas spécialement ailleurs. Il est donc primordial pour l’entreprise de pouvoir garder un personnel stable et formé. Cela protège également des décisions politiques pouvant entraîner des licenciements massifs ou une privatisation du rail. Cela protège les lanceurs d’alerte, ceux qui osent dire lorsque quelque chose ne va pas. Vu ce que nous avons déjà observé, notamment chez Infrabel, cet argument n’a rien d’anodin et mérite toute votre attention.
En outre, le statut constitue un système assez juste puisque, en matière de recrutement et de salaire, tout repose sur des barèmes légaux clairs et identiques pour tous, que l’on soit une femme ou un homme. Il n’y a rien de plus équitable. Cela rend donc le métier plus attractif, ce qui est essentiel, car il existe encore un manque important de personnel. Un contrat à durée déterminée n’est pas très attrayant; avec un statut, les jeunes ont plus de facilité à obtenir un emprunt auprès des banques pour pouvoir s’installer et vivre comme tout un chacun. Enfin, le statut permet de garder le personnel en place et d’éviter le gaspillage d’argent en turnover et en formations à répétition.
Il importe que vous preniez tous ces arguments en considération lors des prochaines négociations.
Je termine en signalant que je n’ai pas reçu de réponse concernant l’enquête de HR Rail sur la différence de coûts entre les statutaires et les contractuels. Je déposerai une question écrite à ce sujet.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, contrairement à certains collègues qui m'ont précédé, je ne dirai pas que la réponse est politiquement correcte – c'est une expression qu'on peut utiliser à géométrie variable. En tout cas, en ce qui me concerne, je n'ai pas reçu de réponse, mais cela ne m'étonne pas, et je comprends votre malaise.
Vous parlez de consultations préalables à une reprise des négociations après cette longue période de négociation. Nous sommes donc dans une situation où on peut tout à fait comprendre que des éléments restent en négociation et soient confidentiels. Cependant, je n'ai pas entendu de réponse à ma question de savoir quelles étaient les garanties que vous aviez proposées aux syndicats. Je n'ai pas davantage reçu de réponse au niveau des procédures de votre négociation, si ce n'est la date limite de la rentrée, où là, menaçant, vous dites: "S'il n'y a rien, je prendrai mes responsabilités." Je ne sais si c'est la bonne attitude à adopter. Il vous appartient d'en juger.
Vous fixez par contre cette date limite – c'est bien cela dont il s'agit –, avec la pression que vous exercez. Allez-vous associer dans cet accord votre collègue Jan Jambon? Je ne l'ai pas entendu précisément, alors que la question des pensions constitue l'une des pierres d'achoppement.
Nous sommes pour le respect du dialogue social. Heureusement que les syndicats vous ont promis de ne pas faire grève, parce que vous considérez que c'est un acquis. J'ai le sentiment que c'est plus du ressort des syndicats que de votre ressort. Nous allons continuer à vous faire confiance sur la concertation, mais si nous respectons la concertation, vous devez également respecter les parlementaires. Or ici, aujourd'hui, c'est un peu la langue de bois, nous n'avons aucun élément. Vous ne pouvez pas, à chaque fois que nous discutons du dossier, parcelliser et renvoyer tantôt vers votre collègue des Pensions, tantôt vous abriter derrière le paravent de la confidentialité, tantôt vers les syndicats, sans nous donner le moindre élément.
Je pense que vous devez définir une vision globale pour le rail – ce qui semble manquer – et surtout pour les travailleurs, qui inclut toutes ces dimensions. Hier, nous parlions des gares et des points d'arrêt; demain, nous parlerons d'autre chose. Des chemins de fer fiables, ça marche avec des travailleurs qui se sentent bien, et avec lesquels vous dialoguez effectivement et réellement. Donc, s'il vous plaît, mettez les bouchées doubles, et entamez réellement des négociations constructives, plutôt que de marquer une date limite et de faire pression! Je vous remercie, monsieur le ministre
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, mevrouw Pas is blijkbaar tevreden met de rapportage achteraf. Ik ben daar eigenlijk niet tevreden mee. Ik wens de controlefunctie van het Parlement te kunnen uitoefenen. Op dit moment kan ik niet weten of de vakbonden zich, zoals mevrouw Cuylaerts beweert, asociaal opstellen dan wel of er door de NMBS en door u als minister misschien een asociaal akkoord op tafel is gelegd.
Wij hebben vandaag geen enkele krijtlijn om te weten waarop het voorstel is gebaseerd. Ik kan begrijpen dat u de toekomstige onderhandelingen niet wilt hypothekeren, maar er is al een voorstel geweest dat is afgeschoten. Zelfs dat voorstel dat in de prullenmand is beland, mogen wij als parlementsleden niet inkijken.
Dat is heel pijnlijk. Dat is ook geen manier om met het Parlement om te gaan. Wij hebben verschillende vragen gesteld. Ik heb bijzonder weinig antwoorden gehoord op de vragen van mezelf en van de andere vraagstellers. Het is bijzonder jammer dat u dan schermt met het argument van het sociaal compromis.
Ik vraag mij af wat wij hier eigenlijk nog zitten te doen. Vragen mogen wij stellen, maar wij krijgen er nooit antwoorden op. Ik vraag mij dan ook af of het Parlement is verworden tot een orgaan dat niet meer mag doen dan achteraf rapportage ontvangen. Dat is niet correct. Het Parlement heeft het recht om te weten wat de regering op tafel wil leggen. Dat lijkt mij een evidentie.
Wij zullen zeker nog vragen indienen over het thema in de hoop op een bepaald moment toch iets meer informatie te krijgen dan wij vandaag hebben gekregen.
Voorzitter:
Ik kijk specifiek in de richting van mevrouw De Knop. Wenst u nog te reageren? (Neen) Dan kijk ik in de zaal of er andere fracties zijn die nog niet hebben deelgenomen aan het debat en die alsnog willen aansluiten. (Neen) Dat kan dus niet, mijnheer Coenegrachts. De vraag van mevrouw De Knop is immers weggevallen en zonder voorwerp geworden. Het is de gewoonte dat bij een actualiteitsdebat elke fractie die nog niet aan bod kwam, de mogelijkheid krijgt om alsnog aan te sluiten, hetzij bij de vraag hetzij bij de repliek. Dat kan één keer. Ik wou mevrouw De Knop echter nog de mogelijkheid geven om te repliceren, omdat ze net binnenkwam. Zijn er nog andere fracties die willen repliceren? (Neen) Dan is het actualiteitsdebat gesloten.
De bescherming van de Belgische consumenten en handel tegen platforms als Temu en SHEIN
De Franse boete voor SHEIN
Controle op buitenlandse e-commerceplatforms en consumentenbescherming
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Belgische Economische Inspectie leidt EU-brede CPC-onderzoeken naar Shein en Temu voor schendingen van consumentenwetgeving (misleidende kortingen, onveilige producten), maar handelt niet individueel om dubbel werk te vermijden. Handhaving is moeilijk door gebrek aan Belgische activa van deze platforms, hoewel boetes mogelijk zijn. Toekomstige maatregelen omvatten een e-commerce-controlecel, versterkte samenwerking tussen douane/inspecties en DSA-toepassing, plus consumentencampagnes tegen overconsumptie en risicovolle aankopen. De Franse boete (€40M) voor Shein valt buiten het huidige CPC-onderzoek.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, la marque chinoise Shein est emblématique des dérives de la fast-fashion: sur le plan des conditions de travail, sur le plan de l'environnement, sur le plan de la concurrence déloyale... Shein incite à la surconsommation, ne respecte pas les normes européennes et utilise des produits dangereux. De surcroit, elle trompe le consommateur avec de fausses réductions et des informations trompeuses.
En France, la marque vient d'écoper une amende de 40 millions infligée par la DGCCRF. L'enquête avait révélé des méthodes fallacieuses autour des réduction de prix et des allégations environnementales, induisant les consommateurs en erreur sur la réalité des promotions.
Mes questions sont les suivantes: En Belgique, l'Inspection économique mène-t-elle également des enquêtes sur les grandes marques emblématiques de la fast-fashion, dont Shein, et si oui quelles sont les constations? Combien de contrôle, de PV d'infraction, de poursuites et de sanctions? Avez-vous pris connaissance de la sanction record infligée à Shein en France? La Belgique dispose-t-elle d'un cadre législatif équivalent à celui sur base duquel en France cette sanction a été infligée à Shein? Je vous remercie pour vos réponses.
Rob Beenders:
Merci pour votre question, madame Thémont. Je vous présente mes excuses, nous avons préparé une réponse en néerlandais. J'espère que cela ne pose pas de problème.
Het is essentieel dat online marktplaatsen, in het bijzonder zeer grote platforms zoals Temu en Shein, de Europese consumentenwetgeving naleven. Dat is enerzijds noodzakelijk om consumenten te beschermen en anderzijds om eerlijke concurrentievoorwaarden te garanderen voor Belgische en Europese ondernemingen. Om die reden zijn er binnen het Europese netwerk voor samenwerking op het gebied van consumentenbescherming, het Consumer Protection Cooperation Network, oftewel CPC, gezamenlijke acties opgezet tegen Temu en Shein.
Dat netwerk bestaat uit de nationale consumentenbeschermingsautoriteiten van de verschillende EU-lidstaten en de Europese Commissie. De Belgische Economische Inspectie fungeert als co-lead in beide acties. Aangezien die ondernemingen reeds door het CPC-netwerk worden aangepakt, treedt de Economische Inspectie niet afzonderlijk op.
De boete die door het Franse DG CCRF werd opgelegd, heeft betrekking op een periode die voorafging aan het CPC-onderzoek. De Economische Inspectie verstrekt in de regel geen informatie over onderzoeken naar individuele ondernemingen. Zij beschikt wel over de mogelijkheid om administratieve geldboetes op te leggen. Er moet echter worden opgemerkt dat wanneer een onderneming de geldboete niet vrijwillig betaalt, die enkel kan worden ingevorderd voor zover de onderneming over activa beschikt op Belgisch grondgebied. Dat kan een probleem zijn bij ondernemingen zoals Shein, Temu en vele andere.
Maatregelen om Belgische consumenten beter te beschermen tegen niet-conforme of potentieel gevaarlijke producten behoren tot een gedeelde bevoegdheid met mijn collega, de minister van Economie. Binnen het controleprogramma van de marktoezichtautoriteit die verantwoordelijk is voor productveiligheid binnen de FOD Economie, zullen controles van online verkochte producten een vast onderdeel vormen en een steeds groter aandeel innemen. Op termijn is het de bedoeling een cel e-commerce op te richten die toezicht houdt op de veiligheid van online verkochte producten. Daarnaast is het van cruciaal belang om de samenwerking tussen de verschillende betrokken diensten – waaronder de douane, inspectiediensten en de marktoezichtautoriteiten van de FOD Economie – te versterken, zodat een samenhangend en doeltreffend antwoord kan worden geboden op die problematiek.
De FOD Economie werkt momenteel reeds intensief aan het versterken van de synergie tussen de verschillende betrokken overheidsactoren. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan het toegankelijk en toepasbaar maken van de bepalingen van de Digital Services Act voor de diverse controle-instanties. De FOD Economie zal de coördinatie op zich nemen van een reeks werkgroepen tussen marktoezichtautoriteiten, gericht op de implementatie van toezichtinstrumenten voor producten die online worden aangeboden.
Tot slot is het ook belangrijk om de burgers hierbij te betrekken.
Via informatiecampagnes moeten consumenten worden gewaarschuwd voor de risico’s van het kopen van niet-conforme producten – met het oog op veiligheid, gezondheid of milieu – en moet verantwoord koopgedrag worden aangemoedigd.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour cette réponse complète. Des sociétés comme Shein ou Temu incitent à la surconsommation et ne respectent pas les normes européennes. Plusieurs mesures seront mises en place, notamment une cellule e-commerce, qui, si j'ai bien compris, va contrôler ces produits en ligne, ainsi que des groupes de travail coordonnés par le SPF Économie. C'est déjà une bonne chose. Et il y aura surtout des campagnes d'information vis-à-vis des citoyens et des consommateurs qui sont évidemment les premiers impactés par tout ce type de promotion et d'influence à l'achat de surconsommation sur les réseaux sociaux.
De Amerikaanse invoerheffingen
De stand van zaken met betrekking tot de Amerikaanse invoerheffingen
Trump en de douanetarieven
Amerikaanse invoerheffingen en douanetarieven onder Trump
Gesteld door
N-VA
Charlotte Verkeyn
N-VA
Charlotte Verkeyn
PTB
Raoul Hedebouw
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Europa’s afhankelijkheid van de VS en de noodzaak tot diversificatie van handelspartners door Trumps dreigende invoerheffingen (tot 200% op farmacie, staal, halfgeleiders). De Wever bevestigt dat Europa onder druk staat, maar ziet kansen in vrijhandelsakkoorden (Mercosur, India, CETA) en interne marktversterking om de VS-afhankelijkheid te verminderen, hoewel een "middelmatig akkoord" met Trump beter is dan een handelsoorlog. Hedebouw waarschuwt dat de VS hun economische dominantie met militaire middelen willen behouden, pleit voor een alliantie met BRICS-landen om de dollardominantie te doorbreken, en vreest dat Europa’s aarzeling tot een inter-imperialistische oorlog kan leiden. Beide benadrukken de urgentie van een strategische heroriëntatie, maar verschillen in optimisme over Europa’s bereidheid daadwerkelijk te breken met de VS.
Voorzitter:
Mevrouw Verkeyn is afwezig. Mijnheer Hedebouw, u hebt opnieuw het woord.
Raoul Hedebouw:
Mijnheer de minister, ik dacht dat mijn collega's erbij gingen zijn voor mijn laatste vraag, maar goed. Het betreft een discussie over de invoerheffingen van Trump. Mijn vraag is natuurlijk een beetje gedateerd, het onderwerp is nu opnieuw in de actualiteit. We stellen vast dat Trump ons nog steeds laat wachten op een definitieve beslissing.
Ik heb een duidelijke vraag. Is er binnen de federale regering naar aanleiding van de sancties die Trump ons oplegt via zo'n hoge tarieven een strategische discussie gaande over het feit dat we een diversificatie moeten hebben van ons commercieel en economisch beleid? Onze afhankelijkheid van de Verenigde Staten op het vlak van wereldhandel dreigt ons immers in de komende weken, maanden en jaren duur te zullen kosten.
Mijnheer de minister, is het niet het geschikte moment om onze commerciële partners wereldwijd te diversifiëren? Dat lijkt enigszins haaks te staan op bepaalde recente uitspraken over een nieuwe Koude Oorlog enzovoort. We stellen vast dat Trump zich ook nerveus opstelt tegenover de BRICS-landen, die bezig zijn met het uitbouwen van een zekere autonomie, zowel op monetair als op economisch vlak.
Wat verwacht u van Trumps beslissing? Is er al een inschatting of projectie binnen de federale regering? Ik besef dat dat een moeilijk vraagstuk is. Bestaat er binnen de federale regering een duidelijke visie over diversificatie van onze commerciële partners en over het stoppen van onze afhankelijkheid van de Verenigde Staten, onder andere rond dit vraagstuk?
Bart De Wever:
We hebben deze discussie vanochtend eigenlijk al grotendeels gevoerd tijdens de debriefing van de laatste Europese Raad. De onderwerpen die u aanhaalt, zijn daar breed besproken. De vraag blijft natuurlijk hoe het zal aflopen met het tarievenvraagstuk.
Iets zegt mij – dan zeg ik meer dan vanmorgen – dat het nooit goed zal zijn. Ik denk niet dat we nog aan het reciprocal tariff van 10 % zullen ontsnappen en dat we al blij mogen zijn als het daarbij blijft. Dat noopt ons er uiteraard toe om ernstig na te denken over de elementen die u opwerpt.
Onze belangrijkste handelspartner zegt immers dat hij zijn eigen consumenten wil belasten met 10 %, want dat is het eigenlijk: een belasting voor Amerikaanse consumenten, in de hoop dat de industrie zich daardoor zal verplaatsen en naar de VS zal terugkeren. Daarbij gaat men dan ook nog eens strategische sectoren viseren: de automobielindustrie, staal, aluminium, farmaceutische producten en halfgeleiders. Ik vergeet er nog een. De vraag rijst dan of het akkoord wel alle sectoren zal dekken en of we daarover niet opnieuw zullen moeten onderhandelen.
Er wordt zelfs gedreigd met tarieven tot 200 % in de farmaceutische sector. Daarbij wordt een redenering bovengehaald die allesbehalve logisch is. Over de verkoopprijs van geneesmiddelen kan men veel zeggen – ik zal uw mond niet openbreken, of we zitten hier morgen nog, en overmorgen ook –, maar zeggen dat het de schuld zou zijn van de Europese handelspraktijken dat medicijnen in Amerika duurder zijn, is onzin. Als men die onzin aan de eigen publieke opinie presenteert en die mensen dat geloven, dan worden zaken als heel hoge tarieven plotseling denkbaar en is het einde van onze miserie nog niet in zicht. We krijgen dan een feuilleton van ellende dat maar blijft duren.
Dat noopt inderdaad – u hebt uw vraagstelling veranderd, en ik zal ze niet ontwijken – tot reflecties over onze waardeketens in de wereld en de vraag of we die kunnen diversifiëren. Er tekent zich inderdaad een beeld af, zoals ik vanmorgen ook aangaf, waarbij heel Europa zich die vragen stelt. We hebben daar op de laatste vergadering van de Raad een open discussie over gehad. Die was niet direct gebonden aan conclusies of beslissingen, maar dat zijn vaak de interessantste gesprekken, omdat men dan een libre échange van ideeën krijgt.
Daarbij stelt men toch een evolutie vast. Landen die traditioneel hun sectoren sterk willen afschermen ten opzichte van opkomende economieën zoals de ASEAN-landen, India of Latijns-Amerika, heroverwegen nu hun positie. Plots kijken ze of ze toch niet over hun schaduw willen stappen en bijvoorbeeld de handelsovereenkomst met Mercosur willen ratificeren, waar al twintig jaar over wordt gediscussieerd. Ze vragen zich plots af of CETA, dat eerder op verzet stuitte maar intussen zeer positief is geëvalueerd, toch niet de richting is die men wil inslaan. Ze vragen zich af of we niet meer toenadering moeten zoeken tot landen als India en er akkoorden mee moeten sluiten. In een wereld die steeds meer bipolair wordt, met aan de ene kant China, met Rusland als vazalstaat, en aan de andere kant de VS, is India op zoek naar partners die bieden waar Europa sterk in is: rechtszekerheid, stabiliteit, respect voor de democratische rechtsstaat en multilateralisme.
De diversifiëring van de waardeketens leidt nu al tot beslissingen, hier in Europa en ook in andere delen van de wereld, waarbij contracten worden toegewezen. Ik moet voorzichtig zijn want ik wil de realiteit of lopende commerciële besprekingen niet beïnvloeden, maar sommige onderhandelingen kunnen nu bijna afgerond worden, terwijl ze een paar jaar geleden wellicht niet in die richting zouden zijn geëvolueerd.
Dat is dus interessant. Dat is op zich de opportuniteit die voortkomt uit de druk waaraan Europa momenteel onderhevig is. We staan onder druk, en dan kunnen er twee dingen gebeuren. Men kan in alle richtingen stuiven, maar men kan ook samengedrukt worden. Ik probeer optimistisch te zijn – dat is niet mijn natuur –, maar ik heb de indruk dat op dit moment het grootste deel van Europa wordt samengedrukt en dus eigenlijk over de schaduw van particuliere belangen heen kijkt naar vraagstukken zoals het voltooien van de interne markt en het wegwerken van interne handelsbarrières, op goederen, maar zeker ook op diensten. We worden ook samengedrukt op het vlak van vrijhandelsakkoorden – neem nu Mercosur –, tot op een punt waarop we beseffen dat we vooruit moeten en ons minder afhankelijk moeten maken van handelsstromen zoals we die traditioneel altijd hebben gekend.
Trouwens, het gaat niet alleen over opkomende economieën. Ook volwassen economieën, zoals Canada, Australië en Japan, sluiten zich bij die beweging aan. Dat is een heel interessante evolutie om de komende maanden en jaren verder te verkennen.
Ik rond af, want ik zie dat ik zwaar over de tijd ga.
Ik weet niet hoe het zal aflopen met de tarievenoorlog. Ik denk dat we moeten hopen op een akkoord. Een akkoord, zelfs een middelmatig akkoord, is beter dan een goede oorlog, want een goede oorlog betekent voor een open exporteconomie dat wij de eerste klappen krijgen. Laat ons realistisch zijn, want de haven van Antwerpen is de first port of call voor Noord-Amerika. Er is dus heel veel trafiek. Wij hebben een handelstekort met de Verenigde Staten, zowel in goederen als in diensten, en zij weten dat maar al te goed. Wij zijn zeer sterk blootgesteld in de farmaceutische sector en, samen met Nederland, ook in halfgeleiders, maar zeker in de farmasector. In nominale termen bestaat 25 % van onze export naar de Verenigde Staten uit farmaceutische producten. Als we dus naar een handelsoorlog evolueren, dan weten we één ding zeker: wij krijgen de eerste klappen. Zelfs als we die oorlog uiteindelijk zouden winnen, krijgen we op korte termijn klappen. België is dus gebaat bij een akkoord. Zelfs een middelmatig akkoord is voor ons beter dan een goede oorlog.
Dat ontslaat ons echter niet van de diepere oefening om hier lessen uit te trekken. De militaire afhankelijkheid waarin we ons bevinden, heeft onze positie tegenover de Verenigde Staten sterk verzwakt. We kunnen hun capaciteiten op het terrein niet vervangen, zelfs niet als we dat zouden willen. Dat versterkt uiteraard onze positie in dit debat niet. We hebben dus nog huiswerk te doen om onszelf te versterken.
Het militaire debat hebben we gevoerd. Commercieel moeten we ons huiswerk nog doen, onder meer door onze interne markt te versterken. Vanuit die sterke positie kunnen we dan naar de rest van de wereld kijken om te zien of er geen nieuwe vrienden zijn die we zouden kunnen leren kennen of oude vrienden die we nog veel beter zouden kunnen leren kennen en verkennen.
Ik hoop dat het de komende tijd die richting uitgaat. Het regeerakkoord is een beetje wishy-washy over Mercosur, maar ik hoop dat we in die beweging ook intern de kracht vinden om te zeggen dat bepaalde sectoren weliswaar geaffecteerd zullen worden als men vrijhandel zou organiseren, maar dat we er aan het einde van de rit allemaal samen sterker uit zullen komen, mits goede akkoorden.
Mijn excuses voor de overschrijding van de spreektijd, maar ik vind dit een belangrijk debat.
Raoul Hedebouw:
Mijnheer de eerste minister, ik wil u bedanken u dat u de tijd nam om de strategische discussie te voeren. We moeten dat meer doen in dit Parlement.
De wereld is effectief aan het wankelen. Wij hebben in de jaren '60, '70, '80 en '90 vanuit Europa, en vooral vanuit de Verenigde Staten, de economieën van het Zuiden platgebombardeerd met dumpingprijzen, of het nu ging over landbouwproducten, met de PAC, of over technologieën, de overheersing van het Westen op de Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse landen was heel groot. Het IMF is veel tussengekomen in al die landen. Op de vrije markt was het ordewoord van de Amerikanen, en deels ook van de Europeanen, toen wel om al die economieën plat te concurreren.
Wat er nieuw is sinds de Tweede Wereldoorlog – of zelfs ervoor, want in de tijd van de koloniën was dat ook niet het geval –, is dat de zuiderse landen op technologisch en industrieel vlak sterker beginnen te staan dan de Verenigde Staten. Dat is een nieuw gegeven, mijnheer de eerste minister. Wat doen Amerikanen dan op defensief vlak? Wat doet een economische wereldmacht als ze economische industrie verliezen? Dan beginnen ze een tarievenoorlog om hun eigen economie te versterken.
Ik denk dat Europa daarin een keuze moet maken. Al die landen in het Zuiden zijn het beu dat de wereldeconomie – daarom draait het bij al die oorlogen – vandaag gebaseerd is op de totale dominantie van de dollar. Daaraan komt een einde, mijnheer de eerste minister. De discussie is wat Europa dan gaat doen. Gaat Europa de Amerikanen volgen, zowel op militair als op economisch vlak, of niet?
Ik voel bij de Europese Commissie niet dat er veel wil is om onafhankelijk te zijn. U zegt dat er stilaan vooruitgang is, dat er discussie is – u bent aanwezig aan de tafel, u voelt dat er beweging is –, maar ik voel toch dat Europa nog steeds hoopt que nous allons tirer notre épingle du jeu avec les Américains au détriment du reste du monde. Ik denk dat dat gaat mislopen, mijnheer de eerste minister.
Ik vind dat Europa tegenover de BRICS-landen en de zuiderse landen een actieve rol moet spelen, want de Amerikaans gedomineerde wereld komt aan zijn einde. De Amerikanen gaan dat met militaire ingrepen proberen op te lossen.
Une superpuissance économique qui perd son pouvoir, c’est cela qui mène aux guerres mondiales. Elle va compenser sa faiblesse économique par la force militaire. Monsieur le premier ministre, si nous rentrons là-dedans, nous allons vers la guerre inter-impérialiste.
Je sens une ouverture, parce que l’Europe n’est plus dominante comme elle l’était après la Seconde Guerre mondiale, et certainement avant la Seconde Guerre mondiale. Nous devons saisir cette opportunité et tendre la main aux pays du Sud, quels que soient les régimes intérieurs de ces pays. Nous n’allons pas les juger sur leurs politiques intérieures. Au niveau international, nous avons besoin de trouver un autre concert des nations. Sinon, ce sera la guerre.
Ce qu'il s’est passé ces dernières semaines au Moyen-Orient, au Proche-Orient, ce que les Américains veulent faire avec la Chine et toute la région indo-Pacifique, si l’Europe suit, ce sera la guerre. Ces pays du Sud ne vont pas se laisser faire, monsieur le premier ministre.
Je sens une ouverture, en tout cas au débat. Je sens que les lignes ne sont pas figées. C’est pour cela que nous prenons un peu le temps aujourd'hui, et je vous remercie. J'espère que ce débat pourra se poursuivre dans les semaines et les mois à venir.
Voorzitter:
Mijnheer Hedebouw, uw volgende vraag gaat over "de tragere indexering van de uitkeringen" (56004487C)
Raoul Hedebouw:
Monsieur le président, je souhaite transformer cette question en question écrite. Je croyais que plus de collègues seraient présents ici aujourd'hui. Je ne vais pas monopoliser la parole.
De onderhandelingen met de legervakbonden
Het afspringen van het sociaal overleg bij Defensie
Het sociale plan voor militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming
De stand van zaken betreffende de onderhandelingen met de legervakbonden
Het sociale plan voor militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming
Het sociaal plan voor de militairen
De sociale onderhandelingen bij Defensie
De onderhandelingen met de legervakbonden
Het sociaal overleg
Het sociaal overleg met de legervakbonden
Het sociaal overleg bij Defensie
Sociaal overleg en pensioenhervorming bij Defensie
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de omstreden pensioenhervorming voor militairen, waarbij de pensioenleeftijd van 57 naar 67 jaar wordt opgetrokken, wat leidt tot massaal verzet bij syndicate en militairen. Kritiekpunten: de maatregel wordt gezien als sociaal dumping (verlies aan inkomen, gebrek aan erkenning, onrealistische fysieke eisen), dreigt een leegloop van ervaren kader te veroorzaken en kost 4 miljard extra zonder garanties voor betere loopbaanomstandigheden. Syndicaten verlieten onderhandelingen na beschuldigingen van minachting en gebrek aan transparantie, terwijl de minister geen concrete plannen of tijdlijn voorlegt, wat de onrust verergert. Kernvraag: hoe verzoent de overheid budgettaire noodzaak met behoud van gemotiveerd personeel, gegeven de krappe arbeidsmarkt en afhankelijkheid van technisch gespecialiseerd kader?
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, vous êtes d'accord avec moi pour dire que la ministre Dedonder a fait du bon travail en matière de personnel, vous l'avez d'ailleurs déjà dit. Vous auriez pu vous glisser dans ses baskets et continuer son travail. Pourtant, vous êtes en train de faire tout le contraire. La plus importante des régressions sociales en matière de statut militaire est l'allongement unilatéral de plus de 10 années de leur carrière, en rupture totale avec le contrat social qui les unit avec la société belge.
Pourtant les chiffres de l'état-major de la Défense parlent d'eux-mêmes: cette mesure est non seulement injuste sur le plan social, mais elle est aussi une aberration pour l'avenir de notre Défense! On parle d'un surcoût de 4 milliards d'euros selon les chiffres de l'état-major, autant de moyens qui ne pourront pas être utilisés pour réinvestir dans notre armée.
Nous avons longuement eu l'occasion d'en parler lors des débats sur votre exposé d'orientation politique et votre note de politique générale. Aujourd'hui, nous apprenons que l'ensemble des syndicats militaires ont quitté prématurément les discussions, que vous aviez péniblement mises en place, où vous deviez leur présenter les mesures prévues. Les syndicats vous reprochent notamment, selon la presse, "un mépris flagrant envers le métier de militaire" et estiment que l'accord de gouvernement menace de saper l'équilibre du statut militaire.
Monsieur le ministre, alors que vous annonciez faire de l'humain une priorité, pouvez-vous m'indiquer la teneur de cette réunion ainsi que me communiquer les mesures que vous avez avancées? Quel est le calendrier des négociations? Vous aviez annoncé un accord social. Quelles sont vos intentions et marges de manœuvre?
Qui participe aux réunions au cabinet du ministre des Pensions sur la pension des militaires? Y a-t-il quelqu'un de votre cabinet ou quelqu'un de la Défense pour défendre nos militaires? Je pense que les appétits du ministre Jambon en la matière ne sont pas de nature à plaire aux militaires.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, u onderhandelt al een tijdje met de militaire vakorganisaties over een nieuw sociaal plan voor de militairen. Dat loopt, als ik sommige communicaties mag geloven, niet van een leien dakje. De aanleiding is uiteraard de onrust bij de militairen over de geplande verhoging van de pensioenleeftijd. Ik heb vorige week al aangegeven dat die onrust naar mijn mening deels terecht is. Het pensioen is een soort voorafbetaling op het loon of op de erkenning die zij tijdens hun loopbaan niet hebben gekregen. Dat versnelde pensioen is altijd een vorm van pay-off geweest voor de militairen.
Als we daaraan sleutelen – ik ben daar net als mijn partij voorstander van – moeten wij tegelijk ook sleutelen aan de loopbaan en de loonvoorwaarden. U hebt er steeds op gewezen dat u een sociaal plan wilt realiseren waarbij de pensioenhervorming zal doorgaan, maar waarbij ook aan het statuut van de militair grondig zal worden gesleuteld.
Daarom heb ik enkele vragen. Ten eerste, wat is voor de pensioenleeftijd de stand van zaken in het dossier van de pensioenhervorming voor militairen? Welke modaliteiten worden momenteel besproken of overwogen? Denk daarbij aan de pensioenleeftijd, het systeem van vervroegde uittreding en de berekeningswijze van het pensioenbedrag.
Welke overgangsmaatregelen, waarover ook grote onrust heerst, of overgangsperiodes worden er ingebouwd voor het personeel dat nu actief in dienst is?
Hoe verlopen de onderhandelingen over het sociaal plan met de vakorganisaties op dit moment? Zijn er al concrete akkoorden bereikt of belangrijke knelpunten geïdentificeerd?
Welke concrete maatregelen bent u van plan te treffen om de loonvoorwaarden binnen defensie te verbeteren?
Zal de hervorming van het statuut van de militair worden gekoppeld aan de pensioenhervorming?
Charlotte Deborsu:
Monsieur le ministre, fin mai, vous avez rencontré les représentants syndicaux du secteur militaire afin d'aborder la délicate question des pensions. Cette réunion s'est malheureusement soldée par un départ prématuré des syndicats, ce qui témoigne des tensions persistantes sur ce dossier sensible.
Parmi les principales préoccupations exprimées, l'augmentation de l'âge de la pension envisagé à 67 ans et la question des heures prestées non rémunérées. Les syndicats vous reprochent aussi de privilégier les investissements dans de nouveaux équipements lourds plutôt que de défendre les intérêts du personnel. Et là, je les cite: "On va avoir une armée avec des F-35 rutilants, des frégates dernier cri, mais plus personne pour piloter ces avions ou barrer ces navires." Les syndicats vous avaient par ailleurs adressé une série de questions en espérant une réponse pour le 6 juin dernier.
Monsieur le ministre, dans un esprit constructif, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Quel bilan tirez-vous de cette réunion et quelles pistes envisagez-vous pour retisser un dialogue apaisé et efficace avec les partenaires sociaux? Une réponse a-t-elle été apportée aux syndicats à la date du 6 juin comme ils le souhaitaient? Envisagez-vous d'ouvrir certaines marges de négociation, notamment sur l'âge de la pension, afin de trouver un compromis équilibré? Avez-vous prévu un calendrier de discussion ou une nouvelle méthode de concertation pour restaurer la confiance? Enfin, comment conciliez-vous les impératifs liés à la modernisation de notre Défense avec la nécessité d'un soutien fort au personnel qui en est le pilier?
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, om aan de verwachte negatieve gevolgen van de pensioenhervorming te remediëren, wat absoluut noodzakelijk is, hebt u enige tijd geleden geopperd om een sociaal plan op te stellen.
De militaire vakorganisaties die we hier in de commissie gehoord hebben, hebben al veel eerder gewaarschuwd voor een mogelijk hogere uitstroom. De pensioenhervorming is immers onlosmakelijk verbonden met de loopbaan van de militair. De bezorgdheid leeft dat die loopbaan minder aantrekkelijk zou kunnen worden voor eventuele nieuwe rekruten, maar ook voor de mensen die op dit moment al actief en noodzakelijk zijn voor de werking van onze defensie op het terrein.
Die onzekerheid op het terrein is vandaag de dag sterk voelbaar. Dat merken we in de contacten met militairen. Het is daarom van groot belang dat men zeer omzichtig omspringt met die pensioenhervorming en met de invulling van het sociaal plan. Het effect op het personeelsbestand moet uiteraard goed worden opgevolgd, want u hebt de doelstelling vooropgesteld om tegen 2030 naar minstens 29.000 personeelsleden bij defensie te evolueren.
Zoals ik al eerder zei, is het personeel het grootste kapitaal van ons defensieapparaat. Zonder dat personeel hebben de plannen die u daarnet hebt toegelicht, de bijkomende investeringen en middelen, weinig zin.
De militairen voelen zich al maanden te weinig gehoord. We hebben de vakorganisaties hier aan het begin van dit jaar mogen horen. Die hoorzittingen waren voor velen echt een eyeopener. Er werd onder meer gesproken over de werkomstandigheden, over zeven jaar op een volledige loopbaan die niet worden vergoed enzovoort.
Mijnheer de minister, hoe ver staat u met de ontwikkeling van dat sociaal plan? Enige tijd geleden is het overleg daarover niet in de beste omstandigheden afgelopen, om het eufemistisch uit te drukken. Wat is de timing om uw plan aan deze commissie voor te leggen? Wat is uw plan om mee te gaan in de koppeling van de pensioenhervorming en de loopbaanhervorming?
U hebt in een eerder antwoord gezegd dat het regeerakkoord stipuleert dat we de specificiteit van het militair statuut erkennen en dat we de deelname aan externe missies en operationele eenheden positief willen herwaarderen en in rekening brengen. Wat is daar op dit moment de stand van zaken?
Wat zijn de overgangsmaatregelen die u eventueel zult nemen? Hoe bereidt u zich voor op de eventuele lagere instroom en de hogere uitstroom, zeker in de categorie tussen 35 en 40 jaar, die zich dreigt voor te doen? Wat is uw voorbereiding op dat vlak, als de voorziene pensioenhervorming effectief wordt doorgevoerd?
Stéphane Lasseaux:
Monsieur le ministre, à la fin du mois de mai dernier, les quatre organisations syndicales représentatives des militaires claquaient la porte lors de négociations sociales liées à l'harmonisation des régimes de pension des militaires. Certains vous ont reproché un mépris flagrant envers le métier de militaire, ce qui n'est certainement pas le cas pour ceux qui vous connaissent. Nous en sommes bien conscients. Par contre, nous savons que votre style très direct, que je peux apprécier personnellement, n'est pas toujours aimé par vos interlocuteurs. Néanmoins, nous savons que la décision dans l'accord de gouvernement d'harmoniser ce régime de pension n'est pas une décision aisée à mettre en œuvre. C'est pourquoi l'accord de gouvernement prévoit des dispositions particulières, notamment pour les militaires partis en opération.
Au-delà des postures politiques, il est temps de faire le bilan de ce dossier et de pouvoir se rendre compte de l'état des négociations. Pour Les Engagés, une concertation sociale aussi apaisée que possible est essentielle dans toute réforme. Il faut aussi se donner le temps de négocier et de ne pas trop brusquer ses interlocuteurs, spécialement quand les mesures adoptées sont difficiles pour ceux qu'ils représentent.
Monsieur le ministre, quelles sont les conditions exactes qui ont été offertes durant la négociation? Avez-vous effectué des simulations sur les éventuelles pertes de revenus que subiraient les futurs militaires pensionnés, et si oui, quels sont les résultats? Quelles mesures d'accompagnement sont-elles envisagées? Allez-vous offrir d'autres avantages sociaux au cours de la carrière qui pourraient adoucir les mesures envisagées? La Défense a-t-elle déjà subi des démissions se justifiant par le changement du régime des pensions? Quand comptez-vous aboutir et nous présenter le résultat de vos négociations?
Koen Van den Heuvel:
Sociaal overleg is voor mijn partij een heel belangrijke zaak, des te meer gelet op de uitdaging waarvoor we met onze militairen staan.
Bij hervormingen is het altijd een uitdaging om mensen mee te krijgen in het verhaal en hen te overtuigen van de noodzaak ervan. We kunnen daar pas in slagen, als we een aantal bezorgdheden en onduidelijkheden zo snel mogelijk wegnemen en hen met respect bij die uitdagingen betrekken.
Ik merk in mijn gesprekken met militairen dat zij enerzijds wel begrip tonen voor de situatie. Als iedereen langer moet werken, tot 67, dan begrijpen zij dat pensioen op 56 jaar wellicht niet haalbaar is. Anderzijds willen ze ook respect voor hun situatie en begrip voor hun bijzonder statuut, dat er niet zomaar is gekomen. Dat statuut werd hun verleend, omdat zij op een heel flexibele manier ten dienste van ons land moeten staan, zowel binnen- als buitenlands, en een antwoord moeten bieden op heel specifieke uitdagingen. Daarom is het essentieel dat hervormingen op een respectvolle manier worden doorgevoerd.
We hebben onze militairen nodig, willen we een betere paraatheid en willen we een succesvolle hervorming van het leger. Het is niet voldoende om miljarden te investeren in extra materieel. Dat materieel moet namelijk ook kunnen worden gebruikt door militairen, die beter opgeleid moeten zijn.
Daarom hadden we graag een stand van zaken gekregen, mijnheer de minister. Er bereiken ons namelijk uiteenlopende signalen.
Het is een heel belangrijk dossier en we rekenen erop dat u er met de nodige takt en diplomatie werk van maakt.
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, la note de politique générale en matière de défense indique qu’il est évident que la concertation et l’implication des partenaires sociaux sont essentielles pour assurer une transition dans de bonnes conditions.
Pourtant, les syndicats ACMP et ACOD indiquent qu’il n’y a aucune transparence concernant l’accord social. Pouvez-vous donc expliquer quelles démarches concrètes ont été entreprises pour impliquer les partenaires sociaux dans les négociations de cet accord? De quelle manière leurs contributions sont-elles prises en compte?
Par ailleurs, la note de politique souligne "la spécificité de la profession militaire, qui implique des obligations et des sacrifices uniques". Les syndicats militaires expriment un tout autre son de cloche: "Ce qui nous a été proposé défie toute forme de respect pour la profession militaire. Sous couvert d’harmonisation, l’exécution de l’accord de gouvernement menace de saper complètement l’équilibre du statut militaire." Ils dénoncent le fait que vous procédez à une harmonisation "vers le bas".
Monsieur le ministre, quelle est votre réponse aux critiques des syndicats, qui qualifient votre proposition de "rien de moins que du dumping social: conditions de travail insuffisantes, manque d’attention au bien-être, et un manque structurel de reconnaissance"?
Enfin, pouvez-vous clarifier ce que la vision stratégique implique concrètement pour les pensions et les conditions de travail du personnel militaire, compte tenu de leur légitime inquiétude face aux baisses annoncées?
Darya Safai:
Mijnheer de minister, laat ik beginnen met een diepe erkenning van het werk, de inzet en de opofferingen van onze militairen. Ze vormen het fundament van onze nationale veiligheid, nu meer dan ooit, gezien de veranderende geopolitieke omstandigheden. Ze verdienen respect en structurele garanties, ook op lange termijn.
Dat respect houdt ook in dat we een eerlijk beleid voeren en een toekomst uittekenen. Dat hebben voorgaande partijen nagelaten. Precies dat is wat de hervorming beoogt en waarin wij u steunen. Gelet op de demografische realiteit en de budgettaire grenzen, kunnen we het ons niet veroorloven om weg te kijken. Andere sectoren, zoals de politie en de ambtenarij, moeten eveneens worden hervormd. De kosten van de vergrijzing zijn aanzienlijk.
De budgettaire situatie is wat ze is en verre van rooskleurig. Het militaire pensioenstelsel bleef tot nu toe grotendeels buiten schot, maar dat is helaas niet langer houdbaar. We begrijpen dat het geleidelijk optrekken van de pensioenleeftijd gevoelig ligt, maar we spreken hier over een modernisering, niet over afbraak. U hebt bovendien aangekondigd dat er een termijn en een perspectief moeten komen. Graag kreeg ik een stand van zaken.
Axel Weydts:
Mijnheer de voorzitter, ik had geen vraag ingediend, omdat ik het thema al in plenaire vergadering aankaartte, maar ik sluit mij graag aan bij het debat.
Gisteren had ik toevallig nog een een-op-eengesprek met een van onze vakorganisaties. Ik doe dat op regelmatige basis, omdat ik het belangrijk vind om te luisteren naar wat er leeft bij de vakorganisaties en uiteraard bij onze militairen zelf. Het is normaal dat er veel ongerustheid heerst, zeker bij wie aan de vooravond van zijn of haar pensioen staat. Voor mij is het nog veraf, maar wie op twee jaar van zijn pensioen staat, begint plannen te maken. Men kijkt dan vooruit naar een tweede leven, naar meer tijd met gezin, kinderen en kleinkinderen, tijd die er tijdens de loopbaan vaak niet was voor onze militairen.
Het is dus logisch dat daar op dit moment heel veel ongerustheid is. In die zin zou het goed zijn dat er zo snel mogelijk duidelijkheid over die maatregelen komt en er zo snel mogelijk een sociaal akkoord komt. Dit gezegd zijnde, een goed sociaal akkoord is nog altijd beter dan een snel akkoord. Ik begrijp het dus wel dat er tijd genomen wordt, zodat er voldoende met de verschillende vakorganisaties kan worden overlegd. Wie met vakbondsafgevaardigden spreekt, zal al begrepen hebben dat ze wel begrip hebben voor de harmonisatie van de pensioenleeftijd, althans zo luiden de signalen die ik bij de vakorganisaties opving.
Daar moet uiteraard wel een compensatie tegenover staan. Dat brengt ons bij het debat over een uur is een uur. In de hoorzittingen hebben we vernomen dat veel militairen eigenlijk zeven jaar presteren, zonder daarvoor vergoed te worden. Daar ligt de sleutel tot succes voor de totstandkoming van een sociaal akkoord. Wie ben ik om u een tip te geven, mijnheer de minister, maar ik doe het toch. Ik heb uit mijn contacten begrepen dat het een goede zaak zou zijn, als er niet alleen een geldelijke vergoeding, maar ook een gedeeltelijke compensatie in tijd van het principe een uur is een uur komt. Als de regering dat overweegt, moet een sociaal akkoord mogelijk zijn.
Ik wens het u en vooral onze militairen toe. Zoals ik immers al zo vaak heb gezegd, wat zijn al die nieuwe capaciteiten waard, als er geen gemotiveerde militairen zijn om die in te vullen?
Theo Francken:
Je vous remercie beaucoup pour toutes vos questions et vos préoccupations concernant le personnel et l’accord social.
Je mène actuellement de nombreuses discussions sur l’accord social potentiel. J’ai rencontré les vice-premiers ministres. J’ai partagé un petit-déjeuner avec M. David Clarinval ce matin. Nous avons parlé de beaucoup de choses, dont bien sûr le volet social. J’ai vu M. Vincent Van Peteghem et M. Frank Vandenbroucke hier. J'espère m'entretenir avec M. Maxime Prévot vendredi. Je rencontrerai les syndicats la semaine prochaine. J'espère obtenir un accord le plus vite possible.
Voorzitter:
U hebt uw spreektijd niet volledig benut, maar dat is niet erg.
Theo Francken:
Ik wil over het vorig debat wel nog enkele punten aanhalen.
Voorzitter:
Zo werkt het niet, mijnheer de minister.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, là, vous m’étonnez. Vous avez toujours beaucoup de choses à dire, et là, je vous sens en difficulté. Le fait que vous vous taisiez sur un sujet aussi important témoigne du fait que vous n’êtes pas sûr de gagner le défi que vous nous avez annoncé, qui était d’apporter une solution en faveur des militaires.
Theo Francken:
Le silence est d'or.
Christophe Lacroix:
Certes, il est vrai que le silence est d’or et la parole, d’argent. Vous avez raison, monsieur le ministre.
J’entends qu’il s’agit, selon vous, de manipulations politiques, qui agitent les militaires. Mais, quelque 5 000 militaires ont tout de même manifesté en rue. Vous avez dit vous-même que c’était important, car ils ont dû prendre congé pour le faire. Vous en connaissez beaucoup, des personnes qui prennent congé pour aller manifester dans la rue? S’ils l’ont fait, c’est qu’il vit une grande inquiétude parmi les militaires et les syndicats. Je suis très inquiet qu’il n’y ait pas, dans les réunions avec le ministre des Pensions, de représentants des syndicats ou du secteur de la Défense. À quelle sauce seront-ils mangés? Voilà ce qui m’inquiète.
J’ai l’impression que l’on exige des militaires une capitulation sans conditions. Quand j’entends les collègues de la majorité affirmer que les militaires comprennent bien qu’il n’est plus tenable de maintenir les pensions à 57 ans, je me demande si vous avez parlé avec les militaires. Ce n’est pas du tout ce que j’entends!
Il y a en outre des choses que je ne comprends pas. D’abord, et il s’agit de bon sens, l’allongement de la carrière coûtera 4 milliards en plus. Donc, budgétairement, il faudra déjà trouver ce montant. Ensuite, on annonce aux militaires qu’ils seront confrontés à des situations plus difficiles, qu’ils devront peut-être même faire la guerre, être beaucoup plus exposés qu’ils ne l’étaient hier, et ce, jusqu’à 67 ans. Comment peut-on tenir un langage pareil alors qu’il faut motiver nos troupes? Alors certes, nous aurons du beau matériel et pourrons bander nos muscles, mais il n’y aura personne pour le faire fonctionner! Car il y aura une hémorragie à un moment donné: le taux d’attrition est connu, ainsi que le manque d’attractivité de la carrière militaire, même temporaire, auprès des jeunes. Il faut à mon sens faire très attention et être très vigilants, parce que nos militaires seront mangés à une sauce qu’ils n’apprécient pas.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, u neemt het spreekwoord 'spreken is zilver, zwijgen is goud' wel heel letterlijk. Dat ben ik niet van u gewoon, want u spreekt vaak zeer uitvoerig, maar nu dus niet.
Voorzitter:
Ik stel vast dat de oppositie het er lastig mee heeft.
Kjell Vander Elst:
Ja, eigenlijk wel.
Mijnheer de minister, ik heb liever meer informatie, maar ik begrijp uiteraard dat u niet uit de biecht klapt. Dergelijke gesprekken gebeuren beter in alle vertrouwelijkheid.
Wel is het een feit dat er grote ongerustheid heerst bij de militairen. We kennen allemaal wel militairen, en zeker de vakorganisaties signaleren ernstige bezorgdheid. Enkele militairen staan op dit moment op minder dan twee jaar van hun pensioen, maar ze weten niet eens of hun loopbaan met één, twee of drie jaar zal worden verlengd. Die situatie is niet lang meer houdbaar. Die militairen hebben recht op duidelijkheid. Ze maken plannen voor hun leven na hun militaire loopbaan, met eventueel andere professionele ambities. Er moet dan ook zo snel mogelijk duidelijkheid komen.
Ik hoop dat de pensioenhervorming gebeurt in samenspraak met de hervorming van het statuut. Als het sociaal plan allesomvattend is, kan iedereen worden gerustgesteld. Wat we op dit moment echt kunnen missen als kiespijn, is een uitstroom of leegloop van het middenkader. Als dat gebeurt, staan we voor een gigantisch probleem, zowel qua tewerkstelling als voor de opleiding van jonge militairen, die momenteel in groten getale instromen.
Dat jongeren zich aangetrokken voelen tot defensie, is uiteraard een positief signaal, maar ze moeten wel kunnen rekenen op ervaren militairen, met de nodige bagage en anciënniteit, die hen kunnen begeleiden en juist opleiden. Het zou geen goed signaal zijn als jonge militairen die nog maar een tot twee jaar in de organisatie actief zijn, wegens een gebrek aan ervaren personeel al andere militairen zouden moeten opleiden. Die situatie moeten we absoluut vermijden. Ik hoop dan ook dat u volgende week kunt landen met een sociaal akkoord, zowel voor de organisatie als voor de militairen, die momenteel nog in het ongewisse verkeren.
Charlotte Deborsu:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse courte mais intense, comme on dit en français.
Pour répondre également à M. Lacroix, j'ai la chance de m'endormir avec une militaire tous les soirs. Et je peux vous dire que, petit à petit, ils se font à l'idée de travailler plus longtemps. Mais, comme l'a dit mon collègue, Axel Weydts, cela ne doit effectivement pas se faire sans compensation.
Ici, on est à un véritable tournant au niveau de la Défense. C'est sûr. Vous l'avez dit et redit. Il va y avoir des investissements massifs, que nous soutenons à 300 %. Mais, soyons lucides, ce cap ne pourra être atteint qu'à une seule condition, c'est de pouvoir compter sur des militaires qui restent à 100 %, voire 3 000 % motivés et qui se sentent engagés plus que jamais.
Pour cela, monsieur le ministre, il faut les embarquer avec vous. Il faut leur parler et les écouter de sorte qu'ils se sentent respectés. Recréer un climat de confiance grâce à un vrai dialogue franc mais constructif, c'est primordial, capital. J'espère dès lors que la prochaine séance avec les syndicats se déroulera mieux que la précédente. En tout cas, nous comptons vraiment sur vous.
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, uw nietszeggend antwoord is bijzonder veelzeggend. Nochtans communiceert u doorgaans snel en veel, dus er klopt iets niet. Dit is nochtans een heel belangrijk debat. We lezen in de media immers heel veel over enorme uitgaven aan materieel, en dat is absoluut nodig, maar over het personeel horen we bijzonder weinig. Dat is frappant, want de motor van onze defensie zijn nog steeds onze militairen zelf, de mensen die op het terrein staan, die altijd al heel veel hebben moeten doen, en dat nog steeds doen, vaak met heel beperkte middelen.
Nochtans denk ik dat u in de vakorganisaties constructieve partners kunt vinden wanneer het over het sociaal plan gaat. Zij zijn bereid om voor een stuk mee te gaan in die maatschappelijke evolutie, ondanks alles. Het respect waarover u het in het verleden had, hebben zij echter niet gevoeld tijdens het laatste overleg.
Als ik zeg dat die onzekerheid op dit moment voelbaar is, dan is dat concreet meetbaar. Dat weet u als u zich op het terrein begeeft, waarvan ik weet dat u dat doet. Dat uit zich in tal van signalen, onder meer in een stijging van het aantal burn-outs, vooral bij militairen die op de rand van hun pensioenleeftijd staan. Zij weten totaal niet waar ze aan toe zijn. Dat uit zich ook in de zeer hoge uitval bij nieuwe kandidaten. Die uitval is niet nieuw, maar blijft constant. Het pensioendebat kan immers niet los worden gezien van een grondig loopbaandebat.
Zoals ik al zei in mijn vraagstelling, u moet echt rekening houden met een verhoogde uitstroom, niet alleen bij de nieuwe rekruten, maar ook in de leeftijdscategorie tussen 35 en 45 jaar, als uw geplande pensioenhervormingen worden doorgevoerd. De drempel om aan te sluiten bij defensie wordt hoger, maar de drempel om bij defensie te blijven wordt eveneens hoger, in plaats van lager, zoals iedereen graag zou willen zien.
We staan voor heel veel wat grote uitdagingen op het vlak van personeel, niet het minst bij het vinden van technisch personeel en specifieke profielen, maar ook als het gaat over personeel voor bijvoorbeeld de cybermacht.
Ik wil u vragen om de onduidelijkheid op het terrein snel op te heffen en om werk te maken van een grondig sociaal plan, zodat iedereen actief bij defensie, weet waar hij voor staat.
Stéphane Lasseaux:
Monsieur le ministre, j'avais préparé une page blanche pour noter vos réponses. Je dois dire que mon stylo vous remercie. Plus sérieusement, j'ai bien compris que vous aviez des contacts en cours, puisque vous l'avez précisé. La parole est d'or et il faut en effet retenir vos réponses pour pouvoir en discuter avec vos partenaires et certainement aussi avec les syndicats.
Monsieur le ministre, vous êtes le pilote de l'avion Défense, alors embarquez l'ensemble du personnel avec vous, surtout ne vous crashez pas et ayez un atterrissage bien calme et bien tranquille parce que la concertation est un élément essentiel pour nous. Bonne continuation à vous.
Koen Van den Heuvel:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw kort maar duidelijk antwoord. De collega's hebben de uitdagingen al geschetst. We investeren enorm in materieel, maar we staan ook voor de uitdaging om in de volgende jaren het korps met enkele duizenden leden te zien aangroeien. Daartoe moeten de juiste omstandigheden gecreëerd worden. We hebben immers een krappe arbeidsmarkt.
Binnen het leger zijn er bovendien gezochte profielen nodig. Dat betekent dat het statuut voldoende aantrekkelijk moet zijn om kandidaten aan te trekken.
Daarnaast moet er duidelijkheid worden gecreëerd over de pensioenuitdaging. We kijken daar dan ook naar uit, want het is absoluut noodzakelijk om daar op zeer korte termijn klaarheid in te scheppen, zodat ook de volgende uitdaging aangepakt kan worden. Die uitdaging bestaat niet alleen uit de aankoop van extra materieel, maar ook uit het aantrekken van voldoende gemotiveerde mensen, om ook op dat vlak een stap voorwaarts te zetten.
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, la seule information que je retiens de votre réponse, c'est que le petit déjeuner est agréable avec M. Clarinval. Je suis content pour vous et je suis ravi que cela soit si agréable. Par contre, je ne sais toujours pas pourquoi les militaires ne se sentent pas respectés. Je ne sais toujours pas pourquoi leurs demandes et leurs revendications ne sont pas prises en considération. Et je ne sais toujours pas pourquoi ils quittent la table des négociations assez tôt, parce qu'ils ne se sentent pas entendus.
Nous savons, en tout cas, que dans le cadre de leurs revendications sur la question des pensions, 5 000 militaires ont manifesté parce qu'ils ne sont pas d'accord avec votre politique. Et je ne pense pas que les militaires se feront à l'idée de travailler jusqu'à 67 ans, parce que travailler jusqu'à 67 ans, ce n'est pas juste une idée. Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance quand on a un métier pénible. Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance quand on porte des sacs de 20 kilos avec lesquels on doit sauter dans une Jeep.
Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance pour l'ensemble de la classe travailleuse. Et en l'occurrence, même dans le secteur dans lequel vous investissez le plus, à savoir le secteur de la défense, les militaires sont mangés à la même sauce que l'ensemble de la classe travailleuse. Ils sont attaqués sur leurs pensions, sur le calcul de leurs pensions, ils vont perdre des centaines d'euros par mois. Voilà pourquoi ils ne sont pas contents, voilà pourquoi ils se mobilisent et quittent les tables des négociations!
Et aujourd'hui, quand on vous pose une question sur le malaise qui règne chez les militaires, votre réponse démontre que ce malaise est également présent au ministère de la Défense, pas seulement chez les militaires.
Darya Safai:
Bedankt, mijnheer de minister.
Wat dat sociaal plan betreft, zijn we blij dat u werkt aan een betere waardering van de operationele inzet. Er komt een herziening van het statuut waar nodig, met oog voor reële taken en belastbaarheid.
Mijnheer Boukili, er is geen sprake van een oorlogsverklaring tegenover de vakbonden. Ze werden uitgenodigd, er werd geluisterd, en er zal nog geluisterd worden. Overleg is echter geen eenrichtingsverkeer, ook van hun kant verwacht men werkbare, inhoudelijke voorstellen en openheid voor dialoog. Modernisering en hervormingen zijn nodig, met respect voor onze militairen en hun inzet voor onze veiligheid. We zullen afwachten wat het nieuwe sociaal akkoord brengt en dat blijven opvolgen.
Axel Weydts:
Mijnheer de minister, veel succes. Dat was nog korter dan uw antwoord.
Staf Aerts:
Mijn excuses. Ik zat nog vast in een andere commissie.
Voorzitter:
Ik heb dat gemeld.
Staf Aerts:
Dank u wel. Ik heb mijn vragen niet kunnen stellen, maar ik heb begrepen dat dat er ook niet toe doet, want ik heb gezien hoe lang de minister heeft geantwoord en ik ben er heel zeker van dat niet toevallig een van mijn vragen zou zijn beantwoord. Er is zelfs eigenlijk zo goed als niets beantwoord en dat vind ik pijnlijk. Dat is pijnlijk op een moment waarop 11 parlementsleden het nodig vinden om daar vragen over te stellen. U zult wel zien, zegt u. Nochtans is de situatie precair. Het is ook niet van gisteren dat dit aan de gang is. Het is intussen vier maanden geleden dat 5.000 militairen op straat zijn gekomen om te protesteren tegen het afbraakbeleid. Vier maanden geleden. Ondertussen is er een eerste en een tweede overleg geweest met alle vakbonden, maar dat tweede overleg werd door alle vakbonden met slaande deuren verlaten. Nu zijn we opnieuw bijna twee maanden verder en nu wordt er een nieuw overleg gepland, vier maanden na de staking, twee maanden nadat de vakbonden het overleg met slaande deuren hebben verlaten. Voor mij toont dat aan dat u de militairen absoluut niet op de eerste plaats zet, want als u dat wel zou doen, dan zou u dit beter opvolgen en ook antwoorden durven geven of toch op zijn minst een indicatie geven van waar u naartoe wilt om de bezorgdheden van de militairen weg te nemen. De militairen zijn immers bezorgd. Datgene waarover ze spreken, is niet niks: ondermaatse arbeidsvoorwaarden, te weinig aandacht voor welzijn, een schrijnend gebrek aan waardering, niets minder dan sociale dumping. Hoe ongerust kunnen vakbonden zijn? Dat leeft niet alleen bij hen, dat leeft bij een brede basis, want anders zou niet een op vijf militairen op straat komen. Onze militairen verdienen beter dan dat. Ze zijn het kloppend hart van onze defensie. U kunt nog zoveel wapens kopen als u wilt, maar als er niemand is om ze te hanteren, dan gaat dat allemaal teniet. Ik hoop dus, mijnheer de minister, dat er de volgende keer wel antwoorden komen en dat we niet telkens moeten wachten tot na de feiten, wanneer die feiten ook zullen plaatsvinden, want ik heb de indruk dat dat nog zeer lang zal duren.
De douanecontroles
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 8 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Belgische staat verliest miljoenen aan accijnzen door massale tabaksaankopen in Luxemburg, mede door ontoereikende douanecontroles ondanks 14.000 wegcontroles in 2024 (228 tabaksvaststellingen). Minister Jambon benadrukt dat de douane binnen wettelijke kaders fraude bestrijdt via risicogestuurde controles, internationale samenwerking en 2.700 tabaksgerelateerde inspecties, maar erkent geen structurele oplossing. Piedboeuf pleit voor een accijnsobservatorium om tarieven af te stemmen op buurlanden en zo grensoverschrijdende aankopen tegen te gaan, verwijzend naar eerdere beloftes zonder zichtbaar resultaat. De kern blijft: meer middelen en gecoördineerde prijsafstemming ontbreken om de fraude effectief aan te pakken.
Benoît Piedboeuf:
Monsieur le ministre, chaque semaine, du fait de l’augmentation du prix du tabac, des milliers de personnes franchissent la frontière pour acheter leurs cigarettes au Luxembourg, que ce soit pour leur consommation personnelle ou dans un but de revente, ce qui entraine un manque à gagner important pour l’État belge. Les contrôles douaniers sont jugés insuffisants, et certaines personnes affirment que la fraude est massive et visible. Les douaniers interpellés, quant à eux, disent manquer de moyens pour lutter efficacement contre cette fraude.
Compte tenu de ceci, quelles mesures comptez-vous mettre en place pour renforcer les contrôles douaniers et limiter ces achats transfrontaliers de tabac qui font perdre des millions d’euros en recettes fiscales à la Belgique?
Jan Jambon:
Monsieur Piedboeuf, l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) détecte activement la fraude au tabac et mène des enquêtes dans les limites de ses compétences légales. Pour ce faire, elle utilise ses propres méthodes de recherche et d'analyse ainsi que des méthodes de recherche nationales et internationales, par exemple la coopération et l'échange d'informations avec les autorités nationales et étrangères. Cela s'applique à la fraude et au commerce illégal en général et à la production et à la contrebande illégales de cigarettes.
Les compétences de l'AGD&A reposent sur la loi générale sur les douanes et accises coordonnée le 18 juillet 1977, le Code de procédure pénale et le règlement relatif au statut des officiers de police judiciaire.
Pour lutter contre la fraude au tabac, les douanes effectuent entre autres des contrôles sur la voie publique. Il s'agit de contrôles globaux au cours desquels des sous-domaines spécifiques sont examinés en fonction des risques évalués sur place. Le lieu du contrôle est également pris en compte dans l'évaluation des risques. Les contrôles sur la voie publique sont donc interprétés au sens large, impliquant une inspection visuelle superficielle de l'espace passager, de la cabine ainsi qu'une inspection du coffre ou de l'espace de chargement des véhicules utilitaires légers ou des remorques de camions.
Au total, les douanes ont effectué près de 14 000 contrôles routiers en 2024, au cours desquels les questions liées au tabac ont été spécifiquement abordées dans près de 2 700 cas et ont abouti à 228 constatations liées au tabac.
Les services des douanes continuent donc à renforcer les contrôles.
Benoît Piedboeuf:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. C'est vrai qu'il y a déjà beaucoup de travail mais je pense que mettre au point un observatoire des accises dans les différents pays autour de nous permettrait peut-être d'appliquer chez nous un taux d'accises suffisamment compatible avec celui des voisins pour éviter les évasions d'achats que l'on voit en permanence. Votre prédécesseur avait dit qu'il avait fait ce travail mais je n'ai jamais vu le système de comparaison.
De fiscale behandeling van optietransacties
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 8 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Vincent Van Quickenborne vraagt dringend om fiscale duidelijkheid over de behandeling van optiepremies (roerend inkomen of onbelast?) en de gevolgen bij uitoefening van geschreven opties, inclusief mogelijke meerwaardebelasting of solidariteitsbijdrage. Minister Jan Jambon bevestigt dat de kwalificatie afhangt van de context: premies kunnen als inkomen (art. 90 WIB) of beroepsinkomen worden beschouwd, terwijl fysieke levering van aandelen leidt tot een integrale beoordeling met mogelijk meer-/minderwaarde. De grijze zone blijft bestaan, aangezien concrete feiten de fiscale uitkomst bepalen. Van Quickenborne stelt het antwoord onvoldoende concreet en behoudt zich het recht voor om later terug te komen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ook deze vraag betreft een vrij complexe aangelegenheid. Opties zijn al lang niet meer het exclusieve terrein van professionele beleggers. Ik zie ook steeds meer particulieren die call- en putopties gebruiken om hun portefeuille te beschermen, zelfs om marktposities strategisch in te nemen.
Een van de mensen van gisteren, maar ik zal niet zeggen wie, vertelde me dat hij momenteel aan het shorten is op Tesla en goed bezig is, want Tesla stuikt ineen en die man verdient geld. Voor alle duidelijkheid, ik ben het niet. Op tv werd aan mensen gevraagd of ze meerwaardebelasting zullen moeten betalen. Om eerlijk te zijn, ik heb zelf één aandeel in portefeuille, meer bepaald van Sofina, dat u misschien kent, maar voor een beperkt bedrag. Verder heb ik een termijnrekening. Ik heb eigenlijk niet veel belegd op de beurs, als ik mij niet vergis. Voor mijn kinderen ben ik wel aan het sparen via beleggingen, een beetje geïnspireerd door Wouter De Both. Dat is echter volledig terzijde.
De fiscale behandeling van optietransacties is momenteel nog steeds zeer vaag. Er is een bijzonder grijze zone betreffende de verkoop of het schrijven van opties waarbij de belegger een premie ontvangt voor het aangaan van een contractuele verplichting tot aankoop of verkoop van aandelen.
Mijnheer de minister, de vraag luidt hoe die premie fiscaal wordt gezien. Is dat roerend inkomen of is het helemaal niet belast?
Wat gebeurt er wanneer een geschreven optie wordt uitgeoefend en men verplicht wordt om aandelen te kopen of verkopen tegen een vooraf vastgelegde prijs? In zulke gevallen ontstaan transacties zonder dat er steeds een effectieve winst of liquiditeit is, maar die kunnen mogelijk wel fiscale gevolgen hebben.
Welke fiscale kwalificatie wordt gegeven aan de premies die beleggers ontvangen bij het schrijven van opties?
Hoe wordt fiscaal omgegaan met de uitoefening van geschreven opties en in het bijzonder wanneer dat leidt tot een verplichte aankoop of verkoop van aandelen? Zullen die onderworpen zijn aan de solidariteitsbijdrage?
Zullen de opgestreken premies bij de verkoop van opties onderhevig zijn aan de meerwaardebelasting?
Jan Jambon:
Mijnheer Van Quickenborne, de geschetste problematiek is mij bekend. Het duidt op het onderscheid tussen een vergoeding die wordt bekomen uit de creatie of het schrijven van een optie en een meerwaarde die wordt gerealiseerd naar aanleiding van de aankoop en verkoop van een optie.
In de huidige stand van de wetgeving is een kwalificatie als inkomen onder artikel 90, 1ste lid, 1°, van het WIB mogelijk, maar dat is afhankelijk van de concrete feitenkwestie.
In voorkomend geval is ook een kwalificatie als beroepsinkomen mogelijk.
Indien een optie door de fysieke levering van aandelen zou worden vereffend, zal de transactie in haar geheel dienen te worden beoordeeld.
Het antwoord hangt dus af van het gegeven of dekkingsverrichtingen plaatsvinden waarbij aandelen worden gekocht of verkocht. Dergelijke transacties zouden aanleiding kunnen geven tot meer- of minderwaarde.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de voorzitter, hier ga ik even mijn joker inzetten. Dat doe ik niet vaak in mijn leven, maar nu doe ik het wel. Ik heb het antwoord van de minister beluisterd. Ik twijfel niet aan zijn goede bedoelingen, maar ik zal het antwoord nader bekijken en er eventueel op een later moment op terugkomen, aangezien de minister veel informatie gaf in korte tijd.
De invoerheffingen en het concurrentievermogen van Europa
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 3 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Bouchez kritiseert de dalende Europese industriële productiviteit (vs. Zwitserland) en waarschuwt voor ETS2-klimaatbelastingen (2027), die bedrijven verzwakken zonder milieuwinst, en vraagt duidelijkheid over douanetarieven (VS-EU-spanningen) en de voortgang van MAKE 2030 (industriële heropleving). De Wever bevestigt onderhandelingssteun voor EU-VS-handel, benadrukt vrijhandelsakkoorden (Mercosur, Inde, ASEAN) als prioriteit en ziet MAKE 2030 (met Clarinval) als sleutel voor competitieve, duurzame industrie, maar ontwijkt concrete ETS2-maatregelen. Bouchez hamerde op uitstel/herziening ETS2 en strategische investeringen, met voorwaarden voor akkoorden zoals Mercosur (*niet ten koste van landbouw*). Kern: industriele competitiviteit vs. reguleringsdruk en handelsoorlogen.
Georges-Louis Bouchez:
Lors des débats précédents, on a pu réaliser que pour le Parti Socialiste, on était riche à deux millions d'euros, ce qui montre quand même le niveau d'ambition. Mais on a eu droit au sketch habituel dans cette Assemblée sur le clivage qu'il y aurait entre la caissière et les épaules les plus larges. Parfois, c'est bien d'avoir une épaule large sur laquelle on peut se reposer, mais je suis toujours abasourdi de constater que l'on n'aborde pas le vrai problème de l'économie de notre pays et de l'Union européenne qui est résumé sur ce graphique, que vous pouvez regarder.
Il s'agit de l'évolution en 10 ans de la production industrielle en Suisse et en Europe. La Suisse, c'est la barre qui monte, l'Europe, c'est la barre qui s'effondre. On aura certainement besoin d'épaules larges pour investir dans notre pays. On aura aussi besoin, monsieur le premier ministre, de marchés économiques où l'on peut vendre. Ma première question vise donc à savoir où nous en sommes, entre les États-Unis et l'Europe, sur la question des taxes douanières. En effet, un accord a été trouvé avec la Chine, pas encore avec l'Europe, ce qui en dit beaucoup sur notre place réelle au niveau mondial.
Le deuxième élément si on veut de l'industrie, c'est d'arrêter de créer des lois sur des lois. Je voudrais vous interpeller sur le fameux Green Deal et un de ses versants, ETS2, qui devra s'appliquer en 2027. Tout le monde doit être conscient que c'est plusieurs centaines d'euros de taxes en plus sur les travailleurs, et des contraintes supplémentaires sur nos entreprises. Cela ne sauvera pas la planète mais cela achèvera définitivement notre industrie.
Le troisième élément, monsieur le premier ministre, est de savoir où nous en sommes sur le projet MAKE 2030 mis en œuvre avec David Clarinval pour permettre à la Belgique de redevenir l'acteur industriel qu'elle a pu être et qui sera fondamental pour le développement et le bien-être de notre pays.
Bart De Wever:
Cher collègue, comme vous le savez, le président américain a fixé une date limite au 9 juillet, après quoi il menace d'imposer des droits de douane de 50 % sur les produits européens. Nous approchons désormais de cette échéance.
Je continue à soutenir pleinement la stratégie de la Commission européenne. Nous devons tout mettre en œuvre pour faire aboutir les négociations et limiter autant que possible les dommages pour nos deux économies. J'espère qu'à terme, un nouvel équilibre pourra être trouvé, dans lequel les deux partenaires commerciaux sortiront gagnants par rapport à la situation précédente car le protectionnisme ne sert les intérêts de personne. Jamais!
Dans l'intervalle, nous devons tirer les leçons de cet épisode préoccupant, tant au niveau national qu'européen. Vous avez raison, il faut éviter à tout prix une hausse des taxes.
L'Union européenne doit se concentrer sur l'achèvement du marché intérieur et sur l'ouverture active de nouveaux débouchés pour nos entreprises. C'est également une opportunité d'aboutir sur l'accord du Mercosur et de conclure de nouveaux accords de libre-échange comme avec l'Inde ou l'ASEAN. La compétitivité de nos entreprises est l'une des priorités de l'accord de gouvernement. Dans toutes nos discussions au niveau européen, nous défendons les intérêts et la compétitivité de nos entreprises et veillons à préserver le pouvoir d'achat de nos ménages.
Enfin, comme vous le savez, David Clarinval et moi-même venons de lancer, avec les ministres-présidents des Régions, la plateforme MAKE 2030, dont l'objectif est de renforcer la compétitivité, la résilience et la durabilité de notre tissu industriel par une coopération accrue entre le gouvernement fédéral, les Régions et les partenaires économiques dans le respect de leurs propres compétences. Quatre groupes de travail prioritaires ont été lancés, mais il me manque du temps pour les nommer.
Pour ce gouvernement, notre industrie n'est pas un souvenir du passé mais le chemin vers un futur prospère pour nos entreprises et nos citoyens.
Georges-Louis Bouchez:
Je vous remercie, monsieur le premier ministre. Je comprends que les deux minutes étaient assez courtes pour pouvoir répondre à une question si vaste. Je voulais aussi vous la poser par rapport à l'intérêt stratégique de la possibilité d'investir pleinement au niveau de l'industrie et de pouvoir aussi faire évoluer les règles en la matière. J’insiste sur l’enjeu de l'ETS2. Vous avez parlé d’un groupe de travail en collaboration avec les Régions. C’est une bonne chose qu’elles puissent participer à cette volonté, à tout le moins reporter l’entrée en vigueur de ces dispositions européennes, et, si ce n’est pas possible, les revoir complètement. Nous n’avons, en effet, jamais sauvé la planète en créant des taxes. Elles ont peut-être, parfois, permis d’équilibrer légèrement des comptes publics qui ont trop souvent été mal gérés. J’insiste aussi sur la nécessité de pouvoir signer de nouveaux accords commerciaux. Je vous remercie pour cet engagement, à commencer par cet accord sur le Mercosur. Nous devons le faire, mais pas à n’importe quelles conditions ni sur le dos des agriculteurs!
De trage behandeling van visumaanvragen voor studiedoeleinden
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 2 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Buitenlandse studenten ondervinden structurele problemen met vertragingen in visumaanvragen en -verlengingen, wat studievertraging en administratieve hindernissen veroorzaakt, terwijl de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) geen behandelingstermijnen bijhoudt door systeembeperkingen en prioriteit geeft aan dossierafhandeling boven monitoring. Minister Van Bossuyt benadrukt dat studenten zelf verantwoordelijk zijn voor complete dossiers en dat piekbelasting voor het academiejaar wordt aangepakt met tijdelijke capaciteitsverhoging en sensibilisering, maar erkent dat extra middelen nodig zijn voor een structurele oplossing. Vandemaele hamert op het belang van vlotte procedures voor internationale samenwerking en klantgerichtheid, en pleit voor vereenvoudiging en betere organisatie om pieken op te vangen. Concreet ontbreekt een oplossing voor systematische monitoring en termijnoverschrijdingen, terwijl de focus ligt op ad-hocmaatregelen tijdens drukke periodes.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de minister, het is een probleem dat niet nieuw is. Uw voorgangster had er eveneens mee te maken. De federale ombudsman ontvangt al jarenlang tal van klachten van buitenlandse studenten over de behandeling van hun visumaanvragen. Dat probleem wordt dus reeds geruime tijd aangekaart.
De klachten gaan onder meer over het niet tijdig verwerken van visumaanvragen. In principe beschikt de DVZ over een termijn van 90 dagen om die aanvragen te behandelen, maar die termijn wordt niet altijd gerespecteerd. Het gevolg is dat sommige studenten hierdoor dreigen studievertraging op te lopen. Een ander pijnpunt is het niet tijdig verlengen van de verblijfsvergunningen. Studenten kunnen in dat geval een bijlage 15 ontvangen, maar daarmee ondervinden zij heel wat administratieve problemen.
Het uitwisselen van studenten op mondiale schaal biedt academisch gezien aanzienlijke voordelen, ook voor de landen van herkomst, waar deze studenten nadien naar terugkeren. Dat systeem biedt dus een belangrijke meerwaarde voor de ontwikkeling van die thuislanden. Als rijk westers land moeten wij dat systeem daadwerkelijk faciliteren zodat het goed functioneert, in plaats van louter te focussen op het respecteren van termijnen of het creëren van bijkomende moeilijkheden, zoals gesteld in het regeerakkoord.
Wanneer ik in mijn schriftelijke vragen naar cijfers vis, krijg ik steevast als antwoord dat er geen gegevens beschikbaar zijn over de tijdige verwerking van visumaanvragen en -verlengingen. Waarom bestaan er geen cijfers over de tijdige verwerking van visumaanvragen en -verlengingen met betrekking tot studieverblijven? Hoe wordt de situatie dan gemonitord, als dergelijke gegevens ontbreken? Hoe kan men beoordelen of een systeem werkt als men geen cijfers ter beschikking heeft? Erkennend dat er een probleem bestaat, hoe gaan we dat aanpakken? Hoe gaan we ervoor zorgen dat studentenvisa op een goede, correcte en degelijke wijze zullen worden behandeld binnen de bestaande procedure?
Ik kijk uit naar uw antwoord.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Vandemaele, uw eerste vraag luidde waarom er geen cijfers bestaan over het tijdig verwerken van visumaanvragen en verlengingen. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) houdt statistieken bij over het aantal visumaanvragen per nationaliteit, met een onderscheid tussen de inschrijving en de toelating in een instelling voor hoger onderwijs, hetzij openbaar, hetzij privé, en over het aantal en het soort genomen beslissingen. Om de behandelingstermijnen te kunnen bijhouden zou voor elke aanvraag moeten worden berekend hoeveel dagen er verstrijken tussen de indiening en de beslissing. Met het huidige systeem kan dat niet automatisch.
De behandelingstermijn wordt sterk beïnvloed door de snelheid waarmee de student reageert wanneer er om bijkomende stukken of informatie wordt gevraagd. Zolang het merendeel van de beslissingen binnen de voorgeschreven termijn wordt genomen, verkies ik de beschikbare middelen in te zetten voor de behandeling van dossiers, in plaats van voor het omslachtig bijhouden van de behandelingstermijnen. Ik wil er verder op wijzen dat enkel die dossiers worden doorgestuurd naar de DVZ waarin een diplomatieke post of gemeente niet zelf een beslissing kan nemen. De student draagt dus zelf een grote verantwoordelijkheid om het dossier zo volledig mogelijk in te dienen.
U vraagt ook hoe de situatie gemonitord wordt als er geen cijfers beschikbaar zijn. De situatie wordt wel degelijk opgevolgd via maandelijkse rapporten. Die rapporten zijn beschikbaar op de website van de Dienst Vreemdelingenzaken en geven een overzicht van het aantal ontvangen aanvragen, het aantal genomen beslissingen, het aantal dossiers dat wacht op een eerste beslissing en het aantal dossiers waarvoor op bijkomende informatie wordt gewacht. Sinds mei 2025 worden ook de beslissingen geregistreerd die buiten de termijn worden genomen.
Wat uw derde vraag betreft, namelijk welke maatregelen er worden genomen om de problemen op te lossen, de DVZ wordt geconfronteerd met een sterke toename van het aantal aanvragen in de periode vlak voor de start van het academiejaar. Dat is logisch.
Die tijdelijke sterke stijging zorgt voor een overweldiging van het personeel en leidt tot een piek in de behandelingstermijn. Er worden al maatregelen genomen om die piek zoveel mogelijk af te vlakken. De dienst die de aanvragen verwerkt, wordt bijvoorbeeld tijdelijk versterkt via interne verschuivingen. We proberen ook de aanvragers zo goed mogelijk te sensibiliseren voor het belang van een tijdige indiening, onder andere door het gebruik van disclaimers op de website. Zeer veel extra flexibele middelen zouden nodig zijn om die piek volledig af te vlakken.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de minister, dank u wel. Ik kan inderdaad aannemen dat het in het huidige systeem zeer omslachtig is om cijfers bij te houden. Ik kan alleen maar hopen dat, als er ooit een nieuw systeem wordt ingevoerd, dat dan wel mogelijk zal zijn. De prioriteiten liggen nu inderdaad elders binnen uw departement. Ik kom nog eens terug op het belang van de internationale samenwerking en de buitenlandse studenten die in ons land komen studeren. De positieve impact daarvan op de thuislanden zou ons moeten stimuleren om dat te faciliteren en stappen vooruit te zetten op dat vlak door de procedures te vereenvoudigen en te versnellen en ervoor te zorgen dat die op tijd worden afgerond. Dat is ook een kwestie van klantgerichtheid. De overheid moet er namelijk voor zorgen dat ze in haar contacten met burgers haar eigen regels en tijdsschema's kan respecteren. Men weet op voorhand dat er een piek zal komen, dan is het een kwestie van zich daarvoor te organiseren.
De fraude bij het magistratenexamen en de behandeling van de klokkenluiders
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 2 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De fraude bij het magistratenexamen 2024 (waarin een commissielid examenvragen deelde met kandidaten met West-Vlaamse connecties) ondermijnt het vertrouwen in justitie, terwijl klokkenluiders (twee advocaten) risico lopen op vervolging voor hacking en fraudeurs mogelijk geslaagd zijn. Minister Verlinden benadrukt de beperkte bevoegdheid van de uitvoerende macht (autonomie Hoge Raad, scheiding der machten) maar verwijst naar een extern rapport (nov. 2024) met fraudebestrijdingsaanbevelingen, zonder concrete garanties over benoemingen of bescherming van melders. Van Hecke kaart aan dat onrechtvaardige behandeling van klokkenluiders toekomstige meldingen ontmoedigt en vraagt hoe de minister zal reageren bij benoemingen van betrokken fraudeurs—wat onbeantwoord blijft. Geen oplossing voor transparantie, onafhankelijk toezicht of meldpunt fraude.
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
Mevrouw de minister, de fraude bij het magistratenexamen van 2024 werd door HUMO nauwkeurig gereconstrueerd. We weten dat een lid van de examencommissie de examencasus heeft doorgespeeld aan meerdere kandidaten. Voornamelijk met familiale of professionele connecties in de West-Vlaamse magistratuur.
De feiten kwamen aan het licht dankzij twee advocaten die als klokkenluider optraden. Zij stelden vast dat een stagiair op hun bureau op voorhand toegang had tot de examenvragen.
In plaats van volledige transparantie en bescherming van deze klokkenluiders, riskeert een van hen nu vervolging voor hacking, terwijl kandidaten die mogelijks van fraude profiteerden intussen geslaagd zijn voor hun examen.
De geloofwaardigheid van het examenproces en van justitie zelf dreigt hierdoor zwaar te worden ondermijnd. Hierbij heb ik de volgende vragen:
Deelt u de bezorgdheid dat de behandeling van de klokkenluiders (waaronder een strafrechtelijke vervolging wegens hacking) een afschrikkend effect kan hebben op toekomstige meldingen van wantoestanden binnen justitie?
Moet er een meldpunt zijn voor fraude, waarbij meldingen grondig onderzocht worden?
Welke maatregelen neemt u om te verzekeren dat kandidaten die dankzij fraude slaagden voor het examen, niet alsnog als magistraat aan de slag kunnen gaan?
Wordt er overwogen om het examenproces in de toekomst onafhankelijker te organiseren, bijvoorbeeld met externe validatie, meer transparantie of audits?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Hecke, opnieuw: gelet op de scheiding der machten kan ik niet ingaan op lopende strafonderzoeken. Het komt de rechterlijke orde toe om, met inachtneming van alle feitelijke gegevens, de gepaste conclusies te trekken inzake de al dan niet vervolging van de betrokkenen.
De fraude die aan het licht is gekomen naar aanleiding van het magistratenexamen, georganiseerd door de Hoge Raad, is in elk geval een zeer ernstig gegeven. Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het vertrouwen in Justitie daardoor ernstig is beschaamd. Ik stel evenwel vast dat de rechterlijke orde optreedt via de lopende strafonderzoeken en tuchtprocedures. Ik ga er dan ook van uit dat de bevoegde instanties op gepaste wijze zullen oordelen ten aanzien van de vermeende daders.
De Hoge Raad is een onafhankelijk grondwettelijk orgaan en beschikt exclusief over de bevoegdheid tot organisatie van de magistratenexamens. Dat betekent dat ik, als lid van de uitvoerende macht, niet kan tussenkomen in de concrete organisatie of de inhoudelijke beoordeling van die examens. Die autonomie is essentieel om de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
De Hoge Raad heeft naar aanleiding van die zaak de examenprocessen van haar benoemings- en aanwijzingscommissie geëvalueerd. Dat gebeurde onder meer door zes externe deskundigen, onder wie experts in fraudebestrijding. In een rapport stellen zij een aantal concrete aanbevelingen voor die de werking van de Hoge Raad kunnen versterken. Het rapport, dat dateert van 29 november 2024, kan worden geraadpleegd via de website van de Hoge Raad. Uiteraard zullen we daarmee verder aan de slag gaan, omdat alles moet worden vermeden wat het vertrouwen in Justitie kan beschamen of aantasten.
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik begrijp dat u niet kunt ingaan op het dossier zelf, waarvoor alle begrip. Wat mij echter ook zorgen baart, is de manier waarop wordt omgegaan met de klokkenluiders, met de personen die de melding hebben gedaan. Daaromtrent hebt u niet meteen een antwoord gegeven. Straks komen we mogelijk in een situatie terecht waarin de mensen die de fraude aan het licht hebben gebracht, vervolgd worden, terwijl deelnemers aan het examen mogelijk toch worden benoemd tot magistraat. De vraag is dan ook hoe u daartegenover staat en hoe u daarnaast zult omgaan met de benoemingen.
De voordrachten voor benoemingen gebeuren door de Hoge Raad en worden vervolgens aan u als minister bezorgd, maar hoe zult u reageren mocht blijken dat voorgesteld wordt om magistraten te benoemen die op een of andere manier betrokken waren bij de examenfraude? Ik besef dat het een bijzonder delicate en misschien deels hypothetische vraag is. Toch blijft het een belangrijke kwestie.
De behandeling van de klokkenluiders blijf ik problematisch vinden, omdat het een gevoel van onrechtvaardigheid oproept. Ik denk dat het bijzonder veel moed vergt voor een advocaat om melding te maken van onregelmatigheden bij een stagiair. Uit het artikel in Humo , waarin het hele gebeuren wordt gereconstrueerd, blijkt duidelijk dat dat – als het klopt – geen evidente stap is geweest. Als de aangever vervolgens wordt vervolgd, vrees ik dat werkgevers in de toekomst wel twee keer zullen nadenken voor ze nogmaals zo’n stap zetten als ze iets gelijkaardigs vaststellen.
Voorzitter:
Nous en arrivons à la fin de notre ordre du jour. Mme Vandeberg m'a également demandé le report de sa question 56006509C. Il nous restait donc les questions 56005931C et 56005998C qui ont été transformées en questions écrites. Je n'ai pas reçu d'autres demandes pour les questions 56006484C et 56006502C. En vertu de l'article 127, § 10, du Règlement, je les considère comme retirées. Je tiens à remercier les collègues qui s'en sont référés à leurs questions écrites, ce qui nous a permis de gagner du temps et de pouvoir traiter toutes les questions. Je remercie aussi Mme la ministre qui a donc fait de longs monologues. Cela nous permet de traiter les questions de tout le monde. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.13 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 13.
Het EU-douanebeleid met betrekking tot de e-commerce
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De EU-overweegt twee maatregelen om de oncontroleerbare stroom van e-commercepakjes (<€150) aan te pakken: een €2-afhandelingskost (verhoogt controles maar niet per se de douanewerklast) of afschaffing van de de-minimisvrijstelling (garandeert geen correcte waardeaangifte of einde aan fraude). Financiële impact en verdeling zijn onduidelijk, en de informatie-uitwisseling tussen lidstaten blijft ongewijzigd, hoewel de toekomstige EU Customs Data Hub betere datadeling moet mogelijk maken. België verwerkt jaarlijks 1,16 miljard pakjes, maar structurele oplossingen ontbreken nog. Verkeyn en Jambon erkennen dat de voorgestelde EU-maatregelen onvoldoende zijn en zoeken naar supplementaire voorstellen voor strengere controles.
Charlotte Verkeyn:
Mijn vraag gaat over de pakjes met een waarde van minder dan 150 euro die de Europese Unie binnenkomen. In België gaat het om 1 miljard zendingen. De douanecontrole op die stortvloed aan e-commercepakjes laat al jaren te wensen over, zowel wat betreft de aangifte van de correcte douanewaarde als wat betreft de invoer van illegale goederen. De Europese Commissie werkt aan maatregelen om greep te krijgen op de situatie en stelt twee zaken voor, namelijk een extra heffing van 2 euro, wat ons niet doenbaar lijkt, of de opheffing van de de-minimisvrijstelling van 150 euro.
Wat is uw visie? Wijzigen afhandelingskosten van 2 euro de werklast van de douane? Indien de de-minimisregeling wordt opgeheven, verdwijnen dan de problemen? Hoeveel douanerechten zouden de opheffing van de de-minimisvrijstelling en afhandelingskosten van 2 euro respectievelijk opbrengen voor de Europese Unie en voor België? Wijzigt er iets aan de informatiedoorstroming tussen de douanediensten van de verschillende EU-lidstaten met betrekking tot vastgestelde inbreuken?
Jan Jambon:
Mevrouw Verkeyn, de invoering van EU-afhandelingskosten wijzigt op zich niets aan de werklast van de douanediensten. Er kan wel een impact zijn op de werklast doordat de afhandelingskosten ingevoerd worden om een verhoogd controlepercentage te behalen, zodat de nationale en bij uitbreiding de Europese markt beter worden beschermd tegen de invoer van onveilige e-commercegoederen, die niet voldoen aan de Europese regelgeving.
Het schrappen van de vrijstelling tot 150 euro betekent dat douanerechten betaald zullen moeten worden vanaf de eerste aangegeven euro. Dat is echter geen garantie dat de goederen na de afschaffing van de de-minimisregel met een correcte douanewaarde zullen worden aangegeven en evenmin dat de uitdagingen rond douanewaarden inzake e-commerce zullen verdwijnen.
Ten derde, de modaliteiten en de hoogte van de afhandelingskosten en de opheffing van de de-minimisvrijstelling, zijn evenals de modaliteiten van de verdeling van de opbrengsten tussen België en de Europese Unie nog niet gekend door onze administratie. In het hervormingspakket van het DWU zijn meerdere maatregelen opgenomen die een effect hebben op e-commerce, waardoor het onmogelijk is om de impact te berekenen. Om u een idee te geven, in België worden jaarlijks ruim 1,16 miljard e-commerceaangiftes ingediend.
Om uw vierde vraag te beantwoorden, momenteel zijn er geen wijzigingen voorzien. De waardebeperking voor het gebruik van de regeling voor eenvoudige onlineverkoop (IOSS) ligt gelijk aan de vrijstelling van invoerrechten. Deze regeling maakt echter geen deel uit van de verordening nr. 1186/2009, die goederen van verwaarloosbare waarde vrijstelt van invoerrechten.
Ik kom tot uw laatste vraag. De eventuele invoering van een handling fee of het afschaffen van de de-minimisregel heeft geen invloed op de informatiedoorstroming tussen de EU-lidstaten over vastgestelde inbreuken bij e-commerce-invoer. Echter, zodra de EU Customs Data Hub operationeel is – zoals voorzien in het EU Customs Reform Package – zullen er veel meer gegevens beschikbaar en gedeeld kunnen worden tussen de EU-lidstaten.
Charlotte Verkeyn:
Ik wil u danken voor uw antwoorden. Wij delen uw mening dat inzake de problematiek – zoals u zelf aangeeft – van de enorme hoeveelheid pakjes, miljarden pakjes, de regelgeving die Europa voor ogen heeft een aantal problemen niet zal oplossen. We kijken er daarom samen naar uit om een aantal voorstellen te kunnen doen om de controles te verbeteren.
De actie van de vakbonden in de handelssector in verband met de werkomstandigheden
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 19 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Annik Van den Bosch kaart de systematische vervanging van vaste jobs in de handel door onzekere flexcontracten, extreme werkdruk en loondumping aan, veroorzaakt door ketens als Mediamarkt, Aldi en Lidl, en hekelt de geplande regeringmaatregelen (afschaffing 38-urenweek, flexibele roosters) die dit volgens haar verergeren als "sociale afbraak". Minister Clarinval ontkent concrete beslissingen, bestempelt de acties als "fake news"-propaganda en belooft dat de regeerakkoordmaatregelen juist de sector zullen *verbeteren*, ondanks structurele veranderingen. Van den Bosch werpt hem voor de voeten de werkelijke noden te negeren en kondigt nieuwe protesten aan, eisend dat hij de realiteit onder ogen ziet. Kernconflict: *flexibilisering vs. jobzekerheid* in de handelssector.
Annik Van den Bosch:
Mijnheer de minister, ik stond afgelopen maandag tussen veel van mijn collega’s tijdens een actie van de handelssector. Hun getuigenissen liegen er niet om. Vaste jobs verdwijnen systematisch en worden ingeruild voor onzekere en goedkope arbeidsvormen. Ketens zoals Mediamarkt zetten medewerkers onder druk om vervroegd op pensioen te gaan om daarna terug te keren als flexi-jobbers. Bij Aldi worden, tegen alle afspraken in, extra studenten ingezet, niet als aanvulling, maar als vervanging van vaste contracten. Bij Lidl is de werkdruk zo hoog, dat de medewerkers al enkele keren het werk hebben neergelegd. Over de toestanden bij Delhaize durf ik zelfs niet te beginnen.
Weet u wel wat het inhoudt om in de handel te werken? Ik wel, want ik heb het jaren gedaan. De lonen in die sector behoren tot de laagste van het land en men werkt er aan de hoogste flexibiliteit. Toch beslist u tot de afschaffing van de 38-urige werkweek en de verplichte sluitingsdag, de invoering van onvoorspelbare en flexibele uurroosters, meer en vooral goedkoper overwerk en de uitbreiding van het aantal flexi-jobbers en jobstudenten.
Wat u een modernisering van de arbeidsmarkt noemt, is in realiteit een versnelde afbraak van vaste jobs. Nog minder zekerheid, nog meer stress en nog meer problemen om werk en gezin te combineren. Hoe rijmt u de sociale afbraak met het idee van waardig werk en gezondheid op de werkvloer? Hoe zult u de werkgevers ertoe aanzetten om met de vakbonden te spreken, gezien het gebrek aan echt sociaal overleg vanwege de werkgevers?
David Clarinval:
Mevrouw Van den Bosch, ik heb via het persagentschap vernomen dat vakbondsvertegenwoordigers uit de handelssector een spontane actie hebben georganiseerd als protest tegen de arbeidsomstandigheden, het gebrek aan sociaal overleg in de distributiesector en, preventief, tegen de in het federaal regeerakkoord aangekondigde maatregelen. De manifestatie er gekomen naar aanleiding van de propagandacampagne van fake news van meerdere oppositiepartijen, die die werkwijze wel vaker hanteren.
Ik betreur dat en wil preciseren dat, terwijl ik hier het woord neem, er nog geen beslissing is genomen over de maatregelen van de regering waarnaar wordt verwezen. Ze kunnen dan ook nog geen uitwerking hebben. Ik volg de snelle en structurele veranderingen in de distributiesector aandachtig op. Ik ben ervan overtuigd dat de maatregelen uit het regeerakkoord voor een algemene verbetering in de sector zullen zorgen.
Annik Van den Bosch:
U hebt het over een propaganda-actie. Meent u dat echt? Het gaat om een actie om uiting te geven aan de noden van de werknemers. U lacht daar gewoon mee. Ik begrijp dat niet. Ik schaam mij dood in uw plaats. Alles wat zij aankaarten, staat wel degelijk in het regeerakkoord. De betrokkenen maken zich dus terecht zorgen. Daarom komen ze op straat en ze hebben gelijk. Op 25 juni 2025 zullen ze opnieuw op straat komen. Er moet iets gebeuren. Mijnheer de minister, het is tijd voor een nieuwe bril.
De studie van het IGVM en de kwetsbare positie van vrouwen op de arbeidsmarkt
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 19 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Caroline Désir kritiseert de "Arizona-maatregelen" die vrouwen onevenredig hard treffen: ze raken vaker uitgesloten van werkloosheidsuitkeringen (door leeftijd, deeltijdwerk of gezinsinkomen), worden afhankelijk van CPAS of partners, en zien hun pensioenen dalen door beperkte assimilatie van ouderschapsverlof. Minister Beenders erkent de structurele ongelijkheid (via IEFH-rapport) en belooft sensibiliseringscampagnes voor werkgevers, maar concrete beleidswijzigingen ontbreken. Désir hamert op het falende systeem dat volledige, ononderbroken carrières als norm stelt—onhaalbaar voor de meeste vrouwen—en eist herziening van de maatregelen. Beenders’ rol als "ambassadeur voor vrouwen" wordt bevraagd, maar hij blijft vaag over daadwerkelijke tegenactie.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, depuis des mois, les syndicats, la Ligue des familles, Vie féminine et, depuis hier, le think tank InES vous alertent sur la catastrophe que les mesures Arizona vont provoquer chez les femmes dans le monde du travail. M. Clarinval, qui n'a pas jugé utile de répondre à la question qui lui était adressée, alors qu'il est pourtant bien parmi nous, s'est réjoui de sortir 180 000 personnes du chômage. Toutefois, derrière ces chiffres, il ne dit pas que ce sont les femmes qui vont être le plus pénalisées par ces exclusions, parce qu'elles sont surreprésentées dans les catégories les plus fragiles (plus de 50 ans, temps partiel subi, carrière fragmentée et mamans solos). Elles vont donc devoir se tourner vers les CPAS. Pour ce qui concerne les femmes cohabitantes, si leur compagnon a un revenu, même très bas, elles n'auront pas droit à un euro. Ce n'est plus de l'activation, monsieur le ministre, mais le retour à la dépendance financière des femmes. La caissière du CORA, dont nous avons beaucoup parlé hier et qui a 52 ans aujourd'hui, n'aura pas droit à votre exception. Si elle n'a pas la chance de retrouver un boulot, elle risque de se retrouver sans rien après deux ans. Rien, nada !
À côté de la réforme du chômage, votre gouvernement prévoit de réformer les congés parentaux. Encore une fois, vous risquez de creuser les inégalités, parce que, simplement, rien n'est fait pour inciter les hommes à prendre leur part. On mutualise tout, mais en définitive ce sont les femmes qui prennent les pauses, les congés, les temps partiels et qui vont en payer les conséquences tout au long de leur vie. Que dire de la réforme des pensions à venir? En plafonnant les périodes assimilées telles que les congés parentaux, elle va pénaliser 34 % des femmes, qui vont donc voir leur pension diminuer.
Monsieur le ministre, cet après-midi est présenté un rapport de l'Institut pour l' Égalité des femmes et des hommes (IEFH) relatif à la vulnérabilité des femmes sur le marché du travail. Comment allez-vous tenir compte de ces constats? Comment allez-vous convaincre vos collègues de revenir (…)
Rob Beenders:
Madame Désir, merci pour votre question.
J'ai pris bonne connaissance du rapport de l'IEFH et je vais participer à la journée d'étude organisée par celui-ci sur le thème "Genre et travail". Je me réjouis que vous reconnaissiez également l'importance de cette thématique. Je partagerai le rapport et les recommandations avec mes collègues du gouvernement. Je parle beaucoup avec mon collègue le ministre Clarinval et nous sommes complètement alignés sur ce sujet.
Cette étude s'inscrit dans le cadre du projet "Gender & Work" qui est prioritaire dans mon engagement pour un marché du travail plus équitable, plus juste et plus inclusif. Le rapport montre clairement que les inégalités sur le marché du travail persistent. Certaines femmes sont confrontées à des obstacles supplémentaires. L'IEFH a développé une boîte à outils destinée aux employeurs et professionnels des ressources humaines. Je continuerai à sensibiliser les employeurs à la valeur ajoutée d'une plus grande diversité et d'une meilleure inclusion sur le lieu de travail.
En septembre, je lancerai en collaboration avec l'IEFH une campagne de sensibilisation destinée aux employeurs, aux professionnels des ressources humaines et aux parties prenantes afin de promouvoir l'égalité des genres sur le marché du travail.
Il va sans dire que la résolution de cette problématique nécessitera les efforts de différents ministres. S'engager pour plus d'égalité de genre ne peut être que bénéfique. C'est une opportunité pour chaque femme, une responsabilité pour chaque employeur et une chance pour toute la société.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, au lieu de créer des emplois de qualité, de favoriser l'accès des femmes à des carrières complètes ou de stimuler le partage des congés parentaux entre hommes et femmes, votre gouvernement préfère exclure, stigmatiser et précariser. À entendre vos collègues, une carrière, c'est 45 ans sans interruption, à temps plein et en bonne santé. Mais, dans la réalité, c'est un luxe qui est réservé encore aujourd'hui à une minorité d'hommes. Il faut absolument vous mettre ça en tête, monsieur le ministre. Vous vous êtes engagé à être l'ambassadeur des femmes dans ce gouvernement. Je retiens vos mots en commission. Il est encore temps pour faire reculer vos collègues sur ces mesures de l'Arizona qui vont faire vraiment énormément de mal aux femmes. Nous comptons sur vous.
De inbreuken bij markt- en straathandelaren
Overtredingen van de regelgeving door ambulante handelaars
Handhaving en overtredingen bij ambulante en markthandel
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
In 2024 bleek 57% (167/292) van de ambulante handelaars in overtreding, vooral door ontbrekende prijsvermelding (risico op willekeurige prijszetting) en foute honingetikettering (1/3 van 76 controles, met valse oorsprongsvermeldingen). De Inspectie Economie gaf vooral waarschuwingen (144/167), maar zette in 2025 versterkte controles in, inclusief honingimports (10 containers al in beslag), met nadruk op transparantie via nieuwe EU-regels voor herkomstvermelding.
Patrick Prévot:
Monsieur le président, dans un même souci de donner un peu de répit aux interprètes et aux services de retranscription, et de faire gagner du temps, je m'en réfère à ma question telle que déposée par écrit.
Monsieur le ministre, nous apprenions récemment dans les médias que lors des contrôles effectués au cours de l'année 2024, plus de la moitié des marchands ambulants ne respectaient pas toutes les règles en vigueur. Parmi celles-ci, on peut citer l'absence de numéro d'entreprise, la non-proposition d'un paiement électronique ou encore l'absence de prix clairement affiché.
Pour être clair, militer pour une meilleure protection du consommateur ne signifie pas "diaboliser" le producteur, encore plus quand il s'agit ici de marchands artisanaux. Derrière un manquement se cache parfois un oubli dans un rythme de travail effréné. Il y a un "droit à l'erreur" et c'est semble-t-il cette solution qui a été envisagé par les agents de l'Inspection économique car la majorité des constats s'est conclu par des avertissements (au nombre de 144 pour être précis).
Il n'en reste pas moins que deux points sont à souligner selon moi.
Le premier est de ne pas respecter la règle d'afficher le prix, une pratique qui me pose problème car cela peut conduire à une variation du prix affiché selon "la tête du client" comme on dit. C'est une pratique illégale, que l'on ne retrouve d'ailleurs pas uniquement chez les marchands ambulants.
Le deuxième point est celui des contrôles dédiés au miel. Dans un tiers de 76 contrôlés, les étiquettes étaient erronées ou incomplètes. L'appellation, l'origine ou la quantité nette ne sont pas toujours conformes. Cela pose un gros problème que certains producteurs puissent afficher que leur miel vendu est issu du commerce local alors qu'il n'en est rien.
Monsieur le ministre, 144 avertissements ont été dressés pour une majorité des marchands ambulants en infraction. Pouvez-vous préciser ces chiffres? Combien de contrôles ont été effectués? Ont-ils été bien répartis à travers tout le territoire?
Pour cette année 2025, l'Inspection économique compte-t-elle augmenter le nombre de ces contrôles et, le cas échéant, élargir le champ géographique? Idem pour les contrôles dédiés au miel, l'Inspection économique vise-t-elle à augmenter le nombre de contrôles supérieur?
Quelles mesures seront prises pour obtenir une meilleure connaissance et un meilleur respect des règles en vigueur par les marchands ambulants?
Rob Beenders:
Merci, monsieur Prévot. Je dispose de temps; ce n'est pas un problème si la réunion se prolonge au-delà de 13 h 00. J'apprécie beaucoup votre attitude et je vous remercie.
Au total, 292 contrôles ont été opérés au cours de cette enquête générale; 167 entreprises étaient en infraction pour au moins une des dispositions légales contrôlées, 144 avertissements et 25 procès-verbaux constatant ces infractions ont ainsi été dressés. Cinq entreprises se sont vu sanctionner d'un procès-verbal à la suite d'un avertissement et vingt ont fait l'objet de la rédaction immédiate de procès-verbaux sanctionnant les infractions les plus graves.
Les contrôles ont été répartis sur l'ensemble du territoire belge. Les contrôles relatifs aux législations de base (affichage des prix, moyens de paiement, etc.) sont incorporés à chaque enquête générale, quel que soit le secteur visé. Lorsque celles-ci s'appliquent, les dispositions légales sont constamment rappelées lors des contrôles et de l'information pratique est fournie aux opérateurs contrôlés.
Les résultats de cette enquête démontrent que le secteur du miel reste sensible à de potentielles infractions. C'est pourquoi l'Inspection économique mène une nouvelle campagne de contrôle avec prise d'échantillons au cours de l'année 2025, auprès des opérateurs économiques concernés.
Parallèlement à cela, les investigations et les échantillonnages relatifs aux importations suspectes de miel continuent. Ces dossiers impliquent un suivi conséquent et les mesures d'exécution appropriées se font en consultation avec les parquets compétents et après accord avec ceux-ci.
Depuis septembre 2024, une dizaine de conteneurs ont été saisis et échantillonnés. En mai 2024, une révision de la directive européenne petit déjeuner a été publiée. Elle vise notamment à fournir au consommateur une information claire quant au pays d'origine du miel, en renforçant la transparence des mentions d'étiquetage, également dans le cas de mélange de miels de plusieurs origines.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. J'avais trois questions précises auxquelles vous avez apporté trois réponses précises et même un peu plus. Il me reste peut-être à vous dire de rester attentif à ces pratiques car le non-affichage des prix peut entraîner des prix fixés "à la tête du client", et c'est évidemment plus qu'agaçant. Toute cette fraude, notamment au miel, est de nature à nous inquiéter également. On ne peut pas décemment tromper les consommatrices et les consommateurs.
De valse prijsverlagingen bij Carrefour
De misleidende prijsverlagingen bij supermarktketen Carrefour
Misleidende prijspraktijken bij Carrefour
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Carrefours misleidende prijsverlaging van 200 (eigenlijk 177) producten, waarbij de app *PingPrice* aantoont dat prijzen soms hoger zijn dan vier maanden eerder (bv. Nutella: nu 3,39€ vs. 3,25€ in december). De minister bevestigt dat alleen de laagste prijs van de afgelopen 30 dagen als referentie geldt voor kortingen, waardoor eerdere prijsstijgingen legaal maar misleidend kunnen zijn voor consumenten. Prévot kritiseert dit grijze gebied en benadrukt dat winkels actiever moeten informeren, vooral nu zijn wetsvoorstel tegen *shrinkflation* werd geblokkeerd. De minister belooft later de bevindingen van *PingPrice* te beoordelen, maar houdt vast aan de bestaande transparantieregels.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, PingPrice, une application qui permet de comparer les prix au sein des différentes enseignes, a épinglé l'enseigne Carrefour qui n'a pas tenu la promesse de son offre de baisser le prix de 200 produits.
Factuellement, c'est correct ou presque: tous les produits ont bien réellement baissé depuis une semaine – je dis "ou presque" car c'était en réalité 177 produits et non 200 mais cet ordre de grandeur a dû être rectifié entre le dépôt de cette question et ma prise actuelle de parole.
Ce que pointe PingPrice, c'est que si l'on remonte au mois de décembre, soit quatre mois auparavant, on constate que pour un certain nombre de produits, le prix n'a pas réellement baissé. Un seul exemple : le pot de Nutella (400 g). Carrefour affirme baisser le prix de 3,55€ à 3,39€ mais, en date du 9 décembre, ce même pot était à 3,25€.
La baisse des prix est donc à mettre en perspective, elle est factuelle mais critiquable, elle demande de la nuance, une zone grise qui profite à Carrefour et sûrement pas aux consommateurs qui mériteraient d'être informés à ce sujet, mais je siège depuis suffisamment longtemps dans cette commission pour savoir que le consommateur doit être "éclairé", ce qui demande un temps-plein complet que tout un chacun peut se permettre d'avoir. J'espère que tout le monde ici aura noté mon ironie.
Monsieur le ministre, pourriez-vous nous donner votre retour sur ce "fact-checking" de l'application PingPrice?
Je vous remercie pour votre réponse.
Rob Beenders:
Monsieur Prévot, à ce jour, mes services ne disposent pas d’informations spécifiques concernant l’application PingPrice.
Je peux toutefois vous fournir les informations suivantes. Le Livre VI du Code de droit économique contient les dispositions à respecter par les entreprises qui annoncent des réductions de prix. L’objectif est d’éviter que les entreprises n'augmentent artificiellement leurs prix juste avant d’annoncer une réduction ou ne trompent les consommateurs quant au montant de la réduction. Ces dispositions augmentent la transparence et veillent à ce que les consommateurs paient effectivement moins lors qu'il est question d'une remise.
Lorsqu’une réduction de prix est annoncée, il est obligatoire d’indiquer explicitement le prix antérieur en plus du prix de vente et de baser la réduction sur celui-ci. Le prix antérieur constitue le prix de référence. Ce prix de référence correspond au prix le plus bas appliqué pendant la période de 30 jours précédant l’application de la réduction. Les entreprises doivent indiquer à la fois le prix réduit et le prix de référence, conformément aux règles générales d’indication des prix, c’est-à-dire par écrit, de manière lisible, apparente et non équivoque.
Il existe notamment des pratiques qui ne sont pas davantage des annonces de réduction de prix, par exemple les modifications de prix qui ne sont pas annoncées comme des réductions, telles les fluctuations de prix saisonnières, hebdomadaires, journalières ou même horaires.
Ce qui précède implique qu’une entreprise n’a pas l’obligation de garantir, lorsqu’elle annonce une réduction de prix, que le prix proposé soit inférieur à tous les prix pratiqués auparavant, dans la mesure où les annonces de réduction de prix appliquent la réduction par rapport au prix de référence. Il n’est donc pas interdit que le prix de réduction soit plus élevé que, par exemple, celui appliqué il y a quatre mois pour le même produit. En effet, des fluctuations de prix dans le temps restent possibles.
Votre remarque est toutefois correcte, les réductions de prix doivent toujours être évaluées dans cette perspective et dans le cadre d’une communication transparente avec le consommateur.
Les systèmes de comparaison des prix doivent clairement indiquer les paramètres utilisés pour effectuer la comparaison, par exemple la période de référence. Enfin, dans les cas où les dispositions relatives aux annonces de réduction de prix ne s’appliquent pas, celles encadrant les pratiques commerciales déloyales restent d'application.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, même si vous n'avez pas encore reçu d'évaluation du fact-checking de l'application PingPrice, je vous remercie d'avoir pris le temps de m'apporter quelques informations. Si j'avais interrogé votre collègue David Clarinval, il se serait contenté de me dire que les consommateurs doivent se renseigner. Pour ma part, cela ne me satisfait pas car les grandes enseignes doivent aussi aider les consommatrices et les consommateurs à s'informer. Comme vous l'avez vu, mon texte sur la shrinkflation est passé à la trappe la semaine dernière, la majorité Arizona n'en ayant pas voulu. J'avais pourtant souhaité qu'on sensibilise les consommatrices et les consommateurs à un phénomène qui a été pris à bras-le-corps par d'autres É tats membres de l'Union européenne. Vous avez rappelé, à raison, l'état de la législation. Il n'est pas question d'une pratique qui, en tant que telle, pourrait être jugée frauduleuse. Cependant, il y a une zone grise qui me pose question et qui est très certainement de nature à duper les consommatrices et les consommateurs. Quant au retour de cette application, j'attendrai encore quelques mois pour connaître votre avis.
De impact van de Amerikaanse invoerheffingen op Belgische producten
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Beenders bevestigt dat Belgische sectorfederaties (o.a. FEB) bezorgd zijn over Amerikaanse invoertaksen, maar dat er nog geen directe prijsstijgingen of compensatie-effecten zichtbaar zijn, ondanks een dalende inflatie (van 4,1% naar 3,1% in 2025). Shrinkflation wordt niet apart gemeten door Statbel, hoewel Dufrane pleit voor monitoring. De minister belooft waakzaamheid, vooral voor kwetsbare consumenten die door hogere prijzen van bewerkte producten onevenredig geraakt zouden worden.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, les taxes douanières misent en place par le président Trump vont impacter l'économie belge et en particulier les consommateurs. La hausse des prix doit être considérée de deux manières. La première concerne la hausse des prix aux USA, ce qui va entrainer une hausse en Europe pour compenser les pertes sur les ventes états-uniennes.
Deuxièmement, les produits importés en Europe vont aussi subir cette hausse, qui va s'ajouter à l'inflation des deux dernières années. Le consommateur sera, quoi qu'il arrive, la variable d'ajustement pour limiter l'impact économique sur l'entreprise même si elle réduit ses marges.
Il est aussi pertinent de regarder si la schrinkflation ne s'additionne pas à ses mesures. Dans ce cas, les consommateurs verraient, à nouveau, les prix augmenter tandis que les quantités diminueraient. Ces pratiques ont déjà cours depuis des années mais la crise potentielle pourrait la renforcer. De plus, certaines multinationales pourraient être tentée de compenser les pertes financières du marché américain en les répercutant sur notre marché.
Mes questions, Monsieur le ministre, sont:
Avez-vous observé un retour de la schrinkflation?
Les professionnels du secteur sont-ils inquiets?
Les prix ont-ils déjà changé?
De plus, comparez-vous si des prix changent pour compenser les taxes américaines?
Concernant l'égalité des chances, là où des plus nantis pourraient se tourner vers des produits locaux plus chers, ne craignez-vous pas que les bas salaires soient plus impactés en continuant à consommer des produits ultra transformés issus des multinationales?
Rob Beenders:
Monsieur Dufrane, pour votre première question, Statbel, l'office belge de statistique, ne tient pas de statistiques distinctes à propos de la shrinkflation .
Ensuite, les fédérations sectorielles belges sont naturellement inquiètes des mesures commerciales prises ou annoncées par les États-Unis . Dans un communiqué de presse publié le 3 avril dernier, la FEB a même indiqué être fortement préoccupée par les droits de douane annoncés par les É tats-Unis. Le SPF Économie informe et consulte régulièrement les fédérations sectorielles afin de prendre en compte leur intérêt dans la détermination de la position belge.
Par ailleurs, l'inflation totale dans notre pays s'élevait à 4,1 % au premier trimestre 2025. Cela représente un ralentissement par rapport au trimestre précédent. En avril dernier, elle avait encore baissé, pour parvenir à 3,1 %. La même tendance s'observe peu ou prou en ce qui concerne les denrées alimentaires. À ce stade, il ne semble pas encore y avoir d'effet de compensation des taxes américaines.
Comme déjà indiqué, l'inflation totale continue de diminuer. Ce sont des faits auxquels je reste attentif en tant que ministre de la Protection des consommateurs et de l'Égalité des chances. Je ne manquerai pas d'intervenir si nécessaire.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. S'agissant de la shrinkflation , il serait judicieux que Statbel puisse constituer des statistiques. Merci par avance, monsieur le ministre.
Snoepgoed aan de kassa's van supermarkten
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de aanwezigheid van ultrabewerkte zoetwaren (97,5%) bij supermarktkassa’s, die impulsieve aankopen en kinderobesitas bevorderen, ondanks zelfregulering via het *Nutri-Pact*. Minister Beenders belooft overleg met collega Vandenbroucke (Volksgezondheid) en toont bereidheid tot actie, maar heeft nog geen concrete plannen. Prévot pleit voor een wettelijk verbod (naar voorbeeld van het VK/Berkeley), benadrukt de gezondheidsrisico’s en biedt parlementaire steun aan, mits compatibiliteit met EU-regels. De focus ligt op snelle overheidsmaatregelen tegen deze marketingpraktijk.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, tout le monde a déjà pu observer que les articles proposés aux caisses des supermarchés se résument bien souvent à des barres chocolatées, des bonbons, des chewing-gums et autres produits ultratransformés qui ciblent souvent spécifiquement les enfants.
Au-delà du simple constat, le phénomène a fait l'objet d'une quantification. Une étude, publiée dans la revue BMC Medicine , s’est en effet intéressée à 55 supermarchés des chaînes Colruyt, Carrefour, Delhaize, Lidl et Aldi, répartis sur 16 communes. La proportion d'aliments ultratransformés aux caisses atteint 97,5 %. Une autre étude a pu démontrer que les produits achetés aux caisses étaient directement consommés à peine le caddie remis. Il s'agirait donc essentiellement d'achats compulsifs.
La Belgique n'est pas le seul pays où les confiseries trônent aux caisses des supermarchés. J'en veux pour preuve la ville de Berkeley en Californie ou même l'ensemble du Royaume-Uni qui, tous deux, afin de lutter contre la malbouffe et l'obésité infantile, ont décidé d'interdire les ventes de produits gras et sucrés ultratransformés aux caisses des magasins. À l'heure actuelle, si je ne m'abuse, la Belgique mise sur l'autorégulation du secteur via le Nutri-Pact signé par Comeos et Fevia.
Ma question est d’autant plus d’actualité qu’après le dépôt de celle-ci, nous avons appris par la presse que l’enseigne Intermarché avait décidé de son propre chef d’interdire les confiseries aux caisses de l’ensemble de ses magasins.
J’avais déjà posé cette question à M. Vandenbroucke sous la précédente législature. À cette occasion, il avait clôturé la réponse établie par son cabinet avec une incise personnelle dans laquelle il déclarait que ces confiseries ou produits ultratransformés n’avaient en effet rien à faire aux caisses des magasins.
Monsieur le ministre, pourriez-vous nous confirmer que la présence de produits ultratransformés ciblant les enfants aux caisses des supermarchés relève bien de cette autorégulation via le Nutri-Pact? Comment évaluez-vous cette autorégulation? Pouvez-vous nous donner votre retour également sur ce Nutri-Pact? Une interdiction, comme on l'observe à Berkeley ou au Royaume-Uni, serait-elle applicable en Belgique en conformité avec le droit européen? Cette question est-elle à l'étude en collaboration avec votre collègue Frank Vandenbroucke?
Rob Beenders:
Monsieur Prévot, j'envisage de discuter de cette question fort intéressante avec mon collègue Frank Vandenbroucke parce que je ne possède personnellement pas plus d'informations sur le sujet pour l'instant. J'ai organisé une réunion avec lui pour discuter de ce qui peut être fait. Je m'engage à vous envoyer la réponse à l'issue de cette réunion. À titre personnel, ce sujet m'intéresse et je trouve que nous nous devons d'agir.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre. Le fait que vous ayez la volonté de discuter avec votre collègue en charge de la Santé est déjà une bonne chose. Très modestement, si vous voulez que, par une initiative parlementaire, je puisse aider, je suis évidemment tout à fait disposé à le faire. J'ai un texte qui est prêt le cas échéant et qui est relativement simple à comprendre et à mettre en application. Il est vrai que je suis très interpellé. Je ne suis pas connu pour être quelqu'un de paternaliste. Je pense d'ailleurs que ces bonbons doivent rester dans les rayons bonbons et doivent être accessibles à celles et ceux qui souhaitent en acheter. Mais ces achats compulsifs aux caisses contribuent à la malbouffe et très certainement aussi à l'obésité infantile. Cela a été démontré ces dernières semaines dans de nombreux articles écrits par des nutritionnistes. Je pense que nous avons toutes et tous déjà vu des parents galérer à gérer les crises de leurs enfants qui leur demandent de prendre un bonbon à la caisse pendant qu'on est en train de faire la file. Donc, tant sur le volet de la santé que sur celui de la protection du consommateur qui est le vôtre, j'aimerais que mon gouvernement, notre gouvernement, puisse avancer en la matière. Je l'ai dit, certains pays l'ont fait; des États aux États-Unis ou des villes ont franchi le pas. Pourquoi pas nous? À condition, évidemment, de ne pas entrer en conflit avec d'autres législations, et notamment la législation européenne.
Structurele steun voor de groothandelaars-verdelers
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De grossistes-répartiteurs in medicijnen vervullen een essentiële publieke rol in de bevoorrading, maar hun economisch model wankelt door gefixeerde, te lage marges (vaak onder portokosten), stijgende kosten en risico’s bij dure geneesmiddelen. Minister Vandenbroucke erkent het probleem, maar benadrukt dat enkel margverhoging onvoldoende is: het hele systeem (concurrentie, directe leveringen, logistieke efficiëntie) moet herzien worden, zonder concrete termijn. Dedonder dringt aan op snelle, globale actie in 2024 om penuries bij patiënten te voorkomen, met aandacht voor alternatieve vergoedingsmodellen (*fee for service*). Geen akkoord of tijdlijn vastgelegd, wel urgentiebevestiging.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, je me suis récemment rendue auprès d'un grossiste-répartiteur, ce qui m'amène à vous poser ces questions. Après avoir discuté sur leur réalité, je me suis rendu compte que les grossistes-répartiteurs jouent un rôle fondamental dans la chaîne d'approvisionnement en médicaments. Ils remplissent une véritable mission de service public, assurant la disponibilité des médicaments dans toutes les officines du pays, dans des délais courts, y compris pour les médicaments sensibles nécessitant une chaîne du froid ou une traçabilité stricte.
Pourtant, leur modèle économique est aujourd'hui fragilisé. Leur rémunération est plafonnée par un système de marges fixes, fondé sur le prix ex-usine des médicaments. Résultat: pour plus de 80 % des unités vendues, la marge perçue est inférieure à la valeur d'un timbre-poste; les médicaments à bas prix deviennent de moins en moins rentables à distribuer; les médicaments onéreux, en forte croissance, apportent peu de marge mais posent des risques accrus (pertes, stockage, financement). Cette situation est aggravée par une hausse continue des coûts que l'on connait et que toute entreprise ou commerce peut connaître.
En 2022, vous aviez reconnu la nécessité d'une réflexion structurelle. Une indexation partielle des marges a été octroyée pour 2023 et 2024, mais uniquement pour les médicaments remboursés. Cela reste largement insuffisant selon le secteur et pourrait entrainer un effondrement du maillon logistique et des pénuries pour les patients.
Monsieur le ministre, l'indexation octroyée en 2023 et 2024 peut-elle être pérennisée au même titre que d'autres secteurs des soins de santé?
Que pensez-vous du modèle de " fee for service " pour reconnaître pleinement la mission de service public remplie par les grossistes?
Vous avez eu des discussions concrètes avec le secteur. Un calendrier d'action est-il envisagé pour trouver des solutions?
Frank Vandenbroucke:
Madame Dedonder, je suis au courant des préoccupations du secteur et je suis prêt à réfléchir à des solutions. Cependant, je tiens également à souligner que cette question ne peut pas être abordée de manière unilatérale. En effet, la pression sur le secteur ne s'explique pas uniquement par le niveau des rémunérations octroyées par les pouvoirs publics. On observe une pression concurrentielle sur les prix, avec des fournisseurs qui ajustent leurs conditions commerciales. En outre, de plus en plus d'entreprises choisissent de livrer directement aux pharmaciens, de peur que leurs produits ne soient réexportés vers l'étranger. Il faut également se demander s'il est économiquement viable et réellement nécessaire de livrer les officines plusieurs fois par jour. En d'autres termes, une simple augmentation des marges économiques ne suffira pas. C'est l'ensemble du système qu'il faut repenser.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, je suis d'accord avec vous. Il faut de toute façon une réflexion globale. La question précédente que je vous ai posée portait aussi sur l'industrie pharmaceutique. Je suis d'accord sur le fait qu'il y a une concurrence avec les producteurs. Ma question consiste surtout à savoir quand aura lieu cette réflexion. Peut-on imaginer la tenir encore cette année et donner des perspectives au secteur? Elle ne doit clairement pas se limiter à un aspect, mais ce n'est pas pour autant qu'il ne faut rien faire, parce qu'aujourd'hui un gros problème se pose pour les grossistes-répartiteurs qui in fine se reporte sur les patients.
Burn-outpreventie en -behandeling bij beroeps- en amateursporters
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie belicht het onderbelichte probleem van burn-out en emotionele uitputting bij sporters, veroorzaakt door extreme prestatiedruk, gebrek aan balans en taboes rond mentale gezondheid in de sportwereld. Minister Vandenbroucke bevestigt dat er geen sport-specifieke mentale ondersteuning is via het SPF Volksgezondheid, maar dat sporters met een arbeidscontract wel gebruik kunnen maken van Fedris’ burn-outpreventieprogramma (vroegtijdige signalering en multidisciplinaire begeleiding). Er zijn geen Belgische cijfers of studies over de prevalentie van burn-out bij sporters, en verantwoordelijkheden liggen vooral bij de bevoegde sportministers en werkgevers (risicobeheer psychosociale belasting). Dedonder benadrukt de nood aan gericht onderzoek en belooft de bevindingen door te spelen naar relevante instanties.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, les témoignages d'athlètes professionnels ou amateurs mettent en lumière un phénomène encore largement sous-estimé, celui de l'épuisement émotionnel voire du burn-out dans le milieu sportif.
Ce mal-être psychologique, distinct du surentraînement physique, naît souvent d'un déséquilibre profond entre l'investissement du sportif en temps, en énergie, en émotions et les résultats escomptés. Il est exacerbé par la pression des sélections, des performances, parfois aussi des entraîneurs ou de l'environnement familial. Il se manifeste par de la fatigue chronique, un désintérêt progressif pour le sport voire des troubles plus sévères, comme des épisodes dépressifs.
Comme dans le monde du travail, les personnes concernées ne s'en rendent pas toujours compte de suite. Certains athlètes ne prennent conscience de leur état qu'après une blessure ou une éviction d'équipe. Dans un contexte où la santé mentale est encore trop souvent taboue dans le sport, il arrive que l'accompagnement psychologique fasse défaut, surtout en dehors des grandes compétitions internationales.
Monsieur le ministre, quelles actions concrètes le SPF Santé publique met-il en œuvre pour prévenir ces situations chez les sportifs?
Existe-t-il un dialogue structuré avec les entités fédérées, notamment les ministres des Sports et les fédérations sportives, afin d'intégrer la santé mentale dans les politiques de soutien aux sportifs?
Disposez-vous de données chiffrées sur la prévalence des symptômes d'épuisement ou de burn-out dans le milieu sportif en Belgique? Des études ont-elles été commanditées ou réalisées à ce sujet?
Enfin, quels moyens spécifiques sont mis à disposition des fédérations ou des clubs pour assurer un accompagnement psychologique voire thérapeutique pour les athlètes concernés?
Frank Vandenbroucke:
Comme tout citoyen belge bénéficiant de l'assurance maladie obligatoire, les sportifs professionnels autant qu'amateurs peuvent bénéficier de soins psychologiques de première ligne afin d'intervenir de manière précoce avant l'aggravation des troubles. Il n'y a cependant aucune intervention spécifique au milieu ou à la profession prévue par le SPF Santé publique ou l'INAMI en matière de santé mentale. Ces questions relèvent davantage des risques psychosociaux qui doivent légalement être anticipés par l'employeur.
Les risques psychosociaux liés au travail recouvrent les risques professionnels qui portent aussi bien atteinte à la santé mentale qu'à la santé physique et qui ont un impact sur le bon fonctionnement et les performances. Je vous suggère donc de réorienter ces questions vers les ministres des Sports des Communautés.
À titre d'information complémentaire, j'ajouterai toutefois que Fedris propose un programme de prévention secondaire spécifiquement dédié à la problématique du burn-out professionnel. Ce programme est accessible à tout travailleur salarié du secteur privé et des administrations provinciales et locales et de facto à tout sportif bénéficiant de ce statut de travailleur salarié. Fedris met l'accent sur le repérage précoce des premiers signes de burn-out, avec un maximum de deux mois d'incapacité de travail et propose un trajet multidisciplinaire centré à la fois sur les dimensions professionnelles et individuelles ayant mené à l'épuisement professionnel. Ce trajet flexible et personnalisé s'adapte aux besoins spécifiques des travailleurs qui y ont recours, quelle que soit leur profession.
Dans le cadre du programme de prévention du burn-out de Fedris, aucune étude scientifique sur la prévalence des symptômes de burn-out dans le milieu sportif n'a été recensée ni réalisée.
Ludivine Dedonder:
Merci pour les réponses que vous avez pu apporter. Il n'y a malheureusement pas d'étude à ce stade. J'espère qu'à un moment donné, il pourra y en avoir une. Je relayerai les autres réponses à qui de droit.
De federale taskforce drugscriminaliteit
De federale taskforce tegen drugscriminaliteit
De oprichting van een federale taskforce ter bestrijding van de drugshandel
Federale taskforce tegen drugscriminaliteit en -handel
Gesteld door
N-VA
Maaike De Vreese
VB
Ortwin Depoortere
DéFI
François De Smet
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 28 mei 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De federale taskforce tegen drugscriminaliteit, geleid door de eerste minister, coördineert sinds mei 2025 de uitvoering van het regeerakkoord via tweewekelijkse overleggen (kabinetten Binnenlandse Zaken, Justitie, Financiën) en driemaandelijkse evaluaties met een stuurgroep, gericht op structurele bestrijding van georganiseerde misdaad (niet enkel incidenten) via samenwerking tussen federale, lokale en justitiële actoren. Kritiekpunten zijn gebrek aan zichtbare voortgang op straatniveau (o.a. onderfinanciering federale politie, onvoldoende bescherming havens) en de dringende nood aan budgettaire versterking voor opsporing, handhaving en financiële ontmanteling van drugskartels (bv. via *stop, take and use the money*-strategie). Europa wordt betrokken als prioriteit, maar lokale besturen eisen meer operationele steun (bv. bestuurlijke handhavingswet, versterkte FGP-antennes in Brussel/Antwerpen). De taskforce mikt op diepgaande ontwrichting van criminele netwerken, maar concrete resultaten en middelen moeten nog vorm krijgen.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de eerste minister, de federale taskforce om drugscriminaliteit aan te pakken zal door u geleid worden. Deze taskforce is geen overbodige luxe, want elke week worden hier in de commissie voor Binnenlandse Zaken vragen gesteld over de strijd tegen de drugscriminaliteit. Tot voor kort waren er wekelijks schietpartijen in Brussel, gerelateerd aan drugscriminelen die hun strijd gewoon in het openbaar uitvechten. Het is dus zeer belangrijk om het overzicht te bewaren en de coördinatie in goede handen te houden met betrekking tot alle maatregelen opgenomen in het regeerakkoord. Dat zijn er heel wat.
Het zal voornamelijk ook van belang zijn dat alle verschillende niveaus, de deelstaten en de lokale niveaus, en alle verschillende instanties met elkaar samenwerken om de strijd tegen die criminelen te winnen. Het betreft dus niet alleen de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Zij hebben al verslag uitgebracht aan u, mijnheer de eerste minister. Ook de ministers van Financiën en Defensie zullen daarin een belangrijke rol spelen. Ik zal niet alle maatregelen uit het regeerakkoord opsommen, maar zowel nationaal en Europees als internationaal moeten er belangrijke stappen gezet worden.
Kunt u verslag geven van wat de twee ministers tijdens de ministerraad over die strijd tegen het drugsgeweld in Anderlecht hebben toegelicht? Zit daar ook evolutie in?
Wat is de taak van die taskforce? Hoe zal die concreet werken? Is die al samengekomen? Wat is de regelmaat van samenkomst? Op welke manier zal deze verslag uitbrengen?
Op welke manier zult u deze strijd tot een Europese prioriteit maken? Welke maatregelen mogen we daar nog verwachten? Op welke manier kunt u daar nog meer de aandacht op vestigen?
Welke maatregelen uit het regeerakkoord zullen op korte, middellange en lange termijn worden uitgevoerd? Kunt u tevens meedelen welke middelen voor welke maatregelen zijn voorbehouden?
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de eerste minister, enkele maanden geleden heb ik u naar aanleiding van de afrekeningen en schietpartijen in Brussel ondervraagd tijdens de plenaire vergadering. Toen hebt u inderdaad de oprichting van een taskforce openbaar gemaakt. We zijn intussen enkele weken en maanden verder, maar het blijft stil rond die taskforce. Ik heb daar sindsdien niets meer over vernomen. Ook de heer Quintin, die ik hierover bevraagd heb tijdens de bespreking van zijn beleidsnota, heeft er niet veel meer over gezegd.
Dat kan twee dingen betekenen: ofwel werkt men in alle stilte verder met die taskforce en gebeurt het achter de schermen, ofwel is er nog niets mee gebeurd. Ik hoop dat de eerste optie klopt. Als dat zo is, dan zijn er toch wel een aantal vragen die dringend moeten worden beantwoord opdat er opheldering zou komen.
Ik herhaal de vragen van mevrouw De Vreese. De situatie is bijzonder ernstig, niet alleen in Brussel. Ik verwijs ook naar de noodkreet uit uw stad, Antwerpen, waar enkele dagen geleden op klaarlichte dag een moord is gepleegd. Buurtbewoners getuigen daarover dat ook daar een grote drugsproblematiek heerst. Drugsbendes zijn er actief. Het zijn allemaal tikkende tijdbommen.
Dat stemt niet alleen ongerust, het noopt ook tot concrete maatregelen. Dat is dan ook wat ik van deze regering verwacht. Ik wil een verschil zien met de vivaldiregering. Ik wil dat de woorden van de N-VA van tijdens de vorige regeerperiode nu eindelijk in daden worden omgezet. Daarom heb ik enkele concrete vragen.
Wat is de concrete meerwaarde van deze taskforce? Werden er al maatregelen genomen? Zijn er budgettaire inspanningen voorzien om die drugsproblematiek – of eigenlijk de georganiseerde criminaliteit – op ons grondgebied definitief uit te schakelen?
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, le fait que le gouvernement fasse de la lutte contre le narcotrafic une priorité est positif et essentiel. Nous vous soutiendrons dans cette lutte. Le narcotrafic est sans doute l'une des plus grandes menaces qui pèse aujourd'hui sur nos démocraties, et je pèse mes mots. Cette criminalité ronge nos villes, concerne tous les milieux, a des conséquences en chaîne en santé, en justice, en sécurité. Les exemples à l'étranger nous le montrent: une fois que le narcotrafic a pris possession d'un territoire, il est très difficile de l'en extirper.
L'accord de gouvernement mentionne en effet cette task force, avec un certain nombre de composantes et de priorités. Après trois mois, il me semble intéressant de savoir où nous en sommes et si les travaux ont débuté. Cette task force a-t-elle bien été mise en place? Sinon, le sera-t-elle bientôt? Va-t-elle, comme prévu, associer des acteurs du monde judiciaire, essentiels à bien des égards? Je pense à l'activisme bienvenu du nouveau procureur du Roi. Dans quels délais votre gouvernement s'engage-t-il à obtenir des résultats?
Enfin, deux points me paraissent nécessaires pour bien mener cette lutte: l'augmentation des mesures de contrôle humain et technique dans les zones portuaires et aéroportuaires en vue de la détection de stupéfiants, et puis les mesures de protection à proposer aux dockers et au personnel administratif du port d'Anvers, qui sont approchés et menacés par les membres d'organisations criminelles.
Bart De Wever:
Cela fait maintenant plusieurs mois que cette task force a été mise en place. Son objectif principal est de coordonner la mise en œuvre des mesures prévues dans l'accord de gouvernement. Il s'agit entre autres de mesures que vous avez mentionnées, monsieur De Smet, pour protéger les gens qui travaillent dans le port et qui sont approchés par la criminalité organisée.
L'accord de gouvernement contenait en effet de nombreux éléments visant à lutter contre cette problématique et à protéger notre sécurité intérieure en général. Citons par exemple l'approche intégrée en matière de criminalité organisée, le renforcement des départements de sécurité, la relance du Plan Canal, l'élaboration du Stroomplan 2.0, etc. La task force veillera en outre à une collaboration plus intense et à une approche approfondie entre les différentes compétences.
Wij zijn er net als u allen van overtuigd dat dit echt wel nodig is. Wij zullen de krachten moeten bundelen en in verenigde slagorde gecoördineerd moeten optreden. Het regeerakkoord zit op het vlak van de geplande hervormingen goed in elkaar en is ambitieus. Alles moet echter nog doorgevoerd kunnen worden.
Het belang dat wij daaraan hechten, mag ook blijken uit het feit dat ik als eerste minister heb gevraagd om de taskforce zelf te mogen voorzitten. Dat is toch een signaal van het belang dat de huidige regering en zeker ikzelf aan de drugscriminaliteit hechten.
Hoe werken wij? De taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende kabinetten. Dat is in de kern BiZa of Binnenlandse Zaken, Justitie en de eerste minister. Die vertegenwoordigers zitten elke twee weken samen om op te volgen hoe het regeerakkoord in actie moet worden omgezet. Vrijdag 23 mei 2025 zijn zij voor de derde keer bijeengekomen. Ad hoc kunnen ook nog andere kabinetten aansluiten of uitgenodigd worden. Vorige vrijdag zat het kabinet Financiën mee aan tafel. Wellicht zal dat kabinet nog een heel tijdje of zelfs permanent aan tafel blijven. Wij hebben het immers voor heel veel zaken nodig. Dat is evident.
De taskforce volgt elke hervorming op die in het regeerakkoord is beschreven. De bedoeling is uiteraard om tot een uitrol te komen en op tijd te detecteren indien en waarom dat niet lukt, daaraan te remediëren en het indien nodig te escaleren naar de stuurgroep. Wie is de stuurgroep? Dat ben ikzelf samen met de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken. Wij zien elkaar elke drie maand. Dat hebben wij op die manier afgesproken. Mocht het nodig zijn, dan kan de groep uiteraard altijd samenkomen. Volgende keer zullen wij elkaar op 16 juli 2025 in principe voor het eerst na drie maanden werken zien, teneinde op te lijsten waar wij staan met de uitvoering van het regeerakkoord, na te gaan op welke punten het vlot of niet vlot loopt en te bekijken hoe dat komt. Dat zal op die manier worden gerapporteerd.
Over het gecoördineerde aspect van de hervormingen heb ik het al gehad. Uiteraard kan de stuurgroep ook rapporteren over de vooruitgang, de knelpunten en de moeilijkheden.
Naar mijn smaak verloopt de samenwerking vooralsnog constructief. Het is van uitermate groot belang dat wij op korte termijn de timing voor het uitrollen van de maatregelen uit het regeerakkoord kunnen bepalen en dat wij er bij de opmaak van de begroting over waken dat de nodige budgetten altijd zijn voorzien. Ik reken op de medewerking van mijn collega-ministers, die dankzij de interdepartementale provisie ook middelen zullen helpen vrijmaken.
Tot zover het antwoord. Ik wil daar nog iets aan toevoegen, omdat u dit altijd zo concreet aan het straatgeweld koppelt, wat ik begrijp. Dit is immers bijzonder verontrustend en ontwrichtend in steden zoals Brussel, waar men vaak terreinoorlogen ziet, en Antwerpen, waar het vaak gaat om geweld tussen criminelen onderling op het niveau van de groothandelaars in de plaats van de straatdealers. Dat is natuurlijk slechts de laatste schakel in het geheel van de georganiseerde criminaliteit waarop de taskforce zich richt. Ik denk dat het belangrijk is dat die taskforce in de diepte doorwerkt op de structuren van de criminele organisaties die, wanneer men hen ongemoeid laat, zich jaren later vertalen in gewelddelicten die op straat worden gepleegd.
Het voorbeeld van Nederland spreekt boekdelen. Het feuilleton dat men daar heeft gezien, speelt zich met enige vertraging ook bij ons af. Ik vind het wel belangrijk om niet de misvatting te laten ontstaat dat de taskforce alleen bijeenkomt wanneer er zich een incident voordoet. Zo werkt het uiteraard niet. De taskforce moet vooral in de diepte aan de georganiseerde criminaliteit werken. Dat staat ondertussen niet in de weg dat de minister van Binnenlandse Zaken en zeker ook de lokale verantwoordelijken, zoals de burgemeesters, alles moeten en kunnen doen om de openbare orde te waarborgen. Zij verdienen daarbij uiteraard ook alle steun.
Ik wil niet de misvatting laten groeien dat er voor elk incident op straat onmiddellijk een vergadering van de taskforce of een stuurgroep zou worden bijeengeroepen om zich daar specifiek mee bezig te houden. Het is slechts een onderdeel van een veel groter geheel.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor het antwoord.
Ik ben blij dat u dat ook op Europees niveau op de kaart zet. Dat dit van de eerste minister komt, is een fors signaal. Ik vermoed dat heel wat landen van de Europese Unie met dezelfde problemen te kampen hebben.
Het is belangrijk dat we die structuren vanop het federale niveau diepgaand aanpakken, maar ook het bestuurlijke en het gerechtelijke niveau moeten deze problematiek samen aanpakken. Ik vind de wet betreffende de bestuurlijke handhaving in dat kader heel belangrijk. Geef de lokale besturen de nodige handvaten. Zij zitten immers vaak met de handen in het haar als zij initiatieven willen nemen in bepaalde zaken waarvan ze weten dat die niet in orde zijn, terwijl ze niet weten hoe ze die moeten gaan aanpakken. Het is dus wenselijk om daarop te focussen. Het Parlement kan dan via die stuurgroep extra informatie krijgen wanneer het dat noodzakelijk acht.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de verduidelijking.
Die taskforce gaat wellicht veel breder, dieper en coördinerend, veel verder dan de steekvlampolitiek die wij gewoon zijn. Daarover zal ik u dus niet bekritiseren. Iets waar ik wel wat problemen mee heb, is dat er op het terrein zelf te weinig wordt gedaan. Dat is wat de burger aanvoelt en te zien krijgt in zijn wijk, in zijn straat. Daar laat men steken vallen.
U verwijst terecht naar het feit dat de lokale burgemeesters ook een verantwoordelijkheid hebben. Dat is zeker waar, maar u weet evengoed dat de aanpak van de georganiseerde criminaliteit ook een federale component heeft. Ik verwijs naar de federale gerechtelijke politie die deze taak op zich zou moeten nemen, maar die, zoals u weet, onderbemand en ondergefinancierd is. Daarom heb ik u deze vraag gesteld. Neem daarvoor de noodzakelijke budgetten op in uw begroting. Versterk de FGP. Schaf de antennes van de FGP niet af, maar versterk ze, zowel in Antwerpen als in Brussel, waar de nood het hoogst is.
Deze commissie heeft de commissaris-generaal van de federale politie uitgenodigd voor een hoorzitting. Ik hoop dat de heer Snoeck grote kuis zal houden binnen zijn diensten en eindelijk eens de puntjes op de i zal zetten. De situatie is ernstig en moet op een ernstige manier worden aangepakt.
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il est exact que les échanges de tirs entre bandes armées ne constituent que l'écume des choses. D'une certaine façon, c'est le bout de la chaîne. De plus, il est vrai que l'on ne résoudra pas ce problème uniquement avec du bleu dans les rues, mais également – comme je le dis souvent – avec du bleu derrière les écrans. Je pense à une proposition en particulier, qui figure dans votre accord, et je vous invite à aller beaucoup plus loin et plus rapidement en ce domaine, à savoir tout ce qui touche le portefeuille de ces trafiquants. Comme nous le savons, vu les profits vertigineux engendrés par ces trafics et le pouvoir financier et de corruption extraordinaire qui est ainsi conféré à leurs bénéficiaires, il n'y a que cette méthode qui fonctionne. Par conséquent, parmi toutes les mesures que vous êtes en train de prendre, toutes celles qui concernent stop, take and use the money sont, à mon avis, les plus efficaces. Nous vous soutiendrons en ce sens.
Vapes en de douane
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 29 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de massale instroom van illegale wegwerpvapes en drugs via pakjes uit het buitenland, die ongehinderd onder jongeren circuleren, ondanks dat ze in België verboden zijn. Minister Jambon benadrukt dat de douane risicoprofielen en internationale samenwerking gebruikt om fraude te bestrijden, maar erkent dat slechts een fractie (170.000 vapes in 2024) wordt onderschept, zonder zicht op de totale omvang. Vandemaele kaart aan dat de huidige aanpak ontoereikend is door overbelaste douanecapaciteit en pleit voor structurele versterking (meer middelen, personeel, scanners) om de stroom illegale producten effectief te stuiten. De kern: de douane loopt achter de feiten aan, terwijl de smokkelroute alleen rendabel blijft zolang het onderscheppingspercentage te laag is.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, onlangs toonde alweer een vrij schokkende Panoreportage aan dat wegwerpvapes, al dan niet met drugs in, massaal onder onze jongeren circuleren. Het gaat voor de goede orde daarbij wel om producten die verboden zijn in ons land en die men dus niet legaal kan kopen. Ze komen bijgevolg van over de grens in pakjes. Gelet op de noodkreten van de douane van de afgelopen maanden over de enorme toevloed aan pakjes – tot 600.000 pakjes per dag op piekdagen –, rijst de vraag hoe we pakjes met inhoud waarvan we geen fan zijn, zoals illegaal vuurwerk, illegale vapes, drugs en ongezonde producten kunnen tegenhouden.
Cijfers tonen aan dat slechts een fractie van de goederen die ons land binnenkomen, gecontroleerd wordt. Hoe kunnen we gerichter pakjes met illegale en of ongezonde producten weren? Wordt er specifiek ingezet op bijvoorbeeld vapes of illegale drugs?
Welke acties stelt u in het vooruitzicht om de douane te versterken, zoals meer mensen, meer financiële middelen en of andere methodes, opdat er minder van dat soort rommel ons land binnenkomt?
Jan Jambon:
Mijnheer Vandemaele, ten eerste, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen spoort actief fraude op en voert onderzoeken binnen de grenzen van haar wettelijke bevoegdheden. Daarbij maakt ze gebruik van eigen onderzoeks- en analysemethodes evenals nationale en internationale onderzoeksmethodes, bijvoorbeeld samenwerking en informatie-uitwisseling met binnen- en buitenlandse autoriteiten. Dat geldt zowel voor fraude en illegale handel in het algemeen als voor smokkel van vapes meer in het bijzonder.
Voor controles bij de invoer hanteert de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen risicoprofielen die zich enerzijds richten op de verstuivers van e-sigaretten en anderzijds op de vulling ervan. Die risicoprofielen kaderen in de handhaving van de reglementering inzake de productveiligheid van e-sigaretten. De douane voert daarbij echter enkel een stopfunctie uit. De daaropvolgend uit te voeren controles en/of beslissingen behoren tot de bevoegdheid van de FOD Volksgezondheid.
Daarnaast kunnen e-sigaretten met druggerelateerde producten eveneens worden aangetroffen tijdens controles inzake verdovende middelen, waarvoor eveneens specifieke risicoprofielen van toepassing zijn. Die controles worden zowel uitgevoerd door douaneteams in de eerste lijn als door douaneteams die zich richten op de opsporing van georganiseerde criminaliteit.
De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voert, waar nodig in samenwerking met de FOD Volksgezondheid, ook controles uit op de interne markt wat accijnzen op die producten betreft.
Ten tweede, in 2024 heeft de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen 169.618 stuks wegwerpvapes en 95.617 milliliter e-liquids in beslag genomen. In het eerste trimester 2025, dus tot 31 maart heeft zij reeds 25.479 milliliter e-liquids in beslag genomen. Wat men met die cijfers natuurlijk nooit weet, is welke hoeveelheid effectief werd ingevoerd, want de cijfers geven enkel aan wat er in beslag werd genomen.
Ten derde, er wordt sterk ingezet op uitwisseling van informatie en deelname aan acties met douaneorganisaties, internationale handhavingsdiensten en andere nationale diensten, zoals de FOD Volksgezondheid. Die grensoverschrijdende en interdepartementale samenwerking heeft als doel de douane te versterken in haar strijd tegen illegale vapes.
Op Europees niveau wordt intensief samengewerkt via het Europees samenwerkingsprotocol EMPACT binnen Europol. In dat programma is er een aparte werkgroep voor fraude met e-liquids en vapes, die tot doel heeft kennis over fraudetechnieken te delen en te analyseren en internationale frauduleuze netwerken en distributiekanalen te identificeren en te bestrijden.
Ten slotte, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen plant geen operationele of organisatorische veranderingen, specifiek voor de strijd tegen vapes. De risicoprofielen en bijgevolg ook de controles worden continu geëvalueerd en bijgestuurd waar nodig om tot nog meer efficiëntie te komen.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, 170.000 onderschepte vapes en 100.00 onderschepte e-liquids het afgelopen jaar, het zijn aantallen, die doen duizelen. De combinatie van de aantallen en de vlotheid waarmee de producten circuleren onder jongeren, noopt mij ertoe vast te stellen dat er een probleem is. Ik heb u en uw ambtsvoorganger al een aantal keer schriftelijke vragen gesteld over douanegerelateerde zaken. Telkens weer krijg ik het antwoord dat men op dezelfde manier zal verder werken. Nochtans signaleert men op de werkvloer dat de te verwerken volumes te groot en niet meer behapbaar zijn. We zullen toch op een of andere manier acties moeten uitrollen om de douane te versterken. Of dat met middelen, mensen of scanners gebeurt, is mij eender, maar het zal wel nodig zijn. Zo niet lopen we steeds achter de feiten aan. U hebt zelf gezegd dat u niet kunt inschatten welk percentage die 170.000 vapes uitmaken. Daarvoor zou immers ieder pakje geopend moeten worden. Als dat soort producten in die hoeveelheden door de douane blijven geraken, dan kan men zich wel een beeld vormen van de hoeveelheden die niet worden tegengehouden. Een handel waarbij het product gegarandeerd door de douane wordt onderschept, is immers geen lang leven beschoren. Als het percentage producten dat door de douane wordt tegengehouden, klein genoeg is, dan blijft men die weg gebruiken. Ik hoop daarom dat men bij de douane begint na te denken over hoe men het astronomisch volume aan goederen kan controleren om de brol, waaronder drugs, vuurwerk en andere onveilige producten, eruit te halen.
Het miljardencontract met CAF, een onderneming die de illegale bezetting steunt
De schorsing door de RvS van de NMBS-keuze om onderhandelingen op te starten met het Spaanse CAF
De schorsing door de Raad van State van de gunning aan CAF
De schorsing door de Raad van State van de aanwijzing van CAF voor de bestelling van AM30-treinen
De opschorting door de Raad van State van de beslissing van de NMBS over het contract van de eeuw
De door de Raad van State geschorste mega-order van AM30-treinstellen van de NMBS
Het arrest van de RvS over de opdracht voor de vernieuwing van het rollend materieel van de NMBS
De schorsing door de RvS van de aanbesteding voor de aankoop van MR30-treinstellen door de NMBS
De schorsing door de Raad van State van de beslissing van de NMBS ten gunste van het Spaanse CAF
De aanbesteding voor de aankoop van treinstellen en de recente beslissing van de Raad van State
Juridische geschillen rond NMBS-aanbesteding aan CAF voor nieuwe treinen
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 29 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De NMBS’ aanbesteding van 600 nieuwe treinen (€3 miljard) aan het Spaanse CAF is geschorst door de Raad van State wegens gebrek aan transparantie in de beoordeling van technische criteria, terwijl Alstom (met Belgische vestigingen in Brugge/Charleroi) €100 miljoen goedkoper bood (verschil: 0,4%). Politici eisen herziening van de procedure, benadrukken lokale tewerkstelling (700+ banen in Brugge) en vragen verantwoording van de NMBS, die tot nu toe ontbreekt. De minister verwijst naar de autonomie van de NMBS-raad van bestuur, maar belooft opvolging en overweegt geen volledige herstart (vertragingsrisico: 3-4 jaar), terwijl de definitieve uitspraak nog tot een jaar kan duren.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, op 17 april 2025 heeft de Raad van State de beslissing van de NMBS geschorst om de onderhandelingen te starten met het Spaanse bedrijf CAF voor de aankoop van een groot aantal nieuwe treinstellen.
Collega's, dit is de grootste bestelling ooit van de NMBS, voor verschillende types treinen, gaande van intercity, regionale tot lokale treinen. Het kan gaan tot en met 600 treinen en maar liefst 170.000 zitplaatsen. In haar geschiedenis maar misschien ook voor de komende 15 à 20 jaar stelt dit heel wat voor inzake het rollend materieel van de NMBS. Die bestelling is belangrijk, want ze zal ook moeten bijdragen aan de doelstellingen die in het regeerakkoord zijn opgenomen: 30 % meer reizigers, stiptheid boven 90 %, 50 % nieuwe treinen en een verlaging van het aantal afgeschafte treinen met 30 %.
De Raad van State heeft de schorsing opgelegd, omdat de NMBS onvoldoende transparantie aan de dag heeft gelegd bij de beoordeling van de technische kwaliteit van de ingediende offertes. Het is nochtans opmerkelijk dat het Franse bedrijf Alstom, met productiesites in Brugge en Charleroi, een offerte had ingediend die meer dan 100 miljoen euro goedkoper was. Toch koos de NMBS voor CAF, terwijl het totale verschil zeer klein was, slechts 0,4 %. De grootste oorzaak van dat verschil bestaat uit zes open vragen, waarover nu geoordeeld werd dat die punten niet transparant tot stand kwamen. De Raad van State oordeelde dat de NMBS daarmee het beginsel van transparantie, dat essentieel is bij overheidsopdrachten, heeft geschonden.
De schorsing roept veel vragen op, zoals ook blijkt uit de vragen van de collega's. Een maand geleden stelde ik zelf en verschillende collega's ook al talrijke vragen daarover.
Hoe legt u uit dat de NMBS kiest voor een veel duurdere aanbieder, terwijl er een goedkopere piste was?
Ten tweede, is het eventueel een optie om de procedure nu stop te zetten en vervolgens opnieuw aan te vatten?
Ten derde, welke stappen zult u zetten om ook in de toekomst dat te doen?
Tot slot, Vooruit pleit voor openheid en vraagt alleszins om de NMBS uit te nodigen om hier in de commissie de aanbesteding verder te komen toelichten.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, ik hoop dat we hier niet elke maand opnieuw moeten staan. Ik sta hier als Bruggelinge omdat ik voor de werknemers van mijn stad wil opkomen. Zoals de collega heeft gezegd, zijn we de heel grote bestelling nog niet kwijt, maar ze hangt aan een zijden draadje. Alstom, dat een site in Brugge heeft die kan bogen op ervaring en vakmanschap, deed een voorstel dat 100 miljoen goedkoper was dan dat van het Spaanse bedrijf CAF.
Vooruit vindt dat bij openbare aanbestedingen lokale tewerkstelling een heel belangrijk criterium moet zijn. Dat kan immers jobs in eigen land opleveren. Ook andere landen hanteren dit criterium. In Brugge en Charleroi is er heel veel onbegrip. Het gaat in Brugge om 700 werknemers, maar indirect staan ook elders heel wat jobs op het spel. Honderden gezinnen zijn daarvan afhankelijk voor hun inkomen. Het gaat niet om eender welk bedrijf, het gaat om Alstom, een hoogtechnologisch bedrijf dat kan bogen op jarenlange ervaring en heel bekwaam personeel, maar dat ook een voorstel indiende dat 100 miljoen lager ligt dan dat van het Spaanse CAF. Ik wil dat nogmaals benadrukken. Toch zal het deze bestelling niet binnenhalen als alles blijft zoals het nu is. Wij hebben echter een sprankeltje hoop gekregen door de schorsing van de Raad van State. Nu heeft men in Brugge maar werkzekerheid tot 2026. Dat zou een drama zijn. De stad is bang, de werknemers van Alstom zijn bang, de gezinnen zijn bang.
Ik heb de volgende drie vragen. Ten eerste, hebt u al contact gehad met de NMBS over de uitspraak van de Raad van State? Ten tweede, in antwoord op mijn vorige vraag beloofde u mij de premier te zullen aanspreken over de lokale tewerkstelling wanneer het gaat over openbare aanbestedingen. Hebt u dat reeds gedaan? Ten slotte, kunnen wij de NMBS in deze commissie ter verantwoording roepen?
Dorien Cuylaerts:
Goedemiddag, mijnheer de minister, de collega's hebben de situatie al duidelijk geschetst. Ik ga onmiddellijk over naar mijn vragen.
Welke gevolgen heeft deze schorsing voor de geplande vernieuwing van de treinstellen van de NMBS? Komt het tijdschema in gedrang? Overweegt de NMBS alternatieve pistes?
Wat is de verwachte duur van deze schorsing? Wanneer wordt een definitieve uitspraak verwacht? Kan de aanbestedingsprocedure nog worden hervat?
Welke impact heeft dit op korte en middellange termijn voor de reizigers? Worden er vertragingen verwacht in de inzet van het nieuw materiaal? Worden de bestaande treinstellen langer in dienst gehouden en met welke gevolgen voor het comfort en de betrouwbaarheid?
Hoe wordt in dit dossier omgegaan met de opmerkingen van Alstom en Siemens Mobility? Ziet u in hun bezwaar een indicatie van bredere problemen in de aanbestedingsprocedure of het beoordelingsproces van de NMBS?
Irina De Knop:
Goedemiddag, mijnheer de minister, ook bij Open Vld zijn wij zeer bezorgd over dit dossier over de aanwijzing van CAF voor de bestelling van de AM30-treinen. Zoals mijn collega's al uitvoerig hebben geschetst, heeft de NMBS op 28 februari beslist om van de drie inschrijvers de vennootschap naar Spaans recht CAF als voorkeurbieder aan te wijzen. Die aanwijzing bleek het gevolg te zijn van een rangschikking van offertes die door de raad van bestuur van de NMBS is gemaakt. De twee andere inschrijvers, Alstom en Siemens Mobility, zijn ondertussen in de wachtkamer geplaatst.
Wij hebben begrepen dat er een verzoek of een vordering tot schorsing bij de Raad van State is ingediend, die op 17 april de schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing heeft bevolen. Dit betekent dat het volledige dossier on hold is gezet. Dit is inderdaad, zoals een collega van de N-VA zegt, redelijk problematisch, enerzijds voor de NMBS en anderzijds voor de mensen die een dossier hebben ingediend.
De Raad van State zal nu moeten beslissen of de bestelling effectief wordt vernietigd. Wij hebben ons laten vertellen dat die beslissing ook nog eens tot een jaar kan duren. De hele procedure heeft dus een enorme impact. Ons is enorm opgevallen dat de Raad van State van oordeel is dat de methode die de NMBS heeft toegepast, voorbijgaat aan het beginsel van transparantie dat een overheidsbedrijf krachtens de wetgeving op de overheidsopdrachten in acht moet nemen.
Met name is in het arrest het volgende te lezen: “De aldus opgeworpen bevindingen en vragen, na een uiterst spoedeisend onderzoek van de schriftelijke stukken en de processtukken, nopen ons tot de erkenning dat het zowel voor de inschrijvers als voor de Raad van State bij lezing van de beschreven akte niet mogelijk is de evaluatiemethode te begrijpen die in casu is toegepast en heeft geleid tot de toekenning van punten met betrekking tot het betrokken gunningscriterium. De documenten in het administratief dossier laten ons evenmin toe deze methode te begrijpen.” Wanneer de Raad van State dat schrijft, betekent dat wel wat
Voorzitter:
Mevrouw De Knop, kunt u tot uw vragen komen?
Irina De Knop:
Mijnheer de voorzitter, ik kom tot mijn vragen.
Ten eerste, hoe werd het criterium technische kwaliteit beoordeeld bij de overheidsopdracht? Wie heeft de beoordeling uitgevoerd? Op basis van welke gegevens uit de offerte gebeurde ze?
Ten tweede, wie moest zijn of haar goedkeuring of advies geven voor de aanwijzing van CAF als voorkeursbieder bij de overheidsopdracht? Was dat de Inspectie van Financiën? Waren dat de regeringscommissarissen? Wie anders kan het zijn geweest?
Mijnheer de voorzitter, heel belangrijk is de hiernavolgende vraag. Kunnen de adviezen worden bezorgd aan de commissie voor Mobiliteit? De commissieleden moeten daarvan inzage kunnen krijgen om een grondige beoordeling te maken van het dossier.
Ten derde, lopen er nog andere overheidsopdrachten bij de NMBS met het risico om te worden geschorst wegens onduidelijkheden over de toegepaste criteria?
Voorzitter:
Mevrouw De Knop, hebt u nog veel vragen? U bent immers al aan het dubbele van uw spreektijd. Een beetje meer spreektijd is geen probleem, maar u zit aan het dubbele. Kunt u dus nu afronden?
Irina De Knop:
Mijnheer de voorzitter, ik was mij daar niet van bewust. Ik zal voor de andere vragen verwijzen naar mijn ingediende vraag. Ik verontschuldig mij, maar we bespreken hier wel een belangrijk dossier.
Voorzitter:
Mevrouw De Knop, daarmee ben ik het zeker eens.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, Alstom, qui emploie quelque 1 500 personnes en Belgique, vous avait demandé une réaction. La lui avez-vous fournie? Que répondez-vous aux ouvriers qui craignent pour leur emploi?
Que répondez-vous à celles et ceux qui pensent qu’un critère d’ancrage local aurait dû être pris en compte, ce qui n'a pas été le cas?
Vous disiez récemment que relancer complètement le marché entraînerait un retard de trois à quatre ans dans l’acquisition de ce nouveau matériel. Qu’en est-il au regard de l’arrêt du Conseil d’État ?
Pensez-vous que la SNCB pourrait se contenter de mieux motiver sa décision? Comme vous êtes juriste, je vous pose directement la question car cette éventualité est réelle.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, de situatie is goed beschreven.
Wat betekent de schorsing uitgesproken door de Raad van State voor het dossier? Wat zal gebeuren indien op termijn, blijkbaar lange termijn, de Raad van State zou overgaan tot het volledig nietig verklaren van het dossier?
Mijn derde vraag is breder. De NMBS treedt bij herhaling de regelgeving bij overheidsaanbestedingen met voeten. Ik denk dan aan de ICT-contracten, de consultancycontracten bij YPTO en de vaststellingen in het dossier met betrekking tot het station van Bergen. De transparantiebeginselen worden niet altijd gerespecteerd, nu weer niet. Wat is uw mening daarover? Zult u daarover een gesprek hebben met de NMBS? Of zal er ingegrepen worden? Kan dat zomaar passeren?
François De Smet:
Monsieur le ministre, nous revoilà donc avec ce dossier CAF, à la faveur d'un arrêt en suspension du Conseil d' État, dont je vais lire un court extrait: "La SNCB, pour l’évaluation des offres au regard du critère 'Valeur technique', dans le dossier administratif, ne livre pas d’explication à propos de facteurs susceptibles d’avoir déterminé l’attribution des notes pour le critère d’attribution concerné (...) Il n’est pas possible, à la lecture de l’acte attaqué, de comprendre la méthode d’évaluation qui a été appliquée en l’espèce."
En clair, le Conseil d' État reproche à la SNCB de ne pas avoir respecté le principe de transparence nécessairement applicable dans le cadre de la législation sur les marchés publics. On sait que l'entreprise va étudier les conséquences de cet arrêt, sans préjudice d'un recours toujours pendant devant la chambre néerlandophone du Conseil d'État. Elle a néanmoins fait savoir que, selon une première analyse, cet arrêt ne justifiait pas une nouvelle procédure d'appel d'offres.
Bon, d'accord, mais il est quand même frappant de constater que les arguments du Conseil d'État reflètent tout de même assez fort ceux que nous avons échangés lors du dernier débat sur cette question et que les mêmes questions relatives à la compréhension de la décision de la SNCB et à la pondération des critères subsistent.
Monsieur le ministre, vos services ont-ils sollicité de la SNCB une analyse juridique approfondie de cet arrêt de suspension? Ensuite, vous a-t-on bien confirmé qu'une nouvelle procédure d'appel d'offres ne devait pas être réalisée dans le cadre de ce marché public?
Franky Demon:
Mijnheer de minister, we weten allemaal dat de NMBS besliste het akkoord van 3 miljard euro voor nieuwe treinstellen aan CAF toe te wijzen. Bombardier had het daar heel moeilijk mee. Wij hadden het er ook moeilijk mee.
Het is goed dat de NMBS wordt teruggefloten, aangezien de Raad van State de keuze voor het Spaanse CAF heeft geschorst. De Raad van State is duidelijk. De NMBS heeft haar werk niet gedaan, zeker niet wanner het gaat over de technische aspecten. Dat zijn belangrijke zaken.
Ik heb de eerste minister gezien toen hij Volvo heeft bezocht. De eerste minister verklaarde daar dat hij het liefst met een Belgische wagen rijdt. Welnu, ik zit het liefst in een wagon die in België is gemaakt. Ik heb dan ook slechts enkele vragen voor u.
Wat zullen de gevolgen zijn van de schorsing voor de bestelling van de NMBS? Wat is de verwachte duur van de schorsing?
Wat zullen de gevolgen zijn, mocht de Raad van State de aanbesteding nietig verklaren?
Welke instructies of richtlijnen geeft u als minister aan de NMBS om transparantie en objectiviteit te waarborgen bij zulke aanbevelingen?
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, le Conseil d'État suspend le choix de la SNCB de considérer CAF comme soumissionnaire préférentiel pour le marché public d'achat d'automotrices. Un choix qui, je le rappelle, avait été posé à l'unanimité par le conseil d'administration de la SNCB, où siègent l'ensemble des partis traditionnels.
Pour le PTB, ce choix nous posait doublement question dès le départ. Premièrement, il ne tient pas compte de l'emploi local et de nos sites de production à Bruges et à Charleroi. Et à l'heure où on ne cesse de parler de réindustrialisation, où les différents gouvernements ont laissé advenir la fermeture de Van Hool ou d'Audi, on aurait espéré un sursaut.
Ensuite, en posant ce choix, la SNCB se rendrait complice de la colonisation israélienne en territoire occupé. En effet, comme je l'avais déjà signalé lors de la dernière commission, CAF construit notamment un tramway qui relie Jérusalem aux colonies, ce qui constitue une violation fondamentale du droit international, comme vous l'ont encore rappelé des universitaires dans une carte blanche.
Monsieur le ministre, un nouvel appel d'offres sera-t-il mis en place? Dans la négative, quand la SNCB remettra-t-elle sa décision? Que faites-vous pour vous assurer que ce marché favorise l'emploi local, tout en ne se rendant pas complice de la colonisation israélienne?
Jean-Luc Crucke:
Je remercie Mme Jacquet d’avoir rappelé qu’effectivement, la décision du conseil d’administration a été prise à l’unanimité. Il ne s’agit pas d’une décision d’attribution mais d’une décision de faire appel à un soumissionnaire préférentiel. Dans ce conseil d’administration, tous les partis traditionnels, sauf le mien, sont représentés.
La lecture par la SNCB de l’arrêt de la chambre francophone du Conseil d’État est que la décision n’était pas suffisamment motivée, ce que plusieurs d’entre vous ont répété.
De Nederlandstalige kamer heeft geoordeeld dat het geen voorwerp meer had aangezien de beslissing reeds geschorst was.
La SNCB analyse bien évidemment à ce stade l'arrêt et ses conséquences. À première vue, l'arrêt ne nécessite pas une nouvelle procédure d'appel d'offres. La commande de nouvelles automotrices AM30 est d'une grande importance pour le renouvellement de la flotte de matériel roulant de la SNCB, pour répondre à la croissance du nombre de voyageurs, telle que prévue dans le contrat de service public 2023-2032 signé avec l'État belge.
De beslissing in dit dossier komt toe aan de raad van bestuur van de NMBS. Het spreekt voor zich dat ik de evoluties in dit dossier op de voet volg.
Het MR30-dossier is het enige met betrekking tot de bestelling van nieuwe treinen dat momenteel in de aanbestedingsfase zit. Andere lopende dossiers zijn ofwel al in levering, zoals de M7, of zijn reeds gegund, zoals de locomotieven T17, beiden bij Alstom.
Elke inschrijver betrokken bij een aanbestedingsprocedure heeft de mogelijkheid om een beroep in te dienen en zijn argumenten voor de Raad van State te bepleiten. In het verleden werden er ook beroepen aangetekend bij de Raad van State in het kader van aankopen van rollend materieel, maar die hebben nooit geleid tot een herziening van de gunning van de opdracht. De complexiteit van het onderwerp maakt dat er veel elementen bestaan in een opdracht die aanleiding kunnen geven tot een klacht. Het is dan ook aan de NMBS om telkens aan te tonen dat de evaluatie correct is gebeurd.
Mijnheer Tas, wat uw specifieke vraag betreft, verwijs ik naar mijn antwoord in de vorige commissievergadering. Zoals ik toen al heb gezegd, zijn er volgens publiek beschikbare documenten ook andere marktspelers betrokken bij activiteiten in de bezette gebieden. Ik heb de FOD Buitenlandse Zaken gecontacteerd om te vernemen in welke mate verschillende ondernemingen die op de overheidsopdracht ingeschreven hebben van de procedure zouden moeten worden uitgesloten op grond van argumenten die verband houden met de economische activiteiten die zij in de bezette gebieden uitoefenen.
Volledigheidshalve kan ik ook zeggen dat Alstom en Siemens beiden een verzoekschrift hebben ingediend tot nietigverklaring van de beslissing van de raad van bestuur van 28 februari 2025, waarbij CAF als voorkeursbieder werd aangeduid. Alstom deed dat op 24 april en Siemens op 28 april.
Ik begrijp dat er nog veel andere vragen zijn en verwijs in deze naar de brief van de NMBS van 18 maart 2025 aan de voorzitter van deze Kamercommissie. Daarin gaf de NMBS te kennen aan deze commissie toelichting te willen geven over het afronden van de aanbestedingsprocedure. Artikel 13, § 1 van de wet op de overheidsopdrachten voorziet immers in de vertrouwelijke behandeling van een aanbestedingsprocedure door de aanbesteder. Kandidaten, deelnemers, inschrijvers of derden hebben geen toegang tot de documentatie van de procedure alvorens een beslissing genomen is over de gunning van de opdracht.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, het is inderdaad juist dat dit een beslissing van de raad van bestuur betreft, maar gelet op de grote impact ervan is het toch wel logisch dat hierbij heel veel vragen rijzen. In die zin moeten wij toch ook een toelichting kunnen krijgen van de NMBS.
U zei het zelf, in het verleden heeft het nog nooit geleid tot een bijkomende motivatie of een vernietiging, vandaag wel. Dan lijkt het mij ook evident en logisch dat de NMBS op dat vlak de nodige toelichting komt geven, zeker omdat de punten zo dicht bij elkaar liggen, het gaat over een verschil van amper 0,4 punten, dat dan nog wordt gemotiveerd vanuit zes of acht open vragen waarvoor eigenlijk geen criteria zijn bepaald.
Ik ben geen jurist, maar in hoeverre kan men dat op een goede manier motiveren? Daarover kan er toch een juridische boom worden opgezet. Ik ben heel erg benieuwd naar de toelichting. Die openheid en transparantie zal Vooruit ook steeds blijven vragen.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord maar ik blijf enorm op mijn honger zitten. U verwijst continu naar de raad van bestuur van de NMBS, maar de NMBS valt onder de verantwoordelijkheid van de federale regering en u bent de bevoegde minister. Er moet toch iemand zijn die uitleg wil geven? Waar zit de CEO? Waar zitten al die CEO's? Waarom komt er niemand? Ik vind dat vreemd en ik vind dat qua transparantie ten aanzien van het Parlement absoluut niet kunnen.
Net als mijn collega wil ik in België in een Belgische trein rijden, het liefst zelfs in een Brugse trein. We weten dat die van superkwaliteit zijn, dat er jarenlange ervaring is bij Alstom en dat de offerte 100 miljoen goedkoper was dan die van het Spaanse bedrijf CAF.
Mijnheer de minister, mijn verstand staat daar eigenlijk stil. Hoe kan het dat de job van 800 mensen in Brugge op het spel staat en dat de NMBS zich wegsteekt en bezig is met het lezen van het arrest? Hoeveel tijd heeft men nodig om dat arrest te lezen? Hoeveel tijd heeft men nodig om in België een antwoord te geven aan de Belgische onderdanen die uitleg vragen, aan de Brugse onderdanen die uitleg vragen, aan de Waalse onderdanen die uitleg vragen?
Ik ben dus niet tevreden met uw antwoord, het spijt mij. Ik heb ook geen antwoord gekregen op mijn vraag of u de eerste minister al hebt aangesproken om er in de toekomst toch voor te zorgen dat er druk is op Europa, zodat in de Europese wetgeving lokale tewerkstelling bovenaan het lijstje van de criteria staat.
Ik wil ook nog benadrukken dat de NMBS in het verleden in alle klantentevredenheidsonderzoeken heeft gezegd dat het werken met Alstom uitmuntend is. Zij kregen een score van 8 op 10 en 9 op 10. Ik kan u deze gegevens bezorgen. Waarom we nu plots voor de treinen naar Spanje gaan, blijft voor mij een raadsel.
Dorien Cuylaerts:
Dank u wel, mijnheer de minister. Het is hier al een aantal keer gezegd, de impact van dit dossier is enorm groot. Het brengt vooral ook onzekerheid met zich mee voor de werknemers van de twee bedrijven. De transparantie van de NMBS is echt wel onvoldoende. Dit gebeurt inderdaad in meerdere dossiers. Er moet nu echt wel duidelijkheid worden geboden, ook tegenover ons. Wij volgen dit dossier op de voet op. Dit gaat nog een staartje krijgen, denk ik.
Een evaluatie is zeker nodig om dergelijke fouten in de toekomst te vermijden. Mijnheer de minister, ik hoop dat u samen met de NMBS alles in het werk stelt om dit in de toekomst te vermijden, want we dreigen echt wel achterop te lopen met het vernieuwen van de treinstellen. Dit zal sowieso gevolgen voor de treinreizigers hebben. We moeten er toch voor zorgen dat we een betrouwbare dienstverlening aan de reiziger kunnen aanbieden.
Irina De Knop:
Collega's, ik deel dezelfde bekommernis als jullie. Er moet transparantie in dit dossier komen. Daarom wil ik nog eens mijn vraag herhalen om met de commissie, indien nodig achter gesloten deuren en met de nodige vertrouwelijkheid, te vergaderen om toch een zicht te krijgen op de documentatie op basis waarvan de raad van bestuur van de NMBS dit heeft beslist. Om dit dossier op een juistere manier te kunnen beoordelen, lijkt mij dit erg nuttig te zijn. Het is immers niet zomaar een dossier. Het gaat over heel veel geld. Het verschil tussen de aanbieders is ook heel erg groot.
Mijnheer de minister, ik wil u vragen om hieraan prioritair aandacht te schenken en te proberen om meer zicht op dit besluitvormingsproces te krijgen. Ik hoop ook dat u ervoor zorgt dat de juiste aanbieder de offerte krijgt toegewezen.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, quel constat d'impuissance finalement! Je suis vraiment navré d'entendre votre réponse, même si elle ne fait que reprendre des éléments déjà évoqués précédemment.
Que répondre à ces 1 500 personnes en Belgique? La question des critères d’ancrage local semble définitivement écartée. En tout cas, je n'ai entendu aucune réponse à ce sujet.
Recevoir la SNCB en commission est la moindre des choses que l'on puisse faire, même s'il s'agit finalement d'un un État dans l’État, comme le disait autrefois l’adage. Quand bien même aucun administrateur de votre couleur ne siège au conseil d'administration, cela n’excuse en rien cette décision qui reste critiquable et discutable.
J’ai hâte d’assister à cette commission, qu’elle soit confidentielle ou à huis clos, car elle est essentielle.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden die echter geen nieuwe elementen bevatten. Het zijn allemaal antwoorden die we al in het verleden hebben gekregen.
Wat betreft de gevolgen voor de treinreizigers, het is duidelijk dat dit al voor vertraging zal zorgen. Ik mag er niet aan denken dat de hele procedure nietig zou worden verklaard. Dan zal het nog veel langer duren tegen dat die nieuwe treinen, die broodnodig zijn, er zouden zijn.
Ook op mijn vraag over de vele problemen bij de NMBS bij het toekennen van consultancycontracten of andere contracten heb ik geen antwoord gekregen. Ik stel opnieuw vast dat dit het typische verhaal van de NMBS is: er komen geen antwoorden en wellicht is er ook weer niemand verantwoordelijk.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. J’ai deux questions. Je m’adresse d’abord au président de la commission: une réunion à huis clos pour entendre le point de vue de la SNCB serait-elle possible, sans mettre en danger le marché? La question pourrait être posée aux services de la Chambre.
Ensuite, je m’adresse au ministre pour un élément d’information. À la suite du dernier débat, j’ai été contacté par des riverains de Woluwe-Saint-Lambert. De nombreuses personnes y souffrent du bruit lié à la ligne 1 du métro, en raison de rames et de roues livrées à la STIB par le même entrepreneur, à savoir l’entreprise CAF. Une riveraine se demandait si d'autres chantiers en Belgique avaient rencontré des problèmes avec du matériel livré par cette société espagnole.
La STIB tente actuellement de régler le problème, il est donc trop tôt pour en tirer des conclusions. J’aimerais toutefois savoir si la SNCB, dans l’examen des offres, tient compte des chantiers déjà effectués en Belgique, en ce compris les problèmes techniques qui ont pu apparaître. Pour le cas de la STIB, la situation empêchant des centaines de gens de dormir, c’est un véritable problème qui est aujourd’hui constaté sur les lignes 1 et 5. Mais peut-être poserai-je une question séparée au ministre à ce sujet.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je suis arrivée un peu tard vu les difficultés sur le rail aujourd'hui. Je ne manquerai pas de lire votre réponse et je suivrai ce dossier avec attention.
Franky Demon:
Mijnheer de minister, ik hoop dat u met mij beseft dat die 3.000 mensen bij Alstom, waarvan 700 mensen in Brugge werken, hoop gekregen hebben. Ze hebben hoop gekregen om die lokale productie, lokale industrie en lokale tewerkstelling verder te kunnen ontplooien, ook onder andere bij ons in Brugge.
Ik zeg het u, mijns inziens is het niet moeilijk. Er is immers het verschil in prijs en als we een afgewerkt toestel geen duizenden kilometers moeten verplaatsen, maar gewoon op het spoor kunnen zetten om bij de NMBS af te zetten, moet dat toch enorm goed scoren, bijvoorbeeld qua milieu-impact? Ik geloof dus dat het kan slagen als er een wil is.
Ik wil ook nog iets zeggen over die hoorzitting. Alles wat we gevraagd hebben, is een hoorzitting, eventueel achter gesloten deuren, met de NMBS. De NMBS zei eerst zelf dat ze niet kon komen, omdat ze wachtten op een arrest van de Raad van State. Dat arrest is er nu, dus wat houdt de NMBS dan nog tegen om hier naar de commissie te komen? Dat mag achter gesloten deuren, dat kan ons allemaal niet deren, zolang we maar helderheid krijgen. Ik wil ook heel duidelijk zeggen dat alle procedures correct zullen moeten worden gevoerd, maar wat mij betreft zal dat met een hart voor Alstom zijn.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, vous n'avez pas répondu à ma question sur votre rôle et sur ce que vous allez faire pour vous assurer que le marché favorise l'emploi local tout en ne se rendant pas complice de la colonisation israélienne. Ce gouvernement dit qu'il favorise l'emploi ou même le droit international mais si, dans les faits, rien ne se passe en amont, cela n'ira pas. Je dois dire aussi que ce n'est pas en précarisant davantage les chômeurs et en les envoyant vers les CPAS qu'on va garantir les bons de commande dans nos entreprises et donc l'emploi. Il faudrait prendre le problème par le bon bout, ce que notre gouvernement ne fait pas. Nous allons soutenir la demande des autres députés d'organiser des auditions avec la SNCB.
De impact van de VS-invoertarieven op de Belgische kmo's
Het effect van de Amerikaanse invoerheffingen
De ondersteuning van kmo's die door de Amerikaanse invoerheffingen getroffen worden
De verwachtingen inzake en de mogelijke antwoorden op de impact van de handelsoorlog op de kmo's
De gevolgen van Amerikaanse invoertarieven voor Belgische kmo's en mogelijke maatregelen
Gesteld door
CD&V
Leentje Grillaert
VB
Reccino Van Lommel
PS
Sophie Thémont
Les Engagés
Anne Pirson
Gesteld aan
Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)
op 29 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Amerikaanse invoertarieven (tot 145% op China) bedreigen Belgische kmo’s die naar de VS exporteren, met stijgende kosten, vertragingen en afzetverlies, terwijl Chinese bedrijven hun focus naar Europa verschuiven. Minister Simonet overlegt met sectoren (farma, tech, voeding) en plant structurele maatregelen (fiscale stimulansen, lagere energiekosten, marktdiversificatie, vereenvoudigde administratie) via het PME-plan en Make 2025-2030, met een volgend overleg in juni; ze waarschuwt voor Europese tegenmaatregelen die kmo’s kunnen schaden en benadrukt contractuele bescherming via het nieuwe imprvisie-artikel (5.74 BW). Van Lommel ziet kansen voor strategische autonomie maar wijst buitenlandse arbeid af, terwijl Pirson (Les Engagés) snelle, concrete actie en Europese de-escalatie eist om onzekerheid bij kmo’s te beperken.
Voorzitter:
De heer Van Quickenborne is niet aanwezig om zijn vraag nr. 56003343C te stellen.
Reccino Van Lommel:
Mevrouw de minister, begin april voerde de Amerikaanse president Trump hoge invoertarieven in voor zowat alle landen ter wereld. Voor China gaat het zelfs om een tarief van 145 %. Dat heeft een invloed op de Belgische kmo's die hun producten in de VS willen verkopen, en dwingt hen om op zoek te gaan naar nieuwe afzetmarkten. Uit een rondvraag van UNIZO blijkt dat heel wat Belgische bedrijven een effect verwachten van ie invoertarieven. U hebt een persmededeling gedaan over de invoertarieven, die ik met bijzonder veel aandacht heb gelezen. Ook landen buiten Europa worden met dezelfde problematiek geconfronteerd en zij bekijken hoe ze hun afzetmarkt kunnen verschuiven richting Europa. Vooral Chinese bedrijven, die nu een afzet in de Verenigde Staten hebben, zullen nog meer proberen hun afzet te verschuiven naar Europa.
Welke gevolgen van de Amerikaanse importheffingen ziet u voor Belgische bedrijven die vooral naar de VS exporteren? Welke maatregelen acht u aangewezen? U hebt aangekondigd te willen overleggen met de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO, de FOD Economie, de RSVZ en de vertegenwoordigers van de getroffen sectoren om de behoeften in kaart te brengen. Wat heeft dat overleg reeds opgeleverd? U wilt samen met de betrokken partijen een inventaris maken van de problemen en een gezamenlijk actieplan opstellen. Welk tijdspad hebt u daarvoor voor ogen?
Belgische bedrijven kunnen wellicht niet concurreren met de Chinese producten, zoals ik in het verleden al vaker heb gezegd. Welke maatregelen overweegt u dienaangaande? Welke strategie acht u aangewezen? Kiest u ervoor om Chinese investeerders aan te trekken dan wel om de Belgische bedrijven te ondersteunen?
Tot slot, welk overleg hebt u al gehad met de deelstaten? Dat is niet onbelangrijk, want sinds de zesde staatshervorming werden heel wat bevoegdheden overgeheveld naar de deelstaten.
Anne Pirson:
Madame la ministre, la guerre commerciale déclenchée par les États-Unis, notamment à travers l’instauration de nouveaux droits de douane, entraîne des répercussions directes et profondes sur notre tissu économique, en particulier sur les petites et moyennes entreprises (PME). Près de 92 % des 5 617 entreprises belges exportant vers les États-Unis sont des PME. Pour elles, cette instabilité se traduit par des hausses de coûts, des retards de livraison, une baisse de la demande et, dans certains cas, un risque de délocalisation. Ces entreprises semblent partager la position du gouvernement selon laquelle personne ne gagne dans une guerre commerciale et qu’il est préférable de construire des ponts plutôt que de dresser de nouvelles barrières.
À la suite de cette décision des États-Unis, vous avez lancé une première série de consultations avec les représentants des secteurs concernés, avec l’ambition d’élaborer des mesures concrètes intégrées au futur plan PME. Si cette démarche est bien évidemment saluée, les attentes du terrain sont fortes: soutien structurel, compétitivité renforcée, sécurité contractuelle et, surtout, clarté sur la position européenne pour éviter une escalade commerciale.
Madame la ministre, quelles priorités ressortent-elles de la première consultation et de l’inventaire des difficultés rencontrées par les PME, et comment ces constats guideront-ils les mesures à intégrer dans le plan PME?
Certaines entreprises appellent à des outils juridiques plus robustes pour sécuriser leurs relations commerciales. Envisagez-vous d'encourager ou de soutenir l'intégration de clauses de révision, d’imprévision ou de renégociation dans les contrats commerciaux des PME, face à ce type de risques géopolitiques?
Enfin, quelle est votre position, et celle que vous défendez auprès de la Commission européenne, concernant une réponse européenne à cette guerre commerciale, alors même que 87 % des PME sondées s’opposent à une escalade douanière?
Eléonore Simonet:
Mevrouw Pirson, mijnheer Van Lommel, op 24 april heb ik grondige gesprekken opgestart met de voornaamste economische actoren over de impact van de Amerikaanse importtarieven op onze kmo's. De interprofessionele organisaties UNIZO, UCM en NSZ waren aanwezig, net als de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO, Beci en vertegenwoordigers van strategische sectoren zoals de farmaceutische en de biotechnologische sector, de technologische sector, de voedingssector, de drankenhandel, de brouwerijsector en de diamantsector. Zij beklemtoonden allemaal een cruciaal punt: het onzekerheidsniveau is hoog en de bezorgdheid neemt toe. Zelfs in de sectoren die nog niet zwaar getroffen zijn, vertraagt de vraag. De productiekosten stijgen. Leveringen ondervinden vertragingen en de mogelijke langetermijneffecten veroorzaken terechte vrees.
Het is ook belangrijk op te merken dat sommige kmo's, hoewel zij niet in de export- of importstatistieken staan, een indirecte impact ondervinden, omdat ze deel uitmaken van het ecosysteem van exporterende bedrijven. De vertegenwoordigers van de organisaties die ik heb ontmoet, roepen op tot concrete acties en vooral tot structurele maatregelen. Ik begrijp die vraag. Zij pleiten voor een gezond investeringsklimaat, een versterkte ondersteuning van onderzoek en innovatie en een ambitieus anders beleid, zowel door een protectionistische reflex in de Europese Unie, te vermijden, als door een open dialoog met de VS te behouden, een cruciale handelspartner. Ter herinnering, de arizonaregering bestemt 1,7 miljard euro voor de concurrentiekracht van bedrijven, waarvan 200 miljoen euro specifiek voor kmo's. Dat is mogelijk door onder andere een verlaging van de lasten op lage en middelhoge lonen en door een plafonnering van de bijdrage op hoge lonen.
Diverses mesures ont été envisagées durant cette première réunion: des incitants fiscaux, l’évitement de la surtransposition ( gold plating ), la réduction des coûts salariaux et énergétiques et le soutien actif à l’exploration de nouveaux marchés. La simplification administrative, notamment pour attirer des talents étrangers, a également été citée. Les mesures seront analysées par mon administration, et j’entreprendrai ensuite une concertation avec les ministres compétents afin d’en intégrer dans le volet résilience du plan PME.
Overigens sta ik voortdurend in contact met de vertegenwoordigers van de kmo's. Er is trouwens een nieuw overleg voor eind juni gepland. Regelmatige communicatie is essentieel, zodat wij onze strategie zo goed mogelijk kunnen afstemmen op de realiteit op het terrein. De kmo's willen ook snel worden geïnformeerd over tariefontwikkelingen en willen betrokken worden bij de uitwerking van begeleidingsmaatregelen. Ik zal erop toezien dat hun verzoek wordt ingewilligd.
In ieder geval, de situatie is uiterst volatiel en de positie van het Witte Huis kan van de ene dag op de andere radicaal veranderen. Indien nodig, zouden we tijdelijke maatregelen, zoals tijdens de brexitcrisis, kunnen nemen. Ik denk onder andere aan een overbruggingsrecht en aan sociale en fiscale maatregelen om de zwaarste impact te verzachten.
Concernant les contre-mesures européennes, il convient d'être très vigilant, car mal calibrées, elles pourraient occasionner autant, sinon davantage, de dommages à nos propres entreprises. Là encore, je serai particulièrement attentive à ce que les intérêts de nos PME soient pleinement pris en compte.
Enfin, permettez-moi de rappeler que cette crise, aussi déstabilisante soit-elle, peut aussi représenter une opportunité; une opportunité pour nos PME de diversifier leurs marchés, pour l'Europe de renforcer son autonomie économique, et pour la Belgique d'accélérer certaines transitions stratégiques.
Dans ce cadre, et en plus du plan PME susmentionné, le plan Make 2025-2030 a pour but de revitaliser notre industrie. Ces deux outils sont complémentaires et essentiels pour préparer notre tissu économique aux défis de demain.
En ce qui concerne la protection de nos commerçants contre de tels risques géopolitiques, je signale d'abord que le Code civil, notamment le livre 5 sur les obligations, prévoit maintenant dans son article 5.74 une disposition sur le changement de circonstances. Cette disposition octroie le droit au débiteur, en cas de situation d'imprévision, de demander au créancier de renégocier le contrat en vue de l'adapter ou d'y mettre fin. Une hausse soudaine et énorme des droits d'exportation pourrait être qualifiée d'une telle situation d'imprévision.
En cas de refus ou d'échec des renégociations dans un délai raisonnable, le juge peut, à la demande de l'une ou l'autre des parties, adapter le contrat afin de le mettre en conformité avec ce que les parties auraient raisonnablement convenu au moment de la conclusion du contrat, si elles avaient tenu compte du changement de circonstances, ou alors mettre fin au contrat.
Des clauses qui excluraient cette possibilité peuvent en outre être qualifiées de clauses abusives dans le cadre des règles impératives protégeant les entreprises contre des clauses abusives, c'est-à-dire des clauses qui créent un déséquilibre manifeste entre les droits et obligations des parties.
Ik rond af. Ik neem de impact van de spanningen op het vlak van de handel op onze ondernemingen ernstig en sta helemaal klaar om onze kmo's te verdedigen.
Reccino Van Lommel:
Mevrouw de minister, u schetst vrij algemene maatregelen, maar die moet u ook nemen los van de invoerheffingen. Ik heb het onder andere over de versterking van de concurrentiekracht, de aanmoediging van onderzoek en ontwikkeling en maatregelen om de energiekosten te verminderen en gold-plating te vermijden. Ik ben het er niet mee eens dat u buitenlandse arbeidskrachten moet aantrekken. Daar hebben wij een heel andere visie op.
Ik ben alvast tevreden met uw verklaring dat we heel voorzichtig moeten zijn met tegenmaatregelen. Dat klopt, want de vraag is hoelang de handelsoorlog zal aanslepen. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend, zegt men in Vlaanderen, dus we zullen nog wel zien hoe ver de maatregelen reiken en hoelang ze van toepassing zijn.
Het is echter inderdaad een kans voor de Europese, Vlaamse en Belgische economie, want de crisis opent politici de ogen om werk te maken van strategische investeringen en strategische autonomie. Daar wordt nu al zoveel jaren over gesproken, maar men blijft het antwoord schuldig wanneer men vraagt om de betrokken sectoren te definiëren. Er is daarrond veel te weinig ondernomen. De handelsoorlog met invoerheffingen moet een eyeopener zijn voor iedereen van ons om onze economie veel strategischer te bekijken en daarbij te streven naar strategische autonomie, zonder daarom rond ons land een muur te bouwen.
Anne Pirson:
Je vous remercie, madame la ministre, pour ces éléments de réponse.
La démarche engagée à travers les consultations sectorielles et l'intégration des dispositifs adaptés aux risques géopolitiques sont des signaux encourageants. Le contexte exige des intentions mais aussi des mesures concrètes et des échéances claires. C'est effectivement compliqué dans un contexte où l'on sait que, du jour au lendemain, la situation peut varier. Toutefois, il est vrai que les PME ne peuvent pas se permettre d'attendre alors qu'elles sont dans l'incertitude, une incertitude qui, parfois, mine leur activité.
Au nom du groupe Les Engagés, nous vous encourageons donc à poursuivre cette concertation de manière resserrée. Une nouvelle concertation aura d'ailleurs lieu en juin, comme vous l'avez indiqué. Nous vous encourageons également à défendre une vision européenne tournée plutôt vers la désescalade et la protection de notre tissu économique.
Voorzitter:
Collega's, ik merk op dat Parlementsleden de regering via mondelinge vragen kunnen controleren. Het getuigt van beleefdheid als de parlementsleden die vragen indienen, dan ook aanwezig zijn, wanneer die behandeld worden. Ik betreur dat er vraagstellers afwezig zijn. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.32 uur. La réunion publique de commission est levée à 14 h 32.
De gevolgen van de verhoging van handelstarieven en de positie van China
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de escalerende handelsoorlog tussen de VS (onder Trump), China en de EU, met wederzijdse tarieven (tot 145% VS-China, 20% VS-EU) en exportrestricties op kritieke grondstoffen (China) en staal/aluminium (VS). De EU reageert proportioneel met tegenmaatregelen (€21 mjd) en schort deze tijdelijk op om onderhandelingen mogelijk te maken, maar vreest economische vertraging en afhankelijkheid van Chinese zeldzame aardmetalen, cruciaal voor chips en batterijen. Een EU-"techpact" zoals in de VS/China ontbreekt, hoewel er wel intensief overleg is met bedrijven; de minister waarschuwt voor risico’s van politieke verstrengeling met Big Tech (VS/China) en nieuwe conflicten over digitale belastingen en dataregels. België pleit voor een versterkte EU-chipsstrategie om concurrentie met de Amerikaanse *Chips Act* aan te gaan en investeringen te behouden.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, sinds ik deze vraag opstelde, ergens begin maart, was er een enorm opbod van tarieven, zodanig dat we het amper nog zelf kunnen volgen. Het mainframe van mijn vraag is wel in stand gebleven. China blijft bij dat alles onvoorstelbaar rustig en kalm. Het beknot de handel in zeldzame mineralen, want China is onbetwist wereldleider in de productie daarvan dankzij de eigen voorraden en zeker ook dankzij de import uit Afrika. Daarnaast stuurt China aan op een staatsgeleide mobilisatie van de techindustrie.
Ondertussen heeft een Europese top plaatsgevonden. Welke maatregelen werden daar besproken die de Europese Unie mogelijk zal nemen?
Hoe verhouden de Verenigde Staten en de Europese Unie zich op het vlak van landbouwproducten? Kan de EU een maatregel nemen zoals ook China doet? Hoe effectief zou die maatregel desgevallend zijn en welke gevolgen ziet u?
Nog belangrijker, hoe verhouden de Verenigde Staten en de Europese Unie zich op het vlak van de handel in de zeldzame mineralen? Kan de EU een maatregel uitvaardigen zoals ook China doet? Hoe effectief zou een dergelijke maatregel zijn en welke gevolgen ziet u?
Welke gevolgen heeft de verhoging van tarieven voor de productie van onder andere batterijen en computerchips in Europa, als men dat in Europa doet?
China heeft publiek verklaard dat het zich niet zal laten intimideren en het heeft voor zijn congres de meest vooraanstaande techbedrijven uitgenodigd. De Amerikaanse president heeft zich tijdens zijn verkiezingscampagne ook laten omringen door topfiguren van de eigen techindustrie. Meent u dat de Europese Unie ook een dergelijk pact nodig heeft met onze bedrijven?
Maxime Prévot:
Mevrouw van Riet, de actualiteit lijkt uw vraag enigszins te hebben ingehaald. Sinds het aantreden van president Trump enkele weken geleden zagen we immers een spervuur van Amerikaanse tarieven en maatregelen. Zo kondigde de Verenigde Staten op 10 februari tarieven van 25 % aan op de import van staal en aluminium uit de hele wereld, dus ook uit de Europese Unie. Het gaat hier om de befaamde sectie 232-tarieven van 2018 en 2020, die opnieuw werden geactiveerd en waaraan een nieuwe lijst van sectie 232-tarieven werd gekoppeld.
Die importheffingen traden op 12 maart in werking met een onbeperkte duur en treffen ook derivaten, met name de producten die staal en aluminium bevatten, gaande van machines en windmolenpalen tot laboratoriummaterialen, fietsen en fitnesstoestellen. Sinds 3 april zijn er ook bijkomende tarieven van 25 % van toepassing voor wagens en onderdelen.
Op Liberation Day, op 2 april lanceerde president Trump de langverwachte zogenaamde reciprocal tariffs of wederkerige tarieven van minstens 10 % voor de hele wereld, ook specifiek aangepast per land. Voor de Europese Unie ging het om een reciprocal tariff van 20 %. Voor China werd een tarief van 39 % vastgelegd. Voor alle landen, met uitzondering van China, werden de reciprocal tariffs op 9 april echter voor 90 dagen teruggebracht tot een basistarief van 10 %.
Via de reciprocal tariffs wil de Trumpadministratie heffingen opleggen op de import uit landen waarvan men vindt dat ze een onfair handelsbeleid ten opzichte van de Verenigde Staten voeren.
Het gaat hier om een eerder nieuw concept dat deel uitmaakt van de America First Trade Policy van president Trump en dat gebaseerd is op wat hij en zijn team zien – volledig onterecht trouwens qua omvang – als een oneerlijk handelsevenwicht tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie. Zoals ik al heb gezegd, werden deze wederkerige tarieven tijdelijk en gedeeltelijk opgeschort voor de rest van de wereld, maar escaleerde de handelsrelatie tussen China en de Verenigde Staten na de aankondiging op 2 april heel snel.
Peking kondigde immers onmiddellijk tarieven aan van 34 % als reactie op de Amerikaanse invoerrechten. Daarnaast kondigde het land ook nieuwe exportcontroles aan op een reeks critical raw materials , een anti-dumpingonderzoek en de toevoeging van 11 Amerikaanse bedrijven aan de lijst van onbetrouwbare entiteiten. Er werden ook een aantal export- en importrestricties opgelegd.
Hierop kwam vervolgens een stevige tegenreactie vanuit Washington, waarbij het Witte Huis de tarieven op goederen uit China verder verhoogde, wat dan weer leidde tot een nieuwe tegenreactie van China en een verdere escalatie. Op dit moment heeft de Verenigde Staten een totaaltarief van 145 % ingesteld wat betreft de invoer uit China, terwijl Peking momenteel een tegentarief hanteert van 125 % met betrekking tot Amerikaanse import. Om de verwarring nog te vergroten, kondigde de Trump-administratie op 11 april aan dat elektronische apparaten tijdelijk zouden zijn vrijgesteld van de reciprocal tariffs . Het zou hierbij onder andere gaan om smartphones, computers en diverse elektronische onderdelen, waaronder chips.
Niet onbelangrijk in deze discussie is trouwens dat deze wederkerige tarieven niet aanvaard worden door de Wereldhandelsorganisatie.
Een van de drijfveren achter deze America First-handelspolitiek is immers de obsessie van president Trump met handelstekorten, met name het handelsdeficit van de Verenigde Staten ten aanzien van de Europese Unie. In tegenstelling tot wat de Amerikaanse president beweert, bedraagt dit handelstekort echter geen 325 miljard dollar, maar slechts 48 miljard euro, zijnde 3 % van de totale handelsstromen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten in 2023. De Europese Unie heeft inderdaad een handelsoverschot met de Verenigde Staten wat betreft de handel in goederen, maar tegelijkertijd heeft de Verenigde Staten ook een enorm handelsoverschot met betrekking tot de export van diensten.
Wat betreft uw eerste vraag, de Europese Commissie heeft zich deze keer goed voorbereid op de mogelijke terugkeer van president Trump. Het was de bedoeling van de Commissie om onmiddellijk na de installatie van de nieuwe president over een positief pakket te onderhandelen met diens administratie rond handel en domeinen en sectoren te identificeren binnen dewelke de Europese Unie en de Verenigde Staten ondanks ideologische en politieke verschillen constructief zouden kunnen samenwerken. Het werd echter heel snel duidelijk dat de Trump-administratie hier op dit moment helemaal niet voor openstaat.
Aangezien de Europese Unie ook geviseerd wordt door de Amerikaanse tarieven op staal en aluminium, kan de Commissie voorlopig niet anders dan reageren via tegenmaatregelen. De afgelopen weken werd er naast de activering van de oude lijsten uit 2018 en 2020 dan ook gewerkt aan een nieuwe lijst met Amerikaanse producten waarop de Europese Unie vanaf 15 april een gelijkaardig tarief zou heffen.
De Europese Commissie koos er voorlopig echter voor om tegenmaatregelen te treffen voor een totaalbedrag van slechts 21 miljard euro, terwijl dat eigenlijk 26 miljard euro zou mogen zijn. De Europese Commissie wil daarmee tonen dat ze snel, assertief en gericht maar ook proportioneel kan reageren en dat de gesprekken en onderhandelingen om tot een constructieve en evenwichtige oplossing te komen, op eender welk moment kunnen worden hervat.
De definitieve lijst met tegenmaatregelen van de Europese Commissie werd op 9 april 2025 – mijn verjaardag trouwens – goedgekeurd door de lidstaten van de Europese Unie. Sommige heffingen traden in werking op 15 april 2025, andere treden in werking op 15 mei 2025 en nog andere in het najaar van 2025.
In reactie op de tijdelijke en gedeeltelijke opschorting van de wederkerige tarieven door de Verenigde Staten op 9 april 2025 kondigde de voorzitster van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, op dezelfde dag aan dat de EU-tegenmaatregelen eveneens voor 90 dagen zouden worden opgeschort om de gesprekken tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie alle kansen te geven.
In antwoord op uw tweede vraag merk ik op dat het belangrijk is om in de eerste plaats te benadrukken dat er geen winnaars maar enkel verliezers zijn bij het invoeren van tarieven. De Europese Unie zal en moet reageren, maar het is onvermijdelijk dat er economische schade zal zijn, namelijk geen economische recessie, zoals die wel dreigt in Canada of Mexico, maar wel vertraagde economische groei en dalende export.
Landbouwproducten vormen een belangrijke groep bij het treffen van tegenmaatregelen via tarieven. De finale lijst met tegenmaatregelen van de Europese Unie bevat dan ook twee grote groepen producten, namelijk landbouwproducten en industriële goederen. Een hele reeks producten uit de Amerikaanse landbouw die in de Europese Unie worden ingevoerd, mogen zich verwachten aan een extra tarief en zullen dus duurder worden. Het zal daarbij gaan om heel uiteenlopende producten, gaande van sojabonen en noten tot kippenvlees en zuivel.
De Europese Unie is afhankelijk van China voor een belangrijk aantal zogenaamde critical raw materials . China controleert een zeer groot deel van de productie en/of het raffineringsproces van belangrijke zeldzame metalen. Die metalen zijn cruciaal voor de productie van hoogtechnologische materialen en voor onze maakindustrie. Het creëren van minder afhankelijkheid en een grotere diversificatie van de toeleveringsketens en de value chains voor critical raw materials is dan ook een absolute prioriteit voor de Europese Commissie en de lidstaten. De Europese Unie zal exportrestricties of exportcontroles voor zeldzame metalen dan ook niet aanmoedigen, integendeel. Exportrestricties die gericht zijn tegen de Verenigde Staten, kunnen trouwens heel snel uitbreiden naar de Europese Unie en delen van onze economie gedeeltelijk on hold zetten en schade toebrengen. Ook op dat vlak moeten we een escalatie voorkomen.
In verband met uw vierde vraag is het duidelijk dat invoertarieven voor batterijen voor prijsverhogingen zullen zorgen, die doorgaans worden doorgerekend aan de klant en/of de producent. De verwachting is dan ook dat de prijs zal stijgen voor Amerikaanse consumenten van batterijen die in de Europese Unie worden geproduceerd.
Om de impact in te schatten van invoertarieven op de productie van chips in de Europese Unie, dient er eerst meer duidelijkheid te komen over hoe uitgebreid die tarieven zullen zijn. Zullen ze bijvoorbeeld worden toegepast op alle types van chips of enkel op de meest geavanceerde? Zullen ze ook worden toegepast wanneer de chips deel uitmaken van een afgewerkt product? België is zelf geen grote producent van geavanceerde chips, dus de export van onze industrie zou minder lijden onder de directe impact van invoertarieven. De invoertarieven kunnen echter wel het beleid van de US Chips Act versterken, waarmee men producenten zoals TSMC en Samsung ervan probeert te overtuigen om in de Verenigde Staten te investeren.
We moeten erop letten dat dit niet ten koste gaat van investeringen in de Europese Unie. Er moet echter nog bekeken worden wat de impact van de importtarieven zal zijn op de competitiviteit van de Amerikaanse chipsproductie. Om een robuuste en competitieve Europese halfgeleiderindustrie te verzekeren, heeft België zich dan ook samen met 8 andere lidstaten verenigd in een coalition of the willing, die oproept samen te werken met de Commissie om de Europese chipsstrategie te versterken en bij te sturen naar een EU Chips Act 2.0.
Wat uw laatste vraag betreft, over het zich omringen met topfiguren van de eigen techindustrie, kan ik bevestigen dat er veelvuldige en regelmatige contacten zijn met onze bedrijven, zowel op Europees als op Belgisch niveau. Mijn administratie en mijn kabinet onderhouden nauwe contacten met de Belgische bedrijfswereld en met de verschillende federaties en sectoren. Ik wil benadrukken dat deze contacten zeer constructief verlopen en dat ze zeer belangrijk zijn, omdat onze Belgische bedrijven zich nu eenmaal in de frontline bevinden en net als wij escalatie vrezen. Een deel van deze bedrijven kan zeker als techbedrijf beschouwd worden. Maar onze focus is evenzeer gericht op de andere sectoren, die ook cruciaal zijn.
Wat specifiek de techindustrie betreft, is de vaststelling dat de vijf grootste technologiebedrijven ter wereld, de zogenaamde Big Tech, allemaal Amerikaans zijn: Alphabet, Amazon, Apple, Meta en Microsoft. Daaraan kunnen nog een viertal grote Chinese bedrijven – Byte, Ali Baba, Tencent en Xiaomi – toegevoegd worden. De vraag is natuurlijk of de verstrengeling die we nu zien tussen Big Tech en de politiek zo gezond is en geen grote risico's met zich brengt.
Het besturen van een bedrijf is immers iets heel anders dan het leiden van een land. Maar misschien nog belangrijker, bedrijven hebben hun eigen analyse en objectieven, die niet noodzakelijk altijd overeenstemmen met die op het politieke niveau.
We zien momenteel waartoe dit kan leiden. Op 21 februari publiceerde het Witte Huis een memorandum met de titel ‘De verdediging van de Amerikaanse bedrijven en vernieuwers tegen afpersing in het buitenland en oneerlijke boetes en straffen.’ Hierbij toont de Trumpadministratie zich bezorgd over de buitenlandse behandeling van Amerikaanse technologiebedrijven, met name door de Europese Unie. Het gaat dan om het feit dat deze bedrijven een digitale taks moeten betalen en zich moeten houden aan de Europese regelgeving met betrekking tot datagebruik, privacy enzovoort.
President Trump en zijn team zijn van mening dat de Europese Unie en de lidstaten het recht niet hebben om deze bedrijven te taxeren en wettelijke verplichtingen op te leggen. De verwachting is dan ook dat dit een nieuw front wordt in de huidige oplopende spanningen tussen de VS en de EU.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitvoerig en duidelijk antwoord, alsook om uw uiterste best te doen om dit helemaal in het Nederlands te geven. La réunion publique de commission est levée à 12 h 26. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 12.26 uur.
De nucleaire proliferatie in Iran en de steun aan de Houthirebellen
Iran en de Iraanse Revolutionaire Garde
Het nucleaire akkoord met Teheran
De onderhandelingen in Oman tussen de VS en Iran over het Iraanse nucleaire programma
Regionale veiligheid, nucleaire diplomatie en conflictpartijen in het Midden-Oosten
Gesteld door
N-VA
Darya Safai
N-VA
Darya Safai
N-VA
Darya Safai
N-VA
Darya Safai
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Darya Safai kritiseert België en de EU voor hun passiviteit tegenover Iran’s nucleaire dreiging (60% verrijkt uranium), gijzeldiplomatie (o.a. professor Djalali) en de Revolutionaire Garde, die ze als terreurorganisatie wil laten opschrijven op de EU-terreurlijst. Ze hekelt de vrijlating van terrorist Assadollah Assadi zonder tegenprestatie en dringt aan op hardere sancties, het activeren van het VN-snapbackmechanisme (deadline oktober) en een militaire optie als drukmiddel. Minister Prévot bevestigt België’s diplomatieke maar vastberaden lijn: sancties, steun voor een robuust nucleair akkoord (met VS-betrokkenheid), en EU-brede actie tegen gijzelpraktijken, maar benadrukt dat collectief optreden moeilijk is. Hij wijst op recente EU-sancties (7 personen/2 entiteiten) en Belgisch initiatief tegen willekeurige detentie, maar blijft diplomatie vooropstellen. Safai eist concrete dreigingen en daden (bv. ontbinding Revolutionaire Garde) in plaats van "aandacht volgen", en waarschuwt dat tijd dringt voor het snapbackmechanisme en nucleaire escalatie. Ze pleit voor alle opties – inclusief gerichte militaire druk – om Iran te stoppen.
Darya Safai:
Ik heb vier vragen die over allerlei verschillende onderwerpen met betrekking tot Iran handelen, gaande van het nucleaire avontuur tot de revolutionaire garde van Iran.
Ik wil heel graag even het woord nemen over die gijzeldiplomatie en professor Djalali. Ik hoor u zeggen dat we momenteel eigenlijk niets kunnen doen of dat we niets te maken hebben met de vrijlating van professor Djalali, omdat hij een Zweed is. Professor Djalali was echter ook een professor hier bij ons, aan de VUB. Hij heeft dus wel een rechtstreekse band met ons. Ik begrijp u, wanneer u zegt dat we momenteel niet veel meer kunnen doen dan gewoon vragen hoe het met hem gaat. Toch zijn er nog middelen die we wel kunnen inzetten.
De vorige regering had namelijk een troef in handen. Ik ben daar echt kwaad over. Wij hebben Assadollah Assadi vrijgelaten, een terrorist die tot twintig jaar gevangenisstraf was veroordeeld, zonder in ruil de vrijlating van professor Djalali te vragen of te verkrijgen. Uiteraard kan ik u niet aanspreken op wat er in de vorige legislatuur gebeurd is, maar ik betreur het wel. Die persoon zit nu tien jaar in de gevangenis en we slagen er niet in om hem vrij te krijgen. U kunt evenwel bepaalde middelen inzetten, zoals strenger opkomen tegen het regime van Iran en duidelijkere signalen geven.
Wat de nucleaire uitdagingen betreft waarvoor we met het Iraanse regime staan, is er wel nieuws. Overal horen wij dat Iran samen met Amerika aan de onderhandelingstafel zit met de bedoeling een oplossing te vinden voor een uitdaging die ons allemaal aangaat. Het probleem is dat wij als Europeanen gewoon een beetje toekijken. We zijn toeschouwers, terwijl we veel kunnen betekenen voor de richting die men uiteindelijk zal uitgaan. Het gaat ook over onze toekomst. Wij moeten absoluut een akkoord bereiken met het regime van Iran, dat nu tot 60 % verrijkt uranium bezit. Hoe kunnen wij hen doen knielen? Die situatie is heel gevaarlijk, voor de hele wereld. Wij moeten meer steunen op de Europese Unie. We moeten namelijk meer gewicht in de schaal kunnen leggen op het wereldwijde toneel.
We hebben ook de middelen daartoe, bijvoorbeeld strenger opkomen tegen het regime. Ook in ons regeerakkoord spreken we over het feit dat de Revolutionaire Garde – een echte terreurorganisatie – van het Iraanse islamitische regime op de terreurlijst van de Europese Unie moet komen. We hebben in het regeerakkoord gevraagd om het voortouw te nemen in de Europese Unie om dat te realiseren. Als dit het moment daarvoor niet is, wanneer dan wel? We horen dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken aan Europa vraagt om het snapbackmechanisme, een mechanisme van de Verenigde Naties, tegen het Iraanse regime te activeren. Die strengere restricties en sancties moeten ervoor zorgen dat Iran onder het beleid van maximal pressure toegeeft aan wat de wereld vraagt.
Jammer genoeg zien we nog altijd geen echte acties vanuit Europa. We kunnen zeggen dat we allemaal akkoord gaan met het feit dat Iran geen nucleair wapen mag hebben, maar wat doen wij werkelijk in die richting, op die weg? Het is heel erg belangrijk te beseffen dat we pas door echte acties resultaat bereiken.
In het regeerakkoord hebben we ook geschreven dat we samen met andere Europese landen een oplossing willen vinden tegen gijzeldiplomatie. Dat moet ook gebeuren.
Mijnheer de minister, graag verneem ik wat u met uw Europese collega's doet om die belangrijke zaken aan te kaarten en er oplossingen voor te vinden, met name voor de Revolutionaire Garde, de proxy's van het Iraanse regime in de regio, de Iraanse nucleaire uitdagingen waar we in de toekomst mogelijk voor staan en de gijzeldiplomatie.
Maxime Prévot:
Mevrouw Safai, het standpunt van België over Iran is heel duidelijk. Ons land steunt de fundamentele aspiratie van het Iraanse volk voor mensenrechten en democratie. Ons land eist dat de islamistische republiek stopt met de levering van wapens aan de Russische Federatie, met haar gijzelingsdiplomatie en hybride activiteiten in Europa en met het destabiliseren van de regio via volmachten. De islamistische republiek moet ook dringend en serieus deelnemen aan onderhandelingen over de nucleaire kwestie.
Als gevolg van het schadelijke gedrag van de islamistische republiek zijn de betrekkingen tussen de Europese Unie en Iran de voorbije jaren verslechterd. Geconfronteerd met die situatie hebben de Europese Unie en haar lidstaten hun toon verhard en een aantal maatregelen genomen, met name de goedkeuring van aanvullende sancties tegen de islamistische republiek. Ons recent regeerakkoord weerspiegelt dat standpunt en stelt voor om verder te gaan.
Het jaar 2025 wordt een cruciaal jaar, omdat de strategische context is veranderd en deadlines een rol spelen in de context van de nucleaire kwestie. De Europese benadering, die ik deel, is die van een vastberaden houding ten opzichte van de Iraanse autoriteiten, met behoud van communicatiekanalen en actieve diplomatie. Dat is wat we kritische dialoog noemen.
Ik ben ervan overtuigd dat diplomatie het eerste middel is dat in verband met het nucleaire programma van Iran moet worden gebruikt. Dat weerhoudt ons er niet van om andere kaarten in hand te houden om geloofwaardig te zijn. Het aannemen van sancties is in dat opzicht uiteraard nuttig. België is van plan om actief te blijven op dat vlak, conform het regeerakkoord. Om doeltreffend te zijn, moeten de sancties deel uitmaken van een bredere strategie en worden gezien in een breder instrumentarium voor extern optreden.
We zijn zeer bezorgd over de uitbreiding van het Iraanse nucleaire programma, in het bijzonder over de aangroeiende stock uranium, inclusief verrijkt uranium, waarvoor er geen nuttige civiele toepassing bestaat. Die expansie gaat gepaard met de obstructie van de activiteit van het Internationaal Atoomenergieagentschap (IAEA), zoals het uitsluiten van inspecteurs.
De afstand tot het bezit van een kernwapen wordt korter. Dit verhoogt de onrust in de regio en de vrees voor een breuk in het internationale non-proliferatieregime. België blijft ervan overtuigd dat een diplomatiek akkoord de beste waarborg voor een duurzame oplossing biedt, maar Iran moet daar dan wel aan meewerken.
We blijven druk uitoefenen op Iran via gerichte sancties, die kunnen worden aangescherpt. Een onzekerheid is de verdere ontwikkeling van de relaties tussen de VS en Iran. In dit dossier worden wij niet van nabij betrokken door de VS. Bij de Amerikaanse overheid merken we wel een tweesporenbeleid. Enerzijds wordt de druk op Iran maximaal opgedreven, inclusief militaire bedreiging. Anderzijds is er een openheid voor een nieuw nucleair akkoord. Na een brief van de Amerikaanse president aan Iran werden er opnieuw indirecte onderhandelingen opgestart in Oman. Wij steunen die diplomatieke demarches, maar we wensen dat een eventueel akkoord voldoende robuust is en harde garanties biedt voor het vreedzame karakter van het Iraanse nucleaire programma. Ook wensen we een vroege betrokkenheid van Europese landen bij de onderhandelingen.
Het regeerakkoord voorziet erin samen met andere Europese lidstaten het initiatief te nemen om de Iraanse Revolutionaire Garde op de Europese terreurlijst te plaatsen en te pleiten voor strengere economische en andere sancties.
We staan voortdurend in nauw contact met de betrokken nationale en internationale diensten om de ontwikkelingen van nabij op te volgen. Naast continue monitoring maken we ook een stand van zaken op bij gebeurtenissen die een impact kunnen hebben, zoals de ontwikkelingen gelinkt aan 7 oktober of de consequenties volgend op het nieuwe de-factobestuur in Syrië. Er wordt regelmatig contact opgenomen met de inlichtingendiensten om een evaluatie te geven van de dreigingen op verschillende niveaus, met specifieke aandacht voor de westerse belangen, alsook een eventuele impact dichter bij ons. Het thema komt regelmatig aan bod in verschillende multilaterale fora met verschillende like-minded partners.
Ik heb de situatie in Iran nog besproken op de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie van 17 maart. Mijn diensten hebben ook uitwisselingen gehad op Europees niveau in de relevante Europese werkgroepen. Door het niveau van confidentialiteit in die vergaderingen kan ik niet verder in detail treden over die uitwisselingen. België waakt er in ieder geval over dat we in deze fora aandachtig blijven voor deze thematiek, in overeenstemming met het regeerakkoord.
Op Belgisch niveau zijn er ook al consultaties geweest tussen de verschillende bevoegde diensten sinds het nieuwe regeerakkoord werd goedgekeurd. Verschillende pistes worden besproken en mijn diensten hebben dus al verschillende contacten gehad met andere lidstaten en met de Europese Unie. De overeenkomst voorziet duidelijk in een Europees initiatief om een gemeenschappelijk antwoord te formuleren op de gijzelaarsdiplomatie. Het betreft een gemeenschappelijk probleem van de lidstaten van de Europese Unie en we hebben het opnieuw besproken tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie op 14 april.
De Raad heeft bij die gelegenheid beslist beperkende maatregelen op te leggen aan nog zeven personen en twee entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige mensenrechtenschendingen in Iran.
Er bestaat intra-Europees overleg over de beste aanpak van die onaanvaardbare praktijk en over de middelen om die praktijk te bestrijden, hoewel collectief optreden een uitdaging blijft, gezien de aard en het complexe beheer van die gevallen, voornamelijk nationale bevoegdheden en behoeften aan discretionaire bevoegdheden. Onze Europese aanpak en solidariteit werden bijzonder concreet geïllustreerd in 2023, toen de Belgische regering de vrijlating van drie Europese onderdanen faciliteerde in het kader van de zaak-Olivier Vandecasteele.
Buiten het Europese stricto-sensukader is de strijd tegen straffeloosheid een prioriteit van het buitenlandse beleid van België en ook een prioriteit van ons huidige mandaat in de Mensenrechtenraad in Genève. In het kader van dat mandaat heeft België die specifieke praktijk onder de aandacht willen brengen, met name door de organisatie van een specifiek nevenevenement dat op 26 juni 2024 in Genève werd georganiseerd onder de titel ‘ Arbitrary detention in state-to-state relations: Building global solidarity ’. Ons land volgt ook het werk op de voet van de werkgroep Willekeurige Detentie van de Verenigde Naties.
België is ook ondertekenaar van het Initiative against arbitrary detention in state-to-state relations , dat Canada in 2021 heeft geïnitieerd en dat onder meer tot doel heeft het publiek bewust te maken van en een einde te maken aan de praktijk van willekeurige detentie. Tot slot proberen wij dergelijke situaties op voorhand te voorkomen door indien nodig waarschuwingen te geven via onze reisadviezen. Wanneer Belgen beslissen om toch naar het land in kwestie te reizen, kan het simpelweg onmogelijk zijn om hun consulaire bijstand te verlenen.
Dat is wat artikel 83 van de consulaire wet beoogt.
Darya Safai:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor de duidelijkheid die u verschaft in verband met Iran en onze politiek ter zake. Uiteraard weet de hele wereld nu hoe gevaarlijk het Iraanse regime is. Ik ben blij dat u zegt dat daaromtrent veel te doen is door u en de andere collega's van de Europese Unie. We mogen echter nooit vergeten dat bewoordingen als 'ons land eist', 'ons land vraagt' of 'wij blijven het aandachtig volgen' niet genoeg zijn als het gaat over het Iraanse regime. Het Iraanse regime vereist duidelijke taal die zegt dat als het land verder gaat met dit of dat, wij dit of dat zullen doen en wij moeten dat dan ook gewoon doen achteraf. Dat is belangrijk. Daarom vraag ik als een belangrijk signaal, naast alle sancties die we uiteraard moeten treffen tegen het regime, dat wij ook duidelijk maken dat de Revolutionaire Garde moet stoppen om te bestaan, want zij maakt gewoon de hele regio onveilig. Het is goed dat u dat verder met andere collega's zult opvolgen. Wij gaan dat samen met u doen, want dat zijn de middelen die wij nog hebben. Zoals u zegt, de tijd is beperkt. Wat betreft het snapbackmechanisme van de VN hebben we maar tot oktober de tijd, want dan vervalt dat. Zoals u zegt, moeten wij daarvoor, ergens rond juni of juli, duidelijkheid hebben of wij dat willen activeren of niet. Het Iraanse regime weet dat uiteraard ook. Wij moeten echt serieus menen dat alle opties op tafel liggen. Zelfs als de militaire optie nodig is, moet die op tafel liggen, uiteraard niet tegen de mensen, maar tegen de nucleaire sites. Wij mogen hen nooit zo ver laten geraken. Dank u wel.
De noodzaak van een betere diagnose en behandeling van endometriose
Het beleid rond endometriose
Endometriose
Het actieplan voor een betere zorg voor endometriosepatiënten
Endometriose
Verbetering van endometriosezorg en beleid
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 22 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De federale regering werkt aan een gestructureerd actieplan voor endometriose, gebaseerd op het KCE-rapport (2024) en een parlementaire resolutie (2023), met als kernpunten: gespecialiseerde endometrioseklinieken in elk ziekenhuisnetwerk (multidisciplinaire teams) en supraregionale expertisecentra voor complexe zorg, gekoppeld aan aangepaste nomenclatuurnummers voor betere financiering. Samenwerking met patiëntenverenigingen (o.a. *Toi Mon Endo*) en experten loopt sinds april 2024, met focus op snellere diagnose, taboedoorbreking, en opleiding van zorgverleners, maar concrete timing (doel: 2025) blijft onduidelijk, wat kritiek uitlokt op trage uitvoering. Versnipperde zorg en late diagnoses (7-10 jaar gemiddeld) moeten dringend worden aangepakt, met aandacht voor gelijke toegang—ook in Limburg—en sensibilisering op alle beleidsniveaus. Parlementariërs dringen aan op versnelde stappen, inclusief onderzoek naar vrouw-specifieke gezondheidskloven en betere afstemming met deelstaten.
Funda Oru:
Mijnheer de minister, endometriose is een aandoening die duizenden vrouwen in ons land treft. Concreet lijdt dus één vrouw op tien in ons land eraan. De gemiddelde wachttijd tot een correcte diagnose bedraagt vandaag 7 à 10 tien jaar. De impact op levenskwaliteit, werk en mentaal welzijn is enorm. Endometriose gaat niet alleen gepaard met lichamelijk en psychisch lijden, maar leidt soms ook tot langdurige werkuitval en verminderde levenskwaliteit. Toch blijft de aandoening onderbelicht, ondanks het feit dat ze zoveel vrouwen treft.
In veel andere landen worden gespecialiseerde multidisciplinaire centra opgericht om de zorg te verbeteren. Verder is er ook te weinig sensibilisering en samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus om deze problematiek daadkrachtig aan te pakken. In Limburg, mijn provincie, is de toegang tot gespecialiseerde zorg beperkt, waardoor heel veel vrouwen noodgedwongen elders hulp moeten zoeken.
Welke initiatieven plant de federale regering om de diagnose en behandeling van endometriose te verbeteren? Zijn er plannen om gespecialiseerde referentiecentra op te richten in ons land, zoals in andere Europese landen? Hoe verloopt de samenwerking met de deelstaten, bijvoorbeeld op het vlak van sensibilisering en preventie? Zijn er specifieke inspanningen voorzien om de zorg en expertise rond endometriose uit te breiden in de provincie Limburg?
Nathalie Muylle:
Mijnheer de minister, de collega heeft de situatie heel goed geschetst. Ik ga niet herhalen wat zij zei maar zal er wel een stukje op verder bouwen. We hebben in deze commissie en in plenum al een aantal keer over endometriose kunnen spreken. Deze commissie heeft trouwens aan het einde van de vorige legislatuur ook unaniem een resolutie goedgekeurd, met heel wat aanbevelingen over onder andere dataverzameling, de uitbouw van een goed zorgpad en expertisecentra. De vraag rees of die al dan niet aanwezig moeten zijn in elk ziekenhuisnetwerk. Heel veel vragen lagen hier op tafel.
Er kwam vorig jaar ook een KCE-rapport uit, met aanbevelingen. U zei toen dat u er snel mee aan de slag wilde gaan. Tijdens een debat in de verkiezingsperiode stelde u te willen komen met een plan van aanpak met concrete maatregelen, zodat de nieuwe regering snel aan de slag kon gaan. Ik weet wel dat de voorbije maanden daarvoor geen evidente periode waren.
Ongeveer twee weken geleden was er opnieuw een Werelddag Endometriose. De problematiek bestaat nog steeds.
Elke week hoor ik wel verhalen van vaak jonge mensen die jarenlang zoekende waren en medische ingrepen ondergingen, maar niet de juiste diagnose kregen.
Men kan zeggen dat endometriose de jongste twee jaren veel meer aandacht heeft gekregen, maar toch zien we op het terrein dat er nog heel veel onwetendheid is.
Ik verneem dus graag van u waar u staat met concrete actieplannen. Ik vermoed dat er weinig dingen zullen zijn die via het Parlement moeten passeren, maar het zou goed zijn om te weten hoever u concreet staat. Ik heb uit uw beleidsverklaring begrepen dat u overleg met de patiëntenorganisaties plant. Graag krijg ik een stand van zaken van de concrete plannen.
Dominiek Sneppe:
Mijnheer de minister, ik meen dat ik niet hoef te herhalen wat de beide collega's reeds gezegd hebben. Om de vergadering wat sneller te laten verlopen, zal ik verwijzen naar de ingediende vraag. Ik wil vooral de nadruk leggen op de vraag naar de stand van zaken in dit dossier.
Maart wordt gezien als de Endometriose Awareness maand met als kers op de taart 28 maart de dag tegen endometriose. Endometriose is een complexe en pijnlijke aandoening die ongeveer 1 op de 10 vrouwen in reproductieve leeftijd treft. De symptomen kunnen soms vaag zijn en verschillen van vrouw tot vrouw, waardoor patiënten niet beseffen dat het endometriose zou kunnen zijn. Maar ook voor artsen is het niet eenvoudig de aandoening te herkennen, net omdat de symptomen soms vaag zijn of gelinkt kunnen worden aan andere oorzaken. Het duurt daardoor vandaag gemiddeld 7-10 jaar vooraleer een diagnose wordt gesteld. Nochtans heeft endometriose een enorme impact op de levenskwaliteit van voornamelijk vrouwen.
Het KCE heeft er een rapport over afgeleverd en maatregelen aanbevolen en ook in de beleidsverklaring is er aandacht voor endometriose.
Bent u reeds aan de slag gegaan met de aanbevelingen uit het KCE-rapport?
Heeft u er over samengezeten met patiëntenverenigingen?
Welke aanbevelingen vinden zij prioritair?
Welke stappen zal u zetten om Endometriose aan te pakken?
Florence Reuter:
Monsieur le ministre, le 28 mars a eu lieu la Journée mondiale pour la lutte contre l'endométriose. Sous la présidence législature, comme l'a rappelé ma collègue Nathalie Muylle, nous avons voté à l'unanimité une résolution pour une meilleure prise en charge de l'endométriose, qui pendant des décennies a été oubliée, négligée et qui touche pourtant une à deux femmes sur dix en Europe, soit près de 180 millions de personnes dans le monde.
Rappelons que la moyenne pour un diagnostic est de sept ans et que les conséquences physiques, mais aussi mentales et psychologiques sur la vie de ces jeunes femmes sont lourdes.
La résolution était un premier pas. Aujourd'hui, une demande est reprise dans l'accord de gouvernement: "Ce gouvernement élabore plus particulièrement un plan d'action pour l'endométriose qui pourra être mis en œuvre dans le courant de l'année 2025." Cette année est déjà bien avancée, mais c'est une nouvelle étape qui donne beaucoup d'espoir aux jeunes femmes.
Monsieur le ministre, pouvez-vous déjà nous donner les grandes lignes de ce plan d'action?
Avez-vous eu l'occasion, depuis la formation de ce gouvernement, de rencontrer à nouveau les associations qui sensibilisent à la maladie et à ses symptômes, comme l'ASBL Toi Mon Endo? Cette ASBL a d'ailleurs réalisé et projeté récemment un court métrage sur la maladie, qui est très éclairant.
Ces mêmes associations demandent la reconnaissance d'un statut propre à l'endométriose et une nomenclature spécifique pour la prise en charge. Cela fera-t-il partie du plan d'action? C'est également une recommandation du rapport du Centre Fédéral d’Expertise des Soins de Santé (KCE), dont nous aurons certainement encore l'occasion de discuter.
Natalie Eggermont:
Mijnheer de minister, ik sluit me aan bij een belangrijk debat dat nu weer in de kijker staat. Naar schatting treft endometriose een op de tien vrouwen. Toch blijft de ziekte nog altijd onbekend en onbegrepen bij het grote publiek en in de medische wereld. In onze maatschappij groeien veel vrouwen op met het idee dat pijn tijdens de menstruatie er gewoon bij hoort. Pijnstillers slikken en doorbijten is de boodschap die zij meekrijgen. De pijn veroorzaakt door endometriose, is echter allesbehalve normaal.
Tegelijkertijd ontbreekt het binnen de medische wereld vaak aan kennis en bewustzijn. Dat leidt tot laattijdige diagnoses en moeizame toegang tot de juiste zorg. We horen veel verhalen van vrouwen die van het kastje naar de muur worden gestuurd. Ze komen verschillende keren bij een gynaecoloog terecht, krijgen eerst foute diagnoses of verkeerde behandelingen. Gemiddeld duurt het zeven tot tien jaar vooraleer een vrouw de juiste diagnose van endometriose krijgt. Dat is zeven tot tien jaar van onnodige pijn en onbegrip.
Mijn vragen sluiten aan bij de vragen die andere sprekers al hebben gesteld. Ik verwijs ook naar het regeerakkoord, waarin staat dat er werk zal worden gemaakt van een actieplan, dat kan worden uitgerold in 2025. Hoe staat het daarmee? Wat zijn de concrete prioriteiten? Worden patiëntenorganisaties en experten betrokken bij de opmaak van dat plan?
Daarnaast is de zorg voor endometriose in België momenteel heel versnipperd. Er bestaan enkele bottom-upinitiatieven waarbij ziekenhuizen zelf endometrioseklinieken hebben opgericht. Er is dus een groot verschil tussen de ziekenhuizen in aanpak en expertise. Wilt u werk maken van erkende endometrioseklinieken en gespecialiseerde referentiecentra, zoals die ook in het buitenland al bestaan?
La présidente : Quelqu'un souhaite-t-il encore intervenir dans ce débat? (Non)
Vous avez la parole, monsieur le ministre.
Frank Vandenbroucke:
Geachte leden, endometriose is inderdaad een ziekte die duizenden vrouwen in ons land pijnlijk treft en die lange tijd onderbelicht is gebleven. Ik denk dat wij het erover eens zijn dat dat, jammer genoeg, geen toeval is, maar dankzij de resolutie van het federaal Parlement van april 2023 en het rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) van 2024 zijn we nu wel in staat om belangrijke stappen vooruit te zetten om de zorg voor mensen die lijden aan endometriose te verbeteren.
Het rapport van het KCE bevestigt dat de zorg versnipperd is en dat ziekenhuizen sterk verschillen in hun aanpak en expertise, zoals daarnet nog werd gezegd. We werken om die reden aan een zorgmodel met twee niveaus: endometrioseklinieken binnen elk ziekenhuisnetwerk en supraregionale expertisecentra voor complexe ingrepen en gespecialiseerde zorg.
Om patiënten beter en sneller te diagnosticeren en te begeleiden, stelt het KCE voor om in elk ziekenhuisnetwerk een kliniek voor endometriose en chronische bekkenpijn op te richten. In die klinieken zal een multidisciplinair team samenwerken, bestaande uit gynaecologen, vroedvrouwen, gespecialiseerde verpleegkundigen, psychologen, fertiliteitsartsen, radiologen en kinesitherapeuten. Dat garandeert een efficiënte en vooral een geïntegreerde zorgaanpak. Daarnaast is het doorbreken van het taboe rond endometriose essentieel, net als de opleiding van de zorgverleners. Sensibilisering en educatie van eerstelijnszorgverleners, zoals de huisartsen, zijn van groot belang.
Om zowel de expertise als de kwaliteitszorg te garanderen en een Belgische aanpak van endometriose echt concreet te maken, werken we sinds april 2024 samen met experten en patiëntenverenigingen in een werkgroep, die onder andere bestudeert welke voorwaarden voor de erkenning van endometrioseklinieken en referentiecentra op punt moeten worden gesteld. De werkgroep buigt zich ook over aangepaste nomenclatuurnummers die recht doen aan de complexiteit van endometriose-ingrepen. We zijn dus aan de slag met de aanbevelingen van het KCE-rapport.
Misschien zal ik nog eens, ten overvloede, samenvatten wat dat rapport zei. De aanbevelingen benadrukken vooral de noodzaak van een snellere diagnose, een betere multidisciplinaire aanpak en een gelijke toegang tot gespecialiseerde zorg. Ook vragen de aanbevelingen aandacht voor de terugbetaling van noodzakelijke behandelingen en onderzoeken.
Mijn kabinet werkt verder aan de oprichting van endometrioseklinieken, de versterking van opleidingen en het ontwikkelen van aangepaste nomenclatuurnummers.
We zijn dus inderdaad belangrijke stappen aan het zetten om de zorg voor vrouwen met endometriose te verbeteren en de versnippering tegen te gaan.
Mon cabinet travaille depuis avril 2024 en collaboration avec les associations de patientes, entre autres l'association Toi Mon Endo , et les experts sur les recommandations du rapport du KCE paru l'an dernier. Ce rapport insiste notamment sur la nécessité d'un diagnostic plus rapide pour limiter l'errance médicale actuelle.
Le rapport pointe aussi le besoin d'une meilleure approche multidisciplinaire et d'un accès égal aux soins spécialisés. Il attire également l'attention sur le remboursement des traitements et examens nécessaires. Mon cabinet poursuit donc ses travaux sur la mise en place de cliniques de l'endométriose spécialisées, sur le renforcement des formations et sur la question d'une nomenclature adaptée pour le traitement de l'endométriose.
Ce sont des travaux importants et vraiment nécessaires pour améliorer notre prise en charge de l'endométriose, une maladie encore trop peu connue qui inflige de grandes souffrances aux femmes qui en sont atteintes.
Funda Oru:
Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoord en de inspanningen die u zult leveren.
Ik probeer heel vaak te communiceren met mijn volgers over wat wij hier in deze commissie doen. Ik krijg dan heel vaak vragen van jonge vrouwen over de behandeling van endometriose. Ik ben dan ook blij dat ik hen nu duidelijk zal kunnen antwoorden dat we met onze minister en ons beleid duidelijke stappen zullen zetten om de behandeling te verbeteren en het beter te erkennen in de toekomst.
Nathalie Muylle:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord en uw goede aanpak. De bouwstenen van het KCE-rapport en de resolutie zitten er echt wel in: de gelaagdheid door te werken met endometrioseklinieken dichtbij de patiënten en de expertise die we zullen opbouwen door de concentratie van de zorg.
We willen ook het taboe doorbreken, want dat heerst nog sterk. Opleiding en educatie zijn dus echt wel cruciaal, net als de nomenclatuur. We hebben immers vroeger moeten vaststellen dat er een heel beperkte nomenclatuur was, waardoor lange chirurgische ingrepen vaak niet werden uitgevoerd. Er stond namelijk veel te weinig of zelfs geen financiering tegenover. Het feit denk ik dat u dat nu allemaal opneemt en dat u dat ook doet met de juiste stakeholders in het debat is goed.
U kent mij natuurlijk wel een beetje. Ik durf ook wel te vragen naar een timing. We hebben daarover in het regeerakkoord immers een ambitie uitgesproken, namelijk 2025. Het gaat echter niet over het regeerakkoord, noch over ons. Het gaat over die duizenden vrouwen. Zelfs met de erkenning zal de af te leggen weg nog steeds heel lang zijn. Men zal namelijk nog moeten worden toegeleid naar die centra en de juiste diagnoses krijgen.
Mijn vraag is dan ook om eraan verder te werken. Ik geloof ook dat u dat zult doen om snel tot die erkenning over te gaan, zodat we, zoals u zei, een vliegende start kunnen nemen voor die duizenden vrouwen.
Dominiek Sneppe:
Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Ik treed mevrouw Muylle bij dat er weinig over timing is gezegd. U hebt nog eens naar het KCE-rapport verwezen, een zeer mooi rapport met heel wat aanbevelingen. Het siert u dat u die aanbevelingen ernstig neemt, maar ik heb de indruk dat we nog altijd in de fase van samenzitten en spreken zitten en dat er nog weinig concreets gebeurt.
We volgen dit verder op. We hopen dat het niet bij loze beloften blijft, maar dat nog in 2025 echt concrete stappen naar meer sensibilisering over dit thema, naar het oprichten van expertisecentra en dergelijke meer worden gezet, zeker voor de vele vrouwen met endometriose. Mijnheer de minister, zorg dus voor een timing die ervoor zorgt dat er dit jaar nog, in 2025, we zijn al bijna halfweg, iets concreets uit de bus komt.
Florence Reuter:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses encourageantes et rassurantes. Je suis ravie d'entendre que vous avez pris cette résolution très au sérieux, car elle a véritablement été le déclencheur de la prise en charge du rapport du KCE.
La mise en place du groupe de travail, la reconnaissance de cliniques de l'endométriose ainsi que l'amélioration du délai de diagnostic sont des avancées essentielles pour ces jeunes femmes.
Même si la prévention relève des compétences des Régions, avez-vous des contacts avec les autres niveaux de pouvoir pour intensifier cette sensibilisation étant donné que cette maladie est encore fort méconnue, notamment chez les jeunes?
Deux axes sont particulièrement importants: d’une part, il faut briser les tabous qui entourent cette maladie et d’autre part, il y a l'aspect de la prise en charge sur lequel vous travaillez actuellement.
Nous suivrons évidemment ce dossier. Nous espérons qu'à l’occasion de la prochaine journée mondiale de lutte contre l’endométriose, des mesures fortes pourront être annoncées afin de soulager et aider toutes ces jeunes femmes.
Natalie Eggermont:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor een aantal positieve punten inzake de expertisecentra en de taboedoorbrekende sensibilisering. Dat zijn een aantal pijnpunten die u wilt aanpakken.
Ik sluit me aan bij de andere vraagstellers. Qua timing is het belangrijk dat we meer in detail treden, zeker aangezien in het regeerakkoord staat dat het actieplan een plan voor 2025 is. Dat moet dus concreet worden uitgewerkt.
Ten slotte, u bent uw antwoord zelf begonnen met aan te geven dat het thema al jaren onderbelicht is. U voegde eraan toe dat die onderbelichting geen toeval is. Het is effectief nuttig om ons daarover nader te buigen. Endometriose staat daarin immers niet alleen. Er is algemeen meer onderzoek gedaan naar kaalheid bij mannen dan naar de werking van het vrouwelijk lichaam. Onlangs hebben wij de discussies gehad over pijn bij de plaatsing van het spiraal of bij vulvodynie, die ondergediagnosticeerd en te weinig onderzocht is. Het is dus belangrijk dat we op dat vlak de taboes doorbreken en blijven zoeken naar de reden van de gezondheidskloof tussen mannen en vrouwen en naar de manier waarop wij op dat vlak verdere stappen kunnen zetten, niet enkel voor endometriose maar ook voor veel andere zaken die specifiek vrouwen treffen.
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, ik heb goed naar uw antwoord geluisterd. Wat u niet hebt aangehaald, zijn de interministeriële afspraken die werden gemaakt tussen de Vlaamse en de federale overheid, waarbij sensibilisering een belangrijk gegeven is. Ik blijf me ongerust maken over de lange zoektocht van de patiënten. We moeten echt naar een snellere diagnose. Dit is en blijft een enorme uitdaging waaraan moet worden gewerkt. Hoe zult u in dat globale antwoord dat u hebt gegeven, naast de expertisecentra en de endometriosecentra dichtbij, het onderzoek naar therapieën, medicatie en behandeling faciliteren en stimuleren? We hebben in de voorbije legislatuur gewerkt aan onderzoek naar kwalen die nu eenmaal meer voorkomen bij vrouwen dan bij mannen, en we moeten daarop een antwoord formuleren en dat onderzoek stimuleren. U hebt het nomenclatuurnummer aangehaald. Ook daar wil ik de collega's bijtreden wat betreft de timing. Het lijkt me heel ambitieus om al tegen eind 2025 een nomenclatuurnummer te hebben. Ik hoop dan ook dat u daar voluit voor gaat, zodat we al die patiënten een antwoord kunnen bieden in die multidisciplinaire context.
Nierziekten
Chronische nierschade
Nierschade en nierziekten
De behandeling van chronische nierziekten
Chronische nierziekten en behandeling
Gesteld door
VB
Katleen Bury
Open Vld
Irina De Knop
N-VA
Kathleen Depoorter
PS
Ludivine Dedonder
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 22 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vandenbroucke kondigt uitbreiding van nierscreening aan: vanaf 45 jaar éénmalig per vijf jaar (via huisarts) en voor hoogrisicogroepen (hypertensie, lage eGFR, familiale voorgeschiedenis) maximaal driemaal per jaar, met terugbetaling via de ziekteverzekering (kost: ~€2,923 miljoen). Xénogreffe blijft experimenteel in België, met enkel preklinisch onderzoek, terwijl innovatieve behandelingen (zoals SGLT2-remmers) sneller toegankelijk moeten worden via geplande hervorming van medicijnterugbetaling. Preventie en bewustmaking (o.a. ketamine-risico’s) vereisen interfederale afstemming, met een cruciale rol voor huisartsen en nefrologen.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, mijn vraag betreft de nierscreening. Op 13 maart was het Wereldnierdag. Heel wat Vlaamse niercentra deden een gratis nierscreening bij de Vlamingen. De cijfers geven aan dat al 1 op de 10 Belgen leidt aan nierschade, vaak zonder het te weten. Dit aantal zou heel sterk kunnen oplopen tegen 2027. Tegen 2040 zou het de vijfde doodsoorzaak en tegen 2050 zelfs de tweede doodsoorzaak worden.
Een eenvoudige urinetest volstaat om vroegtijdige schade op te sporen en ernstige complicaties te voorkomen. Toch wordt de terugbetaling ervan tot op heden beperkt tot diabetespatiënten, ook al zijn er andere risicogroepen, zoals mensen met hypertensie, hartproblemen of familiale voorgeschiedenis van nierziekte.
Ik wil u de volgende vragen stellen. Wat met de terugbetaling die beperkt blijft tot de diabetespatiënten? Zult u die uitbreiden of herzien? Welke concrete stappen zult u ondernemen om de trend van de vijfde doodsoorzaak tegen 2040 en de tweede doodsoorzaak tegen 2050 te keren?
Wat is de verhouding met de andere Europese landen? Hoever staan die wat betreft preventie- en behandelbeleid? We zien dat de brede toegang tot nierscreening beperkt is. Wat zijn de voornaamste struikelblokken? Ziet u een rol weggelegd voor de farmaceutische industrie en de private verzekeraars in de financiering van de screeningsprogramma's? Zijn er eventuele initiatieven om ziekenhuizen en niercentra meer middelen te geven? Ten slotte, hoe zullen we het brede publiek beter informeren?
La présidente : Mmes De Knop et Depoorter n'étant plus là, j'en arrive à ma question sur le même thème.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, les maladies rénales chroniques constituent un enjeu majeur de santé publique en Belgique, touchant plus d'un million de personnes. Sans prise en charge précoce, elles évoluent vers une insuffisance rénale terminale, nécessitant une dialyse ou une greffe. Pourtant, le dépistage est simple et pourrait être généralisé, notamment en surveillant la tension artérielle et en encourageant des tests précoces comme l'analyse d'urine et le dosage de la créatinine.
Outre le dépistage, des avancées thérapeutiques prometteuses, telles que les inhibiteurs du SGLT2 et les agonistes des récepteurs du GLP-1, permettent aujourd'hui de ralentir la progression de la maladie. Cependant, pour de nombreux patients en insuffisance rénale terminale, la transplantation reste la meilleure option.
Dans ce cadre, les progrès récents en matière de greffe rénale, notamment l'utilisation de la robotique pour réduire les complications opératoires et l'essor des dons de reins vivants, ouvrent des perspectives encourageantes. La pénurie d'organes demeure toutefois un obstacle majeur.
Face à cette problématique, la xénogreffe pourrait représenter une solution d'avenir. Des essais cliniques récents aux États-Unis ont montré des résultats prometteurs, bien que la fiabilité de cette technique soit encore en cours d'évaluation.
Monsieur le ministre, quelles actions concrètes envisagez-vous pour améliorer le dépistage précoce de l'insuffisance rénale et sensibiliser la population à cette problématique? Des mesures sont-elles envisagées pour faciliter l'accès aux traitements innovants? Où en est la recherche en Belgique concernant la xénogreffe? Des projets spécifiques sont-ils financés? À quel horizon estime-t-on que cette technologie pourrait devenir une option thérapeutique fiable et accessible pour les patients?
La présidente : Je cède la parole à Mme Depoorter qui nous a rejoints.
Kathleen Depoorter:
Eén op de tien Belgen kampt met nierschade, vaak zonder het zelf te weten. Zonder ingrijpen zou dit cijfer tegen 2027 zelfs oplopen tot één op de zeven. Nochtans kan een eenvoudige urinetest nierproblemen tijdig detecteren en ernstige complicaties zoals hartfalen en beroertes voorkomen. Toch wordt de terugbetaling van deze test uitsluitend voorzien voor diabetespatiënten, terwijl andere risicogroepen, zoals mensen met hoge bloeddruk of een familiale voorgeschiedenis van nierziekten, geen recht hebben op gratis screening.
Graag verneem ik het volgende van u:
- Overweegt u de terugbetaling van preventieve niertests uit te breiden naar andere risicogroepen, zoals mensen met hypertensie of een familiale voorgeschiedenis van nierziekten?
- Is er een kosten-batenanalyse uitgevoerd over de uitbreiding van nierscreening? Zo ja, wat waren de resultaten?
- Hoe beoordeelt u de impact van de verwachte stijging van nierschade op het zorgsysteem, en welke beleidsmaatregelen plant u om deze trend te keren?
Frank Vandenbroucke:
Geachte leden, om te beginnen, u weet wellicht dat het doseren van albumine momenteel terugbetaald wordt voor mensen met diabetes, via een specifieke nomenclatuurcode. In de toekomst zal de groep begunstigden worden uitgebreid tot de andere risicogroepen die worden aanbevolen volgens internationale richtlijnen, met name hoogrisicopatiënten met een estimated glomerulaire filtratieratio, een eGFR, lager dan 60 milliliter per minuut, hoogrisicopatiënten met hypertensie of die bloeddrukverlagende medicijnen gebruiken, eerstegraadsfamilieleden met niervervangingstherapie en hoogrisicopatiënten bij wie een albuminecreatinineratio van hoger of gelijk aan 30 milligram per gram werd vastgesteld. In die gevallen zal de verstrekking maximaal drie keer per jaar kunnen worden geattesteerd. Er wordt nog een andere verstrekking voorzien voor patiënten ouder dan 45 jaar, die gebruikt kan worden als een gerichte screening bij de huisarts. Die zal één keer per vijf jaar terugbetaald worden.
La prestation actuelle sera étendue à de nouveaux groupes cibles et la nouvelle prestation relative au dépistage des patients de plus de 45 ans sera incluse dans la nomenclature. Les médecins généralistes auront un rôle crucial dans la sensibilisation au dépistage ciblé chez les patients à risque.
Les organisations professionnelles de néphrologues ont déjà été invitées à contribuer à l'information des prescripteurs.
De aanpassingen zijn al goedgekeurd door het Verzekeringscomité. Ze zijn onderweg naar de publicatie in het Belgisch Staatsblad . Ik durf echter niet te zeggen wanneer ze van kracht zullen worden.
Mevrouw Bury, u wees op de cijfers. Het klopt dat de impact van een chronische nierziekte op de gezondheid erg omvangrijk is. Het beleid moet daarop inspelen. Wij hebben de nomenclatuuraanpassingen waarnaar ik verwees samen met de beroepsorganisaties van de nefrologen op punt gesteld. De bedoeling is om zoveel mogelijk patiënten met nierziekten tijdig op te sporen, zodat de behandeling tijdig kan worden opgestart, zoals de KDIGO-richtlijnen aanbevelen.
Het gaat hier dus over een gerichte screening van mensen vanaf de leeftijd van 45 jaar, ook bij de huisartsen. Ook de patiënten met risicofactoren zullen regelmatig kunnen worden opgevolgd bij de huisarts of bij de specialist. Wij zullen de secundaire screening dus vergoeden via de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en niet via privéverzekeraars of de farmaceutische industrie, waarnaar de vraagstellers hebben verwezen.
Wij zullen, zodra de verstrekkingen opgenomen zijn in de nomenclatuur, de voorschrijvende artsen informeren over de manier waarop zij die verstrekkingen moeten voorschrijven. Ik herhaal dat huisartsen ter zake een cruciale rol te spelen hebben. De beroepsorganisatie van de nefrologen is gevraagd om bij te dragen aan de informatiecampagne die wij willen opzetten.
Natuurlijk moeten wij ook nader nadenken over preventie gericht op bredere bevolkingsgroepen. Dat is een thema dat wij gegeven de bevoegdheidsverdeling in ons land binnen de interfederale IKW Preventie nader kunnen bespreken.
De vraag werd ook gesteld of er een kosten-batenanalyse werd gemaakt. Bij de uitbreiding van de doelgroepen in de nomenclatuur werd inderdaad een analyse van de budgettaire betekenis uitgevoerd. De totale uitgaven voor het voorstel dat ik heb beschreven, werden geraamd op 2,923 miljoen euro. Wij moeten wel een beetje voorzichtig zijn. Er is immers een belangrijke overlapping bij de nieuwe doelgroepen. Wij weten nog niet hoeveel mensen effectief door de testen zullen worden opgespoord als patiënt. Er is echter wel een analyse gemaakt.
Ik denk inderdaad dat preventie en tijdige opsporing ook nuttige onderwerpen voor een interfederale bespreking zouden zijn. Misschien kan dit aan de orde komen als we het rapport van de nieuwe commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen bespreken. Daarop wil ik niet vooruitlopen, maar deze onderwerpen horen daarbij. Gaan we specifiek iets tegen nierinsufficiëntie ondernemen? Gaan we een specifieke aanpak ontwikkelen, niet alleen curatief maar ook preventief, voor deze patiënten en voor deze bevolkingsgroep? Ik wil daar even naar verwijzen.
Madame Dedonder, vous avez posé une question très vaste. Il s'agit, en l'occurrence, de simplifier l'accès au remboursement de traitements innovants. Vous savez qu'en dehors des décisions ponctuelles que j'ai décrites, notre agenda prévoit une réforme assez importante du système de remboursement des médicaments, au moyen d'un accès précoce et accéléré à ces médicaments et d'une amélioration des programmes d'usage compassionnel. Mais je passe sur cet aspect, car c'est un chantier plus vaste.
Concernant la recherche sur la xénogreffe rénale, c'est-à-dire la transplantation de reins provenant d'animaux, elle est encore à un stade préclinique en Belgique. Il n'existe pas pour le moment de projet spécifiquement financé en ce domaine. Certaines initiatives européennes telles que le projet NeoGraft dirigé par la KU Leuven explorent des thérapies cellulaires innovantes pour les maladies rénales, bien que cela ne concerne pas directement la xénogreffe.
Par conséquent, la xénogreffe rénale ne constitue pas encore une option thérapeutique disponible en Belgique. Des avancées significatives ont été accomplies aux États-Unis , où des essais cliniques ont débuté, notamment avec des reins de porc génétiquement modifié transplantés chez des patients humains. Cependant, chez nous, cette technologie en reste encore au stade de la recherche fondamentale. Il est difficile de prévoir quand elle pourrait devenir une option thérapeutique fiable et accessible aux patients.
En parallèle, la Belgique participe à des projets européens visant à développer des alternatives à la transplantation traditionnelle, tel le rein bioartificiel. Par exemple, le centre de recherche Imec est impliqué dans un projet financé par l'Union européen en vue de créer un rein bioartificiel implantable, combinant des technologies de pointe en microélectronique et en biologie.
En résumé, bien que la xénogreffe rénale suscite un intérêt croissant, elle n'est pas encore une réalité clinique en Belgique. Les recherches en cours, tant à l'échelle nationale qu'internationale, laissent entrevoir des perspectives prometteuses, mais des étapes importantes doivent encore être franchies avant une application thérapeutique généralisée.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, ik ben heel blij met uw antwoord. U zei met betrekking tot de uitbreiding van de doelgroepen en de uitbreiding van de nomenclatuur dat men dat naar de interfederale werkgroepen zou kunnen trekken. Doe dat zeker en vast. Ik kan dat alleen maar aanbevelen, ook wat preventie en het meer informeren van de bevolking betreft. Ik zou daar zeker de link leggen met heel de problematiek van ketamine waarover we het vorige keer in de commissie hebben gehad. Heel veel jongeren lopen door het gebruik ervan nu al enorme nierschade op. De gevallen die laat bij de arts komen, moet men beter begeleiden. Men moet ervoor zorgen dat die ook onder de doelgroep kunnen vallen.
U moet dat verder opvolgen, maar u bent goed bezig. Dank u wel.
Kathleen Depoorter:
Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U hebt het wel degelijk over de albuminebepalingen, eenmaal om de vijf jaar bij de huisarts?
( Minister Vandenbroucke komt tussen zonder micro )
Dan heb ik toch een vraagje. Er stelt zich bij de klinisch biologen nog altijd het probleem dat een test die maar eenmalig wordt terugbetaald, niet kan worden getarifeerd door de klinisch bioloog-apotheker. Er zal dan bij de klinisch-biologische labo’s steeds een arts moeten zijn die op CoZo nagaat of er de voorbije vijf jaar voor een bepaalde patiënt al een test is terugbetaald. We hebben het daar in de voorbije legislatuur al eens over gehad. Ik vind het een zeer goede ingreep, dus geen probleem. Er is echter een hiaat in dezen, zeker wanneer we die doelgroepen uitbreiden en toch meer aan preventieve behandelingen of preventieve detectie zullen doen. We zullen dat in de gaten moeten houden.
Daarnaast ga ik absoluut akkoord met een doelgerichte screening voor risicopatiënten. U zei dat u met de nefrologen hebt overlegd. De creatininebepaling wordt daar dan niet meer of niet aan gekoppeld. Is daar geen richtlijn uitgekomen? Misschien moet ik u die vraag in een volgende vragensessie nog eens stellen. Ik vind het immers interessant dat via overleg met de experts, de artsen en nefrologen die daarin experts zijn, tot stand is gekomen dat men meer mensen zal detecteren, maar we moeten er wel voor zorgen dat men het echt wetenschappelijk correct zal benaderen.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous allons poursuivre nos investigations sur ce sujet important.
Frank Vandenbroucke:
Mevrouw Depoorter, u had twee specifieke opmerkingen of vragen. Ik durf daar zo niet op te antwoorden. U mag me daarover opnieuw ondervragen. Eventueel kunt u me ook een e-mail sturen via mevrouw Schellens met de omschrijving van het eerste probleem voor de apothekers-biologen, om duidelijk te maken hoe ik dat precies moet begrijpen. Ook uw tweede vraag kunt u eventueel ook al via e-mail versturen. Ik kan ze eventueel via e-mail beantwoorden. Ik wil u natuurlijk niet beletten om een parlementaire vraag te stellen, maar het is misschien efficiënter om meteen een e-mail te sturen om me duidelijk te maken waarover het gaat, dan kan ik dat al onderzoeken.
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, dat is prima, dank u wel, ik zal een e-mail sturen.
De Amerikaanse invoerheffingen
De Amerikaanse invoerheffingen
De instabiliteit van de beurskoersen en de gevolgen ervan voor ons land en onze economische actoren
Het handelsbeleid van Donald Trump
Amerikaans handelsbeleid, invoerheffingen, beursinstabiliteit
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 10 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de Amerikaanse handelsoorlog en Europa’s reactie, met focus op België’s strategie om economische schade te beperken. De eerste minister benadrukt onderhandelingen en Europese eenheid als sleutel, steunt het uitstel van EU-tegenmaatregelen (90 dagen) en wijst op de noodzaak om eigen concurrentiekracht (MAKE 2030) te versnellen, zonder concrete deadlines. Kritiek komt van populisme-risico’s (Trump’s onvoorspelbaarheid), afhankelijkheid van de VS (energie, wapens) en de oproep tot diversificatie (Azië, Afrika) in plaats van onderwerping. Farmasector, beursonrust en Europese waarden (bv. diversiteit) blijven kwetsbare punten in het debat.
Charlotte Verkeyn:
Mijnheer de eerste minister, collega’s, wie biedt meer, wie biedt minder of wie biedt intussen helemaal niets meer met de pauzeknop? Onze economie leek de voorbije dagen echt een tapijtenmarkt. Vergis u echter niet, de Verenigde Staten zijn gefixeerd op hun handelsbalans, willen de productie opnieuw in eigen land en menen daarvoor met de importheffingen echt de trump card te hebben gevonden. Ondertussen komt de rest van de wereld smekend en op blote knieën aan de onderhandelingstafel. Dat is mooi meegenomen.
Wij zijn nu een week later, een week na de eerste bedreigingen. De aanvallen blijven komen. Gisteren was er het bericht dat onze farmasector toch extra geviseerd zou worden. Collega’s, die sector is bezorgd. Angst en paniek zijn echter zelden goede raadgevers. ‘Never let a good crisis go to waste ’ is dat wel.
Mijnheer de eerste minister, het verheugt ons te lezen dat u dezelfde mening bent toegedaan, dat u naast de parallelle weg van de onderhandelde oplossing van de Europese Unie die bezig is, ernaar streeft om onze eigen concurrentiepositie te verstevigen en dat u hebt aangekondigd dat u wil inzetten op het verstevigen van onze concurrentiekracht en op het programma in het regeerakkoord MAKE 2030 . Dat is een heel goed idee.
Ik heb twee vragen, namelijk een vraag over de onderhandelde oplossing en een vraag over MAKE 2030 . Ten eerste, hoe staat u tegenover de onderhandelde oplossing, de nultarieven en de wederzijdse tarieven die worden voorgesteld? Hoe staat u daartegenover? Wat doet u met andere belangrijke sectoren in ons land, zoals de farmasector? Ten tweede, hoe ziet u de versnelde opstart van MAKE 2030 ? Wordt dat effectief een MAKE 2025-2030 ?
Koen Van den Heuvel:
Mijnheer de premier, de voorbije dagen zag de kleine belegger zijn pensioenfonds of aandelen verdampen door de grillen van populistische pyromanen. Als de mensen hun beleggings- of aandelenfonds openden, zagen ze bloedrode cijfers, namelijk -5 %, -10 % of -15 %. Het is heel duidelijk: als extremistische populisten met hun spierballen rollen, is de gewone hardwerkende man of vrouw in de straat de dupe.
Bijna 3 miljoen mensen in ons land doen aan pensioensparen. Hard werkend zetten zij een centje opzij om comfortabeler van hun oude dag te kunnen genieten. Dalende beurzen door de grillen van Trump doen deze mensen in onzekerheid leven. Ze liggen daar wakker van. Zeker in tijden van onzekerheid kijken deze mensen naar ons.
Collega's, wij hebben geen nood aan stoere machopraat. We moeten niet agressief of naïef zijn, maar wel slim en assertief. Wij moeten samenzitten, de-escaleren en de ratio laten zegevieren. De welvaart van onze mensen staat op het spel. Daarvoor is een sterk en verenigd Europa nodig, een Europese Unie die zich niet uit elkaar laat spelen door Trump. Het Europese project moet, na een project van vrede, meer dan ooit een project van economische sterkte en economische welvaart voor onze mensen worden.
Beste premier, ik ga ervan uit dat u op deze lijn zit en binnen Europa de spreekbuis wil zijn van de gedachte van Europese welvaart, die zorgt voor meer stabiliteit en voor meer veiligheid in de wereld. (…)
Voorzitter:
Bedankt, collega Van den Heuvel. Uw tijd is om.
Xavier Dubois:
Monsieur le premier ministre, la semaine passée, le président Trump a annoncé sa volonté d'imposer de manière importante quantité de pays en augmentant les droits de douane sur une série de produits, lançant ainsi une sorte de guerre commerciale qui est dommageable pour tout le monde, pour nous et pour les États-Unis également, car elle crée de l'incertitude, de l'instabilité. Elle est dommageable pour notre économie, pour nos banques, nos investisseurs, nos entreprises, nos PME, mais aussi nos citoyens.
À la suite de cette annonce, la Commission européenne a décidé d'une première réplique en imposant aussi des droits de douane pour certains produits particuliers américains, tout en déclarant qu'elle était ouverte à suspendre cette décision en cas d'accord équilibré et juste avec les Américains.
Hier, rétropédalage du président américain, qui annonce qu'il souhaite suspendre cette décision pendant 90 jours pour toute une série de pays, dont les membres de l'Union européenne, mais pas la Chine. Au vu des résultats des marchés financiers de ce matin, on pourrait se dire qu'il s'agit d'une bonne nouvelle, les bourses étant de nouveau dans le vert. Cependant, à moyen et à long terme, l'instabilité est toujours présente, ainsi que l'insécurité, puisque nous ne sommes pas à l'abri d'un nouveau revirement au niveau de la politique commerciale américaine. Et surtout parce qu'il s'agit d'une décision temporaire. Il faut continuer à discuter, à négocier pour défendre notre économie.
Monsieur le premier ministre, quelle est la position du gouvernement par rapport à cette situation instable? Quelles sont les mesures concrètes qui ont été prises pour assurer la stabilité de notre économie? Et surtout, comment la Belgique se positionne-t-elle dans ces négociations de manière concrète pour défendre notre économie?
Nabil Boukili:
Monsieur le premier ministre, la décision du gouvernement américain du 2 avril d'augmenter les droits de douane pour l'ensemble du monde est une agression internationale majeure. L'objectif de l'impérialisme américain, avec cette violence, est de soumettre les États du monde aux intérêts des Américains et de l'État américain, par la force. Le président Trump n'hésite d'ailleurs pas à s'en vanter, puisqu'il déclare que, depuis la mise en place de ces droits de douane, 70 pays sont venus, je cite, " kissing my as s". Je traduis pour ceux qui ne parlent pas anglais. Cela veut dire: "lécher notre cul".
Monsieur le premier ministre, la Belgique est-elle concernée par cette déclaration? C'est une première question.
Suite à ce léchage de derrière, l'administration américaine a suspendu les mesures pendant 90 jours pour soi-disant négocier. Nous savons qu'il ne s'agit pas d'une vraie négociation, pas plus que d'une vraie suspension, puisque les droits de douane passent de 20 % à 10 %. Il y a toujours 10 % de trop.
De plus, pour que ces droits restent à 10 %, l'Union européenne doit se soumettre et mettre un genou à terre face aux États-Unis. Elle doit acheter pour plus de 350 milliards de dollars de plus de gaz américain. Elle doit aussi acheter des armes américaines pour des milliards de dollars et d'euros, ce que nous ferons payer à nos travailleurs. Cela nous rendra encore plus dépendants des États-Unis, une dépendance qui nuit déjà beaucoup à notre économie aujourd'hui.
Monsieur le premier ministre, deux hypothèses existent et deux possibles choix se posent à nous pour faire face à l'agression américaine. Soit se soumettre et accepter les menaces américaines, soit s'ouvrir sur le reste du monde, sur le Sud global, commercer avec d'autres pays, diversifier notre commerce, notamment en Asie, en Afrique, en Amérique latine (…)
Voorzitter:
Aangezien vier collega's vragen hebben gesteld, krijgt de eerste minister vijf minuten om te antwoorden.
Bart De Wever:
Merci, chers collègues.
Monsieur Boukili, vous avez traduit l'expression " kiss my ass " en français. On vous a demandé de la traduire en néerlandais. Il est sage que vous ne l'ayez pas fait. Je déplore le langage du président Trump. Cela laisse aussi une très mauvaise impression, pour dire le moins...
Mercredi matin, à 6 h – heure belge –, minuit aux É tats-Unis, les droits de douane qu'ils avaient initialement annoncés sont entrés en vigueur. Pour l'Union européenne, cela signifiait à ce moment-là un droit de douane général de 20 % sur nos exportations vers les États-Unis , à l'exception d'une série de produits que j'ai déjà cités la semaine dernière – pour notre pays, la principale exception étant celle des produits pharmaceutiques. Entre-temps, Trump a évoqué la possibilité de le faire sur ces derniers produits. Mais, avec lui, on ne sait jamais!
Koen, u zult week na week pal moeten blijven staan op deze tribune. Ik weet dat u dat kunt.
Hier, il a à nouveau fait une annonce sur les droits de douane en général qui allaient être ramenés immédiatement à 10 %. Cela reste nettement plus élevé que la situation précédente – ce n'est donc pas une suspension totale –, mais les marchés ont réagi pour l'instant avec soulagement, considérant que c'est moins grave que prévu.
L'instabilité des marchés et la position américaine chaotique rendent actuellement impossible toute analyse d'impact à long terme de ces droits de douane. Je comprends que vous posiez des questions, mais il est impossible d'y répondre parce qu'il s'agit plutôt de suivre les choses jour après jour, voire heure après heure.
De verlaging tot 10% geldt voor alle duidelijkheid niet voor de tarieven die de VS afgelopen maand op aluminium, staal en wagens invoerden. Dus, we zijn nog ver van huis.
Als reactie op de initiële tarieven van maart had de Europese Commissie een proportioneel tegenpakket voorbereid, pakket waaraan we hebben meegewerkt en waarover er een akkoord werd bereikt. Het gaat om een pakket goederen ter waarde van 21 miljard, dat gespreid zou worden ingevoerd over drie verschillende data.
Het eerste deel van het pakket zou normaal ingaan op 15 april 2025. Maar de voorzitster van de Europese Commissie heeft zopas laten weten, met steun van alle lidstaten, dat ze de tegenmaatregelen zal uitstellen met 90 dagen. Haar boodschap daarbij luidde: "We want to give negotiations a chance." Die houding van de commissievoorzitster steun ik voor de volle 100%. Ik denk dat het goed is dat wij dus niet zijn ingegaan op de stoere kretologie van sommige fracties hier vorige week, die kreten en stoere verklaringen en maatregelen verwarren met verstandig leiderschap.
U hebt gepleit voor een koel hoofd en een verstandige aanpak. Dat is volgens mij de aanpak van Europa en die is verstandig. Ik denk ook wij nog altijd moeten proberen een zinloze handelsoorlog met alleen verliezers zo snel mogelijk te stoppen en terug te keren naar een evenwicht waarbij alle partijen beter af zijn dan voordien.
Dat is ook de boodschap die ik, zoals ik had aangekondigd, heb meegegeven aan Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken Marco Rubio. De Verenigde Staten en Europa worden eigenlijk met identiek dezelfde uitdagingen geconfronteerd. Het zou bijzonder dom zijn om die gezamenlijke problemen in conflict en verspreide slagorde aan te pakken in plaats van ze als westerse wereld samen aan te gaan. Als Europeanen zullen we dat zeker samen moeten doen. Dit is een moment om de Europese integratie snel vooruit te doen gaan. Die opportuniteit moeten we grijpen.
We kunnen alleen hopen dat dat soort wijsheid ook de Amerikaanse bondgenoten snel bereikt en hen ervan doordringt. De opening tot onderhandelingen stemmen lichtjes hoopvol. Maar we zijn er bij lange nog niet en zekerheden hebben we absoluut niet.
Tot zo lang is het vooral zaak om als Europeanen lessen te trekken uit het hele debacle, met name dat wij onze eigen interne markt zo snel mogelijk en grondig versterken en ons inderdaad openstellen voor de talloze mogelijkheden tot vrije handel met de rest van de wereld, die naar ons kijkt. Voor vrijheid en Europese welvaart!
Charlotte Verkeyn:
Mijnheer de premier, collega's, allemaal samen pal staan, het been stijf houden om verstandige beslissingen te nemen en daadkrachtig te besturen, dat is inderdaad wat we moeten doen. We hebben te maken met iemand die zeer graag pokert met de wereldeconomie. Het is zaak om in dat pokerspel niemand te overbluffen.
Vorige week hebben we hier een aantal andere oproepen gehoord, maar wij staan allemaal als een blok achter de onderhandelde oplossing en willen anderzijds vooral ook nagaan hoe we onze daadkracht in onze economie kunnen versterken, onder andere via de plannen die de regering op tafel legt. Bedankt om die visie in uw antwoord nogmaals te bevestigen.
Koen Van den Heuvel:
Mijnheer de premier, dank u wel voor uw duidelijke antwoord.
Beste collega's, uit de voorbije weken kunnen we twee grote lessen trekken. Allereerst, waar populisten en waar extremisten aan de macht zijn, is de gewone man in de straat de dupe. Zij leiden ons naar nergens. Ten tweede, het antwoord op de groeiende onzekerheid op wereldvlak door geopolitieke spanningen ligt in een meer verenigd, sterker Europa.
Ik ben heel blij, mijnheer de premier, dat u de spreekbuis wilt zijn als eerste minister van de regering en van ons land in Europa om dat verenigde Europa te verdedigen. Geen machogedrag, maar de ratio laten wederkeren om de welvaart van onze mensen te beschermen.
Xavier Dubois:
Merci monsieur le premier ministre pour vos réponses. J'entends effectivement le fait qu'il faut rester vigilant pour continuer à défendre notre économie. Je partage bien entendu cet avis.
Bien sûr, dans ces négociations, il faudra défendre notre économie et notre commerce mais il ne faudra surtout pas oublier la défense de nos valeurs. Et je pense que les tentatives des É tats-Unis ne visent pas que notre commerce mais également, notamment, l'ingérence dans les politiques de nos entreprises. L'initiative visant les politiques en matière de diversité et de protection des minorités n'est pas acceptable.
Je suis convaincu que dans vos discussions, dans vos négociations avec les É tats-Unis, vous n'oublierez pas ces valeurs pour défendre notre économie, notre démocratie et ce qui fait vraiment le sel de notre société, de notre vivre ensemble.
Nabil Boukili:
Merci monsieur le premier ministre, pour vos réponses, même si je n'ai pas eu de réponse à ma question. Vous avez déclaré que nous avons les mêmes défis que les É tats-Unis. C'est très inquiétant et très naïf parce que les É tats-Unis ne connaissent que leurs intérêts et sont prêts à sacrifier tout le monde, l'Europe y compris, pour les défendre. Je vois que vous êtes sur la même ligne que votre collègue, Mme Meloni – qui fait partie du même groupe que la N-VA au Parlement européen –, cette ligne de nous accrocher aux quelques croquettes que nous jettent les É tats-Unis, alors qu'il y a d'autres voies en Europe. M. S á nchez, le premier ministre espagnol, est aujourd'hui en Chine pour diversifier son économie, pour s'ouvrir sur d'autres horizons. Au niveau européen, je vois qu'il y a deux tendances: ceux qui utilisent leur cerveau pour évoluer et ceux qui utilisent leur langue, comme le demande M. Trump.
De sluiting van de Corahypermarkten
De perspectieven voor de werknemers van Cora en de distributiesector
De sluiting van de Corahypermarkten
Toekomst van Cora en de distributiesector
Gesteld door
PS
Marie Meunier
Les Engagés
Aurore Tourneur
PTB
Nadia Moscufo
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 10 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De sluiting van zeven Cora-hypermarkten treft 1.800 werknemers en zorgt voor een sociaal drama, met name in steden als La Louvière, Hornu en Anderlecht, waar hele families hun inkomen en zekerheid verliezen. Minister Clarinval belooft crisisbegeleiding (via een intergouvernementele cel), respect voor de Renault-wet, steun voor oudere werknemers (o.a. RCC-regeling) en samenwerking met gewesten voor heropliding/omscholing, maar syndicaten en oppositie (o.a. PTB) wijzen op structurele tekortkomingen: gebrek aan langetermijnvisie voor de detailhandel, dreigende precariteit door strenge werkloosheidsmaatregelen (bv. "Arizona-plan") en onvoldoende bescherming tegen winstgedreven ontslagen. Kernpunt: woede over symbolische gebaren (voetbalkaartjes) vs. nood aan concrete oplossingen—zoals Europese aanpassingsfondsen, behoud van pensioenen en een eerlijk sociaal overleg—terwijl de sector kampt met digitalisering en globalisering.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, La Louvière, Anderlecht, Châtelineau, Rocourt, Messancy, Woluwe, Hornu. L'annonce brutale est tombée mardi comme un couperet. Les sept hypermarchés Cora vont fermer, 1 800 travailleuses et travailleurs jetés. Toute la Belgique est sous le choc.
Après Makro, Delhaize, Van Hool, Audi, Lunch Garden, les restructurations, les reprises, les franchises, les fermetures se succèdent et se ressemblent, en plongeant des familles dans l'angoisse de savoir si elles auront encore de quoi payer leurs factures ou leurs loyers.
Votre taux d'emploi à 80 %, monsieur le ministre, ne risque pas d'arriver de sitôt. Dans la grande distribution, c'est l'hécatombe. Le groupe Louis Delhaize n'a pas fait exception. Après avoir vendu Match, Delitraiteur, Smatch et ses supérettes, il se sépare maintenant de Cora.
Même si les salariés s'attendaient à une période difficile, après tous les efforts déjà consentis, ils ne s'attendaient pas à ce qu'on leur supprime purement et simplement leur travail. C'est un séisme social pour chacune des villes concernées.
À Hornu, dans ma région, j'imagine que ce que les 150 travailleuses et travailleurs espéraient entendre, c'est que vous, monsieur le ministre, alliez vous démener pour maintenir leur emploi, pour leur garantir un avenir. Pas de recevoir des places pour un match de foot des Francs Borains. Ce qu'ils espéraient, monsieur le ministre, c'est un soutien véritable et pas des lots de consolation.
Monsieur le ministre, vous allez lancer une réforme du marché du travail au milieu d'une vague terrible de restructurations et de licenciements collectifs. Mais comment osez-vous? Comment osez-vous brandir les sanctions alors que l'emploi s'effondre autour de nous? Comment pouvez-vous appeler cela "remettre des gens au travail" alors que ce sont les emplois qu'on leur retire?
Allez-vous, oui ou non, monsieur le ministre, permettre à ces travailleurs de bénéficier des prépensions ou tomberont-ils sous le coup de votre accord de gouvernement?
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, ce mardi 8 avril, 1 800 travailleurs ont vécu un véritable choc avec l'annonce brutale de la fermeture de tous les magasins Cora en Belgique. Derrière ce nombre, il y a des visages, des familles, des histoires de vie. Pour beaucoup, Cora n'est pas juste un employeur, c'est un repère.
Dans ma région, ces magasins font partie du tissu social des quartiers. Leur disparition va représenter un vide économique et humain. Les difficultés du secteur étaient malheureusement bien identifiées et les transformations profondes du commerce constituent une réalité indéniable. Mais aujourd'hui, derrière ces constats, des femmes et des hommes se sentent inquiets et parfois complètement démunis face à un avenir qui leur échappe.
Monsieur le ministre, les syndicats ont exprimé leur profonde inquiétude, craignant que l'État fédéral ne saisisse pas pleinement l'ampleur de ce drame. Dans ces moments d'incertitude, le citoyen attend un État fort, mais surtout humain, présent, à l'écoute, aux côtés de celles et ceux qui ne demandent qu'une chose: ne pas être laissés seuls face à cette épreuve.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous indiquer si une demande d'activation du fonds européen d'ajustement à la mondialisation a déjà été introduite ou si elle est à l'étude? Ce fonds permet de soutenir concrètement les travailleurs touchés par des restructurations majeures, notamment via l'accompagnement, la reconversion ou la formation. Vu l'ampleur des licenciements annoncés et la détresse des familles, il semble essentiel d'explorer toutes les pistes d'aide possibles.
En collaboration avec la Région, quelles mesures concrètes allez-vous mettre en place pour accompagner ces travailleurs?
Plus largement, une réflexion structurelle est-elle en cours sur l'avenir du secteur de la distribution, de l'économie circulaire et de l'essor du commerce en ligne afin d'anticiper d'autres fermetures de ce modèle?
Nadia Moscufo:
Monsieur le ministre, c'est le choc pour 1 800 travailleurs et travailleuses de chez Cora qui risquent de perdre leur boulot d'ici la fin de l'année.
Je transmets tout mon soutien au nom du PTB aux travailleurs de La Louvière, d'Hornu, de Châtelineau, de Rocourt, de Woluwe-Saint-Lambert, d'Anderlecht et de Messancy. Et je pense particulièrement à Muriel, qui travaille depuis plus de 28 ans au Cora Rocourt, et qui me disait hier encore au téléphone: "Cora, c'est toute ma vie. C'est ici que j'ai construit ma vie professionnelle. Et c'est aussi ici que j'ai pu m'émanciper comme femme, même si mon salaire n'est pas si élevé, même si cela n'a pas été simple de faire garder mes enfants avec la flexibilité et les heures d'ouverture. Je suis fière de mon métier, parce que, comme caissière, on se sent utile pour la société. Et là, du coup, tout d'un coup, tout devrait s'arrêter."
Monsieur le ministre, tout devrait s'arrêter. Et, pourtant, les syndicats tirent la sonnette d'alarme depuis bien longtemps. Le secteur du commerce est malade et il est temps de le soigner. On l'a vu avec Delhaize mais le gouvernement Vivaldi a laissé faire la multinationale et n'a rien fait pour défendre les travailleurs. Bien au contraire, c'était la porte ouverte aux mauvais contrats, mal payés et dans l'incertitude totale (…)
David Clarinval:
Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, l'annonce de la fermeture envisagée des sept hypermarchés Cora en Belgique a provoqué un véritable drame social et humain. Je mesure pleinement le choc qu'il représente non seulement pour les 1 779 travailleurs concernés, mais aussi pour leurs familles, les sous-traitants, les indépendants et les commerçants des galeries attenantes dans les régions touchées. En effet, madame Moscufo, pour beaucoup de travailleurs et de travailleuses, Cora était plus qu'un emploi, c'était presque une famille. Je tiens à exprimer ma solidarité totale et mon soutien à l'égard de toutes les personnes touchées.
Dès le lendemain de cette annonce, j'ai souhaité rencontrer, dans un premier temps, les représentants syndicaux des travailleurs afin de les écouter et d'entendre leur analyse du terrain, les efforts consentis depuis des années ainsi que les propositions concrètes pour l'avenir. Ensuite, j'ai rencontré la direction de Cora. Nous avons évoqué les alternatives potentielles, le calendrier de la mise en œuvre de la loi Renault, les mesures d'accompagnement envisagées, les dispositifs spécifiques pour les travailleurs âgés ainsi que toute une série d'autres dispositifs. Les échanges furent constructifs et ont ouvert des perspectives qu'il ne faudra pas négliger à l'avenir. Nous avons également abordé la question de l'impact sur les sous-traitants et les commerçants des galeries attenantes. J'ai rappelé le devoir de transparence et de maintien d'un dialogue social de qualité.
Je veux être très clair. La loi Renault devra être scrupuleusement respectée. À cet égard, j'ai demandé au SPF Emploi un suivi très rapproché. Par ailleurs, j'ai pris contact avec mes homologues régionaux pour développer une stratégie commune d'accompagnement. Comme vous le savez, les sites se répartissent entre la Wallonie et Bruxelles. Ensemble, nous mobiliserons tous les outils disponibles: activation des cellules de reconversion, accompagnement via les services publics régionaux, formation personnalisée, identification de secteurs en tension et, pourquoi pas, madame Tourneur, la piste que vous avez évoquée.
Mesdames et messieurs les députés, suite à ces différentes rencontres, j'ai donc proposé, en bonne collaboration avec les collègues régionaux, la création immédiate d'une cellule de crise intergouvernementale pour l'emploi qui coordonnera les efforts de tous les partenaires impliqués dans cet important dossier.
Un point d'attention particulier portera évidemment sur les travailleurs âgés. Le recours au régime de chômage avec complément d'entreprise (RCC) devra être envisagé dans le cadre de la loi. Nous examinerons toutes les possibilités.
Enfin, j'attends de l'entreprise et de ses actionnaires qu'ils assument pleinement leurs responsabilités. Le financement des mesures d'accompagnement ne pourra pas reposer uniquement sur la collectivité. En outre, les sites ne doivent pas se transformer en friches. Du travail devra également être réalisé à ce niveau-là.
Mesdames et messieurs les députés, nous devons faire respecter les droits, accompagner les travailleurs, réinventer les politiques et mettre en œuvre des réformes ambitieuses pour renforcer l'économie de demain. Je reste évidemment pleinement mobilisé et j'agirai sur ce dossier comme sur tous les autres avec responsabilité et détermination. Je vous remercie pour votre attention.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, vous n'avez pas répondu à ma question.
Vous martelez depuis des mois qu'il faut remettre les gens au travail, c'est votre mantra. Mais allez-leur dire, vous, aux travailleurs de Cora qu'il faut s'activer, que se reconvertir en chauffeur de bus, c'est quand même pas si compliqué! Allez-leur dire aux travailleuses de Cora, qui y ont fait toute leur carrière, que si elles ne retrouvent pas de boulot dans les deux ans, elles seront éjectées vers les CPAS! Allez-leur dire que leur pension sera amputée parce que les actionnaires ont décidé de supprimer leur emploi!
Vos mesures Arizona, monsieur le ministre, ne vont faire qu'aggraver la situation. Et toutes ces familles, vous allez les jeter dans la précarité!
Aurore Tourneur:
Monsieur le président, je pense que la situation est grave et qu'elle mérite franchement mieux que les petites querelles politiciennes que j'entends systématiquement ici.
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse et pour votre engagement.
Au-delà du cadre légal, les travailleuses et les travailleurs ont surtout besoin d'être écoutés, accompagnés et rassurés. Leur réalité est faite de beaucoup d'incertitudes. Il faut une action humaine concrète et coordonnée pour les aider à se construire. Cette fermeture, c'est une épreuve mais aussi un moment où notre État social actif peut démontrer toute sa force, toute sa bienveillance ainsi que sa capacité à protéger ses citoyens.
Nadia Moscufo:
Monsieur le ministre, les travailleurs et les travailleuses de Cora, dont la moitié a travaillé plus de 20 ans avec beaucoup de flexibilité et des petits salaires, méritent le respect. Ce respect ne se traduit pas en leur offrant des entrées à un match de foot! C'est in-dé-cent! Ce respect, monsieur le ministre, il va se traduire avec un gouvernement et un ministre de l'Emploi qui seront à l'écoute des revendications syndicales et dans le respect de la vraie concertation sociale.
Ce qui nous inquiète, c'est la façon dont ce gouvernement voit l'avenir du secteur: supprimer le jour de fermeture obligatoire, toucher aux primes de nuit, élargir les heures d'ouverture. On doit arrêter la course vers le bas. Au contraire, monsieur le ministre, de belles carrières doivent pouvoir continuer à exister dans le commerce. C'est possible! Il s'agit d'une question de (…)
Georges-Louis Bouchez:
(…)
Voorzitter:
Monsieur Bouchez, j’ai entendu les mots "Francs Borains", mais pas les mots "Georges-Louis Bouchez".
Georges-Louis Bouchez:
(…)
Voorzitter:
Monsieur Bouchez, toute personne qui a la parole peut la prendre.
Georges-Louis Bouchez:
(…)
Voorzitter:
Mais enfin, monsieur Bouchez! Respectez le Règlement, s'il vous plaît!
De andere systemen in de publieke sector die een vervroegde uittrede uit de arbeidsmarkt aanmoedigen
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Vincent Van Quickenborne vraagt om verduidelijking over alternatieve vervroegde uittredingsregelingen in de publieke sector (naast het afgeschafte SWT), zoals de speciale verlofregeling voor cipiers, en wanneer deze systemen voor nieuwe instroom stoppen. Minister David Clarinval wijst de vraag af, omdat het buiten zijn bevoegdheid valt en verwijst door naar de minister van Ambtenarenzaken of bevoegde collega’s voor overheidsstatuten. Het hoofdonderwerp blijft onbeantwoord: welke systemen precies bedoeld zijn en hun afbouwplanning. Concreet antwoord ontbreekt.
Vincent Van Quickenborne:
In een bepaling in het regeerakkoord staat dat u het SWT, het voormalige brugpensioen, wilt doen stoppen. Daarover heeft de regering ook een akkoord bereikt na een advies van de sociale partners. Er staat echter ook een bepaling in het regeerakkoord, mijnheer de minister, waarin verwezen wordt naar andere systemen, d'autres systèmes dans le secteur publique , die een vervoegde uittreding uit de arbeidsmarkt aanmoedigen. Met andere woorden, dat zijn systemen à côté du prépension .
Als een dergelijke zin in het regeerakkoord staat, zou het mij natuurlijk bijzonder benieuwen over welke autres systèmes het dan gaat. Kunt u concreet aangeven welke vervoegde uitredingstelsels, naast het SWT, hieronder vallen? Geldt dit bijvoorbeeld voor het systeem waarbij cipiers vandaag tot vijf jaar voor hun pensioenleeftijd kunnen stoppen met werken via een speciale verlofregeling met toelage? Dat is een concreet voorbeeld van een dergelijk systeem. Wanneer worden deze systemen effectief stilgelegd voor nieuwe instroom?
David Clarinval:
Bedankt, maar ik kan deze vraag niet beantwoorden. Aangezien dit niet tot mijn bevoegdheid behoort, nodig ik u uit deze vraag voor te leggen aan mijn collega's die wel bevoegd zijn voor dit domein, met name de minister van Ambtenarenzaken, of de collega's die verantwoordelijk zijn voor het specifieke juridische statuut van het overheidspersoneel.
Vincent Van Quickenborne:
Oké, bedankt.
De door de VS opgelegde importheffingen
De verhoging van de Amerikaanse importheffingen
De Amerikaanse importheffingen
De door Trump gevoerde handelsoorlog
De reactie van België op het agressieve handelsbeleid van de VS
De Amerikaanse importheffingen
De door de importheffingen van Trump geboden opportuniteiten
De Amerikaanse douanerechten
Amerikaans handelsbeleid en -heffingen
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 3 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Trumps importheffingen (20% op EU-producten), die de Belgische economie, koopkracht en jobs bedreigen, met name in exportgerichte sectoren zoals staal en farma. Kernstandpunten: Europa moet onderhandelen met tegenmaatregelen (proportionele tarieven, versterkte interne markt) maar conflict vermijden, terwijl kritiek klinkt op Trumps protectionisme als wapen voor superrijken (tech-oligarchen) en de afhankelijkheid van de VS. Sommigen pleiten voor strategische autonomie (relocalisatie, "Made in Europe", defensie-investeringen), anderen voor globale samenwerking met slachtoffers van Amerikaans imperialisme. Eindpunt: Europa’s eenheid en economische soevereiniteit zijn cruciaal, maar concrete actie ontbreekt.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de eerste minister, extremen bedreigen onze welvaart, dat wordt vandaag nog eens goed duidelijk. De energiecrisis die Poetin ontketende toen hij Oekraïne binnenviel, staat nog vers in ons geheugen. We voelden de effecten onmiddellijk met torenhoge energiefacturen. In veel huizen ging de verwarming lager of zelfs uit.
Ook vandaag zien we tot wat extreme denkbeelden leiden: een ware handelsoorlog, die onze koopkracht bedreigt en onze prijzen zal doen stijgen. Onze staalindustrie kreeg al klappen en nu valt Trump heel Europa en ook de rest van de wereld aan met hoge importtarieven, voor de EU maar liefst 20 % op alle producten.
Dit raakt ons allemaal direct. Voor Vooruit is het dan ook heel duidelijk: we moeten onze mensen en bedrijven zo goed mogelijk helpen, net zoals we dat deden tijdens de energiecrisis. Ook toen namen we maatregelen om de koopkracht van de mensen te beschermen.
De Europese Commissie staat klaar met tegenmaatregelen, maar benadrukt ook het belang van blijven onderhandelen. Mijnheer de eerste minister, deze handelsoorlog zal een direct effect hebben op de koopkracht van iedereen. Mensen rekenen op een sterke overheid.
Zult u met Europa in gesprek gaan om te kijken hoe we onze koopkracht en onze jobs kunnen beschermen?
Koen Van den Heuvel:
Mijnheer de premier, het is niet langer wachten op het spelletje Hoger, lager van Trump: het is hoger geworden. Vanaf nu is Liberation Day het symbool van de ware America first -politiek, die de portefeuille van onze ondernemers en onze mensen doet bloeden.
De effecten daarvan zijn dramatisch voor Europa en voor de hele wereld. Collega's, ze zijn echter ook dramatisch voor Amerika en de Amerikanen zelf. Dat is voor ons nog eens heel duidelijk het bewijs van hoe nefast populistische extremisten kunnen zijn voor de gewone man en vrouw in de straat eens ze aan de macht zijn.
In ons land zijn er heel wat sectoren, zoals de farmasector, waarvoor Amerika heel erg belangrijk is. Elke dag werken mensen en bedrijven samen met Amerikaanse bedrijven en die Amerikaanse bedrijven werken ook heel graag samen met ons. Zij doen hun best en het is dan ook onbegrijpelijk dat een Amerikaanse president dit allemaal op het spel durft te zetten.
De vraag is echter welke reactie wij hebben. Speak softly and carry a big stick , dat moet het devies zijn. We moeten onderhandelen, maar als Trump niet luistert moeten we ook tegenmaatregelen durven nemen. Een goede trans-Atlantische samenwerking is in het belang van Europa. Het moet niet zozeer een anti-Amerikaans verhaal worden, het moet een pro-Europees verhaal worden om onze Europese interne markt te versterken en komaf te maken met de belemmeringen en onnodige regeltjes die de Europese handelsroute belemmeren. Ook onze extra 17 miljard euro aan defensie-uitgaven moeten in Europa worden besteed. Meer made in Europe is voor cd&v the way to go .
Beste premier, ik ga er vanuit dat u deze lijn mee zult bewaken en dat u ook een taskforce zult oprichten (...)
Katrijn van Riet:
Mijnheer de eerste minister, toen ik gisteravond naar het livebetoog van president Trump luisterde over de importheffingen die de Verenigde Staten zullen heffen, overviel mij een ongemakkelijk gevoel. De supersonische snelheid waarmee de regering-Trump de heffingen wil laten ingaan, maar ook het gebrek aan logica bij de berekening ervan tarten alle verbeelding.
Wij staan dus voor enorme uitdagingen. De Verenigde Staten zijn een van de belangrijkste handelspartners van België. Na de Europese Unie zijn zij zelfs de belangrijkste partner. België, maar zeker ook Vlaanderen, is een heel exportgerichte regio. De heffingen zullen onze regio en ons land dus veel geld kosten. Minder export betekent minder omzet, minder winst, een lagere tewerkstelling en minder groei. Met andere woorden, minder export betekent lagere inkomsten uit belastingen op arbeid en op winst van de bedrijven voor de overheid en veel hoge kosten voor onze eigen bevolking. Volgens VOKA zouden de maatregelen de Belgische economie ongeveer 12 miljard euro kosten.
Moeten wij de demarche van de regering-Trump beschouwen als een onderhandelingspoging van die regering of is het haar werkelijk menens?
Wordt er een spiegelbeeld aan maatregelen getroffen door de Europese Unie? Er was reeds een pakket tegenmaatregelen voorzien op 13 april 2025. Dat pakket lijkt echter nu al achterhaald. Zo snel gaat het tegenwoordig. Wat komt er nu? Wat kunnen wij nu doen in eigen land?
Wij willen geen inflatoire handelsoorlog starten. Zo'n oorlog kent immers enkel verliezers. Wij zijn anderzijds wel van mening dat Europa ook eens de rug mag rechten.
Ik kijk uit naar uw antwoord.
Robin Tonniau:
Mijnheer de premier van België, de VS hebben geen bondgenoten, ze hebben alleen belangen. Al jaren waarschuwen wij met de PVDA tegen het imperialisme van de VS, maar niemand luisterde naar ons. Wij werden hier in een hoekje als anti-Amerikaans weggezet.
‘De VS zijn de belangrijkste partners voor het verdedigen van gedeelde fundamentele waarden en wereldwijde veiligheid.’ Zo staat het in uw regeerakkoord. Het moet dus een pijnlijk ontwaken voor u geweest zijn, mijnheer de premier, als Atlantist in hart en nieren, maar het zal een nog pijnlijker ontwaken voor de gewone hardwerkende mensen zijn geweest, want de werkende mensen in Europa zullen zwaar worden getroffen. Onze industrie kreunde al onder de peperdure energie uit de VS en dat zal nu alleen maar verergeren.
De werkende klasse gaat de rekening twee keer betalen. Niet alleen verliezen zij mogelijk hun werk, als Europa meegaat in de sanctieoorlog zullen ook alle producten hier duurder worden. Trump bedreigt ook alle andere en opkomende economieën. Uiteindelijk blijft niemand gespaard, want ook voor de Amerikanen zelf is dit geen goed nieuws. Ook voor hen zullen de prijzen stijgen. Het is duidelijk wie de prijs betaalt.
Sinds de Tweede Wereldoorlog is heel onze economie op die van de Amerikanen afgestemd. Nu laten ze Europa vallen, maar laat ons het hoofd koel houden, mijnheer de premier. Laat ons de hand reiken naar de rest van de wereld, naar alle slachtoffers van het Amerikaans imperialisme, maar wel op gelijke voet.
Mijnheer De Wever, hoe zult u de werkende klasse tegen deze handelsoorlog beschermen? Reikt u de hand uit naar het globale zuiden?
Mathieu Michel:
Monsieur le premier ministre, chers collègues, depuis quelques mois, nous voguons de sidération en sidération. Il est effectivement parfois difficile de reconnaître les États-Unis, il est même permis de se demander si le libéralisme a encore cours dans ce pays. En se repliant sur eux-mêmes et en voulant imposer une vision unilatérale des relations mondiales, ils s'éloignent des fondements qui en ont fait le pays de la liberté, de l'ouverture sur le monde et aussi de la diversité culturelle.
Ce repli semble terriblement en contradiction avec les valeurs de tolérance et de progrès qui ont historiquement fait la force des États-Unis. Pire, il induit une relation d'adversité et de méfiance, qui prend de plus en plus des allures d'une nouvelle forme de guerre dont nous sortirons tous perdants, et certainement en Belgique.
Monsieur le premier ministre, disposez-vous déjà d'une première estimation de l'impact direct et indirect des mesures sur l'économie belge, nos entreprises et notre emploi, des secteurs d'activité les plus affectés, mais aussi de la manière dont nous pouvons davantage soutenir nos entreprises en matière de compétitivité?
Il est essentiel que nous travaillions avec l'Europe pour apporter des réponses efficaces et pertinentes, à la fois en termes de négociations avec les États-Unis, de contre-mesures, aussi non tarifaires; mais également via de nouveaux accords à réaliser. On ne répétera jamais assez à quel point les traités de libre-échange sont ce qui nous protège le mieux de ce genre de dynamique.
Enfin, notre unité est indispensable en la matière. Comment allons-nous négocier ensemble pour peser collectivement, au-delà même des 27, sur les discussions à avoir avec les États-Unis?
Meyrem Almaci:
We horen hier iedereen over elkaar buitelen, moord en brand schreeuwend over hoe dom deze handelsoorlog is, maar het zou wel eens kunnen dat er een methode zit in de waanzin. Miskijk u niet in de retoriek in de Rozentuin, maar kijk naar wie belang bij dat alles heeft. Follow the money .
Trumps focus op het opleggen van heffingen aan de wereld is veel minder gedreven door handelsoverwegingen, maar vooral vanuit het eigenbelang van een zeer select clubje superrijken. De invoerheffingen worden daarbij gebruikt als een onderhandelingstactiek om staten rond de tafel te dwingen. Die superrijken rond Trump hebben namelijk knarsetandend gezien hoe 38 OESO landen een minimumbelasting voor multinationals hebben beslist. De techboys hebben gezien dat er een AI-act van kracht is in Europa. Ze zien en ze voelen aan hun water dat de digitaks eraan komt. Daar zijn ze niet van gediend en dus gaat Trump all-in. Hij weet zeer goed dat die handelsoorlog overal ter wereld onder de bevolking slachtoffers zal maken, maar hij is bereid dat te doen, louter om zijn clubje te helpen.
Mijnheer de premier, voor mij is het eenvoudig. Achter die handelsoorlog staat een losgeslagen 1 % die geen enkele democratische belemmering wil. Het is de walgelijke wetteloosheid van een groepje gigarijke mannen, de tech-oligarchen die vinden dat de wereld naar hun pijpen moet dansen en die de rest van de wereld als hun digitale lijfeigenen zien. Het is die groep die de belastingen ontwijkt. Het is die groep die verkiezingen manipuleert, AfD in Duitsland. Het is die groep die op hun platformen vrijelijk haat laat verspreiden tegen vrouwen, tegen minderheden, om voor hun eigen gewin mensen tegen elkaar op te zetten.
Europa heeft nu de kans om voor haar democratische waarden op te staan en duidelijk te maken dat die agenda niet zal passeren. Mijn vraag is dus heel simpel. Zult u in de onderhandelingen namens ons land eisen dat Europa elke uitholling van de OESO-minimumbelasting en de digitaks zal blokkeren? Want we tolereren geen race to the bottom, niet op vlak van democratische rechten en niet op vlak van rechtvaardige belastingen.
Simon Dethier:
Monsieur le premier ministre, à chaque crise son opportunité! L'augmentation des droits de douane et la guerre commerciale lancées par les États-Unis remettent en question les principes de fonctionnement du commerce international. Cela aura un coût économique important pour les entreprises et pour les citoyens, des deux côtés de l'Atlantique. Bien avant ces taxes, la majorité a décidé de prendre ses responsabilités, d'agir pour améliorer le quotidien et d'avoir le courage de changer notre société. Nous pouvons et nous devons développer notre pays et l'Europe sur la base de nos propres forces, en affrontant les nombreuses menaces.
Parmi ces menaces, la guerre commerciale nous force à nous détacher de nos pratiques du passé. Par ailleurs, nos pratiques sont également bousculées par la nécessaire lutte contre le changement climatique, et les enjeux peuvent se rejoindre. Les menaces sont là, mais c'est une opportunité pour encourager le développement des circuits courts, du commerce local, de la souveraineté de nos territoires, et le développement d'une industrie européenne forte qui crée de la valeur. Nous devons défendre une Europe cohérente, simplifiée mais ambitieuse, qui favorise la consommation durable, locale et souveraine, notamment en taxant les biens importés qui détruisent notre santé, notre cadre de vie et notre environnement.
Monsieur le premier ministre, je vous invite à agir avec conviction en ce sens. Dans cette guerre commerciale, comment comptez-vous agir avec cohérence pour la souveraineté de nos territoires, en lien avec nos engagements climatiques? Si la transition est une opportunité économique pour de nombreux acteurs, comment le gouvernement va-t-il développer notre territoire, soutenir les entreprises, le pouvoir d'achat, le commerce et les industries dans ce contexte économique?
Patrick Prévot:
Monsieur le premier ministre, Moi, le reste du monde et les 15 salopards , c'est le titre qu'on pourrait donner à la guerre commerciale menée par Trump. Dans ce mauvais film, en tant que membre de l'Union européenne, nous faisons malheureusement également partie de ces 15 salopards. Mais nous ne sommes évidemment plus à une insulte près.
Après s'être retiré de l'OMS, après avoir trahi ses alliés en Ukraine, après avoir menacé le Groenland, le président Trump lance aujourd'hui une nouvelle offensive en imposant 10 % de droits de douane sur toutes les importations et 20 % sur celles venant de l'Union européenne.
Ce n'est donc pas un jour de libération, mais un jour de plus où Trump joue aux dés sur le dos des travailleurs.
Face à cela, monsieur le premier ministre, pas de panique, mais de la fermeté. Je ne veux évidemment pas vous entendre vous lamenter sur l'impact pour nos entreprises du secteur pharmaceutique ou de la chimie, mais plutôt y voir une opportunité. Une opportunité de relancer notre industrie. Une opportunité de relocaliser notre économie, et peut-être même également de renforcer notre souveraineté industrielle.
Le 27 février, dans cette même assemblée, j'ai interrogé le ministre Clarinval. Qu'avez-vous mis en place, lui demandais-je, depuis? Pour l'instant, malheureusement, monsieur le premier ministre, je ne vois que des mauvaises réponses. Vous limitez les investissements publics de 4 à 3 %. Vous vous apprêtez à vendre des parts de Proximus et bpost. À qui? Peut-être, demain, à des fonds européens. Et vous persistez, comme un âne qui chute systématiquement sur la même pierre, à vouloir acheter des F-35, renforçant par ailleurs notre dépendance militaire.
Monsieur le premier ministre, on connaît votre admiration sans faille pour les États-Unis. Mais aujourd'hui, quelle est votre analyse de la décision de Trump? Quel sera l'impact pour notre économie? Quelle sera la riposte européenne? Et surtout, quelle sera la réponse concrète de notre gouvernement fédéral?
Bart De Wever:
Chers collègues, nous avons appris hier soir que les États-Unis allaient augmenter leurs droits de douane sur les produits en provenance de l'Union européenne mais aussi du reste du monde.
J'ai regardé une bonne partie de l'annonce du président Trump en direct et je dois reconnaître que c'était plutôt inédit. Les États-Unis relèvent leurs tarifs d'importation à un niveau qui pourrait devenir le plus élevé depuis un siècle. Pour les produits européens en particulier, un tarif général de 20 % est instauré à partir du 9 avril. Cela représente une énorme augmentation du tarif moyen actuel.
En 2024, les États-Unis étaient le principal marché d'exportation de la Belgique après nos pays limitrophes. Nous avons exporté pour environ 33 milliards d'euros vers les États-Unis, soit 5 % de notre PIB. L'impact sera donc considérable pour notre pays. Monsieur Michel, il est encore trop tôt pour le chiffrer précisément. Il est toutefois important de noter qu'à l'heure actuelle, un certain nombre d'exceptions s'appliquent au tarif général; cela concerne entre autres les produits pharmaceutiques, les semi-conducteurs et les métaux précieux. L'exception pour le secteur pharmaceutique est particulièrement pertinente pour notre pays, compte tenu de l'importance de ce secteur dans nos exportations vers les États-Unis.
Donc Koen, pas de souci pour Puurs, tu peux encore exporter ton Viagra! (Rires) .
Men kan niet alles zelf consumeren.
Contrairement à ce que nous avions craint, les nouveaux tarifs ne s'additionnent heureusement pas à ceux qui avaient déjà été introduits ou annoncés sur l'acier et les automobiles. Ce ne sont toutefois que quelques minces rayons de soleil à travers de sombres nuages car, soyons clairs, au final, c'est une véritable catastrophe pour l'économie mondiale!
Ik denk dat het ook voor de Verenigde Staten geen Liberation Day zal blijken, maar een Inflation Day, want de facto gaat het om de grootste belastingverhoging voor de Amerikaanse consumenten in de recente geschiedenis. Volgens economische waarnemers zouden de nieuwe tarieven Joe Sixpack jaarlijks duizenden dollars kunnen kosten. Ik zal hier niet opnieuw Ronald Reagan citeren, ik zou het graag doen, maar deze keer het Amerikaans adagium over handelsoorlogen dat opnieuw waarheid dreigt te worden: ‘ No one ever wins, and consumers always get screwed .’ Het valt te hopen dat de Verenigde Staten dat snel opnieuw zullen inzien en dat de ratio kan wederkeren.
Om die reden ondersteun ik de houding van Commissievoorzitter Ursula von der Leyen, die deze week gecommuniceerd heeft en die ik vooraf bilateraal heb kunnen spreken. Logischerwijze zal er een proportioneel Europees pakket aan tegenmaatregelen worden voorzien. Maar evenzeer ondersteun ik voor de volle honderd procent haar doelstelling om zo snel mogelijk toe te werken naar een negotiated solution . Want beste collega's, het atlantisme is ouder en het is groter dan Trump en een oplossing in plaats van een conflict is in ieders belang.
Als ik sommigen hier aanhoor, kunnen ze blijkbaar niet wachten om de strijd aan te gaan. Dan denk ik dat de huidige situatie voor hen maar een aanleiding is. Répondre à la stupidité avec de la stupidité , dat is niet verstandig, collega's, maar sommigen zitten hier blijkbaar te popelen.
Ik zal dat niet doen. Dat is de boodschap die ik morgen zal overbrengen aan secretary of state Marco Rubio ter gelegenheid van zijn bezoek aan Wetstraat 16.
Ik ben natuurlijk niet naïef. Op korte termijn zal dit in dovemansoren vallen. We zullen eerst de realiteit van die tarieven moeten ondergaan, aan de twee kanten, voor men het belang van vrijhandel opnieuw zal weten te waarderen. Ik kan alleen maar hopen, samen met velen onder u, zij het niet allen, dat de Westerse wereld zal afzien van welvaartsvernietigende protectionistische waanzin.
In de tussentijd zullen we er op Europees niveau voor pleiten zo snel mogelijk werk te maken van een versterking van de interne markt. Europe is in this together, meer dan ooit. Laten we daarnaar handelen, elkaar steunen, en onze eigen competitiviteit versterken.
Het lijkt me het uitgelezen moment om als Europa assertief vrijhandelsakkoorden af te sluiten met nieuwe partners over de hele wereld, met landen die vandaag meer dan ooit naar ons kijken. Want als een grootmacht de wereld de rug toekeert, moet Europa meer dan ooit aangeven dat het open for business is .
Ik ben van nature geen optimist, maar: in the midst of every crisis lies great opportunity . Dat is hier door velen ook gezegd. Die crisis zullen we krijgen door de huidige Amerikaanse attitude. Laten we als Europeanen dus de opportuniteiten in die crisis zien en ze trachten te grijpen.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord.
Inderdaad, geen zonnestralen. Europa was van meet af aan bereid te onderhandelen. Maar het moet tegelijkertijd al klaarstaan om te reageren. Gaan we in dialoog of gaan we in tegenzet? Oplossingen, in plaats van conflicten, zegt u. En ik zeg: oef! Die keuze zal essentieel zijn om onze koopkracht te blijven beschermen. De Verenigde Staten zijn onze vierde handelspartner. We moeten er dus alles voor doen, voor onze jobs en voor onze gezinnen.
In Vooruit, mijnheer de eerste minister, zult u altijd een partner vinden om de koopkracht van de mensen te beschermen. Daar kunt u op rekenen. Laat de ratio terugkeren.
Koen Van den Heuvel:
Mijnheer de eerste minister, het is inderdaad duidelijk dat we werk moeten maken van een assertief Europees verhaal. We mogen niet vervallen in een goedkoop en contraproductief anti-Amerikanisme, maar moeten een sterk pro-Europees verhaal schrijven. Wij moeten de belemmeringen tussen de Europese landen afbouwen om die importtarieven te compenseren. Ook moeten we werk maken van strategische autonomie binnen Europa, zeker ook op defensievlak.
Het gaat hier niet alleen over de farma-industrie. U gaf mij daarnet een hint, als u ook nog een beetje van dat geneesmiddel nodig hebt, kunt u mij steeds een appje sturen. Het zal direct geleverd worden, Puurs ligt niet ver van Antwerpen. Geef een belletje en het komt er snel aan.
Voor ons is het heel duidelijk, meer made in Europe is the way to go voor cd&v. Ik hoop dat u daarvan mee werk zult maken.
Voorzitter:
Hij heeft mij meegedeeld dat het aanbod geldt voor iedereen. Hij is steeds beschikbaar om zijn voorraad te delen met de collega's.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de eerste minister, we moeten inderdaad de Europese kaart trekken, maar als ik u goed begrijp, is het ook hoog tijd om extra door te pakken met Arizona. We moeten zo snel mogelijk door middel van arizonamaatregelen de arbeidsmarkt in België hervormen. De loonkost moet dalen voor bedrijven. De nettolonen voor de werknemers moeten stijgen. We moeten mensen aan het werk houden en ze moeten langer werken.
Collega's van dit Parlement, ik roep u op om deze maatregelen later mee te steunen. Mijnheer de eerste minister, Ik wens u heel veel succes met het uitvoeren ervan.
Robin Tonniau:
Mijnheer de premier van België, het is goed dat u de deur naar internationale samenwerking openzet, maar u bent eigenlijk wel super naïef als u denkt dat de VS na Trump van positie zal veranderen. De VS is geen bondgenoot meer en zal dat na Trump ook niet meer worden. Daarom moeten we de banden met de rest van de wereld nu versterken. We moeten inzetten op die internationale relaties met de slachtoffers van het Amerikaans economisch imperialisme.
U blijft de VS gewoon volgen, terwijl we vandaag zien hoe onbetrouwbaar ze zijn. Ze dienen alleen hun eigen belang en ook de belangen van hun wapenindustrie. Arizona wil nog altijd miljarden spenderen aan hun oorlogseconomie. Die F-35's zullen met onze pensioenen worden betaald. Stop daar alstublieft mee, mijnheer de premier.
Mathieu Michel:
Merci pour votre réponse, monsieur le premier ministre.
Il n'est évidemment plus besoin de rappeler à quel point l'Europe doit compter davantage sur elle-même et sur son marché intérieur. Mais surtout, nous ne devons pas répondre à l'isolement par l'isolement. Nous devons dès aujourd'hui renforcer – vous l'avez mentionné – nos coopérations internationales avec celles et ceux qui sont convaincus que le libre-échange est un vecteur de prospérité et de paix qui est essentiel pour soutenir les démocraties dans le monde. Si les é tats-Unis veulent être seuls, eh bien qu'ils le soient!
L'histoire nous a démontré que l'économie de marché et le libre-échange restent à ce jour la meilleure façon de stabiliser les relations internationales et de réduire les risques de conflits. Mais nous ne devons absolument pas oublier que dans un contexte géopolitique déjà compliqué, une guerre commerciale est excessivement tendue pour notre compétitivité. Dès lors, ce marathon qui s'est accéléré très clairement aujourd'hui ne doit pas se faire avec des morceaux de pierre en plus dans le sac à dos de nos entreprises, parce que préserver la compétitivité de nos entreprises, c'est aussi préserver le pouvoir d'achat de nos concitoyens. Alors surtout qu'elles ne soient pas les victimes collatérales de (…)
Meyrem Almaci:
Collega's, weet u wat triest is? Dat het enige wat u, en wellicht alle mensen die nu aan het kijken zijn, zullen onthouden van dit debat het grapje over een blauw pilletje is, terwijl de situatie wel wat meer ernst verdient dan dat.
Mijnheer de premier, ik heb leiderschap gemist, ook in het antwoord. Ik mis daadkracht. U kunt ontwijkend antwoorden en zeggen dat het erg zal worden, maar ik mis een premier die rechtstaat en die niet zal toelaten dat een losgeslagen autocraat onze bedrijven aanvalt en onze bevolking verarmt. Waar is die vechtlust waarmee u zult zeggen dat we de digitaks niet zullen loslaten, dat we de minimumbelasting van de OESO niet zullen loslaten? Waar is de vechtlust waarmee u zult zeggen dat we zullen opkomen voor onze democratische waarden, of het nu Rubio of een andere Amerikaan is die komt. Die daadkracht, waarmee u pal staat voor uw waarden, heb ik daarnet niet gehoord, maar grapjes, die heb ik genoeg gehoord.
Er ontspint zich een debat zonder micro tussen mevrouw Almaci en de heer Bouchez.
Voorzitter:
Mag ik mevrouw Almaci, de heer Bouchez en alle anderen vragen om aandacht te besteden aan de repliek van de heer Dethier?
Simon Dethier:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse.
La majorité demande un redéploiement de l'économie avec une attention particulière pour notre tissu économique local. Il y a une opportunité claire à utiliser la réplique en droits de douane pour avancer sur nos objectifs climatiques, locaux, d'emploi et surtout de souveraineté.
Notre réponse doit être de continuer à défendre le multilatéralisme et la collaboration. L'Europe doit montrer son unité en restant ferme sur sa souveraineté, ses principes et ses engagements.
Patrick Prévot:
Monsieur le premier ministre, la décision de Trump est un tournant. Il veut assurément extorquer des concessions à ses alliés qu'il voit désormais comme ses adversaires et votre réponse, malheureusement, n'a pas été à la hauteur. Je m'y attendais. Vous avez parlé d'accords commerciaux débridés. C'est un modèle que nous ne défendons pas. Et puis, vous avez beaucoup ironisé sur le Viagra avec le collègue du cd&v. Si cela pouvait seulement faire durcir votre discours à l'égard de Trump, ce serait déjà une belle avancée, monsieur le premier ministre. Votre fascination pour les États-Unis vous aveugle complètement. Dans ma question, je vous ai dit qu'il fallait faire de cette crise une opportunité, que l'Europe avait le talent nécessaire mais également les moyens pour répondre à cette attaque. Malheureusement, votre réponse a été faiblarde et sans ambition. Malheureusement, sur ce sujet comme pour d'autres, vous n'êtes pas à la hauteur de l'enjeu.
De handelsoorlog tussen Europa en de VS
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 26 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Clarinval betreurde Trumps protectionistische staaltarieven en waarschuwde voor negatieve gevolgen voor Belgische sleutelsectoren (staal, chemie, auto’s). Hij steunt de proportionele EU-tegenmaatregelen en benadrukt diversificatie via bestaande en nieuwe vrijhandelsakkoorden (o.a. schone technologie/energie) om afhankelijkheid te verminderen. Coenegrachts onderstreept het risico op eigen schade en pleit voor voorzichtige escalatie en versterking van handelspartnerschappen buiten de VS, cruciaal voor België’s exportafhankelijke economie. Beide benadrukken vrijhandel als basis voor welvaart, maar waarschuwen voor escalatie.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, Amerikaans president Trump heeft importtarieven op staal ingevoerd. Europa reageerde daarop met tegenmaatregelen, waardoor er niet meer veel nodig is om van een handelsoorlog te spreken. We weten allemaal tot wat dat leidt: meer protectionisme zorgt voor minder economische groei en minder welvaart.
Hoe evalueert u de protectionistische houding van president Trump? Welke gevolgen verwacht u voor onze economie? Steunt u de tegenmaatregelen of ziet u andere oplossingen?
Wat kunt u doen om te voorkomen dat we verstrikt raken in een escalerend handelsconflict? Zijn er manieren om de vrijhandel met andere regio’s te versterken? Zou dat het verlies aan handel met de VS kunnen compenseren?
David Clarinval:
Mijnheer Coenegrachts, gezien de langdurige trans-Atlantische vriendschap betreur ik de ongerechtvaardigde tarieven, die een impact zullen hebben op consumenten en bedrijven aan beide kanten van de oceaan.
De Amerikaanse maatregelen en de tegenmaatregelen van de EU zullen een impact hebben op de Belgische economie. We hebben nu al een paar kritieke sectoren geïdentificeerd, waaronder de chemie-, de farma-, de metaal- en staalindustrie, kritieke grondstoffen, de automobielsector, transportmiddelen en machines en elektronische apparaten. We volgen de gevolgen van de maatregelen van nabij op via economische impactanalyses om onze belangen zo goed mogelijk te verdedigen.
Ik steun de Europese Commissie volledig in haar proportionele reactie op de Verenigde Staten. We zullen onderhandelen wanneer dat mogelijk is en we zullen terugslaan wanneer dat nodig is. Wat het handelsconflict betreft, verwijs ik naar de minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Prévot, die hiervoor bevoegd is.
De versterking van onze toeleveringsketens en de vermindering van onze afhankelijkheid vereisen solide partnerschappen. De EU beschikt over een enorm netwerk van vrijhandelsakkoorden dat 76 landen dekt of bijna de helft van haar handel. Om onze toeleveringsketens te blijven diversifiëren en versterken, stelt de Europese Commissie een nieuwe reeks Clean Trade and Investment Partnerships voor. Zo kunnen we ook onze bevoorrading inzake grondstoffen, schone energie, duurzaam transport van brandstoffen en schone technologie van over de hele wereld veiligstellen. België steunt deze aanpak.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, het betreft inderdaad unilaterale beslissingen van de Verenigde Staten, waarop Europa reageert. We moeten toch voorzichtig blijven, zorgen dat we niet meer in eigen vel snijden dan nodig is en goed kijken naar alternatieve vrienden in de wereld, met wie wij handel kunnen drijven. Goede relaties zijn immers de kern van onze welvaart en vrijhandel is de hoeksteen ervan. Een land dat sterk afhangt van export zoals het onze, kan niet zonder overzeese connecties. Wij moeten dat aandachtig in de gaten blijven houden en met veel zorg bekijken.
De impact van de importheffingen van de VS en de tegenmaatregelen die de EU beoogt
De impact van de importheffingen van de VS en de tegenmaatregelen die de EU beoogt
Handelsspanningen tussen de VS en de EU.
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 13 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de escalerende handelsoorlog met de VS onder Trump, die België en de EU met draconische importtarieven (staal, aluminium, mogelijk auto’s) bedreigt en 0,25–0,7% BBP-groei kan kosten, met zware klappen voor farma, chemie en toeleveranciers. Alle partijen steunen proportionele EU-tegenmaatregelen (heffingen op Amerikaanse producten zoals whisky, boten) en benadrukken europees eenheidsfront, maar waarschuwen voor jobverlies, koopkrachtdaling en economische krimp—zonder winnaars. Vrijhandel en dialoog blijven het doel, maar men eist assertief optreden om EU-belangen te verdedigen, met oog voor eigen veiligheid, industrieherstel en diversificatie van handelspartners. De toon is pragmatisch anti-protectionistisch, met kritiek op Trump maar zonder anti-Amerikaanse retoriek.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, sinds het aantreden van president Trump heeft zich een aardverschuiving voltrokken in de internationale betrekkingen. President Trump heeft de Europese Unie openlijk neergezet als een obstakel voor de Amerikaanse belangen.
De gevolgen zijn nu concreet. De VS loste het eerste schot met draconische importtarieven, waarop Canada en de EU terugsloegen, waardoor er nu een escalerende handelsoorlog dreigt. Dat is logisch. Pestkoppen begrijpen ongelukkig genoeg maar één taal, maar tegelijkertijd blijft de VS een essentiële bondgenoot.
Een recente ING-studie waarschuwde ons al. Amerikaanse heffingen van 25 % zouden België 0,25 % van het bbp kosten, wat door investeringsonzekerheid en afnemend consumentenvertrouwen kan oplopen tot 0,70 %. Dat betekent dus een halvering van onze economische groei. Onze farma- en chemiesector staan in de vuurlinie, samen met andere cruciale exportproducten.
Daarom, mijnheer de premier, mijnheer de minister, heb ik enkele vragen.
Wat is de verwachte impact van de importtarieven? Hoe wil u een verdere escalatie vermijden? Wordt er internationaal overleg gepleegd over het inzetten of aanpassen van economische instrumenten? Ik kijk alvast uit naar uw antwoord.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, de wereld staat in brand. Dat is deze week opnieuw duidelijk geworden. Na een oorlog in Europa is er nu de handelsoorlog met Trump. Met extremen aan de macht is de gewone mens immers steeds het eerste slachtoffer. Ook in België ervaren we de gevolgen. Eerst waren er bizar hoge energieprijzen dankzij Poetin. Vandaag zijn er extreme tarieven op staal en aluminium dankzij Trump. Juist deze industrieën stonden al zeer zwaar onder druk. Als daardoor bij ons jobs verdwijnen, dan raakt dat de koopkracht van de mensen zeer hard.
Voor Vooruit is het zeer duidelijk, we moeten onze mensen en onze bedrijven zo goed mogelijk door deze crisis helpen. Ook tijdens de energiecrisis nam Vooruit maatregelen om mensen hun koopkracht te beschermen. Dat moet nu opnieuw gebeuren. Dit zijn jammer genoeg niet Trumps laatste weken. Het is jammer genoeg geen kwestie van uitzweten. De beurzen dalen vandaag al flink en de kans dat het serieus misgaat, is bijzonder groot.
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, als door die importheffingen mensen hun job verliezen, dan zal dat ook invloed hebben op hun koopkracht. Wat gaat u doen om dat te voorkomen?
Bart De Wever:
De importheffingen zijn een pertinent onderwerp voor ons, want wij zijn een relatief klein land, maar wel een land met een zeer open economie dat leeft van internationale handel. Het debat gaat recht naar ons hart. Na onze buurlanden Duitsland, Nederland en Frankrijk zijn de Verenigde Staten de belangrijkste afzetmarkt voor onze uitvoer: 7,5 % van de totale uitvoer, een handelsstroom van 33 miljard euro. In het bijzonder voor de farmasector, zoals is aangehaald, en de chemische sector zijn de VS een cruciaal exportland. Gisteren heb ik toevallig een aantal zeer belangrijke CEO's uit die twee sectoren ontmoet. Hun bezorgdheid is zeer groot, alsook de verwarring over welke regels er eigenlijk nog gerespecteerd zullen worden. Welk spel wordt hier gespeeld?
Sinds woensdag gelden er alvast Amerikaanse importheffingen op staal, ijzer en aluminium. Nu wordt er ook gedreigd met importheffingen voor de automobielsector. Economen stellen dat de impact daarvan voor ons land relatief beperkt is, maar er zal wel een indirecte impact zijn, omdat heel wat Belgische bedrijven toeleveranciers zijn van de Europese automobielsector. Er is dus reden tot grote bezorgdheid, daarin kan ik u volledig bijtreden. De ING Bank heeft berekend dat een handelsoorlog met de VS onze economische groei met 0,25 % zou fnuiken in het eerste jaar en op termijn met 0,7 %. Dat zijn indrukwekkende cijfers.
De Europese Commissie heeft de Amerikaanse importheffingen beantwoord met een proportioneel tegenpakket dat wij steunen. Het betreft maatregelen die ingaan op 1 april met heffingen op onder meer whisky, boten en motoren. Persoonlijk ben ik geen gebruiker van die drie producten, maar ik veronderstel velen onder u ongetwijfeld wel of toch minstens van een van die producten. Ik ondersteun dat de Commissie provocaties beantwoordt op een beheerste en proportionele manier, in kalmte en sereniteit.
Ik herhaal nogmaals dat ik weinig enthousiast kan zijn over Trump, maar ik zou opletten met wilde anti-Amerikaanse statements. Dat leidt ons nergens toe. We moeten wel het signaal uitzenden dat wij in Europa geen vloermat zijn waar Trump kan overheen lopen. Het is belangrijk dat Commissievoorzitter von der Leyen de juiste toon heeft aangeslagen door expliciet te stellen dat ze openstaat voor de constructieve dialoog die we blijven nastreven met de Verenigde Staten om die nieuwe importheffingen zo snel mogelijk terug te schrappen en in te zetten op vrijhandel in plaats van op protectionisme. Ik ondersteun die boodschap voor 100 %. Een handelsoorlog leidt alleen tot wederzijdse verarming.
Oud-president Ronald Reagan, een van mijn grote jeugdidolen uit de jaren 1980, sprak wijze woorden over handelstarieven: ʺ Higher trade barriers lead to less competition and therefore less quality products paired with rising prices. As a result, people start buying less and then the worst happens. Markets shrink and collapse, businesses and industries shut down and millions of people lose their jobs . ʺ
Ik hoor iemand applaudisseren, blijkbaar zijn er nog fans van Ronald Reagan en dat kan ik alleen maar toejuichen.
Reagan voegde daaraan toe dat hij het als zijn missie beschouwde om zijn land en de wereld voor kortzichtige protectionistische onzin te behoeden. Als premier van dit zeer kleine, maar toch economisch qua export sterke land, zal ik op het Europees en internationaal toneel altijd die boodschap blijven herhalen. Vrijhandel heeft aan het vrije Westen zijn welvaart geschonken.
Laat ons het Europees bondgenootschap uitdiepen in die geest, er is nog enorm veel te winnen. Laten we ook hopen dat we het bondgenootschap met de Verenigde Staten op het pad van de welvaartscreatie kunnen houden. Niemand wordt beter van dreigementen, handelsoorlogen en kortzichtige protectionistische dwaasheid.
Maxime Prévot:
Geachte Kamerleden, met de evolutie van de Amerikaanse positie is de wereld zichzelf aan het hervormen; dat is een feit. Maar zonder apathie of frustratie moeten we actie ondernemen om ons te concentreren op onze prioriteiten, om de middelen te vinden om onszelf te beschermen en om de problemen waarmee we geconfronteerd worden aan te pakken. We hebben zeker een veiligheidsstrategie voor onze economie nodig.
De Amerikaanse maatregelen zijn totaal ongerechtvaardigd en zullen rampzalige gevolgen hebben voor bedrijven en consumenten aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. In de context van die ontwikkelingen moeten we vastberaden, pragmatisch en realistisch vooruitkijken. Ik zeg vastberaden, want hoewel onze doelstelling voor de middellange tot lange termijn zeker de de-escalatie is, moeten wij assertief maar proportioneel reageren op de douanerechten en handelsbelemmeringen die de Verenigde Staten op oneerlijke wijze toepassen. Zo kunnen we onze belangen verdedigen.
De Europese Unie heeft snel gereageerd op de aankondiging van tarieven op staal en aluminium met een reactie in twee fases die gekalibreerd, standvastig en niet escalerend is.
Op 1 april laat de EU de opschorting vervallen van de tegenmaatregelen die in 2018 en in 2020 tegen de Verenigde Staten genomen zijn. Die maatregelen waren gericht tegen een hele reeks Amerikaanse producten en veroorzaakten naar schatting 8 miljard euro aan economische schade, vooral in Republikeinse staten.
Medio april zal de EU, na overleg met de industrie- en handelsvertegenwoordigers, een nieuwe reeks tegenmaatregelen opleggen voor Amerikaanse exportproducten, ter waarde van 18 miljard euro, waardoor de totale respons van de EU uitkomt op 26 miljard euro, een bedrag dat gelijk is aan dat van de Amerikaanse tarieven.
In deze krachtmeting zullen Europese eenheid en solidariteit doorslaggevend zijn. Ik geloof in pragmatisme, maar de Amerikanen zijn een historische partner en dat mogen we niet vergeten. Niemand kan een handelsoorlog winnen, maar we moeten beseffen dat de Amerikanen zoveel gedaan hebben.
We zijn niet vervallen in steriel antagonisme door 80 jaar diplomatieke betrekkingen overboord te gooien. Ik heb het over realisme. Immers, het ontwaken van de Europeanen, hoe wreed het ook was, was onvermijdelijk. We hebben te lang onze verantwoordelijkheden ontlopen, in de eerste plaats als het gaat om onze eigen veiligheid. Het is niet alleen een kwestie van voldoen aan Amerikaanse eisen, maar in de eerste plaats van reageren op de noodzaak om onze eigen veiligheid te garanderen, ons sociaal model te beschermen en onze stempel te drukken op een wereld waarvan de contouren razendsnel veranderen.
Tot slot wil ik het hebben over opportuniteiten. We verdedigen een maatschappelijk model dat gebaseerd is op het respect voor de wet en voor bepaalde waarden. Dit is ook een kans om de kring van onze partners te verbreden, samen de mondiale agenda te beïnvloeden in plaats van ons die te laten opleggen.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, ik dank jullie voor het antwoord.
Wij zijn blij dat u de zaak ter harte neemt en om de maatregelen die u al hebt getroffen.
Mijnheer de premier, wij zitten gelukkig op dezelfde golflengte. Van tarieven wordt niemand beter, maar ze houden wel steek wanneer het moet. Ze zijn een zero-sum game . Laten we hopen dat men opnieuw van idee verandert, zoals dat zo vaak gebeurt, maar als het moet, dan moet het. Wij beseffen allemaal dat het om een wake-upcall gaat en dat wij meer moeten focussen op het doen herleven van onze eigen industrie.
Voorzitter:
De neutraliteit van mijn functie verplicht mij geen standpunt in te nemen over de vraag of uw tussenkomst een applaus verdient. Het feit dat dit uw eerste tussenkomst is, verdient dat wel. (Applaus)
Annick Lambrecht:
Mijnheer de premier, mijnheer de minister, het is inderdaad vijf voor twaalf. Wie meende dat dit vanzelf over zou gaan, die is eraan voor de moeite. Vooruit is de partij geweest die altijd al de koopkracht van de mensen heeft beschermd en die dat zal blijven doen. Dat is nu immers meer dan nodig. Wat zien wij? Opnieuw zijn het de extremen die de mensen bedreigen, met heel ernstige gevolgen die dag na dag anders zijn. Mijnheer de premier, u sprak over auto’s. Ik hoorde ook spreken over wijn en champagne. Morgen is het alweer iets anders. Het is heel goed dat u zegt dat u zich zal inzetten, ik hoop hier maar met een nog veel luidere stem in Europa, zodat wij de waanzinnige tarieven van Trump kunnen laten schrappen. Mevrouw van Riet heeft het al gezegd: er zijn totaal geen winnaars bij die tarieven, er zijn alleen verliezers. Gelukkig staan wij in het Parlement op dat punt allemaal op één lijn.
Zeldzame ziekten, de research hiernaar en de geneesmiddelen op de Belgische markt
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 11 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Hervé Cornillie kaart de uitdagingen van zeldzame ziekten (500-600.000 Belgen, vaak genetisch/kindgerelateerd) aan, met focus op dure, schaarse behandelingen (slechts 5% heeft geregistreerde medicatie) en commerciële desinteresse van farmabedrijven door gebrek aan winstperspectief. Minister Vandenbroucke benadrukt het EU-kader (regeling 141/2000) voor weesgeneesmiddelen (EMA-beoordeling, stimuleringsmaatregelen) en Belgische initiatieven zoals het plan zeldzame ziekten (2013), genetische testpanels en een nationaal patiëntenregister, maar erkent dat diagnose en dataverzameling nog fragmentarisch zijn. Cornillie blijft kritisch over systematische aanpak en pleit voor betere samenwerking tussen patiënten, overheid en farmacie, ondanks de complexe afwegingen. De kern: innovatie versus betaalbaarheid blijft een spanningsveld, met nood aan efficiëntere incentives en datagestuurde oplossingen.
Hervé Cornillie:
Madame la présidente, comme j'étais présent en commission de l' é nergie pour un débat d'actualité, je ne sais pas si ces thématiques ont été évoquées dans cette commission. Je ne sais d'ailleurs pas non plus pourquoi mes deux questions n’ont pas été intégrées au débat d’actualité. Mais je n'ai pas à dire ce que les services doivent faire.
La présidente : Je me suis posé la même question. Mais cela tombe bien, puisque vous êtes maintenant là pour les poser.
Hervé Cornillie:
Oui, mais je ne voudrais pas être redondant et embêter mes collègues, même s'il n’y a plus beaucoup de combattants. Nous sommes les deux derniers valeureux.
Monsieur le ministre, il existe une multitude de maladies rares. Vous le savez particulièrement bien, puisqu’il en a été question très longuement. Les associations de parents et de victimes ainsi que les entreprises se mobilisent de plus en plus sur cette thématique. Ces maladies, qui ne sont finalement pas si rares que ça, touchent 500 à 600 000 Belges.
Ces maladies rares ont souvent une origine génétique et concernent principalement des enfants. C'est un enjeu de santé majeur. On estime d'ailleurs, selon les informations sur la recherche et les connaissances sur les maladies rares, que 5 % des maladies rares recensées en Belgique disposent d'un traitement médicamenteux enregistré. Ne parlons même pas, même si c'est un corollaire important, du coût de ces traitements. Par ailleurs, 35 % des programmes médicaux d'urgence concernent des médicaments orphelins. La recherche sur ces maladies rencontre de nombreux défis, nécessitant un cadre régulateur spécifique pour des médicaments orphelins. Cela représente un défi tant pour les sociétés pharmaceutiques que pour l'État.
J'aimerais faire le point avec vous aujourd'hui sur les difficultés liées à la propriété intellectuelle dans le domaine de l'industrie pharmaceutique. Il en est souvent question. Il faut essayer d'éviter de tomber dans du populisme de bas étage à ce sujet. Personne ici n'en est responsable, soyons clairs.
Les laboratoires pharmaceutiques tirent principalement leurs revenus des monopoles sur la propriété intellectuelle liée à la découverte des traitements. Par définition, certaines maladies rares ne représentent pas un marché suffisamment intéressant pour inciter ces laboratoires à investir dans la recherche. Des maladies semblent être négligées par manque d'intérêt commercial, osons le dire, ou tout simplement parce qu'elles supposent des montants colossaux pour des avancées que l'on ne mesure pas spécialement bien. Comme ces pathologies sont très variées, il faut démultiplier ce type de raisonnement et de logique pour les aborder: maladie des os de verre, de Crohn, de Charcot, de l'homme de pierre, chorée de Huntington, rétinoblastes et j'en passe. En Europe, elles touchent 30 millions de patients.
Les conclusions du Forum sur les maladies rares sont assez préoccupantes. Il est évidemment nécessaire de soutenir davantage la recherche et d'utiliser certains mécanismes de compensation pour inciter l'investigation scientifique par les laboratoires et compenser les lacunes de la propriété intellectuelle.
Monsieur le ministre, quelle est votre position sur ce sujet? Notre pays évolue-t-il dans l'approche de ces questions? Comment concilier l'innovation et la recherche coûteuse dans des départements qui ne sont, bien sûr, jamais certains d'obtenir des résultats avec la nécessité de répondre à la réalité des patients, qui est bien réelle et difficilement supportable? Comme le gouvernement intercède-t-il dans cet indispensable cheminement afin de faire dialoguer ces deux publics cibles?
Frank Vandenbroucke:
Monsieur Cornillie, je reconnais en effet que le développement de médicaments efficaces et sûrs en vue de traiter les maladies rares mérite une attention particulière. Vous savez qu'une maladie rare est définie par une prévalence inférieure à 5 sur 10 000 patients atteints de la maladie. Plus de 5 000 maladies rares sont actuellement reconnues. Étant donné qu'un grand nombre de patients, en particulier ceux atteints de maladies très rares, ne sont souvent pas correctement diagnostiqués, il est particulièrement difficile d'obtenir des chiffres précis de nature géographique, tant au plan national que régional.
Le règlement européen n° 141/2000 vise spécifiquement à faciliter le développement des médicaments orphelins. Depuis la ratification de ce règlement en 2000, la tâche de reconnaître les médicaments destinés au traitement, à la prévention et au diagnostic des maladies rares en tant que médicaments orphelins a été entièrement confiée au niveau européen. L’Agence européenne des médicaments (EMA) s’acquitte de cette tâche par l’intermédiaire du Comité scientifique des médicaments orphelins.
Pour être désignés comme médicament orphelins, les médicaments doivent répondre à trois critères principaux: cibler une maladie orpheline reconnue mortelle ou très invalidante, remplir le critère de prévalence ou de rapport coût/efficacité et offrir un bénéfice significatif par rapport aux méthodes de traitement, de prévention et de diagnostic satisfaisantes préexistantes.
Une fois désigné, un médicament orphelin peut bénéficier de plusieurs mesures incitatives. Au niveau belge, le plan maladies rares de 2013 a servi à une stratégie pluriannuelle visant à améliorer l’accès et l’équité des modalités de traitement pour les patients belges atteints de maladies rares.
Le Collège Belge de Génétique Humaine et Maladies Rares présidé par le Pr De Baere est chargé de conseiller la stratégie nationale pour les maladies rares. D’autres efforts pour stimuler le développement de traitements et de soins pour les patients atteints de maladies rares en Belgique comprennent le développement de panels de gènes standardisés pour des tests génétiques, le travail effectué pour mettre en place un registre national des patients atteints de maladies rares et la traduction des données d’Orphanet.
Hervé Cornillie:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour avoir fait le point sur cet aspect de la problématique des maladies rares, d’avoir dressé un état des lieux. Nous restons un peu sur notre faim par rapport au fait que l’on puisse systématiser, automatiser ce genre d’approches avec des maladies trop peu connues. Certes, ce sont des arbitrages et ils sont toujours humainement douloureux. Vous avez fait référence à ce cadastre nécessaire mais non obligatoire aujourd’hui, contrairement au cancer. La collecte des données et des informations un peu standardisées contribuent pourtant à la bonne connaissance d'un phénomène. Espérons que nous puissions, dans un système qui est assez onéreux, trouver toujours des points de convergence entre les malades et les entreprises pharmaceutiques. C'est indispensable. La technicité de la question et de votre réponse font que je reviendrai plus tard sur le sujet.
Een vooruitblik op de volgende week geplande Europese Raad van Defensieministers
Steun aan de economie en de bedrijven gezien de mogelijke verhoging van de Amerikaanse douanerechten
De door Donald Trump gevoerde geopolitiek
De Europese reactie op de verhoging van de douanerechten door de Verenigde Staten
De handelsoorlog met de Verenigde Staten
De door Donald Trump aangekondigde invoerheffingen op Europese producten
De douanerechten en het Europese concurrentievermogen
De grote impact op de farmasector van de Amerikaanse invoertarieven op Europese producten
Oekraïne en de defensie-inspanningen van België
Europese reacties op Amerikaanse handelsbeleid en defensie-strategieën.
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 27 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Europa’s strategische autonomie en reactie op de dubbele dreiging van Amerikaanse handelstarieven (25% op EU-producten) en de escalerende defensieverplichtingen (NAVO’s 2%-bbp-eis). De kernpunten: (1) Defensie: België moet dringend het 2%-doel halen (voor de zomer) en structurele financiering regelen, met nadruk op Europese samenwerking binnen de NAVO, maar *concrete plannen en timing ontbreken nog*. (2) Handelsoorlog: De VS bedreigen de EU met tarieven, wat de Belgische export (o.a. farmacie, auto) raakt—Europa moet *eengemaakt en proportioneel* reageren, zonder in een escalatiespiraal te belanden, maar met focus op industriële soevereiniteit (innovatie, herindustrialisering) en diversificatie van handelspartners. (3) Critici (o.a. PTB) waarschuwen voor *blind volgen van de VS* en pleiten voor een *niet-gebonden Europa* dat partnerschappen met het Globale Zuiden zoekt, terwijl anderen (N-VA, CD&V) benadrukken dat *veiligheid (via NAVO) voor welvaart gaat*. Actiepunten: België speelt een *verenigende rol* in de EU, maar *concrete maatregelen* (bv. taskforce, budgetten) blijven vaag—urgentie domineert.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, volgende week vindt er een extra EU-top plaats, over de situatie in Oekraïne en defensie. Dat is absoluut noodzakelijk. De geopolitieke situatie is immers zorgwekkend en verandert razendsnel. De wereld staat in brand en Europa heeft veel te lang aan de zijlijn gestaan, zonder de mond open te doen.
Het is dus hoog tijd om te blussen. Mijnheer de eerste minister, om te blussen heeft men echter blusmateriaal nodig. En laat net daarover, over die structurele middelen en financiering van defensie, bijzonder veel onzekerheid bestaan. Hoe zullen we het Defensiefonds structureel financieren? Nog geen idee. Extra uitgaven voor defensie binnen of buiten de begroting? Nog geen idee. Wat gaat de Europese Unie doen? Gaat zij dat toestaan of niet? Nog geen idee. Er moet duidelijkheid komen, want we verliezen tijd. NAVO-baas Mark Rutte heeft het heel duidelijk gezegd. Die absolute ondergrens van 2 % van het bbp moet er komen nog voor de zomer.
Mijnheer de eerste minister, u bent historicus en ik weet dat u graag over het verleden spreekt. Mea culpa, het is juist dat de voorbije decennia heel veel partijen hier aanwezig, ook die van de Zweedse regering, te weinig hebben geïnvesteerd in defensie. We leven vandaag echter in een andere wereld. De wereld is de voorbije jaren grondig door elkaar geschud en grondig gewijzigd. We moeten dus stoppen met achterom te kijken en moeten vooruitkijken en schakelen.
Ik wil van u weten wat de regering vandaag en in de toekomst zal doen. Wat zal het standpunt van uw regering zijn op de komende EU-top? Hoe en wanneer zult u de 2 % voor defensie halen?
Patrick Prévot:
Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, votre gouvernement n'a que quelques semaines et déjà, malheureusement, les promesses s'effritent.
Vous aviez promis un taux d'emploi de 80 %, mais, monsieur le premier ministre, vous avez dit cette semaine que ce ne sera pas pour cette législature. Il aurait peut-être fallu être honnête d'emblée, et non pas quelques semaines après le vote de confiance. Vous aviez évoqué les 8 milliards de recettes mais, là aussi, vous avez estimé que les effets retours semblaient incertains. Bref, on l'avait dit, vous ne nous avez pas cru, ces promesses, c'était du vent.
Pendant ce temps-là, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, de l'autre côté de l'Atlantique, le président américain, Donald Trump, lance une guerre économique et annonce que des droits de douane de 25 % sur nos produits pourraient être pratiqués. Face à cela, allez-vous rester passif ou allez-vous avoir une attitude proactive? L'accord de gouvernement parle d'un plan de relance industriel, mais avec moins d'investissements publics – ce que nous déplorons vivement, comme nous vous l'avons dit lors des débats – et peu de vision à long terme.
La Commission européenne, de son côté, propose un pacte pour une industrie propre mais son budget de 100 milliards semble largement insuffisant. Concrètement, avez-vous votre plan pour la relance industrielle? Quel est-il? Soutiendrez-vous nos secteurs stratégiques et nos entreprises? Allez-vous, oui ou non, garantir des emplois de qualité? Une task force a-t-elle été mise en place pour avoir cette vision proactive? Si oui, qui en fait partie? Si cette task force existe, comptez-vous associer les entreprises, les travailleurs, les syndicats, les ONG et la société civile à l'élaboration de cette politique industrielle?
Je vous remercie d'avance de vos réponses.
Raoul Hedebouw:
Monsieur le premier ministre, pendant des mois, on a mis en garde tous les partis politiques que suivre aveuglément l'impérialisme américain allait détruire l'Europe et notre économie. Pendant des mois, vous avez ri du PTB et de sa vision géopolitique!
Regardez ce qui se passe maintenant! Les Américains sont en train d'humilier l'Europe. Avez-vous vu le comportement de Macron quand il est allé chez Trump? Il était en train de lui cirer les chaussures en lui racontant des petites blagues. C'est pourtant la survie et la stratégie de l'Europe qui sont actuellement en jeu.
Monsieur le premier ministre, je vous avais prévenu que ça n'allait pas marcher.
De Amerikanen gaan altijd voor hun eigen business.
Il suffit d'analyser l'accord sur les minerais. Tout est clair maintenant!
De grondstoffen van Oekraïne gaan direct in de zakken van de Amerikaanse imperialisten!
La situation est similaire en ce qui concerne l'énergie. Les Américains nous ont vendu leur gaz de schiste trois ou quatre fois plus cher pour se faire de l'argent. Nous avons, bien entendu, dit dès le départ qu'il fallait condamner Poutine. C'était évident! Cependant, il fallait aussi défendre les intérêts de l'Union Européenne, ce que vous ne faites pas!
Monsieur le premier ministre, allons-nous continuer à suivre les Américains? La déclaration gouvernementale n'en a d'ailleurs que pour eux. Comment pouvez-vous continuer à être aussi naïfs? Comment pouvez-vous continuer à leur acheter pour des milliards d'armements? Ils ne pensent qu'à l'argent.
Chers collègues, Trump n'est pas un homme de paix. Pourquoi retire-t-il ses troupes aujourd'hui? Pourquoi retire-t-il ses intérêts d'Ukraine? Pour attaquer la Chine? Il le fait pour préparer la guerre de demain!
La question que l'Europe doit se poser est de savoir si nous devons suivre les Américains docilement comme des petits chiens, ou enfin développer une Europe indépendante et stratégique à l'échelle mondiale. C'est de cela dont nous avons besoin.
(…): (…)
Voorzitter:
Mijnheer Hedebouw, u zou het niet op prijs stellen indien uw tussenkomst op deze manier zou worden onderbroken. Ik neem aan dat u dat dan ook niet zult doen voor collega Deborsu.
Charlotte Deborsu:
Monsieur le premier ministre, l'Union européenne aurait été créée pour entuber les États-Unis. On en apprend tous les jours avec le professeur Trump. Monsieur le premier ministre, connaissant votre amour pour l'histoire, j'imagine que vous avez failli tomber de votre chaise en entendant cela comme nous tous.
Mais au-delà du grotesque, il y a une réalité. Les États-Unis annoncent vouloir taxer à hauteur de 25 % toute une série de produits européens. Cette mesure complètement anti-libérale risque d'avoir un impact direct sur nos entreprises et nos emplois en Belgique et en Europe. À l'heure actuelle, l'Union européenne a une balance commerciale positive avec les États-Unis de 150 milliards sur les biens.
Monsieur le premier ministre, mes questions sont dès lors les suivantes: avez-vous déjà la liste des produits européens qui seraient concernés?
Comment mesurez-vous l'impact de cette décision pour la Belgique? Allez-vous donner des instructions au ministre du Commerce extérieur afin qu'il prenne des mesures, en coopération avec toutes les Régions, pour contrer les effets de cette décision?
Jusqu'à présent, la Commission européenne a préparé des mesures "au cas où". Jugez-vous qu'elles sont suffisamment crédibles et dissuasives pour convaincre le président américain de revenir sur cette décision?
Comment jugez-vous l'unité politique des Européens et la proactivité de la Commission sur ce dossier?
Les États-Unis nous voient désormais comme un adversaire commercial. Nos relations ont changé, dont acte. Quelles sont dès lors vos stratégies pour diversifier notre commerce extérieur au bénéfice de nos entreprises et de notre taux d'emploi? C'est une véritable priorité pour notre groupe.
Je vous remercie déjà pour vos réponses.
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, dans son style délicat habituel, M. Trump a annoncé des droits de douane de 25 % sur les produits européens. Nous savions déjà que nous vivions un tournant historique en géopolitique, du point de vue militaire, mais ce tournant est aussi commercial. Nous savons désormais aussi que nous devrons assumer notre défense seuls et sur ce plan-là, comme je l'ai déjà dit, et je n'ai pas de problème à le redire, votre accord de gouvernement va dans le bon sens.
Concernant l'énergie, nous vivons une hyper-dépendance. Nous serions aujourd'hui incapables de nous séparer à la fois du gaz russe et du gaz liquéfié américain. Et sur le plan économique, bien qu'étant le premier marché du monde, la présidence Trump nous confirme avec franchise ce que nous savons déjà: nous sommes des consommateurs de la mondialisation et non plus des acteurs de celle-ci.
Le point faible de l'Europe, chers collègues, a un nom: l'innovation. Nous fermons aujourd'hui notre avant-dernière usine automobile, ce qui nous rappelle que nous avons manqué le virage industriel. Nous, Européens, n'avons créé aucun des outils technologiques qui dirigent le monde aujourd'hui. Nous ne sommes pas les meilleurs en ce qui concerne l'esprit d'entreprise et l'initiative, et nous ne parvenons pas à favoriser l'innovation.
Même votre accord de gouvernement, je le crains, manque le cap. Votre programme est clair: forcer tout le monde à travailler plus sans vraiment gagner plus, que ce soient les demandeurs d'emploi, les malades, les jeunes ou les plus vieux, etc. Très bien, sauf que l'on n'a pas seulement besoin de davantage de travailleurs. On a aussi besoin de davantage d'entrepreneurs, de créateurs, de gens qui peuvent créer de la richesse, créer de l'emploi, prendre des risques en étant encouragés à l'innovation. Sur ce plan-là, votre accord de gouvernement est décevant.
La question qui est le sujet maintenant est de savoir comment faire pour affronter cet allié qui tend à devenir un adversaire, les États-Unis. Comment faire pour s'affirmer davantage comme marché européen, alors que nous sommes le premier marché du monde? Comment défendons-nous nos entreprises? Comment allons-nous faire de ce pays et de ce continent des acteurs clés de l'innovation? Comment faire pour qu'ils redeviennent un véritable poumon industriel, un acteur de l'économie mondiale et non un simple client? Dans l'immédiat comment allons-nous réagir à cette hausse douanière brutale de 25 %?
Meyrem Almaci:
" The European Union was formed in order to screw the United States. That’s the purpose of it. " Die uitspraak is grotesk, zoals we Trump kennen, de man van het recht van de sterkste, die alle regels aan zijn laars lapt.
Na Gaza en Oekraïne richt hij nu de pijlen op de economie van Europa met zijn aankondiging dat hij 25 % invoerheffingen overweegt op auto’s, halfgeleiders, chips en medicijnen. Op de vraag of hij geen schrik had van een forse tegenreactie, antwoordt hij het volgende: " They can try, but they won’t ." We weten al langer dat de huidige president in een alternatieve realiteit leeft. We weten ook dat hij in Europa zijn fans heeft, om onze minister van Defensie niet te noemen, die al meermaals lovend sprak over de man.
"They can try, but they won’t ." Voor ons is het eenvoudig: Yes, we can and we will . Dat is niet van harte, maar als het moet, moet het. Een bullebak als Trump begrijpt immers alleen maar de taal van geld en macht. Ik was tevreden de eerste reactie van Europa te lezen, namelijk dat Europa een partner was, indien de regels werden gevolgd.
De vraag is nu de volgende: wat is de positie van de huidige regering? Immers, handelsoorlogen produceren alleen maar verliezers. Dat is belangrijk om te onthouden met bedrijven als Volvo in ons land en de sterke farmasector. Waakzaamheid is echt geboden.
Hoe zorgen we er dus voor dat de verdeel-en-heersstrategie van Trump bij ons geen voet aan de grond krijgt? Hij heeft immers geprobeerd bij Oekraïne. Hoe zorgen we ervoor dat de expertise, efficiëntie en ontwikkeling hier blijft?
Mijnheer de eerste minister, hebt u al contacten gehad met de collega’s in Europa om één front te vormen? Hebt u al contact gehad met de Wereldhandelsorganisatie? Bent u bereid fors te reageren op de woorden van Trump en op welke manier wilt u dat dan doen in uw hoedanigheid van eerste minister van alle Belgen?
Simon Dethier:
Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, cette semaine, les États-Unis ont menacé l'Union européenne de droits de douane de 25 % sur les produits européens.
Au même moment, l'Union européenne a présenté un plan qui a pour ambition d'améliorer la compétitivité des entreprises européennes tout en préservant les objectifs climatiques. L'Europe et la Belgique se trouvent actuellement face à une situation complexe.
D'un côté, la transition vers la neutralité carbone est nécessaire. Nous avons vu les impacts du réchauffement climatique sur notre société. Il est indispensable d'agir. Nous ne sommes pas encore sur la trajectoire de cette neutralité. Il faudra donc redoubler de volontarisme et d'inventivité.
D'un autre côté, comme l'a dit le ministre du Climat, un État en faillite ne peut pas agir pour le climat. Les craintes d'une guerre commerciale et les difficultés d'approvisionnement en énergie plombent la compétitivité des entreprises belges. Il est du devoir de l'ensemble de veiller à préserver nos objectifs climatiques tout en maintenant la compétitivité.
J'aimerais dès lors vous poser deux questions. Comment veillez-vous à préserver les emplois et la compétitivité des entreprises? Comment veillez-vous à soutenir et à aider les entreprises à garder le cap de la neutralité carbone?
Koen Van den Heuvel:
Heren ministers, beste collega's, Trump steekt zijn middenvinger op naar Europa en naar ons en dat mogen we niet onbeantwoord laten. Trump kondigt aan dat hij 25 % invoertarieven op Europese producten zal heffen. Dat is nefast voor Europa en voor onze Belgische economie, want Amerika is nog altijd een heel belangrijke afzetmarkt, de vierde grootste, voor ons. Jaarlijks exporteren we voor meer dan 33 miljard euro goederen naar Amerika.
Vooral de farmasector speelt daarin een belangrijke rol en is verantwoordelijk voor meer dan de helft van die export. Deze sector is van strategisch belang voor de toekomst. Ze innoveert, ze is duurzaam en ze heeft, tegen de industriële trend in, de voorbije vijf jaar 6.000 extra arbeidsplaatsen in de industrie gecreëerd. Deze sector en al onze exportbedrijven mogen we niet in de steek laten, want we zijn in Europa en in België gevoelig voor invoertarieven. Trump probeert op deze manier Amerikaanse bedrijven te dwingen om hun productie vanuit Europa terug naar Amerika te verplaatsen, maar hij ontketent op die manier een wereldwijde handelsoorlog waar niemand bij wint.
We moeten in Europa stevig en onmiddellijk reageren, want we kunnen onze exportbedrijven en onze farmasector op dit moment niet in de steek laten. Collega's, de toekomst van Europa staat op het spel. Met deze Trumpiaanse manier van doen, met een spelletje duimen omhoog-duimen omlaag, probeert men ons lot te bepalen.
Collega's, we moeten sterk genoeg zijn. We moeten met Europa het heft in eigen handen houden. Het is niet Amerika dat de Europese toekomst zal bepalen. Mijnheer Hedebouw, het zijn ook niet uw Chinese vrienden die het lot van Amerika zullen bepalen!
Darya Safai:
Mijnheer de premier, in Saoedi-Arabië zijn gesprekken opgestart tussen de VS en de Russische Federatie over het conflict in Oekraïne. Dat de Europese landen zich gepasseerd voelen, is een understatement. Cruciaal voor het slagen van eender welke oplossing is de aanwezigheid van Oekraïne aan de onderhandelingstafel.
De Amerikaanse regering liet duidelijk verstaan dat Europa niet hoeft te rekenen op Amerikaanse steun en dat de Europese uitgaven voor defensie sterk moeten worden opgeschroefd. De Verenigde Staten dringen er ondertussen op aan dat elke NAVO-lidstaat ongeveer 5 % van het bruto binnenlands product aan defensie zou besteden. Mark Rutte, de secretaris-generaal van de NAVO, dringt erop aan om tegen de zomer 2 % te halen. In de regering wordt er gesproken over het bijsturen van het defensieplan. Afgelopen donderdag verklaarde u dat er miljarden gezocht moesten worden. Dat is een duidelijke boodschap.
Mijnheer de premier, binnen welke termijn moeten volgens u de inspanningen gebeuren? Wat is volgens u een realistische doelstelling? U verklaarde stappen te zetten naar een meer Europees geïntegreerde defensie in de NAVO, onder meer op het vlak van militaire aankopen. Graag krijg ik wat meer duiding over de plannen.
Bart De Wever:
Chers collègues, je vous remercie pour toutes ces questions. Je vais essayer d'y répondre en cinq minutes. Comme vous le savez, mes chers collègues Prévot et Clarinval complèteront ma réponse.
Depuis la séance de la semaine dernière, j'ai eu, comme vous pouvez l'imaginer, de très nombreux contacts internationaux concernant les derniers développements géopolitiques.
Lundi dernier, j'ai participé au sommet sur la sécurité organisé par l'Ukraine où j'ai confirmé la poursuite de notre soutien à l'Ukraine. Mardi après-midi, j'ai eu un entretien téléphonique avec le président Zelensky au cours duquel j'ai réaffirmé et concrétisé ce message. En outre, j'ai eu de nombreux contacts avec les dirigeants européens et le président du Conseil européen. Hier matin, un Conseil européen a eu lieu en vidéoconférence et le président Macron a fait un débriefing sur sa visite à Washington. Vous comprendrez, je l'espère, que je dois rester discret à ce sujet. Je comprends les nombreuses questions très détaillées mais il n'est pas réaliste de développer chaque élément ayant été discuté. Néanmoins, je peux vous dire que la position des partenaires européens reste inchangée.
Premièrement, l'Europe continuera à soutenir l'Ukraine et renforcera sa position dans les négociations de paix car " if you are not at the table you are on the menu " et cela est inacceptable. Deuxièmement, la participation de l'Ukraine et de l'Europe est nécessaire pour parvenir à une paix durable. Troisièmement, l'Europe doit intensifier ses investissements dans la défense. Le temps où notre continent pouvait se reposer sur un dividende de paix est malheureusement révolu. L'Europe doit pouvoir assurer entièrement sa propre sécurité le plus rapidement possible. La Belgique, en tant que membre fondateur de l'Union européenne et de l'OTAN, doit aussi apporter sa contribution. Cela est déjà prévu dans l'accord de gouvernement mais il ne faut pas exclure qu'à court terme, des efforts supplémentaires soient nécessaires.
Ik begrijp uw waarschuwing om niet achterom te kijken, mijnheer Vander Elst,. "Kijk vooral niet achterom" zal waarschijnlijk ook de slagzin worden van uw partij. Dan ziet u namelijk hoe u het hebt nagelaten: rampzalig. We zullen dus een spurtje moeten trekken en dat zal gebeuren.
L'Europe et ses partenaires doivent prendre rapidement des décisions pour renforcer les trois points cruciaux que je viens d'esquisser. Le 6 mars, le Conseil européen se réunira à ce sujet, mais je vous demande de rester très discrets sur cette date, car ma famille pense encore que nous serons ensemble en vacances. C'est la raison pour laquelle je l'ai dit en français. (Rires dans l'assemblée)
Op de bijeenkomst van de Europese Raad gisteren werd afgesproken om een constructieve dialoog met de Verenigde Staten te blijven voeren. Ik begrijp dat collega’s zich opwinden. Er zijn immers wel wat krasse dingen gezegd en hun hart mag koken, maar de consensus onder de Europese regeringsleiders was om het hoofd koel te houden. Vandaag is Keir Starmer in het Witte Huis, morgen is Zelensky aan de beurt. We zullen zien wat het wordt, maar het valt niet te ontkennen dat de verklaringen van de Amerikaanse regering ons zeer ongerust hebben gestemd. Dan gaat het niet alleen over onze Europese partners, maar ook over aantal andere internationale partners, niet het minst Canada.
Uiteraard stelt niemand – ik hoop ook hier niet – het NAVO-bondgenootschap ter discussie, want dat zou buitengewoon dom zijn. Waakzaamheid is zeker geboden. De dreigementen met nieuwe handelstarieven zouden ons als exportnatie ernstige zorgen moeten baren. De Verenigde Staten zijn een zeer belangrijk exportland voor ons. De farmasector, en niet alleen die in Puurs, is zeer afhankelijk van die export. Ik heb gisteren in de marge van de industrietop gesproken met mensen uit die sector en zij zijn bijzonder ongerust. Vooralsnog moeten we een handelsoorlog tussen de meest verweven handelsblokken ter wereld proberen te vermijden. Dat is onze kortetermijndoelstelling.
Madame Deborsu, vous avez de nombreuses questions détaillées sur ce que nous allons faire et comment nous allons réagir. J'en ai parlé hier avec Mme von der Leyen, mais il est encore trop tôt pour élaborer une réponse. Il est toutefois certain que l'Europe devra, le cas échéant, réagir très vite et très clairement.
Tot slot, u leest ongetwijfeld de berichten over een economisch akkoord tussen Oekraïne en de Verenigde Staten. Van die berichten wordt men niet blij. Europa zal in dat licht Oekraïne moeten blijven steunen om het in zijn positie te versterken, en de ontwikkelingen zeer goed moeten opvolgen. Zolang de definitieve modaliteiten van dat akkoord niet bekend zijn, is het evenwel moeilijk om daar precies op te reageren.
Mijnheer de voorzitter, als u mij nog vijf seconden gunt, dan rond ik mijn antwoord af.
Ik doe hier een oproep aan alle fracties in het halfrond om ondubbelzinnig de kant van Europa, de kant van het vrije Westen te kiezen en die te verdedigen.
On peut bien dire que Trump n'est pas un homme de paix, mais vous avez oublié de dire que Poutine est un homme de guerre!
Dat is wel heel belangrijk. ( Luid applaus )
Voorzitter:
Uw interpretatie van vijf seconden is wel bijzonder breed. Dat wordt afgetrokken van de spreektijd van de andere ministers.
Bart De Wever:
Voorzitter, ik kan het ook niet helpen dat er stormachtig applaus is wanneer ik spreek. Dat kost mij spreektijd.
Hoe dan ook moeten we ondubbelzinnig zijn: we moeten de kant van Europa en van het vrije Westen kiezen. We mogen niet naïef zijn. Als kleine en economisch sterke exportnatie is het onze taak vandaag maximaal aan die verbondenheid bij te dragen.
Voorzitter:
Het thema is natuurlijk bijzonder belangrijk. Dat blijkt ook uit de vele interventies erover, maar ik wil de regering toch aanmanen om de tijdslimieten te respecteren.
David Clarinval:
Mesdames et messieurs, chers députés, depuis l'investiture du président Trump, les relations transatlantiques sont mises en effet sous pression. Nos relations commerciales n'y échappent pas. Le président Trump a en effet annoncé son intention d'imposer des tarifs douaniers de 25 % aux importations en provenance de l'Union européenne.
Nous devons veiller à ce que l'on apporte une réponse commune et proportionnée aux décisions prises par l'administration Trump.
Het doel van de Amerikaanse president bestaat erin de vermeende ovenwichtigheden in de handelsbetrekkingen weg te werken. Hij verwijt de Europese Unie normen en regels op te leggen die de toegang tot de Europese markt moeilijker maken voor Amerikaanse producten, terwijl Europese producten genieten van een relatief vrije toegang tot de Amerikaanse markt.
De Verenigde Staten kondigden aan vanaf 12 maart 25 % douanerechten te zullen heffen op de import van staal en aluminium afkomstig uit de Europese Unie. Een volgende ronde maatregelen zou begin april worden aangekondigd.
La présidente de la Commission européenne a exprimé son profond regret face à cette décision et a réaffirmé que l'Union prendrait des contre-mesures fermes et proportionnées pour protéger ses intérêts économiques.
Au niveau belge, dans le cadre du processus de concertation DGE, nous avons initié depuis plusieurs semaines déjà une réflexion afin de définir une position commune, qui se veut assertive et qui tient compte des intérêts belges.
Il faut néanmoins savoir que toutes les mesures américaines ne sont pas encore précisément connues. Par ailleurs, nous attendons encore la proposition que la Commission pourrait faire pour répondre aux mesures américaines annoncées.
La Belgique entretient des relations commerciales fortes avec les États-Unis, tant du côté de l'offre que de la demande. En 2023, les exportations de biens belges vers les États-Unis ont représenté plus de 28 milliards d'euros alors que les importations de biens en provenance des États-Unis s'élevaient à près de 25,8 milliards d'euros.
Sur la base de plusieurs analyses, nos principaux secteurs sensibles ont été identifiés. Il s'agit de la chimie, du secteur pharmaceutique, du secteur métallurgique, de certaines matières critiques, du secteur automobile, des machines et des appareils électroniques.
Dans les semaines à venir, je veillerai, en tant que ministre de l'Économie, avec mon collègue des Affaires étrangères, à défendre au mieux les intérêts stratégiques de la Belgique. Notre position sera largement concertée avec les différentes Régions du pays. Nous veillerons à faire entendre les intérêts des plus petites économies comme la nôtre.
Sur le plan européen, nous plaiderons pour l'unité des États membres face à la politique commerciale menée par le président Trump. Face aux tentatives américaines d'approcher les États membres séparément, il sera en effet essentiel de rester sur la même ligne pour renforcer la cohérence de nos messages et notre position face à l'administration Trump.
Par ailleurs, il me semble aussi urgent de pouvoir développer au niveau européen et belge une stratégie de défense des industries et des entreprises confrontées à la concurrence internationale. Les annonces d'hier, en marge de la conférence d'Anvers sur le Clean Industrial Deal, semblent aller dans le bon sens. Nous devons les mettre en œuvre avec volontarisme et célérité, notamment au travers du plan interfédéral de développement des industries prévu dans notre accord de gouvernement. Je vous remercie pour votre attention.
Maxime Prévot:
Monsieur le président, c'est en ma qualité de ministre des Affaires étrangères et, à ce titre, compétent pour la diplomatie économique et la politique commerciale européenne que je vais compléter les propos du premier ministre et de mon collègue Clarinval.
Les États-Unis sont en train de faire fausse route. En annonçant imposer des droits de douane à tout-va, ils se mettent à dos une bonne partie du monde. Et nous ne voyons aucune justification à l'imposition de tels droits sur nos exportations. Comment peuvent-ils imaginer une seule seconde que cela va leur bénéficier? Comment peut-on penser que l'Union européenne constituerait une menace pour leur sécurité nationale?
De Amerikaanse tarieven zullen economisch contraproductief zijn, vooral gezien de diep geïntegreerde trans-Atlantische toeleveringsketens. Door tarieven op te leggen, zullen de Verenigde Staten hun eigen burgers belasten, de kosten voor hun eigen bedrijven verhogen en de inflatie aanwakkeren. Bovendien zullen de Amerikaanse tarieven waarschijnlijk ontwrichtende effecten hebben op het wereldwijde handelssysteem als geheel.
Die aankondigingen zullen niet onbeantwoord blijven. We moeten echter zeker niet proberen op elke provocatie te reageren. De bedoelingen van president Trump en zijn regering, of ze nu betrekking hebben op Europa, Groenland, Oekraïne of de Gazastrook, kunnen aanleiding geven tot veel berichten op X, die we kunnen betreuren. We moeten echter reageren op tastbare maatregelen, die op dit moment niet erg talrijk zijn.
J'ai demandé à mes services de travailler d'arrache-pied sur comment faire face et redéfinir notre relation avec les États-Unis, tous aspects confondus, le commerce, bien sûr, mais aussi le climat, l'énergie, la diversité, les droits sexuels et reproductifs, le digital, les migrations, l'éthique, la santé, et j'en passe. Ce travail est fait en coordination avec les autres membres du gouvernement et les autres gouvernements du pays. On ne peut pas réagir sur un coup de tête. Ne faisons pas nous-mêmes du Trump en réaction à Trump!
Nous ne devons pas nous arrêter à une posture ébahie, prendre note de chacune des annonces et décisions américaines. Le monde change très vite et nous devons nous montrer proactifs et ne pas seulement agir sur la défensive. Nous devons arrêter la naïveté. Quittons cette posture de victime pour reprendre notre place sur la scène internationale!
We moeten de Europeanen samenbrengen om dit antwoord te bepalen. België moet opnieuw zijn rol als vereniger spelen om een verenigd front te vormen tegenover de nieuwe geopolitieke omwentelingen. We hebben een sterk, veerkrachtig, autonoom en soeverein Europa nodig, dat in staat is de uitdagingen van vandaag en morgen aan te gaan. Dat vereist dat we beter, efficiënter en sneller samenwerken. Een verenigend maar ook assertiever beleid ter verdediging van onze belangen in een wereld waarin de machtsverhoudingen intens zijn, is dan ook precies wat ik sinds mijn aantreden heb gevoerd. We moeten onze verantwoordelijkheid nemen.
En matière de défense, comme cela a été précisé par le premier ministre, une paix juste, globale et durable en Ukraine ne fera bien sûr pas disparaître la menace russe. Nous devons donc renforcer d'urgence nos capacités industrielles de défense, et nous devons assurer la compétitivité de nos entreprises tous secteurs confondus. Le ministre Clarinval l'a rappelé, nous avons le devoir de protéger nos citoyens et nos entreprises contre ces décisions américaines. Non seulement les protéger, mais agir aussi pour augmenter leur compétitivité.
D atzelfde ambitieniveau moet ons drijven als het gaat om het aangaan van de uitdaging van de klimaattransitie. Ik zal u daaraan ook herinneren wanneer ik mijn beleidsverklaring presenteer, want dat zal een constante zijn in het beleid dat ik plan te voeren.
Dans le même temps, la recherche d'un agenda positif avec la nouvelle administration américaine doit rester notre objectif premier. Nous avons tout à gagner dans un partenariat transatlantique fort. Nous devons rester ouverts aux collaborations avec les autorités américaines sur nos priorités communes en matière de prospérité et de sécurité internationale, notamment. Pensons par exemple à la lutte contre le crime organisé, ou contre les drogues, ou contre les trafics d'êtres humains. J'entends poursuivre les discussions entamées par mon prédécesseur à ce sujet avec le secrétaire d'État Rubio.
La relation de la Belgique avec les États-Unis est la plus importante économiquement hors d'Europe, avec plus de 75 milliards d'échanges par an et des investissements soutenant 250 000 emplois.
Die omwentelingen moeten ons ook uitnodigen om nieuwe bondgenoten te vinden. We moeten partnerschappen op intelligente en consequente manier diversifiëren. Ik dank u.
Kjell Vander Elst:
Bedankt, mijnheer de premier. Ook wij staan aan de kant van Europa en van het vrije Westen. Daarop mag u rekenen.
We moeten dan wel ons deel doen. U hebt niet geantwoord op de vraag hoe we tegen de zomer de 2 % die de NAVO ons oplegt, zullen behalen. U noemt het een sprintje trekken. Ik vrees dat dat niet zal volstaan.
Premier, u hebt een zeer ambitieuze minister van Defensie. Er staan zeer goede zaken op papier, maar het budget moet dan ook wel volgen. We spreken elkaar dus in april tijdens de begrotingsbesprekingen en zullen dan zien of u die woorden zult omzetten in daden.
Patrick Prévot:
Malgré le fait que vous ayez envoyé une armée mexicaine pour me répondre, vous avez scrupuleusement répondu aux questions que je n'avais pas posées.
Monsieur le ministre de l'Économie, en rapport avec la question que j'avais posée concernant la task force , je vous signale qu'il y a eu une action symbolique devant votre SPF en marge d'une réunion sur la politique industrielle. J'espère que vous étiez au courant. Les syndicats et les ONG déploraient le fait qu'ils n'étaient pas invités et que vous aviez choisi quelques entreprises. Ma première demande formelle est que vous les invitiez autour de la table.
Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, il faudra évidemment être beaucoup plus offensifs. Quand on vise 80 % de taux d'emploi – même si personne n'y croit –, il va évidemment falloir mener une politique d'investissements publics beaucoup plus ambitieuse. Le pacte pour une industrie propre s'élève à 100 milliards alors que le rapport Draghi en préconisait 800. Plus que jamais, il faut viser un taux d'investissement public (…)
Voorzitter:
Collega’s, het noemen van een naam volstaat niet om er een persoonlijk feit van te maken.
Raoul Hedebouw:
Mijnheer de premier, u hebt hier geantwoord en u gaat blijkbaar door. Wij zeggen al maanden dat blindelings de Amerikanen volgen Europa kapot zal maken en u gaat daar gewoon mee door. U verstaat niet wat er aan het gebeuren is.
Bien sûr que Poutine est à condamner! Évidemment, il est synonyme de guerre. Poutine, c'est la guerre. Mais le monde libre est-il synonyme de paix? Les bombardements américains au Vietnam, c'est la paix? Les bombardements américains en Libye, en Syrie, c'est la paix? Les bombardements américains en Irak: un million de morts! Un million de morts en Irak, est-ce la paix? Comment peut-on continuer à être aussi naïf?
Vous avez raison, monsieur Prévot. L'Europe doit chercher de nouveaux partenaires. Le Sud global est en train de se réveiller aujourd'hui. Pour la première fois depuis la Deuxième Guerre mondiale, une puissance économique mondiale est en train de se faire dépasser par d'autres puissances du Sud.
Si l'Europe veut survivre, il faut arrêter d'être naïf comme ici aujourd'hui et tendre la main. Une Europe non-alignée doit tendre la main aux pays du Sud pour arrêter d'être naïf et se faire détruire (…)
(De heer Hedebouw maakt zwembewegingen.)
Voorzitter:
Voor het verslag, de heer Hedebouw zwemt terug naar zijn plaats.
Charlotte Deborsu:
En tout cas, Trump est ce qu'il est, mais il aura réalisé un grand exploit aujourd'hui. Réussir à amener la gauche à promouvoir le libre marché et à s'opposer aux taxes douanières, chapeau à lui!
Monsieur le premier ministre, je vous pardonne de ne pas avoir répondu à toutes mes questions, qui étaient peut-être un peu trop précises. Face à cette offensive protectionniste, l'Europe ne peut pas trembler, la Belgique ne peut pas trembler. L'Union européenne a les moyens d'agir et la Belgique doit être à l'avant-garde de cette riposte. Nos entreprises doivent être protégées, nos travailleurs soutenus, notre souveraineté économique défendue et même déployée. Et le meilleur moyen d'y arriver est de mener une réelle stratégie de réindustrialisation de l'Europe, pour plus de souveraineté. L'enjeu est là. Profitons de l'occasion pour enfin nous réveiller. Wake up, Europe!
François De Smet:
Merci pour vos réponses.
Les comparatifs entre MM. Trump et Poutine sont intéressants, parce que je crois qu'ils ont beaucoup de points communs. Ils sont imprévisibles, ils sont dangereux, ils ne respectent que le rapport de force et ils font un pari immodéré sur la faiblesse des Européens. Or, M. Poutine a eu tort, au moins en partie. Les Européens ont été solidaires de l'Ukraine. Nous devons continuer à l'être et nous vous soutiendrons évidemment à ce sujet.
De la même manière, il faut que M. Trump ait tort lorsqu'il parie qu'il peut diviser les Européens, et éventuellement mener des négociations pays par pays. Cela veut dire qu'il ne faudra pas juste répliquer par des droits de douane aussi forts ou par une guerre commerciale. Il faudra surtout devenir aussi forts que les États-Unis et d'autres pays, en termes de recherche et d'innovation, parce qu'il n'y a que dans cette indépendance-là que nous arriverons à ne plus être de simples consommateurs de la mondialisation.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de eerste minister, de samenvatting van uw antwoord was eigenlijk eendracht maakt macht, in België en in Europa. Ik heb u vroeger wel iets anders horen zeggen. Het kan verkeren.
Het klopt natuurlijk wel. Het is in ons aller belang dat we ons nu niet uit elkaar laten spelen en lijdzaam de agressie ondergaan van een man die leeft in zijn eigen realiteit. Het is het moment voor Europa om zelf maatregelen te nemen en te investeren in innovatie, verduurzaming en groene industriële transitie. De groenen geloven in een samenleving waar niet het recht van de sterkste regeert, maar waar iedereen meegetrokken wordt in een partnerschap met een duidelijke koers en humanistische waarden, met een koel hoofd en een warm hart, in Europa, maar ook in ons land.
Wat dat laatste betreft, verdient ook het project van de arizonaregering de nodige verbeteringen, zowel op het vlak van mensbeeld als van onderzoek en investeringen.
Simon Dethier:
Merci, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, pour ces éléments de réponse qui apportent des informations éclairantes quant à l'orientation du gouvernement pour l'avenir.
Préserver la compétitivité des entreprises, c'est permettre aux citoyens, aux commerçants, aux entrepreneurs et aux travailleurs d'exercer leur métier et maintenir l'emploi. Maintenir le cap climatique, c'est veiller à notre avenir aujourd'hui et pour les générations futures. Les changements ne sont jamais faciles à aborder et je tiens à exprimer tout mon soutien et mon respect aux entreprises et aux citoyens qui œuvrent pour développer notre économie, créer des emplois dans un contexte exigeant, instable, incertain et en profond changement. Ne faisons pas du Trump, saisissons les opportunités de la transition climatique pour une économie résiliente et prospère.
Voorzitter:
Je félicite M. Dethier pour sa première intervention.
(Applaus)
(Applaudissements)
Koen Van den Heuvel:
Mijnheer de eerste minister, heren ministers, dank u voor uw zeer stevige antwoorden. Die stemmen mij blij. U ziet volop de ernst van de situatie in. Als cd&v moedigen we u aan opdat België een duidelijke, constructieve rol in de Europese Unie opneemt om een stevig antwoord te formuleren.
Mijnheer de premier, het antwoord mag niet agressief zijn, maar evenmin naïef. Ga voor een slim en assertief Europees antwoord, want onze Belgische export, onze Belgische farmaceutische industrie verdienen dat. We rekenen dus echt op u.
Darya Safai:
Mijnheer de premier, ik ben blij met uw stelling dat wij als Europeanen de rug moeten rechten. Daarom moeten wij, zoals u hebt gezegd, meer investeren in onze defensie. De Europese landen zullen veel meer moeten samenwerken om hun rol in de NAVO te kunnen opnemen. Wij moeten inderdaad Oekraïne blijven steunen. Dat land is immers de poort van Europa. Capitulatie voor een vijand zoals Poetin mag nooit een optie zijn. Voor de N-VA luidt het motto: geen welvaart zonder veiligheid. Samen kunnen wij het aan.
De behandeling van technische werkloosheid in de pensioenbonus-malusregeling
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Van Quickenborne vraagt of technische werkloosheid om economische redenen meetelt voor de malus in de nieuwe bonus-malusregeling (35 loopbaanjaren van 156 dagen). Jambon bevestigt dat enkel zorgverloven en moederschapsrust nu gelijkgesteld zijn, maar sociaal overleg kan dit uitbreiden, mits behoud van de koppeling tussen werken en pensioenopbouw. Van Quickenborne wijst op gebrek aan budget (2026) en stelt dat de huidige malus minder streng is dan eerdere actuariële voorstellen (45 jaar voltijds). Conclusie: discussie mogelijk, maar zonder toegekende middelen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, er is hierover ook gediscussieerd in de plenaire vergadering. De tekst is nochtans vrij duidelijk. U bent als minister van Pensioenen heel gedetailleerd en specifiek geweest, wat een heel goede zaak is. Het doet me denken aan het regeerakkoord van 2011, toen we ook teksten hadden die we vrijwel helemaal konden omzetten in wetsontwerpen.
Wat betreft de bonus-malusregeling, heb ik echter al vragen gekregen van werkgevers en werknemers over het aspect 'technische werkloosheid om economische redenen'. We weten dat werkloosheid en ziekte/arbeidsongeschiktheid niet meetellen voor de malus – de fameuze 35 jaar van 156 dagen – en dat bijvoorbeeld zorgverloven wel meetellen.
Mijn vraag gaat over de technische werkloosheid om economische redenen. Daarbij worden mensen werkloos door economische omstandigheden, dus buiten hun wil om. Rekent u die mee voor de malus of niet?
Jan Jambon:
Mijnheer Van Quickenborne, het regeerakkoord voorziet dat het pensioenbedrag vanaf 2026 wordt verminderd met een malus van 2 % per jaar vervroegde uittreding vóór de wettelijke pensioenleeftijd indien de gepensioneerde aan de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen voldoet, maar niet komt aan 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve arbeidsprestaties en 7.020 effectief gewerkte dagen over een hele carrière – een halftijdse betrekking dus. Enkel periodes van moederschapsrust, loopbaanonderbreking of -vermindering met zorgmotief en geboorteverlof worden in het regeerakkoord gelijkgesteld met effectieve arbeidsprestaties.
Daarnaast voorziet het regeerakkoord ook dat de regering, in overleg met de sociale partners, een budget beschikbaar zal stellen om mensen die dicht bij hun pensioen staan te ondersteunen bij de aanpassingen die voortvloeien uit die hervormingen, zodat deze veranderingen op een geleidelijke en evenwichtige manier kunnen worden doorgevoerd. De periodes die in het kader van de malus met effectieve arbeidsprestaties worden gelijkgesteld, kunnen onderdeel uitmaken van dat overleg.
De nieuwe bonus-malusregeling zal, in tegenstelling tot de huidige vivaldipensioenbonus, enkel betrekking hebben op vervroegd pensioen voor of langer werken na de wettelijke pensioenleeftijd. Een aantal dagen technische werkloosheid in de loop van een loopbaan van minstens 42 jaar zal er in de overgrote meerderheid van de gevallen dan ook niet toe leiden dat men minder dan 35 loopbaanjaren met minstens de helft gewerkte dagen of minder dan de helft van het totaal aantal van de 14.040 arbeidsdagen op een volledige loopbaan van 45 jaar zal hebben gepresteerd.
We kunnen dus verder bekijken of een gelijkstelling van bepaalde periodes van tijdelijke werkloosheid aangewezen kan zijn in het kader van de nieuwe bonus-malusregeling. We zullen daarbij steeds de filosofie hanteren van een versterking van de band tussen de effectieve arbeidsprestaties en de opbouw van het pensioenrecht. Die band werd in de voorbije decennia immers veel te veel afgezwakt, waardoor het verzekeringsprincipe en het financieel draagvlak van ons wettelijk pensioen sterk onder druk komen te staan. Enkel door de band tussen effectief werken en de opbouw van pensioen te herstellen, kunnen we het draagvlak van ons wettelijk pensioen vrijwaren voor de toekomst.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Als ik u goed begrijp, dan kan daarover overlegd worden. U zegt dat er ruimte is voor sociaal overleg over het aspect van tijdelijke werkloosheid. Dat brengt me eigenlijk terug bij mijn eerste vraag, daarnet, waarin ik zei dat u geen middelen hebt voorzien voor 2026 voor dat soort van discussies. U ziet nu zeker de relevantie van die vraag. Wat u voorts zegt over de malus, is een actuariële correctie, dat geef ik grif toe. Ik stel echter voor dat u het pensioenboek 2020-2040 bekijkt, opgesteld door toenmalig professor Frank Vandenbroucke. Mijn opvolger, Alexander De Croo, had dat besteld. De actuariële correcties die toen werden voorgesteld, waren nog veel straffer, alleszins veel sterker dan wat nu wordt voorgesteld. Nu loopt het inderdaad op, dat is juist, maar weliswaar in percentage. Daarbij gaat u uit van 35 jaar en 156 werkdagen per jaar. Een echte actuariële correctie is 45 jaar voltijds gewerkt, maar daar kiest u niet voor. Ik onthoud dat discussie mogelijk is, maar ik stel vast dat daarvoor geen middelen voorzien zijn, tenzij u middelen verschuift.
De behandeling van 'zware beroepen' in de pensioenhervorming
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De 42-60-regel (42 gewerkte jaren, pensioen op 60) vervangt de huidige 44-jaarsnorm en richt zich vooral op arbeiders in fysiek zware beroepen (bv. bouw), zonder een expliciete lijst van "zware beroepen" te hanteren om consensusproblemen en gebrek aan preventie-incentieven te vermijden. Jan Jambon benadrukt dat het regeerakkoord afwijst om sectorale discussies over zware beroepen te heropenen, maar inzet op werkbaarheid via preventie, aangepast werk en flexibele eindeloopbanen (deeltijds werken vanaf 55). Vincent Van Quickenborne aanvaardt dat de kwestie hiermee is afgesloten. De focus ligt op effectief gewerkte dagen (min. 234/jaar) en het vermijden van statische regels die innovatie in arbeidsomstandigheden ontmoedigen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de 42-60-regel die in het regeerakkoord staat. Die houdt in dat men na een loopbaan van 42 effectief gewerkte jaren op 60 jaar met pensioen kan gaan. Vandaag kan dat niet, want men moet 44 jaar gewerkt hebben. Dat is eigenlijk een stapje achteruit.
Ik herinner me een discussie in de regering-Michel over de zware beroepen. Er werden toen lijsten gemaakt en plotseling had drie vierde van de mensen een zwaar beroep. Iedereen had een zwaar beroep, behalve politici. Dat was de conclusie.
Is de 42-60-regel het enige wat u doet in termen van de lange loopbaan en is de discussie dan afgesloten? Acht u het soms mogelijk dat er alsnog discussies ontstaan over zware beroepen in andere sectoren?
Jan Jambon:
Het regeerakkoord bakent de diverse pensioenhervormingen af en bepaalt binnen welk kader deze hervormingen zullen verlopen. Daarbij wordt, zoals al een paar keer gezegd, een sterke link gelegd tussen effectief werken en de opbouw van pensioenrechten.
Zo wordt vanaf 2027 inderdaad in de mogelijkheid voorzien voor lange effectieve loopbanen om vervroegd op pensioen te gaan vanaf de leeftijd van 60 jaar wanneer men minstens 42 jaar heeft gewerkt en men elk jaar minstens 234 dagen effectief heeft gewerkt. Dat laat de mensen die vroeg met hun loopbaan zijn gestart toe om eerder te stoppen met werken. Vaak zijn dat arbeiders in fysiek belastende beroepen, bijvoorbeeld in de bouw. In die zin is deze nieuwe mogelijkheid van vervroegd pensioen na een lange effectieve loopbaan inderdaad een manier om in de pensioenwetgeving met zware beroepen of belastende arbeidsomstandigheden om te gaan.
Zoals u weet en zoals in het verleden herhaaldelijk is gebleken, is er bij het openen van de discussie over een lijst van zware beroepen een garantie dat daarover geen consensus kan worden bereikt tussen en met de sociale partners uit de diverse regimes en sectoren. Bij de afbouw van diverse preferentiële regimes van vervroegd uittreden in de publieke sector, bijvoorbeeld bij Defensie, voorzien we in de nodige begeleidende maatregelen inzake aangepast werk. Dat is wat ons betreft een betere aanpak dan de onmogelijke opdracht van het opstellen van een lijst van zware beroepen, die dan ook nog eens in de pensioenwetgeving moet worden vertaald.
Zoals u weet kunnen zware beroepen immers veranderen in de tijd in werkbare of veilige beroepen na een bewust preventiebeleid. Dat is iets waar we in deze legislatuur sterk op inzetten. We willen een pensioenwetgeving vermijden die ertoe zou leiden dat de sociale partners geen prikkel meer hebben om van belastende functies werkbare functies te maken.
We zetten tevens in op een flexibel eindeloopbaanbeleid waarbij we werknemers ondersteunen om langer maar werkbaar aan het werk te blijven. Voor oudere werknemers blijft het mogelijk om op het einde van hun loopbaan via een landingsbaan deeltijds of vier vijfde te werken vanaf 55 jaar.
Neen, wij plannen in dit regeerakkoord dus niet de discussie over de zware beroepen op een andere manier te openen dan door de maatregelen in het regeerakkoord.
Vincent Van Quickenborne:
Dat is een duidelijk antwoord, waarvoor dank.
De onderhandelingen tussen Trump en Poetin over Oekraïne
Het vredesplan van Trump en Poetin voor Oekraïne
De besprekingen tussen Trump en Poetin over de oorlog in Oekraïne, en de plaats van Europa
De positie van Europa tussen de VS en Rusland
Oekraïne
Oekraïne
Rusland, VS en Europa in Oekraïne-conflict
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België en de EU verwerpen de eenzijdige vredesonderhandelingen van Trump en Poetin over Oekraïne, die territoriale concessies en NAVO-uitsluiting afdwingen zonder Europese of Oekraïense inbreng, en benadrukken dat geen besluit over Oekraïne zonder Oekraïne en de EU kan. België bevestigt onverminderde militaire (o.a. gevechtsvliegtuigen, pantservoertuigen) en financiële steun aan Kiev, wijst het omstreden VS-grondstoffenakkoord (500 miljard dollar, onjuist bedrag) af, en dringt aan op Europese strategische autonomie, inclusief versterkte defensie-investeringen en een 16e sanctiepakket (o.a. Russische schaduwvloot, aluminium, chemische export). De minister noemt het VN-stemgedrag van de VS ("schande") en hamert op een Europese vredesarchitectuur met Oekraïne als volwaardige partner, terwijl hij bilaterale deals tussen Kiev en Washington niet kan blokkeren maar wel Europese alternatieven wil uitwerken. Urgente eensgezindheid op de EU-top van 6 maart is cruciaal om een Munich-achtig scenario te vermijden.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, de Amerikaanse president Trump heeft zonder enige afstemming met Europese bondgenoten het initiatief genomen om vredesbesprekingen over Oekraïne op te starten. In een verrassende wending heeft hij directe onderhandelingen met de Russische president Poetin geïnitieerd en daarbij aangegeven dat Oekraïne mogelijk territoriale concessies moet doen en dat het NAVO-lidmaatschap voor Oekraïne niet realistisch is. Voorts draaide hij de waarheid om door Oekraïne te verwijten de oorlog te zijn gestart en stelde hij dat president Zelensky een dictator is.
Die situatie roept grote vragen op over de positie en de invloed van Europa in het conflict en over de strategische autonomie van de Europese Unie. Terwijl Trump en Poetin de toon zetten met betrekking tot de toekomst van Oekraïne, lijkt Europa opnieuw grotendeels aan de zijlijn te staan, afgezien van het feit dat president Macron en premier Starmer bij Trump mogen langsgaan.
Wat is uw reactie op het feit dat België en de EU als geheel niet formeel zijn betrokken bij de onderhandelingen?
Welke diplomatieke initiatieven zal België nemen, zowel bilateraal als in de EU, opdat Europa toch een volwaardige stem aan de onderhandelingstafel krijgt?
Welke garanties biedt België dat het Oekraïne zal blijven steunen, zowel op militair als op civiel vlak?
Hoe zal België in de EU pleiten voor een onderhandelingskader waarin Oekraïne zelf volledig maar ook volwaardig wordt betrokken, om te voorkomen dat er boven het hoofd van Oekraïne beslissingen worden genomen over de soevereiniteit en veiligheid, zoals nu wellicht gebeurt door de nieuwe grondstoffendeal met Trump?
François De Smet:
Monsieur le ministre, comme je n'ai pas encore eu l'occasion de vous le dire en commission, je tiens à vous féliciter pour votre poste et à vous souhaiter le meilleur dans cette belle fonction.
Depuis le coup de fil du 13 février dernier entre MM. Trump et Poutine au sujet de l'Ukraine, l'histoire s'accélère. Si nous en croyons les déclarations du président américain et de son secrétaire d' É tat à la Défense, les É tats-Unis considèrent déjà que l'Ukraine devra faire des concessions territoriales et ne pourra jamais faire partie de l'OTAN.
Je crois qu'il faut voir les choses en face: nous avons affaire à une administration américaine imprévisible et pro-russe. Elle est même à deux doigts d'estimer que c'est l'Ukraine qui devrait presque s'excuser d'avoir été attaquée.
Tout indique que nous nous dirigeons vers un règlement de paix en l'absence des principaux intéressés, à savoir les Ukrainiens, mais aussi les Européens. Tout indique aussi qu'après des années de lutte soutenues par les Occidentaux, l'Ukraine sera abandonnée et forcée à une paix qui n'en sera pas vraiment une.
Si l'Ukraine se retrouve à devoir accepter le dépeçage de son pays, si elle doit accepter que la loi du plus fort l'emporte sur le respect des frontières et du droit international, alors c'est l'ensemble de nos valeurs qui sera bafoué.
Comme je l'ai souvent répété durant la dernière législature, notre pays fait partie des États européens qui auraient dû aider davantage et mieux l'Ukraine.
Nous avons certes fourni de l'aide, mais en retenant toujours quelque peu notre effort, contrairement à d'autres pays comparables, comme les Pays-Bas par exemple. C'est la raison pour laquelle nous sommes toujours considérés comme appartenant à la seconde division de l'aide militaire.
Quelle sera l'attitude la Belgique, face à ce tournant important?
Quelle sera notre position face à ce qui se dessine comme, au mieux, un nouveau Yalta et, au pire, un nouveau Munich, dont les Européens apparaissent pour l'instant comme les grands absents et les grands exclus?
Quelle position allons-nous adopter au sein du concert des nations européennes?
Si jamais la paix ne se réalise pas, ce que nous ne devons pas exclure, continuerons-nous à aider financièrement et militairement, peut-être plus que jamais, les Ukrainiens qui ont vocation à rejoindre à terme l'OTAN ainsi que notre Union européenne?
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, la conférence de Munich, c'était une étape, mais je pense que nous sommes déjà beaucoup plus loin dans la rhétorique et dans l'action brutale du président Trump en concertation avec Vladimir Poutine pour, quelque part, se repaître du cadavre. Nous voyons également à quel point ils essaient de contraindre le président Zelensky à conclure un accord sur les terres rares et les minerais précieux en Ukraine pour rembourser l'aide militaire des États-Unis, on parle d'un marché de 500 milliards.
Négociations de paix sur un territoire souverain sans que ni le gouvernement de ce territoire souverain, ni l'Union européenne, les alliés traditionnels et historiques des États-Unis, y soient associés. Tout cela remet sur un plateau, quelque peu honoré aujourd'hui, Vladimir Poutine.
Le risque de voir l'Ukraine et l'Europe mises devant le fait accompli est aujourd'hui réel, d'autant que Washington semble, désormais, considérer comme irréaliste l'adhésion de l'Ukraine à l'OTAN et un retour aux frontières d'avant 2014. Alors que l'Europe doit jouer un rôle accru dans la gestion des crises internationales, il est impératif que la voix de nos institutions et de nos partenaires soit entendue. Dans ce contexte, il me semble essentiel que notre pays défende une approche cohérente et équilibrée.
Dès lors, quelle est la position officielle et claire de la Belgique face à ces récentes évolutions et au risque d'un accord négocié en dehors du cadre européen et ukrainien? Quelles initiatives la Belgique peut-elle soutenir pour garantir que l'Ukraine et l'Union européenne restent pleinement impliquées et que leurs intérêts soient préservés? Et pourquoi avoir seulement regretté amèrement et non pas avoir condamné le double vote qui a été amené entre la Russie et les É tats-Unis sur l'Ukraine, lâchant totalement à la fois les Ukrainiens mais également les alliés européens?
Kathleen Depoorter:
Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Via verschillende kanalen vernemen we dat de Verenigde Staten en Oekraïne bijna een akkoord hebben bereikt waarbij de VS toegang krijgen tot Oekraïense zeldzame aardmetalen. In ruil hiervoor zou de VS militaire steun blijven verzekeren. Het is dit akkoord dat de achterliggende reden zou zijn van de spanningen tussen de Amerikaanse president Trump en de Oekraïense president Zelensky. President Trump bekritiseerde president Zelensky openlijk in niet te verstane bewoordingen toen Oekraïne terughoudend was om het akkoord te ondertekenen. De Britse krant The Telegraph zou het document met de grondstoffen-“deal” in haar bezit hebben of minstens hebben kunnen inzien. Het zou gaan om een kleine 500 miljard dollar in waarde, waarvan de VS exclusieve toegang zou krijgen.
In Frankrijk verklaarde president Macron na overleg met negentien landen, waaronder België, dat er een eensgezind standpunt van de betrokken Europese landen is over Oekraïne. Dat standpunt legt de nadruk op duurzame vrede en robuuste garanties. Indien dit klopt, zou dit kunnen betekenen dat Europa zich in bredere zin positioneert tegenover de geopolitieke implicaties van het mogelijke akkoord tussen de VS en Oekraïne. Daarnaast wordt een nieuwe ronde van sancties tegen het Russische regime voorbereid.
Mijn vragen voor de minister:
Gezien deze ontwikkelingen en de potentiële impact op zowel de Europese als Belgische belangen, verneem ik graag wat de officiële positie van België is ten aanzien van het voorgestelde grondstoffenakkoord tussen de VS en Oekraïne?
Hoe beoordeelt de Belgische regering de mogelijke gevolgen van dit akkoord voor de Europese veiligheid en economie?
Indien het klopt dat de animositeit tussen president Trump en president Zelensky haar oorsprong vindt in het dispuut over de grondstoffen: wat is de positie van de Europese landen hierin?
Klopt volgens u de bewering van president Trump dat de VS meer hulp aan Oekraïne heeft gestuurd dan de Europese landen? Wat is volgens u de verhouding tussen beiden?
President Trump staaft de exclusieve toegang tot Oekraïense grondstoffen op het feit dat de VS het meest hebben bijgedragen in de steun. Hoe rijmt u dat met het antwoord op de vorige vraag? Klopt het circulerende bedrag van 500 miljard dollar?
Zeldzame metalen en grondstoffen vormen de inzet op geopolitiek vlak: onder andere China probeert deze in Afrika te controleren en de Europese landen hebben er steeds moeilijker toegang toe. Werd er door de Europese landen gesproken over een alternatieve grondstoffen-“deal” ten voordele van de Europese landen?
Het Verenigd Koninkrijk kondigde nieuwe sancties aan tegen de Russische Federatie. Vanuit Europa zou eenzelfde pakket onderweg zijn: wat zijn hiervan de contouren en welke sectoren van de Russische Federatie worden hier in het vizier genomen?
Wordt er op Europees niveau onderzoek gedaan naar de zogenaamde “grijze” of “schaduwvloot” van de Russische Federatie? Onderzoekt men hoe deze vloot tot stand kwam met behulp van mogelijk Europese bedrijven?
Els Van Hoof:
Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Mijnheer de minister, het Amerika van Trump lijkt wel een bondgenoot van Poetin. Met zijn uitspraken lijkt Trump Zelensky en Oekraïne te laten vallen als een baksteen. Anderzijds lijken de Verenigde Staten wel geïnteresseerd in de Oekraïense grondstoffen. Onderhandelingen voor een deal rond grondstoffen zouden zich in een finale fase bevinden.
Zoals u aangaf in de marge van Europese Raad op maandag, blijft het cruciaal dat ook Oekraïne en Europa mee aan tafel zitten om de toekomst van Oekraïne vorm te geven. Tegelijk blijft het cruciaal om het lot van Oekraïne én Europa zelf in handen te nemen. Op de afgelopen Raad Buitenlandse Zaken kwam Oekraïne alvast aan bod, waar een zestiende sanctiepakket tegen Rusland werd aangenomen. Ook kondigde commissievoorzitter von der Leyen alvast 3,5 miljard euro extra financiële steun aan voor Oekraïne.
Ik heb daarom voor u de volgende vragen:
Welke concrete maatregelen werden op de Raad Buitenlandse Zaken genomen om Oekraïne zonder de VS verder te ondersteunen, zowel op diplomatiek vlak als wat betreft veiligheids- en economische samenwerking? Welke stappen heeft u daartoe verdedigt op de Raad?
Welke concrete stappen zal de Europese Unie nemen om haar eigen veiligheidsarchitectuur verder te versterken, nu de VS niet langer als een betrouwbare bondgenoot kan worden beschouwd?
Welke bilaterale steun van België aan Oekraïne is nog gepland? Waaruit bestaat die steun concreet?
Maxime Prévot:
Collega’s, u stelt allen terechte vragen inzake deze toch wel bijzondere wending in de houding van de Amerikaanse partner en bondgenoot. Wat de uitsluiting van Europa en Oekraïne betreft, is onze houding altijd geweest dat geen beslissing over Oekraïne kan worden genomen zonder Oekraïne daarbij te betrekken en dat niets over de EU kan worden beslist zonder de EU.
Et c'est d'autant plus le cas aujourd'hui, au moment où la nouvelle administration américaine semble défendre des positions qui vont à l'encontre de nos principes. Depuis trois ans, l'Ukraine se bat pour sa survie face à l'envahisseur russe. Nous ne pouvons accepter que les responsabilités de Moscou dans cette guerre d'agression soient minimisées ou relativisées à la lumière d'une lecture biaisée de l'Histoire. Aucun accord relatif à l'avenir de l'Ukraine ne sera durable ou acceptable sans que l'Union européenne et l'Ukraine y soient pleinement associées.
Sinds 2022 hebben de EU en haar lidstaten 134,5 miljard euro steun verleend aan Oekraïne, waaronder 48,5 miljard euro militaire bijstand. Gezamenlijk heeft de EU in 2024 meer dan de helft van alle militaire steun aan Oekraïne verstrekt. Volgens cijfers die onlangs door het Kiel Institute zijn gepubliceerd en door The Economist zijn overgenomen, bedraagt de hulp van de Verenigde Staten aan Oekraïne 114 miljard euro. De schuld van 500 miljard dollar die de regering-Trump de afgelopen dagen heeft genoemd, lijkt op basis van mijn informatie onjuist en schromelijk overschat.
De EU is niet betrokken bij bilaterale besprekingen over de exploitatie van zeldzame mineralen in Oekraïne. Dat is een gesprekwonderwerp tussen Oekraïne en de VS.
Nous regrettons les démarches américaines unilatérales, non concertées avec les alliés européens, ainsi que leur approche éminemment transactionnelle, qui semble guider l'administration Trump à ce stade.
J'en viens à l'épisode de lundi à New York, aux Nations Unies. On a dû compter sur une mobilisation européenne massive, à défaut d'être unanime, pour contrecarrer la proposition de résolution américaine qui ne parlait pas de violation de l'intégrité territoriale de l'Ukraine et qui parlait du conflit russo-ukrainien, plaçant les deux parties sur un même pied, en oubliant d'identifier qui est l'agresseur et qui est la victime. Cela a été évidemment un épisode marquant, et je dis même choquant.
La résolution proposée par les Européens et l'Ukraine, avec les amendements qui ont été apportés, a pu être soutenue majoritairement à l'Assemblée générale, mais elle n'a pas connu le même sort, hélas, au Conseil de sécurité des Nations Unies, quelques heures plus tard.
Je redis ici ce que j'ai condamné publiquement hier à Genève, ayant eu l'opportunité de m'exprimer juste après mon homologue le ministre des Affaires étrangères de Hongrie, qui n'avait pas nécessairement, pour le dire pudiquement, la même lecture des évènements que moi. Le vote intervenu au Conseil de sécurité des Nations Unies est une honte. Je pense qu'il ne peut pas y avoir de révision de l'Histoire au point, finalement, que l'Ukraine soit salie par des propos visant à assimiler son dirigeant à un dictateur, au point que l'Ukraine soit salie par des propos visant à sous-entendre qu'elle pourrait avoir suscité ou généré le conflit. L'Ukraine ne peut pas être méprisée ni abandonnée. La Belgique est d'une clarté limpide sur ce sujet. Nous sommes et nous resterons des alliés de l'Ukraine.
Les évènements des derniers jours doivent donc nous pousser à faire preuve de réalisme et de lucidité. Qu'on le veuille ou non, nous devons urgemment développer une politique et une approche qui nous garantiront une place à la table des négociations.
Daarom zijn de initiatieven die de Franse president Macron, de voorzitter van de Europese Raad Costa en de ministers van Buitenlandse zaken van de 27 lidstaten nu ontwikkelen van groot belang.
Il est absolument indispensable d'apporter une réaction européenne unanime, rapide et vigoureuse pour garantir un processus de paix qui inclut toutes les parties prenantes dont la Belgique. On sait que cette unanimité n'est aujourd'hui pas acquise.
Il est également clair que les garanties de sécurité d'un éventuel accord devront être développées par l'Europe tant pour assurer le respect de l'accord en question que pour garantir notre propre sécurité. Notre pays prendra ses responsabilités en la matière et ceci passera probablement par une hausse, à court terme, des dépenses de défense.
Pour rappel, l'accord bilatéral de sécurité signé entre l'Ukraine et la Belgique, en mai de l'année dernière, lie nos deux pays pour une période de dix ans. Il symbolise notre engagement à soutenir durablement l'Ukraine dans le domaine militaire et prévoit, entre autres, la livraison d'avions de combat, de véhicules blindés modernes et d'équipements divers. Une coopération est également prévue dans les domaines de l'industrie de la défense, du renseignement, de la cybersécurité ou de la lutte contre la désinformation.
La diplomatie belge reste pleinement mobilisée. Le premier ministre et moi-même avons multiplié les contacts avec nos homologues ukrainiens, européens et américains afin de plaider pour une paix juste et durable. Mon collègue en charge de la Défense a également eu des contacts avec son homologue. Seule l'Ukraine, en étroite coopération avec ses alliés, est en mesure de déterminer si le contexte est propice à l'ouverture de négociations. La Belgique a toujours fait partie des contributeurs importants en matière d'aides à l'Ukraine. C'est à ce titre que le premier ministre De Wever a récemment été contacté par le président Macron. Ces derniers jours, le Royaume-Uni, le Canada, la Norvège et l'Islande ont confirmé qu'ils partageaient la vision européenne du conflit et certainement pas l'obtention de la paix par la force.
Wat ik vandaag ook kan meegeven, is het besef van urgentie en de nood aan een flexibele modus operandi in de EU, die ook België bepleit. We moeten op korte termijn concrete resultaten boeken. In de afgelopen maanden zijn bepaalde Europese hulpmechanismen voor Oekraïne geblokkeerd of gegijzeld door bepaalde EU-lidstaten. Dit is niet langer acceptabel. De tijd is tegen ons.
Pour qu'il n'y ait pas de mauvaise compréhension, il est clair que les pays que j'ai évoqués partagent cette vision européenne du conflit, avec la nécessité – au besoin, par le soutien militaire constant à apporter à l'Ukraine – d'obtenir par la force la cessation du conflit, même s'il y a lieu de déployer tous les efforts diplomatiques afin de parvenir à cette cessation par la négociation.
Het zestiende pakket EU-sancties tegen Rusland werd op 24 februari 2025 goedgekeurd. Het bevat bijkomende oplijstingen van personen en entiteiten die de Russische oorlogseconomie ondersteunen en nadere exportverboden op gevoelige goederen die de Russische oorlogseconomie ondersteunen, zoals chemicaliën, CNC-software en chroom. Ook worden verdere maatregelen getroffen tegen de Russische transport- en infrastructuursectoren. Daarbovenop wordt een importverbod van aluminium uit Rusland toegevoegd. Verder zijn er veel technische wijzigingen die dienen om sanctieomzeiling tegen te gaan en de uitvoering te vereenvoudigen.
In het zestiende pakket worden ook meer dan 70 schepen uit de Russische schaduwvloot gesanctioneerd. Verder worden de bewegingen van die schaduwvloot nauw gevolgd door de maritieme autoriteit van lidstaten en door de Europese Commissie. Landen die aan de Noordzee of Baltische Zee grenzen, waaronder België, zijn zich erg bewust van de mogelijke dreiging die uitgaat van die schaduwvloot. Zij werken samen om die schepen stil te leggen en de uitbreiding van de vloot tegen te gaan. Daarbij wordt ook actief samengewerkt met de zogenaamde vlaggenstaten wereldwijd.
Diplomatiek overleg is nog volop aan de gang om de volgende stappen te bepalen die de Europese Unie zou kunnen nemen. De komende Europese Raad van 6 maart 2025 zal zich over dat thema buigen.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.
Het is inderdaad van cruciaal belang dat Europa niet buitenspel wordt gezet in dit conflict en dat wij gezamenlijk blijven opkomen voor de soevereiniteit en de veiligheid van Oekraïne. Ik ben blij dat u binnen maar ook met de Europese Unie blijft aandringen op een volwaardige rol aan de onderhandelingstafel. Enkel door een sterke, eensgezinde Europese houding kunnen wij voorkomen dat beslissingen over Oekraïne zouden worden genomen zonder Oekraïne. Het is essentieel dat onze steun aan Oekraïne, zowel militair als humanitair, onverminderd doorgaat. Het is zoals u zegt, België blijft een bondgenoot van Oekraïne. Dat is meer dan nodig.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, franchement, je voudrais vous féliciter pour votre réponse. Vous rendez honneur à ce pays, à l'Union européenne et à la victime, l'Ukraine. Je vous remercie pour cela.
Cependant, vous êtes quelque part coincé, au sein de cette majorité, avec la vision pro-atlantiste qui était dans la déclaration de politique gouvernementale et qu'il va falloir rapidement corriger. Je serai attentif à ce que le sommet européen du 6 mars donnera, car je suis convaincu, comme vous, que c'est l'occasion de construire une nouvelle feuille de route européenne, sans se résigner. Construisons cette feuille de route et réorientons notre politique économique, diplomatique, notre stratégie militaire également, sur le long terme. Abandonnons la centralité américaine comme point de référence!
Les États-Unis étaient nos alliés. Je croyais qu'ils allaient rester nos partenaires. Je me demande s'ils ne vont pas devenir, bientôt, un jour, nos adversaires. Je vous encourage, en tout cas, à faire tout ce que vous pouvez pour que nous soyons fermes. Je pense que Poutine, comme Trump sont des gens brutaux qui ne comprennent que les rapports de force et partagent très peu de valeurs morales et humaines. Bien sûr, on ne conduit pas le monde simplement sur des valeurs, il y a des rapports de force, mais l'Union européenne ne se laissera pas faire. Vous en avez été le témoin, ici, et je vous remercie d'avoir utilisé deux expressions importantes à propos du vote intervenu aux Nations Unies. Vous l'avez condamné publiquement et vous avez dit que c'était une honte. Je vous remercie pour cela.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos propos assez forts sur ce qui s'est produit à l'ONU.
Non, nous ne pouvons pas accepter, au XXI e siècle, que la force entérine des frontières en Europe. C'est impossible, de sorte qu'on a raison d'en faire une question de principe. Non, nous ne pouvons pas accepter la lecture actuelle des É tats-Unis, et nous devons nous en émanciper. J'ai l'impression que les Européens sont en train de se diviser en deux blocs: ceux qui pensent qu'il est encore possible de raisonner M. Trump en allant le voir et en lui expliquant la réalité de la situation, et les autres, qui, eux, ont conscience que cet homme est imprévisible.
Or, si on fait preuve de lucidité face à ses propos et à ses intentions ainsi qu'à ceux de ses proches, il y a un tropisme pro-russe qu'il faut pouvoir intégrer avec cette administration. En tout état de cause, nous pensions tous que le premier Trump serait une parenthèse, et il ne faut pas faire l'erreur de penser que le deuxième en sera une également, même si nous espérons tous pouvoir un jour reprendre nos partenariats avec les Américains.
Nous ne sommes pas encore autour de la grande table européenne en raison de la faiblesse de notre aide militaire, mais nous avons une compensation sous la forme de notre vaste réseau diplomatique – vous en êtes désormais à la tête – qui permet à la Belgique, aux moments clés de l'histoire, de jouer un rôle essentiel. Je ne peux donc que vous encourager à continuer à mettre un pied dans la porte et à continuer à ne pas exclure la possibilité que la guerre se poursuive. En effet, il est tout à fait possible que les efforts de paix n'aboutissent pas. Dans un tel cas, nous devrons être au rendez-vous et apporter l'aide militaire à l'Ukraine.
Kathleen Depoorter:
Mijnheer de minister, de steun van ons land aan Oekraïne moet inderdaad krachtig en duidelijk zijn. Oekraïne misprijzen door te roepen dat het een conflict zou hebben uitgelokt, kunnen wij niet aanvaarden. Het is goed dat dat hier wordt veroordeeld.
Als N-VA-fractie zullen wij de zoektocht naar middelen voor defensie blijven ondersteunen. Minister Francken is daar op het moment al mee bezig. We moeten ervoor zorgen dat we klaar staan om onze toch bijna buur, Oekraïne, verder te helpen.
Ik ben verheugd over de rechtzetting in verband met de middelen. Als Europa effectief 134 miljard steun heeft gegeven aan Oekraïne en de VS 114 miljard, zoals u nu zegt, dan moeten we er rekening mee houden dat men zich aan de andere kant van de Atlantische Oceaan een beetje rijk aan het rekenen is. Hoezeer we ook een partner blijven van de Verenigde Staten, het kan niet dat ze zich rijk rekenen op de rijkdommen en de mineralen die in Oekraïne aanwezig zijn. Het factchecken van de cijfers is belangrijk. We zullen dat moeten blijven doen.
Zoals u aangaf, is het heel belangrijk dat een vredesakkoord onderhandeld wordt met de partners aan tafel. Het kan niet anders dan dat Oekraïne en de Europese Unie daarbij aanwezig zijn. U krijgt al onze steun om er met eerste minister De Wever voor te gaan en om het vredesakkoord te bepleiten met de mensen die echt aan zet zijn.
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw krachtig antwoord. Er kan inderdaad geen duurzame vrede zijn zonder Oekraïne aan de tafel, en ook niet zonder de Europese Unie die in veiligheidsgaranties zal moeten voorzien. Het is ook belangrijk dat we blijven inzetten op militaire en humanitaire steun en dat er in de Europese Unie eensgezindheid bestaat, zodat we een krachtig signaal kunnen geven en ons lot in eigen handen kunnen nemen, samen met Oekraïne. Ik heb Kiev twee keer bezocht tijdens de oorlog en het is me bijgebleven dat de miljarden euro's die we hebben gegeven nog altijd niet voldoende zijn. Ik herinner me heel goed het discours aldaar: Oekraïne moet kiezen waar ze één kogel kunnen inzetten om hun grondgebied en hun burgers te beschermen tegenover zes kogels voor Rusland. Dat is onaanvaardbaar. We moeten steun blijven geven en mogen ons niet voorhouden dat het genoeg is. Onze regering is in dat verband eensgezind, net als de oppositie.
De meerwaardebelasting
De meerwaardebelasting of 'Jambontaks'
De meerwaardebelasting (gelijkheidsprincipe)
De meerwaardebelasting (aanmerkelijk belang)
De meerwaardebelasting (historische meerwaarden en peildatum)
De meerwaardebelasting (aftrekbaarheid en dubbele belastingen)
De meerwaardebelasting (fonds voor schuldafbouw)
De meerwaardebelasting (fiscale ontwijking)
De meerwaardebelasting (beleggers op lange termijn)
De kwalificatie van de Jambontaks als belasting of als bijdrage
De meerwaardebelasting (fiscale of parafiscale behandeling)
De meerwaardebelasting
De modaliteiten van de meerwaardebelasting
Het akkoord over een meerwaardebelasting
De meerwaardebelasting
De meerwaardebelasting
De meerwaardebelasting en de vraag wie die zal betalen
De meerwaardebelasting
De meerwaardebelasting
De Reynderstaks
De meerwaardebelasting en gerelateerde fiscale aspecten
Gesteld door
PTB
Sofie Merckx
VB
Wouter Vermeersch
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
VB
Wouter Vermeersch
VB
Lode Vereeck
Groen
Dieter Vanbesien
VB
Lode Vereeck
PS
Hugues Bayet
PTB
Sofie Merckx
Groen
Dieter Vanbesien
PTB
Sofie Merckx
DéFI
François De Smet
Ecolo
Sarah Schlitz
VB
Wouter Vermeersch
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Bart De Wever (Eerste minister)
op 25 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het actualiteitsdebat over de geplande *meerwaardebelasting* (of "solidariteitsbijdrage") onthult diepgaande fiscale onduidelijkheid en politieke tegenstellingen: de regering belooft een 10%-heffing op gerealiseerde meerwaarden boven €10.000 (met uitzonderingen voor historische winsten en grote beleggers met 20%+ belangen), maar modaliteiten, peildata, aftrekbaarheid van kosten/minwaarden en de relatie met bestaande belastingen (bv. Reynderstaks) ontbreken volledig, terwijl ultrarijken via holdings onbelast blijven. Kritiek richt zich op rechtsonzekerheid, mogelijke dubbelbelasting, en het ontbreken van een echte "miljonairstaks"—terwijl de oppositie geheime akkoorden en communautaire scheefgroei (Vlamingen vs. Walen) aankaart. Minister Jambon belooft parlementaire verduidelijking bij de wetsindiening, maar concrete antwoorden blijven uit.
Voorzitter:
Dames en heren, ik herinner eraan dat conform artikel 129 van ons Reglement er een actualiteitsdebat wordt georganiseerd zodra er meer dan vijf vragen over hetzelfde onderwerp worden ingediend. De spreektijden worden geregeld in artikel 125. De spreektijd is beperkt tot 2 minuten per spreker, tot 5 minuten voor het antwoord van de regering en 2 minuten voor de repliek voor de vraagstellers.
Wie geen vraag indiende maar zich bij het actualiteitsdebat wenst aan te sluiten, heeft de keuze om het woord te nemen tijdens het stellen van de vragen of tijdens de replieken gedurende 2 minuten.
Lode Vereeck:
Voor een goed begrip, voorzitter, 2 minuten per spreker, en niet 2 minuten per vraag?
Voorzitter:
Zoals ik het Reglement lees, is het 2 minuten per spreker.
Wouter Vermeersch:
Ik vind het een beetje vreemd, mijnheer de voorzitter. Normaal gezien heeft men 2 minuten spreektijd als men een vraag apart indient. Nu worden alle vragen samengevoegd. In mijn geval moet ik dus drie vragen in 2 minuten proppen.
Collega Vereeck heeft er een stuk of tien ingediend. Hij moet dus tien vragen stellen in 2 minuten. Ik veronderstel veel kracht en wijsheid bij collega Vereeck, maar tien vragen samenvatten in 2 minuten is gewoon onmogelijk.
Dat is ook niet het gebruik in de commissie voor Financiën, die toch complexe materies behandelt. Het eerste debat gaat over een heel complexe belasting. Ik veronderstel dat men geen tien complexe vragen over een complexe belasting in 2 minuten kan stellen.
Het is niet de praktijk die we hebben toegepast. In een actualiteitsdebat is er normaal wel wat ruimte, maar natuurlijk is er ook nood aan collegialiteit van de sprekers om het debat beperkter te houden dan bijvoorbeeld tien keer 2 minuten per spreker. Het is niet dat we onze interventies tot 20 minuten laten uitlopen, maar ik wil u toch vragen enige flexibiliteit aan de dag te leggen.
Voorzitter:
Mijnheer Vermeersch, daarom heb ik daarstraks aan uw collega in alle openheid en transparantie aangegeven wat de werkwijze zou zijn.
Ik zal u citeren uit het Reglement, dat u altijd heel belangrijk vindt, ook hier in de commissie. Daarover worden ook brieven geschreven naar de Kamervoorzitter.
Ik citeer op bladzijde 115, artikel 125: "De spreektijd per vraagsteller bedraagt 2 minuten. Het lid van de regering beschikt over 5 minuten om te antwoorden." Ik ga verder: "Met uitsluiting van de fractie waartoe de vraagsteller behoort, mag per fractie nog één spreker het woord nemen gedurende 2 minuten, naar keuze onmiddellijk na de vraagstellers of na de replieken van de vraagstellers op het antwoord van de regering. Na het antwoord van de regering kunnen de vraagstellers repliceren. Hun spreektijd bedraagt 2 minuten."
Dat is het Reglement en dat Reglement moet ik als voorzitter toepassen.
Dat gezegd zijnde, ik heb nog nooit iemands woorden afgekapt omdat hij 5 seconden te veel sprak. Ik zal de betogen wel afkappen als ze een minuut te lang duren. Zoveel flexibiliteit wil ik op voorhand wel aankondigen als voorzitter van de commissie.
Ik stel voor, collega's, dat we de volgorde van de sprekers aanhouden in de volgorde waarin de vragen werden ingediend.
Sofie Merckx:
Monsieur le ministre, je pense que tout le monde se demande qui va payer la taxe sur les plus-values, soit la "contribution de solidarité" telle que nommée dans l'accord de gouvernement. Avec le PTB, durant les débats parlementaires qui ont duré 40 heures, nous avons assez vite compris que ce ne seraient pas les ultra-riches. Parce que cette taxe, comme vous l'avez dit lors du débat, sera appliquée sur l'impôt des personnes physiques et pas sur l'impôt des sociétés. Or nous savons tous que les ultra-riches gèrent et transmettent leur patrimoine via leurs sociétés.
En 2022, par exemple, la famille Spoelberch, bien connue et ultra-riche, a vendu sa participation dans Hillebrand et a fait une plus-value de pas moins de 120 millions d'euros. Combien de taxes a-t-elle payé sur cette vente? Zéro euro, parce qu'elle est passée par sa société Cobepa. Aujourd'hui, nous nous demandons si, après l'introduction de la taxe sur les plus-values telle que décrite dans l'accord de gouvernement, cette plus-value-là serait taxée. Je pense que la réponse est non.
Cependant, ce weekend, dans De Tijd , un journaliste a posé la question à M. Van Peteghem. Je vais citer ici la réponse de M. Van Peteghem en néerlandais.
In een interview in De Tijd verklaarde minister Van Peteghem het volgende: "Het moet de bedoeling zijn dat de sterkste schouders bijdragen." De journalist repliceerde als volgt: "Zo ziet het er toch niet naar uit, want de superrijken beheren de aandelen in bedrijven via holdings en managementvennootschappen." Daarop zei de heer Van Peteghem: "Het is aan de minister van Financiën om de belasting zo uit te werken dat ze de doelstelling haalt en 500 miljoen euro opbrengt."
Monsieur le ministre, confirmez-vous que la taxe sur les plus-values telle qu’inscrite dans l’accord de gouvernement s’appliquera à l’impôt des personnes physiques et non à l’impôt des sociétés? Ces dernières pourront-elles donc continuer à bénéficier d’une exonération au travers du régime des revenus définitivement taxés?
Avez-vous finalement trouvé un accord au sein du Conseil des ministres sur les modalités précises de cette taxe sur les plus-values?
Enfin, comment arrivez-vous aujourd’hui à un rendement de 500 millions d’euros de ces taxes alors que les modalités ne sont pas claires?
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de voorzitter, collega's, vandaag wens ik de minister van Financiën eerst en vooral te ondervragen over een maatregel die niet alleen voor fiscale onzekerheid zal zorgen, maar ook bijzonder complex dreigt te worden, namelijk de meerwaardebelasting, eufemistisch de solidariteitsbijdrage genoemd, maar in de wandelgangen nu al omgedoopt tot de zogenaamde Jambontaks. Traditioneel wordt een belasting vernoemd naar de minister van Financiën; denk maar aan de Reynderstaks, waarop ik straks nog terugkom.
Het wordt een fiscale maatregel vol onduidelijkheden. Hoewel de fiscale opbrengst vastligt in de begrotingstabellen, zijn de modaliteiten vandaag bijzonder onduidelijk. Zowel spaarders als experts hebben talloze vragen. Wanneer gaat de belasting in? Op welke producten zal ze van toepassing zijn? Zal de prijsbepaling gebeuren via de FIFO- of de LIFO-methode? Hoe verhoudt deze maatregel zich tot bestaande belastingen zoals de Reynderstaks of de beurstaks? Wie zal de belasting inhouden, de belastingbetaler of de broker? Ook verschillende regeringsleden spreken elkaar tegen, zoals de collega net al aanhaalde.
Mijnheer de minister, bent u bereid om de modaliteiten van die Jambontaks verder te verduidelijken in het Parlement? Hoe zult u de fiscale onzekerheid die vandaag wordt gecreëerd op korte termijn de kop indrukken?
Nog een vraag is of het een belasting of een bijdrage is. Dat is een fundamentele vraag, want het onderscheid is juridisch belangrijk. De juridische kwalificatie van deze maatregel is van groot belang, want belastingen vloeien naar de federale begroting, terwijl bijdragen bestemd zijn voor de sociale zekerheid. Mijnheer de minister, kunt u daar ook duidelijkheid over scheppen?
De Jambontaks komt als belasting boven op de Reynderstaks. Hoe zit dat? Is de regering van plan om de Reynderstaks in stand te houden? Overweegt de regering om die Reynderstaks te vervangen door een uniforme belasting op vermogenswinsten uit fondsen? Hoe rechtvaardigt de regering het gelijktijdig bestaan van de Reynderstaks en de nieuwe solidariteitsbijdrage, gezien de potentiële dubbelbelasting?
Mijnheer de voorzitter, collega's, de fiscaliteit in dit land is al uiterst complex. De invoering van een nieuwe belasting moet gepaard gaan met duidelijke regels, rechtszekerheid en administratieve eenvoud. Vandaag is dat niet het geval. Daarom verwachten wij vandaag van de minister van Financiën toch wel een ondubbelzinnig antwoord op al onze ingediende vragen.
Lode Vereeck:
Mijnheer de voorzitter, met betrekking tot de discriminatie tussen kleine en grote beleggers en de mogelijke schending van het gelijkheidsprincipe, verwijs ik naar de schriftelijke versie van mondelinge vraag nr. 56002523C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
1. Het gelijkheidsbeginsel sluit niet uit dat burgers verschillend worden behandeld, zolang daar objectieve criteria en gerechtvaardigde redenen voor zijn.
Waarom behandelt de regering 'kleine' en 'grote' beleggers anders en waarom worden grote beleggers voordeliger behandeld met lagere tarieven?
2. Houdt de regering rekening met procedures voor het Grondwettelijk Hof voor fiscale discriminatie?
3. Geldt de vrijstelling van 10.000 euro ook voor grote beleggers die een meerwaarde realiseren boven 1 miljoen euro?
Met betrekking tot de harde grens van het aanmerkelijk belang en beleggers die daar net onder zitten, verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002526C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
1. Een grote belegger met een aanmerkelijk belang van 20% geniet dus van lagere belastingtarieven.
Maar wat gebeurt er met een belegger die een belang heeft van 19%? Gelden er een glijdende of proportionele tarieven?
2. Wat is het belastingtarief voor een belegger die bij aankoop 20% van de aandelen bezat, maar waarvan het belang verwaterd is door een of meerdere kapitaalsverhogingen en de intrede van nieuwe aandeelhouders?
3. Wat is het belastingtarief van kleine familiale bedrijven met meerdere (meer dan vijf) aandeelhouders?
Met betrekking tot de historische meerwaarde en de peildatum, zeker wanneer die peildatum een lager peil kent dan de historische aankoop verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002527C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
Om te vermijden dat ook historische meerwaarden worden belast, zou de meerwaardebelasting pas berekend worden vanaf de datum van invoering, de zogenaamde 'peildatum', bijvoorbeeld 1 januari 2026. De meerwaarde vóór de peildatum wordt dus buiten beschouwing gelaten.
1. Stel dat de aandeelprijs op de peildatum lager ligt dan op de historische aankoopdatum en er ontstaat een meerwaarde tussen peildatum en verkoopdatum, maar een minwaarde tussen aankoopdatum en verkoopdatum.
Welke datum wordt in aanmerking genomen, de aankoopdatum of de peildatum?
2. Komt er een variabele peildatum in het voordeel van de belastingplichtige?
3. Hoe wordt de waarde van een niet-beursgenoteerd bedrijf berekend op de peildatum?
En welke instantie gaat die waarde vaststellen?
4. Hoe wordt de meerwaarde berekend bij gespreide aankopen van een aandeel (bv. in januari en juni)? Wordt die bepaald op basis van de datum van de eerste aankoop (januari) of de laatste (juni), met andere woorden: FIFO of LIFO?
Met betrekking tot de aftrekbaarheid van minwaarde en vooral ook van kosten, zodat er geen dubbele belastingen ontstaan, verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002529C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
De minwaarden zouden aftrekbaar zijn, maar niet overdraagbaar. Ze kunnen dus enkel in het jaar van verkoop in mindering worden gebracht van mogelijke meerwaarden, terwijl de verliezen wel geleden zijn. Wat is de reden of het argument om de aftrekbaarheid van minwaarden te beperken in de tijd?
Als de kosten om aandelen te verwerven, zoals de beurstaks, niet in mindering kunnen worden gebracht van de belastbare grondslag, wordt er (meerwaarde)belasting over belastingen betaald. Zijn de kosten om aandelen te verwerven aftrekbaar van de belastbare meerwaarde?
De 'Reynderstaks' bedraagt 30% op de meerwaarden op een obligatiefonds dat minstens 10 procent van zijn activa investeert in vastrentende activa belegt. Verdwijnt de Reynderstaks? Of wordt straks een (meerwaarde)taks bovenop de Reynderstaks geheven? Of blijft de Reynderstaks bestaan, maar is de meerwaardetaks niet van toepassing op obligatiefondsen die minstens 10 procent van hun activa investerend in vastrentende activa?
Worden meerwaarden die onmiddellijk geherinvesteerd of herbelegd worden, vrijgesteld van meerwaardebelasting?
Met betrekking tot het volatiele karakter van de opbrengsten en de veiligere allocatie in een fonds voor schuldafbouw, verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002530C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
De regering De Wever verwacht volgens de begrotingstabel over de regeerperiode 2025-2029 een opbrengst van respectievelijk 0, 250, 300, 400 en 500 miljoen euro. De opbrengsten zijn echter zo onvoorspelbaar en wispelturig zijn als de beurs zelf. Kortom, totaal ongeschikt als stabiele financieringsbron voor de kerntaken van de overheid.
Overweegt de regering om de gebeurlijke opbrengsten van een meerwaardebelasting te beschouwen als eenmalige mee- of tegenvallers en ze desgevallend te oormerken in een fonds voor schuldafbouw?
In de jaren dat de beurzen goed presteren, wordt de staatsschuld afgebouwd. Bij een beurscrash wordt de schuld even niet afgebouwd.
Voor wat de vele mogelijkheden en gemakkelijke fiscale ontwijking betreft van de tekst met betrekking tot de meerwaardetaks, verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002531C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
De meerwaardetaks kan makkelijk ontweken worden, bijvoorbeeld door aandelen te verkopen zodra een meerwaarde van 10.000 euro is gerealiseerd, ofwel door te verkopen op 31 januari en terug te kopen op 2 januari, ofwel door zich als jonge ondernemer en meerwaardezoeker te vestigen in een fiscaal gunstiger land.
Welke maatregelen neemt de regering om fiscale ontwijking te ontmoedigen of tegen te gaan?
Welke fiscale maatregelen neemt de regering om jonge ondernemers te overhalen zich in dit land te vestigen en belastingen te betalen?
Met betrekking tot de beleggers op lange termijn – dat wil zeggen langer dan tien jaar – en hoe zij worden behandeld en al dan niet vrijgesteld, verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002532C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
Premier De Wever zei na afloop van het ledencongres van N-VA dat de brave beleggers die hun aandelen langer dan 10 jaar aanhouden, zouden worden vrijgesteld. Dat werd bevestigd door de voorzitter van MR, George-Louis Bouchez, die in de media sprak over een “geheime deal" en een “door de premier ondertekend document". Minister van Financiën, Jan Jambon, ontkende dat, althans hij zei van niets te weten. Premier De Wever verklaarde ondertussen dat het parlement het document niet kan opeisen en inzien. De socialistische voorzitter, Conner Rousseau, zei dat enkel het regeerakkoord van tel is en dat daarin geen sprake is van deze vrijstelling.
Wordt de meerwaarde op aandelen die langer dan 10 jaar in het bezit zijn van een belegger vrijgesteld van meerwaardetaks?
Met betrekking tot de fiscale of parafiscale behandeling van deze taks of bijdrage, verwijs ik naar de schriftelijke tekst van vraag nr. 56002609C.
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%. De meerwaardebelasting vormt het voorwerp van interne onenigheid tussen de regeringspartijen en warrige communicatie door de regering, terwijl er dringend nood is aan duidelijkheid en fiscale rechtszekerheid.
De meerwaardebelasting werd door de regering herdoopt tot "solidariteitsbijdrage". Volgens de heer Yves Stox (Partena Professional) is dit meer dan een woordspelletje of een politiek handigheidje (De Tijd, 12 februari 2025, pag. 11). Een belasting vloeit namelijk naar de fiscus, een bijdrage naar de sociale zekerheid. Daardoor verschilt het toepassingsgebied (bv. voor ingezetenen en buitenlanders) en de administratieve formaliteiten (bv. om een vrijstelling te bekomen).
Wordt de meerwaardebelasting opgezet als een belasting of als een bijdrage?
Wat zijn de gevolgen van dit onderscheid naar soorten belastingplichtigen, administratieve formaliteiten, enz.?
En tot slot nog enkele modaliteiten. Hoe moeten wij het regeerakkoord interpreteren, gezien het gekibbel dat daarover ontstaan is? Is dat een exhaustieve en limitatieve tekst? Of is dat een initiatieve en louter verduidelijkende opsomming? Hiervoor verwijs ik naar vraag nr. 56002769C
Uit het regeerakkoord blijkt dat kleine beleggers 10% taks zullen betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf het bedrag van 10.000 euro. Grote beleggers met een “aanmerkelijk" belang van 20% in een bedrijf worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0% en 10%.
Formateur Bart De Wever zei na afloop van het ledencongres van N-VA dat de brave beleggers die hun aandelen langer dan 10 jaar aanhouden, zouden worden vrijgesteld. Dat werd bevestigd door de voorzitter van MR, George-Louis Bouchez, in een kranteninterview, maar werd tegengesproken door de voorzitter van Vooruit, Conner Rousseau, die stelde dat enkel de tekst van het regeerakkoord geldig is.
Premier Bart De Wever verklaarde ondertussen dat deze vrijstelling tot de modaliteiten van de meerwaardebelasting behoort, die nog verder onderhandeld en in wetgeving gegoten moeten worden.
Vicepremier Frank Vandenbroucke van Vooruit verklaarde recent in een televisieprogramma dat deze vrijstelling niet verstandig zou zijn. Hij zei niet te weten of de meerwaardebelasting van toepassing was op een beleggingsproduct dat een kijker had opgestart. Vandenbroucke zei ook dat slechts een op de tien Belgen aandelen bezit.
Hoe moet het regeerakkoord geïnterpreteerd worden? Is het een exhaustieve en dus limitatieve tekst die niet-vermelde mogelijkheden uitsluit; of is het een enuntiatieve, louter verduidelijkende opsomming die bijgevolg niet-vermelde mogelijkheden ook toelaat?
In het regeerakkoord staat dat de meerwaardebelasting betrekking heeft op alle financiële activa, inclusief crypto. Welke beleggingsproducten komen niet in aanmerking?
Wat is het argument om beleggers die op lange termijn (langer dan 10 jaar) investeren, vrij te stellen van meerwaardebelasting? Waarom geldt bv. deze vrijstelling wel voor onroerende goederen?
In Luxemburg geldt een vrijstelling op meerwaardebelasting wanneer aandelen langer dan zes maanden in bezit worden gehouden. Komt een gelijkaardige regeling zoals in Luxemburg ook in aanmerking, teneinde kapitaalvlucht naar Luxemburg te vermijden?
Hoeveel Vlamingen, Walen en Brusselaars bezitten aandelen, in absolute cijfers en als aandeel van de bevolking?
Wat is de gemiddelde en mediaanwaarde van de beleggersportefeuille van Vlamingen, Walen en Brusselaars per leeftijdscategorie?
Hugues Bayet:
Bonjour, monsieur le ministre. À mon tour, je reviens sur cette taxation sur les plus-values. Vous nous avez déjà répondu en séance plénière en nous confirmant qu'il y avait des différences entre les versions françaises et néerlandophones du texte. Vous nous avez expliqué tout cela et vous nous avez confirmé que c'était une taxe rikiki, ce que vous appelez la taxe de solidarité, puisque au-delà des 10 %, toute une série de personnes vont être exonérées y compris les sociétés, comme l'a dit ma collègue.
Cependant, l'élément nouveau dans ce débat, c'est la polémique concernant de potentiels accords secrets. Là, je suis quand même fort étonné, monsieur le ministre. Vous dites non, mais on va voir. Un de nos collègues député, et pas des moindres puisqu'il est aussi président d'un groupe de la majorité, nous dit qu'il existe des accords secrets entre le premier ministre, ou la N-VA, ou le gouvernement, je n'en sais rien en fait, concernant cette taxation et que rien de tout ce qui est écrit dans cet accord n'est vrai.
Je suis député ici depuis un peu plus de cinq ans mais j'ai une autre carrière dans d'autres parlements et c'est la première fois que j'entends parler d'accords secrets. En effet, je n'en n'ai eu connaissance ni à l'Europe, ni en Wallonie mais peut-être qu'en Flandre – je n'ai de fait malheureusement jamais été élu là-bas –, vous avez plus l'habitude de ce type d'accord secret. Je n'en sais rien. En tout cas, je trouve que peu importe que l'on soit dans une majorité ou dans une opposition, on est là pour faire avancer la démocratie. S'il y a bien quelque chose qu'on ne peut pas accepter, ce sont des accords secrets ou des textes sur lesquels on n'est pas tous d'accord.
Alors, vous avez quand même mis quelques mois pour former ce gouvernement. J'imagine donc que vous en avez discuté plus d'une fois et je voudrais donc avoir très clairement votre réponse: Y-a-t-il un accord secret ou pas? Est-ce que cette taxe, qui à mon sens sera vraiment une taxe rikiki, sera-t-elle appliquée ou pas? Je pense que plus d'un Belge a besoin de cette réponse et je vous en remercie d'avance.
François De Smet:
Monsieur le ministre, revenons donc sur cette taxe sur les plus-values, un dossier dont nous avons déjà beaucoup discuté. En soi, une taxation sur les plus-values n'est pas un scandale, si nous voyons ce qu'il se passe chez nos voisins. Et ce n'est pas un scandale non plus d'aller taxer un peu plus les revenus du capital si c'est pour libérer ceux du travail. Le problème est que ceux-ci ne seront soulagés que par une mini-réforme fiscale qui se traduira par un montant d'environ 100 euros par mois à la fin de la législature, mais ce n'est pas le sujet du jour. Il s'agit d'y voir clair entre ce qui est écrit, les notes secrètes ou non, les accords, les interviews, etc. Je ne vous poserai que des questions très simples.
D'abord, la taxation des plus-values serait à déclarer spontanément par le contribuable. À cet effet, les banques devront donc fournir un relevé des opérations d'achat et de ventes des titres, avec les plus-values et moins-values correspondantes. S'il détient des comptes-titres auprès de plusieurs banques, il faudra donc additionner les différents relevés. Allez-vous intégrer les banques elles-mêmes dans une forme ce contrôle? Dans la mesure où le contribuable a des comptes-titres auprès d'une banque étrangère, pensez-vous que les banques françaises, anglaises ou américaines, par exemple, fourniront au contribuable un relevé adapté à la législation fiscale belge ou bien abandonne-t-on d'emblée ces revenus? Enfin, le régime de taxation au taux de 33 % sur les plus-values sur actions ne relevant pas de la gestion normale d'un patrimoine privé va-t-il subsister?
Voorzitter:
M. Vanbesien est excusé. Je ne vois pas Mme Schlitz.
D'autres membres souhaitent-ils intervenir dans ce débat? (Non) Je donne donc la parole à monsieur le ministre des Finances.
Jan Jambon:
Ik dank u voor de vele vragen over wat sommigen de meerwaardebelasting, de Jambontaks of de De Wevertaks noemen. Ik heb de oppositie al uitgenodigd om het met elkaar eens te raken over hoe zij de taks zal noemen. Wij noemen het alvast de solidariteitsbijdrage.
Ik herinner me dat we tijdens de bespreking van het regeerakkoord, waar we lang de tijd voor hebben genomen, lang van gedachten hebben kunnen wisselen over de hervormingen die op til zijn. U weet ook allemaal dat een regeerakkoord geen wettekst is, waarin alle modaliteiten gedetailleerd worden vermeld. Mijnheer Vermeersch, u hebt gelijk dat er nog veel vragen en onduidelijkheden zijn, maar die zullen worden uitgeklaard op het moment dat we het wetsontwerp in het Parlement zullen indienen. We zullen dan alle kansen hebben om daarover uitgebreid van gedachten te wisselen in de commissie.
Nu het regeerakkoord er is, is het mijn taak om het wetgevend werk in orde te maken en een wetsontwerp in de Kamer ter bespreking en hopelijk daarna ter goedkeuring in te dienen. In het regeerakkoord is een heel duidelijk kader afgesproken inzake een algemene solidariteitsbijdrage van 10 % op de gerealiseerde meerwaarde op financiële activa, inclusief cryptoactiva. Het is ook belangrijk om aan te geven dat we de historische meerwaarden niet zullen taxeren. Alhoewel het fiscaaltechnisch perfect mogelijk was om de historische meerwaarden te vatten, blijven zij vrijgesteld. De regering heeft de keuze gemaakt dat meerwaarden die werden opgebouwd voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet, buiten schot zullen blijven.
Nous envisageons également une exonération de 10 000 euros afin que les petits investisseurs ne soient pas dans le collimateur. Ce montant sera également indexé annuellement. Pour les participations substantielles de 20 %, nous prévoyons des taux plus bas et une exonération d'un million d'euros.
Vous savez que l'élaboration d'une telle législation est précédée d'une énorme concertation avec tous les acteurs concernés. Plusieurs avis sont également recueillis avant qu'un projet de loi ne soit transmis au gouvernement pour être ensuite discuté au Parlement.
Vous avez déjà pensé à beaucoup de cas et je vous en remercie. Il me revient maintenant d'apporter une réponse à toutes ces demandes dans le projet de loi. Dans la période à venir, tous ces cas seront examinés lors de la rédaction du projet de loi. Je vous suggère donc de nous pencher sur cette discussion et sur les modalités en commission, au Parlement, lorsque je soumettrai le texte au cours de cette année.
Monsieur Bayet, pour répondre à votre question, je fais référence aux réponses que le premier ministre a données en séance plénière. Il n'y a pas d'accord secret. Tout ce qui est discuté figure dans l'accord de gouvernement mais je me rends compte qu'il y a encore des choses à éclaircir avant que je puisse transférer le projet de loi au Parlement. Je compte faire ce boulot dans les plus brefs délais.
Sofie Merckx:
Monsieur le ministre, je ne pense pas que vous ayez répondu à ma question. Vous confirmez que la taxe s'appliquera à l'impôt des personnes physiques et non à l'impôt des sociétés.
É tant donné qu'il vous reste plus d'une minute et que ma question était très précise...
Jan Jambon:
J'ai donné ma réponse, madame.
Sofie Merckx:
Au cours du débat parlementaire, vous avez dit qu'elle s'appliquerait à l'impôt des personnes physiques et pas à l'impôt des sociétés. Aujourd'hui, M. Van Peteghem dit peut-être le contraire. Je pense que ma question est légitime et je ne comprends pas pourquoi vous n'y répondez pas, monsieur le ministre.
Voorzitter:
Mevrouw Merckx, de minister heeft het antwoord gegeven dat hij achtte te moeten geven. U kunt bijkomende vragen stellen en bedenkingen maken en dat is uw volste recht. Het is nu echter tijd voor de repliek. Wanneer u niet tevreden bent met het antwoord, kunt u nog altijd andere parlementaire initiatieven nemen.
Sofie Merckx:
Toujours est-il que si le ministre ne répond pas, c'est peut-être que ma question très précise – qui pourrait avoir une réponse concise – l'a mis mal à l'aise. Je pense que cette taxe est hautement symbolique, d'autant plus que ses modalités restent à ce stade imprécises.
Monsieur Jambon, vous n'avez fourni aucune précision, ce qui contraste fortement avec la clarté des mesures que vous avez prises en tant que ministre des Pensions. Dans le cadre du malus pension, vous parlez de 156 jours. Vous évoquez 234 jours pour la pension anticipée. Dans ce cas-là, vous avez vraiment abordé le sujet dans les moindres détails. Par contre, quand il s'agit de la soi-disant taxe pour les ultra-riches, nous sommes vraiment dans le vague et c'est une mesure hautement symbolique. Nous craignons que ce ne sont pas du tout les ultra-riches qui paieront, mais bien, une fois de plus, les petits et les investisseurs moyens.
Selon le PTB, la seule solution aurait été d'instaurer une véritable taxe des millionnaires. Comme l'affirment de nombreux économistes, les grandes fortunes de ce pays, les grandes familles, détiennent des participations de contrôle significatives dans les entreprises et il leur arrive de ne jamais vendre leurs actions. Ils n'en tirent donc aucune plus-value. La seule véritable solution pour atteindre les ultra-riches aurait été de mettre en place une réelle taxe des millionnaires, ce que ce projet ne prévoit absolument pas.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, wij zijn niet te spreken over wat hier vandaag in de commissie gebeurt. Het schouwspel in de commissie is werkelijk onaanvaardbaar. U bent bezig met de vis te verdrinken, zoals dat heet. Het is ongehoord maar vooral ongezien hoe terechte vragen van de oppositie en van de burgers uit de samenleving hier vandaag worden afgewimpeld.
U moet ook heel goed de impact daarvan beseffen. U hebt met uw regeerakkoord heel wat stof doen opwaaien, niet alleen bij fiscalisten maar ook bij de bevolking. U hebt heel veel mensen ongerust gemaakt, zonder duidelijkheid te creëren. U geeft ronkende verklaringen zonder duidelijkheid. U hebt stof doen opwaaien, maar u stelt ons vandaag niet in staat dat stof te laten neerdalen. Uw regering zorgt vandaag voor veel fiscale onzekerheid. De regering zaait werkelijk fiscale onrust voor de ondernemers, voor investeerders, voor spaarders en voor belastingbetalers. Dat is bijzonder nefast.
Mijnheer de minister, ongeacht de naam van de taks – wat ons betreft is dat de Jambontaks –, wordt die hoe dan ook een belasting op de kap van de Vlamingen. De regering heeft het over de sterkste schouders, maar er moet "op de kap van de hardwerkende Vlamingen" worden gelezen. Het merendeel van die nieuwe belasting zal immers terechtkomen bij de Vlamingen, bij wie de vermogens zich bevinden.
De Franstaligen steken dat trouwens niet weg. Uw eigen coalitiepartner, de heer Bouchez, verklaarde in De Tijd dat "de meerwaardebelasting ook een communautaire hervorming is, aangezien ze meer Vlamingen dan Walen zal raken". Dat zijn de woorden van de heer Bouchez.
Gisteren gaf de heer Magnette in een interview letterlijk het volgende aan: “Toch is die Jambontaks of meerwaardetaks historisch, al is het maar omdat wij in de toekomst in een regeerakkoord de vrijstellingen kunnen verminderen, de tarieven kunnen verhogen en het rendement van die taks kunnen verbeteren.”
Mijnheer de minister, de taks wordt dus een belasting op de kap van de Vlamingen. U had hier een kans om duidelijkheid te creëren en de fiscale onzekerheid weg te nemen. U hebt ze niet gegrepen. Dat is werkelijk ongezien en onaanvaardbaar.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, ik begrijp dat u in dit actualiteitsdebat met beperkte tijd niet op al mijn vragen een antwoord kunt geven, maar ik had op een aantal vragen toch wat meer duidelijkheid verwacht. De regering is immers al bijna een maand gevormd.
Ik geef een aantal voorbeelden. Is de vrijstelling voor beleggers die hun aandelen langer dan tien jaar aanhouden al getrancheerd? Nog een belangrijke vraag: zijn niet alleen de minwaarden aftrekbaar, maar ook de kosten? Als dat niet zo is, betaalt men een meerwaardebelasting op beurstaks. Dat is een taks op een taks. De Reynderstaks is daar een voorbeeld van. Blijft die apart bestaan? Wordt die afgeschaft? Of gaan we ook nog een meerwaardetaks boven op de Reynderstaks betalen? Op die vragen had ik toch graag een antwoord gekregen. U mocht daar voor mij zeker aan cherrypicking doen. Wouter Vermeersch zei het heel duidelijk en het is ook voor mij een grote bezorgdheid. Met fiscale rechtszekerheid staat of valt eigenlijk alles: investeringen, beleggingen, spaargedrag.
Ik heb nog een laatste vraag over de interpretatie van het regeerakkoord, mijnheer de minister. Misschien heb ik ze te ingewikkeld geformuleerd. Ik heb het exhaustief of initiatief genoemd. Moet het er absoluut in staan om ook te worden uitgevoerd? Of is het een opsommende tekst die niet volledig is, waaraan het eventueel nog kan worden toegevoegd? Dat is voor ons als oppositie belangrijk, ook om te weten of we in de toekomst nog andere initiatieven kunnen nemen.
Hugues Bayet:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Je suis déjà un peu rassuré de savoir qu'il n'y a pas d'accord secret dans ce gouvernement Arizona, mais je ne le suis pas du tout quant à l'efficacité de cette taxe. Nous avons parlé d'un collègue du MR. Toutefois, ce week-end, votre ministre – notre ministre – du Budget s'est aussi exprimé, et qu’a-t-il dit?
Je vais me permettre de le lire: "Il y a trois choses importantes: que cette taxe soit mise en place, qu'elle rapporte 500 millions en 2029, et que les petits investisseurs soient épargnés autant que possible. Et je pense d'ailleurs qu'il faudrait augmenter l'exonération de 10 000 euros."
Cela veut donc dire qu'en fait, vous n’êtes pas du tout d'accord. Quand on lui dit, comme cela a été dit, que les plus riches gèrent cela via des holdings, sa seule réponse est: "C’est au ministre des Finances de mettre en place la taxe et de faire en sorte qu'il y ait 500 millions en 2029".
Le court du long de toutes ces explications, monsieur le ministre, c'est que sur la taxation des épaules les plus larges, personne n'est d'accord: ni vous, ni le CD&V, ni le MR. Par contre, pour trouver l'argent sur le dos des travailleurs, des pensionnés, des allocataires sociaux, des personnes handicapées, là vous êtes tous très d'accord. Vous allez dans le moindre détail pour essayer de retrouver trois ou quatre petits millions à droite et à gauche. Mais sur les épaules les plus larges, sur ceux qui ne participent pas à la vie en collectivité, manifestement, vous confirmez que personne n'est d'accord. J'en suis bien triste, mais nous vous proposerons de vrais textes, monsieur le ministre, qui permettront de rééquilibrer la taxation entre le capital et le travail. Je vous remercie.
François De Smet:
Monsieur le président, monsieur le ministre, merci d'avoir répondu. Enfin, plutôt d'avoir rappelé et récité l'accord de gouvernement que nous commençons, je crois, tous un petit peu à connaître.
Je ne vous cache pas que je suis déçu. Pour être constructif, j'avais posé des questions simples, techniques, neutres, même pas politiques. Des questions que des fiscalistes, des professionnels se posent. Et même à celles-là, il n'y a pas encore de réponse disponible. En gros, c'est: "Circulez, il n'y a encore rien à voir." À croire peut-être que c'est davantage l'ancien ministre de l'Intérieur qui nous a répondu que celui des Finances.
Cela veut dire pour moi une chose très claire. Vous n'êtes au sein du gouvernement tout simplement pas encore d'accord entre vous, et sur quasiment rien quant à cette taxe. Je m'attends à ce que ce projet de loi ne nous arrive pas avant un bon moment. Vous dites 2025. Je crois que si c'est décembre 2025, nous serons déjà heureusement surpris. Je vous remercie.
Voorzitter:
Ik heb begrepen dat de heren Van Quickenborne, Piedboeuf en El Yakhloufi nog graag het woord willen nemen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, er is een reden waarom ik mijn twee vragen heb ingetrokken, namelijk omdat ik wist dat u niet zou antwoorden.
Ik wil de socialistische collega's van Vooruit feliciteren met het feit dat zij de N-VA zover hebben gekregen om de enige belasting die we nog niet hadden in ons land in te voeren. Mijnheer de minister, het is een gaatje in de dijk, want de 10 % die is afgesproken wordt straks 20 of 25 %. De Vlaamse liberalen hebben die belasting 25 jaar tegengehouden, maar u hebt ze in 6 maanden tijd ingevoerd en dat zonder de PS aan de macht. Faut le faire .
Het ergste van al is echter dat het week na week duidelijk wordt dat de Vlaamse middenklasse getroffen wordt door die belasting. U zat in de studio van De Zevende Dag en hebt daar de getuigenis gehoord van Wouter De Both, die elke maand 200 euro spaart voor zijn dochtertje. Hij is een geschiedenisleraar, een eenvoudig man, geen sterkste schouders, geen rijke man. Hij spaart elke maand 200 euro en zal nu onderworpen worden aan die meerwaardetaks.
U bent ook minister van Pensioenen. Als het gaat over de pensioenen, zijn er heel wat details uitgewerkt. U kunt bijna het wetsontwerp uitschrijven, maar als het gaat over de meerwaardetaks, heb ik de indruk dat u zelfs geen fiscaal specialist hebt geconsulteerd tijdens de discussie daarover. Het is puur amateurisme.
Weet u hoeveel vennootschappen er zijn in ons land? Het zijn er 800.000. Straks moeten die al hun aandelen in waarde schatten om te weten of er al dan niet meerwaarde wordt gecreëerd. Zij verkeren in totale rechtsonzekerheid en u komt hier gewoon de tekst van het regeerakkoord voorlezen en vertelt voor de rest niets nieuws, terwijl dat de crux van het regeerakkoord is. Het is het meest delicate. Daarmee valt of staat de coalitie en u bent niet in staat om daarover heldere afspraken te maken.
Sta me toe te zeggen dat dit allemaal heel amateuristisch klinkt. Ik vrees dat u zich hebt laten vangen door Vooruit. Het heet inderdaad een solidariteitsbijdrage en geen taks omdat het op die manier een bijdrage kan zijn boven op de taks. Let op voor de socialisten, want als u geen precieze afspraken maakt, dan bent u gevangen en gevlogen.
Benoît Piedboeuf:
Monsieur le président, je suis venu assister à cette partie de la commission parce que je suis amateur de surréalisme en général. Je m'aperçois que nos collègues font preuve d'activisme. Ils posent des questions sur un texte qui n'existe pas encore et s'étonnent du fait que le ministre ne réponde pas sur un texte qu'il n'a pas encore écrit. J'ai passé un très bon moment!
Achraf El Yakhloufi:
Ik was niet van plan om het woord te nemen. Mijnheer Van Quickenborne, ik merk dat het onderwerp iets teweegbrengt bij u.
Ik betreur ten zeerste dat onze collega’s van het Vlaams Belang niet bezig zijn met de inhoud, maar met een De Wevertaks, met een Jambontaks … Het gaat hier echter over de inhoud. We spreken over de meerwaardebelasting, de solidariteitsbijdrage. Mijnheer Vereeck, in uw verkiezingsprogramma stelde u zelf v óó r de verkiezingen voor om 25 % belasting op aandelen te heffen. Dat stond in uw eigen verkiezingsprogramma en de dag na de verkiezingen, wanneer de regering is gevormd, vraagt u zich hier af wat er allemaal gebeurt. Ik stel me daar vragen bij. In het debat over de regeringsverklaring en elders heeft het Vlaams belang nul keer over koopkracht gesproken. In het Europees Parlement stemt het Vlaams Belang tegen betere minimumlonen, tegen eerlijke belastingen voor bedrijven. Ik stel me dus oprecht vragen.
Alle andere collega’s, ik weet niet of u vandaag het artikel in De Morgen hebt gelezen met als kop: "Hoe de socialisten Vlaams en federaal vermogens in het vizier nemen." Dat is de realiteit. Wij nemen onze verantwoordelijkheid. Men zegt hier dat we over de kleine beleggers spreken, maar dat is niet zo. De details zullen in de beleidsnota staan. Het gaat over mensen die 10.000 euro winst op aandelen maken. Ik wil dat men die nuance in acht neemt.
Mijnheer de minister, ik kijk er oprecht naar uit om werk te maken van de bijdrage op grote vermogens die in een wetsontwerp zal worden uitgewerkt. U kunt op Vooruit rekenen om daar als partners aan mee te werken.
Voorzitter:
Madame Schlitz, vous êtes quelque peu en retard pour poser votre question, mais vous disposez néanmoins d’un temps de parole de deux minutes, si vous le souhaitez.
Sarah Schlitz:
Merci pour votre clémence, monsieur le président.
J’ai heureusement des oreilles qui traînaient dans cette pièce. J’entends que nous n’obtiendrons pas de précisions sur les modalités de mise en œuvre de la taxe sur les plus-values et que nous n’en aurons pas avant l’arrivée du projet de loi sur la table du Parlement. Dès lors, excusez-nous de trouver que c’est un peu fort de café de fonctionner de cette manière-là!
Premièrement, nous disposerons d’ici quelques semaines des exposés d’orientation politique, et j’espère que vous apporterez des précisions, de même que dans votre note de politique générale. Deuxièmement, j’espère que nous aurons également des précisions au moment des potentielles modifications du budget 2025. Vous nous avez annoncé que vous alliez atteindre une forme d’équilibre entre ceux qui contribuent au budget de l’ É tat et ceux qui n’y contribuent pas.
En fait, la différence fondamentale réside dans la manière dont vous allez appliquer la contribution des plus larges épaules. Nous sommes fort inquiets quant à votre réelle volonté d’aller récupérer ces moyens là où ils se trouvent afin de financer le budget de l’ É tat ou, au contraire, de faire de nouveaux cadeaux aux plus riches, à ceux qui spéculent sur leur fortune, autrement dit à ceux qui ne contribuent pas suffisamment audit budget, contrairement aux travailleurs.
Voorzitter:
Mijnheer Vermeersch, u zegt dat de heer Vereeck wenst tussen te komen voor een persoonlijk feit? Komaan, dit is een debat. In een debat is het normaal dat iemand persoonlijk aangesproken wordt.
Lode Vereeck:
Mijnheer de voorzitter, ik ben het daar niet mee eens. Ik word hier persoonlijk aangesproken, dus dit is toch een persoonlijk feit? Het is daarenboven niet correct wat hij zegt, dus dan moet ik dat toch kunnen corrigeren? Ik weet perfect wat er in ons programma staat, want ik heb het zelf geschreven.
Mag ik reageren?
Voorzitter:
Het incident is gesloten, mijnheer Vereeck.
Lode Vereeck:
Ik vind dat niet kunnen.
Voorzitter:
U kunt in uw repliek weergeven wat u wenst.
Lode Vereeck:
Dit is geen repliek op de minister, maar gewoon een persoonlijk feit, naar aanleiding van een leugen.
Voorzitter:
Zoals ik het begrijp heeft de heer El Yakhloufi een uitspraak gedaan die u gerust kunt weerleggen op alle mogelijke manieren. Het is niet omdat hij die uitspraak hier doet …
Lode Vereeck:
Ik mag die nu toch weerleggen?
Voorzitter:
Kunnen we alstublieft overgaan naar de volgende vraag?
Lode Vereeck:
Bestaat er niet iets zoals een persoonlijk feit in een commissie? Bestaat dat alleen in de plenaire vergadering?
Voorzitter:
Bon, zeg het dan maar vlug.
Achraf El Yakhloufi:
Hij mag mij gerust een mail sturen.
Lode Vereeck:
Goed, u moet weten dat er theoretisch gezien inderdaad geen gegronde reden is waarom winst uit aandelen anders zou moeten worden belast dan winst op aandelen. In het zwaarst belaste land ter wereld is dit er echter gewoon los over. Wij hebben dus … Trouwens, dat geldt ook voor de Open Vld. Jean-Marie Dedecker heeft juist gezegd dat dat klopt. De liberalen stelden dat dit voor hen niet kon. Het kon wel in theorie, maar niet als aparte maatregel. Wij hebben dus gezegd dat dit inderdaad kan in een grondige fiscale hervorming, zoals de duale inkomstenbelasting, een Scandinavische hervorming, die dan echter ook gepaard gaat met een grondige verlaging van alle andere belastingen, waardoor de totale druk, ook op meerwaarden en aandelen, verlaagt. We willen dat dus niet invoeren als aparte maatregel, zoals die nu wordt voorgesteld, zonder grondige fiscale hervorming. Daar zijn wij altijd tegen geweest.
Voorzitter:
Bedankt, mijnheer Vereeck. Ik hoop dat ik nu geen persoonlijk feit moet inroepen jegens de heer Dedecker. Hij is namelijk niet aanwezig om zich te verdedigen. Daarmee wil ik maar zeggen hoever dat al dan niet kan gaan. De heer El Yakhloufi heeft geciteerd uit wat hij meent dat uw programma is. Het is iedereen gegeven, uw partij niet in het minst, om af en toe citaten te geven zonder de volledige context mee te nemen in het citaat. Verbeter mij als dat niet zo zou zijn. De heer Van Quickenborne zit ook heel hard te lachen, maar hij is daar zelf meester in.
De massale invoer van goedkope e-commercegoederen (douanecontrole en eerlijke concurrentie)
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 25 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De explosieve groei (166% in 2024, 7x sinds 2020) van goedkope e-commerce-import uit niet-EU-landen zorgt voor oneerlijke concurrentie, douane-overbelasting en risico’s op normontwijking, terwijl lokale bedrijven onder druk staan. Minister Jambon benadrukt dat het een Europees probleem is en wijst op lopende EU-hervormingen (2023-voorstel) en kortetermijnacties zoals gerichte controles (PCA’s), maar sluit nationale maatregelen uit zonder eerst Europese aanpassingen af te wachten, wegens kostenefficiëntie en beperkte bevoegdheden. Vermeersch dringt aan op directe nationale (federaal én Vlaams) beschermingsmaatregelen om lokale economie, werkgelegenheid en normen te vrijwaren, met een oplegging om de importstroom te remmen en eerlijke handel af te dwingen. De kernspanning blijft: EU-brede oplossing vs. nationale noodsituatie.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, in het Vlaams Parlement moet u uiteraard geen rekening houden met tolken. Welkom in het federaal Parlement.
Uit recent vrijgegeven cijfers blijkt dat in 2024 meer dan een miljard goedkope e-commercegoederen uit het buitenland in België werden aangegeven. Dat aantal vertegenwoordigt een stijging van 166 % tegenover 2023 en een verzevenvoudiging ten opzichte van 2020. De Europese Commissie erkent de problematiek en overweegt administratieve kosten op te leggen voor het toezicht op deze importen.
De enorme instroom van goedkope producten roept vragen op over de handhaving van douanecontroles, eerlijke concurrentie en de naleving van Europese regelgeving. Buitenlandse e-commerceplatformen kunnen producten vaak goedkoper aanbieden, mede omdat ze niet gebonden zijn aan dezelfde strikte Europese normen als lokale producenten en handelaars. Dat zet Europese bedrijven onder druk en kan leiden tot oneerlijke concurrentie.
Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de huidige efficiëntie van de Belgische douanediensten bij het controleren van die massale instroom van goedkope e-commercegoederen? Welke specifieke maatregelen kan de Belgische douane nemen om te verzekeren dat ingevoerde goederen voldoen aan Europese regelgeving inzake veiligheid, milieu en productkwaliteit?
Acht u het nodig om, naast de eventuele Europese maatregelen, bijkomende nationale maatregelen te nemen om de impact van die massale invoer op Belgische, Europese en Vlaamse handelaars te beperken? Hoe kan de douane in samenwerking met Europese instanties efficiënter optreden tegen mogelijke misbruiken van e-commercebedrijven die de regelgeving ontwijken? Kunt u garanderen dat die goedkope importen geen systematische fiscale of douanemisbruiken inhouden, zoals onderwaardering of onterechte vrijstelling van invoerrechten?
Jan Jambon:
Mijnheer Vermeersch, door de sterke groei van de e-commerce is het aantal aangiftes inderdaad enorm toegenomen. In 2017 waren er dagelijks 1.600 aangiftes, terwijl er in 2024 dagelijks maar liefst 4 miljoen aangiftes waren. Dat stelt de douane voor een enorme uitdaging. Verschillen tussen de btw- en de douanewetgeving zorgen voor extra complexiteit. Dat is niet louter een Belgisch probleem, maar wel een Europees probleem. Het is daarom zeer belangrijk dat de Europese douanewetgeving zo snel mogelijk wordt aangepast. De Europese Commissie heeft daartoe in 2023 een volledig hervormingsvoorstel gelanceerd dat heel wat e-commercemaatregelen bevat. Dat voorstel wordt momenteel behandeld door de Europese cowetgevers, in casu de Raad en het Europees Parlement. De Belgische douane neemt daarbij een zeer actieve rol op, zeker wat e-commerce betreft. Het aanpassen van de wetgeving, zeker op Europees niveau, vraagt de nodige tijd. Ook de Europese Commissie is zich daarvan bewust.
Om op korte termijn toch al actie te ondernemen, speelt de Commissie met het idee om in de loop van dit jaar te starten met enkele doelgerichte controleacties onder de vorm van PCA's, Priority Control Areas. Bij deze acties voeren de douane en de markttoezichthouders gezamenlijk controleacties uit met betrekking tot enkele uitgekozen specifieke risicodomeinen, eigen aan cross-border b2c-e-commerce. Deze PCA-acties zullen een ontradend effect hebben voor malafide praktijken en een beter beeld creëren van de problemen die zich in dit e-commerceverkeer voordoen.
De Belgische douane kan op eigen initiatief zeer weinig doen om dat probleem op te lossen, behoudens vragen om haar ressources substantieel op te trekken. Met de bestaande legistieke en technische middelen moet deze verhoging van ressources om enig efficiënt effect te genereren echter zodanig groot zijn, dat de kostprijs daarvan in deze tijden van besparingen naar mijn oordeel niet te verantwoorden is. Het is niet louter een Belgisch probleem, maar een Europees probleem, dat eerst en vooral op Europees niveau aangepakt moet worden. Zo is het heel belangrijk dat de Europese douanewetgeving zo snel mogelijk wordt aangepast. Daartoe heeft de Europese Commissie in 2023 een hervormingsvoorstel gelanceerd, waarin heel wat e-commercemaatregelen vervat zitten.
Pas nadat er nieuwe Europese regels zijn geïmplementeerd en hun toepassing is geëvalueerd, is het zinvol is om na te gaan of er nationaal nog bijkomende maatregelen nodig zijn. Het aanpassen van de wetgeving, zeker op Europees niveau, vraagt de nodige tijd. Om op korte termijn toch al actie te kunnen ondernemen, speelt de Commissie met het idee om een doelgerichte controleactie te doen.
Wouter Vermeersch:
Mijnheer de minister, wat ons betreft zijn er zeker bijkomende nationale maatregelen nodig, niet alleen federaal maar ook Vlaams. Die massale invoer van goedkope e-commerceproducten uit het buitenland ondermijnt onze lokale economie en bedreigt ook de werkgelegenheid. Bovendien voldoen deze producten vaak niet aan de strenge normen die wij hebben, wat leidt tot oneerlijke concurrentie. Het is essentieel om onze eigen bedrijven en werknemers te beschermen tegen deze oneerlijke praktijken. Vandaar onze oproep: bescherm onze bedrijven, stop die stroom aan goedkope buitenlandse import, zet eerlijke handel op de eerste plaats, zorg ervoor dat er geen plaats is voor inferieure producten op onze markt en steun lokale ondernemers. Dat is een opdracht voor zowel de federale als de Vlaamse regering.
De bijeenroeping van de Nationale Veiligheidsraad n.a.v. het drugsgeweld in Brussel
Het regeringsbeleid in het licht van de onveiligheid en de drugshandel in Brussel
De schrijnende situatie in Brussel
De nood aan een gecoördineerde actie tegen het toenemende drugsgeweld in Anderlecht
De schietpartijen en de onveiligheid in Brussel
Het toenemende drugsgeweld in Brussel
De impasse in Brussel
De war on drugs
Het toenemende drugsgeweld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
De schietpartijen en de onveiligheid in Brussel
Brusselse drugsgeweld en onveiligheid
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 20 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De dramatische drugsoorlog in Brussel, met meerdere dodelijke schietpartijen in twee weken, domineert het debat, waarbij structurele onderfinanciering van politie en justitie (100 ontbrekende onderzoekers, verouderd materieel) en gebrek aan coördinatie tussen lokale, federale en Europese niveaus centraal staan. Premier De Wever belooft een integrale aanpak (van productie tot straatdealers, geldstromen en wapenhandel) via bestaande regeerakkoordplannen (o.a. fusie Brusselse politiezones, Kanaalplan, Stroomplan 2.0), maar critici – waaronder procureurs, politievakbonden en oppositie – wijzen op jarenlange bezuinigingen (MR/N-VA) en eisen concrete middelen nu (meer gespecialiseerde eenheden, betere loon- en werkomstandigheden, sociale preventie). Polarisatie heerst: repressieve partijen (N-VA, Vlaams Belang) pleiten voor hard optreden (legerinzet, razzia’s, strengere straffen), terwijl linkse stemmen (PTB, Vooruit) sociaaleconomische oplossingen (jeugdwerk, armoedebestrijding, alternatieven voor dealers) en langetermijninvesteringen in justitie/politie benadrukken. Brusselse politieke verantwoordelijken (o.a. PS) worden mede schuldig bevonden door nalatigheid (openbare drugspanden, gebrek aan lokale samenwerking), maar federale regeringspartijen ontlopen hun eigen verantwoordelijkheid voor chronisch onderbeleid niet. Uiteindelijk blijft de vraag: wie voert de regie? – met oproepen tot eenheid (Arizona-coalitie) die botsen op wederzijds wantrouwen en partijpolitieke schuldvragen.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de premier, de toestand in Brussel is dramatisch. Ik heb het dan niet enkel over de politieke impasse, maar vooral over de drugsoorlog die volledig uit de hand aan het lopen is. Criminelen lopen rond met oorlogswapens en drugsdealers promoten hun koopwaar publiek.
Voor het geval dat u het nieuws misschien niet zou hebben gevolgd de afgelopen weken, geef ik u even een lijstje mee. Op 5 februari waren er schietpartijen in de Weidestraat en aan metrostation Clemenceau. Op 6 februari was er opnieuw een schietpartij aan Clemenceau met een gewonde. Op 7 februari was er een nieuwe schietpartij in de Peterboswijk met een dodelijk slachtoffer. Op 15 februari was er weer een schietpartij aan metrostation Clemenceau met opnieuw een dodelijk slachtoffer. Op 16 februari was er een schietpartij aan metrostation Sint-Guido en op 18 februari was er een bij een transportbedrijf in Anderlecht. Op 19 februari werden er nog meer aanslagen en schietpartijen aangekondigd via Snapchat.
Ik voeg daar de reacties aan toe van de mensen op het terrein, die moeten instaan voor onze veiligheid. De reacties komen zowel van mensen van Justitie als van de politie. Ik citeer de procureur des Konings, Julien Moinil: "Het is rampzalig. Het is tijd om wakker te worden. De lokale politiezone Zuid moet nu het onderzoek doen met beperkte middelen terwijl er oorlogswapens worden gebruikt." Ik citeer nu de politievakbonden: "De politie is de afgelopen jaren veel te veel verwaarloosd." De korpschef van Brussel-Zuid, Jurgen De Landsheer, voegt eraan toe: "De oplossing kan niet enkel bij de politie liggen."
De hamvraag vandaag is: waar blijft deze regering? Ik kwam niet verder dan wat wollige uitspraken van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken. Ik citeer: "We zullen de maatregelen die reeds zijn voege zijn herbekijken, om te zien welke maatregelen eventueel moeten worden versterkt." Mijnheer de premier, waar bent u? Waarom ziet u de ernst van de situatie niet in? Waarom hebt u (…)
Rajae Maouane:
Monsieur le premier ministre, les Bruxelloises et les Bruxellois sont inquiets, très inquiets! Et moi aussi. On tire dans la rue, on tire à proximité des stations de métro, on tire sur des maisons, et la réponse de votre gouvernement, c'est plus de police. Or vos solutions ne fonctionnent pas. Les fusillades continuent, alors que la police est omniprésente. Nos enfants restent en danger parce que vous ne vous attaquez pas aux réels problèmes, aux véritables causes, et cette situation ne peut plus durer.
Comment en sommes-nous arrivés là, monsieur le premier ministre? J'ai une devinette pour vous. Qui a dit: "ll n'y a pas assez d'enquêteurs, pas assez de policiers de proximité, pas assez de ressources pour la justice, et il y en a marre des effets d'annonce"? Ce n'est pas moi, ce n'est pas un gauchiste, mais il s'agit du procureur du Roi de Bruxelles. Et, comme lui, j'en ai marre des effets d'annonce de la droite.
Encore aujourd'hui, nous payons les conséquences des coupes du gouvernement MR-N-VA dans la justice et dans la police. Rien qu'à Bruxelles, il manque au moins 100 enquêteurs pour la police judiciaire. La police locale, qui connaît le quartier, qui a la confiance du quartier, manque aussi de soutien. Vous avez aussi affaibli les douanes: Anvers, Zaventem, Bierset n'ont plus les moyens humains ou les moyens techniques pour faire face à l'afflux de marchandises illégales.
À Bruxelles, nous subissons les conséquences directes de ce trafic. La précarité alimente la criminalité, en laissant le terrain libre aux narcotrafiquants. Sans perspectives, certains jeunes tombent dans ces réseaux par défaut. Il faut leur offrir des opportunités, il faut leur offrir des perspectives pour lutter contre la misère, le décrochage et l'abandon. La sécurité de toutes et tous est nécessaire et elle exige une réponse forte, une réponse durable; et non des opérations éphémères ou des effets d'annonce.
Alors, monsieur le premier ministre, quelle est votre stratégie à long terme? Allez-vous renforcer la prévention, soutenir les associations, investir dans la santé mentale et les services sociaux pour couper l'herbe sous le pied aux trafiquants?
Allez-vous donner à la police et à la justice plus de moyens pour agir sur le long terme?
Alexia Bertrand:
Mijnheer de premier, ik moet er geen tekening bij maken, u hebt de beelden gezien. We hebben allemaal de beelden gezien en die zijn schrijnend. We zagen een man met een kalasjnikov in het Brusselse metrostation Clemenceau.
De voorbije jaren trok u terecht hard aan de alarmbel in Antwerpen. U weet als geen ander wat de impact is van drugsgeweld op wijken, op een stad en op de bewoners. Toen Antwerpen in brand stond, naar aanleiding van één dode, heeft de vorige federale regering onmiddellijk overleg gepleegd met u. Ze heeft alles op alles gezet. Er was onmiddellijk overleg. Wat is er gebeurd? De Nationale Veiligheidsraad kwam samen. De federale politie in Antwerpen werd versterkt met 100 agenten. De scheepvaartpolitie ging van 90 naar 215 agenten. Het parket en de correctionele rechtbank in Antwerpen werden versterkt. We hebben de haven extra beveiligd, met meer controles en meer boots on the ground. Er is een nationale drugscommissaris aangesteld, naar aanleiding van één dode. Dat was ook het juiste om te doen.
Nu zien we zeven schietpartijen en twee dodelijke slachtoffers. Als burgemeester – u weet hoe nauw Antwerpen mij aan het hart ligt – had u gelijk. U verwachtte snelle en kordate actie. Brussel en de rand verwachten dat van u vandaag, als premier. Dat geweld is immers een olievlek. Mijnheer de premier, we hebben u echter niet gezien, we hebben u niet gehoord.
U verwees twee jaar geleden naar het contrast tussen de middelen voor Antwerpen en voor Brussel. U vroeg meer middelen omdat Antwerpen met een crisissituatie kampte. Gaat u vandaag dezelfde logica toepassen voor Brussel? Wat gaat u concreet doen? Er waren zeven schietpartijen, met twee doden, mijnheer de premier.
Brent Meuleman:
Het ene moment loop je rustig naar je vaste metrohalte, kind aan de hand, klaar om aan de dag te beginnen, het volgende moment ben je terechtgekomen in een oorlogszone. Gelach wordt gegil. Dat is niet ver van ons gebeurd, niet lang geleden, hier vlakbij in Brussel.
Mijnheer de eerste minister, het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. In het afgelopen jaar hebben er meer dan 80 schietincidenten plaatsgevonden. Het drugsgeweld word almaar driester, almaar bloediger. Executies op straat, kalasjnikovs die kogels afschieten.
Dat kan niet meer, mijnheer de eerste minister! De mensen verwachten van ons dat er opgetreden wordt. Als het zo fout gaat, stellen we ons de vraag wat we hieraan gaan doen. Gaan we de lokale besturen met de vinger wijzen, zoals minister Verlinden gedaan heeft in de afgelopen week, of gaan we de verantwoordelijkheid opnemen die we kunnen opnemen?
Laat het duidelijk zijn, de lokale besturen spelen een cruciale rol wanneer het gaat over veiligheid. Dat hoeft men mij en alle burgemeesters in het land niet te komen vertellen. Wij weten dat. De verantwoordelijkheid afschuiven en doorverwijzen naar de lokale besturen, dat helpt echter niemand vooruit.
Voor Vooruit is veiligheid een absolute topprioriteit. Wie veel geld heeft, koopt zijn veiligheid, met hoge poorten, dure alarmsystemen, veel camera's en noem maar op. Wie echter een normale job heeft en in een normale wijk woont, zoals in Anderlecht, die rekent voor zijn veiligheid en voor de veiligheid van zijn kinderen op een sterke overheid. We moeten dus doen wat moet. Ook nu moet de federale gerechtelijke politie ingrijpen. Ook nu moet de justitie drugscriminelen snel opvolgen. Ook nu moeten we haast maken met het samenvoegen van de politiezones in Brussel.
De mensen in Anderlecht vragen (…)
Julien Ribaudo:
Monsieur le premier ministre, sept fusillades en deux semaines! Je voudrais d'abord prendre du temps pour apporter mon soutien aux victimes et à leurs proches, mais aussi aux habitants d'Anderlecht et de Bruxelles qui vivent dans l'angoisse. Il y a un an, jour pour jour, une fusillade éclatait à dix mètres de l'école de mes filles.
Monsieur le premier ministre, la sécurité est un droit, et même un droit fondamental, mais vous échouez à le garantir. Les gros trafiquants de drogue s'enrichissent et se sentent en totale impunité. La priorité doit aller à la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue. Il faut les arrêter. Pour ce faire, il importe de les toucher là où cela leur fait le plus mal: leur portefeuille. Voilà la priorité. Dans ce but, nos services publics doivent pouvoir accomplir leur travail. "Comment voulez-vous que j'arrête des auteurs si je n'ai pas d'enquêteurs spécialisés?" C'est ce qu'a déclaré à la presse le procureur du Roi de Bruxelles, en ajoutant qu'il en avait marre des effets d'annonce. Car, aujourd'hui, oui, vous faites des annonces à propos de moyens supplémentaires. Or ceux-ci sont trop faibles au regard des coupes que vos partis, le MR et la N-VA, ont opérées sous le gouvernement Michel.
Et puis, monsieur le premier ministre, j'ai aussi lu dans l'accord de gouvernement que les renforts seraient surtout destinés à Anvers, mais c'est partout qu'ils sont nécessaires! Cela m'incite à dire que vos moyens sont déjà insuffisants.
Il est essentiel de s'attaquer aux barons de la drogue, mais ces gens vivent de la misère d'autrui. Et vous, vous voulez mettre notre pays au régime pendant dix ans! Comment voulez-vous éradiquer ce fléau si vous ne parlez que d'austérité? Ce n'est pas d'austérité que nous avons besoin, mais d'investissements: dans la jeunesse, dans le travail social, dans la santé et l'enseignement. Il faut donc donner aux travailleurs les moyens de ne pas laisser la jeunesse dans les mains de ces trafiquants.
Monsieur le premier ministre, je reprendrai la question du procureur du Roi: combien d'enquêteurs la police judiciaire fédérale (PJF) va-t-elle recevoir?
Sammy Mahdi:
Mijnheer de eerste minister, in de eerste plaats wil ik u bedanken voor de extra politie, die het de minister van Binnenlandse Zaken meteen mogelijk heeft gemaakt om kordaat op het terrein op te treden. Wij weten allemaal dat er geen magische oplossing bestaat. Er bestaat niet één maatregel die alles oplost, iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen, en dus ook de burgemeesters, de PS-burgemeesters die vandaag in Brussel vzw's hun ding laten doen, die vandaag nalaten pizzeria's waar geen pizza's worden verkocht maar drugs worden verhandeld, te sluiten. Zij moeten optreden en ervoor zorgen dat daaraan iets wordt gedaan.
Als we ervoor willen zorgen dat iedereen zijn deel doet, dan spreekt dat misschien toch in het voordeel van de Nationale Veiligheidsraad, waarbij we niet alleen kijken naar het federale niveau, maar ook naar de regio's. To take back control. Wij moeten weer controle krijgen over onze straten. Er moet een versterking komen van de federale politie en van de federale gerechtelijke politie. Dat zijn allemaal zaken die we federaal kunnen doen
Tegelijkertijd moeten ook de andere politieke niveaus worden geresponsabiliseerd. Kijk naar Brussel momenteel. Hoe kunnen we de strijd tegen drugs voeren, als er gebruikersruimtes zijn, waarvan de Brusselse regering vindt dat het normaal is dat die er zijn? Dat krijg je mij niet uitgelegd.
Er is geen magische oplossing, behalve misschien de volgende: geen gebruiker betekent geen dealer; geen dealer betekent geen schietpartij. Het normaliseren van drugs in onze samenleving moet een halt toegeroepen worden. In films, Netflixseries en ook Vlaamse series wordt drugs overal beschouwd als iets positiefs. Dat moet gestopt worden. En wij moeten op het federale niveau de strijd tegen drugs voeren.
Mijnheer de eerste minister, welke maatregelen zullen wij nemen to take back control over onze straten?
Maaike De Vreese:
Mijnheer de eerste minister, collega's, elk nadeel heb zijn voordeel, zei ooit een groot filosoof. Met de arizonaregering stellen wij orde op zaken, met de neuzen in dezelfde richting, met een minister die onmiddellijk op het terrein was om actie te ondernemen, met een minister van Justitie die onmiddellijk daar was om mee het spoedoverleg in gang te steken.
Brussel is inderdaad al twee weken lang het strijdtoneel van drugsbendes, maar als we dat willen aanpakken, zullen we dat op de verschillende niveaus, van het lokaal niveau tot het internationaal niveau, moeten aanpakken. Dat is wat hier in de discussie ontbreekt.
Kijk naar het arizonaregeerakkoord. Alle maatregelen staan daar al in; we waren ons daarvan al bewust we moeten inderdaad de gerechtelijke politie versterken; we moeten inderdaad de politiezones in het Brusselse fusioneren; we moeten inderdaad de criminelen heel hard straffen en aanpakken; we moeten de focus leggen bij de drugsgebruikers. Zonder drugsgebruikers, geen afzetmarkt. Daar moeten we die criminelen treffen; in the pocket . We moeten hen treffen waar het geld zit. Ook op dat vlak zijn heel wat maatregelen gepland, die in deze legislatuur zullen worden uitgevoerd.
Mijnheer de eerste minister, we kunnen hier inderdaad met de vinger naar iedereen wijze, al degenen die de voorbije decennia volledig in het debat afwezig waren, maar dat mogen we vandaag net niet doen. Vandaag moeten alle neuzen in dezelfde richting.
Mijnheer de eerste minister, hoe zult u die eenstemmigheid tot stand brengen? Hoe zult u het lokaal niveau en het gewest meekrijgen? Hoe zult u de kwestie ook internationaal op de kaart zetten?
Ridouane Chahid:
Monsieur le premier ministre, je vous plains, parce que vous avez des partenaires de majorité qui sont amnésiques. Vous avez un président de parti qui vient nous expliquer ici que ce sont les bourgmestres socialistes qui sont responsables d'une compétence de Justice et d'Intérieur. Un président de parti qui a eu la compétence de la Justice sous l'Arizona; de l'Intérieur sous la Vivaldi, et de la Justice sous la Suédoise.
Qu'avez-vous donc fait pour régler les problèmes en matière de Justice et d'Intérieur? Ça, c'est la vraie question. Aujourd'hui, M. Mahdi, nous avons un procureur du roi qui vous rappelle qu'il manque 100 enquêteurs spécialisés pour résoudre des problèmes de fond. Ça, c'est la vérité mais évidemment le socio-démocrate que vous êtes ne se retrousse pas les manches. Vous rejetez la faute sur les autres. Alors, M. le premier ministre, les prisons débordent, la Justice ne sait plus où donner du pied tellement elle manque de moyens. Aujourd'hui, à la police fédérale, allez y faire un tour, M. Mahdi, il y a des voitures qui ne démarrent pas. Elles ne savent pas démarrer parce qu'elles sont en panne. Elles ne savent pas démarrer parce que vous n'avez pas mis les moyens nécessaires. Cela, c'est la vérité! Mais où étiez-vous quand on a commencé à désinvestir dans la police et la justice pendant quatre ans d'affilée. Ça, c'est la réalité. Aujourd'hui, le cancer de nos quartiers, vous n'y avez pas trouvé de solution. (Vives protestations de MM. Bouchez et Mahdi) Ça c'est la réalité, M. Mahdi, alors ne venez pas rejeter la responsabilité sur les autres! Et ne vous excitez pas, M. Bouchez, votre tour viendra!
Alors, monsieur le premier ministre: Quelle réponse allez-vous donner à la police judiciaire, à la justice? Et surtout, étant donné que l'on sait tous que le problème des narcotrafiquants est un problème européen, allez-vous initier une réunion du Conseil européen sur la matière pour faire en sorte que la lutte contre le trafic de drogue soit une question (...)
(Clameurs échangées hors micro entre M. Bouchez et les bancs du PS)
Voorzitter:
Mijnheer Bouchez en anderen, ik wil er nogmaals op wijzen dat wij ons hier niet op de jaarmarkt van een of andere Waalse gemeente bevinden. Ik heb immers de indruk dat die sfeer stilaan in het Parlement begint door te dringen. Dat kan trouwens ook op Vlaamse jaarmarkten weleens het geval zijn.
Er is hier een bepaalde manier van werken. Die bepaalde manier van werken stelt dat wie zich opgeeft om de vraag te stellen aan de eerste minister, zich op de sprekerslijst laat plaatsen. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de heer De Smet, die nu zijn twee minuten spreektijd krijgt.
Ik verzoek u hem gedurende die tijd ook te laten uitspreken.
François De Smet:
Merci, monsieur le président.
Monsieur le premier ministre, nous devons tous être un peu plus humbles dans ce débat. Il en va de même pour vous, monsieur Mahdi! Franchement, si j'étais le président du parti qui a géré la sécurité de ce pays au cours des cinq dernières années, je serais un peu plus humble sur ce sujet. En effet, les fusillades actuelles à Bruxelles résultent principalement de l'échec des deux gouvernements précédents, à savoir la Vivaldi et la Suédoise.
Nous sommes dix à intervenir sur ce sujet aujourd'hui, c'est très bien. Pour ma part, je suis intervenu tout au long de la dernière législature pour tenter d'alerter sur le fait que notre pays devenait un narco-État. Les autorités judiciaires ont fait de même, mais nous n'avons pas été écoutés.
Rappelons les faits. Les problèmes de drogue et de grand banditisme sont d'abord du ressort de la police judiciaire fédérale. Comme les polices judiciaires à Anvers et à Bruxelles n'ont pas assez d'enquêteurs, les polices locales bruxelloises se retrouvent face à des kalachnikovs. Voici la vérité!
Même si vous arrêtez cinq fois, dix fois, vingt fois ces dealers qui se tirent dessus pour un bout de trottoir et pour un territoire, nous savons tous qu'ils seront remplacés du jour au lendemain. Ce phénomène ne pourra pas être endigué si vous ne frappez pas les têtes, si vous ne frappez pas les portefeuilles, si vous ne confisquez pas l'argent, si vous ne confisquez pas les voitures de luxe et si vous ne démantelez pas les réseaux de trafic d'armes, de corruption et de blanchiment d'argent.
Il faut plus de bleus dans les rues, mais il en faut surtout plus derrière les écrans. Je reconnais que cela peut sembler contre-intuitif. Une vision simpliste et populiste du dossier consiste à dire: "Il suffit d'arrêter les gens et il suffit d'avoir des solutions simplistes, comme par exemple la fusion forcée de zones de police." Cela ne marchera pas! Si vous voulez aider les zones de police locale, revoyez la norme de financement – cela tombe bien, c'est prévu dans votre accord – et faites-le vite! Pour le reste, laissez-les tranquilles et aidez plutôt le procureur du Roi de Bruxelles en lui donnant les moyens qu'il demande! Continuez également à apporter votre aide au procureur du Roi d'Anvers! Mais surtout, il est grand temps d'aider les riverains de Bruxelles, fatigués de ce genre d'effets d'annonce, qui veulent être secourus maintenant!
Youssef Handichi:
Monsieur le premier ministre, je suis le dernier à vous poser la question. Je suis le dernier, mais je ne serai pas le premier à faire un jeu de devinettes. Je ne vais pas faire la liste des tirs. La situation est beaucoup trop dramatique. Les gens et les travailleurs dans ces quartiers, monsieur Chahid – je pense que nous venons du même quartier, ou pas très loin –, à Anderlecht, veulent vivre en paix. Ils veulent prendre les transports en commun en sécurité. À 2 h ou à 7 h du matin, ils veulent vivre en paix. Les premières actions qui ont été menées sur le terrain vont dans ce sens-là. Il s'agissait d'apporter une réponse forte.
Monsieur le premier ministre, vous avez une majorité qui vous soutient dans vos actions. Nous soutenons notre ministre de la Sécurité et de l'Intérieur dans les premières actions qui ont été menées. Sont-elles suffisantes? Nous sommes tous d'accord pour dire, non, elles ne le sont pas. C'est la question principale que j'ai à vous poser, monsieur le premier ministre: quelle est la suite de ces actions?
Effectivement, les Bruxellois, les Anderlechtois vous regardent, les trafiquants vous regardent. À un moment donné, on devra cesser cette politique visant à demander qui a fait quoi, et on devra mener des actions concrètes. Il faut taper fort. Tolérance zéro vis-à-vis de ces crapules. Monsieur le premier ministre, nous sommes vraiment impatients de comprendre, de savoir et d'aller chercher ces crapules pour les mettre en prison et assurer la paix à tous les Bruxellois.
Bart De Wever:
Chers collègues, je vais commencer par donner raison à M. De Smet. Face à la criminalité organisée, je pense que tout le monde devrait être humble et serein. Il s'agit d'un fléau mondial et il n'y a pas de réponse facile. C'est la vérité. Comme vous le savez, notre niveau de menace est actuellement au niveau 3 sur une échelle de 4. Les services se trouvent donc déjà dans un état de vigilance renforcée.
Le Conseil national de sécurité est un organe de coordination des politiques et non une entité opérationnelle. Le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur ainsi que la ministre de la Justice sont en contact étroit avec les différents services et le parquet. Ils me tiennent régulièrement informés. Demain, ils feront un nouveau point de la situation lors du Conseil des ministres où, comme vous le savez, siègent également tous les membres permanents du Conseil national de sécurité. Si à un moment donné, nous constatons qu'il est nécessaire de convoquer un Conseil national de sécurité pour une coordination supplémentaire, je ne manquerai évidemment pas de le faire.
Wat we de afgelopen weken hebben gezien aan Clemenceau is helaas geen onbekend tafereel. Het gaat hier over een bendeoorlog, waarbij bendes op straat met elkaar in de clinch gaan en daarbij grof geweld gebruiken. Dat is een tafereel dat helaas in heel wat Europese steden een trieste realiteit is geworden. We zien ook wat er in Nederland gebeurt, namelijk dat het drugsgeweld zich niet meer beperkt tot de steden, maar zich verder verspreidt. Dat is waarvoor ik in mijn vorige bevoegdheid inderdaad altijd heb gewaarschuwd.
Het goede nieuws is dat er deze keer wel een plan klaarligt. Als u zegt dat de Nationale Veiligheidsraad moet bijeenkomen om een plan te maken, dan antwoord ik u van niet, want de bestrijding van de georganiseerde misdaad komt heel uitgebreid aan bod in dit regeerakkoord. Er is een plan en de middelen van de veiligheidsdepartementen zullen ook worden opgedreven.
Het is mijn uitdrukkelijke ambitie om een integrale aanpak uit te rollen ten aanzien van de georganiseerde misdaad en in het bijzonder van de drugscriminelen. U zult begrijpen dat dit mij heel na aan het hart ligt. Het gaat over bronland of productiesite, logistiek, invoerhavens of luchthavens, geldstromen, ondermijning, bendevorming tot en met straatdealers en uiteraard ook over het geweld dat daarmee gepaard gaat. Dat moet allemaal aangepakt worden.
Daarin past het heropnemen van zowel het Kanaalplan als het Stroomplan 2.0 en ook de fusie van de Brusselse politiezones zal bijdragen aan een efficiëntere bestrijding van de georganiseerde misdaad in onze hoofdstad. Ik hoop dus op de medewerking van alle burgemeesters. De lokale politie kan heel veel betekenen, zeker als het gaat over straatbendes en ondermijning. Ik denk dat ik heel goed geplaatst ben om u dat te vertellen. Het is dus zaak om het regeerakkoord resoluut uit te voeren.
Deze problematiek vereist een structurele aanpak. Het geweld dat men vandaag in Brussel ziet, is niet het begin, maar wel het eindresultaat, het trieste gevolg van een lange criminele pijplijn. We moeten de droevige waarheid onder ogen zien, namelijk dat niemand kan beloven dat men dit op korte termijn structureel kan doen stoppen. Sereniteit is in deze echt wel geboden. Als we het structureel willen stoppen, dan zal iedereen moeten meewerken. Elke overheid zal moeten samenwerken.
Ik ben daarvoor – letterlijk – al de wereld rond geweest. Ik heb met havens, overheden, anti-corruptiediensten en Justitie in diverse landen gesproken en de havens verenigd. Er is al zoveel voorbereidend werk verricht en er ligt zoveel klaar. Ik heb altijd goed en nauw samengewerkt met de vorige ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Er is al enorm veel voorbereid, nationaal en internationaal, waarvan ik nu hoop dat wij de vruchten zullen kunnen plukken. Ik heb tijdens mijn eerste meeting met de heer Costa al gezegd dat dit ook een Europese prioriteit moet worden, anders duwen wij het probleem alleen maar naar elkaar toe. Dat is echter helaas helemaal nog niet het geval. Wij hebben daarvoor iedere overheid nodig.
C’est pourquoi je déplore également qu’il n’y ait toujours pas de gouvernement de plein exercice à Bruxelles pour mettre en œuvre des réformes structurelles de manière décisive avec nous. J’appelle encore une fois chacun à arrêter les jeux politiques et à assumer ses responsabilités pour la sécurité de nos citoyens. Merci.
Ortwin Depoortere:
Wie dacht dat met de N-VA in de regering veiligheid prioriteit nummer 1 zou worden, is eraan voor de moeite. Terwijl Antwerps premier Bart De Wever enkele jaren geleden zelf opriep om het leger in te zetten, blijft het nu oorverdovend stil. Hij gaat liever naar een patserfilm en zegt dat de drugsproblematiek is wat ze is.
Mijnheer de premier, als het u menens is met de veiligheid van onze burgers, dan moet u de oplossingen van het Vlaams Belang in de praktijk omzetten, structureel en op korte termijn. Wij stellen een totaalaanpak voor met inzet van alle veiligheidsdiensten, desnoods ook met het leger, en een versterking van de gespecialiseerde politie-eenheden om de jarenlange onderfinanciering tegen te gaan. Houd desnoods grootschalige razzia's in die wijken, ga van deur tot deur, pak die criminelen op. Zet criminelen die hier illegaal zijn het land uit. Zorg opnieuw voor veilige straten voor onze bevolking!
Rajae Maouane:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses.
J'ai été un peu frustrée parce que j'aurais aimé entendre que ce dont on a besoin, ce sont des services publics qui tiennent debout. J'aurais aimé entendre qu'on a besoin d'une police bien formée et présente au quotidien dans les quartiers, d'une justice qui a les moyens d'enquêter et d'un véritable travail de prévention. J'aurais aimé entendre qu'il faut protéger les quartiers, que les quartiers populaires aussi ont droit à la sécurité et que la réponse ne peut pas être seulement répressive.
Malheureusement, votre gouvernement Arizona détricote le statut des policiers et diminue aussi la capacité à recruter des agents et des agentes.
Le procureur du Roi n'a pas demandé plus de police et plus de chefs de police. Il a demandé davantage d'inspecteurs à la police fédérale. Il n'y en avait pas qui étaient disponibles. C'est un vrai problème.
Et, quand j'entends certains partis qui sont au pouvoir depuis 25 ou 30 ans sans discontinuer, je continue à être inquiète et je me demande comment on va faire pour la suite. Parce qu'en fait, la sécurité ne se construit pas à travers des effets d'annonce; elle ne se construit pas à travers des opérations coup de poing, mais à travers de la répression, de la prévention et un travail main dans la main (...)
Alexia Bertrand:
Mijnheer de eerste minister, u hebt veel plannen. Wij willen echter concrete actie. Wij hebben u geholpen met concrete actie in Antwerpen. Welke middelen hebt u opgenomen in uw begrotingstabellen voor 2025 voor de politie? Dat is 26 miljoen euro. Dat staat in schril contrast met de 100 miljoen euro voor 2024, die wij hebben ingeschreven. Mijnheer de eerste minister, wij hebben u geholpen in Antwerpen. In Brussel zien of horen wij u niet. Wij hebben vier keer zoveel middelen uitgetrokken in 2024 dan u voor 2025 inschrijft.
Brent Meuleman:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord en voor uw oproep tot sereniteit. Het Vlaams Belang kan daarvan nog wat leren.
Collega’s, laten we alle theater achterwege laten, want dat komt ten koste van de veiligheid van de mensen. Laat het duidelijk zijn: iedereen moet zijn steentje bijdragen.
Voor Vooruit is veiligheid een absolute topprioriteit. Hoe brengen mensen hun kinderen in godsnaam naar school, als zij elk moment in een schietpartij terecht kunnen komen? De inwoners van de betrokken wijken voelen zich niet veilig. Net om die reden hebben de regeringspartijen afgesproken dat meer centen en meer middelen naar Justitie en naar politie zullen gaan.
Immers, collega’s, alleen door nu samen op te treden, zullen wij het geweld een halt kunnen toeroepen en ervoor kunnen zorgen dat de mensen opnieuw in leefbare wijken wonen en er veilig kunnen opgroeien.
Julien Ribaudo:
Monsieur le premier ministre, vous avez parlé de sérénité. Alors, moi, je m'amuse de voir la droite s'exciter comme ça sur les bancs, bien que vous ayez eu les dix derniers ministres de l'Intérieur.
Monsieur le premier ministre, vous avez dit avoir un plan. Mais nous vous avons posé des questions concrètes et votre réponse était vague, très vague.
Avez-vous écouté le procureur du Roi hier, quand il a parlé de donner plus de moyens? Les chiffres parlent d'eux-mêmes: à Bruxelles, il manque 137 policiers à la police judiciaire fédérale, sur 722; à Anvers, il en manque 95 sur 508. Et même la police locale, qui doit se charger de la police de proximité, est en sous-effectif. Comment voulez-vous lutter contre le narcotrafic si vous démantelez les services publics et si vous détériorez les conditions de travail de la police?
Monsieur le premier ministre, vous ne pourrez pas lutter efficacement contre le crime organisé, ni garantir la sécurité des citoyens, si vous poursuivez dans cette direction.
Sammy Mahdi:
Dank u, mijnheer de eerste minister. U hebt terecht gezegd dat we verder kordaat moeten optreden.
Mijn laatste boodschap geef ik in het Frans.
Ce message s'adresse à certains jeunes de quartiers.
À toi, petit dealer, qui essaies d'avoir de l'argent facile en trafiquant de la drogue. Toi, le petit dealer, alors que tes grands-parents et tes parents se sont cassé le dos pour travailler dans cette société, aujourd'hui, tu te retournes contre cette société. À toi, petit dealer, qui peut-être écoutes certains partis de gauche qui te disent que tu n'as aucune opportunité dans cette vie, je veux te faire passer un message. C'est qu'il y a deux options. Ou bien tu t'intègres, tu t'investis et tu prends les opportunités qui existent au sein de cette société. Ou bien tu feras face à un pouvoir politique qui ne tolérera pas qu'aujourd'hui, des jeunes menacent la sécurité pour eux-mêmes, pour les autres jeunes de quartiers et pour les parents. Pas avec nous, pas avec ce gouvernement! J'espère que tu l'as bien entendu!
Maaike De Vreese:
Het is fake news, mevrouw Bertrand. U zou beter moeten opletten en even luisteren. U verkoopt hier in het Parlement fake news. Dat weet u. U moet leren optellen. Het gaat om 110 miljoen erbovenop.
Ik kan u één ding zeggen, collega's. De bendes hebben een heel slecht moment uitgekozen. Die criminelen hebben een slecht moment uitgekozen. Want wij zullen er staan. Arizona zal er staan, als één blok. Wij zullen zorgen voor een eenheid van commando. Het is met ons of het is tegen ons. Wie niet horen wil, zal voelen.
We zullen dit allemaal samen doen. Daarom is het zo belangrijk en vraag ik ook die lokale besturen en het gewest om zich achter dat blok te scharen en zich niet weg te steken, maar om de strijd samen met ons aan te gaan.
De voorzitter:
Het zal u bekend zijn, mevrouw Bertrand, dat eventuele tussenkomsten of persoonlijke feiten aan bod komen na afloop van het debat.
Ridouane Chahid:
Monsieur le premier ministre, merci pour les réponses, mais vous n'avez pas répondu à un certain nombre de questions. Au mieux, vous avez lu la déclaration de gouvernement que vous aviez déjà lue il y a quelques jours. Mais la question est la suivante: est-ce vraiment avec 75 millions d'euros que vous allez apporter une réponse face à des narcotrafiquants qui brassent des milliards?
Vous avez parlé de la police locale. Aujourd'hui, les polices locales, les sections locales de recherche se mettent à disposition pour aider la police fédérale, pour faire en sorte de trouver des solutions et de régler des problèmes de fond.
L'appel du procureur du Roi est donc simple. Ce n'est pas une fusion des polices qui va régler le problème, mais c'est engager des enquêteurs. Il manque plus de 100 enquêteurs à la police judiciaire fédérale. C'est ce qu'ils attendent de vous.
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, merci pour vos réponses. Il y a de bonnes choses. Mais sur la fusion des zones de police, pour rappel, les six zones bruxelloises font déjà partie du top 12 des zones les plus denses. Si vous les fusionnez de force, vous allez déstructurer une police de proximité, qui est une des rares choses qui fonctionnent dans l'ensemble.
Non seulement les 19 bourgmestres, toutes couleurs confondues, sont contre. Le procureur du Roi vous dit que c'est une mauvaise idée. Le procureur général vous dit que c'est une mauvaise idée.
De grâce, arrêtez avec ce qui ressemble de plus en plus à un nouveau BHV, à un totem communautaire absolument irrationnel, qui n'a pas de plus-value. Arrêtez de vous attaquer aux zones de police; attaquez-vous aux narcotrafiquants.
Youssef Handichi:
Tout d'abord, un petit message au PTB: au lieu de se poser la question de qui a eu quoi comme ministères ces 30 dernières années, peut-on être d'accord sur le fait que vous, vous n'avez jamais rien eu dans les mains? C'est un premier point.
Ensuite, je m'adresse aux camarades de la gauche. Il faudrait peut-être faire la liste de vos compétences et voir où se trouve aujourd'hui M. Vervoort. Il est aux abonnés absents. M. Cumps à Anderlecht fait des effets d'annonce, mais où est la police locale?
Effectivement, nous avons renforcé la présence des bleus. C'est une première réponse qui est nécessaire. Pas du tout de la prévention, mais de la répression. Comme je vous l'ai dit, à un moment donné, la peur doit changer de camp, monsieur le premier ministre. Vous avez une majorité qui vous soutient dans ce sens-là. Merci.
Persoonlijk feit
Fait personnel
Alexia Bertrand:
Het was uiteraard een persoonlijk feit, mijnheer de voorzitter. Wie vertelt hier nu fake nieuws? Ik heb hier de tabellen. Daar staat voor de ministerraad van 23 oktober 2020: plus 100 miljoen euro in 2024 voor de politie. Bij jullie is dat 26 miljoen euro. Dat is vier keer minder, bovenop natuurlijk. Wij zijn het eens, mijnheer Ronse. Het is 100 miljoen euro bovenop de middelen die voorzien waren. Wij hebben dus vier keer meer gedaan dan wat jullie gaan doen in 2025. Dat is een feit.
Voorzitter:
Het woord is aan mevrouw De Vreese. Het Reglement bepaalt dat de aangesprokene repliektijd krijgt. (Protest op de Open Vld-banken)
Collega's, het zou fijn zijn als u allemaal het Reglement even bekijkt. Ik geef dus het woord aan mevrouw De Vreese.
Maaike De Vreese:
Collega Bertrand, u zou als geen ander de begroting moeten kennen. De verhoging van Vivaldi is natuurlijk mee in de begroting opgenomen. Daar doen we dit nog eens bovenop. Het is natuurlijk jammer en pijnlijk voor Open Vld om dit te horen, maar wij doen het er dus nog bovenop, dit in een context waarin uw partij een desastreuze begroting heeft achtergelaten. U gaat ons nu lesjes leren over de manier waarop wij in veiligheid moeten investeren, terwijl u in de voorbije legislatuur een put hebt achtergelaten. Het is een schande dat u op die manier durft tussen te komen.
Voorzitter:
Ik verwijs even naar artikel 55. Het is altijd toegestaan het woord te vragen voor het beantwoorden van een persoonlijk feit. De toelichting van het persoonlijk feit en het eventuele antwoord van een ander lid of een lid van de regering mogen samen niet meer dan vijf minuten van de tijd in beslag nemen.
De Amerikaanse steun voor Oekraïne
Het vredesplan van Trump en Poetin voor Oekraïne
Oekraïne en de Europese strategische autonomie
De uitspraken van de minister in De Tijd aangaande een Belgische vredesmissie in Oekraïne
De verklaringen van de Amerikaanse regering
De positie van België bij mogelijke vredesonderhandelingen voor Oekraïne
De uitspraken van J.D. Vance en Keir Starmer
Het sturen van Belgische grondtroepen naar Oekraïne
Internationale diplomatie en militaire betrokkenheid in de Oekraïne-oorlog
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 19 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België en Europa staan onder druk door de verschuivende Amerikaanse houding in het Oekraïne-conflict, waar de VS (onder Trump) Oekraïne’s NAVO-lidmaatschap uitsluiten, territoriale concessies eisen en vredesonderhandelingen *zonder* EU/Oekraïne voeren—wat als een "nieuwe Yalta" of "Munich" wordt gezien. Minister Francken (Defensie) bevestigt ongewijzigde Belgische steun aan Oekraïne, benadrukt dat vrede *alleen* met Oekraïne’s instemming mogelijk is, maar waarschuwt dat een eventuele vredesmacht (waaraan België zou kunnen deelnemen) afhankelijk is van een concreet akkoord, internationaal mandaat (VN) en consensus in de regering—wat nu ontbreekt. Kernpunten: Europa moet dringend strategische autonomie ontwikkelen binnen de NAVO, maar België’s defensiecapaciteit (munitie, manschappen) is ontoereikend voor langdurige inzet, terwijl Rusland elke westerse troepeninzet als escalatie ziet. De VS trekken zich de facto terug, wat Poetin’s positie versterkt—terwijl EU-lidstaten (o.a. Frankrijk) zonder België overleggen, wat de Europese eenheidscrisis blootlegt. *Critici* (o.a. PVDA) eisen snelle vredesonderhandelingen *met* Rusland; *atlanticisten* (o.a. Open Vld) willen de VS-band behouden maar erkennen dat Europa zichzelf moet verdedigen. Francken: "Geen 'boots on the ground' als gevechtstroepen, wel steun aan Oekraïne—maar prioriteit is eigen defensieherstel."
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, ik heb deze vraag ingediend op 12 februari, een week geleden. Intussen is ze compleet gedateerd. Er beweegt immers heel veel op het Europese en op het wereldtoneel, en niet altijd in een positieve richting. De aanleiding voor mijn vraag waren een aantal uitspraken van de nieuwe defensieminister van de Verenigde Staten, Hegseth, die België en bij uitbreiding Europa met de neus op de feiten drukte dat we in de toekomst zelf onze boontjes zullen moeten doppen.
Ondertussen zijn er in Saoedi-Arabië onderhandelingen opgestart tussen de Verenigde Staten en Rusland, zonder Oekraïne, zonder de Europese Unie. Volgens president Trump moeten Oekraïne en de Europese Unie een toontje lager zingen. Macron organiseerde op zijn beurt een Europees veiligheidsoverleg. Zonder ons. Vandaag is er een veiligheidsoverleg aan toegevoegd waar onze eerste minister wel aan zal deelnemen, zij het digitaal.
Er zijn eigenlijk niet zoveel positieve vooruitzichten, maar ik wil hier niet van Trump de baarlijke duivel maken. Hij heeft een aantal punten, zeker als hij zegt dat Europa en België stilaan hun NAVO-verplichtingen moeten nakomen. Daarin heeft hij 100 % gelijk.
Waar ik me wel veel zorgen over maak, is de houding van de Verenigde Staten ten aanzien van Oekraïne. Hegseth heeft toch heel duidelijk gezegd dat Oekraïne er stevig over moet nadenken de door Rusland bezette gebieden op te geven en dat het zijn toetreding tot de NAVO vooral moet vergeten. Wij moeten die toetreding volgens hem uit ons hoofd zetten. Op dat vlak is het standpunt van de Verenigde Staten wel heel duidelijk.
Het ging ook over de vredestroepen. Als er vredestroepen naar Oekraïne gestuurd worden, zal dat zonder de Verenigde Staten zijn. Het zijn toch allemaal zeer sterke uitspraken, waardoor meer en meer duidelijk wordt dat België en Europa hun plan zullen moeten leren trekken. Ik vind het echter wel belangrijk dat we de banden met de Verenigde Staten niet volledig verbranden, vandaar een aantal vragen.
Mijnheer de minister van Defensie, wat is uw standpunt met betrekking tot die uitspraken? Vindt u ook dat Oekraïne de bezette gebieden zou moeten opgeven? Wat denkt u over een NAVO-bondgenootschap met Oekraïne? Wat is het standpunt van de regering ten aanzien van de steun aan Oekraïne? Wat is nu de te volgen strategie van Europa als bondgenoot van Oekraïne?
Gelet op de recente ontwikkelingen, ziet u op korte termijn vredesgesprekken aanvatten tussen Oekraïne en Rusland? Het gaat dan om echte vredesgesprekken, niet het aftasten dat nu gebeurt tussen de Verenigde Staten en Rusland. Welke rol is daarin voor de Europese Unie weggelegd?
François De Smet:
Monsieur le ministre, on apprenait le 13 février dernier, le coup de téléphone entre MM. Trump et Poutine au sujet de l’Ukraine et, à en croire les déclarations du président américain et de son secrétaire à la Défense, les États-Unis considèrent déjà que l’Ukraine devra faire des concessions territoriales et ne pourra jamais faire partie de l’OTAN. Tout indique, malheureusement, qu’un règlement de paix se dessine dans le dos des principaux intéressés: les Ukrainiens et les Européens. Cela se confirme depuis lors par les échanges intervenus à Riyad entre Russes et Américains.
Tout indique qu’après des années de lutte soutenue par les occidentaux, l’Ukraine va être abandonnée et forcée à une paix qui n’en sera pas vraiment une. Si l’Ukraine se retrouve à devoir accepter le dépeçage de son pays, s’il elle doit accepter que la loi du plus fort l’emporte sur le respect des frontières et le droit international, c’est l’ensemble de nos valeurs qui sera bafoué. Notre pays, je l’ai souvent dit sous la précédente législature, fait partie des États européens qui auraient pu aider davantage et mieux l’Ukraine. Nous avons fourni de l’aide, oui, mais en retenant toujours quelque peu notre bras lorsqu’on regarde ce qui a été investi par des pays comparables comme les Pays-Bas. C’est pour cette raison que nous sommes aujourd’hui considérés comme étant en seconde division et que notre premier ministre n’est invité à l’Élysée qu’aujourd’hui, à la réunion de rattrapage, un peu comme aux demi-finales de l’Eurovision.
Quelle sera donc l’attitude de la Belgique face à ce tournant important? Quelle sera notre position face à ce qui sera au mieux un nouveau Yalta et au pire un nouveau Munich dont les européens apparaissent à ce jour comme les grands absents, les grands exclus? Quelle position la Belgique va-t-elle défendre au milieu du concert des nations européennes sur l’Ukraine et les perspectives de cette soi-disant paix? Continuerons-nous quoi qu’il en coûte à aider financièrement et militairement ce pays qui a tant vocation à rejoindre l’Union et l’Alliance atlantique? Je vous remercie.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, en marge d’un sommet européen consacré à la Défense, auquel vous avez participé, mais également interrogé par la presse, le premier ministre, lui, s’est défini comme un atlantiste désireux de préserver la relation avec Washington et de poursuivre en indiquant, je cite: "C’est une erreur de penser que l’Union européenne peut ou devrait se défendre toute seule." Alors, force est de constater que le gouvernement de Donald Trump ne partage pas du tout cette analyse. Durant un sommet de l’OTAN, auquel vous avez participé, le secrétaire américain à la Défense a jugé que l’adhésion de l’Ukraine à l’OTAN n’était pas réaliste, pas plus qu’un retour aux frontières d’avant 2014. Il a indiqué que si les forces de paix devaient être déployées – vous avez d’ailleurs fait des déclarations en ce sens sur la participation éventuelle de l’armée belge dans les forces de paix destinées à être déployées –, celles-ci ne le seraient pas dans le cadre de l’OTAN. C'est très clair. Elles ne pourraient pas invoquer l'article 5 du Traité de l'Alliance en cas d'attaque. L'armée américaine n'y participera pas.
Pour mon groupe, le retour de Donald Trump à la Maison-Blanche devrait être l'occasion, pour l'Union européenne et notre pays, d'un électrochoc pour une véritable autonomie stratégique européenne au sein de l'OTAN. Ce sont des difficultés, mais il y a d'immenses opportunités.
Monsieur le ministre, quelle est votre réaction suite aux propos du gouvernement de Donald Trump quant à l'Ukraine? Quelle position avez-vous défendue au nom de la Belgique durant le sommet de l'OTAN, notamment au sujet de l'Ukraine, des négociations en cours qui excluent les autorités ukrainiennes, et du besoin d'une véritable autonomie stratégique de l'Union européenne? Quelles initiatives allez-vous prendre en ce sens au sein de l'Union européenne pour tenter de renforcer le pilier européen au sein de l'OTAN? Je vous remercie pour vos réponses.
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, u hebt recentelijk verkondigd dat België aan een vredesmissie in Oekraïne zou kunnen deelnemen. U sprak over vredesonderhandelingen en een vredesbestand dat mee kon worden gehandhaafd met onze militairen. In het bewuste artikel leek u de realpolitik van Trump te smaken, ook al lijkt hij dus snel een einde te willen maken aan de oorlog en de deur open te zetten voor gebiedsafstand in de Donbas en het zuiden van Oekraïne. Dat roept toch enkele vragen op.
U beklaagde zich in april 2024 nog over de lamentabele staat van de munitiestocks en van ons defensieapparaat in het algemeen. Dat zou op dit moment eerder een last dan een bijdrage zijn. Ik citeer: “In elk geval klopt het dat wij op dit moment geen munitie hebben om een langdurige oorlogsinspanning van welke aard dan ook vol te houden. Een vredesmissie aan de – toekomstig – voormalige Oekraïense frontlijnen na een vredesdeal draagt altijd het potentieel van opflakkering in zich. We moeten dus erg goed voorbereid zijn op dit scenario als we die stap willen zetten en onze militairen effectief aan zo'n missie zouden willen laten deelnemen.”
Wat is uw visie op de lopende vredesonderhandelingen? Wat is uw visie op het door Trump beoogde vredesakkoord met Poetin? Hoe rijmt u dat met uw eerder geuite standpunt dat we tot de laatste man moeten vechten? Hoe zou zo'n vredesmissie er concreet uitzien? Hoeveel manschappen zouden we moeten sturen om enig gewicht in de schaal te kunnen leggen en uit welke eenheden zouden zij komen? Hoeveel munitie zouden zij moeten meenemen?
Is Defensie wat u betreft voorbereid op een mogelijk zeer langdurige vredesmissie in Oekraïne? Ik vrees namelijk dat het geen kwestie van enkele maanden zal zijn. Wat zal de impact op onze capaciteit zijn? Wat zal de kostprijs zijn?
Is Defensie voorbereid op effectieve vredeshandhaving indien Rusland een eventueel vredesbestand zou schenden? Oud-generaal Thys stelde immers dat we dit nog nooit in die vorm hebben gedaan. U zegt zelf dat Poetin zich niet aan een akkoord zal houden, wat effectief in de lijn der verwachtingen ligt. Kan onze Defensie dat scenario dan wel aan op dit moment? Dat lijkt me een cruciale vraag.
Darya Safai:
Mijnheer de minister, we krijgen nu op korte termijn een realitycheck. Dat ons land niet mee aan tafel zat bij de Europese besprekingen hebt u in de pers al gekaderd. U zult het echter wel met ons eens zijn dat Oekraïne een plaats aan de onderhandelingstafel moet krijgen. We vernemen dat de Oekraïense strijdkrachten zich bij eender welke boven hun hoofd besliste deal niet zullen neerleggen.
Graag hoor ik van u of u bij uw Amerikaanse collega de grote strategie hebt meegekregen, dan wel of hun diplomatie eerder heel situationeel is.
Axel Weydts:
Mijnheer de minister, een maand geleden was ik op bezoek op de Amerikaanse ambassade. De rode draad doorheen het gesprek met de daar aanwezige diplomaten was: fasten your seatbelts, it's gonna be a hell of a ride . Die woorden zijn nog maar drie weken oud en we hebben al gezien wat die in de praktijk betekenen.
We hebben de afgelopen weken heel wat uitspraken gehoord in het kader van internationale bijeenkomsten in de Munich Conference, maar ook op de NAVO-top van Defensieministers. Daarbij is het heel duidelijk dat het met deze Amerikaanse administratie wel degelijk een hell of a ride zal worden.
Europa is volgens mij terecht bezorgd dat het op dit moment enigszins buitenspel gezet wordt bij de mogelijke vredesonderhandelingen voor Oekraïne. Ik hoop dat Europa zich daar krachtdadig zal tonen, maar vooral ook dat Europa de rug recht en schouder aan schouder blijft staan en niet collectief in tranen uitbarst bij uitspraken van Amerikaanse officials, maar dat we vooral rekenen op onszelf en dat we onszelf voldoende sterk tonen op het internationaal toneel.
Mijnheer de minister, u hebt zelf verklaard dat het mogelijk moet zijn dat ook Belgen deelnemen aan een eventuele vredesoperatie in Oekraïne. Vooruit kan dat absoluut ondersteunen, want ook dat is een vorm van internationale solidariteit. Dat zal echter moeten gebeuren onder een aantal belangrijke voorwaarden. De basisvoorwaarde is natuurlijk dat er vrede bereikt wordt. Zonder vrede kan men geen peacekeepingoperatie opstarten. Dat zal dus een belangrijke voorwaarde zijn. Het zal ook onder een internationale paraplu moeten gebeuren, met duidelijke inzetregels en een duidelijk mandaat. Kunt u die mogelijke Belgische deelname aan de toekomstige peacekeepingoperatie al wat verder duiden?
Stéphane Lasseaux:
Monsieur le ministre, je ne vous souhaite pas la bienvenue car vous étiez là bien avant moi, mais je vous félicite pour l'engagement déjà pris, et certainement pour tout le travail que vous pourrez réaliser au sein de votre ministère.
Les États-Unis ont décidé dernièrement et unilatéralement de mettre les Européens devant leurs responsabilités en affirmant que la sécurité du continent devait être assurée par leurs soins. Cela n'est pas resté sans suite ni sans effet puisque, immédiatement, le président Macron a convoqué à Paris une réunion entre certains pays de l'Union européenne, et ensuite une réunion supplémentaire, qui a lieu ce jour.
Suite aux déclarations du premier ministre britannique ce dimanche, disant que la Grande-Bretagne était prête à envoyer des troupes en Ukraine, et en raison de la possibilité d'arrêt du soutien des États-Unis prochainement dans la gestion du conflit russo-ukrainien, j'aimerais vous poser quelques questions.
L'Europe travaille-t-elle à un envoi coordonné de troupes sur le sol ukrainien? Le gouvernement belge y est-il favorable? À quelles fins nos troupes seraient-elles utilisées le cas échéant? Serait-ce en soutien au cessez-le-feu sur le front?
Pourquoi la Belgique n'a-t-elle pas été invitée à la première réunion d'urgence à Paris? On a un peu l'impression qu'hier avait lieu la Champions League et qu'aujourd'hui a lieu la Conference League. Pourquoi sommes-nous seulement invités aujourd'hui? Si vous aviez une réponse à nous apporter, cela serait évidemment fort éclairant pour nous tous.
Robin Tonniau:
Mijnheer de minister, de vredesonderhandelingen zijn opgestart. Dat is op zich een positief feit. Dat toont aan dat onderhandelingen mogelijk zijn. We hadden daar veel eerder aan moeten beginnen, want de afgelopen drie jaar zijn er honderdduizenden slachtoffers voor niets gevallen.
Trump is vooral in zijn eigen belangen geïnteresseerd. De 500 miljard euro aan grondstoffen die hij zou opeisen in Oekraïne is vooral bedoeld om zijn geopolitieke doelen en zijn financiële achterban te dienen. Hij beslist boven de hoofden van de Europeanen, van de Oekraïners, van iedereen. Dat toont ook aan dat alle oorlogen het eigen financiële belang dienen en niet de mensenrechten, niet het redden van de democratie en niet de vrijheid.
Europa moet stoppen met het slaafs volgen van de VS en de NAVO. Europa moet de vrede in Oekraïne verdedigen op basis van een gemeenschappelijke veiligheidsarchitectuur en de weg van internationale samenwerking, ook met de landen van het Zuiden, bewandelen en niet de weg van de militarisering volgen. Europa moet het vredesproces in Oekraïne verdedigen, samen met de Oekraïners, samen met de Russen en ook met de andere mondiale machten. Dat is de enige manier om de oorlog te stoppen.
De vragen die ik had ingediend, gingen over uw 'boots on the ground'-uitspraken. Werd het sturen van Belgische militairen op de ministerraad besproken? Is iedereen in de arizonaregering het daarmee eens? Denkt u dat de aanwezigheid van Belgische grondtroepen en de permanente aanwezigheid van militairen in Oekraïne een positieve factor voor de veiligheid van de regio is? Om hoeveel troepen gaat het precies, als u wilt meedoen? Aan welke veiligheidsgarantie moet worden voldaan? Zijn de missies in Roemenië en Estland daaraan gelinkt? Ziet u de Belgische troepen opereren binnen de NAVO of uitsluitend in een Europese context?
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, ik wil eigenlijk minder genuanceerd zijn dan mijn collega's Weydts en Vander Elst. Is Europa een beetje buitenspel gezet? Neen, Europa is totaal buitenspel gezet. Moeten we de gedragingen van Trump een beetje veroordelen? Neen, we moeten die compleet veroordelen.
De Verenigde Staten willen zich enerzijds terugtrekken van het wereldtoneel en anderzijds gedragen ze zich als een bullebak in de wereldpolitiek, door vredesgesprekken aan te knopen met Rusland zonder Europa en zonder Oekraïne erbij. Dat is een rode lijn: vredesgesprekken moeten steeds samen met Oekraïne en samen met de Europese Unie gebeuren. Er kan immers niet worden gesproken over Oekraïne of over de Europese Unie zonder dat Oekraïne of de Europese Unie daarbij worden betrokken. Ik vind het zeer sterk wat daar gebeurt.
Daar komt nog bij dat de president van de Verenigde Staten tegen president Zelensky zei dat hij eigenlijk niet hoefde te klagen dat hij niet bij de gesprekken was, aangezien hij de oorlog allang zelf had kunnen stoppen en die zelf nooit had mogen beginnen. Hij legt de schuld van de oorlog dus ook nog eens bij Oekraïne. De waarheid heeft haar rechten. Wij moeten dat absoluut streng veroordelen. Wij kunnen dat niet dulden, ook niet vanuit de Europese Unie. Wij moeten daarop een fors antwoord geven.
Verschillende Europese leiders hebben aangegeven dat ze eventueel vredestroepen willen sturen. Mijnheer de minister, u hebt ook een dergelijke verklaring gedaan. U zei daarstraks dat u contact had met de ambassadeur in Moskou en benieuwd was naar diens reactie, vooral in het licht van de verklaring van de Russische minister van Buitenlandse Zaken gisteren dat Rusland welk initiatief ook waarbij een nationaal leger, een NAVO-leger of een Europees leger ook maar één voet aan grond in Oekraïne zet, zal beschouwen als een brug te ver. Ook Rusland hanteert natuurlijk de bullebaktactiek. Is daarop feedback gegeven door de ambassadeur? Hoe kijkt hij daarnaar en wat zijn de mogelijkheden daaromtrent?
Theo Francken:
Voor alle duidelijkheid, dat was onze ambassadeur in Moskou, niet de Russische ambassadeur, want die heb ik nog niet gezien. Ik wil wel, maar dan zou ik ook wel wat vragen krijgen.
Récemment, la position géopolitique américaine a été clairement annoncée dans de nombreux forums. La Belgique et ses partenaires se tiennent prêts à apporter une réponse appropriée afin de sauvegarder la cohésion au sein de l'Union européenne et de l'OTAN.
België moet daarbij rekening houden met de realiteit van zijn oostflank, namelijk de Russische dreiging die nog gedurende enkele decennia pertinent zal blijven. Tegelijk hangen veel Europese landen voor hun veiligheid sterk af van de Verenigde Staten. Veel partnerlanden zullen vermoedelijk een pragmatische koers varen ten opzichte van de vooropgestelde Amerikaanse oplossingen voor de crisis aan onze oostflank.
Sans tirer de conclusions prématurées sur un éventuel nouvel ordre mondial et sur la pérennité des organisations internationales, la Belgique continue d'adhérer à ses valeurs et défend également cette position au sein de la communauté internationale. En 2025, nous ne pouvons pas écarter l'hypothèse que les États-Unis durcissent leurs attentes vis-à-vis de l'Union européenne et au sein de l'OTAN.
In uitvoering van het regeerakkoord en van het Belgisch-Oekraïense veiligheidsakkoord van 28 mei 2024 heeft België zijn steun toegezegd aan Oekraïne op korte en op lange termijn. De snel veranderende actualiteit schept veel onzekerheid in de internationale relaties. De regering zal in het kader van die nieuwe realiteit nagaan welke maatregelen België kan en zal nemen.
Wat het mogelijke Oekraïense lidmaatschap van de NAVO betreft, staat België volledig achter het standpunt van het bondgenootschap dat in 2023 tijdens de NAVO-top in Vilnius werd vastgelegd. Oekraïne kan met name pas een uitnodiging ontvangen om zich bij het bondgenootschap aan te sluiten, wanneer de bondgenoten daartoe hebben besloten en wanneer aan de voorwaarden is voldaan. Zoals u weet, moet er rond een lidmaatschap van de NAVO consensus bestaan binnen de NAVO, dus tussen alle 32 lidstaten, zoals dat trouwens ook geldt voor de Europese Unie. Natuurlijk zijn er ook voorwaarden aan het lidmaatschap verbonden. Het duurzame einde van het conflict is een van die voorwaarden.
La Défense belge accueille favorablement toute initiative visant à mettre fin de manière honorable à la guerre en Ukraine. Le principe fondamental est qu'aucune paix durable ne peut être réalisée sans l'assentiment de l'Ukraine, et qu'il n'y aura pas de paix durable sur le continent européen sans que l'Europe n'y participe.
Dat lijkt mij nogal logisch. Een vredesmacht kan enkel in het leven worden geroepen met de toestemming van alle betrokken partijen, eerst en vooral van Oekraïne zelf. Ook is een internationaal kader en een duidelijk mandaat noodzakelijk en liefst een goedkeuring van de Veiligheidsraad. De rol en bijdrage van elk land dient te worden afgesproken. Geen van de voorwaarden is op dit ogenblik ingevuld, waardoor niet alle elementen beschikbaar zijn om een adequaat antwoord te kunnen geven op de vraag voor een Belgische deelname aan een eventuele internationale interventiemacht in Oekraïne.
La Belgique déplore de ne pas avoir été invitée à la réunion d'urgence organisée à Paris le 17 février, tout comme d'autres partenaires européens. Cependant, le choix des participants relève de la prérogative de l' É tat hôte. En vue de concertations futures, la Belgique exprime sa volonté de participer à toute discussion constructive, comme celle qui aura lieu aujourd'hui.
Ik wil nog enkele punten aanhalen. Ten eerste, wat ik nu zeg, heb ik in elk interview gezegd, ook in dat weekendinterview. Het is een virtuele discussie, want er is geen vredesakkoord. Er is geen vraag om een internationale vredesmacht op de been te brengen, want er is nog geen vredesakkoord waarvan die dan eventueel een deel zou uitmaken.
Het is altijd beter om niet te antwoorden op virtuele vragen, maar als men mij dat zou vragen, dan zou ik antwoorden dat het mij niet onlogisch lijkt om, als die vraag wordt gesteld en als er consensus bestaat binnen de regering, binnen de Belgische Defensie te kijken welke capaciteit we beschikbaar kunnen stellen. Ik lees vandaag dat dit een uniek gegeven is, maar dat is niet waar. We hebben daar wel degelijk ervaring in en we hebben dat al vaak gedaan. Elk conflict is natuurlijk anders. Er zijn altijd andere vijanden, andere posities en andere strijdtonelen, maar basically is het wel iets dat we al hebben gedaan.
U vraagt of er nog wel munitie zal zijn. De aankoop van munitie is voor mij een absolute prioriteit, want die kwestie is nog altijd problematisch. Er zijn wachtlijsten en er kunnen daarover binnen het bondgenootschap onderlinge afspraken worden gemaakt, zoals we in het verleden al hebben gedaan. Er zijn landen die veel munitie in stock hebben en andere minder, dus er kunnen daarover afspraken worden gemaakt. Dat staat dit dus zeker niet in de weg. Het is niet dat we niemand kunnen sturen omdat we geen kogels hebben. Het is misschien leuk om dat de mensen zo voor te spiegelen, maar dat is absurd.
Ik heb gezien dat sommige partijen ervoor pleiten om de militairen niet naar Oekraïne, maar wel naar Anderlecht te sturen. Dat is dan toch in tegenspraak met de partijstandpunten over Operation Vigilant Guardian (OVG). Ik kan mij vergissen en partijen kunnen van standpunt veranderen. Men kan jaren pleiten tegen OVG en zeggen dat de militairen niet op straat moeten worden ingezet, dat dit niet hun kerntaak is, dat er geen kader is en dat OVG een ramp en een schande is en daarna zeggen dat Francken geen militairen moet inzetten in Oekraïne, maar wel in Anderlecht. Enige consequentie van mijn kant is belangrijk, maar zou ook bij de oppositie geen kwaad kunnen. Daarvoor zit ik al iets te lang in deze commissie. Ik heb dat allemaal wel al eens gehoord en kan dus het ene ook afzetten tegen het andere. Op dit moment is er dus geen concrete vraag.
Collega's, ik denk inderdaad dat we aan realpolitik moeten doen. De terugtrekking van Amerikaanse troepen zal niet volgende week plaatsvinden. Integendeel, er is momenteel zelfs Fort to Port, wat betekent dat Amerikaanse troepen toekomen om naar het oosten en de oostflank te gaan. Het is dus momenteel zelfs omgekeerd.
Is het echter op dit moment zeer onduidelijk? Is er veel stress, frustratie en onbegrip langs twee kanten? Dat is het minste wat men kan zeggen. Ik deel uw emotie dus natuurlijk en we zullen zien wat daaruit komt. Ik weet dat ook niet, want ik zit daar niet. We zullen dus afwachten.
Er is overleg, ook binnen de Europese Unie. We moeten blijven overleggen en duidelijk stellen dat we Oekraïne blijven steunen en dat dat heel belangrijk is. Dat is mijn absolute mening. We moeten echter niet zeggen dat we boots on the ground en nu onmiddellijk gevechtstroepen zullen sturen om mee te gaan vechten tegen de Russen. Sommigen hebben geïnsinueerd dat ik dat zou hebben gezegd. Dat getuigt echter van slechte wil. Ik heb dat nooit, maar dan ook nooit, gezegd. Ik zal dat ook niet zeggen, want ik ben niet gek. We hebben dat tot nu toe niet gedaan en zullen dat ook niet doen.
Wat we wel moeten doen, is Oekraïne blijven steunen. Ik heb de heer Oemjerov, de minister van Defensie, vorige week ontvangen. Dat was een van mijn eerste ontmoetingen. Een uur ervoor had ik enkel de minister van Luxemburg gesproken. De premier en ik zullen ook zo snel mogelijk naar daar gaan. Er was dus ook overleg met Oekraïne en we moeten die lijn aanhouden. Maar goed, er zijn partijen die misschien denken dat dat geen goed idee is. Dan hoor ik het echter graag vandaag, want dat is belangrijk om te weten.
Quant à savoir si on est en Conference League ou en Champions League, on ne peut nier, sur le plan des capacités militaires, qu'on n'est pas du tout en Champions League. Je souhaiterais que ce soit différent mais on sait que ce n'est pas le cas. On ne doit pas le nier et être clair vis-à-vis du public. Il importe d'être transparent.
Nous avons des capacités substantielles. Notre frégate Louise-Marie est partie avant-hier dans le cadre d'une opération très importante en mer Baltique. Ce n'est donc pas que nous n'avons rien. En tant que bourgmestre de Florennes, vous savez que nous avons des F-16 qui travaillent super bien et qui remplissent des missions très importantes comme la mission Baltic Air Policing . Ce n'est donc pas comme si l'armée belge n'avait rien mais nous ne sommes pas en Champions League. Cependant, pour parler de football, en Conference League, on peut aussi avoir un match assez intéressant.
Ten slotte, ik heb hier op een aantal vragen kunnen antwoorden. Ik begrijp dat ik nog niet alle antwoorden heb gegeven, maar de situatie evolueert elke dag. Wij volgen die natuurlijk ook op. Ze zal hier de komende weken en maanden nog vaak aan bod komen.
Kjell Vander Elst:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik wil heel even reageren op de heer Tonniau van de PVDA. Mijnheer Tonniau, ik hoor u hier opnieuw met dubbele tong spreken over Oekraïne en Rusland. U werpt op dat heel veel slachtoffers voor niets zijn gevallen. Ik moet er u dus op wijzen dat Rusland Oekraïne is binnengevallen. Ik weet dat Rusland een bevriende natie is voor u en dat u dat regime misschien graag ziet, maar zeggen dat slachtoffers voor niets zijn gevallen in Oekraïne is echt de waarheid geweld aandoen. Ik hoop dat u die uitspraak corrigeert. Mocht ik zoiets uitspreken, dan zou ik beschaamd zijn.
Mijnheer de minister, ik wil het nu hebben over uw antwoorden, waarvoor ik u dank. De houding van België ten aanzien van Oekraïne is niet gewijzigd. Wij blijven hen actief steunen en dat is een goede zaak. Alleen is de houding van de Verenigde Staten wel gewijzigd. Die houding is veel forser en veel actiever geworden. Europa en ons land moeten hun tanden dus laten zien, tonen dat ze aan hetzelfde zeel trekken en eendrachtig tot beslissingen kunnen komen. De positie van Europa op het wereldtoneel wordt immers grondig onder druk gezet en ook enigszins ondermijnd.
Wij moeten daarop blijven hameren. Ik hoop dat België Oekraïne onvoorwaardelijk kan blijven steunen. We kunnen het best aan de tafel zitten om ons standpunt te verkondigen. Ik hoop dat dit in de toekomst continu het geval zal zijn. We voeren heel veel hypothetische gesprekken in dit debat, maar we moeten zoals u aangeeft alle opties in het oog houden. Op alle opties die op tafel kunnen komen, moeten we actief kunnen reageren, dus ook op besprekingen over de vredestroepen in de toekomst. Het is goed dat we dat bespreken, zodat we snel kunnen schakelen op het moment waarop dat op de tafel komt. Ik hoop dat we de Belgische steun aan Oekraïne onvoorwaardelijk kunnen voortzetten.
François De Smet:
Merci pour vos réponses. Trois éléments rapidement. Oui, nous regrettons de ne pas avoir été invités à la concertation européenne, mais nous pouvons mettre un pied dans la porte et tenter de monter en première division. Nous sommes un petit pays dans l'investissement militaire mais nous avons d'autres atouts, comme le réseau diplomatique. Il n'y a pas que la Champions League, il y a aussi la Croky Cup et les matchs de coupe, où les petits poucets peuvent tenter d'aller plus haut.
Deux, la Belgique n'exclut pas d'avoir des forces de paix sur place dans le cadre d'un accord de paix. Je crois en effet que nous ne devons pas l'exclure. Si un jour, une force de paix se déploie dans ce pays, elle doit être européenne. Les Russes sont farouchement contre cette idée mais je pense que c'est pourtant la bonne solution.
Et trois, je pense qu'il ne faut quand même pas écarter une hypothèse que tout le monde semble écarter, c'est tout simplement que la guerre continue. Tout le monde a l'air d'être dans l'idée que la paix va s'imposer parce que M. Trump est arrivé et que les planètes s'aligneraient. Mais en fait, les obstacles sont immenses.
Je crois que le gouvernement Arizona ne doit pas seulement tenter de mettre le pied dans la porte pour que les Européens soient intégrés dans un processus de paix. Il doit aussi prévoir, si ça ne marche pas, que la guerre continue et que le soutien à l'Ukraine devra s'intensifier davantage que sous la Vivaldi.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.
Participer, dans le cadre d'un accord de paix, au maintien de cette paix: oui, pourquoi pas. Nous l'avons fait par le passé. Vous l'avez dit. Nous avions, notamment au Liban, participé à des opérations de déminage à travers l'opération Blue Line. Cela a malheureusement été interrompu mais nous avons une expertise en la matière.
Deuxièmement, j'ai l'impression que pour l'instant, Poutine est en train de gagner. Il gagne pour les raisons suivantes. Il y a une forme d'acceptation de fait des territoires qu'il occupe déjà aujourd'hui. Cela semble déjà être une forme de préaccord possible. Il refuse l'adhésion à l'OTAN de l'Ukraine mais il permet à l'Ukraine d'éventuellement aller vers l'Union européenne. Il pourrait même interdire que des armes soient livrées à l'Ukraine, que des infrastructures militaires américaines y soient installées. Cela arrangerait bien Donald Trump. Il est en train de discréditer, et Donald Trump aussi, le président Zelensky. Pourquoi? À mon avis, dans l'intention de faire basculer le régime ukrainien et peut-être d'y installer à terme une potiche aux ordres de Poutine. Il faut donc être très vigilant parce que ce pays était sur la voie d'une démocratisation et d'une intégration au niveau de l'Union européenne.
En outre, Poutine a réussi à faire en sorte que la relation entre les États-Unis et l'Union Européenne se dégrade et que le lien transatlantique soit complètement distendu. Donc pour l'instant, qui gagne? C'est Poutine. Nous avons en conséquence besoin d'un leadership commun et d'une stratégie ambitieuse au niveau de l'Union européenne.
En tant que membre fondateur, la Belgique peut jouer un rôle, même si elle n'a pas été invitée à la première réunion, comme élément de stabilisation de l'Union européenne. Cela peut nous apporter des éléments sur lesquels je suppose que dans les jours, semaines et mois à venir, nous aurons l'occasion de discuter non seulement avec vous, mais également avec votre collègue en charge des Affaires étrangères.
Annick Ponthier:
Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Dit is eigenlijk een provisoir debat, maar u hebt wel een aantal zaken duidelijk gesteld. Daarvoor wil ik u danken. Er is op dit moment uiteraard nog geen vraag gekomen, daar waren we ons allemaal van bewust. Er is wel gezegd dat de houding van de Verenigde Staten gewijzigd is, dat klopt. We weten ook allemaal hoe dat komt. Het draagvlak voor de steun aan Oekraïne is natuurlijk sterk afgenomen in de Verenigde Staten. De huidige president voert uit wat zijn bevolking hem heeft gevraagd. We moeten daar eigenlijk niet al te verbaasd over zijn.
Anderzijds biedt het voor Europa wel de opportuniteit om eindelijk zelf onze verantwoordelijkheid te nemen in een aantal scenario's. Die opportuniteit moeten we dan ook grijpen. We hebben het al eerder gezegd, Europa heeft jarenlang, decennialang, de snooze button ingedrukt. Het wordt misschien tijd dat we daarvan afstappen.
Verder weten we uit de vredesonderhandelingen dat de Russen absoluut niet gewonnen zijn – oh verrassing – voor het idee van een vredesmissie van welke orde dan ook, zelfs buiten de NAVO om. Zij stellen natuurlijk zo hun eisen scherp. Dat zou ons van een aantal zaken zeer bewust moeten maken. Enerzijds moeten we er ons bewust van worden dat het potentieel inschakelen van een vredesmissie een heel langdurige inzet zou kunnen vereisen. Dat heb ik al in mijn vraagstelling gezegd, maar ik wil dat toch nog eens herhalen. Er moet dus heel omzichtig met die situatie omgesprongen worden. Anderzijds moeten we prioriteit geven aan de opschaling van onze defensiecapaciteiten en nog even afwachten of dat vredesakkoord er wel effectief zal komen.
Aan alle collega's die ons in het verleden een beetje naïef hebben genoemd als we het over vredesonderhandelingen of diplomatie hadden, wil ik nog even het volgende zeggen. Niet iedere oorlog wordt gestopt met een bijkomende militaire inzet, maar de stopzetting van iedere oorlog begint natuurlijk wel met onderhandelingen. We mogen daar dus ook niet te meewarig over doen.
Darya Safai:
Mijnheer de minister, ik ben blij te horen dat we Oekraïne blijven steunen. Overigens, de oorlog in Oekraïne vandaag is ook onze oorlog. Het is dus heel belangrijk dat we Oekraïne blijven steunen. Oekraïne is de poort van Europa. De imperialistische dromen van Rusland zullen daar niet eindigen. Wij moeten er dus voor zorgen dat Oekraïne sterk staat en iets te zeggen heeft, als het ooit aan de onderhandelingstafel komt.
Wij moeten Oekraïne blijven steunen, maar het is ook belangrijk in te zetten op de eigen veiligheid en de eigen defensie. Dat is de boodschap die ik wil brengen.
Axel Weydts:
Mijnheer de minister, partijen die u woorden in de mond proberen te leggen die u niet gezegd hebt, kunt u gewoon wegzetten als fake news. Die tactiek wordt ook door Rusland gebruikt. Of dat toeval is, laat ik in het midden, maar ik wil het toch duidelijk stellen.
Nogmaals, voor ons is het heel duidelijk dat er voorwaarden vervuld moeten worden, voor er nagedacht kan worden over de eventuele inzet van Belgische troepen in een Oekraïense vredesmacht. Ten eerste, er moet uiteraard eerst een vredesakkoord zijn. Ten tweede, er moet een concrete vraag komen. Ten derde, die vredesmacht moet in een internationale context tot stand komen, en, ten vierde, een duidelijk mandaat hebben, het liefst een mandaat van de Verenigde Naties, via een resolutie in die zin, zoals u zelf hebt onderstreept.
Onze enige bezorgdheid – die delen we trouwens met de defensiestaf – bestaat erin dat de inzet van onze militairen voor zo'n vredesoperatie, waar ik achter kan staan, als het zo ver komt, niet ten koste mag gaan van de opbouw van onze Defensie en van de vele investeringen die we daarvoor zullen moeten doen. Defensie moet effectief kunnen werken aan die opbouw. Ik hoop dat u daaraan gehoor geeft.
Stéphane Lasseaux:
Monsieur le ministre, je suis entièrement d'accord avec vous. Peu importe la division dans laquelle nous sommes, il nous faut absolument avoir une défense forte. Nous devons dès lors en avoir les moyens et continuer à entraîner nos équipes. La décision de l'Arizona va dans ce sens.
Robin Tonniau:
Mijnheer de voorzitter, ik wil eerst even tijd maken om collega Vander Elst van antwoord te dienen. Ja, in de jaren 2000 schreef de PVDA al kritische artikels over de imperialistische politiek van Poetin, we hebben Poetin toen al veroordeeld, en op het moment waarop wij die artikels publiceerden, ging Guy Verhofstadt bij Poetin op de koffie, waar hij op de rode loper ontvangen werd, en vice versa. Welk standpunt nam de Open Vld in tijdens de oorlog in Tsjetsjenië, toen Rusland Tsjetsjenië binnenviel? Ik heb jullie niet gehoord.
Wij hebben geen enkele band met Rusland, in tegenstelling tot Open Vld. In de vorige legislatuur was de heer Leysen lid van de Kamer en hij had en heeft financiële en ook zakelijke banden met Rusland. Ik vraag u dus om te stoppen met beschuldigingen die nergens op gebaseerd zijn.
De PVDA pleit al vanaf de eerste dag voor vredesonderhandelingen. Wij werden daar toen om uitgelachen. Nu zijn we drie jaar verder. Duizenden mensen zijn effectief voor niets gestorven. Nu zal de oorlog uiteindelijk stoppen via, jawel, vredesonderhandelingen. Er zal geen militaire oplossing komen.
Ik ben blij dat minister Francken heeft gezegd: ik ben niet gek, geen boots on the ground. Dat was een virtueel debat, maar de realiteit is wel keihard, want we zijn al drie jaar in oorlog
De enige manier om de oorlog te stoppen, zijn onderhandelingen. We zien vandaag jammer genoeg, omdat Europa veel te lang getalmd heeft, dat Europa niet meetelt op internationaal gebied, en binnen Europa telt België niet mee op defensievlak. Met andere woorden, we hadden veel vroeger zelf initiatieven, vredesinitiatieven, moeten nemen om mensenlevens te redden, collega Weydts.
Voorzitter:
Collega Aerts heeft geen repliek.
Nabil Boukili:
Monsieur le président, au départ, je ne souhaitais pas intervenir dans ce débat, mais c'est le constat que je fais qui m'y conduit. En fait, pour arriver à la fin du conflit, il y a plusieurs visions. Il y a une vision militariste: plus on envoie d'armes et de soldats, plus on fait ceci et cela, plus vite on aboutira à la paix. On a vu le résultat que cela a donné! Il y a une autre vision qui est basée sur le travail diplomatique, et sur la coopération entre les États et entre les peuples. On peut être en désaccord à ce sujet, mais ce qui est insupportable dans ce Parlement, et qui devient vraiment aujourd'hui très flagrant, c'est le fait d'éviter ce débat-là et de diaboliser une vision qui est différente de l'autre, dont on voit qu'elle est majoritaire dans cette commission. Vous faites cela en qualifiant de "pro-Poutine", "pro-Russie", toute position qui est différente de la vôtre. Ça, c'est un déni de démocratie. Si on veut vraiment avoir une vision, et un débat sur la manière de sortir de cette guerre, avec de la bonne foi, comme M. le ministre l'a dit, je pense que nous avons un intérêt commun ici, c'est-à-dire comment trouver une solution au conflit, et comment retrouver la souveraineté de l'Ukraine, du peuple ukrainien et de son territoire. C'est l'objectif. Alors, comment y arriver? On peut être en désaccord. On peut se tromper. Mais diaboliser les positions parce qu'on n'est pas d'accord avec elles, je trouve cela insupportable et je trouve que c'est un déni de démocratie.
Concentrons-nous maintenant sur le débat de fond et si vous n'avez pas d'arguments dans ce débat, ne le menez pas, mais ne venez pas avec des mensonges et avec des fake news par rapport à la Russie! Si quelqu'un ici a des preuves, si quelqu'un a la moindre preuve de ce qu'il avance sur la Russie, je veux bien l'entendre. Après, je ferai mon mea culpa et je me tairai. Mais vous n'avez rien du tout. Donc arrêtez de dévier le débat et restons dans le débat de fond! Même si on n'est pas d'accord, le débat mérite au moins d'être mené.
Voorzitter:
Mijnheer de minister, u wou nog iets toevoegen?
Theo Francken:
Dit is de commissie voor Landsverdediging. Mijnheer Boukili haalt thema's aan voor de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen. Ik begrijp dat die zeer sterk met Defensie verbonden zijn en ik ben uiteraard blij dat het debat ook hier kan worden gevoerd. Elkaar diaboliseren hoeft inderdaad niet, maar dat werkt natuurlijk aan beide kanten. Ik denk dat dit iets is dat we de komende jaren kunnen meenemen. Dat 'iedereen voor niets is gestorven', vind ik persoonlijk wel een vreemde uitspraak, maar iedereen moet maar zeggen wat hij denkt te moeten zeggen. Freedom of speech is me zeer dierbaar, zoals jullie weten.
Theo Francken:
Mijnheer de voorzitter, er zijn nog heel veel belangrijke vragen, onder andere over de pensioenen en over OVG. Ik heb evenwel om twaalf uur een briefing, dus ik moet nu vertrekken. Ik had dat ook vooraf laten weten.
Voorzitter:
Dan sluit ik de vergadering. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 59.
De dubbele facturatie van borstkankerbehandelingen
De dubbele facturatie van bestraling tegen borstkanker door Antwerpse artsen
Dubbele facturatie van borstkankerbehandelingen en bestralingen
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 18 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vandenbroucke bevestigt dubbele facturering van SBRT-behandelingen (€4.000/patiënt) in Antwerpen, leidend tot €5 miljoen budgetoverschrijding, maar stelt dat onduidelijke nomenclatuurcodes juridische vervolging onmogelijk maken. Regelgeving wordt nu aangescherpt om misbruik te blokkeren, maar fraude kan niet hardgemaakt worden door gebrek aan eenduidige wetgeving. RIZIV onderzoekt met ziekenhuizen en past codes aan, zonder concrete deadline. Vertrouwen herstellen vereist transparantere controles, maar terugvordering van gelden is onhaalbaar.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, Het Laatste Nieuws onthulde recent onregelmatigheden in de Antwerpse ziekenhuispraktijken inzake de behandeling van borstkanker. Artsen in de regio bleken jarenlang zogenaamde stereotactic body radiation therapy (SBRT) als aanvullende behandeling te hebben toegepast, hoewel die behandeling volgens vele experts niet noodzakelijk was. De techniek, die 4.000 euro per patiënt kost en volledig wordt terugbetaald door de ziekteverzekering, werd blijkbaar dubbel gefactureerd, namelijk één keer voor de standaardbehandeling en een tweede keer voor de dure SBRT-behandeling. Dat heeft geleid tot een overschrijding van het totale zorgbudget met maar liefst 5 miljoen euro.
Na de spookconsultaties, de dubbele tests en andere mogelijke vormen van fraude gaat het hier over dubbele facturering. Hebt u kennisgenomen van de onthullingen over dubbele facturering? Is er sprake van fraude of is er ter zake een onduidelijkheid qua regels en procedures?
Wat doet u om dergelijke gevallen van onterechte dubbele facturering te voorkomen? Is er een tekortkoming in het systeem van het RIZIV die de dubbele facturering mogelijk maakt? Wordt de facturering voldoende gecontroleerd? Moet er meer transparantie komen in het proces van terugbetalingen? Heeft het RIZIV daarvoor voldoende middelen?
Hoe zult u ervoor zorgen dat het vertrouwen van de patiënt in het systeem door de situatie niet wordt aangetast? Welke stappen onderneemt u om een herhaling van dergelijke wanpraktijken te voorkomen?
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, ook mij deed het de wenkbrauwen fronsen dat een aantal Antwerpse artsen volgens het artikel waarnaar mevrouw Bury verwijst, bestralingen jarenlang dubbel zouden hebben gefactureerd. Zij zouden dat volgens latere artikels wel betwisten. Kunt u daarover meer informatie geven?
Stereotactic body radiation therapy (SBRT) blijkt bijzonder duur, ongeveer 4.000 euro per patiënt, en zou volledig worden terugbetaald. Sommige radiotherapeuten zien geen reden om die specifieke techniek te gebruiken. Naar verluidt zou door die keuze van behandeling ongeveer 5 miljoen euro verloren zijn gegaan of onterecht zijn aangerekend. De controledienst van het RIZIV zou ook alle radiotherapeuten een brief hebben gestuurd met de boodschap dat de standaardtherapie en SBRT niet in combinatie met elkaar mogen worden aangerekend.
Bent u op de hoogte van de feiten? Heeft de dubbele aanrekening gezorgd voor budgetoverschrijding? Klopt het dat het RIZIV de artsen gerechtelijk niet kan vervolgen en die 5 miljoen euro dus niet kan terugvorderen? Juridisch kan die praktijk misschien niet worden aangeklaagd, maar ze doet een aantal deontologische vragen rijzen. Welke acties wenst u op dat vlak te ondernemen? Via de afdrachten hebben ook de Antwerpse ziekenhuizen geprofiteerd van de dubbele aanrekening. Kan het RIZIV acties ondernemen tegen die ziekenhuizen?
Frank Vandenbroucke:
De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle heeft inderdaad een sensibiliseringsbrief gestuurd naar aanleiding van een onvoorziene stijging van het vooropgestelde budget die gecommuniceerd was in de werkgroep Interne Geneeskunde van de Technisch Geneeskundige Raad.
Er is inderdaad een probleem, omdat men als sociaal inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle alleen maar kan overgaan tot een proces-verbaal van vaststelling met ook een terugvordering van onterecht aangerekende bedragen, als de regelgeving echt zeer eenduidig is en dat is vandaag jammer genoeg niet het geval. De meeste nomenclatuurcodes voor radiotherapie en inzonderheid de nomenclatuurcodes voor stereotactische radiotherapie kunnen niet alleen voor borsttumoren worden gebruikt. Dat maakt het moeilijk om onterechte facturatie eenduidig vast te stellen. De beschrijving van die nomenclatuurcodes moet dus explicieter worden om onterecht gebruik onmogelijk te maken. Dat proces is inmiddels opgestart.
Ik kan u wel zeggen dat het RIZIV al een overleg had met de betrokken ziekenhuizen. Puur juridisch kan men niet zeggen dat het een overtreding is waar vervolging op zal volgen, maar het moet absoluut worden opgeklaard in de regelgeving en dat proces is ook gestart.
Katleen Bury:
Mijnheer de minister, dat was het antwoord dat ik verwacht had, vandaar mijn eerste vraag of het gaat over onduidelijkheid of fraude.
De nomenclatuurcodes worden explicieter. De enige vraag die ik nog heb, is of daarvoor al een deadline bestaat of dat we nog in blijde verwachting zijn.
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, op zich is het natuurlijk goed dat de regelgeving wordt aangepast, maar ik heb de indruk – misschien heb ik niet genoeg geluisterd – dat er werkelijk sprake was van fraude. Is dat zo, mijnheer de minister? Hebt u dat kunnen vaststellen?
U wijst er wel op dat de therapie ook kan gebruikt worden voor andere aandoeningen en andere vormen van kanker, maar ik neem toch aan dat de aanrekeningen die de betreffende experten in borstkankeronderzoek – overigens niet van de minsten – via die specifieke codes deden, toch absoluut bedoeld werden voor borstkankeronderzoek. Of klopt dat niet?
Frank Vandenbroucke:
Ik heb daarover uitvoerig gesproken met de verantwoordelijken van het RIZIV. Zij zeggen mij dat die regelgeving helaas onvoldoende duidelijk is om tegen de vastgestelde praktijk een proces-verbaal op te maken en met succes juridische stappen te zetten. Die regelgeving moet dus verduidelijkt worden.
De vermarkting van naloxon
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 18 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de toegang en terugbetaling van naloxone (levensreddend bij opiaatoverdoses) in België. Minister Vandenbroucke bevestigt dat Kool Pharma een terugbetalingsdossier voorbereidt, maar concrete voorwaarden volgen pas na behandeling door de CRM. Hij werkt aan een kader voor gecontroleerde afgifte via verslavingszorgcentra (ontwerp-KB bij Raad van State). Prévot benadrukt de nood aan gratis naloxone voor kwetsbare groepen en toegang zonder recept voor niet-medische hulpverleners, maar wacht op verdere stappen.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, le 5 novembre dernier, vous me faisiez part que tant vos services que le bureau de la Commission de remboursement des médicaments avait contacté en 2023 toutes les firmes qui produisent des spécialités à base de naloxone, un médicament qui peut sauver la vie d'une personne en situation d'overdose d'opiacés.
Sur base des informations dont vous disposiez, je vous cite, "il est probable qu'une des firmes concernées introduise une demande de remboursement en vue d'une inscription sur la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables. Si cette demande aboutit (…), il en résultera que le médicament sera commercialisé en Belgique."
Selon la Feda, des discussions sont actuellement en cours entre l'entreprise Cole Pharmaceuticals et l'INAMI afin de définir les conditions de délivrance et de remboursement des kits de naloxone. Si tel est le cas, c'est une excellente nouvelle.
Il me revient toutefois du secteur et conformément à la résolution adoptée par le Sénat le 12 décembre 2022 que les formes de naloxone accessibles au grand public demeurant extrêmement coûteuses, la gratuité totale devrait être envisagée pour des publics cibles en situation de forte précarité ou vulnérabilité.
Une délivrance limitée à des ordonnances nominatives pourrait par ailleurs entraver l'accès aux kits pour des structures d'aide non médicalisées ou l'administration à une personne en cas d'urgence, ce qui serait particulièrement problématique et empêcherait l'utilisation optimale du traitement.
Monsieur le ministre, pourriez-vous nous confirmer les négociations en cours entre l'entreprise citée et l'INAMI?
Qu'est-il envisagé en termes de remboursement?
Qu'en sera-t-il de l'accessibilité de ce médicament, en particulier pour les structures d'aide non médicalisées?
Enfin, toujours en date du 5 novembre 2024, vous me faisiez part de l'élaboration d'un cadre légal afin de permettre la délivrance des spécialités à base de naloxone dans les centres prenant en charge les patients souffrant d'assuétude. Pourriez-vous nous communiquer où en est la rédaction de cet arrêté royal?
Frank Vandenbroucke:
Monsieur Prévot, afin qu'un médicament puisse devenir remboursable, il faut que la firme introduise une demande à la Commission de remboursement au sein de l'INAMI. Des concertations ont eu lieu entre les représentants de Kool Pharma et les administrations compétentes, y compris l'INAMI, en vue d'une demande de remboursement à la Commission de remboursement des médicaments (CRM). Si mes informations sont exactes, la firme aurait bien l'intention d'introduire un dossier.
À ce stade, je ne peux pas encore fournir des informations sur ce qui pourra être envisagé en termes de remboursement vu le fait que le dossier n'a pas encore été introduit et que la CRM devra, au cours de la procédure, formuler une proposition de remboursement comportant des conditions de remboursement. Sur la base de cette proposition de la CRM, je serai évidemment amené à prendre une décision.
Je compte prévoir un cadre pour la délivrance qui permet un accès encadré via une délivrance aux centres prenant en charge des patients souffrant d'assuétudes. À ce sujet, j'ai soumis un projet d'arrêté royal à l'avis du Conseil d'État.
Patrick Prévot:
Merci, monsieur le ministre. Effectivement, le secteur, conformément à la résolution adoptée au Sénat le 12 décembre 2022, stipule qu'il faudrait pouvoir rendre accessibles gratuitement toutes les formes de naloxone. Outre le fait que la procédure est toujours en cours, je retiens deux choses de votre intervention. Tout d'abord, selon vous, la société a fait une demande à la Commission de remboursement des médicaments, ce qui est évidemment indispensable pour envisager ce remboursement. Ensuite, en réponse à ma dernière question, vous dites souhaiter prévoir un accès encadré tout en précisant qu'un projet d'arrêté royal est déjà au Conseil d'État. Je ne manquerai pas, vu que c'est une des matières que je suis, de revenir vers vous lorsque celui-ci sera revenu du Conseil d'État.
De behandeling van achondroplasie
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 29 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de erkenning en terugbetaling van Voxzogo, een duur medicijn (€20.000/maand) voor achondroplasie (een zeldzame groeistoornis), dat in België niet vergoed wordt maar wel in andere EU-landen. Minister Vandenbroucke bevestigde dat BioMarin de terugbetalingsaanvraag in december 2023 introk, maar hernieuwd dossier met extra klinische data mogelijk is, terwijl België werkt aan een systeem voor vroege toegang (vanaf 2026). Prévot benadrukte de noodzaak van snelle actie voor getroffen kinderen en beloofde druk te zetten op BioMarin om de aanvraag te hernieuwen, met politieke steun voor zichtbaarheid en oplossingen.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, récemment, ma collègue Caroline Désir et moi-même avons pu rencontrer l'ASBL NoRa, représentée par deux courageuses mamans, des mamans d'enfants atteints d'une maladie rare appelée "l'achondroplasie". L'achondroplasie est la forme la plus fréquente du nanisme, une maladie rare qui toucherait un enfant sur 25 000, soit quatre à cinq enfants par an.
Les familles font aujourd'hui état d'un manque de reconnaissance et d'un manque de prise en charge adéquate, même si les Cliniques universitaires Saint-Luc de Bruxelles et l'hôpital universitaire de Leuven ont fait, de leur propre aveu, des progrès importants ces dernières années. Cette situation les amène d'ailleurs à se rendre très souvent en France, principalement à l'hôpital universitaire Necker-Enfants malades à Paris.
Outre le fait de mettre en lumière cette maladie actuellement invisible et inconnue du grand public, l'ASBL NoRa se bat pour que les enfants atteints de la maladie aient accès au médicament VOXZOGO développé par la firme BioMarin, qui permet une croissance des os des enfants. Le coût de ce traitement s'élève actuellement à environ 20 000 euros par mois pendant une quinzaine d'années et n'est pas remboursé par l'Institut national d’assurance maladie-invalidité (INAMI), alors que c'est le cas dans une majorité d'États membres de l'Union européenne et que l'Agence européenne des médicaments (EMA) a donné son feu vert.
À défaut de VOXZOGO, les enfants grandissent dans un environnement inadapté, subissent parfois des moqueries à l'école, sont orientés vers l'enseignement spécialisé alors que leurs capacités intellectuelles ne sont pas du tout touchées; ils grandissent avec des otites régulières, des problèmes au niveau des cervicales, des lombaires, d'autres problèmes osseux, et j'en passe, qui les poussent à recourir à la chirurgie une fois l'âge adulte atteint.
Je tiens à souligner que, depuis la rédaction de cette question, un article a été publié dans le journal De Standaard le 21 janvier. Des liens se tissent de part et d'autre des frontières linguistiques. Vous l'aurez compris, ce sont ces mêmes mamans, accompagnées par d'autres, qui sont présentes aujourd'hui pour entendre vos réponses.
Monsieur le ministre, comment améliorer la prise en charge des personnes touchées par cette maladie?
Une demande de remboursement a-t-elle déjà été introduite par la firme BioMarin? Quelle a été l'issue des discussions, et pourquoi? Comment expliquer que ce médicament soit remboursé dans d'autres pays de l'Union européenne, mais pas chez nous?
Ne serait-il pas moins onéreux pour le budget de la sécurité sociale de traiter ces enfants avec le Voxzogo plutôt que de prendre en charge par la suite diverses interventions chirurgicales et polypathologies à l'âge adulte?
Frank Vandenbroucke:
Monsieur Prévot, la prise en charge des maladies rares comme l’achondroplasie nécessite une attention particulière en raison de leur rareté, ce qui les rend souvent méconnues, ainsi que de leur complexité, sans oublier que ces maladies sont le plus souvent chroniques et débilitantes. De plus, pour un grand nombre de ces maladies, aucun traitement n'existe, ou alors ceux-ci sont souvent très onéreux, ce qui ajoute une difficulté supplémentaire à leur gestion.
Le premier pas est de détecter la maladie le plus tôt possible, puis d'orienter le patient vers les professionnels les mieux qualifiés afin qu'il bénéficie des traitements les plus appropriés. Cependant, l'expertise nécessaire n'est pas toujours disponible à proximité du patient, voire même dans le pays.
Concernant l’achondroplasie, la prise en charge s'améliore, comme l’ASBL NoRa l’a mentionné. Heureusement, il y a une prise de conscience pour les maladies rares. Dans les deux hôpitaux mentionnés, il y a de l'expertise. Ce sont des hôpitaux avec une fonction Maladies rares. Il y a vraiment des efforts dans le suivi des patients.
Par ailleurs, il existe une bonne collaboration nationale et internationale pour la prise en charge des maladies rares, et aussi pour l’achondroplasie. La Belgique participe activement aux réseaux européens de référence (ERN) pour les maladies rares. Les administrations fédérales sont également impliquées dans une action conjointe européenne visant à mieux intégrer ces ERN dans les systèmes de santé nationaux.
Je ne dis pas ceci dans un esprit de complaisance. Il y a encore pas mal de pain sur la planche en ce qui concerne la problématique des maladies rares en général. Comme je l'ai déjà dit, je veux développer un nouveau plan, pour la décennie à venir, pour la lutte contre les maladies rares et une meilleure prise en charge des patients victimes de maladies rares. Cette question fait partie de cette démarche plus générale qu'il convient de développer.
J'en viens à présent au remboursement. L'entreprise pharmaceutique BioMarin International, qui commercialise Voxzogo, a introduit une demande d'admission au remboursement auprès de la Commission de remboursement des médicaments (CRM) en mai 2023, mais cette entreprise a malheureusement pris l'initiative de retirer sa demande en décembre 2023. La procédure n'a donc pas pu arriver à son terme, et est à présent clôturée.
La firme a cependant toujours la possibilité de réintroduire une demande de remboursement auprès de la CRM avec de nouvelles données cliniques qui permettront à la CRM de refaire une évaluation, et peut-être de revoir la valeur du produit et de définir un coût acceptable pour l'assurance maladie. Ensuite, sur la base de la proposition de la CRM, je serai amené à prendre une décision relative à l'inscription de cette spécialité sur la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables.
En ce qui concerne le remboursement dans d'autres pays, voisins, il est intéressant de noter qu'en France, il s'agit d'un remboursement particulier dans le cadre d'une autorisation d'accès précoce. La Belgique développe actuellement un projet early and fast equitable access dans le cadre de la feuille de route pour la modernisation des procédures de remboursement en vue d'un accès rapide et durable aux médicaments. Ce projet vise à disposer également de ce type de possibilité, comme en France, de remboursement précoce à l'avenir. L'entrée en vigueur de ce projet est prévue pour au plus tard le 1 er janvier 2026.
Je m'imagine bien que ceci n'est pas une réponse immédiate aux inquiétudes et à la situation de détresse de ces familles, mais pour l'avenir, c'est une réforme structurelle importante.
En conclusion, la firme en question peut toujours réintroduire une demande de remboursement.
Patrick Prévot:
Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Effectivement, tout paraît très long quand un enfant souffre de cette maladie. Et d’ailleurs, pour certaines familles, c’est parfois déjà trop tard. Ainsi, les mamans et les familles se battent pour d’autres en vue d’essayer d’obtenir le remboursement de ce médicament. Je ne peux que déplorer le fait que BioMarin ait déposé et ensuite retiré sa demande de remboursement auprès de la Commission de remboursement des médicaments. Ma question avait deux objectifs. Le premier était de rendre visible cette maladie aujourd’hui méconnue, afin que les femmes et les hommes qui se battent pour essayer de faire évoluer la législation puissent avoir un peu de soutien du politique et faire connaître leur combat. Le deuxième objectif de ma question était d’apporter une réponse à ces familles. Nous allons donc sans délai interroger les représentants de la firme BioMarin et leur demander s’il est dans leur volonté de réintroduire rapidement cette demande, après quoi nous devrons attendre qu’un avis soit rendu sur la question. Comme je l’ai dit dans mon introduction, d’autres pays de l’Union européenne ont pris les devants et appliquent désormais ce remboursement pour ces familles. Il s’agit d’un traitement essentiel pour les enfants concernés, de sorte qu’il faudra rapidement trouver une solution. Aujourd’hui marque la première étape de notre démarche, et nous resterons bien entendu plus que jamais à leurs côtés. Nous comptons aller frapper à d’autres portes et demander à BioMarin s’il est dans son intention de réintroduire une demande auprès de la Commission de remboursement des médicaments.
De hervorming van de douane-unie
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 28 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De EU-douanereforme (2025, gedeeltelijke implementatie vanaf 2028) schaft de 150-euro-vrijstelling voor e-commerce af en verschuift de douaneverantwoordelijkheid naar platforms in plaats van consumenten, met gecentraliseerde EU-risicoanalyses via een nieuw Customs Data Hub. België steunt de modernisering – met focus op economische impact, logistiek en digitale voorbereiding – maar wijst op onopgeloste knelpunten zoals taakverdeling tussen EU-agentie en nationale douanes, technische uitvoering en afstemming met andere wetgeving. De concrete gevolgen voor Belgische douanes, bedrijven en burgers (bv. hogere kosten bij online aankopen buiten de EU) blijven onduidelijk zolang de onderhandelingen lopen, evenals de klaarheid van infrastructuur en personeel. De minister belooft gedetailleerd schriftelijk antwoord op specifieke vragen.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre des Finances, la réforme du cadre douanier de l’Union européenne, présentée en mai 2023 par la Commission comme "la plus ambitieuse depuis 1968", vise une refonte complète du fonctionnement des douanes pour s’adapter aux réalités de l’e-commerce. La fin des règles dérogatoires controversées pour les biens de moins de 150 euros est notamment annoncée.
Après des négociations discrètes, le Parlement européen a validé sa version du texte en mars 2024.
À la suite du Conseil de l’UE des ministres des finances (EcoFIN) du 10 décembre 2024, il a été avancé entre autres qu’un accord sur la réforme du cadre légal pourrait intervenir courant 2025. Une implémentation partielle est envisagée à partir de 2028.
Mes questions sont les suivantes:
1. Le ministre peut-il nous en dire plus sur les changements qui sont négociés avec la réforme du code européen des douanes? Quelle est la position de la Belgique sur cette réforme? Soutenez-vous l’approche actuelle de la Commission et du Parlement? Quelles priorités défendez-vous dans ces discussions?
2. Quels changements concrets cette réforme apportera-t-elle pour les services douaniers belges et les entreprises locales? Quels sont, selon vous, les principaux défis ou points de désaccord qui pourraient retarder l’adoption de la réforme?
3. Cette réforme met un accent particulier sur la modernisation des services douaniers. La Belgique est-elle prête en termes d’infrastructures numériques et de personnel pour répondre à ces exigences? Les problèmes actuels des douanes sur lesquels nous vous avons déjà interpellé, risquent-ils de s’aggraver? Est-ce que la réforme constitue au contraire une opportunité pour les douanes belges?
4. Comment cette réforme se traduira-t-elle pour les citoyens belges, notamment en matière de commerce transfrontalier ou d’échanges avec des pays hors UE?
Vincent Van Peteghem:
La révision du Code des Douanes de l'Union (CDU) représente l'une des réformes les plus importantes depuis la création de l'union douanière. La Belgique participe activement aux discussions au sein du Conseil reconnaissant l'importance des changements pour relever les défis mondiaux tels que l'e-commerce et pour parvenir à une frontière extérieure unique réelle pour les marchandises.
Dans ces discussions, la Belgique accorde une attention particulière à tous les aspects qui peuvent avoir un impact sur notre économie, notre logistique, notre budget et l'efficacité de nos services publics. Pour la douane belge, la réforme signifiera entre autres que l'analyse des risques sera coordonnée au niveau de l'Union européenne via l'agence douanière européenne et le EU Customs Data Hub.
Pour plus d'informations sur les principaux changements de cette réforme, je vous invite à poser une question par écrit, ce qui me permettra de fournir des détails plus précis.
La réforme soulève encore de nombreuses questions, tant pour les autorités douanières que pour le monde des affaires, telles que la mise en œuvre technique, la répartition concrète des tâches entre l'agence douanière européenne et les autorités nationales, et la coordination avec d'autres législations sectorielles. Ces questions sont discutées dans le groupe de travail compétent du Conseil.
Vu que les négociations sont toujours en cours au sein du Conseil, l'impact potentiel sur le personnel et l'infrastructure informatique ne peut pas encore être déterminé. Concernant l'impact en matière d'e-commerce, le système actuel dans lequel est prévue une exonération des droits de douane pour des paquets d'une valeur inférieure à 150 euros, mais où le consommateur est responsable pour les formalités douanières, sera remplacé par un nouveau régime dans lequel les plateformes d'e-commerce seront tenues responsables pour toutes les obligations fiscales et non fiscales en tant qu'importateurs assimilés.
Jean-Luc Crucke:
Je remercie le ministre pour sa réponse. Pour le surplus, je lui adresserai une question écrite, comme il l'a suggéré.
Het vredesproces in het Midden-Oosten
Het akkoord over een staakt-het-vuren in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
Het mogelijke staakt-het-vuren in Gaza
De onderhandelingen over een staakt-het-vuren in Gaza
Het staakt-het-vuren in Gaza
Het akkoord over een staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas
Het mogelijke akkoord over een wapenstilstand in Gaza
Conflictontwikkelingen tussen Israël en Gaza.
Gesteld aan
Bernard Quintin
op 16 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Na 15 maanden bloedige oorlog tussen Israël en Hamas, met 46.000+ doden in Gaza en 1.200 Israëlische slachtoffers op 7 oktober, brengt een fragiel staakt-het-vuren hoop: 33 gijzelaars zouden vrijkomen, humanitaire hulp kan Gaza bereiken, en het geweld pauzeert—mits Israël het akkoord (nog niet officieel goedgekeurd) nakomt. Kernpunten: De humanitaire crisis (honger, verwoeste infrastructuur, 80% kinderslachtoffers) eist onmiddellijke hulp via UNRWA (waar Israël sancties tegen overweegt), terwijl politieke druk nodig is om een duurzame tweestatenoplossing af te dwingen—met erkenning van Palestina, sancties tegen Israël (om oorlogsmisdaden te bestraffen) en internationale rechtszaken (ICC/IGH) als sleutelvragen. België’s rol: Steun aan UNRWA, diplomatieke druk (o.a. via EU), maar geen concrete sancties of Palestijnse erkenning—wat kritiek uitlokt op dubbele standaarden (vs. Rusland/Oekraïne). Vrede blijft hypothetisch zonder politieke oplossing; het akkoord is een adempauze, geen eindpunt. Scherpe tegenstellingen: Sommigen eisen genocidestop en straf voor Netanyahu, anderen benadrukken Israëls veiligheidsrecht—maar alleen een tweestatenmodel biedt perspectief, mits extremisme aan beide kanten wordt ingetoomd.
Michel De Maegd:
Monsieur le ministre, enfin une lueur d'espoir après 15 mois d'horreur. Chers collègues, il y a 15 mois, les attaques barbares du Hamas et du Jihad islamique sur le territoire d'Israël semaient l'effroi dans le monde entier. Près de 1 200 personnes ont été sauvagement tuées, des femmes, des jeunes, des enfants; les terroristes se vantant face caméra de les avoir torturées, exécutées parce qu'elles étaient juives. Il y a 15 mois, les terroristes emmenaient dans la bande de Gaza 251 otages. Le Hamas et le Hezbollah libanais pilonnaient l'État hébreu. Ensuite, ce fut au tour des Houthis du Yémen. Tous les bras armés de l'Iran.
Les attaques du 7 octobre ont entraîné un embrasement régional et une riposte impitoyable de l'armée israélienne, soutenue par les États-Unis. Une riposte que le Hamas savait effroyable, vu le nombre de dommages collatéraux. Et c'est en cela que le groupe terroriste a enfermé la population de Gaza dans une impasse mortifère.
Il s'en est suivi une guerre effroyable, avec des tirs quotidiens de roquettes d'un côté et des bombardements de l'autre. Depuis, des dizaines de milliers de Palestiniens, dont là encore des femmes et des enfants innocents, ont péri dans la bande de Gaza. Avec cette question, jusqu'ici sans réponse: quand va s'arrêter cette folie meurtrière? Quand les otages seront-ils libérés?
Après 15 mois d'horreur, un accord de cessez-le-feu a donc été annoncé hier soir. Mon groupe s'en réjouit, bien entendu. Cet accord doit constituer un tournant, un espoir – avouons-le, à ce stade, hypothétique et précaire puisqu'il n'a pas encore été officialisé.
L'ensemble de la communauté internationale doit redoubler d'efforts en ce sens. Tout est à reconstruire, tout est à construire entre Israéliens et Palestiniens qui n'ont qu'un seul destin: vivre côte à côte, pour que la paix soit juste et durable.
Cela m'amène à mes questions, monsieur le ministre. Que pouvez-vous nous dire concrètement de cet accord et de cette garantie? Il est prévu que 33 otages soient libérés. Qu'en sera-t-il des autres?
Vu la situation complexe dans laquelle se trouve l'UNRWA, comment va s'organiser l'aide humanitaire cruciale dans la bande de Gaza?
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, “we wenen en we vieren”, dat zijn de gemengde gevoelens op het terrein, of beter gezegd het slagveld. Er is hoop en opluchting over een potentieel staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas. Er is hoop op dagen van minimale menselijkheid na 15 maanden van bloedvergieten. Er is op hoop op een leven zonder honger, zonder bombardementen en zonder drones, hoop op basiszorg voor fysieke en mentale wonden, hoop voor de gijzelaars dat zij hun familie weer in de armen kunnen sluiten. De uitdagingen blijven echter immens. Israël moet het akkoord nog goedkeuren en het rommelt vandaag in de regering-Netanyahu.
Voor ons en voor de grote internationale gemeenschap is het duidelijk: het verwoesten van mensenlevens moet stoppen. Honderden vrachtwagens met humanitaire hulp moeten Gaza kunnen binnenrijden. Een heropbouw is nodig, zonder dat Gaza weer een openluchtgevangenis wordt. Dat is wat België vraagt en wat cd&v al jaren vraagt.
We moeten echter waakzaam blijven. Er is een potentieel akkoord, maar dit mag geen voorwendsel zijn om met de zegen van president-elect Trump extremisten in die regering te paaien met nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Dat zou catastrofaal zijn voor een tweestatenoplossing en voor een duurzame vrede in de regio.
Komt er een adempauze? Komt er vrede? Komt er niets? We moeten alles in het werk stellen om dit akkoord in alle fasen ervan te ondersteunen. Hoe voorziet u dat? De Europese Unie heeft al 120 miljoen euro voorzien. Welke diplomatieke tussenkomsten voorziet u op de weg naar duurzame vrede?
Annick Lambrecht:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister en collega’s, we horen het gejuich in de straten van Gaza en we zien vreugde met tranen. Na maanden van horror en verdriet is er eindelijk zicht op het staakt-het-vuren, maar de vraag is of er hoop is op een duurzaam akkoord. De reactie van Netanyahu vandaag is geen goed teken.
Gewone mensen zijn altijd het eerste slachtoffer in een conflict, maar zullen zij ook de eersten zijn die profiteren van het beëindigen van dat conflict? Die vraag is heel moeilijk te beantwoorden. De krantenkoppen zijn positief, maar als we verder lezen maken we ons toch zorgen, want Israël klaagt vandaag al dat Hamas de eerste afspraken niet nakomt en bovendien is er nog heel veel onduidelijkheid over de status van Noord-Gaza, waar velen verdreven zijn.
De wederopbouw is een werk van zeer lange adem. Hoe bouwt men iets op als er niets meer is? Hoe werkt men aan vrede als er zoveel spanning is? Cruciale vragen die enkel beantwoord kunnen worden met voldoende druk van de internationale gemeenschap. Het conflict had al lang moeten stoppen, want er was geen enkele reden om te blijven bombarderen, maar dat is het effect van extremen aan de macht.
Mijnheer de minister, wat Vooruit betreft kunnen de mensen in Gaza niet wachten. Zij hebben vandaag hulp nodig en morgen moet die heropbouw kunnen beginnen. België kan in beide een cruciale rol spelen. UNRWA staat klaar om te starten en om aan de slag te gaan.
Mijnheer de minister, hoe kunnen we garanderen dat de humanitaire hulp heel snel bij de mensen in Gaza terechtkomt?
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, c’est un soulagement. Après 15 mois de génocide à Gaza, l’annonce d’un cessez-le-feu a été un soulagement pour les Gazaouis, parce qu’il y a déjà eu assez de morts. Plus de 46 000 morts, selon l’estimation la plus basse, sans parler des conséquences de la famine, du manque de médicaments et du blocage de l'aide humanitaire. Ce cessez-le-feu permettra de sauver ceux qui peuvent encore être sauvés. Par ailleurs, c'est également un soulagement car les otages israéliens et palestiniens seront libérés.
Cet accord a abouti avec l'arrivée de l'administration Trump aux États-Unis, ce qui démontre que les États-Unis peuvent arrêter le massacre en Palestine aujourd'hui, et qu’ils sont complices du génocide actuel, parce que quand ils décident que le massacre doit s'arrêter, ils l'arrêtent. Nous devons donc maintenir la pression sur les États-Unis et sur Israël.
Par ailleurs, cette trêve intervient aussi parce qu'Israël est de plus en plus isolé dans le monde. Il n'a jamais été aussi isolé qu'aujourd'hui, face à une mobilisation mondiale sans précédent. Ne soyons pas dupes: nous devons maintenir la pression, maintenir la mobilisation, parce qu'il y a toujours une occupation en Palestine, il y a toujours une colonisation. Ne faisons pas confiance au gouvernement d'extrême droite pour respecter un cessez-le-feu. S'il n'y a pas de pression, il ne le respectera pas. Nous maintiendrons la pression.
Monsieur le ministre, après 465 jours de génocide, la Belgique n'a toujours pas pris de sanctions contre Israël. Allez-vous mettre en place des sanctions pour maintenir la pression sur Israël, pour qu'il respecte le cessez-le-feu? Oui ou non, monsieur le ministre?
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, dimanche 19 janvier, normalement, si tout se passe bien, les enfants de Gaza vont se lever sans crainte de se prendre une bombe sur la tête, et ce pour la première fois depuis de trop longs mois. Un cessez-le-feu à Gaza semble imminent, même si ce n'est pas totalement clair. Cette trêve annonce la fin des bombardements, la libération d'otages et de prisonniers palestiniens. Nous n'y croyions presque plus et, pour la première fois depuis longtemps, une lueur d'espoir est apparue pour les populations civiles massacrées.
Cependant, la situation humanitaire à Gaza reste désastreuse, avec près de 60 000 morts selon certaines estimations, des infrastructures détruites à 80 %, un système de soins de santé à l'arrêt, des milliers d'enfants traumatisés et amputés, une population déplacée mourant de froid et de faim. Le territoire gazaoui est à genoux. L'un des enjeux actuels est de garantir un accès humanitaire immédiat et inconditionnel à Gaza, en soutenant notamment des organisations comme l'UNRWA.
Ce cessez-le-feu apporte un soulagement, mais il ne peut en aucun cas servir de totem d'impunité. Nous ne cesserons de demander justice pour les dizaines de milliers de Gazaouis massacrés sous les bombes, dans un déchaînement de violence aveugle orchestré par le gouvernement d'extrême droite de Benyamin Netanyahu. Cette barbarie ne peut rester sans réponse ni sans conséquences.
Monsieur le ministre, envisagez-vous de soutenir une enquête internationale sur les crimes de guerre et les crimes contre l'humanité, ainsi que sur les accusations de génocide contre le gouvernement israélien, afin que les responsables soient traduits devant la justice?
Quelles garanties demandez-vous à l' É tat d'Israël pour que cette trêve ne soit pas seulement une pause temporaire, mais un premier pas vers un processus durable de paix et de justice?
L'un des enjeux des prochains jours sera aussi de sortir de Gaza les milliers de blessés graves pour qu'ils puissent être soignés. La Belgique accueillera-t-elle des blessés, comme elle a pu le faire par le passé?
Comment comptez-vous agir aux côtés de vos partenaires européens et internationaux pour reconstruire Gaza dans les vingt à trente prochaines années – car c'est bien le temps qui sera nécessaire pour sa reconstruction – et permettre aux Palestiniennes et Palestiniens de vivre dans la dignité après ces destructions massives?
Et puis, la Belgique va-t-elle enfin reconnaître l' État palestinien, comme nous le demandons depuis longtemps?
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, j'aimerais y croire. L'accord de cessez-le-feu signé hier entre Israël et le Hamas est peut-être un vrai signal d'espoir. On entrevoit, en tout cas, une lueur.
J'ai vraiment une pensée pour les plus de 47 000 victimes, dont plus de 13 000 enfants. Treize mille enfants ont été assassinés, tués. J'ai une pensée pour toutes ces femmes, qui doivent aussi aujourd'hui scruter les heures qui viennent pour voir si cet accord sera respecté car il reste fragile. On a dénombré 73 morts ce matin dont une vingtaine d'enfants encore.
Gaza est complètement détruite et 1,9 million d'habitants, soit 90 % de la population, ont été déplacés. Le cessez-le-feu doit permettre une aide humanitaire massive, une aide médicale d'urgence. Cette trêve est donc un premier pas vers une paix durable qui doit être l'objectif. Car oui, monsieur le ministre, les Palestiniens devraient avoir droit à s'alimenter. Oui, ils devraient avoir droit à boire de l'eau potable. Oui, ils ont des droits en matière de sécurité, de soins médicaux et d'éducation; 95 % des écoles ont été détruites à Gaza. Ils ont droit au logement. Ils devraient avoir le droit de se déplacer librement. Ils devraient avoir le droit, enfin, d'envisager une vie en paix et en sécurité.
Ce dont nous avons besoin, monsieur le ministre, et en particulier les Palestiniens, c'est d'un véritable accord de paix pour que deux É tats reconnus vivent en paix. Israël a le droit de vivre en paix, la Palestine également.
Monsieur le ministre, comment comptez-vous soutenir le retour à la table des négociations afin d'imposer le silence des armes, définitif et sans conditions? Quand la Belgique reconnaîtra-t-elle enfin la Palestine?
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, c'est effectivement un moment de soulagement. C'est le soulagement de voir que des familles vont être recomposées, que des prisonniers vont être échangés, que des enfants et des adultes innocents vont cesser de mourir.
C'est aussi – vous ne m'empêcherez pas de le penser – un moment d'amertume, parce que le plan que l'on voit est en fait le plan Biden, qui, depuis huit ou neuf mois, aurait pu être concrétisé. Et il a fallu la main de Trump, celle qui menace plus vite qu'il ne parle, pour que même les plus extrémistes décident qu'il était temps de signer un accord.
Mais c'est un moment de prudence aussi. J'entends déjà certaines voix dire que c'est un accord provisoire. Et c'est ma première question. Quelles sont les garanties que vous, l'Europe, les États-Unis pouvez apporter pour que ce ne soit pas du provisoire? C'est de la prudence parce qu'on est au début du chemin. Or celui-ci sera très long et très compliqué. Comment la Belgique et l'Europe peuvent-elles faire entendre leur voix?
Et, en même temps, c'est une occasion. C'est une occasion qu'il faut saisir pour restabiliser ce Moyen-Orient qui est déstabilisé depuis trop longtemps, et pas depuis la guerre, pour qu'effectivement une solution à deux États – je vous le dis comme je le pense – puisse exister. Quelle sera la voix de la Belgique et de l'Europe, monsieur le ministre? Voilà les questions, en ce moment à la fois peut-être opportun mais toujours prudent, que je voulais vous poser.
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, gisteren was er veel opluchting, want er zou eindelijk een staak-het-vuren komen tussen Israël en Hamas. Dat zal hopelijk een einde maken aan het gruwelijke geweld in Gaza. Er vielen al 46.000 doden, er zijn 110.000 gewonden en 100.000 Palestijnen zijn op de vlucht en dakloos. De kinderen lopen daar in de winter verweesd op hun blote voeten door het puin na een zoveelste bominslag.
De wereld wil dat dit ophoudt, maar minder dan 24 uur later staan er alweer grote vraagtekens bij dit akkoord. Opnieuw voerde Israël afgelopen nacht immers zware bombardementen uit. Opnieuw werden 70 mensen gedood, waaronder 20 kinderen. Netanyahu dreigt op dit moment al terug te krabbelen en dat moet ons zorgen baren. Israël heeft zich immers al 15 maanden lang niets aangetrokken van het internationaal en humanitair recht. Er waren aanvallen op burgers, op scholen en op ziekenhuizen. Daar is dus een genocide aan de gang en wie dat niet wil zien is stekeblind. Israëlische ministers zetten immers aan tot geweld, herleiden Palestijnen tot ongedierte en hongeren hen bewust uit. Er zijn veel te veel pijnlijke bewijzen. Zelfs het staak-het-vuren tussen Israël en Hamas kan nooit een reden zijn om dit onbestraft te laten. Daarvoor is Israël veel en veel te ver gegaan.
Ik heb dan ook een aantal vragen, mijnheer de minister.
Welke initiatieven zal onze regering nemen om de inwoners van Gaza te ondersteunen? Hoe zullen we helpen bij de heropbouw van huizen, ziekenhuizen en scholen?
Zal ons land ook pleiten voor onderzoek naar de mogelijke oorlogsmisdaden? De Belgische regering heeft al een hele tijd geleden beslist om tussen te komen in de genocidezaak bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Mijnheer de minister, waar blijft die tussenkomst?
Bernard Quintin:
Mesdames et messieurs les députés, comme vous l'avez tous dit, "enfin" – je crois c'est le mot qui convient – une lueur d'espoir au Moyen-Orient. Het werd tijd . L'annonce faite hier par le Qatar, l'Égypte et les États-Unis de la conclusion d'un accord entre le Hamas et Israël sur un cessez-le-feu est une étape cruciale. En effet, le gouvernement israélien doit certes encore l'approuver officiellement, mais il est difficile d'imaginer qu'il en soit autrement. Monsieur De Maegd, la première phase sur trois, celle du cessez-le-feu provisoire, doit commencer ce dimanche avec la libération d'un premier groupe d'otages. Nous nous réjouissons tous qu'ils puissent retrouver les leurs.
Dat er een einde komt aan een verwoestende oorlog die 15 maanden duurde, is geweldig nieuws voor Palestijnen en Israëli's die vrede willen. We kunnen ons wellicht niet voorstellen hoezeer Israëli's en Palestijnen snakken naar vrede, rust en perspectief.
Monsieur Boukili, cet accord reprend en effet la structure du plan Biden présenté en mai dernier. Il comprend trois étapes dont les détails doivent encore être négociés.
Comme je le disais, la première phase doit commencer ce dimanche pour une durée de six semaines. Cette première étape, attendue de longue date, permettra de faire taire les armes, de mettre fin à la violence et d'assurer une distribution sûre et effective d'une importante aide humanitaire. Je vous rejoins, monsieur Crucke, ce ne sera pas un long fleuve tranquille.
Madame Van Hoof, un travail diplomatique important reste encore à accomplir pour nous tous. J'en parlerai avec mon homologue égyptien – qui est d'ailleurs l'un des architectes de l'accord – quand je le recevrai à Bruxelles lundi prochain, le 20 janvier. Demain, je m'entretiendrai avec le premier ministre palestinien qui est à Bruxelles.
Nous le savons tous très bien, la situation humanitaire sur place est désastreuse et demande une réponse rapide et immédiate.
De VN-agentschappen en de ngo's bereiden zich voor om de humanitaire hulp op te schalen. Vannacht zouden al een aantal bijkomende trucks met humanitaire hulp toegelaten zijn. Het Wereldvoedselprogramma heeft hulp klaarstaan om drie maanden een miljoen mensen te voeden.
Un programme similaire de l'UNRWA est aussi en préparation. Madame Lambrecht, monsieur Aerts, cette organisation des Nations Unies est évidemment indispensable sur place pour venir en aide à la population locale, que ce soit pour l'aide humanitaire ou la scolarisation de plus d'un million d'enfants qui n'ont plus vu les bancs de l'école depuis deux ans.
Nous suivons d'ailleurs de près la prochaine entrée en vigueur des lois anti-UNRWA votées par la Knesset. Nous continuons à appeler le gouvernement israélien à ne pas les mettre en œuvre. Il n'y a pas d'alternative à l'UNRWA et aux Nations Unies! Les Nations Unies doivent être reconnues et respectées à tous les niveaux!
Madame Maouane, cette avancée positive annoncée hier ne doit pas éclipser la nécessité d'établir clairement les responsabilités pour tous les crimes commis. C'est d'ailleurs essentiel pour tracer un chemin vers une paix durable.
De verantwoordelijken voor de gruweldaden moeten worden gestraft. België heeft altijd gepleit voor de eerbiediging van het internationaal recht en het internationaal humanitair recht. België heeft altijd zijn volle steun betuigd aan het Internationaal Strafhof en het Internationaal Hof van Justitie.
Mijnheer Aerts, bij het Internationaal Hof van Justitie loopt een zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Zoals u weet zal België daaraan meewerken.
Chères députées, chers députés, vous l'avez compris, la Belgique appelle les parties à respecter cet accord et à le mettre en œuvre. C'est une chance unique, comme cela a été souligné par chacune et chacun d'entre vous, de mettre fin à 15 mois d'une guerre absolument terrible, avec un nombre incroyable de victimes innocentes.
Ce sera certes un défi. De nombreux points doivent encore être éclaircis afin de mettre fin de manière permanente aux hostilités et d'établir un horizon politique pour les Palestiniens, les Israéliens et cette région.
Monsieur Lacroix, notre pays soutiendra tous les efforts en vue d'une solution à deux États vivant côte à côte dans la sécurité et la paix, comme nous l'avons déjà fait. Vous vous rappellerez que ma prédécesseure a organisé, quelques jours avant la fin de son mandat, une deuxième conférence sur la solution à deux États, avec le Haut représentant de l’Union européenne pour les affaires étrangères et la politique de sécurité de l'époque, Josep Borrell. C'est en tout cas ce que nous souhaitons toutes et tous ici.
Michel De Maegd:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. J'exprime ici, au nom de mon groupe, le vœu que cet accord de cessez-le-feu voie le jour très rapidement et soit durable; le vœu que les otages puissent enfin retourner chez eux pour tenter, tant bien que mal, de surmonter la terrible épreuve qu'ils ont subie, et que les familles des otages décédés puissent entamer un très difficile travail de deuil; le vœu que la population palestinienne de Gaza, après 15 mois de guerre, puisse également être épargnée, secourue par une aide humanitaire cruciale, panser ses plaies et tenter de se construire un avenir légitime. Cet accord de cessez-le-feu marque un espoir après plus de 15 mois d'une guerre effroyable, qui a fait des dizaines de milliers de victimes.
Cependant, nous devons rester très prudents, chers collègues, cet accord ne marquera pas la fin des tensions. Un cessez-le-feu sans perspective politique sérieuse est la porte ouverte à la répétition des horreurs auxquelles on assiste depuis maintenant 75 ans dans cette région. Cet accord, enfin, ne doit pas, monsieur le ministre, nous détourner de l'objectif à long terme de l'instauration d'une paix juste et durable à Gaza, en Cisjordanie et en Israël.
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Het akkoord is inderdaad een eerste stap om het leed in Gaza te verlichten. Het is een sprankel hoop in het nieuwe jaar. Euforie is nog niet aan de orde. We hebben wel een constructieve houding nodig. Die houding hebt u daarnet ook uitgesproken. We hebben diplomatieke contacten in de komende dagen. Er wordt ook ondersteuning gegeven aan UNRWA om ter plaatse humanitaire hulp te verschaffen. We geven steun aan het Internationaal Gerechtshof en aan het Internationaal Strafhof. Dat zijn belangrijke stappen die België en de Europese Unie kunnen zetten.
We mogen ons echter niet gedragen als een olifant in een porseleinwinkel. Dat is het vandaag immers nog. Wij moeten waakzaam blijven. Dat betekent dat er geen communicerende vaten zijn. Als er een verdere escalatie is op de Westelijke Jordaanoever, moeten we nieuwe stappen durven zetten.
Onze partij denkt in dat verband ook aan een handelsverbod vanuit de nederzettingen naar de Europese Unie en naar België.
De stappen naar een duurzame vrede en een tweestatenoplossing zijn cruciaal, met een erkenning van Palestina. Laten we echter eerst starten met de menselijkheid.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. UNRWA is inderdaad onontbeerlijk en niet vervangbaar. Er zijn geen alternatieven.
De ellende voor de Palestijnen is nog lang niet voorbij. In Gaza en bij de familieleden van de gegijzelden heerst nu hoop. Op de Westelijke Jordaanoever is er echter niets veranderd. Er is daar geen enkel zicht op vooruitgang. Sterker nog, met de nieuwe president in de Verenigde Staten is het einde helemaal niet in zicht.
Iedereen in Europa moet een keuze maken. Voeren wij de druk verder op – die keuze meen ik uit uw antwoord te kunnen opmaken – of kijken we de andere kant uit?
Mijnheer de minister, voor Vooruit is het heel helder: er is nood aan duurzame vrede. Dat kan enkel, zoals u ook hebt aangegeven, door een tweestatenoplossing. Wij blijven daarvoor pleiten. Wij zullen daar hard voor blijven strijden.
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, vous avez répondu à plusieurs questions, sauf une: les sanctions. Pourquoi pas de sanctions? Vous dites que la Belgique tient au respect du droit international. Alors, il faut être cohérent: quand ce droit international est violé, il faut sanctionner ceux qui le violent sinon cela n'a pas de sens de dire que la Belgique respecte le droit international.
Vous avez parlé d'une guerre atroce. Je rappelle que ce n'est pas une guerre mais un génocide, monsieur le ministre. C'est un génocide et ce n'est pas moi ou le PTB qui le disons: la Cour internationale de Justice a prévenu du génocide; la Cour pénale internationale a émis un mandat d'arrêt contre Netanyahu; l'ONU a fait un rapport sur le génocide; Oxfam a fait un rapport sur le génocide. Même le monde académique belge s'est mobilisé: 6 700 signatures dans le monde académique belge pour dénoncer le génocide et le manque de sanctions. Ils appellent à sanctionner Israël. Quand allez-vous bouger sur ce sujet? Si vous voulez être cohérent avec votre respect du droit international, il faut le faire parce que pour l'instant, c'est seulement du bla-bla.
Rajae Maouane:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Malheureusement, vous l'avez dit, à Gaza, le droit international a été réduit en poussière, emporté par les bombes. Netanyahu et ses complices doivent finir en prison comme les criminels de guerre qu'ils sont. Il ne faut pas oublier ce qui s'est passé. On n'oubliera pas les 300 journalistes tués, on n'oubliera pas la famine organisée, on n'oubliera pas les civils brûlés vifs, on n'oubliera pas le système hospitalier détruit, on n'oubliera pas les camps de réfugiés bombardés, on n'oubliera pas l'aide humanitaire bloquée, on n'oubliera pas le génocide perpétré. On continuera à se battre pour que justice soit rendue, que les criminels soient derrière les barreaux. On continuera à se battre pour que la colonisation s'arrête et pour que l'État de Palestine soit enfin reconnu.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.
Je suis heureux, car je sens que notre pays est volontaire et qu'il soutiendra le processus des futures négociations. Je reste cependant inquiet quant au respect du droit international. Vous avez été clair. J'espère que le futur gouvernement Arizona le sera tout autant que vous et que vous resterez, le cas échéant, ministre des Affaires étrangères.
J'entends bien que la notion de crime de génocide à Gaza ne fait plus aucun doute. Six mille sept cents universitaires ont signé une lettre ouverte cette semaine, rappelant ce génocide et appelant à des sanctions. Vous avez été clair également sur le respect du droit international. Cela signifie que si on ne le respecte pas, on doit être sanctionné. Israël devra l'être. Il faudra par conséquent faire preuve d'une capacité de résister à toutes les pressions. Et j'espère qu'au sein de l'Arizona, vous parviendrez à vous mettre d'accord sur tout ce que vous avez dit aujourd'hui.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, je tiens à le souligner, vous attestez de votre connaissance et de votre maîtrise du dossier. Les contacts que vous nouerez dans les prochains jours prouvent aussi que Bruxelles, ce petit pays qu'est la Belgique, et l'Union européenne ont un rôle à jouer. Je veux soutenir les démarches qui sont les vôtres.
Je pense qu'il ne faut pas se tromper. L' État d'Israël a droit à la reconnaissance de sa souveraineté et à la paix, mais les Palestiniens ont aussi le droit de vivre en paix. Donc, ce que je voudrais tant voir en réalité, pour ces deux États, et seule la constance de l'Union européenne permettra de le montrer, c'est que c'est la nuance qui apporte des solutions. Nous, Les Engagés, c'est aussi en ce sens que nous entendons soutenir votre travail.
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, een constructieve houding is belangrijk als wij de inwoners van Gaza willen helpen, als we ervoor willen zorgen dat zij opnieuw humanitaire hulp krijgen en als we willen bijdragen aan de heropbouw aldaar. Daarvoor is er alleszins een staakt-het-vuren nodig. Komt dat er niet omdat Israël zich terugtrekt van de tafel en er de stekker uit trekt, dan moeten we fors reageren, zoals tegen Rusland, toen Poetin Oekraïne is binnengevallen. Dan moeten we het hele gamma aan maatregelen om Israël onder druk te zetten, uit de kast halen. Dan moeten we het Europees handelsakkoord met Israël stopzetten, de import van producten uit de bezette gebieden verbieden, de genocide aldaar politiek erkennen en ook de Palestijnse staat erkennen – ik heb de instemming van velen genoteerd –, want dat laatste blijft meer dan ooit van belang voor een duurzame oplossing voor het geweld in de regio.
De werking van de FOD Economie bij het toepassen van het markttoezicht
Gesteld door
Gesteld aan
Alexia Bertrand
op 15 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
UNIZO kritiseert het markttoezicht van de FOD Economie omdat bij zelfstandigen producten (bv. strijkijzers) zonder vergoeding of direct ontvangstbewijs in beslag worden genomen, wat administratieve en fiscale problemen veroorzaakt. Staatssecretaris Bertrand benadrukt dat controles langs de hele keten (van producent tot retailer) noodzakelijk zijn om veiligheid en conformiteit te garanderen, maar bevestigt dat er wel een proces-verbaal wordt opgemaakt en dat kostenherverdeling (bij inbreuken) overwogen kan worden, mits gelijkheid tussen Belgische en buitenlandse bedrijven. Coenegrachts dringt aan op een direct ontvangstbewijs bij inbeslagname en een fiscaal attest om de kosten voor handelaars aftrekbaar te maken, maar aanvaardt de ketenaanpak als principe.
Steven Coenegrachts:
Mevrouw de staatssecretaris, UNIZO klaagde in september problemen aan met de werking van het markttoezicht van de FOD Economie. Zo werden er bij een zelfstandige verkoper van elektrotoestellen in mijn woonplaats strijkijzers meegenomen zonder vergoeding of afgifte van ontvangstbewijs. UNIZO vroeg zich terecht af of het markttoezicht per se via de retailers moet worden afgedwongen en of men niet beter het markttoezicht rechtstreeks bij de producenten en groothandels uitoefent. Voorts rijst de vraag of daar vergoedingen, minstens ontvangstbewijzen, tegenover kunnen staan. Op het einde van de rit moet hun boekhouding immers ook kloppen. Kan er ook een fiscaal attest worden afgeleverd, zodat inbeslagnames als kosten kunnen worden geboekt?
Kan er een beter evenwicht worden gevonden tussen de belangen van het markttoezicht en die van de kleine zelfstandige ondernemers?
Alexia Bertrand:
Mijnheer Coenegrachts, het zijn de diensten bij de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de markt van de elektrische- en gasproducten. Daartoe worden rekening houdend met de beschikbare middelen elk jaar campagnes voor verschillende producten gevoerd, met als doel een zo uitgebreid mogelijke controle op veiligheid en conformiteit. Helaas vereisen laboratoriumtesten soms meerdere apparaten om alle veiligheidspunten te controleren. Bovendien wordt de bemonstering geregeld door het KB van 25 maart 2016 betreffende de bemonstering, zoals bepaald in het Wetboek van economisch recht. De agenten van de FOD Economie passen dat laatste nauwgezet toe.
De controle wordt uitgevoerd bij elke speler in de keten, of dat nu gaat om een distributeur, een importeur, een fabrikant of een onlineverkoopplatform. Elk van die economische operatoren heeft immers eigen verplichtingen, die naast de conformiteit en de veiligheid van de producten moeten worden gecontroleerd.
Het is daarenboven niet alleen voor consumenten gemakkelijker om producten van buiten de EU te kopen. Het is ook gemakkelijker voor eindhandelaars om producten van buiten de EU te kopen, vaak tegen veel lagere prijzen. Soms nemen ze zo echter de rol van importeur of zelfs fabrikant op zich, met de bijbehorende verantwoordelijkheden. Dat hoeft niet noodzakelijk een probleem te zijn, maar het onderstreept wel de noodzaak om steekproeven en controles doorheen de volledige keten te blijven uitvoeren.
De AD Energie tracht de lasten zo evenwichtig mogelijk te verdelen over de verschillende spelers in de keten om zo efficiënt mogelijk te werken. Er moet ook worden opgemerkt dat, in overeenstemming met het voornoemde decreet, elke bemonsteringsoperatie gepaard gaat met de aflevering van een proces-verbaal van monstername aan de betrokkenen.
De kosten van de laboratoriumtesten worden momenteel niet doorgerekend naar gecontroleerde firma's waar inbreuken zijn vastgesteld. Zij dragen alleen de kosten van de gemonsterde producten.
Een andere verdeling van de kosten is zeker een mogelijkheid, maar in de doorrekening van kosten wil ik een verschillende behandeling van Belgische en buitenlandse bedrijven te allen koste vermijden. In overleg met de sector zou men die verdeling van kosten kunnen aftoetsen en eventueel optimaliseren.
Steven Coenegrachts:
Mevrouw de staatssecretaris, er zit inderdaad een ratio achter, namelijk de ketenaanpak, en daar heb ik begrip voor. U suggereerde dat de kosten misschien aan de betrokken producent, retailer of een andere schakel in de keten kunnen worden doorgerekend bij vastgestelde inbreuken. Indien natuurlijk geen inbreuken worden vastgesteld en spullen worden verkocht, zouden absoluut geen kosten mogen worden doorgerekend. Ik wist niet dat er een proces-verbaal werd opgemaakt. Het zou misschien interessant zijn dat er, zodra iets wordt opgehaald, een ondertekend ontvangstbewijs wordt bezorgd of dat wordt geattesteerd dat men in de winkel is binnengekomen en dat beslag werd gelegd op enkele producten Het proces-verbaal zou dan normalerwijze later volgen. Ik blijf pleiten voor een soort fiscaal attest, waarmee de kosten die de handelaar zelf maakt, op enige wijze kunnen worden verhaald.
De ontwrichting van de samenleving door drugshandel (aanpak en actie)
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 15 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De drugsproblematiek en infiltratie van criminele netwerken (25.000 personen, 85% misbruik van legale structuren) in de samenleving vereist een versterkte, multidisciplinaire aanpak, aldus minister Verlinden, met focus op financiële ontwrichting (follow-the-money, 10 miljoen euro extra budget) en publiek-private samenwerking (havens, lokale besturen). Depoortere benadrukt het federale tekort aan middelen en expertise om het escalerende geweld (granaataanslagen, moorden) effectief te bestrijden, ondanks bestaande maatregelen zoals versterkte politie-eenheden en het Drugscommissariaat. Beide onderstrepen de nood aan structurele oplossingen in de lopende regeringsonderhandelingen, met prioriteit voor snellere sancties, betere informatiedeling en uitbreiding van inbeslagnames. De strijd tegen drugshandel is onlosmakelijk verbonden met georganiseerde criminaliteit (witwassen, wapenhandel) en vraagt een gecoördineerde, langetermijnstrategie.
Ortwin Depoortere:
Mevrouw de minister, ik wil nog eens terugkomen op de opmerkelijke uitspraken van nationaal drugscommissaris Van Wymersch tijdens een VUB-debat. Daarbij waarschuwde zij ervoor dat er een parallelle samenleving kan ontstaan buiten de rechtstaat. Volgens haar zijn namelijk 25.000 personen actief in criminele organisaties en van die organisaties maakt 85 % gebruik van legale structuren, wat dus betekent dat niet enkel via schimmige handelszaken drugs worden verhandeld, maar dat ook op bestuursniveau wordt geïnfiltreerd. Die waarschuwing moeten we allemaal ter harte nemen.
De ontwrichting van de samenleving door drugsbendes moet uiteraard worden tegengegaan. Mevrouw de minister, een aantal maatregelen zijn hangende en andere werden al deels in de praktijk gebracht. Het resultaat daarvan zie ik echter nog niet helemaal.
Ten eerste, wordt de inbeslagname van de drugsgelden geïntensifieerd? Indien ja, op welke manier meent u dat te doen?
Ten tweede, worden de dekmantelzaken van drugsbendes momenteel adequaat opgespoord en ontmanteld? Door de wet betreffende de bestuurlijke handhaving hebben lokale besturen al een stevige vinger in de pap. U herinnert zich ongetwijfeld echter ook mijn kritiek uit de vorige legislatuur, namelijk dat burgemeesters met al te veel administratieve rompslomp worden geconfronteerd om op korte termijn te kunnen optreden.
Ten derde, ligt de strijd tegen de drugshandel momenteel op de onderhandelingstafel van de federale regering? Zullen ter zake bijkomende maatregelen en wetgeving worden uitgewerkt?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Depoortere, de verontrustende evolutie van het fenomeen maakt dat de vorige legislatuur de aanpak ervan een permanent aandachtspunt was voor zowel politie en justitie als de beleidsmakers.
Zo werden de federale gerechtelijke politie in Antwerpen en Brussel versterkt, werd het havenbeveiligingskorps opgericht en werden verschillende arrondissementele drugsplannen goedgekeurd, teneinde de inspanningen van de veiligheidsdiensten te verbeteren en op mekaar af te stemmen. Ik verwijs naar het Stroomplan in Antwerpen, het Globaal Drugsplan in Brussel en het Politioneel Plan van de federale politie, die uiteraard allemaal bijdragen tot het bestrijden van druggerelateerd geweld. Ook de oprichting van het Nationaal Drugscommissariaat is een bewijs van de wil om verantwoordelijkheid te nemen in die strijd en in de strijd tegen drugsbendes, die niet alleen in drugs handelen, maar zich ook bezighouden met gerelateerde criminele fenomenen, zoals mensenhandel en witwas- of wapenhandel.
De strijd tegen drugsbendes is dus ook meteen een strijd tegen de georganiseerde criminaliteit als geheel. De criminele netwerken zijn sterk en alsmaar meer geïntegreerd in de structuren van de legale economie. Ze misbruiken onze legale structuren om hun criminele activiteiten uit te voeren. Geld is de enige drijfveer van die organisaties en dus is het belangrijk om maatregelen te nemen die het verdienmodel breken.
Ik herhaal dat we om dat fenomeen efficiënt aan te pakken, nood hebben aan een multidisciplinaire aanpak en een globale strategie die veel ruimer gaat dan louter handhaving. Het is niet alleen een strijd voor de politie; ook andere departementen moeten mee aan boord zijn.
We moeten daarbij ook blijven inzetten op de bestuurlijke handhaving, waarvoor we het wettelijk kader hebben uitgewerkt en op basis waarvan de lokale besturen nu een politieverordening kunnen maken om de nodige ingrepen te doen. Dat wettelijk kader werd noodzakelijk geacht, omdat men namelijk ingrijpt in het recht op handel. Er moet ook informatie gedeeld worden. We hopen de komende maanden en jaren daarvan de resultaten te zien, omdat op die manier illegale zaken kunnen worden gesloten of hun vergunningen worden opgezegd.
We moeten ook werken aan publiek-private samenwerking met havenbedrijven om de weerbaarheid van sectoren en zeker kritieke infrastructuur te verhogen. We hebben daarvoor de budgettaire aanzet gegeven. Vanaf het begrotingsjaar 2024 is er recurrent 5 miljoen euro beschikbaar voor het Drugscommissariaat. Voor vorig jaar was er een oneshotkrediet van nog eens 5 miljoen. Met dat bijkomend geld kunnen 20 concrete projecten gefinancierd worden en kunnen we het verdienmodel van de criminaliteit op basis van het follow-the-moneyprincipe van aanpakken. Het zal aan de volgende regering zijn om dat verder vorm te geven. In de onderhandelingsteksten is er alvast sprake van dat de toepassing van het follow-the-moneyprincipe absoluut verder moet worden uitgewerkt, in die zin dat investeringen in politie en justitie ook gefinancierd kunnen worden door de inbeslaggenomen gelden uit de criminele activiteiten. Dat was, is en zal een prioriteit blijven.
Ik zal, samen met de collega's rond de tafel, hard voor pleiten dat er in de domeinen Veiligheid en Binnenlandse Zaken en uiteraard ook Justitie –moet snel kunnen worden gesanctioneerd – voldoende middelen naar onze veiligheids- en inlichtingendiensten gaan om de strijd te kunnen voortzetten.
Ortwin Depoortere:
Mevrouw de minister, ik ben het grotendeels met u eens. Ik hoop vooral dat de volgende regering met nog meer aandacht de strijd tegen de drugshandel opvoert. Zoals u terecht stelt, is de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit veeleer een federale dan een lokale bevoegdheid. Het geweld dat ermee gepaard gaat, zoals in Antwerpen en in Brussel, met onder andere granaataanslagen en moordpartijen op klaarlichte dag in de straten, overstijgt de bevoegdheden van de lokale politie, die vaak niet de middelen, de manschappen en expertise heeft om dat adequaat aan te pakken. We moeten daar oog voor hebben. U verwijst naar de versterking van de federale gerechtelijke politie en de oprichting van het havenbeveiligingskorps. Ik denk inderdaad dat de strijd tegen drugs moet bestaan uit een globale aanpak. Ik bedank u alvast voor uw aandacht daarvoor en ook voor uw inbreng wellicht in de onderhandelingen voor een nieuwe regering.
De situatie in Syrië en het beleid van het CGVS inzake terugkeer
De asielaanvragen van Syriërs
Syrische vluchtelingen in België
De opschorting van de behandeling van de asielaanvragen van Syriërs
De situatie van Syrische vluchtelingen en asielbeleid in België
Gesteld door
VB
Francesca Van Belleghem
PVDA
Greet Daems
PS
Khalil Aouasti
MR
Catherine Delcourt
Gesteld aan
Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)
op 18 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Na het vertrek van Assad blijft Syriës toekomst onzeker, waardoor het CGVS 3.111 asielaanvragen van Syriërs opschort tot de situatie ter plaatse duidelijker is, zonder te wachten op volledige stabiliteit. 35.000 Syriërs kregen al bescherming in België, met dit jaar 4.725 nieuwe aanvragen, maar huidige beslissingen worden uitgesteld wegens onduidelijkheid over mensenrechten (minderheden, vrouwen) onder een mogelijk nieuw regime. Het exacte aantal asielzoekers in opvang is nog niet bekend, maar de staatssecretaris belooft dit later te bezorgen. De focus ligt op afwachten en latere risicobeoordeling op basis van nieuwe informatie.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de staatssecretaris, ik had deze vraag ingediend de dag nadat dictator Al-Assad Syrië was ontvlucht, dus ze is minder actueel.
U hebt daarover al antwoorden gegeven in de Kamer, maar kunt u mij een laatste stand van zaken geven?
Nicole de Moor:
Mevrouw Van Belleghem, heel wat collega's hadden daarover vragen ingediend, maar ik beperk mij tot het geven van een update over de situatie.
De snelheid van de ontwikkelingen in Syrië heeft de internationale gemeenschap verrast. Ik hoop, samen met iedereen, dat de vrede en stabiliteit kan terugkeren in Syrië, maar het blijft afwachten. We zijn nog niet zo heel lang na het omverwerpen van het regime, dus het is te vroeg om te zeggen wat de toekomst zal brengen. Het enige wat we kunnen zeggen, is dat Al-Assad weg is, maar we weten nog niet wat er in de plaats komt. We kennen dat nieuwe regime onvoldoende.
Hoe zal het nieuwe regime eruitzien en zal er stabiliteit zijn? Als er een nieuw regime is, hoe zal het zich opstellen tegenover bijvoorbeeld de christelijke of Koerdische minderheden en zal het de vrouwenrechten beperken? Dat zijn vragen waarop we op dit moment geen antwoord kunnen geven, dus kunnen we ook onmogelijk een antwoord geven wat betreft de mensen die hier bescherming aanvragen.
Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen heeft daarom beslist om die asielaanvragen on hold te zetten tot er een duidelijker zicht is op de situatie. Dat betekent echter niet dat het per definitie wacht tot er vrede en stabiliteit is in Syrië, maar het commissariaat wacht wel met het opnieuw nemen van beslissingen tot het een zicht heeft op de situatie ter plaatse, of het nu de goede of de slechte kant uitgaat.
Ik kan wel nog een aantal cijfers geven. De afgelopen tien jaar kregen ongeveer 35.000 Syriërs bescherming in ons land. Ook dit jaar zijn Syriërs trouwens de eerste nationaliteit wat asielaanvragen betreft. Tot en met oktober waren het er 4.725 en momenteel wachten nog 3.111 Syriërs op een beslissing van het CGVS. Dat betekent dat deze mensen op dit moment geen beslissing in hun asielaanvraag zullen krijgen. Het CGVS zal afwachten en later het risico op vervolging in de toekomst beoordelen op basis van alle objectieve informatie waarover het dan zal beschikken.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de staatssecretaris, weet u ook hoeveel van die 3.111 er in een asielopvang verblijven of kunt u daarop nu geen antwoord geven?
Nicole de Moor:
Ik heb daar een zicht op, ik heb alleen het exacte cijfer niet bij mij. Ik zal het opzoeken en het u bezorgen.
DIGI
De komst van DIGI op de Belgische markt
DIGI's intrede op de Belgische markt
Gesteld door
Gesteld aan
Petra De Sutter (Minister van Overheidsbedrijven en Ambtenarenzaken)
op 18 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De komst van DIGI als vierde, prijsbrekende telecomspeler (tot 6x goedkoper dan Proximus/Telenet) moet de hoge Belgische tarieven drukken, maar roept vragen op over dumpingprijzen en eerlijke concurrentie. Minister De Sutter benadrukt dat DIGI’s lage prijzen (via Proximus’ 4G-netwerk) nog geen bewijs zijn van oneerlijke praktijken, maar dat 5G-investeringen en glasvezeluitrol (met sterk uiteenlopende kosten per regio) cruciaal zijn voor een gelijk speelveld, waarbij alle spelers aan dezelfde EU-regels (veiligheid, databescherming) moeten voldoen. Proximus’ dalende beurskoers en trage reactie met eigen B-merk Scarlet tonen de marktdruk, terwijl de overheid digitale inclusie en infrastructuurinvesteringen blijft afwegen tegen consumentenprijzen. Kritiek blijft op het vertraagde proces (6,5 jaar wachten op DIGI) en de nood aan verdere concurrentieversterking.
Dieter Keuten:
Mevrouw de minister, met DIGI is er eindelijk een vierde speler gestart op onze telecommarkt, hoera en proficiat. Eindelijk, want in België betalen we veel te veel voor telefonie en internet. In onze buurlanden liggen de facturen aanzienlijk lager. Met de komst van DIGI lijkt daar verandering in te komen. DIGI heeft zich meteen in de markt gezet als prijsbreker, met prijzen die tot drie keer lager liggen dan die van Telenet en Proximus. Op het eerste gezicht is dat fantastisch goed nieuws, want op die manier zal de concurrentie aangezwengeld worden.
We moeten echter waakzaam zijn en ervoor zorgen dat er geen sprake is van afbraakprijzen of predatory pricing . Dat gebeurt wanneer een bedrijf tijdelijk erg lage prijzen aanbiedt om rivalen uit de markt te drukken, waarna de prijzen verhoogd worden tot boven het marktniveau. Bij die strategie worden de verliezen op korte termijn gecompenseerd door veel te hoge prijzen over een langere periode bij een groter marktaandeel.
Mevrouw de minister, hoe verklaart u dat DIGI dergelijke competitieve prijzen kan aanbieden, terwijl Proximus, waarvan wij allemaal aandeelhouder zijn, dat niet kan?
Welke controles werden er uitgevoerd door de BMA op het aanbod van DIGI? Zijn er aanwijzingen van dumpingprijzen? Misschien is het daarvoor nog vroeg, maar toch hoor ik graag uw mening daarover.
Als de lage prijzen van DIGI louter het gevolg zijn van een operationeel efficiëntere organisatie, betekent dit dat werd nagelaten om de organisatie van Proximus onder de loep te nemen. Hoe komt het dat DIGI zulke lage tarieven kan aanbieden en Proximus niet? Wat is uw reactie daarop?
De uitrol van 5G en de glasvezelnetwerken vereist stevige investeringen van de telecomspelers, maar die blijven achterophinken. Werden er bij Proximus verkeerde financieel-strategische beslissingen genomen?
Anne Pirson:
Madame la vice-première ministre, comme on vient de le dire, la semaine dernière, un nouvel opérateur télécom low cost est arrivé sur le marché belge. Il offre des tarifs défiant toute concurrence, jusqu'à six fois moins chers que les offres de base des opérateurs traditionnels. Cela aura probablement un effet bénéfique sur le portefeuille des Belges.
Ce bousculement, dans un marché jusqu'à présent plutôt fermé, soulève des questions stratégiques sur le développement et la régulation du secteur des télécommunications. Nous espérons que cette arrivée puisse améliorer la concurrence dans un marché souvent critiqué pour ses tarifs élevés et sa concentration. Nous regrettons d'ailleurs que, jusqu'à présent, les consommateurs n'aient pas pu bénéficier d'une concurrence saine.
Cela implique aussi des défis en matière d'équité concurrentielle, d'usage des infrastructures et de respect des normes nationales.
La Belgique a l'obligation, en tant que membre de l'Union européenne, d'accueillir des acteurs respectant les règles du marché unique. Cependant, il est essentiel de garantir que cette ouverture s'opère dans des conditions équilibrées, notamment pour préserver la pérennité du secteur et éviter toute distorsion.
Madame la ministre, comment évaluez-vous l'impact de l'arrivée de DIGI sur la concurrence dans le secteur des télécommunications belge?
Quelles mesures sont-elles prévues pour garantir que les conditions d'entrée des nouveaux opérateurs restent conformes aux principes d'équité et de régulation du marché, sans avantager ou désavantager un acteur spécifique?
Enfin, existe-t-il des initiatives en cours pour s'assurer que tout nouvel entrant, y compris DIGI, respecte les exigences belges et européennes en matière de sécurité des réseaux et de souveraineté numérique?
Petra De Sutter:
Madame Pirson, monsieur Keuten, en ce qui concerne les services mobiles, l'un des objectifs de l'octroi d'une licence à un quatrième opérateur était précisément de renforcer la dynamique concurrentielle et d'entraîner ainsi une baisse des prix de détail. Il n'est donc pas illogique en soi qu'un nouvel arrivant sur le marché propose des prix inférieurs à la moyenne pour conquérir des parts de marché.
De mobiele prijzen van DIGI zijn in feite vergelijkbaar met die van de B-merken, zeg maar de B-formules van bestaande mobiele operatoren, zoals Scarlet, Mobile Vikings van Proximus of hey! van Orange. Die merken kunnen concurreren met de nieuwe prijzen van DIGI, vooral omdat DIGI op dit moment nog geen 5G aanbiedt. De operator maakt daarvoor gebruik van het 4G-netwerk van Proximus. Dat is och een belangrijk detail, me dunkt. Daartoe is een commerciële overeenkomst met Proximus afgesloten. Proximus haalt daar dus ook inkomsten uit, opnieuw een belangrijk detail.
Het ligt wettelijk vast dat DIGI zal moeten investeren in een eigen 5G-infrastructuur, al heeft de operator wel het voordeel het mobiele spectrum goedkoper te hebben kunnen kopen dan zijn concurrenten. De prijszetting van zijn product met 5G valt dus nog af te wachten. Voorlopig hebben we nog geen idee wat er op de markt zal komen.
Wat het bestaande kader betreft, vergelijkt het BIPT in zijn internationale prijzenstudie elk jaar de prijzen van alle operatoren, waaronder Proximus, met die van alle buitenlandse spelers. Uit die studie blijkt dat de tarieven van Belgische operatoren in het algemeen hoog zijn. Daarover krijg ik dan ook al jaren vragen.
Hoewel de prijzen van DIGI vandaag lager liggen, betekent dat niet a priori dat er sprake zou zijn van dumpingprijzen, en al helemaal niet van verkoop met verlies. Zoals u weet, verbiedt het Wetboek van economisch recht dat een goed met verlies wordt verkocht.
Het BIPT laat me weten dat het geen zicht heeft op controles die al dan niet door de Belgische Mededingingsautoriteit (BMA) zijn of zullen worden uitgevoerd. Uw vraag over de BMA richt u dan ook beter tot mijn collega bevoegd voor Economie, onder wiens bevoegdheid de BMA valt.
Mijnheer Keuten, u vroeg of er verkeerde financiële beslissingen zouden zijn genomen bij Proximus. Daarop is het antwoord eenvoudigweg nee. Bij het bepalen van het tarief voor fiber of glasvezel wordt op basis van de kostenmodellen die het BIPT hanteert, altijd een gemiddelde kostprijs genomen om één prijs voor alle gebieden in België te bepalen.
Proximus bereikt momenteel 30 % van de Belgische huishoudens met zijn glasvezelnetwerk. DIGI heeft fiber aangekondigd voor 10 euro in een dichtbevolkt gebied als Brussel. De uitrolkosten in Brussel kan men onmogelijk vergelijken met die in minder dichtbevolkte of rurale gebieden, waar de kosten voor één aansluiting duizenden euro's kunnen bedragen. Dat is de huidige markt met betrekking tot glasvezel.
Het is de duidelijke doelstelling van de overheid om iedereen toegang te geven tot een snelle internetverbinding, zodat heel België kan worden aangesloten op de digitale samenleving. Op dat vlak is het belangrijk een evenwichtig beleid te voeren dat rekening houdt met maximale connectiviteit, digitale inclusie, respect voor de bestaande wetgeving, tewerkstelling, betaalbare prijzen en consumentenbescherming. Al die zaken zijn belangrijk. Zo proberen wij een gelijk speelveld te creëren op de Belgische telecommarkt.
En tant qu'opérateur de télécommunications, DIGI est évidemment soumis aux obligations auxquelles les opérateurs de télécoms sur le marché belge doivent satisfaire. Il n'y aura aucune exception. Ces règles comprennent notamment des obligations en matière de sécurité des réseaux et des données à caractère personnel. Il s'agit notamment des mesures de sécurité prévues dans la réglementation NIS 2, d'une autorisation ministérielle pour le déploiement d'un réseau 5G, de l'accès aux services d'urgence via les numéros d'urgence et les messages via les systèmes d'alerte du public, des obligations relatives au traitement des données à caractère personnel, de l'identification des utilisateurs finaux et de la conservation de données. Ce sont des obligations pour tous les opérateurs. À l'avenir, l'Institut belge des services postaux et des télécommunications (IBPT) contrôlera le respect des obligations, comme il le fait pour les opérateurs de télécoms déjà actifs, par le biais d'inspections.
Dieter Keuten:
Mevrouw de vice-eerste minister, Proximus hoort dus eigenlijk te verdienen aan de komst van DIGI, want het heeft daarmee een commerciële overeenkomst gesloten. De aandeelhouders van Proximus, beter gezegd de markten, denken er op dit moment heel anders over. Het Proximusaandeel is de voorbije weken sterk blijven dalen. Het is wel wat gestabiliseerd, maar het blijft dalen. Nochtans is de informatie dat er een vierde speler zou starten al lang bekend.
Proximus heeft ook een eigen B-merk, Scarlet. De toekomst zal uitwijzen of Scarlet de concurrentie met DIGI kan aangaan.
De komst van die vierde speler heeft zesenhalf jaar op zich laten wachten. Toenmalig minister De Croo heeft dat immers al in de zomer van 2018 aangekondigd. Het heeft dus lang geduurd. Ik hoop dat u uw ervaring met uw opvolger zult delen en dat het gelijke speelveld op de Belgische telecommarkt behouden, gecontroleerd en beschermd blijft. Ik hoop dus dat de ervaring die u hebt opgebouwd, kan worden doorgegeven, zodat er binnenkort een vijfde speler kan toetreden tot deze markt om hem concurrentiëler te maken en onze prijzen tot het niveau van de buurlanden te doen zakken.
Anne Pirson:
Madame la ministre, je vous remercie de vos explications. J'ai bien compris que l'arrivée de DIGI allait alimenter la concurrence et proposer des offres tarifaires plus compétitives. De même, je vous remercie de nous avoir expliqué comment allaient se partager les infrastructures avec Proximus. Les acteurs historiques doivent être encouragés à revoir leur offre pour mieux répondre aux attentes des consommateurs, tout en maintenant des standards élevés. Il faut quand même rester attentif à l'avenir à la baisse des prix à court terme pour que ça n'occulte pas la nécessité de garantir la pérennité de cette concurrence. Le développement des questions est suspendu de 15 h 06 à 15 h 08. De behandeling van de vragen wordt geschorst van 15.06 uur tot 15.08 uur.
De woningmarkt
Gesteld door
Gesteld aan
Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)
op 18 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De bouwsector kampt met een jarenlange daling (7,3% krimp in 2024, faillissementsgolf) door hoge grondstof- en energieprijzen, terwijl de woningnood en renovatieopdrachten dringend blijven. Minister Dermagne wijst naar Europese maatregelen en regionale bevoegdheden, benadrukt recent toegekende controles door de Economische Inspectie, maar schuift btw-verlaging (Financiën) en wet-Breyne (Justitie) door—wat Van Lommel gebrek aan regie noemt: hij eist coördinerend optreden van Economie om de sector structureel te redden, niet enkel symbolische stapjes. De kernkritiek is dat dossiers worden doorgeschoven terwijl de crisis escalereert, met faillissementen en wanpraktijken als direct gevolg. Concreet falen: geen definitief verlaagd btw-tarief, uitblijven van wet-Breyne-hervorming en te late aanpak van misstanden.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, de beroepsfederatie voor de bouwsector Embuild luidt de alarmbel. De bouwactiviteit in ons land daalt al verschillende jaren op rij. Er was een achteruitgang in 2024 en ook voor 2025 wordt een verdere daling voorspeld. Voor de bouw van nieuwe woningen zagen we een krimp van 7,3 % in 2024. Ook voor 2025 voorspelt Embuild minder nieuwbouw. Dat betekent dat een recordaantal bouwbedrijven failliet gaat. Dat blijkt uit de statistieken en ik heb u daarover al vaak ondervraagd.
Nochtans is er nood aan meer woningen. Dat komt ook in de gewestparlementen ter sprake. We hebben de bouwsector dus echt nodig om alle renovaties uit te voeren die met het oog op de duurzaamheid noodzakelijk zijn en om nieuwe woningen te bouwen.
De dalende trend duurt dus al twee jaar en zal niet vanzelf stoppen. Waarom hebt u die trend niet kunnen keren? Welke maatregelen lagen er op tafel, maar hebben het niet gehaald? Waarom werd het verlaagde btw-tarief voor sloop en heropbouw, dat onlangs voor zes maanden werd verlengd, niet definitief ingevoerd en blijft men met kleine stapjes werken?
De bouwsector heeft te kampen met heel wat wanpraktijken. Dat heb ik ook met de staatssecretaris voor Consumentenbescherming besproken. Waarom werd dat probleem wetgevend-technisch onvoldoende aangepakt?
Waarom werd de beloofde aanpassing van de wet-Breyne niet doorgevoerd?
Pierre-Yves Dermagne:
Mijnheer Van Lommel, de moeilijkheden in de sector zijn vooral te wijten aan de stijging van de grondstofprijzen en de energieprijzen, zoals u terecht aanhaalt in uw vraag. Ik heb u in het verleden al een antwoord gegeven betreffende de maatregelen die in dat verband zijn genomen en die op Europees niveau worden aangekondigd. Voor het overige is het huisvestingsbeleid een regionale bevoegdheid.
De bouwsector moet boek VI van het Wetboek van economisch recht respecteren, met inbegrip van het verbod op oneerlijke handelspraktijken en onrechtmatige bedingen. Om bepaalde wanpraktijken aan te pakken, kreeg de Economische Inspectie sinds juli 2024 de bevoegdheid om controles uit te voeren op bepaalde aspecten van de wet-Breyne.
Voor uw vraag over het verlaagde btw-tarief dient u zich te richten tot minister van Financiën Van Peteghem. Voor de andere vragen dien ik u door te verwijzen, naar de minister van Justitie, wat de wet-Breyne betreft, en naar de staatssecretaris bevoegd voor Consumentenbescherming.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, huisvestingsbeleid is inderdaad regionale materie, zoals ik zopas ook heb vermeld. De regio's kunnen echter niets doen met maatregelen zoals een verlaagd btw-tarief en een aanpassing van de wet-Breyne. Ook voor de aanpak van bepaalde economische wanpraktijken en het indijken van faillissementen in een bepaalde sector is dit Parlement de juiste plaats om met elkaar van gedachten te wisselen. U verklaart dat de Economische Inspectie meer middelen heeft gekregen om controles uit te voeren. Dat is een goede zaak, wat ik ook aan de staatssecretaris heb gezegd. Ik stel wel vast dat u ondertussen de tweede bent die het dossier doorschuift, want voor de aanpassing van de wet-Breyne verwees de staatssecretaris naar de minister van Justitie. U verwijst voor het verlaagde btw-tarief op sloop en heropbouw naar de minister van Financiën. Het betreft wel de toekomst van een sector. De beroepsfederaties sturen niet zomaar signalen de wereld in. Ik verwacht van de minister van Economie dat hij in de schoot van de regering bekijkt welke maatregelen noodzakelijk zijn. Alles wat een financiële impact heeft in om het even welke commissie – de commissie voor Economie, de commissie voor Justitie, de commissie voor Sociale Zaken – kost geld. Als iedereen dan stelt dat we de vragen aan de minister van Financiën moeten stellen, dan kunnen we beter alle commissies afschaffen. Eigenlijk is het grotendeels uw bevoegdheid om te bekijken hoe we die sectoren in de toekomst overeind kunnen houden.
Het rapport van Europol over het inzetten van NBMV's in de drugshandel
Het ronselen van minderjarigen voor de drugshandel en het verslag van Europol
Minderjarigen en NBMV's in de drugshandel volgens Europol-rapporten
Gesteld door
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 17 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Europol-rapport waarschuwt voor de groeiende inzet van 13- tot 17-jarige minderjarigen (met name MENA) in drugscriminaliteit, variërend van dealen tot moord, waarbij België, Frankrijk en Zweden zwaar getroffen zijn. Minister Van Tigchelt bevestigt het fenomeen—met name in Brussel en Antwerpen—en kondigt multidisciplinaire acties aan: een *task force* tegen jeugdhandeling (samen met politie, Child Focus en Fedasil), betere samenwerking met Frankrijk (Marseille) en Zweden, en strakkere opvang van MENA via gespecialiseerde centra zoals Esperanto. De rechtelijke aanpak van jeugdcriminaliteit blijft een bevoegdheid van de Gemeenschappen, maar federale diensten focussen op netwerkontmanteling (bv. recente zware straffen voor Afghaanse MENA-handelaren in Antwerpen). Kritiekpunt is de onderrapportering van het probleem, terwijl EMPACT (25 Europese landen) en lokaal onderzoek (zoals het Brussel-MENA-project) de bestrijding moeten versterken.
François De Smet:
Monsieur le ministre, un rapport publié par Europol fait état d'une utilisation de plus en plus massive de jeunes dans des trafics de drogues en Europe, la France et la Suède étant notamment touchées.
Le rapport évoque la présence massive de jeunes âgés de 13 à 17 ans dans des réseaux de stupéfiants, non seulement pour dealer ou cacher des stocks de drogues mais également, et c'est plus inquiétant, pour intimider ou tuer.
Notre pays ne serait pas épargné. Ainsi, tout récemment, des mineurs d'âge ont été interpellés, suspectés d'avoir été utilisés pour liquider un membre d'une organisation criminelle.
Les mineurs étrangers non accompagnés (MENA), en raison de la fragilité de leur situation administrative et économique, seraient privilégiés par les organisations mafieuses actives dans le milieu du narcotrafic, selon des sources des services de police. Il n'est toutefois pas possible de quantifier à ce stade le nombre de MENA impliqués dans le narcotrafic.
Cette radicalisation et ce recours aux jeunes MENA et autres dans le cadre du narcotrafic sont particulièrement inquiétants.
Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance du rapport d’Europol? Des contacts ont-ils été noués avec les autorités, police fédérale et magistrature, pour faire le point sur cette situation? Ce recours aux MENA tout particulièrement est-il bien avéré? Dans l’affirmative, des mesures seront-elles prises en concertation avec la commissaire nationale aux drogues et l'Office des étrangers?
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre de la Justice, un rapport d'Europol met en lumière l'utilisation croissante de mineurs, souvent âgés de 13 à 17 ans, dans les réseaux criminels liés au trafic de drogues en Europe. Ces jeunes, parfois recrutés via des messageries éphémères ou des réseaux sociaux sont impliqués dans des activités allant du deal de drogue à l'intimidation et même au meurtre.
En Belgique, les autorités constatent une augmentation de ces cas inquiétants, notamment impliquant des mineurs étrangers non accompagnés (MENA), qui, sans attaches locales, deviennent des cibles idéales pour les organisations criminelles.
Les jeunes sont attirés par des gains rapides et échappent souvent à des poursuites graves en raison de leur statut de mineurs. Trompés par des promesses d'un avenir meilleur, ils deviennent des victimes de traite humaine avant d'être intégrés dans les réseaux criminels.
Mes questions sont les suivantes. Quelle est la lecture du ministre face au rapport d'EUROPOL? Quelle est son analyse compte tenu des défis judiciaires que celui-ci met en évidence dans notre pays? Qu'en est-il compte tenu du régime juridique s'appliquant aux mineurs en Belgique? Le ministre peut-il nous éclairer sur les mesures judiciaires et éducatives applicables aux mineurs impliqués dans des actes graves, comme des homicides liés au trafic de drogue? Quelle coopération existe actuellement avec d'autres pays européens, notamment la France et la Suède, pour lutter contre ce phénomène transfrontalier? Compte tenu du caractère confidentiel, le ministre est-il en mesure de nous dire si des enquêtes ou des initiatives spécifiques sont en cours pour démanteler les réseaux impliqués dans la traite des MENA à des fins criminelles? Quelles sont les aires de collaboration avec votre homologue au ministère de l'Intérieur?
Paul Van Tigchelt:
Chers collègues, j'ai pris connaissance de ce rapport d'Europol. Ce n'est pas une surprise, nous avons en effet des contacts privilégiés avec Europol. Le risque de récupération des jeunes, notamment des mineurs non accompagnés, par des milieux criminels est effectivement réel. Nous l'avons lu dans ce rapport mais nous le voyons aussi dans la pratique de nos enquêtes au niveau belge. À Bruxelles et à Anvers, beaucoup de jeunes, parfois aussi des MENA, sont utilisés par des réseaux criminels. Donc en matière d'exploitation de mineurs et surtout de criminalité forcée de MENA, il y a sans doute une sous-estimation du phénomène.
Que fait notre pays? Le bureau de la cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains est géré et organisé au sein du SPF Justice. Ce bureau a déjà réuni beaucoup de partenaires – entre autres Child Focus, la police fédérale, Fedasil, etc. – autour de cette question. Ces discussions ont notamment conduit à la création, par la direction de la criminalité organisée de la police judiciaire fédérale, du projet task force youth trafficking . Son objectif est de cibler les diverses formes d'exploitation, dont celle de MENA, dans le cadre de la criminalité forcée selon une approche multidisciplinaire, à laquelle le bureau susmentionné devrait être associé. Dans ce cadre, une réunion est planifiée au début de l'année prochaine avec le procureur général de Bruxelles qui traite des matières pénales liées à la jeunesse pour le Collège des procureurs généraux. Parallèlement à cela, la PJF de Bruxelles prend l'initiative d'un projet MENA sur son arrondissement. La DJSOC, la direction qui traite de la criminalité organisée, envisage un rapprochement entre ces projets. Une réunion de coordination est prévue.
Le droit sanctionnel de la jeunesse ou de la délinquance juvénile relève de la compétence des Communautés; celles-ci déterminent les mesures que le juge de la jeunesse peut imposer et sont responsables de leur mise en œuvre.
Concernant les MENA, les services de police signalent toutes les interceptions de mineurs étrangers non accompagnés à l'Office des étrangers et au Service des Tutelles du SPF Justice. Dans le cas de MENA impliqués dans le trafic de drogue – ce qui par rapport au nombre de MENA n'est pas si courant –, le Service des Tutelles désigne immédiatement un tuteur et contacte un centre d'accueil spécialisé dans l'accompagnement de victimes de traite des êtres humains, tel que Esperanto.
En ce qui concerne la coopération avec d'autres pays européens, on peut citer le projet EMPACT, le plan d'action européen qui vise à lutter contre l'exploitation des mineurs et la contrainte à la délinquance des MENA. Ce plan implique 25 pays européens et non-membres de l'Union.
D'ici la fin de l'année, la Direction de la lutte contre la criminalité grave et organisée (DJSOC) entrera en contact avec des magistrats et policiers spécialistes de la problématique dans la région de Marseille. En effet, cette ville est particulièrement impactée par les activités criminelles des MENA au même titre que Paris avec qui ils ont déjà eu des contacts. L'objectif est, dans un premier temps, de tenter d'établir un échange des connaissances et des bonnes pratiques dans l'approche des MENA.
Par ailleurs, le commissariat national drogue établira des contacts avec les autorités suédoises car il souhaite examiner le plan d'action contre la violence utilisée par les organisations criminelles, la manière dont les jeunes y sont impliqués et voir si cela fonctionne. Personnellement, j'ai déjà eu des contacts avec les services et le ministre suédois. La Suède est confrontée à de nombreux problèmes de violence liée à la criminalité et commise par des jeunes.
Selon les informations relayées par la presse suédoise, lorsque les peines pour les adultes se sont durcies, les autorités suédoises ont constaté que les organisations criminelles ont recruté davantage de mineurs.
Enfin, je peux confirmer que des enquêtes sont menées en vue de démanteler les réseaux impliqués dans la traite des MENA à des fins criminelles. Il peut être référé à la problématique des MENA afghans à Anvers, dans laquelle des peines très sévères ont été récemment prononcées – peut-être l'avez-vous lu dans la presse.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète et pour ce que vous mettez en place, notamment cette task force .
Les MENA sont un public fragile que je connais bien car j’ai travaillé avec eux. Ils sont là pour peu de temps, la Belgique n’étant parfois qu’une étape dans un long périple. Vu leur fragilité, ils sont particulièrement exposés aux actes de narcotrafiquants sans vergogne.
On voit combien, dans d’autres endroits, dans d’autres villes européennes et dans le monde, ils sont utilisés comme "chair à canon" par les narcotrafiquants, parce qu’ils sont faciles à recruter, à la fois comme dealers, comme exécutants, mais aussi comme consommateurs, puisque c’est également un public fragile en matière de consommation de stupéfiants, vu leur absence de perspective.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Ce que j’apprécie chez vous, c’est que vos réponses sont généralement extrêmement complètes et détaillées et permettent de faire le point sur le dossier, mais aussi d’imaginer le suivi. Comme M. De Smet, je considère que ce problème est vraiment inquiétant. De plus, il touche les plus faibles dans la société, les plus faibles des plus faibles. Je crois que nous nous honorerions à également mettre ce dossier à l’agenda européen.
De toenemende concurrentie op de telecommarkt door de komst van DIGI
Gesteld door
Gesteld aan
Petra De Sutter (Minister van Overheidsbedrijven en Ambtenarenzaken)
op 12 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister De Sutter bevestigt dat de komst van vierde telecomspeler DIGI (via 5G-veiling en marktopenbreking) de prijzen drastisch verlaagde—een overwinning voor consumenten en concurrentie, na jarenlange lobbyhegemonie van Proximus/Telenet. Van Quickenborne dringt aan op versnelde uitrol van vast internet via *duct access* (gedeelde kabelgoten) om herhaalde straatwerken en infrastructuurmonopolies te vermijden, wat De Sutter oppikt door een centrale databank voor transparante toegang en BIPT-bemiddeling bij conflicten voor te stellen. De markt reageert al: Orange verlaagde prijzen, Proximus’ beurskoers daalde verder, bewijs dat concurrentie werkt. Beide benadrukken dat betaalbare, snelle digitale toegang (fiber/5G) essentieel is, met minimale hinder—een kans voor België om Europees koploper te worden.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, u hebt het de jongste tijd niet onder de markt als minister van Overheidsbedrijven. De beurskoers van bpost is lager dan de prijs van een postzegel. De beurskoers van Proximus staat op het laagste niveau. U wordt van alle kanten aangevallen, maar u hebt nog supporters.
Ik ben zo'n supporter, toch voor één dossier, met name het openbreken van de telecommarkt. De consumenten in ons land hebben jarenlang veel te veel betaald voor telecom. Dat was zo omdat de telecomlobby de politiek in de klauwen had. Socialisten en christendemocraten reden voor Proximus, nationalisten reden voor Telenet.
Daar hebt u zich niets van aangetrokken. U hebt gezegd: ik ga het zo niet doen, ik ga daarmee breken en ik ga de kans geven aan een vierde speler om actief te worden op de markt. U hebt dat gedaan, het is u gelukt.
Wat stond er in De Tijd ? Een clusterbom in telecomlandschap. De revolutie in telecomlandschap, 5 euro om een maand onbeperkt te bellen en 15 gigabyte. Dat is een derde van de prijs van Proximus, Telenet en Orange. Verder gaat het over 10 euro voor vast internet. Dat is een vijfde van de abonnementsprijs van Telenet en Proximus. Die kosten 50 tot 60 euro.
U hebt het gedaan, het is u gelukt, maar de strijd is nog niet gestreden. Proximus en Telenet doen er namelijk alles aan om te vermijden dat de vierde speler, DIGI, nu ook versneld vast internet kan uitrollen. Daar bestaat nochtans een oplossing voor. In technische termen heet die duct access. In mensentaal betekent dit dat men de kabelgoten openstelt zodat elke operator er data op fibersnelheid kan doorjagen. Als u dat doet, zult u ervoor zorgen dat men niet telkens opnieuw de trottoirs moet openbreken en dat wij bovendien meer concurrentie krijgen, ook als het over de infrastructuur gaat.
Mevrouw de minister, ik heb eigenlijk maar één vraag. Hoe wilt u ervoor zorgen dat door het succes van de vierde speler – dat uw verdienste is, en ook die van Alexander De Croo – alle Belgen binnenkort heel snel vast concurrentieel internet kunnen krijgen?
Petra De Sutter:
Mijnheer Van Quickenborne, ik ben ook tevreden met de komst van de vierde speler. We hebben daar een aantal jaren naartoe gewerkt, denk maar aan de 5G-veiling. Vandaag wordt dit concreet voor de burgers.
We hebben bij de veiling veel vragen gekregen over wat de regering wilde bereiken met het toelaten van die vierde speler. Het antwoord is zeer eenvoudig: de telecomprijzen moesten zakken en dat is gelukt. Dat hebben we niet alleen bereikt door het nieuwe aanbod van DIGI, maar ook omdat andere operatoren daarop zullen reageren en dat zal echt een verschil maken voor onze inwoners.
We hebben veel te lang last gehad van een stabiele, maar weinig concurrentiële telecommarkt. Dat behoort nu tot het verleden. Tegenwoordig gebruiken we steeds meer digitale tools, waardoor betaalbare telecom dus geen luxe is, maar een noodzaak voor iedereen.
Mijnheer Van Quickenborne, zeg nu zelf: als liberaal kunt u een toename van de concurrentie toch alleen maar toejuichen, aangezien dit voor een snellere uitrol van het 5G-netwerk en fiber zal zorgen. Ik ben daar ook voorstander van.
U had het specifiek over het openbreken van voetpaden en straten voor de aanleg van fiberkabels. Dat moet zo veel mogelijk beperkt worden. Ik ben daar zelf ook voorstander van. De bestaande regels bieden operatoren wel wat mogelijkheden om gebruik te maken van elkaars infrastructuur, in dit geval de wachtbuizen of de zogenaamde ducts . Dat is kostenefficiënt en milieuvriendelijk en het zorgt ook voor minimale hinder voor de burger. Gelet op de versnelde uitrol van glasvezelkabels wordt dit een bijzonder relevant onderwerp. Daarom zal ik bij het BIPT navraag doen over hoe de uitrol van glasvezel beter begeleid, gestimuleerd en versneld kan worden. We kunnen mogelijk een centrale databank laten opzetten met informatie over de ducts , waartoe elke operator dan transparant toegang kan krijgen. Dat zal voor een versnelde uitrol zorgen. Bij conflicten moet het BIPT (…)
Vincent Van Quickenborne:
Dank u, mevrouw de minister. Een groene minister die pleit voor de vrije markt, dat is misschien het moderne ecologisme waarnaar Groen op zoek is, maar u ziet onmiddellijk al de reactie op de markt, collega's. Orange, de derde speler, heeft onmiddellijk de prijzen verlaagd. Proximus en Telenet zeggen wel dat ze geen angst hebben, maar kijk maar naar de beurskoers van Proximus, mijnheer Freilich. Die is weer gezakt met 7 %, maar door de concurrentie, en dat is een goede zaak. Mevrouw de minister, de mensen willen inderdaad goede, kwaliteitsvolle producten tegen lage prijzen, en dat zit er nu eindelijk aan te komen in ons land, dankzij de concurrentie, dankzij de vrije markt. Mensen hebben echter ook veel last van hinderlijke werken. De ene week komt Proximus het trottoir openbreken en de week erna Telenet. Dan vragen de mensen zich af hoe dat in godsnaam mogelijk is. De oplossing bestaat. Die zult u aan het BIPT voorleggen. Ik hoop dat het lukt. Op die manier kunnen we met ons land eindelijk tot de top van de telecom in Europa toetreden, want dat is de plaats waar wij horen.
De beslissing om fraudedossiers onder 10.000 euro niet te behandelen bij gebrek aan middelen
Het gebrek aan middelen in de strijd tegen de financiële criminaliteit
De beslissing om in Brussel geen vervolging in te stellen in fraudedossiers onder 10.000 euro
Het Brusselse parket en de door de sectie Ecofin behandelde fraudedossiers
Gebrek aan middelen in vervolging fraudedossiers onder 10.000 euro in Brussel
Gesteld door
Les Engagés
Jean-Luc Crucke
DéFI
François De Smet
MR
Pierre Jadoul
PS
Khalil Aouasti
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 12 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Brusselse gerechtelijke politie en het parket schrappen systematisch fraude- en oplichtingsdossiers onder €10.000 door capaciteitstekort, wat slachtoffers het gevoel geeft dat er sprake is van tweederangsjustitie en klassenjustitie. Kritiekpunten zijn het prioriteren van zware criminaliteit (drugs, geweld) ten koste van "kleine" misdrijven—inclusief huiselijk geweld—en het chronisch onderfinancieren van justitie en politie, ondanks recente versterkingen (13 extra magistraten, 20 juristen, 272 onderzoekers). Minister Van Tigchelt wijst op technologische oplossingen (AI, digitale aangifte) en extra middelen, maar verwierpt een gespecialiseerd financieel parket (naar Frans model), terwijl oppositie structurele onderinvestering aanhoudend aanwijst als oorzaak van impuniteit, vertrouensverlies en gemiste inkomsten (kleine fraudes stapelen zich op). De toekomstige regering moet dringend slimmere investeringen doen, maar de actuele maatregelen volstaan niet om het tij te keren.
Jean-Luc Crucke:
"À la suite d'un échange avec la police judiciaire fédérale de Bruxelles, je souhaite vous informer que cette dernière ne dispose pas de la capacité d'enquête nécessaire pour mener des devoirs d'investigation dans ce dossier".
C'est la surprenante et désagréable missive qu'ont reçue des citoyens et/ou leurs avocats soumis au parquet de Bruxelles ou à la police judiciaire de Bruxelles pour leur dire tout simplement que, nonobstant le dommage qu'ils avaient encouru dans un dossier, il n'y aurait non seulement pas de suite donnée, pas d'enquête effectuée, mais que ce serait purement et simplement à oublier.
Monsieur le ministre de la Justice, il est évident que face à ce genre de courrier, nous pouvons percevoir l'émoi de personnes pour qui – puisqu'on parle de dossiers de moins de 10 000 euros – 10 000 euros, c'est quasiment le bout du monde, c'est toute leur fortune. Et ceux à qui on dit d'oublier se demandent dans quel État ils se trouvent.
Comment, en tant que ministre de la Justice, réagissez-vous à cela? Comment, lorsque vous êtes mis au courant de ces faits, prenez-vous les mesures pour dire que c'est une justice à deux vitesses? Je crois que nous en sommes là.
Nous savons que la Justice manque de moyens. Mais quand on commence à faire du tri en disant qu'il y a des petites et des grandes délinquances, avec des montants comme critère discriminant, je crois que cela ouvre la porte à tous les abus et surtout que ceux qui ont été abusés ne pourront pas retrouver la confiance dans la Justice.
François De Smet:
"À la suite d'un échange avec la police judiciaire fédérale de Bruxelles, je souhaite vous informer que cette dernière ne dispose pas de la capacité d'enquête nécessaire pour mener des devoirs d'investigation dans ce dossier". Ce message, monsieur le ministre, se retrouve dans de nombreux procès-verbaux et d'autres pièces judiciaires que des justiciables reçoivent.
C'est ainsi que l'on apprend par voie de presse que, par exemple, les dossiers de fraude financière et d'escroquerie en dessous de 10 000 euros ne sont tout simplement plus traités. Comment cela est-il possible dans un État de droit? Comment est-il possible que des commissions de pondération – je ne les critique pas, elles sont apparemment désormais indispensables – soient contraintes de faire des choix de plus en plus impossibles?
Je suis le premier à dire que des dossiers comme le narcotrafic ou la lutte contre les fusillades demandent des moyens exceptionnels. Mais, quand cela se fait au détriment de dossiers tels que ces dossiers d'escroquerie mais aussi de violences intrafamiliales, nous avons un véritable problème qui, à mon avis, ruine le crédit de la justice elle-même chez les justiciables. Bien sûr, des refinancements ont été lancés. Mais, le résultat est là: il y a actuellement des infractions qui ne sont tout simplement pas poursuivies du tout.
Ensuite, il faut se préoccuper de l'état de la police judiciaire fédérale, qui a besoin de renforts. Elle a, aussi, particulièrement besoin de spécialisation. Dans les domaines de la criminalité financière, qui sont de plus en plus sophistiqués, on a besoin d'expertise de plus en plus forte. Je me permets ici de prêcher à nouveau dans un désert – en ce compris celui de l'Arizona, où pour l'instant rien ne pousse – en faveur d'un parquet national financier, parce que nous allons avoir besoin, demain, d'une structure qui soit autonome, multidisciplinaire et qui permette de combattre ce fléau.
Monsieur le ministre, comment allez-vous réagir à ce nouvel appel au secours de magistrats et de policiers qui ne parviennent plus à rendre justice sans devoir choisir leurs combats et abandonner certains justiciables?
Pierre Jadoul:
Monsieur le ministre, je ferai l'économie de vous lire pour une troisième fois la phrase du courrier reçu par un certain nombre de justiciables. Mais je ne peux pas manquer de m'associer à l'émoi de mes collègues.
Un cas pratique: la semaine dernière, ma collaboratrice au barreau a reçu une pensionnée qui s'était fait dévaliser par un vendeur de vin, lequel était parvenu à lui soutirer 4 000 euros en vingt minutes de visite à domicile. Malheureusement, je déduis de ce que j'apprends dans la presse que tout espoir est perdu et que mieux vaut épargner à cette justiciable des frais et honoraires d'avocats, qui seront exposés en pure perte puisque, de toute façon, cela n'aboutira à rien.
Monsieur le ministre, je m'inquiète de la déliquescence de la justice dans notre pays, et particulièrement en Région de Bruxelles-Capitale. Il y a là une évolution désastreuse, qui crée à la fois un sentiment d'impunité dans le chef d'un certain nombre d'auteurs de faits et un sentiment d'injustice et de désolation dans le chef de la majorité de nos concitoyens.
Monsieur le ministre, confirmez-vous l'information communiquée par voie de presse, selon laquelle les affaires d’escroquerie ou de fraude financière pour des montants inférieurs à 10 000 euros ne sont plus traitées aujourd'hui à Bruxelles? Quelles mesures envisagez-vous de prendre pour tenter de remédier à cette situation?
Je sais qu'il y a des problèmes de recrutement au niveau de la police judiciaire de Bruxelles. Avez-vous des contacts avec votre collègue de l'Intérieur afin de renforcer l'attractivité de la profession, particulièrement dans la capitale?
Khalil Aouasti:
Monsieur le ministre, chers collègues, 10 000 euros! C'est la somme en dessous de laquelle la police et le parquet, par manque de moyens, ne traitent plus les dossiers de fraude financière. Or une fraude de moins de 10 000 euros, c'est quoi, monsieur le ministre de la Justice? Cela peut être 650 euros prélevés sur le compte d'un particulier suite à un vol de carte et, pour certains, 650 euros représentent le montant des courses pour un mois, des cadeaux de fin d'année, des inscriptions à des clubs de sport pour leurs enfants. Ce sont aussi des fraudes aux factures de gaz, d'eau ou d'électricité qui sont payées sur des faux comptes et qui endettent les ménages.
Monsieur le ministre, la situation a été décrite par mes collègues. Je n'ose imaginer le sentiment des victimes quand elles découvrent que la justice et la police ne leur apporteront ni aide ni protection. Voici bientôt trois ans, nous apprenions un classement des dossiers en trois catégories, par manque de moyens. Aujourd'hui, on ne se contente plus de hiérarchiser les dossiers. On ne les poursuit tout simplement plus.
Ce manque de moyens semble toucher tous les services dès lors que l'on apprend, pour un montant qui approche plus le million d'euros que les 10 000 euros, que le parquet fédéral, sous le ministère de votre prédécesseur, M. Van Quickenborne, a mis plus d'un an et demi pour initier l'enquête sur le blanchiment d'argent présumé de M. Reynders.
Monsieur le ministre, les prisons sont dans état de délabrement. La police judiciaire fédérale et les parquets n'ont plus la capacité de remplir leurs missions. La justice dysfonctionne en raison d'un sous-financement chronique et, aujourd'hui, à travers la fraude fiscale et le blanchiment d'argent, on laisse échapper des moyens essentiels à la solidarité et au fonctionnement de l'État. C'est le bilan! C'est le vôtre et c'est celui de votre prédécesseur en ne répondant pas aux appels incessants du monde judiciaire. (M. Van Quickenborne applaudit.)
Monsieur Van Quickenborne, ce n'est pas drôle!
Monsieur le ministre, les efforts consentis demeurent largement insuffisants. Les alertes proviennent de tous les secteurs: magistrats, policiers, avocats, agents pénitentiaires, directeurs de prison, etc. Quand allez-vous enfin prendre la mesure de la problématique et quelle réponse forte allez-vous donner?
Voorzitter:
Je vous remercie, monsieur Aouasti. Monsieur le ministre, vous disposez de cinq minutes pour répondre.
Paul Van Tigchelt:
Chers collègues, on ne peut accepter l'impunité dans la lutte contre la fraude fiscale. Mais la question est: comment réaliser cela? Je vous donne d'abord quelques faits. Il faut continuer dans cette lutte. Hier, l'arrêté de désignation du nouveau procureur de Bruxelles a été enfin publié. En effet, pendant des années, le parquet de Bruxelles n'a pas eu de procureur à part entière. La modification de la loi nécessaire pour le faire, depuis 2014, a finalement été adoptée ici il y a quelques mois. Le résultat est là: un nouveau procureur est là.
Mais, chers collègues, ce n'est pas tout. Du personnel supplémentaire a également été mis à la disposition du parquet de Bruxelles. Depuis octobre 2023, 13 magistrats supplémentaires et 20 juristes supplémentaires ont été ajoutés. La police judiciaire fédérale et les enquêteurs spécialisés ont également été renforcés par des spécialistes. En néerlandais, on dit des zij-instromers .
Il y a, depuis le début de la législature, 272 enquêteurs supplémentaires, sans oublier les équipes d'enquête multidisciplinaires, les MOTEM, que l'on a créées sous cette législature, composées de contrôleurs fiscaux et de policiers pour lutter contre la fraude fiscale organisée, en collaboration avec le parquet européen, l'EPPO, que l'on a aussi créé. Ces MOTEM ont déjà obtenu des résultats remarquables. Ces renforts étaient nécessaires car la criminalité organisée, la violence, la fraude fiscale, le cybercrime et le phishing et les autres défis dans notre capitale sont importants. Il est clair, chers collègues, que le prochain gouvernement devra également investir pour soutenir nos services dans cette lutte.
Mais la question qui se pose est de savoir comment. Comment faut-il continuer cette lutte? Je pense que vous connaissez mon opinion, messieurs Aouasti et Jadoul. Je pense qu'investir dans un parquet à part pour la fraude fiscale, ce n'est pas un investissement intelligent parce que cela voudrait dire que l'on va encore une fois investir dans une nouvelle structure, un nouvel organe, alors que nous avons déjà le parquet fédéral, doté d'une compétence nationale et d'une section financière.
Nous pourrions libérer des fonds pour recruter encore plus de personnel et d'agents de police dans notre pays. Nous en avons déjà aujourd'hui 51 000. Nous pourrions investir en vue de recruter encore plus de magistrats et de personnel judiciaire. Cependant, si vous me demandez mon avis, et c'est ce que vous faites, je pense qu'il faut investir plus intelligemment, en l'occurrence dans la technologie. En effet, celle-ci peut prévenir de nombreuses infractions dans le domaine du phishing . L'intelligence artificielle peut ainsi détecter et bloquer les transactions bancaires frauduleuses avant même que le mal ne soit fait.
Les victimes d'escroquerie doivent immédiatement pouvoir porter plainte auprès d'un poste de police numérique qui soit toujours accessible. Ce n'est pas le cas aujourd'hui. Or non seulement leur plainte serait toujours traitée directement, mais de plus les enquêteurs virtuels – et ce n'est pas le futur, puisque c'est déjà possible – pourraient immédiatement faire le nécessaire pour bloquer les comptes concernés ou encore rassembler toutes les informations pour la justice.
Nous avons déjà développé des applications, les power apps , au cours des dernières années. Il faut aller plus loin. Bien entendu, chers collègues, il ne s'agit pas là d'une technologie visant à remplacer les gens mais bien d'un outil permettant d'alléger leur charge de travail afin que les policiers puissent se concentrer sur des tâches plus utiles. C'est à cette fin qu'il convient de trouver des réponses, car ce sont des investissements intelligents au bénéfice de nos concitoyens. Je vous remercie de votre attention.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse, mais je vois une contradiction dans ce que vous dites.
Je partage votre avis quant à la nécessité d'investissements en termes d'intelligence artificielle, mais il en faut également en termes humains. En tant que libéral, vous devriez savoir que les investissements peuvent rapporter. Dans ce cas-ci, on ne va plus chercher en dessous de 10 000 euros. On dit souvent que les petits ruisseaux font les grandes rivières. En vous privant de ces recettes, vous privez finalement l'efficacité de la justice de recettes dont elle aurait besoin.
Pour moi, il existe un lien entre un criminel et un consommateur. Le consommateur va toujours aller chercher le prix le moins élevé tandis que le criminel va chercher là où il paye le moins. Aujourd'hui, le signal a été donné à Bruxelles qu'ils ne paieront plus du tout!
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.
Je soulignerai d'abord que toute petite affaire non suivie d'actions a un effet désastreux pour l'image de la justice et de notre démocratie. Je rappelle que toutes les affaires ne sont pas financières. Il y en a qui concernent des violences intrafamiliales par exemple. Il faut donc aussi traiter les petites affaires.
Ensuite, je souhaiterais confirmer qu'il y a bien une logique d'investissement mais nous sommes en désaccord sur cette histoire de parquet national financier. Après l'affaire Cahuzac, célèbre ministre des Finances qui avait un compte secret caché en Suisse, la France a créé un parquet national financier, qui était simplement plus autonome, plus armé, avec de grands moyens et qui leur rapporte aujourd'hui des milliards.
Je constate que nous ne sommes pas capables d'aller chercher des milliards aujourd'hui. Or, à mon avis, avec un tel outil, nous serions capables de le faire demain. Cette proposition est portée notamment par l'ex-juge d'instruction Michel Claise, membre de DéFI. J'encourage vraiment la future majorité Arizona à s'en inspirer parce que là, il y a des moyens à aller chercher.
Pierre Jadoul:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour les éléments de réponse que vous communiquez.
Je voudrais souligner plusieurs choses. Je pense que ma formation politique a été particulièrement présente pour tenter de débloquer la question de la nomination d'un procureur du Roi à Bruxelles; je me réjouis que ce dossier ait enfin pu aboutir et que sa contribution ait été déterminante. Je forme le vœu que son arrivée sera l'occasion de maintenir au sein du parquet de Bruxelles un certain nombre d'acteurs qui sont aujourd'hui lassés voire dégoûtés. Et si tous les dégoûtés s'en vont, je crains que la situation ne soit pas de nature à s'améliorer.
Pour le reste, je vous rejoins totalement sur la volonté de ne pas créer une structure spécifique. En effet, je pense que le fonctionnement judiciaire actuel a montré ses limites dans la mesure où nous avons mis en place un certain nombre de collèges qui génèrent des charges de travail qui sont démesurées par rapport aux résultats qu'elles produisent.
Voorzitter:
Merci, cher collègue. Je tiens à préciser qu'il s'agissait ici de la première question posée par le collègue Jadoul. (Applaudissements)
Khalil Aouasti:
Monsieur le ministre, j'ai envie de citer Pascal, qui disait: "Ne pouvant fortifier la justice, on a justifié la force." Voici un an, auprès des dix-neuf bourgmestres bruxellois, vous vous étiez déjà engagé à renforcer considérablement les moyens dans la justice et la police. Certes, des efforts ont été réalisés. Un procureur du Roi a enfin été désigné à Bruxelles mais ces efforts demeurent aujourd'hui insuffisants – il faut pouvoir le dire.
À travers cette insuffisance, c'est la justice de classe qui est mise en question et derrière elle, le fait de ne pas poursuivre des dossiers à moins de 10 000 euros. C'est l'injustice de classe qui demeure et qui règne. À force de ne pas fortifier la justice, on décide de justifier la force.
Monsieur le ministre, la confiance dans l'institution judiciaire est nécessaire pour permettre à nos citoyens de maintenir cette confiance en l' é tat. Il faut donc mettre les moyens le plus rapidement possible, conformément à vos engagements, dans la police et dans la justice.
Voorzitter:
Je clôture cette session de questions d'actualité.
Het toenemende drugsgeweld
De zoveelste nachtelijke ontploffing in Antwerpen en het escalerende drugsgeweld
De bomaanslag op een supermarkt in Antwerpen
Drugsgerelateerd geweld en aanslagen in Antwerpen
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 4 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Na twee recente drugsgerelateerde aanslagen in Antwerpen (explosie bij een woning en benzinebommen in een Colruyt) dringt Ortwin Depoortere aan op versterkte repressie en coördinatie, met meer middelen voor politie (FGP), DOVO en een nationaal drugsplan om de versnipperde lokale/plannen (bv. Stroomplan Antwerpen) te bundelen, en benadrukt hij dat drugs illegaal moeten blijven. Minister Verlinden wijst op reeds genomen maatregelen (drugscommissariaat, havenbeveiliging, bestuurlijke handhaving, precursorencontroles) en pleit voor een multidisciplinaire aanpak (preventie, repressie, volksgezondheid), maar erkent dat extra budget en tijd nodig zijn, ook voor alternatieve drugssmokkelroutes. Beide onderstrepen de urgentie van betere samenwerking tussen lokale/federale overheden en justitie, zonder zwartepiet-doorspel, terwijl Depoortere een hardere lijn eist tegen drugscriminaliteit en de minister structurele versterking belooft via lopende regeringsonderhandelingen. Conclusie: Drugsgeweld vraagt om een gecoördineerde, repressieve *en* preventieve aanpak, met meer middelen en een centraal sturend plan.
Voorzitter:
Mevrouw Daems laat zich verontschuldigen.
Ortwin Depoortere:
Mevrouw de minister, twee incidenten volgden elkaar kort op. In de nacht van 21 op 22 november was er een explosie tegen de gevel van een woning in het Antwerpse district Deurne. Die zou te maken hebben met de drugsoorlog, volgens de media. Daarnaast was er ook een ophefmakende aanslag waarbij in een winkel van Colruyt benzinebommen werden gegooid. Ook dat doet de politie vermoeden dat het gaat om incidenten in de drugswereld.
Mevrouw de minister, deze feiten volgen elkaar snel op, maar ze worden ook niet gestopt. Ik heb u naar cijfers gevraagd, maar als u mij die op een later tijdstip schriftelijk kunt bezorgen, is dat voor mij ook goed.
Ik wil vooral weten of wij extra ondersteuning bieden aan de lokale politiezones en in het bijzonder aan de lokale politiezone van Antwerpen. Dit deint verder uit naar de omliggende politiezones. Zult u extra personeel inzetten voor de FGP, maar misschien ook middelen voor de ontmijningsdienst DOVO?
We zijn twee keer aan een ramp ontsnapt. Het had veel erger kunnen zijn. In de Colruytwinkel bleef het gelukkig alleen bij materiële schade. Ik denk niet dat we moeten wachten tot er onschuldige dodelijke slachtoffers vallen.
Mevrouw de minister, wat zult u hieraan doen?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Depoortere, we hebben al heel wat gedaan en we weten dat we die strijd moeten voortzetten. Die strijd vereist niet alleen een gerichte aanpak van de meest samenhangende geweldcriminaliteit, maar ook een voortdurende inzet om de onderliggende productie en handel aan te pakken.
De evolutie van het globale drugsfenomeen is verontrustend. Er kan evenwel niet worden ontkend dat er tijdens deze legislatuur beslissingen werden genomen ter versterking van de FGP en de federale politie, waaronder ook de spoorwegpolitie. Ik wijs ook op de oprichting van het havenbeveiligingskorps in de haven van Antwerpen en de creatie van het drugscommissariaat. Die elementen maken ook deel uit van de regeringsonderhandelingen.
Ook werd het zogenaamde drugsfonds gecreëerd, ter ondersteuning van de multidisciplinaire aanpak van het drugsprobleem, met niet alleen aandacht voor bestuurlijke of gerechtelijke handhaving, maar ook voor preventie en de impact op de volksgezondheid.
Het is belangrijk dat wij middelen blijven investeren in onder meer de bescherming van onze logistieke hubs, zoals de haven van Antwerpen, maar ook andere hubs waarlangs drugs ons land worden ingevoerd.
We hebben ook de wet bestuurlijke handhaving goedgekeurd die bijkomende instrumenten geeft aan lokale besturen om de georganiseerde criminaliteit aan te pakken. We hopen ook dat tijdens de nieuwe legislatuur de lokale besturen met die instrumenten aan de slag kunnen gaan.
Tegelijkertijd werden verschillende arrondissementele drugsplannen uitgewerkt om de inspanningen van alle veiligheidsdiensten te verhogen en te coördineren. Ik kan verwijzen naar het Stroomplan in Antwerpen, het Globaal Veiligheids- en Preventieplan in Brussel en het drugsplan van de federale politie, die alle bijdragen aan de strijd tegen drugsgerelateerd geweld. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat de aanpak van de criminaliteit een multidisciplinaire aanpak over alle bevoegdheidsdomeinen en -niveaus heen vergt, waarbij de lokale besturen ook een belangrijke bijdrage kunnen en moeten leveren.
Die initiatieven leveren resultaten op. Dat merken we ook in de vermindering van het aantal inbeslagnames van cocaïne in de haven van Antwerpen. We mogen echter niet naïef zijn. De kans is groot dat ook andere transportmodi worden gebruikt om drugs binnen te brengen.
Die initiatieven, die mijns inziens moeten worden voortgezet en versterkt, vragen tijd en budget. Ik steun dan ook het idee om bepaalde verbeurdverklaarde criminele opbrengsten te gebruiken om de werking van justitie en de federale politie nog beter te financieren.
De statistieken die u vraagt of hebt gevraagd, kan ik moeilijk binnen het beschikbare tijdsbestek ter beschikking stellen. Ik zou u daarom willen verzoeken een schriftelijke vraag in te dienen.
Ik kan u alleszins bevestigen dat de FGP reeds geruime tijd extra inspanningen levert om de strategische beeldvorming rond ernstig drugsgerelateerd geweld te versterken. Dat gebeurt samen met het drugscommissariaat.
De informatie die u vraagt over de aanslag op het warenhuis in Antwerpen maakt het voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek. De magistratuur zou daarover eventueel mededelingen kunnen doen, wanneer ze dat gepast zou achten.
Inzake DOVO moet ik u melden dat de dienst onder de bevoegdheid van mijn collega-minister van Defensie valt. Mogelijk moeten we bekijken op welke manier we een en ander in de toekomst kunnen uitbreiden. Dat valt echter binnen haar bevoegdheid.
Om de productie en het gebruik van zelfgemaakte explosieven te voorkomen, kan ik u melden dat één manier om homemade explosives te maken, het gebruik van precursoren is. Teneinde de vervaardiging van zelfgemaakte explosieven met dergelijke precursoren te voorkomen, zijn handelsondernemingen verplicht het nationaal contactpunt van de federale politie in kennis te stellen van alle informatie over verdachte handelingen, diefstallen en niet-traceerbare verdwijningen van precursoren. Ze zijn opgenomen in lijsten als bijlage van een EU-Verordening uit 2019. Bovendien is het niet toegestaan voor particulieren om dergelijke precursoren te kopen, in het bezit te hebben of het land binnen te brengen.
Dat is echter niet de enige mogelijkheid om explosieven te vervaardigen. Er kunnen ook andere materialen worden gebruikt door criminelen, zoals pyrotechnische producten. Ondanks de Belgische wetgeving zijn die producten verkrijgbaar in andere landen en op het internet, waardoor ze bijzonder moeilijk te controleren zijn.
Ortwin Depoortere:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat de cijfers betreft, ik had in mijn vraagstelling al gezegd dat ik daarover een schriftelijke vraag zou indienen. Dat zal het inderdaad gemakkelijker maken om hierover te debatteren in de commissie.
Ik heb twee zaken genoteerd waaraan ik belang hecht. Ten eerste, u had het over de multidisciplinaire aanpak. Ik volg u daarin, zeker als het gaat over preventie, maar ik volg ook de redenering dat de beste preventie is om drugs uit de legaliteit te halen. Wij moeten geen pleidooi houden om drugs te decriminaliseren. Integendeel, wij moeten drugs in de illegaliteit houden. Ook drugsgebruikers hebben een heel grote verantwoordelijkheid wanneer het gaat over de strijd tegen de drugshandelaars. Ik hoop dat u die mening deelt.
Ten tweede, wat betreft de multidisciplinaire aanpak, ik hoor u graag spreken over preventie en repressie, maar van dat laatste moet meer werk worden gemaakt. Het is niet enkel de taak van de politiediensten, maar ook van de parketten en van DOVO, binnen de bevoegdheden van Defensie. De aanstelling van een nationale drugscommissaris was een stapje in de goede richting, maar we zijn al zover gevorderd in deze drugsoorlog en in de strijd daartegen dat we echt op nationaal niveau een globaal drugsplan moeten maken.
U geeft een hele opsomming van alle drugsplannen die er bestaan, van het Stroomplan in Antwerpen tot het Kanaalplan in Brussel en tot een drugsplan van de federale politie. Misschien is het hoog tijd om allemaal samen aan één zeel te trekken en een groot globaal drugsplan te maken. We kunnen daar zeker nog stappen vooruit zetten. Nu heb ik soms de indruk dat men de zwartepiet doorspeelt, zeker in Antwerpen. Als er daar iets gebeurt, wijst men met de vinger naar het federale niveau, want Antwerpen kan het niet meer aan. Omgekeerd wordt er soms ook gezegd dat het in de eerste plaats de taak van een lokale politiezone is. Aan dat soort zwartepieten heeft niemand een boodschap, zeker de bevolking niet. We moeten meer doen om die strijd beter te coördineren en dat moet worden gedaan door de minister van Binnenlandse Zaken in een volgende regering.
Voorzitter:
Vraag nr. 56001066C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag.
Het promoten van fossiele energie door de CEO van de COP29
De berichtgeving rond de hoofddirecteur van de COP29 in Azerbeidzjan
De COP29
De resultaten van de COP29 in Bakoe
De gemengde balans van de COP29
De balans van de COP29
De klimaatonderhandelingen en de balans van de COP29
COP29, klimaatonderhandelingen en controverses in Azerbeidzjan
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 3 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De COP29 in Azerbeidzjan leverde een minimaal akkoord op, met als belangrijkste resultaat een klimaatfinancieringsdoelstelling van 300 miljard dollar per jaar tegen 2035 (ver onder de gevraagde 1.300 miljard), waarbij ontwikkelde landen het voortouw nemen maar private en multilaterale fondsen meetellen. Concrete afspraken over fossiele brandstoffen ontbraken, en de opvolging van eerdere klimaatbeloftes (zoals de *global stocktake*) werd doorgeschoven naar COP30 in Brazilië, wat teleurstelling wekte bij kwetsbare landen en klimaatactivisten. België, dat binnen de EU-onderhandelingspositie bleef, benadrukte adaptatiefinanciering en pleitte voor een uitbreiding van de groep financierende landen (bv. China, India), maar nam geen nieuwe bindende engagementen aan. De Belgische delegatie (140+ personen, inclusief maatschappelijke actoren) volgde de traditie van open toegang voor NGO’s en bedrijven (zonder overheidsfinanciering), terwijl de kostenefficiëntie en toegevoegde waarde van het Klimaatcentrum (onder SPF Wetenschap) ter discussie bleven. Critici wijzen op het falend multilateraal klimaatbeleid door geopolitieke spanningen (bv. VS/Trump, olielobby’s als Azerbeidzjan) en het ontbreken van urgentie, terwijl de minister de COP als noodzakelijk maar onvoldoende typeert en pleit voor sterkere diplomatieke allianties en integratie van klimaat in andere beleidsdomeinen (handel, veiligheid). De toekomstige Belgische klimaatplannen (bv. PNEC-updates) hangen af van interne onderhandelingen (met name Vlaanderen) en een dreigende EU-inbreukprocedure voor te late indiening.
Voorzitter:
Collega's, vandaag zijn twee sessies met de minister ingepland. Eerst houden we een gedachtewisseling over de COP. Enkele leden hebben daarover ook vragen ingediend. Ik stel voor dat de vragen in de tussenkomsten verwerkt worden. Het woord is eerst aan de commissieleden, vervolgens zal de minister antwoorden en daarna krijgen de leden het woord voor hun repliek. Na de gedachtewisseling staan nog enkele specifieke mondelinge vragen op de agenda.
Bert Wollants:
Mijnheer de voorzitter, geeft de minister geen inleiding?
Voorzitter:
Neen, we hebben het bericht gekregen dat eerst de commissieleden het woord kunnen krijgen. Vervolgens zal de minister antwoorden.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, over de COP29, ondertussen achter de rug, hebben we verschillende echo's ontvangen, in zowel goede als slechte zin. Er zijn wel wat speciale uitspraken gevallen. Als gevolg daarvan hebben enkele regeringsleiders aangekondigd of gezegd dat zij het niet zien zitten om er onder dat gesternte aan deel te nemen. Tegelijkertijd luidt de vraag wat er dan wel concreet uit gekomen is, in totaliteit voor de COP zelf, maar ook specifiek voor België. Hebt u al dan niet met collega's specifieke engagementen opgenomen? Wat houden die engagementen dan in voor de federale overheid? Waarin moeten die worden vertaald?
In het verleden zijn er twijfels gerezen over de delegatie die wij telkens naar die COP's sturen, met de vraag of die misschien wat meer soberheid zou kunnen verdragen. Kunt u dat nader toelichten? Hoe groot was de delegatie die we naar de COP hebben gestuurd? Welk was het aandeel van de federale administratie in kabinetten op dat vlak? Op welke manier is dat ingevuld? Welke kostprijs staat daartegenover?
Specifiek aangaande deze COP vraag ik me af welke de gevolgen zijn. Heeft dit land, zoals in het verleden telkens gebeurd is, op bepaalde thema's in het bijzonder gewogen of een meerwaarde gehad tijdens de COP zelf in het ondernemen van bepaalde acties of in de voorbereiding van bepaalde akkoorden met landen?
In het verleden is al aangegeven dat onze contacten met bepaalde landen in Afrika ervoor zorgen dat wij sommige zaken soms gemakkelijker bespreekbaar kunnen maken. Was dat in dit geval ook zo? Hoe is dat verlopen?
In de marge van de COP heeft het voormalige hoofd van het Klimaatcentrum, mevrouw Trouet, een aantal opmerkelijke uitspraken gedaan. In haar opiniestuk deed zij onder meer uitspraken als: "Ik heb het u gezegd, maar u hebt uw schouders opgehaald. Trek uw plan, het zijn uw kinderen, bescherm ze zelf." Ik meen dat dat ongeveer was wat zij daar naar voren heeft geschoven.
De vraag is natuurlijk of het Klimaatcentrum, dat ongetwijfeld een rol heeft gespeeld in de voorbereidingen van de standpunten die België ingenomen heeft op de COP, nu geëvalueerd moet worden. Ik vraag me af, mevrouw de minister, hoe u de uitspraken van mevrouw Trouet nu beoordeelt. Hoe kijkt u daarnaar, in het algemeen?
We weten dat het Klimaatcentrum ondertussen al een tweetal jaren bestaat. Kunt u aangeven of dit kenniscentrum heeft bijgedragen aan het federale beleid op dat vlak? Heeft het bepaalde nieuwe elementen aangebracht waarop het federale beleid zich in de toekomst kan richten?
Eigenlijk komt het erop neer wat de toegevoegde waarde van het Klimaatcentrum was in het kader van deze COP. We weten immers dat de klimaatbevoegdheden grotendeels elders liggen, onder andere bij Europa en bij de gewesten. Het is dus belangrijk te weten waartoe de middelen die in het Klimaatcentrum zijn geïnvesteerd geleid hebben.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, ik kan me voorstellen dat u als ecologiste niet tevreden bent met de uitkomst van de COP29. U sprak in de pers over een gemengd bilan. Dat is vrij optimistisch. Mevrouw Van der Straeten, toch ook een ecologiste, is niet tevreden over deze COP. Ik citeer uit haar antwoord daaromtrent aan mij: "Deze COP werd niet met engagement en ambitie gemodereerd door het voorzitterschap. Daardoor werd er een teleurstellend resultaat naar voren gebracht."
Enkele dagen voor de COP en in het begin van de COP waren er een paar opmerkelijke uitspraken en acties. Er was de berichtgeving over de hoofddirecteur van de COP29, die blijkbaar zijn rol als bestuurslid van het staatsbedrijf voor olie en gas van Azerbeidzjan een beetje zou hebben misbruikt om een bijeenkomst te regelen voor het bespreken van potentiële deals over fossiele brandstoffen, nieuwe olie- en gasvelden.
In het verlengde was er de ondertussen beroemd geworden uitspraak the gift of God, door de president van Azerbeidzjan. Hij stelde dat Azerbeidzjan echt een land van fossiele brandstoffen is en dat het ook van plan is om dat te blijven en om zijn rijkdom, the gift of God – in het geval van Azerbeidzjan zal het dan over Allah gaan – verder te vermarkten. Al wil Azerbeidzjan wel een beetje vergroenen. Men wordt dan meegesleurd – u misschien ook, mevrouw de ministe – naar wat velden met zonnepanelen. Op die manier wil men dan een beeld creëren van Azerbeidzjan als land in de ban van de groene transitie, zoals zovele landen.
Hoe reageert u op de berichtgeving over de hoofddirecteur en op de zogenaamde gift from God ? Meent u dat de huidige deontologische gedragscodes voor ambtenaren en functionarissen binnen de COP's afdoende zijn? Hebt u dat binnen de EU aangekaart? België zit immers op zo'n COP ingekapseld in EU-verband.
Minister Van der Straeten zei ook dat het gastland de COP onvoldoende heeft voorbereid. Wij weten – u hebt dat zelf op een vraag van mij geantwoord – waarom Azerbeidzjan uiteindelijk het gastland was. U hebt de procedure binnen de Verenigde Naties, zonder interferentie van andere landen, toegelicht.
Ik ga even in op de resultaten zelf. De ontwikkelde landen engageren zich rond klimaatfinanciering om tegen 2035 met minstens 300 miljard dollar over de brug te komen om de ontwikkelingslanden bij te staan om hun uitstoot van broeikasgassen te reduceren en zich aan te passen aan de gevolgen van de klimaatverandering. In de aangenomen tekst staat dat de ontwikkelde landen de leiding nemen om dat bedrag bijeen te krijgen. Daarvoor mag naast publiek geld echter ook naar privaat geld en alternatieve financieringsbronnen worden gekeken. Ook het geld dat via de multilaterale ontwikkelingsbanken wordt gemobiliseerd, mag worden meegerekend.
De ontwikkelingslanden worden op hun beurt aangemoedigd om bij te dragen, zij het louter op vrijwillige basis. Ik heb begrepen dat wij bijvoorbeeld China, dat nog altijd een vervuiler is, en India nog altijd vriendelijk moeten vragen om hun deel te doen. Dat was ook een beetje de reactie van Vlaams minister Depraetere. Zij getuigde toch van een zekere realiteitszin toen ze in Bakoe stelde dat de meest vervuilende landen die nu aan het boomen zijn wat hun CO 2 -uitstoot betreft – ik blijf herhalen dat dat niet over de EU gaat, maar over China en India –, hun deel moeten doen. Dat komt uit onverdachte bron. Het is mevrouw Depraetere die dat heeft verklaard in Bakoe.
Tegen de COP30, die zal plaatsvinden in Belém in Brazilië, wordt een roadmap gelanceerd om de klimaatfinanciering op te schalen, onder meer door giften, concessionele en niet-schuldcreërende instrumenten. Er werd daarop heel lauw gereageerd door onder andere de Afrikaanse landen. Er was heel wat ongenoegen.
Een ander punt is de opvolging van de global stocktake en het historische akkoord over de transitie weg van de fossiele brandstoffen, dat in 2023 is bereikt op de COP28 in Dubai. Ook toen is er enkel een beslissing geweest om door te schuiven naar de tussentijdse klimaatbesprekingen in Bonn. Die besprekingen gaan elk jaar door en dus ook in 2025. De bedoeling is bij die gelegenheid een tekst op te stellen die vervolgens op de COP30 in Brazilië kan worden afgeklopt.
De huidige tekst van de COP29 bevat dus geen expliciete verwijzing naar de transitie weg van de fossiele brandstoffen. Ook werden geen stappen vooruitgezet in het terugdringen van de uitstoot, het mitigatieluik.
In de eindtekst werd enkel de uitkomst van de eerste global stocktake herbevestigd. Dat kan dus moeilijk als een stap vooruit worden omschreven. Er werd dus ook opnieuw verwezen naar paragraaf 28 van de vorige COP.
U had het over een gemengd bilan. Afgezien van het akkoord rond de internationale koolstofmarkt, dat in de pers misschien het meest in het oog springende akkoord was waarin vooruitgang werd bereikt, was de teneur in de commentaren veeleer: veel geblaat en weinig wol.
Dan ga ik over tot de publieke uitspraken van mevrouw Trouet van het Klimaatcentrum. Er is toch een malaise bezig over de 1,5 graad opwarming. Ik heb in de laatste twee jaar van de vorige legislatuur continu gezegd dat de 1,5 graad opwarming een illusie zal blijken te zijn, en ik krijg gelijk. Steeds meer wetenschappers zeggen dat 1,5 graad tegen 2030 niet meer haalbaar is.
Mevrouw Trouet bereikt dan een soort van defaitisme, van resignatie, van berusting. We zien ook dat de groene partijen in Europa, tot Ierland toe, catastrofale resultaten bereiken. Blijkbaar is er op Europees niveau toch een beweging aan de hand waarbij het publiek blijkbaar de sense of urgency mist. U zegt altijd dat de apocalyps voor de deur staat. Blijkbaar denkt de bevolking in Europa daar anders over. Ik ga daarvoor af op electorale resultaten, zowel in Oost-Europa, Midden-Europa als West-Europa. Ik zeg dat heel neutraal, zonder leedvermaak. Ik probeer dat, zoals u ook altijd zegt, wetenschappelijk te benaderen. Ik kijk dus ook naar de feiten.
Vlaanderen heeft ook gereageerd. Volgens de minister zal het zijn deel voor de klimaatfinanciering blijven doen, heeft men een recordbedrag aan privaat kapitaal voor klimaatfinanciering vergaard en is het nu ook aan de andere, buitenlandse bedrijven om dat goede voorbeeld te volgen.
Ook daar groeit blijkbaar een soort klimaatrealisme in het beleid. Ik ben heel benieuwd hoe zich dat de volgende jaren zal vertalen op Vlaams en federaal niveau. Ik houd me echter aan de regels, wat betekent dat ik mevrouw Khattabi niet zal ondervragen over toekomstige initiatieven van een toekomstige federale regering.
De heer Wollants heeft gevraagd wat de toegevoegde waarde van het Klimaatcentrum is en ik sluit me aan bij die vraag. Ik heb in februari het initiatief genomen om het CERAC naar hier te halen en ik vraag deze commissie om het in januari of februari opnieuw naar hier te laten komen om een uiteenzetting te geven over zijn beleid van de voorbije maanden.
Charlotte Deborsu:
Monsieur le président, je ne vais pas revenir sur les différentes considérations qui ont été abordées mais poser des questions plus pragmatiques.
Madame la ministre, vous avez annoncé une contribution de 200 millions d'euros au Fonds pour les pertes et dommages. Comment ces fonds seront-ils mobilisés sans alourdir la pression fiscale sur les citoyens? À quoi seront-ils réellement affectés?
Où en est la Belgique dans le respect des engagements de financement climatique pris lors des COP précédentes?
Marie Meunier:
Madame la ministre, merci de prendre le temps aujourd'hui de faire le point sur cette COP29. Je ne vous cacherai pas notre déception face aux résultats.
Nous avons entendu des expressions assez dures de par le monde. En Bolivie, on parle de violations flagrantes de la justice climatique. Au Nigeria, on estime que les pays pauvres doivent accepter des miettes. En Inde, on évoque une illusion d'optique face aux défis actuels. La Coalition Climat, en Belgique, évoque un coup de massue et vous-même, d'ailleurs, parlez d'un bilan mitigé. Il est crucial, à ce stade, d'analyser les différentes raisons de cet échec.
J'aimerais connaître votre avis sur l'atmosphère générale des discussions. Ont-elles été marquées par l'urgence climatique, notamment au vu des inondations en Espagne et des prévisions d'une année 2024 record en termes de températures?
Sur le plan géopolitique, les tensions liées à des événements comme l'élection de Trump ou les conflits en Ukraine et au Moyen-Orient ont-elles influencé le dialogue entre les nations? Quel rôle a joué l'Europe dans cette gouvernance climatique?
Concernant les droits humains, l'Azerbaïdjan est un État où de graves violations des droits humains sont commises. Avez-vous pu délivrer un message fort en matière de respect des droits humains? Le pays hôte a-t-il pris des engagements crédibles à cet égard?
On annonçait une COP de la finance. Or les résultats sont assez préoccupants, en particulier le chiffre de 300 milliards, qui se situe bien en-deçà des 1 300 milliards nécessaires aux pays du Sud. Comment expliquez-vous un tel écart? De quel type de financement parle-t-on avec ces 300 milliards? Beaucoup de critiques ont été énoncées à propos des méthodes de négociation de l'Union européenne, qui a attendu le dernier moment pour avancer un chiffre. Comment l'expliquez-vous?
Toujours au sujet du financement, j'aimerais vous poser des questions un peu plus techniques.
Quelles mesures concrètes la Belgique prendra-t-elle pour s'assurer que les banques de développement et les institutions financières fournissent davantage de fonds et s'en servent efficacement en vue de la transition climatique, notamment pour les pays les plus vulnérables? Étant donné que la contribution de la Belgique au financement climatique est insuffisante, comme le montre l'analyse de l'administration fédérale, quelles mesures concrètes le gouvernement envisage-t-il de prendre pour accroître les ressources belges en ce domaine et assurer une augmentation substantielle de sa contribution au financement climatique? Compte tenu des revenus élevés que la Belgique reçoit grâce au système européen d'échange de quotas d'émission, quelles initiatives le gouvernement prendra-t-il pour renforcer le financement national et international de la lutte contre le changement climatique?
En ce qui concerne la sortie progressive du pétrole, du gaz et du charbon, c'est un objectif fort que nous nous étions assignés lors de la COP28, il en a toutefois été manifestement peu question à Bakou. Quelle en est la raison? Pourquoi la demande de suivi annuel des efforts n'a-t-elle pas été satisfaite?
Enfin, nous savons que, l'année prochaine au Brésil, chaque État devra présenter sa contribution déterminée. Nous nous situerons dix ans après l'Accord de Paris. Ce sera un moment-bilan pour les États. Du coup, j'aimerais savoir où en est la Belgique. Reste-t-il encore des défis à relever? Quels sont-ils? Pouvez-vous nous les communiquer avant la passation de pouvoirs au prochain gouvernement?
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, le groupe Les Engagés place la transition écologique au cœur de ses priorités, convaincu que les enjeux environnementaux sont essentiels pour assurer un avenir durable et équitable.
Face aux défis mondiaux liés au changement climatique, à la dégradation des écosystèmes et à l'épuisement des ressources naturelles, nous sommes en faveur de mesures concrètes et ambitieuses, de politiques publiques qui favorisent la protection de l'environnement tout en répondant aux besoins des générations futures. La transition écologique n'est pas seulement une urgence. Elle est aussi une opportunité de réinventer notre mode de vie, nos économies, notre rapport au monde naturel.
Madame la ministre, la COP29 s'est terminée sur un bilan mitigé. La COP de Bakou devait être la COP de la finance qui allait permettre d'augmenter considérablement les investissements pour financer la transition et l'adaptation des pays en voie de développement.
Les besoins en termes de financement sont de 1 000 milliards mais l'accord prévoit une mobilisation des pays du Nord à hauteur de 287 milliards. Madame la ministre, en ce qui concerne ces 287 milliards, quels sont les mécanismes de financement prévus? Quels sont les pays qui participent à ce financement et ceux qui en bénéficient? Quels sont les projets qui pourraient en bénéficier, notamment en termes d'adaptation et d'atténuation? Qu'a concrètement promis la Belgique? Quel sera notre financement international? Comment ce montant sera-t-il financé?
De manière plus générale, les pays en développement disaient vouloir élargir le nombre de pays contributeurs au financement. L'idée part du principe que certaines économies ont les moyens de participer à la transition. Quelle a été la position de la Belgique à ce sujet? Les pertes et préjudices ne sont pas concernés par ce montant. Quelles ont été les discussions et décisions éventuelles à ce sujet?
Comme chaque année, l'utilité même des COP est remise en question parce qu'on a le sentiment qu'elles ne sont pas à la hauteur de l'enjeu. Quel est votre point de vue sur la question? Enfin, quel regard portez-vous sur cette COP et, après quatre ans, sur les COP et leur fonctionnement de manière générale en intrabelge ou en intra-Union européenne?
La géopolitique mondiale qui a entouré cette COP est assez négative, entre les conflits au Moyen-Orient et en Ukraine et les élections américaines. Cela donne le sentiment que l'Union européenne est l'un des seuls leaders de la lutte contre le réchauffement climatique. Considérez-vous que tel est le cas? Comment les COP servent-elles de vecteur pour maintenir des relations diplomatiques avec le reste du monde? Permettent-elles de maintenir un certain niveau de confiance et de collaboration entre pays, pour reprendre des mots prononcés par l'Inde dans son discours de clôture?
En Belgique et ailleurs, une politique environnementale ambitieuse n'est possible que lorsqu'elle suscite l'adhésion de la population. Cela implique que des politiques améliorant la qualité de vie sont nécessaires. C'est souvent le cas des politiques d'adaptation là où l'atténuation peut être perçue comme plus contraignante. Constatez-vous une différence de perception dans les négociations concernant ces deux enjeux?
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, nous savons que dans le combat contre le changement climatique, les travailleurs et les pays du Sud sont les premières victimes alors qu'ils en sont les moins responsables. Nous voyons pourtant que cette COP29 n'a pas été à la hauteur des résultats.
Dans un de vos communiqués de presse, vous évoquez un résultat mitigé. Je dois vous dire, madame la ministre, que je pense que ce mot semble bien indulgent. L'enjeu de la COP était d'augmenter le financement climatique pour les pays en développement. Ils réclamaient à juste titre 1 300 milliards et ils se retrouvent avec un engagement de 300 milliards de dollars par an d'ici 2035.
Nous avons eu droit à beaucoup de discours et de nombreux participants se sont prononcés. Le discours de l'Inde suite à l'accord m'a paru très clair. Je les cite: "Nous attendons des pays développés qu'ils fassent preuve d'une ambition bien plus grande et le montant convenu n'inspire pas confiance quant à notre capacité à nous sortir de ce grave problème qu'est le changement climatique". Nous voyons une fois de plus que les grandes puissances polluantes imposent leur logique du "chacun pour soi" au détriment de la solidarité internationale.
Madame la ministre, j'aimerais savoir comment s'est positionnée la Belgique dans ces négociations. Notre pays s'est-il opposé à cet accord qui était clairement insuffisant ou avons-nous suivi la position européenne dans ce contexte?
Au niveau national, le constat est aussi alarmant. La Belgique manque à ses propres objectifs climatiques. La Commission européenne a dû enclencher une procédure d'infraction contre nous pour le non-respect des délais dans le dépôt du Plan national Énergie-Climat (PNEC). En plénière, vous aviez mentionné il y a quelques semaines des discussions avec la ministre flamande de l'Énergie et du Climat. Où en sommes-nous et quel est l'état de cette procédure aujourd'hui?
Alors que votre mandat touche à sa fin, quel est l'avenir pour la politique climatique belge? Les négociations qui s'esquissent nous laissent craindre le pire. L'Arizona semble prête à imposer une politique d'austérité alors que nous savons que l'austérité est incompatible avec les investissements massifs dont on a besoin pour affronter l'urgence climatique. C’est une logique au profit des multinationales qu’on laisse intouchables, et selon laquelle ce sont les travailleurs et les familles qui vont devoir payer la facture.
Madame la ministre, en tant que ministre sortante, pensez-vous que cette politique d’austérité sera compatible avec les défis climatiques pour notre pays? Pour nous, la réponse est clairement non. Nous avons besoin d’une politique climatique et sociale ambitieuse: taxer les gros pollueurs, renforcer la solidarité internationale et garantir la justice sociale.
Pour finir, le retour de Trump, les politiques des grandes puissances et la militarisation de l’économie mondiale ne doivent pas nous faire reculer. La Belgique et l’Europe doivent suivre leur propre voie, avoir une politique étrangère basée sur la solidarité et la coopération avec le Sud global en matière de financement, de partage des technologies et d’accès aux matières premières, pour répondre efficacement à la crise climatique.
La COP au Brésil sera un moment clé, dans un an. Nous avons une responsabilité immense car nous n’avons plus le luxe d’attendre, et la planète non plus.
Rajae Maouane:
Madame la ministre, c'est peu de dire qu'en tant qu'écologistes, nous sommes clairement déçus des résultats de cette COP.
Les pays présents, comme les collègues l'ont évoqué, ont finalement adopté un accord fixant à 300 milliards par an d'ici à 2035 le montant destiné aux pays en développement pour les aider à faire face au changement et au dérèglement climatique. Ce chiffre peut sembler important, mais il reste vraiment très loin des attentes. Les pays en développement demandaient plus de 1 000 milliards de dollars par an et ont qualifié ce résultat de plaisanterie, voire d'insulte. En effet, selon le Programme des Nations Unies pour l'environnement (PNUE), les seuls besoins en termes d'adaptation dépassent déjà ces 300 milliards. Si l'on inclut les efforts nécessaires pour l'atténuation et la prise en charge des pertes et préjudices, il aurait fallu mobiliser plus de 1 000 milliards par an. En outre, si l'on considère les 100 milliards de dollars promis en 2009 lors de la COP de Copenhague, et l'impact de l'inflation, cette nouvelle somme n'apparaît pas comme une avancée significative, parce qu'aujourd'hui ces 100 milliards équivaudraient à 258 milliards avec l'inflation. Donc l'augmentation réelle est plutôt modeste (passant de 258 à 300 milliards).
De plus, au sein de cette COP, aucun consensus n'a été dégagé concernant le suivi de l'évaluation globale, ni sur la mise en œuvre de l'accord historique sur la transition hors des énergies fossiles qui a été adopté à la COP de Dubaï. Ces discussions ont été reportées aux négociations intermédiaires avec l'objectif de finaliser un texte pour la COP30 au Brésil.
Par ailleurs, le texte adopté ici ne contient aucune référence explicite à la transition énergétique ni de progrès tangible en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre.
Madame la ministre, dans ce contexte un peu déprimant, voici mes questions.
Quel bilan tirez-vous des résultats de la COP29, notamment sur les volets adaptation mais aussi genre et droits humains, que vous aviez évoqués dans votre communication? Les engagements pris vous semblent-ils à la hauteur de l'urgence climatique? Quels seront les axes prioritaires pour la Belgique dans les discussions intermédiaires en vue de la COP30, notamment concernant la réduction des émissions et le suivi de l'évolution globale? On se doute que vous ne serez peut-être plus ministre en exercice, mais en Belgique on ne peut jurer de rien. Comment la Belgique compte-t-elle pousser au niveau international pour finaliser l'accord sur la transition hors des énergies fossiles lors de la prochaine COP?
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, als we heel eerlijk zijn, wisten we allemaal op voorhand dat het moeilijk zou zijn om een goed akkoord tot stand te brengen, zeker na de uitspraak van de voorzitter van de COP dat gas en olie een gift van God zijn. Ik was naïef, want ik hoopte dat de gigantische overstromingen in Valencia met vele doden tot gevolg en de jaarlijks weerkerende klimaatrampen voor een sense of urgency zouden zorgen. Dat blijkt nog altijd niet het geval.
Ik krijg het eerlijk gezegd niet meer goed uitgelegd. Ik krijg heel veel berichtjes met de vraag hoe het komt dat we nog steeds geen akkoord konden vinden. Ik vind dat heel erg jammer en we kunnen er veel vragen over stellen, zoals leden van de commissie terecht deden. Waar komt het nu op neer? Onze burgers kijken naar ons en willen weten wat we nu zullen doen. We kunnen twee zaken doen: of we leggen ons erbij neer en we laten hen aan hun lot over, of we kiezen ervoor om te blijven vechten voor een eerlijk klimaatbeleid dat betaalbaar, haalbaar en vooral ambitieus is. Wij kiezen voor dat laatste.
Ik was zelf op de COP en u ook. Ik vind het een belangrijk signaal dat we blijven vechten en onderhandelen voor een ambitieus klimaatbeleid. Sommige partijen menen dat we dat niet moeten doen; ik ben het daar niet mee eens, want zolang we het gesprek niet meer aangaan, zullen we ook niet tot een consensus komen en zullen we evenmin stappen in de goede richting kunnen zetten.
Mevrouw de minister, ik heb voor u enkele heel eenvoudige en algemene vragen, zodat onze burgers heel duidelijk weten wat we er gedaan hebben. Welke stappen hebt u op de COP genomen en wat hebt u er als minister gezegd? Wat is uw reactie op het tot stand gebrachte akkoord? Wat is de impact van de akkoorden op de inwoners van België?
Zakia Khattabi:
Mesdames et messieurs les députés, d'emblée, je voudrais préciser que je ne répondrai pas à un certain nombre de questions parce qu'elles engagent les suivants, notamment pour ce qui est des engagements et de la position que prendra la Belgique sur certains dossiers. Vous m'en excuserez.
Ik begin met een aantal antwoorden op specifieke vragen, onder andere over de delegaties. Vervolgens zal ik op de inhoud van het akkoord ingaan.
Plusieurs questions concernent Mme Trouet et les déclarations qu'elle a faites. À cet égard, je voudrais rappeler que le Centre Climat relève de la responsabilité de la Politique scientifique fédérale.
Dat werd opgebouwd door de heer Dermine.
Il s'agit en fait de rassembler en une seule institution l'ensemble des connaissances et des recherches scientifiques autour du climat. Je laisse à Mme Trouet la responsabilité de ses propos et n'irai pas plus loin. Je vous invite à poser vos questions sur le Centre au ministre compétent.
De omvang van de delegatie is de olifant in de kamer. Elk jaar moeten we daaromtrent vragen beantwoorden. De delegatie telt iets meer dan 140 personen. Je n’ai plus le chiffre exact en tête . In België is het de traditie om de officiële delegatie open te stellen voor onder andere het sociaal middenveld en het patronaat.
Pour ceux qui n'ont jamais été à la COP, il faut savoir que celle-ci s'organise sur deux sites, la zone verte et la zone bleue. Il y a une zone où les délégations officielles sont présentes, c'est-à-dire notamment les ministres et les négociateurs, et une autre zone où se trouve la société civile. Donc si la société civile veut faire du lobbying, elle doit pouvoir avoir accès à la zone officielle. Par conséquent, la tradition belge postule que l'on ouvre la liste de la délégation officielle à toute personne qui souhaite s'y rendre. On reçoit donc par exemple la FEB, le Port d'Anvers, Greenpeace, etc...Ces organisations envoient alors à mon administration – car cela ne passe pas par moi – leur volonté de s'inscrire sur cette liste dans le but d'avoir accès à des espaces auxquels en principe ils n'auraient pas accès. Cette délégation n'est donc pas prise en charge par les différents gouvernements. Par exemple, si la FEB envoie 50 entrepreneurs, ils assument eux-mêmes leurs frais de voyage. Le fait qu'ils apparaissent sur la liste de la délégation officielle leur permet simplement d'accéder à des espaces auxquels ils n'auraient pas accès. Il s'agit bien d'une tradition typiquement belge pour permettre à tout le monde de participer à ces discussions.
En ce qui concerne le niveau fédéral, Alexander De Croo s'est rendu au sommet des chefs d'État. Tinne Van der Straeten, quant à elle, s'y est rendue la même semaine pour des thématiques touchant aux questions énergétiques – je crois qu'ils étaient trois également. Le fédéral a toujours été représenté pendant les 15 jours mais nous n'étions jamais présents en même temps. Personnellement, je m'y suis rendue pour le segment ministériel lors de la seconde semaine puisque c'est à ce moment-là qu'entrent en jeu les négociations ministérielles. Il est important de garder à l'esprit que la Belgique en tant que telle ne négocie pas. C'est en effet l'Union européenne qui négocie directement au nom des États membres et je suis donc une des négociatrices qui agit pour l'UE.
Nous étions ainsi, en tout, trois fois trois personnes et chacun a pris en charge les frais pour sa propre délégation, chacune des administrations étant donc représentée. Outre les ministres – puisque mes collègues Maron et Depraetere sont également passés –, l'administration fédérale est l'entité négociatrice en chef d'un point de vue technique, mais on retrouve aussi par ailleurs des représentants des cabinets wallons, de l'administration, etc.
Je voudrais rappeler que la taille de la délégation répond à une tradition qui permet à des acteurs de la société civile d'accéder à des espaces auxquels ils n'auraient pas droit en temps normal, mais rien n'est pris en charge; chacun organise son voyage comme il l'entend.
S'agissant de mon appréciation des résultats de la COP, vous êtes plusieurs à vous étonner que ma déception ne soit pas si grande. J'ai indiqué que c'était à la fois un soulagement et une déception. Celle-ci est grande, et nous y reviendrons. Mais le soulagement est dû au fait que, jusqu'au dernier moment, nous pensions qu'aucun accord ne serait atteint. Cela aurait été une catastrophe, puisque cela aurait remis profondément en question la dynamique de négociations multilatérales pour le climat. Le signal aurait donc été très mauvais. De ce point de vue, quand bien même, et je le dis très clairement, la montagne a accouché d'une souris, il n'en reste pas moins qu'un résultat a pu être obtenu, même si c'est le plus petit commun dénominateur, comme à chaque fois. Mais je reviendrai tout à l'heure sur l'importance de ces discussions, puisque Les Engagés m'ont interrogée à ce sujet. Donc, oui, c'est un soulagement de constater que nous avons quand même pu aboutir à un accord, mais c'est une déception dans la mesure où nous sommes loin des résultats escomptés et nécessaires.
Le PTB m'a interrogée sur la suite du travail. Il importe de garder à l'esprit que la crise climatique est bien plus qu'une question environnementale. C'est désormais une question de vie ou de mort, comme nous l'avons vu en Wallonie. Par ailleurs, c'est aussi une question économique et financière, ainsi qu'une question de santé publique et d'emploi. Nous avons vu que l'Espagne venait de décider d'un nouveau congé. Imaginer que nous allons pousser sur le bouton "pause" ou freiner, sans concéder les investissements nécessaires, est désormais un mauvais calcul. Je ne sais pas si vous avez vu les chiffres de Valence: des milliards d'euros sont nécessaires à la reconstruction de la ville. Et encore, nous ne disposons pas pour l'instant des estimations des assurances! Dans un calcul court-termiste, l'absence d'investissement dans des politiques ambitieuses et dans les infrastructures indispensables grèvera davantage encore les budgets de demain.
Continuer de considérer que le climat constitue une niche environnementale est une erreur. Ce n'est pas moi qui le dis, puisque les grandes institutions financières indiquent que la crise climatique va de plus en plus entraîner un impact sur les dettes souveraines des États. Par ailleurs, certaines grosses industries et entreprises se voient aujourd'hui freinées dans leur capacité de production quand il y a une inondation ou une sécheresse empêchant l’acheminement des matières premières, etc. Il est temps d’appréhender la question climatique au-delà de l’enjeu purement environnemental et d’en faire une question transversale, si on veut apporter des réponses crédibles.
Pour le reste, il est vrai qu’en allant à la COP, nous savions qu'elle serait difficile. Le contexte international, les tensions croissantes, mais aussi, reconnaissons-le, et je l’ai encore vécu cette fois-ci, le rôle de plus en plus réduit de pays comme les États-Unis ou de l'Union européenne de bâtisseur de ponts, joué habituellement, ont rendu difficile la recherche de compromis. Comme je l'ai déjà dit, le soulagement vient du fait que ce n’était pas seulement la crédibilité de la COP29 qui était en jeu, mais l'avenir même de l'approche multilatérale dans la lutte contre la crise climatique.
Le processus de négociation, mais aussi l'accord discutable, doivent inciter l'Union européenne et notre pays à revoir notre politique étrangère, y compris la diplomatie climatique, pour rester efficaces dans un monde où les rapports de force se déplacent et où les changements d'alliances donneront le ton. Comme je l'ai constaté, entre la première COP à laquelle j'ai participé comme ministre à Glasgow et aujourd'hui, les rapports de force sont complètement inversés. La Belgique, comme l’Union européenne d’ailleurs, doit intégrer cette nouvelle donne si elle souhaite encore être un interlocuteur crédible auprès de différents autres grands acteurs de ces accords.
J’en viens au déroulement et aux résultats de la COP, sur la base de vos différentes questions.
Je vais commencer par le commencement, avec ces fameuses déclarations. Tout comme l’ensemble des États membres de l’Union, la Belgique a déploré les déclarations de M. Soltanov, qui vont clairement à l’encontre de la sortie progressive des énergies fossiles sur laquelle les parties s’étaient accordées l’année dernière à la COP28 de Dubaï. Le président de la COP est censé assurer un processus transparent dans lequel il occupe un rôle impartial. Ses déclarations et ses agissements sont donc, selon moi, une trahison du processus de la COP qui met effectivement en péril la crédibilité de celle-ci.
Comme vous l'avez rappelé, monsieur Ravyts, le choix du pays hôte de la conférence internationale sur le climat se fait à tour de rôle au sein des cinq groupes régionaux de l’ONU, sans interférence des pays des autres groupes régionaux. Une fois l'accord conclu, le pays sélectionné par le groupe régional pour accueillir la conférence envoie son offre officiellement au secrétariat de la CCNUCC. Le choix de l’Azerbaïdjan comme lieu de la COP29 est donc le résultat de la procédure habituelle au sein de la convention climatique de l’ONU, bien que l'on imagine aisément que les tensions géopolitiques ont influencé celui-ci.
La Belgique continuera de soutenir les efforts déployés par la CCNUCC pour protéger la COP des conflits d'intérêts. Par ailleurs, la Belgique et l’Union européenne soutiennent et continueront de soutenir une participation sans restriction de la société civile à la COP et de veiller à ce que les droits humains, la transparence, la liberté d'expression et l'engagement à l'égard des objectifs de la conférence et de ses décisions et accords y soient garantis. Dans les différents contacts officiels que nous avons eus, qu'il s'agisse du premier ministre, de Tinne Van der Straeten ou de moi-même, nous avons systématiquement évoqué la question des droits humains.
Wat de Belgische positie betreft, in het kader van de multilaterale onderhandelingen spreekt de Europese Unie met één stem. Het algemene Europese onderhandelingsmandaat voor de COP29 werd vastgelegd in de conclusies van de Raad Leefmilieu van 14 oktober 2024 en voor klimaatfinanciering ook specifiek in de Raadsconclusies van de Ecofin-bijeenkomst van 8 oktober 2024. België onderschrijft de Europese positie en verdedigt ze samen met de andere Europese lidstaten tijdens de onderhandelingen.
Alle partijen moeten tijdens een internationale conferentie kunnen reageren of inspelen op nieuwe voorstellen of concrete onderhandelingsteksten. Om een compromis te vinden met bijna tweehonderd landen, zal elke partij enigszins binnen haar positie moeten schuiven. Dergelijke afwegingen maken de EU-lidstaten samen met de Europese Commissie tijdens de dagelijkse ministeriële EU-coördinatievergaderingen. Op basis van de Belgische positie, die uiteraard in lijn is met de Europese positie, legt ons land een aantal klemtonen tijdens die coördinatievergaderingen.
Specifiek inzake de nieuwe klimaatfinancieringsdoelstelling of NCQG pleitte ons land voor een doelstelling die ambitieus was en tegelijkertijd ook haalbaar. De nieuwe doelstelling moest een antwoord kunnen bieden op de uitdaging van de globale klimaattransformatie en rekening houden met de behoeften en de prioriteiten van ontwikkelingslanden. Bovendien beklemtoonde België de noodzaak tot uitbreiding van de groep van bijdragers als voorwaarde voor een ambitieuze NCQG met het oog op solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid en gelet op de dynamische en evoluerende capaciteiten van actoren om bij te dragen.
Om de nodige investeringen tijdig te katalyseren, steunde België het opnemen van sterke en concrete beleidssignalen die oproepen tot hervorming van het internationale financiële systeem, opdat er wordt tegemoetgekomen aan hedendaagse crisissen, waaronder de klimaatverandering.
Inzake klimaatfinanciering vestigde België ook steeds de aandacht op adaptatiefinanciering en financiering voor de minst ontwikkelde landen.
België is mee blijven zoeken naar een verbeterde toegang tot klimaatfinanciering voor de minst ontwikkelde landen en voor kleine eilandstaten. Ons land is uiteraard geen specifiek engagement aangegaan. Het betreft een internationale doelstelling en het is aan de volgende regering om, mede in het licht van de internationale dynamiek, hierover een beslissing te nemen.
La décision sur le New Collective Quantified Goal (NCQG) appelle tous les acteurs à œuvrer ensemble pour s'assurer que le financement de l'action climatique, provenant de toutes les sources publiques et privées donc, atteigne au moins 1,3 trillion de dollars par an d'ici à 2035, les pays développés s’engageant à fournir au moins 300 milliards de dollars par an d'ici à 2035.
Il est positif que le NCQG envisage autant de sources de financement que possible, sans perdre de vue le rôle du financement public, car la transition verte doit impliquer l'ensemble de nos économies et de nos finances. L'inclusion concrète des banques multilatérales de développement est déjà un bon pas en avant, étant donné qu'elles sont responsables d'importants volumes de financement.
La dimension qualitative du financement climatique reste quant à elle un point faible. Par exemple, il aurait pu y avoir beaucoup plus d'attention sur tous les acteurs financiers dans le contexte plus large de la réforme du système financier international. Dans sa forme actuelle, la décision laisse une grande marge d'interprétation, ce qui rend d'autant plus important que les parties, dans le cadre du suivi de la feuille de route de Bakou à Belém, plaident pour que des signaux politiques forts et clairs soient lancés afin de faciliter des flux de financement climatique plus nombreux et de meilleure qualité.
Le compromis trouvé lors de la COP déçoit de nombreux pays en voie de développement. Ils y voient un manque de reconnaissance de l'impact énorme de la crise climatique qu'ils ressentent depuis des années – une crise à laquelle ils ont à peine contribué – et d'un système financier international défectueux qui ne reflète pas leur réalité. Un pays à revenu intermédiaire comme l'Inde a effectivement – vous êtes plusieurs à l'avoir souligné – réagi avec indignation à ce résultat.
La décision de la COP sur le NCQG ne doit pas être un point final. Elle doit être le début d'une coopération soutenue, y compris dans le contexte des négociations sur le climat, afin de fournir les ressources financières nécessaires à l'atténuation et à l'adaptation, en particulier pour les pays les plus vulnérables.
Wat mitigatie betreft had de EU veel meer verwacht. Het resultaat van de COP29 bouwt niet verder op de sterke boodschap van de COP28 inzake de noodzakelijke energietransitie. Intens gelobby van olieproducerende landen, in het bijzonder Saoedi-Arabië, en een weinig voluntaristisch COP29-voorzitterschap, leidden tot een erg zwakke tekst over de opvolging van de global stocktake en de energietransitie binnen het UNFCCC-proces.
De voorliggende tekst werd niet aanvaard in Bakoe en de onderhandelingen zullen hervat worden op de volgende sessie van de hulporganen van het verdrag, in juni 2025 in Bonn. Het is een gemiste kans, vooral omdat de partijen rekening moeten houden met de uitkomst van de global stocktake in hun volgende klimaatplannen , of nationally determined contributions . Deze plannen worden verwacht voor de COP30, eind 2025.
La Belgique a, durant cette COP, défendu avec l’Union européenne, à travers les négociations techniques et politiques, des objectifs ambitieux en matière d’atténuation du changement climatique ainsi que des textes de décision rappelant et opérationnalisant l’objectif d’élimination progressive des combustibles fossiles et des subventions correspondantes.
En 2024, l’Union européenne et ses É tats membres ont d’ailleurs redoublé d’efforts en matière de diplomatie verte et d’engagement auprès des pays partenaires pour promouvoir un secteur de l'énergie essentiellement exempt de combustibles fossiles bien avant 2050, conformément à l'objectif de neutralité climatique fixé pour le milieu du siècle, et la suppression des subventions directes et indirectes aux combustibles fossiles. Il est regrettable que la coalition ambitieuse de la COP28 n’ait pas été en mesure d’assurer un résultat ambitieux en matière d’atténuation lors de cette COP, alors que nous frôlons la limite de 1,5 C º . Il y aura des leçons à tirer de cette situation.
S'agissant des contributions déterminées au niveau national (CDN), comme en 2015 et en 2020, l'Union européenne soumettra une CDN unique et commune à tous les États membres en 2025. Le processus décisionnel européen en la matière a débuté avec la publication de la communication sur l'objectif 2040 par la précédente Commission européenne, suivie d'un premier échange de vues entre les États membres. Une proposition législative de la nouvelle Commission européenne est maintenant attendue, après quoi d'autres étapes du processus décisionnel européen suivront.
Au sujet du Fonds pour les pertes et dommages, celui-ci existe et est opérationnel. Pour la Belgique, il reste important de chercher une complémentarité maximale entre tous les mécanismes traitant des pertes et dommages, en particulier le réseau de Santiago, le Fonds de réponse aux pertes et dommages et d'autres initiatives au sein et en dehors de la CCNUCC. Toute contribution au fonds devra rester volontaire et il ne peut y avoir de responsabilité juridiquement contraignante ni de compensation pour les pertes et dommages subis en raison du changement climatique. Le fonds doit assurer un accès prioritaire pour les pays en développement les plus vulnérables, tels que les pays les moins avancés et les petits États insulaires en développement. Au vu de ces défis, le financement du fonds ne devrait pas être limité au financement public des pays développés.
Pour ce qui est du marché carbone, la COP29 a adopté le dernier ensemble de règles qui devait permettre de lancer la mise en œuvre concrète de deux systèmes établis par l'article 6 de l'Accord de Paris: l'article 6.4 qui établit un système centralisé supervisé par un panel d'experts indépendants alors que l'article 6.2 établit, lui, un système décentralisé supervisé essentiellement par le ou les pays qui décident de coopérer sur la base de règles assez souples. Dès l'année prochaine, les premiers projets pourront voir le jour sous l'article 6.2 ou sous l'article 6.4.
À ce stade et sur la base des règles adoptées à la COP29, l'article 6.4 nous paraît le meilleur système pour garantir l'intégrité des crédits carbone. Le panel d'experts qui supervise ce mécanisme a élaboré des règles ambitieuses pour mesurer et quantifier les crédits carbone, prendre en compte le développement durable, les droits humains et les intérêts du pays hôte. Les méthodologies ont été élaborées par des experts spécialisés. Elles s'appliquent notamment aux projets forestiers qui sont les plus compliqués à quantifier et elles détaillent les mesures à prendre pour compenser les émissions en cas d'incendie, etc. Un mécanisme d'appel a également été élaboré permettant aux parties prenantes de faire appel contre des décisions de panels d'experts ou de déposer des plaintes.
Dans le cadre de l'article 6.2, les mesures en faveur de l'intégrité décidées à la COP29 visent surtout à assurer la transparence de l'information. Elles permettent également une vérification de cette information, mais assez superficielle, et des pénalités en cas de non-respect des règles, mais assez légères elles aussi.
L'article 6.2 est donc moins contraignant que le 6.4 et certains projets sous l'article 6.2 seront certainement de bonne qualité mais cette qualité devra être vérifiée au cas par cas puisque les règles de base sont assez souples.
Collega's, de klimaatcrisis intensifieert en laat zich meer en meer voelen in verschillende sectoren van onze samenleving. Dit accentueert bestaande breuklijnen in de internationale klimaatonderhandelingen, zoals de verschillende belangen tussen olieproducerende en niet-producerende landen, tussen de meest kwetsbare landen en middeninkomenslanden of tussen ontwikkelingslanden en grote economieën. Een volatiele geopolitieke context leidt tot wisselende allianties.
Daarnaast blijven verschillende visies omtrent mensenrechten en gender of over het multilateralisme in het algemeen doorsijpelen in de internationale klimaatonderhandelingen. In een dergelijke context zal het een uitdaging zijn om betekenisvolle stappen te zetten op internationaal niveau. Toch blijft het volgens mij essentieel om te blijven investeren in dit internationale klimaatproces.
Or, la diplomatie climatique ne peut se limiter au processus dans le cadre de la convention. Ce processus reste primordial mais il n'est pas suffisant.
L'Europe et notre pays se doivent de construire des alliances spécifiques avec une diversité de pays, que ce soit en vue de la transition énergétique, l'accès à des ressources essentielles ou autres. En plus de ce type de collaborations win-win , l'Europe ne peut pas oublier ses valeurs telles que la solidarité, le respect des droits humains et le multilatéralisme et se doit de maintenir des relations privilégiées avec les pays les plus vulnérables.
La crise climatique doit également être intégrée dans les accords internationaux dans des domaines tels que le commerce, la finance, la sécurité et le développement international. Au niveau national, je n'ai eu de cesse de le répéter pendant ces quatre années, une approche en silo doit être évitée. Il en va de même au niveau international.
Le changement climatique a en effet un impact sur l'importance de certaines ressources naturelles, influence le commerce international et la stabilité financière internationale. Inversement, les décisions prises dans d'autres forums ont indiscutablement un impact sur la capacité de la communauté internationale à atteindre les différents objectifs de l'Accord de Paris.
En résumé, la définition de notre ambition et de notre politique climatiques nécessite non seulement de la prévoyance, mais aussi une profonde compréhension du contexte international complexe dans lequel différentes réalités et intérêts se rencontrent. Alors que les conférences sur le climat restent importantes, nous avons besoin d'une approche qui combine différents leviers diplomatiques et qui considère la question climatique comme un aspect transversal dans nos politiques et les relations bilatérales que nous entretenons avec des pays tiers.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het verschilt natuurlijk niet zo sterk van andere verklaringen die wij hier al hebben gehoord. De discussie over de delegatie komt iedere keer op hetzelfde neer. De vraag is of het soberder kan, want het is de traditie om iedereen met die delegatie mee te laten gaan.
Het is jammer dat er weinig reactie komt op de uitspraken van mevrouw Trouet. In normale omstandigheden is het zo dat de regering een en ondeelbaar is. Aangezien het over klimaat gaat zou men daar toch minstens een uitspraak over kunnen doen. Ik begrijp dat de minister daar liever geen antwoord op geeft. Ik neem daar akte van. We zullen de vraag dan stellen aan iemand die hopelijk wel een antwoord zal geven, al acht ik de kans niet onbestaande dat die zal zeggen dat hij wel verantwoordelijk is voor het Klimaatcentrum, maar niet voor het klimaatbeleid dat daaruit volgt. Ik vrees dat we zullen blijven pingpongen tot het einde der lopende zaken. Dan zullen we wel verder zien.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord en uw toelichting, ook technisch, bij enkele onderdelen van de COP29, zoals de koolstofmarkt. U hebt beaamd dat er op het vlak van mitigatie toch een ontgoochelend resultaat was. De halfjaarlijkse bespreking in Bonn zal meer duidelijkheid moeten geven over wat we in 2025 in Brazilië moeten kunnen verwachten.
Ik heb ook opgemerkt dat u hebt toegegeven dat 1,5 graad bijzonder moeilijk haalbaar zal zijn. Ik zal het maar zo omschrijven.
Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag van mezelf en enkele collega's over hoe het zit met de onderhandelingen met mevrouw Depraetere over het geactualiseerde Belgische Klimaat- en Energieplan. Ik wil u daarover nog apart bevragen, maar u kunt ook van deze gelegenheid gebruikmaken om een stand van zaken te geven.
Marie Meunier:
Madame la ministre, je vous remercie pour les réponses que vous avez apportées aujourd'hui. Je dois vous avouer que j'aurais aimé en savoir un petit peu plus sur le contenu de votre message concernant les droits humains. Je salue le fait que la Belgique donne accès aux parties officielles à l'ensemble de la société civile. Compte tenu de l'actualité de l'Azerbaïdjan, il importe de le rappeler.
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour les clarifications apportées. Vous avez souligné que les rapports de force et le monde changeaient. Je suis d'accord avec votre position. Même si, au sein de la délégation, dans les négociations, vous devez négocier dans le cadre de la politique de l'Union européenne, j'ai été très agréablement surpris d'entendre que vous aviez poussé pour une position beaucoup plus progressiste. J'ai été rassuré à ce sujet. J'ai des doutes sur la future personne qui sera à votre place. Pourra-t-elle faire la même chose? Nous en avons vraiment besoin. Nous devons continuer à avoir une position forte au sein de l'Union européenne si nous voulons continuer à améliorer les choses et à mener une politique plus ambitieuse pour notre climat.
Nous savons que suivre le modèle américain, et en plus, suivre le modèle du nouveau président américain, avec sa logique de guerre froide, et sa militarisation à l'excès, n'est pas du tout dans notre intérêt. Les États-Unis sont le plus important pays émetteur de CO 2 par habitant dans le monde et le premier producteur de gaz et de pétrole. Nous savons qu'ils n'ont jamais tenu leurs engagements en matière de soutien financier. Les dépenses militaires des États-Unis ont atteint 916 milliards de dollars en 2023, presqu'autant que ce dont on aurait besoin pour mener une politique climatique et faire face au changement climatique. On voit que Donald Trump n'a pas l'intention de changer de cap.
Comme vous l'avez dit, l'Europe doit trouver sa propre voie, pour notre climat, notre industrie et notre politique sociale, et cela en coopération avec les pays du Sud, et en mobilisant les centaines de milliards de profit que les géants du pétrole réalisent, parce que ce n'est pas aux travailleurs de payer.
Comme vous l'avez souligné, on ne parle pas que de climat et d'enjeu climatique, mais d'une thématique qui a des effets sur toute la société. Nous allons devoir payer la facture et, comme vous l'avez dit très justement, si on ne la paye pas pour des intérêts à court-terme, on en payera une, beaucoup plus grosse, plus tard.
Concernant la délégation, je ne pense pas que le problème soit d'inviter la société civile. On pourrait résoudre le problème, comme nos collègues de la N-VA ou du VB l'ont dit, de la taille de la délégation non pas en réduisant le nombre d'acteurs de la société civile, mais plutôt le nombre de ministres de l'Environnement et du Climat en Belgique.
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, vous avez expliqué que les rapports de force entre les pays pro-climat et les autres ont fort changé durant ces quatre dernières années. Pouvez-vous nous en dire plus?
Je vous ai entendu dire que la crise climatique s'intensifie et se fait sentir dans de plus en plus de secteurs de notre société. Un fossé s'est creusé entre les pays vulnérables, les grandes économies, ceux qui produisent du pétrole et ceux qui n'en produisent pas, dans un contexte géopolitique instable.
Vous affirmez qu'il est important de poursuivre le processus via la COP, mais aussi via des accords spécifiques avec d'autres pays. Vous parlez d'une approche combinant différents leviers diplomatiques. Comment l'envisagez-vous concrètement? Avez-vous des solutions et défini une ligne de conduite à propos de ce point, qui me semble effectivement très important?
Rajae Maouane:
Madame la ministre, je vous remercie de ces éclaircissements. Nous partageons la déception que vous avez développée ici au vu du résultat de cette COP. Il est clair que les attentes étaient bien plus élevées, en particulier pour les populations les plus vulnérables qui subissent déjà les conséquences les plus graves du dérèglement climatique. Ce sont elles qui voient leurs maisons emportées par les inondations, leurs récoltes anéanties par des sécheresses prolongées et leurs familles forcées de migrer en raison de conditions de vie devenues insoutenables. Cette réalité que nous ne pouvons plus ignorer rend d'autant plus criante l'insuffisance des engagements pris à cette COP29. Cela dit, comme vous l'avez souligné, l'outil doit continuer à exister, malgré les limites que vous avez démontrées. Cela reste en effet un espace essentiel de dialogue et de négociation internationale. Et puis, la COP met le focus à l'échelle mondiale sur la question climatique au moins une fois par an.
Je relève un point positif, avec la participation de la société civile, que certains collègues ont évoquée et qui influe sur la taille de la délégation. Je n'ai participé qu'à une seule COP, à Glasgow. Ce fait avait été agréablement et positivement souligné par les représentants de la société civile. Ils avaient même été invités à un briefing officiel des ministres du Climat, à votre initiative, alors que d'habitude les participants extérieurs à la délégation officielle ne l'étaient pas.
D'un point de vue prospectif, nous ne pouvons que regretter ce qu'ont annoncé les négociateurs du futur gouvernement et qui témoigne d'un manque d'ambition, tant sur le plan de la lutte contre le dérèglement climatique que sur les aspects sociaux. En tout cas, nous attendrons la note de politique générale afin de pouvoir l'analyser. Vous avez surtout insisté sur la nécessité de ne pas agir en silo et de mener la lutte contre le dérèglement climatique de manière transversale. Je me souviens qu'au début de votre mandat, vous aviez dit espérer que tous les ministres fédéraux soient des ministres du Climat. J'espère que, dans la future Arizona, il y aura au moins un ou une ministre du Climat qui soit conscient de ces enjeux. J'ai entendu les interventions intéressantes des collègues des Engagés et de Vooruit, en la personne de M. le président de la commission. J'espère donc que vous vous ferez les porte-voix de vos partis respectifs lors des négociations gouvernementales, puisque vous y participez. Je vous remercie de votre attention.
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, het zijn effectief moeilijke tijden voor het klimaat. Er is een negatief akkoord. Er was de verkiezing van Trump, ook niet direct een groene jongen. Het wordt effectief moeilijk om de norm van 1,5 graad te halen. Dat mag echter niet zorgen voor defaitisme. Elke tiende van een graad of zelfs maar honderdste van een graad die we kunnen reduceren, maakt een heel concreet verschil voor heel veel mensen. We moeten dus blijven vechten. Wij vragen ook dat u, zolang u minister bent, stappen blijft zetten.
We moeten eens kritisch kijken naar de klimaatdelegaties, naar het aantal ministers en lobbyisten in de delegatie. Misschien moeten we echter ruimer gaan en eens bekijken of we bijvoorbeeld ook de delegaties voor NAVO-reisjes kunnen reduceren.
Zakia Khattabi:
Je vais répondre à la dernière question, sur le PNEC.
Ik heb dus al een vergadering gehad met mevrouw Depraetere. Ik zal volgende week ook nog een vergadering houden met mijn Waalse collega.
C'est la Wallonie qui reprend la présidence de la Commission Nationale Climat (CNC) et il lui reviendra donc de reprendre en mains les discussions. L'échange que j'ai eu avec Mme Depraetere était plutôt positif.
J'ai demandé de pouvoir adresser un courrier à la Commission pour annoncer que le gouvernement flamand est mis en place, afin de suspendre la procédure qui est en cours. Je n'ai pas encore reçu le feu vert pour l'envoi de ce courrier. J'évoquerai tout cela la semaine prochaine avec ma collègue Neven. Il lui reviendra d'essayer de faire aboutir les discussions.
En ce qui concerne l'évolution sur ces dernières années, je pense que Glasgow a été un moment difficile pour certains pays du Sud avec un gros focus qui a été mis sur la mitigation. Il est vrai que les pays industrialisés prennent du temps à mettre en œuvre les engagements qu'ils ont pris, augmentant ainsi chaque année un peu plus la défiance. Nous l'avons vu pour le fonds de 100 milliards. Aujourd'hui, certains pays nous disent qu'il n'achèteront plus un chat dans un sac.
Par ailleurs, certains États, comme la République démocratique du Congo (RDC), ont vu leur rôle dans ce combat-là grandir. Au Brésil la déforestation a été d'une telle ampleur qu'aujourd'hui le poumon de la planèt a été déplacé en RDC. Forts de leur place dans le concert des nations en matière climatique, certains é tats durcissent légitimement leur position et attendent des pays industrialisés qu'ils soient plus à l'écoute de leur propre réalité.
La Belgique continue à avoir des liens à travers sa coopération au développement. C'est à travers notre politique de coopération au développement et des liens privilégiés avec certains États que les 200 millions sont répartis – c'était une question de Mme Deborsu – et que nous essayons de continuer à alimenter une relation de confiance qui est nécessaire dans ces discussions-là. Nous avons donc aussi une responsabilité dans la détérioration des relations, parce que, pour chaque engagement que nous prenons et que nous ne respectons pas, la défiance est nourrie.
Voorzitter:
Zijn er nog commissieleden die wensen te reageren? (Nee) Aan de orde is vraag nr. 56000999C van mevrouw Thémont, maar ze is niet aanwezig.
De koppeling van gunstige handelstarieven aan de bereidheid tot terugname van illegalen
Gesteld door
Gesteld aan
Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)
op 27 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de inefficiëntie van het EU-terugkeerbeleid en het voorstel om gunstige handelstarieven voor derde landen te koppelen aan hun medewerking bij terugname van illegale migranten. Sinds het Commissievoorstel (2021) zijn er beperkte stappen gezet, zoals diplomatieke afspraken en een voorstel om GSP-voordelen op te schorten bij non-coöperatie, maar concrete uitvoering blijft uit door vertraging in de EU-onderhandelingen. België steunt het gebruik van economische druk, maar Van Belleghem kritiseert het gebrek aan daadkracht en pleit voor eigen nationale maatregelen in plaats van afwachten op EU-actie. De kern: het huidige systeem moedigt illegale migratie aan, terwijl harde maatregelen uitblijven.
Francesca Van Belleghem:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
In april 2021 - al een hele poos geleden dus - stelde de Europese Commissie voor de gunstige handelstarieven die heel wat derde landen genieten in de toekomst (gedeeltelijk) afhankelijk te willen maken van hun bereidheid tot terugname van hun illegale onderdanen.
Dat was een opmerkelijk voorstel aangezien de EU steeds - op zijn zachtst gezegd - altijd uiterst terughoudend was in het gebruik van 'negatieve prikkels' om derde landen tot (meer) medewerking van hun illegaal hier verblijvende onderdanen te bewegen - zoals eind 2020 ook uit een lezenswaardig rapport van de Europese Rekenkamer was gebleken.
Het gunstregime dat heel wat landen genieten, is nu al gekoppeld aan voorwaarden zoals respect voor milieu, mensen- en arbeidsrechten en goed bestuur. In dit lijstje zou medewerking aan de strijd tegen illegale immigratie in ieder geval niet misstaan. Zeker gezien het feit dat – ik verwijs nogmaals naar het rapport van de Europese Rekenkamer – het huidige terugkeersysteem van de EU kampt met 'inefficiënties' die illegale migratie zelfs aanmoedigen. Dat daarin nog maar weinig verandering is gekomen, blijkt alleen al uit het feit dat het terugkeerbeleid de afgelopen weken opnieuw hoog op de (Europese) politieke agenda stond.
Graag een antwoord op volgende vragen:
Welke acties en beslissingen zijn er sinds de démarche van de toenmalige Europese Commissie in april 2021 concreet gevolgd?
Maakte de koppeling van gunstige handelstarieven (en andere voordelen) deel uit van de recente besprekingen op Europees niveau?
Zo ja, wat zijn de concrete plannen/toezeggingen op dat vlak?
Nicole de Moor:
Mevrouw Van Belleghem, u stelt me vooral vragen over het beleid van de Europese Commissie. Ik kan niet antwoorden namens de Commissie. Ik denk dat het nuttig zou zijn als u een collega in het Europees Parlement vraagt om die vraag aan de bevoegde Commissaris te stellen, maar ik wil u wel een aantal elementen meegeven.
Sinds april 2021 heeft de Europese Commissie diverse stappen ondernomen om de samenwerking met derde landen rond terugkeer te bevorderen. De Commissie bewandelt de diplomatieke weg in brede partnerschappen. In meer specifieke terug- en overnameakkoorden en -afspraken werden in enkele gevallen investeringen en handelssamenwerkingsvoordelen aan migratiesamenwerking gekoppeld.
U doelt ook op het idee om handelstarieven aan terugkeersamenwerking te koppelen in het kader van het Generalised Scheme of Preferences. Onder dat GSP biedt de EU een gunstige toegang tot haar markt aan ontwikkelingslanden. In 2021 heeft de Commissie een voorstel gedaan om deze gunstige voordelen voor een nieuwe periode van tien jaar te verlengen. Daarin was ook een hefboom opgenomen om deze landen aan te zetten tot samenwerking op het vlak van terugkeer van hun onderdanen. Dat betekent dat die gunstige handelsvoorwaarden zouden kunnen worden opgeschort als een land zijn terugnameverplichting niet nakomt.
De onderhandelingen met de Raad van het Europees Parlement konden niet tijdig worden afgerond, waardoor de van kracht zijnde voorwaarden werden verlengd, maar in de komende maanden zal het nieuwe Europees Parlement het dossier opnieuw kunnen behandelen.
Ook binnen de context van het Europese asiel- en migratiepact zijn terugkeer en samenwerking met derde landen centrale pijlers. De Commissie stelde bijvoorbeeld een return coordinator aan om de samenwerking te versterken en heeft ook financiering ingezet voor projecten die terugkeer en re-integratie ondersteunen.
Op vraag van de lidstaten, waaronder België, zal de Commissie ook een voorstel voor de herziening van de terugkeerrichtlijn indienen.
Met de Belgische steun heeft de Europese Raad in zijn conclusies van oktober 2024 nog maar eens herhaald dat de EU alle instrumenten moet gebruiken die ze bezit om het terugsturen van mensen zonder recht op wettig verblijf mogelijk te maken, met inbegrip van de economische instrumenten.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de staatssecretaris, ik dank u voor het antwoord. In 2021 is de Europese Rekenkamer met een onthutsend rapport gekomen. De conclusie van dat rapport was dat het huidige Europese terugkeersysteem net illegale immigratie aanmoedigt. Sinds 2021 is er fundamenteel niets veranderd. We kunnen alleen spreken van gemorrel in de marge. Als de EU talmt om handelstarieven, visumvrijstellingen, arbeidsmigratie en ontwikkelingshulp afhankelijk te maken van de terugkeer van illegalen, dan is het onze taak en rol als land om de juiste weg te tonen. Zorg er dus voor dat België de primus van de klas wordt en neem zelf op nationaal niveau al die maatregelen. Het heeft geen zin om altijd te herhalen wat de EU zou kunnen doen, maar wat nooit realiteit wordt. We zouden op nationaal niveau veel meer van ons moeten afbijten in plaats van altijd het schoothondje te spelen dat op alles ja knikt.
De opvolging van slachtoffers van mensenhandel
Gesteld door
Gesteld aan
Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)
op 27 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Borealisaffaire onthulde grootschalige mensensmokkel en uitbuiting van 138 (voornamelijk Filipijnse, Bengaalse en Turkse) werknemers op een bouwwerf, waarna 70 slachtoffers nog steeds worden begeleid via gespecialiseerde centra en tijdelijke verblijfsvergunningen elke zes maanden verlengd worden, afhankelijk van het lopende gerechtelijk onderzoek. Turkse werknemers (met een gecombineerde vergunning) verloren hun status als slachtoffer en kregen 90 dagen om een nieuwe werkgever te vinden, terwijl Filipijnen en Bengalezen (illegaal tewerkgesteld) wel erkend bleven en opgevangen worden door vzw Payoke. Structurele oplossingen vereisen betere interdepartementale samenwerking (federale/deelstatelijke inspecties, justitie, arbeidsauditoraten) en uitvoering van aanbevelingen uit het Rekhofonderzoek en het Sociale Dumping-rapport, om herhaling te voorkomen via strengere controles op detachering en arbeidsmigratie. Knelpunt blijft de versnipperde bevoegdheidsverdeling, die snelle opvolging en afstemming bemoeilijkt.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de staatssecretaris, ik heb de problematiek van de hele Borealisaffaire ook in het Vlaams Parlement opgevolgd. De belangrijke conclusie was dat we de hele procedure van alles wat met arbeidsmigratie te maken heeft, goed onder de loep dienden te laten nemen door het Rekenhof. Ik schets hier dan ook wat tijdens de zomer van 2022 is gebeurd, namelijk door de federale en Vlaamse inspectiediensten, tijdens een heel grote onderzoeksactie die is gevoerd naar mogelijke slachtoffers van mensenhandel op een bouwwerf van het chemiebedrijf Borealis in de Waaslandhaven.
De Vlaamse Dienst Economische Migratie besliste toen heel wat lopende arbeidskaarten bij onderaannemers Anki Technology en IREM stop te zetten. Een pak werknemers die aan de slag waren op de site van Borealis, al dan niet illegaal of zonder arbeidskaart, werd toen voorlopig erkend als slachtoffer.
Mijn vragen ter zake zijn voornamelijk gericht op het krijgen van een huidige stand van zaken in de hele Borealisaffaire, voornamelijk op het vlak van de slachtoffers. Zijn de slachtoffers nog in de procedure of worden zij nog opgevolgd door de diensten? Welke gevolgen zijn er op dit moment?
Een aantal slachtoffers werd tewerkgesteld bij een nieuwe werkgever. Blijkbaar was ook daar sprake van bepaalde wantoestanden die werden aangetroffen. Wat is daarvan aan?
Zijn de betrokkenen aan het werk met een single permit ? Welk verblijfsrecht hebben zij hier? Waren er mensen bij die gedetacheerd waren?
Op welke manier zult u ervoor zorgen dat dergelijke zaken niet opnieuw voorvallen? Welke grendels ziet u daarvoor mogelijk in het systeem?
Nicole de Moor:
Collega De Vreese, bedankt voor uw belangrijke vraag over een belangrijk onderwerp. Het gaat immers over situaties zoals we hebben gezien in de Borealiszaak, die absoluut vermeden moeten worden. Ik weet dat u er in het Vlaams Parlement heel erg mee bezig bent geweest.
Ik moet wel zeggen dat ik in deze commissie vaak vragen krijg die niet helemaal onder mijn bevoegdheid vallen. Er is niets zo vervelend als zeggen dat het iemand anders zijn of haar bevoegdheid is en ik zou graag meer antwoorden kunnen bezorgen over andere bevoegdheden, maar ik kan het helaas niet. Een volledige stand van zaken van het Borealisdossier betreft ook de stand van zaken in een gerechtelijk dossier, en daar kan ik u niets over zeggen. Opnieuw zal ik moeten verwijzen naar de minister van Justitie.
Ik geef u alle informatie over de bevoegdheden die ik zelf heb. Ik heb niet alle informatie over de begeleiding van slachtoffers van mensenhandel, want dat valt helaas ook niet onder mijn bevoegdheid, maar ik verwijs opnieuw naar de minister van Justitie.
Een vreemdeling die het slachtoffer is van mensenhandel verkrijgt in die hoedanigheid wel recht op voorlopig verblijf. Bij de eerste vaststelling ging het om 38 slachtoffers uit de Filipijnen, 30 slachtoffers uit Bangladesh en 70 slachtoffers uit Turkije. Later werden er nog bijkomende slachtoffers opgenomen in het volledige dossier.
Wat de Turkse onderdanen betreft, heeft de bevoegde magistraat al snel een einde gesteld aan het statuut slachtoffer van mensenhandel. Zij verbleven in België met een gecombineerde vergunning. Voor 71 slachtoffers, Bengalen en Filipijnen, werd de begeleiding opgestart door een gespecialiseerd centrum voor slachtoffers van mensenhandel en werd een verblijfsdocument aangevraagd. Op dit ogenblik zijn nog steeds 70 slachtoffers in begeleiding en één persoon is vrijwillig teruggekeerd naar het land van herkomst.
Zoals ik al zei, is het dossier nog lopende bij het arbeidsauditoraat Antwerpen. De tijdelijke verblijfskaart wordt elke zes maanden verlengd zolang de betrokkenen aan de voorwaarden blijven voldoen. In het dossier zijn er 26 Filipijnse onderdanen opgenomen als slachtoffer van mensensmokkel, met verzwarende omstandigheden. Dat is een inbreuk van artikel 77 quater . De Filipijnse onderdanen zijn allen in begeleiding bij de vzw Payoke.
De Bengaalse en Filipijnse slachtoffers waren onwettig op het grondgebied, hadden geen gecombineerde vergunning en waren niet aan het werk in het kader van een wettige detachering. De Turkse onderdanen waren in het bezit van een gecombineerde vergunning. Deze vergunningen werden ingetrokken om redenen van gebrek in de toelating tot tewerkstelling en deze beslissing behoort tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, maar dat kent u uiteraard zeer goed. Er werd hun door de Dienst Vreemdelingenzaken wel een termijn van 90 dagen toegestaan om een nieuwe werkgever te zoeken. Zij zijn niet in begeleiding bij een gespecialiseerd centrum voor slachtoffers van mensenhandel.
U stelde ook de vraag wat we zullen doen om ervoor te zorgen dat dit niet opnieuw gebeurt. Zoals ik al zei, is dat een zeer terechte vraag. Er werden verschillende maatregelen genomen met het oog op een betere controle van werknemers die in België tewerkgesteld zijn als gedetacheerden. De DVZ houdt ook regelmatig overleg met de betrokken actoren: de gewesten en gemeenschappen, het College van procureurs-generaal, de gespecialiseerde centra enzovoort.
Verscheidene aanbevelingen van de parlementaire commissie Mensenhandel worden vandaag geanalyseerd of uitgevoerd. Die maatregelen vallen onder de bevoegdheid van heel wat departementen, zoals Werk of Sociale Zekerheid. Een en ander kunt u ook nalezen in het rapport Sociale Dumping van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). Volgens mij is het overduidelijk dat we, om deze problematiek op te lossen, met heel veel verschillende departementen moeten samenwerken, zowel in de deelstaten als bij de federale overheid.
Maaike De Vreese:
Onze procedure betreffende mensenhandel is, zeker op het vlak van verblijfsrecht, al jaar en dag iets waar men internationaal naar komt kijken; ze zit ook goed in elkaar. Zo’n grootschalige zaak is echter ook voor ons nieuw. Nu zullen we heel goed moeten bekijken hoe we omgaan met de slachtoffers, waar ze opgevangen kunnen worden en wie precies welke taak heeft in de hele procedure, tot en met de opvolging. Er is dus werk aan de winkel om over de verschillende niveaus heen aan de slag te gaan met de aanbevelingen en de op handen zijnde studie van het Rekenhof.
De voorstellen van de EIB aangaande de kapitaalmarktenunie
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 26 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België pleit voor een versterkte rol van de EIB als katalysator voor de Kapitaalmarkunie (UMC), met focus op groene/digitale obligaties, risicokapitaal voor KMO’s en uitbouw van private-equity- en titrisatiemarkten. Van Peteghem benadrukt dat de EIB haar instrumenten moet uitbreiden om de groene/digitale transitie en innovatiekloof te financieren, maar dat samenwerking tussen alle 27 lidstaten essentieel blijft. Concreet wacht men nu op voorstellen van de nieuwe Europese Commissie om de UMC verder te integreren. Unanimiteit binnen de eurozone of EU-27 wordt als moeilijk haalbaar gezien.
Hugues Bayet:
Monsieur le ministre, la Banque européenne d'investissement (BEI) a présenté aux ministres des Finances de la zone euro lundi 7 octobre des propositions qui permettraient à la banque de donner vie aux projets de l'Union des marchés de capitaux (UMC) et d'acheminer des fonds vers les entreprises européennes qui cherchent à se développer. Il s'agit d'une bonne nouvelle. Il semble néanmoins qu'il soit illusoire d'avancer à 27 ni même au sein de tout l'Eurogroupe.
Quelle position avez-vous défendue lors de cette réunion?
Vincent Van Peteghem:
Lors des réunions européennes, j’ai toujours défendu l’idée que la Banque européenne d’investissement (BEI) devait continuer à jouer un rôle de catalyseur important dans l’approfondissement de l’union des marchés des capitaux (UMC). C’est pourquoi j’ai également invité Mme Calvi ñ o, présidente de la BEI, au Conseil Ecofin informel qui s’est tenu à Gand en début d’année. La BEI dispose déjà d’un certain nombre d’instruments de financement clés dans le contexte des marchés des capitaux européens. La BEI, entre autres, joue un rôle important dans l’émission et l’achat d’obligations vertes et numériques et est un acteur clé lorsqu’il s’agit de fournir du capital-risque aux entreprises en croissance, plus particulièrement aux PME. En plus, la BEI a un rôle important à jouer dans le développement des marchés du capital-investissement et du marché de la titrisation de l’Union européenne. À l’avenir, la BEI devra également développer davantage ses instruments car des sommes énormes seront nécessaires pour réussir la transition verte et numérique, mais également pour combler de déficit de connaissances et d’innovation. Il est par ailleurs bien sûr important d’impliquer les 27 É tats membres dans l’approfondissement de notre union des marchés des capitaux. Pour l’instant, nous attendons qu’au cours de la période à venir, la nouvelle Commission européenne fasse des propositions pour intégrer et approfondir davantage nos marchés des capitaux européens.
De manier waarop de douanediensten zich aanpassen aan de nieuwe strategieën van drugssmokkelaars
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 26 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De succesvolle operatie White Sea (gerichte internationale samenwerking tegen cocaïnesmokkel via alternatieve methodes zoals coque-bevestiging en kleinere schepen) toont effectiviteit, met een dalende trend in Anvers maar verschuiving naar Zeebruges en binnenlanden. Minister Van Peteghem benadrukt versterkte controles (50 extra medewerkers + scanners in Zeebruges), multidisciplinaire samenwerking (Europol, Frontex) en innovatie (nieuwe detectietechnieken) om mutaties in smokkelroutes voor te blijven, terwijl budgetten beschikbaar zijn maar blijvende aanpassing vereisen. Consumptie daalt niet, en trafiekanten passen tactieken aan (kleinere zendingen, vermenging met legale lading), wat voortdurende anticipatie vraagt. Crucke onderstreept de noodzaak van proactieve innovatie om de "voorsprong" van criminelen te neutraliseren.
Jean-Luc Crucke:
L'opération White Sea vient de se clôturer avec succès, à la fois pour les douanes belges mais aussi pour les douze pays européens partenaires et Europol. Lorsque les choses fonctionnent, il faut pouvoir le dire et c’est aussi mon objectif. Une baisse est également constatée dans les saisies de cocaïne au port d’Anvers pour la première fois depuis dix ans. Le système mis en place semble donc fonctionner.
Toutefois, j’aimerais vous entendre sur une forme de changement dans le transport de stupéfiants qui est aujourd’hui observé, impliquant une modification des manières de procéder. La consommation, quant à elle, ne diminue malheureusement pas.
Monsieur le ministre, comment évaluez-vous la coopération internationale dans le cadre de l'opération White Sea? Quelles leçons en tirez-vous et quelles en seront les conséquences à moyen et long terme?
Comment analysez-vous le processus de mutation? L’efficacité accrue de la lutte au port Anvers a entraîné un déplacement du trafic vers le port de Zeebruges ou même vers des ports situés davantage à l'intérieur des terres. Disposez-vous à cet égard d’une stratégie, d’informations et de recommandations à appliquer?
Le succès de la lutte contre ce trafic découle bien évidemment des moyens budgétaires disponibles. Les budgets nécessaires sont-ils mis à disposition à cet effet?
Vincent Van Peteghem:
L’opération White Sea IV vise la contrebande de cocaïne dans la partie européenne de l’Atlantique et de la mer du Nord et se concentre explicitement sur les méthodes de contrebande alternatives, telles que l’attachement à la coque, le drop off , l’utilisation de navires plus petits et l’implication de l’équipage.
Les douanes belges ont pris l’initiative de l’opération White Sea en partie parce qu’elles craignent d’éventuelles mutations des trafics dues à une surveillance accrue dans le port d’Anvers. L’utilité de telles opérations réside dans la mise en commun des connaissances, des compétences et des moyens de contrôle des organisations partenaires nationales et internationales.
La plateforme Impact et des organisations telles que Frontex, Europol et MAOC jouent, en ce qui nous concerne, un rôle crucial de facilitateur. Une approche multidisciplinaire, une analyse commune des risques, des formations et des inspections permettent d’acquérir de nouvelles connaissances et compétences qui sont ensuite intégrées dans les opérations régulières.
Chaque édition de White Sea est suivie d’une évaluation à l’issue de laquelle la portée de l’édition suivante est déterminée en collaboration avec les partenaires.
Bien que les douanes disposent d’indications suffisantes pour affirmer que d’autres méthodes de contrebande sont de plus en plus utilisées, il n’est pas possible à ce stade de conclure que cela expliquerait en grande partie la baisse des saisies à Anvers. D’autres facteurs entrent également en ligne de compte, comme le fait d’expédier de plus petits envois afin de répartir les risques et de mélanger ou de dissoudre la cocaïne dans d’autres marchandises, ce qui complique la détection.
Outre les investissements importants réalisés à Anvers, d’autres ports bénéficient également de l’attention nécessaire. Pour Zeebruges, en particulier, le budget a déjà été prévu pour le recrutement de 50 nouveaux collaborateurs destinés à des tâches de scanning et de surveillance. Les procédures de recrutement externe nécessaires ont été lancées. Deux scanners mobiles ont également été commandées.
Les douanes continuent de rechercher de nouveaux itinéraires de contrebande et de nouveaux modes opératoires. Des efforts considérables sont déployés pour coopérer avec la police judiciaire fédérale. Des accords avec la Marine et la police de la navigation permettent aux douanes d’agir également en mer.
Compte tenu du caractère international de la contrebande de cocaïne, la coopération avec l’étranger est essentielle, tant avec les pays européens qu’avec les pays source. Dans ce domaine, les douanes utilisent au maximum les ressources fournies par des agences telles que Frontex et Europol et d’autres initiatives européennes.
Une mutation vers de nouveaux modes opératoires et de nouveaux points d'entrée influencés par une pression de contrôle accrue à Anvers est probable. Cette évolution est déjà partiellement prise en compte dans le projet existant mais les douanes doivent continuer à innover en termes de méthodes d'inspection et d'outils technologiques. L'un des objectif de White Sea est d'expérimenter de nouvelles choses pour aider à déterminer les ressources dont les douanes devraient disposer à l'avenir.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je voudrais m'associer aux félicitations adressées au service des douanes. Sa mission est difficile mais quand il est à ce point performant dans cette opération White Sea, il faut pouvoir le souligner. J'entends que des éditions vont se répéter, je pense que c'est utile. J'entends également que des moyens techniques et en personnel ont été déployés pour le port de Zeebruges. Monsieur le ministre, on a parfois l'impression que les trafiquants ont un coup ou une imagination d'avance. La seule manière de répondre à cela est d'avoir des innovations d'avance. Il faut non seulement être à la page mais aussi anticiper et y mettre les moyens quand c'est possible. C'est l'engagement que vous avez pris et j'en prends note.
De vooruitzichten inzake de afloop van de douanegeschillen op Liege Airport
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 26 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Jean-Luc Crucke (ex-minister) vraagt hoe Luik Airport’s douaneconflicten (jurisprudentie, fraude vs. *business-friendly* balans) verzoend kunnen worden met dalende ontvangstvolumes maar stijgende staatsinkomsten, en pleit voor administratieve vereenvoudiging. Van Peteghem wijst op EU-hervormingen (o.a. *MyCustoms*, datagedreven risicoanalyse, afschaffing 150€-drempel) en technologische oplossingen (DPP-controles vanaf 2027), maar ontwijkt de specifieke Luikse litiges—verwijzend naar een eerdere schriftelijke antwoord (q28)—wat Crucke onbevredigend vindt. Kern: spanning tussen fraudebestrijding en efficiëntie blijft onopgelost door gebrek aan concrete afstemming op lokale conflicten. EU-herstructurering en digitalisering zijn noodzakelijk, maar praktische uitvoering ontbreekt nog.
Jean-Luc Crucke:
Merci monsieur le président. Je connais un peu mieux le dossier de Liege Airport pour avoir été ministre des Aéroports pendant cinq ans en Wallonie et je peux dire que les douanes font un travail très remarquable. Je regrettais de ne pas toujours pouvoir disposer du personnel adéquat, mais ce sera l'objet d'une autre question.
Dans le cas présent, je voulais revenir sur ce que la presse a appelé un changement jurisprudentiel éventuel sur la question, où procédures et services douaniers s'opposent parfois. Par exemple un entrepôt logistique qui estime avoir été surpris par la réactivité – à juste titre ou pas – des douaniers. Le constat est simple: d'abord on a des volumes qui sont en diminution sur le plan des dédouanements mais on a en même temps une augmentation des recettes de l'État. L'administrateur général des douanes disait qu'il essayait de concilier une approche favorable aux entreprises tout en ayant un renforcement de la lutte contre la fraude. Est-ce que les deux sont compatibles? That's the question comme dirait l'autre et je me demande si c'est bien cela qu'on recherche.
Quelle est votre analyse sur le sujet? Sur la politique menée? Quelle est la lecture que vous faites? Comment sauvegarder un environnement qu'on pourrait qualifier de business friendly et en même temps le renforcement de la lutte contre la fraude? N'a-t-on pas aussi en la matière une politique de simplification des procédures douanières ou de simplification administrative à mener, laquelle pourrait viser à la fois l'efficacité par rapport à la fraude et en même temps une efficacité par rapport aux recettes?
Vincent Van Peteghem:
Monsieur le député, si je comprends bien vous avez déjà déposé une question écrite précédemment sur ce dossier de Liege Airport?
(…) : …
Vincent Van Peteghem:
Excusez-moi, je n'ai pas bien compris.
Jean-Luc Crucke:
J'ai justement essayé de ne pas mélanger les deux… Ici je suis sur la jurisprudence et après je reviendrai sur les effectifs.
Vincent Van Peteghem:
L'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) travaille sur une nouvelle application de contrôle intégrée, MyCustoms, qui vise à améliorer l'efficacité des contrôles. Cela ne suffira pas. Des réformes législatives au niveau de l'Union européenne sont nécessaires pour répondre aux immenses volumes d'importation.
Des éléments clés, tels que l'introduction de la plateforme des données douanières de l'Union européenne et de l'autorité douanière de l'Union européenne, ainsi que le concept d'importateur présumé, seront essentiels. Enfin, il faudra également veiller à ce qu'il y ait suffisamment de personnel pour effectuer les contrôles nécessaires.
L'administration participe actuellement à un certain nombre de projets de recherche visant à déterminer la technologie la plus efficace pour contrôler le commerce électronique.
Au sein du département de gestion des risques, il a été décidé, compte tenu des volumes élevés d'envois dans le cadre du commerce électronique, de développer une analyse des risques fortement axée sur les données et de s'appuyer sur des techniques avancées d'analyse et d'exploration des données pour la sélection des colis suspects.
Comme pour les autres flux d'importation, des profils de risque sont élaborés pour ces types d'envoi. Ces profils sont périodiquement évalués et, si nécessaire, ajustés sur la base notamment des résultats des contrôles effectués sur le terrain. Le travail s'effectue aussi, autant que possible, de manière dynamique en mettant en évidence les tendances et certains thèmes qui sont pertinents pour le commerce électronique à un moment donné.
Les négociations concernant le paquet de réformes douanières, y compris la suppression du seuil de franchise des droits de douane de 150 euros, sont toujours en cours au sein du Conseil de l'Union européenne. La suppression de ce seuil est de nature à garantir l'égalité de traitement.
Les contrôles des plateformes en ligne relèvent de la compétence des autorités de surveillance du marché compétentes, en fonction de la catégorie de produits proposés en ligne.
Le Digital Services Act ajoute des obligations supplémentaires. Chaque État membre dispose d'un coordinateur Digital Services Act. En Belgique, l'IBPT assume ce rôle.
Les négociations sur le paquet de réformes douanières, y compris la plateforme des données douanières de l'Union européenne, sont toujours en cours au sein du Conseil de l'Union européenne. La plateforme des données douanières de l'Union européenne n'existe pas encore.
Des contrôles effectifs du passeport numérique de produits, appelé aussi DPP, sont prévus d'ici 2027. L'impact sur les contrôles douaniers est le suivant. Les autorités douanières doivent vérifier l'existence de ce DPP et sa correspondance avec la déclaration en douane. L'autorité de surveillance du marché est responsable des contrôles de fond sur le DPP.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, j'ai un problème. Je vous ai parlé de la question 12 et vous me répondez au sujet de la question 27 ou 26, en fonction. Ma question 12 concerne les perspectives concernant l'issue des litiges douaniers à Liège Airport.
Vincent Van Peteghem:
La réponse préparée pour moi indique que je m'en réfère à la réponse à la question écrite n°28 qui vous a été transmise le 7 novembre.
Jean-Luc Crucke:
Elle a été transformée en question orale parce que nous n'avions peut-être pas encore la réponse à ce moment-là. Donc votre réponse concerne une autre question. Je vous la reposerai plus tard.
Voorzitter:
Vous avez trois minutes pour répliquer à la réponse du ministre.
Jean-Luc Crucke:
Non je la reposerai après car j'ai encore une autre question.
Voorzitter:
Puis-je clore l'incident, monsieur Crucke? (Oui)
De bestrijding van de sigarettensmokkel door de douane en een douanekantoor in Charleroi
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 26 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Belgische douane demantelde in 2024 recordaantal illegale sigarettenfabrieken, vooral rond Charleroi, wat vragen oproept over de verhuizing van de rechercheafdeling naar Mons in 2019. Minister Van Peteghem verdedigt de centralisatie door het beperkte vrachtverkeer in Charleroi en benadrukt dat Mons een breder werkgebied bestrijkt, met flexibele inzet van teams over regio’s heen, gezien de nationale en internationale spreiding van criminelen. Criticus Bayet betwist de logica: als meeste succesvolle onderzoeken in Charleroi plaatsvinden, is de verhuizing tegenstrijdig en eist hij concrete cijfers om de efficiëntie van Mons te staven.
Hugues Bayet:
C'est une bonne nouvelle que la presse a récemment apportée puisque, pour le budget de l'État, les douanes belges battent tous les records cette année: déjà 12 usines de cigarettes démantelées aux quatre coins du pays.
On doit évidemment féliciter les équipes qui travaillent sans relâche. Sur la carte des sites démantelés en 2024, on peut s'apercevoir que la majorité se trouvent aux alentours de la ville de Charleroi. Ce n'est pas une surprise vu la présence de l'aéroport.
À ce titre, il y a quelques années, les services de douane de Charleroi s'étaient émus (à raison, me semble-t-il) de leur futur déménagement à Mons. Les faits leur donnent raison au regard des sites géographiques démantelés.
Quel regard portez-vous sur la situation? Ne faudrait-il pas recréer une antenne à Charleroi pour être encore plus efficace en la matière, au vu de la position de la Belgique comme plaque tournante?
Vincent Van Peteghem:
En 2019, il a été décidé de fusionner l'Inspection de Recherche de Charleroi et celle de Mons pour des raisons logistiques et opérationnelles. L'aéroport de Gosselies se concentre principalement sur le transport des passagers sans flux de fret ou de commerce électronique, ce qui distingue Charleroi d'autres aéroports tels que Bierset et Zaventem, lesquels ont d'importants flux de fret et où la présence d'une inspection de recherche est essentielle.
Comme l'activité du fret à Charleroi est limitée, la décision a été prise de centraliser les inspections de recherche à Mons, qui joue depuis des années un rôle important dans la lutte contre la contrebande et la fraude transfrontalière dans le Sud du pays. L'Administration générale des Douanes et Accises reste également active dans la région de Charleroi par le biais de contrôles de première ligne à l'aéroport de Gosselies, où l'accent est mis sur les flux de passagers et les contrôles de sécurité.
Par ailleurs, l'Inspection de Recherche de Mons est compétente pour les arrondissements judiciaires de Namur et du Hainaut. Il convient de noter aussi que la localisation géographique d'une inspection de recherche n’est qu'un des critères pris en compte dans l'attribution des enquêtes. Parfois, des enquêtes volumineuses sont confiées à plusieurs services de recherche et les services se prêtent mutuellement assistance dans le cadre de leur enquête respective. Une répartition et un fonctionnement stricts par région n'est donc pas toujours d'application. Ces dernières années, il ressort des enquêtes qu'une organisation criminelle utilise plusieurs localisations réparties sur tout le territoire national ainsi qu'à l'étranger, ce qui rend la délimitation d'une inspection de recherche par région moins pertinente.
La structure actuelle de l'Administration Recherche permet un déploiement efficace des ressources et s'adapte facilement à l'évolution des circonstances et des modèles de fraude en Belgique.
Hugues Bayet:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Je comprends les principes de la fusion. Cela dit, il conviendrait d'analyser les enquêtes qui ont abouti dans la région de Mons et celles qui ont abouti dans celle de Charleroi. Si le plus grand nombre d'enquêtes ayant abouti sont à Charleroi, alors cela n'a pas beaucoup de sens de déplacer les recherches à Mons. En revanche, si vous parvenez à démontrer que la localisation à Mons facilite davantage l'élucidation de toutes ces enquêtes, cela peut se justifier. Or, dans votre réponse, je ne trouve pas une telle justification. Par conséquent, je vous adresserai une question écrite plus précise. Je vous remercie.
De uitdagingen voor de douanediensten als gevolg van de toename van e-commerce
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 26 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Belgische handelaren (Comeos) klagen over oneerlijke concurrentie door minieme douanecontroles (0,005%) op online importcolis (vooral uit China) onder €150, terwijl lokale winkels wel strikt gecontroleerd worden. Crucke dringt aan op strengere controles, betere samenwerking tussen douanes, en toepassing van DSA/DMA om transparantie en traceerbaarheid te garanderen, maar Van Peteghem verwijst naar een eerdere reactie zonder verdere toelichting. De kwestie blijft onopgelost, met belofte van opvolging.
Voorzitter:
Vous avez déjà reçu la réponse, mais prenez la parole!
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le président, je ferai comme si je ne l'avais pas encore reçue!
Personne ne contestera, monsieur le ministre, le boom du commerce en ligne! Cela ne fait pas que des malheureux: en Belgique, environ 2,5 millions de colis sont importés quotidiennement (généralement de Chine – appelons un chat un chat!). Cela a suscité la réaction de 70 enseignes commerciales, toutes affiliées à Comeos, dans une lettre ouverte adressée aux autorités européennes et belges. Elles ne regrettent évidemment pas le boom du commerce mais s'inquiètent en revanche du fait que le jeu ne soit pas équitable. Pour étayer leurs propos, remarquons que seulement 0,005 % des colis seraient contrôlés, autant dire rien. Par contre, dans d'autres cas, tout est contrôlé. Ils voient là une injustice flagrante.
Les commerçants belges demandent un renforcement des contrôles douaniers, un contrôle physique ou en ligne, une inspection des douanes qui soit versée sur les valeurs de moins de 150 euros. Je crois que le fait qu'en dessous de 150 euros, il n'y a pas de contrôle représente un vrai problème, à en juger par le nombre de fois où, durant la campagne électorale, on m'en a parlé. Je peux témoigner que de nombreuses entreprises se sentent lésées en la matière, et demandent l'application du DSA et du DMA et l'amélioration des échanges douaniers entre pays.
Les faits relatés sont-ils corrects en ce qui concerne les contrôles? Comment la douane peut-elle s'adapter? Comment favoriser une meilleure collaboration? Comment appliquer le DSA et le DMA? Comment renforcer la transparence et la traçabilité des produits en ligne pour ne pas provoquer l'épuisement et l'écroulement de nos entreprises belges?
Vincent Van Peteghem:
Monsieur Crucke, j'ai déjà répondu à cette question au point n° 12. Excusez-moi, mais je ne vais donc pas me répéter.
Voorzitter:
C'est peut-être mieux pour le compte rendu. Monsieur Crucke, vous pouvez donc répliquer.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le président, je remercie le ministre pour sa réponse, mais je resterai très attentif à l'évolution de ce dossier.
De betoging van gisteren en het regeringsstandpunt over het akkoord met Mercosur
De betoging van de landbouwers
Het standpunt van België inzake het EU-Mercosur-vrijhandelsakkoord
De betoging van de landbouwers tegen het Mercosur-vrijhandelsakkoord
De woede van de landbouwers
De betoging van de landbouwers
De Mercosur-onderhandelingen en de gevolgen voor de Belgische land- en tuinbouwers
Betogingen landbouwers, EU-Mercosur-akkoord, Belgische landbouw.
Gesteld aan
Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen), David Clarinval (Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Institutionele Hervormingen)
op 14 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om felle kritiek op het EU-Mercosur-akkoord, dat door landbouwers, oppositie en zelfs regionale MR-regeringen wordt afgewezen om drie redenen: oneerlijke concurrentie (geen gelijke sanitaire/ecologische normen), bedreiging van gezondheid (pesticiden in geïmporteerd voedsel) en milieuschade (versnelde Amazone-ontbossing). Minister Clarinval (MR) bevestigt dat België *geen akkoord steunt zonder bindende spiegelclausules* en pleit voor EU-brede garanties, maar blijft vaag over concrete acties of een *blokkerend nee* – wat tegenstanders (PS, Ecolo, cd&v) onvoldoende vinden. Dringende landbouwcrisissen (fièvre catarrhale, taalblaauw) verergeren het wantrouwen: vaccinatie wordt verplicht maar *niet gratis* (vs. Frankrijk), en boeren eisen *structurele oplossingen* (eerlijke prijzen, minder administratie) in plaats van compensaties. Polarisatie blijft tussen *vrijhandelsvoorstanders* (N-VA, deel MR) en *beschermers* (Wallonië, PS, Groenen), met oproepen tot een *Belgische frontvorming* tegen het akkoord.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, hier après-midi à Bruxelles défilaient des agriculteurs. Ils manifestaient contre un accord entre l'Union européenne et les pays du Mercosur et s'opposaient notamment à la concurrence déloyale qu'introduirait cet accord. Celui-ci représente une triple menace: une menace pour notre santé, une menace pour nos agriculteurs et une menace pour notre environnement. Sur le plan sanitaire également, cet accord permettrait d'importer des produits agricoles qui ont été cultivés avec des pesticides qui sont pourtant interdits ici. Il est incompréhensible à nos yeux que des substances jugées dangereuses pour notre santé et notre environnement puissent se retrouver dans nos assiettes via des produits importés et donc entraîner un impact sur la santé de nos concitoyens. C'est totalement absurde.
Comme je l'ai dit, cet accord introduit une concurrence déloyale pour nos agriculteurs. En effet, tandis qu'eux respectent des règles sanitaires et environnementales, ces produits importés, en revanche, ne suivent aucune norme équivalente. Cet accord menace l'avenir de notre agriculture et met en danger notre autonomie alimentaire.
Enfin, sur le plan environnemental, ce texte favorise la déforestation de l'Amazonie, qui est un écosystème essentiel pour le climat, pour la biodiversité mondiale et donc pour notre santé.
Monsieur le ministre, quelle position vous inspire cet accord, compte tenu de la menace qu'il représente pour notre santé, l'avenir de nos agriculteurs et la survie de notre planète? Je rappelle que la majorité wallonne, dans laquelle siège le MR, a approuvé le rejet de cet accord. Si vous y êtes favorable, alors que vos homologues wallons le rejettent, quelles garanties concrète pouvez-vous nous apporter comme ministre fédéral afin de protéger les citoyens, soutenir nos agriculteurs et préserver l'environnement?
Benoît Lutgen:
Monsieur le ministre, la situation du monde agricole et singulièrement des éleveurs est dramatique. En début d'année, c'était l'inquiétude. C'est maintenant une forme de désespoir qui s'est emparée de nos fermes. Ceci est lié notamment à la fièvre catarrhale.
Le premier volet de mes questions concerne la fièvre catarrhale ovine (FCO) et la maladie hémorragique épizootique (MHE). Pourquoi, en son temps, avez-vous décidé de supprimer le financement des analyses FCO et MHE, et donc de baisser la garde épidémiologique au niveau belge? Par rapport à la vaccination, pourquoi attendre pour la rendre obligatoire? Quels financements sont-ils prévus pour qu'elle soit gratuite, comme c'est par exemple le cas en France, pour soutenir les agriculteurs, sachant que les trésoreries sont en grande difficulté et qu'ils n'ont pas la possibilité aujourd'hui de débourser de l'argent pour cette vaccination? La vaccination n'est pas la solution à tous les problèmes. Le gouvernement wallon a pris des mesures que je salue en termes d'indemnisation mais l'urgence de la surveillance et de la vaccination est très importante pour l'ensemble des éleveurs.
Le deuxième volet concerne la manifestation d'hier liée au Mercosur et à ses éventuels accords futurs. Quelles actions avez-vous menées au niveau européen? Comment avez-vous porté la voix la Belgique? Des contacts ont-ils été pris ces derniers jours ou dernières semaines avec la France notamment, qui est très engagée contre ces accords avec le Mercosur? Rejoignez-vous la position du gouvernement wallon, du Parlement wallon dans son ensemble contre ces accords qui, je le rappelle, représentent un danger pour la santé des consommateurs ainsi qu'une forme de gifle pour nos agriculteurs puisque les mêmes normes ne sont pas appliquées? L'année dernière, pour la première fois, le Parlement européen avait voté des clauses miroirs. J'espère que vous pourrez les porter également au niveau du Conseil européen pour que ce ne soit pas uniquement le cas dans les accords du Mercosur mais dans tous les accords de libre-échange, et ce, afin que cette concurrence loyale soit synonyme de protection pour notre agriculture.
François De Smet:
Monsieur le ministre, il y a de grandes questions face auxquelles l’être humain reste sans réponses: quelle est l’origine de la vie? Sommes-nous seuls dans l’univers? Et surtout, aujourd’hui: quelle est la position de la Belgique sur le traité européen avec le Mercosur? En effet, rien ne va dans cette affaire: rien ne va dans le fait d’échanger des voitures allemandes contre des steaks argentins et rien ne va dans le fait de précariser des agriculteurs et des éleveurs, présents en nombre hier dans les rues de Bruxelles, en les mettant face à une concurrence déloyale.
Comme beaucoup ici, je suis favorable au principe du libre-échange. Mais l’échange cesse d’être libre dès lors que les conditions sont à ce point déloyales. Nos éleveurs et nos agriculteurs ont raison de demander au monde politique, et notamment au monde politique fédéral chargé de coordonner le dossier, une clarification qui, pour l’instant, ne vient pas. C’est aussi, comme l’a souligné ma collègue, une absurdité sur les plans environnemental et climatique. Il est temps que l’Union européenne se dote à nouveau d’une forme de protectionnisme intelligent. Nous n’avons sans doute pas à ce point besoin de biens venus de l’autre côté de la planète, alors que nous disposons de produits équivalents ici.
Je vous accorde que, politiquement, l’affaire n’est pas simple: la Commission européenne insiste pour conclure un accord, de grands pays comme l’Espagne et l’Allemagne sont extrêmement favorables au traité avec le Mercosur, la France semble vouloir s’y opposer, alors que d’autres pays se tâtent encore. Pour la Belgique, on ne sait pas. Il semblerait que la Flandre, et donc la N-VA, penche davantage en faveur d’un accord avec le Mercosur.
Monsieur le ministre, vous contenterez-vous, comme c’est malheureusement souvent le cas, d’une molle abstention, ou obtiendrez-vous des garanties, une clause miroir, ou carrément un refus qui permettra de montrer que nous avons écouté nos éleveurs et nos agriculteurs qui sont très légitimement inquiets?
Leentje Grillaert:
Mijnheer de vice-eersteminister, gisteren kwamen bezorgde landbouwers opnieuw op straat in Brussel om terecht de toenemende druk op hun sector aan te klagen. De toekomst van de landbouw in België en Europa staat onder grote druk. Het Mercosur-akkoord in zijn huidige vorm is nefast voor hun toekomst. Het huidige Mercosur-handelsverdrag houdt voor cd&v te weinig rekening met de bezorgdheden van onze landbouwsector. Er is momenteel geen gelijk speelveld tussen de Europese landbouw en de Mercosur-landen. Wij vrezen vooral dat de oneerlijke concurrentie en de extra milieunormen die niet van toepassing zullen zijn op de ingevoerde producten, veel landbouwers de das zullen omdoen.
Net in moeilijke tijden als deze kan de sector dit missen als kiespijn. Het is voor cd&v zeer belangrijk dat de ingevoerde producten aan de geldende Europese kwaliteitsvereisten voldoen. Met spiegelclausules in dit handelsakkoord zouden we ervoor kunnen zorgen dat de Mercosur-exporteurs dezelfde normen naleven als de Europese boeren. De Franse eerste minister Barnier treedt ons hierin bij. Hij gaf gisteren te kennen aan voorzitter von der Leyen van de Europese Commissie dat het huidige akkoord niet aanvaardbaar is voor Frankrijk. Sterker nog, het gaat niet over punten en komma’s die de Fransen anders willen zien, maar over structurele aanpassingen om een desastreuze impact op de volledige landbouwsector te vermijden.
Minister Lahbib verklaarde vorige week in de plenaire vergadering dat het voor deze regering een prioriteit blijft om bij elk gesloten handelsakkoord de landbouwsector te beschermen.
Mijnheer de vice-eersteminister, zal België het voorbeeld van Frankrijk volgen om op de rem te staan bij de onderhandelingen, om zo toch een evenwichtig handelsakkoord zonder negatieve gevolgen voor de landbouwsector te bereiken?
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, ce n’est pas la première fois, et malheureusement pas la dernière, que je m’inquiète au sein de cet hémicycle de la situation de notre agriculture.
Vous vous souviendrez qu’en début d’année, les agriculteurs étaient dans la rue pour crier leur colère. Ce qu’ils réclamaient à l’époque était légitime: la simplification administrative, un prix juste pour leur travail et évidemment du bon sens dans les accords commerciaux. C’étaient leurs revendications principales et elles étaient claires.
Que s’est-il passé depuis leur action? Je serais tenté de dire: peu de choses. Vos collègues et vous-même aviez promis de les écouter mais surtout de les aider. Malheureusement, près d’un an plus tard, les résultats ne sont pas à la hauteur de leurs attentes. Hier, j’étais aux côtés des agriculteurs dans le quartier européen. Leur colère reste intacte. Ils ont la désagréable impression de ne pas avoir été entendus; pire, de ne pas avoir été compris.
On leur dit aujourd'hui que l’accord avec le Mercosur pourrait être signé prochainement. De notre côté, au Parti Socialiste, notre position est limpide puisque nous nous opposons depuis de le début à ce traité de libre-échange. Pour nous, il n’est pas envisageable qu’on puisse échanger du bœuf argentin contre des voitures allemandes. La position de votre parti est un peu moins claire car nous avons parfois l’impression qu’il y a un MR des champs et un MR des villes.
Enfin, monsieur le ministre, que dire de la maladie de la langue bleue qui ne cesse de progresser dans notre pays? Là aussi, qu’avez-vous fait? Malheureusement, rien ou si peu. Comment, d’ailleurs, expliquer à nos agriculteurs que le vaccin que vous rendez obligatoire soit gratuit en France et payant en Belgique?
Monsieur le ministre, quel est aujourd'hui votre message au monde agricole? Quelle est la position de la Belgique sur l’accord avec le Mercosur? Allons-nous enfin avoir une position commune ferme contre ce traité de libre-échange? Quelle est votre stratégie pour compenser les pertes liées à la fièvre catarrhale?
Benoît Piedboeuf:
Chers collègues, monsieur le ministre, voici justement le MR des champs! Les tracteurs sont revenus hier à Bruxelles. Ils ne l'ont pas fait avec violence ni en masse, mais comme un geste symbolique pour se rappeler à notre bon souvenir. En effet, on sait que l'agriculture ne va pas bien. Il y a eu des améliorations mais on sait que le secteur va mal et que le problème est justement de pouvoir appliquer un juste prix.
Au moment où l'on parle de juste prix, on entend qu'il se pourrait que la Commission ait ratifié l'accord entre l'Union européenne et le Mercosur, avec évidemment des clauses agricoles qui peuvent inquiéter nos éleveurs et nos producteurs parce que tous les producteurs de ces pays ne sont pas soumis aux mêmes règles sanitaires, phytosanitaires, environnementales que les nôtres. On risque donc d'avoir des produits qui n'ont pas la même qualité, d'une part, et qui, d'autre part, sont soumis à beaucoup moins de contraintes.
On parle de compensations mais la FUGEA a dit qu'elle n'était pas là pour avoir des compensations financières mais pour pouvoir pratiquer un juste prix dans des conditions de concurrence loyale. La Région wallonne a pris une position claire: pas de ratification du traité du Mercosur sans clauses miroirs. Monsieur le ministre, vous avez déjà évoqué cela aussi.
Je voudrais savoir quelle est votre position spécifiquement sur cet accord, sachant qu'il y a aussi des intérêts, notamment par rapport à l'exportation de nos fruits et légumes. Sauf que chez nous, les fruits et légumes sont de bonne qualité. On ne va pas exporter des produits qui ne sont pas de bonne qualité. Monsieur le ministre, que pouvez-vous répondre au monde agricole qui est en souffrance et qui est venu nous le dire gentiment?
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, ik ben net als u een liberaal. Wij weten dat vrijhandel de manier is om welvaart te creëren aan beide zijden van een akkoord, om volkeren meer welvaart te bieden, om mensen erop te doen vooruitgaan, om de taart groter te maken.
De hoeksteen van vrijhandel is eerlijke concurrentie. Als we kijken naar het Mercosur-verdrag, dan zien we dat die eerlijke concurrentie niet beschermd is. Wij leggen vandaag terecht heel veel lasten op aan onze landbouwers, heel veel extra kosten voor de productie van landbouwproducten, lasten en kosten die niet opgelegd worden door andere landen. Daardoor verloopt de concurrentiestrijd met onze producten niet eerlijk meer. We dreigen onze eigen producten duurder te maken dan de producten die we zouden kunnen importeren uit het buitenland. We moeten daar waakzaam voor zijn wanneer we dit soort verdragen sluiten. De concurrentie, het level playing field, moet intact blijven.
Mijnheer de minister, daarom hebben we gisteren ondernemers op straat gezien, heel specifiek landbouwondernemers. Zij vragen wat alle ondernemers vragen, namelijk om hen op die wereldschaal een eerlijke concurrentiestrijd te laten aangaan met hun eerlijk geproduceerde producten.
Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar dat Mercosur-verdrag? Hoever staan de onderhandelingen daarover? Welke positie kunnen wij samen met onze Europese partners innemen om de landbouwers en alle andere ondernemers te garanderen dat het level playing field intact blijft?
David Clarinval:
Mesdames et messieurs les députés, comme l'a rappelé la ministre des Affaires é trang è res la semaine dernière et comme je l'ai moi-même rappelé ici le 8 février 2024, la Belgique a indiqué depuis plusieurs années déj à à la Commission européenne que l'accord négocié en 2019 avec les pays du Mercosur n'était pas suffisant.
La Belgique plaide en effet pour l'ajout de dispositions relatives au développement durable et demande clairement à la Commission européenne de prendre des mesures pour protéger nos secteurs agricoles. J'avais d'ailleurs moi-même adressé en mai 2022 au nom de la Belgique un courrier officiel aux commissaires européens du Commerce et de l'Agriculture au sujet de l'impact des accords commerciaux sur le secteur agricole. J'y soulignais notamment nos préoccupations relatives à l'impact sur le secteur agricole européen et j'y demandais à la Commission de respecter son engagement de mettre notamment un fonds de compensation d'un milliard d'euros dans cet accord.
De Europese Commissie heeft in 2023 onderhandelingen hervat met de Mercosur-landen om in de vorm van een bijkomend protocol extra engagementen te integreren op het vlak van duurzame ontwikkeling, met name inzake ontbossing. Die onderhandelingen zijn nog aan de gang, maar zouden geen betrekking hebben op land- en tuinbouwproducten en verwerkte voedingsproducten. Zo bevestigt u, mijnheer Coenegrachts, dat het akkoord in 2019 nog steeds de markttoegang van elke partij definieert op het vlak van landbouw. Ik vestig evenwel uw aandacht op het feit dat in alle akkoorden de toegang tot de Europese markt voor geïmporteerde landbouwproducten afhankelijk is van de naleving van sanitaire en fytosanitaire normen. Die voorwaarden worden niet gewijzigd door het akkoord.
Mesdames et messieurs les députés, notamment monsieur De Smet, je serai très clair afin de vous rassurer. Il me paraît évident que, sans mesures miroirs contraignantes, nous ne pourrons accepter, nous ne pourrons pas être favorables à l'accord avec le Mercosur. De manière pragmatique, je plaide pour que des mesures miroirs unilatérales et générales soient adoptées en matière agricole.
À la question de l'impact sur les exportations, l'étude publiée par le SPF É conomie en 2021 montre que l'accord présente un potentiel d'exportations positif pour plusieurs secteurs belges: ceux de la pomme de terre et du chocolat, mais également les produits laitiers et les fruits frais. Cependant, son impact serait négatif sur la viande bovine, notamment.
Comme pour tous les dossiers commerciaux, la Belgique, en coordination avec les Régions, déterminera donc sa position officielle sur la base du dossier final que la Commission soumettra au Conseil. L'impact sur le secteur agricole sera évidemment crucial dans le positionnement que nous adopterons.
Enfin, permettez-moi de conclure sur le Mercosur en soulignant qu'il est essentiel que la nouvelle Commission garantisse la cohérence entre les politiques internes et externes et prenne en compte, dans celles-ci, les difficultés auxquelles se heurtent les agriculteurs européens, notamment la concurrence déloyale, le level playing field . La compétitivité de nos entreprises, en particulier agricoles, doit se situer au cœur des préoccupations de la prochaine Commission avant qu'il ne soit trop tard pour ces entreprises.
J'ai aussi été interrogé au sujet de la maladie de la langue bleue. Monsieur Lutgen, l'impact pour les éleveurs en 2024 a été considérable. Pour l'année prochaine, il faut être bien conscient qu'à cause de la mortalité et de la morbidité que nous avons connues, les conséquences économiques seront malheureusement encore pires. Nous avons déjà échangé sur le sujet et nous en reparlerons encore le 26 novembre. En tout cas, je puis déjà vous dire que le seul moyen de protéger notre bétail contre la maladie de la langue bleue est la vaccination. Cette année, nous avons constaté que la vaccination n'avait pas été assez efficace. C'est la raison pour laquelle j'ai décidé de rendre la vaccination contre la maladie de la langue bleue pour les sérotypes 3 et 8 obligatoire pour les bovins et les moutons en 2025. C'est la seule façon d'atteindre un niveau de vaccination suffisamment élevé.
J'ai réuni, encore hier, des représentants des secteurs agricoles et des administrations de manière à élaborer une stratégie efficace de façon à ce qu'il y ait assez de vaccins disponibles au meilleur moment afin de pouvoir vacciner les animaux, dès le début 2025, soit avant que les animaux ne soient en pâture.
À la demande des secteurs, je vais également établir un point de coordination qui sera chargé de rassembler tous les éléments et de faciliter les échanges avec les éleveurs. Je voudrais déjà insister aussi sur le rôle des vétérinaires qui est crucial dans ce dossier.
Vu l'impact financier de cette crise sur le secteur, j'ai également décidé d'introduire une demande au sein du gouvernement en affaires courantes pour trouver les moyens supplémentaires en vue d'aider les agriculteurs à traverser cette période inédite.
Mesdames et messieurs les députés, monsieur Prévot, madame Maouane, madame Grillaert, monsieur Coenegrachts, je compte donc sur votre soutien (…)
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je dois dire qu'elle me laisse un peu sur ma faim; en effet, si les clauses miroirs sont évidemment nécessaires, il y a bien d'autres problèmes et même de gros problèmes.
Hier, dans la rue, il n'y avait pas seulement des agriculteurs, il y avait aussi des syndicats, des militants, des associations environnementales, toutes et tous réunis pour dire d'une même voix non à ce traité Mercosur.
Les écologistes sont clairement opposés à ce traité, non pas parce qu'il met en danger notre santé, mais bien parce qu'il enfonce les agriculteurs, qui attendent des réponses claires et qui voient une fois de plus la droite rester sourde à leurs demandes. Nous y sommes aussi opposés parce que ce traité est un non-sens environnemental.
C'est bien beau, que l'on soit des villes ou des champs, d'aller faire campagne dans les salons de l'agriculture. Mais quand il s'agit de voter des textes, de prendre en considération la souffrance des travailleurs et des travailleuses de l'agriculture, et d'aider des familles entières à subvenir à leurs besoins, là on ne vous entend plus, on ne vous voit plus, ni dans les villes, ni dans les champs.
Benoît Lutgen:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.
Concernant le Mercosur et les traités de libre-échange en général, je regrette que la Belgique, qui a eu la présidence du Conseil européen, n'ait pas fait de cet élément des clauses miroirs la première priorité. On en voit aujourd'hui en partie les conséquences.
Vous n'avez rien dit sur les contacts pris avec vos collègues d'autres pays européens, que ce soit la France ou d'autres, pour essayer de mener une force et une union la plus importante possible pour contrer ces accords du Mercosur.
Pour ce qui est du financement, vous avez tout notre soutien. J'espère que vos collègues du gouvernement vous suivront pour qu'il y ait très rapidement une gratuité de la vaccination. Chaque jour qui passe enfonce un peu plus notre agriculture et désespère encore un peu plus nos agriculteurs. Je compte sur vous et vos collègues pour que soit prise très rapidement la décision du financement à 100 % à partir du moment où la vaccination est obligatoire. J'espère d'ailleurs que celle-ci interviendra encore avant la fin de l'année. Je compte sur vous vu l'urgence de la situation.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.
Quand vous dites que vous ne soutiendrez pas l'accord sans clauses miroirs, vous décrivez en fait une situation d'abstention. Je voudrais plus que cela. Je voudrais que la Belgique dise non et se joigne à une minorité de blocage avec la France, les Pays-Bas et l'Autriche. Il y a moyen de faire mieux. Je ne sais pas s'il y a un MR des villes et un MR des champs mais il y a effectivement un MR qu'on voit au rond-point Schuman, ici et au gouvernement wallon qui a un discours assez fort. Il y en a un autre qui a soutenu l'accord de libre-échange entre l'Union européenne et le Canada (CETA) et qui a peut-être plus de leviers qu'on croit.
Je rappelle que cette Commission européenne, qui a décidé de passer la seconde pour essayer d'obtenir cet accord sur le Mercosur, compte depuis cinq ans un membre de votre parti ainsi que pour les cinq prochaines années. La Commission européenne, c'est un tout petit peu aussi le MR des villes!
Leentje Grillaert:
Dank u wel, mijnheer de vice-eersteminister, voor uw antwoord. Hopelijk zijn de onderhandelingen over het Mercosur-akkoord nog niet op hun eindpunt beland. We mogen onze landbouwsector dat niet aandoen. De leefbaarheid van de landbouwbedrijven en de toekomst van onze landbouw staan op het spel.
We moeten blijven onderhandelen en blijven praten. We moeten ons buitenlands handelsbeleid als instrument gebruiken in de strijd tegen klimaatverandering en om de mensenrechten en arbeidsrechten wereldwijd te verbeteren.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, je vais vous aider. Nous avons déposé une proposition de résolution invitant le gouvernement à ne pas signer l'accord du Mercosur et à doter les futurs accords commerciaux d'une série de conditions strictes, telles l'introduction de normes et de clauses miroirs. N'hésitez pas à la lire et à la soutenir, vous aurez alors cette épine hors du pied.
Pour la fi è vre catarrhale, la doctrine d'affaires courantes vous permet de réagir à l'urgence. C'est une maladie qui a été découverte en 2008 et 2010 au sein de notre pays sous des ministres de l'Agriculture qui étaient, eux aussi, libéraux. J'ai malheureusement l'image de l'âne qui achoppe sur la même pierre puisque nous n'avons pas anticipé en dépit du fait que nous connaissions le mode de propagation du virus. J'ai dit que j'allais vous aider et je tiens parole: j'ai également déposé un texte sur la table du Parlement afin de rendre la vaccination obligatoire – vous l'avez fait – et de demander à l' É tat belge de financer pleinement la vaccination pour nos agricultrices et agriculteurs.
Benoît Piedboeuf:
Merci, monsieur le ministre. Vos réponses étaient claires. Certains n'entendent pas ce que vous dites mais moi j'ai entendu vos propos. On se plaint de ne plus avoir de secteur industriel, on se bat pour avoir un secteur énergétique, on a une capacité d'avoir une autonomie en matière agricole. Nous avons un bon secteur, de bons agriculteurs; nous les connaissons vous et moi, pas seulement parce qu'on les voit à Bruxelles mais en allant dans les fermes. Défendons notre secteur à tous les niveaux de pouvoir, c'est indispensable! Installons une concurrence loyale, parce que nous sommes les champions du gold-plating , des mesures que nous nous imposons à nous-mêmes mais sans jamais les imposer aux autres! Nous devons les imposer aux autres et nous devons garder notre autonomie alimentaire avec un bon secteur agricole.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord. U spreekt over het beschermen van onze landbouwsector. Ik doe dat niet zo heel graag. Wat ik vraag, en wat ik denk dat de sector ook vraagt, is een eerlijke kans, een kans om de strijd op de wereldmarkt eerlijk te voeren, om die concurrentiestrijd eerlijk te voeren. Dat is een eerlijkheid die alle ondernemers, betrokken bij elk handelsakkoord, vragen. Ik denk dat onze landbouwsector daarin speciaal is, omdat die op het vlak van duurzaamheid een andere rol te spelen heeft, iets wat wij als politici graag aan hen vragen, iets wat de productie van hun producten duurder maakt. Ik denk dat we hen vooral moeten steunen in hun vraag om ervoor te zorgen dat zij met al die duurzaamheidsdoelstellingen die strijd op de wereldmarkt nog altijd op een eerlijke manier kunnen voeren. Ik heb van u gehoord dat u daarin een partner bent. Ik wil u daarvoor bedanken.
Het importeren in ons land van het conflict in het Midden-Oosten
Gesteld door
Gesteld aan
Alexander De Croo (Eerste minister)
op 24 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Premier De Croo veroordeelt antisemitische incidenten (o.a. oproepen tot geweld tegen Joden en haat in het parlement) scherp en benadrukt dat daders juridisch vervolgd worden, terwijl hij vrijheid van meningsuiting binnen de wet verdedigt—België kiest geen partij in het conflict maar pleit voor bescherming van burgers en veroordeelt zowel Hamas als extreem-Israëlische uitspraken. De Maegd (MR) eist hard optreden tegen de escalerende antisemitische retoriek (o.a. in betogingen en parlementaire commissies, waar de Israëlische ambassadeur werd aangevallen) en waarschuwt voor politieke instrumentalisering van het conflict door extreemlinks (PTB, Ecolo, PS), wat de democratische normen ondermijnt.
Michel De Maegd:
Monsieur le premier ministre, depuis le 7 octobre 2023, des faits d'une violence extrême marquent dans leur chair les populations israéliennes, les populations palestiniennes et désormais les populations libanaises. Le nombre de morts et l'ampleur des destructions battent en brèche un espoir de paix que nous appelons depuis tant d'années. Dans le même temps, Israël a le devoir, comme tout É tat, de défendre sa population contre le terrorisme qui l'assaille de toute part.
Monsieur le premier ministre, un de vos soucis est de tout faire pour ne pas importer ce conflit en Belgique, tout faire pour garantir la sécurité de tous, y compris celle de la communauté juive, et le vivre ensemble. Néanmoins, lors des commémorations belges des événements sans précédent depuis la Shoah, lors de la manifestation de dimanche passé à Bruxelles, j'ai été profondément heurté par de nouveaux appels à l'intifada, par des prêches virulents et cet appel à la haine purement antisémite à, je cite, "brûler des juifs".
Selon l'Organe de coordination pour l’analyse de la menace (OCAM), ces faits explosent ces derniers mois: antisémitisme décomplexé dans la rue et, désormais aussi, dérapages assumés dans notre Parlement. Mardi, en commission des Relations extérieures, la violence verbale et la grossièreté du PTB à l'encontre de l'ambassadrice d'Israël dépassaient largement le ton d'un débat politique contradictoire. La commission a aussi été perturbée par la présence d'un public vindicatif, dont le comportement a été applaudi par Ecolo.
Monsieur le premier ministre, je voudrais entendre de votre part une condamnation sans équivoque de ces faits antisémites et votre volonté de voir les auteurs traduits en justice. Ces faits sont punissables. Quelle suite judiciaire faut-il leur donner? Comment resserrer notre surveillance sur ces activistes, sur leur financement, et les empêcher d'agir? En tant que premier ministre, quelle est votre réaction à la suite de l'agression verbale qu'a subie la représentante officielle d'un É tat étranger au cœur de notre démocratie?
Je voudrais enfin que vous rappeliez à l'ensemble de notre classe politique l'importance fondamentale de ne pas instrumentaliser ce conflit à des fins politiques ou communautaristes.
Alexander De Croo:
Monsieur De Maegd, je vous remercie pour cette question. Naturellement, je condamne fermement chaque acte d'antisémitisme. Cela va de soi.
En effet, dans notre pays et dans d'autres pays dans le monde, nous constatons une multiplication des faits d'antisémitisme. Face à de tels faits, notre police et notre parquet agissent. Si des infractions pénales ont eu lieu dimanche dernier, elles seront poursuivies par le parquet.
Dans notre pays, nous avons tout fait pour conserver la possibilité de manifester. Dans notre pays, les paroles sont libres. Dans d'autres pays, des manifestations ont été interdites, ce qui n'a jamais été le cas en Belgique et j'en suis fier. Mais cela peut uniquement se faire si on reste dans le cadre légal. Face à ce conflit, tout le monde a le droit d'avoir son opinion mais l'expression d'opinions doit rester dans le cadre légal. Les expressions antisémites ne sont évidemment pas possibles dans notre pays.
Depuis l'an dernier, tout a été fait pour que ce conflit ne soit pas importé dans notre pays. La Belgique n'a pas pris position ni d'un côté ni de l'autre. La Belgique prend position pour essayer de sauver des civils innocents. Trop de civils innocents ont été tués en Palestine, en Israël, au Liban. Nous avons condamné les actes du Hamas mais nous trouvons aussi, par exemple, que des propos tels que ceux tenus par le ministre Smotrich devraient figurer sur une liste de sanctions de l'Union européenne.
Pour ce qui est de l'activité de ce Parlement, il ne revient pas au gouvernement de juger de la manière dont le Parlement s'organise. Mais, d'une manière globale, une démocratie fonctionne (…)
Voorzitter:
Het spijt me zeer, maar gelijke monniken, gelijke kappen. Wanneer ik voor u een uitzondering maak, vrees ik dat voor anderen ook te moeten doen.
(De premier gaat door zonder micro.)
Los van de inhoud, mijnheer de premier, moet ik u melden dat het deel van uw antwoord buiten de micro niet in het verslag zal worden opgenomen.
Michel De Maegd:
Monsieur le premier ministre, je ne le répéterai jamais assez: les tragédies qui se déroulent à Gaza, au Liban et en Israël sont dramatiques pour toutes les victimes. Les otages doivent être libérés, les populations épargnées, le droit international respecté. Mais l'importation de ce conflit, le climat nauséabond qu'alimentent les groupuscules à l'égard d'un État visé comme jamais par le terrorisme sont plus graves. L'attitude ouvertement antisémite, anti-juive dans nos villes doit mobiliser tous les démocrates. Monsieur le président de la Chambre, si vous le permettez, je redirai ici que ce qui s'est passé en commission est intolérable. La violence verbale et la grossièreté avec lesquelles l'ambassadrice d'Israël a été agressée, alors que la Chambre elle-même l'avait sollicitée, sont indignes. La liberté d'expression, le respect s'imposent et doivent s'imposer à tous. L'extrême gauche, suivie par les verts et le PS, qui désormais lui cède même une part de son temps de parole – un dangereux précédent dans cet hémicycle! –, les manifestations du public en commission, tout cela doit vous inciter à remettre de l'ordre dans cette enceinte. Je vous remercie.
Snoepgoed voor kinderen aan de kassa's van supermarkten
Gesteld door
Gesteld aan
Alexia Bertrand
op 15 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De studie in *BMC* toont aan dat 97,5% van de producten aan supermarktkassa’s ultrabewerkt en ongezond is (Nutri-Score D/E), met agressieve marketing gericht op kinderen. Minister Vandenbroucke beaamt dat zelfregulering door supermarkten (via *nudging*) onvoldoende werkt en pleit voor verplichte EU-regels (o.a. verplicht Nutri-Score) en een wettelijk kader om ongezonde producten bij kassa’s te weren, maar stuit op lobbyweerstand in Brussel. Prévot wijst zelfregulering af als falend en kondigt strengere wetsvoorstellen aan, mocht de overheid niet ingrijpen.
Patrick Prévot:
L'association française de défense des consommateurs UFC-Que Choisir déplore le retour des confiseries aux caisses des supermarchés. « Retour » car ces aliments très majoritairement gras ou sucrés avec un Nutri-Score très bas (D, voire E) avaient un temps disparu des caisses, sur base volontaire des supermarchés qui préféraient cette voie plutôt que la réglementation contraignante.
Ce qui s'observe en France vaut également pour la Belgique: une récente étude publiée dans la revue BMC s'est intéressée à 55 supermarchés des chaînes Colruyt, Carrefour, Delhaize, Lidl et Aldi, répartis sur 16 communes.
Leur conclusion est claire: les consommateurs sont incités à acheter ces produits mauvais pour la santé. C'est aux caisses qu'on retrouve le plus de « malbouffe »: la proportion d'aliments ultra-transformés atteint 97,5%, avec un ciblage envers les enfants qui ne peuvent pas être considérés comme des consommateurs éclairés.
Les supermarchés profitent de l'attente aux caisses pour créer une zone de marketing agressif, une concentration de confiseries colorées attractives pour les enfants qui, si elles n'étaient proposés qu'en rayons, pourraient être évités par les parents. Les marques et les enseignes ont un gain mutuel à ce que ces produits malsains se trouvent aux caisses.
Pourrions-nous avoir votre retour sur les conclusions de cette étude menée par des chercheurs flamands et publiée dans la revue BMC?
Quelle est votre position quant à un retrait des aliments ultra-transformés avec un Nutri-Score très bas et ciblant les enfants qui se situent aux caisses des supermarchés?
Frank Vandenbroucke:
Je pense que la présence de produits alimentaires riches en sucre, en graisses et en sel aux abords des caisses des supermarchés ne contribue pas à un environnement alimentaire sain pour la population. C’est pourquoi nous nous référons directement aux engagements de la grande distribution, soit Comeos, dans le Nutri-pact cosigné avec la Fédération des entreprises alimentaires belges Fevia, dans lequel la grande distribution s’engage à mieux accompagner les consommateurs par le biais du nudging , qui consiste à donner un coup de pouce dans la bonne direction. Dans ce cas-ci, il s’agit donc de diriger ce coup de pouce vers des choix alimentaires plus sains. Il apparaît qu’il serait nécessaire de mieux orienter ( nudger ) les consommateurs aux caisses en offrant des options saines et équilibrées plutôt que riches en sucre, en graisses saturées et en sel. Dans le cadre actuel, nous ne pouvons qu’espérer que le secteur va prendre ses responsabilités par rapport à ses propres engagements et que la situation va s’améliorer.
Cependant, je reconnais que l’autorégulation ne suffit pas. La création d’un cadre réglementaire pour la promotion et le placement des produits malsains dans le commerce me semble être essentielle. Ce sera toutefois au prochain gouvernement de prendre les actions nécessaires à ce niveau.
Ensuite, je peux vous dire que mon administration est particulièrement attentive à la situation de notre environnement alimentaire, que ce soit au niveau des supermarchés, ou dans le cadre du marketing alimentaire au sens large. Votre proposition de retrait des aliments ultratransformés, avec un nutriscore très bas, me semble également une bonne idée. Cependant, afin que cela soit efficace, il faudra d’abord rendre le nutriscore obligatoire, ce qui n’est pas possible sans une réglementation au niveau de l’Union européenne. Malheureusement, ceci est devenu un débat très compliqué au niveau européen, l’industrie agroalimentaire ayant beaucoup trop d’impact sur ces questions de santé publique. C’est donc un combat qui, pour moi, continue.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Pour traiter de ces questions régulièrement avec la grande distribution et dans d'autres commissions, notamment celle de l'Économie et de la Protection du consommateur, je ne vous cache pas que devoir faire confiance uniquement aux engagements de la grande distribution me fait peur. J'ai perdu foi en eux depuis bien longtemps. L'autorégulation et, en particulier celle pratiquée par la grande distribution, ne fonctionnera pas. Je vous entends et je partage votre sentiment: il faut un cadre réglementaire et j'espère que le prochain gouvernement pourra s'y atteler. En ce qui nous concerne, si le gouvernement n'a pas la bonne idée de légiférer en la matière, il pourra toujours s'appuyer sur un de nos textes, puisque nous en déposerons un à ce sujet qui tentera d'être beaucoup plus contraignant. L'autorégulation de la grande distribution, je n'y crois pas!
De import uit China
Gesteld door
Gesteld aan
Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)
op 2 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België’s strategische afhankelijkheid van China voor geavanceerde goederen (zoals elektronica en EV’s) groeit tot 25% van de kritische import, wat kwetsbaarheden blootlegt in sectoren als textiel, metaal en elektronica. Minister Dermagne benadrukt EU-strategische autonomie via risico-analyses, IPCEI-industriële projecten en wetgeving (bv. *Critical Raw Materials Act*), met samenwerking tussen federale en regionale overheden. Van Lommel waarschuwt voor technologische achterstand en productiestilstand door afhankelijkheid (bv. chiptekort post-covid) en dringt aan op versnelde Europese industriële versterking om China’s opmars in hoogtechnologische sectoren tegen te gaan. Kern: vermindering afhankelijkheid via eigen capaciteit, niet enkel wetgeving.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, de import uit China is de afgelopen jaren niet alleen sterk toegenomen, ook de samenstelling van deze import is sterk veranderd. Vroeger ging het vaak om textiel en speelgoed, bepaalde kleine onderdelen, metalen onderdelen, die hier werden gebruikt om producten af te werken. De laatste tijd verschuift dit meer en meer naar geavanceerde goederen, zoals elektronica en elektrische voertuigen. Dit maakt dat België buitensporig afhankelijk wordt van China als leverancier van strategische goederen.
Uit een rapport van de Nationale Bank van België blijkt ook dat de afhankelijkheid van China momenteel is opgelopen tot ongeveer een kwart van de vastgelegde strategische invoerproducten. Dat is bijzonder veel.
Als men kijkt naar de toegevoegde waarde, blijkt bovendien dat verschillende Belgische sectoren, zoals de textielindustrie, de elektronica en basismetalen, via hun toeleveringsketens indirect van China afhankelijk zijn.
Mijnheer de minister, wat is het standpunt van de regering ten aanzien van de Chinese dominantie in de verschillende toeleveringsketens? Bij het bezoek aan Audi van enkele weken geleden hebben wij gehoord dat men de hete adem van China in de nek voelt. Ook dat is een teken aan de wand.
Welke maatregelen hebt u genomen om de risico's op fricties in de handelsstromen te beperken? Hebt u hierover reeds overleg gehad met uw collega's van de regionale overheden? Ik begrijp immers dat u het niet alleen kunt oplossen.
Welke voorzorgen hebt u genomen om de beschikbaarheid van strategische goederen te verzekeren?
Pierre-Yves Dermagne:
Mijnheer Van Lommel, de Europese Unie moet inderdaad streven naar een grotere strategische autonomie. Dat wil zeggen dat de afhankelijkheden ten opzichte van onder andere China moeten verminderen.
Om de risico's op fricties in de handelsstromen te beperken, is er nood aan verdere diepgaande analyses van de kwetsbaarheden van onze bedrijven over de volledige waardeketen. De FOD Economie brengt deze steeds gedetailleerd in kaart, zowel op product- als op sectorniveau.
Daarnaast zal een versterking van onze industriële capaciteiten noodzakelijk zijn. Dat vergt financiële inspanningen op publiek en privaat niveau, zoals Mario Draghi stelt. Zo coördineert de FOD Economie de Belgische deelname aan de Important Projects of Common European Interest (IPCEI), waarbij de lidstaten hun ondernemingen kunnen ondersteunen om deel te nemen aan grootschalige industriële projecten.
Wat betreft het overleg op Belgisch niveau, de FOD Economie heeft continu overleg met de regionale overheden en administraties. Wat betreft het verzekeren van de beschikbaarheid van de strategische goederen, verwijs ik graag naar de invoering van de Critical Raw Materials Act, de Internal Market Emergency and Resilience Act (IMERA), de Forced Labour Regulation en de Due Diligence-richtlijn.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, dit is een problematiek die steeds groter wordt. We hadden vroeger de problematiek van delokalisatie, waarbij bedrijven het interessant vonden om hun productie te verhuizen. Nu stellen we hoe langer hoe meer een verschuiving van de afhankelijkheid naar China vast. Vroeger kopieerde China misschien veel meer onze manier van werken, maar nu worden we technologisch ingehaald door de Chinezen. Dat maakt mij bezorgd. Bij het aantrekken van de economie na de covidcrisis zagen we bijvoorbeeld dat productielijnen hier stillagen omdat men geen chips kon krijgen omdat die uit China en Azië kwamen. Onze afhankelijkheid is te sterk vergroot en we moeten dat beleid aanpassen met het oog op de toekomst van onze industrie en de performantie ervan. De Chinezen, die vroeger een eenkindpolitiek voerden en nu geconfronteerd worden met hun vergrijzende bevolking, weten dat als zij economisch willen groeien zij meer geavanceerde producten zullen moeten maken. Daar zijn zij volop mee bezig: elektronica, elektrische wagens enzovoort. We zullen dus echt een dam moeten opwerpen en onze economie en industrie in België en in Europa aanzienlijk moeten versterken door de afhankelijkheid te beperken.
Het handelsrecht en de persvrijheid
Gesteld door
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 2 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een huissier probeerde via dwingend handelsrecht de RTBF-uitzending over schuldenincasso te blokkeren als *"oneerlijke handelspraktijk"*, wat de magistraat afwees maar wel risico op schade erkende, ondanks grondwettelijke persvrijheid en EVRM-jurisprudentie die voorafgaande censuur verbiedt. Minister Dermagne benadrukte dat handelspraktijkenwetten bedrijven beschermen, niet de pers beperken, maar beaamde dat de EU-anti-SLAPP-richtlijn (tegen strategische intimidatiezaken) dringend nationaal uitgebreid moet worden beyond grensoverschrijdende zaken. Crucke sluit aan bij die noodzaak tot verruiming om persvrijheid te versterken en misbruik van procedures (zoals "bâillon"-zaken) tegen te gaan.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, vous avez eu vent de cette enquête d' Investigation , l'émission de la RTBF. Celle-ci ciblait les huissiers de justice avec le titre: "Huissiers de justice, le business de la dette". Ce n'est pas la première fois que la RTBF s'intéresse à ce métier. Ce qui devient cocasse dans l'affaire, c'est qu'un huissier de justice, avant que l'émission ne soit diffusée, a saisi le tribunal de l'entreprise. C'est une première. C'est juste pour le cadre, parce qu'on ne va pas refaire le droit à la place des magistrats. L'huissier a considéré que l'émission pouvait être ce qu'on appelle une pratique commerciale déloyale. J'ai envie de dire que c'est finaud de la part de l'avocat, mais c'est interpellant lorsqu'on sait que la liberté de la presse et la liberté d'expression sont garanties par la Constitution. À l'étonnement de beaucoup de monde, la magistrate qui présidait la chambre a considéré cette demande recevable, mais non fondée. Elle a dit: "Attention, comme il y a eu un précédent en 2018, cela pourrait être un dommage". Ce sont les faits.
Les questions sont les suivantes. Il doit y avoir une hiérarchie des normes. Elle existe. La Cour européenne des droits de l'homme s'est d'ailleurs prononcée à l'époque pour dire qu'il n'y avait pas de censure avant la diffusion d'une émission. Mais ici, il semblerait que par le droit commercial, on remette cela en cause.
Pourquoi est-ce que je vous pose cette question-là aujourd'hui? Pour avoir votre lecture, et pour connaître le point de vue du législateur. Le droit commercial est-il supérieur à la Constitution et à un arrêt de la Cour européenne des droits de l'homme?
Enfin, ne doit-on pas renforcer cette protection? Si on part dans des contentieux comme celui-là, on peut considérer qu'il y en aura beaucoup. Je fais appel à vous par rapport à cette procédure "bâillon", qui est certes une directive européenne, et qui ne s'intéresse qu'aux transfrontaliers pour l'instant. Mais on pourrait très bien la transposer également sur le plan national et faire œuvre de droit.
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur Crucke, je vous remercie pour votre question qui m'amène à me soumettre à un exercice particulièrement difficile, pour deux raisons.
D'une part, vous avez rappelé la liberté d'expression comme étant un des principes fondamentaux de toute démocratie digne de ce nom, et donc de la nôtre. D'autre part, comme vous le savez, en tant que ministre et membre d'un exécutif, je me suis toujours astreint à ne jamais commenter une décision de justice. Comme je le disais, il s'agit d'un exercice doublement difficile et périlleux car je suis à la fois le ministre que vous interrogez mais aussi un membre de cette Assemblée et, par conséquent, un membre à part entière du pouvoir législatif, en tout cas de cette Chambre.
Je tiens toutefois à signaler que les dispositions sur les pratiques de marché déloyal visent à combattre des pratiques, en l'occurrence entre entreprises, qui ont pour but d'influencer de manière fautive le comportement économique d'autres entreprises. Elles ne portent pas sur la liberté d'expression et la liberté de la presse. Cependant, ces dispositions du Code de droit économique ont pour objectif principal et pour essence d'empêcher les pratiques déloyales entre entreprises et non de restreindre la liberté d'information de la presse.
Ce faisant et ce disant, ce n'est pas explicitement donner tort au juge mais c'est tout de même rappeler la raison d'être de la législation visant à lutter contre les pratiques commerciales déloyales qui, dans un premier temps, ont été utilisées à d'autres fins.
Concernant l'instauration d'une éventuelle législation anti-SLAPP ou procédure "bâillon", comme vous l'avez rappelé, une directive européenne a été récemment adoptée à ce sujet et il revient à présent à la Belgique de la transposer le plus rapidement possible et de la manière la plus effective possible. Mais, comme vous et comme membre de cette Assemblée, je pense qu'il serait intéressant d'envisager un élargissement du champ d'application des dispositions qui découleront de la transposition de cette directive en droit belge.
Jean-Luc Crucke:
Je remercie monsieur le ministre pour sa réponse. Tous deux juristes, nous connaissons – modestement, en ce qui me concerne – le métier et nous partageons les mêmes valeurs de liberté d'expression et, à travers elle, de liberté d'information. Je sens que, dans sa réponse, il met la nuance en qualité de ministre pour rappeler ce qu'est une pratique déloyale sur le plan commercial et qu'il convient de ne pas l'assimiler à ce qui n'est pas du commerce. En effet, si l'on considère que la presse relève du commerce, nous allons sans doute au-devant de grandes difficultés. Monsieur le ministre, vous n'êtes pas allé jusque-l à mais la nuance que vous avez apportée peut me convenir. Enfin, sur la législation anti-SLAPP, je note votre intérêt pour une transposition mais elle sera transfrontali ère et je prends l'initiative – vous avez rappelé que vous êtes également membre de ce Parlement – de l'ouvrir. Peut-être pourrions-nous être plusieurs à la soutenir, cela rendra la presse plus forte et permettra surtout d'éviter qu'on la bâillonne.
De strijd tegen de drugshandel in de havengebieden
Gesteld door
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 2 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België voert stapsgewijs verplichte veiligheidscontroles in voor 16.000 portuair medewerkers in kritieke functies (volgens de aangepaste *Maritieme Veiligheidswet*), met volledige afronding tegen 2027: vanaf november 2024 vrijwillig, vanaf januari 2025 verplicht voor nieuwe werknemers, gevolgd door bestaand personeel. Controles beperken zich tot databankchecks (geen sociale media, tenzij bij diepgaande *veiligheidsonderzoeken* voor toegang tot geheim materiaal), met recht op beroep bij weigering en kost voor werkgevers; negatieve adviezen blokkeren toegang tot kritieke posten. Drie extra federale politieagenten ondersteunen het proces, gecoördineerd door het SPF Mobiliteit, met gestandaardiseerde meldingsprocedures (via veiligheidsverantwoordelijken) en garanties voor privacyrechten, analoog aan luchthaven- en nucleaire sectoren.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, je fais référence à une de vos dernières interviews et au fait que vous y marquiez, une fois de plus, votre volonté de renforcer les contrôles sur le personnel des zones portuaires, de manière à rendre les zones portuaires hermétiques au trafic de stupéfiants. Pour avoir été très récemment au port d'Anvers, on y a très bien expliqué la manière dont les choses se passaient. Il faut pouvoir tenir compte de la grandeur de ce port pour pouvoir comprendre les facilités que certains ont sur ce lieu, mais ce n'est pas pour cela qu'il ne faut pas tenter d'y remédier. Il y a eu un phase de test. Nous sommes passés à une phase à plus grande échelle. Tout devrait être terminé pour 2027. Ce n'est pas que le port d'Anvers; l'ensemble des ports sera visité.
Monsieur le ministre, quel est votre agenda jusque 2027 et quelles sont les étapes qui permettent de définir le calendrier des interventions? Des renforts supplémentaires au sein de la police judiciaire fédérale sont-ils prévus? Si oui, quels sont ces renforts, quelle est leur importance et quel est le délai prévu pour leur intégration? Est-il exact que le screening effectué sur le personnel – on évoque 16 000 personnes – ne portera pas sur les médias sociaux? A priori, je pense que ces réseaux peuvent être une source d'information importante. On sait qu'il y a là des sources de communication et parfois un laisser-aller qui permet de mieux calibrer la personnalité et la dangerosité des personnes. Quelle est l'étendue de ce contrôle de screening et le type d'information recherchée? Comment garantit-on le respect des droits des personnes concernées? Enfin, en dehors du coût budgétaire, quelle est la procédure de signalement? Quand on a une information, qu'en fait-on? Va-t-elle à l'employeur ou vers les autorités judiciaires? Quel est le circuit que parcourra l'information?
Paul Van Tigchelt:
Je vous remercie pour vos questions pertinentes. Nous avons voté la loi sur la sûreté maritime en commission de la Mobilité en 2021 et on l'a adaptée juste avant la dissolution du Parlement. Cette loi prévoit qu'un avis de sécurité positif est requis pour l'exercice de fonctions critiques dans le secteur maritime. Cette liste de fonctions critiques a été définie au sein de l'autorité nationale pour la sécurité maritime et publiée au Moniteur belge en août dernier. Elle concerne actuellement un grand nombre de personnes qui ne peuvent pas toutes être contrôlées en même temps.
Nous procédons donc étape par étape, et c'est au sein de l'autorité nationale que des mesures transitoires sont définies pour les différents secteurs. Pour que le screening puisse débuter, il est indispensable qu'un agent de sécurité ou un responsable de la vérification de sécurité ait été désigné au sein de l'entreprise et que la personne concernée ait marqué son accord.
En règle générale, le screening volontaire peut être demandé à partir du 1 er novembre 2024. À partir du 1 er janvier 2025, nous commencerons par les candidats nouvellement sélectionnés et mettrons en place un système progressif pour les employés existants. Chaque phase sera bien entendu suivie d'une évaluation. Notre objectif est d'avoir contrôlé tout le monde d'ici 2027. Au total, ce sont 16 000 personnes qui seront contrôlées.
En réponse à votre deuxième question, les vérifications sont effectuées par la police fédérale, qui a engagé trois personnes supplémentaires à cette fin. Des renforts ont été prévus au sein de l'administration sectorielle compétente, à savoir le directorat général Navigation du SPF Mobilité.
Pour ce qui concerne votre troisième question, il convient de faire la distinction entre la vérification de sécurité et l'enquête de sécurité, qui sont deux choses différentes. Dans le cas de la vérification, la réglementation prévoit la consultation d'un certain nombre de bases de données bien définies. C'est cette vérification qui est prévue pour le personnel occupant des postes critiques. L'enquête de sécurité est une enquête beaucoup plus approfondie, qui dure nettement plus longtemps et au cours de laquelle toutes les informations peuvent être consultées, en ce compris les réseaux sociaux. Le résultat de cette enquête est une habilitation de sécurité qui donne également accès à des informations classifiées.
J'en viens à votre quatrième question. Concrètement, une vérification de sécurité est une enquête menée par la police et les services de renseignement en vue de déterminer s'ils disposent d'informations susceptibles d'empêcher une personne d'être employée à des postes critiques déterminés. Les vérifications ne sont toutefois pas une nouveauté puisqu'elles sont prescrites depuis des années pour le personnel travaillant dans les aéroports et les centres nucléaires ainsi que pour les agents de sécurité. La procédure et les garanties qui s'appliquent à ces secteurs sont également d'application ici, avec une possibilité d'appel lorsque l'avis est négatif.
Pour votre cinquième question, le coût d'une vérification de sécurité est à la charge de l'employeur. En cas d'avis négatif, le responsable des vérifications et la personne concernée en sont toutes deux informées. Dès lors, l'employeur ne pourrait pas faire travailler cette personne à un poste critique.
J'espère ainsi avoir répondu à vos questions.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir qualifié ma question de pertinente, mais votre réponse l'est tout autant. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.29 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 29.
De fiscale behandeling van het thuisladen van elektrische bedrijfswagens
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 26 september 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De succesvolle vergroening van het bedrijfswagenpark (32% elektrisch/hybride, 450.000 gebruikers) dreigt verstikt te raken door complexe belastingregels op thuisopladen, die administratieve lasten en onzekerheid creëren bij werkgevers en werknemers. Minister Van Peteghem belooft een circulaire met drie oplossingen: behoud van werkelijke-kostenprincipe, goedkeuring van submeters voor nauwkeurige meting, en een tijdelijk CREG-tarief om gelijke behandeling te garanderen tot technologie algemeener is. Coenegrachts blijft kritisch: de maatregelen voegen extra regels en kosten toe (naast Vlaamse jobbonus-schrapping en taksen op elektrische wagens), ondermijnen het draagvlak en tegenwerken de slogan ‘werken moet lonen’. Hij pleit voor pragmatische vereenvoudiging in plaats van bureaucratische obstakels.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, jaren geleden nam Egbert Lachaert namens onze fractie dit initiatief ter vergroening van het bedrijfswagenpark. Het ging om slimme maatregelen, want zij zorgden ook voor de vergroening van de tweedehandsmarkt. Het bleken ook succesvolle maatregelen: vandaag is 15 % van de bedrijfswagens al volledig elektrisch en 17 % is hybride. In totaal gebruiken 450.000 werkende Belgen nu dit systeem.
Zoals het altijd gebeurt wanneer in België een maatregel succesvol is, volgt er een regeltje, mijnheer de minister. Die regulitis betekent een rem op onze investeringen, vertraagt de jobcreatie, en maakt nu ook elektrisch rijden duurder. U hebt immers beslist dat thuis de auto opladen, belast wordt op basis van de werkelijke elektriciteitsprijs op het moment waarop hij opgeladen wordt. U weet dat die prijs op elk moment van de dag verandert, omdat de zon soms wat feller schijnt of de wind wat harder waait.
U moet zich voorstellen dat u werkt op de personeelsdienst van een bedrijf en dat u aan al uw collega's moet vragen: mag ik uw energiefactuur eens bekijken, ik moet immers uw belasting berekenen. Wat voor een administratieve last veroorzaakt dat in dat bedrijf!
Dit maakt dat het draagvlak bij ondernemers en bij werknemers ondergraven dreigt te worden en dat het zal wegvallen.
Mijnheer de minister, onder het motto 'eenvoud siert' heb ik een eenvoudige vraag voor u: waarom maakt u het zo moeilijk?
Vincent Van Peteghem:
Mijnheer Coenegrachts, ik dank u voor uw vraag.
Ik heb uiteraard heel veel begrip voor de bezorgdheid die bij de werkgevers en de werknemers leeft met betrekking tot de terugbetaling van de elektriciteitskosten. Ik kan u in ieder geval al geruststellen, er is immers een circulaire in opmaak die de bezorgdheden ter zake zal wegnemen. De paniek die bepaalde organisaties vandaag zaaien, is absoluut onnodig.
Wat staat in de circulaire?
Ten eerste, het principe van de werkelijke kosten blijft overeind. Dat is een basisprincipe in onze wetgeving. We hebben geen nieuwe regeltjes uitgevonden, ze bestaan gewoon voor de terugbetaling van de kosten eigen aan de werkgever. Het gaat om een methode die ervoor zorgt dat de werknemers gelijk worden behandeld alsook dat er geen nieuwe fiscale optimalisatietechnieken kunnen bestaan.
Ten tweede begrijp ik uiteraard dat het meten van de werkelijke kosten niet altijd eenvoudig is. Er zijn vandaag echter al toepassingen ontwikkeld die nauwkeurige metingen zullen toelaten. Onze administratie heeft daarvan ook al kennisgenomen. Onze administratie zal in de circulaire ook de goedkeuring geven en aanvaarden dat wordt gebruikgemaakt van een submeter met een afzonderlijk energie- en elektriciteitscontract, waardoor nauwkeurige metingen kunnen worden gebruikt.
Ten derde, in de circulaire staat nog een punt dat voor u het belangrijkste is en dat de bezorgdheid ook zal wegnemen, namelijk: zolang de technologische ontwikkelingen niet algemeen zijn ingevoerd, zal mijn administratie, weliswaar tijdelijk, gebruikmaken van een specifiek CREG-tarief. Dat tarief zal natuurlijk worden geselecteerd op basis van een evenwichtige compensatie en zal natuurlijk ook verzekeren dat er een gelijke behandeling voor elke werknemer is. Op die manier nemen we de huidige onzekerheid weg.
Niemand hoeft een platte belastingverhoging te vrezen. We moeten de energietransitie, ook bij het verduurzamen van onze wagen, effectief stimuleren.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, u begrijpt dat een circulaire die aparte energiecontracten voor submeters installeert, mij niet volledig geruststelt. Er worden niet minder regels ingevoerd. Collega’s, het was een slechte week voor werkende mensen. Vlaanderen heeft de jobbonus geschrapt. Vlaanderen heeft een taks op elektrische wagens ingevoerd. Vandaag wordt nog een extra heffing ingevoerd op het gebruik van de elektrische wagen. Collega’s, voor eenieder van u die de slogan ‘werken moet lonen’ heeft gebruikt tijdens de campagne, heb ik een vraag: wanneer? Wanneer zal werken lonen? Mijnheer de minister, ik vraag u om pragmatisch te zijn. Brainstorm over hoe de zaken gemakkelijker kunnen worden gemaakt in de plaats van na te denken over hoe ze moeilijker worden gemaakt. Wees alstublieft toch pragmatisch.