topic

Over pensioenen

103

plenaire vragen

0

voorstellen

meeste contributies

De toegang tot het minimumpensioen in geval van een gemengde loopbaan
De toegang tot het minimumpensioen in geval van een gemengde loopbaan
Toegang tot minimumpensioen bij gemengde loopbanen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 29 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vooruit en cd&v bekritiseren dat duizenden gepensioneerden met gemengde loopbanen (werknemer, ambtenaar, zelfstandige) onterecht geen toegang krijgen tot het minimumpensioen door een constructiefout in het stelsel, ondanks 30+ gewerkte jaren – een probleem dat de Ombudsdienst Pensioenen al 17 jaar aankaart. Vanrobaeys (Vooruit) beschuldigt liberalen van blokkering en dringt aan op onmiddellijke herstelling, ook voor huidige slachtoffers zoals "Sylvia", terwijl Lanjri (cd&v) benadrukt dat het regeerakkoord dit belooft, maar de lopende hervormingstekst bij de Raad van State geen oplossing bevat. Minister Jambon bevestigt dat hij de kwestie na goedkeuring van de huidige pensioenwet als "volgende werf" zal aanpakken, verwijzend naar de regeerakkoordafspraak om effectieve loopbaanjaren over alle statuten te laten meetellen, maar Vanrobaeys en Lanjri wantrouwen zijn timing en wijzen op het ontbreken van concrete plannen in zijn beleidsnota.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, duizenden mensen in ons land hebben meer dan 30 jaar gewerkt, maar krijgen slechts een pensioen van minder dan 1.000 euro. Ze hebben voldoende gewerkt, maar botsen op een fout in het pensioenstelsel.

Ik zal u een voorbeeld geven uit mijn omgeving. Sylvia werkte één jaar met een contract en vier jaar als vastbenoemd ambtenaar in de kinderopvang en daarna 26 jaar als zelfstandige crèche-uitbaatster. Ze stond altijd klaar voor haar kindjes, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat en deed haar werk met haar hart en ziel. Later kreeg ze zware hartproblemen en deed af en toe nog een interimjob of een tijdelijke vervanging. Ze heeft wel degelijk 30 jaar gewerkt, maar loopt nu honderden euro’s pensioen mis omdat ze een aantal jaar ambtenaar is geweest. Daardoor heeft ze geen toegang tot het minimumpensioen.

Collega’s, Vooruit heeft hard gestreden voor hogere minimumpensioenen, omdat die mensen met een moeilijke loopbaan, zoals Sylvia, moeten beschermen. Ze heeft immers 30 jaar gewerkt. Voor Vooruit is het dus duidelijk: elk gewerkt jaar moet tellen, of dat nu als werknemer, zelfstandige of ambtenaar was. De Ombudsdienst Pensioenen noemt dit ook een constructiefout die mensen richting armoede duwt.

Mijnheer de minister, wanneer zult u die fout rechtzetten? Zult u dat alleen doen voor toekomstige gepensioneerden, of zult u dat ook doen voor mensen die vandaag het slachtoffer zijn van dit onrecht, zoals de Ombudsdienst vraagt?

Nahima Lanjri:

Collega’s, stel u voor dat u 35 jaar hebt gewerkt, 29 jaar als werknemer en daarna nog eens 6 jaar als ambtenaar. U hebt dus voldoende lang gewerkt om in aanmerking te komen voor een minimumpensioen. Dan krijgt u een koude douche, want het pensioenbedrag waarop u gerekend had, blijkt er niet te zijn. Plots blijkt immers dat de jaren waarin u als ambtenaar hebt gewerkt, niet meetellen voor de berekening van uw pensioenbedrag. U krijgt daardoor een pensioen van nog geen 1.000 euro. Dat is onrechtvaardig, want u hebt al die jaren wel gewerkt.

Het is des te onrechtvaardiger, mijnheer de minister, omdat het probleem al zo lang gekend is. Al 17 jaar wordt dit probleem aangekaart door de Ombudsdienst Pensioenen. Al even lang vraagt cd&v om dit probleem aan te pakken. We hebben dat aan elke bevoegde minister gevraagd. Het stond trouwens ook in heel wat regeerakkoorden, maar de bevoegde ministers voor Pensioenen hebben het probleem nooit aangepakt.

Mijnheer de minister, ook nu staat dit probleem opnieuw vermeld in het regeerakkoord, met de belofte dat we het zullen aanpakken. In het eerste deel van de pensioenhervorming, dat nu bij de Raad van State is en binnenkort naar ons komt, staat echter geen oplossing voor dit probleem. Nochtans heeft een derde van de gepensioneerden een gemengde loopbaan. Heel wat mensen, duizenden mensen, worden dus de dupe van deze constructiefout en krijgen een te laag pensioen.

Cd&v is altijd een vechter geweest en zal blijven vechten voor eerlijke en deftige pensioenen. We vinden dan ook dat dit probleem dringend moet worden opgelost. Niet alleen voor de toekomst, maar ook voor mensen die nu al een te laag pensioen ontvangen door een fout in de wet, moet dit worden rechtgezet. Bent u het daarmee eens, mijnheer de minister? Zult u dit aanpakken, in tegenstelling tot uw voorgangers?

Jan Jambon:

Collega’s, het is inderdaad zo dat de Ombudsdienst Pensioenen al sinds 2009 de vinger op die wonde legt. Mevrouw Lanjri, ik hoor dat u in alle regeringen gevochten hebt om dat erdoor te krijgen. Dat is goed, maar het heeft weinig effect gehad. In dit regeerakkoord staat: “De toekenningsvoorwaarde van het minimumpensioen wordt voortaan gebaseerd op de effectieve arbeidsprestaties en loopbaanjaren gepresteerd in de drie stelsels samen, voor werknemers, ambtenaren en zelfstandigen.”

Collega’s, ik ben minister van Pensioenen. Als de wet op de hervorming van de pensioenen, die nu bij de Raad van State ligt en die we zo snel mogelijk hier in het Parlement willen behandelen, is goedgekeurd, dan is de volgende werf die ik aanpak deze werf. Ik ben namelijk ook geschokt door die onrechtvaardigheid. Ik herinner mij die twee Waalse vriendinnen, iedereen herinnert zich dat nog. De eerstvolgende werf, na de goedkeuring van de pensioenwet hier in het Parlement, zal deze onrechtvaardigheid rechtzetten.

Collega’s, ik roep u op om die wet hier zo snel mogelijk goed te keuren, zodat we ook deze onrechtvaardigheid kunnen aanpakken.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik zal u aan uw woord houden. Het staat immers ook niet in de beleidsnota die sinds gisteren online staat. Ik vraag mij af waarop u nog wacht, want het is een probleem dat al meer dan 17 jaar aansleept. Weet u wat de reden daarvoor is? De reden is dat de liberalen vaak op de rem zijn gaan staan. Daarom sleept het al zo lang aan.

Denk aan Sylvia, die meer dan 30 jaar voor kleine kindjes heeft gezorgd en bij wie die jaren als ambtenaar nu niet meetellen voor haar minimumpensioen. Vooruit vindt dat het hier lang genoeg heeft geduurd. Wij dienen ook een wetsvoorstel in, want werk is werk, ongeacht het statuut. Elk jaar moet meetellen om toegang te hebben tot het minimumpensioen.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, we hebben hier een tijdlang samen gezeteld, ik als Parlementslid. Ik heb toen ook geijverd voor eerlijke pensioenen. U was toen minister, van 2014 tot 2018. In het regeerakkoord hebt u toen gezegd dat u dat probleem ging aanpakken. U had toen dus eigenlijk al meer kunnen doen dat ik vanuit het Parlement kon doen.

Maar goed, laten we vooruitkijken. Het staat nu in het regeerakkoord waarover we samen onderhandeld hebben. Ik hoop dat het wordt uitgevoerd, want ik stel vast dat het niet in de tekst inzake de pensioenhervorming staat, die nu bij de Raad van State ligt. Ik stel vast dat het ook niet in uw beleidsnota staat, die we volgende week in de commissie zullen bespreken.

Het staat daar niet in, maar cd&v zal blijven vechten. We vragen u dit probleem op te lossen. We rekenen er ook op dat u dat zult doen, want het staat nu in het regeerakkoord. U kunt op onze steun rekenen. Laten we er samen voor vechten (…)

Voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Lanjri.

Structurele antwoorden op het kleine aantal zelfstandigen die een aanvullend pensioen opbouwen
De belemmeringen voor zelfstandigen die een aanvullend pensioen willen opbouwen
Belemmeringen en oplossingen voor aanvullende pensioenopbouw bij zelfstandigen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s), Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson wijst op het structurele probleem dat 44% van de zelfstandigen geen aanvullend pensioen opbouwt, ondanks fiscale voordelen, door lage inkomens, onzekere financiële situaties en onbekendheid met de systemen. Minister Eléonore Simonet bevestigt dat drempels (zoals het minimuminkomensvereiste van €17.008,88) veel zelfstandigen uitsluiten, maar kondigt twee hervormingen aan: verruiming van het maximaal fiscaal voordeel (van 8,17% naar 8,5%) en openstelling van de PLCI voor alle bijkomende zelfstandigen, ook met lage inkomens. Pirson bekritiseert dat bestaande maatregelen onvoldoende toegankelijk zijn voor kwetsbare zelfstandigen en dringt aan op progressievere, eenvoudigere systemen, gekoppeld aan de wettelijke pensioenen. Simonet belooft vereenvoudiging en betere afstemming met collega-ministers, maar concrete uitvoering blijft afwachten.

Anne Pirson:

Madame la ministre, selon une analyse récente, 44 % des indépendants ne souscrivent aucune pension complémentaire, alors même que leur pension légale demeure structurellement plus faible que celle des salariés. Ce constat pose un double problème. D’une part, il met en évidence une fragilité financière persistante au moment de la retraite. D’autre part, il révèle des obstacles concrets dans la capacité des indépendants à épargner, malgré les incitants existants.

De nombreux indépendants déclarent des revenus trop faibles pour bénéficier pleinement des avantages fiscaux liés à la pension complémentaire ou à l’épargne-pension. D’autres privilégient l’investissement immobilier ou estiment ne pas disposer de la marge financière nécessaire pour immobiliser une partie de leurs ressources dans un produit d’épargne à long terme. À cela s’ajoutent parfois une méconnaissance des mécanismes disponibles ou une difficulté à anticiper la situation de retraite dans un contexte d’activité souvent incertain. Dans un climat économique où les petits indépendants et les professions libérales font face à des charges importantes, à une concurrence accrue et à des marges limitées, la constitution d’un complément de pension constitue un défi quotidien.

Notre gouvernement a annoncé vouloir renforcer l’équité entre les statuts et mieux soutenir les indépendants. Cette question s’inscrit pleinement dans cet objectif.

Madame la ministre, votre administration dispose-t-elle d’études identifiant les raisons pour lesquelles une part aussi importante des indépendants renonce à la pension complémentaire libre?

Dans le cadre des initiatives prévues par la majorité pour améliorer la protection sociale des indépendants, des mécanismes plus progressifs ou proportionnés, permettant à ceux dont les revenus sont modestes de constituer malgré tout une épargne retraite, sont-ils envisagés? Êtes-vous, à cet égard, en contact étroit avec votre collègue du gouvernement compétent en la matière?

Eléonore Simonet:

Madame Pirson, je vous remercie pour vos questions qui touchent en effet à un enjeu central pour de nombreux travailleurs indépendants: la constitution d'une pension complémentaire.

S'agissant des constats et analyses disponibles, l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) publie chaque année des données relatives à la participation des indépendants et des salariés aux pensions complémentaires. Le dernier aperçu disponible reflète la situation au 1 er janvier 2025. La FSMA publie également un rapport bisannuel spécifiquement consacré aux pensions complémentaires des indépendants. Le plus récent couvre la période allant du 1 er janvier 2022 au 1 er janvier 2024. Ces études ne contiennent pas, à ce stade, d'analyses qualitatives détaillées des raisons pour lesquelles une partie des indépendants souscrivent ou non à une pension libre complémentaire pour indépendant (PLCI). Toutefois, elles permettent de dégager plusieurs constats structurels importants. Tout d'abord, les règles limitaient jusqu'à présent l'accès à la PLCI pour les indépendants à titre complémentaire. Ceux-ci ne pouvaient y souscrire que s'ils payaient des cotisations sociales équivalentes à celles d'un indépendant à titre principal. Pour 2025, cela correspond à un revenu d'au moins 17 008,88 euros. Cette condition excluait de facto de nombreux indépendants à revenus modestes ou en début d'activité.

Par ailleurs, si l'on considère l'ensemble des formes de pension complémentaire accessibles aux indépendants – la PLCI, la pension complémentaire pour dirigeants d'entreprise indépendants (EIP) et la pension complémentaire pour indépendant personne physique (CPTI) –, on constate qu'environ 652 841 indépendants disposent d'au moins un contrat de pension complémentaire. Parmi ceux-ci, 477 931 ont cotisé en 2024, soit 57 % des indépendants à titre principal et des indépendants à titre complémentaire qui versent des cotisations équivalentes à celles d'un indépendant à titre principal. Ces chiffres illustrent à la fois l'existence d'un recours réel au mécanisme du deuxième pilier, mais aussi les limites actuelles du système, en particulier pour les indépendants disposant de revenus faibles ou irréguliers.

Toutefois, dans le cadre de l'application de l'accord de gouvernement, j'ai prévu à court terme deux réformes de la PLCI pour indépendants, avec un objectif clair: permettre à un plus grand nombre d'indépendants de constituer une épargne pension complémentaire, y compris ceux dont les marges financières sont plus réduites.

Premièrement, le taux de cotisation maximale de la PLCI classique sera relevé de 8,17 à 8,5 %, et le plafond applicable à la PLCI sociale sera également augmenté. Cette mesure offrira davantage de flexibilité aux indépendants qui ont la capacité d'épargner, en leur permettant de renforcer leur constitution de droits à la pension complémentaire.

Deuxièmement, et c'est une réforme structurelle majeure, la PLCI sera ouverte à l'ensemble des travailleurs indépendants à titre complémentaire, et non plus uniquement à ceux qui atteignent le seuil de cotisations d'un indépendant à titre principal. Concrètement, cela signifie que les indépendants à titre complémentaire à faibles revenus, voire sans revenus, ainsi que les indépendants en début d'activité pourront désormais eux aussi cotiser à une PLCI. Cette réforme vise précisément à lever l'un des principaux obstacles que vous mentionniez et identifiez à la constitution d'une pension complémentaire chez les indépendants.

Au-delà de cette adaptation ciblée de la PLCI, le gouvernement a également l'ambition, comme annoncé dans l'accord de gouvernement, de simplifier et d'harmoniser les différents régimes du deuxième pilier accessible aux indépendants, à savoir la PLCI, l'EIP et la CPTI dont je faisais mention. Dans ce cadre, la règle des 80 % sera également réformée de manière à rendre le système plus lisible et plus cohérent.

Cette démarche s'inscrit dans une volonté plus large de réduire la complexité administrative, de faciliter l'accès à l'information et, à terme, de limiter le non-recours aux dispositifs existants. La réflexion est menée en concertation étroite avec mes collègues du gouvernement compétents afin d'assurer une approche cohérente et transversale de la réforme des pensions.

Mon objectif est de garantir aux indépendants, quel que soit leur niveau de revenus ou leur statut – principal ou complémentaire – de meilleures possibilités de préparer leur retraite dans un système plus équitable, plus accessible et mieux adapté aux réalités de l'entrepreneuriat d'aujourd'hui.

Anne Pirson:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses qui confirment une réalité bien connue sur le terrain. Pour une partie importante des indépendants, la pension complémentaire reste aujourd'hui plus théorique qu'opérationnelle. Lorsque les revenus sont modestes ou réguliers, les incitants financiers ne suffisent toujours pas. L'enjeu n’est donc pas seulement l'existence des dispositifs, mais leur accessibilité pour ceux et celles qui en ont le plus besoin. Si on veut vraiment renforcer l'équité entre les statuts, il est indispensable de réfléchir à des mécanismes plus progressifs, plus lisibles et aussi mieux adaptés aux trajectoires des petits indépendants ou des professions libérales, en articulation avec la pension légale. Nous serons très attentifs aux travaux que vous avez annoncés et qui, je l'espère, déboucheront sur des solutions concrètes, notamment en matière de PLCI et du taux de cotisation maximal et d’ouverture de celle-ci, et qui permettront aux indépendants de préparer au mieux leur retraite, et ce, sans mettre en péril leur activité au quotidien.

De aanbeveling van de ombudsdienst over de cumulatie van RVA-uitkeringen met een pensioen
De cumulatie van een gezins- of overlevingspensioen met een vervangingsinkomen
De vrijwillige terugbetaling van een werkloosheidsuitkering
De vrijwillige terugbetaling van vervangingsinkomens i.h.k.v. het cumulverbod met het pensioenbedrag
Cumulatie en terugbetaling van uitkeringen en pensioenen

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden Vanrobaeys, Lanjri en Van Lysebettens bekritiseren dat burgers RVA-werkloosheidsuitkeringen (in tegenstelling tot RIZIV-ziekte-uitkeringen) niet vrijwillig kunnen terugbetalen om zo hun volledig gezins- of overlevingspensioen te behouden, wat volgens de Ombudsmannen leidt tot onrechtvaardige financiële verliezen (bv. 1.600 euro pensioenterugvordering voor een kleine opvanguitkering). Minister Clarinval erkent het probleem en belooft de RVA opdracht te geven een oplossing uit te werken, maar stelt voorwaarden (geen misbruik, rechtszekerheid) en wijst op coördinatie met minister Jambon (Pensioenen); de parlementsleden dringen aan op snelle implementatie (via KB?) en betere informatieverstrekking om dergelijke "schrijnende situaties" te voorkomen.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister,

De federale Ombudsman en de Ombudsman Pensioenen bevelen aan om burgers toe te laten hun uitkeringen vrijwillig terug te betalen wanneer dit hen toelaat een voordeliger pensioen te verkrijgen of te behouden. Vandaag is dit wél mogelijk voor ziekte-uitkeringen (RIZIV), maar niet voor uitkeringen toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) in het kader van de werkloosheidsreglementering.

Uit dossiers die door de ombudsdiensten werden onderzocht, blijkt dat deze regelgeving kan leiden tot financieel zeer nadelige en onrechtvaardige situaties. Burgers verliezen soms een aanzienlijk deel van hun (gezins- of overlevings)pensioen omdat zij of hun partner gedurende een korte periode een vervangingsinkomen ontvingen, terwijl het bedrag van dat vervangingsinkomen lager ligt dan het pensioenbedrag dat wordt teruggevorderd. De mogelijkheid om het vervangingsinkomen vrijwillig terug te betalen zou dit probleem kunnen oplossen, maar bestaat vandaag niet voor RVA-uitkeringen.

De federale Ombudsdienst stelt dat deze ongelijke behandeling het vertrouwen van burgers in de overheid schaadt en vraagt expliciet aan de minister van Werk om de regelgeving aan te passen. De RVA liet bovendien weten de analyse te onderschrijven en samen met de minister te willen bekijken hoe de aanbeveling kan worden uitgevoerd.

Mijn vragen:

Erkent u dat de huidige regelgeving kan leiden tot financieel nadelige en onrechtvaardige situaties voor gepensioneerden en hun partners?

Hoe verantwoordt u het verschil in behandeling tussen ziekte-uitkeringen, die wel vrijwillig kunnen worden terugbetaald, en RVA-uitkeringen, waarvoor dit vandaag niet mogelijk is?

Bent u bereid de werkloosheidsreglementering aan te passen zodat burgers RVA-uitkeringen vrijwillig kunnen terugbetalen om hun volledig pensioen te behouden, in lijn met de aanbeveling van de federale Ombudsman en de Ombudsman Pensioenen?

Zo ja, binnen welke termijn kan het parlement hierover een wetswijziging of reglementaire aanpassing verwachten? Zo niet, waarom niet?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister,

Momenteel mag je een gezins- of overlevingspensioen niet combineren met een vervangingsinkomen zoals een ziekte-uitkering of een werkloosheidsuitkering. Als je dat wel doet, dan verlies je je gezins- of overlevingspensioen en val je terug op een pensioen als alleenstaande, dat een stuk lager ligt. Zo berichtte HLN (17/12/2025) over situaties als die van Pieter (schuilnaam). Hij moest 1.633 euro aan de pensioendienst terugbetalen omdat zijn vrouw, die onthaalouder is, een opvanguitkering kreeg omdat er af en toe kindjes afwezig waren. Ook was er het verhaal van de bouwvakker die zijn overlevingspensioen verloor voor elke maand dat hij ook maar een dag tijdelijk werkloos was door slecht weer. Het is voor mensen niet altijd duidelijk dat ook uitkeringen die zeer tijdelijk of sporadisch van aard zijn, niet mogen gecombineerd worden met een pensioen.

Daarom vinden de Ombudsmannen Pensioenen, Tony Van Der Steen en Jérôme Aass, samen met de federale Ombudsman, dat het mogelijk moet zijn dat burgers uitkeringen vrijwillig kunnen terugbetalen als dat ervoor kan zorgen dat ze het pensioen dat ze krijgen kunnen behouden.

Vandaag is het al wel mogelijk om je uitkering voor ziekte- en invaliditeit terug te betalen als je dat wil. Dat zou dus ook mogelijk gemaakt moeten worden voor RVA-uitkeringen.

In hetzelfde artikel van 17 december las ik dat uw kabinet erkent dat zo’n vrijwillige terugbetaling een goede oplossing kan zijn om dergelijke situaties op te lossen. U hebt uw administratie dan ook de opdracht gegeven om met een oplossing te komen.

Vandaar mijn vragen:

Hoever staat u in de uitwerking van deze oplossing? Kan dit via een KB gebeuren?

Bent u hierover in overleg met uw collega-minister Jan Jambon, bevoegd voor pensioenen? Zoals gezegd, de vrijwillige terugbetaling bestaat al voor bepaalde uitkeringen, ik neem dus aan dat dit eenvoudig uit te breiden is naar andere uitkeringen?

Jeroen Van Lysebettens:

Geachte vice-eersteminster,

Het is al langer mogelijk om een ontvangen ziekte-uitkeringen vrijwillig terug te betalen. Dit systeem bestaat echter niet voor uitkeringen toegekend door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) in het kader van de werkloosheidsregeling, wat grote gevolgen kan hebben voor pensioenbedragen van getroffenen, vooral gezinnen met een overlevings- of gezinspensioen.

Namelijk, momenteel is het zo dat wanneer de pensioendienst een cumulatie van een pensioen met een vervangingsinkomen vaststelt, een deel of het geheel van het pensioen teruggevorderd wordt voor de periode waarvoor het vervangingsinkomen werd betaald. Dit kan leiden tot financieel nadelige situaties aangezien het bedrag dat iemand verliest aan pensioen soms groter is dan het ontvangen vervangingsinkomen.

Een oplossing zou zijn om het vervangingsinkomen vrijwillig terug te betalen, zodat er wel recht is op het pensioen. Zowel de Ombudsman Pensioenen als de federale Ombudsman ondersteunen alvast deze aanbeveling, en hebben deze aanbeveling ook al bezorgd aan uw kabinet.

Vandaar mijn vragen:

Gezien uw bevoegdheid over de RVA, hoe en wanneer zal u de regelgeving aanpassen om vrijwillige terugebtaling mogelijk te maken?

Zal u ook een sensibiliseringscampagne opzetten om deze mogelijkheid tot terugbetaling meer kenbaarheid te geven?

David Clarinval:

Het is inderdaad zo dat er situaties zijn waarin tijdens een beroepsactiviteit, door het ontvangen van een vervangingsinkomen, een ongewenste neveneffect op een ander vervangingsinkomen ontstaat, in voorkomend geval dat van een ander gezinslid. In eerste instantie moet zoveel mogelijk worden vermeden dat een sociaal verzekerde in een dergelijke situatie terechtkomt. Dat kan gebeuren door het te lang laten aanslepen van de toekenning van een sociale uitkering of door een misschien onlogische regeling voor cumulatie, met name ook in de pensioenreglementering.

Ik verwijs naar de door de ombudsman aangehaalde casus van de alleenstaande moeder wier echtgenoot zijn gezinspensioen verloor doordat de echtgenoot enkele opvanguitkeringen geniet. Dergelijke situaties vragen om nader onderzoek. Een vrijwillige terugbetaling kan een goede praktische oplossing zijn om dergelijke situaties op te lossen, mits een aantal aandachtspunten, zoals het vermijden van loutere a posteriori financiële optimalisatie, het niet in het gedrang brengen van de rechtszekerheid in functie van eventueel al toegekende afgeleide rechten of vastgestelde inbreuken, en de effectieve ontvangst van de bedragen.

Ik zal de administratie vragen het rapport van de ombudsman te analyseren en zal op basis daarvan het passende initiatief nemen voor een evenwichtige oplossing.

Anja Vanrobaeys:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik kijk in ieder geval uit naar het moment waarop u de RVA de opdracht zult geven daar een passend antwoord op te bieden, na dat initiatief.

Ik vind dat de vrijwillige terugbetaling een mogelijke piste is. Die bestaat trouwens ook voor de ziekte-uitkeringen. Ik snap dan ook niet waarom het voor het ene wel kan en voor het andere niet zou kunnen, temeer omdat het voorbeeld dat in het verslag van de Ombudsdienst staat zo schrijnend is dat de mensen achteraf voor grote terugbetalingen komen te staan. Ik meen dat we dergelijke schrijnende situaties moeten vermijden.

Ik hoop dan ook dat we op korte termijn een initiatief van de RVA kunnen verwachten waarbij tegemoetgekomen wordt aan de vraag van de Ombudsdienst Pensioenen.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, ik heb in hetzelfde krantenbericht van 17 december gelezen dat uw kabinet erkent dat zo’n vrijwillige terugbetaling een oplossing kan zijn om zulke situaties aan te pakken en dat u de administratie de opdracht had gegeven met een oplossing te komen.

Vandaag zegt u echter dat de RVA die opdracht nog zult geven. Ik hoop dan toch, mijnheer de minister, dat we snel zullen kunnen voortwerken en dat u snel met een oplossing zult komen.

Ik meen dat een terugbetaling van dat bedrag een redelijke piste is, mits de voorwaarden die u opsomde. Het mag natuurlijk niet eindigen met ik ga het proberen, hoewel ik weet dat het niet mag. Het gaat hier over menselijke vergissingen. Mensen weten bijvoorbeeld wel dat ze uitkeringen niet mogen combineren, maar ze weten bijvoorbeeld niet dat als ze een paar dagen geen kinderen hebben die opgevangen moeten worden en toch een opvanguitkering vragen, die ook onder uitkeringen valt.

Niet iedereen ken alle finesses van de wetgeving. Het past dus om hier dezelfde logica toe te passen als vandaag voor de ziekte-uitkeringen. Het past om de mogelijkheid te bieden het bedrag dat men onterecht heeft gekregen van de RVA terug te storten, zodat men maar 200 of 300 euro moet terugstorten aan de RVA en dat men niet de volledige 1.600 euro van het pensioen moet verliezen. Dat zou echt absurd zijn.

Ik neem aan dat de minister van Pensioenen dit ook bekijkt. Nu gebeurt het al voor de ziekte-uitkeringen en voor de werkloosheidsuitkeringen. Als dat ook voor andere uitkeringen kan, moet het uiteraard aangepakt worden.

Ik hoop dat we zo snel mogelijk tot een oplossing kunnen komen, ook zelfs voor de mensen die er nu onder geleden hebben. Ik hoop dat u het voorstel dat de Ombudsdienst heeft uitgewerkt zult volgen.

Jeroen Van Lysebettens:

Bedankt, mijnheer de minister, zowel voor uw bereidwilligheid om er werk van te maken als voor uw antwoord. Ik hoop wel dat het met de nodige spoed gebeurt. Als we het erover eens zijn dat dat een probleem is, die mensen in hun recht moeten worden gesteld en dat een vrijwillige terugbetaling een makkelijke en snelle oplossing kan zijn voor sommige gevallen, mits een aantal voorwaarden, moeten we er niet veel tijd over laten gaan om oplossingen te vinden en ze te implementeren.

In mijn originele vraag had ik u ook gevraagd welke mogelijkheden u ziet om dat proactief kenbaar te maken. Daarmee bouw ik een beetje voort op wat mevrouw Lanjri ook zegt. Ons uitkeringssysteem is soms complex en niet altijd helder voor de mensen die er gebruik van maken. Ik denk dat we grote problemen kunnen vermijden door mensen in een bepaalde situatie te wijzen op de mogelijkheid van die vrijwillige terugbetaling omdat men dan zijn of haar volledige pensioen kan krijgen. Dat is dan immers een positieve zaak voor de mensen.

Ik hoop dat u met uw collega Jambon van Pensioenen daarover overlegt, want in deze casus, en ik vermoed in allerlei combinaties van een pensioen met een uitkering, is het natuurlijk de Pensioendienst die in eerste instantie een trigger kan zijn.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, le secrétariat de la commission reprendra contact avec vous pour fixer une réunion aussi vite que possible afin d’épuiser l’ordre du jour, parce qu’il reste encore une vingtaine de questions. La réunion publique de commission est levée à 17 h 33. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.33 uur.

De fiscale regeling voor de derde pensioenpijler

Gesteld door

PS Frédéric Daerden

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frédéric Daerden (PS) vraagt kritische cijfers over het derde-pijlerpensioensparen in 2024, wijst op hoge bank- en verzekeringskosten die het nettorendement ondermijnen en op de 8%-belasting bij 60 jaar, en pleit voor lagere kosten om de sparers te beschermen. Minister Jan Jambon (N-VA) corrigeert de fiscale plafonds (max. €1.050/€1.350 in 2025), meldt dat 2,5 miljoen Belgen (gem. €864/jaar) sparen via dit systeem – vrouwen zijn licht in meerderheid – en belooft een wetsvoorstel om de kosten te drukken, zonder concrete timing. Daerden onderschrijft de nood aan striktere regulering van financiële tussenpersonen om het systeem eerlijker te maken. Jambon deelt gedetailleerde decieldata na maar ontkent inzicht in totaal opgebouwde kapitaal.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, depuis de nombreuses années, l'État encourage les citoyens à souscrire une épargne pension individuelle dans le cadre du 3 e pilier. Cette incitation prend principalement la forme d'un avantage fiscal qui peut aller jusqu'à 30 % des montants versés chaque année, dans la limite de 1 500 euros au titre de 2025. L'argument avancé est que cet effort individuel viendrait compléter la pension légale et améliorer le niveau de vie des retraités. Cependant, plusieurs études, notamment de l'Autorité des services et marchés financiers (FSMA) ont mis en évidence le poids important des frais appliqués par les banques et les compagnies d'assurance réduisant ainsi le rendement net pour l'épargnant. En outre, au moment du 60 e anniversaire, l'administration fiscale prélève un impôt libératoire de 8 % sur le capital constitué, ce qui signifie que l'État dispose d'informations précises sur les montants accumulés par les épargnants.

Monsieur le ministre, pouvez-vous indiquer pour l'année 2024 combien de contribuables ont souscrit une épargne pension du 3 e pilier et pour quel montant moyen annuel? Quelle est la répartition du recours à ce dispositif selon les quartiles de revenus et selon le genre? Pouvez-vous préciser sur base des données fiscales disponibles au moment du prélèvement de 8 % à 60 ans, le montant moyen, le montant médian effectivement accumulé par les épargnants, la répartition de ces capitaux en fonction des quartiles de revenus et du genre? Comptez-vous œuvrer à diminuer les frais appliqués par les banques et les compagnies d'assurance afin d'assurer le rendement net pour l'épargnant? Si oui, pourriez-vous m'indiquer comment et sous quel calendrier?

Jan Jambon:

Monsieur Daerden, je tiens tout d'abord à rectifier le montant mentionné dans votre question. Pour 2025, les contribuables ont droit à une réduction d'impôt de 30 % s'ils versent maximum 1 050 euros et à une réduction d'impôt de 25 % s'ils versent plus de 1 005 euros, avec un maximum de 1 350 euros, et non 1 500 euros comme indiqué dans votre question.

Les données les plus récentes de mon administration concernent l'exercice d'imposition 2024, portant sur l'année de revenus 2023. Durant cet exercice d'imposition, 2 497 405 contribuables ont demandé à bénéficier de la réduction d'impôt pour versement dans le cadre de l'épargne-pension. Le montant total versé est de 2,16 milliards d'euros et le montant moyen s'élève à 864 euros. Pour rappel, les montants maximum étaient de 990 euros, pour une réduction d'impôt de 30 %, et 1 270 euros pour une réduction d'impôt de 25 % durant l'année de revenus 2023. Un historique du nombre de contribuables et du montant total versé dans le cadre de l'épargne-pension est disponible sur le site du SPF Finances, sous l'onglet statistiques et analyses (https://finances.belgium.be/fr/statistiques_et_analyses).

L'administration fiscale ne dispose pas de données quartiles, mais je vous fournirai un tableau avec la répartition par décile. La répartition par genre est équilibrée: les femmes représentent un peu plus de 50 % du nombre de contribuables, et ont demandé la réduction d'impôt pour épargne-pension, et un peu plus de 50 % du montant total versé. Mon administration ne dispose pas de données relatives aux montants totaux accumulés pour les épargnants.

Nous travaillons actuellement à un avant-projet de loi visant à neutraliser autant que possible les coûts liés à l'épargne-pension. J'espère pouvoir présenter cet avant-projet au Parlement dans les plus brefs délais.

Je transmettrai au secrétariat de la commission un tableau contenant de nombreux chiffres, afin qu'il soit repris dans le compte rendu. Il s'agit des données par décile de l'épargne-pension, le nombre de contribuables, les montants totaux versés, le montant moyen versé pour les différents déciles, de plus qu'un tableau de la répartition par genre, le nombre de contribuables et le montant total versé.

Frédéric Daerden:

Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse et la rectification. Désolé pour l'erreur dans notre question. Merci pour les différente informations concernant les différents déciles. Je reviendrai sur un élément. Je pense que nous nous rejoignons, car votre intention est de faire une correction. Il s'agit du coût élevé des intermédiaires financiers. S'il pouvait être contraint et diminuer, cela serait évidemment tout bénéfice pour les épargnants.

De herstelpensioenen voor de slachtoffers van daden van terrorisme
De toepassing van de wet van 18 juli 2017 voor slachtoffers van terreurdaden
Slachtoffercompensatie bij terreurdaden

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet en Caroline Désir bekritiseren dat het Service fédéral des Pensions (SFP) slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016 illegaal benadeelt door hun terrorisme-vergoedingspensioen drastisch te verlagen (van €1.730 naar €23,64) en terugvorderingen te eisen zonder fraude – in strijd met de wet van 2017 die dit expliciet verbiedt. Ze wijzen op systematische misbruiken: aftrek van nog niet definitieve verzekeringsprovisies, willekeurige schorsingen zonder ministerieel akkoord, en discriminatie bij kinderpensioenen (minderjarigen uitgesloten, meerderjarigen wel). Minister Theo Francken ontkent schendingen en verdedigt de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel (art. 6): pensioenen worden wettelijk verlaagd bij andere inkomsten (zoals verzekeringsuitkeringen), zonder retroactieve terugvordering behalve bij fraude. Hij erkent wel dat de uitvoering verbetering behoeft en belooft een aanpassingstekst, maar handhaaft de huidige kinderregeling (gebaseerd op gezinssituatie, niet leeftijd). De oppositie betwijfelt zijn stelling dat er "geen probleem" is, maar verwacht dringend wetswijzigingen in overleg met slachtofferorganisaties.

François De Smet:

Monsieur le ministre, cette question avait été adressée à votre collègue, M. Jambon, mais apparemment c'est vous le ministre compétent.

La presse s'est fait l'écho d'un courrier reçu par un couple, victime des attentats de Bruxelles du 22 mars 2016, émanant du Service fédéral des Pensions (SFP), lequel versait jusqu'à présent au mari, 1 730,26 euros au titre de pension de dédommagement aux victimes d'actes de terrorisme, montant désormais – je cite – "adapté par une modification de vos droits" à un montant ridicule de 23,64 euros.

Ceci amène les associations d'aide aux victimes telles que Life for Brussels à mettre en évidence une forme de dysfonctionnement manifeste. L'association rappelle que la pension de dédommagement qui a été conçue en 2017 comme un soutien immédiat et inconditionnel pour permettre aux victimes de terrorisme de se reconstruire, se trouve aujourd'hui détournée de sa finalité. Malgré un cadre légal clair excluant strictement toute récupération d'un dû hors fraude, l'erreur administrative ne pouvant jamais créer ni justifier une dette, le SFP expose désormais des victimes déjà fragilisées au risque inacceptable d'un endettement rétroactif en violation directe de la volonté explicite du législateur. Il se livre à une pratique nouvelle et pourtant apparemment, selon nous, illégale telle que la déduction des provisions non consolidées et en cours de procédure. Cela alors même que les dossiers ne sont pas clôturés et qu'aucune indemnisation définitive n'a été versée.

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance de cette information? Dans l'affirmative, quelle est votre analyse de la situation? Le retranchement d'un montant pareil peut-il se justifier? Confirmez-vous l'analyse de Life for Brussels? Entendez-vous prendre les mesures ad hoc afin de mettre fin à ces pratiques discriminatoires et discrétionnaires du Service fédéral des Pensions?

Voorzitter:

Collega De Smet, de minister antwoordt op zaken waarvoor hij bevoegd is.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, suite aux attentats du 22 mars 2016, le législateur a en effet voté la loi du 18 juillet 2017 qui repose sur trois volets: l'octroi d'un statut de solidarité nationale aux victimes d'actes de terrorisme, l'instauration d'une pension de dédommagement pour les victimes directes et leurs ayants droit et le remboursement des soins médicaux aux victimes.

Moi aussi, je voudrais vous interroger aujourd'hui sur l'exécution de cette loi parce que huit ans plus tard, nous sommes, nous aussi, tout comme mon collègue François De Smet, alertés par une association de victimes qui évoque une série de dérives illégales dans l'application de cette loi. Selon ce qui nous revient, le Service fédéral des Pensions réclame des sommes indûment versées en cas d'erreur administrative alors que l'article 23 de la loi de 2017 stipule clairement que la récupération est impossible en l'absence de fraude ou fausse déclaration du bénéficiaire.

Toujours selon cette association de victimes, le SFP a également fait déduire illégalement les provisions d'assurance des pensions. Cette pratique, contraire aux garanties données par l' É tat, coupe en réalité la seule source de soutien financier stable des victimes. Le caractère résiduaire ne peut légalement intervenir qu'au moment de l'indemnisation définitive. Ici, le SFP modifie ou suspend les pensions sans décision ministérielle préalable.

À côté de ces pratiques contraires à la loi et qui menacent la stabilité financière des victimes, les associations déplorent également des iniquités visant le statut des enfants. Selon elles, l'interprétation actuelle de la notion d'enfant à charge est profondément inéquitable: elle exclut totalement du soutien les enfants mineurs (notamment en présence d'un conjoint survivant), tandis que d'autres enfants majeurs peuvent bénéficier d'une pension à vie. Selon Life for Brussels, ce fait aboutit à des situations absurdes et s'apparente à une forme de loterie familiale.

Monsieur le ministre, comment réagissez-vous, vous et le SFP, aux témoignages de récupération illégale de dettes, de déduction illégale de provision d'assurance et de non-exécution des décisions ministérielles? Comment remédier à la situation? Est-il possible de supprimer la notion d'enfant à charge de la loi de 2017? Entendez-vous recourir à une intervention législative ou exécutive pour mettre fin aux pratiques dénoncées et ainsi garantir le respect de la loi de 2017?

Theo Francken:

Monsieur De Smet, madame Désir, la loi du 18 juillet 2017 prévoit une aide rapide aux victimes, mais maintient le principe de subsidiarité. La pension de dédommagement constitue un droit résiduaire. La loi ne prévoit aucune distinction entre les montants provisoires et définitifs versés par les assurances. Si le montant de la pension de dédommagement diminue, c'est exclusivement justifié par l'application du principe de subsidiarité, conformément à l'article 6 de la loi. La pension de dédommagement est toujours réduite sur la base de ce que le bénéficiaire a perçu des assurances et, le cas échéant, sur la base d'autres rentes qui doivent être déduites en vertu de la loi. En outre, la réduction de la pension de dédommagement est effectuée sans rétroactivité, sauf en cas de fraude. Il n'y a donc aucune dette ni aucune somme récupérée avec effet rétroactif, sauf en cas de fraude. Le SFP me confirme qu'il n'existe donc aucune pratique discriminatoire ou discrétionnaire dans le cadre de l'application de la loi du 18 juillet 2017. Je souhaite néanmoins trouver des pistes pour faciliter et sécuriser l'exécution de l'article 6 de la loi. Une proposition de texte concrète est en cours d'élaboration.

En ce qui concerne la notion d'enfant à charge, la nécessité d'une modification de la législation en vigueur n'est pas d'application, puisque nous souhaitons suivre la logique instaurée par la loi du 18 juillet 2017, elle-même fondée sur celle du 15 mars 1954 et qui prend en compte la cellule familiale de la victime décédée plutôt que la filiation.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse claire. On comprend que la situation des demandeurs ne va pas évoluer tout de suite, parce que la loi stricto sensu serait respectée. Mais vous dites en même temps que vous allez plancher sur une adaptation via un texte. Comme les associations représentant les victimes, nous attendrons ce texte avec impatience. Je vous remercie de prendre cette dimension en compte.

Caroline Désir:

J'irai dans le même sens que mon collègue. Votre réponse est un peu étonnante, monsieur le ministre. Vous dites qu'il n'y a pas de problème d'application de la loi, mais vous allez la modifier. Vous sentez donc qu'il y a un problème pour les victimes. J'espère que ces modifications législatives interviendront rapidement et, surtout, que vous êtes en contact avec ces associations pour faire évoluer la situation de ces victimes. Je vous remercie.

De impact van de indexdiefstal op het aanvullende pensioen

Gesteld door

PTB Roberto D'Amico

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Roberto D’Amico kritiseert het bevriezen van de index voor lonen boven €4.000 bruto (1,3 miljoen Belgen) als een "stelselmatige diefstal" die hun koopkracht, pensioenen (1e en 2e pijler) en sociale uitkeringen aantast, terwijl de regering tijdens de campagne loonbeloningen beloofde. Minister Jan Jambon verdedigt het tijdelijk plafond (2026/2028): indexering blijft behouden maar wordt beperkt tot max. €80 voor hoge lonen en sparen in de 2e pijler levert later iets minder pensioen op, terwijl lage pensioenen (<€2.000) ongewijzigd blijven. D’Amico relativeert "lichtjes minder": voor lage pensioenen (€1.500) maken €10-20 verschil door inflatie, en waarschuwt voor sociale onrust in 2026. Jambon benadrukt gedeelde lasten, D’Amico ziet structurele verarming en aankomend verzet.

Roberto D'Amico:

Monsieur le ministre, je souhaitais vous interroger sur votre projet de gel de l'index et de ses répercussions sur les premier et deuxième piliers de pension. Vous voulez aussi bloquer l'index des salaires des travailleurs qui touchent plus de 4 000 euros brut, c'est-à-dire 2 600 euros net. En Belgique, cela concerne 1,3 million de salariés, autrement dit un salarié sur deux. Monsieur le ministre, savez-vous de qui il s'agit? C'est mon frère Pino, qui travaille dans le bâtiment; c'est ma voisine Francesca, qui est infirmière; ce sont aussi tous mes anciens collègues de Caterpillar qui ont perdu leur boulot et qui, désormais, travaillent dans le secteur pharmaceutique; ce sont tous ces travailleurs qui travaillent dur auxquels, pendant la campagne électorale, le MR et la N-VA avaient promis qu'ils seraient récompensés de leur travail.

Or, aujourd'hui, que faites-vous? Exactement le contraire! Vous leur gelez l'index ou plutôt vous le leur volez. Ce vol de l'index n'aura pas lieu deux fois comme vous le dites, puisqu'il va s'accumuler tout au long de leur carrière. Ces travailleurs vont perdre des milliers, voire des dizaines de milliers d'euros. Ce vol de l'index aura aussi des répercussions sur d'autres aspects qui touchent au pouvoir d'achat. L'impact va ainsi frapper le treizième mois, les congés payés, l'allocation de maladie et, monsieur le ministre, sur les premier et deuxième piliers de la pension.

Donc, monsieur le ministre des Pensions, ma question sera très claire: pouvez-vous me dire quel sera l'impact – j'avais écrit "du vol", mais je vais dire "du blocage" – du blocage de l'index sur les premier et deuxième piliers de pension?

Jan Jambon:

Monsieur D'Amico, la décision du gouvernement d'appliquer une indexation plafonnée aux salaires et aux allocations en 2026 et 2028 est équilibrée. Je le répète à nouveau aujourd'hui: chacun fournira une contribution limitée, tant la population active que les pensionnés. Telle est l'essence de cette décision.

Que signifie une indexation plafonnée? En 2026 et 2028, l'indexation est limitée et non supprimée. L'indexation plafonnée s'applique uniquement aux pensions légales supérieures à 2 000 euros. Pour les pensions inférieures à 2 000 euros, rien ne change. Les pensions les plus basses sont donc entièrement préservées, ce que nous jugeons essentiel.

Pour les travailleurs, l'indexation plafonnée ne s'applique qu'aux salaires supérieurs à 4 000 euros. Concrètement, cela signifie que les travailleurs avec un salaire supérieur à 4 000 euros, sans pension complémentaire, bénéficieront en 2026 et 2028 bel et bien d'une indexation salariale, mais celle-ci sera limitée à un maximum de 80 euros à chaque fois. Il y a donc toujours une indexation mais elle est temporairement moins élevée.

Les travailleurs avec un salaire supérieur à 4 000 euros et une pension complémentaire, sur lesquels porte votre question, bénéficient également d'une indexation. Ceux qui consacrent une partie de leur salaire à la constitution d'une pension complémentaire pourraient, en 2026 et 2028, verser une cotisation légèrement inférieure dans le deuxième pilier. Par conséquent, la pension complémentaire résultant de ces deux années produira, 20, 30 ou 40 ans plus tard, un capital légèrement inférieur.

Roberto D'Amico:

Monsieur le ministre, qu'entendez-vous par "légèrement inférieur"? C'est combien? C'est 10, 15, 20 euros? Oui, bien entendu, quand on gagne 4 000 ou 5 000 euros, 10 ou 15 euros, ce n'est rien du tout. Franchement, ce n'est rien du tout. Mais pour un pensionné qui a 1 500 euros voire moins, 10 ou 15 euros, c'est énorme au vu de l'augmentation du coût de la vie. J'écoutais encore ce matin des pensionnés qui témoignaient à la radio dans le cadre de l'action "Viva for Life". Ceux-ci se plaignaient de leur pension. Monsieur le ministre, je vous assure que les travailleurs sont très chauds. L'année 2025 a été très chaude d'un point de vue social et, vous l'aurez entendu aussi bien que moi, l'année 2026 le sera encore plus. Et croyez-moi, le PTB sera du côté des travailleurs pour défendre nos pensions.

De registratie van gelijkgestelde periodes bij de pensioenhervorming
De erkenning van moederschapsrust voor het pensioen en de onduidelijkheid over de periodes vóór 2003
De registratie van de moederschapsrust in het kader van de pensioenopbouw
Erkenning en registratie van gelijkgestelde periodes en moederschapsrust voor pensioenopbouw

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat historische gegevens over moederschapsverlof (vóór 2003), loopbaanonderbreking en tijdskrediet vaak ontbreken of foutief geregistreerd zijn, maar stelt forfaitaire oplossingen voor (bv. automatische toekenning van weken moederschapsrust per kind via de Kruispuntbank) om de bewijslast bij burgers te vermijden. Vanbesien bekritiseert dat de plannen voor loopbaanonderbrekingen te vaag blijven en dreigt met een herziening van de hervorming als de overheid de data niet kan reconstrueren, terwijl Samyn de automatische aanpak weliswaar positief onthaalt maar concrete timing en uitvoering mist. Alle partijen benadrukken dat gelijkstelling in pensioenberekeningen essentieel is om grondwettelijke gelijkheid te waarborgen, maar Jambon kan nog geen harde garanties of deadlines geven.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik kom nog even terug op de problemen met betrekking tot de ontsluiting van data van voor 2003. Aangezien het pensioen wordt berekend op basis van de 45 vorige jaren, moet voor wie in 2026 met pensioen gaat, worden teruggegaan tot 1979. Het probleem is dat moederschapsverlof pas sinds 2003 correct wordt geregistreerd. Daarvoor werden die periodes geboekt als ziektedagen, tijdelijke werkloosheid of werkloosheidsdagen. Er is een gelijkaardig probleem met het tijdskrediet en het loopbaankrediet.

Tijdens de plenaire vergadering hebt u aangegeven dat het voor de administratie onmogelijk is om op basis van de eigen gegevens het onderscheid tussen de niet-gewerkte periodes volledig te achterhalen. Tegelijk stelde u dat het oneerlijk zou zijn om zulke periodes automatisch als gelijkgesteld te beschouwen. Daarom gaf u opdracht om op basis van externe databronnen de ontbrekende informatie zo goed mogelijk te reconstrueren.

Ik heb daar enkele vervolgvragen over. Ten eerste, welke deadlines stelt u aan de administratie om te beslissen over de verschillende pistes om de ontbrekende gegevens te reconstrueren en te waarderen?

Ten tweede, kunt u een overzicht geven van alle mogelijke databronnen die daarvoor in aanmerking kunnen komen? U verwees eerder naar geboorteregisters, maar hoe zit het bijvoorbeeld met gegevens over tijdskrediet of andere gelijkgestelde periodes?

Ten derde, hoe zal de consultatie verlopen? U gaf aan dat de burger maximaal van de bewijslast zal worden ontzien. Betekent het dat de administratie elk dossier afzonderlijk zal onderzoeken via verschillende registers? Voorziet u daarvoor in bijkomende middelen en extra personeel?

Ten vierde, aangezien die gegevens pas sinds 2003 correct worden geregistreerd, kan de herberekening nog decennialang doorlopen, zeker nog tot 2050. Het gaat dus om potentieel heel veel dossiers waarin gegevens ontbreken. Wat bedoelt u concreet wanneer u zegt dat men de loopbaan zo goed mogelijk zal reconstrueren? Kunt u garanderen dat mensen die voor 2003 dergelijke niet-gewerkte periodes hebben, die periodes als gelijkgesteld zullen zien in hun pensioenberekening? Indien niet, hoe rijmt u dat met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel?

Ellen Samyn:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Volgens de recente berichtgeving zal moederschapsrust wél blijven meetellen voor het pensioen, maar vrouwen die vóór 2003 zijn bevallen zullen mogelijk zelf moeten aantonen wanneer hun moederschapsverlof heeft plaatsgevonden. De Federale Pensioendienst beschikt namelijk niet over volledige historische gegevens, omdat periodes van moederschapsrust vóór 2003 administratief vaak als ziekte werden geregistreerd en vóór 1990 zelfs helemaal niet werden bijgehouden.

Het voorstel om de bewijslast bij de burger te leggen leidt terecht tot ongerustheid. Vrouwen die tientallen jaren geleden kinderen kregen, moeten nu plots aantonen dat ze moederschapsrust hebben opgenomen. Dat is niet alleen praktisch moeilijk, maar ook onrechtvaardig. Zij hebben immers gewerkt en bijdragen betaald op basis van het toen geldende stelsel.

Graag verneem ik van de minister:

Bevestigt u dat vrouwen die vóór 2003 zijn bevallen mogelijk zélf zullen moeten aangeven wanneer hun moederschapsrust heeft plaatsgevonden?

Hoe zal de Federale Pensioendienst in de praktijk nagaan of en wanneer vrouwen moederschapsverlof hebben opgenomen, gelet op het ontbreken van administratieve gegevens uit die periode?

Wordt er gewerkt aan een geautomatiseerde oplossing via de Kruispuntbank of andere databanken om deze informatie centraal te reconstrueren, zodat de bewijslast niet bij de burger terechtkomt?

Bent u bereid te garanderen dat geen enkele vrouw financieel benadeeld zal worden in haar pensioenberekening omdat haar moederschapsrust vóór 2003 niet administratief werd geregistreerd?

Erkent u dat deze situatie illustreert hoe de pensioenhervorming, ondanks goede intenties, opnieuw complexiteit en onzekerheid creëert voor burgers die recht hebben op duidelijkheid en rechtvaardigheid?

Jan Jambon:

Beste collega’s, voor het verleden beschikken we inderdaad niet altijd over voldoende gedetailleerde gegevens, die gevaloriseerd kunnen worden in het kader van de werkvoorwaarden.

Om te vermijden dat de burger daardoor wordt benadeeld en zelf bewijsstukken moet aanleveren, zullen een aantal automatische oplossingen worden voorzien. Op basis van het aantal geregistreerde moederschapsrusten vanaf 2005 maken we een inschatting van het verleden. We schatten dat we voor ongeveer 700.000 vrouwen die nog met pensioen moeten gaan, geen geregistreerde periode van moederschapsrust ter beschikking hebben. Daarom wordt momenteel onderzocht of voor die groep met terugwerkende kracht een forfaitaire periode van een aantal weken per kind, zowel voor als na de geboorte, kan worden toegekend. De geboortedatum kan via de juiste gegevensstroom worden aangeleverd, met name via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.

Voor loopbaanonderbreking en tijdskrediet werd in het verleden niet systematisch geregistreerd of het om zorggerelateerd verlof ging. Enkel voor recentere periodes beschikken we over voldoende gedetailleerde gegevens om dat onderscheid te maken. Ook voor onbezoldigde verloven van ambtenaren die als dienstactiviteit worden beschouwd, is er voor het verleden geen informatie beschikbaar over het motief van het verlof.

Omdat de gegevens uit het verleden niet kunnen worden gereconstrueerd, wordt nagegaan hoe hiermee op een billijke manier kan worden omgegaan. Daarbij staat voorop dat burgers hierdoor niet mogen worden benadeeld. In dat kader wordt onderzocht of voor die periodes een aantal gelijkstellingen voor de pensioenopbouw in aanmerking kunnen worden genomen. Door zoveel mogelijk te werken met automatische oplossingen, wordt de bijkomende werklast voor de dossierbeheerders van de Federale Pensioendienst beperkt en wordt zoveel mogelijk vermeden dat burgers zelf bijkomende bewijsstukken moeten aanleveren.

Omdat de verschillende pistes nog in de analysefase zitten, kan een precieze timing nu nog niet worden gegeven. Bovendien blijft het voor de burger, in gevallen waarin de geschetste oplossingen niet kunnen worden toegepast, altijd mogelijk om alsnog bewijsmiddelen aan te brengen. Die zullen enkel worden gebruikt, indien die voor de burger tot een gunstiger resultaat leiden.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, we kunnen het inderdaad niet aanvaarden dat de bewijslast bij de betrokkenen zelf wordt gelegd. Ik heb de indruk dat dat rond moederschapsverlof nog redelijk doenbaar is, omdat men bijvoorbeeld naar geboorteregisters kan verwijzen. U zult daar dan een aantal forfaitaire weken voor instellen. Voor tijdskrediet en loopbaanonderbreking geeft u evenwel aan dat men over geen enkele informatie beschikt en dat men zal proberen een aantal periodes automatisch toe te kennen. Dat begrijp ik niet zo goed. Wat bedoelt u met de automatische toekenning? Dat is wel echt heel vaag. U zegt dat u aan het onderzoeken bent hoe dat allemaal kan, maar ik heb de indruk dat er voor die periodes nog geen duidelijkheid is.

Ik zal over een paar weken opnieuw de vraag stellen of er vooruitgang is geboekt, want we moeten er absoluut van uitgaan dat de bewijslast niet bij de betrokkenen zelf wordt gelegd. Als het onmogelijk is voor de overheid om de gegevens terug te vinden, moet men misschien de hervorming herbekijken. Zo niet komen we toch in een heel bizarre situatie terecht.

Ellen Samyn:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik ben er best wel mee tevreden. U wilt vermijden dat er extra last komt te liggen bij zowel de betrokken vrouwen als bij de pensioendienst en zult dan veeleer kiezen voor automatische toekenning. We moeten nog een beetje wachten op een tijdslijn, onder andere omdat men nog in de onderzoeksfase zit. Zoals mijn collega heeft gezegd, zullen we u over een paar maanden opnieuw vragen naar een stand van zaken, ook om op te volgen of er met betrekking tot de loopbaanonderbrekingen en tijdskredieten een betere oplossing is gevonden. Toch alvast bedankt voor uw inspanning.

De afschaffing van de identificatiesleutel
De afschaffing van het inloggen op mypension.be via het rijksregisternr. en de identificatiesleutel
De online toegang tot pensioengegevens
Veiligere toegang tot pensioengegevens zonder rijksregisternummer en identificatiesleutel

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon verklaart dat de afschaffing van de inlogmethode via nationaal nummer en identificatiesleutel (enkel voor Belgen in het buitenland) per februari 2026 om veiligheidsredenen gebeurt, aangezien deze niet meer voldoet aan de RGPD-normen. Hij benadrukt dat alternatieven zoals de LRA-sleutel (via videogesprek of lokaal kantoor), itsme, eIDAS (voor EU-burgers) en mandaten voor familieleden worden aangeboden, met persoonlijke begeleiding (bv. 45-minutensessies met Sigedis) om de digitale kloof te overbruggen. Hervé Cornillie en Isabelle Hansez (initieel kritisch over de dreigende uitsluiting van kwetsbare groepen) erkennen na Jambons uitleg dat de overgang wel degelijk begeleid wordt, met mensgerichte oplossingen zoals digitale coaches, telefonische ondersteuning en fysieke balies, hoewel Hansez opmerkt dat basiskennis of een smartphone nog steeds een drempel kan vormen. Jambon wijst erop dat papieren communicatie blijft bestaan voor wie digitaal niet actief is.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, en septembre dernier, le SPF Pensions a annoncé via le site mypension.be que la possibilité de se connecter à la plateforme à l'aide du numéro national et de la clé d'identification serait supprimée à partir du 1 er février 2026.

Actuellement, ce mode de connexion permet à de nombreux futurs pensionnés d'accéder facilement et directement à leurs informations personnelles sans recourir à des outils ou à des dispositifs techniques extérieurs, parfois difficiles à utiliser. Cette méthode simple et sécurisée est particulièrement appréciée par les personnes âgées ou moins familières avec les outils numériques. Il y en a encore et c'est la raison pour laquelle je m'intéresse à cette question.

Selon les informations publiées par le SPF, il resterait alors cinq possibilités à partir du 1 er février:

- l'application itsme, nécessitant un smartphone et un certain niveau de maîtrise technologique (se connecter via des applications extérieures, scanner un QR code, entrer un mot de passe, etc.);

- la clé numérique avec un code de sécurité obtenu après une vidéo-conférence d'environ 45 minutes auprès de Sigedis;

- l'identification européenne, subordonnée à la possession préalable d'une clé numérique;

- l'utilisation de la eID, la carte d'identité électronique, qui implique alors l'achat d'un lecteur de carte ou d'un PC adapté, avec le logiciel;

- la voie postale, qui constitue un retour à une procédure lente et peu adaptée à la société numérique actuelle.

Monsieur le ministre, cette suppression soulève de nombreuses inquiétudes, notamment parmi les seniors et les citoyens peu à l'aise avec les technologies numériques, pour lesquelles cette méthode de connexion représentait pourtant une solution accessible, fiable et équitable.

Monsieur le ministre, quelles sont les raisons précises qui motivent cette suppression à partir du 1 er février 2026? Une analyse d'impact a-t-elle été réalisée concernant l'accessibilité du site mypension.be pour les personnes âgées et/ou les citoyens en situation de fracture numérique? Quelles mesures de compensation ou d'accompagnement allez-vous prévoir pour les usagers qui ne disposent pas de smartphone, d'ordinateur ou de lecteur de carte d'identité? Comment le gouvernement fédéral envisage-t-il de maintenir ou de réintroduire une méthode de connexion simple, sécurisée et non technologique afin de garantir à tous les citoyens un accès effectif à leurs informations de pension?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je ne vais pas répéter le contexte de la question ni les questions qui ont déjà été posées. Je vais simplement rajouter une question.

Je voudrais savoir si une concertation a été engagée avec votre collègue de gouvernement, la ministre Matz, afin d'assurer une coordination interfédérale et de garantir que cette transition technologique ne se fasse pas au détriment des aînés.

Je rappelle que l'inclusion numérique n'est pas un luxe. Elle est une condition essentielle de la dignité et de l'autonomie de nos seniors. Supprimer une alternative simple, un outil éprouvé comme la clé d'identification reviendrait à creuser la fracture numérique au cœur même du service public des pensions.

Je vous remercie d'avance pour vos réponses, monsieur le ministre.

Jan Jambon:

Chers collègues, je comprends parfaitement les inquiétudes exprimées par de nombreux pensionnés à la suite de l'annonce de la désactivation de la clé d'identification à partir de février 2026.

Cette décision a été motivée par des considérations de sécurité informatique. Cet outil ne répondait plus aux standards actuels en matière de protection des données et d'authentification.

Qu'est-ce que la clé d'identification et pourquoi sera-t-elle supprimée? La clé d'identification est un ancien moyen de connexion à mypension.be, développé à l'époque par l’ONP, l'Office national des Pensions, qui permet aux personnes résidant à l'étranger, et uniquement celles-ci, d'avoir accès à mypension.be.

Il n'y aura donc aucun impact pour les résidents belges, car ces derniers n'ont jamais eu accès à la clé d'identification. On parle de personnes résidant à l'étranger.

Ce moyen peu sécurisé, token et mot de passe envoyés par courrier, a été stoppé en mai 2018, avec l'entrée en vigueur du règlement général sur la protection des données, le RGPD. Le Service fédéral des Pensions a cessé d'attribuer de nouvelles clés, mais les clés existantes étaient restées actives, faute de moyen de connexion alternatif pour les personnes résidant à l'étranger.

Les citoyens disposant d'un moyen d'authentification belge, comme la carte d'identité électronique, l'application itsme ou le code TOTP, time-based one-time password , peuvent continuer à se connecter à mypension.be en toute sécurité.

Comment garantir un accès à mypension.be? Le Service fédéral des Pensions n'a pas attendu la suppression des clés d'identification pour investir dans l'inclusivité numérique et prendre des initiatives en ce sens. Par exemple, la clé LRA (local registration authority) par vidéoconférence constitue une alternative car le rendez-vous en ligne permet d'éviter un déplacement depuis l'étranger et la durée du rendez-vous est justement l'assurance de prendre le temps de parcourir la procédure avec le citoyen et de répondre à toutes ses questions. En d'autres mots, à la fin de chaque entretien, le citoyen sait et comprend comment utiliser sa nouvelle clé LRA.

Une alternative est la clé LRA activée dans un bureau d'enregistrement local. Cela permet aux Belges qui ne savent pas utiliser leurs clés d'identification ou itsme d'avoir accès aux applications d'e-government grâce à un lien qu'ils reçoivent par mail. Le Service fédéral des Pensions a formé ses agents afin que l'accueil de la tour du Midi et des différents bureaux régionaux soient reconnus comme bureaux d'enregistrement locaux et puissent délivrer ces clés.

Les citoyens disposant d'un moyen d'identification européen reconnu, via eIDAS, peuvent également accéder aux services en ligne belges, pour autant que ce moyen présente un niveau de sécurité suffisant. Il est d'ailleurs possible depuis peu de se connecter avec un moyen d'identification français, via eIDAS. Les résidents en France représentent plus de 30 % des utilisateurs de clés d'identification.

Fin 2022, le Service fédéral des Pensions a mis en place un système de mandat citoyen vers citoyen, en collaboration avec le SPF Finances, qui permet aux pensionnés d'être aidés par des proches dans la gestion de leur pension. Le Service fédéral des Pensions participe également au projet connectoo du SPF Stratégie et Appui (SPF BOSA) afin d'accompagner ses consultants pension dans leur mission d'accompagnement des citoyens dans leurs démarches numériques.

Un projet a été démarré afin de mieux soutenir les coaches numériques, aussi appelés Digicoach, afin qu'ils puissent aider les personnes fragilisées à se connecter à mypension.be. Dans la même optique, le Service fédéral des Pensions collabore depuis plusieurs années avec les experts du vécu du SPP Intégration sociale. L'utilisation numérique reste privilégiée, mais la communication papier demeure possible pour les personnes qui ne sont pas actives numériquement.

Faut-il maintenir la clé d'identification ou prévoir une alternative?

Le Service fédéral des Pensions suit effectivement la situation de près. La clé LRA – obtenue par vidéoconférence ou dans un bureau local d'enregistrement – est précisément la solution alternative accessible aux personnes qui éprouvent davantage de difficultés avec le numérique. Certains citoyens remercient d'ailleurs Sigedis pour la solution et l'accompagnement qu'ils ont reçus. Pour le citoyen, la clé LRA présente également l'avantage de pouvoir être utilisée pour se connecter aux autres applications de la sécurité sociale.

Lors de cette procédure virtuelle LRA, le citoyen est accompagné pas à pas par un agent de Sigedis qui l'aide à activer correctement sa clé numérique. Cette assistance personnalisée garantit une meilleure qualité de service et permet de s'assurer que la personne comprend chaque étape. C'est précisément pour cette raison que la vidéoconférence peut durer un peu plus longtemps, mais elle offre un accompagnement plus humain et sécurisé. Cette procédure est indispensable pour garantir que la clé numérique soit délivrée à la bonne personne. Elle permet de vérifier l'identité du demandeur et d'éviter tout risque d'accès non autorisé à des données personnelles sensibles. Ainsi, une fois l'entretien terminé, le citoyen est en mesure d'utiliser la clé.

Vous me demandez comment accompagner les citoyens et lutter contre la fracture numérique. Le Service fédéral des Pensions envoie un courrier personnel à chaque utilisateur actif d'une clé d'identification afin de l'avertir du changement. À cette occasion, le Service fédéral des Pensions a prévu une documentation afin de présenter les différentes options qui s'offrent aux citoyens selon leur situation. Le centre de contact du Service fédéral des Pensions a été informé afin de pouvoir expliquer les différentes possibilités aux citoyens qui en ont besoin.

En complément aux mesures d'accompagnement destinées à donner accès aux citoyens à mypension.be, le Service fédéral des Pensions reste joignable et continue d'investir dans ses canaux de soutien tels que la téléphonie et l'accueil en présentiel. Ainsi, le citoyen a, depuis plusieurs années, la possibilité de demander l'envoi de documents par téléphone sans devoir patienter dans une file d'attente.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse.

Il est vrai qu’en lisant cette information, nous aurions pu craindre une difficulté d’accès au service mypension.be. Cependant, au travers des réponses que vous apportez, vous démontrez que ces questions ont bien été prises en compte, d’autant plus qu’il est question d’un dispositif en extinction pour les personnes qui résidaient à l’étranger. Vous avez également évoqué le rôle des coaches numériques, ainsi que les rendez-vous personnalisés à la carte qui, certes, durent 45 minutes mais permettent à chacun de comprendre les tenants et aboutissants de son dossier.

Nous constatons que des dispositions ont été prises pour que ce changement soit aussi un changement accepté par le citoyen.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. En vous entendant évoquer les alternatives, une partie vulnérable du public pourrait croire qu’il faut une maîtrise informatique minimale ou la possibilité d’utiliser un smartphone. En revanche, je vous ai entendu à plusieurs reprises prononcer le mot "accompagnement" dans votre réponse. Je n’ai pas compté le nombre de fois que vous l'avez prononcé. Vous avez mentionné les aidants, les coaches, les experts du vécu ainsi qu’un service pension joignable. Les solutions que vous proposez permettent réellement un accompagnement humain et sécurisé.

Gelijke pensioenrechten voor onthaalouders met het vroegere sui-generisstatuut

Gesteld door

VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ellen Samyn kaart aan dat 4.000+ onthaalouders (met name actief 1995–2003) door het sui-generis-statuut tot 8 loopbaanjaren verliezen, wat hun pensioenleeftijd opschuift naar 67 jaar – ondanks hun essentiële rol tijdens corona. Ze bekritiseert dat de beloofde "gunstigere berekening" (minimumpensioen, vrijstellingen) onvoldoende zichtbaar effect sorteert en vraagt om retroactieve gelijkstelling of aanvullende rechten. Minister Jan Jambon bevestigt dat 3.101 gepensioneerden (en 356 nieuwe gevallen in 2024) gaten in hun loopbaan hebben, maar wijst op tijdelijke afwijkingen (bonus-malus-uitzonderingen, proportionele inkorting loopbaaneis) en toekomstige hervormingen – nog niet definitief goedgekeurd. Voor pleegouders geldt al gelijkstelling, voor gezinszorgers bestaan zorgverloven met gedeeltelijke pensioenbescherming. Samyn betwijfelt of de beloftes tijdig worden waargemaakt en hoopt op concrete stappen begin 2025, maar blijft afwachtend. Jambon benadrukt dat de wetgevende aanpassingen nog in ontwerp zijn.

Ellen Samyn:

De voorbije dagen trokken verschillende onthaalouders aan de alarmbel over de ongelijkheid in hun pensioenopbouw. Door de specifieke arbeidsregeling van het vroegere sui generis-statuut, dat gold tot 2003, dreigen heel wat jaren niet erkend te worden als gewerkte loopbaanjaren.

Een onthaalmoeder uit Haaltert getuigde dat zij tussen 1995 en 2003 onder dat statuut werkte en daardoor acht jaar dreigt te verliezen in haar pensioenberekening. Ondanks bijna een halve eeuw loopbaan, zou zij dus pas op 67 jaar een volledig pensioen kunnen genieten. Dat leidt begrijpelijkerwijze tot frustratie en een gevoel van miskenning bij deze groep, die tijdens de coronaperiode nog als essentieel beroep werd beschouwd.

Volgens uw kabinet konden onthaalouders voor 2003 geen sociale bijdragen betalen, en zouden de getroffen cohorten nu recht hebben op een gunstigere berekeningswijze die naar een minimumpensioen leidt. Maar dat lijkt in de praktijk niet of nauwelijks voelbaar.

Graag verneem ik van de minister:

Hoeveel onthaalouders worden volgens uw administratie getroffen door deze erkenningskloof voor de periode vóór 2003?

Op welke manier wordt de beloofde “gunstigere berekeningswijze" toegepast, en waarom leidt die niet tot effectieve gelijkstelling met loopbaanjaren na 2003?

Overweegt u bijkomende maatregelen om de getroffen onthaalouders - vooral wie tussen 1995 en 2003 actief was - alsnog een gelijke pensioenopbouw te garanderen, bijvoorbeeld via retroactieve gelijkstelling of een aanvullend pensioenrecht?

Hoe voorkomt u dat deze situatie zich herhaalt bij andere beroepsgroepen die in overgangsstatuten werkten, zoals pleegouders of gezinszorgers?

Jan Jambon:

Mevrouw Samyn, hoeveel onthaalouders worden door de erkenningskloof getroffen? In de databanken van de Federale Pensioendienst, in de loopbaangegevens van de gepensioneerden, werden 4.049 personen teruggevonden met een rustpensioen in betaling in januari 2025 en met periodes van tewerkstelling als onthaalouder gedurende hun loopbaan.

Van die 4.049 vinden we 3.101 personen terug die, tussen aanhalingstekens, 'gaten' hebben in hun loopbaan vóór 2003, die mogelijk aan periodes van tewerkstelling als onthaalouder kunnen worden gelinkt, vóór de invoering van het sui-generisstatuut. Voor de nieuwe pensioenen die in 2024 zijn ingegaan, gaat het om 466 recent gepensioneerden, van wie 356 personen gaten in die loopbaan vóór 2003 hebben.

Uw tweede vraag gaat over de manier waarop de gunstige berekeningswijze wordt toegepast. Momenteel is in de wetgeving voor onthaalouders in een tijdelijk afwijkende berekening voorzien voor de opening van het recht op een gewaarborgd minimumpensioen, zodat ze gemakkelijker aan de voorwaarde van de tweederdeloopbaan kunnen voldoen. Onthaalouders worden eveneens vrijgesteld van de bijkomende voorwaarden van effectieve tewerkstelling voor de opening van het recht op het gewaarborgd minimumpensioen.

In uw derde vraag vroeg u of we bijkomende maatregelen overwegen. In de nieuwe pensioenwet voorzien we in een uitzondering voor de onthaalouders voor de toepassing van de bonus-malus. Vermits het sui-generisstatuut voor onthaalouders pas in 2003 werd ingevoerd, zouden alleen onthaalouders, geboren vanaf 1971, op de wettelijke pensioenleeftijd aan de loopbaanvoorwaarde van 35 jaar kunnen voldoen. Ze worden 67 jaar in 2038. Voor onthaalouders die vóór 1 januari 1971 zijn geboren, wordt de werkvoorwaarde daarom proportioneel ingekort. Op die manier wordt een billijke toegang tot de bonus-malus mogelijk gemaakt, rekening houdend met de latere invoering van hun sociaal statuut.

Hoe voorkom ik dat deze situatie zich bij andere beroepsgroepen herhaalt? Pleegouders krijgen een pleegouderverlof. Dat pleegouderverlof bestaat sinds 2019 en wordt voor het pensioen gelijkgesteld alsof het gewerkte dagen zijn. Deze dagen tellen dus mee voor de nieuwe werkvoorwaarde malus, voor de werkvoorwaarde GMP en voor het vervroegd rustpensioen.

Het statuut gezinsverzorger is geen gekend begrip. Er bestaan evenwel verschillende vormen van verlof met een zorgmotief, namelijk thematische verloven met de volgende zorgmotieven: palliatieve zorg, medische bijstand, ouderschapsverlof en mantelzorgverlof. Daarnaast kent het Vlaams zorgkrediet de volgende zorgmotieven: palliatieve zorg, zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid, zorg voor een kind tot 12 jaar en zorg voor een gehandicapt kind. Tot slot is er ook het gemotiveerd tijdskrediet met de volgende zorgmotieven: palliatieve zorg, zorg voor een zwaar ziek gezins- of familielid, zorg voor een kind tot 8 jaar en zorg voor een gehandicapt kind tot 21 jaar.

Indien de loopbaan geheel of gedeeltelijk wordt onderbroken met een van de vermelde verloven, heeft dit geen of weinig impact op de pensioenberekening. Het verlof telt mee alsof het gewerkte dagen zijn. Ze komen in aanmerking voor het vervroegd rustpensioen en voor de werkvoorwaarden voor de vrijwaring van de malus en krijgen de meest gunstige berekening voor het fictieve loon. Enkel voor de werkvoorwaarden voor het gewaarborgd minimumpensioen moet een kanttekening worden geplaatst, want daarvoor tellen bij het gemotiveerd tijdskrediet en bij het Vlaams zorgkrediet alleen de motieven palliatieve zorg en zorg voor een gehandicapt kind mee.

De voorgestelde wetgeving bevindt zich momenteel echter in de ontwerpfase en is nog niet goedgekeurd in het Parlement. Verschillende punten maken nog het voorwerp van bespreking uit en kunnen dus nog evolueren.

Ellen Samyn:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. We spreken inderdaad nog in de voorwaardelijke wijs, aangezien u nog bezig bent met uw pensioenhervorming. Ik vermoed echter dat er een gunstige regeling zal komen. U verwees immers naar een gunstige en tijdelijke regeling en naar het feit dat in de nieuwe pensioenwet ook in uitzonderingen wordt voorzien. Voorlopig is het echter nog afwachten. Ik vermoed dat u daar nog geen tijdlijn op zult kunnen zetten voor wanneer uw pensioenhervorming naar het Parlement komt. Ik hoop echter dat het begin volgend jaar zal zijn. We wachten dus met een visadempje af en ik hoop dat wat u daarnet in uw antwoord hebt gezegd ook werkelijkheid wordt. Dank u wel.

Een mogelijk nog hardere pensioenhervorming

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz bekritiseert dat minister Jambon (Pensioenen) eerdere voorstellen—zoals een versnelde malus van 5% op vervroegde pensioenen en het schrappen van gunstregimes voor leraren—nog steeds zou overwegen, naast het plafond op pensioenindexering (dat 1/3 van de gepensioneerden en 80% van ambtenaren raakt). Jambon ontwijkt concrete bevestiging, benadrukt dat de budgettaire keuzes al gemaakt zijn en wijst op het normale proces van kabinetsvoorstellen, maar belooft verdere discussie. Schlitz valt uit naar Jambon: volgens haar ontneemt hij pensioenrechten in plaats van zijn rol als beschermer van gepensioneerden op te nemen, en contrasteert ze dit met haar eigen ervaring als staatssecretaris, waar ze kwetsbare groepen verdedigde. Jambon reageert niet op de beschuldiging van sociaal onrecht.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, au moment où j'ai déposé cette question, votre gouvernement cherchait encore des solutions dans le brouhaha budgétaire. On voyait sortir des propositions, dans la presse essentiellement. J'avais notamment découvert que votre parti se tournait vers les pensionnés pour trouver 10 milliards d'économies. Parmi les nouvelles pistes, on citait un malus pension accéléré de 5 % et des ajustements concernant certains fonctionnaires.

Une des pistes proposées par votre cabinet est donc d'appliquer plus rapidement et dans son intégralité le malus sur les pensions, selon l'accord que le gouvernement a conclu cet été. Les personnes nées entre 1961 et 1965 perdront 2 % de leur pension par année de départ anticipé. Celles nées entre 1966 et 1974 perdront 4 % par an et celles nées après 1975 subiront une perte de 5 % par an. Vous aviez proposé d'accélérer la mise en œuvre de cette mesure et de faire passer plus rapidement toutes les personnes à un malus uniforme de 5 % par an.

Ensuite, vous avez proposé de supprimer le régime favorable aux enseignants à qui on demande déjà beaucoup d'efforts en Wallonie et à Bruxelles sur cette législature, parce qu'il n'y a pas que le fédéral qui cherche de l'argent. Aujourd'hui, on sait que vous avez décidé de plafonner l'index sur les pensions, ce qui a un impact sur à peu près un tiers des pensionnés et 80 % des fonctionnaires retraités.

Monsieur le ministre, ces mesures sont-elles encore sur la table des négociations pour le futur? Je parle des autres mesures qui avaient été avancées par votre gouvernement. Allez-vous vous en tenir à ceci? On sait que les efforts réalisés par ce gouvernement ne vont certainement pas se limiter uniquement à cet accord budgétaire présenté il y a une semaine.

Pouvez-vous nous communiquer des informations plus précises en ce qui concerne le plafond de l'index? Avez-vous modélisé l'opération afin de connaître l'impact précis sur les futurs pensionnés?

Jan Jambon:

Les questions sont un peu différentes de celles qui ont été introduites.

Madame Schlitz, vous avez aussi fait partie d'un gouvernement – pour une période assez réduite, certes. Vous savez donc qu'en préparation d'un budget, des propositions sont demandées à chaque cabinet. L'exercice budgétaire est énorme et chaque piste est considérée. Il est vrai que mon cabinet a formulé pas mal de suggestions. Le gouvernement a fait des choix et a pris des décisions; c'est ce que l'on peut attendre d'un gouvernement.

Lors du débat de la semaine dernière, beaucoup d'explications ont été apportées quant aux différentes mesures contenues dans le tableau budgétaire et je suis sûr que dans les jours, les semaines et les mois à venir, nous en discuterons en détail. Je suis vraiment intéressé par l'engagement d'un échange de vues avec vous sur les différents volets des réformes budgétaires.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. En effet, j'ai participé à trois exercices budgétaires lorsque j'étais secrétaire d' É tat à l' é galité des genres, à l’ é galité des chances et à la Diversité. Vous n'êtes en place que depuis neuf mois et votre gouvernement peine à engranger des réformes. Je me réjouis de voir ce que l'avenir nous réserve avec ce gouvernement. Passons outre cette provocation délibérée de votre part. Lorsque j'étais à votre place, je me battais pour les publics dont j'avais la charge, pour les droits des femmes, pour les droits des personnes LGBTQIA+, pour les personnes racisées qui subissent des discriminations chaque jour. Vous, que faites-vous en tant que ministre des Pensions? Vous retirez des droits aux pensionnés. Vous allez contre les personnes dont vous êtes censé être le protecteur. C'est ça votre vision d'un ministre des Pensions. Ce n'est pas la mienne.

Het verslag van het Monitoringcomité en de toename met 426 miljoen van de pensioenuitgaven
De uitholling van het zomerakkoord
Financiële impact en uitdagingen van pensioenhervormingen en akkoorden

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand (N-VA) bekritiseert dat het zomerakkoord de pensioenuitgaven met 426 miljoen euro verhoogt (vooral door afschaffing van de cap op gelijkgestelde periodes voor minimumpensioenen), wat volgens haar in strijd is met het regeerakkoord en een stap achteruit betekent ten opzichte van de vorige regering. Minister Jan Jambon (N-VA) bevestigt dat 357 miljoen euro van de meerkost (tegen 2030) rechtstreeks linkt aan die cap-wijziging—bedoeld om precaire werknemers met 30 jaar loopbaan (maar lage lonen) te beschermen—en verdedigt dat dit arbeid beter beloont dan werkloosheid, terwijl hij 93 miljoen euro toeschrijft aan versoepelde vervroegdpensioenvoorwaarden. Bertrand beschuldigt Jambon ervan te hebben toegegeven aan Vooruit (sp.a), noemt de maatregel "de grootste trofee van Vandenbroucke" en discriminerend: minimumpensioentrekkers mogen nu werkloosheidsjaren volledig meerekenen, terwijl andere gepensioneerden een cap van 40% behouden. Jambon belooft gedetailleerde cijfers maar weerlegt de kritiek niet inhoudelijk.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, volgens het meest recente verslag van het Monitoringcomité werden de uitgaven voor de pensioenen naar boven bijgesteld met plus 129 miljoen euro ten opzichte van juli.

Dat komt volgens het Monitoringcomité vooral foor een stijging van de pensioenuitgaven in het werknemersstelsel, na integratie van de impact van het zogenaamde zomerakkoord, goed voor 426 miljoen euro extra, deels gecompenseerd door een aantal verminderingen in andere uitgaven.

In datzelfde verslag, dat ik goed gelezen heb, staat ook dat die herziening te maken heeft met de beslissing dat de cap , de beperking van de gelijkgestelde periodes, geen effect meer zou hebben op de berekening van het gewaarborgd minimumpensioen, waardoor de verwachte besparingen sterk dalen.

Mijnheer de minister, kunt u toelichten waaruit die 426 miljoen euro extra pensioenuitgaven precies bestaan?

Mijn belangrijkste vraag is: hoeveel daarvan is rechtstreeks toe te schrijven aan de wijziging inzake de cap op het minimumpensioen?

Hoeveel is te wijten aan andere beslissingen binnen het zomerakkoord?

Welke impact verwacht u op de meerjarenbegroting en op de duurzaamheid van het pensioenstelsel?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, de door u vermelde geraamde mindere besparing van 426 miljoen euro – eigenlijk gaat het om 427,7 miljoen euro, maar dat is een detail – tegen 2030 ten opzichte van het door het Monitoringcomité in juli vermelde bedrag, is al volgt opgebouwd: 356,9 miljoen voor de gelijkgestelde periodes, de cap waar we nu over spreken; 93,4 miljoen voor de harmonisering van de loopbaanvoorwaarden voor het vervroegd pensioen. Die twee bedragen zijn in mindering. Aan de pluszijde staat 24,6 miljoen voor de gelijkstellingen. Ik zal u de volledige tabel bezorgen met de cijfers, jaar na jaar, zoals vooropgesteld door het Monitoringcomité en met onze cijfers erlangs. Misschien kan die tabel bij het verslag van deze vergadering worden gevoegd.

Specifiek voor de door u vermelde maatregel waarbij de beperking van het aandeel gelijkgestelde periodes, de cap , niet langer doorwerkt op het gewaarborgd minimumpensioen, gaat het om een geraamde mindere besparing tegen 2030 van 356,9 miljoen euro.

In het zomerakkoord werd inderdaad principieel afgesproken dat het beperkingspercentage of de cap niet zou worden toegepast als de burger recht had op de uitbetaling van het minimumpensioen. Pensioengerechtigden die het recht openen op het minimumpensioen hebben immers vaak precaire loopbanen, maar dat betekent niet dat ze onvoldoende gewerkt hebben.

Integendeel, men komt pas in aanmerking wanneer men gedurende minstens 30 jaar minstens halftijds heeft gewerkt, vaak aan een relatief laag loon.

Daarnaast werd onder de vorige regering een nieuwe werkvoorwaarde ingevoerd in de toegang tot het gewaarborgd minimumpensioen. Die bijkomende voorwaarde bleek echter tot op vandaag praktisch niet uitvoerbaar voor de administratie. Deze regering hoopt daarin eindelijk verandering te brengen.

Met die maatregelen willen we de band tussen effectieve arbeid en pensioenopbouw versterken en vermijden we situaties uit het verleden waarbij mensen met een volledige loopbaan aan een laag loon uiteindelijk een lager pensioen ontvingen dan personen met langdurige periodes van werkloosheid.

In de tabel, die ik u zal bezorgen, kunt u zien waar de andere verschillen vandaan komen. Het gaat aan de ene kant om 93,4 miljoen minder besparing inzake de harmonisering van de loopbaanvoorwaarden, dus van 104 naar 156 dagen voor de toegang tot het vervroegd pensioen, en om een extra uitgave van 2 miljoen euro voor de maatregel progressieve werkhervatting na een arbeidsongeval. Aan de andere kant gaat het om een geraamde extra besparing van 24,6 miljoen wat betreft de gelijkstelling van bepaalde periodes in de loopbaan, aan een beperkt fictief loon. Aangezien het hier gaat om de geraamde impact in de periode 2025-2030, betreft het al de meerjarenbegroting.

Ik zal u de tabel bezorgen, jaar na jaar opgebouwd, en ik verzoek om die aan het verslag van deze commissievergadering toe te voegen.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik val van mijn stoel en hoop dat ik het misschien verkeerd begrepen heb. U bent na uw zomerakkoord 450 miljoen kwijt voor de pensioenen. Dat is de grootste trofee van minister Vandenbroucke. Die cap gaat tegen uw regeerakkoord in, want nergens was voorzien dat een ander systeem in werking zou moeten treden voor de minimumpensioenen. Dat is een stap achteruit tegenover wat de vorige regering had voorzien en wat uiteindelijk fair was. De mensen die een loopbaan van 30 jaar moeten hebben om een minimumpensioen te kunnen krijgen, moeten effectief gewerkt hebben. Zij moesten ‘maar’ 5.000 dagen hebben gewerkt. Ik dacht dat u die voorwaarden nog zou versterken, maar u doet net het tegenovergestelde, u laat die voorwaarden vallen. U creëert eigenlijk een discriminatie; daarover moet u eens goed nadenken. U creëert een discriminatie tussen iemand die een minimumpensioen heeft van 1.800 euro bruto en die wel ziekte en werkloosheid mag meerekenen en dus misschien 15 jaar werkloos is geweest, tegenover iemand die geen minimumpensioen, maar wel een gewoon pensioen van 1.900 euro bruto heeft, maar dat niet mag meerekenen, want hij krijgt een cap van 40 % van gelijkgestelde periodes. Dat is een gigantische en niet te verantwoorden discriminatie tussen twee categorieën mensen. Ik kan alleen vaststellen – en ik betreur dat – dat u hebt geplooid voor Vooruit, dat u op de knieën bent gegaan. Dat is de grootste trofee ooit en een duidelijke stap achteruit ten opzichte van wat de regering-De Croo had beslist inzake minimumpensioenen, wat op dat moment een stap vooruit betekende.

De hiaten in de wetgeving als gevolg van het optrekken van de pensioenleeftijd
De gevolgen van het optrekken van de pensioenleeftijd
Wettelijke en maatschappelijke gevolgen van de verhoging van de pensioenleeftijd

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nahima Lanjri (cd&v) wijst op gaten in wetgeving waar nog steeds 65 jaar als grens wordt gehanteerd (o.a. fiscale voordelen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, landingsbanen), wat burgers benadeelt nu de pensioenleeftijd 66/67 is, en stelt voor om een centrale lijst te maken of een interpretatieve wet in te voeren voor uniformiteit. Minister Jan Jambon (N-VA) verwerpt de interpretatieve wet als risico voor rechtsonzekerheid en benadrukt dat elke bevoegde minister zelf verantwoordelijk is voor aanpassingen in hun domein, aangezien de verhoging al sinds 2015 bekend is en herinneringen werden verstuurd. Lanjri bekritiseert het trage tempo en dringt aan op dringende actie in de ministerraad, omdat burgers nu tussen wal en schip vallen door niet-aangepaste regels, met name bij landingsbanen. Jambon houdt vast aan gedecentraliseerde verantwoordelijkheid, zonder concrete toezegging voor coördinatie.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, de wettelijke pensioenleeftijd is sinds dit jaar 66 jaar en vanaf 2030 zal die 67 zijn. In heel wat wetgeving wordt echter nog steeds verwezen naar de leeftijd van 65 jaar. Bijvoorbeeld om in aanmerking te komen voor een fiscale vermindering bij pensioensparen of langetermijnsparen hanteert men de voorwaarde jonger dan 65 te zijn. Ook arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en de tegemoetkoming voor personen met een handicap hanteren de leeftijdsgrens van 65 jaar. Werknemers die in een landingsbaan zaten en halftijds of vier vijfde werkten, kwamen daarvoor maar in aanmerking tot 65 jaar. Zij dreigden zonder uitkering te vallen na het einde van die landingsbaan op 65 jaar en de nieuwe pensioenleeftijd van 66 of later.

Sommige van deze hiaten zijn ondertussen opgelost via wetsontwerpen, waaronder de tegemoetkoming voor de personen met een handicap. Voor andere hiaten zijn er wetsvoorstellen ingediend, waaronder door leden van de cd&v-fractie. Er zijn echter zeker nog heel wat wetten waarin nog steeds de leeftijdsgrens van 65 gehanteerd wordt en waarvan we het soms zelf niet weten.

Is er een lijst gemaakt van alle wetten die nog moet worden aangepast aan de nieuwe pensioenleeftijd? Als die lijst er nog niet is, is het dan mogelijk om de verschillende departementen te vragen om voor hun departement zo’n lijst te maken, zodat we kunnen voorzien in een aanpassing van de wetgeving? Kunnen die departementen die aanpassingen dan zelf doorvoeren? Is het niet haalbaarder of eenvoudiger om via een interpretatieve wet in het kader van de pensioenhervorming te verduidelijken dat in alle wetten waarin de leeftijd van 65 als grens wordt gehanteerd, dit telkens wordt vervangen door ‘de wettelijke pensioenleeftijd’? Zo vermijden we hiaten in de wetgeving en bieden we iedereen de nodige rechtszekerheid.

Jan Jambon:

Mevrouw Lanjri, wat de eerste vraag betreft, is het volgens mij noch aan de Federale Pensioendienst, noch aan de minister van Pensioenen om een inventaris op te maken van alle wetgeving die nog moet worden aangepast naar aanleiding van de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd.

Het is aan elke bevoegde minister om binnen het eigen beleidsdomein, samen met de bevoegde administraties, na te gaan of er wetgeving moet worden aangepast teneinde rekening te houden met de stijging van de wettelijke pensioenleeftijd en om desgevallend de nodige aanpassingen te voorzien. Ik wil er in dat verband op wijzen dat de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd reeds beslist werd in de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen. Men heeft sinds 2015 dus ruim de tijd gehad om hiermee rekening te houden in de diverse regelgeving.

Bovendien heeft de Federale Pensioendienst vorig jaar nog een officieel schrijven verstuurd aan diverse instellingen om hen te herinneren aan de aankomende verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. Vorig jaar was het dus de eerste keer.

Wat uw tweede vraag betreft, lijkt het niet aangewezen om deze lacunes in de wetgeving te verhelpen via een interpretatieve wet. Een dergelijke werkwijze zou kunnen leiden tot rechtsonzekerheid, aangezien ze slechts op algemene wijze de gevolgen van de wettelijke pensioenleeftijd regelt en geen rekening houdt met de bijzonderheden van andere regelingen. De meest aangewezen aanpak blijft daarom dat elke bevoegde minister, in samenspraak met de bevoegde administratie, zelf beoordeelt op welke manier de regelgeving moet worden aangepast om rekening te houden met de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, ik had zelf ook al gezegd dat de verhoging van de pensioenleeftijd lang geleden werd beslist. Het is jammer dat er ondertussen nog altijd zoveel hiaten opduiken in wetgeving die nog niet is aangepast. Ik heb u twee voorstellen gedaan in dat verband, hetzij werken via de verschillende departementen, hetzij met een interpretatieve wet. Als u stelt dat die interpretatieve wet niet het beste middel is om dit te remediëren, dan hoop ik dat u in de ministerraad de andere ministers opnieuw oproept om in hun departement de nodige stappen te zetten. Ik heb immers slechts enkele voorbeelden genoemd van wetgeving die nog niet werd aangepast. Er zullen zeker nog problemen opduiken. We moeten daar tijdig aan beginnen. Men had inderdaad veel vroeger kunnen starten, maar dat is niet overal gebeurd. Het is hoog tijd om de wetgeving aan te passen, want op dit ogenblik zijn burgers daarvan de dupe. Ze vallen tussen wal en schip als regelgeving niet is aangepast. Onder meer voor de landingsbanen was dat een probleem. Dat zijn zaken die dringend moeten worden aangepakt. Ik hoop dat u dit in de ministerraad wilt bepleiten.

De pensioenkosten en de nefaste gevolgen van de vivaldipensioenbonus
De pensioenbonus
De uitgestelde invoering van de pensioenmalus
De impact van pensioenhervormingen, bonus en malus op kosten

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert dat de pensioenbonus (max. €22.650 bij 3 jaar doorwerken) niet leidt tot minder vervroegde pensioneringen, gebaseerd op cijfers dat slechts 1.680 van 70.000 stopzettingsgevallen in 2025 daadwerkelijk na de wettelijke leeftijd doorwerkten, terwijl de maatregel €267 miljoen brutokosten zou veroorzaken. Minister Jan Jambon verduidelijkt dat de bonus pas vanaf 2026 opgebouwd kan worden (uitbetaling vanaf 2027), dat 48% minder dan een jaar uitstelt, en dat de €267 miljoen enkel brutopensioenuitgaven dekt—zonder rekening te houden met extra belastingen en sociale bijdragen van langerwerkenden. Bertrand beschuldigt de regering van misleidende communicatie door brutokosten als nettokosten voor te stellen, en stelt dat langer werken per saldo winstgevend is (€24.000/jaar opbrengst vs. max. €7.300/jaar bonus). Jambon bevestigt dat de netto-impact niet is meegerekend, maar verdedigt de afschaffing van de oude bonus (Vivaldi) per 2026, met behoud van reeds opgebouwde rechten.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, sinds 1 juli 2024 kan wie vervroegd met pensioen gaat, via de pensioenbonus een premie opbouwen om langer aan het werk te blijven. Die bonus bedraagt maximaal 22.650 euro bij drie jaar extra arbeid en is uitbetaalbaar voor wie effectief na 1 januari 2025 met pensioen gaat. De maatregel sluit aan bij de eerdere hervorming waarbij de wettelijke pensioenleeftijd werd verhoogd, maar tegelijk blijkt dat louter de verhoging van de pensioenleeftijd onvoldoende is, zolang vervroegde uittreding mogelijk blijft. De bonus moet precies een incentive bieden om door te werken tot en desgevallend na de wettelijke pensioenleeftijd.

Recent werd bericht dat ruim 70.000 Belgen tussen januari en september 2025 definitief stopten met werken, dat 15.388 onder hen een pensioenbonus ontvingen, dat amper 1.680 doorwerkten na de wettelijke leeftijd en dat de maatregel in 2025 circa 267 miljoen euro zou kosten. Op basis van die cijfers werd geconcludeerd dat de bonus op geen enkele manier resulteert in minder vervroegde pensioneringen of tot langer doorwerken.

Wat was in elk van de voorbije vijf jaar het percentage personen dat op het eerste mogelijke moment met vervroegd pensioen instroomde? Wat is de stand van zaken voor het lopende jaar?

Met andere woorden, wat is de verhouding tussen het aantal mensen dat daadwerkelijk vervroegd met pensioen ging, en het aantal mensen dat daarvoor in dat jaar in aanmerking kwam? Voor de overige vragen verwijs ik naar de schriftelijke versie.

Sinds 1 juli 2024 kunnen wie vervroegd met pensioen kán gaan, via de zgn. pensioenbonus een premie opbouwen om langer aan het werk te blijven. Die bonus – maximaal 22.650 euro bij drie jaar extra arbeid – is uitbetaalbaar voor wie effectief na 1 januari 2025 met pensioen gaat. De maatregel sluit aan bij de eerdere hervorming die de wettelijke pensioenleeftijd optrok, maar erkent tegelijk dat louter de leeftijd verhogen onvoldoende is zolang vervroegde uittreding mogelijk blijft. De bonus beoogt precies daar een incentive te bieden: doorwerken tot (en desgevallend voorbij) de wettelijke pensioenleeftijd.

In recente berichtgeving werd echter gesteld dat “ruim 70.000" Belgen tussen januari en september 2025 definitief stopten met werken, dat 15.388 onder hen een pensioenbonus ontvingen, dat “amper 1.680" doorwerkten voorbij de wettelijke leeftijd, en dat de maatregel in 2025 circa 267 miljoen euro zou kosten. Op basis van die cijfers werd geconcludeerd dat de bonus “op geen enkele manier" leidt tot minder vervroegde pensioneringen of langer doorwerken.

Om deze conclusies te kunnen toetsen aan de doelstellingen en het ontwerp van de maatregel, heb ik volgende vragen.

Wat was in elk van de voorbije vijf jaren én de stand van zaken voor het lopende jaar het percentage personen dat op het eerst mogelijke moment met vervroegd pensioen instroomde, m.a.w. de verhouding tussen het aantal mensen dat effectief vervroegd met pensioen ging en het aantal mensen dat daarvoor in dat jaar in aanmerking kwam (graag jaarlijks, met percentages en absolute aantallen)?

Voor de ruim 13.700 personen die in 2025 in aanmerking kwamen voor vervroegd pensioen én een pensioenbonus ontvingen: hoeveel gingen effectief met pensioen 1 jaar, 2 jaar en 3 of meer jaren na hun vervroegde pensioenleeftijd (graag per categorie absolute aantallen en percentages), en hoeveel werkten niet langer door dan hun vervroegde pensioenleeftijd?

De geraamde kost van 267 miljoen euro in 2025: betreft dit een bruto- of nettoraming, en houdt dit bedrag rekening met het langer doorwerken (en dus de extra overheidsinkomsten uit sociale bijdragen en personenbelasting)? Zo ja, hoe werd dit verrekend; zo nee, waarom niet?

Wat was het gemiddelde loon in het laatste werkjaar van de betrokkenen vlak vóór zij met pensioen gingen?

Wordt er ingebroken op lopende opbouwen van de pensioenbonus wanneer de bonus van de vorige regering wordt geschrapt? Pleegt de overheid hier opnieuw contractbreuk?

Wordt er gewerkt met overgangsperiode tussen de 'nieuwe' en 'oude' pensioenbonus?

Voorzitter:

Mevrouw Samyn is niet aanwezig om haar vraag nr. 56010956C te stellen.

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, ik licht nog even het systeem toe van de nieuwe pensioenbonus. Die wordt opgebouwd vanaf 1 januari 2026. Het recht op effectieve uitbetaling ontstaat pas wanneer iemand vanaf 1 januari 2027 met pensioen gaat na de wettelijke pensioenleeftijd.

Een werknemer die voldoet aan de dubbele werkvoorwaarde en dus op minstens 35 loopbaanjaren met telkens minstens 156 effectief gewerkte dagen enerzijds en minstens 7.020 effectief gewerkte dagen over de volledige loopbaan kan bogen, kan vanaf 1 januari 2026 een bonus opbouwen, als hij of zij blijft werken na de wettelijke pensioenleeftijd. De bonus wordt pas verrekend in het pensioenbedrag bij pensionering vanaf 2027.

De pensioenbonus wordt toegekend in de vorm van een procentuele verhoging van het pensioenbedrag, waarbij het percentage afhangt van het geboortejaar: 2 % per jaar voor wie net als ik geboren is vóór 1963, 4 % per jaar voor wie geboren is tussen 1963 en 1972, en 5 % per jaar vanaf geboortejaar 1973. Het percentage wordt proportioneel berekend op basis van het aantal maanden pensioenuitstel. Iemand die geboren is in 1963, zijn pensioen met zes maanden uitstelt en aan de dubbele werkvoorwaarde voldoet, ontvangt dus een bonus van 1 %, omdat hij slechts zes maanden langer werkt. Dat is 6/12 van 2 %.

Het ontwerp van de wet houdende diverse bepalingen, dat al is goedgekeurd in de commissie voor Sociale Zaken en binnenkort aan de plenaire vergadering ter stemming wordt voorgelegd, bepaalt dat de vivaldibonus wordt afgeschaft vanaf 1 januari 2026, waardoor de opbouw ervan stopt op 31 december 2025. Kortom, wie in het verleden een vivaldibonus heeft opgebouwd, kan dat blijven doen tot en met 31 december 2025 en behoudt dat recht volledig.

De bonus wordt bij pensionering, ongeacht of dat voor of na de wettelijke pensioenleeftijd gebeurt, in één enkele betaling uitbetaald, zonder retroactieve aantasting van de opgebouwde rechten. Tussen de eerste pensioenbetaling en de uitbetaling van de vivaldibonus ligt wel minstens zes maanden.

Mevrouw Bertrand vroeg, ten eerste, naar het aantal personen die de afgelopen jaren vervroegd met pensioen konden gaan en het aantal personen die ervoor kozen om op de vroegst mogelijke pensioendatum hun pensioen op te nemen. Weduwen ouder dan 65 jaar met een overlevingspensioen werden niet opgenomen in de cijfers, omdat het niet gaat over echt nieuwe rustpensioenen, maar meestal om de vervanging van het eerder aan de inmiddels overleden echtgenoot uitbetaalde gezinspensioen door een eigen rustpensioen. De informatie is beschikbaar sinds 2022. Voor 2025 gaat het om onvolledige cijfers tot september; de volledige tabel kan aan het verslag worden toegevoegd.

Uit die cijfers blijkt dat het aantal personen die op de vroegst mogelijke datum hun pensioen opnemen, zowel in 2024 als in 2025 met respectievelijk 51 % en 61 % hoger ligt dan in 2022, toen het om 50 % en 49 % ging. Men kan dus bezwaarlijk stellen dat de vivaldipensioenbonus zou hebben geleid tot een uitstel van de pensionering.

Wat haar tweede vraag betreft, van de groep van om en bij de 13.700 personen die in aanmerking kwamen voor vervroegd pensioen en die een vivaldipensioenbonus ontvangen, is uiteraard iedereen blijven doorwerken – dat was immers de basisvoorwaarde – na hun vroegst mogelijke pensioendatum, aangezien ze anders geen recht zouden hebben op de vivaldipensioenbonus.

Dat betekent echter niet dat de vivaldipensioenbonus ervoor heeft gezorgd dat die personen in 2024 of 2025 aan het werk waren. Een tabel met de verdeling van die personen volgens de duur van het uitstel van hun pensioen ten opzichte van hun vroegst mogelijke pensioendatum kan u worden bezorgd en toegevoegd aan het verslag. Zo heeft 48 % minder dan een jaar pensioenuitstel, 26 % tussen één en twee jaar pensioenuitstel, 15 % tussen twee en drie jaar pensioenuitstel en 11 % meer dan drie jaar pensioenuitstel. De exacte aantallen staan eveneens vermeld.

De door u vermelde geraamde kosten van 267 miljoen euro betreft de periode 2025-2029. Het gaat om kosten die rekening houden met de eventuele keuze om langer door te werken wegens de invoering van de bonus, maar die enkel de impact daarvan op de pensioenuitgaven weergeven, zonder dat daarbij rekening werd gehouden met extra overheidsinkomsten uit de sociale bijdragen en personenbelasting. Het betreft dus louter de pensioenuitgaven.

De door het Federaal Planbureau initiële geraamde opbrengsten als gevolg van de afschaffing van de vivaldibonus gingen uit van een onmiddellijke afschaffing, alsof die nooit zou hebben bestaan. In de programmawet werd echter in de mogelijkheid tot opbouw van de vivaldibonus tot 31 december 2025 voorzien.

De Federale Pensioendienst heeft op basis van de gegevens waarover die op dat ogenblik beschikte, een inschatting gemaakt van de mogelijke impact van de maximale bonusopbouw van 18 maanden. Ik heb de werkwijze volledig uitgeschreven; u kunt die ook nalezen. Het gemiddelde jaarlijks loon van de betrokkenen aan de vooravond van hun pensioen bedroeg 53.978 euro. Het betreft een indicatief cijfer, aangezien die informatie niet voor alle betrokkenen uit de databanken kon worden gehaald.

Voorzitster: Isabelle Hansez

Présidente: Isabelle Hansez

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik vind uw antwoord bijzonder interessant. Dit is nu net het punt. Onder meer de heer Ronse heeft in de pers gezegd dat de pensioenbonus van de vorige regering heel duur was en 267 miljoen euro zou kosten. U hebt ons zonet de waarheid verteld. Die 267 miljoen euro zijn de brutokosten, maar niet de nettokosten. Dat is een aanzienlijk verschil, want de nettokosten kunnen eigenlijk neerkomen op een opbrengst. De correcte berekening moet immers ook rekening houden met wat de staat bespaart – er zijn nog geen pensioenuitkeringen, omdat mensen langer blijven werken – en met wat hij aan belastingen en sociale bijdragen op het loon ontvangt. U weet even goed als ik dat elke werknemer die langer blijft werken, ongeveer 24.000 euro per jaar opbrengt voor de staatskas doordat er geen pensioen wordt uitgekeerd en wel belastingen en bijdragen worden geïnd. Ik hanteer daarmee nog een conservatieve raming, want ik vermoed dat uw cijfer hoger ligt. De pensioenbonus van de vorige regering bedroeg 22.000 euro over drie jaar, dus maximaal 7.300 euro per jaar. Men hoeft geen 10 jaar te studeren om te begrijpen dat een extra werkjaar meer opbrengt dan de kosten van de bonus. De bonus kan – ik ben daarvan overtuigd – dus zelfs financieel positief zijn voor de overheid. Ik begrijp niet waarom u dat negeert. U geeft vandaag toe dat uw cijfer enkel betrekking had op de pensioenuitgaven. Ondertussen verschijnt overal in de kranten dat de kosten van de pensioenbonus 267 miljoen euro bedraagt. Dat klopt dus helemaal niet. Die voorstelling is volledig verkeerd. Kort gezegd is het onjuist om uitsluitend over de brutokosten te spreken zonder de extra inkomsten mee te rekenen. Ik weet niet of het gaat om intellectuele luiheid of om kwade trouw, die verklaring klopt in ieder geval niet, mijnheer de minister. Dank u voor uw eerlijke antwoord vandaag.

De timing van de uitvoering van het zomerakkoord
De timing van de pensioenhervorming
Het uitstel van de inwerkingtreding van de pensioenhervorming
De timing van het zomerakkoord en de pensioenhervorming

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand en Kim De Witte bekritiseren de vertraging en onduidelijkheid rond de pensioenhervorming, met name de uitgestelde maatregelen (zoals de malus en convergentie van stelsels) die daardoor pas in 2027 ingaan, en eisen transparantie over de budgettaire impact (o.a. tegenstrijdige cijfers: 358 vs. 62 miljoen euro voor de bonus-malus in 2026). Minister Jan Jambon bevestigt dat de kernhervormingen pas vanaf 2027 gelden, benadrukt dat pensioenaanvragen niet geblokkeerd zijn, en belooft een gedetailleerd overzicht later te bezorgen, maar ontwijkt concrete cijfers tijdens het debat. De Witte betwist de "actuariële neutraliteit" van de malus en juicht het behoud van vervroegde pensioenrechten toe, terwijl Bertrand onbegrijpelijke schommelingen in de begrotingsramingen aan de kaak stelt.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, nu de paas- en zomerakkoorden worden heronderhandeld, dreigt een aantal hervormingen pas later in het Parlement te landen. Wij weten dat die hervormingen er niet voor volgend jaar zullen aankomen. Dat werd ook bevestigd.

Het probleem daarmee is dat vrij veel maatregelen in de pensioenhervorming op jaarbasis worden bepaald. Als ze dus niet uiterlijk op 31 december worden goedgekeurd, kunnen ze niet meer in werking treden, behalve als men ze retroactief wil invoeren.

Mijnheer de minister, bevestigt u dat de pensioenmaatregelen niet in werking kunnen treden in hetzelfde jaar waarin ze door het Parlement worden goedgekeurd? Er is wel een uitzondering voor de pensioenbonus en de IGO-controles, dat weten wij, maar hier gaat het over de andere maatregelen. De maatregelen met betrekking tot de convergentie van de stelsels, de malus enzovoort vormen de kern van uw pensioenhervorming en gelden op jaarbasis. Onderschrijft u dit principe expliciet?

Indien de wetteksten het Parlement niet tijdig bereiken en dit jaar niet meer ter stemming kunnen worden voorgelegd, kunt u de budgettaire impact per maatregel, dus lijn per lijn, meedelen voor de jaren 2027, 2028 en 2029, graag met een overzicht per jaar in miljoen euro?

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik heb een gelijkaardige vraag. Onder druk van de sociale beweging werden een aantal maatregelen ingetrokken. Daar ben ik blij mee. De kortstondige ziekteperiodes bij de malus was de eerste maatregel waarover u zei het toch niet te gaan doen zoals het in het regeerakkoord staat. Over de tijdelijke werkloosheid, een beslissing uit het zomerakkoord, zei u vervolgens dat geen tijdelijke werkloosheid te gaan bestraffen. In het laatste begrotingsakkoord gaat het over langdurig zieken en over moederschapsrust en het recht op vervroegd pensioen na 42 gewerkte jaren op 60 jaar, met 234 effectief gewerkte dagen per loopbaanjaar.

Een aantal maatregelen zijn dus afgesteld en een aantal maatregelen uitgesteld. De eerste maatregel die zal worden uitgesteld, heeft betrekking op de pensioenmalus. Die zal er niet komen in 2026. Dat is een heel goede zaak is, want ik vind dat een zeer onrechtvaardige maatregel.

Er stonden nog andere maatregelen in het regeerakkoord die vanaf 1 januari 2026 zouden gelden. Ik denk dan aan de perequatie van de pensioenen van de ambtenaren en het overlevingspensioen. In de tekst staat dat het overlevingspensioen vanaf 1 januari 2026 door een tijdelijke overgangsuitkering zal worden vervangen. Ik denk aan het ziektepensioen voor ambtenaren.

Ik krijg heel veel vragen van mensen die in die concrete gevallen zitten. Zij vragen hoe dat nu juist zit. Mijnheer de minister, kunt u meer toelichting geven over wat er precies gaat gebeuren? Wat is de timing van de pensioenhervorming?

Jan Jambon:

Mevrouw de voorzitster, collega's, sta mij ten eerste toe nogmaals te onderstrepen dat de burgers zich niet ongerust hoeven te maken over de aanvraag van hun pensioenen. Aanvragen blijft natuurlijk mogelijk, vertrekkende van twaalf maanden voor de gewenste pensioendatum. Alle mensen die hun aanvraag op tijd indienen, dus minstens negen maanden op voorhand, zullen minstens vier maanden voor hun gewenste pensioendatum een definitieve beslissing krijgen op basis van de regels die op dat moment in voege zijn. Zo hoort het.

Er is dus geen blokkering van aanvragen en er is ook geen enkele reden om vanaf vandaag een vervroegd pensioen aan te vragen. Zij die aan de voorwaarden voldoen in de loop van 2025, kunnen immers altijd, wanneer zij dat willen, met vervroegd pensioen vertrekken. De voorwaarden blijven ook voor de volgende jaren geldig.

Over de inhoudelijke impact van de vertraging merk ik op dat de meeste maatregelen van de pensioenwet pas vanaf 2027 in werking treden. Dat geldt onder meer voor de verhoging van de pensioenleeftijd bij Defensie en de NMBS, de aanpassing van de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen en de wijzigingen voor bepaalde categorieën statutaire ambtenaren. Enkel bepaalde onderdelen, zoals de nieuwe bonus-malusregeling, waren oorspronkelijk gepland vanaf januari 2026. Door de vertraging zullen die onderdelen pas ten vroegste in de loop van 2026 in werking kunnen treden, maar de impact daarvan is relatief beperkt.

Het is wel degelijk mogelijk om een aantal maatregelen uit de pensioenwet nog te laten ingaan in de loop van het kalenderjaar waarin ze worden goedgekeurd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de afschaffing van de perequatie en de stopzetting van de nieuwe instroom in het ziektepensioen. Zodra de pensioenwet in het voorjaar van 2026 in het Parlement wordt goedgekeurd, kunnen die maatregelen bijvoorbeeld de maand na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad in werking treden.

Kortom, pensioenaanvragen kunnen nog steeds worden ingediend en de vertraging van de hervorming heeft slechts beperkte inhoudelijke en budgettaire gevolgen. Wij behouden de ambitie om de pensioenwet zo snel mogelijk in te dienen en goed te keuren in het Parlement. Na de tweede lezing, die voorzien is voor het einde van dit jaar, wordt het wetsontwerp voor advies ingediend bij de Raad van State. Na verwerking van de opmerkingen van de Raad van State kan het ontwerp begin 2026 finaal in derde lezing worden goedgekeurd in de ministerraad en vervolgens worden ingediend en goedgekeurd in het Parlement.

Dat alles is mogelijk zonder de belangrijke inhoudelijke en budgettaire impact van de pensioenhervorming te hypothekeren, want die hervormingen zijn essentieel om de toekomst van het wettelijk pensioen te vrijwaren voor de jongere en toekomstige generaties.

Om die reden kan voor de malus best op kalenderjaar worden gewerkt. De malus, die oorspronkelijk voorzien was vanaf 1 januari 2026, zal dus in werking treden op 1 januari 2027.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Mevrouw Bertrand, u vraagt naar een gedetailleerd overzicht van de budgettaire impact per maatregel voor 2027, 2028 en 2029. We zullen dat overzicht geven zodra de begroting is goedgekeurd door de regering en ze ingediend en besproken kan worden in dit Parlement. Dat is nu nog in voorbereiding.

Het overlevingspensioen zal ingaan na goedkeuring in het Parlement.

Alexia Bertrand:

Ik zou toch graag die tabel zien. Ik heb de tabel van uw pensioenopbrengsten en -kosten. Ik ben nogmaals in de war. Oorspronkelijk moest die actuariële neutraliteit, dus het bonus-malussysteem, 62 miljoen euro opbrengen in 2026, maar in de herraming werd dat plots 358 miljoen euro. De convergentie tussen de stelsels moest 125 miljoen euro opleveren. Nu blijkt dat die opbrengst slechts 3,2 miljoen euro bedraagt voor 2026. Ik zou graag willen begrijpen hoe het zit. De tabellen en de cijfers veranderen voortdurend. Hoe wilt u dan in 2026 358,6 miljoen euro halen uit uw actuariële neutraliteit? U zult uw bonus invoeren, maar dat zal voor 2026 weinig of niets opleveren. Vanaf wanneer wordt de bonus ingevoerd en vanaf wanneer zal dat het geraamde bedrag opleveren? Kunt u dat toelichten? Er lijkt immers iets niet te kloppen in de cijfers. Mogen wij ook de afgeklopte tabel ontvangen, zodat wij goed kunnen begrijpen wat u wel of niet meerekent in de pensioenhervormingen voor 2026? Kunt u daarop antwoorden?

Jan Jambon:

Ik heb mijn antwoord gegeven, mevrouw Bertrand.

Alexia Bertrand:

U geeft geen enkel cijfer, mijnheer de minister. Dat kan toch niet. U hebt nu een begrotingsakkoord. Ik heb gewacht met deze vraag tot het begrotingsakkoord er was. Ik vermoed dat u inmiddels weet wat de pensioenhervormingen concreet zullen opleveren. Op dit moment is er geen enkele transparantie over wat de actuariële neutraliteit, dus het pensioenbonussysteem, voor 2026 zal opbrengen. Zoals ik eerder zei, moest de convergentie tussen de stelsels 125 miljoen euro opleveren, maar nu blijkt dat slechts 3,2 miljoen euro te zijn. Er is dus sprake van een aanzienlijk verlies door het uitstellen van de pensioenhervormingen.

Ik meen dat we recht hebben op enige transparantie over die cijfers. Ik zou die gegevens graag ontvangen. Ik weet niet of u nog tabellen zult toevoegen aan het verslag, maar ik begrijp niet waarom deze tabellen circuleren terwijl u dat niet bevestigt. Kunt u het bedrag van 358,6 miljoen euro bevestigen?

Kim De Witte:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik heb drie punten. Ten eerste was de vraag van mevrouw Bertrand bij ons ook gerezen. De cijfers in de tabellen zijn helemaal niet logisch. Er zijn opbrengsten vermeld voor 2026 die er duidelijk niet zullen zijn, alsook opbrengsten voor 2027 die totaal irrealistisch lijken. We ontvangen daarom graag een volledig overzicht van de gemaakte berekeningen. Ik ga ervan uit dat die beslissingen toch op precieze berekeningen zijn gebaseerd. Ten tweede is de zogenoemde actuariële neutraliteit duidelijk niet neutraal. De pensioenmalus zal veel opbrengen. Actuariële neutraliteit zou betekenen dat mensen langer werken en dat de afname van de pensioenen dat zou compenseren. Dat blijkt duidelijk niet het geval, zeker niet met de vervroegde invoering van de pensioenmalus voor een aantal mensen. Ten derde benadrukt u opnieuw dat mensen die een recht op vervroegd pensioen openen, dat recht behouden. Dat is voor veel mensen bijzonder belangrijk. Aanvankelijk was niet voorzien in die maatregel. Om die reden zijn veel mensen met pensioen gegaan. Daar bestaat een overzicht van. In 2025 zijn meer mensen met vervroegd pensioen gegaan dan in 2024, waardoor de opbrengst van de hele hervorming zelfs negatief is voor de begroting. Ik heb genoteerd dat u nogmaals, officieel en uitdrukkelijk, bevestigt dat mensen die een recht op vervroegd pensioen openen, dat recht behouden. Dat is voor ons een bijzonder belangrijk punt.

De pensioenhervorming en mypension.be

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Dieter Vanbesien bekritiseert dat MyPension.be door de pensioenhervorming tot 2027 onvolledige informatie (zoals pensioenbedrag en -datum) zal tonen, wat burgers in onzekerheid laat over loopbaankeuzes (bv. impact van de 20%-cap op gelijkstellingen). Hij wijst op kritiek van sociale partners die vrezen voor chaos en pleiten voor een jaar uitstel. Minister Jan Jambon benadrukt dat de Pensioendienst prioriteit geeft aan snelle informatie voor niet-getroffen burgers, maar erkent dat complexe maatregelen eerst volledig moeten worden geïmplementeerd voordat ze inzichtelijk zijn. Hij verwerpt uitstel (onder verwijzing naar druk van OESO, IMF en werkgevers) en belooft een transparant implementatieplan (deels te delen met het parlement), maar houdt vast aan de ingangsdatum 2027 voor de 20%-cap. Vanbesien dringt aan op toegang tot dat plan en simulatietools om loopbaangevolgen in kaart te brengen, maar Jambon blijft vasthouden aan de hervormingstermijn ondanks bezorgdheden.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, in uw beleidsverklaring stelde u dat een transparante en toegankelijke pensioencommunicatie een van de kritische factoren is om het vertrouwen in het sociaal contract te behouden. U schrijft dat elke burger op elk moment van zijn levensloop recht heeft op een gepersonaliseerde, eenvoudige, volledige en duidelijke pensioencommunicatie. U geeft de administratie de opdracht om mensen correct te blijven informeren via MyPension.be, zodat zij steeds kunnen rekenen op toegankelijke en kwalitatieve informatie.

In het implementatieplan van de pensioenhervorming voor MyPension.be stel ik echter vast dat de Pensioendienst de gebruiker niet steeds en op elk moment toegankelijke en kwalitatieve informatie zal kunnen bieden. De Pensioendienst stelt immers voor om direct na de goedkeuring van de pensioenwet de ramingsfunctionaliteit van MyPension.be, dus de vroegste pensioendatum en het pensioenbedrag, tijdelijk te verwijderen en vervolgens stelselmatig de informatie terug te plaatsen die zeker is. Tot zeker oktober 2027 zullen er mensen in het ongewisse blijven over hun pensioenbedrag en -datum. Die schatting ging bovendien nog uit van een pensioenhervorming dit jaar, wat niet langer het geval zal zijn.

Mijnheer de minister, hoe zullen mensen met vragen over hun pensioen gerustgesteld worden tussen de goedkeuring van het wetsvoorstel en de volledige uitrol in MyPension.be? Hoe moeten mensen de impact op hun pensioen van bepaalde gebeurtenissen tijdens hun loopbaan zelf correct kunnen inschatten? Hoe zal een werknemer die nog volop in zijn loopbaan zit bijvoorbeeld de potentiële impact van de cap van 20 % gelijkstellingen kunnen inschatten en simuleren?

Ondertussen lijken zowel werknemers- als zelfstandigenorganisaties binnen het Beheerscomité in te zien dat de versnelde uitrol van de pensioenhervorming tot chaos zal leiden. Zij pleiten ervoor om de implementatie minstens een jaar uit te stellen. Wat is uw reactie daarop?

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, de Pensioendienst levert enorm veel inspanningen om de burgers te informeren en gerust te stellen. Het is begrijpelijk dat burgers zich afvragen wat de pensioenhervorming concreet betekent voor hun pensioenplanning en pensioen.

Ik heb de Federale Pensioendienst gevraagd te onderzoeken of het mogelijk is om burgers die onder overgangs- of uitzonderingsmaatregelen vallen sneller toegang te geven tot die informatie op MyPension.be. Als de burger geen impact ondervindt van de hervormingen, probeert de Federale Pensioendienst zo snel mogelijk de juiste informatie te tonen. Het probleem is dat het niet altijd onmiddellijk mogelijk is om te bepalen wie al dan niet impact zal ondervinden van een nieuwe pensioenmaatregel. Daarvoor moet de Federale Pensioendienst vaak eerst de volledige maatregel implementeren.

Ik heb de Federale Pensioendienst ook de opdracht gegeven om tegen de derde lezing van de pensioenwet een communicatie- en implementatieplan voor te bereiden. Op basis daarvan zal ik samen met de Pensioendienst transparant en duidelijk communiceren ten aanzien van de burger over wat de komende maanden en jaren van MyPension.be mag worden verwacht.

MyPension.be is in de afgelopen jaren bijzonder succesvol geworden doordat het de complexe pensioenmaterie op een begrijpelijke en toegankelijke manier presenteert. Een belangrijk onderdeel van dat succes is dat de informatie wordt afgestemd op de kernvragen van de burger zonder hem te overladen met overbodige details.

Op basis van die jarenlange ervaring en opgebouwde expertise zal de Federale Pensioendienst voor elke maatregel nagaan wat de informatienood is bij de burger en hoe die het beste kan worden ingevuld met behulp van MyPension.be of via andere communicatiemiddelen.

De beperking van de periodes van werkloosheid en van eindeloopbaanstelsels in de pensioenberekening zal, zoals voorzien, ingaan op 1 januari 2027. Het regeerakkoord is daarover duidelijk. De huidige grens van 40 % wordt geleidelijk verlaagd naar 20 %, waarbij periodes van ziekte en zorg buiten beschouwing blijven. Over die maatregel bestaat reeds een politiek akkoord. Zodra de maatregel definitief is goedgekeurd, zal hij worden opgenomen in de globale analyse van de noodzakelijke aanpassingen aan MyPension.be.

Zoals steeds hecht ik veel belang aan de adviezen van het Beheerscomité en neem ik de bezorgdheden over de implementatie ter harte, zowel van de vertegenwoordigers van de werknemers als van die van de werkgevers. Het advies over de timing van de interpretatie verschilt wel tussen beide sociale partners. Gelet op de precaire budgettaire toestand en de hoge nood aan hervormingen om de kosten van de vergrijzing onder controle te krijgen, pleiten de werkgevers voor een snelle implementatie. Het is dan ook niet correct te stellen dat het Beheerscomité unaniem om uitstel vraagt. Ook diverse internationale en supranationale instellingen als de Europese Commissie, de OESO en het IMF pleiten al lang voor de nodige structurele hervormingen om de stijging van de kosten van de vergrijzing in België meer in lijn te brengen met het EU- of OESO-gemiddelde. Als we de toekomst van onze pensioenen willen veiligstellen voor onze kinderen en kleinkinderen is verder uitstel wat mij betreft geen optie.

Dieter Vanbesien:

Dank u wel, mijnheer de minister. We zijn het erover eens dat correcte en tijdige informatie over het pensioen en de pensioengegevens cruciaal is voor het vertrouwen van de mensen in het pensioensysteem. Ik heb begrepen dat u gezegd hebt dat de informatie voor wie niet geïmpacteerd is, versneld opnieuw op MyPension.be kan komen. Dat is alvast belangrijk, aangezien heel veel mensen niet geïmpacteerd zullen zijn. De moeilijkste maatregelen gelden echter precies voor diegenen die wel geïmpacteerd zijn. Ik heb ook begrepen dat u een implementatieplan gevraagd hebt tegen de derde lezing. Dat is interessant. Zult u dat plan ook met ons delen, kunnen wij daarin inzage krijgen? Ik zie u bevestigend knikken. Dat is heel goed. Tot slot, u zei dat de cap beslist is binnen de regering. Die zal er dus komen. Eerst 40 % en dan 20 %. Dat weet ik, maar net daarom is het zo belangrijk dat dat ook mee wordt opgenomen in de tools, zodat de mensen de simulatie kunnen maken van de impact als ze daarin nog een bepaald stelsel opnemen. Ik kijk zeker uit naar dat implementatieplan, zodat we dat grondig kunnen analyseren.

Het zorgverlof en de pensioenhervorming

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dieter Vanbesien vraagt of vijf RVA-erkende zorgmotieven voor tijdskrediet (o.a. zorg voor zieke kinderen of palliatieve zorg) volledig meetellen als gewerkte dagen voor pensioenberekening, en bekritiseert dat minister Jambon dit eerder niet expliciet bevestigde, terwijl hij claimt rekening te houden met vrouwenloopbanen (vaak deeltijds of met zorgverlof). Jambon bevestigt dat alle zorgverloven (inclusief tijdskrediet met zorgmotief) gelijkgesteld worden aan werkdagen—behalve voor de nieuwe 60-jarige vervroegd-pensioenpoort (42 loopbaanjaren van 234 dagen), waar alleen moederschapsrust en tijdelijke werkloosheid meetellen, en beklemtoont dat de hervorming vrouwen wel degelijk beschermt. Hij ontkracht ook geruchten dat Vlaams zorgkrediet niet zou meetellen: het telt volledig mee voor zowel privésector als ambtenaren, inclusief onbezoldigde verloven met zorgmotief. Vanbesien aanvaardt de verduidelijking.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik kom graag terug op enkele vragen over het zorgverlof die mevrouw Dedonder, de heer De Witte en mevrouw Schlitz in de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen op 30 september 2025, een eeuwigheid geleden, stelden. U werd toen gevraagd welke soorten zorgverlof en periodes als gelijkgestelde periodes voor de berekening van de pensioenmalus en het recht op vervroegd pensioen zouden worden beschouwd. U antwoordde toen dat u uw diensten de opdracht had gegeven om een uniforme definitie van effectief gewerkte perioden uit te werken, waarbij het geboorteverlof, het ouderschapsverlof, het adoptieverlof en het pleegzorgverlof, evenals de tijdelijke werkloosheid beschouwd zouden worden als gewerkte dagen zonder maximale duur.

In die opsomming verwees u echter niet naar specifieke situaties van tijdskrediet met een zorgmotief. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) erkent vijf zorgmotieven: zorgen voor kinderen jonger dan acht jaar, palliatieve zorg verlenen, zorgen voor een zwaar ziek gezins- of familielid, zorgen voor uw kind jonger dan 21 jaar met een handicap en bijstand of zorg verlenen aan uw zwaar ziek minderjarig kind of aan een zwaar ziek minderjarig kind dat deel uitmaakt van uw gezin. Worden die vijf vormen van zorgkrediet eveneens beschouwd als gewerkte dagen zonder maximale duur en dus volledig erkend als gelijkgestelde periode? Zo niet, hoe rijmt u dat met de bewering dat u bij uw hervorming rekening houdt met de loopbaan van vrouwen, die vaker deeltijds werken? Het zijn immers vaak vrouwen die die vormen van tijdskrediet opnemen.

Geldt de gelijkstelling van die zorgkredieten, alsook de gelijkstelling van het zorgverlof, ook voor statutairen. Intussen bereiken ons immers berichten dat dat alvast voor het Vlaamse zorgkrediet niet het geval zou zijn. Kunt u dat bevestigen?

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, de vijf vormen van tijdskrediet met zorgmotief worden inderdaad beschouwd als zorgverlof. Zorgverlof wordt gelijkgesteld aan werken en dat zonder maximale duur. De enige uitzondering op die regel is de nieuwe extra toegangspoort voor vervroegd pensioen, namelijk die op 60 jaar na 42 loopbaanjaren van elk minstens 234 gewerkte dagen.

Ik som graag de verschillende maatregelen op. Zorgverlof telt, zoals vandaag, volledig mee voor de bepaling van de vroegste pensioendatum. Vanaf 2027 wordt de grens van 104 dagen om een jaar te laten meetellen voor vervroegd pensioen, opgetrokken naar 156 dagen. Het type gelijkgestelde dagen verandert echter niet.

Zorgverlof zal ook gelijkgesteld worden aan effectief werken voor de werkvoorwaarden van de bonus-malusregeling. Zorgverlof zal dus meetellen in het aantal dagen om na te gaan of de burger voldoet aan de dubbele werkvoorwaarden, namelijk de 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve arbeidsprestaties en de 7020 effectief gewerkte dagen, voor het vermijden van een pensioenmalus bij vervroegd pensioen of het ontvangen van een pensioenbonus na de wettelijke pensioenleeftijd. Enkel voor de nieuwe toegangspoort tot vervroegd pensioen, vanaf de leeftijd van 60 jaar na minstens 42 loopbaanjaren van minstens 234 gewerkte dagen, zal zorgverlof niet gelijkgesteld worden aan effectief werken. Voor die maatregel worden enkel tijdelijke werkloosheid en moederschapsrust gelijkgesteld aan effectief werken. Zoals ik al gezegd heb, tellen die periodes wel volledig mee voor de gewone voorwaarden van vervroegd pensioen. Onze pensioenhervorming houdt dus rekening met de loopbaan van vrouwen, die vaker deeltijds werken en die dat doen via de verschillende vormen van tijdskrediet.

Wat de toepassing op ambtenaren betreft, de in uw vraag vermelde zorgverloven zijn vormen van tijdskrediet met motief en zijn enkel van toepassing voor werknemers tewerkgesteld bij een werkgever in de privésector, zoals vermeld op de webpagina van de RVA. De thematische verloven, zoals ouderschapsverlof, palliatief verlof, verlof voor medische bijstand en verlof voor mantelzorg, zijn van toepassing voor zowel ambtenaren als werknemers en tellen integraal mee als zorgverlof in onze pensioenhervorming.

Wat het Vlaams zorgkrediet betreft, die perioden tellen integraal mee voor de toetsing van de dubbele werkvoorwaarden van de bonus-malusregeling, en dat voor alle motieven, zowel voor werknemers als voor ambtenaren. Specifiek voor ambtenaren zullen ook onbezoldigde verloven met een zorgmotief die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, meetellen als zorgverlof.

Dieter Vanbesien:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dat is een heel uitgebreid en duidelijk antwoord. Er zit ook een logica in het in aanmerking nemen van bepaalde verloven. Begrijp ik het dan goed dat de informatie die ons over het Vlaams zorgkrediet bereikt, fout is en dat dat dus ook volledig gelijkgesteld is, net zoals de andere zorgverloven?

Jan Jambon:

Ja, zo heb ik het in mijn antwoord vermeld.

Dieter Vanbesien:

Dat is heel duidelijk, dank u wel.

De doorstroming van data tussen de RVA en mypension.be
De 'bug' op mypension.be
Het garanderen van betrouwbare pensioenprognoses na de veranderingen op mypension.be
Problemen en verbeteringen rond pensioengegevens op mypension.be

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Volgens Dieter Vanbesien faalt mypension.be door onvolledige gegevensdoorstroming tussen RVA en pensioendienst, waardoor 500.000 werklozen in 2024 geen pensioenraming krijgen – een probleem dat al voor de zomer bekend was maar pas in november werd opgemerkt. Minister Jambon bevestigt dat de pensioendienst door gebrek aan realtime werkloosheidsdata (einddatum onbekend) preventief alle extrapolaties blokkeerde, maar belooft een verfijning binnen weken: enkel 227.000 personen met een bevestigde RVA-brief behouden geen raming, terwijl een structurele oplossing pas tegen september 2026 gerealiseerd wordt. Vanbesien bekritiseert dit als een oplosbaar informaticaprobleem en eist snellere actie, terwijl Hansez (Les Engagés) de noodzaak van transparante communicatie benadrukt om vertrouwen in de pensioenhervorming te behouden.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, we hadden het daarstraks over mypension.be, maar onlangs werd ik op een ander probleem gewezen, in verband met uw doelstelling om volledig en duidelijk over de pensioenbepalingen te communiceren, met name wanneer het gaat over de impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Zo blijkt dat, zodra iemand in 2024 een dag werkloos was, op mypension.be geen raming van de loopbaan en dus van de pensioendatum en het pensioenbedrag wordt gemaakt. Er zou namelijk een probleem zijn met de datadoorstroming tussen de RVA en de pensioendienst. De RVA zou slechts een keer per jaar gegevens doorsturen, waardoor gegevens over de werkloosheidsstatus onvolledig zijn. Het is onduidelijk hoe lang dat probleem zal aanhouden en hoe snel de RVA zijn interne processen kan optimaliseren.

Mijnheer de minister, bent u op de hoogte van de problematiek? De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd werd reeds afgelopen zomer afgeklopt. Het was dus reeds voor de zomer duidelijk dat de werkloosheid een impact op de pensioendatum en op het bedrag zou hebben. Hoe komt het dan dat dat probleem pas in november is vastgesteld?

Wanneer werd de vraag naar gegevensdoorstroming aan de RVA voor het eerst gesteld? Wat is de omvang van het probleem? Heeft het alleen betrekking op minstens een dag volledige werkloosheid of ook op tijdelijke werkloosheid? Wat met deeltijds werkenden met een aanvullende uitkering? Hoeveel mensen in totaal zullen hun pensioengegevens niet kunnen raadplegen door de problemen met de gegevensdoorstroming?

Hoe zult u, samen met uw collega Clarinval, ervoor zorgen dat het probleem zo snel mogelijk wordt opgelost? Welke concrete stappen en deadlines zult u daarbij vooropstellen?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, depuis le début du mois de novembre, de nombreux citoyens nous indiquent constater sur mypension.be une modification soudaine de leur date de pension anticipée ainsi qu'un report, parfois de plusieurs années, une disparition de l’option “pension anticipée”, ou encore une baisse du montant futur de leur pension.

Selon le Service fédéral des Pensions (SFP), il ne s’agit pas d’un dysfonctionnement mais d’un changement méthodologique lié à la future limitation du chômage assimilée dans le calcul de la carrière, ainsi qu’à l’anticipation des nouvelles règles prévues par la réforme des pensions. Il apparaît que, lorsqu’un travailleur a connu une période de chômage en 2024, le système ne projette plus automatiquement la poursuite de l’activité dans l’avenir, ce qui peut faire perdre, sur mypension.be, le droit anticipé estimé jusqu’ici. Selon le SFP, ce changement pourrait avoir des effets s'étalant sur six à sept années pour certains profils.

Monsieur le ministre, dans un contexte où la réforme des pensions doit renforcer la lisibilité et non créer de l'incompréhension, de nombreux futurs pensionnés aimeraient rapidement obtenir des éclaircissements à cet égard. Ainsi, quelles instructions ont-elles été données au SFP concernant l’adaptation des projections sur mypension.be, notamment pour les personnes ayant connu une période de chômage récemment?

Envisagez-vous une communication officielle sur mypension.be et par le biais du SFP, afin d'expliquer clairement ces changements de calcul et de dissiper toute inquiétude chez les travailleurs proches de la pension?

Enfin, pouvez-vous garantir que les mises à jour futures sur mypension.be intègreront de manière transparente le report du bonus-malus et les conditions définitives de la réforme, afin que chaque citoyen dispose d’une projection fiable et compréhensible?

Jan Jambon:

Voor de raming van de P-datum en het pensioenbedrag op mypension.be wordt de gekende loopbaan uit het verleden doorgetrokken naar de toekomst. Dat is wat in het pensioenjargon de extrapolatie van de loopbaan genoemd wordt. Voor die extrapolatie baseert de pensioendienst zich steeds op een bepaald basisjaar. De reden daarvoor is dat bepaalde gegevens, zoals werkloosheid, slechts op jaarbasis worden ontvangen en niet in de tijd worden geplaatst.

De pensioendienst weet dus niet waar die gegevens zich in het jaar bevinden. Momenteel wordt 2024 gebruikt als basisjaar. Met de invoering van de beperking van de werkloosheid in de tijd werd de pensioendienst voor het eerst geconfronteerd met een quasi zekere gebeurtenis die in de toekomst zal plaatsvinden. De kern van het probleem is dat de einddatum van de werkloosheid voor de pensioendienst niet standaard gekend is en er dus ook geen rekening mee kan worden gehouden.

Reeds in september heeft de pensioendienst contact opgenomen met de RVA en Sigedis om de einddatum van de werkloosheid via gegevensstromen te ontvangen. Dat bleek niet mogelijk te zijn via de bestaande gegevensstromen en dus was een snelle structurele oplossing uitgesloten. Om te vermijden dat er operationeel, door de pensioenberekeningen, en communicatief, met name de ramingen op mypension.be, fouten zouden worden gemaakt, werden een aantal preventieve acties ondernomen.

Zoals gesteld was de einddatum van de werkloosheid niet beschikbaar en daarom werd beslist om in eerste instantie preventief breed in te grijpen en voor alle dossiers met één dag volledige werkloosheid in 2024 de loopbaan niet meer te extrapoleren. Het ging om ongeveer 500.000 gevallen van personen wier loopbaan niet meer automatisch tot de pensioendatum kon worden doorgetrokken.

Die groep kreeg enkel nog een pensioenraming op wettelijke pensioenleeftijd op mypension.be. Het pensioenbedrag was afhankelijk van hoe ver de pensioenleeftijd in de toekomst ligt, in meerdere of mindere mate geïmpacteerd en lager dan voorheen. Belangrijk daarbij is dat de periode van tijdelijke werkloosheid, brugpensioen en SWT niet zorgde voor een blokkering van de extrapolatie van de loopbaan. Ondertussen heeft de FPD door een nauwe samenwerking met de RVA de gevallen kunnen identificeren waarin de datum van stopzetting van de werkloosheid door de RVA werd gecommuniceerd.

Op basis daarvan zal een verfijning van de dienstverlening op mypension.be gebeuren. De ruime, preventieve blokkering van de extrapolatie van de loopbaan zal vervallen. Enkel de gevallen met een gecommuniceerde einddatum van de stopzetting van de werkloosheid zullen geen raming meer zien op mypension.be. Die groep zal op termijn ongeveer 227.000 personen omvatten.

Zodra de burger een brief van de RVA heeft ontvangen, zal de aanpassing op mypension.be doorgevoerd worden. De andere 277.000 burgers voor wie de werkloosheid niet beperkt is in de tijd, zullen dus opnieuw een raming van hun vroegste pensioendatum zien. Die verfijning is voorzien in de loop van de komende weken.

De RVA, Sigedis en de FPD werken parallel aan een langetermijnoplossing waarbij bij elke werkloosheidsstroom steeds de theoretische einddatum zou worden meegestuurd, zodat de pensioendienst daar rekening mee kan houden in zijn operationele en communicatieve processen. De doelstelling is om dit rond te krijgen tegen de volgende volledige upload van de werkloosheidsgegevens. Dat is in september 2026.

En ce qui concerne les questions de Mme Hansez, à la suite de la loi-programme qui encadre la limitation de la durée du chômage, le Service fédéral des Pensions a adapté la manière dont mypension.be projette dans l'avenir la carrière des citoyens récemment au chômage. Le SFP a agi par précaution afin de ne pas présenter à ce groupe de citoyens une estimation trop optimiste de leur future situation de pension.

En étroite collaboration avec l'ONEM, le SFP a pu identifier les citoyens à qui la date de fin de chômage avait été communiquée. Sur cette base, le service de mypension.be a été affiné. Seuls les citoyens ayant reçu une lettre de l'ONEM ne verront plus d'estimation de leur pension sur le site mypension.be. Pour ce groupe, le SFP ne peut en effet pas se baser sur leur situation la plus récente pour estimer l'évolution future de leur carrière et, par conséquent, de leur assurance pension. Cette modification est clairement communiquée directement sur mypension.be et des informations complémentaires sur le comment et le pourquoi sont également disponibles sur le site du SFP.

Le SFP vérifiera, pour chaque mesure de la réforme des pensions, quels sont les besoins d'information des citoyens et comment y répondre au mieux, que ce soit via mypension.be ou par d'autres moyens de communication. Notre ambition reste en tout cas de fournir le plus rapidement possible à tous les citoyens une réponse aux questions de base suivantes: "Quand puis-je prendre ma pension? Est-ce que je remplirai alors la condition de travail du bonus-malus? À partir de quand remplirai-je la condition de travail du bonus-malus? Quel sera le montant de ma pension?"

Pour ce qui est du plan de communication et des instructions données à ce sujet au SFP, j'ai déjà répondu à ce propos suite aux questions de M. Vanbesien.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik kan alleen maar herhalen dat heldere informatie en communicatie cruciaal zijn om het vertrouwen van de mensen in het systeem te behouden en hier gaat het over informatie die voorhanden is, maar die niet vlot genoeg van de ene dienst naar de andere vloeit. Eén keer per jaar is het wel mogelijk om die informatie door te sturen, maar op regelmatige basis is het niet mogelijk?

U en ik komen allebei uit de wereld van de informatica. We weten dat dat wel mogelijk moet zijn; het kan toch niet anders? U zegt dat de situatie kan worden geüpdatet voor de betrokkene, zodra die een brief van de RVA heeft gekregen.

Wanneer iemand een brief ontvangt van de RVA, zijn de gegevens toch beschikbaar in de informaticasystemen? Het gaat dus om een informaticaprobleem en dat moet toch kunnen worden opgelost. Ik vraag dan ook om daar zo snel mogelijk werk van te maken.

Isabelle Hansez:

Merci, monsieur le ministre, pour vos précisions qui étaient vraiment nécessaires, parce qu'il s'agit de la confiance dans les projections de pensions. Vous avez rappelé que les changements observés sur le site mypension.be ne sont pas des erreurs, mais la conséquence logique de l'adaptation aux nouvelles règles de carrière et à la réforme. Il importe de le dire clairement. Pour Les Engagés, cette réforme ambitieuse doit vraiment aller de pair avec une information lisible et un outil fiable. Nous vous soutenons pleinement dans votre démarche d'explications et de clarification. Nous savons que ce n'est pas simple.

Het medische pensioen voor statutaire ambtenaren

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Dieter Vanbesien bekritiseert het voornemen van minister Jan Jambon om het TAVA-stelsel (tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren) al in 2026 af te schaffen—voordat het in 2028 zelfs in werking treedt—en ambtenaren over te schakelen naar het privéstelsel, met risico op lagere uitkeringen (bv. 40% loon voor samenwonenden) en financiële onzekerheid. Jambon verdedigt de maatregel als budgettair noodzakelijk (structurele pensioenbesparing, EU-verplichting), stelt dat het beschermingsniveau niet daalt (behoud bestaande pensioenen, opbouw nieuwe rechten via ziektewet), en benadrukt versterkte re-integratie (werkgevers moeten inspanningen leveren voor behoud dienstverband). Vanbesien betwist dit, wijst op statutaire afbraak en dreigende rechtzaken (o.a. inbreuk standstillprincipe), en vermoedt pure bezuiniging als drijfveer. Jambon herhaalt dat de hervorming harmoniseert met de privésector en re-integratie verplicht, maar concrete regels en effectanalyses blijven vaag.

Dieter Vanbesien:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Geachte vice-eersteminister Jan Jambon,

In juni 2024 werd in het Staatsblad de wet gepubliceerd die de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren (TAVA) invoert. Deze hervorming moest de re-integratiekansen van langdurig arbeidsongeschikte ambtenaren versterken en hun minimale sociale bescherming verbeteren. Volgens de wet zouden ambtenaren vanaf 1 januari 2028 niet langer vervroegd met pensioen kunnen wegens lichamelijke ongeschiktheid, maar eerst terechtkomen in een tijdelijke arbeidsongeschiktheidsregeling, met regelmatige opvolging van hun re-integratie en met een gewaarborgd vervangingsinkomen.

De regering stelt nu voor om het TAVA-stelsel reeds op 1 januari 2026 te laten uitdoven, dus vóór het effectief in werking treedt. Ambtenaren zouden voortaan moeten overstappen op een stelsel van arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering zoals in de privésector. Dit zorgt voor grote ongerustheid, aangezien veel langdurig zieken opnieuw financiële onzekerheid dreigen te ervaren. Zo zouden samenwonenden, die onder TAVA een gewaarborgd inkomen hadden, kunnen terugvallen op slechts 40 % van hun laatst verdiende loon, bovendien geplafonneerd.

De regering wil met deze hervorming een belangrijke structurele besparing realiseren op de pensioenuitgaven en heeft zich daar ook toe verbonden voor de Europese Commissie in het kader van de Recovery and Resilience Facility.

Ik heb dan ook de volgende vragen:

Hoe zal deze nieuwe ziekte- en invaliditeitsregeling eruit zien?

Aangezien 1 januari 2026 niet langer haalbaar lijkt, welke nieuwe ingangsdatum wordt vooropgesteld?

Waarom wordt TAVA zo snel al weer afgeschaft? Op welke evaluatie beroept u zich?

De nieuwe regeling voorziet in lagere uitkeringen en verlaagt daardoor het beschermingsniveau voor ambtenaren. Is hiervan een effectanalyse gemaakt?

Hoe verenigt u dit met het standstillprincipe?

Welke besparing wordt met deze hervorming beoogd? Wat zijn de geraamde kosten van de arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering? Welke besparingen worden verwacht door wedertewerkstelling en door lagere uitkeringen aan langdurig zieken?

Welke mogelijkheden zullen er nog zijn voor re-integratie? En welke garanties of welk regelgevend kader voorziet de federale overheid voor de andere overheden?

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, in juni 2024 werd in het Belgisch Staatsblad de wet gepubliceerd die de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren (TAVA) invoert. Deze hervorming moest de re-integratiekansen van langdurig arbeidsongeschikte ambtenaren versterken en hun minimale … De nieuwe regeling zal er voor de betrokken personeelsleden van de overheidssector exact hetzelfde uitzien als de ziekte- en invaliditeitsregeling voor werknemers uit de private sector, zowel wat de bedragen betreft als wat de verdere opvolging van hun medische ongeschiktheid door de controleartsen van de ziekenfondsen betreft. Aangezien 1 januari 2026 niet langer haalbaar is, zal de ingangsdatum van de nieuwe regeling afgestemd worden op de datum van de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad .

Waarom wordt TAVA zo snel weer afgeschaft? Ik wijs erop dat de TAVA pas in werking treedt in 2028 en dus nog niet geëvalueerd kon worden. De TAVA is op alle vlakken gelijkgesteld met een rustpensioen wegens medische ongeschiktheid en blijft volledig ten laste van de diverse pensioenstelsels van de overheidssector, die sowieso al onder druk staan. De afschaffing van de nieuwe instroom in het pensioen wegens medische ongeschiktheid gebeurt bewust en is goed doordacht.

Ten eerste willen we ambtenaren meer kansen geven om terug te keren naar hun dienst. De medische instanties mogen geen beslissing nemen zolang de werkgever geen voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. Dat zorgt ervoor dat zowel werkgevers als werknemers actief inzetten op re-integratie en vermindert het aantal ambtenaren dat te snel als medisch ongeschikt wordt beschouwd.

Ten tweede verbetert deze maatregel de sociale bescherming. Ambtenaren van wie het statutaire dienstverband alsnog wordt beëindigd wegens medische ongeschiktheid vallen terug op de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen van de wet van 20 juli 1991. In tegenstelling tot het huidige systeem bouwen zij daarbij wel pensioenrechten op waardoor hun bescherming breder en duurzamer wordt.

Ten derde draagt de afschaffing bij aan de financiële houdbaarheid van ons pensioenstelsel en aan de intergenerationele solidariteit. Vanaf de inwerkingtreding van deze nieuwe wet zijn er geen bijkomende pensioenuitgaven meer voor nieuwe gevallen van medische ongeschiktheid, wat een belangrijke structurele besparing oplevert en tegelijk de publieke werkgever responsabiliseert om sterker in te zetten op re-integratie.

Tot slot sluit deze maatregel aan bij het regeerakkoord en de harmonisatie van de pensioenstelsels van ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Bij deze laatste groepen bestaat immers geen definitief pensioen wegens ziekte.

U hebt gezegd dat de nieuwe regeling voorziet in lagere uitkeringen waardoor het beschermingsniveau voor ambtenaren daalt en u vroeg of er daarvoor een effectenanalyse is gemaakt. Ik stel eerst duidelijk dat de voorgestelde afschaffing van het pensioen wegens medische ongeschiktheid geen noemenswaardige achteruitgang betekent van het beschermingsniveau voor ambtenaren. Wie vandaag al een pensioen wegens definitieve medische ongeschiktheid ontvangt, behoudt dat volledig. Ook ambtenaren die vóór de nieuwe wet een tijdelijke pensionering wegens medische ongeschiktheid genieten, blijven onder het huidige systeem en kunnen later desgevallend overgaan naar een definitief pensioen.

Dit gebeurt alleen als de betrokkene gedurende 24 of 36 maanden blijvend medisch ongeschikt is en er geen vooruitzicht op re-integratie is.

Een belangrijk onderdeel van de hervorming is de aanpassing van de cumulgrenzen voor het supplement gewaarborgd minimum en het supplement zware handicap. De lage grens van 1.264 euro bruto per jaar verdwijnt en wordt vervangen door een hogere grens van 10.117 euro bruto per jaar, met een proportionele vermindering bij overschrijding. Bij overschrijding van deze grens zal het supplement niet volledig wegvallen maar proportioneel verminderd worden. Dit betekent dat gepensioneerden met een beroepsinkomen boven de grens slechts een deel van hun supplement verliezen, afhankelijk van de mate waarin de grens wordt overschreden. Dit geldt voor alle pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid, ongeacht de ingangsdatum. Zo kunnen gepensioneerden hun beroepsinkomen verhogen zonder volledig hun supplement te verliezen, wat werkhervatting stimuleert.

Daarnaast is er een overgangsregeling voor ambtenaren die op 1 januari 2026 een tijdelijk pensioen wegens medische ongeschiktheid ontvangen. Wie probeert terug te keren naar het werk en mislukt, verliest zijn recht op een definitief pensioen niet. Dat versterkt de re-integratie-inspanningen die in het regeerakkoord zijn opgenomen.

Voor wie definitief medisch ongeschikt wordt en wiens statutaire dienstverband beëindigd wordt, blijft het wettelijk alternatief via de wet van 20 juli 1991 en de Ziekte- en Invaliditeitswet beschikbaar, zodat hij onmiddellijk aanspraak kan maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

U vroeg hoe dit verenigd wordt met het standstillprincipe. Mijn antwoord op de vorige vraag toont reeds aan dat er van een inbreuk op het standstillprincipe geen sprake is. Het grondwettelijk standstillprincipe verhindert niet elke hervorming inzake pensioenen. In dit geval wordt een type van pensioenen wegens medische ongeschiktheid vervangen door een ander type van socialezekerheidsuitkering. Personen die bij de inwerkingtreding van de nieuwe regeling reeds een tijdelijk of een definitief pensioen wegens medische ongeschiktheid genieten, behouden dat pensioen evenwel zonder tijdsbeperking. Het gaat hier om een vorm van harmonisering van de sociale bescherming van ambtenaren en van werknemers uit de privésector die zich in dezelfde situatie van langdurige arbeidsongeschiktheid om medische redenen bevinden.

U vroeg welke besparingen met deze hervorming worden beoogd. Het niet meer toekennen en uitbetalen van nieuwe pensioenen wegens lichamelijke ongeschiktheid vormt de besparing.

Vervolgens vroeg u welke mogelijkheden er nog zullen bestaan voor re-integratie. Het voorontwerp van Pensioenwet voorziet dat geen enkel personeelslid ambtshalve wegens medische ongeschiktheid kan worden ontslagen, tenzij de bevoegde medische instantie vooraf heeft vastgesteld dat de werkgever waarvan het personeelslid afhangt de nodige re-integratie-inspanningen heeft geleverd om de werkpost aan te passen of om het personeelslid opnieuw tewerk te stellen.

In het voorontwerp van wet tot wijziging van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen van de minister van Sociale Zaken en van de minister belast met Ambtenarenzaken zal bovendien worden gepreciseerd aan welke voorwaarden de werkgever precies moet voldoen. Het betreft de criteria in het koninklijk besluit van 18 oktober 2024 betreffende de procedure voor medische beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van ambtenaren van bepaalde openbare diensten door het Bestuur Medische Expertise en in de codex over het welzijn op het werk, zoals het re-integratietraject.

De re-integratie van zieken valt niet onder mijn bevoegdheid, al heb ik er alle vertrouwen in dat de collega van Sociale Zaken conform het regeerakkoord de re-integratie-initiatieven substantieel zal opvoeren en intensiveren.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, die TAVA werd precies ingevoerd om het ziektepensioen aan te pakken en om de re-integratie te versterken. Dat is iets waarnaar u zelf ook verwijst. Daarvoor is die regeling precies bedoeld.

Uw antwoord was heel uitvoerig, dus we zullen dat zeker nog eens grondig analyseren. Het feit blijft dat de hervorming van het ziektepensioen is opgestart en dat u niet wacht op de invoering en de evaluatie ervan om zelf met een eigen hervorming te komen. Daar moeten dan toch redenen voor zijn, vermoedelijk budgettaire redenen.

Het is een hervorming die volgens ons het statuut van die mensen niet erkent en op die manier hun statutaire bescherming afbreekt. Het is ook een hervorming die mensen financieel in de problemen kan brengen. U zegt dat die hervorming in lijn is met het standstillprincipe. Ik denk niet dat de vakbonden het daarmee eens zijn en ik verwacht dat dit zal worden aangevochten. Ik ben uiteraard benieuwd naar de finale teksten na uw derde lezing.

Voorzitter:

Chers collègues, je me dois d'apporter une précision relative à l'ordre du jour. Les questions n° 56010971C et n° 56010972C de Mme Ellen Samyn sont reportées.

Madame Bertrand, votre question n° 56010525C et vos questions jointes n° 56011135C et n° 56011138C, traitant du coût du report de la réforme des pensions, abordent donc bien le même sujet? Leurs intitulés respectifs se rejoignent, en tout cas.

Alexia Bertrand:

C'est dans la même veine, monsieur le président. Vous êtes bien au fait, mais je n'ai pas encore reçu la réponse. Donc, je veux bien les regrouper, si cela vous convient.

Voorzitter:

Oui, si vous voulez. Les questions n° 56010525C, n° 56011135C et n° 56011138C de Mme Alexia Bertrand sont donc jointes .

De kosten van het uitstel van de begroting en de pensioenhervorming
Het uitstel van de pensioenhervorming en de impact ervan op de begroting
De pensioenhervorming en de nog niet doorgevoerde maatregelen
Financiële gevolgen van uitgestelde pensioenhervorming en begrotingsmaatregelen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand vraagt kritisch om verduidelijking over de evoluerende opbrengstcijfers van de pensioenhervorming (2026), waarbij oorspronkelijk geraamde 410 miljoen euro nu 427 miljoen euro zou bedragen, maar met onduidelijkheden over de resterende 236 miljoen euro en de impact van uitgestelde maatregelen (zoals de pensioenmalus). Minister Jan Jambon bevestigt dat de afschaffing van de pensioenbonus (321 miljoen euro) en beperkte indexering hoge pensioenen (39,9 miljoen euro) de hoofdopbrengsten zijn, maar erkent dat uitstel van hervormingen (bv. ziektepensioen) 64 miljoen euro kost en dat ramingen sterk afhangen van gedragseffecten (methode-Duval). Bertrand bekritiseert de brutoberekening van 357 miljoen euro als "theoretisch" en wijst op ontbrekende meerekening van fiscale/sociale baten door langer werken, terwijl Jambon benadrukt dat netto-opbrengsten (303,6 miljoen euro) al gecorrigeerd zijn voor overgangsrechtelijke kosten. Beide partijen blijven verdeeld over de transparantie en realiteit van de cijfers.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, het gaat opnieuw over de cijfers in de verschillende tabellen van de pensioenhervorming. De opbrengst van de pensioenhervorming voor 2026 was geraamd op 410 miljoen euro. Van dat bedrag is vandaag 174 miljoen euro verzekerd, omdat die opbrengst voortvloeit uit de niet-indexering van de hoge ambtenarenpensioenen. Dat is een maatregel die wij hebben goedgekeurd. Het Parlement heeft die enkele maanden geleden goedgekeurd.

De vraag rijst nu welk deel van de resterende 236 miljoen euro niet meer zou worden gerealiseerd. Het probleem is dat er ramingen zijn en vervolgens herramingen. Ik heb moeite om te volgen wat de actuele raming is. Kunt u ons zeggen wat de pensioenhervorming in 2026 nog zou moeten opbrengen? Ik had een cijfer van 410 miljoen euro, waarvan er nog 236 miljoen zou overblijven, maar eigenlijk is ook dat cijfer ondertussen geëvolueerd. Welk cijfer hanteert u nu voor de pensioenbonus? Waren de inkomsten uit de afschaffing van de pensioenbonus al opgenomen in de cijfers van het Monitoringcomité? Kunt u ons dat toelichten? Wat was dat bedrag precies? Hoe is het berekend?

Ik kom nu tot mijn tweede vraag. Die is zeer gelijkaardig en gaat over de opbrengst van de pensioenhervorming en de pensioenbonus in het bijzonder. We lazen dat de hervorming van de actuariële correctie of de actuariële neutraliteit, maar vooral de pensioenmalus, uitgesteld wordt naar 2027. We zien in de tabel nog steeds een opbrengst van 34 miljoen euro in 2026 voor actuariële neutraliteit. Tegelijk zien we in uw nieuwe begrotingsakkoord een lijn ‘impact latere inwerkingtreding hervormingen’, die kosten van 64 miljoen euro vermeldt.

Hoe zijn die bedragen berekend? Mijnheer de minister, hoe kunnen wij die lijnen verzoenen, enerzijds uw begrotingsakkoord en de kosten van het uitstel van de hervormingen, en anderzijds wat er nu in de pensioentabellen staat?

Verwijst de lijn ‘latere inwerkingtreding hervormingen’ in de begrotingstabel naar het uitstel van de inwerkingtreding van de pensioenhervorming of gaat het over andere hervormingen?

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, bij de initiële raming van de niet-indexering van de hoge ambtenarenpensioenen werd ervan uitgegaan dat de maatregel al in 2025 zou ingaan en dat die pensioenen tijdens de regeerperiode helemaal niet meer zouden worden geïndexeerd. Intussen is duidelijk dat de maatregel pas zal worden ingevoerd voor indexeringen vanaf 2026. Het gaat niet meer over een niet-indexering, maar wel over een beperkte indexering van hoge pensioenen. Daardoor werd de geraamde impact voor 2026 eerder al bijgesteld van 174 miljoen euro naar 39,9 miljoen euro. Het goede nieuws is dat er, rekening houdend met die nieuwe raming, door de aanpassing van die maatregel en de herraming van andere maatregelen, voor 2026 meer op de pensioenen kan worden bespaard dan wat eerst was vooropgesteld, namelijk 427 miljoen euro in plaats van 410 miljoen euro.

We gaan er momenteel van uit dat een groot deel van die 427 miljoen euro in 2026 ook effectief zal worden gerealiseerd, aangezien de besparing die voortvloeit uit de afschaffing van de pensioenbonus op 31 december, op zich al 321 miljoen euro oplevert en die maatregel al in de wet houdende diverse bepalingen, waarover binnenkort in de plenaire vergadering zal worden gestemd, is opgenomen. De budgettaire impact van het uitstel van een aantal andere maatregelen waarin vanaf begin 2026voorzien was, zoals de stopzetting van de instroom in het ziektepensioen, is relatief beperkt. Een aantal daarvan kan immers in de loop van 2026 in werking treden en dus nog een deel van het vooropgestelde budgettaire rendement opleveren.

Ik kan bevestigen dat de geraamde inkomsten uit de afschaffing van de pensioenbonus reeds zijn opgenomen in de cijfers van het Monitoringcomité voor een bedrag van meer dan 300 miljoen euro.

Het Federaal Planbureau voerde aanvankelijk een budgettaire impactraming uit van de afschaffing van de pensioenbonus van de vorige regering. Die raming is gebaseerd op de inschatting van de effecten van de invoering van een pensioenbonus. Een dergelijke maatregel houdt in dat bepaalde personen hun pensionering zullen uitstellen en langer actief zullen blijven. De methode die werd gehanteerd om dat gedragseffect te kwantificeren, is de methode-Duval. In de initiële ramingen werd uitgegaan van een volledige afschaffing van de bonus vanaf het moment van invoering. De Federale Pensioendienst berekende nadien, op basis van de toen beschikbare gegevens, een mogelijke impact van het feit dat de vivaldibonus gedurende 18 maanden toch opgebouwd zou kunnen worden, waarbij wij de reeds opgebouwde rechten in afwachting van de afschaffing respecteren. Het gaat steeds om ramingen. Bij de inschatting van de budgettaire impact met betrekking tot de pensioenuitgaven is rekening gehouden met de niet-uitbetaling van pensioenuitkeringen tijdens extra gewerkte periodes.

Wat de impact van het uitstel van de pensioenhervorming op de begroting betreft, in de begrotingstabel staan drie lijnen gelinkt aan de pensioenhervorming. Ten eerste is onder de categorie technische correcties een lijn opgenomen over actuariële neutraliteit. Dat betreft een positieve herraming door het Planbureau van de budgettaire impact van de bonus-malus ten opzichte van de cijfers in het rapport van het Monitoringcomité van september.

Een tweede lijn onder de categorie technische correcties betreft de impact en inwerkingtreding van de hervormingen. Op die lijn wordt de budgettaire impact verwerkt van het uitstel van de pensioenhervorming. Dat heeft een negatieve budgettaire impact. Er zijn geen andere hervormingen dan de pensioenhervormingen opgenomen onder die lijn. Ik licht nog even de cijfers toe voor 2029. Er was 48 miljoen minder voor de actuariële neutraliteit, dus de bonus-malus, 17 miljoen minder voor het uitdoven van het ziektepensioen en 22 miljoen minder voor de beperking van de aanneembaarheid van verloven zonder motief.

Een derde en laatste lijn in de tabel is opgenomen onder de categorie sociale cohesie, namelijk de lijn hervormingen tweede lezing. Daar zijn de twee beslissingen met de grootste budgettaire impact van de tweede lezing in opgenomen: de volledige gelijkstelling van ziekte bij de malus en de volledige neutralisatie van de verhoging van 104 naar 156 dagen voor het eerste loopbaanjaar.

De gelijkstelling van ziekte bij de malus wordt geraamd op een kostprijs van 52 miljoen euro tegen 2029. De volledige neutralisatie van het eerste loopbaanjaar wordt geraamd op een kostprijs van 144 miljoen euro tegen 2029.

U had tevens een vraag over de opbrengsten van de maatregel actuariële neutraliteit in 2026. De opbrengst die na verwerking van de budgettaire tabel zal worden opgenomen in de begroting voor de lijn actuariële neutraliteit, bedraagt 303,6 miljoen euro. Dat is 357,1 miljoen euro opbrengsten voor de afschaffing van de bonus, verminderd met de geraamde jaarlijkse kosten ten belope van 53,5 miljoen euro die nog voor de opgebouwde rechten van de bonus moeten worden gedaan. Per saldo geeft dat 303,6 miljoen euro minderkosten in 2026. De opbrengsten die oorspronkelijk waren ingeschreven voor de invoering van de nieuwe bonus-malusregeling, werden dus geschrapt via de begrotingstabel voor 2026.

Mijn ploeg werkt volop aan de nadere uitwerking van de maatregelen in het kader van de convergentie tussen de stelsels.

Het rendement van de maatregel zal worden geëvalueerd bij de begrotingscontrole 2026. De lijn over de impact van de latere inwerkingtreding van de hervormingen staat daar los van.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik zal een en ander aandachtig bekijken op basis van het rapport en de cijfers analyseren. Ik moet wel vaststellen dat u – dit brengt ons terug naar de vorige discussie over de afschaffing van de bonus – als bespaard bedrag 357 miljoen euro rekent, maar dat is een brutobedrag. De berekening klopt dus niet. Het gaat om een heel theoretisch bedrag. Ik herhaal dat u geen rekening houdt met het feit dat mensen langer blijven werken, wat de Schatkist zeker extra opbrengsten genereert, onder meer door fiscale inkomsten en sociale bijdragen en door het wegvallen van pensioenuitkeringen. Ik weet niet of die elementen elders in rekening worden gebracht in de begroting; het is hoe dan ook geen eerlijke weergave van de echte kosten van de pensioenbonus. Voor het overige bekijk ik de tabellen nog eens, die u in het verslag laat opnemen. U hebt het immers over een opbrengst voor de actuariële neutraliteit – er komt dus iets bij –, terwijl u toch middelen door de actuariële neutraliteit verliest. Dat is mij niet zo duidelijk.

De harmonisering van de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen

Gesteld door

PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kim De Witte bekritiseert de verstrenging van vervroegd pensioen (voorgesteld als "harmonisatie"), die volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing 40% van de vrouwen en 30% van de mannen zou dwingen langer te werken, en vraagt naar de precieze impact van de vrijstelling van het eerste loopbaanjaar (104 dagen i.p.v. 156). Minister Jan Jambon bevestigt dat deze aanpassing de impact met ~30% reduceert (79% verliest max. 1 jaar pensioen, 1% tot 5 jaar), maar kan geen updated cijfers geven na het begrotingsakkoord. De Witte weerspreekt Jambons stelling dat Belgen "te weinig werken": volgens EU-cijfers hebben actieve Belgen juist langere loopbanen (+3j vs. EU-gemiddelde), maar hoge werkloosheid vervormt het gemiddelde. Jambon benadrukt dat het beleid solidaire rechten behoudt voor gefragmenteerde loopbanen, maar incentiveert langer werken via werkbaarheid.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik heb nog een tweede vraag over het jongste rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Dat rapport zegt het volgende: "40% van de vrouwen en 30 % van de mannen moeten hun pensionering uitstellen indien enkel jaren met minstens 156 gewerkte of gelijkgestelde dagen in aanmerking worden genomen". Het gaat over de discussie inzake vervroegd pensioen, zoals u begrepen hebt. Deze regering wil de regeling verstrengen. Ze noemt dat harmoniseren, maar natuurlijk is het geen harmonisering maar een verstrenging van de voorwaarden voor zowel werknemers als ambtenaren.

Het probleem is dat er een aanpassing is en dat mensen die in het verleden bewuste keuzes gemaakt hebben, rekening houdend met de regels, nu plots geconfronteerd worden met het feit dat ze langer zullen moeten werken en minder recht zullen hebben op vervroegd pensioen.

Ik heb hier vijf vragen over.

Ten eerste, wat is de impact van de maatregel wanneer het eerste loopbaanjaar wordt vrijgesteld? Dat is een van de overwinningen die de sociale beweging binnengehaald heeft. Deze regering zegt dat ze een stap terug zal zetten in de hervormingen die ze wil doen. Mijn vraag is welk percentage van de mensen die nu vervroegd met pensioen zouden gaan, alsnog langer zou moeten werken, in vergelijking met die 40 % van de vrouwen en 30 % van de mannen die de Studiecommissie naar voren schuift.

Ten tweede, volgens het rapport van de Vergrijzingscommissie zou 80 % van de getroffen werknemers één loopbaanjaar verliezen. Hoe zit het met de overige 20 %? Zullen die meer verliezen? Zullen zij twee, drie of meer loopbaanjaren verliezen? Wat zijn de cijfers?

Ten derde, kunt u zeggen hoeveel maanden vroeggepensioneerden gemiddeld langer zullen moeten werken als gevolg van deze maatregel?

Dan heb ik nog twee meer politieke vragen.

Ten vierde, vindt u dat de Belgen vandaag te weinig en niet hard genoeg werken? Is dat de filosofie achter deze bijsturing?

Ten vijfde en tot slot, vindt u het gerechtvaardigd dat mensen rechten verliezen op basis van keuzes die zij 10, 20 of zelfs 30 jaar geleden maakten?

Jan Jambon:

Mijnheer De Witte, het in aanmerking nemen van het eerste loopbaanjaar, indien dat geen 156 maar wel minstens 104 dagen zou tellen, zal volgens de berekeningen van de Federale Pensioendienst de geraamde besparing en het aantal betrokken werknemers met ongeveer 30 % doen afnemen. Bij de recent rustgepensioneerden van 2022 zou het uitstel van de vroegst mogelijke pensioendatum voor 79 % inderdaad beperkt zijn tot maximum een jaar. Voor 13 % zou het gaan om een uitstel van maximaal twee jaar, voor 5 % om een uitstel van maximaal drie jaar, voor 2 % om maximaal vier jaar en voor 1 % om maximaal vijf jaar. Voor enkele personen zou het uitstel tot zes jaar mogelijk zijn geweest, indien de maatregel tot harmonisatie van de loopbaanvoorwaarden op deze groep van recent gepensioneerden werd toegepast. Gemiddeld zou het voor de onderzochte cohorte recent gepensioneerden gaan om een verschuiving van de vroegst mogelijke pensioendatum met 10 à 11 maanden.

Belgen werken vandaag zeker hard, hoewel de uitdaging niet enkel in het aantal uren ligt, maar in de kwaliteit en de duurzaamheid van het werk. De gemiddelde loopbaan is korter dan in veel andere Europese landen, terwijl werkdruk en stress hoog blijven. Het beleid moet daarom focussen op incentives om langer werken lonend te maken en op werkbaar werk. Investeren in opleiding, flexibiliteit en een gezonde werk-privébalans zorgt ervoor dat mensen niet alleen langer, maar ook op een gezonde manier kunnen blijven werken.

Ten slotte is het niet gerechtvaardigd om mensen rechten te ontzeggen op basis van keuzes die zij jaren geleden maakten. Ons systeem houdt daarom bewust rekening met diverse loopbanen, ook wanneer die gefragmenteerd of halftijds zijn. De grens van 156 dagen is gekozen omdat die de helft van een gewerkt jaar vertegenwoordigt, zodat ook wie deeltijds werkt of een onderbroken carrière heeft niet uitgesloten wordt. Daarnaast worden zorgverloven, andere periodes met een zorgmotief en periodes van ziekte meegeteld als gewerkte periodes.

Dit beleid is gestoeld op solidariteit. We erkennen dat mensen op verschillende momenten in hun leven keuzes maken om zorg op te nemen of tijdelijk minder te werken. Die inspanningen mogen niet leiden tot verlies van rechten. Tegelijk zetten we in op werkbaarheid door een systeem te creëren dat aansluit bij moderne levens- en loopbaanpatronen, zodat iedereen een eerlijke kans krijgt om rechten op te bouwen.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, zijn deze cijfers gebaseerd op het begrotingsakkoord, waarin werd overeengekomen dat het eerste jaar in aanmerking wordt genomen indien er minimaal 104 dagen gewerkt werden?

Jan Jambon:

Dat zijn de cijfers van voor de aanpassing in het begrotingsakkoord.

Kim De Witte:

Ik heb u echter gevraagd wat de nieuwe cijfers zijn, dus op basis van de aanpassing. Dus wat is de impact van die aanpassing? Hebt u daar al cijfers over?

Jan Jambon:

Ik heb die nu niet bij, maar u kunt die vraag opnieuw indienen.

Kim De Witte:

Mijn medewerker geeft aan dat de impact 30 % minder groot zou zijn door de nieuwe beslissing. We zullen het opvragen en verder bekijken. Ik wil nog even terugkomen op uw bewering dat Belgen minder werken dan andere Europeanen. In hetzelfde rapport van de Ageing Working Group van de Europese Commissie van 2024 staat echter een zeer interessante tabel over hoe lang de werkende Belgen daadwerkelijk werken. Het cijfer dat u gebruikt, is een gemiddelde, maar in België worden veel mensen uitgesloten op de arbeidsmarkt vanwege migratieachtergrond, beperking, leeftijd of werkloosheid. We zitten telkens vaak bijna aan de top van Europa op basis van uitsluiting. De gemiddelde carrière van de effectief werkende Belgen duurt drie jaar langer dan het gemiddelde van de Europese Economische Ruimte en twee jaar langer dan het gemiddelde van de Europese Unie. We werken aanzienlijk langer dan in veel andere landen, waaronder Finland, Italië en Frankrijk. De werkende Belgen werken vijf jaar langer dan de Fransen. Als u het rapport gebruikt voor andere discussies, dan is het ook voor deze discussie relevant dat de werkende Belgen wel degelijk lang werken.

Het indexplafond voor het gezinspensioen

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Dieter Vanbesien bekritiseert dat de indexplafonnering voor pensioenen (vanaf €2.000 bruto) strenger is dan voor lonen (vanaf €4.000), wat volgens hem gepensioneerden onevenredig raakt – vooral 250.000 gezinnen met gezinspensioen, die dubbel benadeeld worden. Hij stelt dat de regering hiermee impliciet suggereert dat gepensioneerden minder basisbehoeften hebben en pleit voor een verhoging van het plafond naar €2.500 voor gezinspensioenen. Minister Jan Jambon verdedigt de maatregel als een tijdelijke, budgettaire keuze om lagere pensioenen te beschermen, waarbij hogere inkomens een "solidaire bijdrage" leveren; hij wijst een apart plafond voor gezinspensioenen af omwille van systematische coherentie. Vanbesien waardeert de eerlijkheid maar blijft kritisch op de logica en kondigt verdere politieke druk aan om het plafond alsnog te verhogen.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, lonen boven de 4.000 euro bruto worden voor het gedeelte daarboven niet geïndexeerd in 2026 en 2028. De regering rechtvaardigt deze beperking met het argument dat deze limiet de basisbehoeften van een individu dekt. Voor pensioenen geldt er blijkbaar een andere logica, aangezien de index al wordt beperkt vanaf 2.000 euro. Zoals ik ook tijdens het begrotingsdebat heb opgemerkt, is dat onlogisch.

Deze maatregel treft gepensioneerden frontaal in hun koopkracht. Een brood is immers even duur voor iedereen, ook voor gepensioneerden. Er bestaat geen 65-pluskorting bij de bakker.

Bovendien zijn er binnen de groep gepensioneerden 250.000 gezinnen die een gezinspensioen ontvangen. Bij die gezinnen krijgt slechts één persoon van het koppel een pensioen, dat dan wordt verhoogd met 25 %. Indien ook dit gezinspensioen niet meer geïndexeerd zou worden boven de 2.000 euro, dan worden deze 250.000 gezinnen dubbel zo hard gestraft.

Hoe verantwoordt u de logica van een lagere indexplafonnering voor gepensioneerden? Hebben zij minder basisbehoeften? Het gezinspensioen verhoogt het pensioen met 25 % om beter tegemoet te komen aan de basisbehoeften van een koppel. Aangezien u de basisbehoeften wilt dekken, wordt dan ook de indexbeperking voor een gezinspensioen verhoogd met minstens 25 %, dus tot een plafond van 2.500 euro?

Voorzitster: Isabelle Hansez.

Présidente: Isabelle Hansez.

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, de logica achter de tijdelijke indexbeperking vertrekt niet vanuit een beoordeling van iemands individuele basisbehoefte, maar vanuit een moeilijke begrotingsoefening waarbij van verschillende categorieën een solidaire bijdrage wordt gevraagd. Het doel van deze maatregel is duidelijk: de pensioenen die lager liggen dan gemiddeld maximaal beschermen, terwijl een beperkte bijdrage wordt gevraagd van pensioenen die hoger liggen dan gemiddeld, dus hoger dan 2.000 euro bruto.

Dezelfde logica wordt toegepast bij de lonen, met name een volledige indexering van de lonen tot het mediane brutoloon van 4.000 euro bruto. Ook daarbij worden de lonen die lager zijn dan de mediaan maximaal beschermd. Het is belangrijk te benadrukken dat deze maatregel tijdelijk is en enkel van toepassing op 2026 en 2028. Het betreft dus geen structurele wijziging van de indexatiemechanismen.

Zoals u terecht opmerkt, wordt bij deze maatregel geen onderscheid gemaakt tussen een alleenstaand pensioen en een gezinspensioen. Dat is een bewuste beleidskeuze. Een gezinspensioen ligt hoger omdat het over twee partners gaat, maar vaak heeft maar één partner een volledige pensioenloopbaan opgebouwd.

Bij een alleenstaand pensioen daarentegen hebben beide partners in de meeste gevallen elk hun eigen volwaardige loopbaan. Het hogere bedrag van het gezinspensioen weerspiegelt dus vooral de sociale rol van deze formule als vangnet voor koppels en niet de accumulatie van twee volledige pensioenen. Daarom is de plafonnering van de indexatie dezelfde voor een gezinspensioen en een alleenstaand pensioen.

Het hogere bedrag van het gezinspensioen betekent niet dat de basisbehoeften van de betrokkenen volledig zijn gedekt, maar wel dat de systematiek coherent blijft binnen het stelsel. Een aparte verhoging van het indexplafond voor gezinspensioenen is daarom niet opportuun en zou de consistentie van de maatregel ondermijnen.

Samengevat, de maatregel is tijdelijk, doelgericht en zorgvuldig afgewogen en sluit aan bij de bestaande systematiek van het pensioenstelsel. Tegelijkertijd blijft de bescherming van de pensioenen die lager zijn dan gemiddeld centraal staan, wat een belangrijke sociale doelstelling is van deze regering.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik ben in elk geval blij met de duidelijke en eerlijke antwoorden. U hebt nu ook duidelijk gezegd dat de maatregel niet vertrekt vanuit de individuele basisbehoefte van de mensen, maar dat het een budgettaire ingreep is. Uw collega's proberen dat op een andere manier te verkopen, met het voorbeeld dat een brood voor iedereen even duur is en de basisbehoefte tot 4.000 euro. U bent duidelijk en eerlijk, dat apprecieer ik zeer. U bent ook duidelijk over het gezinspensioen. Ik ben het daarover niet eens met u. Het is één pensioen dat moet dienen voor twee personen. De basisberekening voor een gezinspensioen is plus 25 %. Daarom moet op zijn minst diezelfde berekening doorgetrokken worden naar het gezinspensioen en moet het indexeringsplafond minimaal op 2.500 euro liggen. U bent echter duidelijk in uw antwoord en dat apprecieer ik. Wij zullen u echter blijven ambeteren om te proberen dat plafond op te laten trekken. We zullen zien of dat lukt.

De impact van de pensioenmalus

Gesteld door

PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kim De Witte vraagt naar de impact van de gelijkstelling van ziekteperiodes in de pensioenmalus: volgens eerdere cijfers zou 1 op 2 vrouwen en 1 op 4 mannen een malus krijgen, en ze wil exacte updates per geslacht en stelsel. Minister Jan Jambon stelt dat door ziekte als gewerkte periode te tellen 75% nu voldoet (vs. 70% eerder), waardoor 25% een malus riskeert (vs. 30% vrouwen/19% mannen zonder gelijkstelling), en benadrukt dat dit een stimulans is om langer te werken, zoals de OESO aanbeveelt. De Witte bekritiseert de malus door te wijzen op het lage basispensioen in België vergeleken met landen als Frankrijk of Italië, waar malussen wel bestaan maar pensioenen hoger liggen en de pensioenleeftijd lager (bv. 62 vs. 67 jaar). Jambon houdt vol dat de hervorming gedragsverandering (langer werken) moet bevorderen, zonder de context van lage Belgische pensioenen te weerleggen.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik heb nog een vraag over de impact van de herziening van de pensioenmalus. Naar aanleiding van de gelijkstelling van ziekteperiodes voor het bonus-malusprincipe bij vervroegd pensioen heb ik drie vragen.

Ten eerste, hoeveel procent van de recent vroeggepensioneerden zal een malus krijgen wanneer ziekte volledig wordt gelijkgesteld voor de werkvoorwaarden? Ik kreeg graag cijfers per geslacht en per pensioenstelsel. In de vorige versie hadden we die cijfers reeds opgevraagd. Volgens die eerdere gegevens zou ongeveer een op de twee vrouwen en een op de vier mannen een malus krijgen. Wat is de nieuwe impact per pensioenstelsel en per geslacht met de gelijkstelling van ziekte?

Ten tweede, wat is het gemiddeld brutopensioen van een recent vroeggepensioneerde die een malus zou krijgen wanneer ziekte volledig gelijkgesteld wordt voor de werkvoorwaarden? Ook hier had ik graag een onderverdeling naar geslacht en pensioenstelsel.

Ten derde, wat is de belangrijkste reden waarom vroeggepensioneerden een malus kunnen krijgen? Heeft dat vooral te maken met de gelijkstelling van ziekteperiodes aan periodes van deeltijds werk, of speelt het aandeel gelijkgestelde periodes een grotere rol? Over welke periodes gaat het dan precies?

Dank u.

Jan Jambon:

Door periodes van ziekte in aanmerking te nemen als gewerkte periode zou vandaag 75 % van de vroeggepensioneerden voldoen aan de dubbele werkvoorwaarden van de malus, in plaats van 70 %. Ongeveer een op de vier personen zou dus bij het bereiken van de vroegst mogelijke pensioendatum nog niet voldoen aan de werkvoorwaarden om een malus te vermijden. Daarbij is nog geen rekening gehouden met gedragsaanpassingen. Als mensen bijvoorbeeld hun pensioen met enkele maanden uitstellen of een jaar langer blijven werken, kunnen ze een daling van hun pensioen vermijden. Sterker nog, door langer te werken kunnen ze een hoger pensioen krijgen dan wanneer de hervorming er niet zou zijn. Dat is de reden waarom alle OESO-landen een malusmechanisme hebben bij vervroegde pensionering voor de wettelijke leeftijd. Het creëert een duidelijke stimulans om na de vroegst mogelijke pensioendatum actief te blijven.

Het OESO-rapport van november 2025 benadrukt opnieuw het belang van een malus bij vervroegde pensionering als een stimulans om langer te blijven werken. Vooral vrouwen zouden door de gelijkstelling van ziekteperiodes als gewerkte periode voldoen aan de werkvoorwaarden en daardoor geen extra prikkel hebben om langer te werken dan de vroegst mogelijke pensioendatum. Cijfers van de Federale Pensioendienst van ruim 50.000 recent vroeggepensioneerden tonen aan dat, indien ziekte niet wordt beschouwd als gewerkte periode, ongeveer 18,9 % van de mannen niet voldoet aan de werkvoorwaarden op hun vroegst mogelijke pensioendatum, tegenover 47,6 % van de vrouwen.

Wanneer men periodes van ziekte wel als gewerkte periode beschouwt, daalt het aandeel werknemers dat bij het bereiken van de vroegst mogelijke pensioenleeftijd niet zou voldoen aan de werkvoorwaarden. Bij mannen gaat het van 18,9 % naar 12,6 % en bij vrouwen van 47 % naar 36 %.

Kim De Witte:

Dank u wel voor die cijfers, mijnheer de minister. Als ik het goed begrijp, zou een op de drie mensen een malus krijgen en in de nieuwe regeling is dat een op de vier. Een op vier is 25 %.

Jan Jambon:

25 % ten opzichte van 75 % is één op drie.

Kim De Witte:

Maar het was niet zo dat 75 % een malus zou krijgen.

Jan Jambon:

Het gaat over het aantal mensen in hun huidige loopbaan, als daar niets aan verandert. Wanneer ziekte wordt meegeteld in de malus, zoals we nu zullen doen, ondervindt 75 % geen impact op het pensioen door de loopbaan die al werd afgelegd. Indien ziekte niet zou worden meegeteld, was dat 70 %.

Kim De Witte:

Goed en dank u ook voor die andere cijfers. Heel kort nog een reactie op uw motivering van die malus. U weet dat we daarover van mening verschillen. Een feit is echter dat wanneer men stelsels vergelijkt, men de volledige context moet meenemen. Er zijn veel landen met een malus in Europa, maar er zijn weinig landen met pensioenen die zo laag zijn als de onze. De malus krijgt daardoor een heel andere context. In Frankrijk, Oostenrijk, Italië, Griekenland en Spanje liggen de pensioenen een pak hoger. Wie daar een malus krijgt, bevindt zich in een heel andere situatie. Daarnaast hebben veel landen geen pensioenleeftijd zoals de onze. In Frankrijk is de pensioenleeftijd 62 jaar. Er geldt daar een malus per kwartaal dat men vroeger stopt. Dat is een andere sanctionering, maar met een pensioenleeftijd van 62 jaar bevindt men zich natuurlijk in een heel ander kader dan met een pensioenleeftijd van 66 jaar, laat staan 67 jaar. Maar dank u voor de cijfers. We zullen daar zeker verder mee aan de slag gaan.

De noodzakelijke verduidelijking omtrent de beursjaren in het pensioenstatuut van jonge onderzoekers

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Isabelle Hansez wijst op ongelijkheid in pensioenopbouw tussen jonge onderzoekers: bursalen (bv. FRIA/FRESH) betalen vaak geen sociale bijdragen en bouwen daardoor geen pensioenrechten op, terwijl FNRS-contracten (met bijdragen) wel meetellen, wat leidt tot "blanke jaren" ondanks gelijkwaardig wetenschappelijk werk. Minister Jambon bevestigt dat enkel jaren met betaalde bijdragen (zoals FNRS-mandaten) tellen, maar dat de huidige pensioenhervorming geen oplossing biedt voor bursalen; verdere stappen vereisen eerst overleg met de Franse Gemeenschap (bevoegd voor statuten). Hansez bekritiseert het gebrek aan duidelijkheid en pleit voor dringende voorspelbaarheid voor onderzoekers, ondanks Jambons verwijzing naar mogelijke toekomstige discussies.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, dans le cadre de la réforme des pensions actuellement en gestation et que nous soutenons, j'ai eu quelques échanges avec le secteur académique et la communauté scientifique, dont un point mérite clarification.

De nombreux jeunes chercheurs accomplissent leur doctorat ou leurs premières années de recherche sous statut de boursier; qu’il s’agisse de bourses défiscalisées, FRIA, FRESH ou d’autres dispositifs. Or ces bourses ne donnent pas toutes lieu au paiement de cotisations sociales. À l’inverse, les mandats FNRS ou contrats de chargé de recherche du FNRS, qui relèvent d’un véritable statut de travailleur, ouvrent bien des droits à la pension.

Cette différence crée une inégalité importante entre jeunes chercheurs effectuant le même travail scientifique, mais sous statuts différents. Elle entraîne aussi une méconnaissance, et souvent une surprise tardive, quant au nombre réel d’années de carrière prises en compte dans le calcul de la pension.

Monsieur le ministre, la réforme des pensions prévoit-elle ou pourrait-elle prévoir une clarification explicite du statut des années prestées sous bourse doctorale en matière de carrière "pensionnable"?

Confirmez-vous que les années effectuées dans le cadre d’un contrat FNRS ou d’un mandat de chargé de recherche sont, elles, bien prises en compte comme années de carrière?

Enfin, le gouvernement envisage-t-il une solution pour éviter que des milliers de jeunes chercheurs ne se retrouvent avec plusieurs années "blanches", alors qu’ils accomplissent un travail scientifique essentiel pour le pays?

Jan Jambon:

Madame Hansez, en ce qui concerne les années effectuées dans le cadre d'une bourse doctorale, la réforme actuelle ne prévoit pas de changement de statut pour les chercheurs. Les années effectuées sous un contrat FNRS ou en tant que mandataire de recherche sont, elles, bien reconnues comme années de carrière, à condition que les cotisations sociales requises aient été payées.

Si ces cotisations ne sont pas réglées, ces années ne sont pas comptabilisées pour le calcul de la pension.

Enfin, concernant la question pour les jeunes chercheurs qui pourraient se retrouver avec plusieurs années blanches, la réforme ne prévoit pas de changement spécifique à cet égard. La mesure dans laquelle cette problématique doit être approfondie est un point qui doit d'abord être discuté au sein du gouvernement compétent pour le statut des enseignants – autrement dit la Communauté française –, afin de déterminer si et de quelle manière d'éventuelles étapes ultérieures peuvent être envisagées à l'échelon fédéral.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Isabelle Hansez:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je pense qu'il est essentiel pour ces jeunes chercheurs d'avoir une certaine prévisibilité quant à leurs années de doctorat et leurs années de carrière. Vous dites que le gouvernement peut encore se pencher sur cette question, également au niveau des entités fédérées, mais je pense que c'est une question qui mérite d'être clarifiée.

Het uitstel van de pensioenbonus en -malus en de garanties voor de betrokken werknemers

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat het bonus/malus-pensioensysteem (initieel voorzien voor 2026) wordt uitgesteld tot 1 januari 2027 door legislatieve vertraging, met overgangsmaatregelen om vroegpensionados van 2026 te vrijwaren. Het oude "bonus Vivaldi" stopt op 31/12/2025, maar verworven rechten (juli 2024–december 2025) blijven behouden en worden binnen zes maanden na pensionering uitgekeerd, volgens Jambon. Hij belooft duidelijke communicatie via mypension.be en het SFP, met stapsgewijze updates na goedkeuring van de pensioenwet (voorjaar 2026). Isabelle Hansez (parlementslid) had kritische vragen over de planningsonzekerheid en informatieverstrekking, maar aanvaardt Jambons uitleg.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, vous avez annoncé que le système de bonus/malus de pension initialement prévu pour entrer en vigueur le 1 er janvier 2026 devra être reporté en raison du contexte budgétaire actuel. Vous avez toutefois indiqué viser une entrée en vigueur le plus tôt possible en 2026 en fonction de l'avancement des discussions au sein de la majorité.

Ce rapport touche principalement les personnes nées entre 1961 et 1965, qui envisagent un départ anticipé l'an prochain, mais qui ne remplissent pas encore les conditions supplémentaires permettant d'éviter le malus.

Le Service fédéral des Pensions a confirmé que les décisions individuelles prises avant l'entrée en vigueur du nouveau régime resteront définitives, ce qui apporte une sécurité juridique bienvenue. Parallèlement, le bonus pension instauré sous la législature précédente prendra fin le 31 décembre 2025. Les droits accumulés depuis le 1 er juillet 2024 seront bien versés, mais de nombreux travailleurs s'interrogent sur les modalités exactes de liquidation et sur la communication qui leur sera adressée.

Dans ce cadre, monsieur le ministre, pouvez-vous préciser l'horizon actuellement envisagé pour la mise en œuvre effective du bonus/malus pension, ainsi que les étapes budgétaires ou législatives nécessaires pour permettre son entrée en vigueur dès que possible en 2026? Pouvez-vous expliquer comment sera opérée la transition liée à la fin du bonus pension Vivaldi au 31 décembre 2025, notamment la liquidation des droits acquis entre le 1 er juillet 2024 et la fin 2025? Comment le gouvernement entend-il garantir une information claire et correcte aux travailleurs concernés?

Enfin, mypension.be est aujourd'hui l'outil principal d'information des citoyens. Pouvez-vous confirmer que des mises à jour spécifiques seront prévues pour refléter de manière transparente, d'abord le report du bonus/malus, ensuite la fin du bonus pension Vivaldi et, enfin, les conséquences concrètes pour les cohortes concernées, afin d'éviter toute confusion chez les futurs pensionnés?

Jan Jambon:

Madame Hansez, il me semble que j'ai déjà répondu à ces questions à plusieurs reprises cet après-midi.

Voorzitter:

Avez-vous un problème avec Mme Hansez, monsieur le ministre?

Jan Jambon:

Non, pas du tout, je vais répondre.

Madame Hansez, comme vous le mentionnez, le gouvernement avait initialement prévu une entrée en vigueur du mécanisme de bonus/malus pension au 1 er janvier 2026. Compte tenu du calendrier législatif, cette date n'est plus tenable. L'entrée en vigueur de la mesure est désormais fixée au 1 er janvier 2027, c'est-à-dire après l'adoption de la loi Pensions dont le vote est attendu au printemps 2026.

Le malus prendra cours à partir de 2027 et des dispositions transitoires sont prévues. Le mécanisme du malus n'est de toute façon pas d'application aux personnes qui peuvent partir à la pension en 2026 ou avant, même si elles prennent leur pension en 2027 ou plus tard. La constitution des droits au bonus pension commencera le 1 er janvier 2026 et sera payé si les personnes concernées prennent leur pension à partir du 1 er janvier 2027.

Ce nouveau calendrier offre la sécurité juridique nécessaire tant pour les administrations concernées que pour les travailleurs en fin de carrière. Cela permet également d'éviter que les travailleurs demandent leur pension anticipée uniquement pour échapper à une réduction, alors qu'ils aimeraient travailler un peu plus longtemps.

Le bonus pension instauré sous la précédente législature prendra fin le 31 décembre 2025, comme prévu. Les droits constitués dans le cadre de ce dispositif entre le 1 er juillet 2024 et le 31 décembre 2025 seront entièrement préservés. Ils seront liquidés dans les six mois suivant la date de prise de la pension, quel que soit le moment où l'intéressé décidera effectivement de partir à la retraite. Il n'y a donc aucune perte de droits pour les travailleurs concernés. Une communication claire sera assurée via les canaux habituels du Service fédéral des Pensions afin que chacun puisse identifier les droits acquis et les modalités pratiques de paiement.

Mypension.be reste l'outil central d'information pour les citoyens. Les systèmes seront mis à jour de manière itérative au fur et à mesure de l'avancement du processus législatif et à partir du moment où la loi sera effective.

Le Service fédéral des Pensions a reçu la mission de préparer, d'ici à la troisième lecture de la loi sur les pensions, un plan de communication et de mise en œuvre. Sur cette base, je communiquerai, en collaboration avec le SFP, de manière transparente et claire sur ce que l'on peut attendre de mypension.be dans les semaines, les mois et les années à venir. Avant cette date, les informations de nature générale, telles que le report de l'entrée en vigueur du bonus/malus, la fin du bonus pension du précédent gouvernement, ainsi que leurs conséquences pour les cohortes concernées, sont déjà communiquées publiquement, via le site du SFP, à l'adresse suivante: www.reformedespensions.be.

Isabelle Hansez:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse et vos éclaircissements.

Het recht op een pensioenbonus bij zelfstandigen
De vraag van de zelfstandigen om de pensioenhervorming uit te stellen
Pensioenrechten en hervormingen voor zelfstandigen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 25 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming voor zelfstandigen die na de wettelijke leeftijd blijven werken, vereist nu volle sociale bijdragen (zoals hoofdberoepers) om pensioenrechten en -bonus op te bouwen, tenzij ze kiezen voor verlaagde bijdragen – dan tellen die periodes niet mee voor de bonus, maar behouden ze recht als ze eerder voldoende trimesters verzamelden. Lanjri bekritiseert de ongelijkheid met werknemers, die altijd bijdragen moeten betalen voor een bonus, en pleit voor gelijke behandeling. Meunier (UCM) vraagt om uitstel van de hervorming wegens technische onduidelijkheid en complexiteit, maar minister Simonet benadrukt dat de ingangsdatum (2027) voldoende tijd biedt voor afstemming met sectorvertegenwoordigers, met aandacht voor conjunctionele hulp en vereenvoudigde communicatie. De bonus-malus blijft centraal: langer werken wordt beloond, eerder stoppen bestraft.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, zelfstandigen die na de wettelijke pensioenleeftijd voortwerkten, hun rustpensioen nog niet opnamen en hun inkomen onder de minimumdrempel van een zelfstandige in hoofdberoep lag, betaalden tot voor kort weliswaar lagere sociale bijdragen, maar konden geen wettelijke pensioenrechten meer opbouwen. Door een aanpassing via de programmawet zijn die zelfstandigen nu dezelfde bijdragen verschuldigd als een zelfstandige in hoofdberoep en blijven ze bijkomende pensioenrechten opbouwen. Zij kunnen wel vragen dat de vroegere lagere bijdrageregeling van toepassing blijft. In dat geval zullen ze geen bijkomende pensioenrechten opbouwen na de wettelijke pensioenleeftijd.

In het regeerakkoord staat dat we wie na de wettelijke pensioenleeftijd wil blijven werken, willen belonen met een pensioenbonus vanaf de pensioenleeftijd. Het is echter billijk dat om een pensioenbonus te ontvangen, er ook verder sociale bijdragen betaald worden, zoals dat vandaag ook van toepassing is voor werknemers.

Hebben zelfstandigen die na de wettelijke pensioenleeftijd blijven werken, geen pensioen ontvangen, terwijl hun inkomsten minder dan 17.088,88 euro bedragen, en ervoor kiezen om verlaagde bijdragen en dus niet dezelfde bijdragen als een zelfstandige in hoofdberoep te betalen, al dan niet recht op een pensioenbonus?

Marie Meunier:

Madame la ministre, le président de l'Union des Classes Moyennes (UCM) a récemment demandé le report de la réforme des pensions. Il estime que les conditions techniques et administratives ne sont pas réunies. De nombreuses zones d'ombre persistent dans cette réforme: calcul des périodes assimilées, diversité des carrières, complexité de mypension.be. Le contexte est déjà tendu pour les indépendants, ils ne sont pas prêts à la mise en place de cette réforme et ils l'ont fait savoir.

Dès lors, madame la ministre, comment réagissez-vous à cette revendication des indépendants en tant que ministre des Indépendants? Ê tes-vous favorable à un report de la réforme, le temps de garantir sa clarté et sa lisibilité pour les indépendants? Sinon, comment comptez-vous associer leurs représentants à la mise en œuvre de ladite réforme? Qu'avez-vous pris comme initiative pour simplifier et rendre accessible l'information sur les pensions des indépendants?

Eléonore Simonet:

Madame Lanjri, madame Meunier, permettez-moi tout d'abord de rappeler que la réforme des pensions portée par le gouvernement s'inscrit dans une vision claire et nécessaire: garantir un système plus juste, plus cohérent et financièrement soutenable pour les décennies à venir. Le gouvernement fédéral est parvenu, lundi, à un accord concernant la prochaine phase de la nouvelle loi sur les pensions.

La deuxième lecture est désormais close, ce qui permet de soumettre le projet de loi au Conseil d'État. Une fois cet avis rendu, le texte pourra être définitivement approuvé par le gouvernement, puis déposé au Parlement pour discussion et vote. Dans ce travail, les partenaires sociaux sont pleinement associés.

Pour ce qui concerne spécifiquement le régime des indépendants, j'ai sollicité l'avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants (CGG), où siègent notamment les organisations représentatives, dont l'UCM. Ce comité a rendu son avis le 1 er octobre, et je tiens à souligner qu'il partage pleinement l'esprit de la réforme. Cet esprit, c'est d'abord renforcer le lien entre travail et droit à la pension, responsabiliser chacun dans ses choix de carrière, harmoniser les régimes et assurer la pérennité financière de notre système.

Le CGG soutient également le principe du bonus-malus. Travailler plus longtemps doit être récompensé, s'arrêter plus tôt implique un malus. Le comité a évidemment formulé quelques remarques. Par exemple, sachez qu'il souhaite limiter davantage la prise en compte de certaines périodes assimilées. Il souligne aussi l'importance de la simplicité, de la transparence et de la communication pour les indépendants. Et surtout, il attire l'attention sur la situation des conjoints aidants face au bonus pension. Leur statut est récent, ce qui les empêche de remplir la condition de carrière des 35 années avant l'âge légal. C'est pourquoi le gouvernement a décidé, lundi matin, que pour ces conjoints aidants nés avant 1973, la condition de travail sera réduite proportionnellement. Le nombre de jours de travail effectif requis sera lui aussi ajusté de manière proportionnelle afin de garantir un traitement équitable compte tenu de la date d'entrée plus tardive dans le régime obligatoire.

J'entends parfaitement les préoccupations exprimées par l'UCM. Les indépendants veulent de la clarté, de la stabilité et de la lisibilité. C'est totalement légitime. Et justement, c'est pour cette raison qu'ils sont associés à chaque étape. Mais je veux aussi rassurer: la réforme ne sera pas appliquée dans la précipitation. La majorité des mesures n'entreront en vigueur qu'à partir de 2027. Autrement dit, nous avons le temps nécessaire pour finaliser les textes, sécuriser les aspects techniques et garantir une communication claire.

À ce stade, un report formel n'est pas nécessaire. La réforme ne dépend pas d'une approbation avant le 31 décembre 2025. Il est vrai qu'un retard est intervenu lors de la deuxième lecture de la loi sur les pensions, ce qui ne permet plus une approbation parlementaire avant fin 2025. Mais, comme déjà indiqué, nous pouvons désormais poursuivre ce dossier, compte tenu de l'accord intervenu lundi au sein du gouvernement.

Seules quelques mesures, notamment le nouveau bonus-malus, étaient planifiées pour début 2026. Ces mesures entreront en vigueur le 1 er janvier 2027. À partir de cette date, le montant de la pension dépendra davantage de la durée effective de la carrière et de l'âge auquel la retraite est prise.

De vertegenwoordigers van de zelfstandigen worden op een formele en gestructureerde manier in het algemeen beheercomité waarin alle representatieve organisaties, waaronder de UCM, zitting hebben, betrokken. Ze brengen advies uit over de teksten, werken mede de maatregelen concreet uit en zijn ook bij het verdere verloop van de werkzaamheden volledig betrokken. De hervorming wordt met hen uitgevoerd, zeker niet tegen hen.

Het comité heeft de noodzaak tot eenvoud, transparantie en duidelijke communicatie onderstreept, verwachtingen die ik volledig deel. De technische werkzaamheden zijn er specifiek op gericht de berekening van de gelijkgestelde periodes te verduidelijken, de leesbaarheid van de verschillende loopbaantypes te verbeteren en de toegankelijkheid van de informatie op mypension.be te versterken, en moeten erin resulteren dat de RSVZ en de Federale Pensioendienst over de nodige hulpmiddelen beschikken om de hervorming voor de inwerkingtreding concreet toe te lichten. De communicatiecampagne zal pas volledig kunnen worden uitgerold, zodra het Parlement de wet definitief heeft goedgekeurd.

Mevrouw Lanjri, zelfstandigen die na de pensioenleeftijd blijven werken maar ervoor kiezen verminderde bijdragen te betalen, kunnen het recht op een pensioenbonus openen, als ze een voldoende aantal in aanmerking komende activiteitstrimesters kunnen aantonen Enkel de trimesters waarvoor minstens de minimale bijdrage voor een zelfstandige in hoofdberoep wordt betaald, zullen meetellen. Vanaf 1 oktober 2025 zal een zelfstandige die de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt zonder een rust- of overlevingspensioen op te nemen, in principe de bijdrage als zelfstandige in hoofdberoep verschuldigd zijn. Hij of zij kan er echter voor kiezen verder verminderde bijdragen te betalen. In dat geval zullen de betrokken trimesters niet meetellen voor de pensioenbonus. Dat betekent echter niet dat die zelfstandigen automatisch uitgesloten worden van de pensioenbonus. Als zij in de loop van hun carrière al voldoende in aanmerking komende trimesters hebben opgebouwd, kunnen zij alsnog een recht openen op de bonus wanneer zij effectief met pensioen gaan. We willen dus een pensioensysteem opbouwen dat eerlijker, duidelijker en duurzamer is, voor zowel zelfstandigen als werknemers.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, mijn vraag was ingegeven door mijn rechtvaardigheidsgevoel. Het is goed dat er gesleuteld wordt aan het statuut van zelfstandigen, want sommige aspecten ervan stemmen nog niet overeen met het werknemersstatuut.

U hebt gezegd dat zelfstandigen die voldoende activiteitstrimesters hebben opgebouwd, recht zullen hebben op de pensioenbonus, ook als zij gekozen hebben voor de verminderde sociale bijdragen. Zij hoeven dus geen extra bijdrage te betalen. Dat lijkt mij toch een discriminatie ten aanzien van werknemers. Die moeten immers altijd sociale bijdragen betalen, ook wanneer zij ervoor kiezen om verder te werken na een loopbaan van 42 jaar hebben, waarvan ze 35 jaar effectief hebben gewerkt, de minimumvoorwaarde om in aanmerking te komen voor de pensioenbonus. Werknemers die blijven werken na de pensioenleeftijd van 66 of 67 jaar, zullen nog altijd sociale bijdragen moeten betalen. Een werknemer betaalt dus evenveel sociale bijdragen na de wettelijke pensioenleeftijd van 66 of 67 jaar.

Een zelfstandige die ervoor kiest om geen extra sociale bijdragen te betalen na de wettelijke pensioenleeftijd, zou volgens u toch de pensioenbonus krijgen. Dat houdt een discrepantie in ten aanzien van werknemers, die zo gediscrimineerd worden ten opzichte van zelfstandigen. Dat zal moeten worden rechtgezet, zodat zelfstandigen en werknemers gelijk behandeld worden. Als men ervoor kiest om geen sociale bijdragen te betalen, lijkt het mij logisch dat men ook geen bonus ontvangt. We passen dat principe toe voor werknemers, die evenmin kunnen kiezen om geen bijdrage te betalen.

Ten slotte, ik heb er steeds bij u op aangedrongen dat u een oplossing biedt voor het probleem van het pensioen van de meewerkende echtgenoten en de onthaalouders. Ik ben alvast blij dat er een regeling voor de meewerkende echtgenoten in het begrotingsakkoord is opgenomen. Hopelijk is er ook een voor de onthaalouders; ik zal de bevoegde minister daarover ondervragen.

Marie Meunier:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses. Il est vrai que lorsque j'ai déposé la question, le report de la période d'action de la réforme n'était pas encore annoncé au 1 er janvier 2027. Il s'agit plutôt d'une bonne nouvelle, car cela laissera un an de répit pour consulter les représentants – notamment les travailleurs syndicaux – afin de faire en sorte que la réforme puisse correspondre au mieux à ce qu'attendent les indépendants et qu'ils puissent, à tout le moins, continuer à avoir une pension décente. Nous ne manquerons évidemment pas de revenir avec des questions d'ici là. Cela nous laisse un peu de temps. Vous pouvez compter sur nous pour être attentifs à la suite.

De pensioenen van het onderwijzend personeel in het kader van de pensioenhervorming
De pensioenhervorming
Het pensioen van het onderwijzend personeel
De vertraging en onduidelijkheden bij de uitvoering van de pensioenhervorming
De pensioenopnameleeftijd en het pensioenbedrag
Pensioenen onderwijzend personeel, hervorming, uitvoeringsproblemen, leeftijd en bedrag

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming van minister Jambon wordt fel bekritiseerd omdat ze leraren, ambtenaren en jongere generaties zwaar treft (tot €500/mnd minder pensioen, 21% verlies voor jongeren) terwijl hoge inkomens en banken gespaard blijven. Critici – waaronder oppositie en vakbonden – wijzen op onbetaalbaarheidclaims die volgens hen onterecht zijn (kosten stijgen met 0,07% PIB/jaar) en eisen belasting op rijken in plaats van besparingen op werknemers, met een tweede algemene staking (24-26/11) als protest. Jambon verdedigt de hervorming als noodzakelijk voor "betaalbaarheid" en benadrukt geleidelijke invoering, maar onduidelijkheid, vertraging (goedkeuring pas na 2025) en gebrek aan transparantie verergeren het wantrouwen, met duizenden in onzekerheid over hun toekomstige pensioen.

Ludivine Dedonder:

Mais qu'est-ce qu'on pourrait mettre en solde ce mois-ci? Ce n'est pas simple, parce que vous avez déjà pris des milliards chez les malades, des milliards chez les pensionnés et parce que le MR ne veut pas toucher aux multimillionnaires ni aux banques. Mais vous avez peut-être une petite idée.

C'est vrai que Les Engagés vous ont dit que travailler avec les enfants, c'était chouette, que c'était une récompense en soi et que ça n'avait pas besoin de plus. Et vous l'avez votre solde du mois: ce sont les enseignants. Vous irez chercher dans la poche des enseignants, chez les plus âgés mais surtout chez les plus jeunes. Pour les enseignants, nés entre 1965 et 1970, moins 60 euros par mois. Pour les bacheliers nés dans les années 80, jusqu'à moins 350 euros par mois. Pour les masters, moins 500 euros par mois. Quant à ceux nés dans les années 90, une perte de pension pouvant monter à 21 %.

Alors c'est vrai que c'est le Black Friday, mais chez vous, ça ne se traduit jamais par un gain de pouvoir d'achat. Non, avec ce gouvernement, c'est toujours moins d'argent en poche, c'est toujours travailler plus longtemps dans des conditions toujours plus précaires. Vous, vous bradez les travailleurs, métier après métier, et aujourd'hui, c'est le métier d'enseignant que vous dégradez, que vous méprisez; ce métier déjà en pénurie, avec des salaires d'entrée bas, et maintenant une pension que vous voulez amputer fortement.

En procédant de la sorte, comment pensez-vous encore attirer des jeunes dans cette profession? Comment pensez-vous garder des enseignants motivés? Et quel message envoyez-vous à notre jeunesse, celle qui évolue déjà difficilement dans un contexte anxiogène, qui recherche des repères, des professeurs rassurants qui donnent un sens aux études qu'elle suit et qui lui donnent un avenir? Aujourd'hui, vous l'attaquez, et vous offrez à toutes et tous un avenir sombre.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, afgelopen weekend hebt u op de grote geldbeurs, hier in Tour & Taxis, een discours gehouden. Wat u daar zei, heeft mij en veel andere mensen verbaasd. U zei dat wij vandaag boven onze stand leven, dat wij op dieet moeten en dat wij soberder moeten gaan leven.

Mijnheer de minister, wie zijn die wij? Gaat dat over de 4 op 10 vrouwen met een pensioen onder de armoedegrens in ons land? Gaat dat over de gemiddelde werknemer met een loon van 2.400 euro en een pensioentje van 1.500 euro? Of gaat dat over u en uw collega's met een loon van 10.000 euro, een woontoelage van 1.000 euro, een pensioen van 5.000 à 6.000 euro?

Wij leven niet boven onze stand, mijnheer de minister. U leeft boven onze stand, u en de oververmogenden die u blijft beschermen.

Mijnheer de minister, ook uw uitspraak dat u de welvaartsstaat zult redden, klopt van geen kanten. U zult niks redden, mijnheer de minister; u zult de welvaartsstaat in snel tempo afbreken! Daarom komt er een tweede algemene staking in zeven maanden, tegen de diefstal van de pensioenen, tegen de diefstal van de pensioenen van de ambtenaren, tegen de afbraak van de lonen van werknemers die 's nachts en 's morgens vroeg in ploegen werken en tegen de pensioenmalus voor werknemers die niet tot 67 jaar kunnen werken.

Mijnheer de minister, zes concrete maatregelen in uw regeerakkoord breken het pensioen van de werknemers met een gemiddeld pensioen van 1.523 euro af. Vindt u dat zij boven hun stand leven?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, les chiffres viennent de tomber. Votre réforme des pensions va coûter environ 300 euros par pensionné, prof, par mois. Pour les jeunes, ce montant pourrait atteindre 500 euros de moins par mois.

Franchement, je pense que les directeurs d'école, à l'heure qu'il est, se seraient bien passés de cette nouvelle annonce. Ce secteur connaît déjà de grosses difficultés à recruter. Un jeune prof sur trois quitte cette profession dans les cinq premières années. C’est un secteur dans lequel, quand on commence avec plein d'étoiles dans les yeux, on se rend compte qu'on est obligé, pour pouvoir compléter son horaire, de faire trois, quatre, cinq écoles différentes; qu'on est mis au chômage deux mois par an parce qu'on ne nous paie pas pendant l'été.

Aujourd'hui, ce que vous leur dites, c'est qu'ils n'en font pas encore assez. En Fédération Wallonie-Bruxelles, on nous avait pourtant annoncé des grandes mesures pour soutenir ce secteur. Résultat, un an plus tard, qu’apprenons-nous? Les profs vont devoir travailler deux heures de plus par semaine, sans aucune compensation. Mille cinq cents jobs vont passer à la trappe. J'ai vu la semaine dernière des profs pleurer dans les salles des profs.

Je ne sais pas ce qui vous passe par la tête. Les profs étaient-ils vraiment dans votre ligne de mire pendant la campagne électorale, quand vous avez fait de grandes promesses? Je n'en ai pas le sentiment. Aujourd'hui, nous avons l'impression qu’ils sont responsables de tous les maux de ce pays, aux côtés des soignants et des pensionnés.

Ne pas investir dans l'enseignement, c'est ne pas investir dans le futur. C'est très tarte à la crème, monsieur le ministre, mais je ne sais pas dans quelle langue le dire: quand on décide de sous-financer l'enseignement, on n’investit pas dans l'avenir. On ne soutient pas ces personnes qui, chaque jour, s'occupent de vos enfants, leur donnent un enseignement de qualité et leur permettent de trouver leur voie, de s'insérer dans la société et de trouver un boulot qui leur conviendra plus tard.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous confirmer ces chiffres? (…)

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, weet u het eigenlijk zelf nog? Uw pensioenhervorming begint te lijken op de kroniek van een aangekondigde dood. Wat u eerst afdeed als losse eindjes, blijkt intussen een dossier vol fundamentele knelpunten te zijn: de malus, de al dan niet gelijkstelling van ziekteperiodes, de grote impact op vrouwen en jonge leerkrachten die hun toekomstig pensioen met honderden euro's per maand zien verdampen, om nog maar te zwijgen van de gebrekkige communicatie. De Federale Pensioendienst kan de nieuwe regels al maandenlang niet verwerken, omdat de regering ze zelf niet kent. Burgers krijgen standaard het antwoord: we kunnen niets zeggen, zolang de maatregelen niet goedgekeurd zijn. Dat is geen verwijt aan de Pensioendienst, maar wel een schandvlek op uw beleid. En dan is er nog de vrees dat uw pensioenhervorming alsnog een verkapte besparingsmaatregel wordt in het begrotingsakkoord, waarvan we nog steeds niet weten wanneer dat er komt.

Mijnheer de minister, de Vlaming wordt hier terecht ongerust van. Er zijn voortdurende wisselende cijfers en scenario's. Vandaag weten duizenden mensen niet eens wanneer ze mogen stoppen met werken, laat staan hoeveel pensioen ze zullen krijgen. Het minste wat u hun verschuldigd bent, is duidelijkheid en eerlijkheid. Van een felle naar een geleidelijke pensioenhervorming, waar knelt het schoentje? Waarom zit dat dossier muurvast? Wanneer zal uw hervorming in definitieve, begrijpelijke en werkbare vorm worden gecommuniceerd, zodat de burgers eindelijk weten waar ze aan toe zijn?

Axel Ronse:

Net zoals ik is de minister bang van wat er vandaag uit de mond van sommigen komt. Collega's, ik was per ongeluk uitgenodigd op een samenkomst met Paul Magnette en Raoul Hedebouw, die vandaag niet aanwezig is, omdat hij opblaasbare vliegtuigjes is gaan opblazen. Daar was ook Sarah Schlitz aanwezig ter vervanging van de twee aftredende voorzitters van Ecolo. Zij verklaarden dat ze het pensioenprobleem zouden oplossen en dat ze een beter plan hebben dan Jan Jambon. Zij zouden tout le monde qui glisse sur un caca, pour le reste de sa vie en invalidité zetten en de beperking van de werkloosheid in de tijd weer ongedaan maken.

En wat zouden ze doen om de pensioenen te betalen? De pensioenen kosten 70 miljard euro per jaar, collega's, terwijl de bijdragen maar goed zijn voor 40 miljard, wat dus betekent dat er jaarlijks een gat is van 30 miljard euro. Welnu, Raoul Hedebouw belooft een eenvoudige oplossing: hij zal de honderden miljardairs die hier wonen, zoals in de Rue de Dison in Verviers, belasten. Tax the rich . Hij zou die aan 50 à 60 % belasten. Dan is, volgens hem, het hele pensioenprobleem opgelost. Dat was uw oplossing. Wanneer mensen u op straat aanspreken, mijnheer Boukili, en zij u vragen comment va-t-on payer nos pensions , dan antwoordt u: t ax the rich; tax the rich .

Terwijl België de kortste loopbanen van heel Europa kent, de gelijkgestelde periodes er gigantisch zijn en sommige Waalse steden geen financiering meer – Belfius waarschuwde al dat er geen geld meer was - voor lopende uitgaven krijgen, blijft u de mensen wijsmaken dat hun pensioenen betaalbaar zullen zijn, zodra u een of andere rijkentaks zult invoeren. Het is gewoon crimineel dat u dat nog aan de mensen wijs durft te maken.

Minister, doe voort. U hebt onze volledige steun. ( Rumoer op de banken )

Voorzitter:

Collega’s, we zijn hier niet op een speelplaats. We zijn hier in het Parlement. Gelieve het woord te voeren wanneer u het woord gekregen hebt. Het is nu aan de minister.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, collega's, elke dag geven duizenden leerkrachten het beste van zichzelf binnen en buiten de klasuren om onze kinderen vooruit te helpen. Iedereen hier in het halfrond zal het ermee eens zijn dat hun maatschappelijke rol essentieel is en dat die rol respect, een correcte verloning en een eerlijk pensioen verdient.

C'est précisément pour cette raison que nous devons veiller à ce que leur pension reste financièrement viable pour eux-mêmes et en particulier pour les générations qu'ils forment. Dans le même temps, nous voulons moderniser et harmoniser le système, et éviter de futures inégalités en garantissant un traitement égal entre les différents régimes de pension existants.

Permettez-moi d'apporter trois remarques importantes concernant les chiffres cités ici sur la perte importante de pension. Pour les enseignants proches de la retraite, l'impact sera très limité, grâce au caractère très progressif de la réforme. Pour ceux qui ont aujourd'hui plus de 60 ans, il s'agit de moins d'1 %. Pour les plus de 55 ans, il s'agit de 1 à 4 %. La pleine ampleur de nos réformes ne se fera réellement sentir que dans 35 ans.

Avec notre réforme des pensions, nous voulons surtout encourager un changement de comportement, de sorte que les jeunes enseignants qui débutent devront travailler plus longtemps, réduisant ainsi l'impact financier sur le montant de leur pension. Ceux qui souhaitent continuer à travailler après l'âge de la retraite seront également récompensés grâce au bonus pension. Même après la réforme, la pension légale des enseignants restera nettement plus élevée que celle des salariés ou des indépendants. Nous le faisons consciemment, en compensation de l'absence d'avantages extralégaux – chèques repas, voitures de société, assurance hospitalisation, etc.

Voor de meeste ambtenaren schaffen we de verhogingscoëfficiënt af. Omdat we echter weten dat leraren een specifieke opdracht hebben, behouden we voor hen wel een verhogingscoëfficiënt. Dat zorgt ervoor dat een carrière van 40 jaar telt voor 41 jaar, waardoor zij in de feiten een jaar vroeger met pensioen kunnen gaan.

Meer algemeen herhaal ik dat de grootste onrechtvaardigheid tegenover onze jongeren zou zijn dat wij, de huidige politieke klasse, de noodzakelijke pensioenhervormingen niet uitvoeren. Dat verplicht ons om de stijging van de vergrijzingskosten beheersbaar te maken. Op die manier vrijwaren wij onze welvaart en redden we de sociale zekerheid.

Mevrouw Samyn, op de vraag over de vertraging die is opgetreden bij de tweede lezing van de pensioenwet, kan ik antwoorden dat de goedkeuring ervan in het Parlement voor eind 2025 inderdaad niet meer haalbaar is. Ik wil u echter tegelijk geruststellen. Onze pensioenhervorming en onze pensioenwet staan of vallen niet met de goedkeuring ervan voor 31 december 2025. In de pensioenwet staan hoofdzakelijk maatregelen die pas vanaf 2027 in werking zullen treden. Slechts enkele hervormingen in de pensioenwet zouden volgens plan starten in januari 2026. De nieuwe bonus-malus zal dus inderdaad pas later in werking kunnen treden, maar de budgettaire en inhoudelijke impact van dat uitstel is relatief beperkt. De hervorming zal inderdaad in het Parlement moeten worden goedgekeurd vooraleer we heel concreet via de Pensioendienst de informatie kunnen verstrekken.

Ludivine Dedonder:

Vous dites vouloir changer leur comportement pour qu'ils travaillent plus, plus longtemps, pour gagner moins. Ce que je constate, en fait, c'est que ce gouvernement n'a que du mépris pour les travailleurs, en lieu et place de la reconnaissance et de la récompense. Ce que je constate, c'est que ce gouvernement avait promis 500 euros de plus aux travailleurs et qu'il auront, avec vos chiffres, 500 euros de moins.

Cela fait 40 ans qu'on nous dit que les pensions sont impayables, et elles sont toujours payées. Le coût des pensions, vous le savez, augmentera de 1,8 % du PIB d'ici 2050. Cela représente 0,07 % par an. Ensuite il sera stable, puis diminuera.

Oui, c'est un choix de société, un choix de récompense du travail que nous portons. Nous espérions que vous le porteriez aussi. Les personnes qui seront en rue espèrent aussi que vous le portiez.

Kim De Witte:

Mijnheer Ronse, mijnheer de minister, u zegt dat men moet ophouden de mensen iets wijs te maken. Er zijn echter opnieuw mooie voorbeelden gegeven van wat u de mensen zelf wijsmaakt. U stelde daarnet dat wij de kortste loopbanen van heel Europa hebben. Europa zegt nochtans dat de werkende mensen in ons land 38,5 jaar bijdragen voor hun pensioen, terwijl het Europees gemiddelde 36,3 jaar is. Wij hebben dus niet de kortste loopbanen. U verwart de zaken.

Mijnheer de minister, ten tweede, u zegt dat de maatregel enkel geldt voor mensen die zeer laat op pensioen gaan. De Studiecommissie voor de Vergrijzing zegt echter dat werknemers die in 2040 op pensioen gaan, al 7 % verliezen.

Dat betekent 100 euro minder op een gemiddeld pensioen van 1.523 euro, mijnheer de minister. Werknemers verliezen 7 %, ambtenaren verliezen 6 %.

Tot slot, de pensioenen zijn betaalbaar als we de welvaart eerlijker verdelen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, nous avons tous en tête au moins un prof qui a cru en nous quand nous étions à l'école et qui a façonné une partie de ce que nous sommes. Je trouve incroyable qu'en étant tous passés par là, on choisisse de leur dire – et essayez de tous y penser! – "En plus de la dévalorisation de votre métier, des conditions difficiles qui l'accompagnent et des difficultés dans les premières années de votre carrière pendant lesquelles vous avez dû vous battre pour obtenir vos heures et être nommés, vous allez travailler plus longtemps pour une pension moindre." C'est dégoûtant et c'est une véritable trahison à l'égard de personnes qui ont déjà des carrières bien entamées et qui, à présent, ne peuvent pas changer la façon dont les cartes sont déjà distribuées. Monsieur le ministre, revoyez votre copie et allez chercher l'argent là où il se trouve, s'il vous plaît!

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, me geruststellen doet u niet. Geef toe, u weet het op dit moment niet, de Pensioendienst overigens ook niet, en de toekomstig gepensioneerden al zeker niet.

Uw zogenaamde hervorming dreigt voor duizenden mensen uit te draaien op honderden euro minder per maand. Dat is een deel van de huur, dat is de water- en de energiefactuur off dat kleine extraatje dat men zich eindelijk wou permitteren.

Dan kom ik tot uw communicatie. Via sociale media kondigt uw kabinet doodleuk aan dat u nog een beleidsadviseur Pensioenen zoekt die moet meewerken aan de pensioenhervorming van Arizona. Voor een hervorming die allang in het Parlement had moeten liggen, bent u nu nog altijd op zoek naar experts. Sorry, dat is waanzin!

U bent in feite Lalieux 2.0, met beloften, vertraging, onduidelijkheid, en duizenden mensen in onzekerheid. Zo gaat men niet om met het pensioen van mensen. Dat is geen beleid meer. Het is geknoei op de kap van wie heel zijn leven keihard gewerkt heeft.

Axel Ronse:

De gemiddelde loopbaan in ons land duurt 34,5 jaar. Dat komt doordat zoveel mensen in ons land aan de dop of op de ziekenkas zitten, door onze lage activiteitsgraad.

Als men denkt dat wij elk jaar 30 miljard euro – een bedrag dat stijgt door de vergrijzing – voor de pensioenen kunnen blijven betalen door met minder mensen te werken, met slogans als tax the rich of andere vorte slogans om mensen leugens wijs te maken, dan dwaalt men. Wie denkt dat we daarmee de pensioenen kunnen financieren, nodig ik uit om mee te gaan naar Wallonië, naar enkele centrumsteden die verdorie geen centen meer ontvangen voor hun lopende uitgaven. Dat betekent geen budget meer voor woon-zorgcentra, fini, onderhoud van straten, fini.

Gaan we dat laten gebeuren met onze pensioenen? Zullen we tegen de mensen zeggen dat het fini is met hun pensioen? Nee. Dankzij Jan Jambon zullen we ervoor zorgen dat mensen ten minste nog een deftig pensioen behouden. Dank u, Jan.

(…): (…)

Voorzitter:

Hij heeft uw naam toch niet genoemd? Hij heeft geen namen genoemd. (Tumult)

Ik geef het woord aan de heer Boukili.

Ik verzoek iedereen om het doorzichtig trucje om zichzelf extra spreektijd te geven, achterwege te laten, ook al wordt er maar al te graag op ingegaan.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Nabil Boukili:

Monsieur le président, je tenais à réagir au petit cirque que M. Ronse vient de nous faire pour présenter la N-VA et M. Jambon comme les sauveurs des pensions.

C’est pourtant la N-VA qui creuse le déficit des pensions. Le tax shift a coûté des milliards aux travailleurs. Vous avez créé ce trou-là pour faire des cadeaux aux grandes entreprises. Vos collègues du MR et vous-même devez supprimer ces cadeaux aux grandes entreprises.

Monsieur Ronse, il faut taxer les plus riches. Mais vous préférez taxer les travailleurs via une augmentation de la TVA. Voilà votre politique!

Si vous vous attaquez à nos pensions et à la classe travailleuse, c’est aussi pour financer votre course à l’armement demandée par M. Trump. Votre ministre Francken dit d’ailleurs lui-même que notre sécurité sociale est trop "obèse" et qu’il faut y puiser de l’argent pour acheter des F-35.

Nous ne sommes pas d’accord avec ce projet de société. C’est pour cette raison que nous serons dans la rue avec les travailleurs les 24, 25 et 26 novembre, pour contrer votre politique antisociale.

Axel Ronse:

Mijnheer Boukili, ik ben blij dat u mij aanspreekt. Ik ben ook blij dat u hier bent en niet op de markt vliegtuigjes opblaast om te vergelijken. Tegen de mensen die nu gaan staken, zegt u dat wij 34 miljard uitgeven aan vliegtuigen en dat dit meer is dan dat er moet bijgepast worden bij de pensioenen. Wij passen nu al 30 miljard extra bij voor pensioenen. Mijnheer Boukili, hoeveel is 30 maal 5? Dat is 150 miljard. Dat is bijna vijf keer meer dan voor de aankoop van vliegtuigen .

Wat zal er gebeuren als wij niets doen? Kent u de vergrijzing? Dat wil zeggen dat er minder mensen werken om het pensioen van meer mensen te betalen. U komt uit Wallonië. Er zijn daar gemeenten … Oh, u komt uit Brussel, oei. C’est encore pire à Bruxelles. Daar is 40 à 50 % van de mensen in de beroepsactieve leeftijd niet aan het werk.

Wat gaat u de mensen blijven wijsmaken? Gaat u ze blijven meepakken naar de villawijken en hen zeggen "Les gens qui habitent là payeront votre pension. Si on supprime les avions militaires, votre pension sera payée"?

Kunt u zich 's avonds in de spiegel bekijken et luidop zeggen dat u opkomt voor de werkende klasse die gaat travakken?

"Jacqueline, qui a glissé sur le caca, ne doit pas travailler jusqu'à sa pension. Cela ne pose aucun souci." Wat zegt u dan? "Le chômage, si on est au pouvoir, sera de nouveau illimité. Pas de souci. Et ce sont les gens qui habitent dans les belles villas qui paieront les pensions!"

Mijnheer Boukili, dat zijn sprookjes. Dat zijn even dwaze sprookjes als dat F-16- of F-35-vliegtuigje dat u opblaast. Weet u wat er met u zou gebeuren als u aan de macht komt? Heel onze pensioenfactuur zou letterlijk opgeblazen zijn. Ik blij dat Jan er is.

Voorzitter:

U bent blij dat hij er is, maar hij gaat vertrekken.

De controle van de langdurig zieken
De resultaten v.d. controles op langdurig zieken die tot aan hun pensioen arbeidsongeschikt blijven
De recente steekproef van het RIZIV bij langdurig zieken
De langdurig zieken
De steekproef bij langdurig zieken
De steekproef bij langdurig zieken
De steekproef van het RIZIV bij langdurig zieken
De gevolgen en beleidsaanpassingen na de RIZIV-steekproef bij langdurig zieken
De besparingen op de kap van de langdurig zieken
De erkenningen van invaliditeit tot aan het pensioen en eerdere beleidsinitiatieven
De erkenning van de langdurige arbeidsongeschiktheid en de werking van de GRI
De toenemende uitval door burn-out bij 30-minners
Het terug-naar-werkbeleid en de terug-naar-werkcoördinatoren
De vakbonden als erkend dienstverlener in het kader van het Terug-naar-werkfonds
De langdurig zieken en de preventie bij en verantwoordelijkheid van de werkgevers
De tekortkomingen in het re-integratiebeleid voor langdurig zieken
De Terug-naar-werkbarometer
De langdurig zieken
De langdurig zieken
De langdurig zieken
Een centrale plaats voor preventie in het arbeidsongeschiktheidsbeleid
Het beleid inzake de re-integratie van langdurig arbeidsongeschikten
De exponentiële toename van het langdurig ziekteverzuim bij deeltijdwerkers
Het 'totaalplan' voor de problematiek rond langdurig zieken
De begeleiding naar werk van niet-toeleidbare werkzoekenden
Het 'totaalplan' voor langdurig zieken
De verdeling van de langdurig zieken over de verschillende sectoren
Het re-integratietraject na een burn-out en de follow-up na de terugkeer op de werkvloer
De plannen voor besparingen bij de langdurig zieken
Langdurig ziekteverzuim, re-integratiebeleid en beleidsaanpassingen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hervorming van het beleid rond langdurig zieken, met focus op fraude, controle, re-integratie en solidariteit. Kritiekpunten zijn het gebrek aan opvolging (25% van gecontroleerde dossiers bleek onterecht in invaliditeit), te lage inzet op preventie (werkgevers, artsen en mutualiteiten ontlopen verantwoordelijkheid) en oneerlijke benadering (stigmatisering van zieken vs. werkgeversverantwoordelijkheid). Minister Vandenbroucke kondigt strengere controles (218.000 herbeoordelingen), een bonus-malussysteem voor werkgevers en betere samenwerking tussen artsen aan, maar oppositie en meerderheid blijven verdeeld over de balans tussen sancties en ondersteuning.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, chers collègues, nous allons débuter notre réunion par un long débat d'actualité, puisqu'il comporte 29 questions orales. Ceux qui n'ont pas déposé de questions peuvent évidemment se joindre au débat, soit au moment des questions soit au moment des répliques. Certains d'entre vous ont déposé plusieurs questions dans ce cadre. Dès lors, leur temps de parole s'en trouve prolongé. C'est pourquoi je vous demanderais de regrouper vos questions. Cela nous fera ainsi gagner un peu de temps. Je vous indiquerai combien de temps vous est accordé, compte tenu des multiples questions que vous avez déposées. Sommes-nous d'accord sur le mode de fonctionnement? (Assentiment)

Irina De Knop (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik ga akkoord met de werkwijze, maar ik heb zeven vragen ingediend. Alleen het voorlezen van die vragen neemt al enige tijd in beslag. Mag ik vragen om daarmee tijdens de vraagstelling rekening te houden?

Voorzitter:

Nous avons fait le calcul pour vous. C'est douze minutes.

Irina De Knop (Open Vld): Je ne vais pas exercer mon droit sur douze minutes; je veux juste avoir les moyens de donner une introduction, puis de poser mes questions.

Voorzitter:

Vous avez parfois redéposé la même question.

Irina De Knop (Open Vld): Het is belangrijk dat we op alle vragen die we hebben voorbereid een antwoord krijgen. Als ik mijn vragen niet stel, zal ik er zeker geen antwoord op krijgen.

Voorzitter:

Je suis obligé de procéder comme cela parce que d'autres que vous ont déposé d'autres questions. Vous ferez ce que vous voulez avec votre temps. C'est votre liberté.

Axel Ronse (N-VA): Ik hoor dat over 'voorlezen' wordt gesproken. Mag ik een suggestie doen? Het zou heel fijn zijn dat niemand hier vragen voorleest, maar dat we een spontaan, authentiek en boeiend parlementair debat houden. Zo niet wordt deze vergadering zeer slaapverwekkend.

Voorzitter:

Monsieur Ronse, j'adore aussi les débats plus spontanés, mais en l'occurrence, certains parlementaires sont spontanés et d'autres le sont moins. C'est aussi leur liberté.

Je vous propose donc de lancer l'échange avec M. Van Lysebettens pour deux minutes.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de voorzitter, ik zal direct tegemoetkomen aan de heer Ronse.

Mijn vraag was natuurlijk al veel eerder ingediend en ondertussen hebben een aantal zaken zich voorgedaan, zoals vrijdag de documentaire op RTL. Daaruit bleek dat een aantal voorbeelden ontspoord zijn en dat is natuurlijk onaanvaardbaar voor het draagvlak van onze sociale zekerheid. Het is ook pijnlijk voor veel mensen die wel willen werken, en die zijn er wel degelijk, dat bleek zelfs in de documentaire. Ze ondervinden echter allerlei hindernissen. De regering wil de uitkering van mensen afnemen, maar eigenlijk moeten mensen vooral de mogelijkheid hebben om aan het werk te gaan.

Uw eigen steekproef, mijnheer de minister, die u hier correct toelichtte, wordt ondertussen al veelvuldig misbruikt om hypothetische opbrengsten te berekenen. Een eenzijdige focus op straffen en afpakken werkt contraproductief. Dat blijkt niet alleen uit het onderzoek van professor Godderis, maar dat hebt u zelf ook bevestigd in uw Oxfordtoespraak van vrijdag.

Onze gemeenschappelijke doelstelling moet zijn om langdurig zieken weer gezond te maken. Hoe wilt u artsen ondersteunen om dat te doen, gezien hun huidige werkdruk? Kan arbeidsongeschiktheid niet beter extern en onafhankelijk worden vastgesteld? Voorziet u specifieke activeringsmaatregelen voor langdurig zieken, bijvoorbeeld via aangepaste werktrajecten? Zal de regering ook voor die trajecten bijkomende maatregelen uitwerken, bijvoorbeeld in het kader van de pensioenhervorming?

U verklaarde dat langdurig zieken slachtoffers zijn van een systeem dat hen jarenlang weinig heeft opgevolgd of geholpen. In de commissie voor Gezondheid hebt u eerder ook aangegeven een beleid te hebben gevoerd waarbij specifieke groepen actief arbeidsonbekwaam werden verklaard tot aan hun pensioen. Dat betekent dat velen zelf niet verantwoordelijk zijn voor de situatie waarin ze zich bevinden. Bent u dan bereid om die groepen uit te sluiten van bijvoorbeeld de bonus-malusregeling voor pensioenrechten? Erkent u dat zij niet mogen worden gestraft voor fouten van de overheid?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, de voorbije weken zijn verschillende rapporten en onderzoeken verschenen die samen één duidelijke boodschap brengen, namelijk dat het beleid rond langdurig zieken niet werkt zoals het hoort.

Uit het recente interne verslag van het RIZIV blijkt dat van de 920 onderzochte dossiers van mensen die tot aan hun pensioen arbeidsongeschikt waren verklaard, ruim een kwart na hercontrole de uitkering verloor, terwijl slechts 16,7 % effectief terecht volledig arbeidsongeschikt bleek tot de pensioenleeftijd. Dat is onthutsend, want het betekent dat er jarenlang nauwelijks of geen hercontroles werden uitgevoerd, hoewel de wet duidelijk bepaalt dat invaliditeit steeds herzienbaar is.

U kondigde intussen aan dat u 100.000 langdurig zieken opnieuw laat controleren. Op zich is dat belangrijk maar tegelijk rijzen er vragen over de manier waarop u dat zult doen. Hoe verklaart u dat die groep jarenlang nauwelijks of niet werd opgevolgd? Kunt u garanderen dat er voldoende adviserend artsen en capaciteit beschikbaar zijn om de hercontroles grondig en menselijk te laten verlopen? Hebt u daar vooral voldoende budget voor?

Ook leerden wij uit dezelfde steekproef dat in 27 % van de onderzochte dossiers mensen ten onrechte een langdurige ziekte-uitkering ontvingen, dat in 55 % van de dossiers de uitkering werd verminderd en dat slechts 16 % volledig gerechtvaardigd bleek.

U hebt daarbij zelf aangegeven dat de opvolging en controle bij bepaalde ziekenfondsen, vooral bij de onafhankelijke ziekenfondsen zoals Helan, te lang zijn uitgehold en dat dat ook financiële gevolgen zal hebben voor de mutualiteiten. Het is uiteraard goed dat er eindelijk inzicht komt in die tekortkomingen maar tegelijk rijzen er ook vragen over de beleidsconsequenties en over de waarborgen voor een correcte behandeling van patiënten.

Hoe zullen ziekenfondsen die in gebreke bleven effectief verantwoordelijk worden gesteld? Vanaf wanneer zal het nieuwe vergoedingssysteem, dat rekening houdt met de kwaliteit van hun opvolging, in werking treden? Hoe garandeert u dat de controles rechtvaardig verlopen en niet leiden tot willekeur of druk op mensen die wel degelijk en terecht langdurig ziek zijn?

Professor Stijn Baert stelde bovendien voor om te onderzoeken of een onafhankelijke laag van controlerende artsen los van de mutualiteiten de kwaliteit en objectiviteit van de beslissingen kan verbeteren. Bent u bereid om dat te bekijken?

Tot slot, hoe evalueert u na vier jaar hervormingen het huidige activeringsbeleid? Wij hebben nu de verplichte opvolgingscontacten en een nauwere samenwerking tussen behandelende, adviserend en bedrijfsartsen. Welke concrete resultaten heeft dat tot nu toe opgeleverd?

Mijnheer de minister, ten slotte wil ik nog wijzen op de resultaten van een nieuw onderzoek van hr-dienstverlener Acerta. Dat onderzoek toont aan dat het re-integratiebeleid in veel bedrijven nog steeds hapert. Een op vier ondernemingen heeft helemaal geen re-integratieplan. Bijna de helft neemt pas na maanden contact op met de zieke werknemer. Meer dan een op drie werkgevers vindt de federale regelgeving te complex.

Ook langdurig zieke werknemers getuigen dat de afstand tussen werknemer, werkgever en mutualiteit veel te groot blijft. Sommigen worden te laat of helemaal niet gecontacteerd. Anderen krijgen te weinig begeleiding om op een aangepaste manier terug te keren. Er zijn zelfs gevallen van mensen die tegen hun wil richting medisch pensioen worden gestuurd, hoewel gedeeltelijke tewerkstelling perfect mogelijk zou zijn.

Mijnheer de minister, ik heb hierover nog drie concrete vragen.

Wordt er nagedacht over het vereenvoudigen van het administratief en juridisch luik van de re-integratieprocedure, gezien de signalen van zowel werkgevers als arbeidsgeneesheren dat de regels te ingewikkeld blijven?

Ziet u mogelijkheden om de rol van de adviserend arts en de arbeidsgeneesheer beter op elkaar af te stemmen, zodat langdurig zieken sneller en persoonlijker worden begeleid?

Hoe voorkomt u dat werknemers zonder degelijk overleg richting medisch pensioen worden gestuurd, ondanks een reële restcapaciteit om aangepast werk te verrichten?

Mijnheer de minister, het doel van dit alles moet immers zijn dat mensen die kunnen werken beter begeleid worden en dat mensen die echt ziek zijn beter beschermd worden. Vandaag faalt het systeem op beide fronten. Ik hoop dat u erkent dat er eindelijk werk moet worden gemaakt van een menselijke, rechtvaardige en uitvoerbare aanpak voor onze langdurig zieken.

Irina De Knop:

De voorbije jaren is het aantal langdurig zieken in ons land onafgebroken blijven stijgen, mijnheer de minister, tot meer dan een half miljoen personen. Onder uw beleid is dat aandeel gestegen met 55 %.

Binnen die groep bevinden zich naar verluidt ongeveer 260.000 mensen die erkend zijn in invaliditeit tot aan de pensioenleeftijd. Uit een recente steekproef van het RIZIV bij 768 langdurig zieken die tot aan hun pensioen als invalide werden erkend bleek dat bij meer dan een kwart van de herbeoordeelde dossiers de invaliditeitsuitkering volledig werd stopgezet. Nog eens meer dan de helft bleek wel terecht arbeidsongeschikt, maar werd onterecht voor de rest van hun leven als invalide erkend. Amper 16 % van de onderzochte gevallen had daadwerkelijk recht op die erkenning tot aan de pensioenleeftijd.

Die steekproef legt een aantal zorgwekkende tendensen bloot, waarover we al een aantal keren hebben kunnen spreken, ook in de plenaire vergadering. Een derde van de langdurig zieken wordt arbeidsongeschikt verklaard om psychische redenen en bij mensen jonger dan 40 met mentale problemen verliest bijna een kwart de invaliditeitsuitkering na controle. Dat zijn zeer verontrustende cijfers, zeker wanneer blijkt dat dossiers jarenlang niet opnieuw worden geopend, zelfs als er geen sprake was van een onomkeerbare aandoening.

Tegelijkertijd bestaat al geruime tijd een beleid rond gerichte herevaluaties van arbeidsongeschiktheid, onder meer via de praktijk van herevaluatie in de zevende maand, die werd opgestart onder uw voorgangster. In de voorbije legislatuur hebt u zelf sterk ingezet op de terug-naar-werkcoördinatoren bij de ziekenfondsen, via het terug-naar-werkfonds en via de terug-naar-werkbarometer als beleidsinstrument.

Ik was dan ook verbaasd toen u aangaf dat dat beleid voor u eigenlijk niet zo belangrijk was, dat het een toegeving was aan de liberalen. Ik heb dat nagelezen en u hebt daar toch herhaaldelijk mee uitgepakt als uw eigen beleid. Ik ga er dan ook van uit dat u dat beleid verdedigt.

Mijnheer de minister, ondertussen zijn er meer dan 580.000 langdurig zieken. Op die manier blijft ons land geconfronteerd met een structureel probleem dat steeds zwaarder weegt op de sociale zekerheid.

Uw collega's van de arizonacoalitie zijn het blijkbaar met mij eens, want niet toevallig is de aanpak van langdurig zieken een van de elementen in het klavertjevier dat de premier op tafel legt. Zelf geeft u aan dat u op die manier ongeveer 1,8 miljard euro zou kunnen besparen. In andere artikels van andere partijen horen we bedragen tot 2,5 miljard euro. Het is daarom goed dat we hierover vandaag een debat voeren, zodat we kunnen begrijpen hoe men aan die cijfers komt.

Nog belangrijker, een cijfertje in een begroting neerpennen is heel makkelijk, maar daar een beleid tegenover stellen dat er echt voor zorgt dat dit wordt gerealiseerd is nog wat anders en daarvoor bent u natuurlijk de bevoegde minister. U zei dat alle betrokken actoren moeten worden geresponsabiliseerd, van werkgevers tot artsen en ziekenfondsen - al horen we dat een beetje minder - en het RIZIV. Zij moeten allen samen mee in bad.

De politieke conclusie van het verhaal lijkt me te zijn dat u vijf jaar bevoegd bent voor deze problematiek, dat u steeds weer nieuwe golven van maatregelen aankondigt die u echt als gamechangers ziet, maar dat het jammer genoeg golven zijn waarvan we de effecten nog niet kunnen zien in de zee van langdurig zieken. Het is moeilijk te begrijpen hoe men dit probleem structureel kan aanpakken door bijkomende initiatieven op te stapelen, terwijl eerdere maatregelen onvoldoende blijken te werken. We hebben dus meer dan ooit nood aan een echt plan.

Ik heb best wel wat vragen, dus ik zal selectief zijn. Wat betreft de RIZIV-steekproef en het statuut van invaliditeit tot aan het pensioen, hoe beoordeelt u het feit dat bij meer dan een kwart van de herbeoordeelde dossiers in de recente RIZIV-studie de invaliditeit volledig werd stopgezet? Acht u dit cijfer representatief voor de volledige groep personen die erkend zijn in invaliditeit tot aan de pensioenleeftijd? Hoe werd die steekproef precies uitgevoerd? Klopt het dat deze vooral betrekking had op leden van onafhankelijke ziekenfondsen? Zo ja, waarom? Kunt u ons de resultaten geven van deze steekproef per verzekeringsinstelling? Welke verklaring ziet u voor eventuele verschillen tussen ziekenfondsen? Werden er daarbij abnormale resultaten vastgesteld bij bepaalde ziekenfondsen of afdelingen?

Hoe verklaart u dat zoveel mensen jarenlang als invalide tot aan de pensioenleeftijd geregistreerd blijven, zonder opvolging, terwijl hun pathologie daar volgens het RIZIV niet voor in aanmerking kwam en er geen sprake was van een onomkeerbare aandoening? Klopt het dat vandaag ongeveer 260.000 mensen dit statuut hebben op een totaal van circa 500.000 invaliden? Hoe evolueerde dit cijfer sinds uw aantreden als minister?

Mijn tweede vraag gaat over eerdere beleidsinitiatieven en de opvolging van arbeidsongeschiktheid. Welke resultaten leverden die gerichte herevaluaties in de zevende maand op? Wat waren de globale resultaten van deze gerichte herevaluaties? Hoe verhouden de resultaten van deze eerdere herevaluatie-initiatieven zich tot de recente steekproef van het RIZIV bij personen erkend tot aan het pensioen?

Dan kom ik aan de vragen over de omvang van de groep arbeidsongeschikten en over de werking van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit. Hoeveel personen zijn er in het laatste volledige jaar bijgekomen in deze groep? Kunt u dit opsplitsen naar primaire arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en waar mogelijk naar type pathologie?

Bij hoeveel mensen werd in het laatste jaar de arbeidsongeschiktheid herzien, zowel in primaire arbeidsongeschiktheid als in invaliditeit?

Hoeveel personen kregen in 2024 een door de adviserend arts voorgesteld traject voor re-integratie? Ik wil de nadruk leggen op die vraag, want die lijkt mij essentieel, aangezien het de opdracht is van de ziekenfondsen om mensen te re-integreren.

Kunt u ook zeggen hoeveel personen met een erkende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit effectief nog een medische behandeling krijgen door een behandelend arts? Beschikt u over cijfers of schattingen van het aandeel invaliden dat nog regelmatig in behandeling is, per typologie?

Wat is de verdeling van arbeidsongeschikten en invaliden per ziekenfonds? Wij ontvangen graag de recentste cijfers.

Acht u bijkomende hervormingen nodig in de samenstelling van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit en haar hoge commissie, zodat erkenningen en herevaluaties kritischer, uniformer en onafhankelijker getoetst kunnen worden?

Dan kom ik aan de aangekondigde 100.000 bijkomende controles en de inzet van adviserend artsen.

U hebt aangekondigd dat 100.000 langdurig zieken bijkomend zullen worden gecontroleerd. Hoeveel extra artsen zijn er volgens u nodig om die 100.000 bijkomende controles effectief, kwaliteitsvol en binnen een redelijke termijn te kunnen uitvoeren?

Welke resultaten kunnen de terug-naar-werkcoördinatoren, die sinds 2021 actief zijn binnen de ziekenfondsen tot heden voorleggen op het vlak van de begeleiding van langdurig zieken naar werk? Kortom en concreet, hoeveel langdurig zieken hebben zij daadwerkelijk begeleid en hoeveel van hen zijn inmiddels gedeeltelijk of volledig opnieuw aan het werk na de tussenkomst van een terug-naar-werkcoördinator?

Ik heb daarover nog veel meer vragen geformuleerd maar ik zal mij omwille van de tijd proberen te beperken tot de belangrijkste. De terug-naar-werkbarometer werd aangekondigd als een belangrijk beleidsinstrument om de evolutie van de arbeidsongeschiktheid en de re-integratie op te volgen. Wanneer zal de terug-naar-werkbarometer officieel worden gepubliceerd of geactualiseerd? Zal dat instrument publiek toegankelijk zijn, bijvoorbeeld via het RIZIV-portaal?

U hebt het totaalplan voor langdurig zieken herhaaldelijk aangekondigd. Kunt u ons meenemen in uw totaalplan en toelichten wat daarin de hoofddoelstellingen en -indicatoren zijn? Wanneer verwacht u dat het nieuwe totaalplan in werking treedt? Welke stappen zult u ondernemen voor de uitvoering?

In het kader van dat totaalplan voorziet u ook in datamining van ziekteattesten. Hoe kunt u garanderen dat die datamining niet uitmondt in een algemeen klimaat van wantrouwen tegenover artsen en in naming-and-shaming maar dat zij wel gericht en proportioneel wordt ingezet om misbruik te bestrijden?

Ik heb nog een vraag over de garanties voor patiëntgerichte en vrijwillige trajecten richting werk. Hoe zult u in het geheel van de maatregelen, met name steekproeven, bijkomende controles, het terug-naar-werkbeleid en het totaalplan, garanderen dat trajecten richting werk daadwerkelijk plaatsvinden met oog voor gezondheid, re-integratiemogelijkheden en vrijwilligheid en niet uitsluitend vanuit budgettaire motieven?

Heel belangrijk is ook de volgende vraag. Welke rol ziet u voor de behandelende arts, de adviserend arts, de terug-naar-werkcoördinator en de betrokken arbeidsbemiddelingsdiensten om ervoor te zorgen dat elk re-integratietraject medisch verantwoord, haalbaar en gedragen is voor de patiënt en dat de nadruk zal liggen op een duurzame werkhervatting?

Mijnheer de voorzitter, ik heb de spreektijd gerespecteerd.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, gisteren was het Wapenstilstand, een feestdag. Ook ik had dus een vrije avond. Ik heb met een paar vrienden afgesproken op café. Ik ben naar Café Den Olifant geweest in Lierde. We hebben het daar gehad over voetbal, want de winst van Anderlecht tegen Brugge is groot nieuws tegenwoordig. We hebben ook de cyclocross besproken. Maar nadien werd het pas echt interessant, want toen hadden we het over politiek. Als ze daar mijn hoofd zien, beginnen ze altijd over politiek te zeuren.

Mijn vrienden vonden het vreemd dat de partijen van Arizona ruzie aan het maken zijn. Een paar maanden geleden hadden jullie nog mooi een regeerakkoord afgesloten en was alles peis en vree, maar vandaag geraken jullie er niet meer uit. De begroting geraakt alvast niet goedgekeurd. Er is geen akkoord meer binnen de regering.

Ik voel dat de mensen dat eigenlijk niet graag hebben. Ze hebben niet graag dat er ruzie gemaakt wordt. Ze snappen dat niet. Ze houden niet van de chaos die jullie zelf creëren. Niets is nog zeker.

Eén ding was mijn kameraden wel opgevallen, namelijk dat alle partijen het er alvast over eens zijn dat er bespaard zal worden op de ernstig zieken. Mijn kameraden vroegen zich af van waar of van wie dat idee komt. In wiens partijprogramma stond het dat er 2,5 miljard euro bespaard moet worden op de ziek gewerkten?

Ik moest dan vertellen dat dat een idee was van de heer Vandenbroucke, en dat de partij Vooruit een besparingsplan op tafel gelegd heeft om de ernstig zieken meer te controleren. De dokters worden meer gecontroleerd en verplicht om kortere ziekteperiodes voor te schrijven. Kortom, Vooruit viseert de zieken en de artsen, en krijgt daarvoor applaus en aanmoediging van de N-VA. Of, om het met de woorden van Axel Ronse te zeggen: go, go, go, mijnheer Vandenbroucke.

In Café Den Olifant wilden ze me niet geloven. Ik heb het privilege om u vandaag die vraag te stellen. Mij geloven ze niet. Aangezien ik van de PVDA ben, veronderstelt men dat ik Vooruit wil beschadigen. Ik vraag het vandaag dus expliciet aan u, mijnheer de minister. Is dat een voorstel van u? Is het een voorstel van Vooruit 2,5 miljard euro te besparen op de ziek gewerkten?

Nog over die 2,5 miljard euro, tijdens de herfstvakantie werd er nog gesproken over een besparing van 1,8 miljard. Intussen is er bijna 700 miljoen euro bij gekomen. Kunt u dat uitleggen? Vanwaar komt die 700 miljoen? Welke calculaties zitten daarachter?

In uw plannen worden de werkgevers geresponsabiliseerd. U krijgt veel kritiek van de PVDA, maar de responsabilisering van de werkgevers vinden wij wel degelijk een goede zaak.

Daar staat wel meteen bij dat de solidariteitsbijdrage, die 140 miljoen euro moet opleveren in 2026, via een verlaging van de werkgeversbijdragen zal terugvloeien naar de bedrijven, althans naar de bedrijven die hun best doen. Wat u dus van de ernstig zieken wilt afnemen, zijn ze kwijt, en wat u van de werkgevers wilt afnemen, die ziek gewerkten creëren, geeft u via een belastingvermindering terug aan de werkgevers, weliswaar aan de werkgevers die hun best doen.

Mijnheer de minister, wat betekent 'hun best doen' precies? Op basis van welke criteria zullen werkgevers die belastingvermindering krijgen? Zal dat louter op basis van cijfers gebeuren? Krijgen bedrijven met het minst aantal langdurig zieken dan een belastingvermindering? Zal dat niet leiden tot meer medische ontslagen? Op die manier kan een werkgever de cijfers natuurlijk verlagen.

Werkgevers worden geresponsabiliseerd en er wordt bespaard op de sociale zekerheid bij langdurig zieken, maar het geld vloeit uiteindelijk terug naar de werkgevers. Is dat geen broekzak-vestzakoperatie?

Tot slot, hoe komt u aan de optelsom van 2,5 miljard euro, en waar zal dat geld gevonden worden? De laatste tijd duikt bovendien nog veel meer ander fakenieuws op, met gemanipuleerde cijfers en data. Zo hebben sommige ministers beweerd dat 57 % van de geschorste werkzoekenden geen Belgen zouden zijn. Bepaalde ministers, economen en Kamerleden blijven herhalen dat er in ons land evenveel ernstig zieken zouden zijn als in Duitsland. Dat klopt niet. Duitsland telt meer dan twee miljoen ernstig zieken, wat meermaals is gefactcheckt in de media. Stop dus alstublieft met dat soort uitspraken. Mevrouw Bertrand sprak in onze commissie zelfs over de grootste fraude ooit. Dat ging niet over Didier Reynders, maar over mensen die ziek zijn geworden door hun werk. Ik vind dat echt bijzonder laag-bij-de-gronds en oneerlijk. Stel u voor dat u thuis zit om te herstellen van een rugoperatie en dat iemand als mevrouw Bertrand, geboren in een gouden wieg en lid van een van de rijkste families van België, u beschuldigt van fraude.

(…) : (…)

Robin Tonniau:

Ze is inderdaad niet aanwezig, wat ik jammer vind, want ik had haar daarop graag horen reageren.

Sta me toe dat ik nog even op de RIZIV-steekproef inga.

Ik ben niet lang naar school geweest, maar ik weet wel wat een steekproef is. Dat is een selectie uit een grotere populatie die wordt gebruikt om onderzoek te voeren. Het doel van een steekproef is om op basis van verzamelde gegevens uitspraken te kunnen doen over de gehele populatie. Een goede steekproef moet dus representatief zijn voor de gehele populatie, wat betekent dat de eigenschappen van de steekproef vergelijkbaar zijn met die van de gehele populatie. Welnu, de steekproef van het RIZIV was allesbehalve representatief voor de hele groep van ernstig zieken. Men hanteerde heel specifieke criteria, zoals mensen die tot aan de pensioenleeftijd ziek waren verklaard of jonge mensen met een specifieke problematiek. De steekproef van het RIZIV is dus die naam niet waard. Het is alsof men een politieke peiling zou organiseren bij de abonnees van Kerk & Leven om te weten waarop de volgende verkiezingen zouden uitdraaien. Zo werkt dat niet.

Mijn laatste vraag is dus wat u vindt van de uitspraak dat een vierde van de zieken eigenlijk fake ziek is. Wat vindt u van het misbruik en de manipulatie van de steekproef? Zult u uw regeringspartners oproepen om geen dergelijke valse uitspraken meer te doen?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, "tous fraudeurs, tous suspects"! C'est le climat qui règne aujourd'hui dans notre pays. On reçoit des témoignages comme celui de Louise dont le cancer récidive et qui est en pleine chimiothérapie. Elle a partagé une vidéo sur les réseaux sociaux où elle explique que, le 29 novembre, elle a reçu une lettre lui disant que son incapacité devait être réévaluée alors qu'elle a rendez-vous le 2 décembre. Quelle violence! Quelle violence de recevoir un tel courrier alors que cette femme est en pleine chimiothérapie.

Ce genre de courrier témoigne d'une profonde inhumanité. Une des questions du courrier est: "Quand est-ce que vous pensez reprendre le travail?" Louise, aujourd'hui, se bat contre la maladie, essaye et espère survivre, vivre. Comment se fait-il que ce genre de courrier soit envoyé à tous les malades sans discernement, peu importe que la personne soit à la maison pour telle pathologie ou à cause d'une chimiothérapie.

Les mutuelles et l'INAMI sont au courant des traitements que les gens suivent. Et des Louise, il y en a des milliers dans notre pays: des travailleurs gravement malades du cancer, comme c'est le cas de Louise, mais aussi malades du travail. Je prends l'exemple de René, chauffeur poids lourd depuis de nombreuses années, qui, à 53 ans, a été opéré du dos et se trouve aujourd'hui en incapacité de travail à cause du boulot. Marc a 50 ans. Depuis 20 ans, il travaille au port d'Anvers, dans le froid, tous les jours. Il n'a jamais été malade. Aujourd'hui, ses épaules sont complètement fracassées. Il ne sait plus travailler. Kaput! Il ne sait plus bosser, du moins faire ce travail-là.

Votre réponse? Intimider, sanctionner, surveiller! C'est votre politique! Ce qui est grave, c'est que vous mettez tous les malades dans le même sac, sans distinction aucune.

De plus, de cette façon, le nombre de malades de longue durée continue à grimper parce que vous ne vous attaquez pas aux causes pour lesquelles les gens sont malades.

Je suis médecin. Quand on est médecin, on fait d'abord le diagnostic, puis on met le traitement en marche. Ici, vous faites le contraire. Donc, le nombre de malades de longue durée continue à augmenter. Même les médecins sont tous suspects de fraude aujourd'hui. Je trouve que c'est aussi une insulte grave. C'est comme si les médecins faisaient des certificats à tire-larigot. Je connais très bien le monde médical. Non, la plupart des médecins effectuent leur travail de manière très professionnelle et veulent que les gens puissent reprendre le travail si c'est possible. Mais les problèmes sont bien au niveau du travail.

Regardons les causes de l'incapacité. La première cause est l'âge, bien sûr. La moitié des malades de longue durée, 246 000 personnes, ont plus de 55 ans. Il y a peut-être une raison à cela. Les différents gouvernements ont fait en sorte que les personnes ne puissent plus partir en prépension. Ce gouvernement-ci a même mis purement et simplement fin à cette possibilité. Oui, en relevant l'âge de la pension, vous aurez encore plus de malades de longue durée.

Deux pathologies sur trois sont liées aux conditions de travail et trois personnes sur 10 ont des troubles musculosquelettiques.

Mon camarade Robin a déjà posé beaucoup de questions. Pouvez-nous dire de manière claire, monsieur le ministre, que dans l'étude que tout le monde avance, l'échantillonnage réalisé par l'INAMI n'est pas du tout représentatif de l'ensemble des malades de longue durée? Pouvez-vous confirmer le fact checking qui a été réalisé par Le Soir ?

Comment arrivez-vous à 2,5 milliards d'économies sur les malades de longue durée? Pourquoi, sur ces 2,5 milliards, seulement 280 millions proviennent des entreprises, c'est-à-dire que 10 % de l'effort est fait par les entreprises tandis que vous allez chercher les 90 % restants chez les malades de longue durée?

Axel Ronse:

Collega’s, weet u waar de duurste hondendrol ooit is gelegd? Dat is in Verviers.

"J'ai glissé sur un caca de chien. J'ai cassé mon pied."

Weet u hoelang die dame al voltijds een uitkering van de ziekenkas krijgt, een RIZIV-uitkering? Al sinds 2017, zowat acht jaar. Op de vraag of ze weer kan werken antwoordt ze:

"Oui, donne-moi une petite table et un ordinateur. Et je suis là! Mais non, je ne vais pas le faire. Je suis tranquille depuis huit ans et se lever tôt, non, ce n'est plus pour moi."

Ze zei ook haar portie miserie te hebben gehad, aangezien ze als aanvulling op haar uitkering ook in het zwart had gewerkt als dierenverzorgster, maar dat ze in de zak gezet werd, omdat men haar niet had betaald. Ze vond zichzelf te beklagen.

Voorzitster: Julie Taton.

Présidente: Julie Taton.

Een aantal weken geleden bespraken we in het Parlement nog het naar de media anoniem gelekte bericht over de steekproef bij 1.800 langdurig zieken, waaruit bleek dat meer dan de helft onterecht ziek werd verklaard tot aan het pensioen. Van de langdurig zieken wegens psychische ziekte bleek meer dan een kwart onterecht ziek verklaard. Vorige week vertelde een ex-schoolkameraad me nog dat hij gescheiden is en dat hij naar de dokter was gegaan omdat hij zich daardoor, wat ik begrijp, mentaal niet goed voelde. Hij kreeg meteen een volledig jaar ziekteverlof voorgeschreven. Op basis van één doktersbezoek! Vindt iemand dat normaal? De arbeiders die bandwerk verrichten of de kassiersters die een hele dag in de Aldi of Delhaize werken, kunnen na het zien van zo’n reportage of van die steekproefcijfers niet anders dan denken dat zij gaan werken om een dergelijk rot systeem in stand te houden. Ik vind dat verschrikkelijk en ik hoop dat iedereen dat vindt.

Als we dat nu niet aanpakken, evolueren we naar een samenleving zoals die in Amerika, waarin onderwijs peperduur is, een dokter onbetaalbaar wordt en een enkelbreuk effectief in armoede kan resulteren. Ik pas voor zo’n systeem.

Ik wil een systeem zoals het hier ooit bedacht is, waarin iemand die miserie heeft effectief geholpen wordt en eventueel meer geld kan krijgen dan wat tegenwoordig toegekend, op voorwaarde dat al het profitariaat eruit kan. Wie weigert om de getoonde beelden in die reportage profitariaat te noemen, zou echt in de spiegel moeten kijken.

In de vorige legislatuur is afgesproken om langdurig zieken weer naar werk te begeleiden. Als iemand wordt ontslagen wegens medische overmacht, betaalt men een boete van 1.800 euro. Sinds de invoering van die maatregel, anderhalf jaar geleden, is al 13 miljoen euro verzameld. Men kan op die 13 miljoen euro terugvallen als men ziek is. Men kan vouchers krijgen om weer aan het werk geholpen te worden. Weet u hoeveel mensen zo’n voucher hebben aangevraagd? 250. Wat een fiasco!

Nog het ergste van alles is het volgende. Wij beperken de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. De interimvoorzitster, mevrouw Taton, heeft hier vorige week in de plenaire vergadering nog aangekaart dat een medisch centrum in Charleroi brieven stuurt naar mensen van wie de werkloosheidsuitkering binnenkort eindigt. Ik weet vooreerst al niet vanwaar zij die gegevens hebben. Zonder kennis van de medische voorgeschiedenis worden mensen uitgenodigd om langs te komen zodra hun uitkering stopt. Wie zijn die mensen? Wat bezielt hen om zoiets te doen? Willen zij ons hele sociale systeem kapotmaken?

Ik ben ook naar Café Den Olifant geweest. Ik heb daar pinten gedronken met mensen die allemaal hun nikkel afdraaien en zich afvragen wat dat is met die Partij van de Arbeid en met die vakbond. De mensen werken hard, maar stellen vast dat er wordt geprofiteerd, aangezien veel mensen al lang uitkeringen ontvangen, hoewel ze die eigenlijk niet nodig hebben. Zij vragen zich af waarom de PVDA minister Vandenbroucke bekritiseert. Hij is op dit moment immers de meest sociale minister. Hij durft tenminste zijn nek uit te steken voor wie het echt moeilijk heeft, zodat die mensen nog een uitkering kunnen krijgen en niet alles wordt afgebouwd. Ik zeg dus inderdaad: go, go, go, minister Vandenbroucke.

Wat mij betreft moet heel dat systeem van binnenuit en tot in de kleinste details worden herzien. Is er sprake van fraude bij de ziekenfondsen? Waarom worden sommige mensen zo lang onterecht arbeidsongeschikt verklaard? Hoe is het mogelijk dat iemand zoals die fantastische dame uit de RTL-reportage acht jaar lang een uitkering krijgt wegens een gebroken voet en intussen in het zwart werkt? Hoe kan dat? Hoe komt het dat zo weinig mensen gebruikmaken van de terug-naar-werkvouchers, terwijl er 13 miljoen euro in dat fonds zit? Hoe komt het dat een medisch centrum brieven stuurt aan mensen zonder enige medische voorkennis, met een uitnodiging om te komen, omdat zij dan misschien naar het RIZIV zullen stappen?

Collega’s, ofwel ruimen we dat systeem op en maken we schoon schip, ofwel gaat onze sociale zekerheid kapot. Ik hoop dat we voor de eerste keuze gaan, want ik geloof in onze sociale zekerheid.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, depuis l'entrée en fonction du gouvernement Arizona voici quelques mois, la chasse aux malades a pris une tournure plus qu'inquiétante. Nous voyons des membres de votre gouvernement essayer de boucler un budget, incluant la possibilité de récupérer 5 milliards d'euros sur le dos des malades de longue durée, que l'on accuse d'être de "faux malades". Or il est notoire que l'échantillon sur lequel ils se basent pour dérouler toute cette stratégie repose sur une étude complètement biaisée. Monsieur le ministre, pourriez-vous enfin faire toute la lumière sur celle-ci et confirmer que les chiffres ne correspondent pas à la situation des malades de longue durée en Belgique?

Monsieur Ronse, quand je vous entends, cela me rappelle à quel point il est urgent que les députés retombent dans un régime de travail ordinaire, de sorte que, lorsqu'ils tombent malades, au lieu de conserver leur salaire – comme c'est le cas aujourd'hui –, ils tombent sur la mutuelle. Comme vous le savez peut-être, quand on tombe malade, le premier mois est assuré, avant que les revenus soient si fortement réduits qu'il devient parfois impossible de continuer à rembourser un emprunt ou de payer un loyer.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Chers collègues, les mots que je viens d'entendre sont graves, car ils font reposer sur une petite partie de la population et une infirme portion de personnes qui, en effet, ne respectent pas les règles du jeu, la faillite de l' É tat. Or, dans votre for intérieur, vous savez très bien que ce ne sont pas ces quelques personnes qui plombent le budget de l' É tat. Aujourd'hui, j'aimerais découvrir des émissions télé et un travail journalistique qui mettent en lumière les raisons pour lesquelles certains fraudent le fisc, sont obsédés par l'idée de ne pas participer à l'effort collectif, passent leur temps à construire des montages fiscaux et à pratiquer l'évasion fiscale. C'est ce que je voudrais voir dans une interview et dans une émission télé, monsieur le député.

Mes questions sont identiques à celles des collègues, monsieur le président.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, voici quelques semaines, je vous ai interpellé en séance plénière sur la problématique des maladies de longue durée et des débordements.

Pour ne citer que quelques chiffres qu'on connaît tous, en Belgique, plus d'un demi-million de travailleurs sont en invalidité, c’est-à-dire en arrêt maladie depuis plus d’un an. Ce chiffre a doublé en 20 ans et coûte plus de 9 milliards d'euros par an à l'État. Selon les Mutualités Libres, les personnes les plus touchées sont les jeunes de moins de 40 ans ainsi que le femmes. Les causes principales sont des problèmes psychologiques (stress, burn-out) mais aussi des troubles physiques liés au travail.

Les indépendants sont, eux aussi, de plus en plus touchés. Les Mutualités Libres demandent de renforcer la médecine du travail, d'améliorer le bien-être au travail et de mieux accompagner les maladies psychiques.

Monsieur le ministre, que pensez-vous de l’étude des Mutualités Libres qui montre une hausse des arrêts de travail pour épuisement? Quel est le bilan de votre stratégie actuelle pour améliorer le bien-être au travail? Quel dispositif spécifique comptez-vous mettre en place pour aider les indépendants face à cette la fragilité croissante?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, ma première question concerne le renforcement de la prévention et de la responsabilisation des employeurs dans la lutte contre les maladies de longue durée. Alors que nous comptons aujourd'hui plus de 526 000 personnes en incapacité de travail de longue durée, soit plus d’un actif sur 10, certains voient dans le modèle néerlandais de réintégration des travailleurs malades une piste intéressante pour la Belgique.

Pour avoir entendu les uns et les autres s'exprimer, il faut être très clair! Pour nous, le problème n’est pas qu'on aurait un demi-million de faux malades, profiteurs qui plombent notre système de sécurité sociale ni que les malades ne seraient pas assez responsabilisés. Ils le sont déjà, parfois même de manière très lourde, parfois même en plein traitement, comme cela a encore été rappelé par certaines de mes collègues. Dans le même temps, on parle toujours très peu, à notre estime, du rôle des employeurs et de leur responsabilité. Et je ne prends pas l'exemple des Pays-Bas par hasard car la baisse des absences s’y explique surtout parce que les entreprises ont été contraintes de suivre de près leurs travailleurs et leurs travailleuses et surtout d’améliorer leurs conditions de travail. Par ailleurs, le salaire garanti a été porté à deux ans, ce qui représente évidemment un fameux incitant.

En Belgique, par contre, on continue à faire porter la responsabilité exclusivement sur le travailleur ou la travailleuse et on ne se préoccupe finalement du retour au travail que quand le lien est parfois déjà rompu, quand la personne est déjà épuisée, parfois brisée. Or la politique de santé la plus efficace, c’est celle qui empêche la maladie de s’installer. Et on sait que les entreprises ne jouent pas assez le jeu de l’adaptation des postes de travail. Nous avons déjà eu l'occasion d'échanger à ce sujet, monsieur le ministre.

Monsieur le ministre, ne pensez-vous pas qu'il est temps de placer la prévention au cœur de notre politique de santé au travail et de renforcer la responsabilité des employeurs dans l'évaluation et l'amélioration des conditions de travail, qu'il s'agisse de la charge, du stress, du climat ou des risques physiques, et de les responsabiliser davantage en matière de réintégration au travail? En effet, il est constaté que trop peu d'employeurs prennent des mesures volontaristes en cette matière.

Quelles nouvelles mesures concrètes de prévention comptez-vous mettre en place pour améliorer les conditions de travail, réduire les risques psychosociaux et prévenir ainsi les arrêts de longue durée? Le gouvernement envisage-t-il de renforcer les obligations de suivi et de réintégration pour les employeurs, à l'image justement du modèle néerlandais, en mettant en place des incitants forts pour accompagner chaque salarié dans sa reprise, c'est-à-dire adaptation du poste de travail, suivi régulier, contact humain maintenu, salaire garanti sur une longue période, etc.

Ma deuxième question fait suite à une étude publiée par Securex il y a quelques semaines révélant que l'absentéisme de longue durée – de plus d'un an – a augmenté de 4 % au cours du premier semestre 2025, atteignant un nouveau record de 3,51 % soit 105 086 travailleurs absents pendant plus d'un an.

Derrière ces chiffres, et c'est ce qui m'intéresse en particulier dans cette question, se cache surtout une injustice flagrante. Les travailleurs à temps partiel, souvent des femmes, sont deux fois plus touchés par les maladies de longue durée. Leur taux d'absentéisme a plus que doublé en 11 ans pour atteindre 5,41 %, contre 2,99 % pour les travailleurs à temps plein.

Monsieur le ministre, ce ne sont évidemment pas des statistiques abstraites, ce sont des aides ménagères, des infirmières, des caissières, des travailleuses des soins et du nettoyage qui cumulent souvent emplois précaires, bas salaires, charges familiales lourdes et conditions de travail difficiles. Aujourd'hui, leur santé s'effondre. Securex l'affirme d'ailleurs clairement: "Ce n'est pas le travail à temps partiel en soi qui rend malade, mais la somme des contraintes sociales, familiales et économiques qui pèsent sur ces travailleuses". Et pendant que les politiques parlent d'activation, ces femmes, elles, s'épuisent dans des conditions qui ne laissent aucune place à la prévention ni à la récupération.

Monsieur le ministre, quelle analyse faites-vous de cette étude et quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour protéger la santé des travailleurs à temps partiel, particulièrement celle des femmes dans les secteurs les plus précaires? Quand votre gouvernement prendra-t-il enfin au sérieux la question des conditions de travail dans les secteurs essentiels et fera enfin de la santé au travail une véritable priorité de santé publique?

Cela me permet de faire le lien avec ma troisième et dernière question qui concerne la part qu'occupent justement les conditions de travail dans la dégradation de la santé de nombreux travailleurs et de nombreuses travailleuses.

Des données précises à ce sujet nous seraient particulièrement utiles pour identifier des mesures ciblées. Or l'INAMI ne produit pas de statistiques détaillées sur la répartition des malades de longue durée selon les secteurs professionnels voire selon les commissions paritaires. L'INAMI explique cette absence de données par une impossibilité technique de croiser les données issues de l'ONSS avec ses propres données. Pourtant, de telles informations pourraient faciliter le travail des interlocuteurs sociaux relatif à la pénibilité de certaines activités.

Monsieur le ministre, au moment où le gouvernement envisage diverses mesures susceptibles d'affecter le régime des indemnités de maladie, comment peut-on prétendre agir efficacement sans disposer d'un outil qui permet d'évaluer la corrélation entre les conditions de travail et l'incapacité de longue durée? Pourquoi l'INAMI ne produit-il pas à ce jour de statistiques croisées permettant de dégager la distribution des malades de longue durée par secteur ou par commission paritaire? Quelles initiatives concrètes pourriez-vous prendre pour lever les obstacles techniques invoqués par l'INAMI et permettre le partage de données entre l'ONSS et l'INAMI? Envisagez-vous par exemple de confier au Centre de connaissance de l'incapacité de travail de l'INAMI la mission de développer un outil d'analyse de la corrélation entre pénibilité et incapacité de longue durée?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur les chiffres de l'incapacité. Je crois qu'on les a cités des dizaines de fois dans cette commission. Je voudrais rappeler que la première cause de l'incapacité de travail, au-delà de l'âge, est constituée par les troubles musculosquelettiques et les affections du système locomoteur, donc toutes les pathologies liées à la pénibilité et à l'usure physiques. Le gouvernement prépare des mesures pour accélérer le retour au travail et pour responsabiliser tous les acteurs concernés. Je pense que ces ambitions sont nécessaires et les Engagés vous soutiennent pleinement sur cette voie.

Cependant, comme le soulignent beaucoup de services de protection et de prévention au travail, une grande absente demeure: la prévention. La priorité ne devrait-elle pas être d'éviter que tous ces travailleurs ne tombent malades, qu'il s'agisse de charges physiques lourdes, de postures contraignantes mais aussi de burn-out et autres pathologies professionnelles? À cet égard, des pistes existent, comme l'adaptation du régime de travail dans les métiers les plus pénibles, notamment ceux qui exposent à une forte usure physique. Il faut réfléchir aussi à des passerelles préventives avant la maladie pour alléger, parfois temporairement, la charge de travail. Ne peut-on pas réfléchir aux nouvelles technologies, qui peuvent venir aider quelque peu les travailleurs dans des postures physiques difficiles?

Monsieur le ministre, entendez-vous prendre des mesures pour que la prévention occupe vraiment une place centrale dans votre réforme, au-delà du suivi des personnes déjà malades? Le gouvernement est-il prêt à ouvrir le débat sur l’évolution de notre cadre légal afin d’intégrer des pistes innovantes pour essayer d'assouplir certaines contraintes physiques de travail et d'avoir des solutions en ce sens pour les personnes qui souffrent justement de troubles musculosquelettiques, de lombalgie, de cervicalgie, d'ostéophytes, etc. On peut citer énormément de maladies.

Ma deuxième question concerne plutôt la prévention tertiaire, c'est-à-dire tout ce qui concerne le retour au travail. Il faut être conscient qu'aujourd'hui, trois ans après l’entrée en vigueur de l’obligation pour les entreprises d’adopter une politique de réinsertion des malades de longue durée, une enquête récente notamment d'Acerta révèle qu'une entreprise sur quatre n’a toujours pas mis en place de politique de réinsertion, malgré la loi.

Par ailleurs, seulement 12,5 % des entreprises disposent d’une politique structurée, tandis que la majorité n’a qu’une version un peu partielle de ce type de cadre structuré.

Pourtant, les besoins sont immenses: neuf employeurs sur 10 ont déjà eu au moins un collaborateur en incapacité prolongée. Et tous les experts rappellent qu'il faut un travail adapté pour favoriser la guérison et le maintien du lien social.

Souvent, des obstacles sont cités: complexité de la législation, manque de clarté des procédures à l'attention des employeurs pour mener cette politique de réinsertion, manque de moyens pour les petites entreprises, etc. Ces difficultés risquent de freiner la dynamique de réinsertion pourtant souhaitée par notre gouvernement dans son plan d’action fédéral pour la prévention et la réintégration.

Monsieur le ministre, confirmez-vous les chiffres récents et pouvez-vous préciser l’état d’avancement du déploiement de la politique de réintégration des malades de longue durée dans les entreprises? Votre cabinet a-t-il pris des mesures concrètes pour simplifier les procédures et mieux sensibiliser et accompagner les employeurs, notamment les PME où c'est toujours plus compliqué, dans la mise en œuvre de ces politiques? Comment garantir que cette politique reste fidèle à sa vocation première qui est de favoriser la reprise progressive et adaptée des travailleurs, plutôt que de devenir un outil de pression ou d’exclusion? Enfin, comment cette politique s’articule-t-elle avec la réforme plus large de l’incapacité de travail et les objectifs de l’accord de notre gouvernement en matière de participation et de santé au travail?

Ma dernière question concerne l'après retour au travail –dont on ne parle pas très souvent –, c'est-à-dire l'après prévention tertiaire, comme on l'appelle. Une étude récente menée par la KU Leuven et l'assurance AXA révèle que, de manière générale, un travailleur sur quatre qui reprend le travail après un burn-out vivra une rechute. On ne parle pas très souvent des rechutes, alors que le phénomène est important. Cela signifie que le retour au travail ne doit pas être considéré comme une fin en soi, mais comme un processus qui doit se dérouler dans la durée.

Je suis notamment familière avec certaines recherches de l'Université de Gand, en particulier celles du professeur Eva Derous qui travaille sur ce qu'elle appelle un BRM (Burnout Reintegration Monitor). Un rapport de recherche intitulé RE-BOrn et financé par BELSPO allant dans le sens de l'importance de la qualité du retour au travail sera bientôt publié.

Globalement, les dispositifs de réintégration existent, mais leur application demeure souvent trop administrative avec un manque de coordination de tous les acteurs. Les travailleurs eux-mêmes témoignent de retours au travail insuffisamment préparés et peu accompagnés sur le long terme avec la possibilité de rechute.

Monsieur le ministre, comment le gouvernement entend-il renforcer le suivi durable des personnes qui reviennent d'un burn-out pour éviter ces rechutes assez récurrentes? Le futur plan fédéral "Bien-être au travail" prévoit-il des actions spécifiques pour améliorer la collaboration entre les médecins et les acteurs de la prévention et même les acteurs de l'entreprise qui doivent faire le suivi du retour au travail? Quelles initiatives sont envisagées pour soutenir les employeurs et notamment les PME dans l'accompagnement humain et dans la durée de leurs travailleurs fragilisés?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, vanaf januari zullen gedurende 1,5 jaar ongeveer 184.000 mensen hun werkloosheidsuitkering verliezen, omdat ze langer dan twee jaar werkloos zijn. De afgelopen maanden bleek dat een deel van de werklozen die hun uitkering zullen verliezen mensen zijn die niet-toeleidbaar zijn. De VDAB doet tweejaarlijks een screening van de werkzoekenden. Alleen al in Vlaanderen zijn er zo'n 12.000 Vlamingen die niet-toeleidbaar zijn. Daarvan krijgen zo'n 10.000 mensen een werkloosheidsuitkering en zo'n 2.000 mensen een beschermingsuitkering.

Voor de mensen die een beschermingsuitkering ontvangen, is er momenteel nog geen probleem. Voor hen zoekt de federale regering een oplossing. Echter, voor de groep die vanaf 1 januari uit de werkloosheid uitstroomt en die geen bestaansmiddelen meer hebben en die niet-toeleidbaar zijn wegens medische, sociale of psychische problemen, rijzen er wel problemen. Het is belangrijk dat we deze groep niet in de kou laten staan. We moeten ervoor zorgen dat deze mensen worden opgevangen. Een deel zal wellicht voor een ziekte-uitkering in aanmerking komen. Een ander deel zal een erkenning voor een handicap moeten aanvragen. Voor nog anderen is wellicht nog een apart statuut nodig.

U zou samen met minister Clarinval aan een oplossing, een apart statuut, voor die groep werken. De vraag is natuurlijk wanneer die oplossing er dan komt. Het is belangrijk dat we deze mensen niet in de kou laten staan. Dit mag ook geen pingpongspel worden tussen de ministers van de verschillende regeringen.

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar deze groep? Welke oplossing komt er? Komt die er voor 1 januari, want dan zullen de eerste mensen hun werkloosheidsuitkering al verliezen? Voor sommige mensen is er immers geen oplossing. Zij hebben soms zelfs geen recht op een leefloon. Om een leefloon te ontvangen, mag men immers geen partner hebben die voldoende middelen van bestaan heeft.

Deze vragen gingen niet echt over het grote thema van de langdurig zieken, maar mijn volgende vraag gaat daar wel over. U kent ons voorstel met betrekking tot de arbeidsparticipatietoeslag. Hoe staat u daar tegenover? Denkt u dat we dit toch kunnen realiseren?

Er komen nog hoorzittingen met het RIZIV over de enquête over de langdurig zieken. Ik kijk uit naar een debat ten gronde met de experts en de mensen van het RIZIV. Ik wil echter wel al meegeven dat een steekproef ook maar een steekproef is en niet representatief is. We zien ook nog niet alle effecten van de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om langdurig zieken terug aan het werk te helpen. Dat moeten we ook nog afwachten.

Belangrijk is ook dat er interpretatieverschillen kunnen bestaan tussen bijvoorbeeld een arts van het RIZIV en een arts van het ziekenfonds. Het lijkt mij nuttig, mijnheer de minister, om in de toekomst te onderzoeken hoe artsen van ziekenfondsen evalueren. Het zou waardevol zijn om een steekproef te doen van hoe zij een bepaalde ziekte beoordelen en diezelfde groep mensen ook door RIZIV-artsen te laten checken. Op die manier kunnen we vaststellen waar de verschillen en overeenkomsten liggen en hoe voorkomen kan worden dat dezelfde persoon op verschillende manieren wordt beoordeeld, met verschillende uitkomsten voor hetzelfde type ziekte.

Tot slot wil ik u vragen naar het terug-naar-werkfonds en de bijbehorende vouchers. Personen die arbeidsongeschikt zijn of ontslagen wegens medische overmacht kunnen een voucher van 1.800 euro aanvragen om begeleiding richting werk in te kopen. In het verleden heb ik cijfers opgevraagd, waaruit bleek dat deze vouchers tot op heden maar heel weinig worden benut. Tussen 1 april 2024 en augustus 2025 werden amper 154 vouchers uitgereikt. Er wordt dus te weinig gebruikgemaakt van dit instrument, terwijl het een goed middel is om mensen met een ziekte-uitkering terug naar werk te begeleiden.

De organisaties die begeleiding aanbieden, geven aan dat de voorwaarden misschien te streng zijn en vragen om die te verruimen. Waarom moet men bijvoorbeeld wachten tot iemand een jaar invalide is vooraleer men die voucher kan aanvragen? Mensen die drie tot zes maanden ziek zijn, zijn ook al vrij lang ziek. Als ze zich al willen laten begeleiden richting werk, dan zou het toch ook mogelijk moeten zijn die voucher aan te vragen zonder dat toestemming van de werkgever nodig is. Dat houdt momenteel mensen tegen, omdat zij hun begeleiding niet durven te vragen zolang zij nog verbonden zijn aan de werkgever. Mijnheer de minister, ziet u daar ook mogelijkheden? Ik doe deze suggestie en probeer constructief mee te werken met een aantal voorstellen van CD&V.

Voorzitter:

Merci, madame Lanjri. Vous avez un petit peu dépassé votre temps de parole.

Anja Vanrobaeys:

Collega’s, ik hoor hier 'straffen en afpakken'. De excessen, zoals die te zien waren in de reportage van RTL moeten er zonder meer uit. Mijnheer Tonniau, gisteren vond in Aalst de jaarmarkt plaats en deze kwestie was het eerste waar de mensen mij over aanspraken in het Volkshuis. Mensen die dag in, dag uit keihard werken, kwamen mij zeggen dat die excessen eruit moesten, want daarvoor willen ze geen bijdragen betalen. Dat begrijp ik volledig. Er kwamen echter ook poetshulpen mij vertellen dat hun polsen, schouders en knieën kapot zijn en dat ze werken niet meer aankunnen.

Mijnheer de minister, u hebt de werkgevers al deels geresponsabiliseerd en het is goed dat u nu met een totaalplan komt dat iedereen op zijn verantwoordelijkheid wijst. Men houdt het contact met langdurig zieken, zodat die excessen verdwijnen, maar dat plan wijst ook werkgevers op hun verantwoordelijkheid. Negen op de tien dienstenchequebedrijven leven de welzijnswet niet na en moeten nu al boetes betalen. Het is goed dat daarop verder wordt ingezet, opdat het geld van die boetes kan worden gebruikt voor preventie als daarover akkoorden worden gesloten.

Dat totaalplan is een goede zaak, maar wordt er verder over overlegd, bijvoorbeeld met de regio’s in verband met die vouchers? Wordt ook ingezet op het sectoraal overleg, zodat we meer kunnen inzetten op preventie en ook meer op aangepast werk? Dit lijkt mij immers echt wel de sleutel tot succes. Zo kan men stappen vooruitzetten en langdurig zieken kansen bieden. Anders is het morsen met talent.

Voorzitter:

Madame Taton, pourriez-vous présider la réunion pendant mon intervention? Je vous remercie beaucoup.

Présidente: Julie Taton.

Voorzitster: Julie Taton.

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, il s'agit d'un sujet important. Nous savons combien l'accord de gouvernement est résolument volontariste en ce qui concerne le retour progressif au travail des malades de longue durée. La prévention de l'apparition de maladies et de l'absentéisme, l'accompagnement et la réintégration professionnelle constituent autant de volets qui figurent clairement dans l'accord de gouvernement. Par conséquent, il serait intéressant de vous entendre vous exprimer quant à votre volonté dans ce dossier.

Certains collègues ont fait allusion à un reportage qui fut diffusé sur RTL-TVI la semaine dernière. La fraude sociale existe, bien entendu, et il ne faut pas faire comme si elle était inexistante ni s'excuser d'en parler quand on traite la question des malades de longue durée. Il s'agit donc de la traiter et de voir si vous allez pouvoir renforcer vos services au sein de l'INAMI, avec la collaboration de votre collègue en charge de la fraude sociale. Quarante personnes travaillent au Service du contrôle administratif (SCA). Le Service d'évaluation et de contrôle médicaux (SECM) compte 250 membres pour une masse de malades de longue durée qui s'élève à 526 000 personnes (11,2 % de la population active). En France et en Allemagne, le taux atteint 7 %. Nous sommes donc parmi les premiers dans l'Union européenne en ce domaine. Cela signifie-t-il que le supplément est uniquement constitué de fraudeurs? Non, bien entendu. Sans intention de caricaturer d'un côté comme de l'autre, il s'agit de développer une politique qui est prévue dans l'accord de gouvernement. Parce que vous êtes ministre de la Santé et responsable du département de l'INAMI, mais également vice-premier ministre, je vous demanderai de nous en dire également un mot. Cela me semble bien venu. Nous pouvons parler de la fraude sociale sans, chaque fois, nous excuser de le faire.

C'est une réalité. Nous pouvons en parler sans faire de caricature. Simplement, il s'agit d'un objectif que nous devons atteindre parce qu'il nous est assigné par l'accord de gouvernement.

Je vous remercie, par avance, de nous en dire un mot.

La présidente : Merci beaucoup, monsieur Ducarme.

M. le ministre va à présent nous répondre.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, er waren heel veel interessante vragen. Om tijd te winnen zal ik een document met allerlei statistische gegevens bezorgen aan het secretariaat. U zult daarin heel wat antwoorden vinden met betrekking tot de cijfers waarnaar u hebt gevraagd. Ik zal ook nogmaals het rapport van het RIZIV over de thematische controles bezorgen, waarin u ook heel veel antwoorden vindt op vragen die werden gesteld. Ik doe dat omdat ik mij hier graag wil concentreren op de kern van de zaak, namelijk dat het gaat over solidariteit.

Uitkeringen voor ziekte en invaliditeit zijn gebaseerd op solidariteit met mensen die getroffen zijn door ziekte, die niet meer kunnen werken en die een uitkering – liefst een fatsoenlijke – nodig hebben om van te leven; op solidariteit met mensen voor wie er wel nog mogelijkheden zijn om opnieuw aan het werk gaan, misschien via aangepast werk, maar die daarbij hulp en ondersteuning nodig hebben. Die solidariteit is een heel kostbaar goed. We moeten daar dus heel zorgvuldig mee omspringen. Die zorgvuldigheid is een verantwoordelijkheid van heel veel verschillende mensen, een verantwoordelijkheid die men moet samenvatten als 'samen verantwoordelijk en aldus solidair'.

Ik heb vorige vrijdag inderdaad een lezing gegeven in Oxford, waarin ik dat wat heb uitgewerkt en waarin ik heb gezegd dat solidariteit niet zonder verantwoordelijkheid kan. Het gaat over coresponsabiliteit, in dit geval van de ziekenfondsen, de artsen, de werkgevers, de VDAB, Actiris, de Forem en de mensen zelf.

De documentaire van Christophe Deborsu waarnaar werd verwezen, of ze nu statistisch representatief is of niet is niet van belang, toont helaas wat er gebeurt als die gezamenlijke verantwoordelijkheid er niet is. Als de ziekenfondsen, noch de behandelende artsen, noch de werkgevers, noch de mensen zelf doen wat men zou mogen verwachten, dan krijgt men dat resultaat. Het resultaat is dat mensen worden losgelaten, gemarginaliseerd geraken, armoedig en triestig leven en daar niet meer uit geraken. Dat is een probleem van een systeem dat niet goed werkt en dat grondig moet worden hervormd.

Ik wil dus herhalen wat hier al gezegd is. Heel veel mensen ontvangen een uitkering omdat ze ernstig ziek zijn. Ze kunnen niet terug aan het werk, of toch niet onmiddellijk. Laat ons goed voor die mensen zorgen. Het probleem is dat het systeem mensen jarenlang loslaat zonder enige opvolging. Daardoor ontstaan situaties waarin mensen zich daarin nestelen en er volledig afhankelijk van worden.

Er is ongetwijfeld ook sprake van regelrecht misbruik en fraude. In heel andere domeinen, zoals fiscaliteit, bestaat er ook fraude; zo worden sommige managementvennootschappen oneigenlijk gebruikt en misbruikt.

Ik ben tegen sociale fraude en tegen fiscale fraude. Ik ben voor echte solidariteit en een rechtvaardige fiscaliteit. Dat is de inzet.

Ik wil even terugkomen op de zogenaamde thematische controles van het RIZIV.

De bedoeling ervan was niet een representatieve steekproef te zijn voor de hele groep mensen met een uitkering. Dat wordt ook duidelijk uitgelegd in de nota die u nogmaals ontvangt. Het RIZIV heeft, op mijn vraag, gekeken naar een groep waarvan men op voorhand al kon vermoeden dat het niet normaal is dat die mensen tot aan hun pensioen in invaliditeit zijn. Het gaat om mensen jonger dan 60 jaar die niet aan een ziekte lijden waarvan het normaal is dat ze tot het einde van hun loopbaan niet meer kunnen werken. Men heeft dus andere mensen onderzocht, bij wie het vreemd is dat ze tot hun pensioen als invalide waren erkend. Ook werden mensen onderzocht die jonger zijn, al twee jaar afwezig zijn en nog geen engagementsverklaring hadden ondertekend. Dat is eveneens bijzonder. Die groepen zijn dus onderzocht en er heeft een thematische controle plaatsgevonden, waarbij men vaststelde dat de ene mutualiteit andere resultaten behaalde dan de andere. Het betreft echter geen steekproef die representatief is voor de hele groep, en dat mag ook niet in die zin worden misbruikt. Toch toont het opnieuw aan dat, wanneer er geen opvolging is, er helaas mensen zijn die zich installeren of geïnstalleerd raken in een situatie die niet goed is Opvolging is dus noodzakelijk.

Mevrouw De Knop, ik weet niet waar u dat cijfer van +55 % vandaan haalt. Ik denk niet dat dat klopt, maar dat is niet zo belangrijk. Het is wel van belang dat die groep stijgt, en als we niet ingrijpen, zal die groep sterk blijven toenemen.

Dat is evident want de pensioenleeftijd verhoogt. De pensioenleeftijd stijgt dit jaar met één jaar en zal in 2030 nog eens met één jaar stijgen. Als we niet opletten komen veel mensen in plaats van in vervroegd pensioen of pensioen terecht in langdurige ziekte. Sommigen waren misschien al in langdurige ziekte. Dat heeft te maken met een strenger beleid inzake werkloosheid en uittredingssystemen, zoals werkloosheid met bedrijfstoeslag. Dat verklaart heel veel, maar niet alles. Er spelen ook mentale gezondheidsproblemen en problemen met arbeidsomstandigheden.

Collega’s, er is dus een zeer grondige hervorming nodig, zowel op het vlak van preventie – men heeft gelijk als men dat hier zegt – als re-integratie van mensen die langdurig ziek zijn. We moeten die mensen helpen om opnieuw aan de slag te gaan.

Wanneer ik zeg dat een grondige hervorming nodig is, dan wil ik, in tegenstelling tot wat de heer Van Lysebettens en mevrouw Samyn suggereren, niet pleiten voor een etatisering – vergeef mij de wat zware uitdrukking – of verstaatsing van het systeem. Men zou kunnen zeggen: we halen de adviserend artsen weg bij de mutualiteiten, en we brengen ze onder in een ministerie en dat ministerie zal dan alles controleren. Zulke voorstellen bestaan, maar ik ben daar geen voorstander van. Ik ben geen etatist. Bovendien, als we dat zouden doen zijn we vier jaar bezig met hervormen zonder iets te bereiken. Een onafhankelijke laag, zoals mevrouw Samyn het noemt, een nieuwe instelling creëren – neen, neen, neen... Laat ons proberen met de instellingen die er al zijn te werken en die instellingen hun verantwoordelijkheid te laten opnemen en aan te scherpen. Dat is de inzet.

Inderdaad, zoals mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Samyn en anderen aangaven, laat ons overleg organiseren en iedereen verantwoordelijk stellen, ook de deelstaten, de VDAB in Vlaanderen, de werkgevers. Daarnaast moeten we duidelijkheid scheppen over wat we verwachten van de behandelende arts van iemand die langdurig ziek is. Ook die arts moet nadenken over wat de mogelijkheden zijn om terug aan het werk te gaan.

Ik ben daarom van plan een rondetafel te organiseren met alle betrokken partijen: bedrijfsartsen, adviserend artsen van de ziekenfondsen, behandelende artsen, werkgevers, mutualiteiten, vakbonden, de ministers van de deelstaten, de VDAB, Actiris en de Forem. Iedereen moet zijn deel van de verantwoordelijkheid nemen en we moeten de neuzen in dezelfde richting krijgen. Dat is essentieel.

Men heeft mij gevraagd wat de resultaten tot nu toe zijn. Ik verwijs naar de cijfers die ik zal ronddelen. Ik denk dat we al enkele gunstige effecten zien van de eerste en tweede golf die ik gelanceerd heb.

Ik wil toch iets herhalen. Mevrouw De Knop of de heer Van Lysebettens heeft gezegd dat ik een beleid zou hebben gecreëerd waarbij mensen tot aan hun pensioen in invaliditeit worden geplaatst. Dat is een misverstand, mijnheer Van Lysebettens. Ik was stomverbaasd toen ik vaststelde dat dat op die schaal gebeurde.

Het fenomeen waarbij mensen tot aan hun pensioen op invaliditeit worden gezet, is beginnen groeien onder de Zweedse regering en is vervolgens verder toegenomen tijdens de coronaperiode. Ik was daarover zo verbaasd en verontwaardigd dat ik heb beslist – die beslissing is al in uitvoering – dat mensen in principe nooit tot aan hun pensioen een erkenning in invaliditeit kunnen krijgen. In principe nooit. Een erkenning kan gelden voor een jaar, twee jaar of vijf jaar, maar niet langer, tenzij het gaat om zeer ernstige ziekten waarbij men op voorhand weet dat betrokkene nooit meer zal kunnen terugkeren naar werk. Behalve die uitzonderingen hebben we voor nieuwe instromers dat principe eigenlijk al afgeschaft. Helaas bevindt een zeer grote groep zich nog in dat oude systeem. Dat is een slechte erfenis uit het verleden. Een zeer grote groep zit erin, en dus moeten we daarmee aan de slag.

Hebben we voorlopig resultaten? Ja. Ik geef één cijfer. Louter met de eerste en tweede golf van maatregelen op de achtergrond zijn 14.000 mensen in 2024 in een traject van VDAB, Actiris of de Forem gestapt, met een uitkering als langdurig zieke. Dat cijfer stijgt, en ik hoop dat het dit jaar nog hoger zal zijn.

Het gebrek aan succes van het Terug-naar-werkfonds en de vouchers voor private bemiddelaars – inderdaad, een eclatant gebrek aan succes – staat gelukkig naast een zeer hoog cijfer bij de publieke bemiddelaars. Waar ligt dat gebrek aan succes bij de vouchers aan? Wellicht, mevrouw Lanjri, hebt u gelijk te stellen dat die vouchers te eng of te weinig omschreven zijn. Ik denk evenwel ook dat de druk om naar oplossingen te zoeken onvoldoende hoog is, en dat we iedereen in het systeem – behandelende artsen, bedrijfsartsen, maar ook de mensen zelf – sterker moeten aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid. Zij moeten zich afvragen wat ze kunnen doen, welke uitwegen er zijn, welke mogelijkheden ze nog hebben.

De derde golf, daar wil ik toch iets over zeggen; die vormt immers een antwoord, collega's, op veel van de vragen die hier zijn gesteld.

Zeer kort samengevat behelst de derde golf maatregelen die zijn opgenomen in het regeerakkoord van Arizona en nu vervat zitten in één groot wetsontwerp, waarvan ik hoop dat het vrijdag in derde lezing door de ministerraad wordt goedgekeurd. Daarnaast is er ook nog een belendend wetsontwerp.

Wat is de bedoeling van die derde golf?

De bedoeling is dat er veel meer samen wordt opgetreden, de zogenaamde coresponsabiliteit. De adviserend arts én de bedrijfsarts én de behandelende artsen moeten samen optreden, in trio. Dat gaan we ondersteunen.

Er moet ook sneller worden opgetreden. We willen iedereen op een scherpere manier voor zijn verantwoordelijkheid plaatsen. Als een werknemer niet ingaat op een uitnodiging van een bedrijfsarts, dan zal hij dat voelen, want als we willen helpen moet men zich ook willen laten helpen. Als een werknemer het dus niet de moeite vindt om in te gaan op een uitnodiging van een bedrijfsarts, dan hangt daar een sanctie aan vast. Een serieuze sanctie, als u het mij vraagt. Hetzelfde geldt voor iemand die het niet de moeite vindt om in te gaan op de uitnodiging van een adviserend arts. Dat zit allemaal vervat in die derde golf.

Ook een scherpere – financiële – verantwoordelijkheid voor de werkgevers zit daarin vervat, aangezien de werkgevers ook voor de tweede en derde maand afwezigheid na het gewaarborgd loon zullen moeten betalen. Ze zullen niet langer dan zes maanden mogen wachten om een alternatief aan te bieden aan een werknemer die nog kansen heeft om terug aan het werk te gaan.

Kortom, scherpere verantwoordelijkheid voor iedereen, samen in actie en sneller in actie. Dat is de essentie van die derde golf.

Mevrouw Samyn, u hebt gelijk, de dingen moeten inderdaad eenvoudiger. U hebt het woord 'afstemmen' gebruikt. Ik wil dat ook, en ik wil ook een rondetafel organiseren om de neuzen in dezelfde richting te krijgen.

In de schoot van de regering heb ik een nota van 65 pagina's neergelegd met het oog op een vierde golf. Ik denk dat die nodig is. Ik voeg er wel aan toe dat die nota nog niet is goedgekeurd door de ministerraad, en dat het wat bizar is om zulke nota's te bespreken in het Parlement, maar bon, die nota is al uitgelekt in de pers. Ik denk dat een vierde golf echt nodig is, met name voor de mensen die lang afwezig zijn. Maar ik zal dat enkel kunnen afwerken als er binnen de regering bij de begrotingsopmaak een globaal en solidair evenwicht is, op alle fronten.

Wat zit daarin? We willen opnieuw meer inzetten op preventie. Die vierde golf voorziet in een investering in eerstelijns psychologische ondersteuning. We hebben gemerkt dat die eerstelijns psychologische ondersteuning een gunstig effect sorteert op ziekteverzuim; dat is gebleken uit een studie van Ronny Bruffaerts. Wat moeten dat versterken en de eerstelijns psychologen mee betrekken bij de oplossing om mensen die uitgevallen zijn geheel of gedeeltelijk opnieuw aan het werk te krijgen.

In mijn voorstel zit een screening, niet van 100.000 mensen – dat is hier een paar keer gezegd –, maar van 218.000 mensen. Dit is wat ik voorstel: tussen nu en het einde van de legislatuur 218.000 mensen in langdurige afwezigheid opnieuw evalueren.

Ten derde, het principe dat men nooit langer dan een jaar een invaliditeitserkenning kan hebben. Na een jaar moet men opnieuw geëvalueerd worden door de behandelende arts. Na een jaar moet opnieuw een aanvraag worden ingediend.

Ik wil even terugkomen op iets wat de heer Van Lysbettens gezegd heeft. Mijnheer Van Lysbettens, controle en een helpende hand, het ene gaat niet zonder het andere. Als we niet controleren, dan krijgen we wat te zien was in de uitzending van de heer Deborsu. Dat is triestig, ook voor de mensen zelf. Dus we moeten op tijd en stond evalueren en controleren. Maar als we controleren moeten we ook hulp aanbieden. We kunnen echter geen hulp aanbieden aan mensen als we hun toestand niet evalueren en controleren. Laat ons dus geen valse debatten voeren. Dit zijn gewoon twee kanten van dezelfde medaille: evalueren, controleren, hulp aanbieden. Dat moeten we veel systematischer doen.

Men vroeg mij naar de cijfers. Nogmaals, collega's, dit is eigenlijk nog niet afgesproken binnen de regering, maar ik zal een paar cijfers geven. Wat ik heb voorgesteld is in de eerste plaats een gezondheidsplan, maar het is ook goed voor de gezondheid van de sociale zekerheid, ook financieel. Tegen het jaar 2029 komen we uit op een nettowinst voor de financiële gezondheid van de sociale zekerheid van 1,8 miljard euro, en dat groeit tot 2,2 miljard euro nettowinst in 2030. Daarin nemen we mee dat de hervorming van het invaliditeitspensioen van ambtenaren een afgeleide kost meebrengt voor de ziekteverzekering van 133 miljoen in 2029 en 183 miljoen in 2030. Als u echt het brutocijfer wilt weten, dan moet u dat optellen bij die 1,8 en die 2,2 miljoen.

In die getallen zit inderdaad ook een financiële bijdrage van de werkgevers. Ik wil die echter niet in de schatkist houden. Voor mij mag die terugvloeien naar de werkgevers. Ik ben voor een bonus-malus: wie het goed doet betaalt minder sociale lasten, wie het slecht doet betaalt meer sociale lasten. Vandaar dat ik heb voorgesteld in de regering om werkgevers iets meer te laten betalen, maar de opbrengst daarvan te recycleren en terug te geven aan de werkgevers. Dan krijg je een bonus-malus en daar ben ik voor.

Dat gaat over redelijk wat geld, 311 miljoen in 2029 en 320 miljoen in 2030. Die cijferdans bevat heel grote bedragen, dat zijn de brutocijfers van mijn plan. De nettocijfers, waarbij de werkgevers de bonus-malus gerecycleerd krijgen in een lastenvermindering, en waarbij we ook de hervorming van het invaliditeitspensioen dekken, bedragen 1,8 miljard tegen 2029 en 2,2 miljard tegen 2030.

Maar het gaat niet alleen om de financiële gezondheid van de sociale zekerheid, het gaat om de gezondheid van de mensen. Terug aan het werk kunnen gaan is voor vele mensen een onderdeel van hun herstel. Ook mensen met ernstige psychische aandoeningen. Ik kan dat niet genoeg herhalen. Ik heb gesproken met mensen die lijden aan een zware depressie en toch terug aan het werk konden gaan. Was die depressie helemaal weg? Nee, dat gaat soms een leven lang niet weg. Ik heb ook gesproken met mensen die chronische pijn lijden of aandoeningen hebben in de sfeer van psychoses. Dat is afzien, dat is lijden. Dat gaat soms een leven lang niet weg. Toch kan men nog kansen krijgen om terug aan het werk te gaan. Het is beter aan het werk te zijn dan thuis te zitten met chronische pijn. Dat is de solidariteit die we nodig hebben. Natuurlijk zullen er altijd mensen zijn die gewoon niet terug aan het werk kunnen gaan.

Collega's, mevrouw Lanjri heeft een heel belangrijk en gevoelig punt aangeraakt, met name de niet-toeleidbaren – een beetje een lelijk woord. Dat is, mevrouw Lanjri, nog niet helemaal uitgeklaard in de regering, maar ik wens absoluut dat we daar een oplossing voor vinden. We proberen daar ook vooruitgang te boeken met mijn collega Rob Beenders, die verantwoordelijk is voor personen met een handicap.

Wat betreft de arbeidsparticipatietoeslag, ja, die zit in mijn plannen. Dat is wel wat controversieel. Ik vind dat goed. Het idee komt trouwens ook een beetje van mij. Cd&v vindt het ook heel belangrijk, we zijn hierin bondgenoten. We moeten er wel voor zorgen dat het niet ontspoort. Ik zou dat meer als een pilootproject willen invoeren dat we goed bewaken, dan dat het ontspoort.

Madame Désir, il serait extrêmement intéressant de pouvoir croiser les données de l'INAMI et celles de l'ONSS, qui fournissent de l'information sur les secteurs desquels les gens qui sont en maladie proviennent. Des échanges sont maintenant organisés entre ces deux administrations en la matière. Je ne peux pas vous dire avec certitude quand ce projet aboutira, car c'est encore fort compliqué, mais nous sommes en train d'en discuter.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Geachte Kamerleden, daarmee heb ik de belangrijkste punten aangeraakt. Solidariteit en verantwoordelijkheid zijn twee kanten van dezelfde medaille. Iedereen moet mee in het bad en iedereen moet mee verantwoordelijk zijn. We mogen de hete aardappel niet naar elkaar doorschuiven. Dat is de enige manier om een zeer grondige hervorming, die nodig is in het belang van de mensen, tot een goed einde te brengen.

Voorzitter:

Je propose deux minutes de réplique par intervenant pour ce débat d'actualité.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de voorzitter, in de beperking kent zich de meester.

Mijnheer de minister, ik ben blij te horen dat u kijkt naar een globaal beleid met alle actoren, in tegenstelling tot sommige leden van de meerderheid die er een sport van maken om individuele cases te verheffen tot beleid. Dat laatste is net het tegenovergestelde van wat we moeten doen. We moeten kijken naar een vorm van systeemdenken dat mogelijk wel vruchten kan afwerpen.

Daartegenover vind ik het wrang dat ook u toegeeft dat de hervormingen op de arbeidsmarkt dreigen te leiden tot meer zieke mensen.

Nu kom ik tot de punctuele punten waarover u mij hebt aangesproken.

Een onafhankelijke laag hoeft voor mij geen aparte laag te zijn. Het kan ook gaan om het versterken van de controleartsen bij de mutualiteiten. Het punt is vooral dat de huisartsen vandaag al met enorme administratieve lasten kampen, waardoor zij die extra controle gewoon niet zullen kunnen bolwerken. Als we daar geen oplossing voor vinden, zullen we hier over twee of drie jaar opnieuw moeten bespreken waarom sommige huisartsen dat pro forma invullen of waarom dat door artificiële intelligentie wordt afgehandeld. Ik pleit er dus voor om daarvoor zeker de nodige middelen uit te trekken om dat mogelijk te maken waar nodig.

Een groot aantal mensen is op ziekte gezet, maar het punt is dat die mensen daar zelf niet verantwoordelijk voor zijn. Dat was een beleidskeuze, hetzij van u, hetzij van een andere minister, maar op zich maakt dat weinig verschil. Er worden vandaag maatregelen genomen waardoor zieke mensen een aantal van hun rechten dreigen kwijt te spelen zonder dat ze daarvoor zelf verantwoordelijk zijn. Daarvoor moet een oplossing worden gevonden.

Ten slotte, u hebt het over straffen en afpakken, maar de maatregelen die u noemt, zijn dat natuurlijk wel. Ik ben het helemaal met u eens dat zulke maatregelen nodig zijn maar er zijn, zoals u zelf aangeeft, ook andere maatregelen nodig om mensen naar werkbaar werk te begeleiden. Daarover blijft het echter stil.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, mijn excuses omdat ik niet uw gehele antwoord heb kunnen volgen.

Ik wil even op de communautaire cijfers ingaan. U hebt me geantwoord op een vraag over de langdurig zieken. We stellen vast dat er een grote communautaire scheeftrekking is, want procentueel zijn er beduidend meer langdurig zieken in Wallonië dan in Vlaanderen. Dat sluit aan bij de bredere problematiek van de lage werkzaamheidsgraad in Franstalig België, wat ook bleek in de recente reportage van Christophe Deborsu.

Het Vlaams Belang pleit voor een activeringsbeleid dat vertrekt vanuit mogelijkheden en niet louter vanuit beperkingen. Dat beleid moet focussen op wat mensen nog kunnen, in plaats van hen te reduceren tot hun ziekte of beperking. U had het daarnet over solidariteit en verantwoordelijkheid. We zijn het er volledig mee eens dat de hete aardappel niet mag worden doorgeschoven. Dat betekent echter ook dat er een gezamenlijk beleid moet zijn, waarbij de regio’s worden betrokken. Daarbij kan ook via de werkgever worden geëvalueerd wat de betrokken persoon nog kan doen, voor welke taken hij geschikt is en of aangepast werk haalbaar is.

In uw antwoord zegt u dat er ook aandacht moet zijn voor mensen die echt ziek zijn, bijvoorbeeld mensen die langdurig met psychische problemen kampen, zoals burn-out en depressie. Die mensen verdienen een degelijke begeleiding en verdienen het niet om gestigmatiseerd te worden.

Belangrijk is ook dat een zieke die opnieuw aan de slag gaat, er financieel op vooruitgaat ten opzichte van zijn uitkering. Werken moet lonen. Het is onaanvaardbaar dat iemand die het werk hervat, al dan niet deeltijds, er financieel op achteruitgaat.

Ik wil ook kort ingaan op het tekort aan controleartsen. Dat is een bekend probleem. Ik hoop dat daaraan gewerkt wordt en dat er voldoende controleartsen ter beschikking zijn. Alles staat of valt immers met een systeem waarin voldoende controle mogelijk is. Het huidig tekort zorgt voor een hoge werkdruk bij de controleartsen zelf en voor ongelijkheid.

Mijnheer de minister, we hebben niet zozeer nood aan een sanctiebeleid, maar wel aan een mensgericht activeringsbeleid dat langdurig zieken perspectief biedt, artsen versterkt en de communautaire verschillen eerlijk benoemt in plaats van ze te verdoezelen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord, weliswaar een zeer politiek antwoord met weinig technische aspecten.

We hebben mensen in een vergeetput gestoken. Dat is naar mijn oordeel zowel een collectieve als een individuele verantwoordelijkheid.

De verhalen over olifanten, Jacquelines, praatjes in het volkshuis, schouders en ruggen blijven wat ze zijn: verhaaltjes. Die verhaaltjes en die feiten doen het zo goed omdat het beleid ontbreekt. U spreekt over communicerende vaten tussen de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en ziekte, maar daarmee bevestigt u net de mogelijke fraude en het gebrek aan een sluitend systeem.

U pakt uit met een zogenaamd totaalplan. Ik begrijp dat u zoekt naar communicatielijnen, maar in de feiten erkent u dat het systeem van de re-integratie van langdurig zieken faalt. Als het systeem faalt, mijnheer de minister, dan faalt uw beleid. Hoe meer woorden u gebruikt om dat duidelijk te maken, hoe duidelijker het voor mij wordt dat u rondjes draait.

De cijfers tonen dat aan: het aandeel langdurig zieken is sinds 2020 met 55 % gestegen. Dat gebeurde onder uw beleid. Dat komt omdat het totaalplan, zowel dat van vroeger als dat van nu, te versnipperd is. U zegt dat iedereen verantwoordelijkheid draagt, maar ik zeg dat het niet werkt als iedereen bevoegd is en niemand verantwoordelijk. Niemand voelt zich de eindverantwoordelijke.

Ja, de ambitie moet zijn om meer mensen aan het werk te krijgen, zodat werken kan lonen. Wij zijn het dan ook niet eens met het feit dat u nog meer de werkgevers en de artsen viseert zonder dat het huis op orde staat. Daarmee schuift u de politieke verantwoordelijkheid van u af.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw politiek antwoord en kijk uit naar uw document vol techniciteiten.

Ik ben blij dat u hebt benadrukt dat de RIZIV-steekproef geen steekproef was, maar wel degelijk een controle en dat die controle niet mag worden misbruikt. Dat is echter wel gebeurd. Die steekproef werd uitgevoerd in april en vlak voor de fameuze eerste begrotingsbesprekingen in de pers gelekt. Die RIZIV-controle werd dus misbruikt, wat bijzonder jammer is.

Mijnheer Ronse, ik wil me ook tot u richten. U hebt gelijk als u zegt dat het systeem rot is. Het is zoals een vis, die rot aan de kop. Jullie zijn de kop, want jullie hebben onder de Zweedse regering een taxshift ingevoerd die niet gefinancierd was, waardoor we vandaag in onze sociale zekerheid met een gat van 8 miljard zitten. Daartegen zijn op 14 oktober 140.000 arbeiders en bedienden op straat gekomen. Dat was een betoging van werkende mensen, niet van zieken. Werkende mensen kwamen op straat, omdat ze vandaag nog aan de slag en in goede gezondheid zijn, maar beseffen dat zij binnen vijf of tien jaar misschien aan de beurt zijn. Ze zien hun collega's immers een na een uitvallen door werkstress of door moeilijke werkomstandigheden.

We kunnen nu al voorspellen dat er in 2026 ongeveer 15.000 langdurig zieken bij zullen komen. Ik durf dat nu al te schatten. De reden is dat de pensioenleeftijd wordt opgetrokken. Het is heel eenvoudig. Brugpensioen afschaffen, landingsbanen moeilijk maken en de pensioenleeftijd optrekken is gelijk aan meer langdurig zieken.

Sofie Merckx:

Tout d'abord, monsieur le ministre, merci d'avoir été clair sur l'échantillon de l'INAMI. Ce n'est pas du tout un échantillon représentatif. Non, c'était un travail de contrôle d'un groupe qui était un peu bizarre, comme vous le dites. Et je crois que c'est important de le dire. Je crois qu'il est important aussi pour certains collègues d'arrêter de tout le temps répéter les mêmes choses. Oui, la fraude doit être combattue; mais non, tous les malades de longue durée ne sont pas des fraudeurs. C'est aussi un message qu'il faut faire passer. Vous êtes ministre de la Santé et nous attendons de vous que vous fassiez passer ce message. Quand vous êtes applaudi tout le temps par la N-VA, il faut peut-être vous poser des questions.

Je retiens quand même de votre plan de 2,2 milliards, ou même un peu plus, que seulement 10 % de l'effort est demandé aux entreprises, et même un peu moins, et que 90 % de l'effort est demandé aux malades. Vous hochez non de la tête. Vous aurez l'occasion, bien sûr, de vous expliquer, mais je crois que c'est fondamentalement injuste dans votre calcul.

J'ai encore été contactée par une dame de 59 ans. Elle travaille depuis 20 ans dans le nettoyage. C'est un secteur qui compte presque 10 % de malades de longue durée. Elle tombe malade. Elle est rappelée par le médecin du travail. Elle se dit: "Ça y est, ils vont me proposer un poste adapté." Qu'est-ce qu'elle a reçu? Un C4, à quelques années de sa pension. Un C4, c'est tout ce qu'elle a reçu. Le problème est là aussi.

Les conditions de travail rendent les gens malades.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Merckx, uw 10 % is even vreemd en verkeerd als de 55 % van mevrouw De Knop, waar ik geen touw aan kan vastknopen. Ik weet niet hoe u dat berekend hebt, maar uw 10 % is heel vreemd.

Wanneer werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen en meer doen om te voorkomen dat mensen ziek worden, en sneller ingrijpen om mensen te helpen en hen alternatieven te bieden, dan valt de besparing natuurlijk bij de sociale zekerheid. Als we aan werkgevers zeggen dat ze nu verdomme eindelijk eens doen wat ze moeten doen, dan hoeven ze daarvoor geen geld uit hun kas halen. Ze moeten actie ondernemen. De besparing die dat oplevert, het gros van het effect, ligt natuurlijk bij de sociale zekerheid. Het is niet de bedoeling dat werkgevers geld uit hun kas halen, wel dat ze iets dóen. Om duidelijk te maken dat ze iets moeten doen, aangezien louter preken niet volstaat, stel ik een bonus-malussysteem voor: een malus voor wie het niet goed doet als werkgever, een bonus voor wie het wel goed doet. De vrucht van dat verhaal, eigenlijk de volle honderd procent, zit natuurlijk in de vermindering van uitkeringen, meer mensen aan het werk en winst voor de sociale zekerheid. Ons plan zal dus altijd, altijd een plan zijn van winst voor de sociale zekerheid.

Uw vergelijking van die 10 tegenover 90 is echt, excuseer, à côté de la plaque , hoor.

Voorzitter:

Madame De Knop, avez-vous un goût de trop peu?

Irina De Knop:

Oui, j'ai encore droit à la réplique.

Voorzitter:

Ce n'est pas vous qui présidez. Voulez-vous intervenir sur ce sujet en particulier?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, inzake die 55 % heb ik daarstraks over het aantal zieken gesproken, maar het ging eigenlijk over een stijging van de daarbij horende kosten met 55 %.

Frank Vandenbroucke:

De kosten? Er is ook nog een klein beetje inflatie geweest. (…) U moet zich echt corrigeren in het vervolg.

Sofie Merckx:

Je retiens mon chiffre de 10 % de plus de 2 milliards que vous allez demander aux employeurs. Je crois qu’il y a d’autres pistes, qui donnent encore plus de responsabilité aux employeurs.

Cette idée est une bonne chose; mais pourquoi ne pas aller vers un système comme aux Pays-Bas, par exemple, où les employeurs doivent continuer à payer leurs malades de longue durée? On pourrait aller beaucoup plus loin là-dedans. Vous verrez qu’ils réintègreront les malades. C’est comme avec les accidents de travail. On trouve toujours des postes adaptés pour les gens en accident de travail, mais pas pour les malades de longue durée. Pourquoi? Parce que les primes augmentent s’ils ne le font pas.

On parle de s’attaquer à la fraude. Je voudrais aussi que nous comptions le nombre d’heures que nous consacrons à parler ici de la fraude des malades, de la fraude des chômeurs, par rapport à la fraude fiscale, par exemple. Trente milliards par an de fraude fiscale. De cela, nous ne parlons presque jamais. Nous regardons ici uniquement d’un côté.

C’est la même chose concernant M. Reynders, par exemple. C’est vraiment une affaire de fraude énorme, une affaire criminelle de blanchiment d’argent. Nous sommes presque le seul parti ici à en parler, à demander une commission d'enquête pour savoir comment une telle fraude a pu avoir lieu. Il est temps de faire cela, et aussi d’avoir du respect pour les malades.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, uw analyse is zeer boeiend. Met een aantal zaken ben ik het eens, met andere niet.

Vooreerst is het opgezette systeem goed qua intentie, maar het is zo lek als een zeef. Mensen worden soms ten onrechte lang ziek geschreven. Die poort moet aangepakt worden. Ten tweede kijkt men bij een langdurig zieke enkel naar wat die persoon van job deed, maar niet naar welke andere job die zou kunnen doen, eventueel zelfs bij een andere werkgever. Een ander probleem in dat systeem is dat voor iemand in langdurige ziekte de drempel om terug te gaan werken hoog is en de angst om de uitkering te verliezen groot. Via terug-naar-werktrajecten zou men een en ander kunnen oplossen.

Het is goed dat u aangeeft dat u 218.000 mensen opnieuw zult controleren. Ik vind dat positief. Dat is lovenswaardig en zal het systeem opnieuw scherp zetten. Waar ik het niet mee eens ben, is het optimisme rond de 14.000 trajecten bij de VDAB. De uitstroom daar is bijzonder pover, omdat er geen stok achter de deur is, geen middel om medewerking te vragen. Daarnaast moet men een vergelijking met terug-naar-werktrajecten maken. De VDAB ontvangt ongeveer 4.000 euro per traject, terwijl terug-naar-werkspelers 1.800 euro per traject krijgen. Dat schept een oneerlijke concurrentie. Ik denk dat we dat systeem grondig moeten herbekijken.

Werkgevers moet men inderdaad responsabiliseren. Dat moet genuanceerd bekeken worden. We moeten opletten dat we niet in een samenleving terechtkomen waar werkgevers een aversie voor het risico van mensen met een ziekteprofiel ontwikkelen. Bovendien mag een werkgever niet één op één verantwoordelijk worden gesteld voor de ziekte van een werknemer. Een werkgever heeft immers niets te maken met het feit dat iemand om vreselijke redenen kanker krijgt.

In ieder geval denk ik dat we het erover eens zijn dat die werf van de regering de allergrootste en belangrijkste uitdaging is. Het is een tanker die moeilijk te keren zal zijn. We moeten op alle fronten werken: mutualiteiten, werkgevers, werknemers met een stok achter de deur en artsen. Grosso modo zit uw plan goed. The devil is in the details maar ook in the execution . Wij zullen u daar in ieder geval met veel passie en overtuiging in bijstaan.

Julie Taton:

Monsieur le président, je voulais préciser qu'on n'est pas là pour faire la chasse aux malades, mais pour faire la chasse aux abus. On ne va donc certainement pas pénaliser les gens qui ne peuvent pas travailler pour des raisons médicales. Quand on est malade, on doit bien sûr prendre le temps de se soigner, de penser à soi, c'est de la solidarité et ça doit être une évidence même. On parle de solidarité, mais on doit aussi parler de responsabilité et, comme M. le ministre l'a dit, de co-responsabilité. Donc, il y a beaucoup de travail.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre pour votre longue intervention.

On vous a entendu défendre la solidarité et la responsabilité. Bien sûr, nous défendons également cette solidarité et personne ne souhaite encourager ou soutenir la fraude sociale. Mais, bien sûr aussi, l'augmentation incessante du nombre de malades de longue durée doit tous nous tracasser, ne fût-ce que pour pouvoir préserver notre système de sécurité sociale.

Toutefois, je regrette d'entendre dans votre réponse relativement peu de développements quant à la manière de faire participer davantage les employeurs, même si vous l'avez évoquée brièvement. Je voudrais rappeler ici que les employeurs ont des obligations légales depuis maintenant plusieurs années en termes de plans de réintégration, qui sont loin d'être toujours respectés. Or cela fait indéniablement partie de la solution, en tout cas dans l'exemple des Pays-Bas.

Je crois comme vous, monsieur le ministre, que bon nombre de malades pourraient envisager de reprendre le travail, et même que cela peut dans certains cas les soutenir dans leur guérison. Pour cela, il faut pouvoir aménager leur retour et améliorer leurs conditions de travail. Il ne faut pas oublier que les troubles psychiques et les troubles musculosquelettiques sont les causes les plus fréquentes d'incapacité de longue durée, suivies par les maladies chroniques comme le cancer. Donc le retour au travail ne peut pas être une réussite, s'il n'y a pas un accompagnement adapté.

Surtout, si on n'améliore pas les conditions de travail dans les métiers pénibles, on aura toujours plus d'entrants dans les statistiques d'invalidité et vous n'atteindrez jamais vos objectifs ambitieux en matière d'économies. Il est indispensable qu'on creuse l'analyse des liens entre la pénibilité et les maladies de longue durée.

Je suis heureuse de vous entendre dire que le croisement des données entre l'INAMI et l'ONSS serait vraiment particulièrement intéressant et que des contacts sont en cours. J'espère vraiment qu'on va pouvoir avancer là-dessus, parce que je crois que nous avons là un angle de travail vraiment intéressant.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Votre ambition de renforcer la réinsertion est essentielle et la conférence visant à mettre ensemble les différents niveaux de pouvoir pour émettre un signal fort est important. Il faut aussi rappeler et marteler que la meilleure politique d'incapacité est encore la prévention primaire, ce dont je suis persuadée. C'est en effet à ce stade que nous pouvons encore agir, adapter le poste, alléger temporairement la charge et éviter que le travailleur ne bascule dans l'incapacité de longue durée. Parce qu'effectivement une fois que les pathologies sont présentes, c'est compliqué justement de pouvoir trouver des alternatives en termes d'aménagement des postes de travail.

Vous l'avez rappelé, la réintégration ne s'arrête pas le jour où l'on reprend le travail. C'est tout l'enjeu: faire en sorte que le retour soit durable, accompagné et humain. Les chiffres de la KU Leuven le montrent, une reprise sans suivi signifie souvent une rechute à court terme. D'où l'importance d'un accompagnement structuré qui implique les mutualités, les médecins, les employeurs, donc les acteurs de l'entreprise et bien sûr le travailleur lui-même. L'intérêt est d'avoir une démarche concertée aussi pour être sûr que les aménagements au niveau des conditions de travail soient durables et puissent lui permettre de rester durablement au travail.

Nous devons sortir d'une approche trop administrative pour aller vers une logique de parcours, d'accompagnement de la personne avec un suivi dans la durée et des outils adaptés. L'enjeu est encore plus crucial pour les PME qui, très souvent, manquent d'outils. Prévenir les rechutes, c'est préserver la santé mentale mais aussi la confiance et la dignité au travail. Nous prenons acte des documents que vous nous partagerez et nous serons attentifs aux futures mesures et chiffres qu'ils contiennent.

Nahima Lanjri:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.

Ik denk dat we de analyse delen dat als we tot een oplossing willen komen, iedereen zijn verantwoordelijkheid zal moeten nemen, dat er zal moeten worden samengewerkt en dat iedereen zijn verantwoordelijkheid moet nemen, zowel de werkgevers en de werknemers als de artsen en de ziekenfondsen. Ik denk dat de mutualiteiten zeker bereid zijn om mee naar oplossingen te zoeken, want zij hebben een heel goed zicht op deze problematiek. Ik denk dat het belangrijk is om hen uit te nodigen en met hen te bekijken welke mogelijkheden zij nog zien.

Dat betekent inderdaad soms dat een bepaalde groep van het ene vakje naar het andere verhuist. U hebt het zelf ook gezegd. Als we de pensioenleeftijd optrekken, zullen sommige mensen, die binnenkort tot 67 jaar zullen moeten werken, in de ziekte-uitkering terechtkomen. Als we het ziektepensioen voor ambtenaren afschaffen - ik heb daarvoor gepleit en ik zal dat blijven doen - dan is dat logisch, maar het betekent ook dat zij in de ziekte-uitkering terechtkomen en op 25 of 30 jaar niet meer met pensioen worden gestuurd. Dat willen we niet. We verhuizen sommige groepen dan wel van het ene naar het andere vakje, maar het blijft wel onze verantwoordelijkheid om met die mensen ook iets te doen. Dat is belangrijk.

Ik ben ook blij dat u een aantal van mijn voorstellen wilt bekijken. Zo zijn de terug-naar-werkcheques of vouchers van 1.800 euro echt onderbenut. Ik hoor vanuit het sector ook dat men de toegangspoort moet verruimen. Ik ben blij dat u het met mij eens bent dat we die toegangspoort kunnen verruimen en dat we niet moeten wachten totdat mensen een jaar lang ziek zijn. Men kan die cheques ook al inschakelen voordat mensen een jaar lang ziek zijn of voor zij op medisch ontslag zijn gezet. Dat is belangrijk.

Ik ben ook blij dat u de arbeidsparticipatietoeslag, die we in een voorstel van resolutie hebben gegoten, steunt. Ik denk dat we op dat vlak ook op dezelfde golflengte zitten, want wij stellen voor om dit in een tweejarig pilootproject te gieten en daaruit conclusies te trekken. Ik heb ook het voorstel gelanceerd om dit voor een beperkte groep te doen, namelijk voor mensen met een neurodegeneratieve aandoening of mensen met musculoskeletale aandoeningen en niet voor alle ziektes.

Mijn vraag ging ook zeer specifiek over de niet-toeleidbaren. Bij de mensen die hun werkloosheidsuitkering binnenkort verliezen, zit een groep die niet zal kunnen worden geactiveerd. Die personen horen thuis bij de ziekte-uitkering, hebben nood aan een erkenning als persoon met een handicap of horen thuis in een ander statuut, zoals u zei. Er ligt vandaag echter nog geen oplossing op tafel. Ik dring erop aan om te zorgen voor die oplossing.

Kunt u mij ook nog eens de correcte cijfers geven? De cijfers over deze groep lopen namelijk uiteen. Kunt u mij de juiste cijfers geven met betrekking tot de totale doelgroep van niet-toeleidbare personen? In Vlaanderen alleen al zou het om 10.000 mensen gaan. Ik schat dat het voor heel België ongeveer drie keer zoveel zal zijn. Kunt u dat bevestigen?

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de voorzitter, ik heb het debat zeer aandachtig gevolgd.

Mevrouw De Knop, u noemt wat ik zeg verhaaltjes, maar voor de mensen die ik gisteren heb ontmoet, is dit bittere realiteit. Ik sprak iemand die vorige week de diagnose borstkanker kreeg en volgende week aan de therapie zal beginnen. Zij zei mij dat ze gelukkig is dat er zoiets bestaat als gezondheidszorg en sociale zekerheid die haar ondersteunen en beschermen. Ik ontmoette ook iemand die uit een burn-out krabbelt. Zij vertelde mij dat ze nu het gevoel heeft dat er een toxische werksfeer hing op het werk en dat dit de verantwoordelijkheid was van de werkgever, maar dat zij wel degene is die gestraft wordt en thuis zit, terwijl hij gewoon verder doet. Ik heb vele mensen ontmoet die stelden dat die excessen er echt uit moeten, omdat ze onze solidariteit ondermijnen.

Onze minister doet wat nodig is en heeft vanaf het begin zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij komt nu met een totaalplan dat mensen die ziek zijn niet loslaat en tegelijk inzet op de verantwoordelijkheid van werkgevers en veel meer responsabiliseert. Voor mij geldt dat wie ziek is of ziek is geweest bescherming en kansen nodig heeft, geen clichés zoals ik er hier te veel heb gehoord.

Voorzitter:

Je vous remercie pour ce débat, monsieur le ministre. Je ne m’attendais pas à ce que le fameux reportage de M. Deborsu soit à ce point présent dans nos échanges. Si d’aventure certains groupes souhaitent recevoir M. Deborsu en audition, qu’ils le fassent savoir. Le secrétariat recevra leurs demandes si une réelle insistance devait se manifester en ce sens. Les questions n° s 56005900C et 56006231C de Mme Julie Taton sont transformées en questions écrites. La question n° 56007608C de Mme Katleen Bury est retirée.

De gelijkgestelde periodes en de technische werkloosheid van vóór 2003 voor de pensioenberekening

Gesteld door

PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden pensioenmalus die zieke, werkloze of zorgverlof nemende werknemers straffen zou door hun niet-gewerkte jaren retroactief niet gelijk te stellen, terwijl de benodigde gegevens ontbreken om rechtvaardig onderscheid te maken. Minister Jambon erkent het probleem maar stelt dat alternatieve databronnen (RIZIV, gezinssamenstelling) kunnen helpen, terwijl hij benadrukt dat *niet alle afwezigheid gelijk is* (bv. sabbatical vs. ziekte), maar concrete oplossingen ontbreken nog. De Witte kaart scherp aan dat de malus juist slachtoffers van ziekte, ongevallen of bevalling treft en dat zelf bewijs leveren via mypension.be onhaalbaar en chaotisch is, temeer de Pensioendienst de hervorming tegen 2027 niet kan implementeren. Kern: een onuitvoerbaar, onrechtvaardig systeem dat kwetsbaren straft zonder valide data.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, collega’s, deze regering beslist blijkbaar dat wij binnenkort zelf zullen moeten bewijzen dat we op het werk afwezig waren wegens ziekte, een bevalling, tijdelijke werkloosheid of zorgverlof. Zoals u weet, wil de regering een zware pensioenmalus invoeren, een forse boete voor mensen die niet tot 67 jaar kunnen werken omdat ze te vaak ziek of werkloos zijn geweest. U hebt daarover wel enkele toegevingen gedaan, mijnheer de minister. U hebt verklaard dat bevallingsverlof en tijdelijke werkloosheid zouden worden uitgesloten.

Die gegevens bestaan echter gewoon niet, mijnheer de minister. De Federale Pensioendienst heeft die informatie niet geregistreerd. Dat is ook logisch. Waarom zouden ze noteren dat iemand afwezig was wegens kanker, een bevalling of een rugletsel? Men is dan immers afwezig buiten eigen wil. Ook of iemand volledig dan wel tijdelijk werkloos was, werd niet genoteerd. De betrokkenen waren afwezig buiten hun wil. Die gegevens bestaan niet. Niemand had uiteraard ook kunnen voorzien dat er een regering zou komen die retroactief zou beslissen dat reeds gewerkte jaren niet langer worden gelijkgesteld en een boete zou willen opleggen omdat iemand toen ziek was. Uiteraard bestaat die informatie niet, mijnheer de minister.

Hoe zult u dat probleem oplossen? Zult u van de mensen eisen dat ze zelf die informatie opzoeken? Hebt u al eens naar mypension.be gesurft, mijnheer de minister? Dat platform is nu al een soep. En dan zouden mensen daar nog eens zelf gegevens aan moeten toevoegen? Dat is waanzin. Mijnheer de minister, hoe zult u dit concreet oplossen?

Jan Jambon:

Mijnheer De Witte, we weten allemaal dat ons pensioenstelsel gebaseerd is op de principes van solidariteit en rechtvaardigheid. Net daarom moeten we vandaag zorgvuldig omgaan met periodes uit het verleden waarin mensen niet hebben gewerkt, maar waarvan het motief niet meer bekend is. Soms ging het om zorgtaken en die willen we uiteraard blijven erkennen. Maar soms betrof het ook heel andere situaties, zoals een sabbatjaar, een wereldreis of gewoon een periode zonder werk.

Het is voor ons vandaag jammer genoeg onmogelijk om met de gegevens die we binnen de pensioenadministratie hebben dat onderscheid te maken. Het zou niet eerlijk zijn om alle niet-gewerkte periodes zomaar gelijk te stellen met wie effectief gewerkt heeft of voor anderen heeft gezorgd. Dat zou het sociale karakter van de hervorming die we vandaag doorvoeren, ondergraven.

Zoals bij elke hervorming duiken er ook hier praktische uitdagingen op bij de implementatie. Voor alle duidelijkheid: er is nog geen beslissing genomen, maar we onderzoeken verschillende pistes om de ontbrekende gegevens uit het verleden zo goed mogelijk te reconstrueren en te waarderen. Het klopt dat in de jaren tachtig en negentig – u verwees daar zelf ook naar – zorgverlof en bevallingsverlof vaak als ziekte werden ingevuld. Tijdelijke werkloosheid en moederschapsrust werden niet altijd apart geregistreerd. Binnen de overheid bestaan echter databronnen, zoals gegevens over gezinssamenstelling en over kinderen ten laste en RIZIV-databanken, die die leemtes kunnen helpen opvullen. Belangrijk is dat we er alles aan doen om de burger maximaal van deze bewijslast te ontzien.

Er staat echter wel degelijk een artikel in de pensioenwet dat bepaalt dat burgers zelf bewijslast kunnen aanvoeren, mijnheer De Witte. Dat is het geval wanneer de pensioendienst, bij het doen van een voorstel van pensioendatum en -bedrag, geen kennis heeft van een bepaalde periode waarin iemand bijvoorbeeld in het buitenland heeft gewerkt (…)

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, laten we een kat een kat noemen. Het gaat hier niet over mensen die een wereldreis hebben gemaakt. De malus bestraft mensen die ziek zijn geweest, die kanker hebben gehad of een zwaar rugletsel hebben opgelopen. Hij bestraft mensen die een werkongeval of een beroepsziekte hebben gehad. Daardoor krijgen zij een malus. Dat is wat er in uw wetsontwerp staat, mijnheer de minister. Het gaat niet over mensen die een wereldreis maken, het gaat over die mensen. De Federale Pensioendienst zegt dat hij dat niet heeft geregistreerd. Hij heeft geen onderscheid gemaakt, het RIZIV evenmin. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen bevallingsverlof en ziekte, tussen een kankerbehandeling en dergelijke meer. Die gegevens bestaan dus niet. Als u zegt dat mensen dat zelf moeten gaan opzoeken, dan is dat chaos. De Federale Pensioendienst zegt dat dat niet zal lukken voor oktober 2027. Hij kan die hervorming niet uitvoeren voor oktober 2027 (…)

De gelijkstelling van periodes van ziekte en moederschapsrust bij een pensioenmalus

Gesteld door

CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

cd&v eist dat ziekteperiodes (bv. kanker, MS) en moederschapsrust volledig meetellen als gewerkte dagen voor het pensioen, om dubbele afstraffing van zieken en vrouwen (met name pre-2003 bevalling) te voorkomen. Minister Jambon bevestigt dat moederschapsrust gelijkgesteld wordt en dat ziektecorrectie besproken wordt, maar benadrukt re-integratie boven vervroegd pensioen. Lanjri (cd&v) dringt aan op volle gelijkstelling (geen lichte correctie) en noemt dit essentieel voor een rechtvaardige hervorming. De regering onderzoekt nog concrete maatregelen.

Nahima Lanjri:

Wie ziek wordt, kiest daar niet voor. Toch riskeren mensen die ooit ernstig ziek zijn geweest, bijvoorbeeld, door kanker, MS of een andere zware ziekte, binnenkort mogelijk een lagere pensioenuitkering als ze vervroegd met pensioen gaan. In die gevallen wil men ziektedagen niet volledig gelijkstellen met effectief gewerkte dagen. Wij willen vanuit cd&v evenwel een pensioenstelsel dat sociaal en rechtvaardig is. Wie de pech heeft gehad om ziek te worden, mag niet nogmaals worden afgestraft bij het pensioen.

Hetzelfde geldt voor moederschapsrust. Het is logisch dat de dagen van moederschapsrust meetellen voor het pensioen. Dat is in principe ook de bedoeling. Helaas blijkt dat voor vrouwen die v óó r 2003 bevallen zijn, die periodes vaak als ziekteverlof en niet als zwangerschapsverlof werden geregistreerd. Een van de voorgestelde oplossingen is dat vrouwen zelf moeten bewijzen dat ze bevallen zijn, moederschapsrust hebben genomen en niet ziek waren. Stel u voor. Een vrouw van 64 jaar oud vraagt haar pensioen aan en men vraagt haar om aan te tonen dat ze in 1987 geen ziekteverlof, maar moederschapsrust heeft opgenomen. Dat is natuurlijk de wereld op zijn kop en dat willen we niet.

Daarom, mijnheer de minister, is het voor ons duidelijk: zorg ervoor dat die periodes gelijkgesteld worden. Niet alleen zwangerschapsrust, maar ook ziekteperiodes moeten gelijkgesteld worden voor het pensioen. Op die manier slaat men twee vliegen in één klap: zieken en vrouwen worden niet afgestraft. Geen enkele vrouw zal nog gevraagd worden om te bewijzen dat ze bevallingsverlof heeft opgenomen in plaats van ziekteverlof. Dat is logisch en eerlijk. Dat is een faire pensioenhervorming, iets waar wij allen in dit Parlement voor zouden moeten staan.

Bent u het daarmee eens?

Jan Jambon:

Mevrouw Lanjri, zoals u ongetwijfeld weet, lopen de besprekingen over een mogelijke aanpassing in tweede lezing van de arizonapensioenwet momenteel binnen de regering. Zoals ik vorige week in de Commissie voor Sociale Zaken toelichtte, ligt ook het voorstel op tafel om alle vormen van moederschapsrust gelijk te stellen met effectief gewerkte dagen, zodat voldaan wordt aan de werkvoorwaarden, ook voor de nieuwe vorm van vervroegd pensioen van 60 jaar na 32 effectief gewerkte jaren van elk minstens 234 dagen.

Ook de discussie over de gelijkstelling van periodes van langdurig ziekte om bij vervroegd pensioen gevrijwaard te worden van de malus wordt zoals afgesproken nog verder gevoerd binnen de regering. Daarbij zal ook het voorstel om te voorzien in een vorm van ziektecorrectie aan bod komen. Het spreekt voor zich dat ik niet kan vooruitlopen op het resultaat van deze besprekingen, maar ik kan wel bevestigen dat de voltallige regering volmondig achter de doelstelling staat om langdurig zieken niet aan hun lot over te laten, maar om extra in te zetten op hun re-integratie, bijvoorbeeld in de vorm van een deeltijdse progressieve werkhervatting. Dat is volgens mij een veel betere oplossing voor henzelf en voor de sociale zekerheid dan hen zo snel mogelijk te laten doorstromen naar een vervroegd pensioen.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, een pensioenhervorming is nodig als we de pensioenen betaalbaar willen houden, maar die moet rechtvaardig zijn. Ik heb in februari al meteen gezegd dat die ziektedagen moesten meetellen en ik herinner mij dat u zich toen vergiste en dacht dat die ziektedagen meetelden. Elke logisch denkende mens zou immers denken dat die ziektedagen zouden meetellen en dat men daar niet voor afgestraft zou worden. Ik ben bij te horen dat u nog bereid bent om binnen de regering te bekijken hoe we niet alleen de moederschapsrust, maar ook die ziektedagen kunnen meepakken. Voor cd&v moet het meer zijn dan een lichte correctie en moet die periode volledig meetellen. Men kan daar immers niet aan doen, men kiest er niet voor om bijvoorbeeld ALS, MS of kanker te krijgen. Laten we dus kiezen voor een faire en zorgzame pensioenhervorming.

Leeftijd en verzekeringen
De ontoereikende verzekeringsdekking als gevolg van de verhoogde pensioenleeftijd
De verzekeringen
Leeftijd, pensioenleeftijd en verzekeringsdekking

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de problemen door de verhoging van de pensioenleeftijd (66 nu, 67 in 2030) op verzekeringscontracten (o.a. gewaarborgd inkomen en groepsverzekeringen), die vaak nog stoppen op 65 jaar, wat dekkingsgaten en hogere premies veroorzaakt. Minister Clarinval bevestigt dat de sector via een gedragscode (Assuralia) proactief verlengingen aanbiedt, maar dat arbeidsongeschikten en groepsverzekeringen met overlijdensdekking buiten de boot vallen; hij kondigt een wetswijziging aan en overlegt over een oplossing voor 2030, met mogelijke tussenkomst van de Verzekeringscommissie. Kritiekpunten zijn de toename van klachten (23% stijging) over onduidelijkheid, trage afhandeling en gebrekkige communicatie bij verzekeraars, terwijl de ombudsman tijdelijke steunmaatregelen en een garantiefonds suggereert—waarop de minister nog geen concreet antwoord geeft. De oppositie verwacht snelheid en waterdichte regels, maar steunt het voorgenomen wetsvoorstel vooruitblikkend.

Voorzitter:

Chers collègues, je vous invite à la brièveté étant donné le nombre de questions et le fait que M. le ministre doive nous quitter à 16 h 55.

Reccino Van Lommel:

Mijnheer de minister, mijn vraag dateert al van enige tijd geleden, maar kon tijdens de vorige vergadering niet worden behandeld wegens tijdsgebrek.

Waarover gaat het? Bepaalde verzekeringscontracten, bijvoorbeeld verzekeringen gewaarborgd inkomen en groepsverzekeringen met overlijdensdekking, hanteren als einde van de looptijd de pensioenleeftijd van de verzekerde tussen 60 en 65 jaar. De wettelijke pensioenleeftijd is echter opgetrokken en dat houdt bepaalde risico’s in. Mijnheer de minister, wat hebt u ondernomen om verzekeringnemers te beschermen tot het einde van hun actieve loopbaan?

Hoe staat u tegenover het voorstel van de ombudsman om tijdelijke steunmaatregelen voor verzekeringen uit te vaardigen om te hoge premies te vermijden? De hogere pensioenleeftijd kan immers ook tot hogere premies leiden. Is daarover overleg geweest?

Daarnaast heb ik nog een vragenreeks over de klachten die de Ombudsman voor de Verzekeringen ontvangt, een vraag die hieraan werd toegevoegd, ook al betreft het een ander onderwerp.

De ombudsman voor de verzekeringen meldt een toename van de klachten over de gebrekkige bereikbaarheid van verzekeraars, de trage behandeling van dossiers bijvoorbeeld inzake de waterschade in het kader van de brandverzekering, de hoogte van de vergoeding, de onduidelijkheid over de vergoedbare schade en de gebrekkige communicatie. Ook de verzekering inzake gewaarborgde inkomens ontsnapt niet aan klachten.

Wat onderneemt u of hebt u ondernomen om verzekeraars en experten te verplichten tot een betere communicatie en bereikbaarheid?

Welke maatregelen stelt u zelf voor om verzekerden meer duidelijkheid te verschaffen over hun rechten?

Wat onderneemt u tot slot om te waarborgen dat verzekeringnemers beschermd blijven tot het einde van hun actieve loopbaan?

Lieve Truyman:

Mijnheer de minister, sinds begin 2025 is de officiële pensioenleeftijd naar 66 jaar verhoogd. In 2030 zal de pensioenleeftijd op 67 jaar liggen. Dat heeft gevolgen voor personen met een verzekeringscontract, zoals een in verband met een gewaarborgd inkomen, en bij bepaalde groepsverzekeringen.

Sinds 1 januari 2024 verplicht de gedragscode van Assuralia de verzekeringsmaatschappijen om proactief hun verzekerden een verlenging van de dekking aan te bieden. In de praktijk blijkt die gedragscode echter niet voor alle verzekerden voldoende toereikend te zijn. Zo ontvangt iemand die bij het begin van een verlenging al arbeidsongeschikt is, geen extra dekking. Bij groepsverzekeringen met een overlijdensdekking tot 65 jaar kunnen er problemen rijzen wanneer de verzekerde overlijdt na het einde van de dekking, maar vóór het bereiken van de nieuwe pensioenleeftijd. De gedupeerden dreigen niet alleen inkomsten, maar ook de verzekeringsdekking zelf te verliezen, wat grote onzekerheid met zich brengt. De Ombudsdienst voor verzekeringen ziet het aantal klachten met betrekking tot het vervallen van de pensioenleeftijd toenemen. Concreet zou er al een stijging van 23 % van het aantal klachten zijn.

Mijnheer de minister, bent u betrokken geweest bij de opmaak van de gedragscode die Assuralia aan de verzekeringsmaatschappijen oplegt? Klopt het dat die nog niet veel uitzonderingen toelaat en dus niet waterdicht is?

Zult u actie ondernemen, wanneer blijkt dat de verzekeringsmaatschappijen niet proactief optreden? Zal hiervoor een wettelijk initiatief nodig zijn of kan het probleem via overleg met de sector worden opgelost?

Zal er op de nieuwe verhoging in 2030 van de pensioenleeftijd naar 67 jaar worden geanticipeerd, zodat de verzekerden dan niet opnieuw met gelijkaardige problemen worden geconfronteerd? Binnen welke termijn biedt u de gedupeerden een garantie op een volledige dekking?

Ziet u een oplossing in de aanbevelingen van de Ombudsdienst voor Verzekeringen, zoals de oprichting van een garantiefonds of een depositokas voor risico’s die technisch niet meer kunnen worden verzekerd?

Ik hoop dat er ruimte is om bij te sturen, mijnheer de minister. Ik kijk uit naar uw antwoorden.

David Clarinval:

De verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd heeft inderdaad een impact op de aanvullende verzekering gewaarborgd inkomen, ook bekend als de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Krachtens de wet moeten die verzekeringen voorzien in een dekking, tot hij ten minste de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een kortere looptijd is enkel mogelijk op uitdrukkelijk verzoek van de klant. Sinds 1 januari is de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd van 65 naar 66 jaar. Het merendeel van de lopende verzekeringscontracten voorziet evenwel nog een einde van de dekking op 65 jaar, conform de toepasselijke wetgeving op het moment dat het contract werd gesloten.

Ik betreur dat er in de vorige legislatuur geen enkele maatregel werd genomen om te anticiperen op die evolutie. De verzekeringssector heeft echter gereageerd. In november 2023 werd een gedragscode aangenomen door de verzekeraars die lid zijn van Assuralia. Die verplicht hen proactief contact op te nemen met hun klanten om de verlenging van het verzekeringscontract tot de nieuwe wettelijke pensioenleeftijd te versnellen. De verlenging kan niet worden geweigerd, als de klant ermee instemt. Een uitzondering wordt gemaakt voor wie al arbeidsongeschikt is op het moment dat zijn of haar contract afloopt. In dat geval is een verlenging niet mogelijk. Vanuit juridisch en verzekeringstechnisch perspectief kan een verzekering geen risico dekken dat realiteit werd.

Ik heb reeds de nodige consultaties gelanceerd om te anticiperen op de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar tegen 2030. Een wetswijziging daartoe zal in de komende maanden in de Kamer worden ingediend.

Met betrekking tot de contracten die onder de huidige wetgeving aflopen wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt, zal ik in de komende dagen een adviesaanvraag bij de Commissie voor Verzekeringen indienen.

De juridische situatie van die groep verzekerden is immers veel complexer. Voor groepsverzekeringen met overlijdensdekking moet ik u doorverwijzen naar mijn collega Jambon, aangezien die materie onder de bevoegdheid van de minister van Pensioenen valt.

Reccino Van Lommel:

Ik vind het vreemd dat u het uitblijven van maatregelen de vorige legislatuur betreurt, want uw partij maakte deel uit van de regering. U had dat mee op tafel kunnen leggen. U hebt daar vijf jara tijd voor gehad. Maar goed, beter laat dan nooit.

Het is een goede zaak dat er ondertussen consultaties plaatsvonden. U bent, net als ik, bezorgd en vindt ook dat de kwestie moet worden aangepakt. Er is een wetswijziging in de maak, die de komende maanden wet zal worden. We verwelkomen dat en zullen de tekst dan uiteraard grondig beoordelen. Als hij effectief een stap in de goede richting blijkt te zijn en elk nadelig effect voor de betrokkenen ongedaan maakt, dan kunt u zeker op onze welwillende steun rekenen.

Lieve Truyman:

Ik ben blij te horen dat er inderdaad een wetsontwerp in de maak is. Ik kijk ernaar uit en zal het zeer aandachtig doornemen. Ik dank u alvast voor die positieve noot.

De onrechtvaardige pensioenhervorming

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 2 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder (PS) valt de regering aan omdat ze pensionen verlaagt en de pensioenleeftijd verhoogt tot 67 jaar (met honderden euro’s verlies voor werknemers), terwijl ze banken en rijken ontziet (geen belasting op dividenden, fiscale fraude onbenut, F-35-aankopen). Ze noemt het oneerlijk en laf om zwakkeren te straffen terwijl het begrotingstekort stijgt door cadeaus aan vermogenden. Minister Simonet verdedigt de pensioenhervorming (koppeling werk-pensioen, bonus-malus, harmonisatie regimes) en wijst op steun van het CGG, met kleine aanpassingen zoals een overgangsmaatregel voor meehelpende echtgenoten. Dedonder repliceert dat de regering slechts cosmetische wijzigingen doorvoert en alvast belastingvoordelen voor topinkomens (150 miljoen gat) invoert, zonder de financiële sector of multinationals aan te pakken.

Ludivine Dedonder:

Madame Simonet, le ministre Jambon ayant fui ses responsabilités, c'est à vous que je m'adresse en tant que membre de ce gouvernement.

Qu'ai-je lu dans le journal? Les propos du ministre Jambon qui dit: "Notre rôle est de challenger les banques, mais aussi de les écouter si elles nous disent qu'elles ne seront pas prêtes." Ai-je bien lu? Oui. Le ministre Jambon a donc bien de l'empathie.

Et que dit ce gouvernement aux travailleurs qui n'en peuvent plus, qui ont le dos brisé et les genoux usés? Vous leur dites: "Allez bosser plus longtemps, jusque 67 ans, et pour vous y forcer, eh bien, on va diminuer votre pension de plusieurs centaines d'euros par mois." Fini! Plus d'empathie. Tous les citoyens sont inquiets. Et, ce matin encore, les indépendants vous ont aussi interpellée.

Avec ce gouvernement, c'est deux poids, deux mesures. On écoute les banques et on attaque les travailleurs. Et, ces attaques contre la classe moyenne, vous les justifiez toujours avec le même prétexte, l'assainissement du budget. Mais quelle supercherie! Vous allez doubler le déficit. Pourquoi? Parce que vous faites des cadeaux aux plus fortunés, parce que vous achetez aux États-Unis des avions de chasse à un coût exorbitant.

Mais être courageux dans un gouvernement, c'est s'attaquer à la fraude fiscale et au blanchiment d'argent. C'est aller chercher les moyens sur les plus-values, les dividendes et les gros patrimoines. Être courageux, ce n'est pas appauvrir les pensionnés et ainsi nuire à l'économie. C'est être lâche en fait que de donner des coups de bâton à ceux qui ne savent pas se défendre. C'est être lâche que d'attaquer les pensionnés, les malades et les travailleurs.

Alors, ce que je vous demande ou plutôt ce que la population vous demande, ce n'est pas de reporter vos sanctions, mais c'est bien d'y renoncer.

Ma question est simple, madame la ministre: allez-vous entendre les travailleurs qui vous écrivent et qui m'écrivent?

Eléonore Simonet:

Madame Dedonder, vous l'aurez vu, je ne me suis pas transformée en Jan Jambon dans la matinée. Je me présente devant vous pour répondre à une question que vous avez introduite sous l'intitulé "Pensions, rapport CGG".

Tout d'abord, permettez-moi de vous rappeler que la réforme des pensions portée actuellement par le gouvernement s'inscrit dans une vision claire et nécessaire. En tant que ministre des Indépendants, vous me posez la question – ou plutôt vous ne me posez pas la question –, donc j'y réponds. J'ai demandé l'avis du Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants (CGG).

Et cet avis, il l'a rendu hier, et mon cabinet a tout de suite commencé à l'examiner. Force est de constater que le CGG partage pleinement l'esprit du gouvernement, à savoir, premièrement, renforcer le lien entre travail et droit à la pension; deuxièmement, responsabiliser chacun dans ses choix de carrière; troisièmement, harmoniser les régimes de pension; quatrièmement, assurer la pérennité financière de notre système. Je note aussi que le CGG soutient le principe du bonus-malus: qui travaille plus longtemps doit être récompensé, qui s'arrête plus tôt assume un malus, mais toujours avec la liberté de choix.

Certes, le CGG a formulé quelques remarques. Il aurait, entre autres, souhaité que la prise en compte des périodes assimilées soit davantage limitée. J'entends par ailleurs ses recommandations en matière de simplicité, de transparence et de communication.

Le CGG demande également une mesure transitoire pour les conjoints aidants dans le cadre du bonus-pension. Cette mesure est actuellement discutée en intercabinet et, concrètement, vise à donner à ces conjoints aidants la possibilité de construire un bonus pension. En effet, le statut des conjoints aidants n'existe que depuis 2003 et n'est devenu obligatoire qu'à partir du 1 er juillet 2005. Cela signifie, et ça c'est une belle injustice qu'on peut noter, que les conjoints aidants nés entre 1956 et 1973 ne peuvent pas ouvrir le droit à un bonus pension.

Ludivine Dedonder:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses, même si j'ai le sentiment que ce gouvernement fait semblant d'écouter. En fait, vous ne modifiez en rien les plans; vous prévoyez, tout au plus, une adaptation fonctionnelle de la loi. La preuve en est encore les informations relatives à votre réforme déjà présentes sur le site des Pensions, alors qu’elle n’a même pas encore été discutée au Parlement et que, grâce au Parti Socialiste, des auditions en rapport avec l’impact de cette réforme doivent encore se tenir.

Par contre, vous exonérez de cotisation le salaire des CEOs de plus de 30 000 euros. Cela creuse un trou de 150 millions dans la sécurité sociale. En revanche, vous ne touchez ni aux bénéfices des banques ni aux dividendes des multinationales.

Je vous vois là tous – MR, Les Engagés et consorts – applaudir. Eh bien, je me dis: mais quelle indécence! Vous rendez-vous compte qu’à chaque jour qui passe, vous creusez un peu plus la tombe des travailleurs? Si je me trompe, prouvez-moi le contraire: renoncez à cette réforme des pensions et arrêtez les cadeaux aux plus nantis!

Voorzitter:

Hierbij sluit ik deze vragensessie af.

Het pensioenstelsel van de kunstwerkers
Het pensioen van de kunstwerkers
Pensioenregelingen voor kunstenaars

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming van minister Jambon dreigt kunstenaars zwaar te treffen door periodes met kunstenaarsuitkering als werkloosheid te beschouwen, waardoor maximaal 20% van hun carrière meetelt voor hun pensioen – een verlies tot 83% in extreme gevallen. Jambon bevestigt de progressieve plafonnering (van 40% naar 20% na 2031), maar belooft onderhandelingen over verzachtende maatregelen voor sectoren met structurele intermittence, waarbij *effectieve werkdagen* en *niet-vergoede dagen* wel volledig meetellen. Critici benadrukken dat de intermitterende aard van artistiek werk geen keuze is maar een professioneel gegeven, en dat de reform onrechtvaardig is omdat ze levenslang werk reduceert tot een minimumpensioen. De oppositie eist sector-specifieke aanpassingen en een waardig pensioen voor alle werknemers met discontinue carrières, met de beschuldiging dat de regering politieke keuzes (zoals belastingverlagingen voor bedrijven) prioriteert boven sociale bescherming.

François De Smet:

Monsieur le ministre, c’est une angoisse de plus pour les travailleurs des arts, que le gouvernement Arizona n’aime visiblement pas beaucoup. En effet, avec vos réformes, par assimilation complète à celui de demandeur d’emploi, le statut des travailleurs et travailleuses des arts ne pourrait représenter que 20 % d’une carrière complète dans le calcul des droits à la pension. Ainsi, théoriquement, un ou une artiste qui aurait fait toute sa carrière sous statut d’artiste ne verrait que neuf années sur 45 prises en compte. Ajoutons à cela le fait qu’en vertu des mécanismes de calcul prévu, l’allocation des arts ne sera plus assimilée au forfait normal, comme c’était le cas auparavant.

Par l’application de ces deux mécanismes combinés, un travailleur des arts perdrait potentiellement près de 83 % du montant de sa pension, dans le pire des cas. Autant dire qu’il toucherait donc une pension très faible qui ne reflète pas une vie de travail. Voilà qui serait, à mon sens, une mesure injuste et méprisante au regard de ce qu’est la réalité du travail artistique dans notre pays.

Assimiler les périodes d’allocation du travail des arts à l’absence de travail relève d’une profonde méconnaissance de ce qu’est le travail artistique, constitué certes d’intermittences, mais aussi de périodes de création – le travail invisibilisé – pourtant au cœur de l’activité des travailleurs des arts. Comme le dit la loi portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des artistes: " Les travailleurs et travailleuses des arts exercent une démarche professionnelle continue, alternant les périodes sous contrat et périodes de travail invisibilisé (création, recherche, développement de projet). "

Il n’y a donc aucun doute, monsieur le ministre: l’intermittence est ici structurelle et inhérente à ces métiers. Elle ne relève pas d’un choix individuel mais d’une réalité professionnelle. C’est donc de manière légitime qu’elle crée un besoin de protection sociale.

Vous vous êtes déjà exprimé au début de l’été sur cette révision des pensions du secteur des artistes, mais j’aurais aimé savoir s’il y avait eu une évolution, suite aux prises de parole du secteur et peut-être de certains de vos partenaires de gouvernement? Confirmez-vous cette version de l’accord? Comment la justifiez-vous? Quels sont les mesures que vous comptez prendre pour permettre la reconnaissance du travail artistique en matière de droits à la pension et afin d’assurer que les périodes durant lesquelles les artistes perçoivent l’allocation du travail des arts soient reconnus comme des périodes de travail à part entière?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, la question date un peu, étant donné qu'elle avait été déposée avant l'été. Cependant, elle reste d'actualité. Votre projet de plafonner progressivement les périodes assimilées jusqu'à ne plus reconnaître que 20 % d'une carrière à partir de 2031 suscite une inquiétude forte dans le secteur.

Vous indiquiez en commission que ce dispositif s'appliquerait également aux travailleurs et travailleuses des arts au motif que leurs allocations relèvent de l'ONEM. Cela revient à considérer les périodes pendant lesquelles une personne bénéficie de la protection sociale du statut de travailleur des arts comme de simples périodes de chômage. Autrement dit, un artiste qui aurait travaillé 45 ans tout en ayant ouvert ses droits pour bénéficier du statut, et alors que ces 45 ans ne seraient aucunement des périodes de chômage continues, ne verrait, au moment de la pension, que neuf années reconnues sur une carrière entière!

Alors, la loi elle-même, lors de la réforme récente du statut, a reconnu que cette intermittence n'est pas un choix individuel, mais une réalité professionnelle et structurelle des métiers exigeant une protection adaptée.

Monsieur le ministre, votre projet assimile-t-il, dans le calcul des pensions, les périodes sous statut de travailleur des arts à des périodes de chômage qui ne seraient donc reconnues que dans la limite de 20 % d'une carrière? Comment justifiez-vous une mesure qui efface jusqu'à 36 années de travail artistique, technique ou de soutien alors que ces années correspondent à une démarche professionnelle continue? Corrigerez-vous cette interprétation pour garantir que les jours sous statut soient bien reconnus en tant que travail et non en tant que chômage? Plus largement, comment votre gouvernement compte-t-il défendre l'accès à une pension digne pour celles et ceux dont les carrières sont discontinues mais réelles, qu'il s'agisse des travailleurs des arts ou d'autres professions où l'intermittence est inhérente au métier?

Jan Jambon:

Chers collègues, à partir du 1 er janvier 2027, certaines périodes assimilées ne seront plus prises en compte pour le calcul de la pension des travailleurs salariés si elles représentent plus qu'un certain pourcentage de la carrière. Ce taux-limite s'élèvera à 40 %, 35 %, 30 % ou 20 % en fonction de la date de naissance de l'intéressé. Parmi ces périodes, certaines, notamment celles de chômage complet, seront prises en considération, tandis que les périodes de maladie et les congés pour soins seront exclus de ce calcul.

Toutefois, les discussions relatives aux modalités précises de la mesure et aux périodes qui seront effectivement prises en compte se poursuivent au sein du gouvernement. Elles incluent également la possibilité de prévoir un assouplissement de la mesure pour certaines catégories de travailleurs ayant un statut particulier, par exemple les travailleurs des arts bénéficiant d'une allocation de travail des arts.

Je tiens également à souligner que, pour la pension d'un travailleur salarié, non seulement les jours de travail effectivement prestés par le travailleur des arts sont toujours pris en compte pour la pension, mais aussi que les jours non indemnisables des artistes au titre de la réglementation du chômage sont considérés comme des jours de travail et comptent pour la pension. Ces jours ne seront donc jamais soumis à l'application du pourcentage de limitation.

Le gouvernement prévoit des réformes durables et socialement justes, qui contribuent à la stabilité à long terme de notre système de retraite. Il associe étroitement les partenaires sociaux à l'élaboration et à l'exécution de ces réformes. Leur implication est essentielle à la réussite de cette réforme. En concertation avec les partenaires sociaux, le gouvernement examinera quelles mesures d'atténuation peuvent être prises afin de tenir compte de l'irrégularité de la carrière de certains travailleurs.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui laisse entrevoir que, comme des négociations sont toujours en cours, un éventuel assouplissement de votre réforme concernant les travailleurs des arts est possible. Je ne peux que souhaiter que ce soit vraiment le cas.

Le statut d'artiste n'est pas un statut de chômage, c'est un statut qui emprunte au statut de chômage pour des raisons que certains peuvent trouver mauvaises mais que je trouve bonnes parce qu'elles permettent aux artistes de créer. Je crois vraiment que le gouvernement a le devoir impérieux de faire en sorte que celles et ceux qui choisissent une carrière d'artiste avec ses incertitudes, avec sa précarité la plupart du temps, ne soient pas punis, surtout si on change les règles en cours de partie, si j'ose dire, par une pension qui ne serait pas digne. Nous continuerons donc évidemment à suivre ce dossier.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour la réponse. J'entends que la négociation au sein du gouvernement est toujours en cours, mais j'imagine qu'il y a aussi des contacts avec les secteurs concernés pour faire en sorte que la mesure soit calibrée au mieux avec l'intermittence, parce qu'elle est inhérent à la production et au rythme du travail des arts.

Monsieur le ministre, je vous invite vraiment à avoir comme boussole, dans toute votre réforme des pensions, le fait que chaque citoyen, chaque citoyenne en Belgique puisse avoir accès à une pension digne pour pouvoir vieillir dans la dignité. C'est cette boussole que vous devez vous fixer.

Les choix politiques que vous prenez en matière budgétaire ne sont pas des obligations. Vous nous dites sans cesse "qu'on est obligé en raison de la charge de la dette". Mais ce sont en fait des choix. Quand vous décidez de faire des cadeaux à certaines entreprises, quand vous décidez de faciliter la vie aux personnes qui ont fraudé le fisc, c'est un choix politique. Et, aujourd'hui, décider de raboter la pension des travailleurs des arts, c'est un choix politique. Et c'est catastrophique pour les années à venir.

Monsieur le ministre, je vous invite vraiment à faire en sorte que cette réforme ne soit pas faite au bazooka, mais justement en prenant en considération les spécificités de chaque secteur, en particulier celui-ci en ce qui concerne cette discussion.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56007305C et n° 56007306C de Mme Farah Jacquet sont reportées.

Avant de passer à votre question suivante, j'attire votre attention sur un point du Règlement. Vous avez déposé deux questions avec le même intitulé. Les questions sont identiques, n'est-ce pas?

Farah Jacquet:

Oui, c'est exact. Si ce n'est pas permis, je peux me contenter d'une question.

Voorzitter:

Vous comprenez que je pourrais, moi aussi, déposer quatre ou cinq questions portant le même intitulé dans une commission et de cette façon, je parle 20 minutes. Si vous voulez poser plusieurs questions sur des thématiques liées, changez au moins l'intitulé de votre question ainsi que quelques éléments de fond afin qu'on n'ait pas l'impression que vous posez deux questions sur le même thème pour pouvoir vous exprimer plus longtemps en commission. Je ne devrais pas vous donner ce conseil car nous ne sommes pas du même parti mais je vous le donne en tant que président.

Je vous demanderai donc de résumer votre question en deux minutes trente.

Farah Jacquet:

Entendu.

De gevolgen van de pensioenhervorming bij het spoor (1)
De gevolgen van de pensioenhervorming bij het spoor (1)
Impact van pensioenhervorming bij de spoorwegen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Farah Jacquet (ex-cheminote) bestookt minister Jan Jambon over de pensioenhervorming voor spoorwegpersoneel, die ze dodelijk, onrechtvaardig en onhaalbaar noemt: zware nacht- en shiftwerk verkort gezonde levensjaren met 10 jaar, terwijl 67-jarige pensioenleeftijd onrealistisch is voor uitputtende jobs—terwijl ex-ministers (bv. Maggie De Block) zelf eerder stoppen. Jambon verdedigt de geleidelijke verhoging van 55 naar 60-65 jaar (in lijn met EU-gemiddelden) en wijst op reeds bestaande praktijk (75% gaat nu al na 60), maar sluit aanpassing of intrekking uit, ondanks 24 stakingsdagen en 29% oversterfte bij spoorwegers. De kernconflict: sociaal onrecht (wie *kan* langer werken?) vs. budgettaire "noodzaak"—syndicale onderhandelingen lopen, maar de reform blijft. Protesten (14/10) aangekondigd.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, je pense que c'est la première fois que je viens dans cette commission. Je suis là spécialement pour vous poser quelques questions sur la réforme des pensions.

Allons-nous célébrer nos départs à la retraite directement au cimetière? J’ai l'impression que c'est ce qui va se passer si votre réforme est adoptée. Vous ne savez pas ce que cela représente de se lever à 2 h du matin ou de commencer à travailler dès 5 h le mardi. Je doute que vous sachiez ce que c’est que de ne pas avoir le loisir de profiter de sa famille. Vous ne connaissez pas non plus les effets sur la santé que cela implique. Voilà la réalité du terrain! Nous avons aujourd'hui la preuve que quand on travaille à horaires irréguliers, quand on travaille de nuit, quand on fait les pauses, on vit 10 ans de moins en bonne santé.

Les cheminots ne veulent pas de votre réforme, ce qui est tout à fait légitime. Ils ne se laisseront faire. Ils se mobiliseront et vous feront reculer. Je serai à leurs côtés, parce qu'avant d'être députée, j'ai été moi aussi cheminote. Je le suis toujours de cœur. Je vais donc continuer à me battre pour eux.

Le réforme que vous proposez est totalement injuste. Vous ne pouvez pas appauvrir des gens de la sorte, alors que les maisons de repos sont déjà impayables à l'heure actuelle. Faire travailler les gens plus longtemps, parfois même jusqu’à la mort, est une réalité récurrente dans le métier du chemin de fer. J’ai connu beaucoup de collègues qui sont partis, malheureusement, avant l’âge légal de leur pension. Ils sont décédés à cause des horaires complètement affolants.

Comment allez-vous faire face à la pénurie de personnel qui existe déjà? Le personnel sera impacté, mais les usagers aussi. Comment ferez-vous rouler les trains quand les travailleurs seront de plus en plus malades à cause de leur travail, et que les offres d’emploi resteront vacantes parce que le métier ne sera tout simplement plus attractif, uniquement à cause de votre réforme?

Nous voulons donc une autre politique, ce qui est vraiment possible. Vous prétendez que nos pensions sont impayables. Je pense que vous vous trompez. Vous parlez d’une fatalité budgétaire, mais c’est un choix que vous faites: celui de ne pas aller chercher l’argent dans la poche de ceux qui ont les moyens – dans la poche des ultra-riches –, celui de dépenser des milliards dans des F-35 et celui de vider les caisses de la sécurité sociale pour gonfler celles des multinationales.

Écoutez donc les gens qui travaillent et font fonctionner notre pays! Écoutez aussi les usagers qui prennent le train et veulent un service de qualité avec du personnel encore capable de faire rouler les trains. Je vous le demande donc: revoyez vos plans et retirez votre réforme.

J'en viens ainsi à mes deux questions principales auxquelles j'aimerais vraiment que vous répondiez. Allez-vous enfin vous asseoir avec les organisations syndicales des cheminots pour entamer des négociations? Allez-vous revoir votre réforme, qui est injuste?

Jan Jambon:

Madame Jacquet, il me semble que l'analyse que vous faites est vraiment trop rapide. J'aimerais profiter de l'occasion pour mettre plusieurs éléments en perspective.

Tout d'abord, la législation actuelle sur les pensions prévoit un âge de départ à la retraite de 55 ans pour le personnel roulant de HR Rail après 30 ans de service roulant. L'accord de coalition prévoit un relèvement progressif de cet âge de départ à la retraite et l'intégration de ce système dans le système général où la retraite anticipée n'est possible qu'à partir de 60 ans après une carrière de 44 ans, de 61 ou 62 ans après une carrière de 43 ans ou de 63 à 65 ans après une carrière de 42 ans ou, et c'est tout à fait nouveau, à partir de 60 ans si l'on a effectivement travaillé pendant 42 ans.

Or, nous constatons que déjà aujourd'hui – ce sont les chiffres de 2024 – la grande majorité, et je parle de 75 % du personnel roulant de HR Rail, prend sa retraite à l'âge de 60 à 65 ans.

Nous pensons qu'il est justifié d'augmenter progressivement l'âge de 55 ans qui figure dans la législation mais semble non pertinent dans les faits. Par ailleurs, dans d'autres pays comme l'Allemagne, l'âge moyen de la retraite du personnel roulant est déjà de 64 ans. Il n'y a pas de règle différente pour le personnel roulant là-bas. Il n'existe pas non plus de système de retraite séparé aux Pays-Bas. Comme les autres salariés néerlandais, ils ont droit à une pension de base à partir de 67 ans. En même temps, le personnel roulant a la possibilité de partir tôt. Aux Pays-Bas, cela signifie à partir de 64 ans. Même en France, le régime de retraite a récemment été réformé. Depuis la dernière réforme des retraites, le personnel roulant sera intégré dans le système général de retraite.

Le dernier rapport sur le vieillissement dans les États membres de l'Union européenne, établi par le Working Group on Ageing, montre que seuls cinq États membres de l'Union européenne, dont la Belgique et la France, prévoient un âge de départ à la retraite différent pour le personnel roulant. Pensez-vous vraiment que la grande majorité des États membres de l'Union européenne ont installé un système de retraite où le personnel roulant doit travailler plus longtemps, et je vous cite, "parfois jusqu'à la mort"?

Si cet âge préférentiel de 55 ans devait continuer d'exister pour le personnel roulant de HR Rail, il deviendrait en plus très difficile de demander à la grande majorité des travailleurs belges un effort supplémentaire pour rendre notre système de retraite financièrement viable.

Bien entendu, tout cela ne diminue en rien l'importance que nous devons accorder aux bonnes conditions de travail.

Surtout à un moment où l'âge de la retraite va augmenter, à l'avenir, les employeurs publics doivent accorder plus d'attention aux possibilités de réorientation professionnelle des travailleurs âgés. Bien sûr, le ministre des Pensions n'est pas compétent pour le travail faisable, mais nous pensons qu'il est plus que jamais important que la politique des ressources humaines se concentre sur le travail faisable, afin que les gens puissent travailler plus longtemps.

Donc, la réponse à votre deuxième question est non, nous ne retirerons pas nos réformes; ce serait faire preuve d'une absence totale de responsabilité. Nous sommes en concertation avec les syndicats des cheminots. Nous ne changerons pas l'accord de gouvernement sur ce point.

Enfin, je puis vous dire que je me lève chaque matin à 5 h 30.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, vous n'allez pas retirer votre réforme. D'accord, mais nous sommes déjà à 24 jours de grève depuis le début de votre législature. Je trouve cela énorme. C'est du jamais vu au niveau des chemins de fer. Si vous êtes d'accord avec cela, c'est bien. Mais vous ne dites pas tout. En effet, selon les chiffres de HR Rail, seules sept personnes ont pris leur retraite à 55 ans en 2023 et huit en 2024. Donc, la grande majorité, soit 95 %, le font à 60 ans et plus, comme une bonne partie des Belges, d'ailleurs. Travailler jusque 67 ans et même jusque 65 ans, ce n'est juste pas tenable. Vous vous levez à 5 h 30, mais cela fait 18 ans que je me lève à 2 h 30, et mes collègues aussi, ou à 3 h ou à 3 h 30, et cela change tout le temps. Vous devez quand même reconnaître ce fait. Ce ne sont pas horaires tenables sur du long terme.

Notre travail use, et les conditions de travail influencent directement notre espérance de vie. Chez les cheminots, le taux de surmortalité atteint 29 %, alors qu'un chef d'entreprise aura un taux de sous-mortalité de 33 %. Travailler jusque 67 ans est injuste car ceux qui ont les métiers les plus durs ne profiteront pas de leur pension. C'est aussi injuste parce que ceux qui nous ont imposé ces 67 ans partent avant. Prenons par exemple Maggie De Block, ou le MR Hervé Jamar, tous deux ministres sous le gouvernement Michel, ce même gouvernement qui nous a imposé de travailler jusque 67 ans. Le font-ils? Non. Maggie De Block prend sa pension à 61 ans. Pourquoi? Parce qu'ainsi elle peut encore profiter de la vie et s'occuper de ses petits-enfants. C'est la justification que ces ex-ministres ont donnée à la presse. Nous aussi, on veut pouvoir s'occuper de nos petits-enfants avant notre mort, et nous vous le ferons encore savoir dans les rues ce 14 octobre.

Voorzitter:

M. Bayet est absent pour poser sa question n° 56007341C.

De impact van de pensioenhervorming op langdurig zieken
Een uitzondering inzake de bonus-malusregeling voor de specifieke doelgroep van de langdurig zieken
De gevolgen van pensioen- en werkgelegenheidsregels voor langdurig zieken

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming dreigt langdurig zieken die vervroegd met pensioen willen te straffen door dagen ziekte niet mee te tellen voor de vereiste 35 jaar/7.020 dagen carrière, wat leidt tot een pensioenvermindering – ondanks dat hun ziekte onvrijwillig was. Minister Jambon benadrukt dat alleen vervroegde pensioenen worden geraakt en dat wie tot de wettelijke leeftijd in arbeidsongeschiktheid blijft geen malus krijgt, met een ziektecorrectie als verzachting, maar critici (waaronder vakbonden) vinden deze onvoldoende om dubbele straf te voorkomen. Specifiek voor groepen die door overheidsbesluit tot pensioenleeftijd arbeidsongeschikt werden verklaard (bv. 58-plussers of langdurig zieken tijdens corona), weigert Jambon een uitzondering op de bonus-malusregel, wat Dedonder en Vanbesien oneerlijk noemen omdat deze mensen geen keuze hadden. De discussie draait uiteindelijk om empathie versus systeemlogica: zieken betalen nu tweemaal (gezondheid *en* pensioen), terwijl alternatieven ontbreken.

Ludivine Dedonder:

Dans le cadre de votre proposition de réforme concernant les pensions, vous avez présenté un projet qui pourrait pénaliser financièrement les personnes qui ont été malades de longue durée, particulièrement celles qui souhaitent partir en retraite anticipée. Selon les modalités envisagées, les jours de maladie ne seront pas pris en compte dans le calcul des 35 années de carrière et 7 020 jours nécessaires pour éviter le malus, ce qui impactera négativement le montant de la pension anticipée, alors que ces périodes de maladie sont involontaires.

Il y a des critiques des syndicats et d'autres partis politiques concernant cette mesure. Ces critiques pointent notamment que la "correction" que vous proposez reste insuffisante pour atténuer l'ampleur de l'impact négatif sur le droit de ces personnes à prendre leur pension anticipée. De nombreux citoyens et, particulièrement, ceux ayant connu des périodes de maladie invalidante, risquent ainsi de ne pas pouvoir bénéficier d'une retraite anticipée sans en payer le prix durant le reste de leur vie.

Mes questions, monsieur le ministre, sont donc les suivantes. Comment pouvez-vous justifier cette approche qui pénalise ceux qui ont souffert de maladies graves et qui ne peuvent être tenus responsables de leur situation. C'est ce que je vous disais ce matin encore en commission. Existe-t-il des alternatives possibles pour garantir que ces personnes ne soient pas doublement pénalisées. Elles le sont déjà par la maladie et ne doivent donc pas l'être encore par une pension réduite. J'espère que vous pourrez apporter des précisions, des éclaircissements et, surtout, de l'empathie.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit berichtgeving over het voorontwerp van de pensioenplannen blijkt dat langdurig zieken bijzonder zwaar benadeeld zullen worden wanneer ze vervroegd met pensioen gaan. Ze riskeren namelijk onvoldoende gewerkte jaren te kunnen voorleggen, met als gevolg dat ze naast een sowieso al lager pensioen ook nog een malus opgelegd krijgen.

Ik wil het hier even hebben over een specifieke groep mensen die door de overheid zelf bewust tot aan hun pensioen arbeidsongeschikt werd verklaard. Uw collega, minister Vandenbroucke, lichtte op 15 juli in de commissie voor de Gezondheid toe dat de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het RIZIV in december 2020, in volle coronacrisis, besliste om een specifieke groep langdurig arbeidsongeschikten automatisch tot de pensioenleeftijd te erkennen. Dit gebeurde om de adviserende artsen ademruimte te geven en hen te laten focussen op de dringendste dossiers tijdens de pandemie. Het betrof concreet verzekerden die 10 jaar of langer als arbeidsongeschikt erkend waren, ongeacht hun leeftijd, verzekerden van 58 jaar en ouder die minder dan 10 jaar als arbeidsongeschikt erkend waren en verzekerden van 50 tot en met 57 jaar die tussen 5 en 10 jaar arbeidsongeschikt erkend waren. Pas vanaf januari 2024 werd dit systeem hervormd en werd de ziekenfondsen gevraagd een selectie van dossiers te herevalueren, volgens hun mogelijkheden en prioriteiten.

Met andere woorden, mensen die door een bewuste beleidskeuze in een uitzonderlijk statuut werden geplaatst, dreigen nu door dit pensioenplan dubbel gestraft te worden. Vandaar mijn vraag, bent u bereid om deze specifieke groepen, zoals omschreven door minister Vandenbroucke, een uitzondering te geven en expliciet uit te sluiten van de bonus-malusbepaling bij de berekening van hun pensioenrechten?

Jan Jambon:

Je vous remercie pour votre question, même si je constate qu'il circule beaucoup de malentendus sur ce dossier. Permettez-moi de clarifier immédiatement: les personnes qui ont été longtemps malades ne voient pas automatiquement leurs pensions réduites. La réduction de la pension ne s'applique qu'en cas de pension anticipée.

Toute personne qui reste en incapacité de travail jusqu'à l'âge légal de la retraite ou qui reprend le travail à temps plein ou à temps partiel conserve l'intégralité de ses droits à la pension. Pour celles et ceux qui ont été en incapacité de travail pendant une période de jusqu'à sept ans, la pension anticipée sans pénalité reste possible à condition de remplir la double condition de carrière: au moins 35 années de carrière comptant chacune 156 jours prestés et un total de 7 020 jours prestés sur l'ensemble de la carrière. Les périodes de maladie de courte durée, comme le premier mois couvert par le salaire garanti, sont en outre pleinement assimilées à des jours travaillés et n'ont donc aucun impact sur la pension, y compris en cas de pension anticipée.

De plus, nous avons introduit dans l'accord d'été une correction pour maladie. Cette correction permet de réduire le nombre de jours ou de mois manquants pour obtenir une pension anticipée sans pénalité en tenant compte du pourcentage de jours en incapacité de travail pendant toute la carrière. Cette proposition a été approuvée en première lecture dans l'avant-projet de loi qui est pour l'instant soumis à la concertation avec les partenaires sociaux.

Donc, quand les personnes en incapacité de longue durée pour lesquelles la réintégration n'est pas possible restent en incapacité de travail jusqu'à la date légale de la retraite, il n'y a aucune pénalité sur le montant de la pension. En 2020, le conseil médical de l'INAMI a décidé de déclarer toutes les personnes malades de longue durée âgées de 58 ans et plus en incapacité de travail jusqu'à la retraite. La même chose s'est produite pour les 50 à 57 ans qui étaient malades depuis cinq ans.

L'accord de coalition prévoit – et j'ai toute confiance en notre ministre des Affaires sociales – que nous nous engagerons pleinement dans cette législature à la réinsertion des personnes malades de longue durée de manière à ce qu'il soit encore possible de les réintégrer.

Mijnheer Vanbesien, de vermindering is enkel van toepassing op personen die hun pensioen vervroegd opnemen zonder te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de vermindering. De mogelijke toepassing ervan zal voor langdurig zieken bovendien getemperd worden door de toepassing van een ziektecorrectie. Hierbij wordt er rekening gehouden met perioden van ziekte om te bepalen wanneer personen het pensioen kunnen opnemen zonder toepassing van de vermindering. Hierdoor kunnen ze in bepaalde gevallen toch het pensioen opnemen voor ze de wettelijke pensioenleeftijd zonder toepassing van de vermindering bereiken. Bovendien geldt er geen vermindering voor de mensen die in invaliditeit blijven tot aan de wettelijke pensioenleeftijd en rechtstreeks vanuit die situatie met pensioen gaan.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, il n'y avait pas de confusion dans mon chef. Du reste, dans ma question, j'avais bien indiqué: "en cas de pension anticipée". Il était donc bien entendu que je parlais des personnes malades de longue durée qui n'ont pas choisi d'être doublement pénalisées.

J'entends votre propos. Moi-même, j'avais parlé de "correction". Vous y avez réfléchi et avez apporté une correction, mais sans qu'elle résolve le problème dans son ensemble. Je ne suis pas seule à le dire, puisque plusieurs syndicats l'ont également affirmé. Selon eux, cette correction n'atténue pas suffisamment l'ampleur de l'impact négatif sur le droit à partir anticipativement à la retraite.

Je le répète, nous ne parlons pas ici de personnes qui ne veulent pas travailler ni d'un choix, mais de personnes gravement malades ou qui souffrent en raison, peut-être, des conditions de travail. Elles n'ont donc pas à être pénalisées deux fois.

Pour ma part, j'aurais souhaité que non seulement vous corrigiez la mesure, mais que vous preniez conscience de la difficulté éprouvée par ces gens. Je le répète, on ne choisit pas de tomber malade et on n'a pas à le payer deux fois.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, mijn vraag ging specifiek over mensen die het statuut van arbeidsongeschiktheid tot het pensioen van de overheid hebben gekregen. Zij hebben daarvoor niet zelf gekozen. Uit uw antwoord begrijp ik dat de regering zegt dat deze mensen tot aan hun pensioenleeftijd op de ziekenkas moeten blijven staan, wat voor een aantal van die mensen toch wel jammer is. Misschien moeten wij bekijken of er voor hen toch geen andere mogelijkheden zijn.

De pensioenmalus en het zwangerschaps- en ziekteverlof
De uitsluiting van moederschapsrust bij vervroegd pensioen na 42 loopbaanjaren
Pensioenregelingen en arbeidsvoorwaarden voor ouders en langdurige loopbanen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon bevestigde dat moederschapsrust (inclusief gerelateerde verloven zoals zwangerschapsverlof en borstvoedingsverlof) volledig meetelt als gewerkte dagen voor alle vormen van vervroegd pensioen, ook in het nieuwe 60-42-stelsel, na eerdere kritiek op discriminatie en in strijd met EU-wetgeving. De ziektecorrectie voor pensioenmalus blijft complex maar wordt geëvalueerd op praktische haalbaarheid, met aandacht voor zwaar zieken om dubbele straf te vermijden. Kritische parlementsleden Vanrobaeys (Vooruit) en Samyn benadrukten dat het initiële uitsluiten van moederschapsrust de pensioenkloof (25% nadeel voor vrouwen) verergert en waarschuwen voor structurele discriminatie als loopbaanonderbrekingen niet volledig gelijkgesteld worden.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, tijdens het reces ben ik enorm geschrokken toen ik vernam dat in het wetsontwerp over het vervroegd pensioen 60-42, moederschapsrust aanvankelijk niet werd meegeteld. Er kwam daarop forse kritiek van de Gezinsbond, de Vrouwenraad en Mama Baas. Dat is terecht, want dat is immers niet alleen discriminerend, het staat bovendien ook haaks op Europese en Belgische regelgeving. U hebt gezegd dat te zullen rechtzetten.

U zult zich afvragen waarom ik deze vraag nog stel, aangezien u het al hebt rechtgezet, maar ik wil weten of moederschapsrust zonder uitzondering en in zijn geheel zal meetellen als gewerkte periode voor alle vormen van vervroegd pensioen, dus ook voor het stelsel 60-42. Moederschapsrust is één zaak, maar ook werkverwijdering hangt daarmee samen. Sommige vrouwen worden van zodra zij weten dat ze zwanger zijn om gezondheidsredenen van het werk verwijderd. Het gaat dan bijvoorbeeld om vrouwen die werken in labs en kleuterleidsters. Verder is er ook het borstvoedingsverlof. Dat zijn allemaal zaken die samenhangen met de bescherming van de moederschapsrust en die onder dezelfde Europese en Belgische regelgeving vallen.

Zit dat daar allemaal in vervat? Hoe voorkomt u dat soortgelijke voorstellen in de toekomst nog worden ingediend, waardoor iedereen in paniek schiet en u ze uiteindelijk toch moet intrekken omdat ze discriminerend zijn?

Mijn tweede vraag betreft de impactanalyse met betrekking tot de genderkloof, maar u hebt die vanochtend al deels beantwoord.

Mijn laatste vraag betreft de compensatie voor de ziektejaren die is voorzien voor de malus. Ik vind die berekening vrij ingewikkeld. Kunt u die complexe berekening nader toelichten? Hoe garandeert u dat dit voor de Federale Pensioendienst praktisch haalbaar is?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, uit berichtgeving in diverse media blijkt dat uw pensioenplannen oorspronkelijk voorzagen dat de moederschapsrust niet zou meetellen voor de berekening van het vervroegd pensioen bij een lange loopbaan van 42 jaar. Door moederschapsrust uit te sluiten van het criterium van 234 effectief gewerkte dagen per jaar, zou in de praktijk elke moeder per kind een extra jaar langer moeten werken. Dat is een flagrante vorm van discriminatie die bovendien, zoals mijn collega al zei, haaks staat op de Europese en Belgische antidiscriminatiewetgeving. U zou hier nu op terugkomen.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? U zou een wijziging doorvoeren voordat uw tekst voor een nieuwe lezing op de regeringstafel belandt. Werden de wijzigingen reeds besproken? Wat was de reactie van uw collega’s en de sociale partners?

Hoe verklaart u dat een dermate essentiële sociale bescherming als moederschapsrust aanvankelijk niet als gewerkte periode in het nieuwe systeem van vervroegd pensioen in aanmerking werd genomen?

Tot slot, tijdens de plenaire vergadering van 18 september antwoordde u dat periodes van tijdelijke werkloosheid en alle zorgverloven zoals moederschapsrust, ouderschapsverlof, palliatief verlof enzovoort in uw voorstel worden gelijkgesteld met gewerkte periodes, ook in het bonus-malussysteem. Mijn vraag hierbij is wat er onder die ‘enzovoort’ valt. Is dat ook mantelzorg en bij uitbreiding bijvoorbeeld ook de militaire dienst?

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Jan Jambon:

Dank u voor uw vraag. Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen de opening van het recht op vervroegd pensioen en de berekening van het pensioenbedrag. Voor de bestaande mogelijkheden tot opening van het recht op vervroegd pensioen verandert er niets. Moederschapsrust telt daarvoor steeds mee.

Daarnaast wordt in een nieuwe mogelijkheid voor de opening van het recht op het vervroegd pensioen voorzien, waardoor personen vanaf de leeftijd van 60 jaar het vervroegd pensioen kunnen opnemen, mits ze een loopbaan van minstens 42 jaar hebben, waarbij elk jaar minstens 234 effectief gewerkte dagen telt. De nadruk ligt daarbij op effectieve arbeidsprestaties. In alle gevallen wordt moederschapsrust meegeteld in de pensioenberekening voor het vervroegd pensioen. De voorliggende ontwerpteksten veranderen daar niets aan.

Ik kan u ook bevestigen dat ik aan de ministerraad zal voorstellen om in de tweede lezing van het wetsontwerp alle periodes van moederschapsrust gelijk te stellen met gewerkte dagen voor de nieuwe vorm van vervroegd pensioen, vanaf 60 jaar, na 42 gewerkte jaren van minstens 234 gewerkte dagen.

Zoals de benaming aangeeft, blijft een voorontwerp een voorlopige versie van een ontwerptekst. Juist daarom is het essentieel dat een voorontwerp de volledige procedure van meerdere lezingen doorloopt. In elk van die stadia wordt het grondig geanalyseerd, worden opmerkingen geëvalueerd en krijgen alle belanghebbenden de gelegenheid om gehoord te worden. Dat geldt ook binnen het sociaal overleg, waar specifiek aandacht wordt besteed aan mogelijke bezorgdheden. Een wetsontwerp krijgt pas zijn definitieve vorm nadat het in de Kamer werd besproken en goedgekeurd. De periode daaraan voorafgaand is er dan ook uitdrukkelijk op gericht om eventuele onregelmatigheden te detecteren en te corrigeren. Het respecteren van deze termijn en de procedure vormt een fundamenteel onderdeel van het legistieke proces.

Tussen de eerste en tweede lezing van het voorontwerp van de pensioenwet worden op basis van analyses, onder meer van het Federaal Planbureau en de studiedienst van de Federale Pensioendienst, mogelijke aanpassingen grondig geëvalueerd. In overleg met de bevoegde instanties en de voogdijministers worden daarbij oplossingen uitgewerkt, terwijl ook de budgettaire gevolgen in de begroting worden meegenomen.

Elke afzonderlijke maatregel wordt in dit proces zorgvuldig geanalyseerd, net als de bredere gecumuleerde effecten, zodat in de beslissingsfase een volledig en onderbouwd beeld beschikbaar is. Alle elementen worden op die manier opnieuw grondig beoordeeld in de tweede lezing van het wetsontwerp. Met de sociale partners heeft constructief overleg plaatsgevonden binnen diverse overlegorganen, waarvan de laatste sessie in comité A op 24 september werd gehouden.

Voor de voortzetting van het legistieke proces is de ontvangst van de ondertekende protocollen noodzakelijk. We rekenen erop die spoedig te mogen ontvangen, zodat het voorontwerp tijdig aan de ministerraad kan worden voorgelegd voor een tweede lezing.

De berekeningsmethode van de ziektecorrectie die zal worden toegepast bij het vaststellen van de vroegst mogelijke ingangsdatum van een pensioen zonder malus voor een persoon die periodes van langdurige ziekte in zijn loopbaan heeft, kan in een aantal stappen worden uitgelegd.

Stap 1: de vroegst mogelijke pensioendatum wordt bepaald, ongeacht of er op die datum een malus is. Indien uit stap 1 blijkt dat er een malus is en indien wordt vastgesteld dat de betrokkene ziektedagen heeft in zijn loopbaan die niet meetellen als werkelijk gepresteerde diensten, dan wordt bepaald tot welke vroegst mogelijke pensioendatum de betrokkene zou moeten doorwerken om recht te hebben op een pensioen zonder malus. Het aantal maanden wordt bepaald tussen de vroegst mogelijke pensioendatum, zoals bedoeld in stap 1, en de vroegst mogelijke pensioendatum, zoals bedoeld in stap 2.

Vervolgens wordt in stap 4 de ziektecoëfficiënt vastgesteld op basis van de volledige loopbaan zoals ze is op de vroegst mogelijke pensioendatum, zoals bedoeld in stap 1. Deze coëfficiënt is de verhouding tussen het totale aantal ziektedagen gedurende de volledige loopbaan – over alle pensioenstelsels samengesteld – ten opzichte van het totale aantal potentiële werkdagen in de jaren die de betrokkene nodig heeft om recht te hebben op een vervroegd pensioen.

Het aantal maanden, zoals bedoeld in stap 3, wordt vermenigvuldigd met de ziektecoëfficiënt. Het resultaat daarvan vormt het aantal maanden ziektecorrectie. De pensioendatum zal dus verminderd worden met het aantal maanden ziektecorrectie, zoals bedoeld in stap 5. Dat is de vroegst mogelijke pensioendatum waarop de betrokkene zijn pensioen kan opnemen zonder malus.

Met betrekking tot de praktische uitvoerbaarheid van die ziektecorrectie moet ik meedelen dat de analyse daarvan momenteel loopt. Een aanpassing van de maatregelen is niet uitgesloten indien zou blijken dat de ziektecorrectie in haar huidige vorm te moeilijk uitvoerbaar is voor de administratie.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Ik heb twee opmerkingen. Ten eerste, voor die 60-42 is er inderdaad een bijkomende mogelijkheid tot vervroegd pensioen. Ik heb er geen probleem mee dat daar bijkomende voorwaarden voor effectieve tewerkstelling aan worden gekoppeld. U hebt ook duidelijk gezegd dat dit geldt voor alle periodes van moederschapsrust. Ik heb er een aantal opgesomd. Ik ga ervan uit dat die ook worden meegerekend. Tot nu toe zijn vrouwen de enigen die kinderen kunnen krijgen. Het zou pure discriminatie zijn als die periodes niet meetellen. Dat moet op alle mogelijke vlakken met arbeidsdagen worden gelijkgesteld.

Ten tweede, ik heb genoteerd dat er vijf stappen zijn, maar ik blijf het toch vrij complex vinden. Ik hoor dat dit eventueel op basis van de uitvoerbaarheid voor de administratie kan worden aangepast.

Ik herinner u ook aan de brief van Kom op tegen Kanker en de oproep van het Vlaams Patiëntenplatform. Dat zijn toch de mensen om wie het hier gaat: mensen die tegenslag kennen, mensen die zwaar ziek zijn, mensen met kanker die tijdens hun loopbaan ziek worden, opnieuw aan het werk gaan, maar door de therapie die ze hebben ondergaan andere kwalen kregen waardoor ze soms opnieuw uitvallen. Voor Vooruit is het belangrijk dat goed wordt nagegaan op welke manier die ziekteperiodes worden meegeteld. Mensen die al eens tegenslag in hun leven hebben gehad, worden anders een tweede keer gestraft. Dat kan echt niet.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, het feit dat uitsluiting van de moederschapsrust behouden bleef in het voorstel is op zijn zachtst gezegd toch opmerkelijk te noemen. U weet dat vrouwen vandaag gemiddeld 25 % minder pensioen ontvangen dan mannen. Dat is het gevolg van lagere lonen, deeltijds werk en loopbaanonderbreking om voor kinderen, gezin en familie te zorgen. Toch overwoog u om zelfs het moederschapsverlof niet mee te tellen in de loopbaan. Dat is op zijn minst gezegd opmerkelijk. Bovendien – u mag mij dat kwalijk nemen of niet – bestaat de vrees dat uw hervorming deze ongelijkheid nog zal vergroten. Het is nog altijd wachten op uw hervormingsvoorstel en als ik de voorgaande collega hoor, begrijp ik dat nog niet alles is besproken. Ik hoop dus dat er effectief maatregelen worden genomen om die pensioenkloof te dichten, anders blijft ook uw beleid vrouwen structureel straffen voor hun maatschappelijke bijdrage.

De onduidelijkheid over de met effectief werk gelijkgestelde perioden i.h.k.v. de zorgverloven
De gelijkgestelde periodes bij de pensioenmalus
De verwarring over de met effectief gewerkte periodes gelijkgestelde periodes van zorgverlof
Gelijkgestelde periodes bij zorgverlof en pensioenmalus

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de assimilatie van zorgverloven (zoals ouderschapsverlof, mantelzorg en ziekte) als "effectief werk" voor pensioenrechten (minimumpensioen, vervroegd pensioen, bonus-malus). Minister Jambon bevestigt dat *alle* zorgverloven (inclusief onbetaalde, binnen een quotum van max. 24 maanden voltijds) en tijdelijke werkloosheid volledig meetellen voor pensioenopbouw, maar arbeidsongeschiktheid door beroepsziekten/ongevallen leidt wél tot malus—wat kritiek uitlokt. Onduidelijkheid blijft over specifieke uitzonderingen (bv. coronaperiode, gedeeltelijke werkhervatting na zware ziekte) en het behoud van onderscheid tussen arbeiders/bedienden. Doel is gelijkheid voor mantelzorgers (vooral vrouwen), maar de complexe regels zorgen voor verontwaardiging.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, vous avez annoncé que dans le cadre des conditions d'accès à la pension minimale et au système de bonus-malus, les périodes de congés de soins seraient assimilées à du travail effectif. C'est évidemment indispensable; le contraire serait intolérable. Mais le cadre annoncé reste assez flou et imprécis.

En effet, la liste des congés de soins pris en compte apparaît incomplète. Des situations importantes, comme le crédit-temps pour soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, ou encore le crédit-temps pour soins à son enfant mineur gravement malade, ne semblent pas incluses. Or ces absences créent non seulement une inégalité de traitement entre les formes de congés de soins mais aussi une grande incertitude pour les travailleurs et travailleuses qui ont dû y recourir.

Vous avez indiqué vouloir uniformiser les différentes interprétations de la notion de "travail effectif" et veiller à ce que toutes les périodes de congés de soins soient assimilées. Pourtant, à ce stade, les périodes énoncées diffèrent selon les mesures: malus, droit à la pension anticipée, pension minimum.

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous clarifier sans ambiguïté quels types de congés de soins seront effectivement assimilés à du travail effectif, que ce soit dans le calcul des droits à la pension minimale, à la pension anticipée ou au bonus-malus?

Présidente: Ellen Samyn.

Voorzitster: Ellen Samyn.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, welke zorgverloven worden effectief gelijkgesteld? Bestaat er daarbij een maximaal aantal dagen of jaren zorgverlof?

Worden arbeidsongevallen of beroepsziektes ook als ziekte in aanmerking genomen voor de malus die u wilt invoeren of is daarvoor een uitzondering uitgewerkt? Er kan immers weinig discussie over bestaan dat er in die gevallen een rechtstreeks verband is met het werk.

Als ik het goed begrijp, zou voor iemand die herstelt van een zware ziekte, bijvoorbeeld kanker, en die vanaf 1 februari deeltijds het werk hervat, dat volledig jaar niet meetellen. De motivatie om op die manier het werk te hervatten, wordt daarmee niet echt vergroot. Hoe ziet u dat?

Wordt er een uitzondering gemaakt voor de werknemers die ziek waren tijdens de coronaperiode? Dat gaat immers om zeer veel mensen. Een arbeider die in die periode halftijds gewerkt heeft en twee weken ziek was, zou ook een volledig jaar verliezen.

In een vorige commissievergadering hebt u verklaard dat korte ziekteperiodes niet zouden meetellen voor de malus. Voor arbeiders wordt de limiet op twee weken en voor bedienden op een maand ziekte gelegd. Het Grondwettelijk Hof heeft ongeveer vijftien jaar geleden geoordeeld dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet meer van deze tijd is. Met de nieuwe regeling wilt u dat onderscheid echter opnieuw implementeren in de wetgeving. De vraag dringt zich op of dat onderscheid de toets van het Grondwettelijk Hof zal doorstaan. Het in stand houden van dat onderscheid lijkt me zeer discutabel.

Worden de periodes van tijdelijke werkloosheid, bijvoorbeeld om technische of economische redenen, of wegens overmacht, allemaal gelijkgesteld? Bestaat er daarvoor een maximaal aantal dagen?

Kunt u een opsomming van de gelijkgestelde periodes voor de malus geven? Op die manier krijg ik een goed overzicht van de beoogde regeling.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, notre législation prévoit actuellement que certaines périodes d'interruption de carrière ou d'absence, notamment les congés pour soins, seront assimilées à du travail effectif pour le calcul de la pension. Cette reconnaissance est évidemment essentielle pour ne pas pénaliser celles et ceux qui s'arrêtent temporairement de travailler afin de prendre soin d'un proche malade, d'un parent âgé ou d'un enfant en situation de handicap, toute une série de missions que ces personnes effectuent à la place de l'État.

Or, dans votre réforme, il apparaît que des confusions persistent quant à la prise en compte ou non de ces périodes. Pour de nombreux bénéficiaires, c'est l'incertitude. Ils ont des difficultés à comprendre encore aujourd'hui quelles absences seront effectivement assimilées ou non. Même les services administratifs peinent à leur donner des réponses claires. Cela crée évidemment beaucoup d'insécurité et de tracas, ainsi qu'un sentiment d'injustice pour les familles concernées, qui sont déjà dans des situations de grande vulnérabilité et qui ont beaucoup donné pour la collectivité.

Monsieur le ministre, quelles catégories de congés pour soins sont actuellement reconnues comme périodes assimilées? Quelles limites existent dans cette assimilation? Quel mécanisme de clarification et de simplification allez-vous mettre en place pour éviter que des citoyens et citoyennes ne soient perdus dans des règles techniques complexes? Envisagez-vous d'élargir la reconnaissance des congés pour soins comme périodes assimilées afin de renforcer la solidarité et la justice sociale, notamment en matière d'égalité entre les femmes et les hommes? On sait que ce sont en général les femmes qui interrompent leur carrière pour donner des soins aux autres. Il serait quand même de bon aloi de leur rendre la pareille au moment du calcul de leur pension.

Jan Jambon:

Comme je l'ai déjà indiqué dans la déclaration de politique générale, nous avons donné instruction d'élaborer une définition uniforme du travail effectivement presté.

Je tiens à souligner que nous ne touchons pas aux congés pour soin. Le congé de naissance, le congé parental, le congé d'adoption et d'accueil ainsi que toutes les formes de chômage temporaire sont considérés comme des jours effectivement prestés sans durée maximale. La réforme des pensions que nous mettons en œuvre prend donc bien en compte la carrière des femmes qui travaillent relativement souvent à temps partiel et assument davantage de responsabilités familiales.

Toutes les périodes pour congé pour soins resteront également assimilées au dernier salaire perçu pour l'acquisition de la pension et ne seront pas prises en compte pour le plafond des périodes assimilées, qui passera d'un maximum de 40 % à un maximum de 20 % dans les années qui suivent.

De tijdelijke werkloosheid blijft volledig gelijkgesteld met het laatstverdiende loon voor de pensioenopbouw en telt volledig mee als gewerkte dagen voor de werkvoorwaarden om bij vervroegd pensioen aan de pensioenmalus te ontsnappen en om voor vervroegd pensioen vanaf 60 jaar, met 42 loopbaanjaren van elk minstens 234 gewerkte dagen, in aanmerking te komen.

Voor de pensioenmalus geldt bovendien het volgende. Dagen van arbeidsongeschiktheid na een arbeidsongeval of beroepsziekte tellen niet mee als effectief gewerkte dagen, maar worden wel meegerekend voor de ziektecorrectie. Bij een gedeeltelijke werkhervatting na een ernstige ziekte tellen de dagen die iemand werkt, wel mee als effectief gewerkte dagen. De dagen van arbeidsongeschiktheid tellen mee voor de ziektecorrectie.

Ook in het pensioenstelsel voor ambtenaren blijven zorgverloven meetellen voor de opening van het recht op vervroegd pensioen. Federale zorgverloven met een RVA-uitkering blijven onbeperkt meetellen. Andere onbetaalde zorgverloven zullen vanaf 1 januari 2026 meetellen binnen een quotum: 24 maanden voltijds, 48 maanden halftijds en 120 maanden bij een vermindering van een vijfde.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, vous avez encore accéléré à la fin. Il faut que nous suivions. Il est difficile de prendre note.

Avez-vous bien dit que les congés de soins étaient assimilés à du travail effectif pour le droit à la pension, mais aussi pour le calcul de la pension anticipée, pour la pension minimale et au niveau du bonus-malus? C’est donc pris en compte pour l’ensemble. D’accord. Merci.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat de niet-betaalde zorgverloven nog gelden voor een periode van 24 maanden. Alle andere periodes worden gelijkgesteld en cumulatief.

Ik onthoud ook dat mensen die een arbeidsongeval of een beroepsziekte hebben gehad, wel een malus krijgen. Zij hebben dus pech gehad. Uiteraard telt die periode van ziekte mee voor de ziektecorrectie. Het zou totaal absurd zijn als die werd weggelaten. Het is evident dat die meetellen, maar het blijft toch opmerkelijk dat werknemers door een ziekteperiode die te wijten is aan het werk, een malus kunnen krijgen. Dat vind ik echt straf. Ik denk dat veel mensen daarover zeer verontwaardigd zullen zijn. Ik heb al veel berichten gekregen van werknemers die aanklagen dat ze er niets aan konden doen, maar daarvoor toch een malus in hun pensioen krijgen.

Ik heb ook genoteerd dat de periodes van alle vormen van tijdelijke werkloosheid gelijkgesteld worden.

Dank u voor uw toelichting, mijnheer de minister.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le ministre pour les éléments de réponse. C’est bien noté. De voorzitster : Mevrouw Irina De Knop is niet aanwezig om haar vraag nr. 56007619C te stellen. Vraag nr. 56007669C van mevrouw Natalie Eggermont wordt op haar vraag naar een volgende vergadering uitgesteld.

De afschaffing van het tijdelijke pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid
De hervorming van de TAVA
Hervorming van arbeidsongeschiktheids- en pensioenregelingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming schaft per 1 januari 2026 het tijdelijk ambtenarenpensioen bij lichamelijke ongeschiktheid af, waarbij nieuwe gevallen naar het RIZIV-invaliditeitsstelsel worden verwezen, maar bestaande rechten behouden blijven en re-integratieverplichtingen voor werkgevers worden versterkt. Kritiek richt zich op het ontbreken van een soepele overgangsperiode, het risico op precaire situaties (met name voor jongeren en gezinnen) en de praktische haalbaarheid van Medex-termijnen, terwijl minister Jambon benadrukt dat niemand in financiële nood zal belanden dankzij minimumbedragen (tot €2.260 bruto) en cumulregels. Vanrobaeys hamert op verantwoordelijkheid openbare diensten om re-integratie en preventie serieus te nemen, niet enkel door te schuiven naar RIZIV/VDAB, terwijl Dedonder de haastige invoering en mogelijke CEDH-schendingen (rechtszekerheid, acquis-bescherming) aanvecht. Jambon wijst op overleg met Ambtenarenzaken en belooft budgettaire opvolging, maar concrete cijfers en langetermijneffecten blijven onduidelijk.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, la réforme que vous préparez va supprimer la pension temporaire pour certains agents dès le 1 er janvier 2026. Cela veut dire que, du jour au lendemain, des personnes qui bénéficiaient de ce mécanisme vont se retrouver basculées sans transition vers le régime d’incapacité ou d’invalidité.

C’est un changement très brutal: pas de période d’adaptation, pas d’exception, pas même de filet de sécurité pour ceux déjà concernés.

Beaucoup d’agents, parfois fragilisés par la maladie ou un accident, vont perdre du jour au lendemain leur droit à une pension transitoire, ce qui risque de les plonger dans une grande incertitude et de créer un sentiment d’injustice. Des agents se retrouveraient en effet privés du jour au lendemain de droits qui leur avaient été reconnus ou promis, sans bénéfice de modalités transitoires, ni reconnaissance de leur situation particulière.

Une suppression immédiate du régime, sans aucune mesure transitoire, pourrait être considérée comme disproportionnée et contestable au regard des principes d’égalité, de proportionnalité et de protection des droits acquis formulés notamment par la Cour européenne des droits de l’homme (CEDH).

Monsieur le ministre, comment justifiez-vous une mise en œuvre aussi rapide, qui ne laisse aucune marge pour s’adapter ni prendre en compte les situations déjà en cours? Avez-vous prévu des mesures transitoires, des exceptions ou un accompagnement pour protéger les droits acquis et éviter de mettre des agents en difficulté? Ne craignez-vous pas de voir votre réforme attaquée devant la Cour constitutionnelle?

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, de ambtenaren met wie ik spreek, maken zich ernstige zorgen over de aangekondigde afschaffing van tijdelijk pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid. Sinds 1 januari 2025 worden ambtenaren niet langer definitief, maar tijdelijk op medisch pensioen gesteld. Dat vind ik een goede zaak, want vroeger werden ambtenaren soms op jonge leeftijd met vrijwel niets aan definitief pensioen gewoonweg thuis in een hoek geduwd, zonder enige kans op re-integratie.

Dat hebben we veranderd met de TAVA. Het tijdelijk ziektepensioen, een wat vreemde naam, zou vanaf 2028 worden vervangen door de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, de TAVA.

Nu komen de zaken daaromtrent in een stroomversnelling terecht. Waarover maken de ambtenaren zich zorgen? Het TAVA-stelsel voorziet in een hoger minimumbedrag en extra ondersteuning bij re-integratie dan wat ambtenaren onder het huidig systeem van het RIZIV ontvangen. Daarbij is een overgangsperiode van kracht: men moet vóór 30 november 2025 een beslissing van Medex hebben gekregen om nog te kunnen instromen in het medisch pensioen. Nadien valt men terug op wachtgeld en bij blijvende ongeschiktheid wordt men overgeheveld naar het RIZIV.

Ik heb daar een aantal praktische, maar ook juridische en financiële vragen bij. Vooreerst vraag ik mij af of de termijnen voor Medex praktisch haalbaar zijn. Ik hoor van ambtenaren en ook vanuit Medex dat het voor hen onhaalbaar is om alle aanvragen vóór 30 november te behandelen. In welke mate kunnen betrokkenen dan instromen, dan wel worden overgeheveld naar het RIZIV?

Hoeveel ambtenaren vallen volgens uw ramingen onder de overgangsregeling, hoeveel zullen vervroegd met pensioen gaan en hoeveel zullen naar het RIZIV overgeheveld?

De kwestie raakt ook aan het ambtenarenstatuut, want het TAVA-stelsel hangt daar nauw mee samen. Is er overleg geweest met de minister van Ambtenarenzaken? Hoe beoordeelt u de rechtsgrond en de bevoegdheidsafbakening?

Het minimumbedrag van de TAVA lag hoger dan de uitkering bij invaliditeit. Kunt u concrete cijfers geven over de verhouding tussen de minimumuitkeringen van de TAVA en de invaliditeitsuitkering voor samenwonenden zonder gezinslast?

Wat ik het belangrijkste vind, is dat bij de TAVA een aantal bepalingen waren opgenomen om ook de openbare diensten een verantwoordelijkheid te laten opnemen inzake re-integratie. Dat zie ik te weinig terug in wat voorligt, terwijl ik het zeer belangrijk vind dat openbare diensten hun ambtenaren niet zomaar naar het RIZIV doorschuiven en via de VDAB bij een andere werkgever laten re-integreren. Openbare diensten dienen zelf inspanningen te leveren om langdurig zieke personeelsleden binnen hun dienst opnieuw kansen te bieden.

Ik vraag me af welke waarborgen u daarvoor voorziet. Wat is de impact en wat zijn de budgettaire gevolgen?

Jan Jambon:

Mesdames, l'accord de gouvernement prévoit la cessation de nouvelles entrées dans la pension pour inaptitude physique à partir du 1 er janvier 2026. Les fonctionnaires qui seront licenciés d'office pour inaptitude physique après le 30 novembre 2025 ne pourront plus prétendre à une pension pour inaptitude physique. À partir du 1 er janvier 2026, ils pourront bénéficier d'une allocation d'invalidité. Si le statut administratif et salarial du fonctionnaire déclaré inapte n'autorise pas le licenciement pour raison physique, ce fonctionnaire restera à la charge de l'employeur avec maintien total ou partiel de son traitement. Aucun fonctionnaire déclaré inapte ne se retrouvera donc dans une situation précaire à partir du 1 er janvier 2026. Au contraire, les situations difficiles où de jeunes fonctionnaires mariés avec enfants percevaient une pension minimale pour inaptitude physique, ne représentant que quelques centaines d'euros par mois, appartiendront au passé.

Cette réforme n'affecte pas les droits de ceux qui, au 31 décembre 2025, bénéficient déjà d'une pension temporaire ou définitive pour inaptitude physique. Ils conservent leur pension, et les dispositions existantes concernant le supplément minimum garanti et le supplément pour handicap sévère restent applicables. De plus, les règles concernant le cumul de ces suppléments avec les revenus d'une activité professionnelle propre sont considérablement assouplies. Les pensionnés peuvent cumuler librement jusqu'à un revenu professionnel brut annuel de 10 117 euros en tant que salarié ou fonctionnaire, ou un revenu net imposable de 8 093 euros en tant qu'indépendant. En cas de charge familiale, ces montants sont augmentés de 50 %. En cas de dépassement, les suppléments sont réduits progressivement et proportionnellement, et non suspendus intégralement. Des mesures transitoires sont également prévues pour ceux qui bénéficient au 31 décembre d'une pension temporaire pour inaptitude physique. Ces fonctionnaires peuvent reprendre leur service. Si la réintégration échoue, leur pension temporaire est convertie en pension définitive pour inaptitude physique.

Le projet de loi préliminaire visant à abolir la pension pour inaptitude physique a été largement discuté avec les cellules politiques du ministre en charge des fonctionnaires. En tant que ministre des Pensions, je suis compétent pour toutes les pensions du secteur public, à l'exception des pensions des organismes et des entités fédérées visées à l'article 9 de la loi spéciale de 8 août 1980.

Pour ces organismes, dont le régime des pensions est fixé par décret ou par ordonnance, le projet de loi préliminaire ne s’applique pas. Lorsque les dispositions concernent le statut administratif du personnel pour lequel l’État fédéral n’est pas compétent, elles restent subsidiaires, et les autorités concernées peuvent appliquer des dispositions statutaires propres et différentes.

Vanaf 1 februari 2025 bedraagt het gewaarborgd minimumrustpensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid 2.260,60 euro bruto per maand voor een gehuwde en 1.808,55 euro voor een alleenstaande, zonder rekening te houden met het inkomen van de partner. Een vergelijking met de arbeidsongeschiktheidsuitkering is niet meteen mogelijk, aangezien daarvoor andere dagtarieven gelden – het betreft een stelsel van zes dagen per week – en de gezinstoestand niet volledig overeenkomt met de situatie die bepalend is voor het minimum bij lichamelijke ongeschiktheid.

De verplichting voor werkgevers en bevoegde overheden om de nodige inspanningen te leveren voor de re-integratie van langdurig zieke personeelsleden is expliciet opgenomen in het voorontwerp. Alleen wanneer de bevoegde medische dienst vaststelt dat de werkgever die inspanningen heeft geleverd, kan een personeelslid voor onbepaalde duur medisch ongeschikt worden verklaard. Werkgevers die onvoldoende inspanningen leveren, kunnen het langdurig zieke personeelslid niet ontslaan. Het afwezige personeelslid blijft in dat geval ten laste van de werkgever.

Medex, het Medisch Expertisecentrum Arbeidsgeschiktheid van het Bestuur van de medische expertise van de FOD Volksgezondheid, zal die inspanningen beoordelen volgens de criteria van het koninklijk besluit van 18 oktober 2024. Andere bevoegde medische diensten, bij HR Rail, de geïntegreerde politiediensten en Defensie, dienen de bepalingen inzake het re-integratietraject in de Codex over het welzijn op het werk te volgen.

De impact en de budgettaire gevolgen voor het RIZIV vallen onder de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken. Het beleid streeft ernaar de werkgevers maximaal te responsabiliseren bij re-integratie, zodat de overgang voor de ambtenaren zo soepel mogelijk verloopt. Op dit moment is het moeilijk om precieze budgettaire gevolgen te bepalen, maar die worden nauwlettend opgevolgd in overleg met de minister van Sociale Zaken, met als doel een evenwichtige en sociaal verantwoorde uitvoering van de maatregelen.

Ludivine Dedonder:

Merci. Je prendrai le temps d'analyser votre réponse. J'ai le sentiment que vous vous précipitez dans cette réforme sans avoir mesuré les effets de la réforme précédente qui était en train, d'après les chiffres que j'ai sous les yeux, de porter ses fruits. Je reviendrai certainement vers vous pour une prochaine question.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, dank voor uw verduidelijking. Daarnet heb ik al gezegd dat ik het zeer belangrijk vind dat werkgevers die onvoldoende inspanningen leveren om die ambtenaren te re-integreren, die ambtenaren niet mogen ontslaan. Ik heb begrepen dat Medex dat zal beoordelen. Ik vind dat een belangrijk principe, zeker wanneer het gaat om mensen met een burn-out. Voor openbare diensten is het overigens ook een manier om lastposten, mensen die hun mond open durven te doen om bepaalde veranderingen door te voeren, in de hoek te zetten. Door die ambtenaren op medisch pensioen te zetten, is de dienst van hen verlost. De wijze waarop dat beoordeeld zal worden, is heel belangrijk. Ik hoop echt dat Medex daarop volop zal inzetten en dat de openbare diensten daadwerkelijk zullen worden geresponsabiliseerd om een degelijk beleid te voeren, niet alleen inzake re-integratie, maar ook inzake preventie. Zo kan worden vermeden dat te veel mensen naar het RIZIV moeten afvloeien en dat, zoals vroeger, veel mensen op jonge leeftijd worden afgedankt en met een appel en een ei moeten rondkomen.

Het niet meetellen v.d. periode van legerdienst (dienstplicht/gewetensbezwaarde) voor het pensioen

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder vraagt of dienstplicht of dienst als gewetensbezwaarde niet meetelt voor pensioenopbouw, wat volgens vakbonden het geval lijkt—ondanks dat dit voor 1995 verplicht was. Jan Jambon bevestigt dat deze periodes wel degelijk meetellen (als functionaris of loontrekkende, mits geen dubbeltelling), maar de definitieve regels voor anticipeerd pensioen (60 jaar/42 jaar carrière)—waarbij 234 werkdagen/jaar vereist zijn—moeten nog worden vastgelegd. Dedonder kaart aan dat 42 jaar carrière voor 60-jarigen onrealistisch is (startleeftijd 16-18 jaar, met verliesjaren door studies/geboortemaand), en hoopt op duidelijke erkenning van militaire dienst.

Ludivine Dedonder:

Ma question porte sur le service militaire obligatoire et au-delà.

Nous avons pu lire dans différentes sorties des syndicats de défense que la période de service militaire obligatoire ou de service comme objecteur de conscience ne serait pas assimilée à une période de travail. S'ils ont vu juste, cela signifierait qu'un jeune s'étant engagé dans un service à la collectivité, ayant donné deux années de sa vie à l'État dans un service d'intérêt général, une belle cause, ne pourrait pas les voir valorisées parmi ses années de carrière pour la pension alors que, jusqu'en 1995, il n'avait de toute façon pas le choix que d'effectuer ce service. Cela envoie un signal négatif au moment où le vote de la fameuse loi sur le service volontaire nous est proposé.

J'aimerais vous entendre clarifier ces éléments. Est-il correct que ces périodes ne seront pas assimilées à du travail pour la condition de travail que vous mettrez en place pour l'accès à la pension anticipée ou la pension minimum?

Jan Jambon:

Madame Dedonder, le service militaire obligatoire ou d'objection de conscience est depuis longtemps pris en compte pour la condition de carrière et le calcul de la pension.

Il est possible de partir à la retraite anticipée dès l'âge de 60 ans (si la carrière est de 44 ans), 61 ou 62 ans (si la carrière est de 43 ans) ou à partir de 63 ans (si la carrière est de 42 ans). Pour cette définition d'une année de carrière, les périodes de service militaire sont ici considérées comme périodes de service effectivement prestées dans le régime des fonctionnaires. Si vous n'avez pas de carrière comme fonctionnaire, le Service fédéral des Pensions intègre ces périodes de service militaire dans le régime des salariés si elles n'ont pas été validées dans un autre régime de pension, en tant que fonctionnaire ou indépendant, et si elles sont suivies d'une activité en tant que salarié. Tout cela est clairement expliqué sur le site web du Service fédéral des Pensions.

Il n'est donc pas nécessaire d'inquiéter les citoyens car rien ne change et cela existe depuis longtemps.

À part cela, l'accord de gouvernement prévoit une nouvelle possibilité pour partir à la retraite anticipée dès l'âge de 60 ans, à partir de 42 ans de carrière comptant 234 jours effectivement travaillés par an. La liste définitive des périodes effectivement travaillées sera établie à l'issue de la concertation au sein du gouvernement.

Cette décision, sur les nouvelles possibilités de partir à la retraite anticipée, est encore à prendre.

Ludivine Dedonder:

J'entends que la liste va seulement être prise en compte. Mon objectif n'est certainement pas d'inquiéter, mais j'ai lu, comme beaucoup, que les représentants syndicaux dénoncent cette réforme dans le secteur de la défense notamment. J'espère que le service pourra être assimilé. Ce serait quand même le minimum. Par ailleurs, vous reprenez toujours l'exemple d'un départ à la retraite à 60 ans avec les 42 années, moyennant 234 jours. J'entends, c'est effectivement noté. Mais si on veut être de bon ton, il convient de reconnaitre que dans les faits, ça n'arrive jamais. Il faudrait commencer à travailler à 18 ans pour pouvoir partir à la retraite à 60 ans après 42 années. Il faut 234 jours. Imaginons que tout le monde commence à travailler. On a son diplôme au mois de juin ou de septembre. Automatiquement, la première année ne compte pas 234 jours, elle sort. Idem si vous avez le malheur d'être né au mois de mars, parce que votre dernière année ne compte pas. Cela signifie a minima que pour pouvoir partir à 60 ans, il faudrait commencer à travailler à 16 ans. Vous dites qu'il ne faut pas inquiéter les gens, mais il faut aussi être de bon ton. Partir à 60 ans avec 42 années, dans les faits, vous n'y arrivez pas en commençant à 18 ans, c'est ce que je tenais à souligner. Nous y reviendrons. J'espère en tout cas que tout cela va se mettre en place pour le service militaire.

De haalbaarheid en budgettaire impact van de geplande pensioenhervorming

Gesteld door

VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon ontkent dat de Federale Pensioendienst uitstel vraagt voor de pensioenhervorming (2026), ondanks interne waarschuwingen over IT-achterstanden (mypension.be pas operationeel in 2026-2027) en budgettaire gevolgen (€36M verlies in 2026, €62M in 2027 bij vertraging). Hij benadrukt dat technische aanpassingen tijdig zullen gebeuren, maar Ellen Samyn blijft sceptisch over de haalbaarheid zonder concrete garanties. De kernkwestie draait om realistische planning versus politieke vastberadenheid.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, al een paar weken wordt er verwezen naar de interne nota van de Federale Pensioendienst. Volgens die dienst zou de invoering van de pensioenhervorming in de praktijk blijkbaar pas eind 2027 mogelijk zijn.

De administratie spreekt zelfs van een ongeziene uitdaging, vooral om de IT-systemen en de berekeningen tijdig aan te passen. Naar verluidt kan de administratie haar IT-systemen pas aanpassen nadat de wetteksten ter beschikking zijn. Dat betekent dat zelfs mypension.be – de website waarop men zijn pensioendatum kan raadplegen –maandenlang geen duidelijkheid kan geven.

Blijkbaar zou het pas in het najaar van 2026 voor alle werknemers mogelijk zijn om hun juiste pensioendatum te kennen. Ambtenaren zouden zelfs moeten wachten tot begin 2027. U zou echter bij uw standpunt blijven, mijnheer de minister, dat uitstel uitgesloten is.

Hoe beoordeelt u de waarschuwing van de Federale Pensioendienst dat de voorziene timing met ingang op 1 januari 2026 niet haalbaar is? Welke concrete stappen hebt u al gezet om de praktische en technische knelpunten die de administratie aankaart te verhelpen, indien blijkt dat de geplande startdatum toch niet haalbaar zou zijn? Welke alternatieve scenario's overweegt u om rechtszekerheid te bieden aan werknemers en gepensioneerden?

Kunt u toelichten wat de budgettaire impact zou zijn indien de hervorming effectief pas in 2027 of later in werking kan treden, gelet op de voorziene opbrengsten van 62 miljoen euro in 2026 en 218 miljoen euro in 2027? Vermoedelijk ken ik uw antwoord op die vraag al.

Jan Jambon:

Mevrouw Samyn, de eerste vragen heb ik vanochtend al beantwoord. De Federale Pensioendienst vraagt geen uitstel. De pers heeft zich gebaseerd op een intern werkdocument. De Federale Pensioendienst stelt alles in het werk om op tijd te kunnen starten.

In antwoord op uw budgettaire vraag, de hypothese dat de invoering van de bonus-malus van 2026 naar 2027 opschuift, zou de geactualiseerde geraamde opbrengst doen dalen met 36 miljoen euro in 2026 en met 62 miljoen euro in 2027.

De reden waarom deze impact eerder beperkt zou zijn, is dat de door u vermelde opbrengsten van 62 en 218 miljoen geraamde besparingen zijn van twee maatregelen, namelijk enerzijds de afschaffing van de huidige pensioenbonus en anderzijds de invoering van de bonus-malus begin 2026. Het grootste deel van de te verwachten opbrengst op korte termijn komt van de afschaffing van de huidige bonus.

Er is dus geen vraag van de Pensioendienst tot uitstel. Ik vind het heel spijtig dat de pers dit niet heeft rechtgezet, nadat de Pensioendienst contact opnam naar aanleiding van dat artikel.

Ellen Samyn:

Ik heb het ook niet gehad over de vraag tot uitstel. Ik heb alleen aangegeven dat uit een interne nota blijkt dat. Zo blijkt bijvoorbeeld ook dat de IT-systemen niet aangepast zijn of nog niet aangepast kunnen worden zolang uw wetteksten er niet zijn. Ik had graag nog een antwoord gekregen op die vraag. Vorig weekend stond er nog een artikel in de krant. Mypension kan niet geraadpleegd worden.

Mijn vraag was eigenlijk hoe u dat ziet. Hoe staat het met de IT-systemen? Voorziet u daar problemen mee? Zegt u dat op 1 januari 2026 alles in orde zal zijn, dat de IT-systemen zullen werken, of verwacht u problemen?

Jan Jambon:

Er zijn maatregelen die in 2026 ingaan en er zijn maatregelen die in 2027 ingaan. Voor de respectieve maatregelen zal men op tijd klaar zijn. Dat wil zeggen dat voor de maatregelen die in 2027 ingaan, mypension in de loop van 2026 aangepast zal zijn. Voor de maatregelen die in 2026 ingaan, zal mypension op tijd klaar zijn.

Ellen Samyn:

Ik denk dat we u daarover nog zullen kunnen bevragen.

De vraag van de FPD om de toepassing van de pensioenmalus uit te stellen
De vraag van de FPD over de administratieve uitvoering van de pensioenhervorming
Het uitstel van de pensioenhervorming
De timing van de pensioenhervorming
Debatten over uitstel en uitvoering van de pensioenhervorming

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming (met malus-systeem) dreigt door operationele en IT-problemen (o.a. onvolledige registratie gelijkgestelde periodes, complexe berekeningen) chaos te veroorzaken bij de geplande invoering op 1 januari 2026, ondanks minister Jambons vasthouden aan die datum. Interne SFP-nota’s waarschuwen voor risico’s—zoals foutieve berekeningen en vertraagde communicatie via *mypension.be*—maar Jambon bagatelliseert dit, wijzend op "80% gereed" en een gefaseerde invoering (2026-2027), met 4-maandstermijn voor definitieve pensioenmededelingen. Oppositie en sociale partners eisen uitstel (minstens tot 1 mei 2026) en transparantie (vrijgave SFP-nota’s), verwijtend dat haast ten koste gaat van rechtszekerheid—met name voor werknemers met complexe loopbanen (bv. oude tijdelijke werkloosheid). Jambon weigert uitstel maar belooft garanties (gehandhaafde termijnen, stapsgewijze IT-updates) en permanent overleg met SFP, zonder concrete oplossingen voor structurele knelpunten.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, depuis quelques jours, des signaux se multiplient autour de la réforme des pensions.

D’un côté, un rapport interne du Service fédéral des Pensions (SFP), révélé par la presse, fait état de problèmes opérationnels majeurs quant à l’application, dès janvier 2026, de votre réforme et de son mécanisme de malus. On parle de retards informatiques, d’incertitudes juridiques, de difficultés à distinguer certaines périodes assimilées – ce que nous avons encore constaté aujourd’hui – ainsi que de pertes possibles de confiance dans "mypension.be". Bref, un risque de chaos administratif qui plongerait des milliers de citoyens dans l’incertitude.

De l’autre côté, ce week-end, le SFP a publié – comme par hasard – un démenti officiel affirmant n’avoir jamais demandé de report, tout en reconnaissant que cette réforme est d’une complexité élevée, tant en termes de mise en œuvre que de communication aux citoyens.

Nous avons donc, d’un côté, la réalité, à savoir une note interne où l’ensemble des services du SFP s’inquiètent de la faisabilité de cette réforme et des conséquences qu'elle pourrait avoir. De l’autre côté, nous avons une façade rassurante, construite pour répondre aux exigences du ministre, où l’on affirme que tout va bien.

Vous-même avez confirmé que vous mainteniez le cap – ce que nous savions – et que vous entendiez respecter coûte que coûte le calendrier de janvier 2026.

Ces déclarations contradictoires sèment davantage le doute, tant chez les citoyens que chez les partenaires sociaux. Les représentants professionnels, via l’Union des Classes Moyennes (UCM), demandent un report pragmatique d’un an pour sécuriser la mise en œuvre. Les partenaires sociaux, eux, avertissent que le calendrier imposé n’est pas viable. Pendant ce temps, les ouvriers, les employés et les indépendants ne savent plus à quoi s’en tenir.

Pouvez-vous garantir que les droits des citoyens seront correctement calculés dès janvier 2026, alors même que l’administration reconnaît être dans une situation difficile pour y parvenir? Allez-vous entendre l’appel des experts, des partenaires sociaux et des représentants professionnels en faveur d’un report? Quelles garanties pouvez-vous nous offrir pour que "mypension.be" reste fiable et que, surtout, nous puissions continuer à lui faire confiance?

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, op mijn initiële vraag hebt u vanmorgen al geantwoord en daarnet eveneens.

U stelt dat de Federale Pensioendienst niet om uitstel heeft gevraagd. Er is enkel een interne nota die een aantal technische problemen oplijst, als ik het zo mag formuleren, waaraan moet worden tegemoetgekomen, zodat de pensioenhervorming kan ingaan in 2026, zowel voor de maatregelen die in 2026 van kracht worden als voor de maatregelen die in 2027 van kracht worden.

U hebt vanmorgen ook verklaard dat de aanvraagtermijn van vier maanden – dus dat mensen hun pensioenberekening moeten krijgen vier maanden vooraleer zij met pensioen gaan – gehandhaafd blijft. Wie in december zijn aanvraag indient, valt dus nog tot maart onder de oude regels. Tot daar kan ik u volgen.

Ik zou aan mijn vragen echter nog het volgende willen toevoegen. Indien u daar nu niet op kunt antwoorden, wil ik ze gerust schriftelijk indienen. Wat ik mij afvraag, is het volgende. Er is die nota. Volgens mij geeft de Federale Pensioendienst daarin aan dat het geheel vrij complex is.

U hebt daarnet ook opgemerkt dat aan de ziektecompensatie eventueel nog aanpassingen kunnen gebeuren op basis van de input van de Federale Pensioendienst, omdat een en ander vrij complex is. De IT-systemen moeten ingrijpend worden aangepast en dat kan soms wel enige tijd vergen.

Wat voor mij belangrijk is, is dat burgers geen foutieve pensioenberekening krijgen, maar vooral rechtszekerheid, zodat zij weten waar zij aan toe zijn en zich kunnen voorbereiden op hun pensioen. Daarvoor dient volgens mij ook mypension.be.

Daarom vraag ik mij het volgende af. Welke punten zijn in die nota opgelijst? Zijn er nog andere elementen die de Pensioendienst te complex acht en die eventueel moeten worden aangepast? Welke aanpassingen aan de IT-systemen zijn daarvoor nodig? Biedt de nota ook een zicht op het budget dat vereist is om die systemen aan te passen?

Dat zijn mijn concrete vragen waarop de antwoorden mij de zekerheid moeten geven dat alles tijdig zal zijn afgerond.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik wil nog even ingaan op de berichtgeving met betrekking tot de vermeende vraag van de Federale Pensioendienst om de hervorming uit te stellen.

U hebt daarover vanochtend en ook daarnet gezegd dat de Pensioendienst u niet heeft gevraagd om de pensioenhervorming uit te stellen, maar dat het gaat om een interne nota van de Pensioendienst. Ik wil daar even op doorgaan. In uw persbericht zegt u dat die nota werd besproken in het IKW. U beschikt dus over die nota van de Pensioendienst. Zou u die aan de commissie kunnen bezorgen in het kader van de transparantie in dit proces?

Als we realistisch zijn, zal uw hervorming ten vroegste in december, of eventueel nog in november kunnen worden goedgekeurd. De Pensioendienst moet het definitieve pensioenbedrag ten laatste vier maanden voor de pensioendatum aan de toekomstige gerechtigde laten weten. Met al die maatregelen kan die hervorming dan toch niet vanaf begin 2026 in werking treden? Wat als iemand met vervroegd pensioen gaat en nadien met de nieuwe wetgeving blijkt dat dat eigenlijk niet kon? Hoe ziet u dat? Kunt u die timing toelichten? Ik heb immers geen toegang tot het voorontwerp van wet, dus ik weet niet wat daarin staat.

Wat betreft de meerwaardetaks, u hebt gezegd bereid te zijn om die uit te stellen omdat Febelfin laat weten dat de banken niet op tijd klaar zal zijn omdat hun IT-systeem niet op tijd aangepast zal zijn. Als het gaat over de pensioenhervorming, dan zegt u sowieso vast te houden aan de invoering zoals was voorzien. Vindt u dat een consistente berichtgeving? U hebt samen met de sector een werkgroep opgericht om de invoering van de meerwaardetaks in goede banen te leiden. Doet u hetzelfde voor de Federale Pensioendienst om ook die daarin verder te ondersteunen?

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik heb dezelfde vragen.

Ik wil een punt nog verder specificeren. Deze voormiddag kwamen we tot het besluit dat, indien de wet in december wordt goedgekeurd, de regels pas van toepassing zullen zijn op mensen die na 1 mei op pensioen gaan. Vooraleer de stemming in december kan plaatsvinden, moet er nog een hele weg worden afgelegd. Dat uitgebreid proces hebt u vanmorgen nog toegelicht: voorontwerp, ontwerp, debat, waarna het laatste woord bij de Kamer ligt.

Ik neem aan dat de Pensioendienst de uitkomst op voorhand niet kan voorspellen, want die heeft geen glazen bol. De Pensioendienst kan een aantal zaken voorbereiden, maar heeft geen zekerheid.

Er is ook veel sociaal protest. U hebt vanmorgen gezegd dat u rekening houdt met de bezorgdheden van de sociale partners. Ik merk trouwens dat twee van uw coalitiepartners, zowel Vooruit als cd&v, vandaag herhaaldelijk hebben gezegd dat ze niet akkoord gaan met de gelijkstelling van ziekte in de toepassing van de malus. Ik heb ook gehoord dat sommige gelijkgestelde periodes uit het verleden niet gemakkelijk traceerbaar zijn. Het gaat dus niet alleen om de aanpassing van IT-systemen, maar ook om de registratie van gelijkgestelde periodes, zoals tijdelijke werkloosheid.

Het voorbeeld van die Paulien of Caroline in de krant dit weekend illustreert dat. Zij is lang geleden tijdelijk werkloos geweest, maar dat is niet op die manier geregistreerd.

Ik neem aan dat er dus nog een uitgebreid proces volgt na de definitieve beslissing over de precieze inhoud van de malus. Dat proces moet voor een deel nog beginnen, zodra de wetten zijn goedgekeurd.

Mijnheer de minister, is het niet waarschijnlijker dat de effectieve toepassing, als alles klaar is, pas ver 1 mei mogelijk zal zijn, dus dat we de facto verder in 2026 zullen zitten dan u aankondigt?

Jan Jambon:

Je commencerai par répondre en français car ce que j'ai dit ce matin n'est pas une information pour tout le monde.

Le Service fédéral des Pensions a effectivement rédigé une note destinée à m'informer des défis et des modalités pratiques liées à la réforme sur la base des mesures actuellement envisagées. Ce document évolutif et lié à l'avancement du processus législatif vise à soutenir la décision politique pour des analyses techniques et des informations opérationnelles en proposant des pistes de solution aux problématiques identifiées.

À ce stade d'avancement du processus législatif, il est prématuré d'affirmer que les droits des citoyens ne seraient pas correctement calculés à partir de janvier 2026. La réforme sera mise en œuvre progressivement à partir du 1 er janvier 2026 dans le respect des droits acquis, du dialogue social et du processus parlementaire. L'administration a prévu une mise en œuvre progressive de la réforme – certaines mesures étant prévues en 2026, d'autres en 2027 – avec une actualisation par étapes des informations sur "mypension.be". Seules les données fiables seront publiées afin de garantir la confiance des citoyens. Les informations liées à des mesures encore en cours de développement ne seront mises en ligne qu'une fois confirmées et intégrées.

Ten tweede, de administratie zit nu natuurlijk niet achteroverleunend te wachten op wat er uit het Parlement komt. De administratie bereidt alles voor. Ongeveer 80 % van het bouwwerk ligt al vast. Er bestaan hypotheses en de administratie kan zich daarop perfect voorbereiden. Ik herhaal wat ik vanmorgen al zei. We zullen natuurlijk de wet respecteren, die voorschrijft dat mensen vier maanden voor hun effectieve pensioendatum geïnformeerd moeten zijn over de datum. De aanvangsdatum van de uitvoering kan dus enigszins schuiven, maar dat is normaal bij de start van een dergelijke proces. Dienaangaande is een interne nota opgesteld. Ik ben niet verplicht om die ter beschikking te stellen van het Parlement en ik zal dat niet doen.

Mijnheer Vanbesien, u vroeg of er een werkgroep is opgericht. Ik kan u zeggen dat mensen van mijn beleidscel en van de Federale Pensioendienst permanent rond de tafel zitten om dat proces te begeleiden. Het gaat om een dermate grote hervorming dat die niet van op afstand kan worden gevolgd. We bekijken voortdurend samen met de Pensioendienst in welke richting de besprekingen gaan en hoe we een en ander moeten begeleiden. Het is een permanente actie. U kunt dat een werkgroep noemen, maar het betreft uitsluitend overleg tussen het kabinet en de Pensioendienst.

Mijnheer De Witte, u haalt een getuigenis aan van een lezer in Het Laatste Nieuws . Die getuigenis beperkt zich tot de volgende twee zinnen: "Lezer Patrick stopt al op 1 januari, binnen goed drie maanden, na 46 jaar dienst. Ook hij weet nog steeds niet welk pensioenbedrag hij zal krijgen." Sta mij toe om daar even bij stil te staan. Ik wil duidelijk stellen dat de Federale Pensioendienst ervoor zorgt dat voor dossiers die tijdig worden ingediend, wat wil zeggen acht maanden voor de gewenste ingangsdatum van het pensioen, minstens vier maanden op voorhand de beslissing wordt meegedeeld. Ook voor laattijdig ingediende dossiers wordt gestreefd naar tijdige toekenning van het pensioen.

Het kan evenwel gebeuren dat specifieke dossiers meer tijd vergen, vanwege bepaalde elementen in het dossier die moeten worden opgelost voorafgaand aan de pensioenbeslissing. Het handvest van de sociaal verzekerde staat dat toe, zoals u weet. Ik heb alle vertrouwen in de goede werking van de Federale Pensioendienst en ik adviseer die lezer om contact op te nemen met de dienst, voor zover betrokkene nog geen antwoord heeft ontvangen.

Ik herhaal wat reeds ik heb toegelicht tijdens eerdere vergaderingen van de commissie voor Sociale Zaken, in het bijzonder tijdens de vergadering van 16 juli. De Federale Pensioendienst blijft alle pensioenaanvragen verder afhandelen en zal elke burger, overeenkomstig het handvest van de sociaal verzekerde, minstens vier maanden voor de pensioendatum duidelijkheid geven over de ingangsdatum van het pensioen en het concrete pensioenbedrag. Met het oog op de rechtszekerheid voor de burger zal daarbij ook het gecommuniceerde pensioenbedrag worden gegarandeerd. Ik kan niet duidelijker zijn. Het is dan ook onnodig om mensen zoals in de situatie van Patrick onrust aan te jagen of om die onrust verder aan te wakkeren.

Ik geef wel toe dat in normale tijden, wanneer geen hervorming op til is, datum en bedrag doorgaans langer van tevoren worden meegedeeld. Dat klopt, dat is correct. Wat nu gebeurt, is een ei breken om een omelet te bakken.

Ludivine Dedonder:

Je vous avais bien compris, monsieur le ministre. Il s'agit d'une note qui relève une série d'inquiétudes. Dès lors, nous nous devons de réagir. On voit qu'il y a des inquiétudes de l'administration pour être dans les temps, également des partenaires sociaux, des représentants professionnels et évidemment de la population.

Il est donc normal de ne pas prendre cela à la légère et de ne pas mettre la charrue avant les bœufs non plus. À un moment donné, il faut savoir prendre un petit peu plus de temps pour mesurer l'impact, pour faire les choses correctement.

Vous vous justifiez en disant que la loi est la loi et qu'ils recevront une réponse quatre mois avant leur départ à la retraite. Mais un délai de quatre mois est-il un délai raisonnable? Pour celui qui va devoir changer du tout au tout, pour celui qui va prendre plusieurs années ainsi, il est quand même bon de pouvoir anticiper, de pouvoir se projeter.

Le but de mon interpellation est de vous sensibiliser. Il y a des critiques en interne, et même si elles sont là pour que les choses se mettent en place, elles sont néanmoins présentes. Vous devez donc écouter les critiques de votre administration, tout comme celles de l'extérieur. Je vous invite vraiment à aller sur le terrain.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. U hoeft mij er niet van te overtuigen dat de Pensioendienst daar al mee bezig is. Ik kan me best voorstellen dat de Pensioendienst niet gewoon achteroverleunt en niets doet. Met de elementen waarover de Pensioendienst beschikt, kan dat inderdaad al voorbereid worden. Ik ken de medewerkers van de Pensioendienst trouwens niet anders. Ik weet wel dat bij vorige hervormingen telkens dezelfde problemen opdoken, wat zeker op het vlak van IT soms tot wat vertraging leidde.

Waar ik me hier specifiek zorgen over maak, is de verandering inzake de gelijkgestelde periodes, en hoe die vroeger geregistreerd werden. In welke mate staat dat ook in de nota? In welke mate wordt dat meegenomen? De tijdelijke werkloosheid werd vroeger niet geregistreerd. Ook de moederschapsrust werd volgens mij vroeger geregistreerd als een gewone ziekteperiode. Over dergelijke zaken vind ik dat de mensen toch zekerheid moeten kunnen hebben.

Ik hoor dat de termijn van het handvest gerespecteerd blijft. Ik vind dat heel belangrijk. Ik begrijp dat er bij grote hervormingen geen mirakels verricht kunnen worden, maar ik vind rechtszekerheid wel belangrijk.

Het zal u niet verbazen dat ik u wil oproepen om dezelfde ijver aan de dag te leggen voor de uitvoering van de meerwaardebelasting. Ik meen dat die minstens even belangrijk is in deze moeilijke tijden.

Dieter Vanbesien:

Heel juist, mevrouw Vanrobaeys.

Mijnheer de minister, u zegt heel duidelijk dat het gaat om een intern document van de Pensioendienst. Om een of andere reden is dat wel in de pers gekomen. Dat gebeurt niet zomaar. Er zijn redenen voor waarom de pers zo'n nota in handen krijgt.

Bij ons doet dat alleszins alarmbelletjes afgaan. Het betekent, zoals mevrouw Dedonder al zei, dat er bezorgdheden zijn, ook bij de Federale Pensioendienst.

U kent natuurlijk alle details van de hervorming en de mogelijke obstakels, want u zit er middenin, maar voor ons is die informatie veel moeilijker te krijgen. Voor ons is het minder duidelijk.

U zegt dat het intern document een levend document is. Misschien moet u het doodkloppen, om het in die versie aan onze commissie te bezorgen. U zegt dat u daartoe niet verplicht bent, maar daar staat tegenover dat het ook niet verboden is. Misschien moet u er toch nog even over nadenken.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik zal even samenvatten, want de materie is complex. De in het regeerakkoord voorziene startdatum van de malus, 1 januari 2026, is duidelijk niet meer haalbaar. Het wordt mogelijk 1 april of wellicht 1 mei 2026. Dat gebeurt volgens mij mede dankzij het sociaal verzet en de vele discussies. Er is immers veel debat geweest over de gelijkgestelde periodes, waarna een aantal zaken uit het regeerakkoord werden aangepast. Ik ben blij dat u die bezorgdheden ter harte neemt en dat erover gedebatteerd wordt. Afhankelijk van de verdere discussies, van de vereiste aanpassingen en van de besprekingen in de plenaire vergadering, kan de invoering van de malus dus nog later plaatsvinden. Het is immers mogelijk dat de aanpassingen met betrekking tot de malus extra tijd vergen. Dank voor die verduidelijking.

De sociale correcties bij de pensioenhervorming

Gesteld door

Groen Dieter Vanbesien

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon bevestigt dat de 500 miljoen euro (2027-2029) uitsluitend dient als overgangsbudget voor bijna-pensionado’s, met geleidelijke aanpassingen (bv. max. 1-2 jaar langer werken naargelang leeftijd in 2025) en sectoroverschrijdende maatregelen (o.a. harmonisatie eerste loopbaanjaar, aanpassing verhogingscoëfficiënt voor onderwijs/defensie/spoor). Vanbesien waarschuwt voor politieke druk om het budget om te buigen en benadrukt het belang van sociaal overleg voor een rechtvaardige verdeling.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, in de meerjarenbegroting werd een budgettaire enveloppe voorzien die tegen 2029 oploopt tot 500 miljoen euro. Daarmee wil men in overleg met de sociale partners bepaalde maatregelen mogelijk maken die een overgang verzekeren voor mensen die dicht bij hun pensioen staan. Zo moet worden gegarandeerd dat de houdbaarheid van de pensioenuitgaven op lange termijn niet ten koste gaat van verworven rechten.

Aangezien de contouren van die pensioenhervorming zo goed als uitgetekend zijn – u zei daarnet voor 80 % – heb ik daarover een aantal vragen. Hoe zal die enveloppe van 500 miljoen euro concreet worden ingezet om niet te raken aan verworven rechten van mensen die dicht bij hun pensioen staan?

Worden die middelen prioritair gericht op specifieke overheidssectoren zoals onderwijs, defensie of het spoorwegpersoneel? Zo ja, welke sectoren precies en waarom?

Overweegt u dit budget aan te wenden om het eerste loopbaanjaar na afstuderen volwaardig te laten meetellen? We hebben het daarover daarstraks ook gehad, aangezien het criterium van 156 dagen in dat jaar vaak niet haalbaar is.

Zal de enveloppe ook gebruikt worden om periodes van ziekte opnieuw volledig gelijk te schakelen met gewerkte periodes? Met andere woorden, hoe ver staat u met de verdeling van die enveloppe en waaraan denkt u die te kunnen besteden?

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, mijn 80 % van daarnet was vooral figuurlijk bedoeld. Dat was geen exact wiskundig getal.

Eerst en vooral wil ik benadrukken dat we met dit budget zeer zorgvuldig moeten omgaan. De voorziene enveloppe is specifiek bedoeld voor overgangsmaatregelen die gericht zijn op mensen die dicht bij hun pensioen staan. Concreet gaat het om 200 miljoen euro in 2027, 305 miljoen euro in 2028 en 500 miljoen euro in 2029.

De middelen worden gebruikt om de hervorming geleidelijk in te voeren. Zo behouden mensen die in 2025 al voldeden aan de voorwaarden hun recht op vervroegd pensioen. Wie in 2025 60 jaar of ouder is, zal maximaal 1 jaar langer moeten werken. Wie 59 jaar is, zal maximaal 2 jaar langer moeten werken.

Het budget is niet prioritair gericht op één specifieke sector maar wel op alle betrokken groepen onder de overgangsmaatregelen. Een voorbeeld is het uitdoofscenario van de verhogingscoëfficiënt van 1,05 naar 1,025 voor actieve diensten en het onderwijs.

Voor Defensie, dus voor de militairen, en voor de HR Rail voorzien wij een geleidelijke verhoging van de pensioenleeftijd.

In de enveloppe voorzien wij effectief ook middelen voor de overname van het eerste loopbaanjaar, waarbij het aantal vereiste dagen wordt geharmoniseerd van 104 naar 156 dagen.

Het doel van de enveloppe is de overgang op een sociaal verantwoorde manier te begeleiden, met name voor mensen die dicht bij het pensioen staan. Op die manier bieden wij rechtszekerheid, beschermen wij opgebouwde rechten en laten wij de overgang naar het nieuwe systeem sociaal rechtvaardig verlopen.

Het woord zegt het zelf, de sociale enveloppe maakt tevens deel uit van het sociaal overleg, dat nog niet volledig is afgerond.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik ben relatief tevreden met uw antwoord, in het bijzonder met het feit dat een en ander via het sociaal overleg verloopt. Uiteindelijk mag de enveloppe immers nog zo uitgebreid zijn, het zal altijd te weinig blijken, waardoor er altijd keuzes zullen moeten worden gemaakt. Ik hoor in de wandelgangen dat uw collega’s Crucke en Francken proberen die enveloppe leeg te zuigen. Ik begrijp waarom, maar ik begrijp dat u over de enveloppe waakt opdat zij er niet met alles vandoor zouden gaan. Ik hoop dat alles effectief met het nodige sociaal overleg zal gebeuren.

De pensioenen van de militairen

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ludivine Dedonder kritiseert de versnelde afschaffing van de militaire invaliditeitspensioen per 2026 (zonder juridisch vacuüm, volgens Jambon) en noemt de bewering dat militairen gemiddeld met 60 jaar met pensioen gaan "leugenachtig" (realistisch: 62-63 jaar). Jambon bevestigt een overgangsregeling (58-60 jaar voor oudere jaargangen) en bonificaties voor vroegpensioen, maar Dedonder waarschuwt dat aantrekkingskracht en loonrechtvaardigheid (o.a. overuren, 24-uursdiensten) ondermijnd worden door harmonisatie met ambtenarenregels, wat leidt tot "goedkope arbeidskrachten" zonder passende arbeidsvoorwaarden.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le président, je pourrais également apporter une réponse à M. De Witte avec des chiffres précis concernant la Défense.

Cela vous intéressera certainement, monsieur De Witte, car je n'ai pas vraiment la même analyse.

Monsieur le ministre, votre collègue Theo Francken tente de créer un écran de fumée autour plan social, alors même qu’il ne dispose d’aucune garantie gouvernementale. À ce stade, un seul syndicat militaire semble "convaincu" par ce fameux plan social.

De votre côté, vous avancez, camouflé mais résolu, dans votre réforme des pensions militaires, avec pour objectif de remettre en cause des droits acquis, sans prendre en compte la pénibilité propre à cette fonction.

Nous en avons parlé tout à l’heure de manière générale, mais vous ambitionnez de supprimer la pension pour inaptitude physique dès le 1 er janvier 2026.

Du point de vue des militaires, y aura-t-il un vide juridique pour ceux qui seront déclarés inaptes à exercer leur métier? Je sais que ce point a été évoqué lors de récentes réunions mais j’aimerais vous entendre clairement à ce sujet.

Vous savez qu’il était initialement prévu de laisser à la Défense un délai jusqu’au 1 er janvier 2028 pour adapter la législation et intégrer l’allocation temporaire d’inaptitude au travail pour fonctionnaires dans le statut des militaires. Aujourd’hui, le tempo s’accélère, et je souhaite connaître les conséquences de cette décision.

Vous avez évoqué tout à l’heure des personnes qui resteraient à charge du département concerné. Cela signifie-t-il que les militaires déclarés inaptes resteraient entièrement à charge de la Défense?

Plus globalement, pouvez-vous faire le point sur l’allongement de la carrière des militaires prévu par l’accord de gouvernement et sur les négociations en cours? Votre collègue a prétendu que l’âge moyen de départ à la retraite tournerait autour de 60 ans. Je peux déjà vous dire que c’est un mensonge.

Jan Jambon:

J'ai déjà donné différents éléments dans mes réponses à d’autres questions, mais repetitio est mater studiorum .

Il est en effet de l'intention de ce gouvernement de mettre fin à toute nouvelle entrée dans le régime de pension pour inaptitude physique à partir du 1 er janvier 2026. Les militaires qui seront licenciés d'office pour inaptitude physique après le 30 novembre 2025 ne pourront plus prétendre à une pension pour inaptitude physique. À partir du 1 er janvier 2026, ils pourront prétendre à une allocation d'invalidité sur la base des articles 14 à 18 de la loi du 6 février 2003 relative aux dispositions sociales pour les militaires retournant à la vie civile.

L'avant-projet de loi visant à supprimer la pension pour inaptitude physique a été rédigé de telle sorte qu'aucun militaire médicalement inapte ne se retrouve dans un vide juridique. Certaines dispositions statutaires concernant les militaires devront néanmoins être harmonisées avec les dispositions de cet avant-projet de loi. Cela ne crée toutefois aucune insécurité juridique. Le principe de suppression de la pension pour inaptitude physique, tel qu'inscrit dans l'avant-projet de loi, prévaut en effet sur toute autre disposition légale ou réglementaire qui serait en contradiction avec celui-ci.

Concernant l'allongement global des carrières des militaires, il convient d’opérer une distinction entre les militaires proches de la retraite et les autres. Pour les militaires proches de la retraite, un régime transitoire est mis en place afin qu'ils ne soient tenus d'accomplir que quelques années supplémentaires par rapport à l'âge de pension de 56 ans d’application avant la réforme. Ainsi, l'avant-projet de loi prévoit que les militaires nés en 1971 pourront prendre leur pension à partir de 58 ans, ceux nés en 1972 à partir de 59 ans et ceux nés en 1973, 1974 et 1975 à partir de 60 ans.

Il convient de noter qu'ils peuvent également choisir de prolonger volontairement leur carrière et de reporter leur départ à la retraite d'office.

Les militaires qui ne relèvent pas de ce régime transitoire ouvrent leur droit à une pension anticipée selon les mêmes règles que les fonctionnaires. Contrairement aux fonctionnaires, les militaires pourront, selon les règles actuellement en vigueur pour l'ouverture du droit à une pension anticipée, bénéficier d'une bonification d'une durée de deux ans.

Cette bonification de deux ans permettra à un militaire ayant commencé sa carrière à l'âge de 18 ans d'ouvrir son droit à une pension anticipée à partir de 60 ans, compte tenu qu'à ce moment-là, il aurait atteint 44 années de service ouvrant droit à pension.

De plus, un militaire pourra également bénéficier de la nouvelle possibilité d'ouvrir son droit à une pension anticipée à partir de 60 ans s'il peut prouver à cet âge une carrière de 42 années civiles comportant chacune 234 jours de service effectif.

Ludivine Dedonder:

Merci à vous de préciser les différentes catégories. Il y a les militaires qui sont proches de la pension et il ne manquerait plus que cela qu'ils ne puissent pas la prendre à 60 ans. Mais il y a les autres. Je disais que c'était un mensonge de la part du collègue, parce qu'il est impossible que la grande majorité des militaires partent, après application du nouveau régime, à 60 ans à la retraite. D’après les chiffres globaux, ils partiront en moyenne à 62 ou 63 ans, au plus tôt. Ça, c'est la vérité. Il faut arrêter de raconter aux gens, de manière générale, qu'ils vont pouvoir partir à 60 ans, aux militaires comme aux autres d'ailleurs. Avec les conditions que vous mettez, les gens ne pourront en réalité pas partir à 60 ans. Si vous voulez de la correction, il faut qu'elle soit dans les deux sens. On ne raconte pas n'importe quoi aux gens. Sur la partie attractivité de ce département, je persiste à dire que dans ce département comme ailleurs, c'est une erreur de s'entêter. Si les militaires ont un régime de pension différent, c'est parce qu'ils ont un régime de travail différent, parce qu'ils font un nombre d'heures supplémentaires par rapport aux autres. Pour moi, si on touche au régime de pension, il faut inévitablement toucher au régime de travail, si on veut une certaine équité. Demain, vous voulez mettre des militaires aux côtés des policiers dans la rue. Ils n’ont pas le même régime de travail. Vous allez avoir un militaire qui travaille 24 heures et qui est payé 12 heures à côté d’un policier qui a un autre régime de travail. Cela me fait souvent dire que, un, c’est de la communication, et deux, c’est de la main-d’œuvre bon marché, parce que les militaires, avec le régime de pension que vous allez harmoniser sur les autres, vont travailler à un salaire inférieur au salaire minimum.

Het overlevingspensioen

Gesteld door

PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon bevestigt dat bestaande overlevingspensioenen behouden blijven, maar de hervorming (vervanging door een 2-jarige overgangsuitkering) geldt enkel voor nieuwe gevallen en wordt later uitgewerkt, inclusief de overgangsperiode. De hervorming staat los van het huidige pensioenakkoord en vereist nog verdere afstemming.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat dat het overlevingspensioen vanaf 1 januari 2026 – via een overgangsperiode – vervangen wordt door een overgangsuitkering van twee jaar, tot de vroegst mogelijke pensioenleeftijd van de langstlevende echtgenoot of partner. Daarnaast is voorzien in een ruime overgangsperiode waarin men nog de keuze behoudt tussen beide systemen.

Ik heb daarover veel reacties ontvangen. Daarom heb ik twee concrete vragen voor u. Ten eerste, kunt u garanderen dat iedereen die vandaag een overlevingspensioen ontvangt, dat ook zal behouden? Ten tweede, welke overgangsperiode wordt voorzien?

Jan Jambon:

Mijnheer De Wit, de hervorming van het overlevingspensioen maakt geen deel uit van het zomerakkoord over de pensioenhervormingen. Dat zal in een latere fase worden behandeld. Ik kan u wel bevestigen dat de huidige begunstigden hun overlevingspensioen zullen behouden. De hervorming zal alleen van toepassing zijn op de nieuw toe te kennen rechten. Ook de overgangsperiode maakt deel uit van de hervorming die nog verder moet worden uitgewerkt.

We hebben momenteel veel werk met de pensioenwet; nadien zullen we de overige hervormingen behandelen.

Kim De Witte:

Dank u voor uw antwoord. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.22 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 22.

Het sociaal akkoord en de impact van de geplande pensioenhervorming
Het sociale plan voor militairen
Het sociaal akkoord bij Defensie
De impact van de pensioenhervorming op de militairen
Het sociaal plan voor de militairen
Het sociaal akkoord bij Defensie
Het sociaal overleg
Het sociaal overleg over de pensioenhervorming en het statuut van de militairen
Het sociaal akkoord voor de militairen
Sociaal akkoord, pensioenhervorming en statuut van militairen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het sociaal akkoord en de pensioenhervorming voor militairen, waarbij minister Francken een akkoord met de grootste vakbond (ACMP) verdedigt, maar drie andere vakbonden kritisch blijven. Kernpunten: het akkoord voorziet in betere verloning (o.a. *opstoelagen*, *loopbaanbuffer van 200 dagen*, *verhoging maaltijdcheques*) en compenseert gedeeltelijk de verhoging van de pensioenleeftijd (van 56 naar gemiddeld 59-60 jaar), maar de financiering (€300 miljoen) en concrete uitvoering blijven omstreden. Vakbonden en oppositie vrezen verlies aan koopkracht en eisen meer duidelijkheid, terwijl Francken benadrukt dat de maatregelen sociaal rechtvaardig en budgettair gedekt zijn via de defensiebegroting. Onrust blijft door communicatieproblemen en wantrouwen tegenover de regering.

Voorzitter:

Ik heb daarover bij mijn weten van geen enkele fractie de vraag gekregen om een actualiteitsdebat te houden of om het als urgentie op de agenda te plaatsen. Ik heb daarover geen enkele vraag ontvangen. Gezien de veelheid aan vragen heb ik geoordeeld het Reglement strikt te moeten toepassen. Dat voorziet dat vragen worden omgezet in actualiteitsdebat zodra er vanuit vijf verschillende fracties vragen ingediend zijn.

Mocht ik bepaalde vragen om welke reden dan ook naar voren trekken, dan zou men mij als voorzitter kunnen verwijten dat ik mijn eigen voorstel als prioritair behandel door het ineens naar voren te schuiven. Men zou dan kunnen vragen op basis van welke regel ik dat gedaan zou hebben. Ik heb dat niet gedaan, ik heb het Reglement correct toegepast en geoordeeld volgens de volgorde van indiening van de vragen. Indien daarover vijf vragen ingediend waren, zou ik dat uiteraard behandeld hebben als een actualiteitsdebat.

Christophe Lacroix (PS): Effectivement, monsieur le président, vous avez raison. Je ne vous ai pas fait le reproche de ne pas appliquer le Règlement, au contraire. Mais vous en aviez la faculté et, s'il est encore possible de demander maintenant à ce que ce soit transformé en débat d'actualité, j'introduis une demande formelle en ce sens. En effet, les réponses seront apportées après la seconde lecture et, donc, je pense que nous sommes en pleine actualité. Comme je ne suis pas un lecteur assidu du Règlement, je ne savais pas que j'avais cette possibilité de réclamer. Finalement, vous me révélez qu'un parlementaire, même tout seul, a beaucoup de pouvoir encore dans ce pays, et il est heureux de le signaler, monsieur le président.

Voorzitter:

Het onderwerp staat nu geagendeerd onder punt 27 en vier fracties hebben er een vraag over ingediend. Ik heb geoordeeld het niet te behandelen als een actualiteitsdebat.

Voor de brief zal verschijnen, zal er uiteraard nog de mogelijkheid zijn om vragen te stellen. Wie weet komen we vandaag zelfs tot punt 27.

Wat mij betreft hoeft het niet. Ik merk dat ook de minister het woord vraagt.

Minister Theo Francken : Ik heb op zich geen probleem met die vragen. Er is ook helemaal niets geheim aan die brief.

J'ai bien compris monsieur Lacroix que votre groupe a demandé de réunir la commission de contrôle des Dépenses électorales.

Ik weet niet of het de juiste Franse benaming is. Het betreft de bijzondere commissie voor de Controle betreffende de Verkiezingsuitgaven.

Cela ne pose aucun souci, nous pouvons le faire. Vous avez aussi demandé à mon cabinet de renvoyer la lettre. J'ai donné aujourd'hui l'instruction de le faire. Une commission va se réunir à ce sujet. Il sera possible aussi de discuter sur la base de la version finale de la lettre, et non la version qui était dans la presse qui n'était pas encore la version finale.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de ingediende vragen zijn intussen al wat achterhaald. U hebt immers ondertussen in een persconferentie aangekondigd dat er een akkoord is, althans met één vakbond, namelijk de ACMP, en een aantal details gegeven, zoals de operationaliteitstoelagen voor 14 maanden, hogere maaltijdcheques en extra verlofdagen. U hebt dus een aantal aankondigingen gedaan.

Voor onze fractie was het zeer belangrijk dat de geplande pensioenhervorming gekoppeld wordt aan een sociaal akkoord over aanpassingen aan het militair statuut, zodat de militair ook correct wordt vergoed voor het werk dat hij verricht. Ik heb daarin al een aantal maatregelen gelezen die aan die verwachting tegemoetkomen, maar toch komt het actualiteitsdebat gelegen om wat meer details te krijgen. Kunt u dus, ten eerste, wat meer toelichting geven bij uw plannen?

Zijn er afgelopen zomer nog aanpassingen gedaan? Andere vakbonden, zoals het VSOA, zouden immers nog terugkoppelen naar hun achterban, opnieuw met u vergaderen en mogelijk bijkomende eisen formuleren.

Hebben andere vakbonden intussen ook het akkoord ondertekend of zijn ze dat niet van plan?

Wanneer zal het sociaal akkoord in werking treden, als het eenmaal is afgeklopt? Zal de inwerkingtreding ervan samenvallen met die van de pensioenhervorming die gepland staat op 1 januari 2027 of voorziet u een andere timing?

Niet onbelangrijk, hoe zit het met de financiering? Sommige maatregelen hebben een aanzienlijke financiële impact. Hebt u daarvan al een raming? Zijn de nodige middelen al in uw strategische visie daarvoor ingeschreven of moet u ze elders zoeken?

Afgezien van het sociaal akkoord over het statuut van de militair zou ik ook graag nog de meest recente stand van zaken krijgen over de pensioenhervorming. Er lopen parallel immers ook onderhandelingen over de pensioenen, specifiek voor de militairen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, uw geplande pensioenhervorming heeft heel wat deining veroorzaakt bij onze militairen en de vakbonden.

Ten eerste zijn er natuurlijk de sociale overwegingen. De lage pensioenleeftijd gold immers altijd als compensatie voor de karige verloning, de lange arbeidsduur, de woon-werkafstanden en de vele fysieke en mentale offers, die onze soldaten brengen. U hebt dat sociaal evenwicht met de geplande pensioenhervorming grondig verstoord door de pensioenleeftijd gelijk te schakelen met die van andere beroepsgroepen. U beloofde echter een sociaal akkoord te sluiten met de vakbonden om de bezorgdheden van onze militairen weg te nemen. Dat plan, dat u eind juli aankondigde, werd intussen voorlopig enkel ondertekend door de grootste militaire vakbond, de ACMP, terwijl andere vakorganisaties nog kritische kanttekeningen maakten en zouden terugkoppelen naar hun leden.

Naast de sociale impact voorspellen militaire experten, ten tweede, dat het gradueel optrekken van de pensioenleeftijd van 56 naar 67 jaar grote gevolgen zal hebben voor de personeelsuitval. Vooral de loopbaanattritie zou hierdoor niveaus van de privésector bereiken en stijgen van 2 tot 3 % naar 11 %. Vooral het middenkader zou worden getroffen. Dat vormt natuurlijk de ruggengraat van onze strijdkrachten. Dat komt boven op de hoge uitvalspercentages tijdens de militaire kandidatuur, een bekend probleem.

De pensioenhervorming lijkt hoe dan ook een drastische wijziging in ons personeelsbeleid te zijn, waar lang niet alle vakbonden zich al mee hebben verzoend. Volgens een aantal militaire bronnen en experten zou ze een nettoverlies betekenen, zowel voor de militairen als voor de organisatie. Daarbij komt nog de kostprijs van het langer doorwerken. De nettowinst voor de pensioenkas lijkt dan nog het enige te zijn wat overblijft, tenzij het sociaal plan dat u op het moment nog uittekent, aan dat alles tegemoetkomt.

Mijnheer de minister, er is nog heel wat onduidelijkheid over de concrete invulling van alle maatregelen. Om onrust en ongerustheid te voorkomen of te stoppen, is slechts een ding nodig, namelijk duidelijkheid.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het sociaal plan voor de militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming? Op welke termijn zult u met uw plan landen of wat is het te volgen tijdpad?

Axel Weydts:

Het sociaal akkoord voor Defensie is een belangrijke stap voor ons defensiepersoneel. Enerzijds moet het sociaal akkoord dat aan het begin van de zomer werd gesloten, een opwaardering van het statuut van onze militairen inhouden, en anderzijds moet er rekening worden gehouden met de verhoging van de pensioenleeftijd voor militairen in het licht van het pensioendebat, twee aspecten, die door de vakorganisaties enigszins van elkaar worden gescheiden, hoewel ze volgens ons heel hard samenhangen.

Over het statuut bestaat vandaag al behoorlijk veel duidelijkheid. De teksten daarover heb ik ook heel goed gelezen. Over het pensioengedeelte blijft echter nog enige onduidelijkheid bestaan, wat begrijpelijkerwijs veel onrust veroorzaakt bij onze militairen. Ik begrijp die onrust zeer goed. Ze is logisch. Wanneer een militair het einde van de loopbaan bereikt, begint hij of zij plannen te maken om zaken te doen waarvoor hij of zij nu tijd zal hebben en waarvoor er tijdens de actieve militaire loopbaan geen tijd was. Als die plannen nu dreigen te worden uitgesteld, is het begrijpelijk dat er onrust ontstaat. Het is dus inderdaad belangrijk om daarover zo goed, zo duidelijk en zo snel mogelijk te communiceren.

Wat het sociaal akkoord betreft, ik raad eenieder aan om de memoranda van de verschillende vakorganisaties eens naast het huidige sociaal akkoord te leggen. Dan zullen wij allen, meerderheid en oppositie, moeten erkennen dat de tegemoetkomingen van de minister daar bijna letterlijk mee overeenstemmen. Vragen die al jaren en zelfs decennia leven bij de vakorganisaties, worden nu ingewilligd.

De minister zal er zeker nog op terugkomen, maar gezien het belang wil ik nogmaals onderstrepen waarover het exact gaat. Het gaat over de opstoelage. Dat is een aanzienlijk bedrag waarmee onze militairen zullen worden gecompenseerd voor de vele uren inzet waarvoor zij in het verleden nooit zijn vergoed. Het gaat ook over een loopbaanbuffer die militairen aan het einde van hun loopbaan toelaat om tot 200 dagen op te nemen, zodat zij vroeger kunnen stoppen met werken. Het gaat ook over werkbaar werk. Wanneer wij vragen dat mensen langer aan de slag blijven, moet daar iets tegenover staan en moet het werk ook haalbaar blijven. Daarom krijgen militairen vanaf een bepaalde leeftijd extra verlofdagen, namelijk 12 dagen en vanaf een hogere leeftijd zelfs 24 dagen. Het gaat over de aanpassing van de weddenschalen en over compensatie van prestaties. Voorheen en tot op vandaag was en is dat 1/850ste, waardoor er nauwelijks compensatie is voor de gepresteerde uren. Nu kiest men voor een systeem waarin elk gepresteerd uur rechtstreeks wordt gecompenseerd, namelijk 20 op 24, waarbij bovendien via de opstoelage en de loopbaanbuffer in bijkomende compensatie wordt voorzien.

En dan heb ik het nog niet over de compensatie woon-werkverkeer, die ook al jaren wordt gevraagd. Volgens mij is het voorliggende sociaal akkoord echt wel de moeite.

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om hulde te brengen aan de mensen van DGHR, omdat zij uitgebreid de tijd nemen om te luisteren naar onze militairen en vandaag bijna alle kazernes van ons land afgaan om het sociaal akkoord uit te leggen en om de stand van zaken inzake het pensioendossier te geven. De directeur-generaal HR, luitenant-generaal Esser, bezoekt zelf alle kazernes om uitleg te verschaffen aan het personeel. Dat is ook nodig, mijnheer de minister, want er wordt ook heel veel fake news verspreid. Het is dus goed dat de directeur-generaal zelf ter plekke gaat om onze militairen uit te leggen wat er nu precies is afgesproken en wat er niet is afgesproken, want daar doen heel veel verschillende verhalen de ronde over.

Mijn vraag is heel eenvoudig. Kunt u ons vandaag een stand van zaken geven met betrekking tot het debat over het statuut van de militairen en over het pensioendebat?

Christophe Lacroix:

Les militaires sont devenus, dans ce pays, une variable d'ajustement, en particulier avec le gouvernement Arizona. Je parle d'ajustement budgétaire. Malgré la pénibilité et la spécificité de leur mission, votre gouvernement, monsieur Francken, a décidé unilatéralement de prolonger de plus de dix ans leur carrière, alors que l'on sait bien qu'au vu des tensions géopolitiques et de ce qui se passe aujourd'hui, et même de jour en jour voire d'heure en heure, ils seront de plus en plus sollicités et sollicités sur le terrain. Lors de votre prise de fonction, nous avons assisté – fait très rare – à une manifestation comptant plus de 5 000 militaires dans les rues pour demander qu'on les écoute et qu'on préserve leur statut.

Pour tenter de faire passer la pilule, vous avez décidé de négocier un plan social pour continuer à revaloriser la carrière de militaire, comme ce fut le cas sous la précédente législature, après des années de gel. Je ne peux pas nier une chose: vous êtes effectivement assez volontaire en la matière.

Il reste malgré tout difficile de parler d'un accord puisque, à ce stade, il s'agissait d'une offre à prendre ou à laisser et elle est loin d'avoir recueilli l'aval de tous les syndicats militaires à ce stade. Ce plan social représente environ 300 millions d'euros. Il s'agit d'une faible compensation en regard des 435 millions d'euros que la suppression des régimes de retraite préférentiels rapportera à l'État et, plus globalement, de l'impact de ces décisions à long terme pour les militaires.

Si les mesures peuvent paraître séduisantes, voire positives pour les jeunes recrues, les grands oubliés de cette réforme et de ce plan social sont évidemment les militaires qui sont déjà en carrière et qui s'inquiètent de manière tout à fait légitime. Chaque militaire en fonction de sa carrière et des conditions dans lesquelles elle ou il a rejoint l'armée verra finalement les conditions qu'on lui avait proposées au départ complètement modifiées, avec un impact différent sur sa fiche salariale et, plus globalement, sur son bien-être au travail.

De mes contacts, il apparaît que de nombreuses zones d'ombre subsistent, notamment sur l'âge de départ à la pension. Par exemple la question du nombre de jours nécessaires pour qu'une année compte dans le calcul reste entière.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me présenter ce que comporte exactement pour les militaires ce que vous appelez l'accord social avec un seul des syndicats (puisque tous les autres sont contre), ainsi que la ventilation de son budget et de son agenda de mise en œuvre. Je vous demande aussi très directement: avez-vous l'aval du ministre en charge des retraites et, donc, du gouvernement, ou est-ce simplement une position que vous défendez aujourd'hui seul devant un gouvernement qui ne se serait pas encore prononcé.

Au regard de cet accord, une communication spécifique et claire adressée aux militaires actuels et futurs sera-t-elle organisée pour que chacun et chacune puisse prendre connaissance des conséquences concrètes des réformes à venir sur sa carrière et sur ses conditions de travail? Comment la concertation sociale va-t-elle s'organiser, alors que seul un syndicat militaire a souscrit à ce plan social? Fermez-vous encore toute possibilité de négociation?

Concernant l'âge de départ à la retraite des militaires, où en sont les discussions avec votre collègue Jan Jambon, les syndicats et vous-même? Vu la suppression de la péréquation pour les fonctionnaires, garantissez-vous le fait que les allocations limitant l'impact sur la péréquation, introduites lors de la revalorisation salariale du précédent gouvernement, seront incluses dans le salaire? Avez-vous déjà des accords en ce sens avec le cabinet du ministre Jambon? Je vous remercie pour vos réponses.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, le 25 juillet dernier, vous avez signé avec le général Vansina un courrier informant l'ensemble des militaires du fait qu'un accord social avait été signé dans le cadre d'une amélioration substantielle de la rémunération des militaires, de façon à atténuer aussi les conséquences négatives de la réforme des pensions. Il cherche à rendre le statut de militaire plus attractif.

On peut évidemment regretter qu'un seul syndicat ait signé cet accord, même si c'est le plus important. Comme vous le savez, les Engagés sont très attachés au dialogue social et à la nécessité d'avoir un accord le plus large possible. L'accord que vous avez signé comprend de réelles avancées; je citerai par exemple l'augmentation, de plus de 60 % en moyenne, de la rémunération pour les exercices, lors des camps et des manœuvres; la maximalisation des barèmes d'ancienneté dans les échelles salariales à partir de 2027; une allocation forfaitaire de mobilité pour compenser la durée des trajets domicile/lieu de travail souvent plus longue que dans d'autres professions; et une rémunération du travail de week-end – au lieu de 5 heures payées pour 24 heures prestées, la rémunération passera à 20 heures; des mesures de transition progressives vers le nouvel âge de mise à la retraite des militaires afin que la réforme puisse s'appliquer sans brutalité; la mise en place d'un dispositif destiné à prévenir la perte de revenus en cas d'incapacité de travail ou d'invalidité.

Soit, comme nous venons de le préciser, un accord qui permet d'améliorer le statut des militaires en vue d'une réforme de pension. Il semblerait cependant que vous avez des difficultés pour faire accepter certaines mesures par le cabinet pension.

Monsieur le ministre, toutes les mesures présentes dans l'accord social du 25 juillet dernier pourront-elles être mises en œuvre?

Vous avez eu une nouvelle réunion avec les syndicats ce 12 septembre, à l'issue de laquelle de nouvelles demandes ont été déposées. Avez-vous obtenu des réponses à ces demandes ou des propositions qui pourraient faire changer d'avis certains des syndicats?

Enfin, certains syndicats demandent une réforme complète du statut des militaires, ce qui exigerait bien évidemment un temps considérable, mais envisagez-vous des travaux au cours de cette législature?

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, een paar maanden geleden leek een sociaal akkoord nog geheel onbespreekbaar. We vangen nu hier en daar toch op dat er licht aan het eind van een lange en moeilijke tunnel is.

Laten we eerlijk zijn, iets veranderen inzake pensioenen en statuten is allesbehalve eenvoudig. Vanuit het lokale bestuur kan ik daar over meespreken. We hebben daar in de vorige legislatuur ook flink op moeten kauwen. We hebben wel een sociaal akkoord bereikt, weliswaar pas na anderhalf jaar. Het moet gezegd, de lichtsnelheid van uw gesprekken met de vakorganisaties is knap. Ik had eigenlijk niet verwacht dat het allemaal zo constructief en vlot zou verlopen. In de memoranda van de vakorganisaties merk ik een soort rode draad: werken zal ook voor de militairen beloond worden. Zaken als een jobtoelage, de loopbaan, compensaties en werkbaar werk worden bekeken. Dat zullen de militairen heel graag horen. Het is immers een bijzonder moeilijke oefening, als men raakt aan verworven rechten.

Mijnheer de minister, iedereen kijkt naarstig uit naar het verloop van de onderhandelingen. Wat is de jongste stand van zaken?

Het zou misschien ook interessant zijn dat u de voorwaarden voor Belgische militairen, in vergelijking met die van andere NAVO- en EU-staten, op het vlak van het militair statuut onder de loep neemt? Worden er best practices bestudeerd? Bent u elders de mosterd gaan halen? Worden er bepaalde maatregelen overgenomen, ja of neen?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, we hebben al een aantal keer geprobeerd om het sociaal akkoord in onze commissie te bespreken. We hebben vorige keer veel vragen gesteld, maar geen antwoorden gekregen. Niet veel later, in juli, volgde er een persconferentie. Ik hoop dat we vandaag daarover een uitvoeriger debat kunnen voeren, alleszins uitvoeriger dan tijdens de vorige gelegenheid, want toen antwoordde u aan een lichtsnelheid van één minuut.

Op de persconferentie was u uiteraard lovend over het akkoord dat u aan de vakbonden zou voorleggen. Niet alle vakbonden zijn, om het zacht uit te drukken, daarmee even gelukkig. Sommige zijn wel al blij dat er een akkoord is. Zal er nog verder onderhandeld worden of is hetgeen 25 juli op tafel lag, het eindbod?

Dat is belangrijk, omdat het gesprek rond de pensioenen nog steeds loopt. Dat is een evenwichtsoefening. Het sociaal akkoord was, dacht ik toch, bedoeld om de verhoging van de pensioenleeftijd te compenseren. Ik krijg signalen dat men dat op het kabinet van de minister van Pensioenen nog steeds zo stelt. U daarentegen betwist dat en houdt vol dat de maatregelen in het sociaal akkoord daar los van staan en dat het pensioenverhaal een ander verhaal is. Maakt u al dan niet de koppeling? Zo ja, betekent het dan dat er voort over het sociaal akkoord kan worden onderhandeld, aangezien het pensioenakkoord nog niet volledig afgeklopt is?

Wat is de impact van de voorgestelde pensioenhervorming voor de militairen? Wat is de stand van zaken vandaag? Dat is ook een relevante vraag.

In globo, wat ligt er op tafel? Welke maatregelen zijn concreet en volledig afgeklopt? Vinden er nog gesprekken plaats met de vakbonden over het sociaal akkoord en de pensioenhervorming?

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, normaal gezien is het de vijand, die de moraal van onze troepen onderuithaalt. Hier is het echter de eigen regering, die dat doet. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van Boris Morenville van VSOA Defensie, met wie u onderhandelt over een nieuw sociaal akkoord. Uw hoeraberichten afgelopen zomer rond dat sociaal akkoord waren volgens mij compleet misplaatst. Er is helemaal geen sociaal akkoord gesloten met drie van de vier erkende defensievakbonden. De militairen zullen nog altijd jaren langer moeten werken voor een lager pensioen. Dat zijn de feiten.

Mijnheer de minister, op 12 september zat u samen met het gemeenschappelijk vakbondsfront 2.0, bestaande uit de drie andere vakverenigingen ACV, ACOD en VSOA Defensie. Dat vakbondsfront vreest en ik citeer hen: ʺ De militairen zijn verkocht en we zullen nooit akkoord gaan met het voorstel van de minister van Defensie in zijn huidige staat. ʺ Mijnheer Francken, bent u bereid om het sociaal akkoord dat is gesloten met de ACMP te herzien op basis van de kritiek en de opmerkingen van het sociaal front, bijvoorbeeld door de pensioenmaatregelen te verzachten?

Bent u bereid om elke militair de keuze te geven om de opstoelage in geld of in tijd te ontvangen, ongeacht zijn geboortejaar? Vandaag zijn de voorwaarden voor die opstoelagen immers zeer streng.

Bent u het eens met de conclusie van de drie vakverenigingen, VSOA, ACV en ACOD, dat militairen langer zullen moeten werken voor minder pensioen?

Theo Francken:

Collega's, ik hoop dat u een fijne vakantie achter de rug hebt. Ik wens dat we goed zullen kunnen samenwerken in de komende periode. Voorts hoop ik dat er niet te veel info uit geheime commissievergaderingen zal lekken. Over die kwestie worden vandaag geen vragen gesteld, maar die is urgent en moet worden besproken. Er is veel werk en er zijn momenteel veel geopolitieke spanningen. De toestand is niet evident, want de NAVO ligt onder vuur. Ik hoop op dat vlak dan ook op de integriteit van u allen.

In verband met het sociaal akkoord, op 27 mei heb ik een eerste keer het gemeenschappelijk vakbondsfront van Defensie ontmoet. Tijdens die vergadering heb ik hun een aantal voorstellen gedaan die de operationaliteit van de krijgsmacht en de attractiviteit en de specificiteit van het militair beroep moet verhogen. Na een onderhandelingsperiode van ongeveer twee maanden, waarin ik de vakorganisaties verschillende keren samen en apart heb gesproken, hebben we op 25 juli een akkoord bereikt, na een lange en intensieve dag van onderhandelingen.

J'entends certains dire qu'on n'a pas négocié, ce qui n'est pas correct. On a négocié pendant des mois, et également le 25 juillet, une journée qui a d'ailleurs été très intensive et au cours de laquelle nous avons eu des négociations bilatérales et collectives.

Zo werd een finale versie van de tekst bereikt. Eén vakorganisatie gaf op dat moment haar akkoord en ondertekende het document. De drie andere vakorganisaties moesten eerst hun achterban consulteren. Ze lieten weten dat ze volgens de statuten procedureel nog niet konden tekenen en dat ze eerst hun achterban moesten consulteren. Dat hebben ze gedaan en op 12 september heb ik de drie vakorganisaties opnieuw op mijn kabinet ontvangen en naar hun bijkomende vragen geluisterd.

Het is mijn bedoeling om medio oktober opnieuw met alle vakorganisaties, samen met de CHOD, rond de tafel te zitten. Daarbij zullen de drie overige vakorganisaties hun kaarten op tafel moeten leggen en moeten beslissen of zij een protocol van akkoord dan wel een protocol van niet-akkoord ondertekenen.

Je suis particulièrement fier de l'accord social qui a fait l'objet d'efforts acharnés de la part de toutes les parties autour de la table. Il est prévu une allocation OPS équivalente à 14 mois de traitement et les militaires seront enfin correctement payés pour tous leurs efforts. D'autres mesures concernent l'accumulation d'un crédit-temps pendant les périodes opérationnelles. Ce crédit peut être pris sous la forme d'un buffer de 200 jours juste avant la retraite. Des mesures concernant le travail faisable et de qualité, une indemnité d'éloignement, la simplification administrative du remboursement des frais médicaux – c'est très important –, la garantie de revenu en cas de maladie ou d'invalidité professionnelle, des allocations de fonction, le doublement des allocations pour les prestations de week-end pour le personnel rappelable et en préavis de deux heures et de quatre heures font également partie de l'accord social.

Verschillende initiatieven die in het sociaal akkoord zijn opgenomen, worden nu omgezet in regelgevende teksten die vervolgens het wetgevend proces zullen doorlopen, te beginnen met syndicale onderhandelingen in het Militair Onderhandelingscomité of Conego. Een eerste datum voor overleg over bepaalde maatregelen uit het sociaal akkoord is vastgelegd op 10 oktober.

Die onderhandelingen verlopen volgens de wettelijk voorziene procedures, ongeacht of een vakorganisatie al dan niet haar handtekening onder het sociaal akkoord heeft geplaatst. In Conego zijn alle vakbonden vertegenwoordigd. Of ze nu akkoord gaan of niet, er wordt hoe dan ook verder gesproken over de verschillende maatregelen afzonderlijk. De meeste maatregelen treden in werking op 1 januari 2027. De maaltijdcheques zijn normaal gezien voorzien voor 1 januari 2026, op voorwaarde dat dat ook voor het gehele openbaar ambt het geval is. Daarover wordt nog onderhandeld. Die maatregel wordt ook besproken in het kader van de begrotingsopmaak voor 2026.

Momenteel vinden in datzelfde comité ook besprekingen plaats over de pensioenhervorming, waaronder de verhoging van de pensioenleeftijd en de herberekening van de pensioenen.

En parallèle, j’ai mandaté la Direction générale des ressources humaines (DGHR) afin d’informer au maximum les militaires sur le contenu de la réforme des pensions et de l’accord social. Depuis mi-septembre, des briefings sont organisés dans toutes les grandes casernes. Les militaires auront également la possibilité d’y assister via Teams. Il est donc possible de suivre ces briefings en ligne.

Finalement, vous n’êtes pas sans savoir que la législation belge est souvent complexe et peu lisible. Cela vaut aussi – et je le dis avec tout le respect dû – pour le statut militaire. C’est pourquoi j’ai également demandé à la DGHR d’étudier les pistes d’évolution vers un statut moderne, adapté à une Défense en pleine reconstruction.

In dat kader wordt er vergeleken met de andere veiligheidssectoren in ons land en wordt er gekeken naar het buitenland en de best practices die daar zijn ontwikkeld. Het is belangrijk dat de vrouwen en mannen van Defensie alle kansen krijgen om zich te ontwikkelen en door te groeien in hun loopbaan. Tegelijkertijd moet er een gezondere leeftijdsstructuur zijn, met een evenwichtige mix van jonge mensen en ervaren medewerkers.

Dat is mijn antwoord, maar ik wil nog een aantal concrete punten aanhalen.

Il est intellectuellement peu honnête de comparer les 300 millions prévus pour l’accord social avec les 5 milliards liés à l’adaptation de la période préférentielle. C’est une comparaison incorrecte, car l'adaptation de période préférentielle concerne l’ensemble des agents publics, pas uniquement les militaires.

Les 300 millions, eux, sont exclusivement destinés aux personnes qui ont le statut militaire. Donc, à mon sens, il faut comparer les citrons avec les citrons, et les pommes avec les pommes – comme on le dit en néerlandais –.

Er zitten heel wat dingen in, zoals de maaltijdcheques, de verwijderingspremie enzovoort. De heer Weydts heeft er enkele van genoemd.

Monsieur Lasseaux, vous réaffirmez à raison l'importance du dialogue social. Je partage votre opinion, c'est la raison pour laquelle j'ai investi beaucoup de temps dans la concertation, qui est toujours en cours. J'espère parvenir à un accord et une signature d'accord d'ici environ un mois, à la mi- ou fin octobre.

Je ne peux évidemment pas vous garantir cette échéance à 100 %, parce que cela dépend aussi des négociations sur les pensions, qui ne sont pas de mon ressort.

Ik denk dat de pensioendiscussie moeilijk is; we bevinden ons in de laatste fase. Ik heb overleg gehad met mijn collega Jan Jambon en vorige week nog met de medewerkers van zijn kabinet.

Er liggen nog een aantal punten op tafel, zowel vanwege ons als vanwege de vakbonden, over de pensioenhervorming, onder meer over de integratie van enkele premies en vergoedingen. Het gaat onder andere om de loonsverhoging die door mevrouw Dedonder in de vorige legislatuur werd toegekend en die intussen minstens gedeeltelijk een premie is geworden. Het zou beter zijn die in het loon te integreren, al heeft dat uiteraard verschillende neveneffecten.

Daarnaast is er het punt dat militairen die in 2027 56 jaar worden, nu tot 58 jaar moeten werken. Waarom kan dat niet tot 57 jaar en wordt een plus één toegepast? Er liggen nog een aantal syndicale vragen die ik duidelijk heb benadrukt, onder andere over de 156 dagen: aangezien militairen vaak pas in het najaar beginnen te werken, telt dat dan voor een volledig jaar en hoe wordt dat precies verrekend? Dat zijn nog enkele zaken die in discussie zijn. We moeten daar nog uit geraken. Zal alles kunnen worden binnengehaald? Ik vrees eerlijk gezegd van niet, maar ik ben ervan overtuigd dat er nog openheid is voor aanpassingen. Dat zit dus bij de dienst Pensioenen.

Wat de regeling voor de pensioenen betreft, is er veel fakenieuws. Ik heb dat vorige week ook op de Land Day gezegd. Er waren veel Kamerleden aanwezig op de Land Day in de Brabanthal – waarvoor dank, dat wordt zeer gewaardeerd door onze landmacht. Dat u daar aanwezig was en belangstelling toonde, wordt sterk op prijs gesteld. Ik hoop dat u dat nog vaak zult doen. Op de Land Day heb ik het ook duidelijk herhaald: militairen zullen niet tot hun 67ste moeten werken. Dat wordt steeds opnieuw beweerd, maar het klopt niet.

Mensen zullen geen 11 jaar langer moeten werken. Door de systemen die nu bestaan, met onder meer bonificaties van 2 jaar op de 44, zal de pensioenleeftijd voor veel militairen rond de 60 jaar liggen. Dat hangt af van wanneer zij in dienst zijn gekomen en wat zij in de eerste jaren, na hun 18 jaar, hebben gedaan. Voor veel militairen zal dat rond de 60, misschien 61 of 62 jaar zijn, maar niet 67 jaar.

Als men daar nog de 200 dagen bijtelt die zij kunnen recupereren wanneer zij veel overuren hebben gemaakt – en bijna elke militair heeft veel overuren gemaakt – kan daar sowieso al een jaar worden afgetrokken. Eventueel kunnen daar nog 100 dagen extra van het jaar voordien bij komen. De facto komt dat voor veel militairen neer op een pensioenleeftijd van 59 of 60 jaar. Dat is inderdaad langer dan 56 jaar, maar het is maatschappelijk verantwoord. Sommigen vinden dat niet, maar sommigen vinden ook dat iedereen op zijn 55ste met pensioen moet kunnen gaan. Dat is ieders standpunt. In Frankrijk kan men op 52 jaar met pensioen gaan; daar vallen regeringen al enkele jaren over.

Ik denk niet dat we die instabiliteit moeten nastreven. We hebben nu eindelijk wat stabiliteit in ons land en dat is ook belangrijk. Iedereen heeft echter zijn mening en ik respecteer die.

We zijn wel actief aan het werken aan duiding. We doen dat in de kazernes zelf, niet via bepaalde externe figuren of interne bronnen. We doen dat gewoon zelf. DG HR gaat overal langs en legt heel duidelijk uit wat het concreet betekent voor bijvoorbeeld persoon X, die gestart is bij defensie op zijn 21ste en tussen zijn 18de en 21ste in de bouw heeft gewerkt. Hij is gestart als onderofficier en heeft nu leeftijd X. Er wordt dan uitgelegd wanneer hij met pensioen kan gaan. Er werd ook een tool ontwikkeld waarmee elke militair kan nagaan wat zijn effectieve pensioenleeftijd is. Die tool wordt momenteel overal toegelicht. Elke militair kan bovendien persoonlijk zijn dossier laten toelichten door de personeelschef per kwartier. Op die manier zullen veel misverstanden en zal veel fakenieuws de wereld uit kunnen worden geholpen. Voor sommigen zal dat bijzonder confronterend zijn.

Wordt de pensioenleeftijd verhoogd? Ja. We zullen ook overgaan naar een systeem van pensioen op aanvraag. Zal men dan minder pensioen krijgen? Nee, ook dat is niet waar. In sommige gevallen zal het pensioen immers hoger zijn of gelijk blijven. Vaak gaat het ook om kleine bedragen. Iedereen die ouder is dan 40 jaar zal rond zijn 60 met pensioen kunnen gaan, op voorwaarde dat hij in dienst getreden is toen hij 18 jaar was en voor zijn dienstjaren niet te veel tijd heeft besteed aan andere activiteiten. Wie bijvoorbeeld 10 jaar lang een wereldreis maakt, kan natuurlijk niet op zijn 60e met pensioen gaan. Dat is een persoonlijke keuze. De sociale zekerheid is daar niet voor bedoeld. Mensen mogen dat doen, maar het is niet de bedoeling dat de gemeenschap daarvoor instaat. Iedereen maakt zijn eigen keuzes in het leven. In de praktijk betekent dit dat men met een volwaardig pensioen rond de 60 jaar – met die 200 dagen dus rond 59 à 60 jaar – zal kunnen stoppen. Het is dus helemaal niet zo dat men 11 jaar langer moet werken. Dat klopt gewoon niet. Dat heb ik de vakbonden meermaals gezegd. Ik krijg daar geen antwoord op, maar ze blijven dat publiek verklaren. Dat is bijzonder betreurenswaardig. Ik denk niet dat dat helpt.

De grote vraag van de vakbonden vanaf dag één betrof de stelling dat een uur een uur is. Dat kwam ook tijdens de hoorzitting hier in de Kamer aan bod, dat was interessant. Men zei toen dat het kan niet dat men in operatie wordt gestuurd en slechts voor 11 uur wordt betaald, terwijl men 24 uur bezig is. Dat is nu geregeld. Dat is een historische doorbraak.

Dat geldt voor wie in operatie gaat vanaf begin 2027. Militairen willen natuurlijk ook eerst zien en dan geloven. Hun stelling is dat de politiek zoveel zegt en dat ze al zo vaak belogen en bedrogen zijn, eerst zien en dan geloven. De militairen die vanaf 1 januari 2027 drie maanden in Roemenië liggen en in april hun loon en hun ops-toelagen ontvangen, zullen merken wat dit concreet betekent. Dat gaat over heel veel extra geld. Dan zullen we het zien.

Ik ben daar heel rustig in. We zullen het zien in 2029, we hebben nog een paar jaar. Nu is er inderdaad wat ophef en is er heel wat onvrede. Als men zegt dat het moreel van de troepen heel laag is door de regering, dan is dat niet juist. Het kan dat een vakbondsleider dat beweert, maar ik betwist dat ten zeerste. Ik denk wel dat er heel veel vraag is naar duidelijkheid. Die wordt nu gegeven. Die duidelijkheid zal ervoor zorgen dat als ze zien wat het echt betekent, sommigen hun ogen niet zullen geloven. Dan zal het allemaal wel gaan liggen.

De attritie van 1 % naar 11 % geloof ik ook helemaal niet. We zien dat absoluut niet. Er wordt ook gezegd dat ze allemaal naar hun pensioen stormen, omdat de pensioenhervorming eraan komt. Sorry, maar dat is niet juist. Ik zie dat totaal niet. Misschien is er hier en daar een, maar amper. Het is dus niet zo dat nu heel veel militairen plots allemaal hun pensioen aanvragen. Dat is absoluut niet te zien in de cijfers, ondanks alles wat daarover wordt verteld.

Mijnheer de voorzitter, dat zijn enkele elementen. Ik denk dat ik daarmee geprobeerd heb te antwoorden op de meeste punten. Mochten er nog bijkomende vragen zijn, dan wil ik daar zeker met veel plezier op antwoorden.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke antwoord.

U hebt hier heel wat elementen herhaald van op de persconferentie, waarvan sommige ook voor ons in de goede richting gaan. Misschien leeft dit bij een aantal partijen, maar ik denk niet dat er bij de militairen een probleem is met te lang werken. Iedereen beseft dat men zijn of haar steentje moet bijdragen. Iedereen weet dat iedereen een bijdrage moet leveren. Het grote vraagstuk was echter dat er boter bij de vis moet komen. Als militairen langer moeten werken, moeten aan hun statuut en hun verloning grondige wijzigingen worden doorgevoerd. De belangrijkste vraag, die ook essentieel was voor mijn fractie en voor de militairen, is dat een uur een uur is. Een uur moet ook effectief worden betaald.

Wij hebben het gezien bij militairen op operatie. Bijvoorbeeld in de operatie Vigilant Guardian waar militairen naast politieagenten de veiligheid op straat verzekerden, werden de politieagenten in het weekend en ’s avonds dubbel zoveel betaald, konden zij op tijd naar huis en kregen zij bovendien nog een dag recuperatie. De militairen daarentegen kregen, alles bij elkaar geteld, nog niet de helft. Dergelijke verschillen moeten verdwijnen. Dat is oneerlijke concurrentie tussen veiligheidsberoepen.

Ik ben ook tevreden dat het statuut van de militair tijdens de huidige legislatuur grondig wordt herzien. Het statuut moet de 21e eeuw worden binnengeloodst, zodat de veiligheidsberoepen elkaar niet in de wielen kunnen rijden en er opnieuw een gelijk speelveld wordt gecreëerd.

Dat het pensioen en het statuut aan elkaar worden gekoppeld, is logisch. Ik begrijp de onrust over de pensioenhervorming, zeker bij militairen die bij Defensie op het einde van hun loopbaan zijn. Het is dus goed dat er eindelijk duidelijkheid komt en dat DGHR de kazernes bezoekt om er duidelijkheid te verschaffen. Ik ben ook blij met de gebruiksvriendelijke tool waarmee de militair kan berekenen wanneer hij of zij effectief met pensioen kan gaan. Daartoe is het essentieel dat er betere loonvoorwaarden en een betere verloning komen. Ik hoop dat de meeste maatregelen, zeker de opstoelage, op hetzelfde moment in werking treden als de pensioenhervorming.

Er ligt dus nog heel veel werk op de plank. Ik wens u veel succes in oktober 2025. Ik hoop dat u alle vakbonden kunt overtuigen. Sociale onrust is nooit goed, in geen enkele organisatie, ook niet bij Defensie. Ik kijk ook enorm uit naar het wetgevende werk dat op ons afkomt, want al uw aangekondigde plannen moeten in wetteksten worden omgezet en in het Parlement worden voorgelegd. Alvast bedankt voor uw antwoord.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, dank voor uw toelichting bij de aanpassing van het militair statuut en de pensioenhervorming. Het zou er nog maar aan mankeren dat het militair statuut niet zou worden verbeterd. De situatie was er natuurlijk ook naar: miskenning door onderbetaling, vaak abominabele loopbaan–voorwaarden en geen of gebrekkige compensaties voor gepresteerde uren. Het Vlaams Belang heeft altijd onderstreept dat het pensioendebat een loopbaandebat is en dat het ene onlosmakelijk verbonden is met het andere. Er is op het moment echter nog geen duidelijkheid over een aantal concrete maatregelen van dat sociaal akkoord, onder meer over de pensioenberekening, het verlies aan pensioen, de compensatie en de berekening van premies. Dat is allemaal nog bijzonder onzeker.

Mijnheer de minister, u weet beter dan wie ook dat de onderhandelingen in september allesbehalve vlot zijn verlopen. Er werden inderdaad nog een aantal minimumvoorwaarden voorgelegd. Me dunkt dat er nog veel moet worden onderhandeld. Uw communicatie omtrent het sociaal akkoord en de goedkeuring door de ACMP was dus voorbarig en lichtjes ongepast. De militairen laten zich niet onder druk zetten, omdat één vakorganisatie al heeft toegezegd. Dat lijkt me op het moment wel duidelijk. U schuift op in de tijd en hebt aangegeven dat een en ander voor medio oktober is; we zullen hier dus ongetwijfeld nog op terugkomen.

Er werd terecht hulde gebracht aan DG HR voor de communicatie ter zake, wat uiteraard toe te juichen is. Dat was ooit anders bij Defensie. De communicatie was immers niet altijd even proactief of duidelijk. Ik wil vooral hulde brengen aan onze militairen, van wie tegenwoordig al veel wordt gevraagd, nog altijd in onzekerheid verkeren en desondanks dag in dag uit alles geven wat ze kunnen om onze veiligheid te garanderen.

Axel Weydts:

Ik sluit mij uiteraard ook aan bij de hulde van mevrouw Ponthier aan onze militairen, die ondanks de onzekerheid over hun pensioen toch elke dag het beste van zichzelf geven, vaak in moeilijke en zelfs levensgevaarlijke omstandigheden, maar ik vond het ook gepast om hulde te brengen aan de mensen van DGHR, die hard gewerkt hebben aan het akkoord en die het nu ook zullen toelichten aan de militairen zelf.

Een uur is een uur; dat principe is iedereen bekend. Welnu, militairen dringen daar al tientallen jaren op aan en eindelijk is er op hun vraag een antwoord gekomen. Dat alleen al betekent een zeer grote verbetering voor hun statuut. Op dat vlak is het sociaal akkoord een belangrijke stap vooruit in de richting van wat onze militairen gevraagd hebben.

Het klopt dat veel militairen op het moment argwanend zijn. Eerst zien, dan geloven, horen we vaak. Ik begrijp dat. Ze willen boter bij de vis. Ze willen vaststellen dat de beloften waar worden gemaakt. Ik spreek nog vaak met mijn collega’s van destijds. Zo sprak ik onlangs tijdens Land Day met een aantal militairen. De opstoelage leek hen te bevallen, maar ze vroegen zich af of die er echt wel zou komen. Ze willen inderdaad zekerheid over de opstoelage, ook omdat het bedrag van die toelage niet min is. Ik denk dat we nu woord moeten houden. We moeten ervoor zorgen dat wat is afgesproken, zo snel mogelijk wordt uitgevoerd en dat het hele debat over de pensioenen daaraan wordt gekoppeld.

Tot slot heb ik nog enkele woorden voor de collega’s van de PVDA. Zij beweren altijd dat zij opkomen voor onze militairen, maar ze weigeren te investeren in nieuw en veilig materiaal voor onze militairen. Zij weigeren te investeren in nieuwe kazernes en in nieuwe infrastructuur voor onze militairen. Zij weigeren te investeren in de veiligheid van ons allemaal en dus ook van onze militairen. Hier beweren ze evenwel dat ze opkomen voor de militairen. Ik spreek veel met militairen onder andere op de Land Day en bij sociale evenementen. Daar heb ik nog nooit iemand van de PVDA gezien. Bij bevelovergaves heb ik nog nooit iemand van de PVDA gezien. Op evenementen zoals Land Day heb ik nog nooit iemand van de PVDA gezien. Ik ga er wel naartoe. Ik spreek met de militairen. Leden van de PVDA, wat zeggen zij over de PVDA? Zij vertrouwen u niet; zij geloven niet in u; zij houden absoluut niet van een partij als de PVDA, omdat u niet bereid bent de nodige stappen en investeringen te doen in onze defensie. Dus stop met ons hier de les te spellen alsof u de enige bent die opkomt voor onze militairen. Spreek met de militairen en u zult een ander geluid horen.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, parler avec les militaires, c'est effectivement important, mais il est également important de parler avant l'accord de gouvernement. Quand on fait un accord de gouvernement, on doit rencontrer les partenaires sociaux, et si vous aviez rencontré tous les partenaires sociaux – et en particulier les syndicats militaires –, vous n'auriez peut-être pas eu 5 000 militaires dans la rue. Dès lors, je pense que les militaires qui se sont exprimés ne pensent pas que du bien des réformes du gouvernement Arizona en matière de retraite, et en particulier les retraites des militaires.

Monsieur le ministre, vous parlez de fausses informations. Je peux vous suivre mais moi, je me réfère à des faits. Selon l'accord de gouvernement, l'âge de la retraite est 67 ans. Vous évoquez ici une mesure selon laquelle les militaires pourront partir à la retraite en moyenne vers 59 ou 60 ans, certains à 62 ans, d'autres à 60 ans. Moi, j'ai entendu la déclaration du ministre des Pensions et j'ai l'accord de gouvernement. Tous deux évoquent un âge de 67 ans.

Le deuxième élément primordial, c'est qu'en matière de retraites, si on compare les régimes de retraite dans deux armées essentielles qui sont membres de l'OTAN, la première qui vous sert souvent de modèle – autrement dit l'armée américaine –, on a droit à une retraite après 20 ans de carrière. Et en France, l'âge de la retraite pour les militaires – et vous n'ignorez pas qu'en France a lieu un large débat sur la réforme des retraites – est fixé à 52 ans, avec un minimum de 20 ans de service mais, après 17 ans de service, les militaires ont déjà droit à des éléments de retraite.

En fait, vous présentez un bel emballage, un beau cadeau, mais surtout pour les nouvelles recrues, pas pour ceux et celles qui sont toujours en activité aujourd'hui. Vous parlez donc de fausses informations et d'accord social, mais il n'y a pas d'accord social. Certes, un des syndicats a marqué son accord, mais vous avez dit que vous reverriez les autres à la mi-octobre. J'entends donc parler d'accord social mais non, il n'y a pas d'accord social!

En outre, vous n'avez pas répondu à une question très claire: le gouvernement vous a-t-il donné les 300 millions d'euros que vous réclamez pour l'accord social ou le prochain accord social? Personnellement, je n'ai vu aucun conclave budgétaire qui permette aujourd'hui de dire que vous avez les moyens de mettre en œuvre les mesures que vous avez énoncées. Dès lors, les fausses informations, je ne sais pas où elles sont, mais elles ne sont pas dans mon chef, et certainement pas dans le chef des syndicats et encore moins des militaires.

Theo Francken:

Het antwoord is ja. Dat geld is inbegrepen in de 2 %. Dat staat in de Strategische Visie, die aan u bezorgd is.

La réponse à votre question est oui.

Christophe Lacroix:

Donc, vous avez de quoi financer les 2 %? J'avais cru comprendre qu'il n'y avait toujours pas d'accord, que pour l'instant, on devait mobiliser des fonds Défense et SFPI, que l'on devait mobiliser des fonds par-ci par-là. J'avais compris qu'un des grands enjeux budgétaires du conclave, lors duquel vous devrez dégager 46 milliards d'économies selon vous, était qu'il fallait trouver un accord pour le financement des nouvelles dépenses. Vous me dites que vous avez déjà trouvé les moyens. Alors, mettez-les sur la table et énoncez-nous maintenant la partie de l'accord de gouvernement qui vous permet de dire que vous avez effectivement, de manière structurelle, de quoi financer votre plan et tous les investissements militaires dès 2025, pour la fin de cette année, et ensuite pour 2026, 2027 et les suivantes! Je trouve assez sidérant de vous entendre dire cela alors que rien ne permet d'affirmer que vous avez un accord budgétaire, au contraire. En tout cas, le conclave budgétaire n'a pas encore eu lieu.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Je pense que tout à l'heure j'ai précisé que Les Engagés étaient très attentifs aux négociations, mais je tiens à souligner que je ne mettais pas du tout en doute votre qualité de négociateur. Celle-ci a été démontrée ici par toutes les avancées qui ont été proposées aux militaires dans le cadre de l'évolution de leur carrière et aussi dans le cadre d'une vision beaucoup plus stratégique à long terme. Merci aussi d'avoir pris du temps. Deux mois, ce n'est pas négligeable pour aboutir dans ces négociations et discussions. Le statut des militaires est réellement amélioré, vous venez de le préciser, et c'est aussi très important pour nous. N'oublions pas ces hommes et ces femmes qui mettent à un moment leur vie en jeu pour nous défendre, pour défendre la patrie et l'ensemble des Belges que nous sommes, mais je sais que vous ne les oubliez pas.

Au-delà de cela, j'insiste sur le fait que vous avez proposé, comme vous l'aviez dit, que vous avez écouté, comme vous l'aviez dit, que vous avez négocié, comme vous l'aviez dit. Maintenant, il faut informer parce qu'en effet, il y a énormément de fausses informations. Nous n'avions jamais vu, avant la mise en place du gouvernement, la survenue d'une grève anticipée.

Koen Metsu:

Mijnheer de minister, ik denk dat we nu naar de grootste hervorming gaan van de voorbije decennia. Misschien is er in het verleden iets te weinig gebeurd.

Een paar zaken vallen mij op. Het is niet zomaar één vakorganisatie die haar akkoord heeft gegeven, het gaat om de grootste vakorganisatie by far, de ACMP.

Ik heb collega Kjell Vander Elst ook horen zeggen dat er zaken moeten veranderen om het statuut te moderniseren en zo naar een moderner leger te kunnen evolueren. Dat beaam ik volledig. Daarvoor pleit iedereen met een militaire badge al jaren. Alle anomalieën die er in het verleden zijn ingeslopen, worden nu stilaan weggewerkt.

Ik wil nog één oproep doen. Ik denk dat bepaalde partijen baat hebben bij sociale onrust. Ik heb dat nooit goed begrepen. Ook op lokaal niveau hebben we dat mogen vaststellen. Als men dat doet, doe dat dan wel met de juiste informatie. Doe dat niet door het verspreiden van fakenieuws, nieuws dat nog helemaal niet is afgetoetst, want dan begint men te stoken en komt men terecht in de fase van de voorbije maanden, met onduidelijkheid en onzekerheid. Dan is men de gemoederen aan het ophitsen in plaats van ze te bedaren om tot een sociaal akkoord te kunnen komen. Dat is mijn enige vraag aan alle collega’s.

Ik hoop dat wij tegen het einde van dit jaar - dat zou een soort wereldrecord zijn gezien de grootte van de hervorming - tot een protocol van akkoord kunnen komen. We wensen u daar alle succes bij, mijnheer de minister.

Staf Aerts:

Ik wil nog even inpikken op wat de heer Metsu net zei. Hij zei: bevraag u voor u hier informeert. Ik meen trouwens niet dat ik me schuldig gemaakt heb aan het verspreiden van fake news. Absoluut niet.

Als we vragen stellen in het Parlement, is het nu wel de allereerste keer dat we een antwoord krijgen dat langer is dan één minuut wanneer het over het sociaal akkoord gaat.

U kunt ons moeilijk verwijten dat we vragen moeten stellen. Als we geen antwoorden krijgen, wat is dan de zin daarvan? Dat was niet zo consistent in uw antwoord.

Inzake de toelichtingen van DHR wil ik onderstrepen dat ze door mij uiteraard zeer geapprecieerd worden. Het is bijzonder belangrijk om op een laagdrempelige manier iedereen persoonlijk te informeren. Dat zal zeker misverstanden uit de weg helpen.

Ik hoor in uw uitleg echter geen enkele opening om nog verder over het sociaal akkoord te praten, mijnheer de minister. U hebt zelfs gezegd: het is nu aan de vakbonden hun kaarten op tafel te leggen en dan een protocol van akkoord of van niet akkoord te geven. Ik vind het een pijnlijk signaal dat u, terwijl drie van de vier vakbonden toch nog opmerkingen en vragen hebben, eigenlijk zegt dat het te nemen of te laten is.

Uw antwoordde ook niet inzake de koppeling tussen de pensioenhervorming en het militaire statuut. In uw uitleg scheidde u die twee dossiers zelfs. Maar ze zijn natuurlijk niet gescheiden voor een militair, want die gaat uiteindelijk met pensioen én hij moet zijn huidige militaire statuut in het oog houden. Ik vind dat een rare manier van werken. Dit moet als één geheel behandeld worden. U doet dat niet. Het sociaal akkoord lijkt me voor u te nemen of te laten, terwijl er over de pensioenen nog geen volledige duidelijkheid is.

Wat gebeurt er ondertussen wel? Ik wil benadrukken dat de huidige militairen meer waardering dan ooit verdienen. De situatie is nu veel meer gespannen. De verwachtingen waaraan ze moeten voldoen, zijn nu ook veel groter. Nieuwe wapensystemen betekenen dat meer opleiding nodig is en meer tijd om daarin te investeren.

Nieuwe militairen en nieuwe reservisten opleiden, vraagt ook meer tijd. Ondertussen geeft deze regering de militairen ook nog extra politietaken, waarvoor de politieagenten beter vergoed worden dan de militairen, zoals het bewaken van kerncentrales of wacht lopen in de steden, eigenlijk als goedkope politieagenten. We weten nochtans allemaal - want dat is in het verleden gebleken - dat dit dodelijk is voor de motivatie van de militairen. Het accordeert niet met elkaar. Het zou moeten maken dat u met veel meer zorg omgaat met het statuut en het pensioen van de militairen.

Robin Tonniau:

Mijnheer Francken, u spreekt soms over het verspreiden van fakenieuws. Is er nu eigenlijk een sociaal akkoord of niet? U tweet zelf: “ It’s a wrap , sociaal akkoord is rond.” De ACMP heeft getekend, maar de feiten zijn dat drie van de vier defensievakbonden dat sociaal akkoord vandaag nog altijd niet hebben ondertekend. Als ik thuis aan de keukentafel in discussie ga met mijn kinderen en mijn vrouw en enkel mijn dochter en mijn zoon akkoord gaan over iets terwijl de twee andere kinderen dat niet doen, dan hebben we geen akkoord. Zo werkt dat. U hebt vandaag geen akkoord. Het is duidelijk waarover het gaat: de pensioenen vormen het hete hangijzer.

U geeft toe dat iedereen langer moet werken, dus ook onze militairen. Minstens vier jaar erbij, maar voor de meesten zal het eerder zes jaar zijn. Alsof dat niets is. U hebt dat wel gezegd, minstens vier jaar, dat was toch wat u net gezegd hebt. Op 60 jaar met pensioen, dat is enkel haalbaar voor wie een goede loopbaan heeft, maar veel mensen hebben gemengde carrières met ziekteperiodes ertussen. Dat is de realiteit. Daarom maken de militairen zich grote zorgen, terecht. Hoe ziet hun eindeloopbaan er vandaag uit? Alle goede functies voor vijftigplussers privatiseert u. Het bewaken van de kazernes en andere taken zijn al lang geleden geprivatiseerd. Het is logisch dat de militairen argwanend staan tegenover de politiek, ook tegenover uw beleid.

Mijnheer Weydts, ik luister naar de vakbonden. Ik citeer hier de vakbonden. U zegt dat ik met de militairen zelf moet spreken. Dat wil ik gerust doen. Volgens u vertegenwoordigen de vakbonden de militairen niet? Ik heb met militairen gesproken, een van de 5.000 die enkele maanden geleden in Brussel op straat kwamen. Dat was toch een duidelijk signaal, mijnheer Weydts? Zij waren daar niet om te supporteren, maar om te zeggen tot hier en niet verder; 56 jaar is lang genoeg voor ons.

Het is hier al gezegd, in Frankrijk kunnen militairen op 52 jaar met pensioen. In de meeste andere Europese landen ligt die pensioenleeftijd onder de 56 jaar voor militairen. Er is geen enkele reden om er voor onze militairen plots zes jaar bij te doen. Dank u wel.

Voorzitter:

Ik merk dat de minister nog het woord vraagt. Specifiek over iets wat mijnheer Tonniau gezegd heeft, of andere collega’s? Normaal gezien geldt dat als het gaat over een punctuele opmerking ten aanzien van collega Tonniau, ik u het woord verleen. Als het gaat over het debat heropenen, stel ik voor om dat niet te doen.

Theo Francken:

Ik heb gewoon punctuele antwoorden. Men zegt dat ik nog niet heb geantwoord op bepaalde vragen, dus dan wil ik daar graag op ingaan.

Voorzitter:

Het gaat dus over een punctuele opmerking van collega Tonniau?

Theo Francken:

Nee, het betreft niet alleen hem, maar ook de overige sprekers.

Ik vraag het woord na de heer Lacroix, waarna u opmerkt dat dat niet gebruikelijk is en dat ik op het einde moet antwoorden. Wat is het nu eigenlijk?

Voorzitter:

Nee, nee. Het systeem is als volgt: vraag van een parlementslid, antwoord van de minister en repliek van het parlementslid. Als daar een punctuele opmerking bij gemaakt moet worden, kan dat. Dat is reeds gebeurd. U zegt dat u nog een punctuele opmerking hebt. Dat kan ook, maar dan bestaat het risico dat er opnieuw een ronde geopend wordt. Als het dus gaat over een punctuele opmerking, heb ik er geen bezwaar tegen.

Theo Francken:

Het sociaal akkoord is heel belangrijk voor mij, dus voor mij mag de vergadering nog uren duren, maar men moet geen onzin vertellen. Daar kan ik niet goed tegen.

Voorzitter:

U mag daar punctueel op antwoorden.

Theo Francken:

Merci beaucoup. Il importe de dire ceci à propos de la comparaison établie avec la France à propos des pensions. Savez-vous que celles des militaires français sont largement inférieures à celles de nos militaires? Vous le savez?

Meneer Lacroix, maak de vergelijking dan volledig. In de Verenigde Staten kunnen militairen na twintig jaar dienst met pensioen gaan. Hun pensioen bedraagt echter slechts 40 % van hun laatste loon. In België bedraagt het pensioen 75 % van het laatste loon. Wanneer u dus nogmaals het sociaal akkoord, goed voor 300 miljoen, vergelijkt met de 5 miljard voor preferentiële periodes voor alle werknemers in het land, is die vergelijking intellectueel gezien totaal oneerlijk. Daarnaast maakt u de vergelijking met de Verenigde Staten, waar militairen na twintig jaar op pensioen mogen, maar slechts een half pensioen krijgen. Dat vind ik niet eerlijk. Daarom wou ik absoluut nog het woord vragen.

Ce n'est pas correct. Lors d'un débat, il importe vraiment de parler des pensions, des montants des pensions, de l'accord social, des syndicats, des exigences du personnel, du statut militaire. Cela ne pose pas de problème et c'est une priorité pour le gouvernement. Je négocie depuis des mois et je ne suis pas du tout d'accord avec ce que j'entends. Je vous connais comme étant un homme très correct mais il faut aussi pouvoir comparer les pommes avec les pommes et les citrons avec les citrons.

Ik hoor hier vaak vergelijken met Frankrijk en de Verenigde Staten, maar die vergelijking is intellectueel niet eerlijk. U zou er ook tegen zijn, mochten we hier denken aan een systeem zoals in de Verenigde Staten waarbij we na twintig jaar slechts een pensioen geniet dat veertig procent bedraagt van de laatste wedde. Dan zou u klagen dat dat een afschuwelijke afbraak van sociale rechten is, want dat is amper veertig procent van het laatste loon. Het is uiteraard nooit goed. In een dergelijk debat wint nooit iemand en dat is spijtig.

Er wordt gezegd dat ik nooit vragen heb beantwoord. Ik heb altijd duidelijk gemaakt dat ik ten bate van de constructieve houding tijdens de sociale onderhandelingen geen publieke verklaringen zou afleggen over de lopende gesprekken. Dat is natuurlijk niet leuk voor een Kamerlid. Mijnheer de voorzitter, in juli 2025, enkele dagen na de laatste plenaire vergadering heb ik u nog gebeld om u te melden dat er een akkoord was en te vragen of ik naar de Kamer zou komen. U antwoordde dat wij het akkoord in september 2025 zouden behandelen. Wij zijn nu in september 2025, op de eerste vergadering na het sociaal akkoord en ik geef hier uitgebreid toelichting over dat akkoord. Niettemin krijg ik het verwijt dat ik de eerste keer nooit meer dan een minuut heb geantwoord. Dat is toch absurd? Wat zijn dat voor argumenten?

Ik wil graag op een correcte en transparante manier met u samenwerken. Ik merk dat dat in sommige commissies volledig onmogelijk is door de lekken van bepaalde leden. Het is toch van geen niveau, als u in het debat over het akkoord in openbare commissie, waarbij iedereen kan meeluisteren, mij verwijt dat ik nu wel antwoord en daarvoor niet. Er is nu pas een akkoord!

Ik zal sociale onderhandelingen altijd discreet proberen te voeren. Dat is het beste en dat weet u allemaal. U hebt allemaal wel eens sociale onderhandelingen gevoerd. Het is beter om over onderhandelingen te zwijgen en niet te veel commentaar te geven, want anders mislukken ze. Dan ontstaat polarisatie met de ene partij die dit verklaart en de andere dat. Dan wordt het een totale ellende. Het is beter even discreet in de schaduw te werken en met een akkoord met alle partijen naar buiten te komen.

Hebben wij een akkoord? Wij hebben een akkoord met de grootste vakbond. Ik hoop tegen midden oktober 2025 een akkoord te kunnen sluiten met de drie andere vakbonden. Zal dat moeilijk zijn? Dat is moeilijk. Het recentste gesprek is inderdaad niet goed verlopen. Het is moeilijk. Er is ergernis bij mij en er is ergernis bij hen. Wij werken echter samen en zullen zien of wij eruit geraken.

Ik weet één heel belangrijke zaak. Vakbonden hebben we altijd nodig. Sociaal overleg is van heel groot belang. Er zijn nog vier jaar te gaan en als ik zie wat er in de wereld gebeurt, zullen wij elkaar nog goed moeten vasthouden. Wij zullen onze troepen nog moeten inzetten. Het is dus beter dat de regering en de vakbonden door dezelfde deur blijven kunnen. Er gebeuren immers altijd incidenten en er zijn altijd situaties waarin zij op mij moeten kunnen rekenen en ik op hen.

Daarom hoop ik dat wij een akkoord kunnen sluiten. Als dat niet lukt, is dat bijzonder spijtig. Ik hoop dat het wel lukt. Ik weet dat zij allemaal meeluisteren.

Voorzitter:

Ik heb gemerkt dat u drie collega’s hebt aangesproken. Collega Aerts, die gevraagd had naar een uitvoerig debat, hebt u aangesproken in verband met die minuut die u slechts hebt geantwoord. Hij is evenwel vertrokken, dus ik kan hem niet het woord verlenen.

Ik verleen nu het woord aan collega Lacroix.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, j'entends bien votre argument sur la retraite aux é tats-Unis et celle en France. Pour être clair, après 20 ans de carrière, un militaire français peut demander à prendre sa retraite. Donc, cela ouvre des droits; ce qui n'est pas le cas chez nous. Voilà ce que je voulais dire. Cela signifie qu'après 20 ans de carrière, le militaire concerné bénéficiera d'une retraite moindre que quelqu'un qui aura accompli 30 ans de carrière. En revanche, puisque vous ouvrez le débat au plan international et que nous parlons souvent de matériel militaire pour essayer d'aboutir à une cohérence et une uniformité au sein de l'OTAN et de l'Union européenne, il serait judicieux de réfléchir à une adéquation des conditions salariales, de travail et de retraite des militaires. Je ne le connais pas. Par conséquent, ma question est toute simple: quel est le salaire d'un militaire en France? Si sa retraite est inférieure, il a peut-être eu… Comme je n'en sais rien, je ne livrerai pas de fausses informations… Par rapport à d'autres militaires, quel est son niveau salarial? De la sorte, nous pourrons comparer non des pommes et des citrons, mais des pommes et des poires comme nous le disons en français – même si nous avons évidemment compris le sens de "pommes et citrons". Ensuite, vous parlez d'un accord social. Or vous en avez conclu un, mais avec un seul syndicat. Vous devez encore revoir les autres à la mi-octobre, comme vous l'avez dit vous-même. Toutes les cartes seront sur la table. Vous en appelez à la discrétion. Venant de vous, monsieur le ministre, cela m'a fait sourire. Je sais que vous êtes quelqu'un de très correct, mais vous n'êtes pas toujours discret. Nous vous voyons tout le temps dans la presse, monsieur le ministre. Dès que vous voyez quelque chose de bien, vous annoncez que la Belgique va l'acheter. Notre rôle de parlementaires est de vous poser des questions. Quand nous vous interrogeons, nous ne vous demandons pas d'être discret. Je sais que vous n'allez pas nous divulguer toute votre stratégie. Franchement, c'est un peu l'hôpital qui se moque de la charité. Nous jouons notre rôle en vous posant des questions. Vous choisissez d'y répondre ou non. Ne pas répondre est aussi un choix. J'ai été ministre. Parfois, cela m'arrangeait de ne pas répondre aux questions. Les députés en prenaient acte. Donc, s'il vous plaît, restons courtois et entre gens corrects. Et vous l'êtes. Malgré nos différends politiques, nous avons toujours entretenu une relation saine et normale.

De automatische oppensioenstelling van statutaire ambtenaren

Gesteld door

CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over de afschaffing van automatische pensionering voor statutaire ambtenaren om langer werken mogelijk te maken, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Minister Matz bevestigt dat de bestaande procedure vereenvoudigd wordt via een aanpassing van het KB van 1927 (geen wetswijziging nodig), met ingang op 1 januari 2026, en dat het dossier al in Comité A en bij de Inspectie van Financiën ligt. Lanjri benadrukt dat de huidige regels te complex zijn en hoopt dat ook de deelstaten de federale aanpassing zullen volgen, zoals eerder bij tijdskrediet. Haar resolutievoorstel (besproken in de commissie) moet het proces versnellen, zodat ambtenaren die willen doorwerken dat vanaf 2026 zonder belemmeringen kunnen doen.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, de stijgende vergrijzingskosten nopen ons allemaal zo lang mogelijk aan de slag te blijven. De regering zet dan ook ten volle in op verschillende maatregelen die mensen stimuleren langer te werken. Zo kunnen werknemers die dat willen – het is geen verplichting – na hun pensioen aan de slag blijven en krijgen ze daar ook een pensioenbonus voor. We kunnen dat alleen maar toejuichen.

Bij cd&v vinden we het inderdaad belangrijk dat mensen er zelf voor moeten kunnen kiezen te blijven werken na hun pensioenleeftijd. Daarom staat in het regeerakkoord van de arizonaregering dat we komaf maken met leeftijdsdiscriminatie door de schrapping van de automatische pensionering van statutaire ambtenaren wanneer ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken.

Dat is een broodnodige maatregel, geïnspireerd op een voorstel van resolutie dat ik in 2023 al had ingediend en dat ik nu opnieuw heb ingediend. Dat is broodnodig, niet alleen bij de overheid, omdat er soms nood is om ambtenaren langer aan het werk te laten, maar ook bij werkgevers, omdat ze worden geconfronteerd met een tekort aan arbeidskrachten en met een hoge vacaturegraad. Het zou onze overheid alleen maar ten goede komen de meer ervaren ambtenaren wat langer aan de slag te houden, indien ze dat willen en indien er nood aan is op de dienst, gelet op het feit dat zij vaak vaardigheden bezitten die jongeren nog niet hebben.

Hoever staat het met de afschaffing van de automatische pensionering van statutaire ambtenaren?

Hebt u dat al voorgelegd aan het comité A?

Bent u al in overleg gegaan met de deelstaten over de automatische pensionering van vastbenoemde ambtenaren van de deelstaten die de pensioengerechtigde leeftijd bereiken? Indien niet, wanneer komt dat overleg er?

Tegen wanneer kunnen we de afschaffing van de automatische pensionering van statutaire ambtenaren conform het regeerakkoord verwachten?

Welke reglementering moet daarvoor aangepast worden? Is daar een wetswijziging voor nodig of gebeurt dat op een andere manier?

Ik wil voor de rest verwijzen naar mijn voorstel van resolutie, waarin staat hoe complex het is als een ambtenaar nu na zijn pensioen voort wil blijven werken.

Dat is bijna onmogelijk en administratief zo zwaar dat het in de praktijk bijna nooit gebeurt.

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Vanessa Matz:

(…), maar u bent wel een belangrijk element vergeten. Ik citeer eveneens uit het regeerakkoord: "De voortzetting van de loopbaan kan na gunstig advies van het management. In de praktijk bestaat via een specifieke procedure reeds de mogelijkheid om te blijven werken na het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd. De ambtenaar dient ten vroegste achttien maanden vóór de datum van de wettelijke pensioenleeftijd en ten laatste zes maanden daarvoor een aanvraag in bij zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere. De leidende ambtenaar neemt binnen de dertig dagen een gemotiveerde beslissing."

De procedure bestaat dus reeds, maar om het regeerakkoord correct uit te voeren, dient het koninklijk besluit van 12 mei 1927 nog licht te worden aangepast. De administratie van de FOD BOSA is daarmee bezig. De planning is dat de tekst tegen de tweede lezing van de teksten van de pensioenhervorming van mijn collega-minister van Pensioenen eveneens zal worden voorgelegd.

De maatregel is alleen van toepassing op het federale personeel. Als de gemeenschappen en de gewesten hetzelfde principe willen invoeren, zullen zij hun personeelsstatuten moeten aanpassen. Het betreft immers een statutaire bepaling.

Het dossier is reeds ter sprake gekomen in het Comité A in het kader van de onderhandelingen over de pensioenhervorming.

De bedoeling is dat een en ander tegen 1 januari 2026 in werking treedt. Er hoeven daartoe geen wetten te worden aangepast, alleen het koninklijk besluit van 12 mei 1927. Het dossier bevindt zich op het moment bij de Inspectie van Financiën voor advies.

Nahima Lanjri:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Zoals ik in mijn vraag heb gezegd, is het de bedoeling dat mensen aan de slag kunnen blijven, als de diensten daar nood toe hebben. Daarom moeten het managementcomité of de diensten hun goedkeuring geven. De procedure ter zake is vandaag hopeloos complex. U hebt een aantal stappen toegelicht, maar er zijn er nog meer. Ik verwees al naar mijn voorstel van resolutie ter zake. Ik ben alvast blij, mevrouw de minister, dat u aan de slag zult gaan met de passage uit het regeerakkoord daaromtrent, dat u intussen teksten hebt gevraagd om het desbetreffende KB aan te passen en dat we de wijziging normaal gezien voor het einde van het jaar, samen met de eerste fase van de pensioenhervorming, zullen kunnen goedkeuren in het Parlement. Ik ben er vast van overtuigd dat ook de regio’s ons daarin zullen volgen, zoals in het verleden is gebeurd voor andere maatregelen. Ook toen het ging om de reglementering aan te passen inzake tijdskrediet en ouderschapsverlof, zijn de gemeenschappen en de gewesten de federale overheid gevolgd. Die is bevoegd voor een grote groep ambtenaren, maar niet voor allemaal. Wij kunnen hier dus een voortrekkersrol spelen. Vanmiddag staat mijn voorstel van resolutie trouwens ook op de agenda van de commissie voor Sociale Zaken. Met dat uitgewerkt voorstel wil ik een signaal geven, omdat ik weet dat de wetgeving niet moet worden aangepast. Met mijn voorstel kunt u verder aan de slag en hopelijk kunnen we samen landen, zodat ambtenaren die vanaf 1 januari verder willen werken, dat kunnen doen.

De pensioendiefstal
De pensioenhervorming
Het vervroegd pensioen en de gevolgen van perioden van langdurige ziekte en moederschapsrust
Financiële gevolgen van pensioenwijzigingen, -diefstal, vervroegd uittreden en loopbaanonderbrekingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming met bonus-malussysteem stuit op felle kritiek omdat het kwetsbare groepen (langdurig zieken, laaggeschoolden, zorgverleners) onevenredig treft: zij riskeren tot 25% pensioenverlies door onvrijwillige loopbaanonderbrekingen (ziekte, mantelzorg), terwijl gelijkgestelde periodes (moederschapsverlof, palliatief verlof) pas onder druk werden meegerekend. Minister Jambon benadrukt dat de hervorming betaalbaarheid moet garanderen via een geleidelijke invoering (volledig effect pas over 15 jaar) en correcties voor ziekte, maar critici noemen de maatregelen onrechtvaardig (straffend voor wie vroeg startte in zware jobs) en intergenerationeel oneerlijk (jongeren betalen de rekening). De sociale onrust en desinformatie over de impact blijven groot, met een polarisatie tussen "noodzakelijke hervorming" (N-VA) en "elitaire strafmaatregel" (oppositie).

Kim De Witte:

"Moeten we bang zijn voor de pensioenmalus?" Dat is de cover van Knack van vandaag. Moeten we bang zijn voor de pensioenmalus, mijnheer de minister? Wat denkt u? U bent blijkbaar niet bang. Collega’s van de N-VA, moeten we bang zijn voor de pensioenmalus? U bent ook niet bang. Collega’s van Vooruit, moeten we bang zijn voor de pensioenmalus? U bent eveneens niet bang. Natuurlijk bent u niet bang, want hier blijven zitten tot 67 jaar is niet moeilijk. Ik begrijp dus dat u niet bang bent.

Veel mensen zijn echter terecht bang voor de pensioenmalus. Een op de twee vrouwen en een op de vier mannen zouden immers met die malus kunnen worden geconfronteerd. Ze zouden tot een vierde van hun pensioen kunnen verliezen. Dat is enorm. Ik begrijp dus dat veel mensen bang zijn.

Wij verzetten ons daarom vanaf dag één tegen die maatregel, omdat hij ingrijpend, onrechtvaardig en elitair is. Hij is onrechtvaardig en elitair omdat hij mensen die vroeg zijn begonnen te werken in een zwaar beroep straft, terwijl hij mensen die later begonnen te werken in een minder zwaar beroep beloont. Dat is niet aanvaardbaar.

Onder druk van de sociale beweging heeft uw regering al stappen achteruit gezet. Tijdelijke werkloosheid hebt u terecht uit de malus geschrapt. Dat is terecht, want mensen kunnen daarvoor niet kiezen. Ook kortstondige periodes van ziekte hebt u geschrapt. Het probleem blijft echter bestaan bij de ernstige periodes van ziekte. Het gaat dan over mensen met kanker, reuma of peesproblemen.

Mijnheer de minister, de ziektecorrectie die u wilt invoeren, is peanuts. Mensen die tot 67 jaar moeten werken, zouden dan slechts tot 66 jaar moeten werken. Zult u een echte ziektecorrectie invoeren en ziekte volledig gelijkstellen voor de berekening van de malus? Ik dank u.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, wij wachten met een visadempje op uw pensioenhervorming. U hervorming bevat een bonus-malussysteem dat pas binnen 15 jaar ten volle effect zal hebben. Dat betekent dat de huidige generatie gepensioneerden grotendeels wordt ontzien, terwijl de rekening wordt doorgeschoven naar de jongeren.

Daarnaast was er in uw eerste ontwerp de onaanvaardbare uitsluiting van moederschapsrust bij het vervroegd pensioen na een loopbaan van 42 jaar. Zo zouden vrouwen per kind bijna een volledig jaar langer moeten werken om recht te hebben op vervroegd pensioen. Pas na zware publieke druk lijkt u nu terug te krabbelen. U zou dit rechtzetten, en dat is meer dan terecht. Wat echter met gelijkgestelde periodes, zoals vaderschapsverlof, pleegverlof of mantelzorg?

Het rapport van het Rekenhof was bovendien ronduit vernietigend. De regering-De Wever zou de cijfers op orde zetten, maar niets is minder waar. Volgens het Rekenhof is uw hervorming zonder extra belastingen of uitzonderlijke maatregelen niet houdbaar, en dat terwijl de belastingdruk in België nu al tot de hoogste ter wereld behoort.

Mijnheer de minister, u noemt uw pensioenmalus een motiverende maatregel. Wat met langdurig zieken, mantelzorgers en ouders die zorgen voor hun gezin? Zult u in uw hervorming rekening houden met deze kwetsbare groepen?

Wanneer komt er duidelijkheid over het meetellen van alle gelijkgestelde periodes?

Hoe garandeert u dat deze hervorming echt intergenerationeel rechtvaardig is en geen lege doos, die de betaalbaarheid en de haalbaarheid van ons pensioensysteem ondermijnt?

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wat we vandaag doen, is ongezien; helaas geldt dat ook voor de pensioenuitgaven. We besteden jaarlijks 70 miljard euro aan pensioenen, waarvan 30 miljard euro telkens opnieuw moet worden bijgepast. Elk klein kind kan inzien dat dit op lange termijn onhoudbaar is. Als we willen dat wie elke dag hard werkt en veel belastingen betaalt, en wie na ons komt, later ook nog een pensioen heeft, moeten we nu hervormen.

Collega De Witte spreekt over angst. Ik heb dezelfde angst als we niet zouden hervormen. Indien we niet hervormen, weet ik niet of we later nog een pensioen zullen hebben. Wat we nu doen, is noodzakelijk en u doet dat op een redelijke manier. Ik hoor dat er veel vraagstukken zijn. Wat we vandaag doen, is zeer redelijk. We houden rekening met moederschapsrust. We houden ook rekening met palliatief verlof. Periodes van gewaarborgd loon worden gelijkgesteld met gewerkte dagen. Wie langdurig ziek is en pas op 66 jaar met pensioen gaat, zal geen euro verliezen ten opzichte van vandaag. Er is helaas dagelijks gigantisch veel desinformatie over een thema dat voor iedereen van groot belang is.

Mijnheer de minister, onze fractie heeft eigenlijk maar één vraag voor u: zet door met uw hervorming en doe dat op een redelijke manier, zoals u elke dag opnieuw doet. Er is immers een oorverdovende, stilzwijgende meerderheid die u elke dag opnieuw steunt.

Jan Jambon:

Beste collega's, mevrouw Samyn, u hebt gevraagd wanneer er eindelijk duidelijkheid zal worden geschapen. In het zomerakkoord hebben we de eerste lezing van de pensioenhervorming gedaan. De wettelijk verplichte sociale concertatie is momenteel bezig. Hierna gaat het dossier terug naar de regering voor een tweede lezing. Daarna moet het advies van de Raad van State worden ingewonnen. Vervolgens komt het dossier opnieuw naar de regering voor een derde lezing. Daarna zal het naar het Parlement worden gebracht. Dan zult u volledige inzage hebben, tot in alle details, en dan zullen we de pensioenhervorming in de commissie kunnen bespreken. We hebben al vaak over de pensioenhervorming gedebatteerd.

Mijnheer De Witte, ik stel vast dat N-VA-fractievoorzitter Ronse u op ManiFiesta niet heeft kunnen overtuigen, in tegenstelling tot collega De Wever, die bij de MR wel indruk heeft kunnen maken. Hij zal dus nog een tweede poging moeten ondernemen. Alle gekheid op een stokje, dit is een belangrijk onderwerp. Het gaat om de verhouding tussen langdurige ziekte en het bonus-malussysteem.

Het bonus-malussysteem heeft betrekking op mensen die minder lang werken dan de wettelijke pensioenleeftijd. Dat hoeft niet noodzakelijk 66 of straks 67 jaar te zijn. Mensen die 42 tot 44 jaar hebben gewerkt kunnen onder bepaalde voorwaarden vervroegd met pensioen blijven gaan. Wie nog vroeger met pensioen gaat, zal een deel van het pensioen moeten inleveren. Daarbij worden een heel aantal gelijkgestelde periodes in aanmerking genomen.

Wat de langdurig zieken betreft: omdat men minstens 35 jaar moet hebben gewerkt, is het bijvoorbeeld in het stelsel van 42 jaar mogelijk om op 60 jaar met pensioen te gaan, zelfs na een langdurige ziekte van zeven jaar. Dat vormt geen enkel probleem. Voor een langere ziekteperiode hebben we reeds een correctie ingevoerd: de periode die men langer moet werken, zal worden aangepast in functie van de duur van de ziekte. Dat is een van de basisprincipes van onze hervorming, de pensioenen in lijn brengen met de periode waarin men effectief heeft gewerkt. Daar gaat het over. We voeren dus die ziektecorrectie door.

Mevrouw Samyn, periodes van tijdelijke werkloosheid en alle zorgverloven, zoals moederschapsrust, ouderschapsverlof, palliatief verlof enzovoorts, worden in ons voorstel gelijkgesteld met gewerkte periodes, ook in het bonus-malussysteem. Dat betekent dat ook deeltijds werkende vrouwen of mannen die zorg hebben opgenomen voor hun kinderen of andere gezinsleden, zonder malus vervroegd met pensioen kunnen gaan. Dat geldt ook voor tijdelijke werkloosheid.

U sprak ook over het budgettaire plaatje. Ik heb dat eigenlijk niet zo goed begrepen, want de Vergrijzingscommissie heeft de pensioenhervorming die wij hebben voorgesteld, doorgerekend. Wat wij vooropgesteld hebben in het regeerakkoord, namelijk dat we met de pensioenhervorming nog tijdens deze legislatuur rond de 2,4 miljard euro zouden besparen, is bevestigd. Die delta loopt in de jaren na de legislatuur nog verder op. Met deze pensioenhervorming realiseren we dus twee zaken. We zorgen ervoor dat de pensioenen op de lange termijn betaalbaar blijven en we zorgen ervoor dat het budgettaire plaatje iets minder uitdagend is. Dat is werk voor de volgende weken.

Kim De Witte:

Mevrouw Demesmaeker, met één ding ben ik het eens: er is heel veel desinformatie over onze pensioenen.

Mijnheer de minister, u hebt nu net weer het voorbeeld gegeven. U zegt dat men 7 jaar ziek kan zijn.

Wel, ik geef een concreet voorbeeld van een poetsvrouw die 32 jaar voltijds en 10 jaar halftijds gewerkt heeft. In die 10 jaar was ze 8 keer 2 weken ziek. Wel, zij krijgt de malus. Ze is vier maanden ziek geweest: 8 keer 2 weken.

Jan Jambon:

Hoeveel langer moet ze werken om die malus te vermijden?

Kim De Witte:

Maar ze kan niet langer werken, dat is net het punt. Als men als poetsvrouw 32 jaar voltijds gewerkt heeft en daarna nog 10 jaar halftijds, dan is men opgewerkt. Dat is het punt. U zegt dat men dan nog 3 jaar verder moet werken om dat op te lossen, maar dat lukt niet.

Mensen kiezen er niet voor, mijnheer de minister, om ziek te zijn. Men kiest daar niet voor. Ik ben liever 5 jaar aan het werken dan 5 jaar aan het vechten tegen kanker. U bestraft mensen die ziek zijn. Onze sociale zekerheid moet hen beschermen.

Ellen Samyn:

In plaats van te motiveren, straft u af en raakt u bovendien aan het pensioen van de gewone Vlaming. Vlaanderen heeft met een werkzaamheidsgraad van 80 % nochtans geen pensioenprobleem. U weet waar het probleem ligt. Dat ligt al decennialang in Wallonië. De huidige asociale regering schuift niettemin de factuur door naar wie wel bijdraagt, namelijk naar de Vlaming.

Mijnheer de minister, dan is er nog de uitsluiting van moederschapsverlof in uw eerste ontwerp. Waar zat u met uw gedachten? Welke boodschap geeft u aan vrouwen die werk en gezin combineren? Krijgen zij de boodschap dat zij worden gestraft omdat zij kinderen krijgen? Moederschap is geen vakantie. Net als vaderschap, pleegzorg of mantelzorg betekent moederschap keiharde inzet met maatschappelijke waarde.

Het Vlaams Belang wil geen lege hervormingsdoos die jongeren en gezinnen treft, maar een rechtvaardig systeem dat inzet beloont en zorgzaamheid erkent. Stop met straffen en begin met waarderen.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Mijnheer De Witte, ik heb voor u nog een vraag, in verband met het voorbeeld dat u gaf. Ik stel me echter de volgende vraag. Stel dat mevrouw opnieuw kan gaan werken. Wat is er dan mis mee om haar opnieuw te laten gaan werken, als zij dat kan? Als zij dat niet kan, kan zij naar het RIZIV stappen en een uitkering krijgen. Dan blijft ze in ziekteverlof en zal na de leeftijd van 66 jaar met pensioen kunnen gaan en daarbij geen euro verliezen.

De stand van zaken van de pensioenhervorming van het spoorwegpersoneel

Gesteld door

Vooruit Niels Tas

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming voor spoorwegpersoneel stuit op sterke kritiek van vakbonden (verworven rechten, ongelijkheid, gebrek aan erkenning zware beroepen), terwijl onderhandelingen in Comité A constructief maar vertrouwelijk verlopen. Minister Crucke wijst bevoegdheid af naar Jambon (Pensioenen), benadrukt respect voor sociaal overleg en statuten, maar wil misbruik van stakingsrecht aan banden leggen via juridische stappen, zonder kernvrijheden aan te tasten. Tas eist een eerlijk akkoord met erkenning van vakbonden en waarschuwt dat stakingen alleen als laatste middel zullen worden ingezet, met oog voor reizigersimpact. De kans op een evenwichtig compromis hangt af van respect voor verleden, gezondheid/veiligheid en duurzame openbare dienst, maar concrete inhoud blijft onduidelijk.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, u hebt waarschijnlijk vernomen dat mijn goede collega, de heer Seuntjes, mijn rol in de commissie hier zal overnemen. Dat neemt niet weg dat ik u vandaag en later vragen zal stellen. Als schepen van Mobiliteit in Dendermonde hoop ik alvast u nog te mogen ontvangen bij de start of het einde van de werken aan ons station, want daar zijn wel enkele problemen.

De spoorwegvakbonden hebben in de laatste week van augustus in het Comité Overheidsbedrijven in gemeenschappelijk front een negatief advies over de geplande pensioenhervorming geformuleerd. Ze uiten daarin hun bekommering over de verworven rechten, het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing, de ongelijkheid tussen de statuten en het feit dat er geen rekening gehouden zou worden met de zwaarte van het beroep van het spoorwegpersoneel.

De onderhandelingen in Comité A zijn inmiddels gestart. In september zijn in totaal acht onderhandelingsrondes gepland. De drie grote spoorbonden nemen heel de maand september deel en ze hopen op goede oplossingen waarbij de gezondheid van de medewerkers en de veiligheid van de reizigers niet in het gedrang komen en de engagementen uit het verleden gerespecteerd worden. Iedereen moet z’n steentje bijdragen aan de hervormingen van ons land, maar we moeten er natuurlijk ook voor zorgen dat de inspanningen eerlijk verdeeld zijn en dat onze openbare diensten sterk en doeltreffend blijven.

Ik ben me er uiteraard van bewust dat de specifieke onderhandelingen over de pensioenhervorming met minister Jambon gevoerd worden, maar gelet op de impact ervan zijn we ervan overtuigd dat het ook voor u belangrijk is de stand van zaken op te volgen en te bekijken welke rol u daarin kunt opnemen.

Kunt u ons een update geven in verband met de onderhandelingen met het spoorwegpersoneel inzake de geplande pensioenhervorming?

Hoe garandeert u dat de belangen van het spoorwegpersoneel voldoende worden verdedigd en beschermd in de gesprekken?

Wat is uw antwoord op de belangrijkste kritieken van de spoorbonden?

Hoe kijkt u naar uw kansen om een akkoord met de spoorbonden te bereiken en samen met het personeel tot een faire hervorming te komen?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer Tas, de pensioenhervorming valt onder de bevoegdheid de minister van Pensioenen, Jan Jambon. Voor uw vraag over het pensioen verwijs ik u daarom naar hem door.

De onderhandelingen met de representatieve vakbonden van de spoorwegsector verlopen in een geest van constructieve dialoog. Ik zal erop toezien dat de gesprekken rekening houden met de specifieke kenmerken van de spoorsector, met name de verschillende statuten, de in het verleden aangegane verbintenissen en de realiteit op het terrein. Ik kan, uit respect voor het overlegproces en de sociale partners, niets zeggen over de exacte inhoud van de lopende besprekingen. Het is essentieel dat die in een sereen en vertrouwelijk klimaat plaats kunnen vinden. Tot slot heb ik er vertrouwen in dat we tot een evenwichtig akkoord kunnen komen.

De lopende gesprekken met de representatieve vakbonden en de CEO's van de NMBS en Infrabel, met de ondersteuning van de HR Rail, gaan de goede kant uit. Het stakingsrecht is een fundamenteel recht, dat ik volledig onderschrijf. Tegelijkertijd moet dat recht op een verantwoorde manier worden uitgeoefend. Ik heb dat ook duidelijk gemaakt aan de betrokken vakorganisaties. Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen de representatieve vakbonden, die een essentiële rol spelen in het sociaal overleg, en kleinere vakbonden of bewegingen waarvan de acties soms de geloofwaardigheid van de sector ondermijnen. Zoals ik eerder heb aangegeven, zal wie opnieuw wil staken, langs de rechter moeten passeren, want misbruik wordt niet langer toegelaten. In dat kader heb ik HR Rail gevraagd te onderzoeken hoe misbruik van het stakingsrecht kan worden voorkomen, zonder de centrale vrijheden aan te tasten, wat recent helaas opnieuw is gebleken.

Het is niet aan mij om te antwoorden in naam van mijn collega bevoegd voor de pensioenen. Het beroep van spoorwegmedewerker is essentieel voor onze samenleving. Ik ben er me volledig van bewust dat bepaalde functies zwaar zijn en dat het belangrijk is om de veiligheid van de reizigers en de gezondheid van de werknemers te waarborgen.

Wat de vakorganisaties betreft die aanwezig zijn in comité A zijn expertise en inzet voor de openbare dienst waardevolle troeven om tot een rechtvaardige en evenwichtige hervorming te komen. De pensioenhervorming moet eerlijk zijn en moet de duurzaamheid van onze openbare dienst garanderen, met respect voor de rechten van de werknemers.

Niels Tas:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw nochtans vrij nietszeggend antwoord, maar ik had niets anders verwacht gelet op de stand van zaken in de procedure. Ik wil er gewoon wijzen dat er inderdaad een evenwichtig akkoord uit de bus moet komen met erkenning van en met respect voor de vakbonden. Het stakingsrecht is wat het is, met alle mogelijke gevolgen. Heel wat collega’s hebben al gesproken over de impact ervan op de treingebruikers. Ik denk dat veel spoorbonden zich daar ook van bewust zijn en een staking ook altijd als een laatste drukkingsmiddel zien. Laten we hopen dat er de komende weken een goed en rechtvaardig resultaat uit de bus komt. Wij zullen de kwestie met Vooruit alleszins blijven opvolgen.

De vertraging in de pensioendossiers
De geblokkeerde pensioenaanvragen
De geblokkeerde pensioenaanvragen
De geblokkeerde pensioenaanvragen
De geblokkeerde pensioenaanvragen
De geblokkeerde pensioenaanvragen
Problemen met pensioenaanvragen en vertragingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon ontkent een blokkering van pensioenaanvragen en bevestigt dat de Federale Pensioendienst alle dossiers blijft afhandelen volgens bestaande wetgeving, met garantie op het toegezegde bedrag en ingangsdatum vier maanden voor pensionering—zelfs als nieuwe regels (zoals de *pensioenmalus*) later worden goedgekeurd. Overgangsmaatregelen zorgen ervoor dat wie in 2026 met pensioen gaat onder oude voorwaarden, dat recht behoudt, om rechtsongelijkheid te voorkomen. De ongerustheid ontstond door mediaberichten en technische problemen (bv. online aanvragen), maar Jambon benadrukt dat geen enkel dossier effectief is geblokkeerd. Parlementsleden dringen aan op duidelijke communicatie om paniek bij tienduizenden betrokkenen weg te nemen.

Wim Van der Donckt:

Mijnheer de minister, u zult ook hebben vastgesteld dat sinds april laatstleden de Federale Pensioendienst brieven verstuurt naar mensen die met pensioen wensen te gaan. In die brieven wordt hen meegedeeld dat hun pensioendossier tijdelijk geblokkeerd is, omdat er in uitvoering van het regeerakkoord nog geen wetteksten zijn uitgewerkt.

Volgens de brief is er, als gevolg van het regeerakkoord, met onmiddellijke ingang een volledige blokkering van alle pensioenbeslissingen voorzien. Dat leidt tot onbegrip of zelfs tot enige ongerustheid, zeker bij burgers die zich op hun pensioen voorbereiden. Intussen zou het al om tienduizenden dossieraanvragen kunnen gaan. De Federale Pensioendienst stelt de mensen wel gerust en benadrukt dat er geen reden tot paniek is. Tegelijk horen we in de media allerlei signalen die de onzekerheid onder de mensen doet toenemen.

Het lijkt me dan ook belangrijk dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over die situatie. Om die reden stel ik u de volgende vragen.

Mijnheer de minister, klopt de informatie die in de media verschijnt? Is er daadwerkelijk sprake van een blokkering van de pensioenaanvragen bij de Federale Pensioendienst? Hebt u een zicht op het aantal betrokken dossiers? Wat is precies de oorzaak van die blokkering? Wordt er gewerkt aan een oplossing op korte termijn om die blokkering op te heffen? Wanneer mogen de burgers daarover duidelijkheid verwachten? Kortom, kunt u de mensen met uw antwoord geruststellen?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, tijdens de beleidsverklaring en bij de bespreking van de beleidsnota heb ik u er al op gewezen dat wie een pensioenaanvraag indient bij de Federale Pensioendienst voor een pensioen dat zou ingaan op 1 januari 2026, een mededeling ontvangt dat er ingevolge het regeerakkoord met onmiddellijke ingang een volledige blokkering is van de pensioenbeslissingen. Omdat er nog geen wetteksten voorhanden zijn, kan er momenteel geen duidelijkheid worden verschaft over de vraag of mensen die vanaf januari 2026 met pensioen gaan, al dan niet onderworpen zullen zijn aan de pensioenmalus.

Dat is uiteraard bijzonder vervelend voor de betrokkenen. Het brengt bovendien een praktisch probleem mee, aangezien de Federale Pensioendienst normaal gezien vier maanden voor de startdatum van het pensioen duidelijkheid moet kunnen geven over de ingangsdatum en het bedrag van het pensioen. Voor mensen die op 1 januari 2026 met pensioen willen gaan, moet dat in principe uiterlijk op 1 september 2025 gebeuren. De nieuwe wetgeving daarover zal echter nog niet op 1 september goedgekeurd zijn. Vandaar de ongerustheid, die ik ook eerder al heb geuit.

Mijnheer de minister, hoe moet dat nu verder? Op welke manier zal worden omgegaan met het feit dat de pensioendienst in principe vanaf 1 september duidelijkheid moet kunnen bieden over een pensioendatum en -bedrag aan mensen die op 1 januari met pensioen willen? Plant u een overgangsmaatregel? Wordt de inwerkingtreding van de pensioenmalus uitgesteld, zoals in de krant wordt gesuggereerd? Voor zover ik weet, is dat niet de bedoeling, maar welke oplossingen voorziet u?

Vreest u niet dat we dan met twee verschillende situaties te maken krijgen? Enerzijds is er de groep die vóór januari al een aanvraag heeft ingediend, anderzijds is er een groep mensen die even oud is en evenveel jaren gewerkt heeft, en zich dus in dezelfde omstandigheden bevindt, maar die de aanvraag net niet tijdig heeft kunnen indienen. Ontstaat er mogelijk discriminatie? Zouden betrokkenen dat voor de rechter kunnen aanvechten?

De voorzitster : Mevrouw Moscufo is niet aanwezig, maar ik veronderstel dat de heer De Witte de honneurs zal waarnemen.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik heb dezelfde vraag. Blijkbaar zijn er tienduizenden pensioendossiers geblokkeerd. Ik krijg daarover heel veel berichten van ongeruste mensen. Ik heb de vraag anderhalve maand geleden ook al gesteld. U antwoordde toen dat er geen probleem was, maar blijkbaar is dat er wel.

Het probleem is inderdaad de pensioenmalus. Ik gebruik de term niet lichtzinnig, maar de pensioenmalus is een diefstal, namelijk een diefstal van opgebouwde rechten van werknemers die hun hele leven bijdragen hebben betaald. Ingevolge die diefstal stelt de Pensioendienst dat zij de pensioenen vanaf 1 januari 2026 niet zomaar kan berekenen zonder een duidelijke beslissing. Volgens het Handvest van de sociaal verzekerde moet de Pensioendienst uiterlijk vier maanden voor aanvang van het pensioen een antwoord verschaffen.

Het is binnenkort 1 september 2025, maar er is nog geen beslissing genomen over de pensioenmalus.

Mijnheer de minister, zult u de maatregel uitstellen tot na 1 januari 2026 of zult u overgangsmaatregelen uitwerken? Wat plant u te doen?

Anja Vanrobaeys:

Mijn vraag was als eerste ingediend, maar ik stel ze als laatste, omdat ik vandaag op de voorzittersstoel zit. Eigenlijk zitten we allen met ongeveer dezelfde vragen.

Ook het ABVV stelt dat er sinds midden april 2025 een feitelijke pensioenblokkade geldt bij de Federale Pensioendienst. Dat komt door het uitblijven van wetgeving over de malus. Het ABVV zegt dat tienduizenden pensioendossiers van mensen die begin 2026 met pensioen willen gaan, momenteel geblokkeerd zijn.

In mijn vraag had ik ook verwezen naar het sociaal handvest, dat stelt dat betrokkenen vier maanden op voorhand duidelijkheid moeten krijgen over het concreet bedrag en over de ingangsdatum van hun pensioen. Wie in januari met pensioen gaat, moet dus in september duidelijkheid krijgen.

Mijnheer de minister, ik heb dezelfde vragen als de collega's. Erkent u dat het om tienduizend dossiers gaat, of om hoeveel dossiers gaat het precies? Hebt u daar een zicht op? Kunt u daarover meer duidelijkheid geven? Klopt het dat er een vertraging of blokkering is?

Wat zult u doen om ervoor te zorgen dat burgers duidelijkheid krijgen over hun pensioenrechten, zoals wettelijk is bepaald? Zult u overgangsmaatregelen nemen?

Werknemers die eind december met pensioen gaan en werknemers die begin januari met pensioen gaan, hebben dezelfde leeftijd, maar worden toch verschillend behandeld. Dat zorgt voor heel veel ongerustheid, onduidelijkheid en onzekerheid. Als er één onderwerp is waarover mensen graag zekerheid willen zodra ze de beslissing hebben genomen om met pensioen te gaan, dan is het wel de ingangsdatum en het bedrag waarop ze recht zullen hebben.

Jan Jambon:

Beste Kamerleden, eerst en vooral wil ik u bedanken voor de mogelijkheid die u mij biedt om alle burgers die recent hun pensioen hebben aangevraagd of van plan zijn om dat te doen, bij dezen klaar en duidelijk gerust te stellen. Ik kan immers formeel stellen dat er geen sprake is van een blokkering van de pensioenaanvragen bij de Pensioendienst. Er is geen blokkering van de pensioenaanvragen bij de Pensioendienst.

De Pensioendienst blijft immers alle pensioenaanvragen van burgers afhandelen volgens de geldende wetgeving en termijnen. Volgens het Handvest van de sociaal verzekerde uit 1995, waarnaar is verwezen, moet elke burger minstens vier maanden voor de pensioendatum duidelijkheid krijgen over het concreet bedrag en de ingangsdatum van het pensioen. Aan die termijnen blijven we ons bij de Pensioendienst houden. Het is en blijft dus de bedoeling om aan burgers die hun aanvraag tijdig hebben ingediend ten laatste vier maanden voor de ingangsdatum van hun pensioen de beslissing te sturen op basis van de wetgeving die op dat moment van toepassing is. Met het oog op de rechtszekerheid voor de burger zal daarbij ook het gecommuniceerde pensioenbedrag worden gegarandeerd.

Bovendien zal, in uitvoering van de afspraak in het regeerakkoord over de nodige overgangsbepalingen, iedereen die in 2025 recht heeft op vervroegd pensioen volgens de huidige wetgeving, dat recht ook in 2026 behouden wanneer de nieuwe regels van kracht worden, zowel met betrekking tot de opening van het recht als het gecommuniceerde pensioenbedrag. Dat lijkt me logisch, want het is niet de bedoeling dat mensen vroeger met pensioen gaan, maar juist om mensen zo lang mogelijk aan het werk te houden.

Het komt er dus gewoon op neer dat de Pensioendienst vier maanden voor de datum waarop iemand met pensioen gaat, effectief communiceert en dat dat dan ook gebetonneerd wordt. Wat de wetswijziging nadien ook moge zijn, voor mensen die een pensioendatum en een pensioenbedrag hebben ontvangen ten laatste vier maanden voor ze op pensioen kunnen gaan, wordt dat gegarandeerd. Er is dus geen sprake van blokkering.

Wim Van der Donckt:

Mijnheer de minister, dank u voor dat duidelijke antwoord. Duidelijker kan het niet zijn. De media hebben misschien ten onrechte enige ongerustheid bij de mensen gecreëerd. Ik hoop dat men thans een en ander rechtzet, zodat de mensen met een gerust hart naar hun pensioen kunnen toeleven.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, ik zal u op uw woord nemen en dat vertrouwen, maar ik vernam, niet alleen via de krant, maar ook van betrokkenen, dat het niet mogelijk is om een aanvraag in te dienen. Ik vond dat heel vreemd, want blijkbaar zou het in regionale kantoren wel kunnen, maar niet via de website.

U zegt dat iedere persoon die een aanvraag wil indienen of dat al heeft geprobeerd, op tijd een antwoord zal krijgen, uiterlijk vier maanden voor de ingangsdatum. Wie op 1 januari met pensioen wil gaan, moet dus ten laatste op 1 september een antwoord van de Pensioendienst krijgen. Daarover bestond ongerustheid. Als u zegt dat u alle ongerustheid wilt wegnemen, dan neem ik dat zeker mee en dan zal ik de mensen die daarover vragen stellen ook geruststellen.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Als ik het goed begrijp, zal de maatregel pas van toepassing zijn nadat die in het Parlement werd goedgekeurd. Iedereen die zijn aanvraag indient in november of december, valt dus, als de wet nog niet is goedgekeurd, onder de regels die gelden vóór de goedkeuring van de wet en krijgt dus bericht over het ingaan van het pensioen vier maanden na aanvraag. Dat is goed nieuws.

Dat betekent dat de sociale beweging, als die verder druk op uw regering blijft uitoefenen om die pensioendiefstal tegen te houden, een impact kan hebben. Dat is het concrete gevolg van wat u hier zegt. Dat is zeer goed. Wij zullen zeker blijven oproepen om via de sociale beweging druk te blijven zetten.

Ik kom straks nog terug op de schandalige omvang van de maatregel die u wilt doorvoeren, maar ik ben alvast blij dat u zegt dat de maatregel niet van toepassing zal zijn vooraleer die in het Parlement werd goedgekeurd. De pensioenhervorming kan pas vier maanden na de goedkeuring ingang vinden. Volgens de regels is het dus logisch dat de Federale Pensioendienst pas vier maanden op voorhand een bevestiging stuurt.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Dat is een hele opluchting. Ik had het niet alleen in de krant gelezen; ik kreeg net als mevrouw Lanjri te horen dat het via de website onmogelijk was om een aanvraag in te dienen. Het is vooral een opluchting voor al die mensen die een pensioenaanvraag indienen of willen indienen, dat zij de zekerheid hebben dat ze, zolang de nieuwe wetgeving nog niet goedgekeurd is, een aanvraag kunnen indienen onder de oude voorwaarden. U garandeert ook dat zij vier maanden voor hun effectieve pensioendatum duidelijkheid krijgen over het bedrag en de ingangsdatum van hun pensioen. Dat is belangrijk, zeker omdat er ongerustheid was ontstaan. Een pensioenaanvraag verloopt vaak via de werkgever, waarbij er al sprake is van een opzegtermijn. Dat kan niet zomaar worden teruggedraaid of gewijzigd. Eens de beslissing is genomen, zit men in een traject. Het is dan ook zeer goed dat u vandaag die zekerheid biedt. Het is bovendien belangrijk dat die informatie duidelijk en breed wordt gecommuniceerd, minstens via de website van de Federale Pensioendienst. Hopelijk pikken de kranten het ook op, want voor veel mensen die vlak voor hun pensioendatum staan, zal het ongetwijfeld een grote opluchting zijn. Het biedt hen duidelijkheid over hun rechten, de ingangsdatum en het bedrag van hun pensioen.

De gelijkschakeling van de kunstwerkuitkeringen voor de berekening van het pensioen

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van pensioenberekening vanaf 2027 beperkt geleidelijk assimilatieperiodes (zoals werkloosheid, RCC) tot 20% van de carrière in 2031 en koppelt ze aan een beperkt fictief loon—geldt ook voor kunstenaarsuitkeringen (onder ONEM-regime). Minister Jambon bevestigt dit maar verwijst voor tijdslimieten op kunstenaarsallocaties door naar Clarinval (Tewerkstelling), wat Dedonder als schuivend en respectloos naar kunstwerkers bestempelt. De kern: pensioenaanspraken voor kunstenaars worden ingeperkt, maar operationele details (zoals duur uitkeringen) blijven onbeantwoord door bevoegdheidsversnippering. Kritiek: politiek verwijsspel ondermijnt duidelijkheid voor de sector.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit que les périodes assimilées qui ne sont pas jugées "socialement justifiées" seront supprimées. Sont citées en guise d'exemples les périodes de préretraite (RCC), de chômage de longue durée et d’emplois de fin de carrière. L'accord précise qu'à partir du 1 er janvier 2027, les périodes assimilées qui représentent plus de 40 % de la carrière ne seront plus prises en compte pour le calcul de la pension des salariés et indépendants. Cette limite de 40 % diminue chaque année de 5 % pour atteindre 20 % en 2031. En outre, toutes les périodes de chômage, de RCC, de pseudo-prépensions et d’emplois de fin de carrière seront assimilées à un salaire fictif limité à compter de la date de l’accord de gouvernement.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me dire ce qu'il en sera des allocations du travail des arts? Seront-elles également limitées à 20 % de la carrière? Seront-elles désormais assimilées à un salaire fictif limité? Les allocations du travail des arts seront-elles limitées dans le temps ou supprimées?

Jan Jambon:

Madame Dedonder, les allocations pour les travailleurs des arts relèvent du régime des allocations de chômage de l'Office National de l'Emploi (ONEM). Conformément à l'accord de gouvernement, les périodes de chômage à partir du 1 er janvier 2027 seront assimilées à un salaire fictif limité dans le calcul de la pension. De plus, l'acceptation des périodes assimilées à compter de cette date sera réduite annuellement de 5 % pour atteindre 20 %, comme c'est déjà le cas dans le système de la fonction publique.

Votre question relative à la limitation dans le temps des allocations du travail des arts ne ressortit pas aux Pensions, mais à l'ONEM. Je vous suggère par conséquent de la soumettre au ministre de l'Emploi David Clarinval.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, l'habitude a été prise ici de se renvoyer les questions de l'un à l'autre. Quand nous avions interrogé le ministre Clarinval, il nous a ainsi conseillé de contacter tel ou tel de ses collègues. Vous me renvoyez à présent vers lui. J'espère qu'il ne me dira pas de revenir vers vous, car nous avons le sentiment très désagréable d'être baladés. Les autres réponses sont assez claires et manquent de respect pour les travailleurs des arts. Je vous remercie tout de même de vos réponses.

De pensioenen van de magistraten
De pensioenen van de magistraten
Pensioenen van magistraten

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon bevestigt dat er intensief is overlegd met de magistratuur over de pensioenhervorming, waarbij uit simulaties blijkt dat zuivere magistratuurcarrières minimaal impact ondervinden, maar erkent dat het tweede pijler-systeem (beloofd in het regeerakkoord) pas tussen 2050-2060 wordt ingevoerd—tenzij versneld via uitzonderingen voor hun specifieke statutaire positie. De Smet benadrukt dat pensioenzekerheid cruciaal is voor de onafhankelijkheid en aantrekkingskracht van de rechterlijke macht, en waardeert dat de overlegresultaten niet louter symbolisch zijn, hoewel hij blijft vragen om concrete opvolging.

François De Smet:

Monsieur le ministre, dans l'accord du gouvernement, il est stipulé, je cite: "Nous veillerons à ce que les magistrats dont la rémunération est fixée par la loi et non par le Roi bénéficient également d'un second pilier de pension afin de garantir une équité de traitement tout en respectant la spécificité de leur statut". Dans son récent mémorandum, le Conseil consultatif de la magistrature a rappelé combien une pension complète constitue un pilier qui contribue à soutenir l'indépendance de la magistrature et que le calcul du montant de pension des magistrats a été fixé comme un salaire différé permettant au magistrat de ne pas se soucier des conditions financières qui seront les siennes au moment de sa pension. Toute révision de ce mode de calcul étant inconstitutionnel. L'accord de Pâques maintient l'indexation des pensions supérieures à 5 030,30 euros brut mais prévoit de la limiter aux mentions de l'indexation des pensions les plus basses, ce qui apparaît insuffisant pour le Conseil consultatif de la magistrature.

Vous êtes-vous concerté à ce stade-ci avec le secteur de la magistrature afin de veiller à ce que les droits à la pension soient correctement respectés? En quoi le second pilier de pension permet-il de garantir la spécificité du statut? Le SP Pension sera-t-il chargé d'étudier concrètement l'impact sur le montant de la pension des magistrats dès lors qu'aura lieu la mise en œuvre de l'accord de gouvernement? Il y a eu beaucoup de discussions à ce sujet mais on parle à présent d'un impact de 15 à 40 % sur le montant brut. Ces pourcentages correspondront-ils à la réalité? Monsieur le ministre, vous avez déjà été interrogé plusieurs fois sur ce sujet mais je pense que cela mériterait une actualisation.

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, je tiens à souligner que je considère le dialogue avec les différentes professions concernées par les réformes des pensions du gouvernement De Wever comme quelque chose de très important. Nous sommes conscients que cette réforme peut avoir de grandes conséquences pour de nombreuses personnes. À la suite des premières réactions ainsi qu'aux actions entreprises par les magistrats, j'ai personnellement pris l'initiative d'ouvrir un dialogue avec leurs représentants. Ces représentants sont les membres du Conseil consultatif de la magistrature, l'organe consultatif légalement établi qui s'occupe du statut, des droits et des conditions de travail des magistrats au sein de nos tribunaux et parquets.

Cette première réunion a eu lieu en avril. À la suite de celle-ci, j'ai chargé mon cabinet et le Service fédéral des Pensions d'entamer une concertation technique et intensive avec ce Conseil consultatif. L'objectif principal était d'examiner en détail les effets des réformes des pensions en analysant notamment leur impact cumulatif. Cela impliquait une étude selon différents groupes d'âge mais aussi selon les divers parcours professionnels au sein de la magistrature. Ce processus a été entièrement finalisé début juin. De nombreuses simulations et calculs ont découlé de cette concertation. Ces éléments ont été discutés en détail avec le Conseil consultatif afin qu'il ait une vision claire de ce que les réformes signifient concrètement pour ses membres. Nous avons également veillé à ce que ce processus ne soit pas isolé, mais mené en étroite collaboration avec la ministre compétente, Mme Verlinden et son cabinet.

L'objectif est d'aboutir ensemble à une approche solide et réaliste, respectant à la fois les cadres légaux et les besoins spécifiques des magistrats.

Je tiens à souligner que cette consultation et cette collaboration ne sont pas de simples formalités, mais un élément essentiel de notre politique visant à mettre en œuvre les réformes des pensions de manière équitable et transparente, en tenant compte, dans la mesure du possible, des situations particulières de certaines professions, comme celle des magistrats.

Je peux vous confirmer que le développement d'un deuxième pilier de pension pour les magistrats figure en effet explicitement dans l'accord de gouvernement. Il existe donc un engagement clair vis-à-vis des magistrats, qui sont des fonctionnaires statutaires, pour leur offrir un régime de pension complémentaire en plus de leur pension légale. Cependant, le calendrier est important à comprendre. Selon l'accord du gouvernement, ce deuxième pilier pour les fonctionnaires statutaires ne sera mis en place que lorsque leur pension légale sera équivalente à celle des contractuels, y compris leur deuxième pilier. Les estimations actuelles indiquent que cela ne sera le cas qu'entre 2050 et 2060. Il s'agit donc d'une vision à long terme, dans laquelle les régimes seront progressivement alignés avant d'introduire effectivement ce deuxième pilier pour les statutaires.

Cela dit, il existe une marge de manœuvre pour accélérer cette mise en œuvre, précisément en raison de la situation particulière et souvent complexe des magistrats. Ceux-ci disposent d'un statut spécifique et de conditions de travail particulières, ce qui pourrait justifier une dérogation au calendrier standard. Toutefois, la responsabilité et la compétence pour instaurer et financer un deuxième pilier pour les magistrats relèvent du ministre de la Justice.

Je suis bien entendu ouvert à la concertation et à la collaboration avec ma collègue ministre, pour examiner les options permettant de répondre à la situation particulière des magistrats.

Par ailleurs, il existe également, dans le cadre du statut et des conditions salariales et de travail des magistrats, des mesures d'accompagnement possibles pour maintenir l'attractivité de cette fonction, tant pour les jeunes débutants que pour les entrants tardifs ayant déjà acquis une expérience dans le barreau. J'ai compris que ma collègue, la ministre Verlinden, mène actuellement des discussions à ce sujet avec les représentants de la magistrature.

Comme je l'ai déjà indiqué, la concertation technique avec la magistrature est désormais terminée, après un processus intensif. Les chiffres du Service fédéral des Pensions montre qu'il n'y a pas ou très peu d'impact sur le montant futur de la pension dans le cas d'une carrière purement exercée dans la magistrature.

François De Smet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse très complète, qui nous apporte un certain nombre d'éléments. Je le remercie d'avoir indiqué que la concertation en cours n'était pas de pure forme. C'est un élément important pour le milieu de la magistrature. Je suis heureux aussi que vous ayez parlé de l'attractivité, parce que, dans le cas de la magistrature, la pension fait clairement partie de l'attractivité. C'est un métier qui réclame une indépendance totale. Je sais que la pension des magistrats peut parfois être perçue comme une forme de caprice. Ce n'est pas le cas. C'est aussi la goutte qui fait déborder le vase pour un secteur qui considère être, par ailleurs, plutôt démuni au niveau des locaux, des moyens de fonctionnement, etc. J'entends des nuances dans votre discours sur la spécificité du statut et des pensions, qui incitent à penser que la réforme pourrait être un peu moins dure que prévue. En tout cas, des spécificités seront enregistrées, ce dont je vous remercie. Nous en ferons évidemment le suivi.

Het responsabiliseren van de lokale besturen inzake de pensioenen van hun personeelsleden

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de oneerlijke verdeling van 307 miljoen euro federale steun voor lokale besturen die vanaf 2025 75% van hun pensioentekort moeten dragen, waarbij enkel gemeenten met meer dan 100.000 inwoners in aanmerking komen. Minister Jambon verdedigt de drempel met studies die aantonen dat grote steden hogere pensioenlasten per inwoner dragen en wijst op de beperkte middelen, terwijl Brulocalis/De Smet benadrukken dat historische statutarisering (niet inwoneraantal) de last bepaalt en kleine gemeenten zoals Molenbeek onterecht worden uitgesloten. Jambon sluit aanpassing van de criteria voorlopig uit, maar belooft de Brulocalis-studie te bekijken. De kernkwestie blijft de spanning tussen objectieve verdeling (grote steden) en historische verantwoordelijkheid (alle betrokken besturen).

François De Smet:

Monsieur le ministre, les pouvoirs locaux déficitaires dans leurs pensions sont soumis à la "responsabilisation" et, en 2025, les pouvoirs locaux déficitaires doivent payer 75 % de leur déficit de pension de statutaires.

Le gouvernement fédéral entend dégager 1,3 milliard d’euros pour soutenir les pouvoirs locaux (dont une large majorité sera dédiée aux CPAS qui feront face à la réforme du chômage) dont 307 millions sont consacrés à la "responsabilisation", et ce alors que le coût de celle-ci pour tous les pouvoirs locaux concernés s'élèverait à 1.18 milliard d’euros en 2025, l’aide apportée par le Fédéral étant donc largement insuffisante.

Par ailleurs, cette enveloppe de 307 millions ne serait distribuée qu’aux communes de plus de 100 000 habitants et aux pouvoirs locaux qui ont leur siège social dans lesdites communes ou villes (Anvers, Gand, Charleroi, Bruxelles-ville, Liège, Schaerbeek, Anderlecht, Bruges, Namur et Leuven)

Brulocalis , l’association des pouvoirs locaux bruxellois, considère qu’ étant donné que l’enveloppe des 307 millions sera répartie proportionnellement en fonction du poids de la facture de responsabilisation des pouvoirs locaux qui peuvent en bénéficier, la ville d’Anvers , qui compte un peu plus de 500 000 habitants, avec 124 millions de cotisations de responsabilisation en 2024 et 188 millions en 2029 (soit le double des communes bruxelloises), va être fortement avantagée

Brulocalis y voit donc une inégalité de traitement, et soulève les éléments essentiels selon lesquels, d’une part, le poids de la charge des pensions d’une administration n’est pas lié à son nombre d’habitants mais bien aux décisions prises par le passé et notamment les politiques de statutarisation des agents; et; d’autre part; le critère de de l’implantation géographique du siège social n’est pas relevant étant donné qu’il n’a aucun rapport avec le poids de la charge des pensions ou le nombre d’habitants.”

Il nous revient que le comité de gestion du fonds de pension solidarisé, qui comprend les pouvoirs locaux soumis au mécanisme de responsabilisation, aurait rendu un avis négatif quant à ce projet du gouvernement

En conséquence, monsieur le ministre, confirmez-vous les montants alloués par le fédéral auprès des pouvoirs locaux dans le cadre de ce mécanisme de responsabilisation pensions? Avez-vous pris connaissance de l’analyse faite par BRULOCALIS? Dans l’affirmative, le gouvernement entend-il revoir les critères d’attribution afin de faire respecter l’égalité de traitement entre les pouvoirs locaux?

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, le gouvernement fédéral a, en effet, décidé de prévoir un financement substantiel pour les pouvoirs locaux responsabilisés. Les pouvoirs locaux avec une facture de responsabilisation sont des pouvoirs locaux qui ont commencé à contractualiser. Pour cette raison, ils supportent une charge historique des pensions des fonctionnaires statutaires, alors que leur masse salariale des fonctionnaires en activité diminue.

Leur décision de passer à la contractualisation fait preuve de responsabilité.

Les pouvoirs locaux ne sont pas compétents en matière de légalisation sur les pensions, cela relève du niveau fédéral. Les pouvoirs locaux peuvent, toutefois, contribuer à la réduction du coût du vieillissement par la contractualisation de leur personnel, le coût de financement d'une pension de salarié étant inférieur à celui d'une pension de fonctionnaire.

Bien que cette contractualisation assainisse les finances publiques à long terme, cela signifie que, pendant une longue période de transition, ces mêmes pouvoirs locaux seront confrontés à la charge historique des pensions de nomination dans le passé.

Notons également que la contractualisation va souvent de pair avec la constitution d'une pension complémentaire! Cela témoigne également d'une gestion financière responsable par les pouvoirs locaux. Ces plans de pension complémentaire financés en capitalisation forment, en effet, une sorte de préfinancement des pensions de retraite.

Le gouvernement fédéral a donc décidé à juste titre d'allouer une enveloppe de 50, 126, 162, 184 millions d'euros en 2025 jusqu'à 2029 pour soutenir les pouvoirs locaux responsabilisés. Cette enveloppe servira, d'une part, à accorder une réduction de leur cotisation de responsabilisation d'un montant égal à 30 % des primes de pension complémentaire pour les années 2024 à 2029, calculées en 2025 jusqu'à 2029. D'autre part, des fonds supplémentaires sont revus pour alléger la cotisation de responsabilisation des pouvoirs locaux (communes de plus de 100 000 habitants). Le financement total s'élève donc à 307 millions d'euros.

Personnellement, je n'ai pas personnellement reçu l'analyse à laquelle il fait référence, mais je suis bien entendu disposé à y répondre. Comme je l'ai déjà indiqué lors d'interventions similaires, je me réfère volontiers à l'analyse récente de l'UCLouvain concernant la cotisation de responsabilité payée par les pouvoirs locaux. Cette analyse montre clairement que les communes comptant au moins 100 000 habitants paient en moyenne par habitant une cotisation de responsabilisation substantiellement plus élevée que les communes plus petites.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Il est généralement admis que le nombre d'habitants constitue un indicateur objectif et pertinent de la capacité financière d'un pouvoir local. Ajoutons que des chiffres récents que nous avons demandés sur le profil financier des pouvoirs locaux montrent que le coût total du personnel par habitant ainsi que le coût du personnel des fonctionnaires statutaires par habitant sont nettement plus élevés dans les pouvoirs locaux de plus de 100 000 habitants que dans ceux de moins de 100 000 habitants.

Monsieur le président, ma réponse comprend quelques tableaux. Nous allons les inclure dans le rapport, si vous n'y voyez pas d'inconvénient.

À votre dernière question, je tiens à souligner que les moyens disponibles sont limités. Il est donc nécessaire de les utiliser de manière ciblée, là où les chiffres démontrent objectivement que les besoins sont plus importants. Pour toutes ces raisons, le gouvernement n'a actuellement pas l'intention de revoir le système en place.

Nous avons pu ainsi répondre aux deux questions ensemble, parce que la réponse est quasi identique.

François De Smet:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses détaillées. Nous analyserons aussi les tableaux que vous nous indiquez. Je vous enverrai tout de même l'étude de Brulocalis. J'entends la philosophie de responsabilisation, mais en raison du critère de 100 000 habitants, des communes vont être exclues du système pour très, très peu. Je pense à Molenbeek, qui va se retrouver hors du système pour 2 000 habitants. Dans son application, on voit bien que certaines communes, comme Anvers, vont être largement favorisées, d'autres moins. C'est l'application de ce système qui démontrera très rapidement qu’il sera ou non inégalitaire. L’analyse de vos tableaux va nous permettre de faire une analyse plus fouillée. Merci, néanmoins, pour le caractère exhaustif de votre réponse.

De gedaalde werkelijke pensioenleeftijd
De onzekerheid betreffende de pensioenrechten en het vervroegd vertrek
Pensioenonzekerheid en vervroegde uittreding

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon verklaart de daling van de effectieve pensioenleeftijd als een *tijdelijk statistisch effect* door de verhoging van de wettelijke leeftijd naar 66 jaar (2025), waarbij 65-jarigen nu nog niet in de cijfers verschijnen, maar het zich in 2026 normaliseert. Bertrand (Open Vld) benadrukt dat dit aantoont hoe cruciaal *financiële prikkels* (zoals de weggevallen bonus-Lalieux) zijn om langer te werken en dringt aan op versnelde invoering van de bonus-malusregeling om het huidige *incentive-vacuüm* op te vullen. Beide partijen onderschrijven de principes van de pensioenhervorming (hogere leeftijd, effectief werken belonen), maar de timing en uitvoering blijven punt van discussie.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, deze regering meent een echte hervormingsregering te zijn. Men zou ‘het rotten doen stoppen’, zoals de eerste minister het zo mooi kan verwoorden.

Een van de vooropgestelde hervormingen die de regering wil doorvoeren, is de pensioenhervorming. Dat hebben we gisteren nog in de pers kunnen lezen. Die hervorming vertrekt vanuit bepaalde principes, die wij als Open Vld – en dat heb ik u al eerder gezegd – in principe onderschrijven. Effectief gewerkte periodes worden in dit kader immers beter gewaardeerd voor het latere pensioen dan niet-effectief gewerkte periodes. Daarnaast worden zowel de wettelijke pensioenleeftijd als het aantal jaren dat men werkt verhoogd. Last but not least plant u, naar onze mening wel te gradueel, de invoering van een bonus-malusregeling.

Op papier zijn dit allemaal lovenswaardige hervormingen. Het valt ons dan ook op dat de effectieve pensioenleeftijd, de leeftijd waarop de gemiddelde Belg effectief met pensioen gaat, gedaald is. U hebt dat waarschijnlijk ook gelezen de voorbije dagen. Zo kopte Het Nieuwsblad gisteren – of eigenlijk al meer dan een week geleden – dat de effectieve pensioenleeftijd in vergelijking met een jaar eerder met zes maanden gezakt is. Zes maanden is een heel lange periode. De kostprijs daarvan moet gigantisch zijn. Dat druist echter in tegen de verwachting, want in dezelfde periode is de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd van 65 jaar naar 66 jaar. Dat roept dus heel wat vragen op.

Hoe verklaart u deze plotselinge daling van de effectieve pensioenleeftijd? Getuigenissen van mensen die recent nog vervroegd met pensioen zijn gegaan, wijzen op het wegvallen van de bonus-Lalieux als reden om niet langer door te werken. Ziet u dit als een signaal om de uitwerking van de geplande bonus-malusregeling van deze regering eventueel sneller te laten verlopen? Ik dank u voor uw antwoord.

Jan Jambon:

Mevrouw Bertrand, eigenlijk is het een logische evolutie die volledig in lijn ligt met wat we verwacht hadden. De daling van de gemiddelde pensioenleeftijd heeft immers alles te maken met de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd van 65 naar 66 jaar, die ingaat vanaf februari 2025. Wat we vandaag in de cijfers zien, is dat heel wat mensen daardoor hun pensioen uitstellen. De groep die normaal gezien op 65 met pensioen zou gaan en die in andere jaren de gemiddelde pensioenleeftijd omhoog trekt, komt nu gewoon nog niet in de statistieken voor. Wat we vandaag dus wel zien, zijn vooral de mensen die vervroegd met pensioen gaan en omdat zij gemiddeld jonger zijn, daalt de gemiddelde pensioenleeftijd tijdelijk. Het gaat dus om een tijdelijk effect dat zich in 2026 zal normaliseren wanneer ook de pensioenen op 66 beginnen te lopen.

Alexia Bertrand:

Dank u voor uw duidelijke antwoord. Ik begrijp dat het om een tijdelijk effect gaat, dat zich volgend jaar zal normaliseren. Het toont wel aan hoe belangrijk de incentives zijn om langer te blijven werken. Vandaar dat uw bonus-malusregeling ook zo belangrijk is. Die moet dus snel in werking treden, want zoals ik eerder al heb aangehaald, is er momenteel geen bonussysteem meer. Het bonussysteem van mevrouw Lalieux is weggevallen. We bevinden ons nu in een soort vacuüm tot uw nieuwe regeling in werking treedt. Ik kan dan ook alleen maar aandringen op een zo spoedig mogelijke inwerkingtreding.

Het uitzonderingsregime voor de pensioenen van de leden van het Comité P en het Comité I

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat het uitzonderlijke pensioenstelsel voor Comité P/I-leden (voorheen 55-jarige pensioenleeftijd, tantième 1/20 en 5-jarige referteperiode) al is aangepast (sinds 2011/2015: pensioenleeftijd 63 jaar, tantième 1/48, 10-jarige referte). Nieuwe hervormingen (regeerakkoord) schrappen vanaf 2027 het preferentiële tantième (1/60 i.p.v. 1/48), schaffen de verhogingscoëfficiënt af en verlengen de referteperiode naar 45 jaar (gefaseerd). Een wetsontwerp hiervoor komt dit najaar. Van Quickenborne bevestigt dat deze aanpassingen gelijkgeschakeld worden met andere sectoren, met uitzonderingen voor onderwijs/actieve diensten.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, u hebt grote plannen om de pensioenen te hervormen – dat is al meermaals gezegd. U wilt ook komaf maken met de uitzonderingsstelsels, wat op zich een goede zaak is. Maar er is een uitzonderingsstelsel waarover met geen woord wordt gerept. Het gaat om de leden van het Comité I en het Comité P. Volgens artikel 61 van de wet van 1991 blijkt dat zij nog steeds met pensioen kunnen gaan op de leeftijd van 55 jaar, mijnheer de minister. Dat is, als ik mij niet vergis, vergelijkbaar met de regeling voor treinbestuurders.

Hun pensioen wordt berekend op basis van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar, in plaats van tien jaar zoals momenteel het geval is. Volgens uw plannen evolueert dat tegen 2062 naar een referteperiode van 45 jaar. Bovendien wordt het pensioen berekend op basis van een tantième van 1/20 per dienstjaar. Dat staat in schril contrast met de huidige algemene regel van 1/60.

Bevestigt u dat dit een uitzonderlijk pensioenstelsel is en dat het vandaag nog steeds van toepassing is? Indien dat het geval is, hebt u dat goed geheim weten te houden. We spreken immers voortdurend over de pensioenen van parlementsleden, magistraten en professoren – allemaal worden ze hervormd. Bevestigt u dat het uitzonderlijk pensioenstelsel vandaag nog bestaat?

Bent u van plan dat uitzonderlijke pensioenstelsel eveneens aan te passen? Daarover viel niets te lezen in het regeerakkoord, noch in uw beleidsverklaring of beleidsplan. Wordt het opgenomen in een van de wetsontwerpen die u voorbereidt in het kader van de pensioenhervorming? Als ik de krant mag geloven, wordt daarover op dat niveau weldra beslist. Er zouden blijkbaar twaalf wetsontwerpen zijn, waaronder ook een ontwerp over het Comité P en Comité I. Zult u in dat kader het gunstige tantièmesysteem van 1/20 hervormen? En zult u de refertebasis van vijf jaar verlengen naar minstens tien, en op termijn naar 45 jaar? Wat is de timing daarvan?

Dank u voor uw antwoorden.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Quickenborne, ik kan u mededelen dat de pensioenbepalingen in artikel 61 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse werden gewijzigd als gevolg van de pensioenhervormingen die zijn doorgevoerd met de wet van 28 december 2011. Over wie toen minister van Pensioenen was, moet u maar eens nadenken.

Die wet houdende diverse bepalingen bracht wijzigingen aan op het vlak van de pensioenleeftijd, de tantièmes en de duur van de gemiddelde wedde. Als gevolg van die wet van 28 december 2011 werden de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voor het vervroegd pensioen in de overheidssector opgetrokken en geharmoniseerd. Die maatregelen zijn eveneens van toepassing op het pensioen van de leden van het Comité P en het Comité I. Met uitzondering van lange loopbanen en mits overgangsmaatregelen kon het vervroegd pensioen in de overheidssector als gevolg van die wet slechts worden opgenomen vanaf de leeftijd van 62 jaar, op voorwaarde dat de betrokkene op dat ogenblik 40 dienstjaren kon bewijzen.

In navolging van de wet van 10 augustus 2015 tot verhoging van de wettelijke leeftijd voor het rustpensioen en tot wijziging van de voorwaarden voor toegang tot het vervroegd pensioen en de minimumleeftijd voor het overlevingspensioen werden de voorwaarden nog verstrengd. Het vervroegd pensioen kon, opnieuw met uitzondering van lange loopbanen en mits overgangsmaatregelen, slechts worden opgenomen vanaf de leeftijd van 63 jaar, op voorwaarde dat de betrokkene op dat ogenblik 42 dienstjaren kon bewijzen. Door de wet van 28 december 2011 werden bovendien de tantièmes, die voordeliger waren dan 1/48 voor de diensten gepresteerd na 31 december 2011, vervangen door het tantième 1/48. Een overgangsmaatregel werd ingebouwd voor de personen die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar hadden bereikt. Zij behielden voor hun diensten na 31 december 2011 het voordeel van het tantième dat op hen van toepassing was op die datum.

Inzake de duur van de gemiddelde wedde moet worden opgemerkt dat die wedde, eveneens als gevolg van de wet van 28 december 2011, vanaf 1 januari 2012 werd opgetrokken van vijf naar tien jaar. Voor de personeelsleden van HR Rail werd de duur van de gemiddelde wedde opgetrokken van één jaar naar vier jaar. Een overgangsmaatregel werd uitgewerkt voor de personen die op 1 januari 2012 de leeftijd van 50 jaar hadden bereikt. Zij behielden het voordeel van de gemiddelde wedde, vastgesteld op een duur van de laatste vijf jaar van de loopbaan.

Het huidige regeerakkoord legt opnieuw een verstrenging vast van de voorwaarden waaronder het vervroegd pensioen in de overheidssector kan worden opgenomen, zeker voor de personeelsleden die ingevolge hun preferentieel tantième aanspraak kunnen maken op een verhogingscoëfficiënt waarmee de duur van hun diensten mag worden vermenigvuldigd om zo sneller de vereiste loopbaanduur te bereiken. Voor de personeelsleden die die verhogingscoëfficiënt kunnen behouden, zal een en ander minder voordelig zijn. Voor de andere personeelsleden wordt hij afgeschaft, zoals dat het geval zal zijn voor de leden van het Comité P en het Comité I.

Ook voor de preferentiële tantièmes voorziet het regeerakkoord in een verstrenging. Er wordt immers voorzien dat alle diensten die vanaf 1 januari 2027 worden gepresteerd, in het pensioen zullen worden verrekend aan het tantième 1/60ste. De preferentiële tantièmes blijven dus enkel behouden op de diensten die voor 1 januari 2027 zijn gepresteerd.

Wat betreft de duur van de gemiddelde wedde, op basis waarvan het pensioen dient te worden berekend, voorziet het regeerakkoord dat deze duur geleidelijk zal worden verhoogd naar 45 jaar. U weet dat na 2027 telkens een jaar extra zal worden toegevoegd. Een wetsontwerp om al deze maatregelen te realiseren, zal dit najaar in het Parlement worden ingediend.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u, mijnheer de minister. U bevestigt dus dat de tantièmeregeling die nog van kracht is, zal worden aangepast naar 1/60ste en dat de verhogingscoëfficiënt van 1,05 wordt afgeschaft, tenminste voor deze groep. Ik denk dat voor onderwijzers en mensen met actieve dienst een lichtjes andere aanpak wordt voorgesteld. U bevestigt ook dat de termijn van 10 jaar zal worden opgetrokken naar 45 jaar. Dank u, mijnheer de minister, voor de informatie.

De toepassing van de pensioenmalus en de afbakening van de ‘effectief gewerkte jaren’
Het respect voor de verworven rechten
De ingangsdatum van de hervormingen
Tijdelijke werkloosheid en de pensioenmalus
De berekening van het pensioen op basis van het geboortejaar
Pensioenhervormingen, verworven rechten en berekeningsmethoden

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming met pensioenmalus (2-5%) voor wie te vroeg stopt of onvoldoende gewerkte jaren heeft, leidt tot felle kritiek op rechtvaardigheid en verworven rechten: zorgverloven tellen mee als gewerkte jaren, maar ziekte en tijdelijke werkloosheid (bv. corona) niet, wat vooral vrouwen (49% getroffen vs. 22% mannen) en precaire werknemers benadeelt. Minister Jambon benadrukt geleidelijke invoering en respect voor verworven rechten (bv. tantièmes behouden voor bestaande loopbaanjaren), maar critici – waaronder De Witte – noemen de malus "diefstal" van opgebouwde pensioenrechten en dreigen met grondwettelijke procedures, terwijl Van Quickenborne waarschuwt voor contractbreuk en negeren van Raad van State-adviezen. De politieke spanning groeit door onduidelijkheid (bv. vervroegde malus op basis van geboortejaar) en sociaal verzet tegen de hervorming.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, zoals u daarnet zei, bevindt de pensioenhervorming zich in de laatste rechte lijn.

Ik lees daarover belangrijke verklaringen van belangrijke mensen. Voor alle duidelijkheid, daarmee bedoel ik niet mezelf, want ik ben een gewoon, eenvoudig parlementslid. De voorzitter van cd&v en lid van de Kamer heeft het voorbije weekend gezegd dat langdurige ziekte, tijdelijke werkloosheid en bijkomende zorgverloven mee in rekening zouden worden genomen voor de effectief gewerkte jaren. Dat is uiteraard belangrijk om te weten of men al dan niet onder de pensioenmalus valt van 2 tot 5 %.

Mijnheer de minister van Pensioenen, u hebt daarover verklaard dat zieken enkel financieel getroffen zouden worden als ze veel te vroeg met pensioen gaan. U stelde verder: "Je moet minstens 35 jaar halftijds gewerkt hebben. Dat betekent dus dat men zeven jaar tegenslag mag hebben," waarmee u zeven jaar ziek zijn bedoelt. "Ik wens het niemand toe, maar dat is niet weinig," zo hebt u destijds verklaard.

Intussen blijkt uit het regeerakkoord dat de zorgverloven sowieso meetellen. Wat de partijvoorzitter zei, was dus eigenlijk een praatje. Het is een nieuwe tactiek in de politiek om een gemaakte afspraak nog eens te vermelden en te laten uitschijnen alsof men dat heeft binnengehaald.

Mijnheer de minister, ten eerste, kunt u toelichten wat er op basis van het regeerakkoord wel en niet meetelt als effectief gewerkte jaren in het kader van de pensioenmalus? Het is belangrijk dat daarover duidelijkheid bestaat.

Ten tweede, bent u bereid om alsnog langdurige ziekte mee in rekening te brengen voor de berekening van die 35 jaar? Zo neen, waarom niet?

Ten derde, hoe wordt tijdelijke werkloosheid verrekend? Dat betreft dezelfde discussie.

Ten vierde, hoe beoordeelt u de impact van die maatregel op vrouwen? Ik heb vandaag in De Tijd gelezen dat, zoals u al wist, 49 % van de vrouwen zou worden getroffen door de pensioenmalus, tegenover 22 % van de mannen. Er is dus duidelijk een verschil tussen mannen en vrouwen.

Tot slot een meer algemene opmerking, wat vindt u ervan dat partijvoorzitters van meerderheidsfracties openlijk afstand nemen van het regeerakkoord? Ondergraven zij daarmee volgens u niet de coherentie van de pensioenhervorming?

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik heb eerder in deze vergadering gezegd dat de pensioenmalus die u voorstelt, diefstal is. Ik gebruik die term niet lichtzinnig. Het is een technische term en ik zal toelichten waarom ik stel dat het diefstal is.

Neem het voorbeeld van Martine over wie Het Laatste Nieuws vandaag schrijft. Zij heeft 42 jaar halftijds gewerkt en heeft gedurende al die tijd bijdragen betaald op haar loon voor de opbouw van haar pensioen. Die bijdragen worden beschermd door de loonbeschermingswet. Dat is loon van Martine.

Ook de opgebouwde rechten worden beschermd. Dat wordt gekwalificeerd als eigendom volgens artikel 1 van het eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat is eigendom van de mensen. Dat staat genoteerd op de pensioenrekening, beheerd in de grote pensioentoren in Brussel-Zuid.

Martine wil op 63-jarige leeftijd en na 42 werkjaren met pensioen gaan, maar nu zegt u haar dat u van haar pensioen 20 % zult afnemen. Het gaat over 20 % van een pensioen dat zij zelf heeft opgebouwd, volledig met haar eigen loon, zonder dat er ooit sprake is geweest van één gelijkgestelde dag. Martine heeft 42 jaar halftijds gewerkt en is niet één dag ziek of technisch werkloos geweest, maar omdat ze niet de vereiste 45 gewerkte jaren en door halftijds werk dus niet 7.020 gewerkte dagen haalt, zegt u dat u daar 20 % van zult afnemen. Welnu, dat is diefstal. Het gaat over opgebouwde rechten met loon dat wordt beschermd door de loonbeschermingswet en dat wordt gekwalificeerd als eigendom door de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Toch zegt u dat u dat wilt afnemen.

Mijnheer de minister, denkt u dat die wetgeving zal standhouden voor het Grondwettelijk Hof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens? Martine zal een pensioen ontvangen van amper 1.000 euro, maar deze regering, met de hulp van cd&v en Vooruit, wil daarvan 200 euro aftrekken.

Over de verworven rechten heb ik nog een tweede vraag ingediend. Als voorbeeld neem ik een ambtenaar die al 20 jaar werkt en ervan uitgaat dat zijn pensioen zal worden berekend op basis van het loon van de laatste tien jaar. Al 20 jaar heeft hij verworven rechten opgebouwd, die beschermd worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en gekwalificeerd zijn als zijn eigendom. Nu stelt u voor om die 20 gewerkte jaren te herkwalificeren. U wilt de berekening niet meer baseren op het laatste loon, maar op vroegere lonen. U pakt zodoende verworven rechten af. Dat is diefstal.

Vergelijk dat nu eens met de hervorming die we hier voor parlementsleden doorvoeren. Al de rechten die zijn opgebouwd vóór 2014 worden berekend volgens de formule die van toepassing was in 2014. Dat is een totaal andere berekening. Alle rechten die zijn opgebouwd volgens de formule van toepassing in 2019, worden nog altijd op die manier berekend. Dat zijn mooie breuken voor de pensioenhervorming van de parlementsleden, maar voor alle andere mensen buiten dit Huis gelden andere regels.

Mijnheer de minister, denkt u dat die maatregelen zullen standhouden voor het Grondwettelijk Hof, dat moet waken over de correcte toepassing van de regels?

Voorts lezen we in de pers dat u van plan bent om de pensioenmalus te vervroegen. Van mensen die voor 2040 met pensioen gaan, wilt u dan al 4 % afnemen. Van mensen als Martine neemt u reeds 20 % af.

Wat u daarnet hebt geantwoord, was totaal verkeerd, aangezien de effectieve pensioenleeftijd is gedaald. In de eerste drie maanden van dit jaar zijn mensen gemiddeld zes maanden vroeger op pensioen gegaan. Uw hervorming zorgt dus voor hogere kosten voor onze sociale zekerheid. De besparing die u voorzag in 2025 bent u volledig kwijt. Dat is logisch, want de mensen willen die malus niet. Ze gaan vroeger op pensioen. De gemiddelde pensioenleeftijd is gedaald met zes maanden.

Ik begrijp dat u dat wilt vermijden, maar een en ander betekent dat u de overgangsperiode, waarover u zei dat ze mensen in staat stelt zich voor te bereiden, gewoon schrapt. U zegt dat u die malus sneller zult invoeren, maar daardoor kunnen mensen zich helemaal niet voorbereiden. Ze gaan nog sneller 20 tot 25 % van hun pensioen verliezen.

Mijnheer de minister, bevestigt u dat dat uw standpunt is?

Mijn derde ingediende vraag gaat over de tijdelijke werkloosheid en sluit aan bij de vraag van collega Van Quickenborne. In sommige sectoren komt veel tijdelijke werkloosheid voor, denk maar aan de haven in uw eigenste Antwerpen. Heel wat dokwerkers worden tijdelijk werkloos gesteld, volledig buiten hun wil om. Zult u die tijdelijke werkloosheid meetellen als een gelijkgestelde periode voor de malus of zegt u, zoals in het regeerakkoord staat, dat mensen die tijdelijk werkloos zijn, een sterk verhoogde kans op een malus hebben?

Hetzelfde geldt voor de coronapandemie. Miljoenen werknemers zijn tijdens de pandemie tijdelijk werkloos gesteld. Zullen al die werknemers dat jaar verliezen of voorziet u in een uitzondering voor die tijdelijke werkloosheid?

Die vragen gelden uiteraard ook voor ziekte, waarover we al vaker hebben gediscussieerd. Mensen kiezen er niet voor om ziek te zijn. Mensen met kanker of met een zware burn-out, kiezen daar niet voor. Als voorbeeld noem ik een poetsvrouw die 35 jaar gewerkt heeft, daarna 10 jaar deeltijds werkt, één dag halftijds werkt en één dag werkloos is tijdens die jaren. Zij krijgt gewoonweg een forse malus opgelegd. Daar is niets eerlijk aan. Daar is niets rechtvaardig aan. Wat u doet, is verder pensioen afnemen van mensen in precaire situaties, mensen die al een zeer laag pensioen hebben in ons land.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, il me revient que vous projetez d'appliquer un système de calcul qui se base sur l'année de naissance, ce qui aurait pour conséquence que des personnes qui auraient normalement un malus pension de 2 % selon l'accord de gouvernement auraient en fait un malus de 4 %. Confirmez-vous cette information?

Jan Jambon:

Chers collègues, il ne faut pas toujours croire ce que les médias disent ni semer la panique parmi la population. Je peux d'ores et déjà confirmer que les personnes qui prendront leur retraite anticipée l'année prochaine ne subiront pas un malus supérieur à 2 % par année d'anticipation, comme prévu dans l'accord du gouvernement, et ce tant que les conditions d'accès à la retraite anticipée ne sont pas remplies, à savoir 35 années comptant au moins 156 jours de travail effectifs par an et 7 020 jours effectivement travaillés, en tenant compte des exceptions qui sont assimilées à des jours de travail effectifs.

Mijnheer De Witte, uw bewering dat de invoering van pensioenmaatregelen zoals de malus aan de hand van het geboortejaar in de plaats van het ingangsjaar van het pensioen de facto neerkomt op een veel snellere invoering van de malus, is van een spijtig niveau. Het is mij een raadsel via welke redeneringswijze u tot die conclusie bent gekomen.

Ik hoop dat u alleszins begrijpt dat ik niet kan ingaan op specifieke vragen over het bonus-malusmechanisme of over tijdelijke werkloosheid. De discussie wordt op dit moment door de regering gevoerd. We zitten in de laatst rechte lijn. Ik heb niet de gewoonte om vooruit te lopen op beslissingen van de regering.

L'accord de gouvernement est par ailleurs très clair en ce qui concerne les droits acquis. Le respect des droits acquis reste essentiel. Une transition progressive est garantie afin de laisser à toutes les personnes concernées le temps de s'adapter.

Dans le cadre de la réforme des tantièmes, cela signifie par exemple que les années de service accomplies avant 2027 donnent lieu à la constitution d'un montant de pension sur base du tantième en vigueur avant 2027 (par exemple, 1/48 e , 1/50 e ou 1/55 e ). Quant aux années de service postérieures à 2027, elles entraîneront la constitution du droit à la pension sur la base du tantième 1/60 e .

C'est un bel exemple de progressivité et de respect des droits acquis. Les micro-simulations réalisées par le service fédéral des Pensions ont montré que la réforme des tantièmes a très peu d'effet sur le montant de la pension, que ce soit selon les catégories professionnelles ou les cohortes concernées.

Geleidelijkheid en respect voor verworven rechten zijn de hoekstenen van de hervormingen die we doorvoeren. Dat betekent dat veranderingen stap voor stap worden geïmplementeerd om de impact op individuen te minimaliseren en dat bestaande rechten van pensioengerechtigden worden gerespecteerd. Deze aanpak zorgt ervoor dat de hervormingen duurzaam en sociaal rechtvaardig zijn en dat ze bijdragen aan de langetermijnstabiliteit van ons pensioenstelsel. Dat doen we ook bij de noodzakelijke pensioenhervormingen.

Inzake het door u gestelde ongrondwettelijke kader van de pensioenmaatregelen, kan ik u alvast het volgende meegeven.

Ten eerste, de wetgever kan de pensioenwetgeving wijzigen. Inderdaad, het Grondwettelijk Hof heeft in het verleden geoordeeld dat de wetgever moet kunnen ingrijpen in de pensioenwetgeving. Er zijn meerdere arresten van het Hof, bijvoorbeeld aangaande het optrekken van de gemiddelde wedde of aangaande de afbouw van de diplomabonificatie voor de opening van het recht en voor de opening van de berekening, waaruit blijkt dat de wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft.

Ten tweede, ook het algemeen belang kan achteruitgang verantwoorden. Het Grondwettelijk Hof stelt in zijn arresten vaak vast dat sommige maatregelen wel een achteruitgang kunnen inhouden, maar dat die verantwoord zijn op grond van het algemeen belang, bijvoorbeeld in arresten van het Hof aangaande de afbouw van de diplomabonificatie voor de opening van de berekening of aangaande het gemengde pensioen. Hierbij zijn uiteraard overgangsmaatregelen van belang. Vaak neemt het Grondwettelijk Hof in zijn beoordeling eveneens mee of er in overgangsmaatregelen voorzien is, wat hier duidelijk het geval is. Ik kan verwijzen naar de optrekking van de gemiddelde wedde in het verleden, waarvoor ook in deze pensioenhervorming een geleidelijkheid geldt.

Tot slot, ook het principe van de veranderlijkheid van de openbare dienst is belangrijk. Het Grondwettelijk Hof heeft in eerdere arresten gesteld dat de ambtenaren rekening moeten houden met het feit dat de pensioenwetgeving kan wijzigen. Dit is uitgesproken in de arresten aangaande de afbouw van de diplomabonificatie voor de opening van het recht, en aangaande het gemengde pensioen. De wijziging van de tantièmes zal zeker geen inbreuk vormen op de verworven rechten, daar de oude, meer voordelige tantièmes steeds behouden blijven voor de in het verleden reeds gepresteerde loopbaanjaren. Dat was het geval voor de pensioenhervorming van 2012, toen de tantièmes voordeliger dan 1/48 werden herleid tot 1/48. Dat zal ook het geval zijn voor de huidige pensioenhervorming, waarbij alle tantièmes voordeliger dan 1/60 zullen worden herleid tot 1/60.

Dan hebben we nog de vragen van de heer Van Quickenborne, die eerder van politieke aard zijn. Ik heb ook het interview waarnaar u verwijst gelezen.

Ik heb het regeerakkoord als bijbel waarop mijn pensioenhervorming in principe zal worden gebaseerd. Het ligt op de tafel van de regering. Het staat alle partijen vrij om nieuwe inzichten op de regeringstafel te brengen. Het is aan ons om een consensus te vinden en om die pensioenhervorming nu snel in eerste lezing door de regering te krijgen, zodat de sociale concertatie en het advies van de Raad van State kunnen worden afgewacht.

Er zijn inderdaad nog een aantal thema’s die in de komende dagen moeten worden behandeld.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. U zegt dat de discussie loopt, dus u kunt geen commentaar geven, maar op mijn eerste vraag hebt u niet geantwoord. Ik zal die vraag herhalen. Kunt u duidelijk toelichten welke periodes volgens het regeerakkoord, dus uw bijbel, wel of niet meetellen als effectief gewerkte jaren? Het is belangrijk om dat te weten, omdat we dan kunnen nagaan of de discussie van de heer Mahdi relevant is of niet.

Waarom antwoordt u niet op die vraag, mijnheer de minister?

Jan Jambon:

Omdat iedereen het regeerakkoord kan lezen. Ik heb die vraag in het verleden ook al beantwoord.

Vincent Van Quickenborne:

Zorgverloven tellen dus mee als gewerkte jaren en ziekteperiodes niet. Is dat juist of niet? Dat mag ik toch vragen?

Jan Jambon:

Als u het regeerakkoord leest, vindt u daarin een duidelijk antwoord op uw vraag.

Ik herhaal nogmaals dat men kan altijd proberen om collega’s te overtuigen om wijzigingen door te voeren. We zullen in de komende dagen zien tot wat dat leidt.

Vincent Van Quickenborne:

Ja, maar dat was niet mijn vraag. Ik vroeg of in het regeerakkoord zorgverloven wel meetellen en ziekteperiodes niet. Is het zo moeilijk om dat te bevestigen? Dat is toch belangrijk om te weten? U wilt daar niet op antwoorden. Ik vind dat eerlijk gezegd heel vreemd, mijnheer de minister.

Dan wil ik overgaan naar een tweede punt, in verband met wat u verder hebt aangehaald. U kunt natuurlijk hervormen, dat is uw recht. U verwijst ook naar de pensioenhervorming die ik in 2012 heb doorgevoerd.

Wat echter niet kan, mijnheer de minister, is contractbreuk. Dat mag u niet doen, en toch doet u dat. U doet het voor de echtscheidingstaks, voor de woontaks en voor de exittaks. Bij tal van fiscale maatregelen pleegt u contractbreuk. De Raad van State is daar zeer streng voor. Ik ben dan ook benieuwd wat de Raad van State zal zeggen over de pensioenmaatregelen.

Los daarvan stellen we vast dat deze regering systematisch de adviezen van de Raad van State naast zich neerlegt wanneer die kritisch zijn, bijvoorbeeld wanneer het gaat over de responsabiliseringsbijdrage of over het feit dat steden met meer dan 100.000 inwoners meer middelen krijgen dan andere steden en gemeenten. Deze regering negeert dergelijke adviezen keer op keer.

Mijnheer de minister, zoals ik u voorspeld had, zullen veel maatregelen van deze regering bij het Grondwettelijk Hof belanden. Dat geldt ook voor de pensioenen van de hoogste ambtenaren. Ik ben er bijna zeker van dat veel van die maatregelen vernietigd zullen worden. Daarom vraag ik u om zorgvuldige wetgeving te maken. Respecteer het gegeven woord. We leven in een rechtsstaat en die moet gerespecteerd worden. Ik zeg u dat als liberaal en als democraat.

Kim De Witte:

Ik sluit graag aan bij de laatste interventie.

U zegt, mijnheer de minister, dat u niet begrijpt waarom ik stel dat de malus vroeger zal ingaan. Ik begrijp niet waarom u dat niet inziet. In de krant van vandaag staat dat u een voorstel hebt gedaan om de malus te laten ingaan op basis van de geboortedatum. Iedereen die geboren is na 1964 zou, als die persoon nu op vervroegd pensioen gaat, al 4 % minder pensioen ontvangen. U zou 4 % per jaar vervroegd pensioen afnemen van iedereen die geboren is na 1964. In het regeerakkoord staat echter dat die 4 % pas van toepassing is vanaf 2030. Dat betekent dus een vervroeging van de pensioenmalus voor een aantal mensen. Het feit dat u zegt dat ik het niet begrijp, vind ik dan ook vreemd.

Ten tweede worden de verworven rechten niet gerespecteerd. Ik weet dat u nog niet veel kent van pensioenen, maar ik zal het nog eens uitleggen om het heel duidelijk te maken: rechten worden opgebouwd op basis van de diensttijd. Ze worden verworven samen met de diensttijd. Dat is vaste rechtspraak. Als iemand werkt, dan gaat een deel van diens loon naar sociale bijdragen. Dat is de tegenprestatie van arbeid, die beschermd wordt door de loonbeschermingswet. De rechten die iemand opbouwt, zijn verworven voor de opeisbaarheid ervan, dus voordat men met pensioen gaat, heeft men rechten op pensioen opgebouwd. Iemand die al 30 jaar gewerkt heeft, heeft dus al 30 jaar rechten opgebouwd.

Als de regering daar opeens 20 % van afneemt wanneer iemand met pensioen gaat, omdat ze vindt dat iemand te weinig gewerkt heeft, dan komt dat neer op het afnemen van verworven, opgebouwde rechten. Dat is het geval bij de pensioenmalus en ik denk niet dat dat zal standhouden. Het grote verschil met andere landen waar zo'n malus bestaat, is dat onze pensioenen al bijzonder laag zijn. Mensen die hard gewerkt hebben en die niet kunnen werken tot 67 jaar – daar zijn er veel van, ook al weet ik dat u zich dat moeilijk kunt inbeelden –, zullen een aanzienlijk deel van hun pensioen verliezen, terwijl dat verworven rechten zijn.

U hebt het ook over de tantièmes van de ambtenaren, waar u inderdaad pensioenbreuken maakt, maar dat is niet de enige hervorming. De hervorming die u doorvoert op de berekening van het pensioen van de ambtenaren op het totale loon in plaats van het loon van de laatste 10 jaar, heeft veel meer impact dan de aanpassing van de tantièmes. Zoals u daarnet al zei, in 2012 heeft Di Rupo al beslist dat alle tantièmes naar 1/48 zouden gaan. Uw beslissing om naar 1/60 te gaan, is voor een aantal mensen inderdaad een vermindering, maar de hervorming van de berekening van het pensioen op basis van het loon van de volledige loopbaan, treft alle ambtenaren. U zegt tegen ambtenaren die al 30 jaar gewerkt hebben dat u hun pensioen zult berekenen op basis van de lonen die ze in die 30 jaar verdiend hebben, en niet op basis van het laatste loon. Dat zijn verworven rechten, verworven op basis van duidelijke regels in de wet, die zeggen dat dit de afspraak is: elk jaar dat iemand werkt, bouwt die persoon dit pensioen op. Maar u gaat dat herkwalificeren. U zegt dat u die afspraak retroactief zult herzien.

Dat zijn verworven rechten die u afpakt en herkwalificeert. Ik denk net zoals collega Van Quickenborne dat dat niet zal standhouden voor een rechtbank, maar wij zullen daar in ieder geval niet op wachten. Wij zullen het sociaal verzet organiseren tegen die pensioenafbraak, want dat is wat u doet. U pakt rechten af, u breekt het pensioen van de mensen af. Wij gaan daar zeer veel verzet tegen organiseren, want dat is nog altijd het krachtigste middel om ervoor te zorgen dat die pensioenmalus er niet komt.

Ik was een beetje verbaasd over de vraag van de heer Van Quickenborne. We hebben naar aanleiding van de regeerverklaring de discussie gevoerd over wat er nu wel en niet in die malus zit. Ziekte zit er helaas niet in. Mensen die kanker hebben gehad, riskeren een zware malus te krijgen. Mensen die halftijds hebben gewerkt en één dag technisch werkloos waren, verliezen een heel jaar. Dat is fundamenteel onrechtvaardig ten aanzien van alle mensen in onze samenleving die halftijds werken. Welnu, wij gaan dit systeem tegenhouden. Als het toch zou worden goedgekeurd, gaan wij uiteraard naar het Grondwettelijk Hof.

Jan Jambon:

(…)

Kim De Witte:

Wat zegt u? Ik heb uw gemompel niet begrepen, maar wij gaan daarvoor naar het Grondwettelijk Hof.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, vous nous demandez d'attendre vos textes et d'arrêter de faire peur aux gens. Notre travail en tant que parlementaire consiste à essayer de comprendre quels projets vous êtes en train de mettre en place. Il est toujours assez compliqué d'avoir des réponses claires de votre part à nos questions. Monsieur le ministre, soyez transparent et expliquez aux gens ce qui va leur arriver. Ce sont des réformes qui vont coûter cher aux gens. Leur pension va être réduite. Si vous voulez permettre aux gens de pouvoir s'organiser au mieux vu ces diminutions, vous devriez plutôt assurer la plus grande transparence sur les projets que vous avez. Il est regrettable que cela ne soit pas le cas. Vous voulez faire en sorte que les pensionnés aient moins d'argent à la fin du mois. C'est un énorme problème. Votre boussole en tant que ministre des Pensions devrait être de vous assurer que chaque personne puisse vivre dans la dignité avec un revenu permettant à chacun d'avoir une vie correspondant à peu près à la vie qu'il menait lors de sa vie active. C'est-à-dire pouvoir avoir une vie sociale, pouvoir faire de temps en temps un cadeau à ses petits-enfants, de payer son loyer ou sa maison de repos. Or, vous voulez faire des économies bêtes et méchantes en imposant des malus aux personnes pour des raisons complètement injustifiées. Qu'il s'agisse d'une personne malade ou une personne ayant eu un cancer, pourquoi est-ce que cette personne devrait avoir un malus sur sa pension? En résumé, vous voulez que les personnes travaillent plus longtemps mais n'aient pas des pensions complètes. Vous voulez faire des économies de bouts de chandelles sur le dos des pensionnés, plutôt que d'aller chercher l'argent là où il se trouve. Monsieur le ministre, nous continuerons de vous questionner pour avoir le fin mot des réformes que vous êtes en train de mettre en place.

De aanvullende pensioenen voor academici

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming raakt academici hard: ze verliezen tot €1.000 bruto per maand door niet-geïndexeerde plafonds en ontbreken een aanvullend pensioen, terwijl ze vroeger werden geweigerd om er één op te bouwen. Minister Jambon erkent de noodzaak om toptalent te behouden en staat welwillend tegenover een wettelijke aanpassing voor aanvullende pensioenen, maar benadrukt dat dit juridisch en budgettair moet worden onderzocht en afhangt van de universiteiten zelf. Van Quickenborne dringt aan op versnelling, want wachten tot ambtenarenpensioenen gelijk zijn aan die van contractuelen (zoals in het regeerakkoord) zou decennia duren en leidt tot te lage pensioenen. De minister bevestigt openheid voor overleg, zonder concrete toezeggingen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, uiteraard zorgt de pensioenhervorming voor veel ongerustheid bij veel mensen. Een groep die we nauwelijks horen – omdat ze doorgaans zodanig correct zijn dat ze niet weigeren les te geven of stakingen organiseren – zijn de academici en professoren. Dat zijn mensen die bewust gekozen hebben voor een publieke functie. Ze hebben geen beroep kunnen doen op een cafetariaplan, ze hebben geen bedrijfswagen gekregen en ze hebben hun hele leven gewijd aan het publieke metier.

Dat wij hier vandaag als parlementsleden kunnen functioneren, is mede te danken aan de opleiding die zij ons hebben gegeven. We beschikken over heel sterk universitair en academisch onderwijs. We kunnen die mensen niet genoeg bedanken voor wie we zijn en wat we doen.

Mijnheer de minister, die mensen kunnen geen beroep doen op het systeem van een aanvullend pensioen. Een belangrijk iemand – ik zal niet zeggen wie, maar ik heb mijn bronnen – heeft mij afgelopen weekend verteld dat hij in 2005 is langsgegaan bij de toenmalige minister van Pensioenen om te vragen of het mogelijk zou zijn om voor academici een aanvullend pensioen op te bouwen, uiteraard tegen betaling door de universiteit. Het antwoord van de toenmalige minister van Pensioenen in 2005 was: “Dat is niet aan de orde, we gaan dat niet toelaten, want u hebt al meer dan genoeg pensioen.”

Intussen zijn de zaken veranderd. U voert ingrijpende hervormingen door waarvan de impact op de pensioenen van academici goed voelbaar is. Vorige week hadden we in de plenaire vergadering een discussie over de pensioenen. Ik verving toen collega Bertrand. Ik zei u dat het pensioenverlies tot 1.000 euro kon oplopen, maar ik had me vergist. Het gaat niet om 1.000 euro per jaar, maar om 1.000 euro per maand.

Als men namelijk vijf jaar lang het absoluut Wijninckxplafond niet indexeert, dan betekent dat een verlies van bijna 1.000 euro bruto per maand aan pensioen voor die mensen. Bovendien, als men indexeert aan het minimumpensioen en niet aan het maximumpensioen van werknemers, zoals nochtans voorzien was in het regeerakkoord, dan komt er nog eens een verlies bovenop. Die mensen vragen, smeken u om toch een systeem van aanvullend pensioen te kunnen opbouwen.

Ik wil u daarover de volgende vragen voorleggen.

Ten eerste, acht u het wenselijk dat die mensen toch toegang krijgen tot een aanvullend pensioen, zoals dat vandaag al bestaat voor bepaalde ambtenaren bij lokale besturen en sommige instellingen van openbaar nut?

Ten tweede, bent u bereid om daarover overleg op te starten?

Ten derde, kunt u toelichten of er desgevallend ruimte is voor compenserende maatregelen?

Jan Jambon:

Mijn beleidscel en ikzelf hebben al een aantal keer samengezeten met rectoren van de verschillende universiteiten van ons land, via vertegenwoordigers in zowel de Vlaamse Interuniversitaire Raad als de Conseil des rectrices et recteurs. Uit die overlegmomenten onthoud ik dat er inderdaad bezorgdheid bestaat bij onze universiteiten om attractief te blijven op een internationaal erg competitieve arbeidsmarkt.

Ik had begrepen dat een aantal universiteiten overweegt een grondig onderzoek uit te voeren of te laten uitvoeren met het oog op een internationale benchmarking van de attractiviteit van onze universiteiten ten opzichte van de buitenlandse. Ik juich dat toe, want het staat buiten kijf dat het voor duurzame economische groei essentieel is dat wij inzetten op innovatie. Het aantrekken en hier houden van internationaal toptalent met het oog op fundamenteel onderzoek aan onze universiteiten, is dan ook een bezorgdheid die ik deel.

Dat betekent niet dat onze plannen voor een structurele pensioenhervorming niet gerechtvaardigd zijn. Tijdens de overlegmomenten voelde ik daar veel begrip voor en het besef dat een grondige pensioenhervorming in ons land noodzakelijk is om te zorgen voor een duurzaam, goed werkend pensioenstelstel, dat als een echt intergenerationeel sociaal contract functioneert.

Als we vandaag van een wit blad zouden vertrekken om een attractief loopbaanbeleid en pensioenstelstel uit te tekenen voor onder andere het korps van onderzoeksprofessoren, zou dat er dan uitzien zoals ons huidige systeem, inclusief de verplichte pensionering op de leeftijd van 65? Waarschijnlijk niet. De pensioenhervorming die nu voorligt, biedt dan ook opportuniteiten om een reflectie op het loopbaanmodel van professoren op te starten. Zo komen we ook bij de vraag of een aanvullend pensioen daar een onderdeel van moet uitmaken.

Wat uw eerste vraag betreft, over de wenselijkheid daarvan, het is niet aan mij om me daarover uit te spreken. Dat laat ik aan de universiteiten zelf over.

Wat uw derde vraag betreft, dit onderwerp is inderdaad aan bod gekomen tijdens het overleg met de universiteiten. Het regeerakkoord bevat daarover de volgende passage: "Van zodra het pensioen van de statutaire ambtenaren gelijk zou worden aan het pensioen van de contractuelen – bij de contractuelen met inbegrip van een tweede pijler – wordt bij wet de invoering van een tweede pijler voor statutairen mogelijk gemaakt en gefinancierd."

Met betrekking tot de juridische contouren in uw tweede vraag kan ik u meedelen dat we die zullen onderzoeken. Binnen het huidige wetgevende kader voor aanvullende pensioenen is dat voor statutairen niet mogelijk, wel voor contractuelen. Duizenden contractuelen in de publieke sector bouwen vandaag al een aanvullend pensioen op. Om dat ook mogelijk te maken voor statutairen is een wettelijke autorisatiebepaling nodig. We onderzoeken dat, maar behoeden ons in deze fase voor straffe uitspraken.

Inzake de budgettaire contouren is het desgevallend aan de Vlaamse Gemeenschap of de Franse Gemeenschap om dat gesprek met respectievelijk de Vlaamse of Franstalige universiteiten te voeren.

Ten slotte leidt de overgang van gunstige tantièmes naar tantièmes van een zestigste voor de loopbaanjaren gepresteerd na 2027 op zich tot weinig pensioenverlies volgens de microsimulaties die de Federale Pensioendienst uitvoerde voor verschillende beroepscategorieën en verschillende cohorten. Dat is ook logisch. Ten eerste, voor de jaren gepresteerd vóór 2027 blijft het pensioenbedrag dat is opgebouwd aan een gunstig tantième behouden. Ten tweede geldt er voor de ambtenarenpensioenen een relatief plafond van 75 % van de refertewedde. Daardoor bereikt iemand met een tantième van een vijftigste na 37,5 dienstjaren sowieso zijn maximumpensioen. Die twee factoren samen zorgen ervoor dat het meerdere decennia duurt voordat het effect zichtbaar wordt in het uiteindelijke pensioenbedrag.

Wat de aanvullende pensioenen betreft, zullen we de wettelijke mogelijkheden bekijken. In principe sta ik daar welwillend tegenover.

Vincent Van Quickenborne:

Ik wil de minister bedanken voor zijn antwoord, ook voor wat hij helemaal op het einde heeft gezegd, namelijk dat hij ervoor openstaat om eventueel aanvullende pensioenen toe te laten. Dat zal men bij de universiteiten zeer graag horen. Ik meen dat ook, mijnheer de minister. U hebt in het begin van uw antwoord gezegd dat het noodzakelijk is om toptalent te blijven aantrekken. Dat is cruciaal in een wereld die sterk geglobaliseerd is – zij het nu iets minder dan vroeger – om ervoor te zorgen dat we nog altijd de beste professoren kunnen aantrekken en dat die niet allemaal verhuizen naar Engeland of de Verenigde Staten. Daarvoor is er natuurlijk een aantrekkelijke loopbaan nodig. Die mensen leven ook en moeten goed worden betaald. Ik denk dat het mogelijk maken van een aanvullend pensioen een goede zaak zou zijn. U zegt dat het aan de universiteiten is om te beslissen of ze dat wenselijk vinden. Dat klopt, maar het moet wettelijk wel toegelaten zijn. Vandaag is dat niet het geval. Dat hebt u het zelf gezegd, maar u bent dus bereid om daarover het gesprek aan te gaan, een onderzoek te voeren, zonder daar evenwel vandaag al straffe uitspraken over te doen. Dat is positief. Het probleem is wel dat in het regeerakkoord – u hebt ernaar verwezen – staat dat een tweede pijler pas mogelijk wordt gemaakt op het ogenblik dat het pensioen van de statutaire ambtenaren het niveau bereikt van dat van contractuele ambtenaren. Maar collega’s, ik heb het vanmorgen nog gehoord van een expert, er bestaat een relatief plafond en een absoluut pensioenplafond. Het absolute Wijninckxplafond is een bedrag. Het relatieve Wijninckxplafond bedraagt 75 % van de laatste refertewedde. Bij contractuele werknemers is dat 60 %. Wanneer die twee elkaar zullen bereiken, zal het pensioen van de ambtenaar gezakt zijn tot dat van een contractuele werknemer. Ik ben van mening dat dat een vrij laag pensioen is. Mijnheer de minister, als we daarop moeten wachten, dan zullen we waarschijnlijk nog 20, 30 of 50 jaar moeten wachten, maar ik hoor een opening. Ik waardeer dat en ik zal ervoor zorgen, mijnheer de minister, dat binnenkort enkele universiteiten contact met u zullen opnemen om het gesprek dat al lopende is verder te zetten. Laat ons hopen dat we de wet dan ook kunnen aanpassen. Veel mensen, veel professoren, zullen u daar dankbaar voor zijn en de generaties na ons ook, mijnheer de minister.

Het gemorrel aan het pensioen van de militairen
Het pensioen van de militairen
Militair pensioenhervormingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden pensioenhervorming voor militairen, die leiden tot flinke inkomensverliezen (tot €790/mnd) en verlengde loopbanen zonder duidelijke compensatie. Minister Jambon benadrukt dat er sector-specifieke aanpassingen komen via overleg (o.a. in *Conego*), maar concrete maatregelen ontbreken nog—formele onderhandelingen starten pas na de zomer, met aandacht voor overgangsregelingen en zware beroepen. Kritiekpunten zijn het gebrek aan attractiviteit van Defensie (risico op personeelstekort door hardere voorwaarden) en de eis om militairen als zwaar beroep te behandelen, parallel aan andere sectoren zoals zorg of bouw. Dedonder en De Witte hameren op urgentie en transparantie, vrezen leegloop en vragen garanties dat de hervorming de operationele capaciteit van het leger niet ondermijnt.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, mon collègue Christophe Lacroix a interrogé la semaine dernière votre collègue en charge de la Défense quant à l’allongement des carrières des militaires, décidé unilatéralement par ce gouvernement. Force est de constater que la réponse du ministre était particulièrement lacunaire, lui qui se montre beaucoup plus bavard lorsqu’il s’agit de parler d’achats militaires ou de pourcentage du PIB que pour parler de la situation du personnel au sein de la Défense.

Mon collègue n'a ainsi obtenu aucune réponse quant à savoir si un représentant du cabinet ou de la Défense était autour de la table des négociations que vous menez, alors que le dialogue social avec les syndicats militaires est largement menacé.

J'ai plusieurs questions, monsieur le ministre, et je me tourne donc vers vous pour tenter obtenir des réponses. Qui participe aux réunions à votre cabinet sur la pension des militaires? Un collaborateur du cabinet du ministre ou de la Défense est-il chargé de défendre les intérêts des militaires? Où en est le processus et qu'est-ce qui est aujourd'hui sur la table?

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, uit berekeningen blijkt dat de militairen 277 euro en officieren zelfs 790 euro pensioen per maand zullen verliezen. Dat is natuurlijk enorm.

Ik las in de pers, in Het Laatste Nieuws van 12 juli, dat er mogelijks uitzonderingen op die verregaande pensioenafbraak komen. Aan welke uitzonderingen denkt u concreet?

Ik ben voorstander van uitzonderingen voor zware beroepen. Militairen hebben een zwaar beroep. Gaat u dan ook het debat aan met mensen uit de schoonmaaksector, de zorgsector, de bouwsector en andere zware beroepen?

Jan Jambon:

Chers collègues, je vous remercie pour vos questions, qui me donnent l'occasion d'informer le Parlement du trajet que nous avons parcouru jusqu'à présent sur la réforme des pensions. En particulier, vous avez parlé de la pension des militaires dans vos questions.

Mon cabinet a déjà eu l'occasion de rencontrer les représentants qui siègent au sein du comité formel de négociations pour la Défense, le Conego. Ceux-ci ont raison d'utiliser ces occasions pour exprimer leur inquiétude ou demander des éclaircissements, surtout pour les personnes qui sont proches de la date de leur retraite. Nous essayons de comprendre leurs préoccupations et d'en tenir compte lors de la préparation de projets de textes.

L'accord de gouvernement est rédigé de manière assez détaillée, du moins par rapport aux accords du gouvernement précédent. Néanmoins, de nombreuses questions subsistent sur le tantième, le salaire de référence, le relèvement de l'âge de la retraite pour les militaires, la bonification du temps et bien plus encore. L'accord de gouvernement laisse également explicitement une grande place à la concertation sociale.

En tant que ministre des Pensions, j'ai décidé assez rapidement de mener un processus préliminaire avec les représentants des employés et des fonctionnaires au sein des comités de négociations, avant même que les négociations formelles sur l'avant-projet de loi sur les pensions ne démarrent au sein du comité de négociations compétent.

Au Conego aussi, dans le cadre du pré-trajet, nous avons présenté le contenu de la réforme des pensions, le calendrier de l'ensemble du processus ainsi que l'enveloppe de transition. Nous essayons surtout d'écouter les représentants des militaires. Dans le cadre du pré-trajet, nous avons organisé plusieurs sessions consacrées à des thèmes spécifiques, notamment une session pour les métiers de sécurité, où des représentants du personnel militaire ont également été accueillis et ont fait entendre leurs voix.

L'objectif de ce pré-trajet informel est de saisir au mieux les principales préoccupations dans les différents secteurs. Chaque secteur a sa spécificité, et les priorités et les soucis dans le secteur de la construction ou celui de la santé ou du nettoyage ne sont vraiment pas les mêmes. Le profil de la carrière d'une salariée dans le secteur de la construction n'est pas le même que celui de quelqu'un dans le secteur des soins ou du nettoyage.

Tot nu toe is het een bijzonder leerrijk traject geweest. We hebben veel bijgeleerd over de bijzonderheden van die sectoren. Ik ben er ook van overtuigd, hoewel hervormingen zoals die van de pensioenen onvermijdelijk op weerstand stuiten, zoals elke verandering dat doet, dat een informeel voortraject helpt om prioriteiten in de verschillende sectoren en beroepen beter te capteren en er in de mate van het mogelijke rekening mee te houden.

Parallel met dat voortraject, dat zich louter richt op de pensioenhervorming, loopt binnen Defensie ook een traject gericht op een sociaal akkoord. Dat akkoord moet maatregelen bevatten die recht doen aan de unieke aard en de specificiteit van het militaire beroep. Dat valt evenwel onder de bevoegdheid van mijn collega, minister Francken.

Ook in andere beroepssectoren lijkt het niet meer dan logisch dat pensioenhervormingen worden geflankeerd door maatregelen inzake hr-beleid om het mogelijk te maken dat mensen langer en gemotiveerd aan de slag blijven. Daarvoor ben ik zelf uiteraard niet bevoegd.

Wat het wetgevende proces inzake pensioenen betreft, kan ik u wel meegeven dat er op dit moment binnen de federale regering besprekingen aan de gang zijn over een ontwerpwet van pensioenhervorming. Zodra de regering daarover een akkoord bereikt in eerste lezing, zullen de teksten zo snel mogelijk worden voorgelegd aan de formele onderhandelingscomités, zoals het Comité Overheidsbedrijven, Comité A, Conego en de beheerscomités van de Federale Pensioendienst voor de werknemers uit de privésector. Er zijn immers nog heel wat openstaande punten, bijvoorbeeld met betrekking tot de inzet van een overgangsenveloppe. We hebben in het voortraject al aangegeven dat we daarover graag input ontvangen van de onderhandelingscomités. Dat formeel onderhandelingstraject zal normaal gezien aanvatten na het zomerreces.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, il me semble que vous m'ayez communiqué un peu plus d'éléments de réponse qu'habituellement. À force d'être habitué à peu, on se contente d'avoir un peu plus de réponses. Je vous en remercie.

Ce qui me fait plaisir, c'est que vous ayez dit que vous alliez tenir compte des particularités de chaque secteur. En réponse à une de mes questions précédentes, vous aviez dit qu'on ne changeait rien sur le principe et, aujourd'hui, vous dites qu'on va tenir compte des particularités. Lorsque je vous avais demandé en cette commission si vous faisiez la concertation parce que vous y étiez obligé, vous m'aviez répondu "oui". Aujourd'hui, j'entends que, quand même, on va essayer d'écouter et d'entendre – c'est très important – et d'avoir une enveloppe de transition.

Je vais donc essayer de retenir le positif de ce qui vient d'être dit ici, en revenant vers vous plus régulièrement car, comme on l'a dit lors des questions précédentes, les gens d'une manière générale et les militaires en particulier se posent des questions. Ils sont inquiets. Alors, il ne s'agit pas uniquement de leur confort personnel, de leur bien-être ou de leur propre intérêt, cela concerne aussi le département de la Défense qui, on le sait très bien, doit rester attractif pour les jeunes. On sait aussi qu'il y a déjà, par nature, pas mal de rétention au niveau du personnel. Ajouter à cela un allongement de la carrière et un durcissement des conditions de travail ne va pas améliorer l'attractivité.

C'est pourquoi, au-delà de votre réforme des pensions, il est fondamental de discuter avec les représentants des organisations syndicales militaires mais aussi, d'une manière générale, de la Défense pour bien mesurer l'impact de vos mesures à la fois sur l'attractivité du département et, à terme, sur la sécurité de la population, puisque si nous n'avons pas le personnel suffisant pour faire fonctionner tout le matériel que vous allez acheter, on aura un vrai problème de fonctionnement et donc, à terme, de sécurité. Merci d'y être attentif.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik sluit me bij de opmerkingen van mevrouw Dedonder aan. Ik ontving een paar dagen geleden een e-mail van een paracommando die zich grote zorgen maakt over de pensioenhervorming. Miljarden euro's worden besteed aan nieuwe wapens, maar hij vraagt zich af wie die wapens in godsnaam zal bedienen als het hele leger leegloopt. Ik kijk dan ook in blijde verwachting uit naar de uitzonderingen die zullen worden toegestaan op de maatregelen die in het regeerakkoord staan. Als ze op die manier worden toegepast, zullen de militairen een aanzienlijk deel van hun pensioen verliezen, ondanks het feit dat ze langer moeten werken. Ik kijk uit naar die hervormingen en ik dring aan op een gelijkaardig proces voor andere zware beroepen. In ons land oefenen immers veel mensen een zwaar beroep uit en veel van die mensen kunnen niet werken tot 67 jaar.

De stijging van het aantal personen die als invalide erkend zijn tot aan het pensioen

Gesteld door

Groen Petra De Sutter

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

In 2020 steeg het aandeel 50- tot 62-jarigen dat tot aan het pensioen arbeidsongeschikt werd verklaard (bv. van ~80% naar ~90% bij 58-jarigen) door tijdelijke coronamaatregelen: het RIZIV besloot om adviserend artsen te ontlasten door bepaalde groepen (o.a. 58-plussers met langdurige arbeidsongeschiktheid) automatisch tot pensioenleeftijd te erkennen, zonder fysieke herbeoordeling. Minister Vandenbroucke bevestigde dat deze noodmaatregel in december 2020 werd genomen vanwege capaciteitstekorten (tekort aan artsen, teleconsultaties, hygiënebeperkingen) en sinds 2023 is stopgezet, met hervormingen (sinds 2023) om dossiers te herzien en re-integratie te stimuleren. De kernproblemen blijven structureel artsentekort en onvoldoende opvolging van langdurig zieken, terwijl De Sutter benadrukt dat specifieke oplossingen nodig zijn om de beroepsgroep te versterken en eerdere beslissingen te herzien. De daling sinds 2023 wordt toegeschreven aan proceshervormingen, maar de gevolgen van de 2020-maatregelen vragen nog correctieve actie.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, mijn vraag is een vervolgvraag op een schriftelijke vraag die ik u eerder stelde over de stijging van het aandeel langdurig zieken dat arbeidsongeschikt erkend blijft tot aan het pensioen.

In het antwoord op die vraag stelde u dat het aandeel personen dat als invalide erkend is tot aan het pensioen tussen 2015 en 2022 ongeveer stabiel is gebleven, namelijk rond de 60 %. U vermeldt ook dat er sinds 2023 zelfs een daling is ingezet en dat die daling zich zal verderzetten als gevolg van de hervorming van de organisatie van het proces van beoordeling van arbeidsongeschiktheid door de verzekeringsinstellingen.

Een gedetailleerdere analyse van de tabellen per leeftijdscategorie toont voor 2020 toch een stijging bij bepaalde leeftijdsgroepen aan. Dat valt vooral op bij de groep 58- tot 62-jarigen, maar ook bij de groep 50- en 51-jarigen. In vergelijking met de twee voorafgaande jaren en de twee daaropvolgende jaren, de coronaperiode, lijkt dit toch een afwijkende evolutie. Bij de 58- en 59-jarigen lag het aandeel in 2019 rond de 80 % en in 2020 steeg dat tot ongeveer 90 %. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is dat een significant verschil.

Wat is volgens u de verklaring voor deze evolutie in 2020, specifiek wat betreft de beslissingen om personen in de leeftijdscategorieën 50 tot 51 en 58 tot 62 jaar tot aan het pensioen als invalide te erkennen? Wat heeft die beslissingen eventueel beïnvloed? Hoe verklaart u dan dat in 2021 de cijfers terugkeren naar het niveau van 2018 en 2019? Waarom is dat belangrijk? Wel, 2020 was uiteraard een coronajaar en u bent in oktober 2020 minister geworden. Weet u of er toen bepaalde richtlijnen zijn aangepast? Werden er andere of nieuwe instructies gegeven om mensen als invalide tot aan het pensioen te erkennen? Werden er afspraken gemaakt met het RIZIV of met de mutualiteiten, bijvoorbeeld om mensen vanaf 58 jaar sneller dan voorheen als invalide tot aan het pensioen te erkennen? Was dit soms het gevolg van andere beslissingsprocessen die specifiek in 2020 werden genomen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Sutter, de kwestie die u aankaart, is belangrijk. Ze houdt mij ook bezig. Op de achtergrond speelt uiteraard een tekort aan adviserend artsen, waarmee de ziekenfondsen al jaren kampen. Enerzijds is er een uitstroom naar het pensioen die onvoldoende gecompenseerd wordt door de instroom van nieuwe adviserend artsen, anderzijds is er een continu stijgende caseload van mensen in arbeidsongeschiktheid. De druk op adviserend artsen is bijgevolg al geruime tijd bijzonder hoog.

In 2020 werd die druk nog versterkt door de COVID-19-pandemie. Fysieke consultaties werden stopgezet en vervangen door teleconsultaties. Wanneer een adviserend arts tijdens een teleconsultatie vermoedde dat er een einde moest worden gesteld aan de arbeidsongeschiktheid, moest de verzekerde prioritair worden opgeroepen voor een fysieke consultatie. Een beëindiging van de arbeidsongeschiktheid kan immers enkel tijdens een fysieke raadpleging door een adviserend arts worden vastgesteld. Bovendien was het door de hygiënemaatregelen tijdens fysieke consultaties niet mogelijk om evenveel verzekerden uit te nodigen als gebruikelijk.

Kortom, om de adviserend artsen ademruimte te geven en hen toe te laten te focussen op de meest prioritaire dossiers, besliste de Geneeskundige Raad voor invaliditeit van de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV om in december 2020 een specifieke groep van langdurig arbeidsongeschikten te erkennen tot aan de pensioenleeftijd. Het ging om de volgende verzekerden: verzekerden die 10 jaar of langer arbeidsongeschikt erkend zijn, ongeacht hun leeftijd, verzekerden van 58 jaar en ouder die minder dan 10 jaar arbeidsongeschikt erkend zijn en verzekerden van 50 tot en met 57 jaar die tussen 5 en 10 jaar arbeidsongeschikt erkend zijn. Dat waren tijdelijke maatregelen die ondertussen niet meer van toepassing zijn. We hebben intussen wel verder geïnvesteerd in de ondersteuning van de adviserend artsen.

Een en ander heb ik nader onderzocht. Dat onderzoek heeft mij ertoe geïnspireerd om, nog in de vorige regering en samen met u, een belangrijke hervorming door te voeren van de organisatie van het hele proces van beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Die hervorming is van kracht sinds 1 januari vorig jaar. Dat heb ik, denk ik, al gezegd.

Parallel daarmee herzien de ziekenfondsen, volgens hun mogelijkheden en prioriteiten, een selectie van dossiers van verzekerden die voor de laatste hervorming erkend waren tot de pensioenleeftijd met het oog op een herevaluatie. Daarbij houden ze rekening met de evolutie van de gezondheidstoestand en de principes van de hervorming.

Ik blijf dat verder opvolgen en bekijken wat we kunnen doen om maximaal verandering te brengen in wat in het verleden fout is gelopen. Er is immers een grote groep mensen die aan de kant is geschoven en niet meer werd opgevolgd.

In mijn ogen is invaliditeit in principe nooit definitief. Er zijn inderdaad mensen die jammer genoeg voor de rest van hun leven tot arbeidsongeschiktheid veroordeeld zijn, maar dat is lang niet voor iedereen het geval of toch niet voor honderd procent.

Petra De Sutter:

Dank u wel, mijnheer de minister. Er is dus wel degelijk een verklaring. Bedankt om dat toe te lichten. Ik heb daar twee reflecties bij. Ten eerste, het is goed dat men toch gaat kijken naar de beslissingen die in 2020 genomen zijn en nagaat of men daarop kan terugkomen voor een aantal mensen in het kader van de hervormingen die we hebben doorgevoerd en de nieuwe visie op re-integratie die we delen. Ten tweede, het probleem van het tekort aan adviserende artsen. Dat is natuurlijk de onderliggende problematiek waarmee u begonnen bent. Daar bent u niet op ingegaan. Misschien is dat ook nu niet de bedoeling. Ik zou toch willen vragen of u specifieke maatregelen kunt of wilt nemen om de beroepsgroep van de medische adviseurs te versterken, zodat zij hun werk correct kunnen doen. Het is immers jammer dat er, mede door corona, beslissingen zijn genomen waarop we nu moeten terugkomen. La présidente : La question n° 56005973C de Mme Frieda Gijbels est transformée en question écrite.

De onderhandelingen met de legervakbonden
Het afspringen van het sociaal overleg bij Defensie
Het sociale plan voor militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming
De stand van zaken betreffende de onderhandelingen met de legervakbonden
Het sociale plan voor militairen en de impact van de geplande pensioenhervorming
Het sociaal plan voor de militairen
De sociale onderhandelingen bij Defensie
De onderhandelingen met de legervakbonden
Het sociaal overleg
Het sociaal overleg met de legervakbonden
Het sociaal overleg bij Defensie
Sociaal overleg en pensioenhervorming bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de omstreden pensioenhervorming voor militairen, waarbij de pensioenleeftijd van 57 naar 67 jaar wordt opgetrokken, wat leidt tot massaal verzet bij syndicate en militairen. Kritiekpunten: de maatregel wordt gezien als sociaal dumping (verlies aan inkomen, gebrek aan erkenning, onrealistische fysieke eisen), dreigt een leegloop van ervaren kader te veroorzaken en kost 4 miljard extra zonder garanties voor betere loopbaanomstandigheden. Syndicaten verlieten onderhandelingen na beschuldigingen van minachting en gebrek aan transparantie, terwijl de minister geen concrete plannen of tijdlijn voorlegt, wat de onrust verergert. Kernvraag: hoe verzoent de overheid budgettaire noodzaak met behoud van gemotiveerd personeel, gegeven de krappe arbeidsmarkt en afhankelijkheid van technisch gespecialiseerd kader?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, vous êtes d'accord avec moi pour dire que la ministre Dedonder a fait du bon travail en matière de personnel, vous l'avez d'ailleurs déjà dit. Vous auriez pu vous glisser dans ses baskets et continuer son travail. Pourtant, vous êtes en train de faire tout le contraire. La plus importante des régressions sociales en matière de statut militaire est l'allongement unilatéral de plus de 10 années de leur carrière, en rupture totale avec le contrat social qui les unit avec la société belge.

Pourtant les chiffres de l'état-major de la Défense parlent d'eux-mêmes: cette mesure est non seulement injuste sur le plan social, mais elle est aussi une aberration pour l'avenir de notre Défense! On parle d'un surcoût de 4 milliards d'euros selon les chiffres de l'état-major, autant de moyens qui ne pourront pas être utilisés pour réinvestir dans notre armée.

Nous avons longuement eu l'occasion d'en parler lors des débats sur votre exposé d'orientation politique et votre note de politique générale. Aujourd'hui, nous apprenons que l'ensemble des syndicats militaires ont quitté prématurément les discussions, que vous aviez péniblement mises en place, où vous deviez leur présenter les mesures prévues. Les syndicats vous reprochent notamment, selon la presse, "un mépris flagrant envers le métier de militaire" et estiment que l'accord de gouvernement menace de saper l'équilibre du statut militaire.

Monsieur le ministre, alors que vous annonciez faire de l'humain une priorité, pouvez-vous m'indiquer la teneur de cette réunion ainsi que me communiquer les mesures que vous avez avancées? Quel est le calendrier des négociations? Vous aviez annoncé un accord social. Quelles sont vos intentions et marges de manœuvre?

Qui participe aux réunions au cabinet du ministre des Pensions sur la pension des militaires? Y a-t-il quelqu'un de votre cabinet ou quelqu'un de la Défense pour défendre nos militaires? Je pense que les appétits du ministre Jambon en la matière ne sont pas de nature à plaire aux militaires.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, u onderhandelt al een tijdje met de militaire vakorganisaties over een nieuw sociaal plan voor de militairen. Dat loopt, als ik sommige communicaties mag geloven, niet van een leien dakje. De aanleiding is uiteraard de onrust bij de militairen over de geplande verhoging van de pensioenleeftijd. Ik heb vorige week al aangegeven dat die onrust naar mijn mening deels terecht is. Het pensioen is een soort voorafbetaling op het loon of op de erkenning die zij tijdens hun loopbaan niet hebben gekregen. Dat versnelde pensioen is altijd een vorm van pay-off geweest voor de militairen.

Als we daaraan sleutelen – ik ben daar net als mijn partij voorstander van – moeten wij tegelijk ook sleutelen aan de loopbaan en de loonvoorwaarden. U hebt er steeds op gewezen dat u een sociaal plan wilt realiseren waarbij de pensioenhervorming zal doorgaan, maar waarbij ook aan het statuut van de militair grondig zal worden gesleuteld.

Daarom heb ik enkele vragen. Ten eerste, wat is voor de pensioenleeftijd de stand van zaken in het dossier van de pensioenhervorming voor militairen? Welke modaliteiten worden momenteel besproken of overwogen? Denk daarbij aan de pensioenleeftijd, het systeem van vervroegde uittreding en de berekeningswijze van het pensioenbedrag.

Welke overgangsmaatregelen, waarover ook grote onrust heerst, of overgangsperiodes worden er ingebouwd voor het personeel dat nu actief in dienst is?

Hoe verlopen de onderhandelingen over het sociaal plan met de vakorganisaties op dit moment? Zijn er al concrete akkoorden bereikt of belangrijke knelpunten geïdentificeerd?

Welke concrete maatregelen bent u van plan te treffen om de loonvoorwaarden binnen defensie te verbeteren?

Zal de hervorming van het statuut van de militair worden gekoppeld aan de pensioenhervorming?

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, fin mai, vous avez rencontré les représentants syndicaux du secteur militaire afin d'aborder la délicate question des pensions. Cette réunion s'est malheureusement soldée par un départ prématuré des syndicats, ce qui témoigne des tensions persistantes sur ce dossier sensible.

Parmi les principales préoccupations exprimées, l'augmentation de l'âge de la pension envisagé à 67 ans et la question des heures prestées non rémunérées. Les syndicats vous reprochent aussi de privilégier les investissements dans de nouveaux équipements lourds plutôt que de défendre les intérêts du personnel. Et là, je les cite: "On va avoir une armée avec des F-35 rutilants, des frégates dernier cri, mais plus personne pour piloter ces avions ou barrer ces navires." Les syndicats vous avaient par ailleurs adressé une série de questions en espérant une réponse pour le 6 juin dernier.

Monsieur le ministre, dans un esprit constructif, j'aimerais vous poser les questions suivantes. Quel bilan tirez-vous de cette réunion et quelles pistes envisagez-vous pour retisser un dialogue apaisé et efficace avec les partenaires sociaux? Une réponse a-t-elle été apportée aux syndicats à la date du 6 juin comme ils le souhaitaient? Envisagez-vous d'ouvrir certaines marges de négociation, notamment sur l'âge de la pension, afin de trouver un compromis équilibré? Avez-vous prévu un calendrier de discussion ou une nouvelle méthode de concertation pour restaurer la confiance? Enfin, comment conciliez-vous les impératifs liés à la modernisation de notre Défense avec la nécessité d'un soutien fort au personnel qui en est le pilier?

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, om aan de verwachte negatieve gevolgen van de pensioenhervorming te remediëren, wat absoluut noodzakelijk is, hebt u enige tijd geleden geopperd om een sociaal plan op te stellen.

De militaire vakorganisaties die we hier in de commissie gehoord hebben, hebben al veel eerder gewaarschuwd voor een mogelijk hogere uitstroom. De pensioenhervorming is immers onlosmakelijk verbonden met de loopbaan van de militair. De bezorgdheid leeft dat die loopbaan minder aantrekkelijk zou kunnen worden voor eventuele nieuwe rekruten, maar ook voor de mensen die op dit moment al actief en noodzakelijk zijn voor de werking van onze defensie op het terrein.

Die onzekerheid op het terrein is vandaag de dag sterk voelbaar. Dat merken we in de contacten met militairen. Het is daarom van groot belang dat men zeer omzichtig omspringt met die pensioenhervorming en met de invulling van het sociaal plan. Het effect op het personeelsbestand moet uiteraard goed worden opgevolgd, want u hebt de doelstelling vooropgesteld om tegen 2030 naar minstens 29.000 personeelsleden bij defensie te evolueren.

Zoals ik al eerder zei, is het personeel het grootste kapitaal van ons defensieapparaat. Zonder dat personeel hebben de plannen die u daarnet hebt toegelicht, de bijkomende investeringen en middelen, weinig zin.

De militairen voelen zich al maanden te weinig gehoord. We hebben de vakorganisaties hier aan het begin van dit jaar mogen horen. Die hoorzittingen waren voor velen echt een eyeopener. Er werd onder meer gesproken over de werkomstandigheden, over zeven jaar op een volledige loopbaan die niet worden vergoed enzovoort.

Mijnheer de minister, hoe ver staat u met de ontwikkeling van dat sociaal plan? Enige tijd geleden is het overleg daarover niet in de beste omstandigheden afgelopen, om het eufemistisch uit te drukken. Wat is de timing om uw plan aan deze commissie voor te leggen? Wat is uw plan om mee te gaan in de koppeling van de pensioenhervorming en de loopbaanhervorming?

U hebt in een eerder antwoord gezegd dat het regeerakkoord stipuleert dat we de specificiteit van het militair statuut erkennen en dat we de deelname aan externe missies en operationele eenheden positief willen herwaarderen en in rekening brengen. Wat is daar op dit moment de stand van zaken?

Wat zijn de overgangsmaatregelen die u eventueel zult nemen? Hoe bereidt u zich voor op de eventuele lagere instroom en de hogere uitstroom, zeker in de categorie tussen 35 en 40 jaar, die zich dreigt voor te doen? Wat is uw voorbereiding op dat vlak, als de voorziene pensioenhervorming effectief wordt doorgevoerd?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, à la fin du mois de mai dernier, les quatre organisations syndicales représentatives des militaires claquaient la porte lors de négociations sociales liées à l'harmonisation des régimes de pension des militaires. Certains vous ont reproché un mépris flagrant envers le métier de militaire, ce qui n'est certainement pas le cas pour ceux qui vous connaissent. Nous en sommes bien conscients. Par contre, nous savons que votre style très direct, que je peux apprécier personnellement, n'est pas toujours aimé par vos interlocuteurs. Néanmoins, nous savons que la décision dans l'accord de gouvernement d'harmoniser ce régime de pension n'est pas une décision aisée à mettre en œuvre. C'est pourquoi l'accord de gouvernement prévoit des dispositions particulières, notamment pour les militaires partis en opération.

Au-delà des postures politiques, il est temps de faire le bilan de ce dossier et de pouvoir se rendre compte de l'état des négociations. Pour Les Engagés, une concertation sociale aussi apaisée que possible est essentielle dans toute réforme. Il faut aussi se donner le temps de négocier et de ne pas trop brusquer ses interlocuteurs, spécialement quand les mesures adoptées sont difficiles pour ceux qu'ils représentent.

Monsieur le ministre, quelles sont les conditions exactes qui ont été offertes durant la négociation? Avez-vous effectué des simulations sur les éventuelles pertes de revenus que subiraient les futurs militaires pensionnés, et si oui, quels sont les résultats? Quelles mesures d'accompagnement sont-elles envisagées? Allez-vous offrir d'autres avantages sociaux au cours de la carrière qui pourraient adoucir les mesures envisagées? La Défense a-t-elle déjà subi des démissions se justifiant par le changement du régime des pensions? Quand comptez-vous aboutir et nous présenter le résultat de vos négociations?

Koen Van den Heuvel:

Sociaal overleg is voor mijn partij een heel belangrijke zaak, des te meer gelet op de uitdaging waarvoor we met onze militairen staan.

Bij hervormingen is het altijd een uitdaging om mensen mee te krijgen in het verhaal en hen te overtuigen van de noodzaak ervan. We kunnen daar pas in slagen, als we een aantal bezorgdheden en onduidelijkheden zo snel mogelijk wegnemen en hen met respect bij die uitdagingen betrekken.

Ik merk in mijn gesprekken met militairen dat zij enerzijds wel begrip tonen voor de situatie. Als iedereen langer moet werken, tot 67, dan begrijpen zij dat pensioen op 56 jaar wellicht niet haalbaar is. Anderzijds willen ze ook respect voor hun situatie en begrip voor hun bijzonder statuut, dat er niet zomaar is gekomen. Dat statuut werd hun verleend, omdat zij op een heel flexibele manier ten dienste van ons land moeten staan, zowel binnen- als buitenlands, en een antwoord moeten bieden op heel specifieke uitdagingen. Daarom is het essentieel dat hervormingen op een respectvolle manier worden doorgevoerd.

We hebben onze militairen nodig, willen we een betere paraatheid en willen we een succesvolle hervorming van het leger. Het is niet voldoende om miljarden te investeren in extra materieel. Dat materieel moet namelijk ook kunnen worden gebruikt door militairen, die beter opgeleid moeten zijn.

Daarom hadden we graag een stand van zaken gekregen, mijnheer de minister. Er bereiken ons namelijk uiteenlopende signalen.

Het is een heel belangrijk dossier en we rekenen erop dat u er met de nodige takt en diplomatie werk van maakt.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la note de politique générale en matière de défense indique qu’il est évident que la concertation et l’implication des partenaires sociaux sont essentielles pour assurer une transition dans de bonnes conditions.

Pourtant, les syndicats ACMP et ACOD indiquent qu’il n’y a aucune transparence concernant l’accord social. Pouvez-vous donc expliquer quelles démarches concrètes ont été entreprises pour impliquer les partenaires sociaux dans les négociations de cet accord? De quelle manière leurs contributions sont-elles prises en compte?

Par ailleurs, la note de politique souligne "la spécificité de la profession militaire, qui implique des obligations et des sacrifices uniques". Les syndicats militaires expriment un tout autre son de cloche: "Ce qui nous a été proposé défie toute forme de respect pour la profession militaire. Sous couvert d’harmonisation, l’exécution de l’accord de gouvernement menace de saper complètement l’équilibre du statut militaire." Ils dénoncent le fait que vous procédez à une harmonisation "vers le bas".

Monsieur le ministre, quelle est votre réponse aux critiques des syndicats, qui qualifient votre proposition de "rien de moins que du dumping social: conditions de travail insuffisantes, manque d’attention au bien-être, et un manque structurel de reconnaissance"?

Enfin, pouvez-vous clarifier ce que la vision stratégique implique concrètement pour les pensions et les conditions de travail du personnel militaire, compte tenu de leur légitime inquiétude face aux baisses annoncées?

Darya Safai:

Mijnheer de minister, laat ik beginnen met een diepe erkenning van het werk, de inzet en de opofferingen van onze militairen. Ze vormen het fundament van onze nationale veiligheid, nu meer dan ooit, gezien de veranderende geopolitieke omstandigheden. Ze verdienen respect en structurele garanties, ook op lange termijn.

Dat respect houdt ook in dat we een eerlijk beleid voeren en een toekomst uittekenen. Dat hebben voorgaande partijen nagelaten. Precies dat is wat de hervorming beoogt en waarin wij u steunen. Gelet op de demografische realiteit en de budgettaire grenzen, kunnen we het ons niet veroorloven om weg te kijken. Andere sectoren, zoals de politie en de ambtenarij, moeten eveneens worden hervormd. De kosten van de vergrijzing zijn aanzienlijk.

De budgettaire situatie is wat ze is en verre van rooskleurig. Het militaire pensioenstelsel bleef tot nu toe grotendeels buiten schot, maar dat is helaas niet langer houdbaar. We begrijpen dat het geleidelijk optrekken van de pensioenleeftijd gevoelig ligt, maar we spreken hier over een modernisering, niet over afbraak. U hebt bovendien aangekondigd dat er een termijn en een perspectief moeten komen. Graag kreeg ik een stand van zaken.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik had geen vraag ingediend, omdat ik het thema al in plenaire vergadering aankaartte, maar ik sluit mij graag aan bij het debat.

Gisteren had ik toevallig nog een een-op-eengesprek met een van onze vakorganisaties. Ik doe dat op regelmatige basis, omdat ik het belangrijk vind om te luisteren naar wat er leeft bij de vakorganisaties en uiteraard bij onze militairen zelf. Het is normaal dat er veel ongerustheid heerst, zeker bij wie aan de vooravond van zijn of haar pensioen staat. Voor mij is het nog veraf, maar wie op twee jaar van zijn pensioen staat, begint plannen te maken. Men kijkt dan vooruit naar een tweede leven, naar meer tijd met gezin, kinderen en kleinkinderen, tijd die er tijdens de loopbaan vaak niet was voor onze militairen.

Het is dus logisch dat daar op dit moment heel veel ongerustheid is. In die zin zou het goed zijn dat er zo snel mogelijk duidelijkheid over die maatregelen komt en er zo snel mogelijk een sociaal akkoord komt. Dit gezegd zijnde, een goed sociaal akkoord is nog altijd beter dan een snel akkoord. Ik begrijp het dus wel dat er tijd genomen wordt, zodat er voldoende met de verschillende vakorganisaties kan worden overlegd. Wie met vakbondsafgevaardigden spreekt, zal al begrepen hebben dat ze wel begrip hebben voor de harmonisatie van de pensioenleeftijd, althans zo luiden de signalen die ik bij de vakorganisaties opving.

Daar moet uiteraard wel een compensatie tegenover staan. Dat brengt ons bij het debat over een uur is een uur. In de hoorzittingen hebben we vernomen dat veel militairen eigenlijk zeven jaar presteren, zonder daarvoor vergoed te worden. Daar ligt de sleutel tot succes voor de totstandkoming van een sociaal akkoord. Wie ben ik om u een tip te geven, mijnheer de minister, maar ik doe het toch. Ik heb uit mijn contacten begrepen dat het een goede zaak zou zijn, als er niet alleen een geldelijke vergoeding, maar ook een gedeeltelijke compensatie in tijd van het principe een uur is een uur komt. Als de regering dat overweegt, moet een sociaal akkoord mogelijk zijn.

Ik wens het u en vooral onze militairen toe. Zoals ik immers al zo vaak heb gezegd, wat zijn al die nieuwe capaciteiten waard, als er geen gemotiveerde militairen zijn om die in te vullen?

Theo Francken:

Je vous remercie beaucoup pour toutes vos questions et vos préoccupations concernant le personnel et l’accord social.

Je mène actuellement de nombreuses discussions sur l’accord social potentiel. J’ai rencontré les vice-premiers ministres. J’ai partagé un petit-déjeuner avec M. David Clarinval ce matin. Nous avons parlé de beaucoup de choses, dont bien sûr le volet social. J’ai vu M. Vincent Van Peteghem et M. Frank Vandenbroucke hier. J'espère m'entretenir avec M. Maxime Prévot vendredi. Je rencontrerai les syndicats la semaine prochaine. J'espère obtenir un accord le plus vite possible.

Voorzitter:

U hebt uw spreektijd niet volledig benut, maar dat is niet erg.

Theo Francken:

Ik wil over het vorig debat wel nog enkele punten aanhalen.

Voorzitter:

Zo werkt het niet, mijnheer de minister.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, là, vous m’étonnez. Vous avez toujours beaucoup de choses à dire, et là, je vous sens en difficulté. Le fait que vous vous taisiez sur un sujet aussi important témoigne du fait que vous n’êtes pas sûr de gagner le défi que vous nous avez annoncé, qui était d’apporter une solution en faveur des militaires.

Theo Francken:

Le silence est d'or.

Christophe Lacroix:

Certes, il est vrai que le silence est d’or et la parole, d’argent. Vous avez raison, monsieur le ministre.

J’entends qu’il s’agit, selon vous, de manipulations politiques, qui agitent les militaires. Mais, quelque 5 000 militaires ont tout de même manifesté en rue. Vous avez dit vous-même que c’était important, car ils ont dû prendre congé pour le faire. Vous en connaissez beaucoup, des personnes qui prennent congé pour aller manifester dans la rue? S’ils l’ont fait, c’est qu’il vit une grande inquiétude parmi les militaires et les syndicats. Je suis très inquiet qu’il n’y ait pas, dans les réunions avec le ministre des Pensions, de représentants des syndicats ou du secteur de la Défense. À quelle sauce seront-ils mangés? Voilà ce qui m’inquiète.

J’ai l’impression que l’on exige des militaires une capitulation sans conditions. Quand j’entends les collègues de la majorité affirmer que les militaires comprennent bien qu’il n’est plus tenable de maintenir les pensions à 57 ans, je me demande si vous avez parlé avec les militaires. Ce n’est pas du tout ce que j’entends!

Il y a en outre des choses que je ne comprends pas. D’abord, et il s’agit de bon sens, l’allongement de la carrière coûtera 4 milliards en plus. Donc, budgétairement, il faudra déjà trouver ce montant. Ensuite, on annonce aux militaires qu’ils seront confrontés à des situations plus difficiles, qu’ils devront peut-être même faire la guerre, être beaucoup plus exposés qu’ils ne l’étaient hier, et ce, jusqu’à 67 ans. Comment peut-on tenir un langage pareil alors qu’il faut motiver nos troupes? Alors certes, nous aurons du beau matériel et pourrons bander nos muscles, mais il n’y aura personne pour le faire fonctionner! Car il y aura une hémorragie à un moment donné: le taux d’attrition est connu, ainsi que le manque d’attractivité de la carrière militaire, même temporaire, auprès des jeunes. Il faut à mon sens faire très attention et être très vigilants, parce que nos militaires seront mangés à une sauce qu’ils n’apprécient pas.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, u neemt het spreekwoord 'spreken is zilver, zwijgen is goud' wel heel letterlijk. Dat ben ik niet van u gewoon, want u spreekt vaak zeer uitvoerig, maar nu dus niet.

Voorzitter:

Ik stel vast dat de oppositie het er lastig mee heeft.

Kjell Vander Elst:

Ja, eigenlijk wel.

Mijnheer de minister, ik heb liever meer informatie, maar ik begrijp uiteraard dat u niet uit de biecht klapt. Dergelijke gesprekken gebeuren beter in alle vertrouwelijkheid.

Wel is het een feit dat er grote ongerustheid heerst bij de militairen. We kennen allemaal wel militairen, en zeker de vakorganisaties signaleren ernstige bezorgdheid. Enkele militairen staan op dit moment op minder dan twee jaar van hun pensioen, maar ze weten niet eens of hun loopbaan met één, twee of drie jaar zal worden verlengd. Die situatie is niet lang meer houdbaar. Die militairen hebben recht op duidelijkheid. Ze maken plannen voor hun leven na hun militaire loopbaan, met eventueel andere professionele ambities. Er moet dan ook zo snel mogelijk duidelijkheid komen.

Ik hoop dat de pensioenhervorming gebeurt in samenspraak met de hervorming van het statuut. Als het sociaal plan allesomvattend is, kan iedereen worden gerustgesteld. Wat we op dit moment echt kunnen missen als kiespijn, is een uitstroom of leegloop van het middenkader. Als dat gebeurt, staan we voor een gigantisch probleem, zowel qua tewerkstelling als voor de opleiding van jonge militairen, die momenteel in groten getale instromen.

Dat jongeren zich aangetrokken voelen tot defensie, is uiteraard een positief signaal, maar ze moeten wel kunnen rekenen op ervaren militairen, met de nodige bagage en anciënniteit, die hen kunnen begeleiden en juist opleiden. Het zou geen goed signaal zijn als jonge militairen die nog maar een tot twee jaar in de organisatie actief zijn, wegens een gebrek aan ervaren personeel al andere militairen zouden moeten opleiden. Die situatie moeten we absoluut vermijden. Ik hoop dan ook dat u volgende week kunt landen met een sociaal akkoord, zowel voor de organisatie als voor de militairen, die momenteel nog in het ongewisse verkeren.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse courte mais intense, comme on dit en français.

Pour répondre également à M. Lacroix, j'ai la chance de m'endormir avec une militaire tous les soirs. Et je peux vous dire que, petit à petit, ils se font à l'idée de travailler plus longtemps. Mais, comme l'a dit mon collègue, Axel Weydts, cela ne doit effectivement pas se faire sans compensation.

Ici, on est à un véritable tournant au niveau de la Défense. C'est sûr. Vous l'avez dit et redit. Il va y avoir des investissements massifs, que nous soutenons à 300 %. Mais, soyons lucides, ce cap ne pourra être atteint qu'à une seule condition, c'est de pouvoir compter sur des militaires qui restent à 100 %, voire 3 000 % motivés et qui se sentent engagés plus que jamais.

Pour cela, monsieur le ministre, il faut les embarquer avec vous. Il faut leur parler et les écouter de sorte qu'ils se sentent respectés. Recréer un climat de confiance grâce à un vrai dialogue franc mais constructif, c'est primordial, capital. J'espère dès lors que la prochaine séance avec les syndicats se déroulera mieux que la précédente. En tout cas, nous comptons vraiment sur vous.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, uw nietszeggend antwoord is bijzonder veelzeggend. Nochtans communiceert u doorgaans snel en veel, dus er klopt iets niet. Dit is nochtans een heel belangrijk debat. We lezen in de media immers heel veel over enorme uitgaven aan materieel, en dat is absoluut nodig, maar over het personeel horen we bijzonder weinig. Dat is frappant, want de motor van onze defensie zijn nog steeds onze militairen zelf, de mensen die op het terrein staan, die altijd al heel veel hebben moeten doen, en dat nog steeds doen, vaak met heel beperkte middelen.

Nochtans denk ik dat u in de vakorganisaties constructieve partners kunt vinden wanneer het over het sociaal plan gaat. Zij zijn bereid om voor een stuk mee te gaan in die maatschappelijke evolutie, ondanks alles. Het respect waarover u het in het verleden had, hebben zij echter niet gevoeld tijdens het laatste overleg.

Als ik zeg dat die onzekerheid op dit moment voelbaar is, dan is dat concreet meetbaar. Dat weet u als u zich op het terrein begeeft, waarvan ik weet dat u dat doet. Dat uit zich in tal van signalen, onder meer in een stijging van het aantal burn-outs, vooral bij militairen die op de rand van hun pensioenleeftijd staan. Zij weten totaal niet waar ze aan toe zijn. Dat uit zich ook in de zeer hoge uitval bij nieuwe kandidaten. Die uitval is niet nieuw, maar blijft constant. Het pensioendebat kan immers niet los worden gezien van een grondig loopbaandebat.

Zoals ik al zei in mijn vraagstelling, u moet echt rekening houden met een verhoogde uitstroom, niet alleen bij de nieuwe rekruten, maar ook in de leeftijdscategorie tussen 35 en 45 jaar, als uw geplande pensioenhervormingen worden doorgevoerd. De drempel om aan te sluiten bij defensie wordt hoger, maar de drempel om bij defensie te blijven wordt eveneens hoger, in plaats van lager, zoals iedereen graag zou willen zien.

We staan voor heel veel wat grote uitdagingen op het vlak van personeel, niet het minst bij het vinden van technisch personeel en specifieke profielen, maar ook als het gaat over personeel voor bijvoorbeeld de cybermacht.

Ik wil u vragen om de onduidelijkheid op het terrein snel op te heffen en om werk te maken van een grondig sociaal plan, zodat iedereen actief bij defensie, weet waar hij voor staat.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, j'avais préparé une page blanche pour noter vos réponses. Je dois dire que mon stylo vous remercie. Plus sérieusement, j'ai bien compris que vous aviez des contacts en cours, puisque vous l'avez précisé. La parole est d'or et il faut en effet retenir vos réponses pour pouvoir en discuter avec vos partenaires et certainement aussi avec les syndicats.

Monsieur le ministre, vous êtes le pilote de l'avion Défense, alors embarquez l'ensemble du personnel avec vous, surtout ne vous crashez pas et ayez un atterrissage bien calme et bien tranquille parce que la concertation est un élément essentiel pour nous. Bonne continuation à vous.

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw kort maar duidelijk antwoord. De collega's hebben de uitdagingen al geschetst. We investeren enorm in materieel, maar we staan ook voor de uitdaging om in de volgende jaren het korps met enkele duizenden leden te zien aangroeien. Daartoe moeten de juiste omstandigheden gecreëerd worden. We hebben immers een krappe arbeidsmarkt.

Binnen het leger zijn er bovendien gezochte profielen nodig. Dat betekent dat het statuut voldoende aantrekkelijk moet zijn om kandidaten aan te trekken.

Daarnaast moet er duidelijkheid worden gecreëerd over de pensioenuitdaging. We kijken daar dan ook naar uit, want het is absoluut noodzakelijk om daar op zeer korte termijn klaarheid in te scheppen, zodat ook de volgende uitdaging aangepakt kan worden. Die uitdaging bestaat niet alleen uit de aankoop van extra materieel, maar ook uit het aantrekken van voldoende gemotiveerde mensen, om ook op dat vlak een stap voorwaarts te zetten.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la seule information que je retiens de votre réponse, c'est que le petit déjeuner est agréable avec M. Clarinval. Je suis content pour vous et je suis ravi que cela soit si agréable. Par contre, je ne sais toujours pas pourquoi les militaires ne se sentent pas respectés. Je ne sais toujours pas pourquoi leurs demandes et leurs revendications ne sont pas prises en considération. Et je ne sais toujours pas pourquoi ils quittent la table des négociations assez tôt, parce qu'ils ne se sentent pas entendus.

Nous savons, en tout cas, que dans le cadre de leurs revendications sur la question des pensions, 5 000 militaires ont manifesté parce qu'ils ne sont pas d'accord avec votre politique. Et je ne pense pas que les militaires se feront à l'idée de travailler jusqu'à 67 ans, parce que travailler jusqu'à 67 ans, ce n'est pas juste une idée. Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance quand on a un métier pénible. Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance quand on porte des sacs de 20 kilos avec lesquels on doit sauter dans une Jeep.

Travailler jusqu'à 67 ans, c'est une souffrance pour l'ensemble de la classe travailleuse. Et en l'occurrence, même dans le secteur dans lequel vous investissez le plus, à savoir le secteur de la défense, les militaires sont mangés à la même sauce que l'ensemble de la classe travailleuse. Ils sont attaqués sur leurs pensions, sur le calcul de leurs pensions, ils vont perdre des centaines d'euros par mois. Voilà pourquoi ils ne sont pas contents, voilà pourquoi ils se mobilisent et quittent les tables des négociations!

Et aujourd'hui, quand on vous pose une question sur le malaise qui règne chez les militaires, votre réponse démontre que ce malaise est également présent au ministère de la Défense, pas seulement chez les militaires.

Darya Safai:

Bedankt, mijnheer de minister.

Wat dat sociaal plan betreft, zijn we blij dat u werkt aan een betere waardering van de operationele inzet. Er komt een herziening van het statuut waar nodig, met oog voor reële taken en belastbaarheid.

Mijnheer Boukili, er is geen sprake van een oorlogsverklaring tegenover de vakbonden. Ze werden uitgenodigd, er werd geluisterd, en er zal nog geluisterd worden. Overleg is echter geen eenrichtingsverkeer, ook van hun kant verwacht men werkbare, inhoudelijke voorstellen en openheid voor dialoog. Modernisering en hervormingen zijn nodig, met respect voor onze militairen en hun inzet voor onze veiligheid. We zullen afwachten wat het nieuwe sociaal akkoord brengt en dat blijven opvolgen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, veel succes. Dat was nog korter dan uw antwoord.

Staf Aerts:

Mijn excuses. Ik zat nog vast in een andere commissie.

Voorzitter:

Ik heb dat gemeld.

Staf Aerts:

Dank u wel. Ik heb mijn vragen niet kunnen stellen, maar ik heb begrepen dat dat er ook niet toe doet, want ik heb gezien hoe lang de minister heeft geantwoord en ik ben er heel zeker van dat niet toevallig een van mijn vragen zou zijn beantwoord. Er is zelfs eigenlijk zo goed als niets beantwoord en dat vind ik pijnlijk. Dat is pijnlijk op een moment waarop 11 parlementsleden het nodig vinden om daar vragen over te stellen. U zult wel zien, zegt u. Nochtans is de situatie precair. Het is ook niet van gisteren dat dit aan de gang is. Het is intussen vier maanden geleden dat 5.000 militairen op straat zijn gekomen om te protesteren tegen het afbraakbeleid. Vier maanden geleden. Ondertussen is er een eerste en een tweede overleg geweest met alle vakbonden, maar dat tweede overleg werd door alle vakbonden met slaande deuren verlaten. Nu zijn we opnieuw bijna twee maanden verder en nu wordt er een nieuw overleg gepland, vier maanden na de staking, twee maanden nadat de vakbonden het overleg met slaande deuren hebben verlaten. Voor mij toont dat aan dat u de militairen absoluut niet op de eerste plaats zet, want als u dat wel zou doen, dan zou u dit beter opvolgen en ook antwoorden durven geven of toch op zijn minst een indicatie geven van waar u naartoe wilt om de bezorgdheden van de militairen weg te nemen. De militairen zijn immers bezorgd. Datgene waarover ze spreken, is niet niks: ondermaatse arbeidsvoorwaarden, te weinig aandacht voor welzijn, een schrijnend gebrek aan waardering, niets minder dan sociale dumping. Hoe ongerust kunnen vakbonden zijn? Dat leeft niet alleen bij hen, dat leeft bij een brede basis, want anders zou niet een op vijf militairen op straat komen. Onze militairen verdienen beter dan dat. Ze zijn het kloppend hart van onze defensie. U kunt nog zoveel wapens kopen als u wilt, maar als er niemand is om ze te hanteren, dan gaat dat allemaal teniet. Ik hoop dus, mijnheer de minister, dat er de volgende keer wel antwoorden komen en dat we niet telkens moeten wachten tot na de feiten, wanneer die feiten ook zullen plaatsvinden, want ik heb de indruk dat dat nog zeer lang zal duren.

Pensioensparen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat meer concurrentie in pensioensparen (o.a. door vermogensbeheerders toe te laten) en kostentransparantie (via FSMA-tools en mogelijke apart vermelde beheerskosten) worden overwogen om rendement voor spaarders te verhogen, maar concrete hervormingen zijn nog in uitwerking. Vincent Van Quickenborne dringt aan op verplichte zichtbaarheid van beheerskosten (bovenop fiscaal aftrekbaar bedrag) en gratis overdracht tussen fondsen, maar Jambon ontwijkt directe bevestiging, verwijzend naar lopende studies. Beide benadrukken dat hoge bankwinsten (tot 6% kosten, volgens FSMA-simulaties) het spaarrendement aantasten, terwijl financiële geletterdheid en vergelijkingsinstrumenten cruciaal zijn voor betere keuzes.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, uw kabinetschef heeft daarover ook interessante zaken gezegd tijdens die lezing. Hij zei dat we het aantal aanbieders van pensioenspaarproducten moeten verruimen en hij sprak ook over de mogelijkheid om ook vermogensbeheerders pensioensparen te laten aanbieden. Op zich vind ik dat een goed idee. Socialisten denken daar anders over, maar als liberaal vind ik dat hoe meer concurrentie er is, hoe lager de prijzen zijn en hoe meer aanbod er is. Klopt het dat het idee bestaat om meerdere aanbieders van pensioensparen te hebben?

Hij zei ook dat de banken gigantisch veel winst maken op pensioensparen. Het is ongewoon om een N-VA'er dat te horen zeggen. De heer De Visscher gaf het voorbeeld van 6 % beheerskosten en zei: "Zodat er op het einde van de rit nul winst is voor de mensen." De mensen doen aan pensioensparen, betalen beheerskosten en al de winst die wordt gemaakt, wordt weggevreten door die beheerskosten. Hij verwees trouwens naar simulaties van de FSMA.

Voorzitter: Steven Vandeput.

Président: Steven Vandeput.

Mijnheer de minister, gelet op de openheid die u daarnet hebt getoond bij het beantwoorden van mijn negen vragen, wil ik u de volgende vragen stellen. Klopt het dat banken gigantisch veel winst maken op pensioensparen? Hebt u weet van die simulaties van de FSMA? Ik veronderstel dat u contact hebt gehad met de FSMA voor het beantwoorden van deze vragen.

Klopt het dat andere instellingen, naast de banken en de verzekeringsinstellingen, ook die producten zullen kunnen aanbieden? De heer De Visscher zei ook dat men eraan denkt om de instellingen te verplichten de kosten die ze aanrekenen voor het beheer van het product apart te afficheren, boven op het toegelaten bedrag van aftrek. Als men bijvoorbeeld 800 euro kan aftrekken, zou men de kosten die men moet betalen aan de bank boven de 800 euro plaatsen. Dat is een interessant idee, maar zijn die kosten dan ook nog aftrekbaar of niet?

Zult u het gratis overdragen van één fonds naar een ander fonds mogelijk maken? Dat heeft de heer De Visscher immers beloofd. Hij heeft ook beloofd om pensioensparen bij meer dan één instelling mogelijk te maken. Als men bijvoorbeeld een potje van 800 euro heeft, zou men 400 euro bij Argenta en 400 bij KBC kunnen doen. Dat kan vandaag niet, maar dat zou blijkbaar in de toekomst wel kunnen.

Behoorlijk wat vragen over een interessant onderwerp. We weten nu al dat we geen meerwaardetaks moeten betalen op pensioensparen, maar deze vragen blijven nog openstaan.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, zoals ik reeds in een eerder antwoord op uw recente parlementaire vragen heb onderstreept, blijft transparantie met betrekking tot de kostenstructuur, prestaties en voorwaarden van pensioenspaarproducten een fundamenteel uitgangspunt. Die transparantie is essentieel om spaarders in staat te stellen een weloverwogen en geïnformeerde keuze te maken en tevens om een gezonde concurrentie op basis van prijs en kwaliteit te bevorderen.

Zoals ook in dat eerdere antwoord werd aangegeven, kan inderdaad worden overwogen om het regelgevende kader aan te passen met als doel de concurrentie verder te stimuleren en op die manier de kosten te doen dalen en het uiteindelijke rendement voor de spaarder te verhogen.

Wat betreft de beschikbare gegevens over de kosten, verwijs ik u graag naar het onderzoek dat de FSMA heeft verricht naar de kosten in de tweede en derde pensioenpijler, waarvan een geactualiseerde versie begin dit jaar werd gepubliceerd. Dat document kan openbaar op de website van de FSMA worden geconsulteerd.

Verder heeft de FSMA een aantal vergelijkingstools op haar website ter beschikking gesteld. Die tools laten de spaarder toe om de kosten van verschillende producten te vergelijken en zich zo een idee te vormen van de impact van de kosten op het rendement. Die tools zijn erg populair bij het publiek. De vergelijkingstool van de FSMA voor gereglementeerde spaarrekeningen werd bijvoorbeeld sinds de lancering meer dan een miljoen keer geraadpleegd, wat getuigt van het concrete nut en het vertrouwen dat hij geniet.

Concrete hervormingsvoorstellen worden momenteel uitgewerkt. Niettemin wil ik benadrukken dat de problematiek van de kosten van financiële producten een complexe thematiek is, die ruimer is dan alleen het kader van de pensioenspaarproducten. Gezien onder andere het belang van deze problematiek voor de burgers, dienen hervormingen met de grootste zorg en in overeenstemming met de principes van voorzichtigheid en voorspelbaarheid te worden benaderd.

Het spreekt voor zich dat het Parlement en in het bijzonder deze commissie op de hoogte zullen worden gesteld van de verdere ontwikkelingen in deze materie en natuurlijk zullen worden gevat door een wetsontwerp wanneer de desbetreffende teksten gefinaliseerd zullen zijn. In afwachting daarvan zet de regering, in nauw overleg met alle betrokken partijen, haar werkzaamheden voort ter uitvoering van de maatregelen zoals ze aangekondigd werden in het regeerakkoord en ook in mijn beleidsverklaring.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. U hebt echter niet op alle vragen geantwoord. Zo kreeg ik bijvoorbeeld geen antwoord op mijn vraag over het idee dat de kosten die een instelling aanrekent voor het beheer van een product, apart zouden worden geafficheerd. Dat maakt nochtans deel uit van de transparantie waarover u spreekt. Uw kabinetschef heeft dat idee tijdens die bewuste lezing gelanceerd. Ik vind het een sterk en interessant voorstel. Kunt u dat bevestigen of was het een losse flodder? Ten tweede suggereert hij om een gratis overdracht tussen fondsen mogelijk te maken. Behoort dat tot de concurrentie waar u voor pleit? Op die twee vragen heb ik geen antwoord gekregen, mijnheer de minister. Het zijn bovendien nieuwe vragen in vergelijking met de vragen die ik u eerder heb gesteld op 29 april, tijdens de voorlaatste vergadering waarin we u mondelinge vragen konden stellen. In antwoord op mijn vraag of banken gigantische winsten maken, verwijst u naar het onderzoek van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), dat meer dan een miljoen keer werd geraadpleegd. Dat is inderdaad vrij spectaculair, maar ik denk toch dat nog altijd veel mensen niet weten wat de FSMA precies is, laat staan dat ze echt begrijpen wat ze doet. Ik weet niet hoe het bij u zit, mijnheer de minister, maar ikzelf doe aan pensioensparen. Ik heb met mijn bank contact moeten opnemen om te weten wat de beheerskosten precies waren. De kosten bedroegen geen 6 %, maar waren toch vrij aanzienlijk. Op dat vlak hebben we nog stappen te zetten om de mensen financiële geletterdheid bij te brengen.

De fraude met pensioenen
De fraude met pensioenen
Pensioenfraude

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Belgisch-Marokkaans echtpaar ontving jarenlang ten onrechte honderdduizenden euro’s aan IGO (inkomensgarantie voor ouderen) terwijl ze permanent in Marokko verbleven, blootgelegd na 20 klokkenluiderbrieven, wat structurele controletekorten aantoont. Minister Jambon kondigt strengere maatregelen aan (meldplicht buitenlands verblijf, verkorte verblijfsduur, schrapping vrijstellingen, 5-jarige verblijfsvoorwaarde) om fraude tegen te gaan, maar concrete wetgeving moet nog komen. Samyn en Raskin benadrukken het gebrek aan proactieve controles, het misbruik door niet-bijdragers en het risico voor draagvlak sociale zekerheid, terwijl ze verwijzen naar eerdere versoepelingen onder PS-bewind. Kernpunt: het IGO-systeem is te kwetsbaar voor fraude en vereist dringend verstrengde handhaving en wettelijke aanpassingen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, dit had een aflevering kunnen zijn in de reeks ‘Absurdistan’.

Een Belgisch-Marokkaans echtpaar ontving jarenlang een inkomensgarantie voor ouderen, terwijl het volgens verschillende media permanent in Marokko verbleef. De schade voor onze sociale zekerheid – en dus voor de belastingbetaler – zou intussen zijn opgelopen tot honderdduizenden euro's. Wat deze zaak pas echt hallucinant maakt, is dat de Federale Pensioendienst pas in actie kwam na 20 brieven van een anonieme klokkenluider. 20 brieven, collega's! Hoeveel alarmsignalen zijn er nodig vooraleer het systeem reageert?

Dit dossier roept fundamentele vragen op, niet alleen over de controlemechanismen bij de Pensioendienst, maar ook over het gemak waarmee toegang wordt verkregen tot onze sociale rechten. Mensen die hier nooit hebben bijgedragen, genieten wel van voorrechten waarvoor onze mensen heel hun leven lang moeten werken.

Mijnheer de minister, gaat het hier om een eenmalig geval? Is er inmiddels een onderzoek gestart naar mogelijke andere gevallen van fraude? Worden de controles uitgebreid en verstrengd? Wordt pensioenfraude ondertussen systematischer opgespoord?

Wouter Raskin:

Mijnheer de vice-eersteminister, gisteren las ik, scrollend over HLN.be , dat een echtpaar uit Marokko jaren onterecht een IGO-uitkering kreeg. Het gaat om honderdduizenden euro onterechte pensioenrechten. Het zijn mensen die via gezinshereniging hier beland zijn, die succesvol een naturalisatieprocedure doorlopen hebben en die daarna, met evenveel succes, een IGO aangevraagd hebben en die gekregen hebben. En dit ondanks het feit dat ze al die tijd in Marokko woonden en wonen.

We zijn dit te weten gekomen dankzij een medeburger die de personen in kwestie verklikt heeft. Niet één keer, maar twintig keren. Twintig keer heeft die medeburger aan de alarmbel moeten trekken.

Eergisteren vroeg ik aan de heer Beenders hoe het zit met de Sociale Inspectie? Hij zei dat de Federale Pensioendienst geen eigen sociale inspectiedienst heeft en ook niet structureel betrokken is bij de SIOD. Toen ik in mijn repliek opmerkte dat het klikkende burgers zijn die zulke zaken aan het licht brengen, zweeg hij, maar knikte hij wel bevestigend.

Dit is niet oké. Dit is sociale fraude. De overheid is vandaag niet in staat die te ondervangen. We zijn afhankelijk van klikkende burgers om ze te zien. Ik herinner mij de periode onder de Zweedse regering. In die periode werd 80 % van de gerechtigden gecontroleerd.

Mijnheer de vice-eersteminister, ik voer hier geen pleidooi voor een copy-paste van wat er toen gebeurde, maar ik ben er wel van overtuigd dat het beter kan dan nu. Mijn vraag is heel eenvoudig. Bent u bereid om samen met uw collega, de heer Beenders, een oplossing voor dit soort fraude uit te werken?

Jan Jambon:

Beste collega’s, ten eerste geef ik graag nogmaals de contouren weer van het zogenaamde IGO, het systeem van inkomensgarantie voor ouderen. Zoals het woord het zelf zegt, gaat het om het garanderen van een minimuminkomen voor gepensioneerde 65-plussers. Het betreft dus geen wettelijk pensioen dat men zelf heeft opgebouwd via bijdragen tijdens de loopbaan. Het is geen pensioen waarvoor sociale bijdragen zijn betaald.

Wat is het dan wel? Het is een vorm van sociale bijstand voor 65-plussers die over onvoldoende eigen middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien. Dat betekent dat deze inkomensgarantie niet bedoeld is voor mensen die feitelijk niet in ons land wonen. Zij behoren niet tot de doelgroep van deze sociale maatregel. Ze zou dus niet exporteerbaar mogen zijn naar het buitenland, maar moet gekoppeld zijn aan de voorwaarde dat men in België verblijft.

Om de middelen te laten gaan naar wie er echt recht op heeft en niet naar wie manifest fraudeert, hebben we in het regeerakkoord extra maatregelen voorzien, want we weten dat er fraude voorkomt bij het IGO. Wat zijn die extra maatregelen? Ten eerste eisen we een verplichte melding van verblijf in het buitenland. Ten tweede korten we de toegestane verblijfsduur in het buitenland in. Ten derde schrappen we een aantal vrijstellingen op de controle hiervan. Ten vierde voeren we een voorafgaande verblijfsvoorwaarde van minstens vijf jaar in. Die voorwaarde houdt een ononderbroken, werkelijk en wettelijk verblijf op ons grondgebied in. Als daaraan niet is voldaan, zal het recht op sociale bijstand niet worden geopend. Na de goedkeuring van de structurele pensioenhervorming zal ik met voorstellen naar het Parlement komen om die maatregelen in wetgeving om te zetten.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, wij moeten voorlopig nog wachten op uw initiatieven. Deze affaire roept niet alleen vragen op over de controlemechanismen bij de dienst Pensioenen, maar ook over het gemak waarmee sommigen dit land binnenkomen en nog meer over het gemak waarmee sommigen nog steeds Belg kunnen worden, om zich vervolgens voor honderdduizenden euro’s door de belastingbetaler te laten alimenteren, ook al hebben ze nooit één euro bijdrage geleverd aan de kassen waaruit zij nu graaien en spreken ze zelfs geen enkele landstaal. Il faut le faire . Het is dan ook niet verwonderlijk dat België een magneet is en blijft voor gelukszoekers uit alle windstreken. Zeker in tijden van crisis en besparingen is dit ongehoord, onverantwoord en onbegrijpelijk.

Wouter Raskin:

Mijnheer de vice-eersteminister, zoals ik al zei, de controle kan zeker beter. Ik verwees al naar de Zweedse periode. Helaas hebben we samen moeten vaststellen dat mevrouw Lalieux van de PS in de vorige legislatuur het systeem opnieuw heeft versoepeld. U verwijst naar het regeerakkoord en zegt dat u de hand aan de ploeg zult slaan. Het is uiteraard cruciaal dat de middelen voorbehouden blijven aan wie deze echt nodig heeft, willen wij het maatschappelijk draagvlak voor sociale bijstand en bij uitbreiding onze sociale zekerheid overeind houden. Ik heb uw engagement gehoord. Wij hebben alle vertrouwen.

Het sociaal overleg met de magistratuur over de pensioenhervorming

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Isabelle Hansez (Les Engagés) uit bezorgdheid over de eenijdige afbraak van overleg met de magistratuur bij de pensioenhervorming, wijzend op hun cruciale rol in de rechtsstaat, structurele overbelasting en het risico op aantrekkingskrachtverlies door de plannen. Ze vraagt om hernieuwd overleg en duidelijkheid over een tweede pensioenpijler voor magistraten. Minister Jan Jambon bevestigt dat de technische consultaties (met micro-simulaties) zijn afgerond, maar benadrukt dat de politieke concertatie (binnen de regering en sociale partners) nog moet starten, conform het regeerakkoord. Hansez herhaalt het pleidooi voor een evenwichtige hervorming die rekening houdt met de specifieke positie van regeringsfuncties zoals de magistratuur, om de rechtsstaat niet verder te verzwakken.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, dès l'accord de Pâques, Les Engagés ont été particulièrement attentifs à la place de la concertation sociale dans l'élaboration de la future réforme des pensions. La concertation sociale est un principe essentiel de notre contrat social, en particulier lorsqu'il touche aux fonctions régaliennes de notre État.

Nous avons appris par voie de presse que les discussions en cours avec la magistrature avaient été unilatéralement rompues, ce que nous regrettons fortement. La magistrature n'est pas un groupe professionnel parmi d'autres. Elle incarne l'un des trois pouvoirs constitués de notre État de droit. Elle joue un rôle fondamental dans notre équilibre démocratique et dans la garantie des libertés fondamentales. Lorsque notre magistrature nous alerte, il est de notre devoir, en tant que membre des deux autres pouvoirs, de l'écouter.

Or, pour les avoir rencontrés, pour leur avoir rendu visite avec d'autres collègues au palais de justice de Verviers, nous constatons que ce corps connaît depuis un certain temps une série de difficultés bien réelles: surcharge de travail structurelle, moyens humains et matériels insuffisants et, désormais, des inquiétudes profondes face à l'impact de la réforme des pensions sur l'attractivité de la fonction de magistrat. Demain encore, une grande manifestation nationale des magistrats aura lieu à Bruxelles, réunissant tous les niveaux de pouvoir au sein de la magistrature, aussi bien du siège que du ministère public. Cette manifestation traduit indéniablement, parce que ce n'est pas dans leur coutume de manifester, un malaise profond.

Dans ce contexte, nous souhaiterions vous poser deux questions. Premièrement, une reprise du dialogue est-elle encore envisageable ou programmée afin de rassurer la magistrature sur les éventuels effets de la future réforme des pensions? Deuxièmement, pouvez-vous clarifier le calendrier et les conditions précises de la mise en place d'un second pilier de pension pour les magistrats, évoqué comme une piste à plus long terme et clairement compris dans notre accord de gouvernement?

Jan Jambon:

Chère collègue, la semaine dernière a eu lieu la dernière concertation avec le Conseil consultatif de la magistrature (CCM). Nous les avons vus à plusieurs reprises, ainsi que d'autres groupes de la magistrature. Pendant toute cette concertation, mon cabinet a partagé les micro-simulations du Service fédéral des Pensions (SFP) avec le CCM. Le dossier est à présent dans les mains du gouvernement pour analyse et décision.

Pour le moment, la concertation technique avec les magistrats, c'est-à-dire les réunions où ont été présentées les différentes micro-simulations, est en effet terminée.

Mais la concertation politique continue. Comme vous le savez, après première lecture au sein du gouvernement, nous démarrerons la concertation sociale officielle. Nous respecterons les mesures prévues dans l'accord de gouvernement.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses ainsi que pour les précisions apportées sur les intentions du gouvernement et la distinction faite entre concertation technique et concertation politique Nous entendons la volonté de réforme et le souci d'assurer la soutenabilité de notre système de pension. Nous resterons attentifs à la suite des échanges en ce qui concerne la concertation politique. S'ils peuvent encore avoir lieu, nous continuerons à plaider pour un équilibre entre exigence budgétaire et respect des missions fondamentales de l'État. Les Engagés continueront à défendre une réforme équilibrée, soutenable certes, mais aussi respectueuse des spécificités des fonctions régaliennes de l'État. Car affaiblir un peu plus notre magistrature ou en faire une véritable variable d'ajustement budgétaire, ce n'est pas faire des économies, c'est fragiliser un pilier fondamental de notre État de droit.

De pensioenmalus voor het zorgpersoneel

Gesteld door

PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sofie Merckx kaart de pensioenmalus aan: 44% van het zorgpersoneel dat vervroegd met pensioen gaat, zou ermee geconfronteerd worden, zoals een verpleegster met 44 dienstjaren die 200 euro boete riskeert, ondanks fysiek zware arbeid. Minister Jambon verdedigt het bonus-malussysteem als financiële prikkel om langer te werken, stelt dat de malus slechts uitzonderingen treft (minder dan 35 jaar halftijds/7.020 werkdagen) en wijst werkgevers op hun verantwoordelijkheid voor werkbaar werk. Merckx reageert furieus: het systeem dwingt mensen in onmenselijke omstandigheden (bv. nachtverpleging) tot 67 jaar door te werken, terwijl ze fysiek onmogelijk kunnen volhouden. De kern: zorgwerkers als slachtoffer van een systeem dat hun levenskwaliteit opoffert voor economische doelen.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, gisteren kwamen 35.000 mensen op straat in Brussel om te protesteren tegen de arizonaregering, vooral tegen de pensioenmaatregelen en meer specifiek tegen de pensioenmalus, de sanctie die u aan werknemers die vervroegd met pensioen gaan, wilt opleggen.

In de commissie suste men wel eens dat men niemand kent die met de pensioenmalus geconfronteerd zal worden. Mijnheer de minister, wij hebben u dus schriftelijk gevraagd om na te gaan wie van het zorgpersoneel een pensioenmalus riskeert. Wat blijkt? Van het zorgpersoneel dat in 2023 met vervroegd pensioen ging, zou, als het systeem vandaag bestond, 44 % een pensioenmalus aan zijn been hebben.

Een van die mensen liep gisteren mee op de betoging. Ann begon op haar 16 de te werken in de textielsector in West-Vlaanderen. Nadat zij een rugoperatie onderging, omdat haar rug kapot was, herschoolde ze zich tot verpleegster. Ze werkt nu al jaren 's nachts halftijds als verpleegkundige en doet haar job enorm graag, maar ze voelt het ook fysiek. Als zij na 44 jaar werken met pensioen wil gaan, krijgt ze van u een sanctie van 200 euro op haar pensioen.

Mijnheer de minister, meent u dat nu echt? Keiveel personen die onder andere in de zorgsector een zwaar beroep uitoefenen, of die ziek werden, zullen een pensioenmalus aan hun been hebben. Mijnheer Jambon, gaat u echt door met de onmenselijke pensioenmalus?

Jan Jambon:

Mevrouw Merckx, we stellen vandaag vast dat bijna iedereen die de vroegst mogelijke pensioenleeftijd bereikt, er meestal ook meteen voor kiest om onmiddellijk met pensioen te gaan. Er bestaat immers geen enkele financiële prikkel om toch wat langer aan de slag te blijven. Dat is meteen ook de reden waarom de gemiddelde effectieve uittredingsleeftijd in België, in vergelijking met andere landen, erg laag ligt, namelijk op 62,1 jaar. Het maakt bovendien nauwelijks iets uit of men langer werkt of niet, want het beïnvloedt amper het bedrag van het pensioen. Net daarom willen we de band versterken tussen effectief werken enerzijds en de opbouw van pensioenrechten anderzijds. Internationaal onderzoek - we hebben het systeem niet zelf uitgevonden - wijst uit dat een bonus-malussysteem personen er wel degelijk toe aanzet om langer te werken.

Mevrouw Merckx, het beeld dat u schetst van verpleegkundigen die straks tot hun 67 ste fysiek zwaar belastende taken zouden moeten blijven uitoefenen, strookt niet met de realiteit. Enkel iemand die geen 35 jaar halftijds heeft gewerkt en niet aan 7.020 effectieve gewerkte dagen over de gehele loopbaan komt, dreigt geconfronteerd te worden met een malus. Dat lijkt mij werkelijk de uitzondering van de uitzondering.

Bepaalde jobs kan men inderdaad niet boven een bepaalde leeftijd uitvoeren. In die gevallen is het aan de werkgever om te zorgen voor werkbaar werk. Dat is niet meer of minder dan humanresourcesbeleid.

Sofie Merckx:

Vous vous entendez parler? En fait, vous dites que les gens n’ont qu’à travailler plus longtemps parce que, selon vous, ils s’arrêtent trop tôt. Les travailleurs regardent en effet la date de leur pension. Ce n'est par exemple pas facile pour une infirmière qui travaille de nuit à l’hôpital, avec 20 patients qui sonnent et deux qui font un malaise. Vous devriez faire son boulot pour comprendre. Vous voulez faire travailler les gens dans ces conditions jusqu’à 67 ans? Il ne peuvent pas le faire car c’est profondément inhumain! Monsieur Bouchez, énormément de personnes sont dans la même situation qu'Anne, dont je vous ai parlé. Oui, Bouchez ou Jambon, c’est plus ou moins pareil! Énormément de femmes sont dans cette situation et elles ne peuvent pas continuer. Voulez-vous bien écouter ce que je dis, s'il vous plait? C'est un sujet important. Ces gens ont effectivement hâte d’arriver à l’âge de la pension. Et vous, vous voulez leur retirer les meilleures années de leur vie. C’est honteux!

Het pensioen van de leerkrachten en de onzekerheid over het loopbaaneinde in het onderwijs

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder bekritiseert de pensioenhervorming die leraren dwingt langer te werken en hun DPPR (vroegpensionering) blokkeert, wat tot woede en onzekerheid leidt, terwijl minister Jan Jambon ontkent dat er sprake is van vertraging en volhardt in de hervorming. Georges-Louis Bouchez (MR) en Vincent Van Quickenborne (Open VLD) botsen over een belasting op meerwaarden, waarbij Bouchez stelt dat enkel "sterkste schouders" belast worden, maar Van Quickenborne hem beschuldigt van inconsistentie en verborgen belastingplannen. De discussie ontaardt in politiek gekibbel over geloofwaardigheid, met Vlaams Belang en PS die elkaar beschuldigen van populisme en gebrek aan sociale rechtvaardigheid.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, ce matin, sur RTL-TVI, un enseignant parlait de sa pension en ces termes: "C'est du foutage de gueule." Ce langage cru n'est pas vraiment celui auquel les enseignants nous ont habitués, mais il s'explique par le fait qu'il sont excédés et qu'ils veulent se faire entendre. Ces mots sont ceux de Philippe, qui est enseignant depuis 36 ans et à qui on refuse le droit à une retraite anticipée (la disponibilité précédant l'âge de la retraite ou DPPR, comme on dit dans le jargon).

Il est malheureusement loin d'être le seul. Des centaines d'enseignants sont aujourd'hui dans le flou et l'incertitude. Leur départ à la retraite a été gelé du jour au lendemain, et ils se sentent trahis. Des enseignants qui ont donné des dizaines d'années de leur vie à nos enfants se voient refuser ce qu'ils pensaient être acquis. Des dizaines de témoignages tombent: "Nous devions partir en 2026; maintenant c'est pour 2030. On nous a volé notre fin de carrière; nous ne valons rien à leurs yeux." Que voulez-vous apporter comme réponse, à part qu'il s'agit du résultat de la réforme brutale que vous imposez à la classe moyenne: travailler plus longtemps pour toucher moins, et tout cela avec la complicité du MR et des Engagés!

Vous m'aviez dit que vous alliez répondre aux inquiétudes des enseignants et que vous alliez régler le problème. Or, non, vous avez rompu brutalement le contrat social. En effet, la DPPR témoigne véritablement de la reconnaissance du caractère pénible du plus beau métier du monde. C'est la reconnaissance de pouvoir lever le pied un peu plus tôt, après des années consacrées à s'occuper de nos enfants.

Monsieur le ministre, allez-vous débloquer immédiatement la situation de ces enseignants en demande de DPPR? Surtout, allez-vous retirer cette réforme des pensions totalement injuste, antisociale et inefficace?

Jan Jambon:

Madame Dedonder, honnêtement, j'ai déjà répondu à votre première question à plusieurs reprises, en bonne collaboration avec le Service fédéral des Pensions (SFP), ici au Parlement, en commission, et dans la presse.

La campagne de peur menée à propos d'un prétendu blocage des données de pension doit réellement cesser. Le SFP continue aujourd'hui à traiter les demandes de pension des citoyens. Il n'y a aucune raison de s'inquiéter. Le SFP respecte toujours scrupuleusement les procédures et délais légaux. Chacun recevra donc sa décision de pension dans les délais impartis, c'est-à-dire au plus tard quatre mois avant la date P. C'est la loi, et on l'applique.

Quant à votre deuxième question, madame Dedonder, ma réponse est non.

Ludivine Dedonder:

Non, monsieur le ministre, ils n'ont pas de réponse. Sinon, ils ne se poseraient pas toutes ces questions. Sinon, ils ne deviendraient pas vulgaires. Sinon, ils ne seraient pas dans la rue. Non, ils n'ont pas ces réponses!

Alors, quatre mois avant la date P, trouvez-vous que ce soit longtemps avant? Comment savez-vous vous projeter par rapport à la réforme?

Georges-Louis Bouchez:

(…)

Ludivine Dedonder:

Allez-vous entraîner comme réserviste à l'armée! On vous attend depuis un an, monsieur Bouchez!

Monsieur le ministre, vous aviez dit aux enseignants qu'on ne toucherait pas à leur statut. C'est faux! Vous les faites travailler plus longtemps. En refusant de bouger et en refusant – je suis désolée de vous le dire – d'être clair, vous laissez, à la veille des vacances scolaires, des centaines d'enseignants dans l'incertitude et dans l'inquiétude. Ce n'est pas moi qui le dis, ce sont eux qui le disent! Soyez plus clair, ayez un peu d'empathie! Je pense qu'il en manque vraiment dans ce gouvernement.

Persoonlijke feiten

Faits personnels

Voorzitter:

Artikel 55 van het Reglement bepaalt dat een persoonlijk feit kan ingeroepen worden, maar slechts wanneer het een aantijging betreft. Collega Van Quickenborne kent dat artikel uitstekend en weet dat wanneer hij aantijgingen rondstrooit hij wel zal uitlokken dat er een persoonlijk feit wordt gevraagd, waarop hij reglementair ook weer het woord zal krijgen. Collega's Bouchez en El Yakhloufi hebben mij gezegd dat zij zich aangesproken voelen. Ik zal hen het woord verlenen, waarop de heer Van Quickenborne dan de uitgelokte reactie kan brengen.

(…) : (...)

Mijnheer Van Quickenborne, het was toch in reactie op uw uiteenzetting?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, ik durfde het inderdaad aan om een aantijging te formuleren tegen de heer Bouchez, maar ik meen dat het de heer Vereeck was die een aantijging deed ten aanzien van de heer El Yakhloufi.

Voorzitter:

Dan hebben wij de heer Vereeck die zich ook in het debat weet te wringen.

Georges-Louis Bouchez:

Monsieur le président, je voudrais dire deux choses.

Madame Dedonder, en tant que ministre, vous auriez dû connaître le RGPD. Puisque vous m'avez invité avec tant de plaisir, sachez que j'y serai cet été, parce que je dois absolument assurer le quorum ici, pour vous éviter de voter avec vos nouveaux amis du Vlaams Belang. Vous n'hésitez pas à voter pour vous assurer des majorités, ce qui fait désormais du Vlaams Belang le défenseur du chômage à vie. C'est vraiment l'association que je n'attendais pas: le Parti de la Sieste avec le Vlaams Belang. Comme quoi les extrêmes peuvent se rejoindre!

Deuxièmement, monsieur Van Quickenborne, j'ai été très clair. Il y a effectivement dans l'accord de gouvernement cette taxe, avec une promesse de toucher les épaules les plus larges. Ce sont ces modalités qui sont en train d'être discutées.

Pour le reste, avec le MR, il n'y aura pas d'autre taxe. Je le répète au nom de ma formation politique: il n'y aura pas d'autre taxe. Il faut réduire les dépenses, on gaspille beaucoup trop d'argent public dans notre pays. Cela rassurera le PS de savoir que d'ici les huit prochaines années, nous dépenserons plus de 1 200 milliards d'euros en politiques sociales.

Alors vos fake news sur le fait qu'on définance la sécurité sociale pour la défense ne résistent pas à l'épreuve des faits, mais vous êtes désormais prêts à tout pour gagner quelques voix et embêter le gouvernement. J'espère qu'un jour vous vous ressaisirez, parce que je considère toujours que vous êtes un grand parti dans l'histoire de ce pays. Mais aujourd'hui vous ne lui faites pas honneur, ça je peux vous le dire!

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, ik merk dat er geen beperking in tijd geldt.

Voorzitter:

Ik volg de tijd.

Vincent Van Quickenborne:

Maak u geen zorgen, ik zal bij het onderwerp blijven. Ik zal de verdediging van de partijen die door de heer Bouchez met de vinger worden gewezen niet op mij nemen. De heer Vereeck kan dat straks misschien doen. Ik wil wel reageren op de uitlatingen van collega Bouchez.

Chers collègues, M. Bouchez nous dit qu'il est vrai qu'une taxe sur les plus-values sera introduite. Et il ajoute qu'il n'y aura pas d'autres taxes. J'avais lu, dans son message, "pas de nouvelles taxes" et, maintenant, il dit: "pas d'autres taxes". Chers collègues, cela veut dire qu'il y aura peut-être encore d'autres taxes qui vont venir. Il est vrai qu'avec la pression de Vooruit et du cd&v, des Engagés, les partis gauchistes de ce gouvernement, il est vraisemblable qu'il y ait encore d'autres taxes.

Deuxièmement , ik wil me ook excuseren, monsieur Bouchez, parce que je viens de prendre connaissance du fait qu'un journaliste, Wouter Verschelden, que vous connaissez peut-être, a dit ceci alors que les négociations étaient en cours.

De heer Jambon is nog steeds in ons midden. Welkom, mijnheer de minister.

Toen de onderhandelingen nog liepen, was er gelukkig één iemand die zei dat de vrijstelling van 10.000 euro per aandeel zou gelden. Het zou dus niet worden toegepast op de volledige portefeuille, maar per aandeel. Hij zegt zelf – het staat er ook letterlijk – en ik citeer: "De MR zegt nu over de N-VA: zijn die dan plots een linkse partij geworden, dat ze dat allemaal aanvaarden?" Inderdaad, mijnheer Bouchez, op dat punt wil ik mij excuseren. Het feit dat u dat durft te zeggen over de N-VA, die steeds meegaat in de retoriek van Vooruit. Chapeau! Op dat vlak bent u consequent.

Collega's, we zullen op het einde van de rit zien of die vrijstelling van 10.000 euro per aandeel er effectief komt. De heer Bouchez belooft immers steeds dat er geen nieuwe belastingen zullen komen – nu worden het al 'andere' belastingen – dat zijn geloofwaardigheid een beetje in het gedrang komt. We zullen dus zien wat ervan komt, collega's.

Mijnheer Bouchez, collègue du MR , hou vol en plooi niet voor de linkse partijen, noch voor de N-VA, die in dezelfde zak zitten! Dank u.

Voorzitter:

Ik dank collega Van Quickenborne, ook voor zijn pleidooi voor geloofwaardigheid; iets waar we allemaal grote voorstander van zijn. Daarover zijn we het allemaal eens, toch? Absoluut.

Vooraleer ik het woord geef aan de heer El Yakhloufi, is er binnen de aantijging een nieuwe aantijging gekomen. Daarom laat ik ook mevrouw Dedonder repliceren.

Ludivine Dedonder:

Monsieur Bouchez, vous avez parlé de cet été.

Vous l’avez tous noté, parce que cela fait plusieurs années qu’il nous dit que cet été, il va aller à l’armée.

Mais c’est normal, en fait, avec vous. Vous êtes dans le slogan; vous êtes dans l’esbroufe; vous êtes dans le racolage, dans les promesses. Vos promesses de campagne, nous voyons maintenant le résultat.

Pour l’armée, c’est la même chose! Nous ne vous croyons plus. Nous n’avons pas de leçons à recevoir de votre parti, le parti du racolage.

Voorzitter:

Mevrouw Merckx, ongeveer het hele Parlement is genoemd, maar u niet. Het woord is aan de heer El Yakhloufi.

Achraf El Yakhloufi:

Collega’s, ik ben een van de jongsten, maar ik heb geleerd om te luisteren naar wie aan het woord is. Dat geldt ook voor u, mijnheer Bouchez.

Mijnheer Vereeck, voor mij is het eigenlijk zeer duidelijk. Als Deborah, de caissière, Zuhair, de cipier, Lode, de professor, of zelfs Vincent, die iets anders doet, gaan werken, dan betalen zij bijna de helft van hun loon aan belastingen. Het antwoord op uw vraag is dus heel eenvoudig. Ook van al die rijke families waarover u spreekt, met al hun neven en nichten, verwachten wij dat zij een bijdrage leveren. Het is namelijk simpel: elk zijn deel is niets te veel.

Nogmaals richt ik me tot alle collega's in het halfrond. Het regeerakkoord is heel duidelijk. We beschermen de kleine spaarders en we zorgen ervoor dat de superrijken, de sterkste schouders, eerlijk bijdragen.

Mijnheer Vereeck, ik weet heel goed dat het voor het Vlaams Belang niet gaat om de kleine spaarders of de gewone werkende mens. Voor het Vlaams Belang geldt: eigen rijken eerst.

(…): Tjonge, daar hebt u lang voor moeten oefenen, denk ik.

Lode Vereeck:

Mijnheer El Yakhloufi, ik ben verrast dat mijn interventie als een persoonlijke aantijging ten aanzien van uw persoon wordt geïnterpreteerd. Ik heb u slechts een vraag gesteld, namelijk of de familieleden in het vierde knoopsgat worden meegeteld. Ik begrijp dat ik in volgende uiteenzettingen wat groffer zal moeten zijn – hoe groffer , hoe toffer. Bij een volgende gelegenheid zal ik u wat onbetamelijker aanspreken, want anders geldt het niet als een aantijging. Ik had gewoon een vraag gesteld.

Voor alle duidelijk, uw taks, uw meerwaardebelasting is, zoals die nu wordt opgetuigd, geen belasting op de superrijken, maar een belasting op gewone mensen die hard werken en sparen. Ze is dus niet gericht op de superrijken.

Op de vraag of wij geen meerwaardebelasting willen, hebt u het antwoord hier al vaak gehoord. Ik heb het daarnet nogmaals herhaald: niet als een aparte taks en een administratief gedrocht dat enkel moet dienen om de meerderheid te plezieren en om de begroting een klein beetje op te krikken.

Het is wel verdedigbaar als dat deel zou uitmaken van een structurele fiscale hervorming, zodat alle vermogensinkomsten, met uitzondering misschien van huurinkomsten, omdat de huurprijzen anders te snel zouden stijgen, op dezelfde manier worden belast om geen fiscale sturing meer te hebben tussen sparen, beleggen en investeren. Dat principe vindt men terug in de duale inkomensbelasting, een principe waarvoor mijn partij zich heeft uitgesproken, net als cd&v eerder. Ik hoop dan ook dat de huidige regering dat inziet. Dus ja, natuurlijk moeten de sterkste schouders een bijdrage leveren, maar niet met de nu voorliggende versie.

Dat brengt mij bij het volgende punt. De verkiezingen vonden al meer dan een jaar geleden plaats. U onderhandelde acht maanden en dan nog eens vier maanden specifiek over de meerwaardetaks, en die is er nog steeds niet.

Ik voorspel u wat er zal gebeuren: uw taks zal te laat komen. Tegen dat de tekst in het Parlement ligt, zult u opnieuw de hele oppositie verwijten dat die een amendement indient, bijvoorbeeld over 10.000 euro per aandeel, wat ik trouwens een goed idee vond van Georges-Louis Bouchez. Men zal ons verwijten dat we het advies van de Raad van State aanvragen. U zult opnieuw moord en brand schreeuwen, alsof wij geen belasting voor de superrijken willen. Jawel, maar wij willen een eerlijke belasting voor iedereen. Gisteren werd ons op vergelijkbare manier verweten dat de programmawet is uitgesteld. Dat heeft te maken met uw eigen traagheid.

Voorzitter:

Op bepaalde momenten slaan rustige tussenkomsten om in roeppartijen, en dat is altijd veelzeggend.

De ontoereikende verzekeringsdekking als gevolg van de verhoogde pensioenleeftijd

Gesteld door

N-VA Lieve Truyman

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De verhoging van de pensioenleeftijd (66 in 2025, 67 in 2030) veroorzaakt gaten in verzekeringsdekking (gewaarborgd inkomen, groepsverzekeringen) doordat contracten vervallen voor de nieuwe pensioendatum, wat leidt tot inkomensverlies en stijgende klachten (+23%). De gedragscode van Assuralia (sinds 2024) biedt onvoldoende bescherming, met uitzonderingen zoals arbeidsongeschikten en overlijdensdekking die te vroeg stopt, terwijl verzekeraars niet altijd proactief handelen. Minister Beenders bevestigt zijn beperkte bevoegdheid: gewaarborgd inkomen valt onder Clarinval, overlijdensdekking in groepsverzekeringen onder Jambon, en roept op tot samenwerking tussen beide kabinetten om de neveneffecten aan te pakken. Concrete oplossingen of wettelijke initiatieven blijven uit, met onduidelijke termijnen voor gedupeerden.

Lieve Truyman:

Mijnheer de minister, het onderwerp van mijn vraag is daarnet al ter sprake gekomen. Sinds begin 2025 is de officiële pensioenleeftijd naar 66 jaar verhoogd. In 2030 wordt dat 67 jaar. Dat heeft gevolgen voor de mensen met verzekeringscontracten, zoals een gewaarborgd inkomen, of voor bepaalde groepsverzekeringen.

Assuralia heeft een gedragscode opgesteld, die sinds januari 2024 van kracht is. Daarin worden verzekeringsmaatschappijen verplicht om hun verzekerden proactief een verlenging van de dekking aan te bieden.

Helaas blijkt die gedragscode in de praktijk niet voor alle verzekerden toereikend te zijn. Zo ontvangt iemand die op het moment van een verlenging al arbeidsongeschikt is geen bijkomende dekking. Ook bij groepsverzekeringen met een overlijdensdekking tot 65 jaar kunnen er problemen ontstaan wanneer de verzekerde overlijdt na het einde van de dekking maar voor de nieuwe pensioenleeftijd.

De gedupeerden dreigen niet alleen inkomstenverlies te lijden, ze verliezen ook hun verzekeringsdekking, wat grote onzekerheid met zich meebrengt. De Ombudsman van de Verzekeringen ziet het aantal klachten toenemen, omdat de contracten een jaar voor de pensioenleeftijd vervallen. Concreet is er een stijging van 23 % van het aantal klachten over de verzekering gewaarborgd inkomen als gevolg van de verhoging van de pensioenleeftijd.

De eerste vraag van mijn ingediende tekst is eigenlijk retorisch, met als antwoord nee, want ik denk niet dat u in 2024 al betrokken was bij het opstellen van de gedragscode.

Mijnheer de minister, klopt het dat de gedragscode nog te veel uitzonderingen toelaat en dus niet waterdicht is? Zult u als minister actie ondernemen wanneer blijkt dat de verzekeringsmaatschappijen niet proactief optreden? Zal daarvoor een wettelijk initiatief nodig zijn, of kan dat via overleg met de sector worden opgelost?

Zal er in 2030 op de nieuwe verhoging worden geanticipeerd, zodat verzekerden niet opnieuw met problemen worden geconfronteerd? Binnen welke termijn biedt u de gedupeerden een garantie op volledige dekking? Ook zij zijn immers consumenten van een verzekeringsproduct.

Rob Beenders:

Mevrouw Truyman, ik vind het heel erg, want ik zou in deze materie heel graag de lead willen nemen, maar ik mag dat niet. Voor andere verzekeringsproducten kan dat wel, maar de verzekering gewaarborgd inkomen valt onder de bevoegdheid van collega Clarinval en de groepsverzekering met een overlijdensdekking tot 65 jaar onder die van collega Jambon. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk informatie te verzamelen, maar ik werd doorverwezen naar beide kabinetten. Ik steun uw vraag volledig. Wat u aanhaalt, zijn neveneffecten die gelet op de verhoging van de pensioenleeftijd aangepakt moeten worden, maar beide collega-ministers zijn daarvoor beiden deels bevoegd en zij zullen dat moeten opnemen.

De pensioenhervorming en de bijzondere stelsels

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 12 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder kritiseert de regering omdat essentiële en risicovolle beroepen (brandweer, politie, leger, onderwijs, magistratuur) onder het mom van *"harmonisatie"* hun pensioenrechten zien afgebouwen—terwijl de regering deze voordelen in discoursen juist prijst. Jan Jambon bevestigt dat het regeerakkoord strikt wordt uitgevoerd, inclusief pensioenleeftijdsverhoging naar 67 jaar en afschaffing van specifieke regimes (bv. NAPAP), maar stelt dat sectorale onderhandelingen (bv. voor militairen) nog lopen en waarschuwt tegen *"voortijdige angstzaaierij"*. Dedonder kaatst terug dat de regeringspartners zelf tegenstrijdigheid zaaien (bv. geruchten over uitzonderingen voor brandweer of leger) en dat dit sociaal wantrouwen en woede verergert, zonder transparantie over de echte gevolgen voor de betrokkenen.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, éteindre un incendie, porter secours à des victimes, courir derrière des criminels, assurer notre sécurité en Belgique et à l'étranger, larguer de l'aide humanitaire, défendre des civils, ce ne sont pas des tâches anodines. C'est d'ailleurs pour cela que l'on parle de métiers à risque.

Former nos enfants, nos étudiants, poursuivre et juger les crimes et les délits, ce ne sont pas non plus des tâches anodines. C'est pour cela que l'on parle de métiers essentiels qui contribuent à notre cohésion sociale.

Les pompiers, les policiers, les militaires, les enseignants, les magistrats, toutes ces fonctions que la droite porte aux nues dans de beaux discours, dans les médias, sont vite transformées en chair à canon lorsqu'il s'agit de leurs pensions, lorsqu'il s'agit de leurs acquis, que vous présentez alors comme des privilèges. Quels privilèges!

Alors, vous dites qu'il faut harmoniser. Très bien, harmonisons! Faisons en sorte que tous les travailleurs puissent avoir une pension digne à un âge décent. Mais vous, ce que vous faites, c'est tout le contraire. Vous tirez tout vers le bas: les conditions de travail, les revenus, les pensions. Ah, elle est belle, la récompense aux travailleurs!

Monsieur le ministre, on entend de vos partenaires de majorité tout et son contraire et je voudrais de la clarté. On a entendu dire que le pompier allait bénéficier d'un statut encore plus avantageux. Pourtant, l'accord de gouvernement prévoit de réduire leur coefficient par deux. On a entendu dire que certains militaires pourraient prendre leur pension à 56 ans, alors que l'accord de gouvernement prévoit un âge de départ à la pension à 67 ans. On a entendu dire que la NAPAP des policiers serait maintenue, alors que l'accord de gouvernement amène le système à disparaître.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous donner toute la clarté pour ces gens qui assurent notre sécurité?

Jan Jambon:

Madame Dedonder, il me semble que tout le monde comprend clairement que nous examinons et mettons en œuvre l’accord de gouvernement.

Tout ce qui y est stipulé sera implémenté dans la loi prévue pour les pensions. En parallèle, mon cabinet et moi-même menons des concertations avec l’ensemble des acteurs concernés: magistrats, militaires, personnel académique, forces de police.

Concernant le statut des différentes catégories professionnelles, des négociations sont organisées avec les ministres de tutelle afin de conclure des accords sectoriels, notamment pour les militaires. Toutefois, conformément au statut syndical, les négociations formelles ne débuteront qu’après l’approbation de principe des textes par le Conseil des ministres.

Notre objectif est que la réforme soit définitivement adoptée par ce Parlement avant la fin de l’année. Dans l’attente des résultats de ces concertations, il serait plus judicieux d’éviter de semer l'angoisse parmi les secteurs concernés en diffusant des simulations, micro-simulations et calculs bien trop prématurés.

En effet, de nombreux éléments dépendent des hypothèses retenues, notamment en ce qui concerne la prolongation de la carrière. Celle-ci pourrait, le cas échéant, impliquer un montant de pension plus élevé qu’en cas de départ anticipé.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, j'entends qu'il faut éviter de semer l'angoisse – c'est tout ce que je demande – mais ce sont vos partenaires de majorité qui sèment le doute. Ils sont complices et en plus, ils sont hypocrites. Ils disent tout et son contraire. Vous avez été clair, tout ce qui est dans l'accord de gouvernement sera implémenté. Vous venez de le dire. Dites-le aussi à vos collègues, parce qu'ils sèment le doute. Vous savez, quand on malmène celles et ceux qui nous protègent, celles et ceux qui font vivre la société pour protéger quelques privilégiés et qu'en plus, on n'ose même pas l'assumer dans des débats télévisés, on n'obtient qu'une seule chose, monsieur le ministre: la colère et la fracture sociale. Alors, il est vraiment temps de changer votre fusil d'épaule.

De indexsprong inzake de pensioenen en de welvaartsenveloppe

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dedonder valt de regering aan voor bezuinigingen op pensioenen (4 miljard besparing, indexatie bevroren voor hogere pensioenen) en verwaarlozing van militairen (4 miljard extra voor defensie, maar geen loonsverhogingen), terwijl banken, energiemaatschappijen en multinationals ontzien worden. Jambon ontkent een algemene indexstop, benadrukt gerichte steun (25–100 mln) voor kwetsbare gepensioneerden en noemt kritiek *"fake news"*, maar Dedonder blijft hameren op oneerlijke lastenverdeling (pensionados vs. winstmakers/fraudeurs).

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, c'est une nouvelle attaque que vous portez aux pensionnés aujourd'hui. Plus d'un million et demi de pensionnés auraient dû voir leur pension adaptée au coût de la vie. Mais ça, ça ne vous plaît pas.

Que ceux qui ont travaillé des années aient le droit maintenant de profiter d'une retraite bien méritée, vous n'aimez pas. Votre soi-disant récompense du travail, ça commence à se voir que c'est du pipeau. Et que dire des militaires? Vous avez réussi à faire dire à l'ensemble des syndicats militaires que vous faisiez montre d'un mépris flagrant envers le métier de militaire, un tel mépris qu'ils ont claqué la porte avant même que votre collègue ait fini sa présentation.

Investir quatre milliards supplémentaires dans la défense et se mettre les militaires à dos, il faut le faire! Ces quatre milliards, ce sera pour du matériel, pour des avions de chasse américains. Rien pour l'humain, rien pour les travailleurs.

C'est une véritable honte. Vous rendez-vous compte qu'ils se demandent si vos mesures sont un plan social ou une déclaration de guerre? Votre parti revient à peine aux manettes et c'est déjà le branle-bas de combat. Les cheminots, eux aussi, ont rejeté leur préaccord à cause de vos mesures sur leur pension.

Vous m'avez dit hier que vous dormez mal. Je comprends. Comme on dit souvent que la nuit porte conseil, je vous propose d'utiliser ces nuits pour penser à toutes celles et ceux que vous allez punir. Sans nuance, sans prise en compte de leur régime de travail, sans prise en compte de la pénibilité du risque que comporte leur métier. Ce réveil, je l'attends et eux l'attendent surtout. Merci.

Jan Jambon:

Madame Dedonder, les trois quarts de votre discours concernaient la Défense.

Ludivine Dedonder:

(…)

Jan Jambon:

Votre cœur est là. Je connais un autre ministre dont le cœur bat aussi pour la Défense. Il travaille des jours et des nuits à cette fin.

S'agissant de l'enveloppe bien-être, qui est l'objet de votre question, je tiens tout d'abord à préciser qu'il n'est nullement question de saut d'index. Nous parlons ici de l'adaptation au bien-être, en plus de l'index. L'indexation automatique des pensions, qui permet leur adaptation automatique à l'augmentation du coût de la vie, est donc maintenue, sauf temporairement pour les pensions supérieures à 5 250 euros par mois. Il faudrait donc arrêter de relayer des fake news à ce sujet. Vous effrayez inutilement les retraités les plus vulnérables.

Cette enveloppe bien-être est mise à zéro sous cette législature. La suspension de l'arrêté royal qui prévoyait une augmentation automatique de 2 % de toutes les pensions de plus de 5 ou de 15 ans est donc une conséquence logique, et qui lui est inhérente, de la suspension déjà décidée de l'enveloppe bien-être sous cette législature. En remplacement de ce système, l'accord de gouvernement prévoit une enveloppe spécifique destinée aux groupes les plus vulnérables: 25 millions d'euros en 2026, montant qui augmentera jusqu'à 100 millions d'euros en 2029. À cet égard, un avis a également été demandé aux partenaires sociaux. Au lieu d'une hausse générale, cette enveloppe spécifique permettra de prendre les mesures ciblées qui sont nécessaires à la préservation du pouvoir d'achat des groupes les plus vulnérables.

Ludivine Dedonder:

Ce n'est quand même pas une fake news que de dire que les pensionnés vont prendre cher. Tous les calculs le démontrent. Le prétexte est de réduire le déficit budgétaire. C’est donc un choix, le choix de faire payer les pensionnés. 4 milliards d'économies sont faites sur leur dos.

Il y a d'autres choix possibles. On voit qu'il y a de la marge, quand on se rend compte que les banques ont fait 8 milliards de bénéfices sur le dos de leurs clients. Et là, qu’avez-vous demandé? Absolument rien. Quand les producteurs d'énergie reversent 6 milliards à leurs actionnaires, que demandez-vous? Absolument rien. 30 milliards de fraude fiscale. 30 milliards de dépenses fiscales au profit des multinationales. Le choix de ce gouvernement est de ne rien leur demander.

Le choix de ce gouvernement est de faire porter la charge sur les pensionnés, notamment. Cela n'est pas du courage, monsieur le ministre. Le courage, c'est de s'attaquer aux plus larges épaules. Vous faites preuve de lâcheté et de facilité.

Voorzitter:

Ik heb goed nieuws over minister Francken. Hij komt namelijk vragen beantwoorden. Het slechte nieuws is dat hij er nog niet is. Minister Crucke is er gelukkig wel en we zullen eerst die reeks vragen behandelen. Het gaat, beter gezegd, om een reeks vraagstellers, want het thema is hetzelfde.

Het voorakkoord met de spoorbonden
Het voorakkoord met de spoorbonden
Het voorakkoord met de spoorbonden
De impact van de pensioenhervorming op de NMBS en Infrabel
Het voorakkoord van de minister met de vakorganisaties
De spoorstakingen
Het voorakkoord met de spoorvakbonden
Het sociaal voorakkoord bij het spoor
De gevolgen van de besparing op de pensioenen bij de NMBS
De gesprekken met de vakbonden bij de NMBS
Overeenkomsten, hervormingen en acties in de spoorsector

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 27 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het voorakkoord met de spoorbonden over de hervorming van het personeelsstatuut (stop statutaire aanwervingen vanaf 2028, overdracht HR-taken naar NMBS/Infrabel) wordt afgewezen door de Franstalige vakbonden, vooral om de afschaffing van het statuut en onduidelijkheid over pensioenen—een dossier dat bij Jambon ligt. Minister Crucke weigert details te geven tot officiële reactie van de bonden, maar benadrukt behoud van verworven rechten, jobgaranties en centrale rol HR Rail, terwijl hij efficiëntie en stabiliteit voor 2032 nastreeft—met risico op extra kosten (€300M+) en sociale onrust bij falen. Parlementariërs eisen transparantie en vrezen blokkering door vakbondsvertraging, terwijl de dienstverlening en liberalisering onder druk staan.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de tijd haalt ons in, want enige tijd geleden hadden we een vraag ingediend over het voorakkoord met de spoorbonden, dat u op 23 april in de pers had aangekondigd. Ondertussen vordert het dossier en raken steeds meer elementen uit dat voorakkoord bekend. Daarom hebben we een geactualiseerde versie van de vraag ingediend. Ik focus op de meest recente vraag en bundel daarbij de twee eerder ingediende vragen.

Mijnheer de minister, na meer dan 20 stakingsdagen – de teller staat ondertussen op 25 – en weken van onderhandelingen is er blijkbaar eindelijk een voorakkoord met de spoorvakbonden gesloten, na maanden van onrust en ongemak voor de pendelaars. De noodzaak tot verandering in de sector is overduidelijk, maar de lange onderhandelingsperiode roept uiteraard vragen op. Het heeft ongetwijfeld veel tijd en moeite gekost om tot een akkoord te komen, wat aanzienlijke overlast heeft veroorzaakt voor de reizigers. De onderhandelingen met uw collega-minister Jambon, die wellicht het gevoeligst liggen, zijn blijkbaar nog gaande.

Ondertussen hebben we via de media heel wat informatie kunnen vergaren over de inhoud van het voorakkoord, maar, behoudens vergissing van mijnentwege, is er tot op heden nog geen tekst aan het Parlement bezorgd. De stopzetting van de statutaire aanwervingen binnen de spooronderneming springt het meest in het oog. Blijkbaar gaat die stopzetting niet onmiddellijk in, maar pas vanaf 2028. Daarnaast zouden heel wat taken van HR Rail worden overgeheveld naar Infrabel en de NMBS. Het is echter onduidelijk hoe het contractuele statuut van het spoorpersoneel er in de toekomst zal uitzien.

Mijnheer de minister, welke elementen zijn inmiddels opgenomen in het voorakkoord? Kunt u toelichten waarom ervoor gekozen is om pas in 2028 te stoppen met vaste benoemingen en niet onmiddellijk? Welke taken blijven in de tussentijd bij HR Rail? Welke taken zullen worden overgedragen naar Infrabel en de NMBS? Hoe zal het toekomstige contractuele statuut van het spoorpersoneel eruitzien? Onder welk paritair comité zullen de contractuele personeelsleden vallen? Dat laatste is belangrijk met het oog op de toekomstige liberalisering van het spoor.

Ik heb ook een eerder gestelde vraagstelling die ik wil hernemen. Hoe ziet u de modernisering van het statuut? Wat wordt er precies veranderd? Is het nieuwe statuut gebenchmarkt met voorbeelden van buitenlandse spoorondernemingen?

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, de situatie is al heel goed geschetst door collega De Knop. Ik hoef er dus niet verder op in te gaan. Ik zal ineens overgaan tot mijn vragen. Ik heb er een aantal, dus ik zal ze bundelen.

Wij hebben allemaal het voorakkoord kunnen lezen in de media. Als ik me niet vergis, zullen de vakbonden vandaag, 27 mei, opnieuw overleg houden met het oog op een uitspraak over wat ze ervan vinden. Los daarvan heb ik een aantal vragen over de pensioenen bij de NMBS en Infrabel.

Mijn eerste reeks vragen gaat over het voorakkoord en de inhoudelijke afspraken ter zake. Mijnheer de minister, kunt u toelichten wat precies wordt verstaan onder "de verworven rechten" die gevrijwaard blijven? Het voorakkoord kwam er na een reeks stakingen. Kunt u toelichten welke thema's, naast de hervorming van het personeelsstatuut en de rol van HR-Rail, op tafel lagen tijdens de onderhandelingen met de vakbonden?

Is het voorakkoord inmiddels voorgelegd aan de achterban van de vakbonden? Zo ja, wat was de reactie? Is het ondertussen goedgekeurd? Wanneer wordt het akkoord dan voorgelegd aan de federale regering? Verwacht u dat dit akkoord de sociale rust zal herstellen? Hoe zult u de voortgang opvolgen, zeker met het oog op het overleg in verband met de pensioenregeling, dat nog gepland staat?

Dan heb ik nog een aantal vragen in verband met de uitvoering van het voorakkoord in de praktijk.

Mijnheer de minister, kunt u toelichten wat de rol van HR-Rail precies wordt in het nieuwe organigram en wat er verandert in de verdeling tussen de taken bij de NMBS en Infrabel? Welke concrete stappen zijn gepland om de hervormingen op het terrein te realiseren? Hoe ziet het tijdspad eruit voor de overheveling van de bevoegdheden, het personeel en dergelijke meer? Over hoeveel personeelsleden gaat het bij de verschuiving van HR-Rail naar de NMBS en Infrabel? Over welke functies en profielen spreken we dan?

Tot slot, op welke manier zullen de verworven rechten van het overgaande personeel gegarandeerd blijven bij hun overstap naar NMBS of Infrabel? Hoe zal erover gecommuniceerd worden aan het personeel?

Daarnaast heb ik nog twee vragen over de financiële impact. Klopt het dat de raming uitgaat van een extra kost van meer dan 300 miljoen euro voor de NMBS en Infrabel? Waarop is die raming gebaseerd?

Tot slot, hoe verhoudt deze hervorming zich tot de doelstellingen die aan de NMBS en Infrabel zijn opgelegd in het openbaredienstcontract?

Frank Troosters:

Enige tijd geleden kondigde de federale minister van Mobiliteit aan een voorakkoord te hebben bereikt met de drie grootste spoorvakbonden. In dit voorakkoord werden (volgens de minister) verschillende fundamentele principes opgenomen inzake de tewerkstelling en de verworven rechten van de spoorwerknemers. De betrokken vakorganisaties moesten dit 'voorakkoord' echter nog ter goedkeuring voorleggen aan hun achterban.

Tijdens de recente bespreking van zijn beleidsnota inzake mobiliteit kon/wou de minister nog geen verdere inhoudelijke details over het akkoord bekendmaken.

1. Kan de minister intussen duidelijkheid brengen over de inhoudelijke aspecten die in het akkoord werden overeengekomen? Welke afspraken werden concreet verankerd in het gemaakte akkoord?

2. Hoe beoordeelden de leden van de betrokken spoorvakbonden de inhoud van het gemaakte voorakkoord? Hadden zij bijkomende vragen, bezwaren of opmerkingen? Zo ja, welke?

3. Op welke wijze en op welke termijn zullen de inhoudelijke afspraken uit het akkoord uitgevoerd worden?

Vanaf maandag 19 mei (22u) tot dinsdag 20 mei (laatste trein) vind er een nieuwe spoorstaking plaats. Deze zoveelste staking is opnieuw gericht tegen het beleid inzake het spoor van de Arizona-regering.

1. Op welke wijze evalueert de minister deze nieuwe staking gezien het overleg dat hij met de spoorbonden had?

2. Welke bijkomende stappen gaat de minister ondernemen om toekomstige stakingen te vermijden?

3. Op welke wijze zal de minister het geschonden vertrouwen en de onvrede bij de getroffen treinreizigers in de toekomst trachten te herstellen?

In het licht van de aangekondigde plannen van de Arizona-regering over het hervormen van het pensioenstelsel geven de spoorbedrijven NMBS en Infrabel aan dat deze hervormingen hen allicht meer van 300 miljoen euro zullen kosten tegen 2032. Deze extra kost komt er bovenop de hen reeds opgelegde besparing van 675 miljoen euro.

Ondanks de opgelegde besparingen blijft deze regering toch vasthouden aan de doelstellingen die spoorbedrijven geacht worden te behalen zoals overeengekomen in de beheerscontracten die de overheid met hen afsloot.

Volgens de pers zou een lid van de Raad van Bestuur van de NMBS onomwonden spreken van een contractbreuk door de overheid.

1. Kan de minister duiden wat de financiële impact van de geplande pensioenaanpassingen door de Arizona-regering voor de spoorbedrijven zal zijn?

2. Laat de minister een opening om de afgesloten beheerscontracten met de spoorbedrijven aan te passen gezien de opgelegde besparingen en de mogelijke extra lasten voor de spoorbedrijven?

3. Zal de minister trachten compenserende maatregelen te nemen ten gunste van de getroffen spoorbedrijven? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

Julien Matagne:

Monsieur le ministre, vous êtes en train de conclure un préaccord social important avec les représentants des entreprises ferroviaires ainsi que les principales organisations syndicales du secteur. Le texte aborde les volets de la mobilité et des ressources humaines, en affirmant plusieurs principes essentiels, tels que la garantie de l’emploi et le respect des droits acquis. Il prévoit également un transfert de compétences, tout en maintenant HR Rail.

Les Engagés sont convaincus de la nécessité de faire évoluer notre modèle pour garantir la viabilité de notre service public ferroviaire et les droits des travailleurs. Je me réjouis de l'équilibre que vous pourrez certainement nous présenter dans un futur plus ou moins proche. Vous avez toujours veillé à maintenir le débat entre vous et les instances, tant que le préaccord n'était pas formellement établi. Pouvez-vous nous éclairer sur l'état d'avancement des discussions ainsi qu'éventuellement sur la finalité de l'accord complet?

Enfin, quelles seront les prochaines étapes du processus, notamment en ce qui concerne la présentation officielle du projet au gouvernement fédéral?

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, lors de notre précédente réunion à ce sujet, vous m'aviez invité à adapter ma question parce que vous étiez assez fier du préaccord qui était intervenu la veille ou l'avant-veille, et que ma question n'en tenait, selon vous, que trop peu compte. Aujourd'hui, la situation est inversée car les syndicats francophones ont rejeté le préaccord que vous aviez conclu après d’âpres discussions. Nous savions que les deux principaux syndicats devaient se prononcer d’ici au 27 mai, mais ils ont été plus vite qu’attendu. À la veille d’une nouvelle journée de grève nationale, ils se sont donc prononcés négativement.

Ce préaccord social était fragile, vous-même l'aviez déclaré. Et le dossier des pensions reste toujours aussi brûlant. En ce qui concerne le statut, la fin de la statutarisation des agents risquait également de ne pas faire recette chez les cheminots. Pour rappel, près de 90 % des cheminots sont statutaires. Proposer, comme vous l’aviez fait, que les recrutements se fassent uniquement sous forme contractuelle dès le début de 2028 n’a visiblement pas été bien accueilli.

Face à la fin du statut et aux éventuelles craintes que le personnel contractuel pourrait avoir, vous auriez accepté qu’une convention collective pour ce personnel soit négociée au sein de la commission paritaire nationale.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous confirmer ces informations, tout comme le maintien de l’organe de dialogue social comme structure unique pour l’ensemble des cheminots, avec la règle des deux tiers pour l’approbation des décisions?

Dans votre plan, quel aurait été demain le rôle de HR Rail puisque, visiblement, le recrutement du personnel serait dorénavant de la responsabilité de la SNCB et d’Infrabel?

Pouvez-vous confirmer également qu’il n’y aurait pas eu de réquisition de personnel en cas de mouvement de grève et qu’on serait resté dans le modèle actuel du service minimum garanti, que nous évoquions tout à l'heure?

Qu’entendez-vous faire à présent face au refus des cheminots de suivre votre préaccord? Cela remet-il tout ce qui a été entrepris jusqu’ici en question? Quelle est votre marge de manœuvre dans ce dossier et pensez-vous réellement que tout le monde au sein du gouvernement veuille arriver à un accord qui permettrait de rassurer les syndicats, sinon sur le long terme, au moins sur le moyen terme?

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, ma question est assez simple. À présent que l'accord semble avoir été rejeté par les syndicats, qu'allez-vous faire? Allez-vous revoir vos plans et entendre ceux qui font rouler les trains tous les jours?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, tijdens de bespreking van de beleidsnota gaf u aan dat u pas over het akkoord met de vakbonden wilt spreken, zodra zij het intern hebben kunnen bespreken en u een antwoord van hen hebt ontvangen. Er zijn al duidelijke signalen dat het akkoord niet overal positief werd onthaald. Hebt u echter ook positieve signalen gekregen? Op welke manier gaat u ermee verder?

Het is ook belangrijk om de hele pensioenkwestie daarin mee op te nemen. Die raakt immers ook aan het sociaal statuut. Het is niet uw bevoegdheid, maar voor de vakbonden en de werknemers zijn regelingen inzake hun pensioenen ook onderdeel van hun personeelsstatuut

U mag geen voorafname doen, ook niet via een deelakkoord, waarna er nadien andere akkoorden over de pensioenen worden gesloten. Ik maak trouwens dezelfde opmerking in de commissie voor Landsverdediging: we moeten het sociaal statuut als een totaalpakket beschouwen en niet als een verzameling van afzonderlijke onderdelen.

Hoe ziet u het verdere verloop opdat ook de treinreiziger een rustige zomer tegemoet kan gaan en zo veel mogelijk gebruik kan blijven maken van de trein?

Ten slotte, u hebt tijdens de begrotingsbespreking gewaarschuwd dat de besparingen voor de komende jaren nog niet zijn uitgewerkt en dat u in dat verband nog oefeningen maakt. Voor 2025 hebt u de oefening wél gemaakt. Kunt u ons en vooral het personeel garanderen dat de efficiëntiewinsten die in de komende jaren moeten worden gerealiseerd, niet opnieuw op hun kap zullen worden afgewenteld?

Jean-Luc Crucke:

Zoals u wellicht weet, werden de leden van de vakorganisaties verzocht om zich in de loop van de dag uit te spreken over het sociaal voorakkoord.

Je n'ai reçu à ce jour – mais je n'ai peut-être pas les mêmes liens avec les syndicats que d'autres collègues – ni confirmation ni infirmation. Il n'y a aucune communication de la part de ceux avec qui j'ai débattu pendant 48 heures et conclu un préaccord, signé par l'ensemble des représentants des organisations syndicales. Pour que les choses soient claires: je n'ai pas, à ce stade, reçu quoi que ce soit.

Ik wil hier opnieuw de verbintenis bevestigen die ik ben aangegaan tegenover de vakbonds–afgevaardigden om geen commentaar te leveren tijdens de raadplegingsfase van hun basis. Het is niet omdat iemand hier zegt dat het zo is, dat het ook zo is. Als ik geen antwoord krijg van de vakbonden, zal ik ook geen commentaar geven, maar u mag erop rekenen dat ik daarna alle documenten openbaar zal maken. De resultaten worden de komende uren verwacht en ik wens niet vooruit te lopen op de aard ervan. Ik zal met het nodige respect het officiële standpunt van de werknemersafgevaardigden afwachten.

Naleving van het sociaal overleg is van fundamenteel belang. Sta mij echter toe om de fundamentele beginselen van dit voorakkoord te herhalen. De tewerkstelling wordt gewaarborgd. Dat heeft niets te maken met de financiële sanering. De verworven rechten van de werknemers blijven volledig behouden. Er wordt voorzien in een overdracht van competenties, meer bepaald inzake aanwerving, selectie en loopbaan. HR Rail behoudt een centrale rol en blijft instaan voor het sociaal overleg, de reglementering, het statuut van het personeel en de contracten. Tot slot zal er een gemoderniseerd kader worden ingevoerd met een evolutie naar contractuele relaties die meer aangepast zijn aan de realiteit van de sector.

Comme je viens de le préciser, je ne prendrai position sur l'avis formulé par les organisations syndicales que lorsque je recevrai un document écrit détaillé et circonstancié. Ce n'est qu'après en avoir pris pleinement connaissance que je serai en mesure d'adopter une position claire et de déterminer les suites à y donner. J'ai toujours agi de la sorte, quelles qu'aient été mes responsabilités ministérielles, et je n'entends pas changer ma manière de fonctionner.

Dès mon entrée en fonction, j'ai souhaité entamer le dialogue dans la transparence et le respect des positions de chacun. L'accord de gouvernement nous indique la direction à prendre. Nous devons préparer le secteur à l'après 2032, comme je l'ai dit tout à l'heure. Ce sont les données avec lesquelles nous devons tous composer. J'en appelle dès lors à la responsabilité de chacun pour que les démarches entreprises depuis le mois de février et les propositions formulées dans le cadre de ce préaccord puissent trouver écho auprès de l'ensemble des acteurs de cette réforme pour accompagner le secteur ferroviaire. Il faudra prouver à l'avenir que nous sommes les meilleurs pour opérer sur le réseau belge. Cela va de pair avec la stabilité sociale du secteur. Sans marge d'efficience pour 2032, il est effectivement à craindre qu'à ce moment-là, les difficultés sociales seront bien plus importantes que certains osent même l'imaginer.

Concernant les grèves intersectorielles des 19 et 20 mai, je tiens à préciser qu'elles ne sont pas liées à ce préaccord, mais en particulier – les syndicats l'ont dit eux-mêmes – aux problématiques concernant la réforme des pensions. Comme je l'a déjà indiqué, les syndicats ont entamé un dialogue avec le ministre des Pensions. La dernière réunion, qui s'est tenue le 28 avril dernier, s'est déroulée dans un climat constructif. J'espère que ces échanges permettront de rapprocher les positions et de soutenir le processus de préaccord en cours.

Vous m'avez également interrogé sur les coûts potentiels des réformes en matière de pensions. À ce stade, les estimations que vous mentionnez m'ont également été communiquées. Nous sommes en phase de vérification de ces montants. Ils sont effectivement importants et ils vont peser lourd sur le secteur. J'envisage dès lors de les mettre dans la balance des économies à réaliser sur la présente législature car on ne peut pas demander au secteur de suivre sa trajectoire de performances, de faire des économies et de prendre en plus en charge le coût des réformes. Ce serait injustifié et déséquilibré.

J'envisage d'aborder cette question avec mon collègue le ministre des Pensions dès que le dossier sera suffisamment avancé.

Enfin, je tiens à être clair: les économies prévues pour la SNCB et Infrabel ne remettront pas en cause les objectifs fixés dans le contrat de service public et le contrat de performance. Ces objectifs sont inscrits dans l’accord de gouvernement. Leur mise en œuvre fera l’objet d’une évaluation approfondie lors de la mid-term review prévue en 2027.

Le préaccord est le fruit d’un dialogue ouvert et responsable. Je suis convaincu qu’il constitue une base solide pour renforcer la stabilité sociale et préparer l’avenir du rail.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u zegt al meer dan een maand hetzelfde. Ik begrijp dat onderhandelen met de vakbonden niet evident is en dat het moeilijk is om op de feiten vooruit te lopen. Anderzijds, u moet de leden van onze commissie ook ernstig nemen. Het kan toch niet dat wij in de pers en op de websites van de vakbonden wel heel wat elementen van dat voorakkoord kunnen lezen, terwijl u hier weigert om aan de commissie voor Mobiliteit nog maar de minste toelichting te geven, ook al kennen we de fundamenten, zoals verwoord in het regeerakkoord sinds februari.

Ik nodig u toch uit om een evenwicht te vinden tussen wachten op de vakbonden en voldoende informatie geven aan de commissie. Misschien kunt u de vakbonden ook eens een deadline geven, anders kan men tot het einde van het jaar onderhandelen.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, ik moet aangeven dat ik op heel weinig vragen een antwoord gekregen heb, maar u kunt uiteraard niet vooruitlopen op de reactie van de vakbonden. Ik heb daar begrip voor.

Het siert u ook dat u gemaakte afspraken met hen naleeft. Het is echter wel belangrijk om op korte termijn, wanneer er duidelijkheid is, duidelijk te communiceren naar zowel het personeel als de spoorsector. Het akkoord heeft immers een grote impact. U moet, zodra er duidelijkheid is, transparant communiceren. Dat is in het belang van het personeel, dat met heel veel vragen zit. We moeten vermijden dat we opnieuw met sociale onrust worden geconfronteerd.

Voor eventjes wil ik nog genoegen nemen met uw antwoorden, maar ik volg voor een stuk mevrouw De Knop. Het is van belang dat de commissieleden, wanneer er uitsluitsel is, nauw betrokken worden bij het akkoord en dat we toelichting krijgen over de effectieve inhoud van de hervormingen, liefst voor we daarover in de media moeten lezen.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik hou van mensen die een gegeven woord nakomen. Dat moet zeker ten opzichte van het Parlement. Eigenlijk worden we vandaag gegijzeld door de vakbonden. Zolang zij zich niet uitspreken en u niet officieel in kennis stellen van hun antwoord, kunnen wij hier blijven hengelen naar informatie en blijven onze pogingen om ons werk te doen onsuccesvol. Dat is onaanvaardbaar.

U hebt het in uw beleidsnota letterlijk over enkele dagen gehad. Wij zijn ondertussen al heel wat dagen verder. Nu hebt u het over enkele uren. We komen dus dichterbij.

Ik betreur in ieder geval dat wij geen informatie krijgen in antwoord op de vragen, die wij hier al meermaals hebben gesteld. Het is onze rol om hier vragen te stellen en wij moeten dus ook antwoord daarop krijgen.

Ik hoop vooral op sociale vrede. Dat betekent hopelijk geen stakingen meer en eindelijk de dienstverlening, die de treinreizigers verdienen. Ik verwacht zo snel mogelijk informatie in het Parlement en hoop dat het spelletje wachten op de vakbonden vlug voorbij is.

Julien Matagne:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos précisions. Je ne vous cacherai pas qu'à mon tour, je suis impatient d'obtenir des réponses plus claires et plus précises, même si je salue évidemment votre engagement et votre respect envers l'institution et les syndicats ferroviaires.

J'entends aussi les principes qui sont conservés dans votre préaccord: la garantie de l'emploi et des droits acquis, le transfert de compétences et le maintien de HR Rail, la préservation de la concertation sociale, le tout dans un cadre modernisé qui vise à correspondre à la réalité présente et future. Comme vous l'avez dit, il faut se préparer à l'avenir, 2032 en l'occurrence. Il faudra alors prouver toute notre compétence et notre performance pour assurer un service de qualité. Je pense que nous pouvons compter sur vous. Vous êtes bien parti et vous recevez donc tout notre soutien.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, une fois n'est pas coutume, je vais rejoindre Mme Cuylaerts et, indirectement, les premières paroles de M. Matagne. En effet, même vos partenaires de majorité disent que les informations sont insuffisantes et que nous sommes quelque peu pris en otage, au point que la commission ne peut pas travailler pour la raison toute simple que les informations ne filtrent pas jusqu'ici et que nous ne pouvons pas en débattre, si ce n'est par voie de presse. Vous n'êtes pas ministre des Pensions, vous le répétez, et c'est vrai. Vous ne m'apprenez rien. Toutefois, le fait est que nous n'avons toujours reçu aucune nouvelle au sujet des pensions. C'est là que le bât blesse, malgré le préaccord qui semble ne plus être. Vous êtes donc désormais le ministre des grèves ou celui de la libéralisation dont on ne peut pas parler. C'est quand même embêtant. Je vous ai posé plusieurs questions relatives au préaccord, mais vous vous refusez à aborder ce sujet, parce que tout cela est encore "secret" – bien que divulgué dans la presse – et pas encore adoubé par les cheminots. Nous nous trouvons dans l'impasse, monsieur le ministre. Par conséquent, je vous invite à reprendre le travail et à revenir vers nous afin que nous puissions en discuter à partir d'éléments concrets en commission, puisque c'est le lieu approprié. Je vous ai posé plusieurs questions quant aux termes du préaccord. J'aimerais obtenir des réponses, de sorte que nous puissions échanger ici. Cela fait des semaines, pour ne pas dire des mois, que cela dure. Les grèves se répètent. Vous étiez content d'avoir obtenu un préaccord, mais le fait est qu'aucune information ne nous est parvenue à ce sujet. Vous ne voulez pas répondre à plusieurs questions que je vous ai posées, au motif que ce préaccord n'est pas encore connu. Nous n'allons pas passer la législature à opérer de la sorte. Il faudra bien en sortir à un moment donné. Je vous remercie, monsieur le ministre.

Het plafond-Wijninckx bij de pensioenen van ambtenaren en (Europese) parlementsleden

Gesteld door

N-VA Jean-Marie Dedecker

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-Marie Dedecker kaart aan dat Europarlementsleden en topambtenaren in Europa (met salarissen tot €13.000/maand) vrijgesteld zijn van de wet-Wijninckx en cumulverboden, terwijl lokale mandatarissen wel bijdragen tot 12,5% moeten afstaan – een schending van het principe dat "sterkste schouders de zwaarste lasten dragen". Minister Jan Jambon bevestigt dat Europese pensioenen nu niet meetellen voor het Wijninckx-plafond, maar kondigt aan dat Belgische pensioenen voortaan wel zullen worden afgetopt om binnen het plafond te blijven, conform het regeerakkoord. Dedecker reageert tevreden maar ironisch, terwijl de discussie eindigt met een ludieke noot over parlementsbier en -pudding.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, in de kwarteeuw dat ik hier rondloop, heb ik ongeveer zes keer ingeleverd, hetzij op mijn wedde, hetzij op mijn pensioen. Ik zal niet klagen en ik zal ook niet de populistische toer opgaan, want ik behoor tot de begunstigden die al negen jaar volledig op pensioen hadden kunnen zijn. In plaats daarvan betaal ik nog iedere maand 1.300 euro aan pensioenbijdrage.

Mijn vraag gaat echter niet over mezelf, maar gaat u allen aan. Niemand van u zal hier een pensioenloopbaan van 45 jaar kunnen opbouwen, maar mijn vraag gaat daar niet over. Mijn vraag gaat in principe over de wet-Wijninckx, die op ons wordt toegepast.

De topambtenaren die wij afvaardigen naar Europa en onze Europarlementsleden, die een pak poen verdienen, gemiddeld 13.000 euro per maand, zijn tot op heden niet onderworpen aan de wet-Wijninckx wanneer ze op pensioen gaan. Iedereen levert in, behalve degenen die het meest verdienen, de Europarlementsleden. Zij moeten noch inleveren ten gevolge van de wet-Wijninckx, noch rekening houden met het cumulverbod. Dus het is kassa voor bijvoorbeeld de burgemeester van Hasselt of Aalst. Dat is niet het geval voor de burgemeester van Middelkerke, want die moet betalen; er wordt van zijn wedde afgehouden. Daar is niets op tegen, hij wordt inderdaad goed betaald en kan rustig leven, ook al lijdt hij aan een hartziekte, maar dat is het minste.

Meer nog, ik hoor dat de wet-Wijninckx wordt verstrengd: de af te dragen bijdrage zal van 3 % naar 12,5 % gaan. Voor de Europarlementsleden geldt dat niet, zij kunnen rustig met pensioen gaan na 20 jaar en hun pensioen wordt niet onderworpen aan de wet-Wijninckx.

Mijnheer de minister, de sterkste schouders moeten zogezegd de zwaarste lasten dragen, maar blijkbaar is dat niet zo. Ik hoop oprecht dat u daar iets aan doet.

Jan Jambon:

Mijnheer Dedecker, het klopt inderdaad dat de pensioenen die uitbetaald worden door internationale instellingen zoals het Europees Parlement en de Europese Commissie, niet mee in rekening genomen worden voor het zogenaamde Wijninckxplafond, dat geldt voor alle andere Belgische pensioenen. Tot vandaag bestaat er daarover geen wettelijke verplichting.

Ik heb echter goed nieuws – misschien niet voor sommigen, maar alvast wel voor u –, want binnenkort komen er veranderingen. Conform het regeerakkoord werd in het ontwerp van programmawet, dat nu voorligt en binnenkort in het Parlement wordt ingediend, ingeschreven dat de Federale Pensioendienst voortaan ook de pensioenen van buitenlandse instellingen mee in rekening zal nemen bij de toetsing aan het Wijninckxplafond. Concreet, we kunnen niets afhouden van de Europese pensioenen, maar wel kunnen we de Belgische pensioenen aftoppen om onder het Wijninckxplafond te blijven. U wordt dus op uw wenken bediend.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, met dat antwoord krijg ik geen minuut repliektijd gevuld. Dat ik op mijn wenken bediend word, gebeurt eerlijk gezegd voor de eerste keer in de kwarteeuw dat ik hier rondloop.

Ik heb nog een verrassing voor u. Vandaag betreuren wij de drooglegging van het Parlement. Uit dankbaarheid zal ik als barman straks in het Parlement een Jus de Mer serveren, een prachtig biertje van de brouwerij van Middelkerke. Mijnheer de voorzitter, ook u nodig ik daarvoor uit. Ik heb geen bier bij voor iedereen, want aangezien u allen al geknipt hebt in mijn pensioen, kan ik alleen de vierentwintig eersten tot de toog toelaten.

Voorzitter:

Collega Dedecker, van de weersomstuit zal ik erg graag putten uit de koelkasten van het Voorzitterschap, want die zitten vol met pudding. (Hilariteit)

De billijkheid van de pensioenhervorming

Gesteld door

PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kim De Witte (PVDA) bekritiseert de minimale pensioenhervorming voor parlementariërs (van 11 naar 12 jaar voor een vol pensioen) als cosmetisch, terwijl gewone werknemers 300 euro verliezen door malussen en hun gemiddelde pensioen (€1.500) een van de laagste in West-Europa blijft. Minister Jan Jambon wijst erop dat het parlement zelf over deze regeling beslist (inclusief PVDA in het Bureau) en benadrukt harmonisatie (aanpassing aan effectieve loopbaan en bijdrage van hoge pensioenen), maar De Witte ontkracht dit: er zijn geen concrete verbeteringen voor werknemers, alleen symbolische aanpassingen voor elitepensioenen.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, mijn vraag heeft een andere draagwijdte dan die van de vorige spreker, maar ze gaat over hetzelfde thema, namelijk het pensioen van de parlementairen. Zoals u weet trekken wij met de PVDA al tien jaar aan de alarmbel om te zeggen dat de privileges van de parlementairen moeten verdwijnen. Pensioen op 55 jaar, de graaipensioenen, de resterende privileges: we hebben al die feiten onthuld en stap voor stap zijn ze aangepakt.

Gisteren las ik van minister Theo Francken op Facebook echter een opmerkelijk citaat dat mij de wenkbrauwen deed fronsen. Ik ga het voorlezen: "Het pensioenstelsel van de parlementairen was veel te riant. We trekken het nu gelijk met dat van de rest van de bevolking."

Collega's, het pensioen was veel te riant en we trekken het nu gelijk met dat van de rest van de bevolking. Weet u hoeveel jaar u hier moet zitten om evenveel pensioen op te bouwen als een werknemer op heel zijn loopbaan? Dat is 11 jaar. Weet u hoeveel jaar u hier gaat moeten zitten met jullie nieuwe systeem om evenveel pensioen op te bouwen als een werknemer over heel zijn loopbaan? Dat wordt 12 jaar. Er komt één jaartje bij. Wauw, één jaartje.

Collega's, parlementairen zullen nog altijd een mooi pensioen opbouwen van 4.000, 5.000, 6.000 of 7.000 euro per maand. Die hervorming verandert daar niks aan. De hervorming die jullie doorvoeren voor de werknemers verandert daarentegen wel veel. Die gaat ervoor zorgen dat die mensen een pensioenmalus krijgen en 300 euro verliezen.

Mijnheer de minister, vindt u dat het pensioenstelsel van de parlementairen nu gelijkgeschakeld wordt? (…)

Voorzitter:

Ik ben erg blij met uw ambitieuze vraag, want u plant hier 45 jaar te zitten. U bent ook welkom om die periode vol te maken.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer De Witte, we zijn het over veel zaken oneens, maar ik waardeer u als een bijzonder beslagen parlementslid, zeker als het over pensioenen gaat. U weet ongetwijfeld dat de pensioenregeling van de parlementsleden geen regeringsaangelegenheid maar een aangelegenheid voor het Parlement is.

U weet ongetwijfeld ook dat de regering de pensioenhervorming aan het Parlement heeft overgemaakt, met de vraag om ze te aligneren. U weet ongetwijfeld ook dat uw partij deel uitmaakt van het Bureau, dat daarover beslist. Dat Bureau, democratisch samengesteld, heeft woensdag ter zake een beslissing genomen. U en uw partij maken daar deel van uit. De regering heeft daar als uitvoerende macht niet veel commentaar aan toe te voegen. Jullie, u incluis, hebben beslist over uw eigen pensioenen, een pensioen waarvan u trouwens zelf ook zult genieten. U hebt dat samen beslist.

Wat de rechtvaardigheid betreft, weet u allemaal dat ons pensioensysteem op drie pijlers gebaseerd is, ten eerste de harmonisatie van de verschillende stelsels, ten tweede het in lijn brengen van de pensioenen met de effectief tewerkgestelde periodes en ten derde een bijdrage van de hoogste pensioenen. Dat geldt dus ook voor de pensioenen van de parlementsleden en zeker en vast ook voor de pensioenen van de ministers. Mijnheer Dedecker, dat geldt bijgevolg ook voor de pensioenen van de Europese functionarissen.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het klopt dat het Parlement over die pensioenregeling beslist. Het gaat om de pensioenen van parlementsleden en ministers. Niettemin wil ik even terugkomen op het woord 'harmonisatie' dat u graag en vaak gebruikt. Harmonisatie, zoals ik dat begrijp, betekent dat de hoogste pensioenen wat dalen en de laagste wat stijgen. Welke maatregelen uit het regeerakkoord gaan de pensioenen van gewone werknemers nu verbeteren? Ik heb het regeerakkoord al vaak gelezen, ook het gedeelte over de pensioenen. Welke maatregelen verbeteren het pensioen van de gewone werknemer? Dat pensioen bedraagt gemiddeld 1.500 euro en is een van de laagste in West-Europa. Een bedrag van 1.500 euro netto is het gemiddelde pensioen van een werknemer in ons land. Welke maatregelen verbeteren dat pensioenbedrag? Ik zie ze niet. Ik zie inderdaad een minimale maatregel voor het pensioen van parlementsleden. In plaats van 11 jaar wordt het 12 jaar: bravo, bravo. Voor de werknemers zie ik echter niets. Wij zullen daarover dus blijven tussenkomen en de pensioenen van die werknemers (…)

De pensioenfondsen en de maximumprijzen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne waarschuwt dat een kostenplafond voor pensioensparen (voorgesteld door coalitiepartner Vooruit) de keuzevrijheid beperkt, innovatie remt en spaarders benadeelt, en pleit in plaats daarvan voor meer transparantie, concurrentie en flexibiliteit (o.a. afschaffing transferkosten, vereenvoudigde overdracht). Jambon ontkent dat er een concreet plafond-plan is, benadrukt dat maatregelen nog worden uitgewerkt binnen Europese kaders, en bevestigt de focus op transparantie en marktversterking—zonder rigide prijsbeperkingen. Van Quickenborne concludeert dat Vooruits mediagenieke oproep (max. 1% instap- en 0,5% lopende kosten) geen regeringstandpunt is, wat Jambons afwijzende houding tegenover een plafond bevestigt. Kern: geen plafond, wel marktverbetering via informatie en mobiliteit.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat te lezen dat de regering maatregelen wil nemen om het nettorendement van pensioenspaarders te verhogen, door de kosten te beperken. Blijkbaar werkt u aan een kostenplafond, in de hoop het rendement voor spaarders te verhogen. Volgens banken, verzekeraars en onafhankelijke analisten dreigt zo'n strak prijsplafond echter het omgekeerde effect te hebben, namelijk minder keuze voor de spaarder en een verschraling van de markt. Vooral kleinere en innovatieve fondsen zouden zo kunnen verdwijnen, waardoor alleen de grootste spelers overblijven, wat leidt tot beperking van keuze voor de consumenten. De spaarder krijgt dus niet meer, maar net minder keuze en mogelijk producten die niet langer passen bij zijn of haar persoonlijk risicoprofiel.

Ik denk dat ik u niet moet overtuigen dat maximumprijzen altijd leiden tot verschraling. U bent zelf ook actief geweest in de private sector, dus u zou dat toch moeten weten. Of het maximumprijzen betreft in de huurmarkt of op de markt van diensten, de consument komt er steeds bekaaid van af. Mijnheer de minister, heeft uw partij daar soms een bocht gemaakt? Bent u tot andere inzichten gekomen?

Er zijn slimmere oplossingen. In plaats van een eenzijdig prijsplafond pleiten experts voor meer concurrentie en vooral voor meer transparantie. Alleen wanneer spaarders op een heldere en eenvoudige manier alle kosten, rendementen en voorwaarden kunnen vergelijken, kunnen ze echt geïnformeerd kiezen voor het product dat het best bij hen past.

Er zijn dus andere mogelijkheden, ik geef er u drie. Ten eerste, verbied transferkosten bij het overstappen tussen fondsen of verzekeraars, zoals dat ook al kan op de energiemarkt en de telecommarkt. Ten tweede, laat een vlotte overdracht toe tussen fondsen en verzekeringen, zodat spaarders flexibel kunnen kiezen. Ten derde, schaf de achterhaalde beleggingsregels af, zodat fondsbeheerders efficiënter en goedkoper kunnen werken. Doe misschien ook iets aan de taksen, dan hebben we dat toch al gehad.

Mijnheer de minister, houdt u vast aan de beperking via een kostenplafond?

Bent u bereid om in plaats van te focussen op het rigide kostenplafond, dat keuzevrijheid kan beperken, in te zetten op meer transparantie, meer concurrentie en meer mobiliteit?

Welke stappen zult u zetten om ervoor te zorgen dat de pensioenspaarder beter geïnformeerd is en echte keuzevrijheid krijgt?

Voorzitter: Dieter Vanbesien.

Président: Dieter Vanbesien.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, ik weet niet in welk wetsontwerp u dat over kostenplafond gelezen hebt. Er is nog geen wetsontwerp van de regering.

Zoals u terecht stelde, zijn er verschillende mogelijkheden om de pensioenspaarder te versterken. Om de concurrentie te stimuleren is het inderdaad denkbaar dat de wetgeving wordt gewijzigd om andere gereglementeerde entiteiten, zoals beheervennootschappen van fondsen, toe te staan deelbewijzen in pensioenspaarfondsen rechtstreeks te verdelen en zelf de fiscale attesten uit te geven.

Transparantie over de kostenstructuur, de prestaties en de voorwaarden van pensioenspaarproducten is bovendien essentieel om een werkelijk geïnformeerde keuze mogelijk te maken en concurrentie op basis van kwaliteit en prijs te stimuleren.

Inzake uw voorstel om bepaalde regels te schrappen, moeten we rekening houden met een wettelijk kader dat grotendeels voortvloeit uit het Europese recht, wat het onmogelijk maakt om achterhaalde beleggingsregels zomaar af te schaffen. Alles wat buiten de Europese regelgeving valt, kunnen we bekijken, maar we hebben daar een beperking

De maatregelen die aangekondigd werden in het regeerakkoord en in mijn beleidsverklaring worden op dit moment uitgewerkt door mijn administratie en mijn beleidscel. Er is echter absoluut geen wetsontwerp dat over dat kostenplafond spreekt.

Vincent Van Quickenborne:

Misschien is het nog geen wetsontwerp, maar mocht het een wetsontwerp zijn, dan had u waarschijnlijk niet geantwoord, want dan was het nog in eerste lezing. Ik lees wel het regeerakkoord, mijnheer de minister. Ik lees ook straffe verklaringen van uw coalitiepartner Vooruit daarover. De heer Soete pleit voor een plafond op de kosten. Ik weet niet of u het artikel in Het Laatste Nieuws gelezen hebt. Het stond daar paginabreed. Ondersteund door zijn voorzitter, de heer Rousseau. Het is hallucinant, zegt de heer Rousseau, dat banken en verzekeraars zich verrijken op de kap van de mensen die geld aan de kant willen zetten voor hun pensioen. Ze zeggen dan dat de overheid 650 miljoen heeft uitgegeven om mensen een korting te geven en dat die korting helemaal naar die bedrijven gaat. Ze zeggen ook het volgende: de instapkosten moeten beperkt worden tot maximaal 1 % en de lopende kosten tot 0,5 %. Dat is wat Vooruit zegt. Nu zult u zeggen: Vooruit kan zeggen wat het wil. Ik zie nu ook uw lichaamstaal. Die stelt me gerust. U weet, ik sta ook vaak aan uw kant, mijnheer de minister, in bepaalde discussies. Als ik goed geluisterd heb, komt er dus geen kostenplafond voor die producten en was het artikel van Vooruit in Het Laatste Nieuws het zoveelste ballonnetje van die partij. Het artikel verscheen op 17 april en werd geschreven door Fleur Mees. Het is goed om dit te weten, mijnheer de minister. Uw antwoord sprak boekdelen.

De massale uitstroom van treinbestuurders
De uitstroom van spoorpersoneel wegens de aangekondigde pensioenhervorming
Pensioenhervorming en personeelsuitstroom bij de spoorwegen

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz waarschuwt voor verhoogde uitstroom van SNCB-treinbestuurders door aantrekkelijkere privésector-voorwaarden en dreigende pensioenaanpassingen (verlaging leeftijd/toegang), maar minister Crucke ontkent massale vertrekken: slechts 1,7% (54/3.300) stopte jaarlijks, vooral omwille van jobinhoud, niet loon. Hij benadrukt succesvol wervingsbeleid (400+ in 2023, gelijkaardige doelstellingen voor 2025) en blijvende aantrekkingskracht van de functie, hoewel Schlitz vreest voor toekomstige effecten door recente regering-Arizona-maatregelen en belooft opvolging met nieuwe vragen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, nous avons déjà évoqué cette question lors de notre précédente commission, au moment où les nouvelles sur les pensions venaient de tomber. Vous m'aviez alors répondu que vous n'aviez pas encore d'informations concrètes sur les potentiels départs suite aux annonces de réduction des droits, de réduction de l'accès à la pension et du statut des travailleurs cheminots. Or, moi j'ai des retours du terrain qui montrent qu'il y a des départs en raison des conditions plus attractives dans le privé qu'à la SNCB.

Depuis lors, monsieur le ministre, avez-vous obtenu des informations supplémentaires? Ou devrais-je revenir avec une question dans quelques semaines?

Jean-Luc Crucke:

Vous pouvez toujours revenir à toutes les questions, c'est votre droit le plus strict. J'ai bien pris connaissance de vos constats, mais des retours que j'ai et que je continue à avoir de la SNCB, il faut nuancer ce propos. Il n'y a pas de départs massifs des conducteurs de train à la SNCB. Comme je vous le disais lors de la dernière commission parlementaire, les constats actuels sont que les sélections se déroulent bien et que les entreprises publiques ont encore beaucoup de candidats intéressés.

Sur les quatre dernières années, le nombre maximal de démissions enregistrées s'élève à 54 conducteurs, soit à peine 1,7 % de l'ensemble des conducteurs de train; ils sont plus ou moins 3 300. Il s'agit donc d'un pourcentage, reconnaissez-le, très limité. Les raisons évoquées lors des entretiens de sortie concernent principalement le contenu même de la fonction.

Il est à noter que les conducteurs qui démissionnent ne nous communiquent pas systématiquement leur nouvel employeur. Par ailleurs, la SNCB a réussi à recruter un grand nombre de conducteurs de train ces dernières années et à combler les besoins. Plus de 400 recrutements ont été réalisés l'année dernière et les perspectives pour 2025 s'inscrivent dans la même dynamique.

Cela montre que la profession de conducteur de train reste, me semble-t-il, attractive. Je peux vous assurer que je continuerai à assurer l'état des recrutements et veillerai à ce que la SNCB reste compétitive sur le marché du travail, mais je sais que vous y serez également attentive.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. J'entends que vous n'avez pas de chiffres récents à propos des départs qui auraient eu lieu pendant les quelques semaines qui viennent de s'écouler, en fait depuis la formation du gouvernement Arizona. Selon les retours que j'ai du terrain, il y a des personnes qui saisissent d'autres opportunités en voyant la future réduction de l'accès à une pension anticipée ou la réduction du montant de la pension. Il faut vraiment y être très attentif. Je reviendrai donc vers vous avec d'autres questions dans les semaines qui viennent.

Voorzitter:

Vraag nr. 56004635C van mevrouw Cuylaerts wordt uitgesteld.

De bezorgdheden van de universitairen en de magistraten aangaande de pensioenhervorming

Gesteld door

MR Pierre Jadoul

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van de pensioenen (onderdeel van het Paasakkoord) wekte onrust bij magistraten en academici, die vreesden voor pensioenverliezen tot 40% en afnemende aantrekkingskracht van hun beroepen. De regering ontkrachtte deze cijfers: de indexatiebeperking voor hoge pensioenen is tijdelijk (tot 2029) en leidt tot een maximale daling van 7-10%, met een forfaitaire indexatie van 36 euro (gelijk aan 2% van het minimumpensioen). Overleg met magistratuur is gestart, maar met de academische wereld moet dit nog gebeuren, terwijl alle groepen – inclusief ambtenaren, werknemers en de regering zelf – moeten bijdragen aan het budgettaire evenwicht. Jadouls partij steunt de "nodige, collectieve inspanning", mits voortgezette concertatie.

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, je vous remercie de suppléer votre collègue, malheureusement indisponible aujourd'hui.

L'accord de Pâques, dont on ne peut que se réjouir, a prévu la mise en application d'une partie de la réforme des pensions. Cela a donné lieu à un certain nombre de réactions émanant tantôt de magistrats ou d'associations représentatives de magistrats, tantôt du monde académique. Ceux-ci soulèvent des craintes et manifestent des angoisses quant à une réduction de leur pension, qu'ils évaluent jusqu'à 30 à 40 % par rapport à leur pension actuelle. Ils mentionnent également le danger de la réduction de l'attractivité de ces professions et, pire encore, un risque plus élevé de corruption.

Je suis conscient, comme tout le monde, qu'il s'agit de professions dans lesquelles l'entrée dans la carrière est plus tardive, ce qui mérite un point d'attention. Et je serais heureux, monsieur le ministre, que vous puissiez apporter quelques précisions sur l'évolution du calcul de ces pensions, sur la ligne du temps de cette évolution et sur les mesures transitoires qui sont éventuellement envisagées.

Dernier élément non négligeable dans le contexte actuel, qu'en est-il de la concertation? J'ai cru comprendre que le ministre Jambon avait rencontré les représentants de la magistrature. Qu'en est-il du monde académique? Je serais heureux de vous entendre à ce sujet.

Theo Francken:

Monsieur le député, je vais vous lire la réponse que le ministre des Pensions m'a envoyée.

"Une grande inquiétude s'est effectivement manifestée ces dernières semaines parmi les magistrats et le monde académique quant à l'impact de notre réforme des pensions et l'attrait de la profession dans la magistrature et le milieu universitaire.

Les chiffres qui évoquaient ces derniers jours une perte de pension allant de -30 à -40 % ont entre-temps pu être clarifiés et réfutés en concertation avec les représentants de la magistrature. En effet, ce calcul partait, à tort, du principe que la limitation de l'indexation des pensions les plus élevées, comme ce fut convenu dans l'accord de Pâques, s'appliquerait pour une durée indéterminée, alors que tant l'accord de gouvernement que la loi-programme indiquent clairement qu'il s'agit d'une mesure temporaire qui sera en vigueur jusqu'à la fin 2029. Dès lors, l'impact de cette mesure sur les pensions des magistrats et professeurs déjà retraités sera, selon les estimations, limité entre 7 et 10 %. Leur pension continuera à être indexée dans les années à venir, mais plus à hauteur de 2 % sur l'intégralité. L'indexation se fera désormais via un montant forfaitaire de 36 euros, correspondant à une indexation de 2 % de la pension minimum.

Notre gouvernement est pleinement conscient des efforts qu'il demande à la population afin de rétablir l'équilibre budgétaire et de garantir la soutenabilité de nos pensions pour les générations futures. Notre réforme des pensions sollicite un effort de la part de chacun: les fonctionnaires, les salariés, les indépendants, mais aussi ce Parlement et le gouvernement lui-même. Les différents ministres compétents continueront également à mener des concertations avec les secteurs concernés."

Pierre Jadoul:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces informations plus précises qui sont communiquées aujourd'hui. Je me réjouis que la concertation ait commencé et j'ose croire qu'elle se poursuivra, particulièrement à l'égard du monde académique qui, sauf erreur, n'a pas encore mené cette concertation mais dont la voix se fait entendre de manière fort importante. Par ailleurs, je vous rejoins parfaitement sur le fait que chacun doit contribuer à l'effort collectif demandé dans le contexte budgétaire que nous connaissons. Ma formation politique soutient totalement cette évolution car il s'agit d'un mal nécessaire qui s'impose à tous. Il ne me paraît donc pas anormal que nous devions tous y contribuer.

De verhoging van het defensiebudget
Het defensiebudget
Het percentage van het bbp dat aan Defensie besteed wordt
De begroting en het defensie-akkoord
Het paasakkoord en de hervorming van de werkloosheidsregeling
De vervanging van de DAB-agenten door militairen voor de bewaking van de kerncentrales
Het paasakkoord
Het paasakkoord en de beslissingen inzake asiel en migratie
Het paasakkoord, de hervorming van de werkloosheidsregeling en de uitgaven voor herbewapening
Het uitstellen van de indexering van de sociale uitkeringen
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen en de impact ervan op de OCMW's
De toepassing van het recht op een loopbaandoorstart
De plannen voor de hervorming van de pensioenen van de magistraten
De hervormingen in het gevangeniswezen en de middelen voor Justitie
De hervorming van het DBI-stelsel en de verduidelijking van het begrip 'financiële vaste activa'
Het gebruik van het systeem van de flexi-jobs per sector
Het opvangbeleid van de regering
De data-analyse inzake doktersattesten voor langdurig zieken
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Defensiebegroting, paasakkoord, sociale hervormingen en justitiehervormingen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draaide rond het paasakkoord van de regering, met als kernpunten: hervormingen in sociale zekerheid (werkloosheid, pensioenen, langdurige ziekte), defensie-investeringen (NAVO-norm van 2% BBP), migratiebeleid en fiscaliteit. De regering (Arizona-coalitie) verdedigde het akkoord als noodzakelijk voor economische groei, concurrentievermogen en begrotingsdiscipline, met maatregelen zoals tijdsbeperking werkloosheidsuitkeringen, verhoogde defensie-uitgaven (gefiancieerd via Russische tegoeden en Belfius-dividend), en strengere asielregels. Oppositiepartijen (PTB, Groen, PS, Vlaams Belang) bekritiseerden het als sociaal onrechtvaardig (lasten op middenklasse, pensioenen, zieken) en budgettair onverantwoord (onvoldoende structurele financiering, schuldenopbouw). MR en Les Engagés steunden selectieve maatregelen (bv. "droit au rebond"), maar stelden vragen bij uitvoering en financiering. Kernconflicten: sociale rechtvaardigheid vs. economische hervormingen en korte-termijnmaatregelen vs. structurele oplossingen.

Voorzitter:

Goedemorgen, collega's. Ik dank de eerste minister voor zijn aanwezigheid.

De beslissing om een commissievergadering over het paasakkoord te organiseren, kwam er naar aanleiding van het verzoek van Open Vld en de PS op 12 april. Ik heb de beschikbaarheid van de eerste minister door het commissiesecretariaat doen nagaan en vandaag kunnen wij er dus van gedachten over wisselen.

Wij hebben voor de gedachtewisseling tijd tot 12 uur, de tijd die de agenda van de eerste minister hem toelaat. Er komt een integraal verslag en er kan dus dus achteraf daar geen discussie over zijn.

Ik stel voor dat de eerste minister zelf eerst een korte inleiding geeft en dat daarna de fracties binnen een tijdsspanne van 10 minuten, te verdelen onder de fractieleden, de eerste minister in een eerste ronde ondervragen.

We zullen zien of de tijd het toelaat alsnog een tweede ronde in te lassen, maar ik vrees, gelet op het grote aantal fracties, dat we onze best zullen moeten doen alles op 3 uur klaar te krijgen.

Ik wil de fractieleden die mondelinge vragen hebben ingediend, vragen ze te incorporeren in hun interventie. De toegevoegde vragen zullen na de vergadering als behandeld worden beschouwd.

Bart De Wever:

Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, we zullen het vandaag hebben over het paasakkoord dat dateert van de vergadering van de regering van 11 april. De teksten van het akkoord zijn momenteel bij de Raad van State en zullen nog voor een tweede lezing terugkomen. Uiteraard zullen ze daarna in het Parlement worden ingediend en zal er dus nog ampel gelegenheid zijn om ten gronde over de definitieve teksten te discussiëren. Uiteraard ben ik erover verheugd dat u niet zo lang wilt wachten en dat u stond te popelen om uw licht hierover al te laten schijnen. Ik stel mij dan ook graag te uwer beschikking om dat te doen.

De bedoeling is dat het akkoord uiteindelijk uitmondt in een programmawet met een aantal sociaal-economische hervormingen. De defensie-uitgaven zullen ook worden verhoogd om dit jaar reeds de NAVO-norm van 2 % te halen, wat ondertussen ongeveer alle Europese landen gezegd hebben te trachten te doen, voor zover ze die norm nog niet haalden. Het akkoord omvat ook maatregelen ter versterking van de interne veiligheid en maatregelen op het vlak van asiel en migratie.

U hebt mij uitgenodigd – en ik heb uw woorden goed begrepen, mijnheer de voorzitter – om daarover zeer kort iets te zeggen. Dat is natuurlijk wel een uitdaging. We hebben immers 300 bladzijden wetgeving voorbereid met 500 artikelen. Probeer daarover maar eens zeer kort iets te zeggen. Ik heb daartoe gisteren een poging gewaagd, maar ik vrees dat die zeer lang is uitgevallen. Ik zal er dus stevig in wieden en schrappen en proberen enkel bij de essentie stil te staan.

Hoofdstuk 1 omvat de programmawet zelf met de sociaal-economische hervormingen in het kader van de begroting van 2025. Het gaat daarin over een eerste golf maatregelen. Er zullen er uiteraard nog volgen, want niet alles van het regeerakkoord is omgezet. Het was bijvoorbeeld niet gepland dat sommige zaken al in 2025 effect zouden hebben en die zijn dus uiteraard nog niet opgenomen in de komende programmawet. Dat is ook logisch.

Er zit wel nu al meer dan voldoende in om een serieuze kluif aan het Parlement te kunnen geven. Het gaat over maatregelen om de concurrentiehandicaps weg te werken, de arbeidsmarkt te hervormen en de fiscaliteit te verduurzamen en hopelijk ook rechtvaardig te maken. Dat is dus een eerste vertaalslag van het regeerakkoord en de ambities daarin. We plannen ook een aantal hervormingen te doen, waar dit land al heel lang op zit te wachten.

Over de hervorming van de werkloosheid is veel gesproken. Ik heb die het koninginnenstuk genoemd. Ik denk dat ik dat ook wel mag zeggen, omdat we nu eindelijk in een situatie zullen komen die de rest van de westerse wereld altijd heeft gekend of minstens al zeer lang kent en die dus mag gelden als de situatie van het gezond verstand.

Dat gezond verstand geeft het signaal dat werken loont en dat het een antwoord biedt op de vraag van de ondernemingen, waarvoor ondanks de moeilijke economische toestand nog altijd tienduizenden vacatures openstaan. Het is een verhaal waarin wordt ingezet op economische groei. Daarvoor is die maatregel noodzakelijk maar uiteraard zijn er nog vele andere maatregelen, zoals het aanpakken van de loonkostenhandicap, het uitbreiden van de flexibiliteit en het stimuleren van investeringen.

Ik overloop de belangrijkste punten. Het eerste luik gaat over het concurrentievermogen. Het concurrentievermogen van onze bedrijven moet een absolute prioriteit zijn. Ondernemers zijn de spil van onze economie. Zij scheppen de banen en de welvaart. Dat doet niet de politiek; dat doen zij. Zoals bepaald in het regeerakkoord, versterken wij het concurrentievermogen door de loonkosten te verlagen met de focus op de lage en de middelhoge lonen. Voor de hogere lonen herstellen wij een plafond om de patronale bijdragen, de kosten van de hoge lonen voor werkgevers, te verlagen. Die maatregelen zullen hopelijk helpen om de loonhandicap van onze bedrijven ten opzichte van onze buurlanden te verminderen en internationaal concurrerende sectoren te ondersteunen, teneinde opnieuw en gemakkelijker talent naar België te halen. Zeker met alles wat nu in de wereld gebeurt, is het pertinent dat wij daarop inzetten.

Behalve de loonkosten zijn er ook de hoge energieprijzen, die zeker voor de energie-intensieve bedrijven, met name onze industrie, een strop rond de nek zijn. Voor hen zal werk worden gemaakt van een korting op de transmissienettarieven. De bedoeling is die nog dit jaar, dus in 2025, in te voeren, zoals dat is vastgelegd in het regeerakkoord, teneinde hen zuurstof te geven en het concurrentienadeel in te perken waaronder zij vandaag lijden.

De regering wil ook investeringen stimuleren en aanmoedigen. Daarom wordt de aftrekbeperking van de overgedragen investeringsaftrek geschrapt. Dat zal investeren aantrekkelijker maken. Ook worden de tarieven van 30 % voor de grote ondernemingen en 40 % voor de kleine ondernemingen voor duurzame investeringen geharmoniseerd naar 40 % voor iedereen. Op die manier worden die tarieven eenduidiger.

Wij steunen niet alleen de grote en middelgrote bedrijven. Er is ook aandacht voor de zelfstandigen, die uiteraard een cruciale rol spelen in de economie en zeker ook in de lokale werkgelegenheid. Daarom zullen wij hen extra ondersteunen door een verdubbeling van de bestaande incentive voor eigen middelen, zijnde het belastingkrediet dat ondernemers met een eenmanszaak kunnen krijgen bij de verhoging van de eigen middelen. Dat belastingkrediet wordt verrekend met de verschuldigde personenbelasting, waarbij een eventueel positief saldo terugbetaalbaar is.

Tot slot, wat de mobiliteit betreft, is een overstap naar 100 % elektrische wagens nog niet voor iedereen mogelijk. De daarvoor opgestelde timetable was iets te optimistisch. Er stellen zich nog heel wat problemen met het opladen van die wagens. Vaak zijn ze niet handig voor werknemers, ondernemers en zelfstandigen die lange afstanden moeten afleggen.

Volledig elektrische auto's zijn fiscaal aantrekkelijk, wat ook zo zal blijven, maar zijn helaas niet voor iedereen nu al een oplossing. Om de vernieuwing van het wagenpark te stimuleren, zullen daarom de meest milieuvriendelijke hybride auto's tot eind 2027 voor 75 % fiscaal aftrekbaar blijven. Daarna wordt die aftrekbaarheid geleidelijk afgebouwd om in 2030 pas te verdwijnen.

Voilà pour le volet compétitivité. J'en viens au marché du travail. Nous prenons une série de mesures pour activer le plus grand nombre possible de personnes en bonne santé qui sont en capacité de travailler. La limitation des allocations de chômage à deux ans est probablement la réforme la plus marquante de l'ensemble de ces mesures. Elle vise à faire des allocations de chômage un véritable système assurantiel et un instrument de remise rapide à l'emploi. Elle entrera en vigueur le 1 er juillet 2025 pour livrer ses effets à partir du 1 er janvier 2026. Une exception est prévue pour les personnes âgées de plus de 55 ans ayant déjà une carrière de plus de 30 ans derrière elles. Afin de lutter contre la pénurie dans les soins de santé, une exception sera également prévue pour certaines formations.

Nous avons également concrétisé le droit au rebond. Un travailleur qui souhaite se réorienter sur le marché du travail pourra, une fois dans sa carrière et après un minimum de 10 ans de carrière, démissionner sans être financièrement sanctionné.

Concernant la dispense existante d'un certificat médical pour le premier jour d'incapacité de travail, nous limitons cette possibilité à deux fois par année civile, au lieu de trois. Par ailleurs, la question des malades de longue durée constitue aujourd'hui le plus grand défi de notre marché du travail: plus de 500 000 personnes sont concernées, et le coût pour la collectivité devient insoutenable. C'est pourquoi nous mettons en œuvre le plan le plus ambitieux jamais élaboré en la matière. L'objectif est clair: accompagner ces personnes de la manière la plus rapide et la plus efficace vers un retour à l'emploi. Ce plan repose sur la responsabilisation de tous les acteurs concernés: employeurs, employés, médecins et mutualités, chacun devant prendre pleinement sa part. La responsabilité constitue le fil rouge de cette nouvelle approche renforcée.

Enfin, nous rendons le marché du travail plus flexible et accessible, notamment via l'extension des flexi-jobs. Le plafond non indexé de 12 000 euros par an passe ainsi à 18 000 euros – montant qui, lui, sera indexé.

Le troisième volet est le coût du vieillissement de la population. Pour en maîtriser l'explosion, nous plafonnons l'indexation des pensions les plus élevées, permettant de la sorte une économie d'environ 200 millions d'euros d'ici 2029. À partir de l'année prochaine, nous remplacerons le bonus pension par un bonus-malus pension.

En ce qui concerne les soins de santé, la norme de croissance est fixée à 2,5 % au-dessus de l'index en 2025 pour atteindre 3 % en 2029, afin de pouvoir continuer à répondre à la demande croissante de soins de qualité.

Dans tous les domaines de la sécurité sociale, des réformes sont nécessaires, y compris dans les soins de santé. Le vieillissement de la population nous impose une sérieuse dose de réalisme. Malgré une situation budgétaire extrêmement difficile, des investissements supplémentaires seront indispensables dans les années à venir.

Ce gouvernement fait toutefois le choix délibéré de ne pas couper dans les dépenses qui protègent les plus vulnérables de notre société. Cela ne signifie pas pour autant un laisser-aller. La facture du vieillissement est immense et l'absence de réformes durant des décennies nous oblige aujourd'hui à agir. Le secteur des soins de santé n'échappera donc pas non plus à une réforme en profondeur.

Le quatrième volet concerne la fiscalité. Ce gouvernement accorde également une grande importance à la justice fiscale. Nous partons du principe de la bonne foi. Lorsqu'une irrégularité est constatée lors d'un contrôle, le contribuable ne sera plus automatiquement sanctionné par une majoration d'impôts. Nous intensifions la lutte contre la fraude fiscale. Grâce au datamining , les inspecteurs pourront mieux détecter et analyser les irrégularités flagrantes.

Par ailleurs, nous réduisons la TVA de 21 % à 6 % à partir du 1 er juillet 2025 pour la livraison d'une habitation propre et unique d'une superficie maximale de 175 m² dans le cadre de la démolition et de la reconstruction. Cela permet notamment de répondre à la crise du logement, à la crise du secteur de la construction et d'accélérer la transition vers un parc immobilier plus durable.

Enfin, acquérir la nationalité belge deviendra plus coûteux. La taxe pour l'obtention de la nationalité passera de 150 euros à 1 000 euros.

Hoofdstuk 1 was de programmawet.

Nu kom ik tot hoofdstuk 2, het defensieplan. Ook dat is een belangrijk onderdeel geworden van het paasakkoord. U weet dat wij ambitie hadden om de 2 % te bereiken in 2029, maar dat de geopolitieke realiteit ons dwingt om dat dit jaar al te doen. Daarmee zullen wij de belofte om de NAVO-norm te halen, meer dan tien jaar nadat die in Wales door toenmalig premier Di Rupo werd uitgesproken, eindelijk realiseren. Vooral ook geven we een signaal aan de internationale gemeenschap, en met name aan onze Europese bondgenoten, dat men op ons kan rekenen en dat wij naast onze bondgenoten staan. We laten zien dat wij ook pro-Oekraïne blijven en in staat willen zijn om aan alle initiatieven deel te nemen om dat land te ondersteunen en alle initiatieven om onze westerse wereld en onze Europese hemisfeer veilig te houden.

Het vergt wel een serieuze extra inspanning. Voor dit jaar gaat het over 3,9 miljard euro. Dat zullen we bereiken via bijkomende financiering, gebaseerd op de vennootschapsbelasting op de bevroren Russische tegoeden. Dat schatten we op ongeveer 1,2 miljard euro aan inkomsten, die we uiteraard zullen omzetten in bilaterale militaire hulp voor Oekraïne. Het lijkt me ook maar logisch dat dat geld naar Oekraïne gaat. Daarnaast is er een dividend van Belfius van 500 miljoen euro dat zal worden gevraagd en waarvan de bank ons garandeert dat dit geen probleem betekent. Tot slot zal een deel buiten de begrotingsdoelstelling worden gehouden, binnen de marges die ons door Europa in het kader van de ReArm Europe-beslissingen zijn toegestaan. Het is natuurlijk de bedoeling dat dit aandeel, dat eigenlijk niet in de begroting is voorzien, in loop van de legislatuur wordt afgebouwd en omgezet in structurele financiering om zo naar een nulpunt te dalen tegen 2029. Een gezonde begroting blijft immers een absolute prioriteit voor deze regering.

De extra defensie-uitgaven zijn noodzakelijk, maar uiteraard beschouwen we dat niet alsof ons cadeaus worden gegeven. We zullen dus de financiering zoeken om die tijdelijke hogere tekorten op te lossen via optimalisering van onze overheidsactiva, maar altijd met het oog op goed huisvaderschap. Er is ruim en uiteraard ook terecht op gewezen dat het weinig zin heeft om activa te verkopen die ons op lange termijn meer kosten dan we er op korte termijn opbrengsten uit kunnen halen; dat is uiteraard niet de bedoeling.

De minister van Financiën krijgt de opdracht om voor 1 juli een Defensiefonds op te starten dat op termijn gefinancierd kan worden met publieke activa, maar ook met private middelen. Dat moet een instrument worden dat toelaat om strategisch te investeren in hightech, innovatie en industrie. Ik denk dat hier ook echt wel opportuniteiten voor ons land liggen die we op korte termijn kunnen grijpen.

De regering is zich ervan bewust dat de kans reëel is dat de norm van 2 % binnen de NAVO op korte termijn zal worden verhoogd. Daarom zullen we na de NAVO-top in Den Haag in juni bekijken wat het nieuwe traject zal zijn, welke termijnen er aan gebonden zijn en welke gevolgen we daaraan moeten geven.

Ondertussen zal de minister van Defensie voor 1 juli ook met een strategisch plan komen over hoe de bijkomende uitgaven in 2025 precies zullen worden besteed. In grote lijnen zullen de extra investeringen worden gebruikt om vorm te geven aan de Europese defensiepilaar en de capaciteitsdoelstellingen te bereiken die ons door de NAVO worden opgelegd. Het is blijkbaar nog de illusie in veel fracties dat men een soort vrije beschikking heeft. Dat is uiteraard niet waar. Er zijn capabilities die de NAVO ons oplegt en die we zullen moeten realiseren.

Tegelijk met deze internationale inspanningen en verplichtingen zal Defensie ook een rol opnemen in de binnenlandse veiligheid. Dat was ook altijd zo voorzien in het regeerakkoord. Op korte termijn zal zich dat vertalen in de beveiliging van gevoelige nucleaire sites. Gezien dreigingsniveau 3 is dat conform het regeerakkoord ook perfect mogelijk en kunnen we daarmee de politiediensten ontlasten, wat uiteraard ook een bonus is voor onze binnenlandse veiligheid. De bedoeling is dat Defensie daarover tegen 1 mei – dat is dus zeer binnenkort – een protocol met Binnenlandse Zaken zal sluiten om dat praktisch op te nemen.

Le troisième chapitre concerne la sécurité intérieure. Pour garantir les investissements nécessaires en matière de sécurité intérieure, le budget prévu dans l'accord de gouvernement pour le renforcement des services de sécurité et de la politique de retour sera utilisé de manière flexible. Cela signifie que les crédits d'engagement et de liquidation disponibles pourront être transférés entre les exercices budgétaires 2025, 2026, 2027, 2028 et 2029 en fonction des besoins budgétaires concrets par exercice budgétaire sans dépasser l'enveloppe totale cumulée à la fois par service de sécurité et au total. Concrètement, cela permettra de dégager plus de 150 millions d'euros supplémentaires cette année pour renforcer nos services de sécurité et notre politique de retour, notamment aussi pour accélérer les investissements dans la cybersécurité.

Les task forces chargées de lutter contre la surpopulation carcérale poursuivront leurs travaux et élaboreront conformément à l'accord de gouvernement un plan d'action qui sera soumis à l'appropriation du Conseil des ministres d'ici la mi-mai 2025.

L'une des principales priorités sera de renvoyer dans leur pays d'origine les détenus qui n'ont pas le droit de rester sur notre territoire. Le gouvernement a également l'intention de prendre des mesures concrètes à court terme pour utiliser la capacité des prisons à l'étranger.

Pour mettre en œuvre ce plan d'action global, une enveloppe unique, avec un minimum de 55 millions d'euros en 2025, sera libérée en crédits d'engagement et de liquidation. La ministre de la Justice, en concertation avec les ministres responsables des différents groupes de travail, joindra une proposition de répartition de cette enveloppe au plan d'action. La mise en œuvre de ce plan fera l'objet d'un suivi semestriel et d'un rapport au Conseil des ministres.

Het vierde en laatste hoofdstuk gaat over asiel en migratie. Er is een maatregelenpakket inzake asiel en migratie goedgekeurd. Het gaat om ingrepen die de instroom naar ons land zou moeten laten dalen. Asielzoekers die in een ander Europees land bescherming hebben gekregen, zullen geen recht op opvang in dit land meer hebben. Het misbruik van de asielprocedure via minderjarigen wordt aangepakt. Wie na een eerdere afwijzing via zijn kind een nieuwe aanvraag zonder nieuwe elementen indient, zal geen opvang meer krijgen.

De inkomensgrens waaraan een gezinshereniger moet voldoen, zal worden omhooggetrokken en verder stijgen naargelang het aantal betrokken personen. Wie zijn gezin wil laten overkomen, moet dus bewijzen dat hij of zij daarvoor zelf financieel kan instaan. Ook zullen er wachttijden van 1 tot 2 jaar gelden voor gezinshereniging of gezinsvorming, afhankelijk van het verblijfstatuut. Tot slot zorgen we ervoor dat een asielaanvraag geen toegangsticket tot de sociale bijstand is. Wie geen opvang krijgt, zal geen aanspraak op leefloon kunnen maken.

Deze maatregelen zijn getoetst aan de Europese rechtspraak. Volgens ons voldoen ze daaraan. Hopelijk zullen ze de druk op het asielsysteem verlagen, zodat wij kunnen voldoen aan de plichten jegens asielaanvragers die wel voldoen aan de voorwaarden om hier te mogen verblijven en van opvang te kunnen genieten.

Tot zover de belangrijkste punten van het akkoord van 11 april. Het was maar een grabbel uit het geheel. Ik luister graag naar uw opmerkingen. Ik zal alvast zeggen dat precieze, gedetailleerde, concrete vragen een beetje vroeg komen. U moet die ook stellen aan de bevoegde ministers in de commissies. Ik luister uiteraard wel graag naar uw algemene bedenkingen. Ik zal in de mate van het mogelijke repliceren. Ik ben uiteraard zeer benieuwd of u zich iets zal aantrekken van deze laatste woorden. Ik maak mij daarover geen enkele illusie, maar ik dank u voor uw aandacht.

Voorzitter:

Dank u wel voor uw bondige uitleg over het paasakkoord, mijnheer de eerste minister.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn spreektijd delen met collega De Vreese.

Ik vergelijk de situatie van het land bij de start van de arizonaregering met die van het bijbelse Egypte dat te maken kreeg met tien plagen: hoge schulden, heel veel uitkeringen, korte loopbanen, de kortste van Europa, veel langdurig zieken en dus ongelooflijk veel ziekteverzuim, evenveel als in Duitsland, hoge loonkosten, hoge energiekosten, sterke vergrijzing, die een bom legt onder onze pensioenen, een spilzucht van jewelste, migratie die druk legt, heel veel ondernemers en werknemers die tevergeefs op zoek zijn naar collega's, ongeacht een relatief lage werkzaamheidsgraad, waardoor economische groei gefnuikt wordt, zeker in het zuiden van het land. Dan hebben we nog de ontzettend grote geopolitieke uitdagingen, die forse investeringen vragen in ons veiligheidsapparaat en defensie. Het is dus bijna onmogelijk – we hebben het hierover al een tijdje geleden gehad – om dit land in vijf jaar tijd op orde te krijgen.

We bevinden ons in een immense crisissituatie. Als we het politiek landschap van vandaag bekijken, dan kan men nog moeilijk over rechts en links spreken. Als wij hier de keuze zouden mogen maken tussen een Amerikaans systeem van sociale zekerheid, waarbij alles verzekerd, peperduur en moeilijk toegankelijk is, en ons systeem, dat gebaseerd is op herverdeling, dan denk ik dat iedereen voor ons systeem zou kiezen.

De vraag die vandaag moet worden beantwoord, is hoe we de sociale zekerheid kunnen redden, wat meteen ook een politieke keuze inhoudt. Er zijn dan drie politieke stromingen. Volgens de eerste politieke stroming, vertegenwoordigd door de PS, de PTB, Groen en Ecolo, die van de sociale strijd, moeten we maar de ogen sluiten voor de tien plagen, vooral op zoek gaan naar een Vlaamse liberaal die dat bootje, de Titanic wil leiden en laten doorvaren, en zullen we wel zien – après nous le déluge –, de volgende generaties zullen de schuld wel aflossen.

Ten tweede is er het team kookwekkertje, dat zegt om vooral te applaudisseren voor dat team, en te zien hoe de boel verder verziekt wordt en hoe welvaart en ondernemerschap nog eens vijf jaar lang verder vernietigd wordt, zeker in Vlaanderen.

En dan is er, ten derde, het arizonateam. Dat behoort tot de politieke generatie die wil verbinden en verenigen om de sociale zekerheid te redden, om dit land en wie hier geboren wordt, nog een deftige toekomst te geven, hopelijk een toekomst die beter is dan de onze.

Het regeerakkoord overtrof al mijn verwachtingen, maar het paasakkoord is werkelijk fenomenaal. Het paasakkoord betekent de verrijzenis van onze welvaart. Na 25 jaar nauwelijks deftige hervormingen hebben we nu eindelijk een regering, die doorpakt. Eerlijk gezegd, ik was bang. Toen ik het regeerakkoord verdedigde, vroeg ik mij af hoe we dat allemaal konden waarmaken en of we wel voor de zomer al die maatregelen en hervormingen konden rondkrijgen. Kijk eens aan, hier is een paasakkoord dat onze verwachtingen overtreft.

Het is het arizonateam op zijn best. Met betrekking tot de loonkosten gaan we naar een ongeziene lastenverlaging op de patronale RSZ. Met betrekking tot de uitkeringen, we beperken de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. We flexibiliseren onze arbeidsmarkt. Het plafond voor flexijobs wordt opgetrokken. We breiden ook het toepassingsgebied uit. Met betrekking tot energie, om de energiekosten te verlagen, komen er transmissienettarieven. Met betrekking tot korte loopbanen en vergrijzing wordt een pensioenmalus ingevoerd. We hervormen onze pensioenen grondig. We zorgen ervoor dat mensen in de toekomst ook nog een deftig pensioen krijgen. Met betrekking tot zieken is het pakket maatregelen ongezien. Er komt responsabilisering voor huisartsen, werkgevers en werknemers. Eindelijk wordt er echt werk gemaakt van de re-integratie van langdurig zieken op onze arbeidsmarkt. Eindelijk sluiten we onze ogen daar niet meer voor. Tegelijk is de coalitie in zeer moeilijke tijden, budgettair vreselijke tijden, erin geslaagd om via moeilijke maatregelen toch middelen te vinden om minstens op vlak van defensie ons al te verzekeren van vrede en om op de veiligheidsdepartementen het nodige te doen.

Mijnheer de eerste minister, kortom, onze fractie is ongelooflijk trots op het vele werk dat u en uw regering hebben verricht. Wij zullen met veel aandacht de programmawetten en alle andere wetgevende initiatieven doornemen, bespreken en natuurlijk ook goedkeuren, zodat de sociale zekerheid en de toekomst van dit land verzekerd blijven.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, het is niet voor niets dat een aantal toppers binnen onze partij het boek Puinhopen van Vivaldi hebben geschreven. Op die puinhopen moet Arizona nu het moeilijke werk doen.

Als we kijken naar de geopolitieke toestand en naar de interne veiligheid, dan zien we dat we daar voor enorme uitdagingen staan, eerst en vooral inzake Defensie. Wat een prestatie, eindelijk zullen we na zoveel jaar de NAVO-norm van 2 % halen. Bovendien, gelet op de belofte die we net hoorden, zullen we die norm waarschijnlijk ook moeten herzien. Er komt dus een nieuwe, moeilijke oefening aan, collega's, maar één ding is zeker: we staan naast onze bondgenoten en we houden onze broek zelf op.

Dat is ook waar wij als partij en als regering voor staan: investeren in de veiligheidsdepartementen. Net zoals in de Zweedse regering gaan we eindelijk weer van veiligheid en van een strikt asiel- en migratiebeleid een topprioriteit maken. Iedere week spreken we in de commissie voor Binnenlandse Zaken over de grote uitdaging waar we voor staan. Denk maar aan de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit. Ik kan eigenlijk al niet meer benoemen hoeveel feiten er zich de voorbije dagen in Brussel hebben voorgedaan. We zullen de budgetten dus flexibel, gericht en efficiënt moeten inzetten op het moment en op de plaats waar ze nodig zijn.

Kijken we dan naar de erfenis die we inzake Justitie hebben gekregen met de overbevolking in de gevangenissen. Ik zie de collega's Van Tigchelt en Van Quickenborne zitten, maar ik zou eigenlijk stilletjes vol schaamte thuisblijven, want de erfenis die we daar krijgen, is dramatisch. Dat horen we ook van de mensen die daar werken. Ook in Brugge is er een overbevolkte gevangenis. De werkomstandigheden daar voor het personeel zijn niet houdbaar. Dat is de erfenis van onze twee collega's.

Nu zullen we terecht maatregelen nemen tegen de overbevolking van de gevangenissen, bijvoorbeeld door in te zetten op de repatriëring van mensen in illegaal verblijf, van criminelen die in onze gevangenis zitten. Dat is ook wat ik hoor van de mensen op de straat. Zij vragen om dat prioritair aan te pakken.

Bovendien, mijnheer de eerste minister, moet u ook eens bekijken waar er nog marges zijn, want we focussen in dit paasakkoord voornamelijk op de mensen die hun straf uitgezeten hebben, maar er is ook een mogelijkheid om de straf uit te zitten in het land van herkomst. Daarom zou ik u willen vragen om te bekijken welke marges er daar nog zijn, bijvoorbeeld voor onderdanen van de Europese Unie en onderdanen van visumvrije landen, waarmee we toch hele goede terugnameakkoorden hebben. Misschien kunnen we daarmee nog goede overeenkomsten sluiten.

U spreekt ook over de gevangeniscapaciteit in het buitenland. Dat is een piste die we in het verleden ook hebben bekeken. Zijn die pistes al onderzocht? Kunt u daar al een tipje van de sluier oplichten?

Interne veiligheid heeft niet alleen betrekking op politionele veiligheid, maar ook op strategische autonomie, weerbaarheid, energie, mobiliteit. Zijn er ook op dat vlak plannen?

Dan kom ik bij asiel en migratie. Het is ongelooflijk. Twee maanden na de eedaflegging komen we al met crisismaatregelen om de instroom werkelijk in te perken. De prognose is dat we dit jaar naar 50.000 asielzoekers gaan. Dat betekent dat we daadwerkelijk zullen moeten optreden. Communicatie is daarbij zeer belangrijk, mijnheer de premier. Dit nieuws gaat in de diaspora als een lopend vuurtje rond. Het is belangrijk dat we maatregelen nemen die we werkelijk kunnen uitvoeren en die ook de rechterlijke toets doorstaan. Ook dat zou in de diaspora als een lopend vuurtje rondgaan. Dit zijn dus geen losse flodders. Daarop zetten we met Arizona in: een realistisch, streng, zeer streng migratiebeleid.

Ik wil ook een dikke pluim geven aan de cabinetards achter de schermen, die hier heel hard voor gewerkt hebben, en natuurlijk aan de hele arizonaregering.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, voor een regering die er haar prioriteit van maakt om de cijfers op orde te hebben, vind ik het wel bijzonder opmerkelijk dat we nog geen enkel budgettair kader hebben gezien, op dat ene A4'tje bij uw regeringsverklaring na, die ene begrotingstabel, waar het Vlaams Belang trouwens nog fouten uit heeft gehaald.

We hebben nadien de beleidsverklaringen per minister gehad. Zij waren reglementair verplicht om daar een budgettair kader bij te geven. Geen van hen heeft dat gedaan. Toen kregen we te horen: u zult de beleidsnota's bij de begroting krijgen. Uiteraard is dat niet hetzelfde. Beleidsnota's bij de begroting gaan over één jaar. Bij de beleidsverklaringen zou dat budgettair kader de hele legislatuur moeten omvatten. Maar goed, wij keken dus reikhalzend uit naar die beleidsnota's.

Ik weet niet of u het weet, maar de deadline voor al die beleidsnota's is reeds verstreken, want die verviel op 11 april. Ik weet dat u niet graag detailvragen krijgt, maar ik zal u meteen het antwoord geven op de vraag hoeveel beleidsnota's vandaag al ter beschikking zijn voor de Kamerleden. Het zijn er welgeteld drie: Administratieve Vereenvoudiging, Begroting en Mobiliteit. Voor een premier die orde op zaken ging stellen, ook budgettair, maar bij wie het budgettair kader al maanden uit blijft, kunnen we niet anders dan vaststellen dat het een financieel rookgordijn is. Collega Ronse mag dan wel bijzonder lyrisch zijn over wat hij een fenomenaal paasakkoord noemt, maar het is niet gefinancierd, want de financiering is een rookgordijn.

Inzake de defensie-uitgaven zegt u dat eindelijk de 2 %-norm van het bbp behaald zal worden. Daar pleiten wij al heel lang voor. Het is wel heel kort door de bocht om de terechtwijzing voor die puinhoop alleen naar de vivaldiregering te richten, zoals collega De Vreese doet, want er wordt al veel langer bespaard op Defensie. Het historisch dieptepunt was 0,9 % van het bbp onder de Zweedse regering, onder toenmalig N-VA-minister Steven Vandeput. Het is dus goed dat die uitgaven eindelijk naar die 2%-norm gaan, maar op welke manier haalt u dat? Niet door een structurele financiering, want u houdt 2 miljard buiten de begroting, met andere woorden: schulden maken, doorschuiven naar de volgende Vlaamse generatie. Dat is exact waarvan uw minister van Begroting enkele weken geleden nog zei dat hij uitgerekend dat niet wilde doen.

Ik permitteer het me om nog een detailvraag te stellen, al is het misschien geen vraag naar een detail. Ik wil namelijk graag weten of het klopt dat u camouflagetechnieken toepast, mijnheer de eerste minister. In de pers lees ik namelijk dat heel wat normale uitgaven nu plots in een militair jasje worden gestoken om toch maar aan die 2 % te geraken. Voorbeelden zijn uitgaven voor de Veiligheid van de Staat, voor het Europees Ruimtevaartagentschap, voor onze beveiligde datanetwerken en voor normale infrastructuurwerken aan bruggen. Dat zouden nu plots allemaal defensie-uitgaven zijn. De pers lees ik altijd met voorbehoud, vandaar dat ik u vraag of dat überhaupt klopt.

Mijnheer de eerste minister, uw paasakkoord is alleszins geen verrijzenis van politieke moed. U hebt niet de politieke moed gehad om voor een structurele financiering en structurele hervormingen te kiezen, maar dat wisten we al. Daarvoor hebt u institutionele hervormingen nodig, maar die weigert u door te voeren.

Over de eigenlijke pensioenhervorming hebt u niet gesproken. Blijkbaar is die pas voor het najaar. Omtrent de maatregelen inzake de pensioenhervorming die al voor de zomer goedgekeurd zouden moeten worden, konden we vandaag plots lezen dat uw coalitiepartner Vooruit nu eerst nog bijkomende eisen stelt vooraleer die te steunen.

Los van het feit dat wij van de pensioenmaatregelen ook nog geen budgettair kader kennen, dat het Federaal Planbureau alle plannen nog helemaal moet doorrekenen en dat u zich volledig stoelt op hypotheses, had ik graag – dit is geen detailvraag – uw reactie gekregen op het feit dat coalitiepartners tachtig dagen na het sluiten van het regeerakkoord plots nog bijkomende eisen vaststellen.

U hebt het kort over asiel gehad. Daarover kan ik ook heel kort zijn. U hebt enkele maatregelen genoemd om de instroom te beperken. U had er veel meer moeten noemen indien u werkelijk de instroom deftig zou willen tegenhouden. U hebt bovendien vooral geen enkele maatregel genoemd die de uitstroom zal opkrikken, mijnheer de eerste minister. Geen woonstbetredingen, geen heropening van terugkeercentra voor gezinnen en geen druk op derdelanden om hun illegale en criminele onderdanen terug te nemen. Dat is nochtans exact wat wij nodig hebben voor Justitie en de overbevolkte gevangenissen. Dat ontbreekt echter volledig.

Het enige dat met het paasakkoord lijkt te zijn verrezen, is Vivaldi, Verhofstadt en De Croo. U gebruikt extra leningen, lucky shots en eenmalige inkomsten als begrotingstrucs. U schuift de problemen door. Ondertussen stijgt de staatsschuld nog en beweert u dat de regering dat zal oplossen tegen 2029. Tegen dat jaar zou er een structurele financiering komen. Ik weet niet wie u daarmee in het ootje meent te nemen. Door alle daadkrachtige maatregelen uit te stellen, alsof het vijgen na Pasen zijn, maakt u zich allerminst geloofwaardig.

Voorzitter:

Neemt nog iemand het woord namens het Vlaams Belang?

Annick Ponthier:

Mijnheer de premier, ik zal mij beperken tot het segment Defensie. Zoals reeds gezegd, is deze regering aangetreden met de doelstelling om orde op zaken te stellen. Als parlementsleden beschikken wij op dit moment over geen enkel budgettair kader, ook niet voor het segment Defensie.

U weet dat het Vlaams Belang al jaren pleit voor het optrekken van het Defensiebudget tot de 2 %-norm. We zijn uiteraard blij dat die norm in dit paasakkoord vervat zit. Wat echter de financiering daarvan betreft, hebt u een aantal cijfers opgesomd, maar die gaan voornamelijk over de financiering voor dit jaar. Wat betreft de structurele inspanningen voor Defensie, daar blijft u luchtkastelen bouwen en blijven wij op onze honger met betrekking tot een deftige financiering.

Mevrouw De Vreese vindt die 2 % een ongelooflijke prestatie. Ik wil haar vragen hoe lang die euforie zal aanhouden. Ik denk dat dat maar tot juni zal zijn, tot de NAVO-top in Den Haag. Dan zullen wij onze broek al niet meer zelf kunnen ophouden, dan zal die 2 %-norm meteen achterhaald zijn en zullen onze capaciteitsdoelstellingen door de NAVO hoger worden gelegd.

Mijnheer de premier, ik wil u dus vragen hoe u die structurele inspanningen op het vlak van Defensie in de toekomst zult behalen en onderbouwen. U rekent ook op de deelstaatregeringen. Uw coalitiepartner, de MR, heeft zich altijd sterk gemaakt dat deze regering geen nieuwe belastingen zou heffen. Nochtans zien we dat u zou rekenen op de inspanningen van de deelstaten, meer bepaald van de Vlaamse regering, inzake de kilometerheffing. Als dat klopt, dan moet u het met mij eens zijn dat opnieuw de Vlaming het gelag zal moeten betalen. Ook op dat vlak vraag ik u dus om duidelijkheid te verschaffen.

Ik zal het hierbij houden en het woord laten aan mijn collega, mevrouw Van Belleghem.

Francesca Van Belleghem:

Mijnheer de premier, vorig jaar telden we 50.000 gezinsmigranten, 40.000 asielmigranten en regularisatie van bijna 5.000 illegalen. 80 % van de Vlamingen is het ermee eens dat u de toestroom van die mensen moet stoppen.

Hoe doe u dat? Eerst neemt u een pakket van snelle maatregelen, nu dus. Ondertussen werkt u verder aan een langetermijnoplossing. Voor de snelle crisismaatregelen hebt u twee opties. Optie een is een bazooka van makkelijke maatregelen. Ik heb er een boek over geschreven met 106 mogelijke voorstellen, gebaseerd op wat Zweden al twee jaar doet en wat werkt. Voor het eerst zullen er in Zweden immers meer mensen vertrekken uit Zweden dan er immigreren naar Zweden.

Uw tweede optie, een nieuwe mogelijkheid en mijn favoriet, is aankloppen bij de EU, bij uw vriendin Ursula von der Leyen. U kunt haar zeggen, verwijzend naar artikel 72 van het Werkingsverdrag van de EU dat stelt dat als de openbare orde en de nationale veiligheid in gevaar zijn, men EU-regels buitenspel kan zetten, dat we nu een asiel- en gezinsherenigingsstop nodig hebben, aangezien onze openbare orde en de nationale veiligheid door de massa-immigratie in gevaar zijn. Dan bent u in de EU de voortrekker om massa-immigratie te stoppen. We zien nu echter dat het paasakkoord helemaal geen maatregelen in die zin bevat.

Premier, zult u dus tot bezinning komen en nog zo'n maatregel invoeren?

Voorzitter:

U bleef mooi binnen de tijd.

Le groupe MR dispose de 10 minutes.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, le groupe MR se réjouit de cet accord historique que l'Arizona a conclu très récemment. Nous aurons évidemment aussi quelques questions. Nous sommes conscients que certains de vos ministres devront répondre, mais nous voudrions avoir votre position sur toute une série d'aspects que nous allons relever ici.

Nous nous félicitons de l'accord capital qui fait aboutir, sous notre impulsion, une mesure phare et essentielle pour ce gouvernement. Il s'agit de la limitation du chômage dans le temps. Cette mesure clé permettra de porter l'économie belge, ses travailleurs, ses entreprises et son modèle social.

Cette décision n'a pas été prise à la légère. Elle marque un tournant décisif dans notre politique sociale et économique. Elle est le fruit d'une volonté commune de renforcer notre économie tout en protégeant notre modèle social. Cette réforme vise à encourager le retour à l'emploi et à responsabiliser les acteurs impliqués dans la réintégration des chômeurs de longue durée.

Le gouvernement a adopté des mesures concrètes pour soutenir nos entreprises, avec un investissement de près de 1 milliard d'euros à l'horizon 2029. L'objectif, que le MR partage résolument, est de stimuler l'embauche et de renforcer la compétitivité de nos entreprises.

Sur le plan fiscal, le gouvernement prend des mesures ciblées pour soutenir l'investissement, encourager le travail et accompagner la transition écologique. Les indépendants, moteurs de notre économie, bénéficieront d'un crédit d'impôt renforcé lorsqu'ils investissent dans leurs fonds propres. Il s'agit d'une mesure concrète pour renforcer leur résilience.

En matière de logement, le taux de la TVA est ramené à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction destinés à devenir des habitations principales, ce qui favorise l'accès à un logement durable et performant sur le plan énergétique.

Le gouvernement oriente aussi sa fiscalité vers une mobilité plus propre. La déductibilité fiscale des voitures hybrides les plus écologiques est prolongée jusqu'en 2027. Cela permettra un renouvellement progressif du parc automobile.

En outre, le plafond de revenus dans le cadre des flexi-jobs est augmenté et désormais fixé à 18 000 euros par an. Enfin, le relèvement du plafond des revenus autorisés pour rester fiscalement à charge permettra aux étudiants de travailler davantage sans que leurs parents perdent leurs avantages fiscaux.

Ce changement s'inscrit dans la volonté de favoriser le travail étudiant tout en tenant compte des réalités économiques.

La sécurité est une priorité absolue de l'Arizona comme elle l'est pour le MR. Là encore, l'accord de Pâques prévoit des mesures importantes comme la sécurisation des sites nucléaires par des militaires, ce qui libère de la capacité opérationnelle, à savoir 350 policiers qui pourront se recentrer sur leurs tâches essentielles.

L'enveloppe supplémentaire de 1,2 milliard pour l'ensemble des départements de sécurité prévue en marge de l'accord prévoit une enveloppe d'un milliard supplémentaire. Elle est maintenant annoncée sur l'ensemble de la législature. Ce serait évidemment intéressant de déterminer les postes qui seront visés à court et moyen terme par ces budgets conséquents.

Je veux également souligner l'engagement de concrétiser prioritairement certaines mesures primordiales pour le MR en termes de lutte contre l'impunité et le renforcement de la sécurité, notamment l'élargissement de la sanction de déchéance de nationalité ou l'alourdissement des peines liées au trafic de drogue et d'armes, au blanchiment d'argent et à la criminalité organisée, en particulier lorsqu'elle implique des mineurs.

S'agissant du dossier de la surpopulation carcérale, la ministre Verlinden a obtenu un budget de 150 millions d'euros, qui seront notamment investis dans des unités modulaires.

En matière migratoire, la politique sera renforcée afin de sortir la Belgique du rôle de maillon faible de l'Europe. En effet, l'accord de Pâques prévoit un durcissement des conditions de regroupement familial et un recentrage de l'aide sur l'essentiel, dans le but de réduire la pression constante de l'accueil.

Personne ne l'ignore, les dépenses de la défense atteindront les 2 % du PIB. Ce renforcement structurel est fondamental pour assurer notre souveraineté et contribuer à la sécurité collective au sein de l'OTAN. Nous devons confirmer la fiabilité de la Belgique comme partenaire de sécurité sur la scène internationale.

En ce qui concerne les finances, monsieur le premier, nous saluons pleinement l'ambition de cette loi-programme, des mesures fortes qu'elle porte, notamment en matière fiscale. Nous relevons plusieurs avancées en faveur de la transition. La baisse du taux de la TVA à 6 % est un point majeur. Nous souhaiterions savoir si des mesures transitoires sont prévues, tant pour la hausse de la TVA sur les chaudières que pour la baisse à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction, afin de sécuriser les contrats et les devis déjà établis avant le 1 er juillet 2025. Pouvons-nous nous attendre à une circulaire ou à un arrêté d'exécution qui précise la date déterminante pour l'application du taux?

Par ailleurs, nous souhaiterions connaître la clé de répartition du 1,2 milliard alloué aux services de sécurité. Quel pourcentage ira-t-il à la Justice et surtout à quels postes? Mme Verlinden annonce notamment l'achat de modules cellulaires. Pouvez-vous nous en dire plus quant à la concrétisation de ces mesures? Comment les montants seront-ils répartis ?

Ces derniers jours, nous avons entendu le mécontentement de la magistrature debout, qui exprime des revendications par rapport à la pénurie de personnel et à ce que les magistrats considèrent comme des atteintes à leur carrière et à leurs pensions. Des dispositions sont-elles envisagées à court terme pour redorer cette fonction qui est essentielle dans un État de droit et éviter que le magistrat devienne le prochain métier en pénurie?

Concernant le retour au travail des personnes malades de longue durée, nous aurions souhaité connaître le regard que vous portez sur les contrôles des certificats médicaux. Sont-ils suffisants à vos yeux? Dès le 1 er juillet, il est prévu de passer aux certificats électroniques. Des moyens supplémentaires seront-ils prévus pour renforcer ces contrôles?

Concernant l'emploi, il y aura une limitation du chômage à deux ans avec une progressivité. On passe dans un système assurantiel. Si nous pouvons vraiment applaudir cette mesure, une question subsiste sur l'exception pour les travailleurs des arts. Le statut des artistes est particulier. Votre gouvernement a choisi de le maintenir en l'état pour l'instant tout en luttant contre les abus. Pouvez-vous dire comment vous comptez lutter contre ces abus?

En ce qui concerne la fiscalité, une augmentation du plafond des flexi-jobs aura lieu. Celui-ci passera à 18 000 euros. Nous applaudissons encore une fois cette mesure, mais allez-vous étendre les flexi-jobs à l'ensemble des secteurs dès maintenant ou dans un second temps?

Enfin, votre accord de Pâques comprend une avancée majeure pour la pension des indépendants, que mon parti soutient résolument. A partir du 1 e juillet 2025, les indépendants qui poursuivent leurs activités après l'âge légal de la pension auront la possibilité de se constituer des droits supplémentaires à la pension.

Ceux qui préfèrent rester soumis au régime actuel à cotisation réduite conserveront cette option sans ouverture de nouveaux droits. Dès lors, les indépendants qui souhaitent continuer à travailler plus tard continueront à se constituer des droits. Avez-vous déjà une idée du nombre d'indépendants qui pourraient bénéficier de ce système?

Voorzitter:

Je donne la parole aux membres du groupe PS qui dispose de 10 minutes.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le président, je partagerai mon temps de parole avec M. Courard, Mme Désir et Mme Meunier, de sorte que j'essaierai d'être bref.

Monsieur le premier ministre, chers collègues, vous ne serez pas étonnés que je ne partage pas l'euphorie qui est celle de votre premier apôtre. Un accord historique, comme cela a été souligné à maintes reprises. Alors oui, il est historique. Je pense effectivement que cet accord de Pâques, qui n'est jamais que la transposition d'une partie de votre accord de gouvernement, est historique, puisque jamais dans l'histoire de notre pays, un effort n'a été consenti par une si grande partie de la population. En effet, 95 % de l'effort vont être supportés par la classe moyenne. C'était déjà ce qu'on pouvait déduire de votre accord de gouvernement, et c'est confirmé aujourd'hui avec ce prétendu accord de Pâques.

Vous allez précariser la classe moyenne avec – même si vous n'osez pas le dire – une augmentation des impôts, avec une augmentation de la fiscalité pour cette classe moyenne, notamment par la suppression de toute une série d'avantages. Je pense à la réduction de la déductibilité pour les dons aux associations, je pense à la réduction de la déductibilité pour les pensions alimentaires, la hausse de la TVA sur les chaudières à mazout ou au gaz, et je pourrais en citer toute une série d'autres.

Un affaiblissement de la classe moyenne, qui va devoir payer les efforts que vous lui imposez alors que les 5 % les plus riches de la population sont, quant à eux, majoritairement épargnés. Un affaiblissement de la classe moyenne, un affaiblissement des travailleurs et des travailleuses, un affaiblissement des pensionnés, ainsi qu'un affaiblissement des malades de longue durée, alors que vous immunisez à nouveau les plus grosses fortunes de ce pays, les multinationales ou encore le secteur bancaire, dont on sait qu'il se porte particulièrement bien chez nous après des années de bénéfices records.

Vous donnez les premiers coups de griffe au mécanisme d'indexation automatique des salaires et des allocations. Vous définancez le secteur des soins de santé, alors que des partis de votre majorité avaient sanctuarisé ce secteur en assurant le respect de cette norme de croissance des soins de santé et en prenant même l'engagement d'aller au-delà. Vous irez en-deçà, et vous économiserez donc sur le dos des soignants et des patients.

Vous supprimez les prépensions, malgré la situation économique actuelle et le choc vécu par toute une série de travailleuses et de travailleurs comme ceux de Cora ou d'Audi Forest. Vous augmentez la TVA sur l'installation des chaudières à gaz et à mazout. Et vous allez aussi, par toute une série de mesures, renforcer les inégalités qui frappent encore aujourd'hui de manière scandaleuse les femmes dans notre société, notamment avec la suppression de la pension de survie.

C'est un accord historique, aussi, car il y a quelque chose qu'on ne trouve pas dans cet accord de Pâques. Je pensais pourtant très sincèrement que nos camarades de Vooruit allaient exiger que cela figure dans cet accord. Il s'agit de la taxation des plus-values. Elle a déjà fait couler beaucoup d'encre et on a perçu que les approches étaient très différentes selon les partis de votre majorité. Elle ne figure pas dans cet accord de Pâques. Pour nous, ce n'est pas totalement une surprise, puisque vous faites peser 95 % de l'effort sur la classe moyenne et vous épargnez les épaules les plus larges.

On nous avait promis un gouvernement d'ingénieurs et plus de poètes. Constatons ici que nous sommes dans un flou artistique total. Un flou artistique sur la trajectoire budgétaire. Nous ne savons toujours pas quelle est la trajectoire budgétaire de ce gouvernement. Nous avions compris, avec M. Ronse, que la fin de la législature ne constituerait pas le bout du chemin s'agissant de l'effort que vous allez imposer à 95 % de la population, mais bien la deuxième ou la troisième législature.

Vous utilisez le contexte géopolitique international pour repousser systématiquement l'engagement et la crédibilité budgétaire de votre gouvernement. Du flou artistique pour un gouvernement impressionniste! Du flou au niveau du financement de la Défense, de la pérennisation de ces éléments et sur toute une série de mesures. Un gouvernement à côté de la plaque, dont les mesures en matière d'économie et de compétitivité tirent à côté et dont la réduction linéaire des cotisations sociales laisse les fédérations patronales relativement circonspectes.

Ces mesures ont en outre prouvé leur inutilité par le passé. Je vous renvoie vers l'analyse de la Cour des comptes sur la mesure "zéro cotisation" ou sur les études universitaires.

Au final, l'accord jette à nouveau à la poubelle les engagements de campagne et les promesses des partis de l'Arizona. Il n'y a toujours rien sur l'augmentation de 500 euros nets pour les travailleurs, qu'ils soient salariés, indépendants ou fonctionnaires. Il n'y a pas de trace de cette norme de croissance XXL dans les soins de santé. Que du contraire, des économies à fournir dans le secteur!

Monsieur le premier ministre, cet accord est historique dans les déséquilibres qu'il porte et qui ne sont que la transcription de votre accord de gouvernement. Cet accord laisse toute une série de personnes et d'acteurs dans le flou artistique.

Monsieur le premier ministre, je vous donne rendez-vous dans quelques semaines lorsque nous aurons les tableaux budgétaires et les notes de politiques générales de l'ensemble des membres du gouvernement.

Philippe Courard:

Monsieur le premier ministre, j'aborderai rapidement la Défense. Vous avez-vous-même indiqué "qu'il faut aller chercher le financement". C'est fort inquiétant. On peut vous rejoindre sur cette norme de 2 % mais pour quoi faire, avec quel argent? Au sein de votre majorité, il subsiste un désaccord total quant aux secteurs où trouver l'argent pour mener à bien ces 2 %. Où comptez-vous trouver cet argent?

Pourquoi ne pas vous inspirer du ministre espagnol S á nchez qui a dit qu'il ne toucherait pas aux impôts ni aux dépenses sociales et qu'il n'augmenterait pas le déficit public. Quand j'entends M. Francken dire qu'il veut acheter de F-35, je pense que ce sont plutôt des mirages dont il parle!

Caroline Désir:

Monsieur le premier ministre, j'interviens sur un point spécifique de votre accord de Pâques, le report d'un ou deux mois de l'indexation des prestations sociales et des traitements des fonctionnaires. Au total, vous annonciez dans le budget présenté au Parlement en février dernier 956 millions d'efforts sur l'ensemble de la législature. Pourriez-vous nous dire de quelles prestations sociales il s'agit précisément?

Contrairement à ce qui avait été soutenu par plusieurs partis de la majorité, vous vous attaquez bien au principe même de l'indexation automatique. On le voit par exemple au travers de la limitation de l'indexation des plus hautes pensions publiques. Vous vous attaquez directement à différents secteurs, en menaçant leur attractivité et la spécificité de certaines professions, notamment les magistrats, professeurs d'université et chercheurs.

Pour ce qui est des allocations, cela ne vous suffit pas de les limiter dans le temps, vous allez en plus faire perdre des revenus aux plus fragiles en reportant l'indexation.

Monsieur le premier ministre, avez-vous calculé l'impact de cette mesure sur les allocations et traitements des fonctionnaires? Avez-vous estimé la perte de recettes que le report de l'index pourrait engendrer en matière de cotisations sociales et de précompte professionnel?

Marie Meunier:

Monsieur le premier ministre, je ne reviendrai pas sur le ton de vainqueur de votre gouvernement pour annoncer l'exclusion de 100 000 personnes du chômage en janvier mais plutôt sur votre silence quant à la manière dont vous allez réellement accompagner ces personnes à trouver un emploi. Comment allez-vous aider les CPAS à accueillir ces personnes dans huit mois? Concrètement, comment pourront-ils matériellement recevoir et aider ces personnes? Où est la compensation que vous promettiez? Savez-vous qu'il n'y a aujourd'hui déjà pas assez d'assistants sociaux pour faire face au travail et savez-vous qu'il s'agit d'un métier en pénurie? Quelles mesures concrètes prendrez-vous pour aider ces institutions qui sont fondamentales?

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de premier, u hebt jarenlang in alle politieke debatten verklaard dat er geen alternatief was, dat er geen geld meer was en dat de begroting in orde moest zijn. Besparingen waren geen politieke keuze, maar het was gewoon een objectief gegeven dat budgettaire maatregelen van de Europese Commissie op alle sociale uitgaven in ons land moeten worden toegepast. U hebt uw hele verkiezingscampagne gevoerd met de verklaring: "There is no alternative." Nu vindt u in vijf minuten 4 miljard euro voor defensie. Het was dus toch wel een politieke keuze. U verklaarde dat er geen geld was voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten, maar eigenlijk was er wel geld. De arizonaregering heeft vier miljard euro in vijf minuten gevonden. Het was dus wel politiek, mijnheer de premier.

Ik ga er op politiek vlak natuurlijk niet mee akkoord dat u geld haalt bij de gepensioneerden om miljarden te investeren in defensie. Dat is de keuze van de arizonaregering. Vandaag moeten gepensioneerden in België al rondkomen met een klein pensioentje. Ze kunnen nu al hun rusthuis niet betalen. In vergelijking met Duitsland, Nederland en Frankrijk zijn de Belgische pensioenen al heel laag.

De arizonaregering beslist nu om de indexering van de pensioenen drie maanden uit te stellen. HOGent en het ACV berekenden dat de gepensioneerden 68 euro minder pensioen krijgen. Het is logisch dat de N-VA met dat plan komt, want het is een koude, asociale partij, maar hoe durven de collega's van Vooruit de gepensioneerden zo aanvallen! Het is gemakkelijk om op de sociale media de boodschap te verspreiden dat Vooruit de index redt. Voor de gepensioneerden wordt de indexering echter drie maanden uitgesteld. Voor de ambtenaren geldt hetzelfde, de indexering wordt drie maanden uitgesteld. Is dat linkse politiek? Kom aan!

Collega's van Vooruit, hoe kunt u meegaan met zo'n verhaal in dat paasakkoord? Hoe durft u! In dat akkoord gaat het over de pensioenen, beste collega's. Hoe zit het nu met de maluspensioenen? Er zal een malus worden ingevoerd die oploopt tot 5 % minder pensioen per jaar dat men vroeger stopt met werken. Wat is er nu beslist, mijnheer de eerste minister? U legt tegenstrijdige verklaringen af in interviews. Worden ziekteperiodes nu meegerekend? Wordt technische werkloosheid meegerekend voor de malus? Geef daarop eens een duidelijk antwoord, mijnheer de eerste minister.

Er is eindelijk een blokkering in de regering. Een van uw regeringspartners, Vooruit, blokkeert de pensioenhervorming als men niet aan de privileges van de politici raakt. Dat gebeurt nu eindelijk, het was tijd. Dat klaagt de PVDA al maanden aan. Vindt u het logisch, collega’s, dat het pensioen van parlementsleden berekend wordt op hun laatste jaarloon? Voor de ambtenaren is het 45 jaar, geen probleem, maar voor de politici – open bar – op het laatste jaar. De afscheidspremie wordt gewoon meegerekend in de pensioenberekening: geen probleem, politici, open bar . Bepaalde collega's kunnen hier nog op hun 62e vertrekken: geen probleem, open bar .

Eindelijk, eindelijk worden die privileges een probleem. Nu wil ik dus weten, mijnheer de minister, hebt u nog een akkoord rond de pensioenmalus of niet? Hebt u nog een akkoord rond de pensioenen? Vanmiddag vergadert het Bureau, en ik hoop dat Vooruit woord houdt.

Blokkering van de matiging op pensioenen, dat gaan we van heel dichtbij volgen, mijnheer de premier, van heel dichtbij. De PVDA vindt het namelijk niet juist dat er vandaag miljarden voor de wapenindustrie gezocht worden bij de pensioenen, bij de langdurig zieken, bij de werklozen, bij al die mensen in onze samenleving die het nodig hebben. Daar gaat het over in dit paasakkoord.

Parce que la question, monsieur le premier ministre, c'est cela! C'est cela, la question! Qu'allez-vous faire avec ces milliards? J'entends ici, aujourd'hui, que dans les plans, c'est décidé: nous allons acheter du F-35 américain.

Pendant des semaines, nous avons entendu que l'Europe devait être autonome. L’Europe devait tracer son propre chemin indépendant des intérêts américains. Et puis, que décide-t-on aujourd'hui? On va prendre des milliards pour investir dans le F-35. Un avion dont les Américains peuvent décider du jour au lendemain qu'il ne décollera plus. Il suffit que l’update informatique ne soit plus transmis à la Défense belge pour que tous ces avions restent sur le tarmac. Mais nous voulons notre indépendance.

C'est cela, chers collègues, la vision stratégique de l'Union européenne! C'est cela, aujourd'hui, ce qu'on nous avait promis. Allez, arrêtez un petit peu de rigoler, s'il vous plaît!

Au niveau du chômage, monsieur le premier ministre, ah, on est fiers! On va exclure 100 000 travailleurs sans emploi. Quelle fierté! Que vont-ils devenir, ces gens-là? Un tiers dans la nature, un tiers au CPAS. Qu'aura-t-on résolu ainsi? Rien!

Les CPAS, vous le savez très bien, ne sont pas mieux outillés que le Forem et l’ONEM aujourd'hui pour remettre les gens au travail. Que du contraire! Ce n'est pas leur job, normalement. Donc, on ne va pas réactiver les gens. La seule volonté ici, monsieur le premier ministre, c'est d'exclure des gens, pour des raisons budgétaires. C'est pousser les gens dans la misère. Cela ne va rien résoudre.

Vous le savez en plus: les gens qui sont dans la misère pensent à une seule chose: survivre, pas à chercher un boulot. Les études internationales le montrent. Quand on survit, on n'a plus d'énergie pour encore aller chercher un boulot en dehors.

Ma dernière question porte sur le niveau budgétaire. Je ne comprends pas, monsieur le premier ministre.

U zegt, mijnheer de eerste minister, dat er geen geld is voor de pensioenen. Dat ze niet meer betaalbaar zijn. Onze sociale zekerheid zou het niet meer zien zitten… En wat beslist u een week geleden? Om 1 miljard euro minder in de pensioenkas te storten, 1 miljard minder sociale bijdragen… Waar hebben jullie het besef gehad dat 1 miljard euro minder in de sociale zekerheid de pensioenproblematiek zal oplossen?

Ça ne tient pas la route, mathématiquement.

Jarenlang gaat u 16 miljard euro uit de sociale zekerheid halen, met heel veel kortingen enzovoort, en dan zegt u dat er geen geld meer is om de pensioenen te betalen. Als er niet genoeg geld is, zou ik behouden wat er nu naar de sociale zekerheid gaat.

Monsieur le premier ministre, vous l'aurez compris: en ce qui concerne votre accord de gouvernement de Pâques, je ne rejoins pas du tout l'enthousiasme de votre groupe. La chasse contre la fraude fiscale est une cinquième DLU. Pour les auditeurs qui nous écoutent aujourd'hui, une DLU est une déclaration libératoire unique. Cela permet aux fraudeurs de dire après quelques années: "J'ai fraudé, mais je vais trouver le fisc pour voir s'il y a moyen d'un peu régulariser le bazar". Et Didier Reynders, un homme doté d'une grande éthique en politique, qui aime jouer au Lotto, – mais chacun ses hobbies, on ne va pas juger ici les hobbies de chacun –, avait dit, il y a quelques années: "On va faire une déclaration libératoire unique". Unique, cela signifiait qu'elle aurait lieu une seule fois. Chers collègues, cette déclaration libératoire unique a déjà eu lieu cinq fois.

En fait, elle est permanente! En Belgique, c'est open bar! Quand vous êtes un petit indépendant, vous avez droit à un contrôle fiscal et à un contrôle TVA. Clac, on vous coince. Mais quand vous êtes un grand fraudeur et que vous avez des milliards, pas de problème! Installez-vous, prenez un petit café au SPF Finances, on va discuter tranquillement de la manière dont on peut régulariser cela. Il n'y a pas de problème, détendez-vous, monsieur, la Belgique est un pays qui va régulariser tout cela sans problème! C'est cela, le deux poids, deux mesures, d'un point de vue fiscal, dans ce pays. Les gros poissons sont tranquilles, les déclarations sont libératoires à répétition, mais on va contrôler le petit indépendant sur sa TVA. Et quoi, chers collègues, qu'est-ce que cela signifie au MR? Le MR aide-t-il les petits avec de telle mesures?

Voici mon dernier point sur cet accord de Pâques. Le MR, pendant toute la campagne électorale, a promis 500 euros de différence de pouvoir d'achat. Il n'y a rien dans cet accord, monsieur Georges-Louis Bouchez! Vous avez menti. Vous êtes un minteu comme on dit chez nous. Vous avez menti. Qu'avez-vous dit? Que vous alliez diminuer les allocations de chômage. Cela, oui, vous l'avez dit! Il y aura 500 euros de différence. On va pousser les chômeurs dans la misère. Mais les travailleurs qui ont un emploi? Niks ! C'est cela, la politique belge, c'est cela le mensonge! Tout cela, chers collègues, avec des ministres dont le salaire de 11 000 euros par mois leur permet de vivre tranquilles. La vie, elle est peinarde! Mais chez les malades de longue durée, clac, on prend!

En dan mijn laatste punt, beste collega’s, over de langdurig zieken. Hoe durven jullie? Hoe durven jullie afkomen met die kliklijn voor dokters door werkgevers? Cd&v, hoe hebben jullie daar mee kunnen instemmen? Vooruit, hoe hebben jullie daarmee kunnen instemmen? Dokters die vinden dat hun patiënten om medische redenen niet terug aan het werk mogen, kunnen via een kliklijn aangeduid worden door werkgevers als ze vinden dat bepaalde dokters hun job niet goed doen. U gaat druk leggen op dokters en mutualiteiten om mensen gedwongen terug aan het werk te zetten. Is dat een linkse, sociale politiek? Ik had van mijnheer Vandenbroucke toch iets anders verwacht.

Mijnheer de eerste minister, ik heb heel concrete vragen gesteld rond uw akkoord. Ik stel voor dat jullie op dat paasakkoord terugkomen. Het heeft niks, helemaal niks met sociale politiek te maken, maar alleen met koude, budgettaire maatregelen om de militaire uitgaven te kunnen opkrikken in de volgende maanden. Die gaan helemaal geen vrede brengen, maar oorlog. Wie oorlog voorbereidt, krijgt ook oorlog. En wie vrede voorbereidt, krijgt vrede.

Voorzitter:

Le groupe Les Engagés dispose de 10 minutes.

Aurore Tourneur:

Monsieur le premier ministre, le gouvernement est en place depuis trois mois. C'est le premier accord, et nous avons déjà le sentiment qu'on fait le bilan de toute l'année. Laissons les ministres travailler! Et en effet, dans ce nouveau gouvernement, on travaille, on n'est pas d'accord, ça frotte et puis on trouve des solutions. Selon moi, c'est bien cette mission qui nous a été confiée par le citoyen. Soyons donc à la hauteur des enjeux!

Au rayon des bonnes nouvelles tant attendues, nous avons un réinvestissement dans la santé avec une norme de croissance de 2,5 % en 2025 et assurée d'atteindre 3 % en 2029 avec 4 milliards supplémentaires au-delà de l'inflation. Nous avons aussi une valorisation du travail et une pérennisation de la sécurité sociale et de nos pensions avec une limitation des allocations de chômage à deux ans mais aussi avec une augmentation des montants perçus les six premiers mois; avec un statut des artistes qui est intégralement préservé; avec un renforcement du budget de notre Justice et de notre Défense; avec une politique de transition énergétique et climatique avec une baisse de la TVA sur la démolition-reconstruction et une feuille de route pour réduire l'impact environnemental et carbone de nos bâtiments.

Parmi ces avancées que je viens de citer, une nous tient particulièrement à cœur car elle constitue un des marqueurs forts des Engagés; il s'agit du droit au rebond qui incarne une mesure socialement utile, économiquement responsable et humainement moderne. Permettre à un travailleur de quitter son emploi de manière encadrée tout en bénéficiant temporairement des allocations de chômage, c'est reconnaître la réalité de parcours professionnels qui peuvent à certains moments s'essouffler, sans pour autant sombrer. Ce mécanisme vise à éviter les situations de rupture brutale, comme les arrêts maladie de longue durée ou les licenciements conflictuels, tout en encourageant la mobilité professionnelle dans un cadre clair et limité.

C'est une solution que les Engagés ont toujours défendue et portée haut et fort. C'est une mesure de santé mentale au travail, de fluidité sur les marchés de l'emploi et de respect mutuel entre travailleur et employeur. Loin d'être une brèche dans notre sécurité sociale, c'est une véritable soupape intelligente pour la renforcer. Alors, nous soutenons cette orientation, mais des clarifications s'imposent pour s'assurer que cette mesure tienne ses promesses sans créer de déséquilibre ou d'effet pervers.

Monsieur le premier ministre, j'ai plusieurs questions relatives à ce beau projet. Au niveau de l'encadrement du dispositif, quelles balises concrètes seront-elles mises en place pour éviter les détournements ou les démissions de convenance? Un accompagnement systématique des bénéficiaires est-il prévu, notamment en matière de formation, d'orientation ou de reconversion?

Au niveau de l'impact sectoriel et des métiers en tension, ce droit est-il modulé ou adaptable en fonction de la situation dans les secteurs en pénurie? Quels dispositifs d'anticipation ou de concertation sont-ils prévus pour éviter que des secteurs déjà sous pression ne voient partir leurs talents sans aucune relève?

Monsieur le premier ministre, depuis la semaine dernière, une fronde profonde agite le pouvoir judiciaire. La réforme des pensions a agi comme un détonateur. Et il ne s'agit pas d'un simple sursaut corporatiste, mais bien d'un signal d'alarme qui est lancé par un pouvoir constitué de notre État de droit démocratique. Il est de notre responsabilité collective de ne pas l'ignorer.

Les Engagés reconnaissent pleinement, comme je l'ai déjà souligné, la nécessité d'une réforme des pensions dans un souci d'équilibre budgétaire et de solidarité pour les générations futures. Nous rappelons que toute réforme doit être menée avec nuance et proportionnalité. Une justice sous contraintes économiques ne peut être ni sereine ni solide.

Par ailleurs, face à une criminalité de plus en plus organisée et décomplexée, il est essentiel que cette dernière perçoive que le monde politique se soucie de bâtir une magistrature forte. L'autorité de la Justice se construit aussi à travers des signaux envoyés par le pouvoir politique. Indépendance et qualité ne peuvent rester de simples déclarations de principes. Elles doivent s'incarner dans des actes concrets et visibles.

En outre, un magistrat sur quatre va partir à la retraite dans les dix prochaines années. Or, comme le souligne le Conseil supérieur de la Justice, le processus de nomination est long et le recrutement déjà difficile, malgré les campagnes ambitieuses telles que la semaine de la magistrature. Il convient aussi de rappeler que, contrairement à d'autres fonctions, les magistrats sont soumis à une interdiction stricte d'exercer toute activité professionnelle parallèle. La perspective d'une pension stable reste donc l'un des rares leviers d'attractivité pour une fonction essentielle mais peu concurrentielle face au secteur privé.

Nous saluons les engagements pris dans l'accord de gouvernement visant à renforcer l'attractivité de la magistrature, notamment par la création d'un deuxième pilier. Mais force est de constater que la réforme en projet risque de potentiellement contrarier ces objectifs en tarissant les vocations, en asséchant les recrutements et en fragilisant dès lors nos piliers démocratiques.

Monsieur le premier ministre, mes questions sont peut-être trop précises et seront ultérieurement posées aux ministres compétents s'il échoit. Pouvez-vous confirmer que les magistrats retraités et futurs retraités pourraient perdre jusqu'à 40 % de leur pouvoir d'achat? La réforme des pensions s'appliquera-t-elle également aux juges de la Cour constitutionnelle ainsi qu'aux magistrats du Conseil d' É tat? Une étude d'impact a-t-elle été menée concernant les effets pervers de ces mesures sur l'indépendance du pouvoir judiciaire et sur l'attrait de la magistrature, notamment en tenant compte des effets cumulatifs des différentes dispositions? À la suite de la concertation sociale du 22 avril avec les représentants du pouvoir judiciaire, pouvez-vous faire état à la Chambre des conclusions et du suivi qui est prévu? Entendez-vous poursuivre un dialogue structuré et approfondi avec les instances représentatives telles que le Conseil consultatif de la magistrature, l'entité de cassation, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public? Enfin, pouvez-vous confirmer que les ministres des Pensions et de la Justice travaillent en étroite coordination afin d'appréhender la magistrature non comme une simple variable d'ajustement budgétaire, mais bien comme un pilier fondamental de notre É tat de droit qu'il convient de préserver, de valoriser et de renforcer dans un esprit de dialogue et de concertation véritable? Je vous remercie déjà, monsieur le premier ministre.

Brent Meuleman:

Mijnheer de premier, bedankt voor uw toelichting bij het paasakkoord. Deze regering neemt een volgende noodzakelijke etappe met een akkoord dat verre van evident, maar wel noodzakelijk was.

Vooruit stapte in deze regering met een heel duidelijke opdracht: verantwoordelijkheid nemen. Niet aan de zijlijn staan roepen, maar mee beslissen. Niet weglopen van de uitdagingen, zoals sommigen doen, maar er recht op afgaan, omdat de toekomst van onze welvaart op het spel staat, omdat de wereld in brand staat. Als het brandt, dan moet er geblust worden. Ik stel vast dat aan de linkerzijde enkel de socialisten hun laarzen aantrekken en de mouwen opstropen.

Collega's, dit paasakkoord is een compromis in moeilijke omstandigheden. Het zijn moeilijke tijden. Mensen zijn bezorgd om hun job, om hun pensioen, om betaalbare zorg en om hun energiefactuur. Meer dan ooit heeft ons land nood aan daadkracht en aan politici die verantwoordelijkheid nemen. Meer dan ooit is het nodig om het verschil te maken voor gewone mensen die elke dag hun stinkende best doen.

Ik licht graag vier concrete zaken uit het paasakkoord toe die voor Vooruit heel belangrijk zijn.

Ten eerste, meer mensen in de zorg. De zorgsector kreunt onder de druk. Iedereen ziet het. Meer dan ooit hebben we mensen nodig die willen en kunnen zorgen. Daarom zorgen we ervoor dat wie een opleiding tot zorgkundige of verpleegkundige volgt, zijn of haar werkloosheidsuitkering behoudt. Zo zorgen we niet alleen voor het zorgpersoneel van vandaag, maar ook voor dat van morgen.

Ten tweede, alle pensioenen krijgen een index. In plaats van helemaal geen index komt er dan toch een indexering voor de sterkere pensioenen. Het is niet meer dan fair om ook de koopkracht van die mensen te beschermen. Pensioenen worden geïndexeerd. Punt. Zo investeren we in de koopkracht van onze gepensioneerden.

Ten derde, de fiscale fraude strenger aanpakken. Wie fraudeert, die raakt aan onze samenleving. Daarom komt er een turbo op de strijd tegen fraude van grote vermogens. Door datamining op het vermogenskadaster van financiële vermogens mogelijk te maken, zullen inspecteurs fiscale fraude sneller kunnen opsporen en aanpakken.

Ten vierde is het heel belangrijk voor Vooruit dat het kunstenaarsstatuut gered is, of dat het kunstwerkattest, zoals het vandaag heet, behouden blijft. Daar hebben we met Vooruit keihard voor gestreden. Met het kunstwerkattest bieden we kunstenaars een volwaardige sociale bescherming. Onze cultuursector heeft al zeer zware klappen gekregen en toch bleef die overeind en bleef die verbinden. Vandaag zorgen we voor sociale bescherming, voor waardering en voor zekerheid voor mensen die onze samenleving verrijken met creativiteit en schoonheid. Dat is geen detail, collega's, dat is beschaving.

Collega's, de keuze die wij maken, is een keuze voor vooruitgang. We maken het verschil, niet met grote woorden, maar met concrete maatregelen, niet door slogans, maar met inhoud. In deze onzekere tijden hebben mensen veel vragen.

Omdat er helaas ook veel fake news wordt verspreid, maak ik nog eens heel duidelijk dat we investeren in zorg en opleidingen, dat we mensen hun pensioenen beschermen, dat we fiscale fraude aanpakken en dat we cultuur niet laten vallen.

Collega's, de volgende jaren beloven moeilijk te worden – niemand ontkent dat – maar wij kiezen ervoor om niet te verzinken in cynisme of in stilstand. Wij geloven dat we samen vooruit kunnen. Laat dat ook het kompas blijven voor iedereen hier, niet de waan van de dag volgen, maar op een duurzame manier het verschil maken in het leven van de gewone mensen.

Franky Demon:

Mijnheer de eerste minister, de regering is van start gegaan met de belofte een hervormingsregering te zullen worden. Het regeerakkoord bevat daartoe ons inziens absoluut de nodige krachtlijnen.

Met het zogenaamde paasakkoord dat u en uw regering vlak voor het reces konden bereiken, worden nu ook enorm belangrijke stappen gezet om die ambities uit het regeerakkoord te vertalen in effectief beleid. Als we onze welvaart en sociale zekerheid voor de lange termijn willen beschermen, moeten we actie ondernemen.

De regering wil daarom zoveel mogelijk mensen aan de slag krijgen. Dat doen we door de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd. Daarbij was het voor cd&v wel belangrijk dat oudere werknemers beschermd zouden worden. Daarom voorziet het akkoord dat 55-plussers hun uitkering niet in de tijd beperkt zien, op voorwaarde natuurlijk dat ze 30 jaar beroepsverleden hebben kunnen aantonen.

Wie wil werken en bijdragen aan de maatschappij en een opleiding volgt voor een knelpuntberoep, mag wat onze fractie betreft evenmin worden afgestraft. Daarom hebben we ervoor gestreden dat die mensen hun opleiding kunnen afmaken.

Met het paasakkoord werken we ook een aantal ongelijkheden weg. Pleegouders verdienen ons allergrootste respect. Hun inzet en toewijding zijn exemplarisch.

Cd&v heeft er dan ook voor gestreden dat ook zij voortaan aanspraak kunnen maken op ouderschapsverlof. Het eerste wetsvoorstel ter zake van mevrouw Lanjri ligt hier al een tijdje voor, namelijk sinds het jaar 2000.

Ook inzake pensioenen nemen wij onze verantwoordelijkheid. Cd&v kwam reeds tijdens de vorige legislatuur met een pensioenplan dat langer werken aanmoedigde zonder de pensioenleeftijd te verhogen. Dat is exact wat deze regering ook doet, onder meer door zelfstandigen die na hun pensioen doorwerken de mogelijkheid te geven om verder pensioen op te bouwen.

Als partij van de lokale besturen zijn wij voorts tevreden dat alle besturen ondersteuning zullen blijven krijgen voor het betalen van de responsabiliteitsbijdragen indien zij in aanvullend pensioen voorzien voor hun contractuele ambtenaren.

Het paasakkoord voorziet tevens in een investering in nabije zorg. In totaal voorzien wij daarvoor tijdens deze legislatuur 5 miljard euro extra. Collega’s, ik herhaal het, 5 miljard euro extra.

De regering focust ook op een betere work-life balance . Daarom worden grotere bedrijven ertoe aangezet om in te zetten op werkbaar werk, zodat het aantal langdurig zieken daalt. Onze fractie is daarom tevreden met de maatregel dat werkgevers, uitgezonderd kmo’s, een bijdrage van 30 % moeten betalen op de ZIV-uitkering in de tweede en derde maand ziekte van de werknemers, uitgezonderd voor de oudere werknemers.

Mijnheer de eerste minister, een eerlijke fiscaliteit is voor cd&v steeds een topprioriteit geweest. Wij zorgen er met het paasakkoord voor dat grotere vermogens een extra bijdrage betalen. Er wordt een antimisbruikbepaling ingevoerd om de ontwijkingsmogelijkheden voor de effectentaks in te perken. De belastingaangifte wordt vereenvoudigd. Er komen minder codes, minder absurde aftrekposten en er komt meer duidelijkheid voor de burger.

De keuze tussen slopen of renoveren moet afhangen van de staat en het potentieel van de woning en niet van het fiscale regime. Daarom wordt het verlaagde btw-tarief op sloop en heropbouw uitgebreid naar sleutel-op-de-deurwoningen.

In een internationaal gespannen context en met een oorlog op het Europese continent neemt ons land zijn verantwoordelijkheid en versterkt het zijn inspanningen voor het waarborgen van de Europese veiligheid.

We honoreren onze verplichtingen ten aanzien van de NAVO en gaan versneld richting de 2 %, maar we doen dat op een realistische manier die zowel op het vlak van investeringen als schuldimpact op maat van ons land is.

Voor onze partij was het enorm belangrijk om naast buitenlandse veiligheid ook in binnenlandse veiligheid te investeren. Minister van Justitie Annelies Verlinden streed daarom succesvol voor bijkomende middelen voor haar departement om de overbevolking in de gevangenissen te kunnen aanpakken en om de georganiseerde criminaliteit een halt te kunnen toeroepen. Deze regering maakt werk van effectieve strafuitvoering en een correcte reclassering van gedetineerden en zet in op een beperking van recidive. Minister Verlinden wil investeren in jammers, zodat drugscriminelen hun activiteiten niet meer kunnen verderzetten vanuit de gevangenis.

Het plaatstekort in onze gevangenissen is geen nieuw probleem. Voorgaande ministers van Justitie wisten dat er onvoldoende ruimte was om straffen korter dan drie jaar volledig uit te voeren, maar toch lieten ze toe om die extra capaciteit te creëren, waardoor ons inziens in het verleden straffeloosheid toenam. Met haar extra middelen kan minister Verlinden voorzien in containercellen, oude gevangenissen langer openhouden en versneld werk maken van een ketenaanpak om gedetineerden in onwettig verblijf sneller het land uit te zetten. Het siert gewezen minister Van Tigchelt dan ook dat hij in een krant gisteren nog zei: we hebben ons voor een stukje mispakt aan de strafuitvoeringsrechters. Dat siert hem.

Last but not least wil ik ook stilstaan bij de afspraken die gemaakt werden aangaande het beleidsdomein Asiel en Migratie. We zijn tevreden dat er snel werk gemaakt zal worden van het wetgevend werk, dat gunstig moet bijdragen aan de instroom en waardoor ook het steeds hoger aantal verzoekers om internationale bescherming verder kan worden ingeperkt.

Dit kan onder meer door de toegang tot het opvangnet te beperken voor asielzoekers die reeds in een andere EU-lidstaat bescherming genieten en door de verzoeken van aanvragers die in een andere lidstaat reeds een definitieve beslissing kregen als een volgend verzoek te beschouwen. Ook inzake gezinshereniging worden er nieuwe maatregelen genomen. Denk bijvoorbeeld aan de inperking van de grace period voor erkende vluchtelingen, waarvoor ik zelf nog een wetsvoorstel had ingediend.

Hervormingen op korte termijn volstaan voor ons echter niet. We moeten nog een stap verder gaan. We waren heel verbaasd dat we in de eerste documenten van de minister van Asiel en Migratie niets zagen staan over het Migratiewetboek. We hebben in deze commissie meerdere keren aan minister Van Bossuyt gevraagd om dat daarin op te nemen en het siert u en uw regering dan ook dat u daarrond nu duidelijke afspraken hebt gemaakt. Voor cd&v is het duidelijk. Wij vragen u om erover te waken dat het nieuwe Migratiewetboek zeker tegen begin 2027 naar dit Parlement komt. Dit is een instrument waarmee we verder kunnen werken. We zullen erop toezien dat het engagement dat werd aangegaan in het paasakkoord ook geremunereerd wordt.

Mijnheer de premier, er ligt een ambitieus akkoord voor dat werk maakt van de hervormingen waaraan ons land grote nood heeft. U zult in cd&v een constructieve partner vinden om deze hervormingen de komende weken en maanden te vertalen in concrete wetteksten. We kijken alvast uit naar de verdere behandeling van de programmawet, de begrotingswet en de diverse beleidsnota's.

Voorzitter:

Ik geef nu tien minuten spreektijd aan de Ecolo-Groenfractie. Mijnheer Van Hecke, u hebt het woord.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de premier, bedankt voor de toelichting en uw komst naar de commissie. Ik zie en ik hoor dat sommigen superenthousiast zijn, zoals van nature uit de heer Ronse, die het een fenomenaal akkoord vindt. En natuurlijk was ook de heer Francken superenthousiast, want de minister van Defensie en Oorlog kreeg 21,3 miljard euro extra investeringen, waarvan 16,8 miljard via dit paasakkoord.

De heer Francken schuwde de grote woorden niet. Het ging om de “grootste investering in Defensie in veertig jaar”. Maar dit budget lijkt eerder de slechtst gefinancierde begroting in veertig jaar, als we naar de cijfers kijken, die eigenlijk luchtkastelen zijn.

Collega's, die 4 miljard euro, die 2 % die we normaal over verschillende jaren zouden bereiken, moet dit jaar al gehaald worden. Om dat even in perspectief te brengen: dat is acht keer het werkbudget van Buitenlandse Zaken, dat is vier keer het federaal budget voor Ontwikkelingssamenwerking. En dat bedrag komt er elk jaar bij.

Wat gaan jullie doen met die 4 miljard euro dit jaar? Dat zouden jullie pas weten tegen 1 juli. Maar de markten, collega's, zijn oververhit geraakt. De prijzen van het militair materieel zijn zeer hoog. Gaan jullie dus vlug enkele aankopen doen? Vlug enkele bestellingen plaatsen? Ik denk niet dat dat echt heel slim zou zijn.

De grote vraag blijft hoe de regering dit gaat betalen? Hoe gaat dit gefinancierd worden? Volgens de cijfers en de tabellen rekent u in de eerste plaats op Euroclear en Belfius. Op Euroclear rekent u tot in 2029. In 2025, in 2026, in 2027, in 2028, in 2029: elk jaar 1,2 à 1,3 miljard euro. Rekent u er dan op dat de oorlog in Oekraïne gaat duren tot 2029? Als er een vredesakkoord zou zijn in 2025 of in 2026, en een aantal maatregelen wordt opgeheven, wat gaat u dan doen met die voorgenomen inkomsten uit Euroclear? Via Belfius rekent u tweemaal op 500 miljoen euro.

Dan moet u nog op zoek gaan naar welke uitgaven eventueel onder die NAVO-norm kunnen vallen. En dat loopt op: in 2028 tot 500 miljoen en in 2029 tot 750 miljoen. Dat is echt nattevingerwerk. Hoe komt u daarbij? Hoe hebt u dat berekend? Er is geen enkele garantie dat de uitgaven van bijvoorbeeld gewesten of andere departementen door de NAVO zullen worden erkend.

Er is ook nog de post 'structurele financiering'. Daar bent u nog niet uitgeraakt, maar die loopt op tot 1 miljard euro in 2029. Waar zal de regering die structurele financiering vinden? Zelfs met die structurele financiering van 1 miljard euro komt u nog altijd 5 miljard euro tekort. Dat is nog een zeer optimistische schatting. Dat zijn budgettaire luchtkastelen die u aan dit Parlement voorstelt, maar volgens de heer Ronse van de N-VA is het 'fenomenaal'. Waar zal de regering die 5 miljard euro vinden? Het zal trouwens veel meer zijn.

Zal de regering dan opnieuw besparen op ontwikkelingssamenwerking, de sociale zekerheid – zoals bepaalde coalitiepartners wensen –, de pensioenen, de gezondheidszorg? Het zou heel dom zijn om overheidsparticipaties te verkopen, omdat ze ons soms flink wat geld opbrengen. De premier klinkt toch wel voorzichtig. Het heeft inderdaad geen zin om die participaties te verkopen die geld opbrengen. Of gaat de regering toch nog extra schulden aan? In dat financieringsverhaal horen we niets over de bijdrage van de grootste vermogens. De regering kijkt daar niet naar, maar wel naar de sociale zekerheid.

Het gaat niet alleen over dat bedrag van 16,8 miljard euro. De regering zal in totaal 21,3 miljard euro moeten vinden. In juni kan de NAVO beslissen om de norm van 2 % van het bnp te wijzigen in 3 % of 3,5 %. Hoe zullen we dat dan kunnen klaren? Dat is nog eens 6 à 7 miljard euro per jaar extra die zal moeten worden gevonden.

Het spijt me dat ik altijd naar dezelfde persoon verwijs, maar minister Francken communiceert heel veel. Het lijkt wel of hij de uitgaven voor defensie gebruikt als een hefboom om zaken die hem niet bevallen, weg te besparen. Hogere defensie-uitgaven worden gebruikt als een soort breekijzer om zaken af te breken, die sommigen om ideologische redenen willen afschaffen: deftige pensioenen, ontwikkelingssamenwerking, zelfs betaalbare tandzorg. Hij vond het nodig om een vergelijking te maken met de Verenigde Staten, waar men jarenlang fors heeft geïnvesteerd in de defensie-uitgaven, maar de mensen wel 1.000 euro voor tandzorg betalen. Is dat het beeld van onze sociale zekerheid dat bij sommige mensen van de N-VA leeft? Willen ze dat verwezenlijken? Men wil meer geld voor defensie. Als tandzorg 1.000 euro kost, dan is dat zo, in de Verenigde Staten doet men dat ook. Dat is niet het beeld dat wij willen. Het is duidelijk waar sommigen naartoe willen gaan. De budgettaire ruimte, collega's, is beperkt. Volgens de laatste cijfers bedroeg die in 2023 op federaal niveau ruim 14 miljard euro. Hoe zult u dan nog 6 miljard extra vinden als we naar 3 % moeten gaan? Waar zult u dat geld dan vinden? Dit zal een sociaal bloedbad worden, collega's.

Ik zal proberen af te ronden, want mijn collega zal ook nog een aantal zaken zeggen. Ook voor andere zaken is het akkoord immers heel ontgoochelend, bijvoorbeeld wat de klimaatambities van deze regering betreft. Er is geen klimaatstrategie, geen groene taxshift. De vliegtaks bedraagt ocharme 5 of 10 euro per vlucht. In andere landen is dat een pak meer. Er is ook een inconsistent btw-beleid op het vlak van verwarming. Over Justitie zullen we nog wel een apart debat hebben met de minister van Justitie, want het extra geld dat ze gekregen heeft, heeft ze ondertussen al vijf keer uitgegeven.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le président. Monsieur le premier ministre, je vais intervenir en complément de ce que vient de dire mon collègue. Je vous ai entendu parler de la compétitivité des entreprises et dire à quel point ce sont les entreprises qui font la prospérité de notre pays. En fait, monsieur le premier ministre, vous n'êtes pas un CEO. Vous êtes justement le premier ministre. Ce qu'on attend de vous, c'est d'être le garant de cet équilibre entre les droits des travailleurs et cette fameuse compétitivité, pas de faire des cadeaux aux entreprises et d'accéder à toutes leurs demandes sans respecter le bien-être de votre population.

Par ailleurs, qui travaille dans les entreprises? Des chats? Sont-ce des chats qui travaillent dans les entreprises? Monsieur le premier ministre, ce sont des travailleurs et des travailleuses qui font la prospérité de ces entreprises. Donc, aujourd'hui, ce qui est important d'après vous, c'est d'atteindre un taux d'emploi de 80 %. Mais pourtant, ici, on ne voit pas le début d'une mesure qui va permettre d'atteindre ce taux d'emploi. En effet, quand on crée des flexi-jobs, quand on continue à étendre le travail étudiant, on crée des emplois qui ne rentrent pas dans le cadre des 80 % et vous le savez très bien, étant donné qu'il s'agit d'emplois qui ne financent pas la sécurité sociale. Ce sont des travailleurs qui ne cotisent pas pour leur sécurité et leur pension. C'est donc un vrai problème à long terme.

Monsieur le premier ministre, j'ai quelques questions précises. Je commencerai par le droit à la démission. C'est évidemment une bonne idée. Nous portons d'ailleurs une proposition en la matière depuis des années. Mais des balises importantes sont à mettre en place, notamment pour éviter que des travailleurs soient poussés à la démission pour éviter à l'employeur de payer un préavis. Allez-vous mettre en place des balises par rapport à cela?

Dans le cadre de la réforme qui limite l'accès aux allocations de chômage à deux ans, qu'en est-il des personnes qui sont actuellement en formation pour un métier en pénurie, avec une allocation de l'ONEM? Pourront-elles terminer leur cursus sans perte de revenu, même si la formation dépasse deux ans? Par ailleurs, selon quels critères les formations autorisées seront-elles sélectionnées? Comment garantissez-vous que l'accès à ces dispenses reste effectif et équitable à travers les Régions? Allez-vous, de manière explicite, vous baser sur les listes établies par les services régionaux de l'Emploi?

Toujours par rapport à l'exclusion des chômeurs, quelles compensations sont-elles prévues pour les CPAS et, surtout, à partir de quelle date? J'ai lu comme nous tous, que l'exclusion des chômeurs aurait lieu dès le 1 er janvier 2026, mais par contre, ce qui m'inquiète fortement est que le financement compensatoire pour les CPAS ne viendrait qu'à partir du 1 er janvier 2027. Confirmez-vous cette information?

Par ailleurs, le président d'un parti de votre majorité a déclaré que les personnes qui possèdent une seconde résidence et qui bénéficient d'allocations de chômage seront sanctionnées et contrôlées. Pouvez-vous être un peu plus explicite sur cette mesure, monsieur le premier ministre? Seules les personnes qui possèdent une maison au Maroc seront-elles passées au screening? Ou bien celles qui possèdent une maison dans les Ardennes le seront-elles aussi? On aimerait bien avoir un peu plus d'informations par rapport à cela.

Pour ce qui concerne le statut des travailleurs des arts, on a aussi entendu votre ministre de l'Emploi nous dire à quel point il y avait des abus et qu'il fallait lutter contre ces abus. Pouvez-vous nous en dire un peu plus sur les abus auxquels vous pensez? Quels montants souhaitez-vous récupérer de cette manière-là?

Quant aux périodes de maladie, confirmez-vous qu'elles ne seront plus assimilées dans le calcul de la pension? Par exemple, les personnes qui ont été atteintes du covid ou du covid long ne pourront-elles pas assimiler ces périodes-là dans le calcul de leur pension?

Qu'en est-il des dates "P"? Elles ne sont toujours pas disponibles sur le site. Or les écoles doivent s'organiser, notamment par rapport à la DPPR, savoir quels profs seront disponibles ou pas. Cela devient extrêmement urgent d'avoir une réponse pour toutes ces personnes qui sont dans l'expectative.

Enfin, on n'a toujours pas de fumée blanche concernant la taxation des plus-values. On ne comprend donc vraiment plus où se trouve, chers collègues des groupes Les Engagés et Vooruit, l'équilibre dans cet accord de Pâques. Je vous remercie.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn tijd delen met mijn collega, Paul Van Tigchelt.

Mijnheer de premier, dank u voor uw aanwezigheid vandaag, op onze aanvraag. Het was tijd dat u uw paasakkoord kwam toelichten. Ik ben blij dat u de primeur van uw persconferentie voor het Parlement hebt voorbehouden. Jammer genoeg moet ik vaststellen dat het een bisnummer is of misschien zelfs wel een ternummer, want eigenlijk zijn al de delen die u hebt toegelicht, puur de uitvoering van uw regeerakkoord met onder andere de beperking van de werkloosheid in de tijd, de aanpassing van de pensioenen, de fiscaliteit. U hebt die maatregelen al een paar keer verkocht.

Wat wel nieuw is, is uw defensieplan om de 2 %-norm te halen. Wij staan achter de 2 %-norm, zoals wij altijd hebben gezegd. U zwijgt echter over de financiering ervan, mijnheer de premier, en dat is natuurlijk de kern van het verhaal, jammer genoeg.

U vindt zogezegd 4 miljard euro extra voor defensie, maar eigenlijk is een deel daarvan, 2 miljard euro, gewoon niet gefinancierd. U zult die lenen. U zult extra schulden opbouwen. U zult de kosten dus doorschuiven naar de volgende generatie. Dat zijn geen structurele maatregelen. Uw defensieplan is dus niet gefinancierd. Dat zegt de heer Bouchez ook. Het is niet structureel.

Het is uw eerste daad op het vlak van de begroting, mijnheer de premier. Het is 100 % uw beleid. Het beste bewijs is dat er een zomerakkoord moet komen. Dat lezen wij al in de pers. Uw lenteakkoord is net achter de rug en we zien al dat er nood is aan een zomerakkoord. Dat is het beste bewijs dat het plan niet gefinancierd is.

Wat is uw balans na tien weken arizonaregering? Ik ben het ermee eens dat het paasakkoord historisch is, zoals sommigen proclameren. Het is inderdaad historisch op sommige vlakken en zeker op het vlak van de begroting. U hebt namelijk op tien weken tijd een extra begrotingstekort van meer dan 7 miljard euro gecreëerd, mijnheer de premier. Ik licht dat even toe. U hebt geen enkele structurele maatregel ter financiering gevonden.

U hebt opnieuw het beeld gecreëerd dat de overheid de meest onbetrouwbare aandeelhouder ooit is. Er is geen enkel overleg met Belfius en tot nu toe geen steun van haar raad van bestuur. U hebt totale onzekerheid bij de burgers gecreëerd. Zij weten niet hoe uw plan gefinancierd zal worden. Misschien doet u dat via extra belastingen, zoals uw coalitiepartners dat nu al aangeven. Onder andere de heren Mahdi en Seuntjens zeggen dat het plan door extra belastingen moet worden gefinancierd.

Waar komt de 7,5 miljard extra tekort vandaan? Ik licht dat toe op basis van een aantal documenten. Bij de aanvang van uw regering overhandigde u uw begrotingstabellen. U gaf zelf toe dat u begon met een gat van 2,2 miljard euro in 2025. U verslechtert dus uw basis met 2,2 miljard. In maart kregen wij het rapport van het Monitoringcomité. Dat zegt dat de situatie verslechterd is en dat het tekort verder oploopt met 2,4 miljard euro, maar dat hebt u niet rechtgezet met extra maatregelen.

Ik ga verder met uw tabellen voor Defensie. Hoe financiert u dat? U financiert dat met een defensiefonds van een kleine 800 miljoen euro. Dat staat in het paars, omdat het buiten begroting is, wat dus extra schulden betekent. Dat defensiefonds bestaat echter nog niet. Er zijn nog geen overheidsparticipaties verkocht en zelfs als dat gebeurt tegen het einde van het jaar – we zullen nog wel zien -, dan nog is dat niet structureel. Dat zijn oneshotmaatregelen.

En dan, the cherry on the cake , uw paasakkoord is een ongedekte cheque voor Defensie van 2 miljard euro, terwijl uw minister van Begroting een paar weken geleden er nog op hamerde dat alles gecompenseerd moest zijn. U wil het dividend van Belfius ten belope van tweemaal 500 miljoen euro, maar dat is zeker geen structurele maatregel. Dat moet bovendien nog goedgekeurd worden door de ECB en de raad van bestuur van Belfius. Het blijft een tijdelijke maatregel.

Ik ben eigenlijk nog terughoudend wanneer ik zeg dat u een bijkomend tekort van 7,5 miljard hebt gecreëerd, want waarschijnlijk is het nog meer.

U houdt rekening met de Russische tegoeden, maar in het verslag van het Monitoringcomité lezen we op pagina 27 dat die opbrengsten al meegenomen waren in de basisberekening van het Monitoringcomité. U bent het geld dus gewoon twee keer aan het uitgeven, mijnheer de premier. Het Monitoringcomité heeft daar wel rekening mee gehouden, in tegenstelling tot de FOD Financiën. Dat geld moest dienen voor andere uitgaven.

U hebt dus absoluut geen 1,2 miljard euro gevonden, u hebt een niet-gefinancierd defensieplan. Onze grote bezorgdheid – en die werd al gedeeld door uw coalitiepartners en is ook mijn enige vraag – is wie ervoor zal betalen. Bevestigt u wat uw coalitiepartners, cd&v, Vooruit, Les Engagés, in de pers vertellen, namelijk dat de factuur door de belastingbetaler, de hardwerkende en ondernemende mensen, de spaarders zal worden betaald?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de premier, ik zal de komende minuten proberen voorbij de slogans te kijken. We hebben het namelijk allebei goed voor met Justitie.

Ik heb mij de afgelopen maanden koest gehouden. Dat hoort ook zo voor een voormalige minister van Justitie. Dat is intussen meer dan een jaar geleden – time flies when you’re having fun –, toen de vorige regering volheid van bevoegdheden had. Nu neem ik echter het woord, omdat ik mij zorgen begin te maken. Ik maak mij zorgen over het justitiebeleid, want ik zie stilaan een kloof tussen de woorden van de arizonaregering – het moest strenger, het moest kordater en wel meteen – en de daden.

Laten we eerlijk zijn: de sense of urgency , waar veel arizonapartijen het over hadden, was niet terug te vinden in het regeerakkoord. Er komen amper extra middelen voor Justitie in 2025. Er komen geen dringende investeringen in meer gevangeniscapaciteit. Nochtans werd daarover heel luid geroepen. Dat de nieuwe minister van Justitie na enkele weken naar extra middelen kwam vragen, is het bewijs van het gebrek aan een sense of urgency bij de arizonapartijen.

Men zal nu investeren in unitbouw, in modulaire units, een dossier dat werd voorbereid door de vorige regering. Dat is goed, want dat is realistischer dan een gevangenis bouwen in het buitenland. Een gevangenis bouwen in het buitenland of capaciteit huren in het buitenland klinkt stoer, maar, geloof me, zal aankondigingspolitiek blijven.

Voor het dossier van de unitbouw worden nu via frontloading extra middelen vrijgemaakt. Wat ik daarbij mis, is een concreet plan binnen welke termijn de extra capaciteit ter beschikking zal zijn. Daarentegen zie ik wel een concreet plan om de uitstroom te verhogen via de zogenaamde noodwet.

We hebben ons de moeite getroost om die noodwet en de beslissingen van het paasakkoord uit te vlooien. Overigens was dat niet gemakkelijk, want de communicatie daarover was nogal warrig, wazig en fragmentarisch, maar dat is nu eenmaal de taak van de oppositie en die hebben we ter harte genomen. Wat stellen wij daarin vast? We zien dat het de bedoeling is dat gedetineerden die tot drie jaar gevangenisstraf krijgen, na een derde automatisch vervroegd in vrijheid worden gesteld en dat ze zes maanden daarvoor nog elektronisch toezicht kunnen krijgen.

Premier, ik heb begrip voor die noodmaatregelen. Ik moest immers soortgelijke noodmaatregelen nemen. Een schoonheidsprijs verdienen die maatregelen niet, maar een mirakeloplossing bestaat ook niet. Wat wij echter niet hebben gedaan, maar wat u wel zult doen, is dezelfde maatregel van vervroegde invrijheidstelling toepassen op illegale criminelen. Dat is prima als ze kunnen worden uitgewezen, naar Marokko bijvoorbeeld, dankzij het akkoord dat wij in 2023 met dat land sloten. De voorlopige in vrijheidstelling – ik heb het goed gelezen – zal echter ook plaatsvinden, als de gedwongen uitwijzing niet mogelijk is. Die illegalen komen met andere woorden vrij met een bevel om het grondgebied te verlaten en we weten dat dat papier geen garantie is dat ze het land zullen verlaten. Dat, premier, vinden wij een gevaarlijke maatregel. Ze komen vrij na één derde, verdwijnen in de natuur en we verliezen elke controle. Dat staat bovendien haaks op al wat uw partij de voorbije jaren en maanden heeft gezegd en aangekondigd. U hebt het gezegd in uw uiteenzetting: u bent streng voor asielzoekers, maar blijkbaar niet voor illegale criminelen. Nogmaals, dat hebben wij niet gedaan.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, votre accord de Pâques est la parfaite transcription de votre accord de gouvernement, et donc nous ne pouvons vous prendre en délit d'incohérence. On a compris l'idée: remettre tout le monde au travail, y compris les chômeurs, les vieux, les malades, tout le monde, même ceux qui ne veulent pas travailler – pourquoi pas – et ceux qui ne peuvent pas travailler – ça c'est plus problématique, avec une seule injonction, la responsabilisation, comme si tout était question de bonne volonté, comme si tous nos problèmes venaient de la paresse et que les conditions macroéconomiques qui gouvernent notre monde n'existaient pas.

On connaît votre logique arithmétique, 100 000 personnes exclues prochainement du système, comme l'exprimait avec une fierté quand même un peu étrange votre ministre de l'Emploi, et 175 000 emplois dans les métiers en pénurie. On connaît votre recette: on va couper le robinet, et ces personnes sans emploi vont, par magie, se transformer en enseignants, en infirmières, en chauffeurs de bus, etc.

Dans le vrai monde, ce n'est pas comme ça que ça va marcher. Bien sûr, il y a des fraudeurs et des profiteurs, mais il y a aussi, dans ces 100 000 personnes que vous allez exclure, des gens qui cherchent du travail et n'en trouvent pas ou n'ont pas les bonnes qualifications. Sans doute, allez-vous pousser quelques fraudeurs à se prendre en main, très bien, mais avec cette même arme aussi peu nuancée, vous allez aussi envoyer des personnes vers la précarité, sans leur donner les outils pour rebondir.

Vous allez faire exploser le taux de pauvreté avant de faire grimper le taux d'emploi. Pour une seule raison, vous renoncez quasi structurellement à toute politique ambitieuse en termes de formation, d'orientation et d'innovation, parce que l'angle mort de votre politique de l'emploi, c'est la formation. Vos partenaires pourtant, le cd&v ou Vooruit, avaient proposé qu'on fasse exception à votre limitation pour les personnes qui choisissent un métier en pénurie.

Vous limitez cette possibilité au 1 er janvier 2026, sauf pour les métiers du secteur de la santé. Mais on ne manque pas que de gens dans les métiers de la santé, on manque aussi d'enseignants et de gens dans des tas d'autres fonctions. Et donc – la question reste pendante –, comment allez-vous transformer des dizaines de milliers de personnes, par exemple, en chauffeurs de bus?

Vous préservez le statut d'artiste – Vooruit vient de confirmer qu'il a fallu se battre et que nombreux étaient ceux qui voulaient purement et simplement le supprimer autour de la table –, mais vous annoncez vouloir lutter contre les abus. Mais quels abus, grands dieux? Le système est déjà conçu comme un système anti-abus. Votre ministre de l'Emploi a pris l'exemple d'un emploi de barman dans un théâtre, ce qui ne ressortit pas du tout au statut d'artiste. Et donc, outre la question de la maîtrise du dossier par le gouvernement, j'ai une question toute simple: pourriez-vous me citer un exemple d'abus de statut d'artiste contre lequel le gouvernement entend lutter?

Une inquiétude a été soulevée par une autre collègue quant aux compensations pour les pouvoirs locaux. Le président du CPAS de Liège, par exemple, affirme que, d'après ses tableaux budgétaires, le soutien aux CPAS en compensation de ces mesures n'interviendrait qu'en 2027, ce qui voudrait dire que, durant un an, les CPAS de ce pays devraient accueillir un public nouveau sans recevoir de moyens. Le confirmez-vous?

Alors, à propos des 526 000 personnes en arrêt maladie, on ne peut que vous rejoindre dans l'idée d'une responsabilisation générale, même si la manière dont vous comptez contrôler les médecins laisse perplexe. Il est d'ailleurs frappant de voir que vous pariez sur la bonne foi et le droit à l'erreur pour le contribuable, à raison, mais pas pour le malade ni pour le médecin.

Voilà qui m'amène au point commun entre vos mesures sur les demandeurs d'emploi et sur les malades. C'est qu'il s'agit d'un contrat de méfiance entre le gouvernement et le citoyen. À part la bonne foi du contribuable, vous ne pariez sur la bonne foi de personne, ni des demandeurs d'emploi, ni des médecins, ni des malades.

Vous ne pariez pas non plus sur l'énergie des citoyens. Sur les allocations de chômage, la presse a pu trouver facilement l'exemple d'une série de citoyens que vos mesures vont toucher de plein fouet et qui, pourtant, n'ont rien à se reprocher. Des accidentés de la vie, des mères célibataires, parfois des personnes qui se forment à un métier en pénurie. Et c'est là que le bât blesse. Une économie qui tourne, une société qui fonctionne, ça réclame de la confiance de la part des entreprises, des travailleurs et du gouvernement. Et vous avez décidé d'être un gouvernement de la défiance.

Si nous avons autant de personnes sans emploi, si nous avons un demi-million de personnes en arrêt maladie, c'est pas parce que nous serions un pays de fainéants, c'est parce qu'il y a une crise sur le sens du travail, c'est parce que de nombreux citoyens ne sont pas heureux de ce qu'ils font. À tout ceux-là, parce que vous ne misez ni sur la formation, ni sur l'orientation, ni sur l'innovation, vous ne dites rien. Vous dites en gros "bougez-vous et allez faire quelque chose que vous détestez, vous réfléchirez au sens de la vie quand vous serez morts".

Avant de conclure, j'aimerais revenir sur deux éléments. Tout d'abord, vous avez mis en avant avec une certaine fierté la taxe de 1 000 euros sur l'accès à la nationalité. Moi, je regrette que l'Arizona ait inventé la nationalité censitaire. On pourrait se réjouir de voir l'accès à la nationalité belge acquérir subitement une si grande valeur pour la N-VA, vous qui avez un jour déclaré que, si vous pouviez mourir en tant que Néerlandais du Sud, vous mourriez plus heureux qu'en tant que Belge.

Or, nous savons qu'en fait, il s'agit d'un argument purement dissuasif. Pourquoi faire payer 1 000 euros l'accès à la nationalité? C'est là une vraie question, que j'ai d'ailleurs déjà posée à Mme Van Bossuyt et je n'ai jamais obtenu de réponse. Qu'on demande la réussite d'un parcours d'intégration ou la maîtrise d'une ou plusieurs langues nationales, pourquoi pas, je le comprends et je trouve même cela très bien. Mais je ne comprends pas bien la philosophie qui consiste à demander des sommes exorbitantes à quelqu'un qui remplit toutes les conditions pour rejoindre notre communauté nationale. C'est purement dissuasif et, là encore, c'est tout l'inverse d'un contrat de confiance.

Enfin, sur la Défense, c'est le grand flou. Vous allez chercher 2 milliards d'euros sur un emprunt hors budget à rembourser ensuite par la vente d'actifs. Je crois que nous avons tous compris que c'est un tour de passe-passe que vous êtes obligé de faire parce que vous ne pourrez vendre des actifs que pour diminuer un endettement. Dès lors, vous êtes obligé de commencer par l'endettement. Nous sommes en droit de comprendre ce que va nous coûter réellement cet endettement.

Par ailleurs, vous placez dans l'équation un dividende exceptionnel de Belfius qui, par définition, ne peut pourtant pas être structurel. Cela manque de transparence.

En ce qui concerne la manière de dépenser cet argent, je ne peux que vous encourager, une fois encore, à ne pas investir dans de nouveaux F-35. Si vous n'êtes pas convaincu par les arguments de dépendance technologique vis-à-vis des USA, qui sont pourtant évidents, tenez compte de la fragilité logistique. Vous êtes allé à Kiev et vous êtes donc bien placé pour savoir que, si nous sommes incapables de livrer nos vieux F-16, c'est parce que nous courons après des pièces détachées qu'il est impossible de trouver. Ces difficultés logistiques vont être multipliées si vous vous engagez encore sur des F-35. S'il vous plaît, ne continuez pas dans cette folie financière et stratégique.

J'en ai fini, monsieur le président.

Voorzitter:

Merci, monsieur De Smet, d'avoir été aussi bref.

Mijnheer de eerste minister, het is gebruikelijk dat het Parlement het laatste woord krijgt, dus ik zou u willen vragen om bondig te antwoorden, zodat er nog tijd rest om te repliceren.

Bart De Wever:

Monsieur le président, j'essayerai d'être bref, mais ce ne sera pas facile, étant donné qu'on m'a posé des centaines de questions.

Ik zal proberen zo snel mogelijk door die vragen te lopen.

Met betrekking tot het budgettair kader kan ik u zeggen dat ten laatste in de week van 28 april de begroting zal worden ingediend. Ik heb uiteraard alle begrip voor uw ongeduld, maar we werken zo snel als we kunnen. De regering is helaas pas na acht maanden tot stand gekomen, in een lopend budgetjaar. Het is niet dat wij per se cijfers willen achterhouden, we werken zo snel we kunnen. Het komt eraan.

Er werden veel vragen gesteld over de NAVO-normering. Voor alle duidelijkheid, er is geen camouflage van uitgaven. Het gaat over de regels die de NAVO zelf hanteert met betrekking tot wat militaire uitgaven zijn, wat binnen die normering valt. Het betreft ook vragen die de NAVO stelt. De NAVO is geen organisatie van amateurs. Het is niet zo dat men allerlei kosten kan labelen en dan kan zeggen dat die kosten nu militair zijn.

Er zijn echter wel mogelijkheden om in die NAVO-normering bijvoorbeeld enablement te schuiven. Daarover werden ook heel concrete vragen gesteld. In die zin moet men natuurlijk ook de betrokkenheid van de deelstaten lezen. Mevrouw Ponthier, u sprak over die kilometerheffing. Dat is totaal nieuw voor mij, ik weet niet waarover het gaat. Als een deelstaat bijvoorbeeld in infrastructuur investeert, die ook op het vlak van enablement , dus de mobiliteit van de NAVO-troepen, aangerekend kan worden, zou het eigenlijk dwaas zijn om het niet in het defensiebudget te stoppen. Dat staat nog los van het feit of men daarmee naar 2 % of zelfs voorbij 2 % zou gaan.

Het is zelfs een opportuniteit om de 3RX, de IJzeren Rijn, voor wie hier al wat langer zit, te realiseren, aangezien de NAVO die ook als kritieke infrastructuur voor de west-oostbeweging, de snelle beweging van troepen, heeft aangemerkt. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de investering in haveninfrastructuur. Dat zit op het niveau van de deelstaten en dat zou dan NAVO-aanrekenbaar zijn. Andere inspanningen van de deelstaten, laat staan fiscale inspanningen, hebben wij niet gevraagd en zijn niet bekend.

Ook medische weerbaarheid zou dan NAVO-aanrekenbaar kunnen zijn. Er zitten daarin twee elementen. Men kan de begroting navlooien. Collega's hebben opgemerkt dat het een stijgende lijn is. Men kan ze navlooien op welke dingen die we doen, NAVO-aanrekenbaar zijn. Let op, het betreft geen nieuw geld. Het is gewoon een uitgave die al gepland en gebudgetteerd is, die dan NAVO-aanrekenbaar wordt. Er zit echter ook een tweede element in. Onder het stijgende budget van Defensie worden uitgaven mogelijk die niet gebudgetteerd zijn, waarvoor geen centen waren, maar die met defensiegeld kunnen worden gefinancierd.

Dat is natuurlijk heel interessant, zeker als zaken daarvan ook voor civiel gebruik nuttig kunnen zijn. Daarbij denk ik aan bijvoorbeeld een stock inzake medisch materiaal of medische capaciteit, die in geval van militaire conflicten militair aangewend kan worden, maar die nu niet voorzien is in de begroting. In mijn ogen zou het nogal dwaas zijn om dat nu, in een stijgend defensiebudget, niet te voorzien. Ook denk ik aan zaken waarbij defensie voor binnenlandse veiligheid kan worden ingezet. In veel Europese landen bestaat die traditie, maar wij kennen die minder, al hebben we dat incidenteel gedaan. Het is onze intentie, zoals in het regeerakkoord is voorzien, om defensie daarvoor structureel in te zetten, in een welbepaald in het regeerakkoord omschreven kader, en het zou desgevallend raar zijn om de NAVO-norm, die voorzien is, daarvoor niet te gebruiken.

Misschien weet u het niet, maar een van de grootste achteruitgangen in de Belgische defensie, puur budgettair bekeken, qua comptabiliteit, was de afschaffing van de rijkswacht, aangezien dat een militaire uitgave was. Met de afschaffing van de rijkswacht zijn we tienden gezakt in de NAVO-ranking. Ik pleit niet voor de militarisering van de politie, don't worry , dat is niet voorzien, ik zeg alleen dat het over zulke dingen gaat inzake de NAVO-norm. Ik vrees dus dat u daar dingen in leest waardoor uw fantasie een beetje op hol is geslagen.

Ik spring enigszins van de hak op de tak, waarvoor mijn excuses, maar nu kom ik tot de pensioenhervorming voor de parlementsleden. Het is een traditie en ook onvermijdelijk dat de wetgever de pensioenen van de samenleving reguleert en dat het Parlement zich daaraan vervolgens confirmeert. In de periode dat ik parlementslid was, is dat nooit anders geweest, en ik heb al wel wat pensioenhervormingen in het statuut meegemaakt. Toen ik begon, was het stelsel echt nog zeer gunstig, want met de tantièmes had men na twintig jaar als parlementslid een volledig pensioen. Ik heb op die manier met mijn eerste tien jaar als parlementslid al de helft van mijn pensioen. Dat dit niet echt meer evident is in onze samenleving, aangezien wij helaas door de stijging van de sociale uitgaven maatregelen moeten nemen, is een logica die niemand zal ontkennen. Ook de nu op handen zijnde pensioenhervorming zal doorgetrokken moeten worden en een vertaalslag moeten krijgen in de parlementaire pensioenen. Dat kan een grote ontdekking genoemd worden of men kan er grote controverse rond maken, maar ik zie dat niet. Wel dient het Parlement zichzelf te reguleren, niet de regering of een regeerakkoord. Het komt u als parlementsleden toe.

Maak dus alstublieft geen grote populistische controverse – dat is niet nodig – van de sequens waarbij het Parlement de samenleving volgt en zich schikt naar de inspanningen die we van de samenleving vragen, met de nodige moeilijkheden, want het statuut is een statuut sui generis. Dat is dus altijd een beetje schipperen. Het lijkt me de logica zelve, maar het is aan u om dat te doen. Ik denk dat de nodige werkzaamheden daarvoor ook al lang gepland zijn. Het is eigen aan eenieder om zich te profileren in dat soort zaken – dat begrijp ik – maar laat ons toch een beetje sereen blijven in dat soort dingen. Ik heb hier niemand, tenzij u me nu gaat tegenspreken, horen zeggen dat parlementsleden geen inspanningen moeten doen, dat ze niet gaan volgen en dat ze alles wat ze hebben, linea recta willen behouden. Het andere uiterste is de race to the bottom . Die vind ik ook verwerpelijk en daar heb ik ook wel echo's van gehoord in deze commissie.

Wat asiel en migratie betreft – sorry voor de hak op de tak –, maatregelen inzake de uitstroom ontbreken inderdaad. Dit is uiteraard de eerste uitvoering van het regeerakkoord. De maatregelen op korte termijn die ik kan nemen, zijn uiteraard bij uitstek op de instroom gericht. Er staat in het regeerakkoord heel wat over de uitstroom en dat zal heus nog wel worden gerealiseerd, maar dat zijn, als men realistisch is, maatregelen die niet evident zijn, die tijd vergen en die geen toverstokje zijn. Sommigen zeggen om gewoon naar de Europese Commissie of naar Ursula, zoals sommigen het nogal kinderlijk voorstellen, te gaan met de boodschap dat het een noodgeval is en alles dan opgelost is. Als men dat wil geloven, doe dat dan gerust, maar dat is niet de realiteit. Als het zo eenvoudig was, dan zouden heus wel wat Europese landen dat hebben gedaan.

Wij zijn ondertussen als België op basis van ons regeerakkoord uitgenodigd bij de club van de eerder kritische landen over het Europese migratiemodel, die bij elkaar komen en die met name inzake de uitstroom ideeën uitwerken en die trachten om van die ideeën Europese beslissingen te maken. Zeggen dat dat een proces is dat met een vingerknip verloopt, is helaas echter niet waar. Ik wou dat het waar was.

Madame Delcourt, vos questions sur le contrôle des certificats médicaux sont précises et je vous invite à les poser aux ministres responsables. M. Vandenbrouke a annoncé qu'il créerait une banque de données et qu'il organiserait un datamining sur la politique de prescription. Mais il doit encore travailler sur ce sujet et devra présenter son projet avant le 1 er juillet de cette année, si je ne m'abuse. L'affaire est donc à suivre.

De nombreuses questions ont été posées sur le statut d'artiste, notamment par les collègues francophones. Nous avons parlé des abus et de la façon de lutter contre ceux-ci. M. De Smet a même prétendu qu'il n'y en avait pas. C'est possible! La lutte contre les abus est une compétence régionale. Ce débat doit être mené au sein des parlements régionaux. Dire qu'il n'y a pas d'abus, c'est possible, mais je suis étonné par les chiffres. Il y a de grosses différences entre les Régions, notamment en Région de Bruxelles-Capitale où, si je ne me trompe, 50 % d'entre eux résident. La ville est peut-être très artistique, je ne l'exclus pas, mais nous avons peut-être aussi découvert des brèches dans le système qui pourraient correspondre à ce que l'on nomme des abus. Je n'en sais rien et c'est aux Régions de travailler sur ce thème.

Madame Delcourt, vous avez demandé quand nous comptions élargir le systèmes des flexi-jobs à d'autres secteurs? Ce n'est pas prévu dans l'accord de Pâques, mais bien dans l'accord de gouvernement.

En ce qui concerne les indépendants, nous estimons que 356 indépendants sont intéressés chaque année par le paiement de cotisations plus élevées afin d'obtenir des droits à la pension plus élevés.

Monsieur Dermagne, vous avez beaucoup mentionné la classe moyenne et cela m'étonne un peu.

Si nous regardons le bilan du gouvernement Vivaldi, je pense qu'il est difficile de dire que c'était un gouvernement qui a défendu la classe moyenne.

Pierre-Yves Dermagne:

(…)

Bart De Wever:

Je ne vous ai pas interrompu! Je pense que cela relève même du non-sens.

Vous avez évoqué les impôts qui pèsent sur les épaules de la classe moyenne. Das Wahre ist das Ganze , comme on le dit en allemand. L'accord de gouvernement est très clair. Il y a du positif et du négatif mais au final, la pression fiscale sur la classe moyenne va fortement diminuer à l'horizon 2029.

Vous avez parlé d'économies dans les soins de santé, ce qui m'étonne, car nous avons encore prévu une norme de croissance au-dessus de l'index. Cela ne semble pas être de véritables économies. Si nous parvenons à maintenir une norme de croissance supérieure à l'index, il ne faut pas, selon moi, parler d'économies.

Vous avez affirmé que nous épargnions les épaules les plus larges alors que plus de deux milliards de revenus proviendront de leur part. C'est tout de même considérable. Il faut examiner ces chiffres au prorata. Il n'y a pas tant d'épaules larges dans notre pays. Je dirais donc que deux milliards de revenus supportés par leurs épaules ne sont pas négligeables.

Vous avez évoqué la crédibilité budgétaire. J'espère que vous ne m'en voudrez pas, mais c'est un peu l'hôpital qui se moque de la charité. Le PS parle de crédibilité budgétaire alors qu'il a dominé le gouvernement Vivaldi et a toujours géré la Région bruxelloise. À votre place, j'éviterais de parler de crédibilité budgétaire.

Monsieur Courard, vous avez demandé d'où proviendront les 2 % pour la défense. M. Di Rupo aurait peut-être dû se poser cette question lorsqu'il a fait cette promesse au Pays de Galles en 2014. Dans l'intervalle, nous n'avons jamais eu de réponse du PS.

Mme Désir a demandé si le report de l'index était une mesure nécessaire. C'est en effet le cas. Il est inévitable de prendre des mesures comme celle-ci, notamment sur les pensions les plus élevées. Nous prévoyons également une mesure qui pèse sur l'indexation des pensions les plus élevées, donc sur les épaules les plus larges. Il est injuste de me reprocher de ne rien faire à l'égard des épaules les plus larges pour ensuite nous critiquer lorsque nous mettons en place une mesure qui affecte les plus hautes pensions. Il s'agit de pensions atteignant 7 000 ou 8 000 euros par mois.

C’est l’un ou l’autre!

Mijnheer Hedebouw, u hebt Frans en Nederlands door elkaar gesproken. Ik noteer alleen in het Nederlands, ik ben een slechte tweetalige.

Je ne me souviens plus de ce que vous avez dit en néerlandais ou en français.

Dus zal ik antwoorden in de taal die in mij opkomt.

Raoul Hedebouw:

Un vrai Belge.

Bart De Wever:

Ik kan daar veel op zeggen, maar ik zal zwijgen. (Hilariteit)

Op vijf minuten tijd hebben we 4 miljard euro voor defensie gevonden, zegt u. Ik wou dat het waar was. Ik weet niet of u de collega's hebt gehoord die ons net hebben verweten dat we dat niet hebben gedaan en dat het allemaal een groot mysterie is waar dit vandaan moet komen. De waarheid heeft haar rechten. Er is in een pad voorzien, met een opdrachtentabel, begroting per begroting. Het zal niet gemakkelijk zijn om die middelen te vinden.

Uiteraard zijn er collega's die zullen zeggen om dat niet uit de sociale zekerheid te halen. Er zijn collega's die zullen zeggen om dat niet uit de belastingen te halen. Er zijn collega's van de N-VA die zullen zeggen om geen extra schulden te maken. Iedereen heeft daar zijn waarheid. De optelsom van dat alles is uiteraard onmogelijk. A l'impossible nul n'est tenu . Dat wordt dus niet gemakkelijk. Dat zal ik niet ontkennen, maar zeg niet: u hebt dat zo gevonden, dus u gaat dat voor de sociale zekerheid ook zo kunnen vinden.

Ik vind die vergelijking trouwens nogal grotesk. De sociale uitgaven in dit land evolueren naar 200 miljard euro bij een ongewijzigd beleid in 2030. U weegt dat af tegen de defensie-uitgaven. Dat is bijna een cijfer achter de komma, zoals wij onze defensie hebben verwaarloosd. Zeggen dat als defensie kan groeien, dat dan de sociale zekerheid op hetzelfde ritme kan groeien, is populisme. Dat is onzin.

Wat telt mee in de pensioenmalus? Het regeerakkoord is duidelijk over wat erin zit en wat er niet in zit. Op de vraag over de privileges voor parlementaire pensioenen heb ik geantwoord.

Zullen we nieuwe F-35's kopen?

Je vous ai expliqué que les capacités imposées par l’OTAN ne nous laissent pas le choix. Je suis sûr que nous devrons encore élargir notre flotte d’avions de chasse. Puisque nous avons déjà acheté les F-35, nous devrons acheter des avions de ce type. Ce seront des avions construits en Italie. Ce n’est pas parce que M. Trump pense qu’il peut mener une guerre de droits de douane contre tout le monde qu’il peut d’un coup faire disparaître la globalisation de l’économie. Le F-35 est devenu un projet multilatéral.

U zegt dan dat men voor die technologie militair afhankelijk is van wie men ze koopt. Dat is echter voor elke militaire technologie zo. Dat is evenzeer het geval voor wapensystemen die we in Europa kopen of elders in de wereld. Men is altijd deels afhankelijk van de producent. Dat is een reden te meer om in Europa de juiste beslissingen te nemen over de consolidatie van een Europese defensie-industrie. Wij hebben dat verwaarloosd, maar daar bent u ook altijd tegen. Dat is ook van twee zaken een. U wilt dat niet, want we moeten in vrede investeren. Volgens u moeten we bloemenperken aanleggen aan de grenzen met Rusland. We hebben bloemenperken, regenbogen en eenhorens nodig, die de Russen zullen overtuigen van onze goede intenties. Dan zullen ze zeker hun agressie stoppen.

Ik ben het daarmee helemaal eens. Als men in een fantasiewereld leeft, kan dat allemaal wel lukken. Als men echter in wapensystemen moet investeren, heeft men ook een militair industrieel complex nodig. Maar daar bent u ook tegen. U zegt dat we dan nu de F-35 moeten kopen. Misschien hebben we die echter moeten kopen omdat we in het verleden net dat niet gedaan hebben in Europa. Dat zijn dure lessen die we nu moeten trekken, maar dat zijn geen lessen die we op vijf minuten opgelost krijgen.

En ce qui concerne les chômeurs de longue durée et les CPAS, un montant a été prévu dans le budget pour compenser les CPAS. En effet, on sait qu'ils auront plus de travail en raison de la limitation dans le temps des allocations de chômage.

M. Hedebouw, je pense, a dit que les CPAS n'ont pas comme tâche d'activer les chômeurs. Je ne suis pas d'accord. J'ai un autre avis. Dans ma ville, le CPAS fait beaucoup d'efforts pour activer les gens. Je pense que c'est leur tâche de le faire, qu'ils sont même mieux placés que les services régionaux d'accompagnement pour activer les gens qui sont à une certaine distance du marché du travail.

Si des gens disparaissent dans la nature, c'est peut-être qu'ils n'ont pas besoin d'allocations de chômage, qu'ils ont assez de revenus pour vivre et n'ont pas besoin de la sécurité sociale.

Dat is dus een maatregel die ik altijd zal blijven verdedigen. Dat is trouwens in de hele wereld de normaalste zaak. Waarom zou dat dan bij ons onmogelijk en een sociaal drama zijn? Overal in de wereld, in Frankrijk en overal, wordt dat op die manier toegepast.

Wij zullen 1 miljard euro minder in de pensioenkas storten. Dat is een heel rare manier om competitiviteitsmaatregelen voor te stellen. Dat is natuurlijk een ideologisch verschil. Ik ga ervan uit dat, wanneer onze ondernemingen qua competitiviteit niet worden versterkt, de effecten op de pensioenkas veel erger zullen zijn. Dat is een kwestie van wakker worden en koffie ruiken, zoals dat in het Engels wordt genoemd, over onze economische situatie en over de situatie van onze industrie, die in heel Europa maar zeker in ons land krimpt terwijl wij ernaar kijken. Mensen zonder job betalen geen bijdragen. Dat zou voor de sociale zekerheid de catastrofe zijn die wij nu moeten vermijden.

Het paasakkoord bevat inderdaad honderden miljoenen euro aan competitiviteitsmaatregelen. U stelt dat voor als minderopbrengsten voor de sociale zekerheid. Dat is een ideologisch verschil. Daarover zullen wij het nooit eens worden. Dat is misschien maar goed ook. De fiscale regularisatie stelt u voor als straffeloosheid. Ik ben het daar niet mee eens. Dat is geen straffeloosheid. Ik moet echter wat opschieten.

"Les 500 euros de différence, net ou brut, pour ceux qui bossent est un mensonge." Ce n'est pas vrai. Il faut consulter le calendrier des mesures tel qu'il a toujours été prévu dans l'accord de gouvernement, avec la baisse des impôts en faveur de ceux qui travaillent, et dont la vitesse de croisière sera atteinte en 2029.

Volgens mij zullen we dan die 500 euro zeker halen en misschien zelfs overschrijden.

“Een kliklijn voor langdurig zieken, hoe durft u?”, zegt u. U noemt dat een kliklijn, wij noemen dat responsabilisering.

Nous avons autant de malades de longue durée que l'Allemagne. Or celle-ci est un tout petit peu plus grande que la Belgique. Donc, je pense que la question de la responsabilisation est à l'ordre du jour.

Alle actoren, ook de werkgevers, zullen geresponsabiliseerd worden. Dat zijn dan extra inkomsten voor de sociale zekerheid, mijnheer Hedebouw. Het lijkt mij evenwel evident dat ook de dokters, ook de ziekenfondsen en dus ook de langdurig zieken zelf aangesproken kunnen worden.

Madame Tourneur, vous m'avez posé une question concernant le droit au rebond et le risque d'abus. Ce risque est relativement limité en raison de la nature de la mesure. Il s'agit d'un droit unique. Cette allocation de chômage dure six mois et s'adresse à des salariés ayant travaillé au moins dix ans. Le droit au rebond s'inscrit dans un ensemble cohérent de mesures mises en place par le gouvernement pour soutenir les individus dans leur recherche d'emploi. Le risque d'abus est donc très faible, voire quasiment inexistant.

Votre deuxième question porte sur les pensions des magistrats. D'autres collègues ont également posé des questions à ce sujet. Je vais être clair: il n'est absolument pas question d'une perte de 40 % du pouvoir d'achat des magistrats retraités en conséquence de la réforme des retraites menée par ce gouvernement. Les calculs publiés par la magistrature la semaine passée reposent sur l'hypothèse de prolongation indéfinie de l'indexation limitée des pensions les plus élevées alors que cette mesure est explicitement définie comme temporaire, tant dans l'accord de gouvernement que dans l'avant-projet de loi-programme. Elle est prévue uniquement pour cette législature, c'est-à-dire jusqu'en 2029. La Cour constitutionnelle et le Conseil d'État, étant indépendants des pouvoirs exécutif, législatif et judiciaire, sont également concernés par cette réforme, leur régime de retraite étant également réglementé par la loi.

Troisièmement, la réforme des retraites n’a aucun impact sur l’indépendance du pouvoir judiciaire. Monsieur Dermagne, cela a été confirmé par la Cour constitutionnelle dans un arrêt de 2013, suite à un recours déposé par les magistrats contre une précédente réforme des retraites, menée notamment sous le gouvernement Di Rupo.

Quatrièmement, une réunion constructive s’est tenue hier entre les représentants des magistrats et les ministres des Pensions. Cette rencontre a permis d’éclaircir plusieurs points, notamment en ce qui concerne les calculs d’impact des différentes réformes des retraites et la nature temporaire de l’indexation limitée des pensions les plus élevées. Il a été établi que les estimations d’une perte de pension de 30 à 40 % reposaient sur des hypothèses d’indexations limitées pour une durée indéterminée.

Mijnheer Van Hecke, u vroeg naar de gelden van de Russische tegoeden. U wilt weten wat er gebeurt als er vrede komt in Oekraïne en de Euroclearmiddelen wegvallen. Ook daarmee is rekening gehouden in het paasakkoord en dat zal dan inderdaad een extra inspanning vergen.

Ik denk wel dat als er morgen vrede wordt gesloten in Oekraïne, dat nog niet betekent dat morgen ook die Russische tegoeden vrijgemaakt worden. Dat is een bijzonder, bijzonder complexe aangelegenheid. Er zijn wel andere hypotheses die internationaal besproken worden over wat er met die sovereign assets moet gebeuren. Er zijn namelijk de sovereign assets en de andere assets, die bevroren zijn. De sovereign assets zijn in feite geïmmobiliseerd. Het gaat in deze context vooral over die gelden van de Russische Centrale Bank.

Mogelijk worden er multilateraal andere beslissingen genomen en dat zou dan op iets kortere termijn op ons af kunnen komen, maar dat valt nog af te wachten. In alle contacten die ik hierover heb en dat zijn vooral internationale contacten met de buurlanden en met Oekraïne zelf, gaat het in elk geval steeds weer over een buitengewoon riskante en juridisch ingewikkelde zaak met enorm grote repercussies, zelfs op de euro als munteenheid. Mijn persoonlijke inschatting – maar ik kan mij vergissen – is dat we daar op korte termijn niet heel veel beweging in zullen zien. Het lijkt mij heel ingewikkeld.

Uiteraard zullen we dat monitoren en we zullen ons ook niet verzetten tegen andere multilaterale oplossingen, ook al stelt zich dan voor onze bilaterale militaire hulp aan Oekraïne wel een bijkomend budgettair probleem. Aangezien dit ook in de NAVO-norm ingecalculeerd is, zal dat dan sowieso gecompenseerd moeten worden.

Over de oplopende NAVO-norm en over de structurele financiering heb ik geantwoord.

Madame Schlitz, vous avez dit: "Les efforts pour la compétitivité sont des cadeaux aux entreprises." À mon humble avis, cela témoigne d'un certain manque de connaissance de la réalité économique, mais c'est peut-être une différence idéologique que nous n'allons pas résoudre aujourd'hui ni même jamais.

J'en viens aux formations pour les emplois en pénurie. Tous ceux qui commenceront une formation avant le 1 er janvier 2026 seront exemptés de la mesure. S'agissant des soins de santé, il incombe au ministre de présenter une liste de formations qu'il veut exclure. Donc, je vous propose de développer cette discussion en commission de la Santé.

Quant au contrôle des ressources, je pense que vous confondez celui qui vise le chômage avec celui qui s'intéresse au revenu d'intégration.

Sarah Schlitz:

(…)

Bart De Wever:

Je pense que oui. Je ne vous ai pas interrompue. Vous pourrez encore répliquer.

Vous avez cité un président de parti – je suppose qu'il s'agit de M. Bouchez – qui avait parlé d'un contrôle des ressources, mais il évoquait un contrôle visant ceux qui ont des biens à l'étranger et qui touchent un revenu d'intégration, pas une allocation de chômage. Pour les allocations de chômage, aucun contrôle des ressources n'est ni ne sera prévu dans cet accord de gouvernement.

Pour la taxation sur les plus-values, vous avez dit: "Nous n'en savons rien." C'est normal, puisque l'impact de cette mesure a toujours été prévu en 2026. Notre intention n'a jamais été de l'intégrer dans la loi-programme relative au budget 2025.

Mevrouw Bertrand, u zegt dat er geen overleg met Belfius is geweest. Er is wel degelijk informeel geverifieerd of de zaken die wij plannen realistisch zijn, dus ik maak mij daar niet te veel zorgen over. U zegt dat er paniek ontstaat bij de burgers die zich afvragen hoe we dit allemaal zullen betalen. Ik moet toegeven dat post-Vivaldi paniek budgettair gewettigd is. Toen ik de realiteit van de cijfers zag die ú hebt achtergelaten, was paniek ook de eerste emotie die ik voelde.

Ik vind het sterk dat u zegt dat het Monitoringcomité stelt dat het tekort oploopt tot 2,4 miljard. Dat is uw beleid, dat is het gevolg van het ongewijzigd beleid van Vivaldi, waarbij de put alsmaar dieper werd, tot hallucinante bedragen. U kent die bedragen, want u was er verantwoordelijk voor. Nu zeggen dat we u in vrije val hebben achtergelaten en dat u uw vleugels niet op tijd kunt uitslaan, u bent toch de slechtst denkbare persoon om die kritiek te uiten, zelfs binnen uw eigen partij. Ik zou iemand anders zoeken om die kritiek te uiten. Dat de cheque voor Defensie ongedekt is…

Alexia Bertrand:

Dat is gemakkelijk.

Bart De Wever:

Gemakkelijk, zegt u. Wat u hebt nagelaten, is alleszins niet gemakkelijk, ook niet op het vlak van Defensie. U doet nu alsof die 2 % uit de lucht komt vallen. Het Russisch geld dat dubbel besteed wordt, dat is een foute lezing. Die zit in de basishypothese, maar die was niet bestemd. Wij hebben die gelden nu bestemd, dus er is geen sprake van een dubbeltelling.

Wat het betoog van de heer Van Tigchelt betreft, geen slogans over Justitie, dat ondersteun ik ten volle. Wat dat betreft, hebben wij bijna eenheid van inzicht en beseffen we allebei dat die situatie altijd heel moeilijk is geweest en vandaag nog steeds heel moeilijk is. Roepen wat er allemaal met één vingerknip moet gebeuren, heeft weinig zin. Als u zegt dat u zich als oud-minister koest moet houden, dan vraag ik mij af of dat dan ook niet geldt voor de oud-staatssecretaris bevoegd voor Begroting. U moet het binnen uw fractie misschien eens hebben over wie zich koest moet houden en wie niet.

Het gebrek aan urgentie van Arizona, dat mag u zeggen, maar ik ben het daar niet mee eens. Er is bij alle besparingen die aan de departementen worden opgelegd altijd voorzien in een uitzondering voor de veiligheidsdepartementen en zelfs een groeipad. Is dat groeipad niet groot genoeg? Ik ben zelfs geneigd om het daarmee eens te zijn, gezien de grote noden, maar men kan niet enerzijds zeggen dat we budgettair in vrije val zijn en anderzijds dat we nog een berg aan nieuwe middelen moeten voorzien.

We hebben ons uiterste best gedaan en nog een extra inspanning geleverd, gezien de acute situaties die er bestaan. Het volgende moet mij echter van het hart wat betreft het gebrek aan urgentie dat ons vandaag wordt verweten. Iedereen moet in de spiegel kijken wat dat betreft, ook zij die in vorige legislaturen de zaken hebben waargenomen.

Zo veel nieuw opgestarte bouwdossiers onder Vivaldi heb ik ook niet echt gevonden. Wat er nog van dossiers is, is van de regering daarvoor. De detentiecentra die Vivaldi voor de kortgestraften heeft uitgebouwd, hebben niet bepaald een verschroeiend tempo aangenomen. Dat is geen verwijt. Ik weet hoe moeilijk dat is en hoeveel tijd dat vergt, maar vandaag komen zeggen dat ik de urgentie niet zie, vind ik iets te gemakkelijk.

Ik apprecieer wel dat u zegt dat u begrip hebt voor de noodmaatregelen die op korte termijn moeten worden genomen omdat er geen oplossingen zijn, tenzij oplossingen die binnen de gevangenis aanleiding geven tot toestanden die ons in een structurele overtreding brengen van de mensenrechten die vandaag al bestaan. U kent de situatie. Ik ken ze ook. Wie dat ooit met eigen ogen heeft gezien, kan dat heel moeilijk vergeten en is hopelijk bevrijd van alle populistische neigingen ter zake. Dit gaat niet over u, voor alle duidelijkheid.

J'ai déjà répondu à la question concernant le statut d'artiste, monsieur De Smet. Le fait de dire que nous sommes un gouvernement de méfiance m'étonne, d'autant plus que c'est dit de la part d'un Bruxellois! Quand on connait la situation budgétaire à Bruxelles et celle du CPAS d'Anderlecht, il me semble que ce n'est pas la vérité.

Notre gouvernement n'est pas un gouvernement de méfiance mais se veut être un gouvernement de responsabilisation, et celle-ci est nécessaire si l'on tient compte de la réalité budgétaire à laquelle nous sommes confrontés.

Le prix pour obtenir la nationalité belge est de 1 000 euros et vous dites que ce prix est exorbitant. Je pense que l'inverse est vrai! Les 150 euros demandés par le passé étaient exorbitants quand on sait qu'au Royaume-Uni, le montant est quasiment de 2 000 euros tandis qu'aux Pays-Bas, il est de 1 091 euros. Si vous voulez mourir en tant qu'Hollandais, c'est encore plus cher! Nous sommes restés en dessous du niveau hollandais! C'est un minimum. Si pour devenir Hollandais, il faut payer 1 100 euros, on peut bien devenir Belge pour 1 000 euros! Cela me semble raisonnable.

Voorzitter:

Er resten ons nog een goede 20 minuten voor de replieken. Ik vraag dus om het bij korte replieken te houden, want de debatten zullen in de toekomst ongetwijfeld nog worden gevoerd met de vakministers wanneer de uiteindelijke teksten in het Parlement verschijnen. Ik stel dus twee minuten per fractie voor de replieken voor.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, ik voel mij ongelooflijk dankbaar. Ik kwam hier met een open blik. Ik vond het paasakkoord fenomenaal en na zeer aandachtig luisteren, vooral naar alle oppositiepartijen, vind ik het nog fenomenaler. Na de repliek van de eerste minister, met uitzondering van het verhaal over de Hollandais , vind ik het nog fenomenaler. Onze fractie is dus alleszins enorm overtuigd.

Wat heb ik gehoord van de oppositie? PTB, Groen, Ecolo en de PS hebben heel veel kritiek op het feit dat het paasakkoord de tien plagen de wereld uit tracht te helpen, want het is allemaal onmenselijk, maar ik hoor geen enkel alternatief. Het betreft allemaal maatregelen om onze sociale zekerheid en ons systeem van herverdeling stand te doen houden. We zijn ook ontzettend fier dat we dat met de arizonacoalitie kunnen verwezenlijken. We zijn heel dicht bij de concretisering en de stemming ervan. Als u systemen die alleen hier nog bestaan, zoals de onbeperkte werkloosheidsuitkering in de tijd, nog voor de generatie van vandaag wilt behouden, dan maakt u de sociale zekerheid kapot en blaast u ze op voor de toekomstige generaties. Uw kritiek daarover overtuigt dus allerminst.

Andere partijen hadden het vooral over de effecten van hun beleid van de voorbije vijf jaar, met de verwoestende budgettaire koers, die gevaren werd – dank ook aan collega Bertrand om dat nog een keer op slides te tonen – en die wij nu aan het omkeren zijn. Ze hebben bovendien dan ook nog eens kritiek op het feit dat we 4 miljard euro op een bbp van 600 miljard euro investeren in defensie, in vrede. Mocht ik aan mijn overleden grootmoeder vertellen dat daar kritiek op komt, zou ze het niet geloven. Ze heeft de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog meegemaakt en zou zeggen dat dat budget om de vrede te bewaren, een badje is.

Francesca Van Belleghem:

Premier, tijdens de verkiezingen was het uw prioriteit om budgettair alles op orde te zetten, maar we hebben nog altijd geen budgettair kader gezien. Door eenmalige begrotingstrucs toe te passen, bevestigen jullie alleen maar dat jullie Vivaldi 2.0 zijn. Deze regering zorgt niet voor een structurele financiering van onder meer Defensie. Het enige structurele zijn nieuwe belastingen, zoals de vliegtaks en de meerwaardebelasting.

De zes kleine migratiemaatregelen in het paasakkoord zijn echte tjevenmaatregelen, echte vivaldimaatregelen. U zegt dat het kinderlijk is om naar de Europese Commissie te gaan en een asielstop en een gezinsherenigingsstop te onderhandelen. Vindt u Oostenrijk dan kinderlijk? Zij stoppen gezinshereniging met erkende asielzoekers tegen alle Europese richtlijnen in. Ze dwingen het af bij de EU. Vindt u Polen kinderlijk? Zij hebben een asielstop afgedwongen en de toestroom van asielzoekers in Polen is zelfs niet de helft zo hoog als hier. Als dat allemaal kinderlijk is, dan ben ik graag kinderlijk.

U zegt dat u deel uitmaakt van het clubje migratiekritische landen, maar u hinkt zwaar achterop, want Polen en Oostenrijk steken u vlot langs rechts voorbij. Uw crisismaatregelen hebben als doelstelling de categorie van asielzoekers die recht hebben op opvang te beperken. Maar asielzoekers zijn hier niet voor de asielopvang, ze zijn hier omdat illegalen niet teruggestuurd worden, ze zijn hier voor onze sociale woningen, ze zijn hier voor onze leeflonen zodra ze die verblijfstitel binnen hebben.

Uw vijgen-na-Pasen-akkoord bevat geen deftige maatregelen om die asielinstroom te doen dalen en om de terugkeer van illegalen te verhogen. Integendeel, u laat criminele illegalen na een derde van hun gevangenisstraf vrij, zonder dat u de druk verhoogt op derde landen om hun illegalen terug te nemen. Heel jammer.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne manquerai évidemment pas d'interroger les ministres compétents.

Cet accord de Pâques, à travers la loi-programme, comprend des éléments forts que le MR a soutenus: des moyens en plus pour la sécurité, pour la Défense, la Justice, pour lutter contre la surpopulation carcérale; des militaires sur les sites sensibles, libérant 300 policiers. C'est aussi le chômage limité à deux ans, un milliard pour la compétitivité de nos entreprises, des éléments fiscaux intéressants, notamment pour les indépendants, et un durcissement des règles de migration.

Nous le soutenons pleinement et nous vous remercions pour votre intervention.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, merci pour les quelques éléments d'information que vous avez daigné nous donner.

Vous aviez annoncé la couleur. Vous aviez d'ores et déjà renvoyé vers les ministres compétents en commission, vers le budget qui devrait arriver un jour ou l'autre. On espère toujours. Cela recule de semaine en semaine. Je pense que ce sera effectivement le juge de paix.

Vous avez balayé d'un revers de la main les questions sur la crédibilité budgétaire de cet exercice, sur la trajectoire budgétaire, sur l'endroit où vous irez effectivement chercher l'argent. Comme on l'a dit, ce sera en toute grande majorité auprès de la classe moyenne, dans les poches de la classe moyenne, sur les comptes en banque de la classe moyenne, que vous irez chercher cet argent, qui s'inscrit dans un exercice qui ne tient pas la route d'un point de vue budgétaire.

Vous pouvez utiliser un argument d'autorité renversée en disant: "Mais comment le PS peut-il parler de crédibilité budgétaire?" Nous attendions mieux de vous, monsieur le premier ministre. Vous, non pas l'historien, mais l'ingénieur, l'homme de chiffres, l'homme de précision, de détails. Nous avons uniquement des éléments, des effets de manche. Vous êtes assez disert sur les éléments idéologiques qui vous tiennent à cœur, mais sur tout le reste, sur tous les détails, pas une seule réponse concrète.

Peut-être un point quand même. Sur le statut d'artiste, vous n'avez pas pu vous empêcher d'avoir une lecture communautaire. Chassez le nationaliste, il revient au galop! Et c'est le cas ici. Vous avez une lecture communautaire sur ce dossier, notamment sur la répartition du nombre de bénéficiaires du statut d'artiste. Il n'est pas anormal que dans un pays, la capitale, qui compte toute une série d'institutions culturelles importantes, voie le nombre de bénéficiaires de ce statut plus important que dans d'autres Régions. Cela n'a rien d'insupportable! Cela n'a rien de surprenant, monsieur le premier ministre du Royaume de Belgique! C'est effectivement une ville capitale qui vit, qui choie sa scène culturelle, ses secteurs culturels. Il n'est donc pas anormal qu'il y ait plus de bénéficiaires de ce statut.

Bart De Wever:

Il n'y a pas d'artiste à Anvers?

Pierre-Yves Dermagne:

Je n'ai pas dit cela.

Ayez une vision plus large. Vous n'êtes plus le bourgmestre de la belle Ville d'Anvers, monsieur le premier ministre. Vous êtes le premier ministre du Royaume de Belgique. Et, à ce titre, vous devez traiter les Flamands, les Bruxellois et les Wallons sur un même pied d'égalité.

Bart De Wever:

(…)

Pierre-Yves Dermagne:

Je ne vous ai pas interrompu tout à l'heure, monsieur le premier ministre. S'il vous plaît, laissez-moi terminer!

En ce qui concerne le statut d'artiste, votre ministre de l'Emploi a évoqué des abus. Cela transparaissait d'ailleurs très clairement à travers l'exposé des motifs et sa première mouture de la loi-programme qui a fuité dans la presse, avec effectivement uniquement un regard budgétaire qui partait du principe de mauvaise foi de la part de celles et ceux qui bénéficient de ce statut réformé.

Vous avez dit qu'il s'agissait d'une responsabilité des Régions, monsieur le premier ministre. Mais non, la réforme du statut d'artiste de 2022 a précisé que la disponibilité active, passive et adaptée était spécifique pour les travailleurs et les travailleuses du secteur des arts. Et, justement parce qu'on les considèrent comme travailleurs à part entière, quand ils bénéficient du statut, le Forem, le VDAB et Actiris ne doivent pas les considérer comme des chercheurs ou des demandeurs d'emploi. C'était un des éléments fondamentaux et centraux de la réforme.

Par vos propos, monsieur le premier ministre, qui confirment la crainte que nous avons et que les artistes ont par rapport au maintien du statut, vous évoquez effectivement une réforme de ce statut, un durcissement des règles et des conditions, faisant en sorte que celles et ceux qui bénéficient aujourd'hui de ce statut dont on doit être fiers seront demain menacés. Nous y reviendrons, monsieur le premier ministre.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister, ik vind het wel interessant. U probeert gewoon om het hele debat weg te wuiven. Ideologisch bestond uw hele denkwijze op budgettair vlak in begrotingsdiscipline, begrotingsdiscipline en nog eens begrotingsdiscipline. Dat wordt nu volledig aan de kant geschoven in vijf minuten. Dat toont aan dat het ging om begrotingsdiscipline voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten. Als het echter om andere uitgaven, militaire uitgaven gaat, dan geldt er geen begrotingsdiscipline. Dat is gewoon waar. Dat is in vijf minuten politiek beslist. Het moet binnen de N-VA moeilijk zijn, omdat uw denkwijze de laatste jaren alleen maar focuste op het Duitse model en begrotingsdiscipline. Dat wordt volledig aan de kant geschoven, mijnheer Ronse. Op de vragen daarover wordt gewoon niet geantwoord.

Ten tweede, antwoordt u niet op de vragen over de pensioenmalus, mijnheer de eerste minister. In het regeerakkoord staat dat ziektedagen niet meetellen. Er zijn sancties. De minister van Pensioenen antwoordt het tegenovergestelde in de plenaire vergadering. Wat is het nu juist?

Troisièmement, monsieur le premier ministre, vous n'avez pas répondu à ma question sur les pensionnés. En Belgique, nous vivons déjà avec des pensions relativement faibles par rapport à la France, l'Allemagne et les Pays-Bas. Les pensionnés ont du mal à payer leur maison de repos. Et vous décidez – vous n'avez pas répondu à cette question – de postposer l'indexation des pensions de trois mois. Cela va coûter 68 euros à un pensionné qui reçoit 1 700 euros bruts, 68 euros que vous retirez des pensions!

Je m'y attendais de la part de la N-VA. Mais Les Engagés? Vous qui deviez être un parti qui allait faire du social, vous trouvez cela logique de viser une nouvelle fois les pensionnés? De postposer l'indexation des pensions? Cela vous amuse d'aller chercher l'argent chez les pensionnés? Pourquoi n'allez-vous pas le chercher chez les super riches? Pourquoi n'allez-vous pas chercher l'argent vers le haut pourquoi sont-ce une nouvelle fois les pensionnés qui doivent payer? Dans votre programme électoral, vous promettiez d'aider les pensionnés. Mensonge! Mensonge!

Le MR allait sauver les travailleurs, allait sauver le pouvoir d'achat. On ne retrouve rien de tout ça! J'ai demandé au premier ministre combien cette mesure allait rapporter et il n'a pas répondu, parce que vous êtes tous mal à l'aise à cet égard. Répondez! Combien cela va-t-il rapporter, monsieur le premier ministre? Eh bien voilà, cela ne répond pas! Je le dis, c'est parce que vous avez honte de toucher une nouvelle fois les pensionnés. C'est facile d'aller chercher l'argent chez ces gens-là, mais vous n'osez pas aller le chercher chez les gens qui ont des grands patrimoines, parce que vous n'avez aucun courage politique.

Aurore Tourneur:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour les précisions apportées à nos questions et votre calme face aux propos populistes.

Le droit au rebond représente une nouvelle philosophie de chômage, qui n'est plus seulement un filet de sécurité passif, mais aussi un outil actif de reconversion au service de l'épanouissement professionnel et du maintien en emplois. Nous continuerons de suivre la mise en œuvre de ce droit au rebond avec une attention particulière, car nous croyons profondément en son potentiel – j'ai entendu que d'autres collègues de l'opposition y croyaient aussi, et cela me fait très plaisir – pour renforcer le bien-être au travail, encourager les transitions professionnelles choisies et soutenir une sécurité sociale durable et moderne.

Quant au suivi des demandes légitimes des magistrats, nous serons aussi présents pour veiller à ce qu'une véritable concertation sociale soit menée et que la réforme, certes nécessaire, ne se fasse jamais au prix d'un affaiblissement de notre É tat de droit.

Comme toujours, nous serons au rendez-vous pour faire vivre les ambitions de l'accord de gouvernement dans l'esprit constructif de dialogue, de vigilance, de cohérence et de responsabilité qui nous anime.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw toelichting. Ik zal het korter houden. De collega’s van de PS hebben hun spreektijd verdubbeld. Ik zal de mijne halveren.

Voor Vooruit is het heel belangrijk dat wij met het paasakkoord investeren in zorg en opleiding, dat wij de pensioenen van de mensen beschermen, dat wij de fiscale fraude aanpakken en dat wij zorgen voor een volwaardige sociale bescherming voor de kunstenaars.

Mijnheer de voorzitter, voor het overige verwijs ik naar mijn eerdere uiteenzetting.

Voorzitter:

Ik dank u. De heer Demon is ook al vertrokken. Dat bespaart ons ook al twee minuten.

Wij komen nu bij de replieken van Ecolo-Groen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, vous le dites vous-même: un milliard pour les entreprises afin de stimuler leur compétitivité. Si ce n'est pas un cadeau, alors je ne sais pas ce qu'il faut aux entreprises pour qu'on puisse parler de cadeau!

Par ailleurs, j'ai très bien compris où vous vouliez en venir. Votre projet est d'acculer les gens pour qu'ils acceptent n'importe quel boulot à n'importe quel prix. C'est le projet de l'Arizona. En revanche, ce qui est vrai c'est que les matières sociales sont extrêmement techniques. Vous faites de l'enfumage et jouez sur l'incapacité des gens à comprendre à quelle sauce ils vont être mangés pour avancer à un rythme effréné dans vos réformes. Laissez-moi vous dire que nous ne vous laisserons pas faire et que nous continuerons à mettre en exergue les mesures antisociales que vous êtes en train de prendre au détriment des plus fragiles et en faisant des cadeaux aux plus riches.

Vous nous dites que vous voulez responsabiliser tous les acteurs, mais il en est un que vous oubliez: ce sont justement les employeurs. Vous prétendez que toute la chaîne va s'activer pour contrôler. Mais à quel moment vous tracassez-vous du bien-être au travail et du travail qui rend malade? Vos mesures vont amplifier les maladies, avec la flexibilisation, l'appauvrissement, l'insécurité de l'emploi, le travail de nuit et le travail dominical. Monsieur le premier ministre, ce sont des conditions de travail qui rendent malade et qui constituent une véritable bombe à retardement pour notre système.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de premier, u was absoluut niet duidelijk over de budgetten, maar u was wel heel duidelijk over de pensioenen van de parlementsleden. U hebt verklaard dat als die wetgeving voor iedereen wordt gewijzigd, het logisch is dat die wijzigingen ook worden doorgevoerd voor de parlementsleden. Dat is helder. Is dat uw persoonlijk standpunt of het standpunt van de meerderheid? Dat is niet duidelijk.

Bart De Wever:

Mijnheer Van Hecke, het Parlement is autonoom.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de eerste minister, dat is juist, maar ik sprak over de meerderheidspartijen.

Ten slotte was u over Euroclear ook helder. U geeft toe dat uw budget niet sluitend is, want als er een vredesakkoord zou komen in 2026, 2027 of 2028, kampt u met een budgettair probleem. U geeft ook aan dat u dan nieuwe budgettaire maatregelen zult moeten nemen. Zelfs als u de inkomsten vijf jaar lang op 1,2 à 1,3 miljard euro zou kunnen houden – meer dan 6 miljard euro – zult u dat niveau van inkomsten niet kunnen aanhouden, want de intresten zijn aan het dalen. De conclusie is nog altijd dat uw regering een paasakkoord aflevert met een 'fenomenaal' gat in de begroting, mijnheer Ronse. Dat zal binnen enkele maanden en jaren blijken.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, ik vrees dat president Trump ook al een invloed heeft op ons land en ons beleid, want feiten zijn blijkbaar minder van belang. Ik zal u drie feiten geven. Het gaat niet over mij, maar over de feiten. Ten eerste, ik heb één begroting opgesteld als staatssecretaris voor Begroting. Dat was de begroting voor 2024. Ik ben op zoek gegaan naar een extra budget van 3 miljard euro. Ik heb een extra structurele inspanning gedaan. Ik had meer willen doen en we zaten op dezelfde golflengte op dat vlak, maar de coalitie liet dat niet toe. Het resultaat was dat we in 2024 op 2,7 % zijn geland voor entiteit 1. Dat is een feit. Uw ambitie is om tegen het einde van de legislatuur minder dan 3 % voor entiteit 1 te halen. Als dat uw ambitie is, dan moet u of uw minister van Begroting zich vragen stellen.

Ik geef u een tweede feit. Met voormalig minister van Defensie Vandeput zaten we op 0,9 % voor defensie-uitgaven, het laagste niveau ooit. U bent vergeten dat u zelf een minister van Defensie hebt geleverd.

Dan kom ik aan het derde feit. U hebt niet geantwoord op de vragen die u lastig vindt. Het gaat dan over de 2,2 miljard, die put in uw eigen tabel, over de 770 miljoen euro, over de 2 miljard van uw paasakkoord. U kunt achteruit blijven kijken en u zult dat nog een tijdje doen, maar dit zijn uw eigen gaten. U bent uw eigen gaten aan het creëren in de begroting, mijnheer De Wever. Dat is een feit.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw eerlijke antwoorden maar u bent één zaak uit de weg gegaan, namelijk het feit van de illegale criminelen die vervroegd vrijkomen op beslissing van de administratie na een derde van hun straf. Dat doet de leuze "het strengste migratiebeleid ooit" wel een beetje als een holle slogan klinken, als ik mij dat mag permitteren.

Ik vraag mij dan af of u dat niet gezien hebt. Heeft uw kabinet dat niet gezien? Kwatongen beweren dat u de minister van Justitie hebt laten staan op de binnenkoer van de Wetstraat. Misschien moet u haar nog eens in de ogen kijken en daarover een gesprek voeren met haar. Die maatregel is namelijk gevaarlijk. Ik herhaal dat.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, s'agissant du statut d'artiste, je n'ai pas dit qu'il n'y avait aucun abus. J'ai dit que le système protégeait déjà énormément contre les abus et la preuve en est que le seul exemple d'abus sorti de la bouche de votre ministre de l'Emploi était au minimum fantaisiste – l'histoire du barman dans le théâtre. Pour le reste, une information pour vous: l'activation est certes régionale mais sauf erreur, la politique de sanction revient toujours à l'ONEM. À moins que l'Arizona ait régionalisé l'ONEM sans nous le dire, ce que je ne pense pas, le fédéral reste compétent pour ce qui concerne les abus. Il n'est pas anormal de trouver 50 % des artistes vivant à Bruxelles vu l'importance de la vie culturelle. Même si vous l'avez dit sous l'angle de l'humour, il est douteux de vouloir installer un rapport permanent entre Bruxelles et la fraude. Cette musique ne sonne pas. En ce qui concerne les F-35, il y a des pays qui combinent l'achat de F-35 avec d'autres appareils tels que des Rafale. La Grèce le fait! Je ne vois pas pourquoi vous êtes condamnés à réinvestir dans des F-35. Enfin, s'agissant de la taxe à 1 000 euros, je suis ravi d'entendre que vous voulez rester belge puisque cela coûtera 91 euros de moins que de mourir en Hollandais. Parfait, c'est une information. Mais l'argument de dire qu'on le fait parce que d'autres le font ne tient pas. La vraie réponse est que vous souhaitez décourager le plus d'étrangers possible de rejoindre notre communauté nationale. Autant l'accès à la nationalité doit être rationalisé par des arguments de parcours d'intégration et de maîtrise de langue, autant le fait de diviser l'accès entre les plus riches et les plus pauvres est vraiment dommage. C'est un message réducteur. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 59.

De pensioenen van de magistraten

Gesteld door

PTB-PVDA Julien Ribaudo

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De reforme van de magistratuurpensioenen dreigt de attractiviteit van de rechtspraktijk verder te ondermijnen, terwijl de sector al kampt met onderbezetting, overbelasting en gebrek aan middelen, waarschuwt oppositiekamerlid Ribaudo. Minister Verlinden erkent de zorgen over de pensioenverlaging (tot 40% minder), maar benadrukt dat loopbaanontwikkeling, werkcondities en autonomie in middelenbeheer (via een *task force* in 2025) de aantrekkingskracht moeten waarborgen, zonder concrete extra budgetten te beloven. Ribaudo (PTB) verwerpt de pensioenhervorming categorisch, wijst op het risico van een exodus en instroomcrisis en koppelt dit aan een politieke keuze om werkenden (inclusief magistraten) onevenredig te belasten ten opzichte van vermogenden. De minister ontkent een acute uitstroom, maar Ribaudo hamert op de systemische dreiging voor de rechtsstaat als de basisvoorwaarden voor magistraten verder verslechteren.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, nous apprenons avec inquiétude que les magistrats, déjà confrontés à des conditions de travail dégradées, voient aujourd'hui leur pension promise être considérablement diminuée. Les jeunes magistrats craignent une hémorragie des vocations et ils l’ont fait savoir dans une lettre ouverte co-signée par près de 450 magistrats.

Cette décision, bien que relevant formellement de la compétence de votre collègue chargé des pensions, aura des conséquences immédiates et profondément néfastes sur l'appareil judiciaire, dont vous avez la responsabilité politique.

Cet appareil judiciaire, indispensable à l'État de droit, ne peut pas être affaibli davantage. Or, dans un contexte où les moyens matériels et humains sont déjà dramatiquement insuffisants, et où la charge de travail est écrasante, la perspective d'une pension rabotée risque d'accélérer la fuite des talents et de dissuader les nouvelles vocations. La justice est déjà en souffrance ; la priver encore de ses forces vives, c'est la condamner à terme.

Par ailleurs, vous revendiquez dans l'accord de gouvernement et dans vos notes stratégiques vouloir "laisser la magistrature gérer son propre fonctionnement interne". Une telle autonomie pourrait être pertinente si elle s'accompagnait d'un financement adéquat. Or sans budget suffisant, cette promesse d'autonomie apparaît comme une simple mesure d'austérité déguisée, laissant les magistrats gérer leur propre appauvrissement.

Je vous pose donc les questions suivantes:

Avez-vous alerté votre collègue sur les conséquences désastreuses qu'aura cette réforme des pensions sur l'attractivité des carrières judiciaires?

Avez-vous envisagé d'autres solutions pour préserver l'engagement des jeunes magistrats, sans démanteler leur futur droit à une retraite digne?

Pouvez-vous préciser quels moyens financiers nouveaux seront dégagés pour rendre efficace l’autonomie de gestion interne de la justice?

Quelles mesures urgentes entendez-vous prendre pour éviter une hémorragie de magistrats et garantir la continuité du service public de la justice?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, la réforme des pensions envisagée par le gouvernement aura un impact pour de nombreux groupes de la société, y compris pour les magistrats. Je comprends leurs préoccupations, qui sont justifiées et comparables aux préoccupations des autres professions concernées. Je suis en contact avec mon collègue le ministre des Pensions, afin de déterminer précisément quelles seront les conséquences de cette réforme pour les magistrats.

L'attractivité de la fonction de magistrat dépend de plusieurs facteurs, le régime de pension étant l'un d'eux. Mais ce n'est pas le seul. D'autres éléments entrent en jeu: le contenu et les conditions de travail, le régime des congés, la culture organisationnelle, les relations de travail ou encore les possibilités de formations, de développement et d'évolution de carrière. Notre ambition demeure de maintenir la fonction de magistrat suffisamment intéressante pour continuer à attirer à l'avenir des juristes compétents et talentueux.

L'objectif de la gestion autonome est avant tout de permettre à l'ordre judiciaire de gérer ses moyens de manière autonome, mais aussi de permettre une gestion plus efficace des moyens disponibles. Cela va de pair avec une gestion plus flexible du personnel, et un modèle d'allocations basé sur des critères objectifs. En 2025, nous lancerons une task force à cet effet, en collaboration avec les acteurs concernés de l'organisation judiciaire.

À ce stade, rien ne semble indiquer que les préoccupations liées à la réforme des pensions entraîneront un départ massif des magistrats. Le nombre de départs volontaires reste traditionnellement relativement bas au sein de la magistrature. Les services continuent à suivre de près ces chiffres.

Julien Ribaudo:

Merci madame la ministre pour votre réponse. Nous parlons ici d'un service public essentiel, la Justice. J'ai fait énormément de rencontres ces derniers mois, comme vous, et je peux affirmer sans sourciller qu'à l'intérieur de la Justice tout le monde rame. Il manque du personnel, des juges, des procureurs, des greffiers, et ceux qui y sont bossent sous une pression assez dingue. Et là, vous allez dire aux magistrats que leur pension, leur pouvoir d'achat, va fondre de 40 %. Je suis d'accord avec vous sur le fait que ce n'est pas le seul critère d'attractivité, mais ce n'est pas vraiment une super perspective pour pouvoir rester, et cela ne donne pas une grande envie aux jeunes de se lancer dans cette carrière. Cela aura un impact désastreux pour toute la justice, même si vous dites qu'on ne peut pas voir les chiffres de ceux qui vont partir. En tout cas, on ne verra pas ceux qui auraient voulu se lancer et ne pourront pas, ou ne voudront pas, se lancer. Le PTB est clair. Nous sommes contre la réforme des pensions de votre gouvernement pour tout le monde et cela vaut également pour les magistrats qui ont une grosse charge de travail, une grosse responsabilité. Ils méritent une pension digne. Oui, certains ont critiqué leur action. Je peux le comprendre. Les prisons sont déjà surpeuplées et y ajouter 4 000 condamnés supplémentaires est irresponsable tant pour le personnel pénitencier que pour les détenus. Mais soyons honnêtes, quoi qu'ils fassent, ce sera problématique, parce que sans les magistrats, la justice s'arrête de fonctionner, ce qui démontre à quel point ils sont indispensables. J'ai entendu dans votre réponse précédente – ma question était liée à celles que mes collègues vous ont posées précédemment – qu'il faut faire un effort pour toutes les générations futures. D'accord! Mais il faut arrêter de faire comme si les pensions étaient un luxe belge. On dépense moins que nos voisins. C'est un choix politique de faire payer les travailleurs pendant que les plus riches passent entre les gouttes. Aujourd'hui, au-delà des travailleurs, c'est la justice et donc votre ministère qui va souffrir de la politique des pensions de votre gouvernement.

De gevolgen van de afschaffing van het echtscheidingspensioen

Gesteld door

Open Vld Alexia Bertrand

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Beenders ontkent plannen om 420.000 echtscheidingspensioenen (vooral van vrouwen) af te schaffen, noemt berichtgeving in *Het Laatste Nieuws* foutief en belooft geen achteruitgang voor gescheiden vrouwen, maar wil wel overstappen naar een pensioensplit (eerlijker, maar vrijwillig). Bertrand waarschuwt dat dit nieuwe systeem vrouwen benadeelt, omdat het afhankelijk is van toestemming bij huwelijk en geen automatische bescherming biedt voor wie thuisblijft voor kinderen—terwijl het huidige echtscheidingspensioen dat wel doet. De kern: geen directe afschaffing, maar risico op zwakkere rechten door een vrijwillig alternatief dat vrouwen kwetsbaarder maakt.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik had niet verwacht dat ik op een week tijd twee keer het spreekgestoelte zou moeten bestijgen om de rechten van de vrouwen in dit land te verdedigen. Vorige week ging het over het moederschapsverlof. Die periode zou tijdens werkloosheid plots niet meer meetellen om pensioenrechten op te bouwen. De minister heeft dat ontkend, maar achteraf bleek wel dat een dergelijke regeling in een versie van de tekst opgenomen was. Dat toont aan hoe waakzaam we moeten zijn. Vandaag gaat het over het echtscheidingspensioen. 420.000 mensen in dit land dreigen hun echtscheidingspensioen te verliezen. Acht op de tien daarvan zijn vrouwen.

De onderliggende redenering is, zo lees ik in de pers, dat scheiden loont. Nee, mijnheer de minister, scheiden loont niet. Scheiden is lijden. Scheiden is een drama voor heel veel mensen. Scheiden is vooral heel duur. Ik begrijp dus niet dat u een algemene regel zou invoeren om enkele misbruiken, waarvan er zelfs wordt gezegd dat wij ze niet hard kunnen maken, aan te pakken. Dat staat ook in het Laatste Nieuws vanochtend.

Vandaar mijn vragen aan u, meneer de minister. Zal de regel echt in werking treden? Zult u iedereen straffen op basis van een aantal uitzonderingen, die u zelfs niet kunt bewijzen? Wordt het voorstel morgen in het superkernkabinet besproken?

Rob Beenders:

Mevrouw Bertrand, u bent kennelijk een selectieve lezer van Het Laatste Nieuws . Het is daarom goed dat wij hier kunnen verduidelijken wat in de krant heeft gestaan en vooral wat in het regeerakkoord staat en wat de huidige regering wil veranderen.

Wij zijn niet tegen de vrouwen; wij zullen de regeling niet oneerlijker maken; wij zullen geen 400.000 gezinnen pijn doen door de echtscheidingspremie af te pakken. Dat zullen wij absoluut niet doen.

Laat ik duidelijk zijn over het bericht in Het Laatste Nieuws : de krant was fout en heeft dat ook letterlijk toegegeven in een artikel van vanmiddag. ( Protest )

Lees de krant. Er staat letterlijk in dat in de gedrukte krant een fout stond. Ik wil het hier herhalen. Wij moeten immers hier een beleid voeren en niet in de krant. Ik bevestig dus namens de hele regering dat wij niet zullen raken aan de 420.000 echtscheidingspensioenen. Er is dus geen reden tot bezorgdheid.

Dat neemt niet weg dat het stelsel van het echtscheidingspensioen wel bijzonder is. Mevrouw Bertrand, wanneer u van mening bent dat wij iets moeten doen voor personen in een scheidingsprocedure en dat wij vrouwen moeten beschermen wanneer zij een heel moeilijke periode doormaken, dan moet u toegeven dat dat stelsel niet het meest faire statuut is. Het is bijvoorbeeld niet geldig voor ambtenaren, hoewel ambtenaren ook kunnen scheiden en vrouwen ook schade kunnen ondervinden.

Het is dus goed wat de regering doet, namelijk hervormen en zorgen dat wij naar een pensioensplit evolueren die voor iedereen eerlijker is en niet alleen voor bijvoorbeeld niet-ambtenaren. Wij willen evolueren naar een stelsel waaraan ook de ex-partner bijdraagt ingeval de andere partner, meestal de vrouw, thuisblijft om bijvoorbeeld voor de kinderen te zorgen. Het regeerakkoord tekent voor ons de juiste weg, die van een eerlijke hervorming. Maak u zich dus geen zorgen: wij zullen de vrouwen in dat verhaal niet achterlaten.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik ben blij met uw antwoord. Het is de tweede keer dat er iets in de krant staat dat ons veel zorgen baart.

Ik herinner iedereen aan het principe van het echtscheidingspensioen. Dat is er voor uit de echt gescheiden vrouwen die er bewust voor gekozen hebben om thuis te blijven om hun kinderen op te voeden en tijdens die periode dus geen pensioenrechten hebben kunnen opbouwen. U stelt een ander systeem voor, de pensioensplit, maar dat is een vrijwillig systeem waarvoor men kiest op het moment dat men het huwelijkscontract voor de notaris sluit. De man of de vrouw – het is meestal de man -, moet daar wel mee instemmen. Dat is een fundamenteel ander systeem dan het echtscheidingspensioen. Ik vraag iedereen dus om waakzaam te blijven, want alle vrouwen zullen door het nieuwe systeem worden getroffen.

Voorzitter:

Hiermee is de vragensessie afgerond.

De stavaza betreffende de Duitse pensioenen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs
De regeling inzake pensioenen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs
Pensioenregelingen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de uitvoering van een resolutie (2019) die eist dat België gegevens deelt met Duitsland over Belgische oorlogscollaborateurs die na WOII Duitse pensioenen ontvingen, om deze onrechtmatige uitkeringen stop te zetten. Minister Jambon (Pensioenen) stelt dat zijn dienst geen relevante gegevens bezit en dat de pensioenen onder Duitse verantwoordelijkheid vallen, verwijzend naar eerdere antwoorden van Buitenlandse Zaken en Justitie. De Smet (DéFI) kritiseert het gebrek aan voortgang en belooft de druk op te voeren, ook bij andere ministers, om de resolutie alsnog te doen naleven. Kernpunt: juridische en administratieve blokkades belemmeren actie, terwijl de politieke wil om collaborateurspensioenen aan te pakken onveranderd blijft.

François De Smet:

Monsieur le ministre, le 14 mars 2019, était adoptée, à l’initiative de mon parti DéFI, une résolution visant à clarifier et à abroger le régime des pensions octroyées aux anciens collaborateurs militaires belges du régime national-socialiste allemand durant la Seconde Guerre mondiale.

Sous la précédente législature, nous avons interrogé à plusieurs reprises le ministre de la Justice quant au suivi à assurer à cette résolution.

Lors de ma dernière intervention sur ce sujet , le 17 décembre 2024, le ministre de la Justice m’avait assuré que le point 1 de la résolution avait été exécuté, en dépit des problèmes juridiques. Pour rappel, il s'agissait de requérir auprès des autorités de la Rhénanie du Nord-Westphalie toutes les informations pouvant faire la clarté sur les pensions actuelles et passées accordées par l’Allemagne à d’anciens collaborateurs belges.

Mais la résolution comporte un deuxième volet, à savoir "envoyer aux autorités de la Rhénanie du Nord-Westphalie les données concernant les collaborateurs belges et les collaborateurs de nationalité étrangère résidant en Belgique durant la Seconde Guerre mondiale, condamnés en Belgique pour faits de collaboration avec l’occupant nazi".

Le ministre de la Justice m'a répondu que les objectifs de l'échange d'informations sont liés au statut de pension des personnes concernées et m'a donc renvoyé vers vous.

Je suis conscient du caractère délicat de la question, mais il importe de pouvoir avancer dans ce dossier qui tend à réparer une injustice profonde que constitue le régime des pensions accordées aux collaborateurs belges par l’Allemagne.

Monsieur le ministre, confirmez-vous la prise en charge de l’exécution de ce deuxième point de la résolution? Quels écueils juridiques et factuels pourraient-ils retarder cette transmission de données?

Jan Jambon:

Monsieur De Smet, le Service fédéral des Pensions (SFP) ne dispose d'aucune donnée concernant une condamnation pour collaboration pendant la Seconde Guerre mondiale pour des Belges ou des personnes de nationalité étrangère résidant en Belgique.

En outre, le SFP n'est pas responsable de l'octroi ou du paiement des pensions de retraite à cet égard. Ces pensions ont été octroyées et versées par l'État allemand et ne relèvent pas de la compétence du SFP.

Je vous renvoie également à la réponse de l'ancienne ministre des Affaires étrangères, Mme Hadja Lahbib, du 15 février 2023, ainsi qu'à la réponse de l'ancien ministre de la Justice, M. Vincent Van Quickenborne, du 31 mai 2022. Je partage ces réponses.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, mais je vois que le carrousel continue. Nous avons déjà interrogé le ministre des Affaires étrangères, mais nous allons le refaire. Je prends note du fait que le Service fédéral des Pensions n'a pas les informations nécessaires, mais il faudra quand même que quelqu'un dans ce gouvernement aide à exécuter cette résolution. Nous remonterons donc aussi haut que nécessaire.

Het pensioen van het academische en wetenschappelijke universiteitspersoneel

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Isabelle Hansez waarschuwt dat de pensioenhervorming de attractiviteit van academische loopbanen in België verder ondermijnt door late carrièrestart, cumulatie van nadelige maatregelen (plafonds, non-indexatie) en concurrentie met het privésector, wat een braindrain dreigt te versnellen. Minister Jambon erkent het probleem maar benadrukt dat pensioenhervorming gepaard moet gaan met een modern HR-beleid (loopbaanflexibiliteit, salarisstructuren), hoewel dit onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen valt; hij belooft wel impactanalyses per cohorte en overleg met onderwijsactoren, maar stelt dat de effecten pas middellangetermijn zullen zijn. Hansez houdt vol dat onmiddellijke zekerheid nodig is om jong talent te behouden, gezien het cruciale belang van kennisproductie voor de economie. Jambon wijst op de generuze academische pensioenen als huidige troef, maar suggereert dat de hervorming een katalysator kan zijn voor betere salarissen—zonder concrete garanties.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je reçois de nombreux messages de collègues, professeurs d'université, inquiets quant aux conséquences de la réforme des pensions sur le personnel académique et scientifique. Dans plusieurs domaines à haute valeur stratégique, comme la médecine, la pharmacie, les mathématiques ou encore l’ingénierie, les universités belges doivent composer avec une concurrence accrue du secteur privé, qui propose des conditions d'emploi et des ressources de recherche significativement plus avantageuses.

Cette réalité exerce une pression croissante sur notre capacité à recruter et à retenir les talents scientifiques. Or, la qualité de la formation de nos jeunes, futurs citoyens actifs et responsables, repose fondamentalement sur la solidité, la stabilité et la reconnaissance du corps académique. Ceci appelle dès lors une attention toute particulière dans le cadre de la réforme en cours. Toute réforme des pensions qui ne tiendrait pas compte des spécificités inhérentes aux carrières universitaires risquerait de compromettre davantage encore l'attractivité de nos institutions académiques ainsi que leur capacité à produire et à transmettre des savoirs de pointe indispensables au développement économique, social et technologique de notre société.

Il est essentiel de rappeler que l'objectif d'égalité et d'harmonisation des statuts ne doit en aucun cas conduire à leur uniformisation. Ceci m'amène à répéter les questions que j'avais posées lors de votre exposé. Comment envisagez-vous de considérer la spécificité du monde académique dans les réformes prévues? Comptez-vous notamment tenir compte de la tardiveté des carrières académiques si on veut que nos universités restent attractives? Comment motiver encore les jeunes chercheuses et chercheurs à s’engager dans une carrière scientifique en Belgique? Comment la future réforme prendra-t-elle davantage en compte la spécificité de l'hybridité sociale du monde académique: une carrière dans le régime de sécurité sociale des travailleurs salariés et une dans celle des indépendants? Comment envisagez-vous de facto la concertation sur ce sujet avec les acteurs des universités qui sont en l'occurrence demandeurs de celle-ci?

À cet effet, monsieur le ministre, je tiens à souligner que l'accord de gouvernement prévoit explicitement une prise en compte des effets cumulatifs des réformes en matière de pension. De surcroît, un éventuel plafonnement des pensions du personnel académique, combiné à d'autres mesures telles que la non-indexation du plafond Wijninckx engendrerait une différence de traitement significative par rapport à d'autres catégories de personnel. Une telle accumulation de dispositions favorables risque de fragiliser profondément l'attractivité du métier académique et de provoquer à terme un exode inévitable de talents vers des environnements professionnels plus stables et plus valorisants en Belgique comme à l'étranger?

Pourriez-vous dès lors nous indiquer, monsieur le ministre, si le Service fédéral des Pensions sera effectivement mandaté pour procéder à une évaluation concrète de l'impact qu'aurait sur le montant des pensions du personnel académique la mise en œuvre des mesures envisagées dans le cadre de la réforme et en prenant particulièrement en considération l'effet de cumul des différentes mesures qui doivent être prises. Par ailleurs, pourriez-vous nous donner un délai dans lequel ces données seraient disponibles et communiquées au Parlement.

Jan Jambon:

Merci pour votre question tout à fait pertinente, madame Hansez. Votre question nous rappelle une fois de plus qu'une réforme des pensions à un impact sur des domaines bien différents que les pensions elles-mêmes. Par exemple, un relèvement de l'âge de la retraite mène régulièrement à une discussion sur la charge de travail, ou même, sur les métiers lourds. La réponse qu'il convient de donner est que nous allons malgré tout réformer les pensions parce que c'est bien nécessaire, mais que cela nous oblige à repenser l'organisation du travail au sein de chaque entreprise ou organisation. En effet, si une réforme des pensions se veut effective, elle doit peut-être aller de pair avec une nouvelle politique du personnel qui mise sur la formation continue, le développement des compétences tout au long de la carrière, la mobilité professionnelle, qui prête attention à la charge de travail et aux possibilités de reconversion professionnelle et de travail adapté, etc. Une réforme des pensions doit donc aller de pair avec une politique du personnel adaptée. Autrement dit, une réforme des pensions donne beaucoup plus de poids à une nouvelle politique du personnel par rapport au poids qu'elle a eu dans le passé. Cela peut aussi créer des opportunités pour une politique du personnel ou une politique salariale. On aurait pu implémenter aussi cette politique avant les réformes de pension. Mais on ne l'a pas fait car l'urgence n'était peut-être pas là.

Vous allez peut-être dire que je tourne autour de votre question mais, en fait, votre question sur l'impact d'une réforme des pensions sur le secteur des universités est une question importante qui demande une perspective plus globale et qui nécessite une réponse équilibrée. Or, moi, en tant que ministre des Pensions, je suis uniquement compétent pour les pensions, pas pour la politique du personnel, ni la politique salariale de l'enseignement.

Je peux vous affirmer que mon cabinet a déjà eu des réunions avec le cabinet de l'enseignement, francophone et néerlandophone, pour mieux comprendre et identifier l'impact potentiel de l'accord de gouvernement fédéral sur le secteur de l'enseignement. On envisage des réunions régulières dans le futur à ce sujet. Je pense que cette consultation avec les acteurs de l'enseignement, y compris les universités, est vraiment importante. On veut écouter leurs soucis spécifiques et on a convenu de se réunir à nouveau dans les semaines qui suivent pour discuter, entre autre, des simulations et d'une analyse d'impact réalisée par le Service fédéral des Pensions en distinguant plusieurs profils types et plusieurs cohortes.

Quand j'ai vu, la semaine dernière, des représentants des syndicats du secteur public qui siègent au sein du Comité A, j'ai également suggéré de se baser sur des analyses d'impact effectuées par le Service fédéral des Pensions pour nous assurer que nous faisons la même analyse technique et numérique. On organisera une réunion technique informelle avec eux pour clarifier l'impact des réformes sur des profils types dans plusieurs secteurs, notamment l'enseignement.

Je veux insister sur le fait que l'impact de la réforme des pensions sur les universités se situe, selon nos estimations, plutôt sur le moyen ou le long terme. Une analyse de l'impact devrait révéler que celui-ci est très différent pour des gens proches de leur retraite que pour les jeunes qui entrent sur le marché de l'emploi. Dans cette perspective, il est très important de faire des simulations et des analyses d'impact par cohorte. Malheureusement, des chiffres erronés ont circulé dans les médias, ce qui crée évidemment des incertitudes.

En tant que ministre des Pensions, je ne suis pas compétent pour le secteur de l'enseignement universitaire mais j'ai compris que les salaires dans les universités belges ne sont pas compétitifs pour attirer des chercheurs prometteurs provenant de l'étranger. L'argument avancé pour attirer ces profils étrangers semble être l'argument de pensions généreuses alors que les salaires ne le sont pas. En effet, les pensions des professeurs d'université sont vraiment généreuses, y compris dans une perspective internationale.

On est devant une réforme des pensions qui pourrait – ou pourrait ne pas –, enclencher une dynamique concernant la politique du personnel et la politique salariale utilisée dans les universités belges. Une réforme des pensions pourrait être utilisée comme un catalyseur pour développer une structure de rémunération attractive pendant la carrière. Mais, à nouveau, cela relève de la compétence des Communautés, avec lesquelles on poursuit la concertation.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'entends bien votre volonté de vous concerter avec les entités fédérées. J'entends bien aussi que la politique des ressources humaines, des carrières et des académiques est importante. Et je retiens également que vous avez prévu de procéder à des simulations pour vous assurer que l'effet cumulé puisse être analysé et vérifié de manière à rassurer peut-être les académiques. Comme vous parlez d'effet à moyen ou long terme, cela laisserait aux plus jeunes la possibilité de faire des choix de carrière. Mais, de nouveau, j'insiste sur le fait qu'on a besoin de jeunes universitaires qui s'engagent dans une carrière académique, parce qu'on sait que la production de connaissances va stimuler notre système économique en Belgique.

Voorzitter:

Il a déjà été répondu aux questions n° 56003300C de Mme Ayse Yigit, n° 56003553C et n° 56003933C de Mme Sarah Schlitz ainsi qu'à la question n° 56003782C de Mme Farah Jacquet dans le cadre de l'exposé d'orientation politique. La question n° 56003484C de Mme Nahima Lanjri est transformée en question écrite.

Het pensioen wegens lichamelijke ongeschiktheid

Gesteld door

PS Ludivine Dedonder

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon wil de pensioenregeling voor lichamelijke ongeschiktheid afschaffen per 1 januari 2026, omdat het systeem verouderd is, geen re-integratie stimuleert en zieke ambtenaren definitief aan de kant zet. Hij stelt een overgang naar een verzekering voor arbeidsongeschiktheid (zoals in de privésector) voor, met nadruk op herplaatsing, preventie en aanpassingen (bv. deeltijds werk, thuiswerk), maar concrete maatregelen voor zwaargehandicapten of 50-plussers ontbreken nog—onderhandelingen hierover lopen nog binnen de regering. Ludivine Dedonder benadrukt dat het ontbreken van duidelijke overgangsregels (met name voor wie in 2025 al in het systeem zit) en garanties voor kwetsbare gevallen (zoals langdurig zieke 60-plussers) onrust zaait, en wijst op een tekort aan alternatieven voor wie niet kan herintegreren.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, nous sommes interpellés par de nombreux citoyens au sujet de votre projet de mettre fin à la pension pour inaptitude physique. L'un d'eux m'a fait part de sa situation particulièrement difficile: il est fonctionnaire fédéral depuis 1988 et est devenu lourdement handicapé en 2010 (15 points sur 18). Malgré cela, il s'est toujours efforcé de travailler dans des fonctions adaptées. Il a aujourd'hui 62 ans et le temps accentue ses difficultés et ses douleurs.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous en dire plus sur ce projet de mettre fin à la pension pour inaptitude physique? Quelle sera la période transitoire? Y aura-t-il des dérogations pour les personnes qui sont proches de l'âge de la pension? Y aura-t-il des dérogations pour les personnes qui sont lourdement handicapées?

Qu'en sera-t-il des agents qui entreront dans le système de pension temporaire en 2025? Pourront-ils toujours bénéficier des dispositions actuelles ou basculeront-ils vers une assurance comme dans le secteur privé, en perdant une partie de leurs revenus?

Jan Jambon:

Madame Dedonder, la pension pour inaptitude physique est le symbole même d'une législation archaïque qui repose sur l'idée dépassée qu'une décision médicale a un caractère définitif et que les malades ne peuvent être guéris et, dès lors, peuvent être définitivement mis à la retraite par l'employeur. Elle ne tient pas compte de la possibilité que des fonctionnaires malades puissent guérir. La reprise du travail est présentée comme impossible.

Cette législation ne répond aucunement aux besoins des fonctionnaires malades de longue durée. La pension pour inaptitude physique est, par définition, contraire à l'idée même de la réintégration des malades sur le marché du travail.

Vous semblez être l'une des rares personnes qui défend le maintien de ce système, dont même la Commission académique des pensions a demandé la suppression. Cela me surprend. Un changement de culture a quand même eu lieu dans les pratiques de la médecine du travail. Les fonctionnaires qui ont été mis à la porte, qui ont été mis à la retraite par leur employeur public sont dans une situation peu enviable. Pensez-vous que les fonctionnaires mis à la pension pour inaptitude physique sont vraiment mieux nantis que les contractuels en incapacité de travail qui ont le droit de se réintégrer sur le marché du travail?

C'est pour ces raisons que l'accord de gouvernement prévoit que de nouvelles entrées dans la pension pour inaptitude physique ne sont plus admises à partir du 1 er janvier 2026.

L'accord de gouvernement ne peut pas être plus clair. Nous clôturerons les entrées dans ce régime à partir du 1 er janvier 2026, avec pour conséquence son extinction complète aux niveaux fédéral, régional et local. Les notifications budgétaires qui correspondent à ce passage de l'accord de gouvernement le confirment. La question des agents qui sont entrés cette année dans un système de pension temporaire sera discutée au sein du gouvernement. Cette réforme relève de la compétence du ministre des Pensions.

En fait, nous nous trouvons devant une réforme structurelle qui peut en enclencher d'autres. En effet, la suppression de la pension pour inaptitude physique signifie que l'employeur public sera responsabilisé parce que les fonctionnaires malades resteront à sa charge. Cet employeur se rendra ainsi compte de l'importance des mesures de réintégration effective et comprendra mieux le rôle d'une politique de prévention et de bien-être au sein de son organisation. C'est exactement l'objectif que nous voulons atteindre avec cette réforme.

Le fonctionnaire ne tombe pas dans le vide lorsque l'on supprime la pension pour inaptitude physique. En effet, les employeurs publics, à chaque niveau de pouvoir, suivent des dispositions réglementaires qui prévoient une disponibilité pour maladie. Pour ce qui est des fonctionnaires fédéraux, le gouvernement fédéral passera à une assurance incapacité et invalidité, comme dans le secteur privé. Cela relève de la compétence de mes collègues de la Fonction publique et des Affaires sociales.

Par ailleurs, vous avez trouvé un cas très spécial pour illustrer votre question: un fonctionnaire qui a travaillé avec son handicap pendant 37 ans, qui, selon les anciennes règles, peut encore être mis à la retraite pour inaptitude physique à l'âge de 63 ans et qui, étant donné qu'il est reconnu lourdement handicapé, reçoit en plus de sa pension pour inaptitude physique un supplément pour handicap lourd. Je vous signale que la Commission académique a indiqué que cette mise à la retraite d'office encourt le risque d'être utilisée comme une sorte de retraite anticipée involontaire. Au sein de la fonction publique fédérale, je pense que pas mal de possibilités existent pour remédier à la situation que vous décrivez. Et je vous en donne quelques exemples.

Premier exemple. Afin de faciliter la réintégration, les fonctionnaires avec handicap peuvent prendre un congé pour prestations réduites pour un maximum de 24 mois. Un médecin de Medex détermine un pourcentage de reprise de travail progressive.

Deuxième exemple. Le télétravail est en général limité à trois jours par semaine en cas d'horaire à temps plein. Le directeur P&O peut, après demande motivée, décider exceptionnellement d'accorder le télétravail à temps plein. On peut aussi prévoir du travail adapté ou une fonction adaptée.

Tout cela nécessite surtout des modifications en matière d'organisation du travail, et non pas une mise à la retraite pour inaptitude physique.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je ne défends pas un système à tout prix. Je défends les droits des uns et des autres et je défends le meilleur système. Si vous en avez un meilleur à proposer, je suis partante. Je ne suis pas obtuse. Le problème, c'est que, dans votre réponse, on ne propose pas un meilleur système.

Vous parlez d'un cas particulier. Il n'a pas été inventé, il est réel. C'est pourquoi je vous pose la question. Cette personne est réellement inquiète et la situation est effectivement assez complexe. Nombre de personnes se posent aujourd'hui des questions. Ce n'est pas encore suffisamment clair. Vous avez répondu en grande majorité aux questions mais malheureusement pas dans le sens qui plaira à cette personne. Par contre, pour ce qui est de 2025, vous avez dit que s'agissant des périodes transitoires, cela devait encore se discuter au niveau du gouvernement. Et c'est là qu'il y a une réelle inquiétude chez cette personne comme chez d'autres qui, je le répète, se posent énormément de questions, n'ayant pas encore obtenu aujourd'hui toute la clarté.

J'ai entendu que vous me posiez également des questions. Nous aurions donc pu en faire un débat. Nous y reviendrons certainement pour ce cas-là et pour toutes les personnes qui ont, malheureusement, à vivre ces situations.

Voorzitter:

Ceci clôture nos travaux. La réunion publique de commission est levée à 15 h 42. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.42 uur.

De besparing op de indexering van het ambtenarenpensioen en het tekort van 29,1 miljoen euro

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne wijst op een budgettair gat van 86 miljoen euro in 2025 door de mislukte indexbeperking van ambtenarenpensioenen (slechts 29 in plaats van 115 miljoen besparing) door vertraagde regeringsvorming, en beschuldigt minister Van Peteghem van onverantwoorde begrotingsfouten en structureel slechtere cijfers dan 2024. Van Peteghem bevestigt het tekort en belooft compenserende maatregelen (onderdeel van eerdere besprekingen over 210 miljoen), maar geeft geen concrete oplossingen. Quickenborne hamert op gebrek aan budgettaire seriousiteit en eist herstel om beloofde opbrengsten alsnog te realiseren.

Vincent Van Quickenborne:

Ik ben benieuwd of ik nu wel een antwoord krijg, mijnheer de minister. Mijn vraag gaat over de besparing op de indexering van de ambtenarenpensioenen. Uit het regeerakkoord blijkt dat de regering de indexering van het ambtenarenpensioen tijdelijk wil beperken tot het niveau van het werknemerspensioen. Die maatregel is begroot op een besparing van 115 miljoen euro in 2025. Door de late aantreding van de federale regering in februari 2025 kan er echter geen rekening met de overschrijding van de spilindex in januari 2025 meer worden gehouden. Het gevolg is dat dit maar een opbrengst van 29,1 miljoen euro in de plaats van 115 miljoen euro genereert.

Mijnheer de minister, waar zult u dit verschil van 85,9 miljoen euro halen? Komt er een alternatieve maatregel, zoals u daarnet heeft gezegd, in het kader van het sociaal akkoord met de sociale partners? Waar wordt er bijgestuurd? Ziet u ruimte voor nieuwe inkomsten om dit te compenseren? Op welke manier zal dit verlies aan begrotingsopbrengsten worden geregistreerd en gecompenseerd? Is dit een eenmalig probleem, of dreigt dit ook in de volgende jaren te gebeuren, indien zich gelijkaardige problemen met de timing voordoen?

Vincent Van Peteghem:

De indexering van de wettelijke pensioenen van ambtenaren en gemengde loopbanen wordt tijdelijk beperkt tot de bovengrens in het werknemerspensioen. Tijdens deze periode is er ook geen indexering van het absoluut plafond voor de ambtenaren, het zogenaamde Wijninckxplafond.

Doordat de regering is aangetreden in februari 2025, kan er geen rekening meer worden gehouden met de overschrijding van de spilindex van januari 2025. Hierdoor daalt de budgettaire opbrengst in 2025 tot 29 miljoen euro in plaats van de voorziene 115 miljoen euro.

In het kader van de opmaak van de initiële begroting voor 2025 hebben wij dus enkele compenserende maatregelen genomen. Dat gebeurde tijdens dezelfde discussie van daarnet over die 210 miljoen met de plussen, minnen en compensaties die daar tegenover staan. Zoals reeds eerder gezegd, worden die maatregelen momenteel verwerkt en zullen we ze binnenkort besprekekn.

Vincent Van Quickenborne:

Dat is opnieuw een gat van 85 of 86 miljoen euro. Na de 210 miljoen euro van daarnet tikt dat wel allemaal aan als men de optelsom maakt van al die extra gaten in de begroting van 2025. We komen dan waarschijnlijk nu al aan een tekort van 2,5 à 3 miljard euro dat u achterlaat. Zoals het er nu naar uitziet, mijnheer de minister, zal de begroting van 2025 dus slechter eindigen dan de rekeningen van 2024. U kunt dat wijten aan het feit dat het allemaal zeer lang heeft geduurd, maar ik vind dat toch heel eigenaardig. U hebt dus in februari tabellen ingediend in het Parlement waarvan u toen al wist dat ze fout waren. U wist toen immers al dat de index was overschreden in januari. U wist dat toen u de tabellen neerlegde. U hebt dus tabellen neergelegd die manifest fout waren. Er zaten fouten in. Dat blijkt nu en u geeft toe dat er een gat is van 86 miljoen euro. Als we dan vragen hoe u dat zult compenseren, antwoordt u dat u dat wel zal bekijken. Het is dus heel duidelijk dat deze regering de begroting van 2025 niet ernstig neemt. Ze laat daarin serieuze tekorten achter en uiteindelijk zal de budgettaire situatie verder verslechteren. Men gebruikt dan stoere woorden als het rotten moet stoppen, het bloeden moet worden gestelpt, maar als ik kijk naar wat er gebeurd is, men laat ze verder rotten en men laat ze nog verder bloeden. De cijfers voor 2025 zullen slechter zijn dan die van 2024. Dat is geen mooi vooruitzicht voor u, mijnheer de minister van Begroting. Herpak u, schroef de vijzen aan en dwing uw collega's om de opbrengsten die beloofd zijn, ook effectief te halen. Het gaat om een tekort van 86 miljoen euro, op één maatregel. Dat is toch vrij stevig.

De gelijkstelling (of niet) van ziektedagen met effectief gewerkte dagen voor de pensioenmalus

Gesteld door

PTB Raoul Hedebouw

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Hedebouw valt minister Jambon aan omdat diens geplande pensioenmalus (tot €400 minder) voor wie niet tot 67 werkt, Belgische pensioenen nog verder onder buurlanden duwt, terwijl ziekteperiodes mogelijk *niet* worden vrijgesteld—wat hij een "sanctie op zieke werknemers" noemt. Jambon bevestigt dat het regeerakkoord gedetailleerd is, maar dat de vrijstelling van ziekteperiodes nog *onbeslist* is en voor het wetsontwerp wordt uitgeklaard. Hedebouw ziet hierin een zwakte en roept op tot staking op 31 maart om de malus volledig te laten schrappen, nu de regering aarzelt. Kern: onduidelijkheid over ziektevrijstelling voedt protest tegen de pensioenafstraffing.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer Jambon, minister van Pensioenen, in België hebben we al zeer lage pensioenen en u wilt daarbovenop nog een malus van honderden euro's opleggen voor bepaalde werknemers die niet tot 67 jaar kunnen werken. Dermate lage pensioenen en toch alweer een sanctioneringsmechanisme.

Dat betekent voor een gelijke carrière en een gelijk loon dat werknemers hier in België meer dan 400 euro minder pensioen hebben dan werknemers in de omliggende landen, zoals Frankrijk en Duitsland. Al 400 euro minder, dermate lage pensioenen en u wilt toch alweer sancties opleggen aan diegenen die niet kunnen werken tot 67 jaar.

U kunt zich niet inbeelden welke woede er heerst in de samenleving, mijnheer Jambon. Voor u is het immers gemakkelijk. Hoeveel pensioen zult u hebben? Het maximumplafond waarschijnlijk, ongeveer 8.000 euro bruto. Zo is het gemakkelijk. Maar voor de werknemers van dit land, no way.

Daarom rijst de vraag, mijnheer de minister, of voor die malus de ziekteperiodes in aanmerking worden genomen. U kon die vraag tijdens de plenaire niet echt beantwoorden. Nu blijkt dat er discussie is binnen de meerderheid. Wat is het officiële standpunt? Mijnheer Vandenbroucke zei in De Zevende Dag dat het laatste woord daarover nog niet is gezegd. Gisteren zei collega Lanjri in de commissie dat ze hoopte dat het niet gelijkstellen van die ziekteperiodes in het regeerakkoord een vergissing is van de vicepremier. Dat is een goed standpunt van cd&v.

Daarom vraag ik of de regering een duidelijk standpunt heeft over het al dan niet meetellen van die ziekteperiodes voor de malus. Het volk heeft recht op een duidelijk antwoord van de minister.

Jan Jambon:

Mijnheer Hedebouw, u zult het met mij eens zijn dat het luik pensioenen in het regeerakkoord in detail is uitgewerkt. Inhoudelijk zijn wij het niet eens, dat hebt u nog maar eens benadrukt. Ik noteer dat; ik was daar ook van uitgegaan. Het luik pensioenen is wel in detail uitgewerkt en zo'n gedetailleerde uitwerking heeft veel voordelen.

Een van de nadelen is echter dat men kan zoeken naar wat nog niet heel juist is gespecificeerd. Zo hebt u terecht een punt aangehaald dat nog op de regeringstafel ligt en dat in de volgende weken uitgeklaard zal worden, aangezien de uitgestelde periodes een belangrijk punt zijn. Dat ligt dus nog op de regeringstafel, maar vooraleer ik met het wetsontwerp naar het Parlement kom, zal dat uitgeklaard zijn in de schoot van de regering.

Ik wens u veel onderzoekswerk om nog zulke dingen te vinden, dan kan ik een vergelijkbaar antwoord geven.

Raoul Hedebouw:

Beste collega's en alle werknemers van dit land, tijdens de bespreking van de regeerverklaring in de plenaire vergadering werd duidelijk geantwoord dat de gelijkgestelde periodes niet zouden meetellen. Vandaag horen we hier nu officieel een twijfel, uitgesproken door de minister. Hij is aan het twijfelen. Laten we moed houden, beste werknemers van dit land. We kunnen hen doen plooien. Mijnheer de minister, u hebt uw standpunt gewijzigd, jawel. Het kan niet dat wie vandaag ziek is weeral eens gesanctioneerd wordt op het vlak van de pensioenen. Dat moet ons goede moed geven. Op 31 maart wordt er gestaakt in dit land. Beste kameraden in de bedrijven, in de wijken, overal, op 31 maart moeten wij druk zetten. Deze regering durft al niet meer voluit te gaan voor een malus. Laten we doorgaan totdat die malus helemaal afgeschaft wordt. Zeker en vast!

Een sociaal plan voor militairen
De betoging van de militairen
Het sociaal plan en de pensioenhervorming voor de militairen
De deelname van duizenden militairen aan de nationale actiedag
Het militaire personeel dat de straat opging voor zijn pensioen
De dienstvrijstelling voor militairen die aan de nationale staking van 13 februari wilden deelnemen
De plannen voor de pensioenhervormingen
Militairenprotesten en sociaal-pensioenhervormingen

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de pensioenhervorming voor militairen en de noodzaak deze te koppelen aan een hervorming van hun statuut, loopbaanvoorwaarden en arbeidsomstandigheden om uitstroom te voorkomen. Minister Francken bevestigt dat de pensioenleeftijd stapsgewijs verhoogd wordt tot 67 jaar (vanaf 2027), maar belooft een sociaal plan (eind 2024) met flankerende maatregelen—zoals aanpassingen aan woon-werkverkeer, loopbaanflexibiliteit en erkenning van operationele inzet—in overleg met vakbonden, die eisen dat het *volle statuut* (inclusief compensatie voor 7 onbetaalde dienstjaren en zware werkomstandigheden) heronderhandeld wordt. Kernpunt: Militairen voelen zich miskend door eenzijdige pensioenmaatregelen zonder tegemoetkomingen, wat dreigt te leiden tot massale uitstroom (vakbonden vrezen verdrie- tot vervijfvoudiging) en rekruteringsproblemen, terwijl Defensie juist 29.000 personeelsleden wil halen tegen 2030. Francken benadrukt budgettaire noodzaak (Belgische pensioenlast stijgt sneller dan EU-gemiddelde) maar erkent dat motivatie en waardering (bv. betere verloning, loopbaanperspectieven) essentieel zijn om Defensie aantrekkelijk te houden.

Voorzitter:

Collega's, ik verontschuldig mij voor de iets te late start van deze vergadering, veroorzaakt doordat de voorgaande vergadering, de commissie voor de Opvolging van de militaire missies, een beetje uitgelopen is.

Vandaag is een extra vergadering ingelast om mondelinge vragen te kunnen beantwoorden, zoals expliciet werd gevraagd bij het einde van de vorige vergadering. Zo kunnen nog mondelinge vragen behandeld worden voorafgaand aan de bespreking van de beleidsverklaring, die volgende week geagendeerd is. Op voorwaarde dat wij de beleidsverklaring tijdig ontvangen, vindt volgende woensdag een debat plaats waarin de minister zijn beleidsverklaring zal toelichten.

Ik durf in te schatten dat wij vandaag niet tot het einde van de vragenlijst zullen geraken, maar ik stel wel voor om ermee te starten. We zien wel hoe ver we komen.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, vandaag kunnen waarschijnlijk inderdaad niet alle vragen behandeld worden. Daarover maak ik mij geen illusies. Wat gebeurt er met de onbeantwoorde vragen? Worden die verwerkt in de bespreking van de beleidsverklaring of is er nog een andere mogelijkheid?

Voorzitter:

De minister heeft gezegd dat hij voor vragen die vandaag niet beantwoord worden, alleszins volgende week tijdens zijn toelichting het antwoord zal verschaffen. De antwoorden komen dus uiterlijk volgende week, tijdens zijn toelichting.

Theo Francken:

Vandaag staan heel veel vragen op de agenda, waarvan verschillende gebundeld in actualiteitsdebatten. Ik zal proberen om die vragen goed te beantwoorden. Vanwege een afspraak om 12.30 uur moet ik deze vergadering ten laatste om 12.15 uur verlaten, zoals ik al heb laten weten. Volgende week woensdag ben ik de hele dag ter beschikking voor het Parlement, zonder einduur, voor mijn part tot donderdagochtend, en dan zal ik alle nog openstaande vragen mee integreren in mijn toelichting, zodat iedereen normaal gezien een antwoord zal hebben gekregen op de lopende vragen, al kan een parlementslid natuurlijk van mening zijn dat het geen goed antwoord is. Het onderwerp van de vragen is heel diffuus. Doordat ik die volgende week beantwoord, kunnen we daarna met een schone lei starten voor de mondelinge vragen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, zoals u weet, is er wat ongerustheid bij de militairen over de pensioenhervorming. U kondigde ook aan dat er een sociaal plan komt. U zei tijdens het debat over de regeerverklaring dat als er aan het einde van de loopbaan wordt gesleuteld, er ook moet worden gekeken naar de volledige loopbaan. U zei in de pers dat we meer materieel nodig hebben, maar dat we zonder personeel niets aan dat materieel hebben. De aandacht voor het personeel en voor de militairen is dus bijzonder belangrijk.

Op 26 februari hebben we hier in het Parlement van gedachten gewisseld met de vakbonden, voornamelijk over het statuut en over de pensioenhervorming. Zij lieten heel duidelijk blijken dat er een opening is om die pensioenleeftijd te verhogen, maar dat er dan naar het statuut moet worden gekeken. Dat is een goede zaak, dat moet in één adem bekeken worden. Als we de pensioenleeftijd verhogen, moeten we ook naar dat statuut kijken. Dat militaire statuut kent immers nadelen ten opzichte van andere veiligheidsberoepen en dat kan uiteindelijk niet de bedoeling zijn.

Mijnheer de minister, wilt u bij de uitwerking van uw sociaal plan ook het statuut van de militairen aanpassen, in samenspraak met de defensievakbonden?

Is volgens u de timing van 2027 om de verhoging van die pensioenleeftijd, samen met een hervorming van dat statuut, door te voeren haalbaar?

Op welke manier wilt u Defensie aantrekkelijker maken voor nieuwe rekruten en er vooral voor zorgen dat er geen grote uitstroom bij Defensie plaatsvindt omdat de pensioenleeftijd wordt verhoogd zonder flankerende maatregelen? Welke flankerende maatregelen voorziet u?

U zat ook al samen met de defensievakorganisaties. Hoe verliep het overleg met de vertegenwoordigers van die vakorganisaties?

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, il y a eu effectivement des militaires en rue pour témoigner non pas de leur inquiétude, mais plutôt de leur panique par rapport à la réforme des pensions que votre gouvernement veut leur imposer de manière assez unilatérale puisque les concertations n'ont pas eu lieu avant l'accord de gouvernement, semble-t-il. D'autre part, nous avions demandé, avant que l'accord de gouvernement ne soit signé, que les syndicats soient auditionnés devant cette commission. Nous les avons entendus avant de vous poser les questions et nous avons pu voir des hommes et des femmes responsables et qui nous ont simplement rappelé qu'il y avait un contrat social passé entre eux et l'État et que toucher à un élément du contrat social, c'est-à-dire la retraite, cela revenait à toucher à tout.

Ils ne nous ont pas dit qu'ils ne voulaient pas travailler un peu plus longtemps; ils nous ont simplement dit: "tenez compte du fait que notre engagement va jusqu'à donner notre vie pour notre pays et nos valeurs". Ils sont donc demandeurs de renégocier l'ensemble du statut du militaire et donc de renouer un nouveau contrat social avec l'État belge. Vous avez annoncé par ailleurs qu'il y aurait des négociations à ce sujet et que vous les ouvririez. Mes questions portent donc sur celles-ci et sont les suivantes: quand? comment? et enfin, avec quels moyens? – parce qu'au niveau des moyens budgétaires, je n'ai rien vu dans les déclarations d'intention dans le cadre de la déclaration de politique gouvernementale et nous savons très bien que le budget de l'État belge ne sera proposé à la sagacité des députés qu'à partir du mois de mai 2025. Je voudrais donc en savoir plus et aller au-delà des intentions qui vous ont été prêtées ou que vous-même avez tenues dans le cadre de vos différentes interventions soit au Parlement soit dans la presse.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, om de verwachte negatieve gevolgen van de pensioenhervorming te remediëren – wat absoluut noodzakelijk is – wilt u een sociaal plan opstellen. De vakbonden hebben al veel eerder gewaarschuwd voor een eventuele hogere uitstroom omdat de pensioenhervorming onlosmakelijk verbonden is met de loopbaan van de militairen. De bezorgdheid bestaat dat die loopbaan minder aantrekkelijk zou kunnen worden voor eventuele nieuwe rekruten en voor de mensen die noodzakelijk zijn op het terrein.

Het is dus belangrijk dat men heel omzichtig omspringt met die pensioenhervorming. Het effect op het personeelsbestand moet goed worden opgevolgd, vooral als we de doelstelling willen halen die u hebt uitgesproken in het regeerakkoord, namelijk om tegen 2030 te evolueren naar minstens 29.000 personeelsleden bij Defensie. Zoals ik al eerder heb gezegd, is personeel het grootste kapitaal van ons defensieapparaat. Zonder dat personeel hebben die bijkomende investeringen en middelen weinig zin.

De militairen voelen zich momenteel te weinig gehoord. Het is erg dat de vakbonden zelf moesten vragen om in dit Huis te worden gehoord tijdens een hoorzitting van enkele weken geleden. U hebt aangekondigd in overleg te zullen gaan met de vakbonden. Hoe ver staat u met de ontwikkeling van het sociaal plan? Binnen welk tijdsbestek wilt u dat voorleggen aan onze commissie?

Er werd meermaals gesteld dat een pensioenhervorming niet los kan worden gezien van een loopbaanhervorming. In welke mate bent u bereid om daarin mee te gaan? U hebt in het regeerakkoord gezegd dat u rekening zult houden met de specificiteit van het militaire beroep. Wat is daarvan aan op dit moment? Hoe bereidt u zich voor op die eventuele lagere instroom en hogere uitstroom als de voorziene pensioenhervorming wordt doorgevoerd?

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, een maand geleden kwamen 100.000 Belgen op straat tegen de asociale arizonaplannen. Tijdens die nationale actiedag viel de belangrijke aanwezigheid van militairen op. Duizenden militairen en de militaire vakbond zelf waren aanwezig. Ze wilden een duidelijk signaal geven, omdat ze zich in de steek gelaten voelen en omdat ze de geplande wijzigingen, volgens hun eigen communicatie, 'als een mes in de rug' beschouwen.

Tot dan toe dacht ik altijd dat hun ongenoegen enkel de pensioenleeftijd betrof. Tijdens de hoorzitting met de vakbonden twee weken geleden is evenwel tot me doorgedrongen dat het om veel meer gaat. Het gaat namelijk om de leefomstandigheden, die vaak ongezond zijn, het gebrek aan grip op de eigen loopbaan, de plaats van tewerkstelling die kan variëren, met heel lange woon-werkreistijden als gevolg. Voor 10 % van de militairen bedraagt die reistijd drie uur en meer. Dat is dus gigantisch veel. Ook gaat het over het zeven jaar gratis werken dat ze leveren. Als men nu ook nog de pensioenregeling afschaft, waarom zou dan nog iemand bij het leger blijven werken? De militairen beschouwen die regeling als hun allerlaatste voordeel, dat nu dreigt te verdwijnen.

De stafchef zelf zou hebben berekend dat attritie, de uitval door de pensioenmaatregel, zou vervijfvoudigen. De vakbonden zijn behoudsgezind en spreken van een verdrievoudiging, maar geven wel aan dat u op die manier het leger niet kunt uitbreiden.

Hoe verloopt het overleg met de vakbonden? Welke engagementen gaat u daarbij aan? Zijn die ruimer dan de pensioenmaatregelen? Hoe zult u ervoor zorgen dat werken bij het leger wel aantrekkelijk blijft?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, mijn collega's hebben al aangehaald dat op 13 februari 100.000 mensen de straat op kwamen om te protesteren tegen de gekende antisociale maatregelen van Arizona. Onder de demonstranten bevonden zich ook enkele duizenden militairen. Hoewel u hun dienstvrijstelling had ingetrokken, waren ze toch massaal aanwezig op de betoging. Ik heb hen daar gezien en dat was best indrukwekkend.

U bent wel van plan om miljarden euro's extra te investeren in materieel, maar de militairen laat u in de kou staan. De militairen voelen zich verkocht. Ze manifesteren samen met de vakbond tegen uw pensioenhervorming, tegen het feit dat ze langer zullen moeten werken voor een lager pensioen, tegen het optrekken van de pensioenleeftijd naar 67 jaar, tegen het aanpassen van de referentiewedde, tegen het aanpassen van de tantièmes en tegen de pensioenmalus. Dat zijn allemaal maatregelen die hen en de rest van de werkende klasse hard zullen raken.

Twee weken geleden hebben wij hier de militaire vakbonden gehoord. Militairen werken vandaag een 66-urige werkweek. Zij werken over hun hele carrière 7 jaar gratis en nog is dat niet genoeg voor u. Nog wil Arizona hen straffen door hen langer te laten werken. De lage pensioenleeftijd is eigenlijk een zeer logische compensatie voor de opofferingen die militairen doen tijdens hun carrière: veel werkuren zonder overloon, geen vaste standplaatsen en gezinnen die bereid moeten zijn te verhuizen voor het werk van een van de ouders. De vakbonden vertelden dat 40-plussers bij Defensie nog moeilijk aan de bak komen. Zij kampen bijvoorbeeld met gezondheidsklachten als artrose. Tegelijkertijd zijn de uitbolfuncties van vroeger verdwenen of geoutsourcet aan privébedrijven.

Mijnheer de minister, u zei over de dienstontheffing van voormalig minister van Defensie Dedonder dat de militairen werden misbruikt als een politiek wapen. Staat u nog altijd achter die uitspraak? Ze waren immers met een paar duizenden aanwezig op de betoging.

Zult u de eisen van de vakbonden inwilligen, bijvoorbeeld een beter mobiliteitsplan, een correcte betaling van de gepresteerde uren en respect tonen voor de pensioenleeftijd?

Hoe zult u ervoor zorgen dat oudere militairen nog kunnen werken zonder hun gezondheid in gevaar te brengen? Zullen de vele extra werkuren zonder vergoeding eindelijk worden vergoed, nu de compensatie van een lagere pensioenleeftijd voor militairen wegvalt?

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, je suis très heureux de vous poser ma première question. J'étais tellement heureux de vous poser des questions que j'en ai déposées cinq, comme vous l'avez vu.

La première question est importante parce qu'elle touche à la mauvaise décision de la ministre Dedonder qui visait à octroyer aux militaires une dispense de service afin de leur permettre de faire grève. Il s'en était suivi une certaine polémique du fait que c'était une décision à caractère politique. Les motivations de la ministre de la Défense étaient politiques. À travers cet octroi de dispense de travail, elle s'engageait contre l'accord de l'Arizona en cours de discussion à l'époque.

Cette décision avait été prise en période d'affaires courantes, sans aucune urgence notable impliquant cette prise de décision. Il n'y avait pas eu non plus de concertation organisée avec le Conseil des ministres. Et cette décision était même irrégulière, sinon illégale. En effet, cette dispense générale de service octroyée aux militaires afin qu'ils puissent participer à une manifestation organisée dans le cadre d'une grève ne respecte pas au fond l'interdiction stricte visant les militaires pour ce qui concerne leur participation à un mouvement collectif de cessation de travail. Cette décision contrevient à l'article 175 de la loi du 28 février 2007 fixant le statut des militaires. Et donc, cette décision était même passible de poursuites. La justice pourrait s'y intéresser, devrait s'y intéresser. Vous avez dès lors eu parfaitement raison de revenir sur cette décision pour respecter le droit.

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous informer du nombre de militaires qui ont pris congé le 13 février 2025? Pourriez-vous aussi nous informer des dispositions que vous souhaitez prendre – parce qu'on ne fait jamais que passer en politique – pour qu'une telle décision prise de manière unilatérale et sans concertation avec le Conseil des ministres ne soit plus possible?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, we hebben tijdens de bespreking van het regeerakkoord al gedebatteerd over het eventueel optrekken van de pensioenleeftijd, wat voor heel wat zenuwachtigheid zorgt. Zoals een aantal collega's al heeft gezegd, hebben we de vakorganisaties twee weken geleden gehoord. Die hebben ons gewaarschuwd voor de mogelijke gevolgen van een dergelijke beslissing.

In het regeerakkoord en in uw verklaringen ervoor en erna hebt u gewezen op het specifieke karakter van de opdrachten van de militairen. Het is belangrijk om dat mee in ogenschouw te nemen. Het is niet voor niets – en ik vermoed dat we het er volgende week wel over zullen hebben – dat in het regeerakkoord en vermoedelijk ook in uw beleidsverklaring staat dat het personeel van Defensie het hart van Defensie moet vormen. Dat is het eerste lemma in het hoofdstuk Defensie in het regeerakkoord. Dat zal ongetwijfeld ook aandacht krijgen in uw beleidsverklaring.

U hebt in de media al aangegeven dat u werkt aan een sociaal plan, specifiek met betrekking tot pensioenen, maar het gaat ook ruimer. Collega Aerts heeft gelijk als hij zegt dat de vakbonden hebben gewezen op een aantal zaken waarmee ze nu al geconfronteerd worden. Men zou het in negatieve zin kunnen interpreteren als zijnde een afrekening van de vorige regering en de vorige minister. Dat is niet helemaal correct, want de vorige minister heeft ook op het vlak van personeel heel wat inspanningen geleverd waaraan we nu verder moeten werken. We moeten rekening houden met het specifieke aandachtspunt dat een eventuele verhoging van de pensioenleeftijd zou kunnen leiden tot een bijkomende attritie.

Mijnheer de minister, hoe ziet u de pensioenhervorming? Op welke termijn ziet u die hervorming, eventueel in combinatie met het aangekondigde sociaal plan? Hoe verloopt het overleg met de vakbonden?

Voorzitter:

Collega Weydts wenst aan te sluiten bij dit debat.

Axel Weydts:

Ik ben een klein beetje verwonderd dat er collega's zijn die verwonderd zijn dat de bezorgdheid over meer gaat dan de pensioenen alleen. Daarom is het goed dat we vakorganisaties hebben en dat die uitgenodigd worden in onze commissie, zodat we kunnen luisteren naar wat er leeft onder onze militairen en welke de problemen zijn waarmee onze militairen al jaren kampen.

Dit wil ik toch ook gezegd hebben, de vorige regering heeft ernstig gesleuteld aan het statuut van de militairen. Ze heeft veel aandacht gehad voor het personeel van Defensie. Ik ben ervan overtuigd dat ook deze regering hetzelfde zal doen. Defensie kan immers, het is hier al een aantal keren gezegd, niet draaien zonder het menselijk kapitaal dat aanwezig is binnen de organisatie.

Men moet echter niet alleen personeel hebben, men moet ook gemotiveerd personeel hebben. Wie is immers bereid aan een operatie deel te nemen? Daarstraks hebben we het daarover gehad in de commissie voor de Opvolging van de militaire operaties. Honderden militairen worden ingezet in het buitenland. Ze zijn lange tijd weg van thuis, met gevaar voor eigen leven enzoverder. Ik hoef niet uit te leggen dat het aspect motivatie van het personeel zo mogelijk nog belangrijker is dan het aantal personeelsleden dat effectief onder de wapens is.

Vandaar dat het heel belangrijk is dat er effectief gewerkt wordt aan dat sociaal akkoord. U hebt ook al aangekondigd, mijnheer de minister, dat u daar echt werk van wilt maken. Het regeerakkoord is duidelijk, ook over de pensioenleeftijd enzoverder, maar het is ook heel erg duidelijk dat er nog heel veel besognes zijn van de militairen naast die over hun pensioen.

Mijn vraag is dan ook heel concreet of u bereid bent om daar verregaand in mee te gaan en echt te luisteren naar wat er binnen Defensie leeft op de werkvloer. Bent u bereid om straks niet alleen te investeren in materieel, maar ook een deel van de binnenkort verhoogde budgetten voor defensie te gebruiken om te werken aan een beter statuut van ons militair personeel?

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, collega's, over de pensioenen, maar ook over het militaire beroep in bredere zin zijn er hier in de commissie inderdaad hoorzittingen geweest. Ik heb ook de vakorganisaties ontmoet. Ik heb die samen ontvangen. Ik zal ze in de komende weken ook apart ontmoeten. Morgen of overmorgen zal ik de eerste organisatie al ontvangen.

Ten eerste, collega’s, wij moeten ons rekenschap geven van de sociale realiteit. De aan de vergrijzing gerelateerde sociale uitgaven stijgen in België met 4,1 % van het bruto binnenlands product in de periode 2023-2070. In 2070 zullen die uitgaven in België 30 % van het totale bruto binnenlands product uitmaken, wat een aanzienlijke toename is. Ter vergelijking, in het gemiddelde EU-land stijgen de aan de vergrijzing gerelateerde sociale uitgaven in de periode 2022-2070 slechts met 1,2 % van het bruto binnenlands product, tot 25,6 % van het bruto binnenlands product in 2070. Dat verschil illustreert de unieke uitdaging waarmee België wordt geconfronteerd op het gebied van vergrijzingskosten.

Die pensioenlasten zullen terechtkomen op de schouders van onze jongeren. Wij kunnen en mogen de facturen niet blijven doorschuiven naar de volgende generaties in de hoop dat zij het probleem wel zullen oplossen. Wij moeten hervormen om de pensioenen betaalbaar te houden, de welvaartsstaat overeind te houden en de intergenerationele solidariteit intact te houden.

Het regeerakkoord voorziet daarom in een globale pensioenhervorming, waarvan de militaire pensioenen een onderdeel uitmaken. Het regeerakkoord bevat verschillende maatregelen die betrekking hebben op de pensioenen van militairen. Ik geef de belangrijkste weer. De pensioenleeftijd van militairen zal geleidelijk worden opgetrokken tot de wettelijke pensioenleeftijd van andere werknemers en ambtenaren. Vanaf 2027 wordt hun pensioenleeftijd geleidelijk verhoogd met één jaar per jaar, met respect voor de legitieme verwachtingen van mensen die vlak voor hun pensioenleeftijd staan. Daartoe voorzien wij in voldoende overgangsperiodes en -maatregelen, in overleg met de vakorganisaties.

La pension par limite d'âge sera transformée en pension à la demande. À l'avenir, les militaires pourront prendre leur retraite anticipée en fonction de leur carrière et de leur âge.

Voor actieve diensten zoals Defensie blijft de verhogingscoëfficiënt 1,05, met een jaarlijkse afbouw van 0,005 vanaf 2027 tot 1,025 in 2032. Dat blijft dan ook daarna 1,025. Concreet zullen militairen sowieso twee jaar vroeger kunnen uitreden en vanaf 2032 een jaar vroeger. Zij die 42 effectieve loopbaanjaren hebben, kunnen in de toekomst op 60 jaar met pensioen gaan. Wie 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve arbeidsprestaties en 7.020 effectief gewerkte dagen of langer gewerkt heeft, kan nog steeds op vervroegd pensioen zonder malus. De berekening van het pensioen van statutaire ambtenaren gebeurt momenteel op basis van het loon van de laatste 10 jaar en evolueert geleidelijk naar het loon van alle loopbaanjaren zoals voor andere werknemers en zelfstandigen.

Cette réforme entrera progressivement en vigueur avec un an supplémentaire chaque année, passant de 10 ans en 2027 à 45 ans en 2062. Étant donné que l'âge du départ à la retraite augmente et que cette réforme se déroule progressivement, la perte de pension restera limitée, vu aussi que davantage de droits à la retraite seront accumulés sur un salaire plus élevé à la fin de la carrière.

Dat zijn de modaliteiten die in het regeerakkoord zijn opgenomen, dames en heren. Het regeerakkoord stipuleert echter ook dat we de specificiteit van het militaire statuut erkennen en de deelname aan externe missies en operationele eenheden positief willen herwaarderen en in rekening brengen. Dat is belangrijk, dames en heren, want het militaire beroep heeft een aantal specifieke vereisten en verplichtingen die uniek zijn op de arbeidsmarkt. Daarover wil ik met de erkende vakorganisaties expliciet in overleg gaan.

Ik begrijp het ongenoegen en de frustratie die momenteel in de rangen heersen, ook al worden dat ongenoegen en de frustraties gevoed door voorbarige en soms misleidende informatie. Ik heb bepaalde bedragen van pensioenvermindering gehoord die in mijn ogen overdreven zijn en die niet kunnen worden gestaafd op basis van de berekeningen die wij maken.

Dans ce même contexte, 5 177 militaires ont demandé et obtenu un congé lors de la manifestation du 13 février dernier.

5.177 militairen hebben verlof aangevraagd en gekregen. Een aanzienlijk deel van hen zal mee gaan betogen zijn. Verschillende collega's zeiden al dat er veel militairen aanwezig waren. 5.177 hebben dus die verlofdag aangevraagd en de meesten onder hen zijn gaan manifesteren op 13 februari.

Je ne pense pas qu’il faille prendre des mesures spécifiques pour éviter qu'une décision comme celle de la fameuse dispense de service se reproduise. Il suffit que chaque ministre de la Défense fasse son travail au sein du gouvernement en toute transparence et collégialité.

Daar is het een beetje fout gelopen.

Ik wil een sociaal plan uitwerken dat rekening houdt met de specificiteit van het militaire statuut, dat maatregelen inhoudt inzake aangepast en werkbaar werk en promotiekansen, en dat het werk van onze militairen valoriseert. Ik herhaal wat ik heb gezegd tegen de staf van Defensie tijdens mijn bezoek in Evere. Ik zal bij de regering aandringen op respect voor de grondwettelijke specificiteit van het militaire beroep. Militairen stellen zichzelf bloot aan vele grote risico's. Ze zetten hun leven zelf ten dienste van de natie. Dat engagement mag en moet worden gehonoreerd.

Pour ce faire, j'ai déjà organisé une première prise de contact avec les délégués des organisations syndicales représentatives le 18 février dernier dans mon cabinet. Ils ont pu clairement exprimer leurs opinions. Au cours des prochaines semaines, j'entamerai une série de consultations avec chacune des organisations afin d'arriver, si possible, à un compromis. Les propositions et mesures concrètes y seront discutées. Afin de donner toutes les chances au dialogue social, je n'entrerai pas dans les détails pour le moment.

Dat zult u wel begrijpen. Het sociaal overleg loopt. Ik hoop een sociaal akkoord te kunnen sluiten met de vakorganisaties, of minstens met de meeste vakorganisaties, en ik hoop dat te kunnen bereiken tegen het einde van het jaar, dus ik geef mezelf daar nog iets meer tijd voor. Uiteraard zal ik verslag uitbrengen in de Kamer als daarover vragen worden gesteld. Ik ben ter beschikking.

Ik ga in op nog twee punten. Ik hoor hier beweren dat de stafchef gezegd zou hebben te verwachten dat de attritie maal vijf gaat met dit pensioenakkoord. Ik weet niet waar die informatie vandaan komt, ik heb dat niet gehoord, misschien heb ik dat gemist. Wel heb ik horen spreken over de attritie tijdens de loopbaan. We hebben hier al vaker besproken dat de attritie tijdens de opleiding hoog is. Daaromtrent loopt een actieplan, waarvan de eerste resultaten redelijk positief zijn, maar er is nog veel werk te doen. Tijdens de loopbaan echter hebben we een zeer lage attritie bij Defensie, namelijk van maar 1 à 2 %. Op het moment dat zij hun opleiding hebben afgerond, blijven de mensen doorgaans echt wel bij Defensie. Concreet blijft 98 tot 99 % bij het leger, bij Defensie. Er vertrekken dus heel weinig mensen. In de privésector is de attritie meer dan 10 %, dus minstens vijf keer hoger. Dat heb ik horen zeggen. Ik heb echter niet horen zeggen – maar mogelijk heb ik dat gewoon niet gehoord, dat kan – dat de CHOD verwacht dat de attritie plots vijf keer hoger zou zijn door deze maatregelen. Ik denk niet dat hij dat heeft gezegd, maar ik kan niet namens hem spreken. Ik heb het alleszins nergens gehoord of gelezen.

Ik denk dat het belangrijk is om te weten dat ik samen met de CHOD ook een communicatie heb uitgebracht op het militaire intranet, gericht tot alle militairen, over dat dossier, want het is een heel belangrijk dossier. Ik heb ook begrepen dat de CHOD alle kazernes zal bezoeken, naar de eenheden zal gaan om over heel wat dingen te spreken, natuurlijk ook over het punt van de pensioenen.

In een tweede punt ga ik in op de vraag of ik bij mijn standpunt blijf over de algemene dispersie, eigenlijk een dag congé, om te staken of te gaan betogen. Ik blijf erbij dat die toekenning werd misbruikt als politiek wapen. Dat standpunt houd ik aan. Dat instrument dient daarvoor naar mijn mening niet. De manier waarop dat werd beslist, heeft overigens veel zorgen gewekt in de toenmalige regering. Alexander De Croo, toenmalig premier in lopende zaken, stuurde een brief naar de toenmalige minister van Defensie met de vraag om haar beslissing in te trekken, maar dat heeft zij niet gedaan. Ik heb die beslissing ingetrokken. Ik denk dat veel partijen alleszins die mening deelden. In het parlementaire debat daarover meende ik alleszins een brede consensus te kunnen vaststellen. Niet iedereen was het ermee eens, maar veel partijen vonden dat het niet de juiste manier was.

Meer dan 5.000 militairen hebben verlof aangevraagd om te gaan betogen. Dat is een heel duidelijk en helder signaal. Het betreft dus heel veel militairen die dat hebben gedaan zoals het moet, namelijk verlof aanvragen en gaan manifesteren. Ik zal niet zeggen dat dat verwaarloosbaar is of een klein aantal, integendeel, het zijn heel veel militairen en het is een heel duidelijk signaal, waarnaar de regering moet luisteren. Ik zal dat proberen te doen en ik hoop mijn collega's in de regering te overtuigen van een goed sociaal akkoord waaraan ik nu eerst zal werken, samen met de vakorganisaties.

Ik herhaal dat er veel prachtig nieuw materieel is. Zo heb ik maandag de CaMo-voertuigen in Evere kunnen schouwen. Dat ziet er heel goed uit en er zal nog veel materieel worden geleverd. Dat is allemaal heel fijn en we zullen nog veel kunnen kopen, maar zonder personeel kan men er niets mee aanvangen. Men heeft dus zowel goed materieel en een goede infrastructuur als gemotiveerd personeel nodig, dat daadwerkelijk ter beschikking staat van de natie, want de militairen doen een ongelooflijke en harde job.

We moeten de militairen echt honoreren, valoriseren en danken. Dat doen we veel te weinig. In de Verenigde Staten bestaat er veel meer een cultuur van dankbaarheid – op alle mogelijke manieren – voor mensen die een dienst hebben bewezen aan het land. Zo krijgen veteranen op een Amerikaanse luchthaven voorrang voor de eerste zitplaatsen, voor de gate. Ik vind dat allemaal fantastische initiatieven. In het regeerakkoord staan een aantal initiatieven. We moeten ook in ons land nadenken over hoe we militairen kunnen valoriseren voor de dienst die ze aan onze natie leveren.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, dank om duidelijkheid te scheppen. Die pensioenfactuur moet worden aangepakt. Ik denk dat het overgrote deel van de bevolking het daarmee eens is. Het overgrote deel van de militairen beseft volgens mij ook dat iedereen zijn steentje zal moeten bijdragen om de pensioenfactuur onder controle te houden. Ik meen zelfs dat de vakbonden dit, weliswaar in andere bewoordingen, hier twee à drie weken geleden ook gezegd hebben. Verder moet ook dat statuut aangepast worden, onder meer op het vlak van het woon-werkverkeer en de arbeidsomstandigheden.

De pensioenhervorming staat zeer gedetailleerd in het regeerakkoord, zo blijkt ook uit uw toelichting. Over het statuut van de militair bent u echter minder in detail gegaan, maar u zou tegen het einde van het jaar proberen te landen. Die strakke timing is een goede zaak. Het is immers logisch dat militairen ongerust zijn bij het lezen van een zeer uitgewerkt pensioenplan dat voorziet in langer werken, maar nog niet in hervormingen van het statuut.

Ik blijf daarom bij mijn oproep om dat in één adem, in één beweging te doen. Ik vrees namelijk dat de uitvoering van de pensioenhervorming zonder de aanpassing van het statuut toekomstige rekruten zal afschrikken, terwijl die echt nodig zullen zijn. Verder vrees ik dat we daarmee de huidige militairen in dienst vervroegd naar de uitgang zullen duwen. Me dunkt zijn we het er allemaal over eens dat dit niet de juiste weg is.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses détaillées. Je prends note du fait que vous vous engagez à mener une concertation avec les syndicats ainsi qu’au sein du gouvernement. Je vous souhaite bonne chance au gouvernement car la déclaration de politique gouvernementale vous laisse peu de portes à ouvrir!

Si vous avez besoin de compter sur le Parti Socialiste pour améliorer le statut social des militaires, vous pouvez compter sur nous pour poursuivre le travail de Mme Dedonder avec vous.

Ensuite, sur les chiffres du surcoût budgétaire du département de la Défense lié à l’allongement de la durée de carrière, l’état-major évoque 4 milliards d’euros alors que les syndicats parlent eux de 3 milliards. Sur l’effet multiplicateur en termes d’attrition, les chiffres de l’état-major sont plus négatifs que ceux des syndicats. Il me semble qu’une vérification doit être faite avec l’état-major.

Enfin, je suis heureux de vous entendre mais inquiet d’entendre votre partenaire MR, dont la priorité semble être de prolonger la carrière des militaires de 10 ans et de régler ses comptes avec Mme Dedonder. Je trouve hallucinant que, pendant que le monde s’embrase, l’on vienne ici poser une question pour simplement régler des comptes politiciens!

Annick Ponthier:

De door ons gekende capaciteitsdriehoek personeel, investeringen en budget is cruciaal en moet in evenwicht zijn. Ik herhaal nogmaals dat het grootste kapitaal van ons defensieapparaat het militaire personeel is. Zonder dat personeel dienen die grote investeringen en die verhoogde budgetten tot niet veel.

De signalen die de militairen hebben gegeven, mogen absoluut niet op een koude steen vallen. Zij moeten gehoord worden. We mogen hier vooral geen politiek spel van maken. Ondanks de heersende verbolgenheid bij het personeel, bestaat er heus wel marge in de toegeeflijkheid van de militairen. Zoals we allemaal weten, staan militairen in operatie 24/7 paraat voor onze veiligheid, maar zij worden daar veel te weinig voor vergoed. Zonder dan nog te spreken over die 7 jaar niet-vergoede dienst in een gemiddelde militaire loopbaan.

Het is duidelijk dat het pensioendebat voor militairen een loopbaandebat moet zijn. De specificiteit van het beroep van militair moet voorop staan. Een verhoging van de pensioenleeftijd, zoals u voorstelt, kan en mag niet los worden gezien van grondige aanpassingen aan de loopbaanvoorwaarden. Indien u die aanpassingen niet doorvoert, pleegt u eigenlijk eenzijdig contractbreuk en ontkent u de inzet die militairen dag in dag uit tonen met een voor hen kenmerkende can do -mentaliteit.

Wat de positieve valorisering en de concretisering van het sociaal plan betreft, zegt u dat die onderwerp van het sociaal overleg zullen zijn. We zullen daar ongetwijfeld later op terugkomen. Het Vlaams Belang hoopt alvast dat het sociaal overleg een positief resultaat zal opleveren en er geen negatieve gevolgen zullen optreden voor de inzet van onze Defensie en voor onze veiligheid in het algemeen, die zoals u weet momenteel ongemeen onder druk staat.

Staf Aerts:

Dank u wel voor uw antwoorden, mijnheer de minister. U hebt zelf benadrukt dat 5.571 militairen een verlofdag hebben aangevraagd voor die nationale stakingsdag. Dat is bijna een op de vier en dat terwijl militairen niet echt de traditie hebben om op straat te komen. Het toont aan hoe ongerust die mensen zijn over hun verdere traject.

Theo Francken:

5.177.

Staf Aerts:

5.177, dan is het een op de vijf. Maar dan nog is het een gigantisch signaal.

Ik meen dat daar echt werk van gemaakt moet worden. Er staat wel een titel in het regeerakkoord dat het personeel van Defensie het hart is van Defensie, maar er is geen antwoord gekomen op alle belangrijke bekommernissen die toen door de vakbonden zijn aangehaald. Over de pensioenhervorming staat niets in die titel van het regeerakkoord. Waarover gaat die paragraaf vooral? Over reservisten en over de vrijwillige legerdienst.

Theo Francken:

(…)

Staf Aerts:

Woon-werk staat er inderdaad in, maar over heel wat andere zaken staat er niets in vermeld.

Wat de vrijwillige legerdienst betreft, bijvoorbeeld, meen ik dat die hard aangekomen moet zijn. We hebben te horen gekregen dat een sergeant met 9 jaar ervaring 2.200 euro netto verdient. U communiceert dan heel fier, om het aantrekkelijk te maken, dat men voor de vrijwillige legerdienst 2.000 euro netto krijgt. Een vrijwilliger krijgt blijkbaar dus nagenoeg evenveel als een sergeant met 9 jaar ervaring. Dan meen ik dat er nog heel wat werk aan de winkel is om het pensioen aantrekkelijk te houden en om de hele loopbaan aantrekkelijk te maken.

Het kapitaal van het leger zijn overduidelijk de militairen. Zonder hen kan het wapentuig niet bediend worden. We zullen dus absoluut verder op militairen moeten inzetten. Ik ben niet gerustgesteld door het regeerakkoord, maar dat zal u niet verbazen.

We zullen absoluut blijven opvolgen of uw woorden effectief in daden worden omgezet.

Theo Francken:

Een vrijwilliger is een militair. Die 2.000 euro is wat een militair krijgt als hij binnenkomt. Waarom zouden jongeren die op 18 jaar binnenkomen en 12 maanden dienen, minder betaald moeten worden? Dat snap ik niet, hoor. Ik meen dat u dat nog eens goed moet bekijken.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Meer dan 5.000 militairen die een van hun weinige verlofdagen opofferen om mee te komen betogen in Brussel, is een heel sterk signaal. Ik herinner mij dat Bouchez in de Kamer verklaarde dat alle mensen die op straat komen, betaald zijn door de vakbonden en dat het allemaal om betaalde militanten gaat. Hij vergist zich daarin. Ik heb de betrokkenen gezien die op straat kwamen. Dat waren niet allemaal mensen die voor de vakbond werken. Dat bewijzen de cijfers van Defensie ook.

Tijdens de hoorzitting met de vakbonden heeft het ACV het mooi verwoord: “De overheid en de maatschappij hebben schuld opgebouwd bij elke militair, door hen, zoals hiervoor gepresenteerd, specifiek te behandelen en te gebruiken. Die schuld wordt tot op heden vereffend op het einde van de loopbaan via de pensioenen, omdat ze niet vereffend kan worden tijdens de loopbaan. Als die schuld plots wordt betwist, zullen veel militairen eruit stappen en hun boots aan de haak hangen.”

U investeert inderdaad veel in Defensie, maar vooral in materieel. De vakbonden werpen op dat er vandaag niet genoeg personeel is om alle nieuwe materieel te bedienen dat zal binnenkomen. In dat geval is er geen Defensie. De ACMP merkte ook op dat begrotingsgewijs de meerkosten voor de pensioenplannen van Arizona voor Defensie ons geld zullen kosten. Dat zal ons 140 miljoen euro kosten. Het is dus quatsch dat het om een besparingsmaatregel gaat. Het zal ons geld kosten. Wat zullen de militairen die hun job niet meer kunnen uitoefenen zoals het moet, immers elke dag doen?

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, vous nous apportez au moins trois bonnes nouvelles. La première, c'est celle liée aux pensions. Vous voulez vous engager dans le cadre du dialogue social. Vous précisez que le métier de militaire et certaines catégories de militaires sont bien spécifiques. Nous n’allons pas demander à des militaires de 64 ans de sauter en parachute ou de se trouver sur un théâtre d'opération. Il est clair que, par rapport à cela, il existe une dimension du métier de militaire que vous souhaitez prendre en compte dans le cadre des réformes nécessaires en matière de pensions.

La deuxième bonne nouvelle, c'est celle liée au nombre de militaires qui ont demandé congé. Mme Dedonder avait mis en grève 100 % des militaires. C'est ce qu'elle avait fait en octroyant cette dispense de service. Finalement, ce n'étaient pas 100 % qui avaient demandé congé, mais seulement 20 %. Les militaires ont leur libre arbitre et sont en mesure de décider par eux-mêmes, parce que ce sont des gens intelligents. Ils savent s'ils veulent manifester ou pas. Ils n'ont pas besoin d'un ministre socialiste pour cela.

La dernière excellente nouvelle, c'est qu'à la différence de votre prédécesseur, vous allez travailler, comme vous l'avez indiqué, dans la collégialité. Vous concerterez un certain nombre de décisions, ce que votre prédécesseur n'avait pas fait. Je me réjouis naturellement de l'avenir dans cette perspective.

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U geeft aan dat het personeel essentieel is voor Defensie. Ik denk dat dit ons aller bezorgdheid is. Het personeel vormt het hart van Defensie. Als we zien wat er allemaal gebeurt op geopolitiek vlak en hoe alles evolueert, dan hebben we dat personeel meer dan ooit nodig. Het is dan ook goed dat het regeerakkoord daarvan uitgaat en dat u dat ook verkondigt, maar nog belangrijker zijn uw daden. U moet daaraan bijkomend prioriteit geven, maar ik twijfel er niet aan dat dit ook het geval is.

Mijnheer Aerts, het klopt uiteraard niet dat er bijna niet wordt gesproken over het personeel en dat er enkel maar over die pensioenhervorming wordt gesproken. Zowel u in uw inleiding als de vakbonden hebben bijvoorbeeld verwezen naar de bijzondere problematiek van het woon-werkverkeer. In het regeerakkoord staat dat daarvan prioritair werk moet worden gemaakt.

Collega's, willen we een pensioenhervorming doorvoeren? Hoe men het draait of keert, dit is nu eenmaal een maatschappelijke realiteit. Niets doen, is geen optie. Het is ons aller verantwoordelijkheid om de hervorming effectief door te voeren en het lijkt mij dan ook relevant om elke vorm van fakenieuws tegen te spreken als dat zou leiden tot een massale uitstroom. Een jongere kiest niet voor Defensie omdat hij op zijn 56ste of een andere leeftijd met pensioen kan gaan. Het statuut is belangrijk, maar nog belangrijker voor die jongere is te kunnen kiezen voor die veiligheid, te kunnen kiezen om te werken aan de geopolitieke omgeving, te kunnen werken met modern materieel en aantrekkelijke uitdagingen aan te gaan bij Defensie. Daarvoor kiest een jongere. Er is op dit moment heel veel interesse bij de jongeren. Dat zien we op de infodagen. Defensie is belangrijk en ik denk niet dat de pensioenhervorming op dat vlak een impact heeft.

Mijnheer de minister, neem dat sociaal overleg ernstig. Werk met alle vakbonden een akkoord uit en betrek het Parlement daarbij als het gaat over de hervorming van het sociaal statuut van de militairen.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, als ik spreek met mijn collega's van destijds bij Defensie, dan is hetgeen wat op dit moment voor hen het zwaarst weegt de onzekerheid. Wat komt er op ons af? Daarom zijn wij met Vooruit heel blij dat u er werk van maakt om tot dat sociaal plan te komen. U zult daarvoor in ons een bondgenoot vinden, ook in de regering.

Maak daar alsjeblieft snel werk van. Probeer die onzekerheid zo snel mogelijk weg te werken. Dat is wat echt van u wordt verwacht. U hebt in uw antwoord duidelijk gemaakt dat u hiervan echt werk wilt maken, waarvoor dank.

Darya Safai:

Bedankt voor uw uitleg, mijnheer de minister. Het is inderdaad onze bedoeling, vanuit een grote bezorgdheid, om de sociale zekerheid, die met de dag groeit, onder controle te houden. Wij moeten daar met de regering een oplossing voor zoeken.

Ik ben blij dat u verwijst naar de specificiteit van het militaire beroep, want onze soldaten staan dag en nacht paraat om onze veiligheid te garanderen. Dat vergt twee dingen van onze kant. Ten eerste, dankbaarheid. We moeten tonen dat we respect hebben voor dit beroep. Ten tweede, we moeten zorgen voor onze militairen. Daarom ben ik ook zo blij dat u minister van Defensie bent, want u hebt al bewezen dat u een groot hart voor onze defensie en de verdediging van dit land hebt. Ik ben heel blij dat u daar zit.

Ik wil zelf van hieruit ook mijn dankbaarheid voor onze defensie uiten. Ik ben blij dat wij samen met de vakorganisaties zullen zoeken naar een oplossing die de beste is voor onze militairen.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses aux questions qui ont été posées par mes collègues. Tout d'abord, vous aviez annoncé votre intention d'organiser une concertation avec les membres du personnel. C'est quelque chose que nous estimons nécessaire en tant qu'Engagés, car nous en avons certainement bien besoin. Par ailleurs, la rencontre syndicale à laquelle nous avons participé dernièrement nous a permis de pouvoir entendre qu'il existait d'autres préoccupations que la pension. Je pense, entre autres, au transport, comme plusieurs collègues l'ont évoqué. De plus, une reconnaissance des militaires doit se manifester au sein de notre population. Toutefois, il faut veiller à ne pas déstructurer le calcul des pensions. Le personnel actif doit en effet pouvoir bénéficier d'un temps réduit, mais il est toujours nécessaire de disposer d'un personnel administratif, car nous en avons également besoin en cas de conflit afin de soutenir toutes ces personnes qui sont au combat. La carrière militaire est une très belle profession, et il ne faut certainement pas le négliger. C'est un choix qui est formé et qui correspond à une nécessité dont chaque militaire est conscient en sachant qu'il remplit plusieurs fonctions. En effet, un militaire va exercer plusieurs métiers au cours de sa vie professionnelle, puisqu'il ne restera pas forcément en fonction en permanence. C'est aussi pourquoi il choisit une telle profession, parce que, dans beaucoup de métiers, vous n'occupez pas quarante ans d'affilée le même poste. Chez les militaires, vous évoluez régulièrement. C'est ce qui permet de les motiver. Encore une fois, un tout grand merci pour les négociations qui sont en cours. Nous vous faisons confiance et nous vous laissons œuvrer. Vous avez bien raison de ne rien vouloir communiquer pour l'instant. Nous devons vous laisser accomplir le travail nécessaire.

De toekomst van de pensioenen van het rijdend personeel van de NMBS

Gesteld door

Ecolo Sarah Schlitz

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verhoging van het pensioenleeftijd voor SNCB-personeel (van 55 naar de wettelijke leeftijd), waarbij Sarah Schlitz de penibiliteit van het beroep en beloften aan werknemers benadrukt als reden om de huidige regels (vroegpensionering onder voorwaarden) te behouden, en waarschuwt voor versnelde uittreding en personeelstekorten. Minister Crucke stelt dat anticipatie op pensioen beperkt blijft (cijfers tonen gemiddelde uittreding op 60+), wijst op succesvolle wervingscampagnes (1.337 aanwervingen in 2024) en vertrouwt op sociaal overleg, maar erkent geen directe bevoegdheid over pensioenvoorwaarden. Schlitz kritiseert de regering voor gebrek aan erkenning van zware arbeidsomstandigheden en wisselende afspraken, die ze als "verraad" bestempelt, en betwijfelt de oprechtheid van het overleg.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, votre accord de Gouvernement prévoit ceci en matière de pension du personnel de la SNCB:

L’âge de la retraite des militaires (56 ans) et du personnel de la SNCB (55 ans) est progressivement porté à l’âge légal de la retraite des autres salariés et fonctionnaires. A partir du 01/01/2027, l’âge de la retraite sera progressivement relevé de 1 an par an, tout en respectant les attentes légitimes des personnes proches de l’âge de la retraite pour lesquelles nous prévoyons une période et des mesures transitoires suffisantes, en concertation avec les organisations sectorielles.

Les mesures nécessaires en matière de travail adapté seront prises. La pension basée sur l’âge pour les militaires et à la SNCB sera transformée en "pension sur demande". À l’avenir, ils pourront donc toujours prendre une retraite anticipée selon les conditions de carrière et d’âge en vigueur. Nous reconnaissons ici la spécificité du statut militaire, où leur participation à des missions extérieures et à des unités opérationnelles est valorisée positivement et prise en compte.

En tant que Ministre de la Mobilité, la partie relative au personnel de la SNCB vous concerne au premier chef, étant entendu que les dispositions actuelles ne concernent que le personnel roulant de la SNCB et sont d’ores et déjà conditionnées et que leur révision suscite légitimement beaucoup de questions parmi les travailleurs concernés.

Monsieur le ministre:

- Pouvez-vous nous rappeler quelles sont les dispositions actuelles précises concernant les pensions du personnel roulant de la SNCB?

- Pouvez-vous nous indiquer, pour les 5 dernières années, le nombre de travailleurs de la SNCB qui ont fait valoir leur droit à la pension à 55, 56, 57, 58, 59 ou 60 ans?

- Disposez-vous, de la même manière, de prévision pour ce qui concerne les prochaines années en terme de départ à la pension de ce personnel roulant? Pouvez-vous me les communiquer?

- Ne craignez-vous pas, vu cette partie de l’accord de Gouvernement, que ça ne conduise à des décisions personnelles d’anticipation des départs chez les travailleurs concernés, aggravant l’actuelle pénurie parmi le personnel roulant?

- Que comptez-vous mettre en œuvre pour préserver et renforcer l’attractivité de ces métiers essentiels pour la mobilité?

- Comment comptez-vous vous impliquer dans ce dossier en tant que Ministre de la Mobilité, afin d’obtenir, comme c’est le cas pour les militaires, des dispositions qui tiennent compte de la pénibilité effective des carrières des travailleurs concernés?

Jean-Luc Crucke:

Madame Schlitz, les dispositions légales les plus importantes concernant le personnel roulant de la SNCB sont la loi de 1961, et plus précisément son article 115; la loi du 28 décembre 2011 portant des dispositions diverses, titre 8, chapitre 1 er , et notamment les articles 88 et 105, tels que modifiés par la loi du 13 décembre 2013.

En ce qui concerne les cinq dernières années et le nombre de travailleurs de la SNCB qui ont fait valoir leur droit à la pension entre 55 et 60 ans, l'âge moyen des membres du personnel de la SNCB, toutes fonctions confondues, ayant sollicité leur mise à la retraite était de 60,6 ans en 2021, 60,7 ans en 2022, 61,1 ans en 2023 et 62 ans en 2024.

En 2024, 32 conducteurs de train ont demandé leur mise à la retraite. Le tableau précise la répartition suivante: 3 à 55 ans; 4 à 56 ans; 1 à 57 ans; 1 à 58 ans; 1 à 60 ans; 7 à 61 ans; 2 à 62 ans; 2 à 63 ans; 5 à 64 ans; 6 à 65 ans.

En 2024, 37 accompagnateurs de train ont demandé leur mise à la retraite. Le tableau de répartition me permet de vous fournir les renseignements suivants: 6 à 55 ans; 1 à 57 ans; 2 à 60 ans; 4 à 61 ans; 3 à 62 ans; 8 à 63 ans; 2 à 64 ans; 11 à 65 ans.

En ce qui concerne les prochaines années, en termes de départ à la pension, il n'est pas possible de faire des prévisions fiables pour l'avenir, compte tenu, entre autres, des modifications de la législation concernant l'âge légal de la retraite, le bonus pension, les retraites pour raison médicale et d'autres critères encore.

Vous me demandez si je crains, vu l’accord de gouvernement, que ça ne conduise à des décisions personnelles d’anticipation des départs chez les travailleurs concernés, aggravant l’actuelle pénurie parmi le personnel roulant.

Je dois vous dire que je n'ai pas cette crainte, mais je suis persuadé que la concertation sociale permettra également de clarifier certains propos qui, parfois, ne coïncident pas avec l'esprit et la lettre de l'accord de gouvernement.

Vous me demandez ce que je compte mettre en œuvre pour préserver et renforcer l'attractivité de ces métiers essentiels pour la mobilité. La SNCB applique à cet égard une stratégie de marque employeur très puissante. Tout au long de l'année, des campagnes, des événements propres, des salons de l'emploi, une collaboration avec des partenaires et de nombreuses autres actions garantissent un afflux suffisant. L'année dernière, la SNCB a enregistré un nombre record de candidatures et a d'ailleurs atteint son objectif de recrutement. En effet, 1 300 recrutements étaient nécessaires en 2024 et la SNCB en a réalisé 1 337. Pas plus tard que cette semaine, une session de formation organisée au sein d'Infrabel sur le recrutement de personnel spécifique a rencontré un franc succès.

Enfin, sur l'intégration des dispositions qui tiennent compte de la pénibilité effective des carrières des travailleurs concernés, je n'ai pas été impliqué dans la compétence qui relève exclusivement d'un collègue chargé du dossier des pensions, mais si j'avais une suggestion à lui faire, c'est de faire confiance au dialogue social. C'est d'ailleurs ce qu'il a commencé à faire, semble-t-il, aujourd'hui.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Les chiffres montrent bien à quel point les départs anticipés à la pension sont modérés, contrairement à ce que certains de vos collègues au sein du gouvernement Arizona ont tendance à dire. Ils caricaturent la fonction publique, les fonctionnaires, sans évoquer, à aucun moment, la pénibilité de ces métiers ni le fait que ces personnes ont des carrières longues. Elles se sont projetées dans cette carrière-là, parfois en se disant que ce n'était peut-être pas le métier de leurs rêves, mais qu'elles allaient l'exercer car il présente certains avantages, mais aussi d'autres inconvénients. Dès lors, changer les règles du jeu en cours de route, c'est une véritable trahison. Et c'est valable dans d'autres domaines en matière de pension. Ces personnes ont planifié leur carrière sur la base du fait qu'elles pourraient partir plus tôt et ont mordu sur leur chique, se disant qu'il y aura quand même une carotte au bout du chemin. La transformer en bâton, pour moi, c'est un véritable problème. J'entends votre volonté de dialogue et je la salue, vraiment. Maintenant, je compte sur vous pour convaincre vos collègues de l'Arizona de cette nécessaire mise en dialogue, parce que ce n'est pas ce qu'on entend. On entend des clichés sur les syndicats, sur la fonction publique, sur les travailleurs mais on n'entend pas une volonté de trouver des solutions pour chacun et chacune en fonction de la pénibilité de son métier et de ses réalités. J'entends votre parole mais je vois aussi le projet dans l'accord de majorité et les propos des autres. Permettez-moi dès lors de douter un peu de l'effectivité de cette bonne volonté.

De modaliteiten van het ziektepensioen

Gesteld door

N-VA Eva Demesmaeker

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Eva Demesmaeker kaart aan dat jonge ambtenaren zoals Wendy (25) te snel en definitief in ziektepensioen worden geduwd, terwijl ze elders nog inzetbaar zijn, en vraagt om hergebruik van hun talenten in plaats van afschrijving. Minister Jambon erkent het structurele probleem (ziektekapitaal + vervroegd pensioen) en kondigt een stop op nieuwe ziektepensioenen vanaf 2026 aan, met focus op re-integratie en werkbaar werk om het systeem uit te faseren. Demesmaeker onderschrijft de noodzaak om talent niet te verspillen en zieke ambtenaren te beschermen *zonder* hen in een "gouden kooi" te duwen. De hervorming moet vergrijzing en vacatures aanpakken door actieve re-integratie in plaats van passieve uitsluiting.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, collega’s, vandaag lezen we in de krant het verhaal van Wendy. Zij kon na een driedubbele enkelbreuk niet meer lopen, had geen toekomst meer bij het leger en werd op 25-jarige leeftijd met pensioen gestuurd. Wendy’s verhaal is geen alleenstaand geval, maar weinige halen de pers. Het vereist immers veel moed om het ziektepensioen in te wisselen voor een nieuwe job buiten de ambtenarij. De recentste cijfers vermelden 87.000 ziektepensioenen. Dat betreft echt niet louter 55-plussers, want er zitten ook zeer veel jonge mensen bij zoals Wendy. Zo’n 126 jonge mensen, geboren in 1990 of later, die dus nog maar aan het begin van hun loopbaan als ambtenaar stonden, werden al gedumpt in het pensioenstelsel.

Mijnheer de minister, dat men werknemers voortijdig definitief afschrijft voor de arbeidsmarkt omdat ze één specifieke job niet meer kunnen uitvoeren, men houdt het niet voor mogelijk, maar het gebeurt nog steeds. We hebben meer Wendy’s, meer mensen nodig die zich niet uit de arbeidsmarkt laten wegduwen, maar die hun talenten gebruiken en opnieuw aan de slag gaan in een andere job. Wendy kan misschien geen militair meer zijn, maar dat betekent niet dat zij niet de kwaliteiten heeft om in een andere job uit te blinken en om daar opnieuw sociale contacten op te bouwen. Zo zijn er velen in onze arbeidsmarkt. We moeten er goed over nadenken of we hen blijven afschrijven voor de vele openstaande vacatures waarvoor hun medische situatie geen obstakel vormt.

Mijnheer de minister, hoe zult u ervoor zorgen dat we in de komende jaren zulke verhalen niet meer in de krant hoeven te lezen?

Jan Jambon:

Mevrouw Demesmaeker, bedankt voor uw vraag. Het schrijnende geval dat u met ons deelt, is jammer genoeg geen uniek geval. Heel wat jonge ambtenaren worden op die manier op non-actief gesteld. Het systeem waar u over spreekt, hangt samen met het systeem van het ziektekapitaal waarin statutaire ambtenaren het recht hebben om een aantal ziektedagen per jaar op te sparen. Door die dagen op te sparen, kunnen ambtenaren 600 dagen voor hun eigenlijk pensioen al vervroegd met pensioen gaan.

In het geval dat men langdurig ziek is en nog niet voldoende dagen heeft opgespaard, dan kan de werkgever na beraadslaging in een commissie de betreffende ambtenaar op ziektepensioen stellen. Soms gaat dat om heel jonge ambtenaren. Die twee systemen samen vormen een absolute aberratie. Dat was het geval van Wendy. Zij werd op een zeer jonge leeftijd al opgesloten in een zeer laag pensioen.

De vorige federale regering – dat moeten we meegeven – heeft reeds een stap gezet met de omvorming van het definitieve ziektepensioen naar tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren. Omdat die regeling nog altijd kan resulteren in een ziekteverlof tot aan het pensioen, zijn we van plan om het grondig te hervormen.

In het nieuwe regeerakkoord zetten we inderdaad een stap verder. Vanaf begin 2026 wordt de instroom in het ziektepensioen van statutaire ambtenaren stopgezet, zodat het stelsel op termijn volledig uitdooft, zowel op federaal en op regionaal als op lokaal niveau. Zo zal het niet langer mogelijk zijn om langdurig zieke ambtenaren in de vergeetput van de ziektepensioenen te dumpen.

Met die hervorming worden alle betrokken overheden voor hun verantwoordelijkheid geplaatst om eerst en vooral te zorgen voor werkbaar werk, maar ook voor de re-integratie van langdurig zieke ambtenaren.

Eva Demesmaeker:

Dank u voor uw zeer duidelijk antwoord, mijnheer de minister. Het mag inderdaad niet dat een ambtenaar wegens een gebrek volledig wordt afgeschreven. Ik onthoud ook dat we de betrokkenen op de arbeidsmarkt moeten re-integreren en wie echt ziek is, blijven beschermen. We mogen geen talent verloren laten gaan. In deze tijd, met een toenemende vergrijzing, is het niet meer te verantwoorden is dat we ambtenaren op dertigjarige leeftijd al met pensioen sturen. We laten degenen die echt ziek zijn, niet in de steek, maar de vele ambtenaren met zovele talenten steken we evenmin in een gouden kooi. We knippen hun de vleugels niet af en houden hen niet klein. Een kooi is immers een strop voor de betrokkenen en het is moeilijk daaraan te ontsnappen. Wij moeten daarentegen de door u aangegeven weg bewandelen. Laten we dat samen met de arizonaregering doen.

De pensioenhervorming en het relancegeld

Gesteld door

VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België riskeert 31 miljoen euro (en later 310 miljoen) aan EU-relancegeld door uitblijven van een budgetneutrale pensioenhervorming, waarvoor de oorspronkelijke deadline (maart 2025) niet gehaald wordt. Minister Jambon bevestigt dat de hervorming—met een bonus-malussysteem om kosten te beheersen—vertraging oploopt door wetgevende procedures en sociaal overleg, en vraagt uitstel tot november 2025 voor de EU-rapportage, inclusief langetermijnimpactanalyses (tot 2070). Het Vlaams Belang waarschuwt tegen besparingen op lage pensioenen en pleit voor een systeem waar "sterkste schouders" het meest dragen, maar uit kritiek op eerdere halve maatregelen van de Vivaldi-regering. Samenwerking met Van Peteghem (Begroting) wordt bevestigd, maar concrete garanties ontbreken.

Ellen Samyn:

Vooreerst heet ik minister Jambon welkom in de commissie voor Sociale Zaken.

Mijnheer de minister, een naar u door de vivaldiregering doorgeschoven mismeesterd dossier, was dat van de pensioenhervorming en het daaraan gekoppelde relancegeld. We wachten nog steeds op delen van het relancegeld uit het Europees herstelfonds. De eerste schijf wordt nog steeds gedeeltelijk geblokkeerd, onder andere omdat er nog geen doortastende pensioenhervorming werd doorgevoerd.

België krijgt van de Europese Commissie nog tot 11 maart 2025 de tijd om de pensioenhervorming budgetneutraal te maken. Zo niet, dreigt er op de eerste schijf 31 miljoen euro aan relancesteun verloren te gaan. Indien men geen budgetneutrale pensioenhervorming kan voorleggen, zou men het risico lopen dat er ook op de vierde betalingsaanvraag 310 miljoen euro zal worden ingehouden. In het ergste geval kan het uitblijven van een goedgekeurd controlesysteem zelfs leiden tot de volledige stopzetting van de betalingen uit het herstelfonds.

Tijdens de plenaire vergadering van 6 februari verklaarde u dat het bonussysteem van de vivaldiregering zal worden vervangen door een bonus-malussysteem dat ervoor zorgt dat het pensioenbudget niet verder ontspoort, maar meer in evenwicht komt. U zult uw hervormingsplan inzake pensioenen aan Europa voorleggen en u maakt zich sterk dat met dat pensioenplan middelen zullen vrijkomen.

Wat is de stand van zaken? Wordt de deadline gehaald? Kunt u, met andere woorden, garanties geven dat men via de arizonahervorming wel middelen zal kunnen vrij krijgen?

Bereidt u het dossier voor samen met uw collega-minister Van Peteghem?

Betekent het halen van de deadline dat er een volledige pensioenhervorming op til staat, of betreft het enkel de invoering van het bonus-malussysteem?

Jan Jambon:

Mevrouw Samyn, zoals u tijdens het investituurdebat hebt kunnen horen, hebben we in het nieuwe regeerakkoord een structurele pensioenhervorming afgesproken waarop de Europese Commissie al enige tijd aandringt om de vergrijzingskosten onder controle te krijgen in België en die de Europese Commissie als voorwaarde stelt om de geblokkeerde relancemiddelen vrij te geven.

Vanzelfsprekend zal die pensioenhervorming nog niet onmiddellijk in werking treden. Eerst moeten we ons plan in de regering in wetteksten gieten. Vervolgens moeten we de nodige adviezen inwinnen, het sociaal overleg voeren en, tot slot, onze tekst in de vorm van een wetsontwerp hier in het Parlement indienen en bespreken.

De voorbije week hebben we een informeel gesprek gevoerd met de Europese Commissie over de pensioenhervorming en de timing ervan. De Europese Commissie heeft gevraagd naar in detail uitgewerkte en goedgekeurde documenten. De vooropgestelde deadline van maart 2025 voor de verzameling van alle informatie is in dat licht dan ook niet haalbaar. In samenspraak met de bevoegde minister van Begroting werd om die reden een herziening van de mijlpalen in het kader van de herstel- en veerkrachtfaciliteit aangevraagd bij de Europese Commissie. Die herziening houdt tevens een uitstel in naar de vierde tranche, die in november 2025 zal worden ingediend bij de Europese Commissie. Zo zal het Federaal Planbureau de raming van de budgettaire impact van de totale pensioenhervorming op middellange en lange termijn – 2040, 2050, 2070 – kunnen meedelen aan de Europese Commissie.

Deze aanpak en timing, in samenspraak met de Europese Commissie, met respect voor het sociaal overleg en voor de parlementaire bespreking, bieden ons de beste garantie dat de Europese Commissie de blokkering van de Europese relancemiddelen eindelijk zal kunnen opheffen.

Ellen Samyn:

Dank u wel, mijnheer de minister.

Ik hoor in uw antwoord dat de timing momenteel niet gehaald zal worden en dat het uiteraard ook nog wachten is op die wetgeving. Ik kijk er in ieder geval naar uit.

Nu, mijnheer de minister, de erbarmelijke pensioenhervorming door Vivaldi reken ik u niet aan, u kunt daar immers weinig aan doen, maar een aantal van uw coalitiepartners wel. Voor Vooruit was de slag binnengehaald met de minimumpensioenen en was daarmee de kous af. Mevrouw Lanjri vond dat minister Lalieux opnieuw achter de kookpotten moest staan, maar het resultaat was alvast niet te smaken.

Mijn partij, het Vlaams Belang, hoopt dat er deze legislatuur wel werk zal worden gemaakt van een echte pensioenhervorming die oog heeft voor de besognes van vandaag, om de komende generaties te verzekeren van een waardig pensioen. Voor ons is het ook niet meer dan logisch dat de sterkste schouders het meeste dragen, maar als uw hervorming betekent dat de grootste besparingen worden opgelegd aan mensen met een laag pensioen, die er nu vaak al niet in slagen om hun rusthuisfactuur te betalen, dan passen wij daar resoluut voor. Ik dank u alvast.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nrs. 56002333C en 56003039C van de heren De Smet en Bayet worden uitgesteld.

De pensioenhervorming
De pensioenhervorming
Pensioenhervormingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over de impact van pensioenmaatregelen uit het regeerakkoord, met focus op vervroegd pensioen, malus en loopbaaneisen. 31% (20.000-22.000 personen/jaar) zou een malus krijgen bij vervroegd pensioen, waarbij vrouwen onevenredig getroffen worden door zorgtaken. Slechts 8.000-9.000 personen/jaar zouden na 42 loopbaanjaren op 60-jarige leeftijd kunnen pensioen, terwijl 30-40% hun pensioendatum maanden tot jaren ziet opschuiven door strengere voorwaarden. De minister belooft nadere cijfers over de 20%-cap op gelijkgestelde periodes schriftelijk.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staan een reeks maatregelen die mensen verplichten om langer te werken, maar er staan ook een reeks maatregelen in die het pensioen van mensen zullen verlagen, of ze nu langer werken of niet. In de begrotingstabellen die u ons bezorgd hebt, staan ook zeer precieze cijfers over de opbrengst van die maatregelen.

Mijn vraag gaat over de impact van die maatregelen op een aantal mensen. Ik zou u graag over vier punten willen ondervragen.

Mijn eerste punt betreft de pensioenmalus. Kunt u zeggen hoeveel mensen die in 2023 vroeger met pensioen gegaan zijn die malus gekregen zouden hebben als die toen van toepassing was geweest? Kunt u daarbij ook zeggen wat de impact is op vrouwen en mannen? Zoals we weten doen vrouwen meer huishoudelijke arbeid en zorgen ze ook meer voor jonge kinderen of voor hoogbejaarde ouders. De kans dat zij zwaarder getroffen gaan worden is dus wellicht groter.

Ten tweede, hoeveel mensen zullen de mogelijkheid hebben om op 60 jaar met pensioen te gaan na 42 gewerkte jaren, goed wetende dat de voorwaarden om dan met pensioen te mogen gaan tamelijk streng zijn, namelijk 234 effectief gewerkte dagen? Kunt u zeggen over hoeveel mensen het gaat, met daarbij de uitsplitsing tussen mannen en vrouwen? Kunt u nogmaals bevestigen dat geen enkele periode gelijkgesteld is? Als ik het regeerakkoord lees, staat daar niets in vermeld over gelijkstelde periodes. Kunt u dat nog een keer bevestigen?

Ten derde, hoeveel mensen zullen hun vroegst mogelijke pensioendatum zien opschuiven door de harmonisering van de loopbaanvoorwaarden voor het vervroegd pensioen? Met hoeveel maanden zal die datum opschuiven?

Ten vierde, de cap – dus het maximum van gelijkstelde periodes – van 20 % zou in 2029 al leiden tot een besparing van 300 miljoen. Hoeveel gepensioneerden zouden worden getroffen door deze besparingsmaatregel? Wat is het aandeel van vrouwen daarin?

Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Jan Jambon:

Mijnheer De Witte, op uw eerste drie vragen heb ik een antwoord, maar uw vierde vraag is ons niet bezorgd, waarvoor mijn excuses. Kunt u dat deel in een schriftelijke vraag omzetten?

In antwoord op uw eerste vraag, uit de databanken van de Federale Pensioendienst blijkt, op basis van de betalingsgegevens van januari 2023, dat 31 % van alle personen die in 2022 vervroegd met pensioen gingen niet voldoen aan de voorwaarde van minimaal 35 loopbaanjaren met elk minimaal 156 effectief gewerkte dagen, zonder gelijkgestelde periodes en met minimaal 7.020 effectief gewerkte dagen gespreid over de volledige loopbaan. Het gaat om 20.211 van de 64.306 personen die in 2022 vervroegd met pensioen gingen. Het aantal personen op wie de invoering van de maatregel vanaf 2026 een impact zou kunnen hebben, wordt dus geraamd op 20.000 à 22.000 personen per jaar.

In antwoord op uw tweede vraag, informatie met betrekking tot de loopbaanjaren van minimaal 234 dagen is momenteel nog niet beschikbaar aangezien dat een aantal dagen betreft dat geen enkele rol speelt in de huidige regeling. Die notie van 234 dagen kennen we dus niet. Als alternatief heb ik gekeken naar de cijfers voor het jaar 2022 en het minimum van 208 dagen, omdat we die notie wel kennen. De cijfers zijn dus niet helemaal correct, maar van de 64.306 personen die in 2022 vervroegd met pensioen gingen, voldeden er volgens de gegevens van de Federale Pensioendienst 8.772 aan de voorwaarde van een loopbaan van minimaal 42 jaar met elk jaar minimaal 208 daadwerkelijk gewerkte dagen. Het aantal personen dat ervoor kiest om vervroegd met pensioen te gaan en dat bij de invoering van de maatregel de mogelijkheid zou hebben om nog eerder, namelijk vanaf 60 jaar, met pensioen te gaan, wordt dus geraamd op 8.000 à 9.000 personen per jaar.

Wat uw derde vraag betreft, op basis van een uitgebreide steekproef bij nieuwe ingangen van 2022 zou de maatregel potentieel voor ongeveer drie à vier op de tien personen die vervroegd met pensioen gingen betekenen dat ze hun pensioen met enkele maanden tot enkele jaren hadden moeten uitstellen. Op dit ogenblik is het niet mogelijk te zeggen met hoeveel maanden die datum gemiddeld zal opschuiven.

Zoals ik gezegd heb, zal ik uw vierde vraag schriftelijk beantwoorden.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik merk dat een aantal van de maatregelen nog niet duidelijk zijn doorgerekend, bijvoorbeeld die 234 dagen. We zullen daar zeker schriftelijk op terugkomen, want dat is duidelijk meer dan 208 dagen. Die malus heeft echt wel een aanzienlijke impact, aangezien een op de drie mensen daardoor zal worden getroffen. We volgen dat zeker verder op.

De problematiek van de slapende pensioenen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de problematische "grijze periode" tussen 60 jaar (einde van veel pensioencontracten) en de wettelijke pensioenleeftijd, waarbij opgebouwd kapitaal geen rendement oplevert bij verzekeraars, ondanks jarenlange inleg. Minister Jambon bevestigt dat de wet geen minimrumpctie eist en verzekeraars 0%-tarieven mogen toepassen na 60 jaar, maar benadrukt dat pensioenrechten wel blijven groeien via werkgeversbijdragen tot de effectieve pensionering. Transfers naar betere contracten zijn mogelijk voor ex-werknemers, maar actieve werknemers zitten vast aan hun huidige voorwaarden. Consumentenorganisaties pleiten voor meer flexibiliteit, zoals vrije keuze van verzekeraar of verlenging van gegarandeerde rentes.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, la transition entre une carrière professionnelle et la retraite demande de l'organisation, notamment en termes financiers. En plus de leur pension légale, certaines personnes ont constitué, avec ou sans la contribution de leur employeur, une pension complémentaire ou une épargne-pension leur permettant de disposer d'un capital supplémentaire bienvenu à la fin de leur carrière.

Depuis 2016, le versement du capital accumulé est conditionné au retrait de la pension légale. Or, beaucoup de ces contrats prennent fin à l'âge de 60 ans, surtout chez les femmes. Il se crée, dès lors, une période grise durant laquelle le capital est encore détenu par l'assureur et ne peut pas être versé à son bénéficiaire. Ce capital génère des revenus pour celui qui le détient, mais sans aucune obligation de compenser en faveur du bénéficiaire.

Trouvez-vous normal, alors que l'objectif de la loi est d'inciter les citoyens à faire appel à ces régimes pour compléter leur pension légale, que des groupes d'assurances aient la possibilité d'octroyer un rendement nul aux citoyens qui constituent un capital tout au long de leur carrière?

Les organisations de défense des consommateurs préconisent de laisser le libre choix au consommateur de transférer leur capital vers un assureur proposant un véritable rendement ou encore de permettre la prolongation des contrats existants avec taux d'intérêt garanti. Ces solutions vous semblent-elles pertinentes?

Votre cabinet peut-il rapidement donner des éléments techniques afin de répondre aux personnes qui nous sollicitent?

Jan Jambon:

Madame Tourneur, je répondrai d'abord à vos première et troisième questions, et ensuite à la deuxième.

Depuis 2016, le payement de la pension complémentaire du deuxième pilier est principalement lié à la prise de cours de la pension légale. En principe, la pension complémentaire constitue nécessairement le complément d'une pension légale, et celle-ci ne peut, dès lors, être perçue qu'à partir de la mise à la retraite. Par ce choix, le législateur souhaitait renforcer le lien entre la pension légale et la pension complémentaire. Il voulait également que la pension complémentaire ne soit pas un facteur incitatif pour quitter prématurément le marché du travail.

Toutefois, certains plans de pension prévoient encore un âge terme contractuel à 60 ans. La question se pose donc de savoir comment les droits de pension doivent évoluer entre l'âge repris dans l'engagement de pension et la retraite effective.

À cet égard, la loi sur les pensions complémentaires précise explicitement que l'engagement de pension demeure en vigueur jusqu'à la retraite. Cela signifie que l'accumulation des droits ne s'arrête pas lorsque l'âge terme du règlement de pension est atteint, mais qu'elle se poursuit jusqu'à la mise à la retraite.

L'employeur doit donc continuer à verser des contributions pour financer les droits de pension, même si l'âge de fin mentionné dans le règlement de pension est atteint.

Cependant, la continuité imposée par le législateur ne vise pas les conditions tarifaires du contrat d'assurance en tant que tel. Cela signifie concrètement que, lorsque l'assureur prolonge le contrat à partir de 60 ans, il peut appliquer de nouvelles conditions et n'est pas obligé de maintenir, pour cette période subséquente, les taux d'intérêt appliqués jusqu'à 60 ans.

Ces dernières années, parallèlement à la baisse des taux d'intérêt du marché, les rendements garantis par les assureurs ont fortement diminué. Il n'est donc pas rare que, dans le cadre d'une prolongation du contrat après 60 ans, un taux d'intérêt de 0 % soit appliqué par l'assureur. La législation n'impose, en effet, aucun rendement minimal aux entreprises d'assurance.

Tant la FSMA que l'ombudsman des assurances sont régulièrement interpellés à ce sujet. La plupart des demandes proviennent d'affiliés dormants, c'est-à-dire de personnes ayant quitté leur employeur et ayant laissé leurs réserves. Certains constatent ainsi que leurs réserves de pension ne génèrent plus aucun rendement pendant plusieurs années.

Des solutions peuvent, toutefois, exister. La loi sur les pensions complémentaires accorde ainsi aux affiliés ayant quitté leur employeur le droit de transférer leurs réserves de pension. Dans ce cadre, les affiliés peuvent tenter d'obtenir de meilleures conditions auprès des organismes vers lesquels ils transfèrent.

Les affiliés qui ont quitté leur employeur disposent en théorie de trois choix: transférer leurs réserves vers une structure d'accueil, vers le plan de pension d'un éventuel nouvel employeur, ou vers un contrat d'assurance individuel spécial. Ce transfert est exempté d'impôt.

Aurore Tourneur:

Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre. Je vais les analyser et reviendrai vers vous, au besoin.

De ondersteuning van de lokale besturen
De ondersteuning van de lokale besturen voor de betaling van de pensioenen
Financiële ondersteuning van lokale besturen voor pensioenen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat de federale overheid lokale besturen zal steunen via verlaging van hun "responsabiliseringsbijdragen" (met een tweede, voorwaardelijk luik), maar concrete modaliteiten en bedragen (zoals de 527 miljoen in 2029) blijven vaag. Marie Meunier kaart aan dat de geplande compensatie voor pensioen- en arbeidsmarkthervormingen onvoldoende dekt, vraagt om uitleg over de specifieke verdeling (o.a. voor 10 grote steden) en de historische pensioenlasten, maar krijgt geen antwoord op haar kritieke vragen. De focus ligt op onduidelijke financiële tegemoetkomingen voor gemeenten, zonder transparantie over criteria of verdeling. De discussie blootlegt een gapend gat tussen beloftes en uitvoering.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, le gouvernement prévoit dans son accord une réforme fiscale et une réforme du marché du travail et des pensions. Ces réformes entraîneront des charges supplémentaires pour les pouvoirs locaux. Le tableau budgétaire transmis aux membres de la Chambre des représentants reprend d'ailleurs une ligne en dépenses, concernant le soutien aux administrations locales: compensation des réformes du marché du travail et des pensions, avec un impact de 527 millions en 2029. Cette compensation semble bien faible au regard des charges passées et à venir qui vont peser sur les finances locales.

Le président du MR, M. Georges-Louis Bouchez, expliquait également dans SudPresse , le samedi 15 février, que le gouvernement fédéral allait intervenir dans la charge des pensions des grandes villes.

Monsieur le ministre, de nombreuses zones d'ombre subsistent et mes questions sont donc les suivantes.

Que recouvre la ligne budgétaire "soutien aux administrations locales, compensation des réformes du marché du travail et des pensions", reprise dans le tableau budgétaire transmis aux membres de la Chambre des représentants?

Comment l'impact de 527 millions des réformes des pensions et marché du travail sur les pouvoirs locaux a-t-il été évalué? Quelle est la part de la réforme des pensions dans cet impact?

Quelles compensations sont-elles visées et pour quelles mesures? À quoi M. Bouchez fait-il référence dans sa sortie quand il déclare que le gouvernement va intervenir dans toutes les villes de plus de 100 000 habitants? Il reste encore à fixer les modalités précises, mais ce sont plusieurs dizaines de millions d'euros qui seront injectées dans les fonds de pension de sept villes en Flandre et trois en Wallonie. Une autre intervention est-elle prévue pour les charges du passé en lien avec la charge des pensions, ou ce budget sera-t-il puisé dans la ligne du tableau budgétaire? Enfin, comment la répartition de cette compensation est-elle prévue entre les différents pouvoirs locaux? Sur la base de quels critères?

Jan Jambon:

Madame Meunier, l'accord de gouvernement prévoit en effet de soutenir les autorités locales en vue de l'allègement de leurs cotisations de responsabilisation. Cette mesure sera mise en œuvre par le maintien du système qui consiste à réduire la facture de responsabilisation des autorités locales, avec un deuxième pilier qui respecte certaines conditions. Les conditions sont répercutées sur la facture de responsabilisation, mais au travers d'une réduction ciblée de cette facture. Les modalités restent à définir et seront présentées à ce moment-là.

Marie Meunier:

Merci, monsieur le ministre, mais je n'ai eu aucune réponse à mes questions, et j'en prends acte.

Het pensioenonderzoek van Acerta

Gesteld door

N-VA Axel Ronse

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ondanks de pensioenbonus van regering-De Croo gaat 40% nu vroeger met pensioen (vs. 30% in 2019), met een gemiddelde uittreedleeftijd van 63,5 jaar, mede door gelijkgestelde periodes (1/3 van de pensioenrechten). Minister Jambon kondigt een bonus-malussysteem aan om vroeger stoppen financieel minder aantrekkelijk te maken en gelijkstellingen te beperken, terwijl flexibiliteit (bv. pensioen na 42 loopbaanjaren) behouden blijft. Ronse prijst het plan als noodzakelijke correctie na de mislukte bonus en benadrukt de urgentie om werkelijke arbeid (vs. gelijkgestelde jaren) centraal te stellen. Het regeerakkoord mikt op duurzaamheid zonder dwang, maar met strengere financiële prikkels.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, een studie van Acerta heeft een heel specifiek resultaat opgeleverd. Van alle mensen die in 2024 op pensioen gingen, waren vier op de tien jonger dan 65 jaar. Vijf jaar eerder, in 2019, waren maar drie op de tien jonger dan 65 jaar. Mensen gaan dus steeds vroeger op pensioen, ondanks het feit dat de regering-De Croo een pensioenbonus heeft ingevoerd om ervoor te zorgen dat mensen langer zouden werken door meer prikkels te geven. Dat is een redelijk verrassende vaststelling die toch wat zorgen baart; vandaar drie vragen.

Hoe komt het volgens u dat steeds meer mensen jonger dan 65 op pensioen gaan, ondanks de fameuze pensioenbonus?

Krijgen mensen – misschien zit daar voor een stuk al het antwoord op de eerste vraag – vandaag wel de juiste financiële prikkels met betrekking tot hun arbeidsduur en pensioen?

We hebben uiteraard al het regeerakkoord gelezen, maar welke maatregelen en financiële stimuli zult u nog voorzien om de pensioenen betaalbaar te houden en vooral om de keuze om vervroegd op pensioen te gaan ook budgettair haalbaar te maken?

Jan Jambon:

Mijnheer Ronse, de groep die voor zijn 65ste op pensioen gaat, werd de voorbije jaren inderdaad groter. Het nieuwe onderzoek van Acerta maakt dus duidelijk dat het beeld dat soms wordt geschetst, namelijk dat we binnenkort, vanaf 2030, allemaal tot 66 of 67 jaar zullen moeten werken, in de realiteit absoluut niet klopt. De effectieve gemiddelde uittreedleeftijd voor werknemers en zelfstandigen ligt in 2024 immers in de realiteit op 63,5 jaar. Bij ambtenaren – zij maakten geen deel uit van de dataset van Acerta, want die betrof enkel werknemers – is dat gemiddeld nog vroeger. De vaststelling dat in 2023 43 % van alle werknemers en zelfstandigen voor de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar op vervroegd pensioen ging, is dus geen verrassing.

Op zich is er ook niets mis met de mogelijkheden om na een lange loopbaan op vervroegd pensioen te gaan. In onze pensioenhervorming introduceren we zelfs een nieuwe mogelijkheid om na 42 loopbaanjaren van elk minstens 234 gewerkte dagen toch op vervroegd pensioen te kunnen gaan vanaf de leeftijd van 60. Het probleem is dat ons pensioensysteem vandaag niet de juiste financiële prikkels bevat om de keuze om al dan niet op vervroegd pensioen te gaan, ook budgettair haalbaar en duurzaam te maken, want vandaag is niet minder dan één derde van de loopbaanjaren niet effectief gewerkt, maar gelijkgesteld, wegens onder meer langdurige werkloosheid of brugpensioen. In onze pensioenhervorming zullen we deze gelijkstellingen beperken via de invoering van een fair en correct bonus-malussysteem, waarmee vroeger stoppen of langer doorwerken op de juiste wijze vertaald wordt in het opgebouwde pensioenbedrag. Zo bieden we werknemers, zelfstandigen en ambtenaren meer flexibiliteit om zelf een keuze te maken, zonder de financiële draagkracht van ons pensioenstelsel te hypothekeren.

Axel Ronse:

Ik kan maar één ding zeggen: chapeau voor wat zal komen, mijnheer de minister! Na de desastreuze pensioenbonus is er eindelijk een plan om mensen langer aan de slag te houden, via het bonus-malussysteem, en om de gelijkgestelde periodes in te perken. Ik val ervan achterover dat vandaag een derde van de pensioenrechten is opgebouwd uit gelijkgestelde periodes. Een derde van alle pensioenen zijn dus niet gebaseerd op gewerkte jaren, maar op gelijkgestelde periodes. Het is fantastisch dat daar ook een cap op wordt geplaatst in dit regeerakkoord. Mijnheer de minister, ik kan niet wachten om het wetsontwerp om dit te wijzigen in de plenaire vergadering te verdedigen en goed te keuren.

De aanpak van de pensioenhervorming

Gesteld door

CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon bevestigt dat de noodzakelijke pensioenhervorming—gericht op betaalbaarheid voor toekomstige generaties—dit jaar wordt voorbereid, met eerste maatregelen in 2025 via de programmawet (indiening 28 april). Overleg met sociale partners (o.a. Federale Pensioendienst) is gestart, en het Federaal Planbureau berekent nog de budgettaire en sociale impact. Lanjri benadrukt dat verworven rechten en neveneffecten (bv. ziekte-uitkeringen) vermeden moeten worden en dringt aan op transparantie om burgers gerust te stellen, terwijl ze wijst op eerdere eigen voorstellen die deels in het regeerakkoord zijn opgenomen.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, collega's, in het regeerakkoord wordt een heel grondige pensioenhervorming aangekondigd, en dat is maar goed ook, want eigenlijk hadden we al veel eerder op een grondige pensioenhervorming willen inzetten. Mogelijk weet u dat ik daar in de vorige legislatuur al heel vaak op heb aangedrongen en ook heb gezegd dat wat voorlag niet voldoende was. In elk geval, dit regeerakkoord is ambitieus. Zo kunnen we volgens mij de pensioenen betaalbaar houden, niet alleen die van vandaag, maar ook die van morgen, dus ook die van onze kinderen en kleinkinderen.

In het regeerakkoord wordt de richting aangegeven – soms zelfs ook al wat concreter – die we willen uitgaan, maar de concrete voorstellen, de concrete wetsontwerpen, moeten uiteraard nog komen. In het regeerakkoord zegt u dat overleg gepleegd zal worden met de sociale partners en dat aan het Federaal Planbureau berekeningen over de financiële en de sociale impact gevraagd zullen worden.

Mijnheer de minister, hoe zult u die pensioenhervorming concreet aanpakken? Hebt u ondertussen al aan het Federaal Planbureau gevraagd wat de budgettaire en sociale impact zal zijn van de voorstellen uit het regeerakkoord? Is het overleg met de sociale partners al opgestart? Zo ja, met wie hebt u al gesproken? Hebt u naast de sociale partners eventueel nog andere betrokken actoren gezien? U zult wellicht van veel organisaties ook al de vraag hebben gekregen om te overleggen.

Ik meen dat er een enveloppe was voorzien van ongeveer 450 miljoen euro opdat overgangsmaatregelen genomen kunnen worden en dat de sociale partners daarvoor voorstellen mogen uitwerken. Klopt dat of is die 450 miljoen al bezwaard? Tegen wanneer verwacht u die maatregelen?

Wanneer komt u met uw voorstellen naar de regering? Wanneer kunnen we de bespreking daarvan verwachten in het Parlement? Wat is de concrete timing? In het regeerakkoord staat immers dat alles wat in deze legislatuur ingevoerd moet worden, dit jaar nog moet worden beslist. Wanneer komt dat allemaal naar het Parlement, als we lezen dat dat in 2025 nog goedgekeurd moet worden?

Tot slot hoop ik uiteraard dat u het met me eens bent dat we ons moeten hoeden voor onbedoelde neveneffecten. De richting is duidelijk: we moeten zorgen voor de betaalbaarheid. Neveneffecten die niet zorgen voor een win-winsituatie moeten we natuurlijk vermijden. Daarmee zal bij de uitwerking hier en daar rekening moeten worden gehouden.

Jan Jambon:

Mevrouw Lanjri, de pensioenhervorming die we voorstellen is inderdaad strikt noodzakelijk om het pensioen van onze kinderen en kleinkinderen te kunnen verzekeren. De hervormingen die we voorstellen hadden idealiter al een of twee decennia geleden beslist moeten worden. Mijn dank voor de steun, ook vanuit uw fractie, voor onze structurele pensioenhervorming.

Zoals u terecht aanhaalt in uw vraag, zullen we hierover ook het overleg aangaan met de sociale partners, zowel via de formele adviesaanvragen als vanuit hun rol als paritaire beheerders van de diverse openbare instellingen van de sociale zekerheid, waaronder niet het minst de Federale Pensioendienst.

In die hoedanigheid heb ik afgelopen maandag reeds een eerste ontmoeting en gedachtewisseling met de sociale partners gehad, die samen deel uitmaken van het beheerscomité van de Federale Pensioendienst. We hebben daarbij ook de nodige afspraken gemaakt over het vervolg van onze samenwerking. Een afspraak is onder meer dat de concrete ontwerpen van wetteksten en uitvoeringsbesluiten, zodra ze zijn goedgekeurd, voor advies zullen worden voorgelegd aan de sociale partners en met hen zullen worden besproken. Daarbij zullen ook de nodige overgangsmaatregelen aan bod komen.

Een aantal pensioenhervormingen zullen al in de loop van dit jaar in werking treden en budgettaire impact genereren. Deze maatregelen zullen deel uitmaken van de programmawet bij de begrotingsopmaak van 2025, die zoals gepland in de week van 28 april in het Parlement zal worden ingediend. De andere pensioenhervormingen zullen eerst in de regering besproken en goedgekeurd worden, daarna voor advies en bespreking aan de sociale partners worden voorgelegd en vervolgens in dit Parlement worden ingediend.

In het regeerakkoord is in het hoofdstuk Pensioenen inderdaad voorzien dat de maatregelen die deze legislatuur in werking zullen treden, allemaal in 2025 zullen worden ingevoerd. Daarmee bedoelen we dat de wetsontwerpen ter goedkeuring zullen worden voorgelegd. Daarmee treden de maatregelen nog niet in werking, voor alle duidelijkheid. Het betekent dat de wetteksten volgens plan dit najaar in het Parlement zullen worden ingediend met het oog op de goedkeuring ervan voor eind 2025.

Ik kijk ernaar uit om deze hervorming samen tijdig tot een goed einde te brengen, om zo de toekomst van onze pensioenen te kunnen veiligstellen.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. We delen in elk geval de visie dat we de pensioenen op termijn betaalbaar moeten houden en dat er daarom ingrijpende maatregelen nodig zijn, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat verworven rechten verworven rechten zijn en dat we geen averechts effect mogen krijgen, bijvoorbeeld dat mensen langer in de ziekte-uitkering belanden.

Er zijn absoluut een aantal structurele maatregelen nodig en ik kijk ernaar uit om daarover te debatteren in dit Parlement en te zien wat er concreet wordt voorgelegd. Wij hebben zelf al heel wat concrete voorstellen gedaan, die we al eerder in wetsvoorstellen hadden gegoten en waarvan er trouwens al heel wat in het regeerakkoord staan.

Ik laat het voorlopig aan u over om met de nodige wetsontwerpen te komen en die af te toetsen binnen de regering en bij de sociale partners en de Nationale Bank.

U hebt echter niet geantwoord op mijn vraag of er al advies is gevraagd aan het Federaal Planbureau.

Jan Jambon:

Dat advies is gevraagd, maar nog niet verkregen.

Nahima Lanjri:

Dan zullen we binnenkort de budgettaire en sociale impact die het Federaal Planbureau zal hebben berekend in dit Parlement kunnen bespreken. Door de bespreking hier tijdig aan te vatten, kunnen we heel wat ongerustheid bij veel burgers wegnemen, want onze mailboxen ontploffen bijna van de berichten van mensen die ongerust zijn. Ik denk dat er in die overgangsmaatregelen voldoende zaken zullen zitten opdat de mensen nog niet moeten panikeren over sommige hervormingen op middellange en lange termijn.

De behandeling van technische werkloosheid in de pensioenbonus-malusregeling

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne vraagt of technische werkloosheid om economische redenen meetelt voor de malus in de nieuwe bonus-malusregeling (35 loopbaanjaren van 156 dagen). Jambon bevestigt dat enkel zorgverloven en moederschapsrust nu gelijkgesteld zijn, maar sociaal overleg kan dit uitbreiden, mits behoud van de koppeling tussen werken en pensioenopbouw. Van Quickenborne wijst op gebrek aan budget (2026) en stelt dat de huidige malus minder streng is dan eerdere actuariële voorstellen (45 jaar voltijds). Conclusie: discussie mogelijk, maar zonder toegekende middelen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, er is hierover ook gediscussieerd in de plenaire vergadering. De tekst is nochtans vrij duidelijk. U bent als minister van Pensioenen heel gedetailleerd en specifiek geweest, wat een heel goede zaak is. Het doet me denken aan het regeerakkoord van 2011, toen we ook teksten hadden die we vrijwel helemaal konden omzetten in wetsontwerpen.

Wat betreft de bonus-malusregeling, heb ik echter al vragen gekregen van werkgevers en werknemers over het aspect 'technische werkloosheid om economische redenen'. We weten dat werkloosheid en ziekte/arbeidsongeschiktheid niet meetellen voor de malus – de fameuze 35 jaar van 156 dagen – en dat bijvoorbeeld zorgverloven wel meetellen.

Mijn vraag gaat over de technische werkloosheid om economische redenen. Daarbij worden mensen werkloos door economische omstandigheden, dus buiten hun wil om. Rekent u die mee voor de malus of niet?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, het regeerakkoord voorziet dat het pensioenbedrag vanaf 2026 wordt verminderd met een malus van 2 % per jaar vervroegde uittreding vóór de wettelijke pensioenleeftijd indien de gepensioneerde aan de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen voldoet, maar niet komt aan 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve arbeidsprestaties en 7.020 effectief gewerkte dagen over een hele carrière – een halftijdse betrekking dus. Enkel periodes van moederschapsrust, loopbaanonderbreking of -vermindering met zorgmotief en geboorteverlof worden in het regeerakkoord gelijkgesteld met effectieve arbeidsprestaties.

Daarnaast voorziet het regeerakkoord ook dat de regering, in overleg met de sociale partners, een budget beschikbaar zal stellen om mensen die dicht bij hun pensioen staan te ondersteunen bij de aanpassingen die voortvloeien uit die hervormingen, zodat deze veranderingen op een geleidelijke en evenwichtige manier kunnen worden doorgevoerd. De periodes die in het kader van de malus met effectieve arbeidsprestaties worden gelijkgesteld, kunnen onderdeel uitmaken van dat overleg.

De nieuwe bonus-malusregeling zal, in tegenstelling tot de huidige vivaldipensioenbonus, enkel betrekking hebben op vervroegd pensioen voor of langer werken na de wettelijke pensioenleeftijd. Een aantal dagen technische werkloosheid in de loop van een loopbaan van minstens 42 jaar zal er in de overgrote meerderheid van de gevallen dan ook niet toe leiden dat men minder dan 35 loopbaanjaren met minstens de helft gewerkte dagen of minder dan de helft van het totaal aantal van de 14.040 arbeidsdagen op een volledige loopbaan van 45 jaar zal hebben gepresteerd.

We kunnen dus verder bekijken of een gelijkstelling van bepaalde periodes van tijdelijke werkloosheid aangewezen kan zijn in het kader van de nieuwe bonus-malusregeling. We zullen daarbij steeds de filosofie hanteren van een versterking van de band tussen de effectieve arbeidsprestaties en de opbouw van het pensioenrecht. Die band werd in de voorbije decennia immers veel te veel afgezwakt, waardoor het verzekeringsprincipe en het financieel draagvlak van ons wettelijk pensioen sterk onder druk komen te staan. Enkel door de band tussen effectief werken en de opbouw van pensioen te herstellen, kunnen we het draagvlak van ons wettelijk pensioen vrijwaren voor de toekomst.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Als ik u goed begrijp, dan kan daarover overlegd worden. U zegt dat er ruimte is voor sociaal overleg over het aspect van tijdelijke werkloosheid. Dat brengt me eigenlijk terug bij mijn eerste vraag, daarnet, waarin ik zei dat u geen middelen hebt voorzien voor 2026 voor dat soort van discussies. U ziet nu zeker de relevantie van die vraag. Wat u voorts zegt over de malus, is een actuariële correctie, dat geef ik grif toe. Ik stel echter voor dat u het pensioenboek 2020-2040 bekijkt, opgesteld door toenmalig professor Frank Vandenbroucke. Mijn opvolger, Alexander De Croo, had dat besteld. De actuariële correcties die toen werden voorgesteld, waren nog veel straffer, alleszins veel sterker dan wat nu wordt voorgesteld. Nu loopt het inderdaad op, dat is juist, maar weliswaar in percentage. Daarbij gaat u uit van 35 jaar en 156 werkdagen per jaar. Een echte actuariële correctie is 45 jaar voltijds gewerkt, maar daar kiest u niet voor. Ik onthoud dat discussie mogelijk is, maar ik stel vast dat daarvoor geen middelen voorzien zijn, tenzij u middelen verschuift.

De behandeling van 'zware beroepen' in de pensioenhervorming

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De 42-60-regel (42 gewerkte jaren, pensioen op 60) vervangt de huidige 44-jaarsnorm en richt zich vooral op arbeiders in fysiek zware beroepen (bv. bouw), zonder een expliciete lijst van "zware beroepen" te hanteren om consensusproblemen en gebrek aan preventie-incentieven te vermijden. Jan Jambon benadrukt dat het regeerakkoord afwijst om sectorale discussies over zware beroepen te heropenen, maar inzet op werkbaarheid via preventie, aangepast werk en flexibele eindeloopbanen (deeltijds werken vanaf 55). Vincent Van Quickenborne aanvaardt dat de kwestie hiermee is afgesloten. De focus ligt op effectief gewerkte dagen (min. 234/jaar) en het vermijden van statische regels die innovatie in arbeidsomstandigheden ontmoedigen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik heb een vraag over de 42-60-regel die in het regeerakkoord staat. Die houdt in dat men na een loopbaan van 42 effectief gewerkte jaren op 60 jaar met pensioen kan gaan. Vandaag kan dat niet, want men moet 44 jaar gewerkt hebben. Dat is eigenlijk een stapje achteruit.

Ik herinner me een discussie in de regering-Michel over de zware beroepen. Er werden toen lijsten gemaakt en plotseling had drie vierde van de mensen een zwaar beroep. Iedereen had een zwaar beroep, behalve politici. Dat was de conclusie.

Is de 42-60-regel het enige wat u doet in termen van de lange loopbaan en is de discussie dan afgesloten? Acht u het soms mogelijk dat er alsnog discussies ontstaan over zware beroepen in andere sectoren?

Jan Jambon:

Het regeerakkoord bakent de diverse pensioenhervormingen af en bepaalt binnen welk kader deze hervormingen zullen verlopen. Daarbij wordt, zoals al een paar keer gezegd, een sterke link gelegd tussen effectief werken en de opbouw van pensioenrechten.

Zo wordt vanaf 2027 inderdaad in de mogelijkheid voorzien voor lange effectieve loopbanen om vervroegd op pensioen te gaan vanaf de leeftijd van 60 jaar wanneer men minstens 42 jaar heeft gewerkt en men elk jaar minstens 234 dagen effectief heeft gewerkt. Dat laat de mensen die vroeg met hun loopbaan zijn gestart toe om eerder te stoppen met werken. Vaak zijn dat arbeiders in fysiek belastende beroepen, bijvoorbeeld in de bouw. In die zin is deze nieuwe mogelijkheid van vervroegd pensioen na een lange effectieve loopbaan inderdaad een manier om in de pensioenwetgeving met zware beroepen of belastende arbeidsomstandigheden om te gaan.

Zoals u weet en zoals in het verleden herhaaldelijk is gebleken, is er bij het openen van de discussie over een lijst van zware beroepen een garantie dat daarover geen consensus kan worden bereikt tussen en met de sociale partners uit de diverse regimes en sectoren. Bij de afbouw van diverse preferentiële regimes van vervroegd uittreden in de publieke sector, bijvoorbeeld bij Defensie, voorzien we in de nodige begeleidende maatregelen inzake aangepast werk. Dat is wat ons betreft een betere aanpak dan de onmogelijke opdracht van het opstellen van een lijst van zware beroepen, die dan ook nog eens in de pensioenwetgeving moet worden vertaald.

Zoals u weet kunnen zware beroepen immers veranderen in de tijd in werkbare of veilige beroepen na een bewust preventiebeleid. Dat is iets waar we in deze legislatuur sterk op inzetten. We willen een pensioenwetgeving vermijden die ertoe zou leiden dat de sociale partners geen prikkel meer hebben om van belastende functies werkbare functies te maken.

We zetten tevens in op een flexibel eindeloopbaanbeleid waarbij we werknemers ondersteunen om langer maar werkbaar aan het werk te blijven. Voor oudere werknemers blijft het mogelijk om op het einde van hun loopbaan via een landingsbaan deeltijds of vier vijfde te werken vanaf 55 jaar.

Neen, wij plannen in dit regeerakkoord dus niet de discussie over de zware beroepen op een andere manier te openen dan door de maatregelen in het regeerakkoord.

Vincent Van Quickenborne:

Dat is een duidelijk antwoord, waarvoor dank.

De omzettingscoëfficiënten voor de conversie van een pensioenkapitaal naar een fictieve rente

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne wijst op de fiscale onevenwicht tussen kapitaal- en rente-uitkering van aanvullende pensioenen (kapitaal is nu aantrekkelijker) en benadrukt dat verouderde omzettingscoëfficiënten leiden tot te hoge sociale bijdragen en dubbele belasting. Jambon bevestigt dat de versnipperde coëfficiënten (gebaseerd op uiteenlopende levensverwachtingen/rentes) budgettair gevoelig zijn en aankondigt een grondig onderzoek naar coherentie, maar zonder concrete tijdslijn. Beiden erkennen dat fiscale optimalisatie van rente-uitkering alleen werkt met realistische coëfficiënten, maar concrete stappen ontbreken nog.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, met deze vraag ga ik in op een interessante passage in het regeerakkoord in verband met het aanvullend pensioen. Het merendeel van de mensen neemt dat op in kapitaal, heel weinig mensen in rente. De reden is dat kapitaal wordt belast met een bepaalde vaste belasting en rente wordt belast via het marginaal tarief. Bovendien zijn de mensen risicoschuw. Ze hebben liever onmiddellijk het kapitaal. Bij de keuze voor rente doemt de kwestie op dat men nooit weet hoelang men leeft.

De regering heeft als idee om de keuze voor rente fiscaal aantrekkelijker te maken. Dat onderzoek wilt u laten uitvoeren. Op zich is het wel interessant om de keuze voor rente minder fiscaal nadelig te maken, zoals dat heet.

Ik hoop echter dat u zich bewust bent van het feit dat er vandaag gewerkt wordt met een omzettingscoëfficiënt van kapitaal naar fictieve rente. De huidige coëfficiënten leiden tot een overschatting van de fictieve rente, waardoor gepensioneerden een hogere sociale bijdrage moeten betalen en de werkgevers overigens vaak ook. Volgens de wet zijn werkgevers namelijk verplicht om mogelijk extra bij te dragen. Soms kan dat tot een dubbele belasting leiden.

Mijnheer de minister, bent u van plan om in het kader van het onderzoek naar het meer gebruikmaken van de rente ook de omzettingscoëfficiënten aan te passen aan de huidige realiteit? Hoe zult u ervoor zorgen dat de omzetting inderdaad niet langer leidt tot fiscale en sociale nadelen? Is er ook een tijdslijn voorzien voor die herziening, zodat betrokkenen weten wanneer ze eventueel wijzingen kunnen verwachten?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, u verwijst in uw vraag naar één specifiek dossier en legt daar inderdaad een link met een van de vele omzettingscoëfficiënten die onze sociale en pensioenwetgeving rijk is. Het is zeker en vast onze betrachting om waar mogelijk in de veelheid aan bestaande omzettingscoëfficiënten coherentie aan te brengen. Verschillende omzettingscoëfficiënten worden toegepast. Bijvoorbeeld, we hebben omzettingscoëfficiënten voor de berekening van de Wijninckxbijdrage, andere omzettingscoëfficiënten voor het maken van projecties op MyPension voor de burger, nog andere omzettingscoëfficiënten voor de berekening van de ziekte- en invaliditeitsverzekering en de solidariteitsbijdrage, nog andere coëfficiënten voor de toepassing van de 80 %-regel en ten slotte ook nog omzettingscoëfficiënten voor het geval een gepensioneerde zijn aanvullend pensioenkapitaal wenst te laten uitbetalen in rente.

De verschillende omzettingscoëfficiënten die we vandaag kennen in de verschillende wetten en KB's, reflecteren andere hypotheses inzake levensverwachting en rentevoet. Zoals u weet, heeft het gebruik van andere omzettingscoëfficiënten ook een potentieel grote budgettaire weerslag naargelang we een hoge of lage omzettingscoëfficiënt hanteren. Pogingen van vorige regeringen om daar klaarheid en coherentie in te brengen, zijn voor zover ik weet nooit succesvol geweest. Het is dan ook aangewezen om deze kwestie eerst grondig te bestuderen en te bespreken in de schoot van de regering om vervolgens op basis daarvan een beslissing ter zake te kunnen nemen.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u wel. Ik merk dat er een bereidheid is om het te onderzoeken. Het gaat inderdaad niet alleen over de coëfficiënt die ik naar voren heb gebracht, maar u begrijpt wel de link die ik heb gelegd met de omzetting van kapitaal naar rente. Als men dat fiscaal interessanter wil maken, moet men ervoor zorgen dat de coëfficiënt de juiste is.

De ongelijke pensioenopbouw tussen ambtenaren, werknemers en zelfstandigen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Van Quickenborne benadrukt dat werknemers en zelfstandigen 213.000–300.000 euro moeten sparen om het nettopensioen van ambtenaren (gemiddeld 900 euro/maand hoger) te evenaren, wat neerkomt op een structureel onevenwicht tussen de stelsels. Jambon bevestigt het verschil maar stelt dat toekomstige hervormingen (harmonisatie, afschaffing correctiecoëfficiënt, langere opbouw aanvullend pensioen) de kloof zullen verkleinen—al blijft die zelfs in 2062 aanzienlijk (75% vs. 60% van het loon). De meerwaardebelasting raakt volgens Van Quickenborne vooral middenklasse-sparers (zoals "Jef en Irma") die voor hun pensioen sparen, terwijl Jambon wijst op toekomstige regelgeving zonder concrete oplossing. De discussie draait uiteindelijk om de onrechtvaardige belastingdruk op gewone pensioensparers en het trage tempo van pensioengelijkschakeling.

Vincent Van Quickenborne:

Onlangs was er een heel interessante berekening in De Standaard over het verschil tussen het ambtenarenpensioen enerzijds en het werknemers- en zelfstandigenpensioen anderzijds. Uit de berekening blijkt dat een werknemer tegen zijn pensioen een kapitaal van 213.000 euro moet hebben opgebouwd om een vergelijkbaar nettopensioen te hebben met dat van een ambtenaar. Voor zelfstandigen loopt het bedrag op tot 300.000 euro. Soms wordt gesproken over een aanvullend pensioen van 200.000 of 300.00 euro. Kijk eens naar die kapitalist! Dat is echter gewoon het bedrag om het verschil tussen een ambtenarenpensioen en een werknemerspensioen te overbruggen.

Waarom is dat? Dat is heel eenvoudig. Er wordt verwacht dat iemand nog twintig jaar leeft na de leeftijd van 65 jaar of 66 jaar. Twintig jaar maal twaalf maanden is 240 maanden. In die 240 maanden moet een werknemer of zelfstandige een verschil van pakweg 1.000 euro netto overbruggen. Dat is dus 240.000 euro. U hebt het begrepen. Dat is heel goed.

Mijnheer de minister, die mensen sparen dus. Zij sparen en hopen op het einde van de rit het gespaarde kapitaal te kunnen gebruiken.

Ten eerste, kent u die cijfers inzake pensioenopbouw en kunt u ze bevestigen? U hoeft daarvoor enkel maar op PensionStat te kijken en dan weet u dat vrij snel.

Ten tweede, ik kom nu bij mijn ultieme vraag. Ik heb het niet over de leraar Wouter De Both met zijn dochtertje en met 200 euro per maand. Ik heb u dat verhaal al een paar keer verteld. Ondertussen droomt u misschien over de heer Wouter De Both, maar ik denk het niet. Een andere vraag is de volgende. Stel dat iemand aan pensioenopbouw doet. Moet hij dan ook de meerwaardebelasting betalen? Ook dat gaat immers niet over mensen met de sterkste schouders of over de grootste kapitalisten. Dat gaat over Jef en Irma, die hun pensioen opbouwen en hopen later een goed pensioen te hebben, net zo goed als het pensioen van een ambtenaar.

Ik dank u voor uw antwoorden.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Quickenborne, ik kan bevestigen dat het netto wettelijk pensioeninkomen voor iemand met enkel een pensioen in het ambtenarenstelsel om en bij de 900 euro hoger ligt dan voor iemand in het werknemersstelsel, tenminste voor alle personen met rust- en/of overlevingspensioenen in betaling. Dat gaat echter grotendeels over het verleden, namelijk over een gemiddelde van alle pensioenen die momenteel in betaling zijn, ook als die bijvoorbeeld twintig jaar geleden ingegaan zijn. Indien we ervan uitgaan dat iemand op 65 jaar nog een levensverwachting heeft van om en bij de 20 jaar, dan komt dat inderdaad overeen met een op te bouwen kapitaal van om en bij de 216.000 euro.

Maar enige nuancering is nodig. Bij de nieuwe pensioenen is het verschil kleiner en zien we dat zelfstandigen de laatste jaren aan een inhaalbeweging bezig zijn. Gelukkig maar. Dat is ook logisch want in het recente verleden zijn al verschillende maatregelen genomen die een impact hebben of in de toekomst zullen hebben op de ambtenarenpensioenen, zoals de berekening op basis van de laatste tien jaar in plaats van de laatste vijf jaar. Dat hebben we destijds nog samen doorgevoerd met de Zweedse regering. Door overgangsbepalingen is de impact voorlopig nog beperkt. Andere maatregelen betreffen de gemengde loopbaan en de afschaffing van de diplomabonificatie voor de berekening van het pensioen.

Door de verschillende maatregelen in het regeerakkoord in functie van de harmonisering tussen de verschillende stelsels, zal het verschil in de toekomst voor nieuwe gepensioneerden ook steeds kleiner worden. Voor de zelfstandigen zorgt de afschaffing van de correctiecoëfficiënt vanaf inkomstenjaar 2021 ervoor dat hun gemiddeld pensioenbedrag in de volgende jaren sterker zal toenemen en zal toegroeien naar dat van de werknemers.

In verband met het aanvullend pensioen zijn veel sectorplannen pas opgestart rond 2010. Dus werknemers die in 2025 op 65 jaar hun pensioen opnemen, zijn maar een vijftiental jaar bij een sectorplan aangesloten geweest. Hun pensioenopbouw via het aanvullend pensioen is relatief beperkt. De komende generaties nieuwgepensioneerden zullen langer aangesloten zijn bij een sectorplan en dus meer aanvullend pensioen opbouwen. In vele sectoren, zoals de chemie of de immobiliën, zijn de bedragen die in het aanvullend pensioen worden gestort bovendien ook geleidelijk opgetrokken. Dat zal ook resulteren in een hogere aanvullende pensioenopbouw.

Zoals blijkt uit deze vergelijking is het dus aangewezen om voorzichtig om te springen met eenvoudige vergelijkingen in bedragen tussen stelsels die in het recente verleden en zeker in de toekomst aan een sterke evolutie onderhevig waren en zullen zijn.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, het is heel boeiend. Ik stelde twee vragen. Op die eerste vraag krijg ik een zeer interessant, goed uitgewerkt en goed uitgebalanceerd antwoord, maar stond de tweede vraag over de meerwaardebelasting niet op uw blad?

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, over de meerwaardebelasting kan ik altijd hetzelfde antwoord geven. Er staan een aantal principes in het regeerakkoord. De verdere regels zullen nog worden vastgesteld. Alle vragen daarover zijn interessant en zullen in de redactie van de wetteksten worden meegenomen. We hebben daar nu nog geen uitsluitsel over.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik stel die vraag omdat er voortdurend nieuwe voorbeelden opduiken van mensen die het slachtoffer worden van die meerwaardebelasting. Het gaat om gewone gepensioneerden die sparen. Zelfs de PS zou die niet willen invoeren. Ik kijk naar de parlementsleden van de PS.

(…) : (…)

Vincent Van Quickenborne:

Oui, absolument, c'est ce que j'ai dit. Ook de socialisten zeggen dat dat niet de bedoeling was, maar wel dat de sterkste schouders, de grootste kapitalisten, die meerwaardebelasting zouden betalen. Misschien heeft Ecolo een andere mening. Mijnheer de minister, mijnheer de voorzitter, ik geef gewoon voorbeelden. Gewone mensen die sparen voor hun pensioen moeten plotseling, door die onnozele regel van meerwaardebelasting, na tien jaar de boel betalen. Ik kom even terug op uw eerste antwoord. U verklaart dat de cijfers waarover ik beschik cijfers van vandaag zijn en dat de situatie zal verbeteren de komende jaren. Dat is juist. U neemt de vivaldiregering alles kwalijk, maar die heeft wel de correctiecoëfficiënt afgeschaft. Dat was niet de Zweedse regering. De vivaldiregering heeft de pensioenen van werknemers en zelfstandigen gelijkgesteld. Dat is een heel goede zaak. Laat me toe het te hebben over de gelijkschakeling tussen enerzijds ambtenaren en anderzijds werknemers en zelfstandigen. Voor de ambtenaren zullen we er tegen 2062 eindelijk geraken. Dat is binnen 37 jaar. Het pensioen van de ambtenaren zal dan nog altijd 75 % bedragen van hun loon op 45 jaar. Voor een werknemer is dat 60 % van zijn loon de laatste 45 jaar. De kloof tussen enerzijds ambtenaren en anderzijds werknemers en zelfstandigen zal zelfs in 2062 nog altijd groot zijn. Het verhaal over het kapitaal dat men moet opbouwen blijft dus zeer relevant. Als u straks discussieert over de meerwaardebelasting, overtuig dan uw socialistische vrienden om af te stappen van die belasting, die meer mensen uit de middenklasse zal treffen dan u verwacht.

De gevolgen van de pensioenhervorming voor vrouwen
De impact van de pensioenhervorming op vrouwen
De effecten van pensioenhervorming op vrouwen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming van minister Jambon verstrakt de toegang tot pensioenen (o.a. 156 werkdagen/jaar ipv 104) en schaft geleidelijk huwelijkspensioenen en overlevingspensioenen af, wat volgens oppositie (Meunier, Schlitz) vooral vrouwen treft door hun vaker gefragmenteerde loopbanen (zorgtaken, deeltijds werk). Jambon verdedigt de hervorming als harmonisatie (eindelijk gelijkstelling gehuwden/cohabitanten, ambtenaren/zelfstandigen) en wijst op compensaties zoals *pension split* bij scheiding en erkenning van zorgperiodes als werk, maar critici benadrukken dat de maatregelen armoede verergeren en genderongelijkheid vergroten. De minister belooft een impactstudie naar gendergevolgen, maar de oppositie eist structurele oplossingen om vrouwenpensioenen te beschermen, zoals uitbreiding van rechten voor cohabitanten. Kernpunt blijft: de hervorming straft loopbaanonderbrekingen zonder voldoende alternatieven te bieden.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, je vous l'ai déjà dit à deux reprises aujourd'hui mais je vous le répète. La réforme des pensions que vous préparez est une attaque frontale contre notre modèle social. Vous annoncez soi-disant encourager le travail effectif mais, en réalité, vous allez vers un durcissement des conditions d’accès à une pension digne, en pénalisant celles et ceux qui ont eu des carrières incomplètes ou avec des interruptions. Et les premières victimes de ces mesures sont évidemment les femmes.

Les périodes assimilées seront drastiquement réduites et il faudra dorénavant 156 jours de travail sur une année, contre 104 aujourd'hui, pour qu'elles soient comptabilisées pour l'accès à la pension ou la pension anticipée. Et ce sont principalement les femmes qui ont des carrières fragmentées car elles sont majoritaires à assumer la garde des enfants, les soins aux proches ou encore la prise en charge de tâches domestiques.

Votre réforme prévoit aussi la suppression progressive des pensions de ménage et de survie. Pourtant, celles-ci sont essentielles pour de nombreuses femmes qui, souvent contraintes de le faire, ont réduit leur activité professionnelle et se retrouvent en fin de vie avec des droits de pension insuffisants. En remplaçant la pension de survie par une allocation de transition temporaire, vous condamnez ces femmes à la précarité.

Quant au bonus-malus sur les pensions, il est présenté comme une incitation à travailler plus longtemps mais il pénalise d’office celles et ceux qui, par nécessité et non par choix, doivent prendre leur retraite plus tôt. Ce sont en général des personnes qui ont effectué des métiers pénibles.

Face à ces différents constats, monsieur le ministre, voici mes questions. Comptez-vous apporter des modifications à la réforme annoncée pour limiter les inégalités qui vont être renforcées si elle est implémentée en l’état? Dans la négative, comment justifiez-vous une réforme qui, sous prétexte d’inciter au travail, pénalise en réalité les carrières fragmentées qui concernent majoritairement des femmes? Quelles garanties pouvez-vous donner pour que la suppression des pensions de ménage et de survie ne plonge davantage de femmes dans la pauvreté? Pourquoi choisir d’alourdir les conditions d’accès à la pension anticipée, alors même que certains travailleurs et certaines travailleuses ne peuvent physiquement pas travailler plus longtemps? Enfin, en quoi votre réforme répond-elle à la justice sociale et à l’égalité entre les hommes et les femmes? Mais, pour cette question, je pense déjà avoir la réponse.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, d'après mes calculs, la réforme des pensions que vous prévoyez aura un impact particulièrement important sur le montant de la pension des femmes. Nous en avons d'ailleurs déjà parlé lors la présentation de l'accord de majorité.

L'introduction du malus pension pourrait faire perdre jusqu'à 400 euros par mois en cas de pension anticipée, sans que la dimension de pénibilité du travail ne soit prise en compte. La suppression, à terme, de la pension de survie, remplac é e par l ’ allocation de transition, sans attention particuli è re à l ’â ge, poussera des femmes à faire un retour sur le march é de l ’ emploi à des âges où l’on sait que les discriminations à l’embauche sont particulièrement importantes.

Concernant la suppression à terme de la pension au taux de ménage et de la pension de divorce qui en découle, le Bureau fédéral du Plan estime que la suppression de la pension de divorce entraînerait une perte moyenne de 145 euros par mois pour les femmes, contre 16 euros pour les hommes.

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer ces éléments? Comptez-vous réaliser une étude d'impact de la réforme des pensions sur les femmes? ​

Dans l'accord de majorité, il est mentionné ceci: "Nous demandons au Bureau fédéral du Plan de calculer l’impact de la réforme des pensions dans son ensemble, afin de connaître son effet à moyen et long terme. Nous demandons également que les paramètres sociaux soient pris en compte (tels que le risque de pauvreté chez les personnes âgées, l’écart de pension entre hommes et femmes)."

Comment allez-vous opérationnaliser cette mesure? Selon quel timing?

Au regard des éléments que le Bureau fédéral du Plan vous fournira à la suite de la commande de cette étude, pourriez-vous revoir votre copie afin de faire en sorte que l'impact sur les femmes ne soit pas désastreux, comme nous le craignons actuellement?

Jan Jambon:

Madame Meunier, madame Schlitz, concernant la motivation de cette réforme et l'impact sur la pauvreté des femmes, je tiens d'abord à signaler que la pension de ménage n'existe que pour des couples mariés. En effet, depuis plusieurs années, de plus en plus de questions surgissent sur la légitimité de faire, au sein de la législation des pensions, une distinction entre couples mariés et couples en cohabitation légale, ces derniers étant exclus de la pension de ménage. Dans la fiscalité et d'autres branches de la sécurité sociale, il n'existe par contre plus de distinction entre mariés et cohabitants légaux. Les ménages de cohabitation peuvent se dissoudre et il n'existe pas de droit de pension dérivé, ni de pension de survie ou de divorce pour les personnes qui se retrouvent seules après une période de cohabitation légale.

Ensuite, je vous rappelle que la distinction entre pension au taux de ménage et pension au taux d'isolé n'existe que dans le régime des salariés et des indépendants.

Au sein du régime des fonctionnaires, cela n'existe pas. Concrètement, si vous êtes marié à un salarié indépendant et qu'il y a un divorce, vous pourriez, sous certaines conditions, ouvrir le droit à une pension de divorce. Ce n'est pas le cas si vous êtes marié à une fonctionnaire et qu'il y a un divorce. Notre réforme des pensions qui essaye d'harmoniser les régimes, permet de remédier également à ces incohérences en supprimant de façon très graduelle pour le futur les nouvelles entrées de pension des ménages. Cette distinction, difficile à légitimer en fonction de l'état civil et en fonction du régime de pension, disparaît.

En même temps, cela permet d'harmoniser le régime des fonctionnaires salariés et indépendants. J'attire votre attention sur le fait que nous mettons en œuvre une des recommandations de la Commission académique des pensions de 2014 qui plaide pour une harmonisation de la dimension familiale. À moyen terme. le taux ménage doit être supprimé pour les travailleurs salariés et les travailleurs indépendants. En outre, une période de transition supplémentaire et suffisamment longue est nécessaire en ce qui concerne le régime des minimums où le taux ménage doit être maintenu plus longtemps. C'est exactement ce que nous allons faire. En effet, le taux ménage continuera à exister pour les pensions minimums; tout comme seront maintenues les distinctions entre isolé et cohabitant pour la GRAPA.

Cette réforme ne plonge donc pas les femmes dans la pauvreté. En plus, je vous signale que nous allons implémenter le concept de pension split en cas de divorce, bien que ce soit sur base volontaire. Une campagne d'information sera d'ailleurs mise en place. Là aussi, il s'agit d'une idée avancée par la Commission académique des pensions en 2014.

Dans le futur, les femmes qui se retrouvent dans une situation de séparation d'un couple en cohabitation légale seront donc mieux protégées qu'elles ne le sont aujourd'hui. De plus, vos propos sur l'allocation de transition m'étonnent; c'est le gouvernement Di Rupo qui a introduit ce système pour permettre aux jeunes veufs et jeunes veuves en âge actif de cumuler, pendant une période limitée, leur allocation de transition avec d'autres revenus de façon illimitée.

En augmentant la limite d'âge de l'allocation de transition, nous implémentons par ailleurs une recommandation de la Commission académique des pensions. Je cite: "Nous proposons de relever davantage la limite d'âge pour les allocations de transition. Partant de l'idée selon laquelle on devrait travailler plus longtemps, il peut être envisagé de faire correspondre l'âge minimum auquel le partenaire survivant peut demander une pension de survie à l'âge auquel il peut lui-même demander sa pension, comme pension anticipée ou parce qu'il a atteint l'âge légal de la pension." C'est exactement ce que nous allons faire.

Avant de terminer, je vous rappelle que ce gouvernement attache une importance particulière aux périodes de travail informel, qu'il s'agisse de soins pour enfants ou de soins pour un autre membre de la famille qui nécessite des soins. Toutes les périodes de congé avec un motif de soins sont assimilées, et sont en plus honorées comme des périodes effectivement travaillées.

En effet, les femmes qui, à la maison, s'occupent de leurs enfants ou donnent des soins à un autre membre de la famille, ces femmes travaillent, et nous le reconnaissons à plusieurs reprises dans notre accord de gouvernement.

En ce qui concerne les questions sur le durcissement des conditions de carrière et l'égalité hommes-femmes, il semble que vous suggérez qu'un durcissement des conditions de carrière nuit aux femmes. Mais un gouvernement précédent a déjà durci les conditions de carrière pour la retraite anticipée en 2015-2016. Le résultat est bien le contraire.

Vous pouvez le relire dans les rapports du Comité d'Étude sur le Vieillissement. Les femmes doivent en effet rallonger leur carrière. De ce fait, elles se constituent des droits de pension plus élevés, ce qui a permis notamment de réduire le pension gap entre hommes et femmes.

Et finalement, madame Schlitz, étant donné qu'il est prévu dans l'accord de gouvernement que nous fassions une étude pour évaluer ces éléments, je vais exécuter cette phrase issue de cet accord, tout comme les autres.

Marie Meunier:

Je vous remercie pour vos différentes réponses, monsieur le ministre.

J'entends bien que la pension de ménage n'existait jusqu'à présent que pour les couples mariés, mais il y a donc une injustice entre les cohabitants légaux et les personnes mariées. Or, en général, on sait bien à qui sont destinées ces pensions: une majorité de femmes. Vous décidez donc de punir les personnes qui sont mariées et donc les femmes. Vous auriez pu réfléchir à une pension de survie pour les femmes (ou les hommes) en cohabitation légale. Je ne vois pas en quoi c'était impossible. En conséquence, monsieur le ministre, contrairement à ce que vous venez de dire, vous allez augmenter la précarité et celle des femmes en particulier.

Je suis heureuse d'entendre que les femmes qui aident leurs proches et qui aident leurs enfants, travaillent. C'est très bien, c'est rassurant, mais par contre, je n'ai rien vu dans l'accord de gouvernement qui serait à même de les aider par la suite. J'y reviendrai sans doute avec d'autres questions plus tard.

Sarah Schlitz:

En effet, ce n'est pas parce que des régimes différents octroient moins de droits à certaines que d'autres qu'il faut niveler par le bas la situation, au contraire! Il faut plutôt s'interroger sur les inégalités qui subsistent entre les couples. Quand on voit qu'entre les couples mariés et les cohabitants légaux, il y a moins de droits, peut-être faudrait-il aligner ce type de droits entre les couples cohabitants et les couples mariés. C'est ce que recommandent certains académiques dans une étude sur les écarts de patrimoines. C'est plutôt vers ce type de pistes qu'il faut s'orienter. En effet, monsieur le ministre, les pensions des femmes sont le reflet de leurs carrières qui, aujourd'hui encore, occupent des métiers moins bien rémunérés, des temps partiels qui, dans la majorité des cas, sont subis. Elles réalisent de nombreux travaux domestiques, s’occupent davantage des enfants, des personnes âgées et pallient à toutes sortes de missions que l'État ne prend pas à sa charge, comme s'occuper des personnes malades. Tout cela, c'est du travail gratuit qu'elles font bien volontiers, bon gré mal gré, parce qu'il n'y a pas le choix. Le minimum est de leur offrir des conditions décentes à la fin de leur vie, d'autant que souvent les femmes vivent plus longtemps que les hommes. Il faut veiller à ne pas les mettre dans des situations inextricables avec des pensions totalement insuffisantes ne leur permettant pas de vivre dans la dignité malgré tous les services rendus à la population ainsi qu'à leur entourage. C'est la mission que nous souhaitons vous voir mener. Je suis contente que vous mettiez en œuvre la mesure consistant à mesurer l'impact en matière de genres de cette réforme. J'espère que vous en suivrez les recommandations. Plus globalement, je vous recommande durant votre congé de la semaine prochaine les nombreuses publications sur les impacts genrés sur la pension de carrière entre femmes et hommes. La réunion publique de commission est levée à 15 h 36. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.36 uur.

De pensioenhervorming

Gesteld door

PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kim De Witte kaart aan dat pensioenhervormingen (twee jaar langer werken, malus tot 400€/maand verlies) zware gevolgen hebben voor kleuterjuf, verpleegsters, metaalarbeiders en andere sleutelberoepen, vaak door ziekte, deeltijds werk of gedwongen werkloosheid, terwijl minister Jambon benadrukt dat hervorming noodzakelijk is voor de toekomstige betaalbaarheid en harmonisatie van stelsels, met pensioenen gebaseerd op effectief gewerkte jaren. De Witte weerlegt dat 1 op 3 mensen geraakt wordt (geen uitschieters) en dat jongeren geen vertrouwen hebben in de "redding", maar juist afbraak zien, terwijl Jambon vasthoudt aan het verzekeringsprincipe—al klopt zijn data over gelijkgestelde periodes niet.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik ben vanochtend mee gaan betogen en ik heb veel mensen gezien die boos zijn over wat u wilt doen met hun pensioen.

Ik heb een kleuterjuffrouw gesproken die al 30 jaar voor de klas staat, met 20 kleuters, van 's ochtends tot 's avonds. Vroeger kon zij na 40 jaar hard werken op pensioen gaan. Nu zal zij door de maatregelen die u wilt nemen twee jaar langer moeten werken en 450 euro aan pensioen verliezen. Ik heb een verpleegster gesproken die al 22 jaar werkt, ze heeft een zware burn-out gehad en ze is nadien halftijds gaan werken. Door uw malus zal ze 20 % van haar pensioen verliezen als ze stopt op 63 jaar. Het gaat om 20 % op een pensioentje van 1 800 euro. Dat is 360 euro pensioen minder per maand. Ik heb metaalarbeiders gesproken die veel tijdelijke werkloosheid hebben gekend, volledig buiten hun wil om. Door uw maatregelen verliezen zij 200 euro pensioen per maand. Mijnheer de minister, ik heb militairen gesproken, brandweermannen en huishoudhulpen. Ze vragen zich allemaal af in welke bubbel u leeft en zeggen dat ze niet kunnen werken tot 67 jaar. Het betreft allemaal mensen die ons land doen draaien. Zij zorgen voor onze welvaart.

Vindt u het normaal dat mensen die ernstig ziek geweest zijn, die deeltijds gewerkt hebben, die economisch werkloos geweest zijn, buiten hun wil om tot 400 euro pensioen verliezen per maand?

Jan Jambon:

Mijnheer De Witte, u zult natuurlijk niet nalaten om casuïstiek te vinden met de extreemste gevolgen. Ik heb gisteren de sociale partners ontmoet, niet op de betoging vanochtend, maar gisteren rond de tafel. Wij hebben een constructief gesprek gehad. We hebben de sociale partners de hand gereikt om samen de hervormingsagenda die we afgesproken hebben als regering gestalte te geven.

De hervormingsagenda, specifiek voor de pensioenen, is een noodzakelijke hervorming. We zijn niet alleen verantwoording verschuldigd aan het Parlement, we zijn ook verantwoording verschuldigd aan de generaties die na ons komen. Het is onze verantwoordelijkheid, de verantwoordelijkheid van deze generatie van politici, om ervoor te zorgen dat het monument van de sociale zekerheid en van ons pensioenstelsel morgen nog in staat is om pensioenen uit te betalen aan onze kinderen en onze kleinkinderen. Ook dat is de verantwoordelijkheid van politici van vandaag. We gaan het pensioensysteem dus hervormen en wel met een aantal pijlers.

De eerste pijler is de harmonisatie tussen de verschillende stelsels. Ik kan de verschillen tussen de ambtenarenpensioenen, de pensioenen in de privé en de pensioenen van d zelfstandigen niet meer uitgelegd krijgen anno 2025. We zullen dat harmoniseren.

Ik kan het niet meer verantwoorden dat we volledige pensioenen uitbetalen aan mensen die gemiddeld een derde van hun loopbaan niet gewerkt hebben. We zullen de pensioenen inderdaad veel meer in overeenstemming brengen met de effectief gewerkte prestaties. Het verzekeringsprincipe stelt dat wie bijdraagt aan de pensioenen een goed pensioen zal ontvangen. We zullen daarin gelijkgestelde periodes definiëren waarbij we rekening houden met een aantal factoren die we als maatschappij willen ondersteunen, maar de hervorming die we vandaag ter hand nemen (…)

Voorzitter:

Mijnheer Jambon, uw twee minuten zijn al even verstreken.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ten eerste hebt u het over casuïstiek. Een op drie mensen riskeert pensioen te verliezen door de malus. Dat zijn niet mijn cijfers, maar de cijfers van de Federale Pensioendienst. Een op drie, dat is geen casuïstiek, dat is een heel grote groep mensen. Ten tweede stelt u dat u het pensioen zult redden voor de jongeren. Ik heb vandaag veel jongeren gezien op de betoging. Weet u wat ze vertelden? U redt helemaal niks, u breekt gewoon het wettelijk pensioen af. Dat is een makkelijke redding. U breekt het pensioen af. De grootste slachtoffers zijn de jongeren. Mijnheer de minister, u hebt het over het verzekeringsprincipe. Het betreft hier echter een sociale verzekering. De sociale zekerheid is een sociale verzekering. Er zijn inderdaad gelijkgestelde periodes. Ik raad u aan om uw dossier nog eens goed te bekijken. U geeft hier immers cijfers over de gelijkgestelde periodes van tien jaar geleden. Sinds het SWT is afgebouwd, is het immers helemaal niet meer één op drie. De gelijkgestelde periodes zijn veel lager. Wij verdedigen inderdaad dat er solidariteit (…)

De pensioenen bij de politie

Gesteld door

PS Éric Thiébaut

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De geplande pensioenhervorming van de Arizona-regering verlaagt de uitkeringen voor politieagenten door het schrappen van tantièmes, NAPAP en indexatie voor pensioenen boven €3.000 bruto, terwijl ze langer moeten werken—een historische terugval die de aantrekkelijkheid van het beroep verder ondermijnt (al zijn er nu 5.000 vacatures). Minister Lalieux noemt het een "schandaal" en hypocrisie: strenge veiligheidsretoriek, maar brutale besparingen op wie die veiligheid waarborgt, zonder overgangsmaatregelen. Thiébaut benadrukt de klassenongelijkheid: enkel ambtenaren en middeninkomens betalen de rekening, terwijl de rijkste 1% ongemoeid blijft. De hervorming wordt bestempeld als het meest antisociale beleid ooit in België.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, travailler plus longtemps pour moins de pension. Voilà le projet de l'Arizona pour nos policiers.

Dès lors, il ne faut pas s'étonner de les voir manifester ce matin à Bruxelles pour dénoncer ce que prépare le futur gouvernement. Avec ce genre de mesure, on est bien loin des promesses électorales de certains partis de l'Arizona qui promettaient de mieux récompenser le travail. Mais comment peut-on aujourd'hui s'attaquer au statut de nos policiers alors qu'on sait qu'ils font un travail dangereux, difficile, stressant; alors qu'on sait qu'on a besoin d'eux aujourd'hui plus que jamais pour lutter contre la montée de la criminalité liée à la drogue, à Bruxelles et à Anvers notamment; alors qu'on sait qu'on a des difficultés pour recruter nos policiers? Il y a un manque d'attractivité, 5 000 postes sont vacants, on n'arrive pas à trouver les policiers dans nos zones et à la police fédérale. Après ça, comment certains peuvent-ils encore dire que la sécurité est leur priorité?

Madame la ministre, j'aimerais avoir votre sentiment, en tant que spécialiste en matière de pensions, sur ce que prépare ce gouvernement Arizona. Pouvez-vous me dire quelles implications aura ce genre de mesure sur les pensions de nos policiers?

Karine Lalieux:

Cher collègue, je comprends bien évidemment le mécontentement et les fortes inquiétudes des policiers et des policières, comme de tous les travailleurs des services actifs en matière de sécurité. Alors que sous la Vivaldi, j'ai veillé à garantir les pensions des travailleurs occupant de telles fonctions, les différentes notes qui ont fuité laissent apparaître une volonté de venir couper drastiquement dans les droits des policiers et des policières. Les attaques sont d'ailleurs de plus en plus fortes au fur et à mesure que les notes fuitent.

J'en veux pour preuve qu'alors que les policiers étaient immunisés pour ce qui concerne la suppression des tantièmes, aujourd'hui, non seulement leurs tantièmes seront supprimés, selon les dernières notes, mais également la NAPAP. Par ailleurs, même les policiers et les policières pensionnés sont visés, car leurs pensions, si elles sont supérieures à 3 000 euros bruts, ne seront pas indexées pendant cinq ans. Cela représente cinq sauts d'index.

Comme j'ai déjà pu l'exprimer, la réforme envisagée est un retour en arrière de plus d'un siècle. C'est un scandale sans nom et un non-respect pour tous ces policiers et policières qui agissent au quotidien pour notre sécurité, comme vous l'avez dit.

Très concrètement, les mesures comme celle visant à modifier le calcul des pensions de tous les fonctionnaires, la suppression des tantièmes, un malus si on prend une pension anticipée sans correspondre à certaines conditions de travail effectif, vont avoir pour effet de réduire de plusieurs centaines d'euros la pension de nos policiers et de nos policières tout en les obligeant à travailler plus. Par ailleurs, pour l'essentiel de ces réformes, aucune mesure longue de transition n'est prévue.

Voilà le vrai visage de la droite: l'appel à une politique sécuritaire extrêmement renforcée mais un non-respect total pour les hommes et les femmes qui agissent au quotidien pour assurer notre sécurité!

Éric Thiébaut:

Merci, madame la ministre. Cette semaine, j'ai entendu un président de parti de l'Arizona dire à un manifestant qu'il faudrait faire des efforts, sinon ses enfants n'auraient plus de pension. Les travailleurs peuvent comprendre qu'il faille faire des efforts. Ce que les travailleurs ne comprennent pas, c'est que le 1 % de la population belge qui détient 25 % de la richesse ne sera pas touché par les mesures de l'Arizona. Ce seront uniquement les travailleurs, les travailleurs de la fonction publique, nos policiers, nos pompiers, nos enseignants, nos militaires qui seront touchés par toutes les mesures de l'Arizona. Malheureusement, ce gouvernement s'annonce d'ores et déjà certainement comme le gouvernement le plus antisocial de l'histoire de notre pays.

De verlofdag voor militairen om te betogen tegen de nakende pensioenplannen
De dienstvrijstelling voor militairen
Militair verlof en dienstvrijstelling voor pensioenprotest

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dedonder stelt een dienstontheffing (niet-staken) voor Defensiepersoneel voor om bezorgdheden over pensioenhervormingen te uiten, gebaseerd op een mondeling akkoord van DG HR en later een schriftelijk arbeidsreglementsadvies, maar weigert het gedetailleerde advies vrij te geven (voorbehouden aan de premier). Ponthier kritiseert de politieke timing, kosten (6M€) en minimale dienstverlening (operaties/Oekraïne-steun blijven draaien), en eist transparantie over het onderliggende juridische kader, dat Dedonder niet concreet toelicht. De juridische nota van de Kamer bevestigt geen bevoegdheid, maar Dedonder houdt vol dat het reglement haar toelaat afwezigheid toe te staan. Vertrouwen in de procedure ontbreekt door tegenstrijdige verklaringen over advies-timing en inhoud.

Voorzitter:

Vorige week werd afgesproken om hierover een juridische nota te laten opstellen door de diensten. We hebben die gisteren ontvangen en die werd rondgestuurd.

Annick Ponthier:

Mijnheer de voorzitter, we hebben die juridische nota ontvangen. Daar kwam weinig tot niets uit voort, aangezien de diensten van de Kamer niet bevoegd zijn met betrekking tot dit thema.

Mevrouw de minister, ik heb u hierover vorige week ook ondervraagd in de plenaire vergadering. Militairen kunnen geen gebruikmaken van het stakingsrecht, zoals men dat in andere sectoren wel kan. Dit is grondwettelijk bepaald. Enerzijds is het is dus begrijpelijk dat zij op een andere manier hun stem willen laten horen en hun bezorgdheden rond de pensioenhervorming willen uiten. Die zijn ook meer dan terecht als u het ons vraagt. Anderzijds, dat u als minister op eenzijdige wijze het personeel van uw departement tracht te politiseren tegen de plannen van een volgende regering, lijkt ons eerder een politieke stunt dan een inhoudelijk verhaal. Het is ook niet vrijblijvend. U bevestigde dat er een kostenplaatje aan vasthangt. Men spreekt over 6 miljoen euro, als men alle kosten in beschouwing neemt. Het lijkt onverantwoord in deze geopolitiek uitdagende tijden om een groot deel van Defensie een dag stil te leggen, zoals u toen voorstelde.

Ik zal mijn vragen van vorige week uiteraard niet herhalen.

Wat is de totale kostprijs indien deze dienstontheffing doorgang vindt? Kunt u dat nog eens bevestigen in deze commissie?

Waar zult u de minimumdienstverlening situeren? Hoe zult u die laten invullen?

Over het stakingsrecht zullen we het natuurlijk niet hebben, maar ik wil het wel hebben over het advies dat u vorige week meegaf in uw antwoord op de vragen in plenum. U verwees toen naar een advies van Defensie. Wie heeft u dat advies bezorgd? Wanneer werd het u bezorgd? Wat hield het advies concreet in? Was de CHOD daarbij betrokken? Welke diensten waren daarbij betrokken? Kunt u daar iets dieper op ingaan?

Ludivine Dedonder:

Mevrouw Ponthier, de dienstontheffing geeft elk personeelslid de mogelijkheid om een vrije dag te nemen. Dat geeft hen de vrijheid om zelf te kiezen en, indien gewenst, zijn of haar mening te laten horen zonder te staken.

Met betrekking tot de lopende zaken verwijs ik naar het advies van de juridische diensten van de Kamer, dat door deze commissie werd gevraagd.

De hiernavolgende activiteiten gaan gewoon door: de operaties, de oefeningen en prestaties in een internationaal organisme in binnen- en buitenland, de dienstreizen in het buitenland, de vormingen, de commissies, de activiteiten buiten Defensie, alle steun aan externen en externe activiteiten, de ploegendiensten, de permanentie, DOVO, SAR, Proter, het operatiecentrum, de wachtprestaties en alle steun aan interne activiteiten in het kader van de steun aan Oekraïne.

De militairen hebben niet het recht om te staken. Een staking wordt gekenmerkt door het feit dat werknemers zich niet houden aan de verplichting om arbeid uit te voeren. Door het verlenen van een dienstontheffing wordt de werknemer de toestemming verleend om gedurende een bepaalde periode afwezig te zijn tijdens de werkuren. De verplichting om arbeid uit te voeren komt daarmee te vervallen. Een herziening van het verbod op staken voor militairen is niet aan de orde.

Vooraleer een beslissing te nemen, heb ik mij bevraagd bij de DG HR om na te gaan of ik in mijn hoedanigheid van minister van Defensie een dienstontheffing kon toestaan. Het advies was dat dit mogelijk was op basis van het arbeidsreglement.

Inzake de kosten kan ik meegeven dat het bij een dienstontheffing niet mogelijk is om a priori een kostprijs te berekenen, aangezien wij niet juist weten wie de dienst niet zal uitvoeren.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, ik dank u voor een heel beknopt antwoord op een heel uitgebreid plan, dat u vorige week uitgebreid in de media hebt laten verspreiden.

Ik merk op dat u het nu over een dienstontheffing hebt in plaats van over de initiële dienstvrijstelling. Dat is dus enigszins genuanceerder ten opzichte van vorige week.

Uiteraard heeft iedere militair het recht zijn of haar mening te uiten over welke plannen dan ook met betrekking tot het defensieapparaat tout court, zeker met betrekking tot de pensioenhervormingsplannen van de eventuele volgende regering. Hun bezorgdheid daarover is terecht.

Mevrouw de minister, u verwijst naar een advies van de DG HR dat de mogelijkheid van zo’n dienstontheffing zou voorzien op basis van het arbeidsreglement. Mijnheer de voorzitter, kunnen wij dat advies opvragen? Mevrouw de minister, u hebt niet geantwoord op de vraag wanneer men u dat advies heeft bezorgd.

Ludivine Dedonder:

Il s’agissait d’un questionnement oral auprès de la DG HR afin de déterminer si j’avais l’autorisation.

Annick Ponthier:

Dat is dus gebaseerd op een mondelinge vraag van u aan de DG HR?

Ludivine Dedonder:

Dans un premier temps, il s’agissait d’un questionnement oral. Par la suite, au vu de toutes les questions prévues, nous nous sommes conformés, comme je vous l’ai dit, au règlement de travail. Tout est parfaitement en ordre. Preuve en est que votre questionnement auprès des services juridiques de la Chambre ne vous a pas donné raison.

Annick Ponthier:

Dat is een heel ander verhaal dan wat u vorige week in de plenaire vergadering hebt gezegd.

U zou eerst hebben gepolst of het wel mogelijk was. Er werd u dan mondeling bevestigd dat dit het geval was. Pas na de vele vragen die u daarover ontving, hebt u zich blijkbaar grondig bevraagd. Dat verduidelijkt meteen de chronologie van een en ander.

U hebt verklaard dat uw beslissing gebaseerd was op een zorgvuldige evaluatie van de impact. In de plenaire vergadering van vorige week zei u dat het onderbouwd was door een "gedetailleerd advies van Defensie."

Ik vraag u nogmaals om dat schriftelijk gedetailleerd advies te bekomen. Dat stelt enkele vragen scherp met betrekking tot de toepassing van de door u aangekondigde algemene dienstvrijstelling. Ik weet niet hoe de ministerraad daarop heeft gereageerd. Ik vermoed dat er wel enige nuance in het verhaal zal worden gebracht.

Ik volg dit verder op. Ik vraag nogmaals om ons dat advies te bezorgen.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, is het mogelijk om dat advies te ontvangen?

Ludivine Dedonder:

J’ai répondu au premier ministre sur la base d’un avis juridique. À l’heure actuelle, je réserve cette réponse au premier ministre. Je n’ai en rien modifié ma version, je ne suis pas passée d’une dispense à un retrait, tout comme je n’ai pas moi-même évoqué les coûts – c’est la presse qui en a parlé sur la base d’une estimation faite par un de vos collègues.

Pour ce qui concerne l’avis, les choses sont très simples: le règlement de travail m’autorise, en ma qualité de ministre de la Défense, à octroyer une dispense de service. Telle est la base qu’il convient de vérifier.

Voorzitter:

De vraag is gewoon wanneer dat advies binnenkwam. U zei daarnet in antwoord op de bijkomende vragen van mevrouw Ponthier dat u mondeling van DG HR vernam dat het op basis van het arbeidsreglement kon, dat u vervolgens de beslissing nam en dat u dan in het kader van vragen in het Parlement een schriftelijk onderbouwd advies kreeg. Zo zegt u het toch, als ik de chronologie goed heb?

Ludivine Dedonder:

C'est ce que je viens de dire.

D'abord, il convient de s'assurer que je suis autorisée à le faire. C'est la raison pour laquelle, dans un premier temps, on passe un appel disant: "J'ai reçu une demande des organisations syndicales, comment puis-je y répondre? Est-ce que je peux faire ça?"; "Oui, vous pouvez."

Ensuite, en ce qui concerne les différents éléments figurant dans la lettre du premier ministre, il y a un complément juridique pour y répondre. C'est la raison pour laquelle je vous dis que j'ai réservé cette réponse au premier ministre aujourd'hui.

Annick Ponthier:

Los van het politiek-deontologische aspect van uw aankondiging in de media blijven we na uw antwoord op onze honger wat betreft de timing en de inhoud van dat gedetailleerd advies. U zegt zich in de ministerraad te hebben verantwoord op basis van juridisch advies. U hebt het dan over het juridisch advies van de Kamerdiensten? Dat is immers het enige advies wat we hebben gekregen.

Ludivine Dedonder:

(…)

Annick Ponthier:

Dat is dus niet het advies waarnaar ik heb gevraagd. Ik vraag nogmaals om het gedetailleerd advies te mogen inzien dat u van de diensten van Defensie heeft gekregen.

Voorzitter:

Ik meen dat de minister net heeft gezegd dat ze dat besluit voorbehoudt aan de premier.

De door Defensie toegekende dienstvrijstelling voor deelneming aan de betoging op 13 februari
De dienstvrijstelling voor militairen die op 13 februari willen betogen
De deelname van militairen aan de betoging van 13 februari
Het functioneren van minister Dedonder
De verzuchtingen van de militairen met betrekking tot hun statuut
De dienstvrijstelling voor militairen die op 13 februari aan de betoging willen deelnemen
De deelneming van militairen aan de pensioenbetoging
Dienstvrijstelling militairen voor betoging 13 februari, militaire statuut, functioneren minister Dedonder

Gesteld aan

Ludivine Dedonder, Alexander De Croo (Eerste minister)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dedonder (PS) verleende collectieve dienstvrijstelling aan Defensiepersoneel om te betogen tegen de geplande pensioenhervormingen van de onderhandelende partijen (MR, N-VA, Vooruit, cd&v), wat heftige kritiek uitlokte: oppositie en coalitiegenoten (waaronder premier De Croo) beschuldigen haar van machtsmisbruik in lopende zaken, budgettaire onverantwoordelijkheid (€5 miljoen) en het politiseren van het apolitieke leger, terwijl militairen traditioneel geen stakingsrecht hebben. Dedonder verdedigt haar beslissing als luisteren naar sociale onrust over pensioenkortingen en langere loopbanen voor militairen—wiens unieke statuut (24/7 beschikbaarheid, gevaren) volgens haar ondermijnd wordt door de geplande hervormingen, met risico’s voor werving en operationele capaciteit. Critici, zoals Francken (N-VA) en Ducarme (MR), eisen intrekking en dreigen met een vertrouwensmotie, terwijl Hedebouw (PTB) de betoging als legitiem verzet tegen "antisociale Arizona-plannen" omarmt. De kern van het conflict draait om de grens tussen democratisch protest en institutionele neutraliteit: mag een demissionaire minister militairen mobiliseren tegen een toekomstige regering? Dedonder benadrukt vrijheid van meningsuiting, tegenstanders zien partijdige manipulatie en veiligheidsrisico’s—met als onderliggende spanning de toekomst van Defensie in een context van dalende budgets, verouderd materieel en geopolitieke dreigingen (NAVO-eisen, Russische activiteit). De symbolische strijd—tussen respect voor militairen en politieke instrumentalisering—escaleert naar een constitutionele crisis, met dreigende juridische stappen en een polariserend debat over wie het leger eigenlijk dient: de staat, de regering, of de samenleving.

Denis Ducarme:

"Trop de testostérone, cela bousille les neurones!", "Blanche-Neige", "De Croo crosse Dedonder". La Force aérienne nous dirait peut-être que cela vole un peu trop bas, et elle aurait raison.

Madame la ministre, sans agressivité, aucune, sans personnalisation, je vais vous dire pourquoi, de notre point de vue, votre décision visant un octroi de dispense collective au personnel de la Défense pose six gros problèmes sur le plan démocratique.

Tout d'abord, pour ce qui est de la concertation, vous avez des prérogatives qui sont les vôtres. Néanmoins, nous sommes en affaires courantes et un certain nombre de ministres vous reprochent légitimement de ne pas avoir concerté cette décision.

Le fait que nous soyons en période d'affaires courantes implique une attitude de prudence et le premier ministre, lui-même, estime que vous n'avez pas respecté l'esprit des affaires courantes.

En outre, madame la ministre, vous êtes ministre démissionnaire depuis les dernières élections et vous plaidez contre les réformes qu'un autre gouvernement prépare et prenez position politiquement comme ministre. Vous transgressez pleinement votre devoir de réserve car vous n'avez plus la légitimité politique et vous poussez finalement à la grève. C'est le quatrième point qui pose problème car les personnes qui ne veulent pas faire grève devront faire une démarche administrative tandis que celles qui feront grève ne devront faire aucune démarche administrative.

C'est un problème au-delà du cinquième point, la prudence budgétaire. Avez-vous seulement une idée, madame la ministre, de ce que cette dispense de travail coûte? Cinq millions d'euros, madame la ministre! Cinq millions d'euros! Vous êtes dans l'obligation d'une prudence budgétaire.

Par ailleurs, vous (…)

Franky Demon:

Mevrouw de minister, de vivaldiregering is nog niet weg en er vallen al enkele PS-lijken uit de kast. Eerst was er de uitkeringsfraude in Anderlecht, dan kwamen de scheurtjes in de pantservoertuigen van Flahaut en nu is dit er. Intussen bent u al meer dan vier jaar minister van Defensie en men mag van u verwachten dat u een aantal basisprincipes kent.

Ten eerste hebben militairen door hun statuut nu eenmaal geen stakingsrecht, een recht dat ik overigens volledig onderschrijf. Dat heeft te maken met de eigenheid van hun job.

Ten tweede zijn militairen politiek neutraal. Ze dienen het land en niet de partij die de minister van Defensie levert, gelukkig maar.

Laat net deze twee principes nu als het ware de basis zijn van uw beslissing, die mijns inziens platgestampt is. U ontkent zelfs niet eens dat ze dient om militairen te laten betogen in Brussel. Uw beslissing is met andere woorden politiek geïnspireerd en komt volgens mij neer op het misbruiken van militairen voor uw eigen politieke agenda. Daar bestaat een woord voor: machtsmisbruik. U vindt bovendien dat u die beslissing kunt nemen in lopende zaken. Me dunkt bent u daar nu helemaal niet meer bevoegd voor en ook eerste minister De Croo vindt dit.

Wij vragen u klaar en duidelijk maar een ding: trek uw beslissing in om alle militairen een dag dienstontheffing te verlenen.

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre, les partis MR et Les Engagés sont en train de négocier un accord. Les notes sont en train de sortir avec tout ce qu'il y a dans cet accord. Je vais citer ce qu'elles comprennent parce que le monde du travail a le droit de savoir.

Sabotage de l'indexation des salaires, invoering van een pensioenmalus om iedereen langer te laten werken voor minder pensioen, fin des régimes de prépension, afbreken van de pensioenen van de werknemers in de publieke sector, travail intérimaire à durée indéterminée – allez le MR et le cdH! –, honderden miljoenen besparen op onze gezondheidszorg en publieke diensten, non-indexation des allocations sociales, afschaffing van de nachtpremies tussen 20 uur en middernacht – N-VA, daar gaan jullie allemaal voor! –, attaques violentes contre les travailleurs malades et sans emploi, suppression de l'interdiction du travail du dimanche, maatregelen om het sociaal protest de mond te snoeren – Vooruit, willen jullie daarvoor gaan? Komaan, zeg! – en lachwekkend kleine bedragen voor de superrijken.

Chers collègues, les travailleurs sont en colère avec de telles mesures.

Il y aura plein de monde le 13 février à Bruxelles. Et vous avez les chocottes! Bien sûr, regardez l'arrogance de la droite!

Les militaires belges demandent du respect. Leur métier n'est pas reconnu comme pénible par le MR. N'avez-vous pas honte, monsieur Ducarme? N'avez-vous pas honte de ne pas avoir du respect pour les militaires? Ils demandent le droit de dénoncer le fait que vous voulez les faire travailler plus longtemps, pour moins de salaire. Monsieur Ducarme, vous devriez avoir honte! Ils doivent bosser 24 heures pour gagner 12 heures de salaire! Êtes-vous d'accord avec cela? C'est incroyable! Et au lieu de les respecter, le MR veut leur interdire d'exprimer leur voix, d'exprimer leur désaccord avec votre mesure de mépris! Moi je dis qu'ils ont le droit de manifester le 13 février à Bruxelles et ils seront nombreux!

Madame la ministre, pouvez-vous garantir que ce droit est donné à tous les travailleurs belges? Pouvez-vous garantir que le droit est donné aux militaires de dire au MR et aux Engagés qu'ils ne veulent pas de leur plan de pension?

Theo Francken:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de nieuwe secretaris-generaal van de NAVO Mark Rutte deed volgende uitspraken: "Verhuis naar Nieuw-Zeeland of leer Russisch spreken." We horen alle dagen alarmsignalen alom over hybride oorlogvoering, over de vele cyberaanvallen – met de commissie bezochten we gisteren het Cyber Command – , over sabotageacties – gisteren werd een schip in Het Kanaal tegengehouden door de Britten op basis van een mogelijke sabotage- of spionageactie van een Russische schaduwvloot –, de melding van Donald Trump om 5 % van het bbp aan de NAVO te spenderen terwijl Rutte spreekt over 3,5 %.

In België is de situatie redelijk dramatisch. We kregen het nieuws van de Piranha's met de scheurtjes, van de kanonnen die tot het einde van het jaar niet inzetbaar zijn. We hebben het verhaal van de Pandur en het verhaal van het budget, met een daling van 1,29 %, terwijl de hele wereld investeert in defensie. De daling van het defensiebudget is onverantwoord en de situatie is zeer ernstig: geen zware kanonnen, geen zware artillerie, geen drones – dankzij de resolutie van Peter Buysrogge komt er na jaren werk eindelijk bewapening op onze drones – en geen luchtafweergeschut. Onze Belgische strijdkrachten zijn niet klaar voor de toekomst en er moet dringend meer geïnvesteerd worden.

Mevrouw de minister, wat doet u? U neemt de beslissing om te gaan betogen tegen de volgende regering, die er nog niet is, en haar pensioenplannen, die er nog niet zijn. Ik begrijp dat u inzit met het pensioenstelsel van de militairen, ik zit er ook mee in. Het is belangrijk dat we onze militairen goed omkaderen, een goed statuut geven, maar na vele jaren van stilstand moet er over die harmonisering van de pensioenstelsels ook gesproken kunnen worden.

Mevrouw de minister, uw beslissing voor die dienstvrijstelling is niet genomen binnen de regering. Wat zult u doen en wat is uw standpunt in de regering morgen op de (…).

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, op 13 februari wordt opnieuw een manifestatie georganiseerd ter bescherming van de openbare diensten. Tussen de manifestanten zullen net als vorige keer vele militairen zitten. De pensioenplannen van de onderhandelende arizonapartijen hangen hen immers als een zwaard van Damocles boven het hoofd. De pensioenleeftijd zou opgetrokken worden en ze zouden beduidend langer moeten werken voor een gevoelig lager pensioenbedrag. De tweede pensioenpijler wordt hen ontzegd en gedurende de loopbaan zijn de omstandigheden van die aard dat een militair voor veel gepresteerde uren, in opdracht of op training, niet vergoed wordt. Als de plannen zoals ze nu voorliggen worden uitgevoerd, hoeft het dus niet te verbazen dat het geduld van de militairen met hun gekende can-domentaliteit langzaam maar zeker op geraakt.

Het Vlaams Belang heeft het volste begrip voor de militairen die zich verzetten tegen deze plannen en hun stem willen laten horen, maar in plaats van een algemene dienstvrijstelling aan te kondigen, had uw partij de militairen de voorbije decennia misschien beter wat meer versterkt.

Dat er nu tussen de uittredende vivaldiregering en de onderhandelende arizonapartijen politieke spelletjes worden gespeeld op de kap van onze militairen is voor ons totaal onaanvaardbaar. Mevrouw de minister, het blijkt overigens over een eenzijdig genomen beslissing te gaan, want de inkt van uw persbericht was nog niet droog of u werd al teruggefloten door premier De Croo.

Mevrouw de minister, ik heb maar een vraag voor u: hoe verantwoordt u uw keuze?

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, eerst en vooral, welkom terug. Het is een tijdje geleden dat we u hier hebben gezien. Het is ook een tijdje geleden dat u aanwezig bent geweest in de commissie voor Landsverdediging. Gelukkig is die commissie niet blijven stilzitten en is zij wel blijven werken. Ik had u bijna als vermist opgegeven, maar ik heb u gelukkig teruggezien op de betoging. Ik heb vernomen dat u mee hebt betoogd. Hier was u dus niet.

Vorige week heb ik de boodschap gebracht dat de Russen aanwezig zijn in onze Noordzee. Er bevinden zich bijzonder veel Russische schepen in de Noordzee voor onze Belgische kust. De NAVO bombardeert ons ondertussen met oproepen om ons deel te doen binnen de NAVO-instelling en onze defensie-uitgaven fors op te krikken.

Men zou denken dat dat voer genoeg was voor een debat met de minister van Defensie, maar het bleef muisstil. Nee, uw enige antwoord op alle problemen waarmee onze Defensie momenteel kampt, is een algemene dienstvrijstelling voor heel het leger. Op 13 februari heeft het land volgens u blijkbaar geen leger nodig. Nee, u hebt het leger nodig om te gaan betogen.

Mevrouw de minister, ik hoop dat u beseft dat u onze militairen inzet voor politieke spelletjes. Welk signaal denkt u nu immers te geven aan de bevolking? U geeft het leger een dagje verlof, u maakt zich snel nog even populair op het moment dat u in de oppositie moet duiken. Hoe denkt u dat dat internationaal wordt bekeken? Hoe denkt u dat de NAVO naar ons kijkt? Denkt u nu echt dat de bevolking en onze militairen dat politieke spelletje niet doorzien?

Ik heb maar een vraag voor u, mevrouw de minister. Hoe haalt u het in uw hoofd om in lopende zaken op zo’n platte manier aan zelfbediening te doen?

Philippe Courard:

Madame la ministre, je m'étonne quelque peu de voir le désarroi de certains partis par rapport à une décision qui, somme toute, semble évidente. Nous vivons une situation particulière. Nous sommes bientôt prêts à inaugurer le gouvernement qui va faire le plus mal dans l'histoire de la Belgique. Il va s'attaquer aux pensions, aux malades, aux plus faibles, et il va surtout s'attaquer à la classe moyenne, cette classe moyenne auprès de laquelle on a fait beaucoup de publicité pendant la campagne électorale. Cette classe moyenne va bientôt savoir à quel point elle va être mangée, tellement son pouvoir d'achat sera différent de celui qui a été promis. Soyons patients quelques jours ou quelques semaines.

Mais on n'est pas là pour parler de cela, mais bien des militaires. Ces femmes et ces hommes, ce personnel de la Défense travaillent sans compter leurs heures et n'ont pas le même statut que les autres travailleurs parce que leurs missions sont spécifiques; ce sont des gens qui risquent leur vie et qui font des missions délicates. L'avenir ne s'annonce pas rose. Dès demain, les choses seront encore plus compliquées pour ce personnel. Comme l'a dit M. Francken et d'autres, il y a des échéances qui font peur. Et nous devrons, demain, pouvoir compter sur ces femmes et sur ces hommes.

Et que leur dit-on pour les encourager à poursuivre leur investissement, à poursuivre ce travail au service de notre pays, et à nous défendre? On leur dit: "Vous allez travailler dix ans de plus, comme tout le monde. Vous le méritez!" C'est scandaleux! Nous ne pouvons pas, au Parti Socialiste, accepter une telle attitude. C'est donc un minimum de permettre à ces femmes et à ces hommes de manifester, de crier leur désarroi, de vous rappeler ce qu'ils font et le service qu'ils rendent à la population. Cela ne changera probablement pas les choses, puisqu'il y a une majorité importante pour décider autrement. Je ne vois vraiment pas pourquoi on s'offusque ici de donner cette possibilité aux militaires.

Madame la ministre, cette manifestation va-t-elle créer un problème de sécurité collective? (…)

Ludivine Dedonder:

Geachte leden, de dienstontheffing is een reactie op een schriftelijke vraag van het VSOA-Defensie, dat de bezorgdheid bij het personeel van Defensie vertolkt over hun toekomst, hun gevoel niet te worden gehoord en de behoefte om naar hen te luisteren.

Ik heb op die vraag positief gereageerd na een zorgvuldige evaluatie van de impact op basis van een gedetailleerd advies van Defensie. In overeenstemming met het arbeidsreglement kan een dergelijke collectieve dienstontheffing door de minister van Defensie worden toegekend. Ik heb er ook over gewaakt dat de werking van ons departement gewaarborgd blijft. De essentiële missies voor de veiligheid van ons land worden uiteraard zonder enige onderbreking voortgezet. De beslissing kan ook worden herzien indien zich op nationaal of internationaal grondgebied een crisissituatie voordoet die het optreden van Defensie vereist.

Ik wil eraan herinneren dat een dienstontheffing elk personeelslid toelaat om een vrije dag te nemen. Dat geeft de vrijheid om zelf te kiezen en, indien gewenst, zijn of haar mening te laten horen zonder te staken.

Deze beslissing kadert volledig in mijn project van de voorbije jaren waarin ik het personeel, de drijvende kracht van elke organisatie, tot centrale prioriteit heb gemaakt. Door de sociale dialoog te herstellen en in overleg samen te werken, zijn we erin geslaagd om het departement weer een positief elan te geven. Dat heeft ongetwijfeld geleid tot een sterk toegenomen aantrekkingskracht, zoals blijkt uit het recordaantal sollicitanten en een percentage van ontslagen op eigen vraag dat tot de laagste op de arbeidsmarkt behoort. Naar aanleiding van die bezorgdheden, met name de optrekking van de pensioenleeftijd en de verlaging van het pensioenbedrag, heb ik al een aantal Kamervragen kunnen beantwoorden. Ook ik ben bezorgd.

Le régime préférentiel de pension des militaires s'explique par la nature même de leur métier et par un régime de travail unique. Qui, aujourd'hui, accepte d'être disponible 24 heures en étant rémunéré la moitié? Qui accepte de limiter ses droits civiques? Qui accepte d'être envoyé à tout moment dans des régions instables au risque de sa vie et de passer des mois loin de sa famille pour garantir notre sécurité à toutes et tous? Ce régime préférentiel de pension est l'engagement que l'État a pris pour compenser ces sacrifices individuels et familiaux, pour apurer la dette qu'il a envers les hommes et femmes de la Défense.

Si vous touchez au régime de pension sans adapter les conditions de travail, vous vous retrouverez inévitablement devant des difficultés sur le plan de l'attrait et face à des démissions, donc confrontés à un problème d'opérationnalité qui compromettra la sécurité de notre pays et de nos concitoyens. Si je sors quelque peu du cadre de vos questions, c'est pour vous montrer que les préoccupations ne sont certainement pas que d'ordre individuel ou de confort personnel, mais qu'elles portent bien sur des enjeux de sécurité nationale dans un contexte où l'on a besoin, plus que jamais, de se sentir protégés.

Je tenais également à vous dire que, selon moi, bien gouverner un pays revient à prendre des décisions adaptées, tout d'abord en écoutant et en entendant pour mesurer la portée des choix que l'on prendra. Aujourd'hui, je fais le désolant constat d'une divergence de vues politiques quant à ce droit à la liberté d'expression dans le chef du personnel de la Défense. J'ai reçu un courrier du premier ministre, auquel je répondrai bien évidemment. Quant à l'avis demandé aux services de la Chambre, j'en prendrai connaissance lorsqu'il sera disponible.

C'en est manifestement devenu une affaire d' État. Ma réponse positive à la demande de dispense qui m'a été adressée traduit ma compréhension des inquiétudes du personnel, que j'ai toujours soutenu et défendu, et, fidèle à mes valeurs, mon choix de les laisser, s'ils le souhaitent, exprimer leur voix dans le respect de la dignité – avec l'espoir, surtout, qu'ils soient entendus. Je me dis que tout l'arsenal politique et juridique qui est déployé aujourd'hui pour m'obliger à retirer cette dispense et, ainsi, empêcher, tant que faire se peut, le personnel de (…)

Denis Ducarme:

Ce qui se passe est assez grave sur le plan démocratique, parce que vous explosez le devoir de réserve lié au fait que vous êtes ministre démissionnaire. Vous utilisez les moyens mis à disposition par l' É tat pour porter, alors que vous êtes ministre démissionnaire, une politique d'ordre partisan.

Regardez les visages de vos collègues parlementaires du Parti Socialiste. Regardez-les, ils sont vraiment impatients que vous les rejoigniez sur les bancs de l'opposition socialiste. Mais allez-y! Là, vous pourrez défendre vos convictions! Comme ministre, vous avez un devoir de réserve.

Soyons très clairs: si vous n'avez pas retiré votre disposition dans les 24 heures, le Mouvement Réformateur demandera votre démission.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, collega's, op dit moment wordt volop onderhandeld, ook over de pensioenen. Uiteraard hebben wij respect voor de pensioenrechten van de hardwerkende mensen, onze partij is daar absoluut heel gevoelig voor. Wij zullen daarvoor tot op het laatste moment vechten, weliswaar aan de onderhandelingstafel.

Militairen hier misbruiken voor politieke doeleinden zal ons zeker en vast niet helpen. Er zal bespaard moeten worden en dat zal niet aangenaam zijn, maar wij hebben hier begrip voor de militairen. Wij luisteren naar hun bezorgdheden. We zijn er zeker van dat zij het land dienen vanuit een engagement. Wij vragen dan ook om respectvol met hen om te gaan.

Raoul Hedebouw:

Maar enfin! Die nota's zijn uitgelekt en bevatten een hele lijst aanvallen tegen de werkende klasse in België, maar de werkende klasse zou niet mogen reageren? Keigrote aanvallen tegen onze militairen, die langer zullen moeten werken voor minder pensioen, maar die militairen zouden allemaal moeten zwijgen? Waar is jullie respect?

Mijnheer Francken, hoe durft u? Militairen gaan op missie en werken hard, maar voor de N-VA is dat blijkbaar geen probleem: steeds langer werken en een lager pensioen. Ze zouden bovendien allemaal moeten zwijgen. Hoe durft u het zwijgen op te leggen aan de militairen? Hoe durven jullie hen dat recht te ontnemen? Zij zullen zelf wel beslissen of ze opdagen voor een betoging.

Zijn jullie misschien bang, zitten jullie met de peut bij de N-VA, bij alle rechtse partijen? Zijn jullie bang dat er duizenden en duizenden mensen in Brussel zullen betogen? Wel, jullie hebben gelijk, want op 13 februari zullen tienduizenden mensen in Brussel zeggen: no way met die antisociale maatregelen van Arizona!

Theo Francken:

Mevrouw de minister, ik merk heel veel testosteron op in de zaal, langs alle kanten. Dat is interessant. De neuronen ontploffen.

Mijnheer Hedebouw, ik zit niet met de peut , helemaal niet. Ik vind dat militairen absoluut moeten kunnen zeggen dat ze niet akkoord gaan met iets; daarover gaat het niet. Het gaat over het feit dat bijna 200 jaar geleden werd afgesproken dat militairen niet kunnen staken. Dit wordt nu omzeild door de PS, op een in mijn ogen laaghartige manier. Het gebeurt vlak voor het einde van de periode, net voor een nieuwe ploeg begint, met een regeerakkoord waarin rekening wordt gehouden met die bekommernissen, mevrouw de minister. U zult het nog zien, wij zullen met een akkoord komen dat wel degelijk die evenwichten bewaart, maar dat ook een stuk hervormend en ambitieus is.

Ik heb absoluut respect voor onze militairen. Moeten ze zich kunnen uitdrukken? Absoluut, met heel veel plezier. Maar we moeten wel respect hebben voor het feit dat dit al 200 jaar zo is.

Mevrouw de minister, hetgeen u hebt gedaan (…)

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, de socialistische bazen blijven verbazen. Defensie wordt al decennia uitgekleed en uitgemolken, niet het minst door uw eigen partij, de PS. Net voor het doek valt over Vivaldi lijkt u nu plots een finaal slotspektakel te willen opvoeren. In tijden van enorm uitdagende geopolitieke spanningen is dat onverantwoordelijk.

Ik benadruk hier nogmaals dat het Vlaams Belang de bekommernissen en bezorgdheden van onze militairen ten volle deelt.

Voor de onderhandelende partijen heb ik nog volgende boodschap. Het militair beroep is zeer specifiek. De aantrekkelijkheid van dat beroep staat enorm onder druk en verdient daarom alle aandacht. Militairen staan dagelijks klaar voor onze veiligheid, op gevaar voor eigen lijf en leden. Zorg ervoor dat zij recht hebben (…)

Kjell Vander Elst:

Mevrouw de minister, u bent nu nog altijd verantwoordelijk voor de werking van ons leger. U bent nog steeds minister van Defensie, maar nu gedraagt u zich als een vakbondsmilitante. Terwijl Rusland in onze Noordzee aanwezig is, terwijl ons militair materieel met haken en ogen aan elkaar hangt, misbruikt u uw functie in lopende zaken, misbruikt u onze militairen, voor een zaak: pure populistische zelfbediening.

Ik heb zeer veel respect voor onze militairen. Ik heb zelfs respect voor hun bezorgdheden. Maar wat u vandaag doet, is cliëntelisme van de bovenste plank. Shame on you .

Philippe Courard:

Madame la ministre, merci. Merci pour tous les efforts que vous avez faits pendant cinq ans pour favoriser le déploiement du personnel militaire et civil. Dix mille personnes ont été engagées, c'est du jamais vu. On doit saluer ces efforts mais, comme cela a été dit, examiner le problème. Est-ce grave, sur le plan démocratique? Oui, c'est grave, d'empêcher les militaires de s'exprimer. C'est grave d'empêcher des Belges de pouvoir partager les difficultés, de s'opposer à des choses inouïes qui vont nuire gravement à la sécurité et à la paix. L'Arizona veut mitrailler le statut de nos militaires. Nous ne l'accepterons pas et nous serons aux côtés des militaires, vous pouvez compter sur le Parti Socialiste.

De pensioenbetoging en de grote ongerustheid over de toekomst van de pensioenen

Gesteld door

PS Marie Meunier

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 16 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marie Meunier en Karine Lalieux kritiseren de geplande pensioenmaatregelen van de toekomstige regering-Arizona, die pensioenen drastisch verlagen (malus bij vervroegd pensioen, strengere 35-jaarsvoorwaarde) en vrouwen onevenredig hard treffen (67% van degenen die de minimumpensioen verliezen zijn vrouwen, door loopbaanonderbrekingen). Ze benadrukken dat zware beroepen (brandweer, politie, onderwijs) extra worden gestraft, terwijl de huidige regering juist positieve hervormingen doorvoerde (kloof mannen/vrouwen verkleind, leeflonkosten verlaagd). Beide wijzen op massale protesten en een sociaal conflict door wat ze zien als een onterechte aanval op werknemers, terwijl bedrijven recordwinsten maken.

Marie Meunier:

Madame la ministre, lundi matin, malgré le froid, 30 000 personnes sont descendues dans la rue parce qu'elles craignent pour leurs pensions. Elles ne demandent pas la lune; elles demandent seulement à garder une pension décente. Le MR a déjà repoussé l'âge de la retraite à 67 ans et, maintenant, il veut de nouveau faire des économies sur le dos des pensionnés.

Ces travailleurs et ces travailleuses ont peur, madame la ministre, parce que ce qui se prépare est dramatique: un malus pour celles et ceux qui partent avant 67 ans à la retraite; des carrières plus longues pour les pompiers, les cheminots, les policiers – lesquels exercent des métiers pénibles et à risque. En outre, 80 % de femmes toucheront moins de pension avec la fameuse condition de 35 ans de travail effectif pour bénéficier de la pension minimum. Ceci est vraiment la mesure anti-femmes par excellence, puisqu'elles sont majoritaires à percevoir la pension minimum et que leur carrière est souvent incomplète étant donné que ce sont encore et toujours elles qui l'interrompent pour s'occuper des enfants ou des aînés. Je pense aujourd'hui à ces femmes, madame la ministre, qui se sont démenées pendant des années et qui ne pourront même plus prétendre au minimum minimorum pour vivre décemment leurs années de retraite.

Cette Arizona fait tout simplement froid dans le dos, madame la ministre. Elle s'est, au demeurant, déjà mise à dos les travailleurs et les travailleuses, toutes catégories confondues: le personnel des prisons, le monde de l'enseignement, les facteurs, le personnel des aéroports. Plus rares à battre le pavé, les militaires ont pris congé pour venir manifester. Vous voyez: ces métiers de la sécurité, qui sont chers au MR, sont aujourd'hui complètement abandonnés.

Madame la ministre, vous vous rendiez à cette manifestation lorsque vous avez été renversée. Du reste, j'espère que vous allez un peu mieux. Je ne vous pose pas la question de votre soutien aux travailleuses et aux travailleurs. Je voudrais plutôt entendre votre réaction aux mesures à venir, que les négociateurs n'ont pas l'air de vouloir abandonner.

Karine Lalieux:

Chers collègues, je partage entièrement les inquiétudes des milliers de travailleuses et de travailleurs qui étaient dans les rues de Bruxelles. Les mesures discutées par les partenaires du prochain gouvernement Arizona en matière de pensions ne sont qu'une multitude d'attaques frontales envers les travailleurs et plus particulièrement envers les travailleuses.

Pendant quatre ans, je me suis battue pour revaloriser les pensions de tous les travailleurs, pour réduire l'écart entre les pensions des hommes et des femmes, pour enfin, via un bonus, valoriser les travailleurs qui décident eux-mêmes de travailler plus longtemps que la pension anticipée. La Vivaldi a fait des réformes positives qui avaient également un impact direct sur le coût du vieillissement, en réduisant significativement celui-ci. Car oui, s'il y a un parti qui défend les travailleurs, c'est bien le Parti Socialiste.

C'est ce que souligne encore aujourd'hui dans la presse le professeur Yves Stevens de la KUL – qui n'est pas une université francophone. Pour la première fois, l'Arizona, par ses réformes, revient sur les droits des personnes proches de la pension, qui verront leur pension réduite de plusieurs centaines d'euros par mois ou qui seront obligées de travailler plusieurs années en plus. Je pense particulièrement aux enseignants et aux enseignantes qui étaient très nombreux dans la rue.

Cette régression sans précédent a un impact majeur sur les femmes, comme le soulignent les simulations réalisées par mon administration. Ainsi, à titre d'exemple, rien que pour la pension minimum, ce sont 39 000 des nouveaux pensionnés, soit un tiers d'entre eux, dont 67 % de femmes, qui n'auront plus accès à la pension minimum. Que les choses soient claires: il ne s'agit pas ici d'assistés, comme voudrait le faire croire l'Arizona, mais bien de personnes qui ont travaillé toute leur vie, mais en prenant soin d'un enfant ou d'une personne fragile.

Marie Meunier:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses. À en croire les discours de certains négociateurs, l'Arizona a fait le choix de la confrontation et du conflit social avant même sa naissance. Dont acte. Mais les travailleuses et travailleurs en ont assez de payer la facture tandis que les patrons et les actionnaires font des profits gigantesques. Les fonctionnaires en ont ras-le-bol de se faire traiter de paresseux et les femmes en ont assez d'assumer toutes les charges à la maison pour, en plus, s'appauvrir et galérer une fois la retraite arrivée. Vous savez, partir plus tôt à la retraite, quand on a combattu les flammes ou éduqué les enfants pendant des années, ce n'est pas un privilège. C'est un droit. Grâce à vous, madame la ministre, il y a eu des avancées mais ce futur gouvernement risque de tout détruire sur son passage et de faire un énorme bond en arrière pour les travailleurs et, comme vous l'avez dit, encore plus pour les travailleuses. Alors madame la ministre, une nouvelle fois, comptez sur nous pour les défendre.

De pensioenen van de militairen
Het pensioen van de militairen
De defensiebegroting
Militaire pensioenen en defensiebegroting

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Arizonacoalitie wil de pensioenleeftijd van militairen verhogen naar 67 jaar, wat volgens minister Dedonder en Robin Tonniau (oppositie) onhaalbaar is: fysieke eisen, rekruteringsproblemen en meerkosten (150 mln/jaar vanaf 2043) ondermijnen de operationele defensie. Dedonder benadrukt dat oudere militairen niet langer inzetbaar zijn en jongeren minder carrièrekansen krijgen, terwijl Tonniau wijst op internationale normen (56-57 jaar) en uitstroom naar andere sectoren. Beide bevestigen: langer werken = zwakkere defensie, tegenover de besparingsdoelen van Arizona.

Robin Tonniau:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, dit is een speciale periode, want u bent minister in lopende zaken, terwijl er regeringsonderhandelingen lopen om een nieuwe regering op poten te zetten. Het is echter duidelijk welke richting de arizonacoalitie uit wil. We hebben allemaal de supernota's van de heer De Wever gelezen. Arizona wil zwaar besparen op onze pensioenen en ook op de pensioenen van onze militairen.

Arizona wil besparen op de militaire pensioenen door militairen simpelweg te verplichten om langer aan het werk te blijven, alsof die militairen zomaar langer kunnen werken. Volgens mij kan men immers geen geloofwaardige defensie uitbouwen met 60-plussers. Daarenboven tast men zo ook de aantrekkelijkheid van het beroep aan, waardoor men minder militairen zal kunnen rekruteren. Onze militairen brengen nu al veel offers in hun familiale leven. Ze moeten steeds paraat zijn om op buitenlandse missie te gaan. Ze zijn vaak weg van huis. Er is geen kazerne meer in elke provincie. Die mensen brengen vandaag al veel offers.

Defensie berekende zelf dat drie keer meer militairen zullen vertrekken wanneer de pensioenleeftijd van vandaag 56 jaar zal opgetrokken worden naar 67 jaar. Ziet u al een militair ouder dan 60 rondlopen met een rugzak van 20 kilogram?

De militaire vakbond berekende dat de hogere lonen door de pensioenhervorming Defensie 225 miljoen per jaar extra zouden kosten. Zelfs zonder nieuwe uitgaven en nieuw materieel zou Defensie in 2035 nood hebben aan 31.000 militairen. Met de hervorming zouden we stranden op 22.000. Het is alsof wij we garage vol Ferrari's bouwen en geen bestuurders voorzien.

Mevrouw de minister, hoe staat u tegenover die pensioenhervormingsplannen van de arizonacoalitie?

Hoe kijkt u naar het feit dat Defensie meer geld zal uitgeven aan materieel en minder aan militairen, en dus zal besparen op hun pensioenen?

Kunt u een inschatting maken van de meerkost voor Defensie wanneer de pensioenleeftijd van de militairen effectief zou worden verhoogd naar 67 jaar?

Ludivine Dedonder:

Monsieur Tonniau, veuillez m'excuser, mais ma réponse sera apportée en français et en néerlandais, puisque d'autres auteurs étaient inscrits.

Gebaseerd op de ideeën uit de eerste nota van de federale formateur zou de pensioenleeftijd vanaf 2025 gradueel worden verhoogd, om in 2043 de leeftijd van 67 jaar te bereiken. De meerkosten voor de Staat, rekening houdend met de besparingen op de pensioenen, zou daardoor gradueel stijgen om in 2043 op ongeveer 150 miljoen euro op jaarbasis uit te komen. Voor de periode 2025-2043 zou dat neerkomen op een totaal van ongeveer 2 miljard euro.

Les prévisions budgétaires que je viens de décrire montrent clairement que les conséquences possibles d’une telle mesure sont préjudiciables à la transformation et à l’opérationnalité.

Outre le développement de nouvelles capacités grâce aux investissements prévus par la loi de programmation militaire, la transformation signifie, entre autres, changer littéralement la structure organisationnelle pour la rendre mieux adaptée à l’exécution de nos missions essentielles, qui sont la continuité des opérations à l’étranger, la défense collective et l’aide à la nation. C’est pourquoi, par exemple, des capacités qui ne font pas partie du cœur de métier du département, comme la restauration et la garde des quartiers, ont été externalisées lors de la précédente législature. Il s’agissait de tâches qui étaient typiquement prévues pour des militaires plus âgés, qui pourraient souffrir davantage d’inconfort physique. La Défense n’est donc tout simplement pas en mesure de déployer tous les militaires jusqu’à 67 ans.

Le métier de militaire, c’est aussi avant tout un métier dans lequel la préparation physique est d’une grande importance. Il est utopique de penser que l’on puisse demander la même chose aux militaires plus âgés sur le terrain qu’à leur jeunes collègues.

Enfin, une augmentation de l’âge de la retraite entraînerait des conséquences en chaîne sur les dispositions légales du statut de militaire. Par exemple, cela limiterait les possibilités d’évolution pour les jeunes militaires, qui se verraient freinés dans leur progression par la présence prolongée de militaires plus âgés restant en poste pendant dix ans de plus.

J'espère en tout cas que les négociateurs du nouveau gouvernement fédéral écouteront attentivement l’état-major de la Défense, ainsi que les syndicats, et qu’ils ne seront pas dogmatiques. Relever l’âge de la retraite à 67 ans se fera au détriment des efforts consentis et des résultats déjà obtenus au cours de la dernière législature sur la voie de la reconstruction de la Défense.

Il est essentiel de trouver un équilibre entre l’investissement dans le matériel et le soutien au personnel. Ces deux aspects interdépendants sont fondamentaux pour garantir l’efficacité opérationnelle et la pérennité de la Défense.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, uw antwoorden waren zeer duidelijk. Ik hoop dat de onderhandelende arizonapartijen goed hebben geluisterd. Uw berekening strandt op een meerkost van 150 miljoen euro per jaar voor Defensie vanaf 2043. Arizona bereikt daarmee het tegenovergestelde, namelijk een minder operationele Defensie. De privatisering van de bewaking van kazernes is al doorgevoerd, waardoor de jobs voor de oudere militairen reeds weg zijn. U zegt eigenlijk dat Defensie niet weet wat ze met die oudere militairen zal moeten aanvangen. Anderzijds zullen jongere, instromende militairen minder carrièrekansen krijgen binnen Defensie. Dat is niet onbelangrijk, gelet op de huidige grote uitstroom naar de politie, de brandweer en private beveiligingfirma’s. Het is eigenlijk onmogelijk om zo’n functie tot 67 jaar uit te oefenen.

In Italië kan men als militair op pensioen na een carrière van 40 jaar en 7 maanden. In Frankrijk kan een militair op pensioen vanaf de leeftijd van 47 jaar, naargelang de functie in het leger. In Duitsland lag de gemiddelde pensioenleeftijd van militairen in 2021 net boven de 57 jaar, wat vergelijkbaar is met de huidige situatie in België. De huidige pensioenleeftijd van 56 jaar is er ook niet via vogelpik gekomen, maar er werd overeengekomen dat militairen vanaf dan hun rust verdienen. De boodschap aan de arizonacoalitie is dus duidelijk: met het verhogen van de pensioenleeftijd van militairen bereikt men het omgekeerde van wat men beoogt.

Voorzitter:

Ik merk dat u en uw fractie er al naar uitkijken om oppositie te voeren tegen de arizonacoalitie. U zult echter nog even moeten wachten.

De stavaza betreffende de Duitse pensioenen voor Belgische voormalige militaire collaborateurs

Gesteld door

DéFI François De Smet

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vijf jaar na een resolutie om pensioenen van Belgische NS-collaborateurs uit de Tweede Wereldoorlog transparant te maken, blijkt juridische blokkade (RGPD, diplomatieke beperkingen) de uitvoering te belemmeren, ondanks eerdere Duitse datadelingen met Nederland over soortgelijke gevallen. Minister Van Tigchelt (Justitie) bevestigt dat het eerste luik (informatie bij Noordrijn-Westfalen) is uitgevoerd, maar wijst voor verdere stappen—met name datadeeling over 181 potentiële ontvangers—naar de bevoegde ministers van Pensioenen en Buitenlandse Zaken. De Smet dringt aan op hernieuwde druk op Duitsland, ondanks eerdere pogingen, en kondigt gelijkaardige vragen aan de andere betrokken ministers aan. Kernpunt: diplomatiek-juridische patstelling frustreert Belgisch streven naar historische verantwoording en transparantie over nazicollaboratiepensioenen.

François De Smet:

Il y a maintenant plus de cinq ans-le 20 mars 2019 exactement- que la résolution initiée par mon parti “visant à clarifier et à abroger le régime des pensions octroyées aux anciens collaborateurs militaires belges du régime national-socialiste allemand durant la Seconde Guerre mondiale” a été votée au Parlement.

Le 11 janvier 2023, votre prédécesseur avait répondu à ma collègue Sophie Rohonyi qu’il était impossible juridiquement d’échanger des données avec l’Allemagne et qu’au plan légal cet échange serait par ailleurs contraire au RGPD.

Il lui avait également été répondu que cela ne concernait que cinq personnes alors qu’une liste de 181 personnes d’anciens collaborateurs pouvant encore toucher une pension de l’Allemagne à ce jour .

Il est dommageable que cette résolution ne puisse être mise à exécution ( le volet 1. de son dispositif tout particulièrement ) d’autant que notre pays lui aussi- et je n’entends nullement minimiser le caractère diplomatiquement sensible du dossier- entend perpétuer le travail de mémoire de la Shoah et faire la clarté sur cet épisode douloureux de la collaboration que la Belgique a subi.

Je rappelle que “mutadis mutandis” les autorités néerlandaises ont reçu en décembre 2020 quant à elles de l’Allemagne les données relatives aux pensions de guerre versées aux ressortissants néerlandais entre 2015 et 2019.

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

si toutes les pistes juridiques ont été explorées avec les autorités allemandes afin de permettre l’accès et la transmission des données?

si il est confirmé à cet égard que les documents relatifs à ces échanges à caractère diplomatique ne peuvent pas être transmis en raison d’une exception visée à la loi du 11 avril 1994 relative à la publicité de l’administration?

Paul Van Tigchelt:

Cher collègue, cette problématique est bien connue. Je peux vous assurer que dans le cadre de nos compétences en matière de Justice, nous avons fait tout ce qui était en notre pouvoir pour mettre en œuvre cette résolution. Comme vous le décrivez dans votre question, cette résolution date en effet de 2019. Comme vous le mentionnez, nous avons été confrontés à des problèmes juridiques.

Le premier volet de la résolution a été mis à exécution. Je vous renvoie à ce propos aux informations communiquées par mon prédécesseur à l’occasion d’une précédente question parlementaire, que vous évoquez aussi dans votre question. Ces informations ont été communiquées par le ministère du Travail, de la Santé et des Affaires sociales du Land de Nordrhein-Westfalen (Rhénanie-du-Nord-Westphalie) au ministre des Affaires étrangères, conformément au point 1 de la résolution.

Concernant le deuxième volet de la résolution, les objectifs de l’échange d’informations sont liés au statut de pension des personnes concernées. Vu tout ce que nous avons déjà fait en cette matière, je dois, pour le surplus, vous renvoyer à la ministre des Pensions et au ministre des Affaires étrangères, qui sont également compétents pour cette matière.

François De Smet:

Monsieur le ministre, j’ai bien conscience que votre prédécesseur et vous-même avez tenté d’exécuter cette résolution, qui avait été portée par ma collègue Sophie Rohonyi voici quelques années. Je vous en remercie. Je crois qu’il faut vraiment faire le nécessaire pour insister auprès de l’Allemagne pour que ce dossier avance. Je poserai donc les mêmes questions à la ministre des Pensions et à celui des Affaires étrangères, même si le ministre de la Justice avait fait le suivi jusqu’ici. Je vous remercie.

De bijzondere pensioenstelsels bij onder meer de politie, het leger en de spoorwegen

Gesteld door

PS Sophie Thémont

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om twee hoofdthema’s: (1) de omstreden pensioenhervorming van de "Arizona-coalitie", die voor veiligheids- en openbare-dienstberoepen (politie, brandweer, militairen, spoorwegpersoneel) de pensioenleeftijd met 10 jaar opschuift en pensioenen met tot €936/mnd verlaagt, wat minister Lalieux (PS) en Sophie Thémont (sp.a) sociaal onaanvaardbaar noemen voor fysiek zware jobs, en (2) misbruik van parlementaire vragen over het Midden-Oostenconflict, waar PVDA-volksvertegenwoordigers volgens critici (o.a. Benoît Piedboeuf) herhaaldelijk dezelfde kwesties (Israël-sancities) inbrengen onder mom van "actualiteit", terwijl de Voorzitter benadrukt dat de lopende-zakenregering beperkt is tot acute crises. *Kern*: Pensioenaanval op vitale sectoren en politiek gekibbel over procedurele integriteit.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, imaginez-vous une conductrice de 66 ans démarrer son train à 4 h du matin. Imaginez-vous des pompiers de 66 ans éteindre le feu. Imaginez-vous des soldats de 66 ans partir en mission. Imaginez-vous des policiers de 66 ans poursuivre des narcotrafiquants.

Les représentants des travailleurs et le chef de la Défense sont très inquiets. Ils ont raison de l'être puisque, selon les informations qui leur reviennent, l’âge de la pension de ces travailleurs reculerait de dix ans. Dix années, c’est injustifiable. Or, ici, on parle de plusieurs milliers de travailleurs de l’État qui font un métier pénible et qui ne comptent pas leurs heures pour assurer notre sécurité et notre santé.

Partir à la pension, quand on a un métier pénible, ce n’est sûrement pas un privilège. Supprimer ce régime, c’est démotiver nos agents. Et quel signal? Quel signal envoyons-nous à tous ces jeunes qui rêvaient sans doute de rejoindre leurs rangs?

Madame la ministre, pendant quatre ans, nous, socialistes, et vous en particulier, nous avons fait rempart contre les attaques de la droite. Le réveil va être brutal dans ce désert de droits sociaux. Votre collègue de la Défense a d'ailleurs fait part de son inquiétude.

Madame la ministre, que pensez-vous de ces propositions surréalistes de la coalition Arizona telles qu’elles ont fuité dans la presse?

Voorzitter:

Collega's, mag ik u vragen om de sprekers uw volle aandacht te schenken?

Karine Lalieux:

Chers collègues, je ne peux que confirmer les réponses, qui ont été apportées par mon administration, aux différentes questions concernant l'impact des réformes avancées par la note du formateur.

En effet, alors que tout le monde s'accorde sur l'importance de renforcer les corps de métier qui assurent notre sécurité au quotidien, les propositions formulées attaquent frontalement les droits relatifs aux pensions tant des agents en place que des futurs agents. Je pense, tout comme vous, aux policiers, aux pompiers, aux militaires, mais également aux cheminots, qui font un travail remarquable pour garantir la sécurité du chemin de fer.

Avec les mesures envisagées par l'Arizona, ces hommes et ces femmes seront obligés de travailler plus pour une pension moindre, comme je l'ai annoncé pour les enseignants la semaine dernière. Ainsi, un militaire ou un cheminot, âgé aujourd'hui de 40 ans, devra travailler de 11 à 12 années en plus, tout en perdant jusqu'à 380 euros par mois. Un policier ou un pompier, du fait de la suppression des tantièmes préférentiels et du nouveau mode de calcul des pensions, verra sa pension diminuer de 936 euros par mois.

Dans la réforme que nous avons approuvée sous la Vivaldi, nous avions précisément veillé à préserver les droits des corps essentiels à la sécurité de toutes et de tous et leurs conditions de travail, comme l'ont d'ailleurs souligné les syndicats et le chef de l'armée. Leurs conditions de travail justifient du reste un régime particulier.

Il est à espérer, chers collègues, que la prochaine majorité n'avancera pas sur les propositions formulées au détriment des travailleurs et de notre sécurité à toutes et à tous, et qu'elle ne fera pas des pensions une simple variable d'ajustement budgétaire, comme je l'ai trop souvent entendu dire par la droite durant cette législature.

Sophie Thémont:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Il est vrai que nous avons besoin de services publics forts à l’heure où tout le monde réclame un renforcement de la sécurité, notamment. Vous l’avez dit, nous avons besoin de nos cheminots, de nos pompiers, et ils veulent sacrifier les travailleurs sur l’autel de l’austérité. C’est certainement comme cela qu’ils comptent valoriser le travail.

En tout cas, je pense que la coalition Arizona formera vraiment un gouvernement anti-services publics, de régression et de violences sociales. Nous utiliserons tous les moyens à notre disposition pour faire barrage à cette vague antisociale.

Voorzitter:

We merken dat er al vragen worden gesteld aan de volgende regering. Dat is erg interessant. Laten we erop rekenen dat ze ook zo snel mogelijk tot stand komt.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le président, je voulais revenir à cette séance de questions parce qu'il y a eu hier une longue commission avec des questions à la ministre Lahbib sur Israël, le Hezbollah, la Palestine, le Liban, etc. Et, au cours de cette matinée, le facétieux collègue Hedebouw a introduit une nouvelle question sur le sujet, alors que cela avait été débattu en long et en large la veille. L'argument utilisé pour que les services acceptent cette question, alors qu'il y avait eu un débat d'actualité, était que le point qui allait être évoqué, c'était l'évacuation du Liban.

Vous avez entendu la question comme moi. Cela n'a pas été évoqué du tout par M. Hedebouw qui en a évidemment profité pour faire la diatribe habituelle qui est captable et diffusable sur les réseaux sociaux. Cette question n'était donc pas une question d'actualité puisque l'actualité datait de la veille. À un moment donné, il faut mettre des limites et il faut aussi que les parlementaires soient honnêtes par rapport à la façon d'amener des questions d'actualité.

Voorzitter:

La parole est à M. Boukili, qui était présent hier lors du débat.

Nabil Boukili:

Oui, j'étais présent hier au débat et je vais me permettre de répondre à M. Piedboeuf, parce que mon collègue Hedebouw n'est pas encore de retour.

Je pense que la question avait tout d'une question d'actualité, monsieur Piedboeuf. Parce que les réponses de la ministre, hier, étaient insuffisantes sur une question centrale, qui est toujours d'actualité. Vous avez parlé de l'évacuation de la population au Liban. Mais s'agissant des massacres qui sont perpétrés aujourd'hui au Moyen-Orient et du génocide qui est en train d'être commis aujourd'hui au Moyen-Orient, il y a une question d'actualité à laquelle la ministre n'a toujours pas répondu depuis un an: pourquoi la Belgique ne prend-elle pas de sanctions contre l'État d'Israël? Cette question est toujours d'actualité parce qu'il n'y a toujours pas de réponse!

Voorzitter:

We hebben contact gehad met de PVDA-fractie. De kwestie die collega Piedboeuf aansnijdt, betreft een terechte vraag. We hebben de collega's van de PVDA gevraagd wat het nieuwe element is. Laten we eerlijk zijn, de toestand in het Midden-Oosten is spijtig genoeg van die aard dat men bijna elk uur een nieuw element kan aangrijpen. Dat maakt dat daar misbruik van kan worden gemaakt. Daar kan ook gebruik van worden gemaakt. Ik zal me daarover in dit concrete geval niet uitspreken. Ik wil er wel op wijzen dat de ingediende vraag en het thema dat daarin wordt aangesneden, de vraag hoort te zijn. We zullen de komende weken, zolang we een regering in lopende zaken hebben – hopelijk niet te lang –, natuurlijk een heel moeilijke vragensessie hebben. Laten we eerlijk zijn, het is vooral wanneer de regering wel iets doet dat dit vragen oproept in deze omstandigheden, eerder dan wanneer de regering niets doet. Eigenlijk kan de regering in lopende zaken alleen in acute omstandigheden optreden. Dat is een zeer moeilijk evenwicht. Ik spreek dan ook de hoop uit dat er binnenkort een regering met volheid van bevoegdheden bevraagd kan worden over toekomstige initiatieven of het gevoerde beleid.

De pensioenhervorming
De pensioenhervorming
Het vergrijzingsrapport, de pensioenhervorming en het relancegeld
Pensioenen, vergrijzing en relancegelden

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dreigende pensioen- en arbeidsmarkthervormingen ("Arizona-akkoord") die vrouwen onevenredig hard treffen: 320 euro pensioenverlies per maand voor de helft van de vrouwen door strengere voorwaarden (35 jaar effectief werken), afschaffing van voordelen zoals nachttoeslagen en pensioenminima, en extra sancties op deeltijdwerk. Minister Lalieux (PS) bevestigt dat 80% van de nieuwe gepensioneerden de minimumpensioen zou verliezen en waarschuwt voor verergering van vrouwenarmoede, vooral bij zorgberoepen (verpleegsters, leerkrachten) die nu al vaker deeltijds werken of loopbaanonderbrekingen nemen. Critici (Meunier, Hedebouw) hameren op de hypocrisie van onderhandelende partijen (Vooruit, CD&V, N-VA, MR, Les Engagés) die vrouwenrechten en sociale rechtvaardigheid ondermijnen, terwijl Samyn (N-VA) de schuld bij "socialistisch wanbeheer" legt en pleit voor regionalisering van pensioenen. De kern: het akkoord verergert bestaande ongelijkheid en dreigt vrouwen terug te werpen in financiële afhankelijkheid.

Marie Meunier:

Madame la ministre, être une femme aujourd'hui, malgré toutes les avancées obtenues ces dernières années, c'est encore gagner moins qu'un homme: 23 % de différence entre un homme et une femme pour un même job. C'est devoir travailler plus dur pour accéder à des postes dirigeants. Nous ne sommes que 17 % dans le top management en Belgique. C'est une heure et demie de travail en plus par jour pour s'occuper des enfants et du ménage. Et c'est presque une salariée sur deux qui est à temps partiel, rarement par choix, vous vous en doutez.

Les combats féministes et les combats pour l'égalité sont toujours nécessaires car, si les mesures qui fuitent dans la presse se concrétisent, ce sont bien les femmes qui vont trinquer avec l'Arizona. Je pense aux infirmières et aux soignantes. La suppression du sursalaire entre 20 h 00 et minuit pour le travail de nuit va leur coûter très cher. Je pense aussi aux institutrices qui, avec les mesures des Engagés et du MR, ne pourront plus être nommées et toucheront 50 % de moins sur leur pension. Je pense aux travailleuses des titres-services, qui ont un travail pénible, qui seront les premières victimes des sanctions de l'Arizona.

Puis, comme vous, madame la ministre, je suis effarée de lire qu'il faudrait demain trente-cinq ans de travail effectif pour avoir accès à la pension minimale. À nouveau, ce seront les femmes qui trinqueront car, oui, ce sont encore et toujours les femmes qui réduisent leur temps de travail et qui interrompent leur carrière pour s'occuper soit de leurs enfants, soit de leurs aînés. Et puis, il y a toutes celles qui sont épuisées et incapables de travailler jusqu'au bout car elles ont des métiers pénibles.

L'Arizona s'en prend même récemment à la représentation des femmes à des postes de direction dans les entreprises. Pensez-vous, madame la ministre, qu'on serait autant de représentantes féminines dans cet hémicycle si, à un moment donné, on n'avait pas imposé des quotas en politique? C'est ce qui arrive encore en 2024 quand cinq hommes négocient entre eux les questions des droits des femmes.

Madame la ministre, vous avez récemment fait part de vos craintes dans la presse. Où va-t-on? Quelles régressions nous attendent, nous les femmes?

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre, je pense sincèrement que les pensionnés figurent parmi les oubliés dans notre pays. Par rapport aux pays voisins, quand nous comparons avec la France et l'Allemagne, nos pensions sont les plus basses.

De gepensioneerden zijn echt wel de dupe in ons land. Wij hebben de laagste pensioenen in de regio, in vergelijking met Frankrijk en Duitsland. Het is gewoon niet genoeg om te leven. Ik vind het erg dat mensen in België naar een rusthuis willen gaan, maar dat niet kunnen betalen met hun pensioen. Dat kan toch niet, normaliter moet het pensioen toch hoog genoeg zijn om naar een rusthuis te kunnen gaan?

Il faudrait disposer d'une pension suffisamment élevée en Belgique pour pouvoir aller dans une maison de repos, car le problème est que c'est impayable. Or qu'apprenons-nous aujourd'hui? Les partis qui négocient l'Arizona, c'est-à-dire Les Engagés, présents ici, le MR – mais nous en avions évidemment l'habitude –, Vooruit, le cd&v et la N-VA…

Vooruit, cd&v en N-VA willen nog een malus op de pensioenen indienen. Dat zijn dus weer sancties. Ze willen weer de pensioenen verminderen. Dat is gewoon crazy!

De vrouwen zullen daarvan het eerste slachtoffer zijn. Zij hebben immers misschien niet een volledige carrière gewerkt omdat ze deeltijds hebben gewerkt of voor de familie hebben gezorgd.

Ce sont une nouvelle fois les femmes qui vont être victimes de cette politique antisociale qui va être menée par le MR, Les Engagés et tutti quanti .

Madame la ministre, j'ai entendu dire que vos services ont calculé les conséquences de cette super note de De Wever pour laquelle tout le monde autour de la table a marqué son accord. Cette dernière est déjà signée mais ils attendent les élections pour pouvoir la faire passer.

Quels sont, madame la ministre, les chiffres qui ont été calculés par votre administration? Vous avez dit dans la presse que 52 % des femmes pourraient en être victimes, avec un malus de 320 euros par mois. Cette somme est quand même énorme! Pouvez-vous confirmer ces chiffres et éventuellement me dire ce que vous en pensez?

Ellen Samyn:

Het is weinig verbazend dat ook dit jaar het rapport van de Vergrijzingscommissie weinig geruststellend is, wat de impact van de vergrijzing op de overheidsfinanciën betreft. Zelfs na de zogenaamde pensioenhervorming van de vivaldiregering zijn de vooruitzichten van de Vergrijzingscommissie nog pessimistischer dan in 2023. Bij ongewijzigd beleid zullen tegen 2050 de kosten van de vergrijzing 30 % van het bbp uitmaken.

U zou zich een beetje kunnen verschuilen achter de lopende zaken, maar uw partij zit al decennialang aan de knoppen. De afgelopen 35 jaar leverden de socialisten maar liefst 12 ministers van Pensioenen. Dan weet u hoe laat het is. Jullie, socialisten, zijn verantwoordelijk voor het wanbeheer, de financiële puinhoop en het achterlaten van een oeverloos ingewikkeld pensioenstelsel, met verschillende statuten, pijlers, berekeningswijzen en gunstregimes.

Mevrouw de minister, u weet net als ik dat die pensioenhervorming van Vivaldi slechts een druppel op een hete plaat was. Er is niets gedaan om de betaalbaarheid van onze pensioenen te garanderen. Er is niet geluisterd naar de experten. De jaarlijkse rapporten van de Vergrijzingscommissie zijn ergens verdwenen in een lade waar ze stof vergaren.

U bleef zoals steeds positief, ook wat het relancegeld betrof. België kreeg recent een eerste schijf uitbetaald, maar een deel daarvan, 26 miljoen euro, wordt bevroren omdat de gevraagde pensioenhervorming tekortschiet.

De huidige Commissie geeft België zes maanden de tijd om de financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel te verbeteren. Ik ben benieuwd naar uw plan van aanpak.

Voorzitter:

Madame la ministre, vous disposez de cinq minutes pour votre réponse.

Karine Lalieux:

Monsieur le président, chers collègues, je vous remercie pour l'ensemble de vos questions qui me permettront de partager vos inquiétudes.

Il est vrai que ces quatre dernières années, le gouvernement de la Vivaldi a voulu des réformes des pensions positives. Positives pour les travailleurs, pour améliorer la qualité de vie des aînés, pour soutenir l'emploi et surtout pour réduire le gap entre les pensions des femmes et celles des hommes. C'était un vrai combat contre les inégalités persistantes dont les femmes sont encore victimes aujourd'hui. Ces femmes ont des carrières plus irrégulières, parce qu'elles travaillent à temps partiel, parce qu'elles s'occupent des enfants et des personnes en situation de handicap. Ce n'est pas moi qui le dis, ce sont les statistiques de Statbel. Et c'est le cas partout en Europe.

J'ai pu lire avec effroi les nouvelles conditions qui seraient imposées par les partis de la Vivaldi: 35 années effectives de travail pour l'accès à la pension anticipée et à la pension minimum; suppression de la pension de survie; suppression des tantièmes préférentiels. Mon administration, sur la base de questions parlementaires, monsieur Hedebouw, a calculé et estimé les conséquences de ce type de décisions. Il en ressort que 80 % des nouvelles retraitées, du train de retraitées de cette année, auraient été exclues de la pension minimum s'il fallait 35 années de carrière effective, c'est-à-dire une perte de 500 euros par an. Une femme sur deux, comme vous l'avez dit, verrait sa pension réduite de 320 euros par mois si elle prenait sa pension anticipée; en effet, en plus des 35 années de carrière effective, un malus est introduit – il était voulu d'ailleurs, même quand j'ai voulu faire ma réforme des pensions. Donc même si on travaille 42 ou 43 ans, avec la pension anticipée et le malus, on a 320 euros par mois en moins.

Une institutrice, statutaire, perdrait un tiers de sa pension tout en devant travailler deux années supplémentaires. Attention, je ne parle pas ici de femmes oisives, mais de femmes qui ont travaillé, sans doute à temps partiel, des femmes qui ont fait des pauses-carrières, qui ont eu des métiers pénibles comme les aides-soignantes, les infirmières, nos institutrices, nos puéricultrices, qui perdront effectivement beaucoup de leur pension.

Les conséquences seront catastrophiques pour les femmes, amenant à une pauvreté de nos aînées, surtout si elles se retrouvent seules.

Mevrouw Samyn, eerst en vooral wil ik erop wijzen dat de Europese Commissie 627 miljoen euro aan België heeft betaald in het kader van het relanceplan. In dit stadium wordt 31 miljoen euro opgeschort omdat Europa van oordeel is dat de pensioenhervorming niet de verwachte resultaten oplevert, in tegenstelling tot de analyse die de regering hun heeft bezorgd op basis van de cijfers van het Federaal Planbureau.

Hoe het ook zij, dit bedrag is niet verloren en het is aan de volgende regering om de nodige maatregelen te nemen, maar ik hoop dat dat zal gebeuren zonder dat dat ten koste gaat van de werknemers. U weet dat de regering in lopende zaken geen nieuwe maatregelen kan nemen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, nous sommes malheureusement bien d’accord. L’Arizona sera un gouvernement qui méprise les femmes, un gouvernement qui va faire table rase des avancées que vous aviez obtenues pour les femmes. Bref, ce sera un gouvernement qui n’entendra pas les femmes, alors que nous, nous savons ce que les femmes veulent.

Elles veulent un salaire égal. Elles veulent des pensions égales à celles des hommes. Elles veulent concilier leur vie privée et leur vie professionnelle. Elles veulent disposer librement de leur corps. Elles veulent que cessent toutes les violences à leur encontre. Comptez sur nous pour les défendre!

Voorzitter:

Madame, merci pour votre première intervention dans cet hémicycle. (Applaudissements)

Raoul Hedebouw:

Mevrouw de minister, ik dank u voor de cijfers. U zegt hier duidelijk dat het akkoord tussen Vooruit, cd&v en de N-VA voor 50 % van de vrouwen een verlies van 320 euro per maand aan pensioen zal betekenen. Ik kan dat niet begrijpen. Ik begrijp dat van de N-VA. Bij de N-VA moeten de gepensioneerden steeds betalen. Dat is logisch, want de N-VA rijdt voor de rijksten. Collega's van cd&v en Vooruit, daarmee kunt u toch niet akkoord gaan? Het gaat over 320 euro minder voor de vrouwen. Zij zijn de eerste slachtoffers van dergelijke maatregelen.

Het akkoord ligt op tafel, het is bijna ondertekend. Wij kunnen nog druk uitoefenen zodat het arizona-akkoord in de vuilnisbak gegooid wordt. Komende zondag is een belangrijk moment. Dan kunnen mensen zeggen dat ze dat arizona-akkoord niet willen. Het werd voor een paar weken in de frigo gestoken. Als er zondag een duidelijk linkse stem uit de bus komt, dan is dat een signaal dat een dergelijk negatief akkoord er niet mag komen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, het is een beetje bizar dat u niet echt wakker ligt van dat relancegeld, aangezien België slechts zes maanden tijd heeft. De pensioenhervorming had een hoofdstuk kunnen zijn uit Kroniek van een aangekondigde dood . U kent onze mening, deze hervorming biedt geen enkele garantie aan de jeugd op een degelijk pensioen. En de ouderen, die heel hun leven keihard hebben gewerkt, krijgen een aalmoes van een pensioen en kunnen zelfs hun rusthuisfactuur niet betalen. Ik hoop dat de huidige Vlaamse onderhandelaars voor een federale regering hebben geluisterd naar wat de Vlamingen echt willen, namelijk een ander en beter beleid, dus een beleid zonder socialisten. Zij willen een degelijke pensioenhervorming. Zij willen dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een fiscale en arbeidsmarkthervorming. Zij willen Vlaams geld in Vlaamse handen, met een eigen sociale zekerheid.